Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304.

Censuur in Nederland ©

Stockholmsyndroom

To whom it may concern

Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel

Project bijbanen rechterlijke macht op internet

Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd

Project bijbanen bestuurders Nederlandse gemeenten op internet

Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen

Schriftelijke Aanwijzing

Project bijbanen raadsgriffier op internet

Project bijbanen gemeentesecretaris op internet

Project namen en nevenfuncties commissie bezwaarschriften op internet

Innovatief en toekomstgericht: Project 31

Project beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger

 

 

 

De zaak Hop

In strijd om afschrift contactjournaal gezinsvoogd werd door jeugdzorg een advocaat met baantjes bij kerk en school ingezet! (427) (137) (51)
www.burojeugdzorg.nl/50.htm Strijd om afschrift contactjournaal geeft prima inzicht in de mentaliteit die heerst in de "jeugdzorg"
www.burojeugdzorg.nl/636.htm VERZOEK afschrift compleet contactjournaal "jeugdzorg"
www.burojeugdzorg.nl/255.htm BEZWAARSCHRIFT tegen BESLUIT weigering afschrift compleet contactjournaal "jeugdzorg"
www.burojeugdzorg.nl/637.htm VERZOEK afschrift compleet contactjournaal Raad voor de Kinderbescherming
www.burojeugdzorg.nl/170.htm BEZWAARSCHRIFT tegen BESLUIT weigering afschrift compleet contactjournaal "RvdK"

 

 

 

(178) Pim Fortuyn : "Als mij wat gebeurd, dan zijn zij, politici van Paars, medeverantwoordelijk. Zij hebben het klimaat gecreëerd en dat moet stoppen" 

Pim Fortuyn: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"

 

Toelichting officier van justitie ter terechtzitting rechtbank te Amsterdam in de strafzaak verdachte moord Fortuyn op 9 augustus 2002



ARRONDISSEMENTSPARKET TE AMSTERDAM

parketnummer 13/123078-02

Toelichting van de officier van justitie ter (pro forma) terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam d.d. 9 augustus 2002 in de strafzaak tegen

Verdachte,
thans gedetineerd in de P.I. Over Amstel te Amsterdam.

President, Edelachtbaar College,

inleiding
Aan de verdachte is een voorlopige dagvaarding uitgereikt. Daarin worden hem drie misdrijven ten laste gelegd. Hij heeft zich op 6 mei 2002 schuldig gemaakt aan:
moord of doodslag op de heer W.S.P.Fortuyn, door middel van pistoolschoten, al dan niet in vereniging met (een) ander(en) gepleegd;
bedreiging met een misdrijf tegen het leven, van twee achtervolgers door vanuit zijn jaszak een vuurwapen op hen te richten;
het voorhanden hebben van een pistool en 45 patronen.
publiciteit en informatiebehoefte
De gewelddadige dood van de heer Fortuyn heeft de rechtsorde in zeer ernstige mate geschokt. Door de persoon van het slachtoffer, het moment en de politieke context van de aanslag op zijn leven, de grote commotie die het misdrijf teweeg heeft gebracht, en de aanhoudende zwijgzaamheid van de verdachte, is er vanaf 6 mei jl. een enorme run op informatie ontstaan. Die is nog steeds niet opgehouden.
Werkelijk álles was (en is) nieuws. Tal van speculaties, zogenaamde feiten, beweringen en theorieën zijn geuit. Niet zelden zijn die - ook wel ten onrechte - in de mond van het OM gelegd. En bij dit alles heerste intussen in de samenleving enig onbegrip voor het feit dat het OM desondanks nauwelijks inhoudelijke informatie over het onderzoek naar buiten wilde brengen.
Het OM heeft echter meerdere belangen tegelijk te dienen, zoals die van een zorgvuldige rechtspleging, de nabestaanden/slachtoffers, een kansrijk opsporingsonderzoek, en voorlichting. En daarom moest bij de keuze van wel of geen voorlichting een belangenafweging worden gemaakt. Er is vanaf het begin voor gekozen dat het belang van het onderzoek waarvoor ik als officier van justitie verantwoordelijk ben, boven alles moet gaan. Hiermee bedoel ik twee dingen.
Ten eerste dat vóór alles een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek antwoord zou moeten geven op een aantal vragen: is de verdachte ook daadwerkelijk de dader? Waarin bestond zijn betrokkenheid precies? Wat heeft hem gedreven? En sinds wanneer? Waren bij het beramen, of bij de aanloop naar de fatale schoten één of meer anderen betrokken? Of hadden één of meer anderen in ieder geval wetenschap dat dit stond te gebeuren?
En in de tweede plaats bedoel ik met "het belang van het onderzoek gaat voor alles" dat, áls de verdachte schuldig kan worden bevonden, niets in de weg moet hebben gestaan aan een juiste straftoemeting.
Er is steeds voor gekozen dat voorlichting door het OM gegeven zou kunnen worden, afhankelijk van de stand van het onderzoek op één of meer van de genoemde punten. Natuurlijk: deze zaak heeft de rechtsorde zozeer geschokt dat door voorlichting onnodige onrust in de samenleving zou kunnen worden weggenomen. En de vele maatschappelijke reacties gaven regelmatig aanleiding om informatie te geven over de inspanningen van de politie en het OM. Maar toch is het OM terughoudend gebleven; ik wil in de zittingzaal niet een terecht verwijt krijgen dat het OM heeft bijgedragen aan de publieke veroordeling van de verdachte, nog voordat Uw rechtbank een vonnis heeft uitgesproken.

ernstige bezwaren tegen de verdachte
Maar de stand van het onderzoek op dit moment, en het belang van openbaarheid, rechtvaardigen dat ik vandaag kort uiteenzet welk bewijs tot op dit moment tegen de verdachte is verzameld. De openbare terechtzitting is bij uitstek de plaats om daar aandacht aan te besteden, ook al wordt de zaak vandaag niet inhoudelijk behandeld. Het is ook niet ongebruikelijk om in een pro-formazitting de 'ernstige bezwaren' op te sommen, die moeten leiden tot voortzetting van de voorlopige hechtenis tot de volgende zitting.

Voor de verdenking van moord of doodslag, alsmede de bedreigingen en het vuurwapenbezit, bestaan op dit moment de volgende ernstige bezwaren tegen de verdachte:
drie getuigen hebben de verdachte vanaf het moment dat hij de heer Fortuyn neerschoot, tot kort voor het moment van zijn aanhouding, achtervolgd. Zij liepen in wisselende samenstelling. De chauffeur van Fortuyn zat kort na 18.00 uur in de auto van Fortuyn te wachten, toen hij ineens een man met een petje op Fortuyn zag schieten. De afstand was heel kort. Hij rende meteen achter de man aan, belde met het alarmnummer 112 en gaf door waar zij liepen. Hij heeft de man met het petje de hele tijd goed in zicht gehad, op af en toe enkele seconden na. Tijdens de achtervolging heeft de man een paar keer zijn pistool op deze getuige gericht. Op een gegeven moment zag hij van twee kanten politie aankomen, één met een hond en één met een getrokken pistool. Toen wist hij dat het goed zou komen met de aanhouding.
De NPS-studiochef liep ter hoogte van het NPS-gebouw op het Mediapark. Hij hoorde schoten, snel achter elkaar, en zag kort daarna een man komen aanrennen, achtervolgd door een tweede man in een zwart pak, en een derde man. Hij rende mee achter de eerste man aan, en zag dat deze steeds zijn rechterhand in zijn jaszak hield. Deze getuige staakte zijn achtervolging even toen de man zich omdraaide en zijn hand in de jaszak dreigend omhoog duwde. Hij zette zijn achtervolging voort toen de man weer wegrende. Even later stopte de studiochef, ging naar zijn auto terug, belde de politie, en gaf door dat de man een spijkerjack, een zonnebril en een petje droeg. Nadat hij met zijn auto via-via de Sumatralaan was ingereden zag hij de eerste man weer aan komen lopen. Hij wees een aanrijdende politiebus op deze eerste man en zag even later dat deze op de Lage Naarderweg door de politie werd aangehouden.
De derde getuige is een medewerker van de VPRO/NPS. Hij liep op het Mediapark richting de hoofduitgang, toen hij snel achter elkaar knallen hoorde. Even later zag hij een man. Deze liep 'opvallend onopvallend', alsof hij betrapt was en wilde rennen. De man droeg een zonnebril en een pet, en was vrij klein. Toen de man met de pet begon te rennen, zette deze getuige de achtervolging in, samen met een man in een donker pak, die riep dat deze man Pim Fortuyn had neergeschoten. Toen even later een politiebus naderde, wees de getuige de richting aan.
Deze drie getuigen hebben hun verklaringen inmiddels gedetailleerd bevestigd bij de rechter-commissaris. Wanneer deze verklaringen in onderlinge samenhang worden gelezen, kan de conclusie worden getrokken dat de verdachte vanaf het moment dat hij Fortuyn neerschoot, onafgebroken door is achtervolgd totdat hij door de politie werd overmeesterd.
De verdachte werd om 18.12 uur door politieagenten aangehouden. Toen hij op zijn buik lag zei hij desgevraagd dat hij een vuurwapen in zijn rechter jaszak had. De politie trof daarin een geladen pistool aan. De hamer was gespannen.
Verdachte droeg bij zijn aanhouding o.a. een blauwe baseballpet, een donker jack, en latex handschoenen aan zijn handen. Drie agenten die bij de aanhouding betrokken waren, hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte ook een zonnebril bij zich had.
Op de latex handschoenen en de mouwen van het jack zijn schotrestsporen aangetroffen. Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat aan de buitenzijde van de rechter handschoen in totaal ongeveer 325 schotrestdeeltjes zaten, en aan de buitenzijde van de linker handschoen ongeveer 820 schotrestdeeltjes.
Ook werden op het door verdachte gedragen jack schotrestsporen aangetroffen: o.a. op de beide mouwen totaal zo'n 71 schotrestdeeltjes.
De conclusie luidt dat er "een relatie tussen verdachte en een schietproces is aangetoond".
Ook op de aangetroffen munitie is onderzoek verricht. Het NFI heeft vastgesteld dat de zes hulzen op de plaats van het misdrijf afkomstig zijn van pistoolpatronen van het kaliber 9 mm Parabellum. Deze patronen zijn - zuiver technisch gesproken - zeer waarschijnlijk verschoten met het onder verdachte in beslag genomen pistool.
Deze drie onderzoeksresultaten voegen bij de overige bewijsmiddelen belangrijk bewijs toe. Zij tonen aan dat de verdachte voldeed aan het signalement van de dader, en dat hij een nog op scherp staand pistool bij zich droeg, waarmee de dodelijke kogels zeer waarschijnlijk zijn afgevuurd. En ze rechtvaardigen de conclusie dat hij zóveel schotrestsporen op zijn handschoenen en mouwen had, dat hij bij een schietproces betrokken moet zijn geweest; naar mijn overtuiging zelfs dat hij zelf met het pistool geschoten heeft.
Uit DNA-onderzoek van het NFI blijkt dat op het pistool van de verdachte een bloedspoor is aangetroffen. Het DNA-profiel van het bloed komt overeen met dat van het slachtoffer de heer Fortuyn. Ook heeft het NFI op de linker broekspijp van de verdachte celmateriaal aangetroffen. Het DNA-profiel hiervan komt ook overeen met dat van de heer Fortuyn.
Gegeven de eerder genoemde getuigenverklaringen, en de schotrestsporen op de handschoenen en mouwen, trek ik hieruit de conclusie dat het de verdachte zelf was die Fortuyn van zeer dichtbij heeft doodgeschoten, en niet iemand anders.
Bij de verdachte werd een autosleutel (Toyota) aangetroffen. Deze bleek te passen op een afgesloten rode Toyota Starlet, die op zijn vluchtroute in de Celebeslaan stond geparkeerd. De auto stond op naam van Van der G. In deze auto werden goederen aangetroffen die m.i. (kunnen) wijzen op een geplande actie: zo lagen er op de bijrijderstoel een plattegrond van de woonomgeving van de heer Fortuyn, een routebeschrijving en een plattegrond van het Mediapark, en een formulier met de handgeschreven notities "tussen 4 en 6" en "6 mei Ruud de Wild.nl".
Bij de verdachte thuis werd een computer in beslag genomen. Het internetgedrag op deze computer is onderzocht. Ontdekt werd dat op deze computer al weken tevoren vele uren lang was gezocht op de naam "fortuyn". Recent was doorgesurft naar een site waarop te lezen is dat de heer Fortuyn op 6 mei 2002 een interview zou hebben met Ruud de Wild. Verder bleek dat op de avond van 5 mei 2002 met deze computer nog gezocht was naar een plattegrond van het Mediapark en het Audiocentrum van Radio 3FM.
Deze bevindingen dragen bij tot de verdenking dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

stand van het onderzoek
Door velen is de vraag gesteld waarom de behandeling van deze strafzaak niet nu al zou kunnen plaatsvinden, maar moet worden aangehouden voor maximaal drie maanden, nu er al zoveel bewijs tegen de verdachte is verzameld. Is er dan nog zoveel onderzoek te verrichten?

Natuurlijk speelt in dit onderzoek een belangrijke rol dat het OM zo veel mogelijk vastgesteld wil zien òf bij de beraming van de dood van Fortuyn iemand anders strafrechtelijk betrokken is geweest. We willen niet over enkele jaren nog worden geconfronteerd met theorieën of gezichtspunten, die nu al geopperd of bekend (kunnen) zijn, en waarvan dan blijkt dat ze niet zijn onderzocht.
Eén team van opsporingsambtenaren heeft omvangrijk onderzoek ingesteld naar de verschillende strafrechtelijke aspecten van de aanslag op de heer Fortuyn. Dit onderzoek is nog niet geheel voltooid. Ik kan daar op dit moment het volgende over opmerken:
Het onderzoek naar de herkomst van het bij verdachte aangetroffen vuurwapen is nog gaande. Op de patroonhouder van verdachtes pistool is celmateriaal aangetroffen. Het DNA-profiel daarvan komt niet overeen met dat van de verdachte, maar wel met een DNA-profiel dat is aangetroffen bij een ander misdrijf (gepleegd in december 2001). In het belang van het onderzoek kan ik nog niet zeggen waar en bij welk misdrijf het DNA-profiel is aangetroffen. Er ligt dus een relatie tussen iemand die bij dat andere misdrijf is betrokken geweest, en de verdachte Van der G, althans zijn pistool.
Ook vindt nog onderzoek plaats bij het Belgische bedrijf dat het pistool als laatste geleverd heeft gekregen.
Het onderzoek naar de grondsporen op de handen van verdachte is nog niet afgerond. Nu hij geen enkele verklaring aflegt, en zijn bewegingen op 6 mei 2002 vanaf het begin van de middag tot 18.06 uur (melding schietpartij) onbekend zijn, roepen deze sporen de vraag op: waar heeft hij zich tot kort vóór de moord op Fortuyn opgehouden, en met wie? En ook is het nodig te weten op welke plaatsen de verdachte zich de voorafgaande drie dagen heeft opgehouden, en met wie.
Ten slotte, bij de doorzoeking van de woning en garage van de verdachte en zijn vriendin op 24 juni jl. zijn chemicaliën en andere voorwerpen aangetroffen. Daarover is publiekelijk veel onrust ontstaan. In het NOS-journaal van afgelopen dinsdagavond werd als mededeling van het OM naar voren gebracht dat er géén explosieven waren aangetroffen. Dit accent op deze huiszoekingsresultaten is helaas niet juist weergegeven, door welke oorzaak ook. Ik noem dit aspect hier, hoewel het bezit van deze voorwerpen (nog) niet in de tenlastelegging is opgenomen, om twee redenen: ten eerste omdat er desondanks een serieus onderzoeksbelang is met betrekking tot deze voorwerpen, en ten tweede om de publieke onrust en onduidelijkheid weg te nemen. De feiten zijn deze:


bij deze doorzoeking werd in de garage een kunststof container gevonden, met daarin een aantal flessen met zwavelzuur, zoutzuur, condooms met een mengsel van suiker en kaliumchloride, en enkele andere nog niet bekende stoffen. In deze container lagen ook: een zogenoemde 'time power unit' (bestaande uit een kookwekker, elektriciteitssnoer en stekkers), plakken lood, en laboratoriumglaswerk.
buiten deze container stond een glazen pot met capsules met rubberen dop, en koperen leiding met een holle kern.

Kort na het aantreffen van deze stoffen gaf een deskundige van het Explosieven Opruimings Commando van de Koninklijke Landmacht, die uit oogpunt van veiligheid was ingeschakeld, als voorlopig standpunt dat de aangetroffen middelen gebruikt zouden kunnen worden voor het vervaardigen van een brandbom of een explosief. Dit maakte uiteraard nader onderzoek door het NFI noodzakelijk. Tot op heden heeft het NFI slechts een voorlopig rapport kunnen opmaken, waarin enkele stoffen zijn beschreven. Ik beschik nog niet over een rapport van het NFI waarin conclusies worden getrokken over de toepassingsmogelijkheden van de aangetroffen stoffen en voorwerpen. Nader onderzoek op dit punt is noodzakelijk om te kunnen vaststellen of het bezit van deze stoffen en voorwerpen strafbaar is.
Toch is het onderzoek naar de feiten niet het enige waarom de behandeling moet worden aangehouden.

Ten tweede namelijk heeft de verdediging om nader onderzoek gevraagd. Er zullen in ieder geval nog vier getuigen door de rechter-commissaris worden gehoord, en er ligt een brief van de rechter-commissaris waarin hij het verzoek om één bepaalde getuige te horen heeft aangehouden tot hij over meer informatie beschikt. Tenslotte heeft de rechter-commissaris het verzoek om nog 18 andere getuigen te horen afgewezen. Ik verwacht dat de verdediging dit verzoek vandaag geheel of gedeeltelijk zal willen herhalen, waarop Uw rechtbank dan zal beslissen.
In de derde plaats ligt bij de rechter-commissaris sinds 8 mei 2002 nog steeds mijn vordering om binnen het gerechtelijk vooronderzoek gedragsdeskundigen te benoemen om te rapporteren over de persoon, de omstandigheden en de geestvermogens van de verdachte te rapporteren. Een deskundige van de Forensisch Psychiatrische Dienst heeft op 14 juni jl. aan de rechter-commissaris gerapporteerd dat deze benoeming niet zinvol is zolang de verdachte geen inhoudelijke verklaring wil afleggen. Omdat de verdediging in haar correspondentie met de rechter-commissaris - laatstelijk nog in een brief van 3 juli jl. - heeft aangegeven dat de verdachte op enig moment in het vooronderzoek een verklaring wil en zal afleggen, handhaaf ik mijn verzoek tot benoeming van gedragsdeskundigen. Tenslotte, in de vierde plaats moet het dossier nog gecompleteerd worden met diverse recente onderzoeksresultaten. Daarbij gaat het om stukken die van belang kunnen zijn voor enigerlei door Uw rechtbank later in deze strafzaak te nemen beslissing. Ik verwacht - mede gezien de lopende vakanties - dat het zittingsdossier binnen ongeveer vier weken zal zijn aangevuld met deze stukken.

vordering
Om de bovengenoemde vier redenen is deze zitting aangekondigd als een pro-formazitting waarop de zaak nog niet inhoudelijk zal worden behandeld. En om diezelfde redenen vorder ik dat U het onderzoek zult schorsen voor een periode van meer dan een maand, en maximaal drie maanden. Behandeling binnen een maand is niet mogelijk vanwege de klemmende reden dat het onderzoek niet binnen die termijn zittingsklaar zal zijn.

Het bevel tot voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd. Er zijn immers voldoende sterke verdenkingen tegen de verdachte, en ook de gronden voor voorlopige hechtenis zijn nog volop aanwezig: ik doel daarbij op
de ernstig geschokte rechtsorde (door feit 1),
het onderzoeksbelang dat voorarrest noodzakelijk maakt, en
de gerechtvaardigde vrees dat, als verdachte op vrije voeten zou zijn, hij een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.

Amsterdam, 9 augustus 2002,

J.Plooy,
officier van justitie.

 

 

 

Requisitoir hoger beroep: "Verdachte heeft een politieke moord gepleegd en daarbij past een levenslange gevangenisstraf"

 

04-07-2003 
Inleiding

Verdachte heeft een politieke moord gepleegd en daarbij past een levenslange gevangenisstraf.

Dat is het standpunt van de officier van justitie en daarom is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar.
Waarom die straf en de motivering daarvan geen recht doen aan wat hier is gebeurd en op welke gronden het openbaar ministerie tot een andere afweging komt dan de rechtbank zal ik hierna uiteen zetten.
Ik stel daarbij voorop dat het vonnis van de rechtbank een heldere en gewetensvolle keuze bevat. Ik meen dan ook dat de rechtbank onrecht wordt gedaan door degene die dit een decadent vonnis noemt. (Vrij Nederland d.d. 28 juni 2003).
Dat het openbaar ministerie er geen enkele behoefte aan heeft om buiten hetgeen zich in de rechtszaal afspeelt van de raadsman van benadeelde partijen te vernemen wat het zou moeten doen moge duidelijk zijn. Ook hier wordt daarvan afstand genomen.

Voorvragen

Preliminaire verweren zijn ook in hoger beroep niet gevoerd.
Ambtshalve bestaat evenmin aanleiding tot nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechter, niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel schorsing van de vervolging.

Bewijs

Voor het onder 1, 2 en 3 telastegelegde is verdachte veroordeeld. Wat het bewijs betreft van het feitencomplex dat zich op 6 mei 2002 heeft voorgedaan kan ik kort zijn. Ik volsta met verwijzing naar de door de rechtbank genoemde en door de verdediging niet betwiste bewijsmiddelen, waaruit de bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 telastegelegde volgt.

Van het onder 4 telastegelegde heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken. Ook daartegen is het appèl gericht. Met de officier van justitie acht ik de strafrechtelijke bestemming van de op 24 juni 2002 in de garage van verdachte inbeslaggenomen voorwerpen wel bewezen.
De redenen waarom zijn door de officier van justitie helder uiteengezet in de appèlmemorie. Ik sluit mij daarbij onverkort aan en verwijs naar de betreffende passage in de appèlmemorie, die door mij is voorgedragen bij de toelichting van de reden van het appèl.

Daaraan voeg ik nog het volgende toe.
Ter zitting van het hof wil verdachte de explosieve condooms plaatsen in een onschuldig vuurwerkkader. Waar anderen rotjes afsteken bij een feestelijke gelegenheid vuurt hij condooms af.
Daarbij doet wel vreemd aan dat verdachte deze explosieven, ongeveer 40 stuks, gefabriceerd heeft begin negentiger jaren in een depressieve periode. En voorts dat het volgens verdachte bij een vijftal proeven is gebleven en gedurende lange jaren kennelijk geen enkele feestelijke gelegenheid aanleiding heeft gegeven tot het afsteken van de 35 resterende feestcondooms.
En tenslotte dat hij die condooms wel tien jaar later mee heeft verhuisd van Wageningen naar Harderwijk. Dat alles maakt de onschuldige vuurwerksetting allerminst aannemelijk.

Ik ben dan ook met de officier van justitie van mening dat verdachte ten onrechte van het onder 4 telastegelegde is vrijgesproken en dat alsnog bewezenverklaring zou moeten volgen.
Daarbij wil ik op voorhand opmerken dat ik het al dan niet bewezen zijn van het onder 4 telastegelegde niet relevant acht voor de vraag of tijdelijke dan wel levenslange gevangenisstraf zou moeten volgen. Bij die vraag gaat het om het gebeuren op 6 mei 2002.

De bewezen feiten zijn moord, bedreiging en handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie.

De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

Bij gebreke van een rechtvaardigingsgrond staat de strafbaarheid van de feiten niet ter discussie. De strafbaarheid van verdachte evenmin.
De gedragsdeskundigen komen na uitvoerig onderzoek van verdachte in het PBC immers tot de conclusie dat deze feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.
Die conclusie is door de verdediging niet betwist en wordt door mij overgenomen.
Dat betekent niet dat bij mij geen vragen zijn gerezen naar aanleiding van de rapportage.
Met name uitlatingen van deskundigen via de media over een mogelijkerwijze niet onderkend syndroom van Asperger, een autisme-variant, stemmen tot nadenken.
Temeer nu de conclusie van het PBC, dat de bij verdachte geconstateerde obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis niet van aanwijsbare invloed geweest is ten tijde van de het hem telastegelegde, niet zonder meer invoelbaar is.
Het is dan ook een goede zaak dat twee van die deskundigen ter zitting van het hof zijn gehoord, evenals de psycholoog van het PBC, die verdachte heeft onderzocht.
Mijn conclusie naar aanleiding van hun verklaringen is de volgende.

De Asperger-deskundigen, zoals ik ze gemakshalve maar zal noemen, hebben steeds vooropgesteld dat zij verdachte niet hebben onderzocht en de rapportage van het PBC niet hebben gezien. Zij onderschrijven het beginsel Never analyse the unseen patient en uiten slechts vermoedens.
Zij hebben die vermoedens uitsluitend gebaseerd op wat zij via de media hebben vernomen omtrent verdachte. Dat zij daaraan het idee hebben ontleend, dat verdachte wel eens aan dit syndroom zou kunnen lijden, is niet vreemd. Een aantal aspecten van zijn persoonlijkheid kunnen daartoe inderdaad aanleiding geven.
Nu evenwel is gebleken dat het PBC dit syndroom uitdrukkelijk heeft betrokken in het onderzoek en na ruggespraak met collega-deskundigen op ter zitting uiteengezette gronden tot de conclusie is gekomen dat van dit syndroom bij verdachte geen sprake kan zijn, meen ik daarvan uit te mogen gaan.

Op de gedragsdeskundige rapportage kom ik hierna terug in het kader van de straftoemeting.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, bedreiging en handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie en moet daarvoor worden gestraft.
De wijze waarop dit moet gebeuren staat hier ter discussie. Ik kom daarop terug.

Wat de inbeslaggenomen voorwerpen betreft kan ik kort zijn. Het beslag is inmiddels afgehandeld in onderling overleg tussen openbaar ministerie en verdediging. De enige resterende voorwerpen zijn de auto en een koffer. Met de officier van justitie ben ik van mening dat de auto moet worden verbeurd verklaard, nu de moord met behulp van deze auto is voorbereid. Tegen teruggave aan verdachte van de koffer bestaat geen bezwaar.

Wat de vorderingen van de benadeelde partijen betreft kan ik mij verenigen met de overwegingen van de rechtbank op pagina 22 tot en met 25 van het vonnis en de daaruit voortvloeiende beslissingen, zoals weergegeven op pagina 27 en 28 van het vonnis.

Vormverzuimen in de zin van 359aSv.

Volgens de verdediging zouden zich bij het voorbereidend onderzoek een aantal omstandigheden hebben voorgedaan, die zijn aan te merken als vormverzuimen in de zin van 359a Sv. Daardoor zou nadeel zijn veroorzaakt, dat zou moeten worden gecompenseerd door verlaging van de op te leggen straf.
Hetgeen daartoe is aangevoerd heeft de rechtbank gemotiveerd verworpen op pagina 17 tot en met 19 van het vonnis. Met verwijzing naar de desbetreffende overwegingen van de rechtbank sluit ik mij daarbij aan.

De door de verdediging in dit kader genoemde omstandigheden zijn de volgende:
? voorlopige hechtenis en detentieomstandigheden
? uitlatingen van politici
? ministeriële interventie in het PBC- onderzoek
? aantasting van de verklaringsvrijheid van verdachte

Alle genoemde omstandigheden zijn gedurende het voorbereidend onderzoek en de aanloop naar de inhoudelijke behandeling van deze zaak telkens op het daartoe geëigende moment door de daartoe bevoegde instantie gewogen, getoetst en beoordeeld.
Op geen enkele wijze zijn daaruit vormverzuimen als bedoeld in 359a Sv. te distilleren.
Voor een strafverlaging op basis van dat artikel bestaat dan ook geen grond, aldus de rechtbank. Die conclusie neem ik over.
Ook sinds het wijzen van het vonnis van de rechtbank hebben zich geen omstandigheden voorgedaan, die een grond tot strafverlaging op basis van artikel 359a Sv. zouden kunnen opleveren.

Een politieke moord

Ik kom nu tot de kern van deze zaak. Verdachte heeft een politieke moord gepleegd en daarbij past volgens de officier van justitie een levenslange gevangenisstraf.

Op het motief van verdachte zal ik hierna ingaan. Voor de vaststelling dat het om een politieke moord gaat is voldoende, dat verdachte een lijsttrekker kort voor de Tweede Kamer verkiezingen heeft vermoord in verband met diens opvattingen en daarmee een bij uitstek politieke daad heeft gepleegd.
Dat maakt deze zaak uniek.

Zo uniek dat men, zoekend naar gebeurtenissen die deze zaak benaderen, ver terug moet gaan in de vaderlandse geschiedenis.

In 1584 wordt in Delft Willem I, Prins van Oranje, vermoord door Balthazar Gerardts, die hem beschouwde als “de tiran van Nederland”.
De moordenaar wordt veroordeeld tot de zwaarste straf, zijnde de dood door onthoofding na vele “tormenten”.

In 1672 worden in Den Haag Johan de Witt, tot kort tevoren Raadspensionaris van de Republiek, en zijn broer Cornelis vermoord door morrend oranjegezind gepeupel. Men verwijt de net afgezette Raadspensionaris het land na tijden van voorspoed in een penibele situatie te hebben gebracht van oorlog te land met Frankrijk en ter zee met Engeland.
De daders worden niet gepakt.
Wel wordt enkele maanden eerder Jacob van der Graeff gearresteerd na een mislukte aanslag, samen met zijn broer Pieter, op de dan nog volledig in functie zijnde Raadspensionaris, die gewond weet te ontkomen.
Jacob van der Graeff bekent en verklaart te hebben gehandeld ter verdediging van de kerk tegen de vijand.
Ook hij wordt veroordeeld tot de zwaarste straf, in die tijd dood door onthoofding.

Sindsdien zijn 330 jaar verstreken totdat verdachte op 6 mei 2002 in Hilversum Pim Fortuyn vermoordt, lijsttrekker van een politieke partij, die met zeer uitgesproken standpunten “op winst” staat vlak voor de enkele dagen later te houden verkiezingen.

In die 330 jaar is het strafklimaat in Nederland uiteraard –en gelukkig maar!- sterk gewijzigd. Het algemene gevoelen over het uitzonderlijke en volstrekt onaanvaardbare van een dergelijke daad daarentegen in het geheel niet.

Dat geldt evenzeer voor andere landen.
Ik verwijs naar de moord in 1995 op de toenmalige Israëlische premier Yitzhak Rabin door een joodse rechts-radicale jongeman, Yigal Amir geheten, uit onvrede met de toenadering van Rabin tot de Palestijnen.
De dader wordt beschreven als een hoogst intelligente “loner”. Hij beschouwde Rabin als “evil” en was bang dat iemand anders hem voor zou zijn met de moord, daarmee “stealing his chance for fame”. Yigal Amir is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

Onze verdachte had, anders dan Yigal Amir, achteraf liever gezien dat een ander het had gedaan. Althans dat zegt hij na eindeloos en in alle denkbare bewoordingen te zijn doorgevraagd over eventuele gevoelens van spijt. Ik heb daar mijn twijfels over. Daarop kom ik later terug.

Men kan natuurlijk niet simpelweg volstaan met de conclusie dat deze daad sinds eeuwen uniek in Nederland en omringende landen is, dat derhalve elk referentiekader ontbreekt, dat een daad als deze onaanvaardbaar is en door niets te rechtvaardigen valt, dat de dader niet gek is en daarom maar levenslang moet worden opgesloten in een gevangenis.

Ook een unieke zaak als deze moet worden beoordeeld aan de hand van een stramien en criteria, zoals die zijn ontwikkeld gedurende lange jaren van strafrechtspleging.

Aan de hand van dat stramien moet eerst worden bezien welke strafsoort passend is.
Vervolgens moet de strafduur worden bepaald op grond van de mate van verwijtbaarheid.
Die verwijtbaarheid is te onderscheiden in objectieve en subjectieve verwijtbaarheid.

De strafsoort staat in deze zaak nauwelijks ter discussie.
Verdachte heeft iemand na kalm beraad om het leven gebracht. Dat feit alleen al is zo buitengewoon ernstig dat uit het oogpunt van vergelding alleen een langdurige vrijheidsstraf in aanmerking komt.

Vergelding is en blijft de grondgedachte, waarop ons strafrecht is gebaseerd. Straffen is vergelden. Dat houdt in: De norm van de samenleving bevestigen middels een passende reactie op een vergrijp, waardoor die norm is geschonden. Daarmee wordt herstel van het door het vergrijp verstoorde evenwicht beoogd en tevens wordt daarmee de preventie gediend.

Het gaat in deze zaak om de strafduur en met name om de vraag of deze tijdelijk of levenslang zou moeten zijn.


Is levenslang onmenselijk

Levenslange gevangenisstraf is in ons land de zwaarste strafrechtelijke sanctie.
Is deze sanctie onmenselijk?

Met een beroep op het EVRM is wel betoogd dat sprake zou zijn van een inhumane straf in de zin van artikel 3 EVRM, indien een gestrafte in de gevangenis zou moeten sterven. Ook het ontbreken van enige mogelijkheid tot terugkeer in de maatschappij zou onmenselijk zijn.
De Hoge Raad (HR 9 maart 1999, NJ 1999, 435) heeft een dergelijk beroep verworpen, nu daarvoor geen steun kan worden gevonden in het recht. Daarbij verwijst de HR naar de conclusie van de AG, die terzijde overweegt dat ook levenslang gestraften voor ambtshalve gratiëring in aanmerking kunnen komen, bij voorbeeld door omzetting van de levenslange straf in een tijdelijke. Ook wijst de AG erop dat in het resocialisatiebeginsel van de Beginselenwet Gevangeniswezen , inmiddels vervangen door de Penitentiaire Beginselenwet, niet een aanspraak van iedere veroordeelde op invrijheidstelling besloten ligt.
In hetzelfde arrest is een beroep op artikel 5 lid 4 EVRM aan de orde, vanwege het ontbreken van de mogelijkheid de rechtmatigheid van de verdere tenuitvoerlegging te laten toetsen.
Ook dat wordt verworpen met verwijzing naar de conclusie van de AG, die deze baseert op een uitspraak van Het Europese Hof (EHRM 18 juli 1994. NJ 234). In die uitspraak oordeelt het Hof, in aanmerking nemende dat levenslang ook kan worden opgelegd bij geestelijk gezonde en ongevaarlijke daders, dat de veroordeelde, gelet op het overwegend punitieve karakter van de opgelegde straf, aan artikel 5 lid 4 niet het recht kan ontlenen opnieuw de rechtmatigheid ervan te laten beoordelen. De AG wijst daarnaast op artikel 2 aanhef en onder b Gratiewet jo. 558 e.v. Sv., waaronder de zogeheten volgprocedure langgestraften ressorteert. Ook levenslang gestraften komen voor die procedure in aanmerking. De procedure kan ertoe leiden dat men op jaren wordt gesteld in een situatie waarin met verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend. Voorts wijst de AG op het recht van de veroordeelde om gratieverzoeken in te dienen op grond van artikel 2 Gratiewet. Tot slot noemt hij ook nog de mogelijkheid de rechtmatigheid van de detentie ter toetsing voor te leggen aan de burgerlijke rechter via een kort geding.

Toetsing aan het EVRM leidt tot de conclusie dat levenslange gevangenisstraf niet onmenselijk is.

Ook de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment van de Raad van Europa wijdt in zijn “Standards” een passage aan levenslange gevangenisstraf. Daarin komt tot uitdrukking dat deze niet als onmenselijk wordt beschouwd, tenzij de omstandigheden waaronder die straf ten uitvoer wordt gelegd daartoe aanleiding geven.

De strafduur vormt de crux van deze zaak.
Hoe lang moet de straf duren om recht te doen aan de ernst van het feit –en waar ik spreek over het feit doel ik daarmee op alles wat verdachte is telastegelegd, nu dit één feitencomplex vormt, waarin uiteraard de moord centraal staat- , de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ofwel: hoe verwijtbaar is het handelen van verdachte, zowel in objectieve als in subjectieve zin.

Straftoemeting

De strafoplegging dient in overeenstemming te zijn met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

In het kader van de straftoemeting moet aan de hand van objectieve en subjectieve verwijtbaarheid een passende straf worden vastgesteld. Passend bij de daad en de dader, maar ook bij de in onze samenleving aanvaarde strafdoelen, te weten vergelding, preventie en terugkeer in de samenleving.

De objectieve verwijtbaarheid wordt bepaald door de concrete factoren die het beeld van het feitencomplex vormen. Derhalve factoren die rechtstreeks met het feitencomplex samenhangen, zoals de omvang daarvan, de wijze van uitvoering, het veroorzaakte leed, de toegebrachte schade, het genomen risico en de rol van de dader.

De subjectieve verwijtbaarheid kan door tal van omstandigheden worden bepaald. Allereerst natuurlijk door de persoonlijkheid van de dader, maar ook door diens sociale achtergrond, de gevolgen van het gebeurde voor hemzelf, zijn motief, zijn proceshouding. Kortom door omstandigheden die de persoon van de dader betreffen.

In zijn uitvoerige requisitoir heeft de officier van justitie aan de hand van de concrete gegevens van deze zaak zeer helder uiteengezet waarom hij tot de door hem gevorderde straf komt. Met verwijzing naar diens requisitoir volg ik de officier van justitie in zijn overwegingen en voeg daaraan enkele bespiegelingen toe.


De objectieve verwijtbaarheid

Om de objectieve verwijtbaarheid te bepalen moeten we ons een beeld vormen van het feit.
Dat is in dit geval niet moeilijk.
De schokkende beelden van de neergeschoten politicus in het mediapark te Hilversum staan ons allen helder voor de geest. Wij hebben die beelden letterlijk voor ogen.
Ook nu nog, ruim een jaar later, vertellen willekeurige mensen spontaan wat ze aan het doen waren toen het bericht hen bereikte.
In alle denkbare bewoordingen proberen ze uitdrukking te geven aan het gevoel van verbijstering en ontreddering dat hen overviel toen het gebeurde tot hen doordrong.
Ik benadruk de verbijstering en ontreddering, want dat is wat iedereen hierbij heeft ervaren.
Dat staat geheel los van wat men vond van het slachtoffer. Pim Fortuyn was een omstreden figuur, hij was een fenomeen. Door velen geadoreerd en door velen verguisd. Maar iedereen was verbijsterd en ontredderd. En dat is nog steeds zo.
Elke moord is voor de nabestaanden een verschrikking, ook deze moord.
Elke moord is voor de direkte getuigen traumatiserend, ook deze moord.
Elke moord veroorzaakt een schok in de rechtsorde. Deze moord heeft een aardbeving veroorzaakt, waarvan de schokken niet alleen in ons land, maar ook ver daarbuiten werden gevoeld.
Schokken die werden gevoeld door vriend èn vijand.
Een aardbeving met naschokken, die nog lang niet zijn uitgewerkt.
Een aardbeving die een breuklijn veroorzaakt, waardoor op onvoorspelbare plaatsen opnieuw een aardbeving kan volgen. Waar vindt de volgende schok plaats? Wanneer slaat het noodlot weer toe? Wanneer wordt weer iemand zo onaangenaam getroffen door een publiekelijk verkondigde mening dat wordt overgaan tot liquidatie?

De verdediging stelt dat de heftigheid van de reacties op deze moord het rechtstreekse gevolg zou zijn van de reeds voor de moord bestaande onrust en instabiliteit.
Dat is volstrekt speculatief. Men zou evengoed kunnen verwachten dat een dergelijke moord in een fase van gezapige politiek nog veel explosiever zou werken.
Afgezien daarvan mag de toen bestaande politieke onrust bekend worden verondersteld bij verdachte en daarmee eveneens de te verwachten uitwerking van zijn daad op onze samenleving.

De verdediging stelt ook dat een dergelijke moord op een andere lijsttrekker niet zoveel agressieve reacties zou hebben losgemaakt.
Deze stelling gaat voorbij aan het feit dat agressie een van vele manieren is om uiting te geven aan gevoelens van verbijstering en ontreddering. Dat die gevoelens wellicht op een andere manier zouden zijn geuit, ware een andere lijsttrekker vermoord, doet aan het bestaan van die gevoelens niets af.
De reacties van afschuw zijn universeel.
De onbevangenheid van politici, de openheid van onze samenleving, de vrijheid van meningsuiting, ons gevoel van onaantastbaarheid in een vrij land, de onschendbaarheid van de democratie, op al die verworvenheden is een aanslag gepleegd.

Alle speculaties van de verdediging zijn overigens volstrekt irrelevant. Het gaat hier om het uit de weg ruimen van déze lijsttrekker in de toen bestaande politieke constellatie.

Bewust gebruik ik het woord uit de weg ruimen.
Een omstreden politicus is ijskoud uit de weg geruimd. Volgens een weldoordacht plan, dat minutieus is uitgevoerd.
Voor een uitvoerige weergave van de feiten verwijs ik graag naar het requisitoir van de officier van justitie op pagina 8 tot en met 12, voornamelijk gebaseerd op de eigen verklaringen van verdachte dienaangaande.
Verdachte was –in diens eigen bewoordingen- van mening “dat Fortuyn gestopt moest worden” en wel vanwege “de combinatie van de persoon, zijn ideeën, de manier waarop hij die ideeën naar voren bracht en de macht die hij zou krijgen”.
Met andere woorden: het fenomeen Pim Fortuyn moest worden uitgeschakeld.
Hij vond hem om op te schieten en heeft de daad bij het woord gevoegd.

IJskoud heeft verdachte, in toenemende mate geïrriteerd door het slachtoffer, bestudeerd waar, wanneer en hoe hij dit fenomeen kon laten verdwijnen.
IJskoud heeft verdachte zijn plan beraamd.
IJskoud heeft verdachte het slachtoffer uit de weg geruimd.
IJskoud heeft verdachte de levensgrote kans voor lief genomen dat volstrekt willekeurige personen in de direkte omgeving van het slachtoffer eveneens dodelijk zouden worden getroffen.
IJskoud heeft verdachte een van hen letterlijk op een haar na gemist.
IJskoud heeft verdachte zich uit de voeten gemaakt en daarbij de hem achtervolgende chauffeur van het slachtoffer met zijn vuurwapen bedreigd.

Een enkel punt uit het requisitoir van de officier van justitie wil ik hier nog eens extra onder de aandacht brengen, en wel waar hij zeer terecht elementen naar voren haalt, die het beeld van een liquidatie bevestigen.
Ik noem de verklaringen van getuigen, die de gezichtsuitdrukking van verdachte koel, emotieloos, vastbesloten en resoluut noemen. Zo zegt een van hen:
“Ik zag op het gezicht van de man met het wapen een totale leegheid en gebrek aan emoties.”
Ik noem ook een verklaring van verdachte zelf:
“Ik heb na elke keer vuren de terugslag van het wapen gevoeld. Het gevolg van een terugslag was steeds dat ik het wapen weer moest richten. Dat heb ik tijdens het schieten op Fortuyn ook steeds gedaan.”
Terecht wijst de officier van justitie op het beeld van een liquidatie, waar verdachte een plastic tas om zijn pistool had gewikkeld teneinde de hulzen op te vangen. Met als extra risico de veel grotere kans omstanders te raken door moeilijker te kunnen richten. Hetgeen ook gebeurd is, zij het dat de kogel dwars door een tas ging, die het betreffende slachtoffer voor zijn hoofd hield.
Terecht wijst de officier van justitie ook op de bivakmuts in verdachte’s jaszak op een prachtige dag in mei, waarover verdachte tot op het laatst weigert te verklaren. Pas ter zitting zegt verdachte die muts bij zich te hebben gehad tegen de kou, hetgeen niet aannemelijk is. Terecht denkt men hierbij aan nachtelijke voorverkenningen van het mediapark.
Ik noem deze elementen omdat daarmee duidelijk wordt dat verdachte zeer calculerend te werk is gegaan.

Het uitzonderlijke van deze daad vergt een uitzonderlijke reactie.
Ik gebruik nadrukkelijk het woord vergen en niet het woord rechtvaardigen.
In het woord rechtvaardigen schuilt een verontschuldiging en die is niet aan de orde.
Het uitzonderlijke van deze daad zit niet alleen in de ijskoude planning en uitvoering.
Dat zien we helaas wel vaker. Ik laat even een scala van moorden in soorten en gradaties de revue passeren.

Met name bij liquidaties in het criminele milieu viert de koelbloedigheid hoogtij. In die kringen begeeft men zich echter doorgaans vrijwillig. In die kringen opererend is men zich bewust van de goede en kwade kansen die dat milieu biedt.
Bij eerwraak wordt weldoordacht en op het oog koelbloedig iemand vermoord, die de eer van de familie heeft geschonden.
In beide genoemde categorieën hebben dader en slachtoffer iets met elkaar te maken, hetgeen van invloed is op de strafmaat. Zodra de daad gevaar voor niets vermoedende omstanders oplevert wordt de straf aanzienlijk zwaarder.
Bij roofmoord wordt het slachtoffer doorgaans echt “overvallen”. Tussen dader en slachtoffer bestaat geen connectie. Voor zover in een dergelijke situatie werkelijk sprake is van moord en niet van doodslag is de hoogste straf niet ongebruikelijk.
Dan is er nog de grote categorie van moorden in de relationele en seksuele sfeer. Meestal gaat het daarbij om min of meer ernstig gestoorde daders. Voor zover dat niet zo is ligt aan dergelijke daden veelal een langdurige geschiedenis van ellendige verhoudingen en achtergronden ten grondslag, die de daad zo niet invoelbaar dan toch tot op zekere hoogte inzichtelijk maken.

De hier voorliggende moord daarentegen is van geheel andere aard en ook daarin is deze daad uitzonderlijk.
Het slachtoffer heeft op geen enkele manier ook maar iets met de dader te maken.
Het slachtoffer is een pregnante politicus, die onomwonden taalgebruik niet schuwt.
Integendeel, hij ontleent daaraan zijn kracht.
En zelfs zoveel kracht, dat zijn nog jonge politieke partij vlak voor de verkiezingen van 15 mei 2002 een grote overwinning lijkt te gaan boeken.

De rechtbank ziet het handelen van verdachte als een inbreuk op het verkiezingsproces van mei 2002. Die inbreuk wordt door de rechtbank onmiddellijk gerelativeerd door de geruststellende toevoeging dat verdachte door zijn handelen het verkiezingsproces niet onherstelbaar heeft beschadigd, nu de omvang en de aard van de invloed daarvan in het kader van dit strafproces niet te bepalen zijn.

Deze redenering van de rechtbank is onbegrijpelijk.
De omvang en de aard van de invloed van verdachte’s handelen hoeven niet te worden bepaald, want dat het verkiezingsproces door deze daad volledig is verstoord is evident. Een belangrijke politieke factor, zo niet de belangrijkste is immers vlak voor de verkiezingen door verdachte uitgeschakeld!

Waar het om gaat is dit.
Onder het mom van bescherming van de democratische rechtsstaat heeft verdachte het meest ondemocratische gedaan dat denkbaar is.
Hij heeft iemand wiens denkbeelden hem niet aanstonden, maar die deze denkbeelden juist op democratische wijze probeerde te verwezenlijken door zijn ideeën ter discussie te stellen en door zich verkiesbaar te stellen, in de meest letterlijke zin monddood gemaakt.
Hij heeft de mogelijkheid tot ontwikkeling en bijstelling van denkbeelden middels politiek debat doorkruist.
Hij heeft alle Nederlanders de kans ontnomen zelf hun eigen politieke keuze te maken op basis van de politieke constellatie van dat moment.

Daarmee is ook de overweging van de rechtbank onbegrijpelijk, waarin zij stelt rekening te houden met –ik citeer- “de gevoelens die bij een deel van de bevolking leefden ten tijde van de moord op het slachtoffer en aan de ongekend grote schok die de moord bij dat deel van de bevolking teweeg heeft gebracht” -einde citaat.
De rechtbank doelt daarmee kennelijk op de politieke volgelingen van het slachtoffer.
Met deze overweging wordt de suggestie gewekt dat het overige deel van de bevolking min of meer onverstoorbaar zou zijn voortgegaan. Dat is duidelijk niet het geval. Wie dat wel zou hebben gedaan kan grote kortzichtigheid worden verweten. Het hele politieke krachtenveld is immers door het ingrijpen van verdachte omver gehaald.
Niet alleen het verkiezingsproces van mei 2002 is door deze daad verstoord. Ook het democratisch proces in de ruimste zin van het woord is door deze daad zwaar beschadigd.
Verdachte heeft met zijn daad de vrijheid van ieder mens aangetast om in dit land publiekelijk te zeggen wat hij vindt.
En wie zegt dat een volgende discutabele politieke stroming niet hetzelfde lot is beschoren?
Ook daarvan zou iemand kunnen denken dat deze maar beter in de kiem kan worden gesmoord!

Hier is veel meer aan de orde dan de verstoring van een verkiezingsproces, zoals de rechtbank tot op zekere hoogte wil aannemen.
Hier is ook meer aan de orde dan de frustratie van het democratisch proces, zoals de officier van justitie stelt.
Hier is de vrijheid van iedere burger in het geding zich publiekelijk sterk te maken voor een standpunt.

Die vrijheid, zonder welke geen democratie kan bestaan en die derhalve de kern van elke democratie vormt en in elke democratie als hoogste goed wordt beschouwd, heeft deze verdachte op de grofst denkbare wijze aangetast.
Door zijn optreden heeft hij het gevoel van openheid en veiligheid in onze samenleving geschonden.
Hij heeft verbijstering en ontreddering teweeg gebracht, maar ook angst bij mensen in publieke functies. De onbevangenheid is in het gedrang gekomen.

In dit verband past een verwijzing naar artikel 121 Sr., waarin met dezelfde straf als moord wordt bedreigd, onder meer het door geweld een kamerlid uit de vergadering verwijderen, dan wel het bijwonen van die vergadering of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht vervullen verhinderen.
Formeel is deze strafbepaling uiteraard niet toepasbaar; Fortuyn was immers nog net geen kamerlid. Materieel daarentegen heeft verdachte met zijn handelen hetzelfde resultaat bereikt. En wel in de meest letterlijke en definitieve zin door Fortuyn te verwijderen, niet alleen uit het politieke circuit, maar ook uit het leven.
De wetgever heeft met deze strafbepaling duidelijk gemaakt, dat een heel veel minder vergaande inbreuk op het democratische proces al een levenslange gevangenisstraf kan rechtvaardigen.

Dit is geen gewone moord. Deze moord op een politicus is óók een moord op het onvervreemdbare recht op vrijheid van meningsuiting.
Alleen de hoogste straf kan duidelijk maken, niet alleen jegens verdachte, maar jegens iedereen, hoe zwaar onze democratie daaraan tilt.

Conclusie met betrekking tot de objectieve verwijtbaarheid:
De objectieve verwijtbaarheid is maximaal en vergt derhalve een maximale strafduur.

De subjectieve verwijtbaarheid

Om de subjectieve verwijtbaarheid te bepalen moeten we alle omstandigheden in aanmerking nemen, die de persoon van de verdachte betreffen.

De gedragsdeskundige rapportage

Allereerst is daarbij uiteraard diens persoonlijkheid relevant.
Uitvoerig gedragsdeskundig onderzoek in het PBC leidt tot de conclusie dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.
Gelet op het exorbitante karakter van deze daad had men zich een andere conclusie kunnen voorstellen. Velen hadden verwacht te vernemen dat deze daad was ontsproten aan het brein van een gevaarlijke gek.
In zekere zin zou dat als geruststellend zijn ervaren. Met gestoorde medemensen moeten we nu eenmaal leven; daar zijn we min of meer aan gewend.
Als zij gevaarlijke dingen doen worden ze behandeld, zonodig in een gedwongen kader.
Het feit, in dit geval een dode politicus, blijft even erg, maar de daad wordt op slag als minder ernstig ervaren. De vergeldingsdrang is beperkt. De dader moet voornamelijk geholpen worden en via een gedwongen behandeling achter slot en grendel tevens uit onze gemeenschap verbannen.
Zelfs een beetje gestoord zou al voldoende zijn voor deze oplossing, zij het in combinatie met enkele jaren gevangenisstraf.

Maar het rapport van het PBC biedt deze mogelijkheid om met de daad en de dader in het reine te komen niet. Integendeel.
De bij verdachte geconstateerde obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis is volgens het PBC niet van aanwijsbare invloed geweest ten tijde van de moord.
Voor zover het slachtoffer zich door verdachte verontrust voelde is die vrees niet als pathologisch motief aan te merken.
Verdachte heeft zonder aanwijsbaar ziekelijke beperking geprobeerd het slachtoffer gewapend te benaderen met de bedoeling hem te doden.
Toen het moment daar was heeft hij zonder aanwijsbare pathologische beïnvloeding het slachtoffer beschoten.
Ook bij het verdere verloop, inclusief de bedreiging van zijn achtervolger, is geen invloed van een stoornis aanwijsbaar.
Aldus het PBC.

De conclusie van het PBC geeft aldus geen enkele aanleiding tot enige strafvermindering.
Evenmin zijn er bij uitvoerig lichamelijk onderzoek afwijkingen geconstateerd, die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het gedrag van verdachte.

De strafrechtelijke afhandeling van deze daad zal derhalve moeten plaatsvinden uitsluitend in de vorm van een gevangenisstraf. Verdachte heeft immers volledig willens en wetens gehandeld, ongehinderd door enige gestoordheid.
Over de hoogte van die straf zal het debat moeten gaan.

Maar wellicht biedt de inhoud van de gedragsdeskundige rapportage, afgezien van de conclusie, toch argumenten om de verwijtbaarheid niet optimaal te achten.

Het milieuonderzoek

In het milieuonderzoek (pag. 5 e.v.) wordt een beeld geschetst van verdachte’s achtergrond.
Hij groeit op met zijn enkele jaren oudere broer, met wie hij een goede band heeft, in een degelijk gezin met kerkelijke achtergrond. Vader is leraar, moeder is onderwijzeres. Verdachte vind haar overbezorgd. Vader is zeer scrupuleus en veeleisend; hij overlijdt aan kanker als verdachte 19 jaar is.
Verdachte gaat milieuhygiëne studeren in Wageningen, maar maakt die studie niet af.
Kort nadat hij met zijn studie is gestopt en door een vriendin is verlaten doet hij eind 1990 een suïcidepoging.
In Wageningen gaat hij vegetarisch en later veganistisch leven vanuit de ideologie dat er geen ongeoorloofd verschil gemaakt mag worden tussen menselijke dieren en niet menselijke dieren.
Van meet af aan is verdachte samen met zijn vriend Sjoerd, die biologie studeert, actief in allerlei verbanden die te maken hebben met milieu en dierenwelzijn, zoals Milieudefensie, Stichting Lekker Dier en de plaatselijke politieke partij De Koevoet.
Begin 1992 richt hij samen met Sjoerd de Vereniging Milieu Offensief op, hierna de VMO te noemen. Voor deze vereniging, die de belangen van mens en dier en milieu in de ruimste zin des woords behartigt, werkt hij als vrijwilliger met behoud van uitkering. Later wordt zijn werk aangemerkt als Melkertbaan.
Hij werkt keihard en voert succesvol procedures op het terrein van milieuvergunningen.
Vanaf zomer 1994 combineert hij zijn werk met een avondstudie milieukunde aan het IJsselland-College te Deventer. De studieresultaten zijn goed, maar tot de afrondende eindscriptie komt het niet.
Hij raakt in toenemende mate gefixeerd op zijn werk en dreigt overspannen te worden door zijn perfectionisme.
In de zomer 2001 gaat hij samenwonen in Harderwijk met zijn huidige partner Petra, die hij kent via de Stichting Lekker Dier. In december 2001 wordt dochter Sabien geboren.
Verdachte bouwt zijn werk wat af om een deel van de verzorging op zich te kunnen nemen.
Opvallend is de waarneming van mensen uit zijn naaste omgeving in maart/april 2002, dat verdachte toen heel ontspannen en losjes was en er opeens weer heel zelfverzekerd uitzag.

Conclusie naar aanleiding van het milieuonderzoek:
Zoals bij vrijwel iedereen zijn er wel enkele aspecten in de achtergrond van verdachte, die een optimaal harmonieuze ontwikkeling in de weg kunnen hebben gestaan. Echter het totaalbeeld wijkt niet essentieel af van de achtergrond van een doorsnee Hollandse jongen.
In verdachte’s achtergrond kan dan ook geen reden worden gevonden voor een vermindering van de verwijtbaarheid.

Het psychologisch onderzoek

In het verslag van het psychologisch onderzoek (pag. 37 e.v.) valt het volgende op.
Verdachte mag graag provoceren, met name om mensen aan het denken te zetten en een reactie te ontlokken, om ze uit te testen.
Er is sprake van een zekere afgunst op mensen die meer onbevangen kunnen genieten, die het leven minder zwaar nemen.
Zijn suïcidepoging wijt hij aan een gebrek aan zelfvertrouwen destijds na het afbreken van zijn studie, waardoor het afgewezen worden door een vriendin hem sterk raakte.
Vrij snel is hij uit die depressie geraakt door in te zien dat hij zijn zelfvertrouwen niet aan zijn vaardigheden moet ontlenen, maar aan integriteit en morele principes.
Hij is gedreven door zijn werk voor de VMO, waarin hij zeer succesvol is.
Verdachte is rigide en ongevoelig voor kritische of relativerende opmerkingen.
Het slachtoffer is voor hem iemand die een aantal eigenschappen in zich verenigt, die hij moreel verwerpelijk vindt, zoals haantjesgedrag.
Daar staat tegenover dat hij wel ontzag heeft voor de verbale kracht van het slachtoffer, juist ook omdat hij die kracht zelf mist.
Verdachte erkent dat hij naast de politieke overwegingen ook meer persoonlijk een afkeer had van het slachtoffer vanwege diens ijdelheid en machtswellust.
Hij ontkent dat het idee om het slachtoffer te doden obsessieve vormen aannam. Integendeel, hij was er niet zoveel mee bezig. Hij was vooral bezig met zijn werk en met zijn gezin. Hij wilde er geen project van maken. Aan zijn voornemen om dodelijk geweld te gebruiken ging geen morele worsteling vooraf.
Verdachte acht geweld legitiem als daarmee meer leed voorkomen wordt dan wordt aangericht. Hij vindt het raar dat in een oorlog alles geoorloofd is en daarbuiten allerlei waarden en normen gelden.
Hij denkt niet dat hij gewetenswroeging zou hebben gekregen en zich alsnog zou hebben aangegeven als hij ontkomen was.
Wel spijt het hem dat hij vast zit voor Sabien en Petra.
Verdachte is hoogbegaafd en zijn intellectuele capaciteiten zijn harmonieus verdeeld over het gehele intellectuele spectrum.
Zijn veganistische eetpatroon heeft geen invloed op zijn vermogen om informatie uit de buitenwereld te registreren, te verwerken en te reproduceren.
Sociaal gezien is verdachte niet defectueus. Wel is hij rigide en geremd. Daardoor is er sprake van een zekere sociale onbeholpenheid en een beperkt vermogen zich af te stemmen op de ander.
Door zijn introverte temperament kan hij niet erg gemakkelijk en natuurlijk met andere mensen omgaan.
Hij is ambitieus, maar mist door zijn rigiditeit, eigenzinnigheid en koppigheid het vermogen om anderen te engageren of met hen samen te werken.
Verdachte is bedachtzaam, star, analytisch, pragmatisch, kritisch, rationeel, perfectionistisch en compromisloos.
Hij is weinig intuïtief, gepassioneerd, impulsief, spontaan, verdraagzaam en tolerant.
Er is een zekere afgunst op spontaniteit en natuurlijkheid bij anderen.
Zonder strijd zakt hij in, raakt hij gedeprimeerd.
Het slachtoffer is voor hem het symbool voor alles waarvan hij een afkeer heeft, zoals opportunisme en ijdelheid, maar ook van alles wat hij zelf mist en waarop hij bewust dan wel onbewust afgunstig is, zoals verbale kracht en het vermogen anderen te enthousiasmeren.

Conclusie naar aanleiding van het psychologisch onderzoek:
Zoals iedereen heeft verdachte een aantal positieve en een aantal negatieve eigenschappen. Geen daarvan, noch op zichzelf, noch in onderling verband beschouwd, staat een normaal functioneren in de weg.
Er zijn dan ook geen psychologische argumenten voor een vermindering van de verwijtbaarheid.

Het psychiatrisch onderzoek

Uit het verslag van het psychiatrisch onderzoek (pag.60 e.v.) komt het volgende naar voren.
Het trotse persoonlijke verzet vormt de rode draad, die vanaf de puberteit door verdachte’s levensgeschiedenis loopt. Hij is emotioneel geremd, behalve in zijn strijdlust.
Hij schakelt lichamelijk en verbaal geweld gelijk.
Verdachte ziet de moord als een actie met een hoog doel dat alle middelen heiligde.
Door de combinatie van werk en huiselijke verplichtingen voelde hij zich erg belast. Wellicht was er sprake van een dreigende overspannenheid.
Er zijn geen aanwijzingen voor beperkingen in de frustratietolerantie of in de impulscontrole.
Het geweten is star, maar vertoont geen defecten.
Hij is vanwege zijn narcistisch afhankelijke kant erg gesteld op bevestiging, maar wordt daarbij gehinderd door zijn starre, gefixeerde en verbeten gedrevenheid.
Verdachte wilde niet te veel nadenken over zijn plan en trachtte de volle omvang van zijn voornemen niet te zien door telkens de mogelijkheid open te houden het om de een of andere reden niet uit te voeren.
Zo zegt hij: “Er was nog steeds de mogelijkheid dat het niet zou gebeuren. Daarom ging ik er redelijk onbevangen naartoe.” En verder: “Ik zette mijn blik op oneindig en mijn verstand op nul.” En ook: “Ik vond het in zekere zin een bevrijding toen ik opgepakt was. De last van het dagelijks leven was eraf. Ik begon weer met een blanco lei. Je wereldje was weer overzichtelijk.”
De enige stoornis die bij verdachte wordt geconstateerd is een niet pathologische, obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis.
Deze stoornis komt tot uiting in perfectionisme dat de uitvoering van taken bemoeilijkt, in overmatige toewijding aan het werk, in overdreven gewetensvolheid en in starheid en koppigheid.
Deze stoornis komt niet tot uiting op het gebied van de beheersing van agressieve gevoelens.
Zijn persoonlijkheid vertoont voorts narcistisch afhankelijke trekken.
Hij bijt zich vast in zijn levenswerk, de gezamenlijke strijd voor de zwakkeren, en voelt op die manier zijn in de kern zwakke zelfvertrouwen en geringe gevoel van eigenwaarde groeien.
Hij is aldus afhankelijk van strijd.
Verdachte heeft zich, terwijl hij zelf het gevoel had zijn greep op zijn werk en de strijd voor het zwakkere te verliezen, in zijn gedachten op maatschappelijke schaal opgeworpen als de strijder voor die zwakkeren.

Conclusie naar aanleiding van het psychiatrisch onderzoek:
Met vele anderen is verdachte dwangmatig en lichtelijk narcistisch.
Die dwangmatigheid vormt een belemmering voor een ontspannen functioneren, maar heeft evenmin als zijn narcisme zijn handelen bepaald.
Er zijn derhalve geen psychiatrische factoren die aan de verwijtbaarheid kunnen afdoen.

Samenvattende conclusie naar aanleiding van de gedragsdeskundige rapportage:
Aan de gedragsdeskundige rapportage kan geen enkel argument worden ontleend dat zou kunnen leiden tot verminderde verwijtbaarheid.
Integendeel. Daarin kan men slechts een bevestiging zien van de volledige verwijtbaarheid, ook in subjectieve zin, van verdachte’s handelen.

Het motief

Natuurlijk is voor de beoordeling van de subjectieve verwijtbaarheid ook het motief van verdachte relevant. Zo belanden wij dan toch bij het uiteindelijk meest boeiende aspect van deze zaak.
Een daad, hoe verwerpelijk ook, kan in een ander daglicht komen te staan wanneer die wordt gepleegd vanuit een objectief gezien zeer nobel, dan wel bijzonder invoelbaar motief.
Dat nobele motief wordt hier zeker gesuggereerd.
Verdachte zou zijn gedreven door zijn compassie met kwetsbare groepen in de samenleving, voor wie hij in het slachtoffer een gevaar zag.
De rechtbank is bij de beoordeling van de strafmaat van dit motief uitgegaan. Ten onrechte, zoals hierna zal blijken.
Maar ook indien men wel zou willen uitgaan van dit motief, zou dat nimmer tot een verminderde verwijtbaarheid mogen leiden.
Eliminatie middels executie staat immers in geen enkele verhouding tot de door verdachte gesuggereerde vrees.
Daarbij komt dat verdachte een zeer intelligente, fysiek en psychisch gezonde man is, die net als ieder ander zinnig mens naar gangbare wegen had kunnen en moeten zoeken om de hem onwelgevallige politiek te beïnvloeden. Dit klemt temeer waar verdachte ervaren was in actie voeren en procederen. De alternatieven voor het door hem gekozen ultimum remedium lagen binnen handbereik.
Echter het door hem voorgewende motief is volstrekt ongeloofwaardig.
In de door de verdediging in het geding gebrachte gespreksaantekeningen van het eerste gesprek tussen verdachte en advocaat op 6 mei 2002 staat het volgende:
“Motief?-Politiek-minister Zalm vindt het een gevaarlijk man. Dat vind ik ook. Hij kriminaliseerde bepaalde groepen mensen, omdat hij weet dat hij daarmee “scoort”. Hij drijft op onvrede die er heerst maar probeert m.i. niet echte oplossingen aan te dragen. Wat dat betreft is er een parallel met de jaren 30 uit de vorige eeuw. Met hem maakt de politiek een ruk naar rechts; zodat m.i. een sociale samenleving, waar we nu al ver vanaf staan, nog verder uit zicht komt.”
Dit is het enige moment waarop men verdachte op een politiek getinte uitspraak in bredere zin kan betrappen. Zijn direkte noch zijn indirekte omgeving heeft ooit iets in deze zin van verdachte mogen vernemen. Lectuur op dit gebied is in verdachte’s omgeving niet aangetroffen.
Nadat hij een half jaar later gaat praten borduurt hij op die eenmalige uitspraak door, zonder er ook maar iets aan toe te voegen. Het lijkt wat mager ter rechtvaardiging van een extreme daad.
Bij nuchtere beschouwing kan men daarin toch werkelijk niet meer zien dan een gelegenheidsargument.
Die gedachte wordt bevestigd door een zinsnede in zijn brief aan Petra d.d. 21 juli 2002,
waarin hij schrijft:
“……mocht ik ooit nog eens een verklaring afgeven aan de rechterlijke macht of in de media dan hoeft dat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn. Voor de buitenwereld is de waarheid niet belangrijk - het hoeft slechts functioneel te zijn.”
Kennelijk ziet verdachte deze verklaring als functioneel, zoals hij ook het vermoorden van een omstreden politicus als functioneel ziet.

Verdachte is een uiterst intelligente scrupuleuze man, die met extreme precisie zijn weg weet te vinden in het zeer complexe milieurecht. Ook is hij in staat zijn bevindingen goed te verwoorden en met succes in het geding te brengen. Daarbij is geen inspanning hem te veel. Hij zet zich in tot het uiterste.
Het is ondenkbaar dat deze man, ook na uitvoerige ondervraging, zou blijven steken in wat algemene niets zeggende bewoordingen, als het erom gaat het motief dat hem gedreven heeft tot een extreme daad uiteen te zetten.

Ook is van verschillende kanten gesuggereerd dat zijn uitzonderlijke betrokkenheid bij milieu en dierenwelzijn hem tot zijn daad zou hebben gebracht. Het slachtoffer had zich immers ooit een voorstander van nertsfokkerijen getoond.
Voor een dergelijk motief geldt hetzelfde. Als dit al het ware motief was kan dit nimmer een extreme actie als deze rechtvaardigen. Bovendien stonden andere, eerder met name op dit terrein succesvol beproefde wegen open.
Maar ook in dit motief kan men nauwelijks geloven. Zelfs als men verdachte wil zien als een tot het uiterste getergde milieufanaat is hij volstrekt ongeloofwaardig als gedreven overtuigingsdader mede gelet op zijn houding na de daad.
Ook uit in het Huis van Bewaring opgenomen telefoongesprekken valt op te maken dat het ware motief niet, althans niet uitsluitend ligt in zijn milieu-achtergrond. Zo zegt hij in een gesprek d.d. 9 juni 2002 om 10.07 uur met Sjoerd kansen te zien liggen voor bij voorbeeld dierenrechten. Ieder nadeel heeft zijn voordeel, zeker op de langere termijn. Ook zegt verdachte in een gesprek d.d. 11 juni 2002 om 13.23 uur met Petra het wel positief te vinden dat dierenrechten nu een item is en de betreffende tv-uitzendingen ziet hij als een soort vervolg op de vermeende connectie die ze leggen, kennelijk, met wat er op 6 mei is gebeurd. Die speculatie alleen vindt hij wel gunstig. Dat is ook wat je wil bereiken uiteindelijk, dat is weer een kans.
Verdachte wil dus dat men speculeert. Als die speculaties ook nog de dierenrechten onder de aandacht brengen is dat mooi meegenomen. Maar het moet vooral speculatief blijven.

Dat is dan ook gebeurd. Nog steeds heeft verdachte niet duidelijk gemaakt wat zijn werkelijke motief is. Aan het motief kan dan ook geen reden worden ontleend deze daad niet optimaal verwijtbaar te achten. Integendeel. Het ontbreken van een helder motief maakt de angst en onrust naar aanleiding van het gebeurde alleen maar groter. Dat kan verdachte zeer worden verweten. Hij is immers de enige die duidelijkheid kan verschaffen en daarmee wellicht iets van die angst en onrust zou kunnen wegnemen. Maar dat doet hij niet. Integendeel, volgens hem is voor de buitenwereld de waarheid niet belangrijk.

Zoals bekend is er veelvuldig gespeculeerd over grotere verbanden waarbinnen verdachte zijn daad zou hebben gepleegd. Die speculaties duren voort.
Met name gevoed door verdachte’s maandenlange zwijgen zijn wilde theorieën ontwikkeld over betrokkenheid bij deze daad van bepaalde geledingen in onze maatschappij. Ook na verdachte’s bekentenis en zelfs na het vonnis van de rechtbank is geen einde gekomen aan die speculaties. Dat zegt wel iets over de aannemelijkheid van verdachte’s motief. En ook over de mate van onrust die nog steeds heerst.

Vanzelfsprekend zijn alle denkbare mogelijkheden van betrokkenheid van anderen bij verdachte’s daad onderzocht. Dat verklaart de omvang van het onderzoek, die groot is in verhouding tot de technische eenvoud van deze zaak.
Dat verklaart ook de omstandigheden die door de verdediging in het kader van 359a Sv. zijn aangevoerd. Al deze omstandigheden hangen rechtstreeks samen met de aard van deze zaak en de proceshouding van verdachte.
Steeds was er de noodzaak met alle denkbare en ondenkbare ontwikkelingen in het onderzoek rekening te houden. Er bestaat derhalve geen enkele aanleiding aan die factoren op welke wijze dan ook een strafverlagend effect te ontlenen.
Door weloverwogen deze onbegrijpelijke daad te plegen heeft verdachte weloverwogen de voor hem ontstane situatie met alle genoemde factoren over zichzelf afgeroepen.

De suggesties van een breder verband waarbinnen verdachte zijn daad zou hebben gepleegd blijven steken in op geen enkele wijze feitelijk, laat staan wetenschappelijk onderbouwde theorieën. Het blijft bij een soort complotdenken vanuit de behoefte deze daad te verklaren.
Het maakt maar één ding echt duidelijk en wel hoe sterk de behoefte aan een verklaring is in alle lagen van de bevolking.
Dat is het rechtstreekse gevolg van de enorme onrust en angst die een daad als deze veroorzaakt. Hoe onverklaarbaarder iets is, hoe onvoorspelbaarder de kans opnieuw te worden getroffen. Men voelt zich machteloos tegenover het onbegrijpelijke.
Met men wordt in deze zaak onze hele samenleving bedoeld en dat geeft opnieuw het gewicht van deze zaak aan. Onze hele samenleving is door deze daad van deze verdachte bevangen door een ondefinieerbaar gevoel van angst en onbehagen. Dat mag niet zomaar blijven bestaan.

In dit verband moge ik verwijzen naar het arrest d.d. 12 mei 2003 van het Arnhemse hof in de zaak over de vuurwerkramp te Enschede.
Het hof noemt het opvallend hoezeer nog steeds in de samenleving de behoefte bestaat te weten hoe het allemaal heeft kunnen gebeuren en overweegt dat dit wellicht samenhangt met de omstandigheid dat de ramp zich volstrekt onverwachts voltrok.
Het hof spreekt van een mogelijkheid die buiten de gangbare voorstellingen lag en verklaart daaruit de grote ophelderingsbehoefte.
Ik citeer:

Juist omdat we nooit bedacht hadden dat iets dergelijks kon gebeuren, willen we weten hoe het tòch heeft kunnen gebeuren.
………………
En dat is niet alleen om antwoord te krijgen op de vraag hoe herhaling te voorkomen.
………………
We willen weten om te weten.

Einde citaat.

We willen weten om te weten. Het feit dat verdachte ons de mogelijkheid te weten onthoudt moet hem zwaar worden aangerekend.

Conclusie naar aanleiding van het motief:
Enig motief, dat deze daad minder verwijtbaar zou kunnen maken, is niet aannemelijk geworden. Integendeel. De veronderstelling is gerechtvaardigd dat verdachte zijn ware motief bewust verborgen houdt. Daarmee ontneemt hij onze samenleving de kans te weten. Dat verhoogt de verwijtbaarheid.

 

 

Pim Fortuyn Censuur in Nederland. De moord op Pim kost Nederlanders veel vrijheid (van meningsuiting) en een Fortuyn
332 Fortuyn & Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"
193 Fortuyn. Toeschrijven naar conclusie bekende truc overheid om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat
482 Fortuyn. Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
487 Fortuyn. Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden"
183 Fortuyn. Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers
182 Fortuyn. Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd
288 Fortuyn. Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor kamerleden/onderhandelaars LPF
178 Fortuyn. De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak 
281 Fortuyn. Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers
280 Fortuyn. Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn
282 Fortuyn. Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat 
275 Fortuyn. Demmink zou LPF-minister Nawijn hebben gewaarschuwd geen lijsttrekker te worden omdat LPF uit criminelen zou bestaan
485 Fortuyn. Rene Diekstra op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn
486 Fortuyn. Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy 
286 Fortuyn. Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond
391 Fortuyn. Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" 
105 Fortuyn. Toelichting officier ter terechtzitting Amsterdam in strafzaak verdachte moord Fortuyn
483 Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuyn 
BSC Waarom willen gemeenten namen, titel, initialen, nevenfuncties leden en secretarissen bezwaarcommissie GEHEIM te houden? 
GRI Welke bijbaantjes (in BSC) worden door de raadsgriffiers en gemeentesecretarissen van gemeenten NIET opgegeven en waarom niet?
107 Waarom werd brief 031209 van Hop aan Raad onderschept? Neem college geen BESLUIT en wie zitten in werkgroep communicatie?
   
Werkwijze overheid en rechtersleger bij rampen in Nederland! Burgers en bedrijven worden (financieel) kapot gemaakt!
POV Plakoorlog op de Veluwe, bekijk de journaal uitzending van Omroep Gelderland
PO1 Posteroorlog 1, In de meeste gemeenten was Hop er vroeg bij en plakte als eerste op de verkiezingsborden
PO2 Posteroorlog 2, Hoe zou u het vinden als u in heel Gelderland plakt en alles zelf betaald en het CDA vernield je verkiezingsposters?
PO3 Posteroorlog 3, Groep Hop was er vroeg bij omdat Hop alle adressen van verkiezingsborden bij alle gemeenten had opgevraagd!
180 Voordat de Staat (MvJ RVDK 445) een verzoek indient bij de rechter is er natuurlijk eerst een onderonsje met de rechter om het verzoek af te stemmen
124 Stockholmsyndroom en UHP kinderen. Brief ouders aan kinderrechter wij komen NIET naar hoorzitting om proceseconomische redenen!
306 Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?"
557 Pikmeerarresten! Rechtersleger zal altijd proberen de overheid te beschermen, onafhankelijke burgers/bedrijven kapot te maken!
306 Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?"
008 Informant Hop: "RvdK zat voor, tijdens schorsing en na de hoorzitting bij de kinderrechter AAN DEZELFDE TAFEL!"
710 Rb Zutphen tegen Hop: "Wraking Hop 3 rechters die zelf een zaak behandelen waarin zij zelf belanghebbende waren ONGEGROND!"
288 Informant Professor Daud: "De regentenstand speelt elkaar baantjes toe, parlement oefent nauwelijks controle uit"
267 Informant CDA Minister Donner: "Iedere kritiek afzonderlijk is NIET gevaarlijk"!
282 Informant Henk Westbroek: "Een kleine druppel voel je niet"
020 Informant Diekmans/Oltmans: Macht is recht! Wie meer macht heeft, heeft meer rechten, eigent zich ongestraft meer rechten toe
002 Awb procedures: Familie Logtenberg tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland
003 Awb procedures: Familie Nienhuis/Leenders tegen Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland/Stichting Lindenhout
004 Awb procedures: Familie Struyk tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland
005 K.H. de Werd: "Hoe een onafhankelijk ondernemer door vakbonden, OM en rechtersleger kapot wordt gemaakt
179 De zaak Joop van den Hemel tegen de verzekeringsmaatschappij Royal Nederland als norm voor de werkwijze en "integriteit" van het rechtersleger met al hun bijbaantjes bij verzekeringsmaatschappijen
421 Novacap tulpenfraude Novacap Floralis Termijnfonds 2004 cv, Novacap Termijnfonds Beheer B.V., Novacap Agricola B.V.
572 Ad Bos verklapte in 2001 het geheim van de bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland
334 Misbruik bevoegdheden! Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet
285 Misbruik bevoegdheden! Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw?
104 Overheid! Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur
278 Openbaar Ministerie! De IRT-affaire leert dat "klokkenluiders" bij het Openbaar Ministerie hun baan zullen kwijtraken
015 Bijlmerramp! De laatste gesprekken cockpit/verkeerstoren.
351 Bijlmerramp! CDA-rechter Rein-Jan Hoekstra die Bijlmerramp onderzoekt kan vrachtbrieven en mannen in witte pakken niet vinden
099 Schipholbrand, welke CDA-er was hier weer verantwoordelijk en hoe komen hij/zijn familie eigenlijk aan al hun baantjes? 
309 Vuurwerkramp Enschede rechercheurs voeren jarenlang Wob-procedures tegen Staat om Rijksrechercherapport
417 Brand Volendam! Gemeente vrijuit na falende controle! Welke bijbaantjes had de burgemeester tijdens de Brand Volendam? 
573 Catshuisbrand. Ing. P.B. (Peter) Reijman: "Landsadvocaat wilde concept rapport niet tot definitieve versie verheven"
283 Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam waarschuwing voor andere werknemers die tegen werkgever/gemeente procederen
178 Moord op Pim Fortuyn! Onderzoek dierenactivisten stopgezet! CDA-rechter die moord op Fortuyn onderzoekt kan weer niets vinden!
047 Tegen Ad van Rooij werd vertrouwensarts ingezet! Strijd tegen impregneren van hout met gif en gevolgen voor mens en milieu
300 Tegen Hop werd rechtersleger en een advocaat met baantjes bij kerk en school ingezet in strijd om contactjournaal gezinsvoogd
680 "Jeugdzorg" verzoekt Parlement/Minister net ingevoerde KLANTEN klachtwetgeving aan te passen in strijd tegen lastige Hop
346 CDA duldt geen kritiek in eigen blad, wil hoofdredacteur Christen Democratische Verkenningen de laan uitsturen
200 Het Seveso arrest, overheid moet aan burgers een schadevergoeding betaling indien burgers verkeerde informatie krijgen
408 Wet collectieve afhandeling massaschade! Identieke of verwante processen bij één gerecht of één rechterscombinatie bundelen
STEMWIJZER! Stem NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks bij verkiezingen gemeenteraad en landelijke verkiezingen 2010!
   

top