CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

NOVACAP TULPENFRAUDE

 

Novacap Tulpenfraude, de extra betaling van Novacap aan SBC (421) (383) (140) (167) (221)

Gezocht door J. Hop afschrift van de brief 2 juli 2003 Novacap aan SBC met de aanhef "betreft zekerheid" voor publicatie op deze website?

 

Deze ruimte is gereserveerd voor publicatie van bovengenoemde brief.

 

 

 

Telegraaf 14 augustus 2008

Slachtoffers tulpenfraude verliezen alles

door BART MOS

AMSTERDAM – Met de totale afwijzing van een miljoenenclaim namens het door fraude omgevallen tulpenbeleggingsfonds Novacap, zijn ruim honderd particuliere beleggers definitief hun inleg van €85 miljoen kwijt. Volgens de curator van het failliete tulpenfonds is er in de boedel geen geld meer aanwezig om hoger beroep te kunnen instellen tegen de „teleurstellende uitspraak” van de rechtbank van gisteren.
        Novacap-curator Hans Tiethoff is aangeslagen door het afwijzen van zijn miljoenenclaim in een civiele procedure tegen een grote groep van kwekers. Deze bollenkwekers, die volgens hem een belangrijke rol hadden in de beleggingsfraude, gaan nu dankzij het vonnis vrijuit. „Het is hoogst dramatisch dat het beleggend publiek miljoenen is kwijtgeraakt en dat deze schade vervolgens niet te verhalen is op partijen die aan deze schade hebben bijgedragen”, aldus Tiethoff. Stibbe-advocaat Tim de Greve van een van de aangeklaagde kwekers, noemt de uitspraak juist voorspelbaar.
       „Er is ontegenzeggelijk fraude gepleegd rondom het beleggingsfonds, maar daar hebben de kwekers dus helemaal niets mee te maken.”
       De tulpenfraude deed bloembollenstad Lisse vier jaar geleden op zijn grondvesten schudden. Honderdtwintig (vaak vermogende) beleggers, waaronder mensen als Cor Boonstra, Willem Sijthoff en Pieter Rijcke, staken hun geld in het beleggingsfonds, dat als termijnfonds investeerde in nieuwe tulpenrassen.
       De investeringen zorgden binnen enkele maanden voor enorme prijsstijgingen in de bollenstreek. Maar toen vervolgens bleek dat de uiteindelijke afnemers van de Novacap-tulpen hun aankopen plotseling massaal ontkenden, bleef het beleggingsfonds met een enorme voorraad duur ingekochte en daardoor onverkoopbare bollen zitten. Kort hierna ging Novacap failliet, evenals diverse betrokken kwekers. Het management van het beleggingfonds deed aangifte tegen de bestuurders van het bloembollenhandelshuis SBC, dat volgens hen een centrale rol speelde bij de speculatiefraude. Betrokken kwekers zouden bovendien de prijs van de bollen kunstmatig hebben opgedreven en valse koopovereenkomsten met het fonds hebben gesloten.

Hoewel de civielrechtelijke kant van de tulpenfraudezaak met het vonnis van gisteren grotendeels afgerond lijkt, moet de strafrechtelijke behandeling van de kwestie nog helemaal beginnen. Begin dit jaar besloot het openbaar ministerie (OM) de bestuurders Mark van der P. en Hennie van der V. van handelshuis SBC te vervolgen wegens hun vermeende betrokkenheid bij de fraude. Daarnaast loopt er nog een zogeheten ’artikel 12-procedure’ van enkele betrokkenen tegen het besluit van het OM om de bestuurders van Novacap nŪťt te vervolgen. Hiermee kan het OM door het gerechtshof worden gedwongen om alsnog vervolging in te stellen.

 

 

 

Informant Vasco van der Boon, Financieel Dagblad.

Op gespannen voet met het prospectus hebben de beheerders de fondsgelden als betalingsgarantie voor een andere onderneming aangewend. Dit blijkt uit een brief die Novacap 2 juli 2003 aan bollenbemiddelaar SBC stuurt. Het prospectus verbiedt expliciet dat de beheerder van het fonds zich borg stelt voor anderen of ‘zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt’

Financieel Dagblad. VASCO VAN DER BOON. LISSE De beheerders van tulpenbollenbeleggingsfonds Novacap lijken zelf een flinke steen te hebben bijgedragen aan de problemen van het fonds. Op gespannen voet met het prospectus hebben de beheerders de fondsgelden als betalingsgarantie voor een andere onderneming aangewend. Dit blijkt uit een brief die Novacap 2 juli 2003 aan bollenbemiddelaar SBC stuurt. De brief is in handen van deze krant. Het prospectus verbiedt expliciet dat de beheerder van het fonds zich borg stelt voor anderen of ‘zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt’. Geconfronteerd met de brief van 2 juli 2003 ontkent Novacap-directeur Jeannette Franken nu dat zij daarin samen met mede-directeur Marco Vrijburg garanties geeft. Ondanks dat de brief aanheft met ‘betreft: betalingszekerheid’ en nadrukkelijk meldt dat het de bedoeling van de brief is dat ‘betalingszekerheid door ons gegarandeerd is’, stelt Franken nu, bijgestaan door haar advocaat: ‘Die brief bevat helemaal geen enkele garantie. Het is slechts a letter of comfort.

’Zou de brief wel een garantie zijn, dan is daar niets mis mee, meent Franken. Het fondsprospectus verbiedt borgstelling alleen voor derden. Dat de beheerder van de commanditaire vennootschap Novacap Floralis Termijnfonds 2004 CV (de officiŽle naam van het beleggingsfonds) zich garant stelt voor een andere onderneming geheten Novacap Agricola BV kan, redeneert Franken, conform prospectus zijn. ‘Agricola is geen willekeurige derde partij, maar is een eenheid met Floralis waarmee het samenwerkt.’ 

Maar Franken stelt ook: ‘Agricola BV is een zelfstandige onderneming voor eigen risico.’ De brief van 2 juli 2003 dient ‘mede naar de kredietverzekeraar Coface’ betalingszekerheid door Agricola te garanderen. Is die zekerheid doorgeleid naar Coface? ‘Nee,’ zegt Franken, ‘want die passage had alleen betrekking op het volgend jaar als we een nieuw tulpenbeleggingsfonds zouden starten. De brief noemt echter alleen garanties voor aankopen in 2003. In welke hoedanigheid schreven Franken en Vrijburg hun brief van 2 juli 2003? De brief laat dat in het midden. Franken: ‘De brief is getekend door de beheerders van het beleggingsfonds Novacap Floralis Termijnfonds 2004 CV.’ Geconfronteerd met het verbod uit het prospectus voor de fondsbeheerder om een borg voor een ander af te geven, krabbelt Franken terug: ‘We kunnen in verschillende functies hebben getekend. Ik zoek dit uit.

’Mede met de brief van 2 juli 2003 als volmacht van het beleggingsfonds zijn vorig jaar maandenlang voor Agricola massieve aankoopposities ingenomen aan de vraagzijde van de tulpenmarkt. In opdracht van het fonds kocht Agricola aan, zonder de door het prospectus beloofde verkoop ‘op dezelfde dag’ door Agricola. De fondsbeheerders geven op 2 juli 2003 bemiddelaar SBC bijna vier maanden respijt, ‘uiterlijk tot 20 oktober 2003’ om aankopen door Agricola met verkopen te matchen. Het resultaat is dat de handelspositie van Agricola maanden uit evenwicht is. Volgens het prospectus kon dat niet. Op 15 juli heeft Agricola via SBC al voor €67,8 mln ingekocht, terwijl Agricola dan slechts voor €6 mln heeft verkocht. Op 15 augustus heeft Agricola €71,2 mln tulpenbollen ingekocht en slechts €26,1 mln verkocht. In september duurt deze onbalans voort. ‘Niet relevant,’ vindt Novacap-advocaat Sydney Berendsen. De onbalans komt volgens hem doordat Novacap een grote partij bollen overnam die een stroman als ‘anti-frontrunning’ stiekem voor de start van het fonds had ingeslagen met goedkeuring van het fonds. Het prospectus verzwijgt dit. Met de garantstellingsbrief van 2 juli 2003 op zak is maandenlang een koper op de tulpenbollenmarkt actief is geweest met een geldbuidel van €72,5 mln, zonder dat die koper zelf verkocht. De verstoring van een markt van amper €200 mln groot laat zich raden. Novacap meent in elk geval dat zij voor minstens 70% te duur heeft ingekocht. Het verweer van Franken is nu dat vůůr 31 oktober 2003 geen definitieve aankoop is verricht door Agricola. ‘Alle aankopen voor die datum waren voorlopig, onder voorwaarde dat de aankoop alleen door ging als Agricola een partij had om aan te verkopen.’ Op de koop- en verkoopcontracten ontbreekt deze voorwaarde, maar dat maakt niet uit, meent Franken. ‘Alle marktpartijen wisten dit.’Franken en Vrijburg verwijten anderen het vastlopen van hun fonds. Novacap heeft 76 partijen als ‘samenzwerende fraudeurs’ gedagvaard, evenals huisbank HBU. Het lijkt er nu echter op dat Novacap zelf ook enige blaam treft. 

 

Advocaten van 76 partijen die door Novacap worden beticht van samenzwering vinden de documenten op schending van het Novacap-prospectus duiden. 

‘Absoluut, Novacap overtreedt duidelijk het prospectus,’ zegt advocaat Toni van Hees. 

VASCO VAN DER BOON LISSE Het in problemen verkerende tulpenbeleggingsfonds Novacap lijkt in strijd met het prospectus te handelen. Het fonds staat garant voor een ander bedrijf. Bollen zijn gekocht zonder ze, zoals beloofd, direct te verkopen.Dit blijkt uit documenten in bezit van deze krant. Advocaten van 76 partijen die door Novacap worden beticht van samenzwering vinden de documenten op schending van het Novacap-prospectus duiden. ‘Absoluut, Novacap overtreedt duidelijk het prospectus,’ zegt advocaat Toni van Hees. Novacap-directeur Jeannette Franken ontkent dit.Beleggingsfonds Novacap Floralis Termijnfonds 2004 CV zit in problemen door mislukte tulpenhandel. Die liet het fonds door makelaar SBC uitvoeren voor een andere vennootschap, het Novacap-vehikel Agricola BV. SBC is inmiddels failliet. De bollenmarkt is daardoor ingestort. Agricola zit met bollen die niemand wil. De 121 Novacap-beleggers zijn €85,2 mln armer en hebben waardeloze aandelen.Naar nu blijkt hebben fondsbeheerders Franken en mede-directeur Marco Vrijburg 2 juli 2003 SBC schriftelijk gevolmachtigd bollen te kopen voor Agricola BV. Pas 20 oktober, schrijven ze, moet SBC die aankopen hebben verkocht.Zo krijgt SBC vier maanden respijt om koop- en verkooporders voor Agricola te matchen. Dat is strijdig met de belofte van het prospectus dat er wordt belegd in een constructie waarin Agricola ‘dezelfde dag’ bollen koopt en verkoopt. De fondsbeheerders bekrachtigen in hun brief aan SBC dat ten behoeve van Agricola ‘betalingszekerheid door ons gegarandeerd is (mede naar de kredietverzekeraar Coface)’. Het fonds heeft bij huisbank HBU geld dat volgens de beheerders ‘voor 85% kan worden aangewend voor de netto aankoop van tulpen tot een maximum van €72,5 mln’ voor Agricola.Hiermee zetten de beheerders het fonds in als borg voor betalingsverplichtingen van een ander bedrijf, BV Agricola. Het prospectus verbiedt dat. Directeur Franken meent nu dat 2 juli 2003 ‘geen enkele garantie’ is verstrekt. ‘Die brief is slechts a letter of comfort’. Op 15 juli 2003 is 9% van de €68 mln voor Agricola gekochte tulpen doorverkocht. Een maand later is dat 37%. Als SBC eind oktober onder tijdsdruk alsnog 100% van de Agricola-portefeuille weet door te plaatsen, blijkt dat achteraf met ‘spookcontracten’ te gebeuren die de afnemers nu betwisten.

 

 

 

Stichting "Nederlands Arbitrage Instituut"
Bestuur per 25 november 2002

39

Ere-voorzitter:
Prof. Mr P. Sanders

Dagelijks Bestuur

39


Voorzitter
J. L. W. Sillevis Smitt
Advocaat, Den Haag


22


Vice-voorzitter
Prof. Mr A. J. van den Berg
Advocaat te Amsterdam/Brussel


40


Vice-voorzitter
Mr F. H. A. M. Thunnissen
Advocaat te Amsterdam


22


Secretaris
Mr J.W. Bitter
Advocaat te Rotterdam


22


Mr G.W. van den Bend
Advocaat te Den Haag


28


Directeur
Mw. Mr F. D. von Hombracht-Brinkman


 

Algemeen Bestuur

22


Mr H. Beekhuis
Lid van de Raad van State


22


Mr J. Bevaart
Algemeen Directeur
Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam-Haarlem


22


Mr P. W. van Baal
Rechter Rechtbank Dordrecht


22


Drs. G. van den Berg
Oud president directeur Cebeco Handelsraad


22


Prof. Mr M. W. den Boogert
Advocaat te Amsterdam


24


Mr A. H. van Delden
Voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak


25


Mr F.W.H. van den Emster
Voorzitter van het gerechtsbestuur, Arondissementsrechtbank, Rotterdam


25


Mw. Mr C.M.T. Eradus
Voorzitter van het gerechtsbestuur, Amsterdam


25


Mw. Mr G. G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
Raadsheer Hoge Raad


26


Mr P. L. Folmer
Directeur Juridishe Zaken, Shell International


27


Mr H.J. de Groot
Advocaat, Groningen


28


Mr G. F. Th. Hesselink
Oud-advocaat te Utrecht




28


Mr H.F.M. Hofhuis
Voorzitter van het gerechtsbestuur, Arondissementsrechtbank, Den Haag


28


Mr T. T. van den Hout
Secretaris-generaal, Permanent Hof van Arbitrage


30


Mr J.G.J. Janssen
Advocaat te Amsterdam


32


Mr Drs. H. Langman
Oud-lid Raad van Bestuur, ABN Bank


33


Prof. W. P. Moleveld RA
Hoogleraar Universiteit Nijenrode


36


Mr P. M. A. L. Plompen
Directeur Juridishe Zaken, Philips International B.V.


36


Mr R. H. L. Post
Advocaat te Rotterdam


39


Mw. Mr A. B. Scheltema Beduin
Secretaris Juridishe Zaken, VNO/NCW


39


Prof. Mr H. J. Snijders
Hoogleraar Rijksuniversiteit Leiden


42


Mr W. R. Veldhuyzen
Adviseur Vereniging Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland


43


Mr O. L. O. de Witt Wijnen
Advocaat te Rotterdam


27


Drs W.J. Gunster
Secretaris ICC Nederland


 

Arbitrage

 Algemeen

De wetgever heeft een regeling geschapen waarbij op de grondslag van vrijwillige onderwerping geschillen kunnen worden beslist door particulieren, die hun bevoegdheid niet aan de wet ontlenen doch aan de overeenkomst van partijen. Ook hun vonnissen kunnen rechtskracht verkrijgen en met behulp van overheidssteun verwezenlijkt worden. Deze rechtspraak door particulieren wordt arbitrage genoemd en de rechters die aldus met rechtspleging worden belast noemt men arbiters.
In Nederland worden veel geschillen voorgelegd aan het Nederlands Arbitrage Instituut te Rotterdam.

Voor- en nadelen
Ten opzichte van de overheidsrechtspraak kent arbitrage enkele voordelen. Zo zal een arbitrageprocedure in het algemeen korter duren. De aanwezigheid van advocaten en procureurs is niet verplicht en de arbitragecommissie zal vaak bestaan uit experts op het gebied van het geschil.

Daarentegen kent arbitrage ook weer enkele nadelen. Soms kan het gebeuren dat verwikkelingen die zich tijdens of na afloop van de arbitrageprocedure voordoen alsnog aan de overheidsrechter voorgelegd moeten worden. Vaak zal de arbitrageprocedure duurder zijn. Bovendien bestaat er bij arbitrage een groter gevaar voor partijdigheid en afhankelijkheid.

Toelaatbaarheid
In principe zijn alleen geschillen vatbaar voor arbitrage en arbitrage is alleen mogelijk als alle betrokkenen ermee hebben ingestemd. Zulks kan geschieden zowel voordat een geschil is gerezen als nadat het geschil is verrezen.

Vonnis
Het arbitraal vonnis komt tot stand bij meerderheidsbeslissing. Het moet op schrift worden gesteld en dat geschrift dient de beslissing te bevatten alsmede de motivering daarvan. Arbiters mogen een dwangsom toekennen aan een veroordeling.

Het arbitraal vonnis levert op zichzelf geen executoriale titel op. Bevat het arbitrale vonnis een veroordeling dan kan degene die in het gelijk gesteld is de president van de rechtbank verzoeken een executoriale titel te verlenen. Hierdoor mag het vonnis ten uitvoer worden gelegd, eventueel met overheidshulp.

Rechtsmiddelen
Er zijn drie rechtsmiddelen tegen arbitrale vonnissen:

  1. arbitraal hoger beroep (dat kan alleen als partijen bij overeenkomst in die mogelijkheid hebben voorzien);

  2. vernietiging op de in de wet aangegeven gronden;

  3. rekest civiel.

Kort geding
De omstandigheid dat tussen partijen een arbitrale clausule van kracht is, belet niet dat de weg naar de president van de rechtbank ter verkrijging van een voorziening in kort geding openstaat. Ondertussen komt het soms voor dat het arbitragereglement een regeling bevat die de voorzitter van het arbitraal college de bevoegdheid verleent om in kort geding uitspraak te doen, in afwachting van de hoofdzaak.

Bindend advies
Naast arbitrage die in de wet is geregeld, is in de jurisprudentie nog een andere methode tot ontwikkeling gekomen, waarbij een onenigheid op basis van vrijwillige onderwerping door een of meer niet tot de rechterlijke macht behorende personen wordt beslist: het bindende advies.
Men spreekt van bindend advies als de beslissing opgedragen is aan een buiten partijen staande derde. Bindend advies lijkt veel op arbitrage. Er is echter een klein aantal verschillen. Zo kan men geen executoriale titel verkrijgen op grond van een bindend advies (ook niet na tussenkomst van de rechter) en kan een bindend advies ook door een van de partijen of door een aan een van beide partijen gelieerde instantie worden uitgesproken.

 

"Novacap overtreedt duidelijk het prospectus", concludeert Stibbe-advocaat Toni van Hees op basis van deze brief. Namens enkele beleggers zegt advocaat Klaas Beishuizen: "Wij willen voor het Nederlands Arbitrage Instituut de fondsbeheerder op diens prospectusaansprakelijkheid aanspreken. Dat komt in andere procedures zeker ook aan de orde".

Door deze crash, waarvan de markt nog lang niet is hersteld, zijn de participaties van 121 beleggers waardeloos geworden. Het gaat om mensen zoals ex- Philips -topman Cor Boonstra, die samen 85,2 miljoen euro in Novacap hebben belegd. Het debacle heeft geleid tot honderden procedures tussen 199 partijen. De belangrijkste bollencommissionair en grote kwekerijen zijn failliet.

 

De Financiele Telegraaf 13 december 2004

13-12-2004 07:59

'Tulpenfonds schond eigen prospectus'


Beleggers en kwekers klagen tulpenbeleggingsfonds Novacap aan voor schending van het prospectus. Bollen zijn gekocht zonder ze direct te verkopen. Het fonds zou volgens Het Financieele Dagblad zo het instorten van de markt veroorzaken.

Dit stellen advocaten namens partijen die met Novacap in de clinch liggen. Novacap ontkent desgevraagd het prospectus te schenden. De kritiek van de advocaten is dat Novacap vorig jaar niet deed wat het prospectus belooft: aankopen en op dezelfde dag doorverkopen. Volgens hen liet Novacap die doorverkoop maanden na. Versterkt door de voor deze kleine markt grote financiŽle slagkracht van Novacap raakten zo vraag en aanbod uit balans. De tulpenbollenmarkt stortte eind 2003 in.

Door deze crash, waarvan de markt nog lang niet is hersteld, zijn de participaties van 121 beleggers waardeloos geworden. Het gaat om mensen zoals ex- Philips -topman Cor Boonstra, die samen 85,2 miljoen euro in Novacap hebben belegd. Het debacle heeft geleid tot honderden procedures tussen 199 partijen. De belangrijkste bollencommissionair en grote kwekerijen zijn failliet.

Novacap wijt zijn debacle aan huisbank HBU en een samenzwering van 76 frauderende partijen. Fiod en het OM onderzoeken dit. Beleggers en kwekers op hun beurt bereiden nu aanklachten voor tegen de fondsbeheerder zelf, waarvan Marco Vrijburg en Jeannette Franken directeur zijn.

"Wij zien voldoende grond om een procedure te starten tegen de directie van het fonds om hen aansprakelijk te stellen voor overtreding van hun prospectus", zeggen advocaten Berth Brouwer en Wouter Jongepier (Boekel De Nerťe) namens enkele kwekers. De advocaten refereren aan een brief van 2 juli 2003 waarin Novacap volgens hen maanden uittrekt om aankopen door te verkopen.

"Novacap overtreedt duidelijk het prospectus", concludeert Stibbe-advocaat Toni van Hees op basis van deze brief. Namens enkele beleggers zegt advocaat Klaas Beishuizen: "Wij willen voor het Nederlands Arbitrage Instituut de fondsbeheerder op diens prospectusaansprakelijkheid aanspreken. Dat komt in andere procedures zeker ook aan de orde".

Advocaat Saskia Koerselman, die een van fraude verdachte oud-commissionair vertegenwoordigt, zegt: "Novacap handelde in strijd met het prospectus". Ook zij gaat dit punt naar voren brengen in procedures. Novacap wijst er in een reactie op dat de aangehaalde advocaten partijen vertegenwoordigen die Novacap beschuldigen van fraude.

 

Novacap Tulpenfraude, de extra betaling van Novacap aan SBC (421) (383) (140) (167) (221)

In welke netwerken kan men de naam Marco Vrijburg vinden?

 

 

 

Novacap was aandeelhouder van een onderneming.  Deze onderneming is destijds failliet gegaan. In de Media wordt overal geroepen dat hij geen bestuurder meer is van Novacap. Dit is formeel juist. Het fonds is “verkocht” en heet nu:   nedEquity Partners N.V.

 

directie:

Cornť A.W. RoestP.O. Box 2062

5202 CB 's-Hertogenbosch

Mobiel: +31 6 53 86 48 52

 

Het is echter wel grappig dat bij het opvragen van hun adres voor een AvA (er zat nog een Holding boven die niet failliet is gegaan) het antwoordt wel ge-cced wordt naar: hoe kan het ook anders; Marco Vrijburg.

 

DPMA Partners

'PARTNERS'  Achtergrond van.....

DPMA kent een partnerstructuur met Partners, Non-executive Partners en Associate Partners

De dagelijkse leiding van DPMA is in handen de partners Peter van den Hul en Marc Raymakers.

Peter van den Hul, bedrijfskundige, heeft zijn ervaring op financieringsvlak opgedaan bij ABN-AMRO en HBU en beschikt daarnaast over turn-around managementervaring in de hotelbranche

Marc Raymakers, bedrijfseconoom en registeraccountant (Coopers & Lybrand), werkzaam geweest in financiŽle functies bij BASF en Loeff Claeys & Verbeke en daarna als zelfstandig bedrijfsadviseur en commissaris, heeft een brede ervaring op het gebied van finance & control en bedrijfs- en integratieprocessen

Non-executive Partner: Marco Vrijburg

Marco Vrijburg, begon zijn carriere bij de belastingdienst als rijksaccountant. Is werkzaam geweest bij een advieskantoor met als specialisatie intellectuele eigendomsrechten, met name in de ict en uitgeverij. In 1999 heeft hij Novacap Venture Capital Network N.V. opgericht, waarvan de dagelijkse leiding bij hem berust.

Associate Partner: DaniŽl Sikkens 

DaniŽl Sikkens, zijn loopbaan gestart als advocaat (Nauta Dutilh) en bij Nedlloyd werkzaam geweest in verschillende managementfuncties, heeft uitgebreide ervaring op het gebied van het begeleiden, aansturen en afronden van (internationale) fusies & overnames, strategisch en financieel projectmanagement en communicatieaangelegenheden

 

 

LJN: AT0959,Voorzieningenrechter College van Beroep voor het bedrijfsleven , AWB 05/17

Print uitspraak

Datum uitspraak:

01-03-2005

Datum publicatie:

18-03-2005

Rechtsgebied:

Bestuursrecht overig

Soort procedure:

Voorlopige voorziening

Inhoudsindicatie:

Restitutie

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken


AWB 05/17        1 maart 2005
7200 Restitutie



Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Bulb Invest B.V., te Voorhout, verzoekster,
gemachtigde: mr. J. Jonk, advocaat te Nieuwegein,
tegen
Productschap Tuinbouw, verweerder,
gemachtigde: mr. R.J. van Agteren, advocaat te Amsterdam.


1.  De procedure
Verzoekster heeft op 27 augustus 2004 een aanvraag ingediend tot restitutie van door haar betaalde vakheffing.
Bij brief van 11 januari 2005 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag.
Verzoekster heeft zich bij brief van gelijke datum, ter griffie van het College ontvangen op 12 januari 2005, tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek te bepalen dat verweerder bij wijze van voorschot een bedrag van € 1.564.619,46 dient te betalen, dan wel subsidiair een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren.
Bij brief van 12 januari 2005 is dit verzoek aangevuld met het meer subsidiaire verzoek om een termijn te stellen waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist dan wel die voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren.
Verweerder heeft bij brief van 3 februari 2005 een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is ter zitting behandeld op 24 februari 2005, alwaar de gemachtigden van partijen de verschillende standpunten nader hebben toegelicht. Voorts hebben namens verzoekster J. van Waardenburg en M.A.C. Leuven en namens verweerder mr. C.P. Lunter, mr. H. Penning de Vries en J. Klapwijk het woord gevoerd.

2.  De grondslag van het geschil
2.1 De Verordening PT Vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003 bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 2
1. De koper en verkoper van bloembollen-leverbaar is aan het productschap een heffing verschuldigd, (…).
2. (…).

Artikel 3
1. Ter uitvoering van artikel 2 doen de koper en verkoper bij het productschap aangifte van de door hen gekochte, respectievelijk verkochte bloembollen-leverbaar.
2. (…).

Artikel 6
1. Degene die bloembollen-leverbaar verkoopt of heeft verkocht door tussenkomst van een veiling, is aan het productschap een heffing verschuldigd over iedere transactie.
2. (…)
3. De in het eerste lid bedoelde heffing wordt door de verkoper betaald aan de desbetreffende veiling, die – voor het productschap – het heffingsbedrag inhoudt op de aan de verkoper toekomende koopsom.
De aldus geÔncasseerde heffing wordt rechtstreeks aan het productschap overgemaakt. Door deze laatste betaling voldoet de verkoper aan de heffingsplicht, bedoeld in het eerste lid.
4. Het tweede lid laat onverlet de bevoegdheid van het productschap om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van de ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

Artikel 7
1. Degene die, niet-handelskaarthouder zijnde, bloembollen-leverbaar koopt of heeft gekocht door tussenkomst van een veiling is aan het productschap een heffing verschuldigd over iedere transactie.
2. (…)
3. De in het eerste lid bedoelde heffing wordt door de koper betaald aan de desbetreffende veiling, die – voor het productschap – het heffingsbedrag inhoudt.
De aldus geÔncasseerde heffing wordt rechtstreeks aan het productschap overgemaakt. Door deze laatste betaling voldoet de koper aan de heffingsplicht, bedoeld in het eerste lid.
4. Het derde lid laat onverlet de bevoegdheid van het productschap om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van de ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

Artikel 14
1. Degene die, niet-handelskaarthouder zijnde, aantoont:
a. dat hij door hem in een verkoopseizoen ingekochte bloembollen-leverbaar in dat zelfde seizoen door tussenkomst van een veiling (…) heeft doorverkocht en
b. dat hij de over deze inkoop en verkoop op grond van de bepalingen van deze verordening verschuldigde vakheffing heeft voldaan,
ontvangt van het productschap een restitutie.
(…).
2. (…).

Artikel 22
Een koper en verkoper van bloembollen wordt geacht, indien hij bloembollen door tussenkomst van een veiling verhandelt, aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 2 en 3 ten aanzien van de op vorenbedoelde wijze verhandelde producten te hebben voldaan, indien hij de desbetreffende veiling heeft gemachtigd namens hem aan het productschap de door hem verschuldigde heffing te voldoen en deze heffing door het productschap is ontvangen."

De Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003 bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 2
1. De koper en verkoper van bloembollen-plantgoed is aan het productschap een heffing verschuldigd.
2. (…).
3. (…).

Artikel 3
1. Ter uitvoering van artikel 2 doen de koper en verkoper bij het productschap aangifte van de door hen gekochte, respectievelijk verkochte bloembollen-plantgoed.
2. (…).

Artikel 5
1. Degene die bloembollen-plantgoed verkoopt of heeft verkocht door tussenkomst van een veiling, is aan het productschap een heffing verschuldigd over iedere transactie.
2. (…)
3. De in het eerste lid bedoelde heffing wordt door de verkoper betaald aan de desbetreffende veiling, die – voor het productschap – het heffingsbedrag inhoudt op de aan de verkoper toekomende koopsom.
De aldus geÔncasseerde heffing wordt rechtstreeks aan het productschap overgemaakt. Door deze laatste betaling voldoet de verkoper aan de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid.
4. Het derde lid laat onverlet de bevoegdheid van het productschap om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van de ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

Artikel 6
1. Degene die, niet-handelskaarthouder zijnde, bloembollen-plantgoed koopt of heeft gekocht door tussenkomst van een veiling is aan het productschap een heffing verschuldigd over iedere transactie.
2. (…)
3. De in het eerste lid bedoelde heffing wordt door de koper betaald aan de desbetreffende veiling, die – voor het productschap – het heffingsbedrag inhoudt.
De aldus geÔncasseerde heffing wordt rechtstreeks aan het productschap overgemaakt. Door deze laatste betaling voldoet de koper aan de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid.
4. Het derde lid laat onverlet de bevoegdheid van het productschap om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van de ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

Artikel 13
1. Degene die, niet-handelskaarthouder zijnde, aantoont:
a. dat hij door hem in een verkoopseizoen ingekochte bloembollen-plantgoed in dat zelfde seizoen door tussenkomst van een veiling (…) heeft doorverkocht en
b. dat hij de over deze inkoop en verkoop op grond van de bepalingen van deze verordening verschuldigde vakheffing heeft voldaan,
ontvangt van het productschap een restitutie.
(…).
2. (…).

Artikel 22
Een koper en verkoper van bloembollen wordt geacht, indien hij bloembollen door tussenkomst van een veiling verhandelt, aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 2 en 3 ten aanzien van de op vorenbedoelde wijze verhandelde producten te hebben voldaan, indien hij de desbetreffende veiling heeft gemachtigd namens hem aan het productschap de door hem verschuldigde heffing te voldoen en deze heffing door het productschap is ontvangen."

2.2  Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- Verzoekster drijft een onderneming in vermeerdering van en groothandel in bloembollen.
- Voor de in- en verkoop van bloembollen maakte verzoekster gebruik van de veiling van het Sierteelt Bemiddelings Centrum B.V. (hierna: SBC).
- Onder intrekking van de op 25 november 2003 verleende voorlopige surseances van betaling is op 3 december 2003 het faillissement uitgesproken van SBC en van de Stichting Derdengelden SBC (hierna: de Stichting), via welke stichting SBC de heffingen op grond van de onder 2.1 van deze uitspraak vermelde verordeningen (hierna ook: vakheffingen) inhield.
- Verweerder heeft – naar eigen eerste inschatting – op de boedel een vordering van ongeveer 20 miljoen Euro aan nog niet door SBC afgedragen vakheffingen.
- Verzoekster heeft bij verweerder een aanvraag ingediend tot restitutie van door haar over de eerste periode van het oogstjaar 2003 betaalde vakheffing, ten bedrage van € 1.564.619,46.

3.  Het standpunt van verzoekster
3.1  Verzoekster heeft in haar verzoekschrift gesteld aanspraak te hebben op restitutie van de door haar betaalde heffingen. Door het uitblijven van de restitutie zou verzoekster in ernstige liquiditeitsproblemen raken.
3.2  Ter zitting is namens verzoekster samengevat het volgende verklaard.
Aangezien verweerder het nemen van een besluit onder meer laat afhangen van het voldoen van de totale vordering uit de gefailleerde boedel, is het onaannemelijk dat ooit een besluit zal volgen. Verweerder handelt aldus in strijd met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
De precaire financiŽle positie kan worden afgeleid uit de verklaring van L.Th.J. Rodewijk AA van 28 december 2004 en de verkorte balans van 30 april 2004, waaruit een negatief eigen vermogen en een ernstig tekort aan liquiditeiten blijkt. De situatie is verder verslechterd. Door het aangaan van leningen kon ternauwernood aan de betalingsverplichtingen worden voldaan. Het is echter niet mogelijk om nieuwe leningen af te sluiten. Verzoekster kan het wellicht nog ťťn ŗ twee maanden uithouden. De curator heeft de volgende vorderingen erkend: € 2.421.447,88, € 423.735,62 en € 1.465.168,28.
Verweerder heeft geaccepteerd dat de vakheffing werd voldaan via SBC en niet van de marktpartijen verlangd dat zij deze heffing rechtstreeks aan verweerder afdroegen. Dat SBC en de Stichting SBC zijn gefailleerd, is een omstandigheid die niet op verzoekster kan worden afgewenteld.
Verzoekster is door NovaCap Agricola B.V. en NovaCap Floralis gedagvaard ter zake van onrechtmatig handelen. Dat komt doordat verzoekster ongewild en onvermijdelijk een schakel vormde in de prijscarrousel. Zij heeft nadrukkelijk niet aan de termijnhandel meegedaan en is ook niet betrokken geweest bij spooktransacties. Volgens telefonisch verkregen informatie is reeds 90% van de transacties waarvoor restitutie wordt gevraagd, beoordeeld. Als nadere informatie van verzoekster nodig is, kan daarom worden gevraagd. Verweerder beschikt voorts over een vorstelijk eigen vermogen, dat volstaat om alle restitutieverzoeken te betalen.
De aanvraag voldoet aan de in de verordeningen opgenomen eis dat tegenover verkopen, aankopen dienen te staan die in het betreffende oogstseizoen hebben plaatsgevonden. De lijst met aankopen uit 2002 is slechts ad informandum bijgevoegd.
Precedentwerking kan voor een publiekrechtelijk lichaam nimmer een argument zijn om zich aan zijn wettelijke verplichtingen te onttrekken. Dat verweerder begrotingstechnisch niet zou uitkomen, kan evenmin een argument zijn.
Verweerders stelling dat slechts aanspraak op restitutie bestaat wanneer SBC de vakheffing daadwerkelijk heeft afgedragen, miskent dat in de verordeningen tevens is bepaald dat geacht moet worden te zijn betaald wanneer de vakheffing is afgedragen aan SBC.

4.  Het standpunt van verweerder
4.1  Verweerder heeft in zijn verweerschrift samengevat het volgende naar voren gebracht.
Verweerder wordt geconfronteerd met restitutieverzoeken die niet worden gedekt door heffingsinkomsten. Een uitkering uit het faillissement valt niet (op korte termijn) te verwachten en zeker niet voor de bedragen die de totale restitutiebetaling bij benadering dekken.
Uit de administratie van SBC zou kunnen blijken welke partijen zich schuldig hebben gemaakt aan fraude en speculatie. Deze administratie rust thans onder de curator en verweerder heeft daarin vooralsnog geen volledige inzage. Om te kunnen vaststellen welke restitutieverzoeken kunnen worden gehonoreerd, moeten alle transacties in de relevante periode worden bekeken, ook in hun onderlinge verband. Onderzocht moet worden of de heffing is afgedragen en of sprake is van geldige transacties. Door het grote aantal transacties (ongeveer 10.000 aankoop- en 10.000 verkooptransacties) en het gebrek aan informatie, valt thans niet in te schatten wanneer het voor verantwoorde uitbetaling vereiste inzicht zal bestaan. Er wordt echter hard aan gewerkt.
Opvallend is dat verzoeksters aanvraag een hoger bedrag betreft dan de totale restitutiesom voor 2002. Het in de handel op vorderingen uit termijntransacties in tulpenbollen van nieuwe rassen actieve termijnfonds NovaCap Floralis heeft onder meer verzoekster, haar moedervennootschap, dier moedervennootschap en de bestuurder/aandeelhouder van de laatste gedagvaard. De gedaagden wordt verweten onrechtmatig te hebben gehandeld ten opzichte van diverse NovaCap vennootschappen door prijsopdrijving, acceptatie van betalingen voor gefingeerde verkopen en het veroorzaken van het faillissement van SBC. Volgens berekeningen van NovaCap dienen de in totaal 76 gedaagden nog een bedrag van
€ 898.620,-- aan SBC te voldoen. Verzoekster zal niet zonder grond zijn gedagvaard. Er zijn voorts documenten waaruit blijkt dat ook verzoekster heeft verkocht aan buitenlandse vennootschappen. Er dient dan ook zeer zorgvuldig te werk te worden gaan bij de beoordeling van verzoeksters aanvraag.
Een financiŽle noodsituatie kan onder bijzondere omstandigheden als spoedeisend belang worden aangemerkt. Verzoekster heeft de door haar gestelde liquiditeitsproblemen echter niet onderbouwd. Uit een verklaring van 29 december 2004 van Rodewijk AA van verzoeksters moederonderneming blijkt niet van een serieus probleem. Gelet op het geclaimde restitutiebedrag heeft verzoekster in de periode van 1 juni 2003 tot en met 30 november 2003 een omzet gerealiseerd van € 48.894.356. In de periode van 1 december 2002 tot en met 31 mei 2003 bedroeg de omzet ongeveer € 400.000. De omzet is dus 122 maal groter. De in de periode van 1 juni 2003 tot 30 november 2003 gerealiseerde marge bedraagt € 2.323.883. Uit verzoeksters jaarrekeningen over 2001 tot en met 2004 blijkt dat de balanspositie in de loop der jaren niet significant is gewijzigd. Gelet op de gerealiseerde marge valt niet in te zien hoe niet-uitbetaling van restituties tot betalingsmoeilijkheden zal leiden.
Verweerder beheert de belangen van alle partijen die restitutieaanvragen hebben ingediend. Andere partijen hebben begrip getoond en zich neergelegd bij het voorlopig uitblijven van beslissingen. Verweerder heeft een neutraal budget en de uitgaven worden gefinancierd door de inkomsten. Als verzoeksters aanvraag wordt gehonoreerd, zullen meer aanvragers aandringen op een beslissing, waardoor de te verdelen pot spoedig leeg zal zijn. Het belang van de sector dient te prevaleren boven verzoeksters belang.
Ingevolge de relevante verordeningen ontstaat eerst een aanspraak op restitutie nadat verweerder de vakheffingen daadwerkelijk van de betreffende veiling heeft ontvangen.
4.2   Ter zitting is namens verweerder samengevat het volgende naar voren gebracht.
In het verkoopseizoen 2003 is de handel in bloembollen losgeslagen. De hoeveelheid aanvragen is toegenomen van 1.500 naar 20.000 en de daarmee gemoeide bedragen zijn ook sterk gestegen. Dit heeft geleid tot het faillissement van SBC en de Stichting. Dit faillissement heeft een groot aantal ongeregeldheden aan het licht gebracht. De aanzienlijke stijging van de hoogte van de verzochte restitutie leidt er toe dat verweerder de aanvragen minutieus onderzoekt. De aanvraag betreft niet een normale periode en kan dus niet zoals in de voorgaande periodes worden behandeld. Verweerder heeft de administratie van SBC deels pas in november/december 2004 ontvangen. Verweerder beschikt voorts niet over MxBulb, het digitale administratiesysteem, en de bijbehorende gegevens van de veiling. De curator verleent voorts slechts geringe medewerking. Verweerder is in onderhandeling met NovaCap om gebruik te mogen maken van het rapport van de ingeschakelde forensisch accountant en van MxBulb. Daar hangt wel een prijskaartje aan.
Een deel van de transactiehistorie van verzoekster is inmiddels vastgesteld. Naar schatting kost het nog ongeveer drie maanden om verzoeksters volledige transactiehistorie in kaart te brengen en te beoordelen. Verweerder moet echter inzicht in alle markttransacties hebben om een afgewogen besluit te kunnen nemen. Zelfs als verweerder in staat was op korte termijn iedere aanvraag te beoordelen, zou het ontverantwoord zijn om uit te betalen. Daarbij is de economische realiteit van belang. Geld dat verweerder niet heeft, kan niet worden uitbetaald. Het is onduidelijk welk bedrag uit de failliete boedel vloeit, terwijl daarnaast de curator rekening mee houdt met slechts gedeeltelijke verificatie van verweerders vordering , omdat sprake is van een (groot) aantal vernietigbare, nietige c.q. niet-bestaande handelsovereenkomsten. Ook kunnen transacties waarover heffing is afgedragen aan SBC worden getroffen door de aantasting van andere transacties in de handelsketen. In dat geval dient de claimant zich wegens onverschuldigde betaling te wenden tot de curator. Als ten onrechte aan verzoekster wordt uitbetaald, krijgt verweerder weliswaar een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling, maar de kans dat deze vordering wordt betaald is nihil, indien verzoeksters stelling inzake financiŽle problemen juist is.
Daarnaast blijkt dat tegenover sommige verkopen geen aankoop in hetzelfde seizoen staat, zodat geen aanspraak op restitutie bestaat. Ook wordt geen juist beeld van de aan- en verkopen gegeven. Niet bestreden wordt dat SBC vakheffing heeft ingehouden. Het is echter niet duidelijk of dat ter grootte van verzoeksters aanvraag is gebeurd. SBC heeft immers geen vakheffing kunnen inhouden op transacties die niet zijn betaald door de buitenlandse ondernemingen. Er zijn aanwijzingen dat ook verzoekster heeft gehandeld met deze verdachte ondernemingen
Het restitutiebelang van partijen in de bollenhandel is slechts ťťn van de zeer uiteenlopende belangen die verweerder dient. Daarom zijn in de verordeningen regels opgenomen die een zo zorgvuldig mogelijke belangenafweging mogelijk maken. Artikel 22 van de onderhavige verordeningen is een voorbeeld van zo’n bepaling. Mede in het licht van de feiten en omstandigheden komt verweerder een beroep toe op genoemd artikel 22. De buiten verweerder gelegen omstandigheid dat SBC de transacties administratief niet meer kon verwerken, rechtvaardigt op zich al dat beroep.
Het bezwaarschrift zal op 10 maart 2005 op een hoorzitting worden behandeld. De adviescommissie zal na ongeveer drie weken een advies uitbrengen. De beslissing op het bezwaar, alsmede een beslissing op de aanvraag van verzoekster, kan er begin juni 2005 zijn, mits de aanvraag en het bezwaar van verzoekster naar voren wordt gehaald. Ten tijde van de hoorzitting zal er naar verwachting voorts door verweerders bestuur beleid zijn vastgesteld omtrent de wijze waarop de afwikkeling van restitutieaanvragen met betrekking tot de betrokken periode plaatsvindt.

5.  De beoordeling van het geschil
5.1   Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.
5.2   Met betrekking tot het gestelde spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat dit voor zover het betrekking heeft op het primair en subsidiair verzochte in hoofdzaak een financieel karakter draagt. Een zodanig belang vormt volgens vaste jurisprudentie op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter wel in beeld kunnen komen indien het financiŽle belang, gelet op bijvoorbeeld het totaal van de handelsactiviteiten en/of de vermogenspositie van verzoekster, zodanig zwaarwegend is, dat de continuÔteit van de onderneming wordt bedreigd. In dat geval is het treffen van een voorziening evenwel nog niet gegeven maar is een verdere toetsing en belangenafweging noodzakelijk.
Dat in het onderhavige geval sprake is van een zwaarwegend financieel belang als evenbedoeld, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verzoekster heeft weliswaar gesteld dat sprake is van liquiditeitsproblemen, maar heeft nagelaten om in of bij haar verzoekschrift met een concrete, cijfermatige onderbouwing van deze stelling te komen. Verzoekster heeft ter zitting nog wel gewezen op de tot de gedingstukken behorende brief van Rodewijk AA van 28 december 2004 en een verkorte balans van 30 april 2004. Deze stukken kunnen evenwel niet dienen als een voldoende basis voor het aannemen van een thans bestaande nijpende financiŽle situatie. De brief van Rodewijk geeft niet meer aan dan dat de liquiditeit sterk is achteruitgegaan, dat het Rodewijk niet duidelijk is of aan aangegane verplichtingen kan worden voldaan en dat het, om het voortbestaan van de onderneming niet in gevaar te brengen, van essentieel belang is dat de restitutieclaim aan verzoekster wordt toegewezen. Uit een en ander valt niet af te leiden dat op dit ogenblik, vooruitlopend op besluitvorming over de gerechtvaardigdheid van de claim, een rechterlijke voorziening geboden is om te kunnen blijven voortbestaan. De verkorte balans per 30 april 2004 geeft weliswaar een negatief eigen vermogen weer, maar hiervan was ook sprake in de balans per 30 april 2003. De beschikbare liquide middelen zijn per 30 april 2004 weliswaar gering, maar waren dit ook per 30 april 2003 en 30 april 2002. De - overigens door verweerder - overgelegde balansen wijzen dus niet op een wezenlijk gewijzigd financieel beeld.
Het primaire en subsidiaire verzoek om verweerder op te dragen aan verzoekster thans bedragen aan restitutie uit te betalen, komt dan ook reeds op grond van het ontbreken van een spoedeisend belang hiertoe niet voor toewijzing in aanmerking.
Met betrekking tot het meer subsidiaire verzoek overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.3   Aangezien niet bij wettelijk voorschrift een termijn is vastgesteld waarbinnen moest zijn beslist op verzoeksters aanvraag, stond ingevolge artikel 4:13 van de Awb verweerder daartoe in beginsel een termijn van acht weken ter beschikking, met de mogelijkheid van verlenging met een redelijke termijn. Aangezien onbetwist sprake is van een volledige aanvraag, had verzoekster aanspraak op een beslissing binnen een aldus geldende termijn en is verweerder in beginsel ook gehouden binnen een dergelijke termijn op de aanvraag te beslissen.
Verzoekster heeft evenwel inmiddels bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag. Ingevolge artikel 6:20, Awb is verweerder hangende dit bezwaar aanhangig niet verplicht, doch wel bevoegd om een beslissing op de aanvraag te nemen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verweerder gebruik maakt van de mogelijkheid om het nemen van een beslissing op de aanvraag aan te houden totdat op het bezwaar zal worden beslist. Op grond van artikel 7:10, eerste lid, Awb, dient verweerder in het onderhavige geval binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift op het bezwaar te beslissen.
Gelet op het door verweerder betrokken standpunt is aannemelijk dat de beslissing op het bezwaar niet tijdig zal worden genomen. De gemachtigde van verweerder heeft immers verklaard dat deze eerst omstreeks 1 juni 2005 zal worden genomen.
In verband met de dreigende overschrijding van de beslistermijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bezien in hoeverre via het treffen van een procedurele voorziening tegemoet kan worden gekomen aan het belang van verzoekster bij spoedige duidelijkheid over haar financiŽle claims, mede in het licht van de door verzoekster gedane - voorshands niet onderbouwde - stelling dat zij verwacht het nog ťťn ŗ twee maanden te kunnen uithouden en onder respectering van het belang van verweerder bij een zorgvuldig onderzoek van alle voor het nemen van een verantwoord besluit relevante transacties. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
5.4   Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder zich beroept op de artikelen 6, derde lid, laatste volzin, 7, derde lid, laatste volzin, en 22 van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003 en de artikelen 5, derde lid, 6, derde lid, en 22 van de Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003.
Ingevolge genoemde onderdelen van de vermelde artikelen 6 en 7 voldoet de verkoper aan zijn heffingsplicht door het overmaken van de geÔncasseerde heffing door de veiling aan verweerder. Nu vaststaat dat SBC de heffingen waarvan verzoekster restitutie vordert, niet heeft overgemaakt aan verweerder, zou ingevolge deze bepalingen - door verweerder gelezen in samenhang met de artikelen 22 van beide verordeningen - verzoekster niet aan haar heffingplicht hebben voldaan, zodat niet is voldaan aan de ingevolge artikel 14, eerste lid, onder b, van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003 c.q. artikel 13, eerste lid, onder b, van de Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003 geldende voorwaarde om voor restitutie in aanmerking te komen.
Ter zitting is gebleken dat verweerder geen eenduidig antwoord geeft op de vraag of hij zich jegens verzoekster op deze bepalingen wenst te beroepen. Het feit dat verweerder al geruime tijd bezig is met een uitgebreid onderzoek naar verrichte transacties en hiermee nog geruime tijd wenst voort te gaan, lijkt erop te duiden dat verweerder zich niet zonder meer op bedoelde bepalingen zal beroepen. Verweerder lijkt evenwel niet uit sluiten dat hij, mede afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, met een beroep op bedoelde bepalingen de restitutieclaim zal afwijzen.
De voorzieningenrechter vermag niet in te zien dat verweerder tot begin juni 2005 nodig zal hebben om te beslissen of hij evenvermelde bepalingen uit de heffingsverordeningen wenst in te roepen. Daarom bestaat aanleiding verweerder op te dragen verzoekster omtrent het al dan niet toepassen van deze bepalingen eerder duidelijkheid te geven.
5.5   Het niet verlenen van de gevraagde restitutie wordt, zo neemt verweerder vooruitlopend op een besluit terzake aan, voor een deel gerechtvaardigd door de omstandigheid dat verkochte bloembollen niet in hetzelfde verkoopseizoen zijn ingekocht en door de omstandigheid dat relevante transacties niet in 2003 maar in 2002 hebben plaatsgevonden. Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat zij in staat is om de onjuistheid van verweerders veronderstellingen dienaangaande aan te tonen aan de hand van stukken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hoorzitting de geŽigende plaats is voor het geven van een toelichting terzake door verzoekster. Bij beide partijen bestaat de verwachting dat in ieder geval op bedoelde onderdelen de hoorzitting voldoende duidelijkheid zal bieden over de validiteit van verzoeksters argumenten. Het voorgaande, gevoegd bij het feit dat, naar ter zitting duidelijk is geworden, een medewerker van verweerder zeker ten tijde van de hoorzitting al behoorlijke vorderingen zal hebben gemaakt met betrekking tot de voor verzoekster relevante transacties, leidt tot het oordeel dat het niet te rechtvaardigen valt iedere besluitvorming op de restutieaanvraag te laten wachten op afronding van het volledige onderzoek.
Ook het voorgaande vormt reden verweerder op te dragen om binnen een kortere dan de door verweerder voorgenomen termijn althans gedeeltelijk duidelijkheid te bieden.
5.6  Gelet op het vorenoverwogene zal de voorzieningenrechter verweerder bij wijze van voorlopige voorziening opdragen om uiterlijk vier weken na de hoorzitting, dus op 7 april 2005, in reactie op de restitutieaanvraag een beslissing te nemen als omschreven in rubriek 6 van deze uitspraak.
Verweerders vrees dat een voorziening een precedent zou kunnen vormen voor andere gegadigden voor restitutie, kan aan vorenstaande overwegingen niet afdoen en vormt dus geen aanleiding om verzoekster langer dan noodzakelijk is elke besluitvorming naar aanleiding van haar aanvraag te onthouden.
5.7   De voorzieningenrechter bepaalt voorts dat het door verzoeksters betaalde griffierecht door verweerder dient te worden vergoed. Tenslotte acht de voorzieningenrechter termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van verzoekster, zijnde de kosten van de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,--, bestaande uit 1 punt (ter waarde van € 322,--) voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. Het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld.

6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in dier voege dat verweerder wordt opgedragen om, tenzij eerder een
volledige beslissing op de aanvraag of een beslissing op het bezwaar is genomen, uiterlijk op 7 april 2005 in reactie op de
aanvraag van 27 augustus 2004 te beslissen:
a) of verweerder de aanvraag afwijst met een beroep op de artikelen 6, derde lid, laatste volzin, 7, derde lid, laatste volzin, en
22 van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003 dan wel de artikelen 5, derde lid, 6, derde lid,
en 22 van de Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003;
b) in hoeverre, vooruitlopend op een definitief besluit, tot toekenning van een gedeelte van de aangevraagde restitutie kan
worden overgegaan;
- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van verzoekster, vastgesteld op € 644,-- (zegge:
zeshonderdvierenveertig euro);
- bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 273,-- (zegge: tweehonderddrieŽnzeventig euro) aan
haar vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.

w.g. C.J. Borman        w.g. R. Meijer

 

 

 

 

LJN: AU1937,Voorzieningenrechter College van Beroep voor het bedrijfsleven , AWB 05/327

Print uitspraak

Datum uitspraak:

02-09-2005

Datum publicatie:

05-09-2005

Rechtsgebied:

Bestuursrecht overig

Soort procedure:

Voorlopige voorziening

Inhoudsindicatie:

Restitutie

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken


AWB 05/327        2 september 2005
7200 Restitutie



Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Bulb Invest B.V., te Voorhout, verzoekster,
gemachtigde: mr. J. Jonk, advocaat te Nieuwegein,
tegen
Productschap Tuinbouw, verweerder,
gemachtigde: mr. R.J. van Agteren, advocaat te Amsterdam.

1.  De procedure
Verzoekster heeft op 27 augustus 2004 een aanvraag ingediend tot restitutie van door haar over de periode van 1 juni 2003 tot 1 september 2003 betaalde vakheffing.
Bij brief van 11 januari 2005 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag.
Op 10 maart 2005 heeft het horen op bezwaar plaatsgevonden. Verweerders adviescommissie heeft verzoekster bij brief van 8 april 2005 een aantal vragen voorgelegd. Verzoekster heeft bij brief van 3 mei 2005 gereageerd op dit schrijven.
Bij schrijven van 23 mei 2005, op dezelfde dag ter griffie van het College ontvangen, heeft verzoekster beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 05/326. Bij schrijven van gelijke datum heeft verzoekster zich opnieuw tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om – onder meer – te bepalen dat verweerder een bedrag van € 1.562,214,34 dan wel een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, bij wijze van voorschot aan verzoekster dient te betalen.
Op 6 juni 2005 heeft een tweede hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar plaatsgevonden.
Verweerder heeft op 6 juli 2005 een beslissing op het bezwaar genomen.
Bij brief van 20 juli 2005 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht het verzoek om een voorlopige voorziening op korte termijn te behandelen.
Verweerder is bij brief van 22 augustus 2005 met een schriftelijke reactie gekomen.
Bij brief van 25 augustus 2005 heeft de accountant van verzoekster A AA een nadere toelichting gegeven op de financiŽle situatie van verzoekster.
Op 29 augustus 2005 heeft de behandeling ter zitting plaatsgevonden, alwaar de gemachtigden de standpunten van partijen nader hebben toegelicht. Voorts hebben namens verzoekster A AA, B en C en namens verweerder D het woord gevoerd.

2.  De grondslag van het geschil
2.1  De Verordening PT Vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003 (hierna: de Verordening leverbaar) bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 2
1. De koper en verkoper van bloembollen-leverbaar is aan het productschap een heffing verschuldigd, (…).
2. (…).

Artikel 3
1. Ter uitvoering van artikel 2 doen de koper en verkoper bij het productschap aangifte van de door hen gekochte, respectievelijk verkochte bloembollen-leverbaar.
2. (…).

Artikel 6
1. Degene die bloembollen-leverbaar verkoopt of heeft verkocht door tussenkomst van een veiling, is aan het productschap een heffing verschuldigd over iedere transactie.
2. (…)
3. De in het eerste lid bedoelde heffing wordt door de verkoper betaald aan de desbetreffende veiling, die – voor het productschap – het heffingsbedrag inhoudt op de aan de verkoper toekomende koopsom.
De aldus geÔncasseerde heffing wordt rechtstreeks aan het productschap overgemaakt. Door deze laatste betaling voldoet de verkoper aan de heffingsplicht, bedoeld in het eerste lid.
4. Het tweede lid laat onverlet de bevoegdheid van het productschap om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van de ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

Artikel 7
1. Degene die, niet-handelskaarthouder zijnde, bloembollen-leverbaar koopt of heeft gekocht door tussenkomst van een veiling is aan het productschap een heffing verschuldigd over iedere transactie.
2. (…)
3. De in het eerste lid bedoelde heffing wordt door de koper betaald aan de desbetreffende veiling, die – voor het productschap – het heffingsbedrag inhoudt.
De aldus geÔncasseerde heffing wordt rechtstreeks aan het productschap overgemaakt. Door deze laatste betaling voldoet de koper aan de heffingsplicht, bedoeld in het eerste lid.
4. Het derde lid laat onverlet de bevoegdheid van het productschap om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van de ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

Artikel 14
1. Degene die, niet-handelskaarthouder zijnde, aantoont:
a. dat hij door hem in een verkoopseizoen ingekochte bloembollen-leverbaar in dat zelfde seizoen door tussenkomst van een veiling (…) heeft doorverkocht en
b. dat hij de over deze inkoop en verkoop op grond van de bepalingen van deze verordening verschuldigde vakheffing heeft voldaan,
ontvangt van het productschap een restitutie.
(…).
2. (…).

Artikel 22
Een koper en verkoper van bloembollen wordt geacht, indien hij bloembollen door tussenkomst van een veiling verhandelt, aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 2 en 3 ten aanzien van de op vorenbedoelde wijze verhandelde producten te hebben voldaan, indien hij de desbetreffende veiling heeft gemachtigd namens hem aan het productschap de door hem verschuldigde heffing te voldoen en deze heffing door het productschap is ontvangen."

De Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003 (hierna: de Verordening plantgoed) bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 2
1. De koper en verkoper van bloembollen-plantgoed is aan het productschap een heffing verschuldigd.
2. (…).
3. (…).

Artikel 3
1. Ter uitvoering van artikel 2 doen de koper en verkoper bij het productschap aangifte van de door hen gekochte, respectievelijk verkochte bloembollen-plantgoed.
2. (…).

Artikel 5
1. Degene die bloembollen-plantgoed verkoopt of heeft verkocht door tussenkomst van een veiling, is aan het productschap een heffing verschuldigd over iedere transactie.
2. (…)
3. De in het eerste lid bedoelde heffing wordt door de verkoper betaald aan de desbetreffende veiling, die – voor het productschap – het heffingsbedrag inhoudt op de aan de verkoper toekomende koopsom.
De aldus geÔncasseerde heffing wordt rechtstreeks aan het productschap overgemaakt. Door deze laatste betaling voldoet de verkoper aan de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid.
4. Het derde lid laat onverlet de bevoegdheid van het productschap om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van de ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

Artikel 6
1. Degene die, niet-handelskaarthouder zijnde, bloembollen-plantgoed koopt of heeft gekocht door tussenkomst van een veiling is aan het productschap een heffing verschuldigd over iedere transactie.
2. (…)
3. De in het eerste lid bedoelde heffing wordt door de koper betaald aan de desbetreffende veiling, die – voor het productschap – het heffingsbedrag inhoudt.
De aldus geÔncasseerde heffing wordt rechtstreeks aan het productschap overgemaakt. Door deze laatste betaling voldoet de koper aan de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid.
4. Het derde lid laat onverlet de bevoegdheid van het productschap om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van de ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

Artikel 13
1. Degene die, niet-handelskaarthouder zijnde, aantoont:
a. dat hij door hem in een verkoopseizoen ingekochte bloembollen-plantgoed in dat zelfde seizoen door tussenkomst van een veiling (…) heeft doorverkocht en
b. dat hij de over deze inkoop en verkoop op grond van de bepalingen van deze verordening verschuldigde vakheffing heeft voldaan,
ontvangt van het productschap een restitutie.
(…).
2. (…).

Artikel 22
Een koper en verkoper van bloembollen wordt geacht, indien hij bloembollen door tussenkomst van een veiling verhandelt, aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 2 en 3 ten aanzien van de op vorenbedoelde wijze verhandelde producten te hebben voldaan, indien hij de desbetreffende veiling heeft gemachtigd namens hem aan het productschap de door hem verschuldigde heffing te voldoen en deze heffing door het productschap is ontvangen."

Het Sierteelt Bemiddelings Centrum B.V., te Lisse (hierna: SBC) kent een reglement - hierna: het SBC-Reglement - dat onder meer de volgende bepalingen bevat:

" Artikel 1

I.a Dit Reglement bevat de voorwaarden die van toepassing zijn op de dienstverlening van S.B.C. aan partijen in de (sier)teelsector, alsmede de voorwaarden die van toepassing zijn op overeenkomsten die tussen twee partijen (Koper en Verkoper) tot stand zijn gekomen en ten aanzien waarvan S.B.C. diensten verleent, zoals bemiddeling bij het totstandkomen van een Overeenkomst (…).

I.b In dit Reglement wordt verstaan onder:
(…)
- Overeenkomst: de overeenkomst tussen twee partijen (…) waarvan een schriftelijke bevestiging is opgemaakt als bedoeld in artikel 9 van dit Reglement;
(…)
- Stichting: Stichting Derdengelden S.B.C. te Lisse;
(…).

2. S.B.C. verleent alleen diensten aan degenen die de toepasselijkheid van dit Reglement aanvaarden. Gebruikmaking van de diensten van S.B.C. impliceert aanvaarding en toepasselijkheid van dit Reglement. S.B.C. aanvaardt enigerlei opdracht slechts op voorwaarde dat dit Reglement van toepassing is.

3. Op alle opdrachten aan S.B.C. zijn de bepalingen van dit Reglement die de rechtsverhouding tussen S.B.C. en haar opdrachtgever(s) betreffen van toepassing. Op alle Overeenkomsten zijn de bepalingen van dit Reglement die die de rechtsverhouding tussen Koper en Verkoper betreffen van toepassing. (…).

Artikel 16

1. Alle bedragen die partijen bij een Overeenkomst uit hoofde van die Overeenkomst verschuldigd zijn (inclusief (…) de vakheffing verschuldigd conform de verordening van het Productschap Tuinbouw) dienen op of vůůr de betaaldatum van de factuur te worden betaald aan de Stichting als gevolmachtigde krachtens artikel 17 lid 1 van dit Reglement.
2. (…)
3. De Stichting draagt zorg voor doorbetaling van hetgeen zij ontvangen heeft in overeenstemming met het in dit Reglement bepaalde.
(…)

Artikel 17

1. Elke Koper en Verkoper verleent door het totstandkomen van de Overeenkomst de Stichting opdracht en een onherroepelijke volmacht voor en namens hem betalingen op grond van een Overeenkomst en daarmee samenhangende opdrachten aan S.B.C. in ontvangst te nemen.
2. Elke Koper en Verkoper verleent door het totstandkomen van de Overeenkomst de Stichting opdracht en een onherroepelijke volmacht de door hen aan de Stichting betaalde bedragen overeenkomstig het in dit Reglement bepaalde door te betalen aan S.B.C., de Fustpool, het Productschap Tuinbouw en zijn wederpartij(en) bij een Overeenkomst.
3. Elke Koper en Verkoper verleent door het totstandkomen van de Overeenkomst de Stichting opdracht en een onherroepelijke volmacht de door hem overeenkomstig dit Reglement (al dan niet opeisbaar) verschuldigde bedragen aan S.B.C., de Fustpool, het Productschap Tuinbouw en zijn wederpartij(en) bij enigerlei Overeenkomst in te houden op de door de Stichting aan hem te verrichten door- c.q. terugbetalingen en de aldus ingehouden bedragen conform het geregelde in artikel 18 lid 1 van dit Reglement door te betalen.

Artikel 18

1. Enigerlei betaling die de Stichting heeft ontvangen, zal door de Stichting in de eerste plaats worden aangewend ter voldoening van de door de betalende partij aan S.B.C. opeisbaar verschuldigde vergoedingen, alsmede van andere aan S.B.C. opeisbaar verschuldigde bedragen (inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en in de tweede plaats, ter voldoening van de door de betalende partij aan de Fustpool opeisbaar verschuldigde bedragen (inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting). In de derde plaats zal enigerlei betaling worden aangewend ter voldoening van aan wederpartijen bij Overeenkomsten opeisbaar verschuldigde bedragen (inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting), waarbij een oudere schuld voor een jongere schuld gaat. Indien het betaalde bedrag ontoereikend is om alle opeisbare schulden van wederpartijen bij Overeenkomsten te voldoen, zullen schulden van gelijke datum naar evenredigheid worden voldaan. In de vierde plaats zal enigerlei betaling worden aangewend ter voldoening van door de betalende partij verschuldigde vakheffing vanwege het Productschap Tuinbouw.
(…).”

2.2  Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- Verzoekster drijft een onderneming in vermeerdering van en groothandel in bloembollen.
- Voor de in- en verkoop van bloembollen maakte verzoekster gebruik van de veiling van SBC.
- SBC hield via de Stichting Derdengelden SBC, te Lisse (hierna: de Stichting) voor verweerder de heffingen op grond van de onder 2.1 van deze uitspraak vermelde verordeningen in.
- Op 3 december 2003 is het faillissement uitgesproken van SBC en van de Stichting.
- Verweerder heeft blijkens zijn financieel jaarverslag bij de curator een vordering van € 21.989.112,-- op de boedel ingediend.
- Verzoekster heeft bij verweerder een aanvraag, groot € 1.564.619,46, ingediend tot restitutie van over de eerste periode van het oogstjaar 2003 betaalde vakheffing,
- Bij brief van 30 augustus 2004 heeft de curator in het faillissement van SBC en de Stichting verzoekster bericht dat, na saldering van alle te ontvangen en nog te betalen bedragen, gefailleerden verzoekster € 2.421.447,88 zijn verschuldigd.

3.  Het bestreden besluit en het advies van de adviescommissie
3.1  Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag gegrond verklaard en verzoeksters restitutieaanvraag alsnog afgewezen. Daartoe is, onder meer met verwijzing naar het hieronder onder 3.2 weergegeven advies van de adviescommissie, het volgende overwogen.
Aan het faillissement van SBC en de Stichting ligt ten grondslag dat NovaCap met een zeer groot vermogen in de bollenmarkt is verschenen, waardoor vele bestaande ťn nieuwe partijen zijn gaan speculeren in bollen. Daarbij was sprake van (grootschalige) fraude, die tot de faillissementen heeft geleid. Omdat kopers geen afdrachten van koopprijzen en heffingen aan SBC hebben gedaan, is SBC met een tekort geconfronteerd.
Uit onderzoek en overleg met onder meer de curator, bleek dat de aanvragen in samenhang moeten worden beschouwd. Ook is onderzoek gedaan naar de methode van saldering en afrekening en de gevolgen daarvan voor het faillissement. Door de saldering heeft verzoekster niet daadwerkelijk vakheffing afgedragen. De vakheffing is niet afgedragen aan c.q. kan op grond van het Reglement niet worden ingehouden door SBC. De administratieve saldering doet daaraan niet af, want deze sorteert, bij gebreke van betaling door de per saldo-betalers, juridisch noch economisch, effect. Niet van belang is of op partijniveau door de laatste schakel in de keten is betaald en of de curator verzoeksters vorderingen gedeeltelijk voorlopig erkent. Verzoekster heeft niet in de zin van de Verordeningen aangetoond dat zij de vakheffing heeft afgedragen.
Dat deze omstandigheden voor verweerders rekening dienen te komen omdat verweerder met SBC een privaatrechtelijke incasso-overeenkomst heeft gesloten en verzuimd zou hebben regelmatig te controleren, is onjuist. In de ver-houding tussen SBC en verweerder blijkt niet van feiten en omstandigheden waarvoor verweerder verantwoording draagt. De oorzaak van het niet afgedragen zijn van vakheffing ligt buiten SBC. Wat betreft de kredietverzekeraar Coface geldt dat verzoekster onder de polis een verzekerde is.
Gelet op het voorgaande is evenmin relevant of verzoekster een volledige en juiste restitutieaanvraag heeft gedaan. Zelfs indien haar aanvraag volledig en juist is, heeft zij geen aanspraak op restituties, gelet op het tekort bij SBC in verband gezien met het SBC- Reglement, waaraan de marktpartijen die via de veiling handelen zijn gebonden.
3.2  De adviescommissie heeft in haar advies het volgende opgemerkt.
Er zijn twee manieren van verwerking van transacties. De eerste is de wijze zoals bedoeld, de tweede de in de periode 1 juni tot en met 31 oktober 2003 gehanteerde.
In het verleden was het aantal veilingtransacties beperkt. Een door een teler op de markt gebrachte partij werd gekocht. Soms werd nogmaals gehandeld met (een deel van) deze partij. Eens per twee weken vond de financiŽle afhandeling door de veiling plaats. Elke koper voldeed dan de transacties waarbij hij was betrokken. In 2003 wijzigt dit en verkoopt A aan B, die verkoopt aan C, enz.. In deze transactieketen is de idee verlaten van daadwerkelijke voldoening door iedere koper. Ingevolge artikel 17, derde lid, SBC-Reglement, is SBC bevoegd betalingen die een koper moet doen te verrekenen met ontvangsten waar die koper (als verkoper) recht op heeft. Op de valutadatum wordt bepaald of een handelaar, na saldering van alle ver- en inkopen, geld verschuldigd is of ontvangt. Tegelijk bepaalt SBC zijn provisie, de vergoeding van Fustpool voor gebruik van fust en de aan verweerder af te dragen vakheffing. Deze bedragen worden op de transactiebedragen ingehouden. Het saldo, ontstaan door de aan SBC gedane betalingen, wordt uitgekeerd aan de partijen die recht op betaling hebben, indien en voor zover betalingen toereikend zijn. Het aanwezige saldo wordt aangewend voor, achtereenvolgens: provisie SBC; Fustpool; koopsom per saldo-ontvangers en tenslotte vakheffing. De betaling van vakheffing staat of valt met de betaling van de per saldo-betalers. De handelaar conformeert zich aan het veilingreglement en draagt de gevolgen van het toepassen van de salderingsmethodiek.
Dat SBC per 31 oktober 2003 (op papier) heeft gesaldeerd, betekent niet dat ook feitelijk is betaald. Pas met de laatste betaling is de papieren saldering ook werkelijk door een verrekening geŽffectueerd, waarna partijen die per saldo-ontvanger zijn, hebben voldaan aan hun afdrachtverplichtingen. Zo moet artikel 14 (13), eerste lid, sub b van de PT-verordeningen worden verstaan. Van "voldoening" is pas sprake als door per saldo-betalers is betaald. SBC heeft onvoldoende saldo om alle per saldo-ontvangers te voldoen. Dit tekort is ontstaan doordat per saldo-betalers hun verplichtingen niet zijn nagekomen. De vakheffing geldt conform de verordeningen dan ook als niet afgedragen. Het voldoen van vakheffing is voorwaarde voor het ontstaan van aanspraken op restitutie. Ingevolge artikel 18, eerste lid, en 20, tweede lid van SBC-Reglement, kan verweerder, afgezien van het faillissement, (voorlopig) ook geen vordering op SBC geldend maken.
Bij de toepassing van artikel 22 van de PT-verordeningen dient grote zorgvuldigheid te worden betracht, hetgeen betekent: een zeer terughoudende toepassing.
Vast staat, dat verzoekster diverse malen is gevraagd aan te tonen dat er feitelijke betalingen hebben plaatsgevonden. Dit "aantonen" heeft niet plaatsgevonden.

4.   Het standpunt van verzoekster
4.1   Verzoekster heeft met betrekking tot haar spoedeisend belang naar voren gebracht dat zij door het uitblijven van de restitutie in ernstige liquiditeitsproblemen geraakt. Zij heeft daartoe een brief van haar accountant A van 25 augustus 2005 overgelegd, met een concept-balans per 30 april 2005. A heeft de cijfers ter zitting toegelicht.
4.2  In haar beroepschrift heeft verzoekster, samenvattend weergegeven, het volgende aangevoerd.
Bestaande en nieuwe marktpartijen hebben een graantje willen meepikken van de NovaCap miljoenen. Een aantal buitenlandse ondernemingen is zijn betalingsverplichtingen niet nagekomen. Verzoekster heeft als elk jaar in de eerste periode van het oogstjaar 2003 gehandeld in beschikbare partijen en geen fraude gepleegd.
Uit de rapportage van de curator blijkt dat in de periode 31 oktober tot 25 november 2003 op de derdengeldrekening van de Stichting een bedrag van ongeveer € 100 miljoen is bijgeschreven. Hier maakten betalingen door opvolgende kopers van verzoekster en eindgebruikers deel van uit. Uit de correspondentie met de curator blijkt welke inkopen verzoekster in het eerste gedeelte van oogstjaar 2003 door tussenkomst van SBC heeft gedaan, welke omzetten zij heeft behaald, voor welk deel van de facturen op de derdengeldrekening gelden zijn ontvangen en welke vorderingen de curator heeft erkend. Tevens blijkt voor welk deel geen gelden zijn ontvangen en die buiten de boedel mogen worden afgewikkeld.
De transacties zijn geregistreerd in het MX Bulb computerprogramma en ook de plaats waar de partijen zich thans bevinden, is te achterhalen.
Ondanks langdurig onderzoek en door verzoekster verstrekte informatie geeft verweerder niet gemotiveerd aan in hoeverre de in de aanvraag aangegeven vakheffing per transactie (niet) voor restitutie in aanmerking komt. Verweerder gaat er aan voorbij dat een storting op de derdengeldrekening ten goede dient te komen aan degene voor wie de betaling is bestemd. Had SBC dit principe gevolgd, dan zou de vakheffing aan verweerder zijn afgedragen. Dat SBC betalingen heeft gedaan aan partijen die daarop nog geen aanspraak konden maken, is een omstandigheid waarop verzoekster geen invloed kon uitoefenen. Zij is het slachtoffer van door SBC gepleegde verduistering. Of afdracht van vakheffing heeft plaatsgevonden, regardeert verzoekster niet en komt volledig voor verweerders risico. Verweerder schijnt een vordering te hebben op SBC van bijna 22 miljoen euro, maar heeft een eigen vermogen van ongeveer € 75 miljoen. De overeenkomst tussen verweerder en SBC heeft het karakter van een volmacht of overeenkomst van opdracht. Op grond van artikel 3:66 BW treffen de gevolgen van handelen van SBC verweerder. Verzoekster mocht aannemen dat SBC een toereikende volmacht had en doet een beroep op de bescherming van artikel 3:61, derde lid, BW. Zij vraagt zich af in hoeverre verweerder SBC heeft gecontroleerd op een juiste toepassing van de regels. De fouten die SBC ten opzichte van verzoekster heeft gemaakt worden ingevolge artikel 6:172 BW mede aan verweerder toegerekend. De geÔncasseerde vakheffing moet dan ook geacht worden aan verweerder te zijn betaald.
De last om te bewijzen dat al dan niet is betaald, rust niet op verzoekster, maar op SBC dan wel de curator. De gevolgen van de keuze om het innen van de vakheffing uit te besteden aan SBC dienen volledig voor verweerders rekening te komen. Verweerder kan zich er niet op beroepen dat op grond van het reglement vakheffing als laatste uit de beschikbare middelen wordt betaald. Bij een goede controle en tijdige signalering van de problemen had wanprestatie kunnen worden voorkomen.
SBC is verzekerde en begunstigde van de kredietverzekering bij Coface. Marktpartijen zijn formeel als meeverzekerden aangewezen, omdat hun belang verzekerd object is. Een claim van verzoekster zal aan de boedel worden uitbetaald.
Verweerders opvatting dat de oorzaak van het niet afdragen buiten SBC ligt, is onbegrijpelijk. Het is immers meer dan aannemelijk dat de directie van SBC gelden van de derdengeldrekening heeft betaald aan derden die daarop geen aanspraak hadden.
Artikelen 13 en 14 van de Verordeningen bieden geen zelfstandige afwijzingsgrond. Op grond van opgewekte verwachtingen, rechtszekerheid en redelijkheid kan verweerder geen beroep doen op deze bepalingen. De beslissing op bezwaar wordt voorts niet gedragen door zijn motivering, terwijl een zorgvuldige belangenafweging niet had kunnen leiden tot een volledige afwijzing van de aanvraag.

5.   Het standpunt van verweerder
In zijn schriftelijke reactie van 22 augustus 2005 heeft verweerder het volgende naar voren gebracht.
Het beroepschrift van 23 mei 2005 richt zich kennelijk tegen de veronderstelde weigering van verweerder om een besluit op de aanvraag te nemen. Deze weigering leest verzoekster in een brief van 12 april 2005 van de heer D, geschreven in reactie op een e-mail van verzoeksters gemachtigde van 8 april 2005. In deze e-mail valt geen verzoek tot het nemen van een besluit te lezen en de reactie daarop is ook geen besluit. Het beroep is dan ook niet ontvankelijk. Voorts is de heer D niet bevoegd verweerder ter zake te vertegenwoordigen, zodat ook op deze grond geen sprake is van een besluit. Indien de brief van 12 april 2005 al als een besluit moet worden gezien, had daartegen bezwaar moeten worden gemaakt. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek niet ontvankelijk is.
Verweerder ziet zich geconfronteerd met steeds wijzigende informatie. Bij elke stap in de procedure ontvangt verweerder overzichten, stellingen, vorderingen en andere informatie, met andere transacties en totalen van ver- en inkoop. Uit bijlage 7 bij het beroepschrift valt op te maken dat verkopen zijn betaald voor een restitutiebedrag van € 1.376.211,62 in plaats van de tot nu toe geclaimde € 1.564.619,46. Of verzoekster haar aanvraag vermindert, is niet duidelijk.
Indien verzekeraar Coface onder de kredietverzekering een uitkering zou doen, zou het tekort van SBC slinken. Het is niet verweerders taak dit te bewerkstelligen. Deze verantwoordelijkheid ligt bij verzoekster, die blijkens de polisvoorwaarden verzekerde is. Verweerder kan niet worden tegengeworpen dat Coface stelt niet tot uitkering te zijn gehouden wegens fraude. Omdat voorts de vakheffing expliciet is uitgezonderd van de dekking, zou verweerder ook bij uitbetaling achter het net vissen.
Indien alles op normale wijze was verlopen, zou het volgende zijn gebeurd. Elke veertien dagen vond een administratieve verwerking plaats, maar de uiteindelijke positie werd bepaald op de valutadatum. Verzoekster had per 31 oktober 2005, de valutadatum, voor € 71.024.331,66 verkocht. Haar bruto saldopositie, waarvoor zij een vordering op SBC had, bedroeg
€ 19.411.338,66, uiterlijk te betalen op 12 november 2003. Daarop zou provisie SBC, Fustpool en vakheffing in mindering zijn gebracht. Vervolgens zou SBC hebben gecontroleerd of alle kopers hadden betaald. Dat was niet het geval. SBC had dan het wel betaalde deel als volgt verdeeld: provisie SBC, Fustpool en daarna verzoekster. Eerst dan zou verweerder zijn betaald. SBC heeft echter betalingen verricht aan een aantal per saldo ontvangers, zonder eerst na te gaan of de betreffende kopers wel aan hun verplichtingen hadden voldaan. Ook als SBC het geld anders had verdeeld, zou er echter onvoldoende voor betaling van verweerder zijn geweest.
Op enig moment stond er zo’n 100 miljoen euro op de derdengeldrekening van de Stichting, hoofdzakelijk afkomstig van NovaCap. Dat saldo was evenwel ruim te weinig om alle per saldo ontvangers te voldoen. Verzoekster heeft de pech gehad op dat moment geen betalingen te hebben ontvangen. Verzoekster heeft bij haar aanvraag transacties buiten beschouwing gelaten met dubieuze partijen die in ieder geval hun betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen. Verweerder krijgt echter eerst zijn geld nadat zij dat wel hebben gedaan. Verweerder zou derhalve nooit zijn betaald. Ingevolge artikel 14 van de Verordeningen geldt de heffing dan als niet voldaan.
Verrekening heeft nimmer plaatsgevonden. Vast staat dat niet alle verkopen van verzoekster zijn betaald door de eindafnemers en dat bij vele die wel zijn “betaald”, zulks is geschied door saldering.
Het is verweerder niet geheel duidelijk op welke wijze de curator na het faillissement de nog niet betaalde transacties heeft afgewikkeld. De volmacht van SBC om heffing te innen is door het faillissement beŽindigd. De curator is dus niet bevoegd om een nieuw overzicht te maken van ingehouden heffing. Daarnaast is nog slechts sprake van voorlopig erkende vorderingen.
Uit voornoemde bijlage 7 blijkt dat van de € 51.835.524 aan koopsommen van de aanvraag € 6.241.010,-- onbetaald is gebleven. Dat bedrag overschrijdt ruimschoots de gevraagde restitutie, zodat vaststaat dat verweerder nooit zou zijn voldaan. Daarnaast moet verzoekster nog ongeveer € 10.000.000 van haar eigen inkopen betalen. Op het geclaimde bedrag heffing moet dan ook nog eens ruim € 350.000 in mindering worden gebracht.
Ook verzoekster heeft een volmacht gegeven aan SBC om voor haar bedragen te incasseren, in te houden en af te dragen. Alle argumenten over toerekening van het handelen van SBC aan verweerder gelden dan ook evenzeer jegens verzoekster. Verweerder zou op grond van deze redenering de misgelopen vakheffing rechtstreeks bij verzoekster kunnen incasseren. Voorts kunnen civiele argumenten niet in een bestuursrechtelijke procedure aan de orde komen. Verzoekster moet verweerder maar civielrechtelijk aansprakelijk stellen. Verweerder ziet deze procedure met vertrouwen tegemoet. Verweerder is met name niet gebonden aan handelingen die SBC buiten de grenzen van haar bevoegdheid heeft verricht. In de relatie tussen verweerder en verzoekster is het, waar verweerder gemotiveerd verzoeksters aanspraken betwist, aan verzoekster om deze aanspraken te bewijzen.

6.   De beoordeling van het geschil
6.1  Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij het College, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.
6.2   Met betrekking tot het gestelde spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat dit in hoofdzaak een financieel karakter draagt. Een zodanig belang vormt volgens vaste jurisprudentie op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter wel in beeld kunnen komen indien het financiŽle belang, gelet op bijvoorbeeld het totaal van de handelsactiviteiten en/of de vermogenspositie van verzoekster, zodanig zwaarwegend is, dat de continuÔteit van de onderneming wordt bedreigd. In dat geval is het treffen van een voorziening evenwel nog niet gegeven maar is een verdere toetsing en belangenafweging noodzakelijk.
Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar financiŽle situatie nijpend is en dat haar voortbestaan in het gedrang kan komen als uitbetaling van (een voorschot op) de restitutie uit zou blijven. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aanwezig dat het treffen van een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen.
6.3   Er bestaat derhalve aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit op basis van een voorlopige rechtmatigheidstoets, in hoofdzaak gebaseerd op de inschatting van de voorzieningenrechter van het mogelijk eindoordeel van het College over het beroep in de hoofdzaak. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt het College op geen enkele wijze in de bodemprocedure.
6.4   Verzoekster heeft bij brief van 23 mei 2005 beroep ingesteld bij het College. Op deze datum was bij verweerder een bezwaar aanhangig dat was gemaakt bij brief van 11 januari 2005 en zich richtte tegen het uitblijven van een besluit op een op 27 augustus 2004 ingediende aanvraag tot restitutie. Hoewel het beroepschrift van 23 mei 2005 niet met zoveel woorden aangeeft waartegen het zich richt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de inhoud ervan op te maken dat het zich richt tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar van 11 januari 2005. Verweerders betoog dat dit beroep hetzij niet-ontvankelijk zou zijn, omdat het zich niet zou richten tegen een besluit, hetzij als bezwaar tegen een primair besluit zou moeten afgehandeld, faalt dus naar voorlopig oordeel. Hiermee ontvalt de grond aan het betoog waarin verweerder niet-ontvankelijkheid van het verzoek om voorlopige voorziening bepleit.
6.5   Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening leverbaar en artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening PT plantgoed ontvangt de niet-handelskaarthouder van verweerder een restitutie, indien hij aantoont dat hij de over de in- en verkoop van bloembollen-leverbaar c.q. bloembollen-plantgoed verschuldigde vakheffing heeft voldaan.
Artikel 6, derde lid, van de Verordening leverbaar regelt hoe de verkoper die door tussenkomst van een veiling bloembollen-leverbaar verkoopt, aan zijn heffingsplicht voldoet. Uit de eerste volzin van deze bepaling blijkt dat betaling geschiedt doordat de veiling het heffingsbedrag inhoudt op de aan de verkoper toekomende koopsom. Blijkens de laatste volzin voldoet de verkoper aan zijn heffingsplicht door de betaling van de geÔncasseerde heffing aan verweerder.
Artikel 7, derde lid, van de Verordening leverbaar geeft een gelijksoortige regeling voor het voldoen aan de heffingsplicht door de koper.
De artikelen 5, derde lid en 6, derde lid, van de Verordening plantgoed bevatten een gelijke regeling voor de heffingen over ver- en aankoop van bloembollen-plantgoed.
Vast staat dat geen betaling van bij verzoekster geÔncasseerde heffing aan verweerder heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat verzoekster niet in de zin van de artikelen 6, derde lid, laatste volzin en 7, derde lid, laatste volzin van de Verordening leverbaar en in de zin van de artikelen 5, derde lid, laatste volzin en 6, derde lid, laatste volzin, van de Verordening plantgoed heeft voldaan aan zijn heffingsplicht, zodat in zoverre geen aanspraak op restitutie bestaat.
6.6   Verweerder heeft evenwel niet het enkele ontbreken van een dergelijke betaling aan hem ten grondslag gelegd aan zijn besluit. Hij gaat immers na of sprake is van een afdracht van vakheffing aan dan wel inhouding hiervan door de veiling, kennelijk met enkel toepassen van de eerste volzin van het derde lid van de vier laatstvermelde artikelen.
Partijen houdt verdeeld of moet worden aangenomen dat door de veiling vakheffing is ingehouden op betalingen voor transacties waarin verzoekster de verkoper was.
6.7   Verzoekster heeft aangevoerd dat in de betrokken periode op de derdengeldrekening ter voldoening van stichtingsfacturen bedragen zijn binnengekomen die betrekking hebben op verkopen van verzoekster tot een bedrag van
€ 45.968.941,21. Hiertegenover staan inkopen ten bedrage van € 36.578.487,28, zodat een saldo resteert van € 9.390.460,93. Dit bedrag had SBC aan verzoekster dienen te betalen, met inhouding van onder meer de verschuldigde vakheffing, die dan naar aanleiding van de onderhavige aanvraag had kunnen worden gerestitueerd.
Verweerder heeft hiertegenover gesteld dat dit betoog - wat er verder van zij - verzoekster niet kan baten. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd, dat verzoekster - volgens het door verzoekster in beroep overgelegde overzicht - ook nog een tegoedsaldo op SBC heeft van € 10.028.877,76, rechtstreeks met wederpartijen af te wikkelen buiten het faillissement om (zijnde het verschil tussen verkopen van € 25.055.383,45 en inkopen van € 15.034.505,72). Gelet op de voorrangsregeling van artikel 18, eerste lid, van het SBC-Reglement, zou aan evenvermelde inhouding van vakheffing op het bedrag van € 9.390.460,93 niet zijn toegekomen, omdat het bedrag aan in te houden vakheffing zonder meer geheel benodigd zou zijn om een deel van het saldo van € 10.028.877,76 te voldoen.
De voorzieningenrechter deelt het standpunt van verweerder. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van het SBC-Reglement zal enigerlei betaling die de Stichting heeft ontvangen, door de Stichting eerst wordt aangewend ter voldoening van aan wederpartijen bij overeenkomsten opeisbaar verschuldigde bedragen en pas daarna ter voldoening van door de betalende partij verschuldigde vakheffing. Uitgaande van vorengenoemde bedragen zou de Stichting ten tijde van een ontvangst van
€ 9.390.460,93 op dit bedrag geen vakheffingen hebben mogen innen, nu SBC aan verzoekster - als wederpartij in de zin van deze bepaling - nog andere bedragen, die deze vakheffingen te boven gaan, opeisbaar verschuldigd was. Terecht neemt verweerder dus niet aan dat de veiling vakheffing heeft ingehouden.
6.8   Verzoekster stelt hiertegenover dat het SBC-Reglement op vorenbedoeld onderdeel onverbindend is wegens strijd met de wet, omdat de ontvangsten op een derdengeldrekening moeten worden doorbetaald aan degene voor wie de betaling is bestemd. De voorzieningenrechter ziet in het aldus door verzoekster gestelde geen aanleiding om verweerder het recht te ontzeggen bij de bepaling van aanspraken uit te gaan van de situatie waarin het reglement toepassing zou hebben gevonden. Hiertoe wordt allereerst overwogen dat verzoekster niet concreet heeft aangegeven met welk wettelijk voorschrift strijd zou bestaan. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster zelf door van de dienstverlening door SBC gebruik te maken, heeft ingestemd met toepasselijkheid van het SBC-Reglement, inclusief artikel 18 hiervan.
6.9   Aan het voorgaande doen de door verzoekster aangevoerde argumenten, voorzover deze betrekking hebben op de status van gevolmachtigde van verweerder die SBC volgens verzoekster toekomt, niet af. Hieromtrent overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Tot inhouding namens verweerder is een veiling bevoegd op grond van de haar hiertoe verstrekte opdracht in de hierboven onder 6.5 vermelde bepalingen uit de beide toepasselijke heffingsverordeningen. Hiernaast geldt evenwel voor alle via SBC handelende kopers en verkopers dat deze marktpartijen de Stichting opdracht en volmacht verlenen om namens hen betalingen in ontvangst te nemen, bij het doen waarvan de Stichting evenbedoelde in artikel 18, eerste lid, van het SBC-Reglement geldende voorrangsregeling in acht dient te nemen. Aldus doet zich de situatie voor dat de Stichting conform de verplichtingen die verzoekster met SBC is overeengekomen verweerder achterstelt bij verzoekster, voorzover deze opeisbare vorderingen heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verzoekster niet met succes verweerder als tekortkoming aanwrijven dat de veiling door verzoekster zelf overeengekomen contractuele verplichtingen laat prevaleren boven de opdracht die in de heffingsverordeningen aan de veiling is verstrekt.
6.10   Aan het voorgaande doet evenmin af het ter zitting door verzoekster overgelegde proces-verbaal van een getuigenverhoor van boekhouder Nulkes. Blijkens de verklaring is de zogenoemde ťťn op ťťn relatie losgelaten tijdens de afhandeling van betalingen met valutadatum 1 oktober 2003. Mogelijk is sprake van een typefout en is bedoeld 31 oktober 2003, zijnde de valutadatum die ook voor nagenoeg alle onderhavige transacties geldt. De verklaring zou in het laatste geval mogelijk kunnen bijdragen aan bewijs van de stelling dat met betrekking tot transacties met valutadatum 31 oktober 2003 saldo’s zijn voldaan aan verkopers van partijen waarvan de koper de koopsom nog niet had voldaan. Een dergelijke constatering doet evenwel geen afbreuk aan hetgeen onder 6.7 is overwogen.
6.11   Overigens constateert de voorzieningenrechter dat vorenvermelde bedragen die volgens verzoekster op de derdengeldrekening zouden zijn ontvangen en zijn ontleend aan de door verzoekster opgestelde bijlage 6 bij het aanvullend beroepschrift van 20 juli 2005, blijkens het eveneens door verzoekster overgelegde overzicht “Recapitulatie Vordering op SBC erkend door Curator” mede betrekking hebben op andere handelaren, te weten Kwekerij Eikenhorst, te Voorhout en De Tulp Compagnie, te Sassenheim. Er dient dus nog een correctie op deze bedragen te worden toegepast. Mogelijk is een verdere correctie nodig, omdat een deel van de bedragen betrekking zou hebben op transacties die dateren van na de betrokken periode. Een en ander heeft evenwel geen gevolgen voor vorenweergegeven redenering en conclusie.
6.12   Ter zitting heeft verzoekster (in punt 10.2 van haar pleitnotities) nog aangegeven dat, hoewel in de kilobollenhandel saldering meestal plaatsvond op 31 oktober van enig jaar, met betrekking tot een aantal van de onderhavige transacties sprake was van een eerdere valutadatum. Hoewel enkele stichtingsfacturen inderdaad een andere vervaldatum vermelden, gaat de voorzieningenrechter aan dit aspect voorbij, nu dit slechts ziet op een buitengewoon beperkt deel van de transacties (vier transacties met valutadata op 5 en 19 september 2003) met betrekking tot twee partijen, die in de berekening van verzoekster leiden tot een afgerekende heffing van € 48,35, zijnde nog geen honderdste procent van de volgens dit overzicht afgerekende heffing waarop het restitutieverzoek betrekking heeft.
6.13   Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder tekort is geschoten in controle op de juiste uitvoering van zijn heffingsverordeningen en op de administratie van het SBC. Op grond van het over en weer gestelde is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verweerder nalatig is geweest met het zetten van stappen die, waren zij wel gezet, zouden hebben geleid tot toekenning van de gevraagde restitutie. In dit verband wordt overwogen dat het achterwege blijven van afdracht van heffing ten aanzien van verzoekster pas kon blijken na verstrijken van de valutadatum, die in nagenoeg alle gevallen op 31 oktober 2003 was bepaald. Bemoeienis zijdens verweerder na deze datum had, naar mag worden verondersteld op grond van het zeer grote aantal toen reeds verrichte - deels onbetaald gebleven - transacties, geen effect in de door verzoekster verlangde zin meer kunnen hebben. Niet kan met vrucht worden gesteld dat verweerder jegens verzoekster nalatig was door niet voorafgaand aan de valutadatum zodanige - naar moet worden aangenomen tamelijk complexe - maatregelen te treffen, dat hij voor zichzelf inning en afdracht van vakheffingen veilig stelde.
6.14   De omstandigheid dat verweerder niet heeft bedongen een vertegenwoordiging te verkrijgen in het bestuur van de Stichting, maakt het besluit van 6 juli 2005 evenmin gebrekkig. De voorzieningenrechter is niet gebleken van enige rechtsregel die verweerder, op straffe van verplichting tot restitutie van niet aan hem afgedragen vakheffing, tot een dergelijke vertegenwoordiging zou verplichten.
6.15   Verzoekster stelt dat verweerder de curator dient aan te sporen een beroep te doen op de kredietverzekering, teneinde betaling van de vakheffing te verkrijgen. De voorzieningen-rechter overweegt dienaangaande dat - wat er verder zij van dit argument - het enkele achterwege blijven van een dergelijke aansporing geen aanspraken voor verzoekster doet ontstaan. Nog daargelaten dat mag worden aangenomen dat de curator zelf de in zijn ogen benodigde stappen zal zetten, staat het verzoekster vrij om, zo zij dit nodig acht, zelf de curator van het nut van de door haar gewenste actie te overtuigen.
6.16   Het voorgaande brengt me dat de in 6.3 bedoelde voorlopige rechtmatigheidstoets in het voordeel van verweerder uitpakt. Voor het treffen van een voorlopige voorziening ziet de voorzieningenrechter dientengevolge geen aanleiding.
6.17   Voor veroordeling van een partij in de proceskosten van de wederpartij, acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.

7. De beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2005.

w.g. C.J. Borman          w.g. R. Meijer

 

 

LJN: AT8711, Rechtbank Arnhem , 111843

Print uitspraak

Datum uitspraak:

18-05-2005

Datum publicatie:

05-07-2005

Rechtsgebied:

Handelszaak

Soort procedure:

Eerste aanleg - enkelvoudig

Inhoudsindicatie:

De kern van het geschil is de vraag of gedaagde aan T&C een vergoeding verschuldigd is, zoals bedoeld in de overeenkomst d.d. 17 april 2003. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dan dient vervolgens te worden vastgesteld welk bedrag gedaagde aan T&C dient te betalen.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem  
Sector civiel recht


Zaak-/rolnummer:  111843 / HA ZA 04-604
Datum vonnis:    18 mei 2005


Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
T & C OFFICE B.V.,
gevestigd te Scherpenzeel,
eiseres,
procureur mr. H. van Ravenhorst,
advocaat mr. H.M.J. Simonis te Breda,

tegen

[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
procureur mr. T.J. van Veen.

Partijen worden hierna aangeduid als T&C en [gedaagde].


  Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 16 juni 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld:
*  een conclusie van repliek;
*  een conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.


  De vaststaande feiten

  Sierteelt Bemiddelings Centrum B.V. te Lisse (hierna aan te duiden als SBC) bemiddelde tot 3 december 2003 in de aan- en verkoop van tulpenbollen door particulieren. De particulieren betaalden aan SBC een bepaald bedrag (inleg). SBC bemiddelde vervolgens bij de aankoop- en verkoop van bloembollen tussen de particulieren en kopers en verkopers van bloembollen. De resultaten van de aan- en verkooptransacties (hierna ook aan te duiden als: de marges) kwamen de particulieren toe. De particulieren betaalden voor elke transactie provisie aan SBC. Het betalingsverkeer vond plaats via Stichting Derdengelden SBC (hierna aan te duiden als de Stichting).

  In het handelsregister is over de bedrijfomschrijving van T&C het volgende opgenomen.

T&C Office is een facilitair administratieve organisatie die voor u (...) transacties bewaakt en administreert, **boekhouding voert en b.t.w. aangiftes verzorgt.
T&C Office stelt u als ondernemer in staat om u daadwerkelijk te concentreren op het inkoop- en verkoopproces.

De wekelijkse overzichten, met de actuele voorraad en de verwerkte transacties van voorgaande week, zijn voor u als ondernemer van belang om uw positie te bepalen en zal als basis dienen bij toekomstige deals. Weten waar u staat, is van belang bij zowel het verkoopproces maar zeker ook bij het inkoopproces!

T&C Office streeft naar maatwerk uitgaande van de wensen van de klant, U zal als klant moeten aangeven in welke mate U voorzien wil worden van informatie. Het standaardpakket levert u de wekelijkse overzichten.

Het dienstenpakket van T&C Office:

1. Wekelijks overzicht van uw voorraad positie.
2. Wekelijks overzicht van uw mutaties.
3. Controle facturatie en leveringen.
4. Jaarlijkse aangifte restitutie vakheffing productschap.
5. Helder inzicht in uw financiŽle positie m.b.t. de door u gedane transacties.
6. Verzorging Boekhouding met daarbij de maandelijkse B.T.W. aangifte **.
7. Het onderhouden van contacten met uw marktpartijen, inzake bovenvermelde punten.
8. Dagelijkse melding van transacties**.

** Extra dienst, zit niet in het standaardpakket.

  [gedaagde] heeft als particulier via SBC gehandeld in bloembollen. Na ongeveer anderhalf jaar zelf de administratie te hebben gevoerd is [gedaagde] op 17 april 2003 een overeenkomst voor onbepaalde duur met T&C aangegaan, waarbij T&C zich onder meer verbond tot “het verzorgen van de administratie van voorraadbeheer” van tulpenbollen. Overeengekomen is onder meer dat T&C [gedaagde] wekelijks een overzicht verstrekt van de actuele voorraad en mutaties.

  In de overeenkomst d.d. 17 april 2003 zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen, waarbij T&C als opdrachtnemer en [gedaagde] als opdrachtgever is aangeduid.

Vergoeding

Opdrachtnemer heeft recht op een vergoeding (hierna: ”de vergoeding”), welke wordt bepaald aan de hand van onderstaand berekeningstabel.

Berekeningstabel:

Portefeuille verkoopwaarde  Percentage
Omzet < € 500.000 =  1,0
Omzet > € 500.000 = < € 1.000.000 =  0,9
Omzet > € 1.000.000 = < € 2.500.000 =  0,8
Omzet > € 2.500.000 = < € 5.000.000 =  0,7
Omzet > € 5.000.000 = < € 10.000.000 =  0,5
Omzet > € 10.000.000 = < € 20.000.000 =  0,4
Omzet > € 20.000.000 =  0,3

Onder omzet wordt in dit verband verstaan, de totale verkopen in de voorafgaande twaalf maanden, zoals vermeld op de standaard verkoopovereenkomsten van SBC (onafhankelijk van de uiteindelijk geleverde verkopen). De genoemde twaalf maandsperiode loopt telkens van 1 november tot 31 oktober.

Productschap

Opdrachtnemer zal voor het lopende boekjaar alle transacties verzamelen die in aanmerking komen voor restitutie van het productschap.

Toegang klanten informatiesysteem SBC

Hierbij verklaart opdrachtgever dat opdrachtnemer toegang krijgt tot het mXbulb systeem op de SBC database, voor een adequate informatiestroom richting opdrachtnemer. De kosten hiervan bedragen € 1.000,- op jaarbasis (hierna te noemen: “de kosten”). SBC zal de kosten aan opdrachtgever doorberekenen.

Verrekening

De vergoeding zal jaarlijks achteraf, volgens de SBC gehanteerde valutaregeling, uiterlijk per 31 oktober van het lopende jaar aan de opdrachtgever in rekening worden gebracht. Incasso van de vergoeding vindt plaats via de Stichting (na factuur SBC).

Algemene Voorwaarden

Op deze overeenkomst zijn van toepassing en maken daarvan integraal onderdeel uit de door de opdrachtnemer gehanteerde Algemene Voorwaarden, gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amersfoort, waarvan een copie is gehecht aan deze overeenkomst.
Door ondertekening van deze overeenkomst verklaart de opdrachtgever uitdrukkelijk van de inhoud van voormelde Algemene voorwaarden kennis genomen te hebben en de toepasselijkheid daarvan op deze overeenkomst te aanvaarden.

  In de hiervoor genoemde Algemene Voorwaarden is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

“Artikel 9 - Reclames
9.1 Een reclame met betrekking tot verrichte werkzaamheden of het factuurbedrag dient op straffe van verval van alle aanspraken binnen dertig dagen na de verzenddatum van de stukken of informatie waarover Client informeert, dan wel, indien Client aantoont dat hij het gebrek redelijkerwijs niet eerder had kunnen ontdekken, binnen dertig dagen na de ontdekking van het gebrek, schriftelijk aan Opdrachtnemer te worden kenbaar gemaakt.
9.2 (...).”

  Partijen zijn overeengekomen dat T&C haar vergoeding jaarlijks, achteraf, rond 1 november van ieder jaar aan de hand van de omzetgegevens bij [gedaagde] in rekening zal brengen. De afdracht van de vergoeding zal feitelijk plaatsvinden via SBC dan wel de Stichting, waarbij SBC de vergoeding in mindering zal brengen op de door SBC aan [gedaagde] af te dragen marges (minus de provisie van SBC).

  T&C heeft haar vergoeding ad € 45.107,72 (exclusief BTW) over oogstjaar 2003 (31 oktober 2002 tot en met 1 november 2003) bij brief van 19 november 2003 bij [gedaagde] in rekening gebracht met het verzoek de vergoeding per direct te betalen.

  Aan SBC en de Stichting is op 25 november 2003 sursťance van betaling verleend. Op 3 december 2003 is het faillissement van beide vennootschappen uitgesproken.

    T&C heeft [gedaagde] bij brief van 10 december 2003 gesommeerd
haar vergoeding binnen twee weken te voldoen.

  Met ingang van 24 november 2003 is H.G. IT Management B.V. te Wezep enig aandeelhouder en bestuurder van T&C. De heer [betrokkene 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van H.G. IT Managment B.V.. Ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst was de heer Van de Poll (samen met een derde )aandeelhouder van T&C.

  T&C heeft - met verlof van de Voorzieningenrechter te ’s-Gravenhage van 26 februari 2004 - op 27 februari 2004 conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [gedaagde] onder het produktschap Produktschap Tuinbouw te Zoetermeer, onder CoŲperatieve Rabobank Woudenberg en Omstreken U.A. te Woudenberg alsmede op de woning van [gedaagde] te [woonplaats].

  Op 24 maart 2004 is de dagvaarding in onderhavige procedure aan [gedaagde] uitgebracht.

  In de brief van 27 mei 2004 heeft de raadsman van [gedaagde] namens [gedaagde] de overeenkomst met T&C ontbonden.

  De onderneming TCS heeft zich beziggehouden met voorraadbeheer van bloembollen, die voor SBC deelnemers bij de kwekers stonden. TCS is ook gefailleerd.

  Op enig moment is [gedaagde] gaan deelnemen in NovaCap Floralis Termijnfonds. Voor de financiering van de participaties heeft [gedaagde] een overeenkomst van geldlening gesloten met een bank.

  Het tweede openbare verslag van de curator van het faillissement van SBC bevat de volgende passages:

“Het lijkt er toch wel op dat in een aantal gevallen de laatste koper niet op de hoogte is geweest van het feit dat hij/zij als koper fungeerde (zo is er een koper, ook weer een buitenlandse vennootschap die overigens wel een reguliere klant was, die ineens voor vele tientallen miljoenen euro’s zou hebben gekocht, terwijl de kooplimiet voor de klant - gerelateerd aan de verzekeringsdekking - op ťťn tot twee miljoen euro lag). Het onderzoek naar deze curieuze gang van zaken is nog in volle gang.”

“Het gaat hier over de overeenkomsten die in de markt veelal aangeduid worden als “spookovereenkomsten”, waar dus met name de commissionair Van der Poll partijen als contractant opvoerde, waarbij minstens ťťn van hen - doorgaans de kopers dus - van die transacties niets wist en die rond de faillissementsdatum heeft betwist.”

  Het derde openbare verslag van de curator in het in 2.16 genoemde faillissement bevat de volgende passage:

“Dat laat onverlet dat van een behoorlijk aantal transacties, zeker in de laatste fase voor sursťance/faillissement, moeilijk vast te stellen is of die ook daadwerkelijk tot stand zijn gekomen. De bestuurder en de primaire bemiddelaar, de heer Van der Poll, heeft ook erkend dat een aantal overeenkomsten door hem is geschreven, tot een omvang van vele miljoenen euro’s, op naam van een soort “tussenkoper” in afwachting van het onderbrengen daarvan bij een werkelijke koper. Daarvan kwam het evenwel niet meer vanwege sursťance/faillissement.”


  Het geschil

  T&C vordert [gedaagde] te veroordelen aan T&C te betalen een bedrag van € 53.678,- te vermeerderen met rente vanaf 25 december 2003 en kosten.

  T&C heeft daartoe gesteld dat zij in het oogstjaar 2003 (van 31 oktober 2002 tot 1 november 2003) werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht op grond van de tussen partijen op 17 april 2003 gesloten overeenkomst en dat [gedaagde] tot op heden de contractueel overeengekomen vergoeding voor deze werkzaamheden niet heeft voldaan.

  [gedaagde] heeft de vorderingen weersproken. Daarop zal,
voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.


  De beoordeling

  De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de gelegde beslagen aan de wettelijk voorgeschreven termijnen en formaliteiten is voldaan.

  De kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] aan T&C een vergoeding verschuldigd is, zoals bedoeld in de overeenkomst d.d. 17 april 2003. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dan dient vervolgens te worden vastgesteld welk bedrag [gedaagde] aan T&C dient te betalen.

  [gedaagde] heeft zich tegen de vordering verweerd. Het meest verstrekkende verweer zal de rechtbank als eerste bespreken. Vervolgens zullen de overige verweren aan de orde komen.

Afspraak dat factuur niet (geheel) betaald behoeft te worden?

  [gedaagde] stelt dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de vergoeding, die hem bij factuur d.d. 19 november 2003 in rekening is gebracht. Hij voert aan dat vervolgens een bespreking tussen hem en de heer Van de Goor van T&C heeft plaatsgevonden, dat Van de Goor heeft erkend dat de in rekening gebrachte vergoeding wel erg hoog is, dat is afgesproken dat hij de factuur niet behoeft te betalen en dat hij weer contact opneemt met Van de Goor voor overleg over het betalen van een redelijke vergoeding als [gedaagde] geld heeft ontvangen van het Produktschap voor de Tuinbouw. Dit standpunt heeft [gedaagde] niet alleen bij antwoord, maar tevens ter comparitie ingenomen.

  T&C voert aan dat inderdaad een bespreking op 4 februari 2004 heeft plaatsgevonden, omdat [gedaagde] had aangegeven de vergoeding niet in ťťn keer te kunnen betalen als gevolg van het faillissement van SBC. Volgens T&C heeft [gedaagde] toen tevens gezegd dat hij het bedrag wel heel hoog vond. T&C stelt voorts dat zij hem heeft voorgesteld dat hij een bedrag ineens betaalt (€ 30.000,-) en het restant voldoet als het Produktschap voor de Tuinbouw tot uitkering is overgegaan. T&C stelt dat [gedaagde] daarover wilde nadenken en dat hij vervolgens niets heeft laten horen en dat derhalve geen overeenstemming is bereikt over het definitief niet (geheel) betalen van de vergoeding.

  Eerst bij dupliek heeft [gedaagde] zijn brief van 6 februari 2004 aan T&C in het geding gebracht waarin hij de in zijn optiek op 4 februari 2004 gemaakte afspraken tussen partijen bevestigt, met dien verstande dat de betaling van een vergoeding niet afhankelijk wordt gesteld van uitbetaling van het produktschap voor de Tuinbouw, zoals bij antwoord en ter comparitie is gesteld, maar van “uitbetaling in het kader van participatie bij Nova Cap-fonds”.

  Indien de stellingen van [gedaagde] op dit punt juist blijken, dan is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat T&C ondanks deze afspraken op 26 en 27 februari 2004 tot beslaglegging (onder meer onder het produktschap) en op 24 maart 2004 tot dagvaarden is overgegaan.

  [gedaagde] zal alsnog helderheid moeten geven over de onduidelijkheid, zoals vastgesteld in rechtsoverweging 4.6. T&C heeft zich nog niet kunnen uitlaten over de hiervoor genoemde, bij dupliek als productie 8 gevoegde, brief. De rechtbank zal T&C daartoe alsnog in de gelegenheid stellen. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte uitlaten aan de zijde van [gedaagde]. Vervolgens kan T&C hierop bij antwoordakte reageren.

  Indien de verklaring van T&C naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk is, dan is sprake van een rechterlijk vermoeden, gebaseerd op de volgens de brief van 6 februari 2004 op 4 februari 2004 gemaakte afspraken, onder meer dat betaling van een vergoeding eerst aan de orde is, zodra het Produktschap voor de Tuinbouw of het Nova Cap Fonds tot uitkering is overgegaan. Volgens de wet mag T&C in dat geval tegenbewijs leveren. Slaagt T&C in het tegenbewijs dan is het aan [gedaagde] om te bewijzen dat partijen de door [gedaagde] gestelde afspraken hebben gemaakt. De rechtbank overweegt reeds nu dat om proces-economische redenen [gedaagde] tegelijk met T&C zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs.

  Indien niet komt vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] de vergoeding niet behoefde te betalen (en dat na enige tijd partijen alsnog nader overleg zouden voeren over een geringe tegemoetkoming), dan zijn de overige door [gedaagde] gevoerde verweren van belang.

Tekortkoming in de nakoming?

  [gedaagde] heeft (subsidiair) aangevoerd dat hij de factuur niet hoeft te betalen omdat T&C haar verplichtingen niet is nagekomen. [gedaagde] maakt T&C een vijftal verwijten.

1. Facturatie en leveringen onvoldoende gecontroleerd?

  [gedaagde] verwijt T&C dat zij de facturatie en leveringen onvoldoende heeft gecontroleerd. Hij stelt bij dupliek dat indien T&C zich zou hebben gekweten van haar taak om de transacties te controleren, hij in een vroeg stadium zou hebben geweten dat het aan hem per valutadatum 31 oktober 2003 uit te keren saldo zeer aanzienlijk lager zou zijn dan hij op grond van de verstrekte gegevens mocht verwachten en dan zou hij de in overweging 2.15 genoemde investering in Nova Cap Termijnfonds niet hebben gedaan, aldus [gedaagde]. Met verwijzing naar de in overweging 2.16 en 2.17 geciteerde passages uit de openbare verslagen van de curator in het faillissement van SBC stelt [gedaagde] dat blijkt dat sprake is van een vermoeden dat SBC opgave heeft gedaan van niet daadwerkelijk plaatsgevonden hebbende transacties.

  De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat ‘controle facturatie en leveringen’ behoorde tot het takenpakket van T&C. Partijen verschillen van mening over de vraag waartoe dit deel van het takenpakket T&C verplichtte. T&C stelt dat het gaat om het corrigeren van de database van SBC. [gedaagde] heeft dit betwist en stelt dat de werkzaamheden niet waren beperkt tot het kopiŽren en doorsturen van gegevens.

  De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. In de volgende onderdelen van het partijdebat heeft hij namelijk minder gesteld of weersproken dan van hem verwacht mocht worden.

  Zo heeft [gedaagde] niet gereageerd op de stelling van T&C dat het niet tot haar takenpakket behoorde te controleren of de bollenvoorraad voldoende was om de koopovereenkomsten uit te voeren. Voorts heeft de rechtbank uit de stukken niet kunnen opmaken of de verweten BTW gedraging ťťn transactie betrof of alle transacties. Indien [gedaagde] T&C een verwijt maakt dan dient hij heel precies aan te geven waaruit dit verwijt bestaat en dient hij dat verwijt te onderbouwen. Daarnaast is niet gesteld of gebleken waarom T&C niet mocht uitgaan van de juistheid van de van SBC afkomstige gegevens. De verwijzing naar eerdergenoemde passages in de openbare verslagen van de curator in het faillissement van SBC is daarvoor onvoldoende. Weliswaar blijkt uit de verslagen dat het vermoeden bestaat dat SBC opgave heeft gedaan van transacties die niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, maar [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat dit vermoeden tevens bestaat ten aanzien van op zijn naam gesloten transacties. Evenmin is gesteld of gebleken op welke wijze T&C dit had kunnen signaleren.

Nu [gedaagde] op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

2. Verzuimd de jaarlijkse aangifte restitutie vakheffing produktschap voor 2002 en 2003 te verzorgen?

  [gedaagde] verwijt T&C dat zij de jaarlijkse aangifte restitutie vakheffing produktschap 2002 en 2003 niet heeft verzorgd. T&C erkent dat zij de aangifte niet heeft verzorgd, maar stelt dat [gedaagde] heeft aangegeven dat hij de aangifte zelf wilde verzorgen.

  De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] T&C heeft gesommeerd aan haar verplichting ter zake van het doen van aangifte te voldoen. Uit niets blijkt dat sprake is van verzuim aan de zijde van T&C. Van een tekortkoming kan in dat geval geen sprake zijn.

3. Niet te werken met voorraadlijsten?

  Hetzelfde geldt voor het verwijt van [gedaagde] dat hij niet kon werken met de door T&C opgestelde voorraadlijsten, omdat de lijsten enerzijds onduidelijk en anderzijds onvolledig waren. [gedaagde] stelt dat de lijsten geen helder inzicht gaven in zijn financiŽle positie met betrekking tot de door hem gedane transacties. Hij stelt voorts dat er in de lijsten gegevens ontbraken, zoals de telerskosten, behandelingskosten, royalties en vakheffing. Hij stelt tot slot dat hij hierover onophoudelijk heeft geklaagd en legt als bewijs daarvan over de brief van T&C gericht aan hem van 24 juni 2003 (productie 10 bij dupliek).

  De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat partijen zijn overeengekomen dat de door [gedaagde] genoemde gegevens in de overzichten zouden worden opgenomen en dat [gedaagde] T&C op dit punt in gebreke heeft gesteld. Uit de overgelegde brief volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat sprake is geweest van een onophoudelijk klagen door [gedaagde]. Uit de brief is slechts op te maken dat er verbeteringen zullen worden uitgevoerd. Niet is gesteld of gebleken dat sprake was van grote fouten en evenmin dat het probleem met deze brief niet is opgelost.
Als [gedaagde] met succes had willen klagen over de lijsten dan had hij T&C moeten wijzen op haar verplichting op grond van de overeenkomst en had hij haar moeten manen alsnog aan haar verplichting te voldoen. Uit de stellingen van [gedaagde] blijkt dat de klachten zich immers grotendeels voor het faillissement van SBC hebben gemanifestreerd, zodat hij daarover eerder had kunnen klagen.

4. Verzuimd contacten te onderhouden met marktpartijen over alle onderdelen van het dienstenpakket?

  [gedaagde] verwijt T&C dat hij geen contacten heeft onderhouden met marktpartijen, SBC en TCS en stelt dat als T&C dat wel zou hebben gedaan, zij zou hebben ontdekt dat diverse contracten niet daadwerkelijk tot stand zijn gekomen. [gedaagde] stelt dat T&C zonder in gebrekestelling in verzuim is geraakt, nu nakoming blijvend onmogelijk is door de faillissementen van SBC en de Stichting. T&C heeft zich tegen dit verwijt verweerd.

  De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn stellingen op dit punt onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Zo heeft hij onder meer niet concreet aangegeven wanneer T&C iets had moeten ondernemen en met wie en waarom. De stelling van [gedaagde] is te algemeen en naar het oordeel van de rechtbank te veel gestoeld op vermoedens. Een enkele arrestatie van twee bestuursleden van SBC en de hiervoor geciteerde passages uit verslagen van de curator in de eerdergenoemde faillissementen zijn daarvoor onvoldoende. Onder deze omstandigheden wordt niet toegekomen aan bewijslevering.

5. Omzet oktober 2003 niet bekend?

  [gedaagde] heeft T&C bij dupliek nog verweten dat alleen al sprake is van een tekortkoming nu T&C kennelijk geen omzetgegevens van oktober 2003 kan produceren. Hij verwijst naar de verplichtingen van het takenpakket (r.o. 2.2) 1, 2 en 5. T&C heeft op dit verwijt nog niet kunnen reageren. Zij heeft bij antwoord gesteld dat de oorzaak is gelegen in een computerprobleem, dat niet kan worden verholpen.

De rechtbank zal T&C in de gelegenheid stellen zich op dit punt uit te laten, alvorens verder te oordelen.

Tussenconclusie

  In rechtsoverweging 4.2 is overwogen dat de kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] aan T&C een vergoeding verschuldigd is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat vooralsnog niet is gebleken van een tekortkoming, die een ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, zodat betaling van een vergoeding niet aan de orde zou zijn. Partijen zijn echter in de gelegenheid gesteld zich op enkele punten uit te laten. Voor het geval dat komt vast te staan dat een vergoeding verschuldigd is, heeft [gedaagde] het volgende subsidiaire verweer gevoerd.

Hoogte vergoeding onjuist

  [gedaagde] heeft aangevoerd dat de hoogte van de gevorderde vergoeding niet juist is. Hij stelt dat de vergoeding is berekend over de hele periode van 1 november 2002 tot en met oktober 2003, terwijl partijen eerst op 17 april 2003 de onderhavige overeenkomst hebben gesloten. Voorts betwist [gedaagde] de juistheid van het door T&C als productie 13 overgelegde overzicht van de door [gedaagde] over het oogstjaar 2003 gegenereerde omzet. De omzet is immers niet gebaseerd op de standaardverkoopovereenkomsten van SBC, zoals partijen zijn overeengekomen, stelt [gedaagde]. Daarnaast staat de omzet niet vast, gelet op de in overweging 2.8 geciteerde passages uit de openbare verslagen van de curator, aldus [gedaagde]. Bovendien is de berekening niet juist. Volgens [gedaagde] dient de vergoeding te worden berekend over de omzet gegenereerd over de periode vanaf de ingangsdatum van de overeenkomst tot het einde van het oogstjaar, derhalve over een periode van acht maanden. Tot slot heeft [gedaagde] aangevoerd dat uit de overeenkomst blijkt dat de vergoeding pas verschuldigd is als hij een factuur van SBC met betrekking tot het saldo per valutadatum heeft ontvangen. De omstandigheid dat hij nooit een factuur heeft ontvangen per 31 oktober 2003 brengt volgens [gedaagde] mee dat hij geen vergoeding verschuldigd is.

  T&C heeft aangevoerd, dat [gedaagde] eerst bij antwoord gedetailleerd de hoogte van de vergoeding betwist, dat de vergoeding is berekend op basis van de omzet vanaf 1 april 2003 en dat nu partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat de vergoeding wordt berekend over de omzet over een volledig oogstjaar, en niet over een gedeelte van een oogstjaar, de vergoeding pro rato dient te worden verdeeld over de periode van dat oogstjaar waarin T&C werkzaamheden heeft verricht.

  De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de tekst van de overeenkomst is veel te zeggen voor de door T&C voorgestane wijze van berekening van de vergoeding. Anderzijds dient bij de uitleg van een leemte in een overeenkomst niet alleen te worden afgegaan op de tekst van de overeenkomst, maar is tevens van belang hetgeen partijen over en weer in de gegeven omstandigheden van elkaar over en weer mochten verwachten. Partijen hebben zich hierover naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende uitgelaten. De rechtbank zal partijen daartoe alsnog in de gelegenheid stellen.

De rechtbank overweegt reeds nu dat de rechtbank de door [gedaagde] overigens opgeworpen verweren (niet gebaseerd op de standaard verkoopovereenkomst van SBC en vergoeding pas verschuldigd na factuur van SBC) zal passeren. Voor zover als gevolg van het faillissement van SBC en de Stichting aan bepaalde delen van de overeenkomst niet kan worden voldaan, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de daarvan afhangende verplichtingen tot in lengte van dagen niet behoeven te worden nagekomen. Het ontbreken van een standaard verkoopovereenkomst en de factuur van SBC over het oogstjaar 2003 staat om die reden niet aan een vaststelling van een vergoeding in de weg. Ten aanzien van het door [gedaagde] opgeworpen verweer dat de hoogte van de vergoeding nog niet kan worden berekend, omdat de omzet nog niet vast staat gelet op de bestaande vermoedens in de faillissementen van SBC en de Stichting, overweegt de rechtbank dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.21.

Staan door T&C gehanteerde algemene voorwaarden aan toewijzing vordering in de weg?

  T&C heeft zich in reactie op het verweer van [gedaagde] beroepen op artikel 9.1 (opgenomen in rechtsoverweging 2.5) van de algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft bij dupliek gesteld dat artikel 9 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:636 aanhef en onder b en c van het Burgerlijk wetboek (BW), nu het zijn recht op nakoming en ontbinding beperkt. T&C heeft hierop nog niet kunnen reageren. T&C zal zich bij de nog te nemen akte ook over dit punt kunnen uitlaten.

Staan redelijkheid en billijkheid aan toewijzing van de vordering in de weg?

  [gedaagde] heeft meer subsidiair gesteld dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is hem te veroordelen tot betaling van de gevorderde vergoeding. Hij heeft deze stelling toegelicht met een verwijzing naar zijn andere standpunten. T&C heeft deze stelling betwist en heeft gesteld dat in dit verband van belang is dat [gedaagde] heeft veel geld heeft verdiend met de bollenhandel.

  De rechtbank zal aan het verweer van [gedaagde] voorbijgaan, aangezien hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling, het naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is de vordering van T&C toe te wijzen.

Resumerend

  In afwachting van de te nemen aktes houdt de rechtbank iedere beslissing aan


  De beslissing

De rechtbank:

  bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 juni 2005 voor akte aan de zijde van [gedaagde] over hetgeen is vermeld in rechtsoverweging 4.8 en 4.26 en dat T&C daarop alsmede op rechtsoverweging 4.8, 4.22, 4.26 en 4.27 kan reageren bij akte d.d. 13 juli 2005.

  houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C.J. van Bavel en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005.


de griffier  de rechter

 

 

 

 

Project 421 Novacap tulpenfraude voorbeeld uitgangsformule Censuur in Nederland en Groep Hop
Novacap Floralis Termijnfonds 2004 cv, Novacap Termijnfonds Beheer B.V., Novacap Agricola B.
V.
221 Holland Integrity Group (HIG) heeft met medewerking van het OM tapverslagen gekregen van
verdachten met hun advocaten, erkenden gisteren de officier van justitie
140 Slachtoffers tulpenfraude verliezen alles
421 Novacap Tulpenfraude, de extra betaling van Novacap aan SBC
314 Novacap Tulpenfraude FAILISSEMENTSVERSLAG NR. 3 (2e tussentijds verslag) F04/144, F04/145 en F04/146
v.o.f. Firma J. Visser & Zonen en W.P.M. Visser Bloembollen B.V. en P.J.M. Visser Bloembollen B.V.
op verzoek van Holland Bolroy Markt B.V., Holland Blumen Markt B.V. en Holland Iris Select B.V., alle te Heiloo
167 Openbare verslagen curator SBC Gegevens failliet Sierteelt Bemiddelingscentrum B.V. en Stichting Derdengelden SBC
113

MX BULB was toegankelijk voor abonnees en alle SBC medewerkers.Van de Poll had alleen maar verstand van bollen en wilde zekerheid over de betrouwbaarheid van dit systeem en liet een computerbedrijf een rapport maken over MX BULB. De systemen bleken zo lek als een mandje en men kon zelfs koopbriefjes, prijzen en kilos aanpassen, verhogen of wijzigen

223 Heeft bank (HBU) weleens een veel grotere rol gespeeld kan hebben dan tot nu toe is aangenomen per slot van rekening hebben zij 49 mln. gefinancierd op lucht (portefeuille sbc) wanneer ze dit gecontroleerd hadden was dit direkt duidelijk geworden ook heeft bijna iedereen die hier gefinancierd is de toezegging gekregen dat de portefuille bij sbc gecontroleerd zou worden
260 Wie kent de namen van de partijen waarmee Novacap tulpenfonds een "settlement-agreement" is overeengekomen en wie heeft een kopie van die "settlement-agreement" en een kopie van de beschikking van die engelse rechter?
274 Is het stellen van betalingszekerheid strafbaar als achteraf die betalingszekerheid door dezelfde steller als "LETTER OF COMFORT" wordt betiteld?
402

Novacap verheugd dat de Alkmaarse rechtbank heeft besloten dat er voldoende gronden zijn om beslag te leggen op de vermoedelijke fraudeurs. Het beleggingsfonds uit Lisse heeft bij 53 bedrijven voor 44 miljoen euro beslag gelegd op onroerend goed, bankrekeningen en materialen.

   

top