CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

 

Kinderbescherming gebruikt raadsrapporten zonder waarheidsbevinding

 

Faxbericht 030-2392450.

Ministerie van Justitie,
Raad voor de Kinderbescherming,
Landelijk Bureau,
Drs. E.J.H.M Hooymans, algemeen directeur of plaatsvervanger,
Arthur van Schendelstraat 610,
3511 MJ Utrecht.

Ermelo, 18 oktober 1997.

Geachte heer Hooymans

Beleefd vraag ik antwoord op de onderstaande vragen om kinderen te kunnen beschermen tegen medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming.

Ondergetekende verwijst daarbij naar uw "MISSIE" De Raad voor de Kinderbescherming komt op voor kinderen die zich in een bedreigende situatie bevinden. De Raad doet dit als overheidsorganisatie pas als andere pogingen niet zijn geslaagd. Indien nodig vraagt de Raad de rechter de bescherming van het kind te waarborgen. De Raad stelt zich open op en werkt deskundig, zorgvuldig en snel. "De Raad beschermt kinderen."

 

Vraag 1

Acht u het gewenst dat een raadsonderzoek bij gezag- en omgangsregelingen niet gericht is op waarheidsbevinding? Antwoord Ja of Nee is voldoende.

Antwoord op deze vraag wordt door de kinderbescherming op 29.10.97 geweigerd. Conclusie Hop: de MISSIE is bedrog. De Raad weigert zich hier open op te stellen. De algemeen directeur E.J.H.M. Hooymans voor deze drs. L.C.M. Tigges.

Jurisprudentie.
Een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming niet is gericht op waarheidsbevinding Staatssecretaris van Justitie namens deze Mr J.J.H. Suyver, Secretaris-generaal. Kenmerk 9504622 004 13.09.95. Zaak Zander/RvdK Zwolle.

 

Vraag 2

Acht u het gewenst dat raadsrapporten niet d.m.v. een documentencontrole op waarheid behoeven te worden gecontroleerd? Antwoord Ja of Nee is voldoende.

Antwoord op deze vraag wordt door de kinderbescherming op 29.10.97 geweigerd. Conclusie Hop: de MISSIE is bedrog. De Raad weigert zich hier open op te stellen. De algemeen directeur E.J.H.M. Hooymans voor deze drs. L.C.M. Tigges.

Jurisprudentie.
Een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming niet is gericht op waarheidsbevinding Staatssecretaris van Justitie namens deze Mr J.J.H. Suyver, Secretaris-generaal. Kenmerk 9504622 004 13.09.95. Zaak Zander/RvdK Zwolle.

 

Vraag 3

Acht u het gewenst dat raadsmedewerkers mogen weigeren documenten van de klagende ouder onder inzage te vermelden die de beweringen van de betrokken raadsmedewerker weerleggen met als argument dat de raadsmedewerker uitmaakt wat in het raadsrapport komt en dat vader maar een advocaat moet nemen om zich te verdedigen? Antwoord Ja of Nee is voldoende.

Antwoord op deze vraag wordt door de kinderbescherming op 29.10.97 geweigerd. Conclusie Hop: de MISSIE is bedrog. De Raad weigert zich hier open op te stellen. De algemeen directeur E.J.H.M. Hooymans voor deze drs. L.C.M. Tigges.

Jurisprudentie.
Een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming niet is gericht op waarheidsbevinding Staatssecretaris van Justitie namens deze Mr J.J.H. Suyver, Secretaris-generaal. Kenmerk 9504622 004 13.09.95. Zaak Zander/RvdK Zwolle.

 

Vraag 4

Als in een raadsrapport staat vermeld dat er geen omgang heeft plaatsgevonden tussen kinderen en vader over een bepaalde periode terwijl er wel omgang heeft plaatsgevonden tussen kinderen en vader bewijsbaar met documenten hebben de betrokken raadsmedewerkers dan valsheid in geschrifte in een raadsrapport gepleegd? Antwoord Ja of Nee is voldoende.

Antwoord op deze vraag wordt door de kinderbescherming op 29.10.97 geweigerd. Conclusie Hop: de MISSIE is bedrog. De Raad weigert zich hier open op te stellen. De algemeen directeur E.J.H.M. Hooymans voor deze drs. L.C.M. Tigges.

 

Vraag 5

Acht u het gewenst dat een concept raadsrapport minimaal drie dagen voor het inzage gesprek in bezit van de betrokken ouders moet zijn zodat zij zich goed kunnen voorbereiden op het inzage gesprek? Antwoord Ja of Nee is voldoende.

Antwoord op deze vraag wordt door de kinderbescherming op 29.10.97 geweigerd. Conclusie Hop: de MISSIE is bedrog. De Raad weigert zich hier open op te stellen. De algemeen directeur E.J.H.M. Hooymans voor deze drs. L.C.M. Tigges.

 

In afwachting voor uw snelle reactie, verblijf ik, met vriendelijke groet,


hoogachtend,

J. Hop
Joubertstraat 24
3851 DM Ermelo

 

 

In hoeverre ligt het in de rede de Raad voor de Kinderbescherming te verplichten in alle zaken feiten op juistheid te controleren?

Bron: Lijst van vragen en antwoorden vastgesteld 3 augustus 1998 door Vaste commissie voor Justitie.

Vergaderjaar 1997 - 1998

Uit Evaluatie reorganisatie Raad voor de Kinderbescherming 

 

LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
 Vastgesteld 3 augustus 1998

De vaste commissie voor Justitie heeft over de Evaluatie reorganisatie Raad voor de Kinderbescherming (Kamerstuk 22 952, nr. 1) de navolgende vrager ter beantwoording aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.

34
In hoeverre ligt het in de rede de Raad voor de Kinderbescherming te verplichten in alle zaken feiten op juistheid te (laten) toetsen? (blz. 10).

De rapportage van de raad dient een beschrijving te bevatten van feiten en achtergronden, van visie en belevingen van alle betrokkenen, van de interactie die heeft plaatsgevonden tussen de raadsmedewerkers en het cliŽntensysteem en van de eventuele noodzakelijk gebleken interventies met hun effecten op het onderzoeksproces. Dit alles in het licht van de relevantie van deze gegevens in verband met de aanleiding en het doel van het onderzoek. De onderzoeksvraag wordt vooraf, met behulp van een interne gedragsdeskundige, geformuleerd. Daarbij staan drie aandachtsvelden centraal: de staat en ontwikkeling van het kind, de opvoedingsvaardigheden van de ouders/opvoeders en het ondersteunend vermogen in de directe opvoedingsomgeving van het kind. Het gaat bij het onderzoek en de rapportage door de raad derhalve om het verklaren en inzichtelijk maken van de aangetroffen problematiek en niet slechts om waarheidsvinding op basis van kale en toetsbare feiten.

Het landelijk managementteam (LMT) van de raad heeft besloten om naar aanleiding van kritische kanttekeningen bij de vraag of en zo ja hoe diepgaand meldingen en/of mededelingen van betrokkenen op waarheid cq inhoudelijke juistheid moeten worden gecheckt (als uitgangspunt geldt dat de raad geen rechercherende instantie is) een commissie daarover advies aan het LMT te laten uitbrengen, opdat tot finale uitspraken over het discussiepunt "waarheidsvinding" kan worden gekomen. Het LMT heeft de commissie gevraagd bij zijn advies ook het oordeel van buitenstaanders die kennis hebben van de problematiek en de werkwijze van de raad te betrekken. Het advies wordt in het derde kwartaal van 1998 verwacht.

Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 952, nr. 2

 

 

 

Hop eist kwaliteitsverbetering werkwijze rechtersleger en jeugdzorg door verplichte invoering van waarheidsvinding d.m.v. documentenverificatie en informantenverklaringen om kinderen te beschermen tegen slapende rechters en falende jeugdzorg

 

Donner wil meer kwaliteit bij waarheidsvinding

13 sep 2005

DONNER WIL MEER KWALITEIT BIJ WAARHEIDSVINDING

Minister Donner (Justitie) wil de kwaliteit van de opsporing en vervolging door politie en OM structureel verbeteren. Hij laat hiervoor het College van procureurs-generaal een verbeterprogramma opstellen. Dat schrijft minister Donner in een brief aan de Tweede Kamer. Hij reageert daarin op een evaluatierapport over de zogeheten Schiedamse Parkmoord, waarin iemand ten onrechte is veroordeeld. De evaluatie is uitgevoerd door een advocaat-generaal die niet bij de zaak betrokken was, bijgestaan door twee onafhankelijke externe deskundigen. De onderzoeker concludeert dat er in de verschillende fasen van het opsporingsonderzoek veel mis is gegaan. 

Reactie op onderzoek
Donner vindt de uitkomsten van het onderzoek 'zorgwekkend'. De justitiŽle dwaling is volgens hem het gevolg van een opeenstapeling van elkaar versterkende onzorgvuldigheden en beoordelingsfouten. Vanaf het moment dat de verdachte bekend had, is de mogelijkheid van een andere interpretatie niet meer daadwerkelijk getoetst. Het rapport bevestigt Donner in de opvatting dat 'van het opzettelijk achterhouden van bewijs teneinde een onschuldige veroordeeld te krijgen, geen sprake is geweest'. Ook heeft hij geen aanwijzingen dat dit soort dwalingen vaker plaatsvinden. Toch vindt Donner dat er alles aan gedaan moet worden om herhaling te voorkomen. 

Verbeterprogramma
Donner wil dat het College van procureurs-generaal nog voor de behandeling van de justitiebegroting (dit najaar) een concreet verbeterprogramma opstelt. Daarin moet het College structurele oplossingen beschrijven voor de tekortkomingen en fouten die uit het evaluatierapport naar voren komen. De aanbevelingen uit het rapport moeten, indien mogelijk, nog in 2006 in de praktijk worden gebracht. 

Dit verbeterprogramma moet in ieder geval zorgen voor: 

Bron:
Brief aan de Tweede Kamer (pdf)
Evaluatieonderzoek naar de Schiedammer Parkmoord  (pdf)

Ministerie van Justitie

Directoraat-Generaal Rechtshandhaving

Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden

Bij beantwoording de

datum en ons kenmerk

vermelden. Wilt u slechts

ťťn zaak in uw brief behandelen.

1. Inleiding

Een justitiŽle dwaling is een schrikbeeld voor de rechtsstaat en een schok voor de samenleving

en het rechtsbestel. Het schokt het vertrouwen dat de burger moet kunnen hebben

in het recht en de rechtsgang, het wekt verontwaardiging over het onrecht dat geleden is

en schept onrust over mogelijk andere, soortgelijke gevallen in het verleden of in de toekomst.

In het strafproces wordt vorm gegeven aan de fundamentele rechtspolitieke keuze dat bij

redelijke twijfel, ondanks het bestaan van wettig bewijs, de rechter die daaruit niet de overtuiging

van de schuld van een verdachte heeft gekregen, niet tot een bewezenverklaring

zal komen. Het strafproces is het product van het voortdurend streven naar waarborgen

om te voorkomen dat iemand die onschuldig is, ten onrechte zal worden veroordeeld, ook

als dat tot gevolg heeft dat -in een enkel geval- schuldigen vrijuit gaan. Vandaar dat wanneer

iemand ondanks al de checks en balances die we in de loop van de tijd hebben ingebouwd

in het strafrecht om dit te voorkomen, toch (b)lijkt te zijn veroordeeld voor een misdrijf

dat hij niet heeft begaan, dit een diepgaand onderzoek vereist. Vraag is daarbij niet ůf

er fouten zijn gemaakt; het zou een groter schrikbeeld zijn indien een onschuldige tot jarenlange

gevangenisstraf kan worden veroordeeld zonder dat er iets fout gaat. Vraag is

dan: waar zijn fouten gemaakt, wat voor fouten waren dit, worden dat soort fouten vaker

gemaakt en hoe voorkomen we ze in de toekomst?

De ontwikkelingen eind vorig jaar rond wat de Schiedamse parkmoordzaak is gaan heten,

gaven alle de indruk dat er daarbij sprake was van een justitiŽle dwaling. De heer B. werd

na een groots opgezet opsporingsonderzoek in eerste en tweede aanleg veroordeeld voor

Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag

De voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20013

2500 EA DEN HAAG

Bezoekadres

Schedeldoekshaven 100

2511 EX Den Haag

Telefoon (070) 3 70 79

11

Fax (070) 3 70 79 25

www.justitie.nl

Onderdeel BJBA

Datum 13 september 2005

Ons kenmerk 5374195/505

Onderwerp Schiedammer parkmoord

2/10

5374195/505/13 september 2005

moord en poging tot moord, welke veroordeling in cassatie en herziening overeind bleef.

Desondanks liet het OM hem (in december 2004) - nog voor een definitieve uitspraak op

een hernieuwd herzieningsverzoek - vrij in de overtuiging dat hij niet schuldig was.

In het licht van deze ontwikkelingen heeft het College van procureurs -generaal (hierna: het

College) in december 2004 onmiddellijk opdracht gegeven voor een uitgebreid evaluatieonderzoek

naar het hele verloop van de opsporing en vervolging van de toenmalige verdachte

om lessen te leren voor de toekomst.

2. Het rapport

Het evaluatieonderzoek is uitgevoerd door een advocaat-generaal, de heer mr. F. Posthumus,

die geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de strafzaak. Hij werd daarbij bijgestaan

door twee onafhankelijke externe deskundigen, te weten professor mr. Y. Buruma

(hoogleraar straf- en strafprocesrecht te Nijmegen) en de heer A.P. de Vries (voormalig

plv. korpschef van de regiopolitie Gelderland-Midden). In het kader van dit evaluatieonderzoek

is de rol van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en de politie gedetailleerd onder

de loep genomen. De meeste (ongeveer 60) betrokkenen zijn in het kader van de evaluatie

gehoord en de hele feitelijke gang van zaken is daarbij beschreven. In dit verband merk ik

op dat tegelijkertijd met het starten van het evaluatieonderzoek van Posthumus c.s. het

intern "review onderzoek", dat al eerder in gezamenlijke opdracht van de hoofdofficier van

justitie te Rotterdam en de korpschef van Rotterdam-Rijnmond was opgestart, is stopgezet.

De informatie en de voorlopige bevindingen van het review-onderzoek zijn vervolgens

integraal overgedragen aan Posthumus c.s.

Tevens is door de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag besloten tot een

interne reflectie. Hierbij zijn twee niet uit het eigen college afkomstige leden van de rechterlijke

macht betrokken. Ik heb niet de beschikking over deze rapporten. De resultaten van

deze evaluaties zijn onderwerp van gesprek binnen genoemde rechterlijke colleges. De

rapporten worden, aangezien zij betrekking hebben op de wijze waarop door de onafhankelijke

rechter in een concrete zaak is geoordeeld, niet openbaar gemaakt. Wel is van de

uitkomst van dez e reflecties melding gedaan in de media en is in het tijdschrift voor de

rechterlijke macht Trema in meer algemene zin daarop gereageerd.

Het rapport van het evaluatieonderzoek bij het OM is vanochtend aangeboden aan de

voorzitter van het College. Ik bied u hierbij dit rapport aan, vergezeld van mijn eerste conclusies

ten aanzien van de bevindingen en aanbevelingen. Wel heeft dit tot gevolg dat ik

thans moet volstaan met die reactie op de hoofdaanbevelingen die mogelijk is binnen de

korte tijd van voorkennis die mij geboden werd.

Het rapport bevat gevoelige informatie voor en over personen. Gezien de uitzonderlijke

aard van de zaak en hetgeen reeds op andere wijze in de openbaarheid is gekomen,

waaronder de openbare behandeling ter terechtzitting en verschillende publicaties, is er

3/10

5374195/505/13 september 2005

evenwel voor gekozen het rapport integraal openbaar te maken. 1 Ware dat niet het geval

dan zou de achtergrond van de genomen beslissingen niet inzichtelijk kunnen worden gemaakt.

Het overheersend belang van vertrouwen in de rechtspleging vergt naar mijn mening

voor alles snelle duidelijkheid, volledige openheid over de gang van zaken en een

ruimhartige uitvoering van aanbevelingen die kunnen bijdragen aan het voorkomen van

een herhaling.

Ik besef dat het herleven van een publieke discussie over deze zaak een zware wissel

trekt op alle direct betrokkenen. In de eerste plaats voor de onterecht veroordeelde. Maar

niet minder voor de slachtoffers en nabestaanden. Ongetwijfeld zal dit bij allen opnieuw

hevige emoties oproepen; ik betreur dat zeer, maar meen tegelijkertijd dat een publiek

debat over deze zaak niet uit de weg gegaan mag worden. Wel is voorafgaande aan de

publicatie van de resultaten van het onderzoek contact gezocht met de naast betrokkenen,

te weten de ouders van Nienke en Maikel en zijn ouders. Daarnaast is voorafgaande aan

de publicatie door de heer Posthumus over de bevindingen van het evaluatieonderzoek

met de heer B., de ouders van Nienke en Maikel en zijn ouders.

3. Conclusies van het rapport

De onderzoeker komt in het rapport tot de conclusie dat in de verschillende fasen van het

opsporingsonderzoek en de vervolging veel is mis gegaan en beoordelingsfouten zijn gemaakt.

De hoofdconclusies hebben betrekking op negen onderwerpen.

Geconcludeerd wordt dat (1) onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijkheid dat

de heer B., ondanks het feit dat hij niet onder onrechtmatig hoge druk is gezet, ten onrechte

een bekennende verklaring zou kunnen afleggen. De bekennende verklaring had tot

gevolg dat het onderzoek zich te veel verdachtegericht, en niet ook misdrijfgericht, heeft

voortgezet. Ook wordt (2) vastgesteld dat het onderzoek te weinig gestructureerd heeft

plaatsgevonden. Er is in dit kader ook onvoldoende tegenspraak georganiseerd. Verder (3)

is te weinig betekenis gehecht aan de ontlastende waarde van ontbrekende technische

sporen. Hierin speelt een belangrijke rol dat er te weinig samenhang en samenwerking

bestond tussen het technische en het tactische politieonderzoek. Met betrekking tot de

afbakening van de rol van de officier van justitie als leider van het onderzoek dient (4) aandacht

te zijn voor het onderscheid tussen de identificatiefase en de bewijsfase van het

onderzoek. Waar men in de identificatiefase genoopt is verschillende scenario's door te

rechercheren, mag juist in de bewijsfase een krachtiger leiding die ook tegenspraak oplevert,

worden verlangd. Vervolgens (5) wordt geconcludeerd dat de rol die in het onderzoek

aan Maikel is toegekend (van slachtoffer, naar verdachte, naar niet serieus genomen

kroongetuige), niet alleen voor hem, maar ook, indirect, voor de heer B. nadelige gevolgen

heeft gekend. De zaaksofficier (6) heeft na de bekentenis van de heer B. te zeer gekozen

voor een daadkrachtig afwerken van de zaak in plaats van voor een objectieve, kritische

doordenking van een en ander. Ook is gebleken (7) dat bij de AG waarschijnlijk de ernst

1 Bijlage 3 is niet bijgevoegd. Deze bijlage bevat de namen van alle geÔnterviewde personen.

4/10

5374195/505/13 september 2005

van het delict de redelijke twijfel over het daderschap van de heer B. overheerste. Haar

stellingname in het requisitoir lijkt niet te stroken met haar kritische benadering van het

dossier. Te vens (8) wordt geconcludeerd dat aan het technisch onderzoek vele onvolkomenheden

kleefden. De sporen hadden beter veiliggesteld kunnen worden; er had betere

verslaglegging dienen plaats te vinden; het ontbrak - zoals gezegd - aan samenwerking

tussen de technische en de tactische recherche. Tenslotte zijn (9) de contacten tussen de

verschillende actoren in het onderzoek (politie, OM, NFI) onvoldoende vastgelegd en bestaat

het risico van miscommunicatie omdat technische deskundigen en juristen ‘verschillende

talen’ spreken, terwijl de twijfels die bij (medewerkers van) het NFI leefden met betrekking

tot de betrokkenheid van de verdachte bij het feit, hun weg naar de behandeling

ter zitting niet hebben gevonden.

4. Reactie op de conclusies van het rapport

Ik zal u niet verhelen dat ik de bevindingen en conclusies van het rapport zorgwekkend

acht omdat het vele onvolkomenheden in de opsporing en het strafrechtelijk onderzoek in

deze zaak bloot legt. Het maakt duidelijk dat de justitiŽle dwaling in dit geval niet het gevolg

is van een of twee ernstige aan individuen verwijtbare misdragingen, maar van een

opeenstapeling van elkaar versterkende onzorgvuldigheden en beoordelingsfouten. Ondanks

het feit dat blijkens het rapport ieder van de betrokkenen serieus heeft gestreefd

naar een verantwoorde waarheidsgetrouwe weergave van het verloop van de feiten heeft

dit ertoe geleid dat vanaf het moment dat de verdachte bekend had, de mogelijkheid van

een geheel andere interpretatie van de feiten niet langer daadwerkelijk is getoetst.

In het bijzonder verdient de harde wijze waarop het slachtoffer Maikel door de politie is

verhoord aandacht. Het brengt de onderzoeker tot de opmerking dat hij hoopt dat Maikel

daardoor niet voor de tweede maal is gevictimiseerd. Ik heb er kennis van genomen dat de

voorzitter van het College in het licht van de bevindingen van het rapport zijn excuses heeft

gemaakt aan de ouders van de slachtoffers en Maikel. Ook heeft hij excuses gericht aan

het adres van de heer B. en zijn familie. Ik acht deze excuses juist en gepast.

Ik ben mij ervan bewust dat de aandacht vooral ook zal uitgaan naar de vraag wie in deze

zaak blaam treft. Vast staat dat er veel fouten zijn gemaakt in opeenvolgende stadia door

verschillende betrokken instanties. Het is voor mij minder zinvol om precies te gaan uitmeten

wat het gewicht van de verschillende fouten is en in hoeverre de ene fout andere uit -

lokt. Het OM heeft immers in deze de grootste verantwoordelijkheid omdat het tevens ve rantwoordelijkheid

draagt voor de opsporing. Van wie veel gegeven is, mag veel verwacht

worden. Lezing van het rapport bevestigt mij in de opvatting dat van het opzettelijk achterhouden

van bewijs en gegevens teneinde een onschuldige veroordeeld te krijgen, geen

sprake is geweest. Daarvan werden de verantwoordelijke functionarissen van het OM in de

afgelopen week in de media beticht. Verderop in deze brief ga ik nader in op dit aspect in

antwoord op de vragen die de vaste commissie voor justitie mij hierover op 6 september jl.

heeft gesteld.

5/10

5374195/505/13 september 2005

Een vraag die naar aanleiding van de bevindingen onvermijdelijk rijst, is of gevreesd moet

worden dat een soortgelijke aaneenschakeling van tekortkomingen en beoordelingsfouten

zich ook in andere zaken heeft voorgedaan, met als mogelijk gevolg dat nog andere mensen

ten onrechte zijn veroordeeld en van hun vrijheid zijn beroofd. Wat dat betreft stel ik

vast dat de omstandigheden die in de onderhavige zaak hebben geleid tot een veroordeling

heel bijzonder waren. Daarbij tellen niet alleen de aanvankelijke bekentenissen van de

verdachte, maar ook andere elementen zoals zijn nabijheid bij de plaats delict en hetgeen

omtrent hem bekend was. Dit waren hoofdingrediŽnten voor de opeenstapeling van elkaar

versterkende beoordelingsfouten in het te zeer verdachtegerichte onderzoek. Dat deze

tekortkomingen vervolgens in de opeenvolgende rechterlijke beoordelingen van de zaak

(hoger beroep, cassatie, herziening) niet hebben geleid tot een correctie is eveneens zeer

uitzonderlijk. Ik heb geen aanwijzingen om te vermoeden dat er reden is aan te nemen dat

soortgelijke dwalingen zich vaker hebben voorgedaan. Dat laat onverlet dat er alles aan

gedaan moet worden om herhaling in de toekomst zo goed mogelijk te voorkomen.

5. Aanbevelingen

Het rapport bevat vele aanbevelingen. In het slot van het onderzoek worden die door de

onderzoeker gegroepeerd rond thema’s. De zeven voornaamste thema’s waarover aanbevelingen

worden gedaan zijn de volgende:

1. Bij kapitale delicten moet de parketleiding stimuleren dat op zijn laatst in de fase waarin

de zitting bij de rechter wordt voorbereid, een vorm van tegenspraak door de behandelend

officier van justitie wordt georganiseerd, opdat wordt bevorderd dat ontlastende omstandigheden

voldoende naar waarde worden geschat;

2. Bij kapitale delicten moet bij de politie tegenspraak worden georganiseerd;

3. De kennis van officieren van justitie op forensisch-technisch gebied en van het tactische

recherchewerk moet worden vergroot. Het NFI moet duidelijker rapporteren;

4. Binnen de politie moet het beheer van stukken van overtuiging en sporenmateriaal beter

geregeld worden;

5. In grote onderzoeken moeten de verdachtenverhoren audiovisueel worden vastgelegd.

In opleidingen moet aandacht worden besteed aan de theorie en praktijk van het ve rdachtenverhoor

en aan het fenomeen valse bekentenis.

6. Deskundigen die een rol hebben gespeeld in het opsporingsonderzoek, moeten slechts

onder nadrukkelijke vermelding van die rol, worden voorgedragen als deskundige ter terechtzitting

of bij de rechter-commissaris.

6/10

5374195/505/13 september 2005

7. Er moeten kaders worden vastgesteld voor de invulling van de taak van de officier van

justitie als leider van het opsporingsonderzoek. De officier van justitie moet zich er voortdurend

van bewust zijn dat andere procesdeelnemers, in het bijzonder rechter en verdediging,

voor een goede vervulling van hun functie deels afhankelijk zijn van de officier van

justitie.

Ik onderschrijf de in het onderzoek gedane aanbevelingen en zal deze overnemen. Daarbij

ben ik mij ervan bewust dat sinds de beschreven feiten reeds een aantal veranderingen en

verbeteringen zijn gerealiseerd bij de verschillende betrokken instanties. Ik acht een grondige

en structurele aanpak evenwel noodzakelijk. Om die reden heb ik het College van

procureurs-generaal gevraagd te doen wat in het licht van het rapport geboden is en in het

bijzonder om nog vůůr de behandeling van de justitiebegroting in een concreet verbeterprogramma

aan te geven op welke wijze de in de evaluatie aan het licht gebrachte tekortkomingen

en feilen structureel zullen worden aangepakt en de aanbevelingen zo mogelijk

in het komende jaar worden gerealiseerd. Ten aanzien van het NFI zal ik hetzelfde bevorderen.

Ik heb het rapport voorts gezonden aan de korpsbeheerder van het politiekorps Rotterdam

- Rijnmond met het verzoek te doen wat in het licht daarvan geboden is. Vanzelfsprekend

heb ik ook mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de hoogte

gesteld van het evaluatierapport.

In het verbeterprogramma dat ik aan het College heb gevraagd, zal de doorlopende bevordering

van de professionaliteit van het optreden van politie en OM in strafzaken centraal

dienen te staan. De veranderingen die in de afgelopen jaren in dit verband al hebben

plaatsgevonden of in gang zijn gezet zijn daarbij vertrekpunt. Het programma zal in ieder

geval ook de volgende punten moeten omvatten:

∑ de invoering en regeling van audiovisuele vastlegging van verdachtenverhoren;

∑ nieuwe opleidingen over recherchetechnieken (verhoormethoden, videoreconstructie,

dossiervorming) voor politie en OM worden ingevoerd;

∑ het structureel en niet-vrijblijvend organiseren van tegenspraak binnen de politieorganisatie

ťn het Openbaar Ministerie teneinde het ontstaan van een tunnelvisie

te voorkomen;

∑ de structurele verbetering van de verslaglegging van het verloop van het onderzoek

wordt, onder meer door nadere regeling van het opstellen, bewaren en archiveren

van onderzoeksmateriaal en van stukken van overtuiging, ook als dat onderzoeksrichtingen

betreft die niet nader zijn gevolgd. Dit betreft ook de journaals

die ieder van de betrokken partijen bijhouden en het beheer van ‘sporen’;

∑ de aansluiting van het opleidingsniveau van de leden van het OM aan de complexe

technische ontwikkelingen op bijvoorbeeld het gebied van DNA-onderzoek,

gelet op het toenemend belang van de kwaliteit van het sporenonderzoek, het on7/

10

5374195/505/13 september 2005

derzoek op Plaats Delict en de samenwerking tussen het NFI, de politie en het

Openbaar Ministerie.

Het onderzoek en de aanbevelingen richten zich primair op de kwaliteit van de waarheidsvinding

in het proces van opsporing en vervolging. Daar heeft het aan geschort in de onderhavige

zaak en daar dient een structurele versterking gezocht te worden. De positie van

deskundigen en van de verdediging in het strafproces zijn daarbij minder aan de orde,

hoewel ook te dien aanzien aanbevelingen worden gedaan in het rapport. Die positie zal

echter ook herbezien moeten worden. Dat is ook reeds het geval. In het onderzoek Strafvordering

2001 onder leiding van de hoogleraren Knigge en Groenhuijsen zijn voorstellen

gedaan voor een uitgebreidere regeling van de deskundige, die thans in het Wetboek van

Strafvordering betrekkelijk summier is. In het kader van de uitwerking van dat wetsvoorstel

zal tevens de positie van de verdediging aan de orde komen. Met betrekking tot de rolverdeling

tussen het OM en de verdediging in strafzaken wil ik op voorhand het volgende opmerken.

Naar mijn oordeel dient in het oog te worden gehouden dat ons stelsel zich primair

richt op materiŽle waarheidsvinding. Ook het openbaar ministerie geeft in zijn requisitoir

aan het eind van het onderzoek ter terechtzitting een professionele beoordeling van de

vraag of het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Om die reden is

de rol van het OM mede een magistratelijke. Indien er sprake is van twijfel over de schuld

van een verdachte moet van het OM worden verwacht dat het redelijke twijfel die voorkomt

uit de resultaten van het onderzoek ter beoordeling aan de rechter voorlegt, en betrekt bij

zijn oordeel over de vraag of de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Overigens merk ik nog het volgende op met betrekking tot de toegang van de verdediging

tot DNA-sporenmateriaal dat berust bij het NFI. Sinds 1994 bevat de wetgeving de mogelijkheid

voor bepaalde vormen van contraonderzoek op het gebied van DNA –materiaal. In

het algemeen bestaat daarnaast voor de advocatuur de mogelijkheid om aan het openbaar

ministerie of de rechter te verzoeken opdracht te geven voor nader onderzoek ten behoeve

van het voorbereiden van de verdediging. Het is aan de rechter om te beoordelen of hij dat

voor het onderzoek in de zaak en de waarheidsvinding noodzakelijk acht.

8/10

5374195/505/13 september 2005

6. Vragen van de vaste commissie

Door een samenloop van omstandigheden is los van het evaluatieonderzoek het verloop

van het strafrechtelijk onderzoek in de Schiedamse parkmoordzaak recent in de media

aandacht besteed aan het DNA -sporen onderzoek en het gebruik daarvan in het proces.

Tijdens de uitzending van Netwerk op 5 september is ingegaan op de wijze waarop om is

gegaan met resultaten van DNA-onderzoek door de officier van justitie en de advocaat -

generaal. In de uitzending zijn vergaande conclusies getrokken die de integriteit van betrokken

medewerkers van het Openbaar Ministerie en het NFI in twijfel trokken. Naar aanleiding

van deze uitzending heeft de vaste commissie voor justitie vragen gesteld. Mede in

antwoord op de door de vaste commissie voor justitie gestelde vragen geef ik hieronder

een uiteenzetting van de feiten.

In deze strafzaak is, zoals ook uit het evaluatierapport blijkt, in het kader van het opsporingsonderzoek

een groot aantal DNA -sporen onderzocht, aanvankelijk met gebruikmaking

van de gangbare DNA-technieken en vervolgens met behulp van de (toentertijd) nieuwe

Low Copy Number (LCN-) technologie. Het betreft hier een methode die het mogelijk

maakt om van een zeer gering aantal achtergelaten lichaamscellen alsnog een DNA-profiel

te genereren. De gebruikte technologie is erg gevoelig voor zogenaamde artefacten, dat

wil zeggen dat soms pieken verschijnen op plaatsen waar ze niet zouden moeten zijn en

dat soms pieken afwezig zijn waar ze wel zouden moeten zijn. Dit maakt de interpretatie

soms buitengewoon ingewikkeld. Het gevolg is dat niet in alle gevallen betrouwbare resultaten

worden verkregen. Om fouten zoveel mogelijk te voorkomen worden deze LCNtesten

altijd meerdere malen herhaald: alleen als al deze herhalingen hetzelfde patroon te

zien geven, kan er met enige betrouwbaarheid een conclusie aan worden verbonden.

De meeste sporen die zijn aangetroffen konden slechts worden gerelateerd aan ťťn of

beide slachtoffers. In twee gevallen (de linker laars en nagelvuil) kon tevens een partieel

profiel worden vastgesteld van een onbekende derde, niet zijnde de verdachte B. Daarbij

kon niet worden uitgesloten dat die partiŽle profielen afkomstig waren van hetzelfde individu.

Deze feiten zijn opgenomen in de rapportage van het NFI en maakten deel uit van het

strafdossier. Hieruit blijkt dat de informatie dat er mogelijk een onbekende derde in het spel

was, bij rechtbank en hof bekend was. De vraag of de aangetroffen sporen op de linker

laars en in het nagelvuil een daderprofiel betroffen, is tijdens de behandeling in hoger beroep

nadrukkelijk aan de orde geweest. Aldaar heeft de deskundige van het NFI verklaard

dat deze sporen van velerlei herkomst kunnen zijn en geen relatie met het delict behoeven

te hebben. Alleen als zou vaststaan dat deze sporen door de dader achtergelaten zijn, zou

dat ontlastend zijn vo or de heer B.

Van de vijf andere sporen, aangetroffen op het lichaam van het dodelijke slachtoffer en het

moordwapen, kon volgens de deskundige geen profiel worden vastgesteld dat bruikbaar

was voor DNA-vergelijking. De uitvoerend onderzoeker van het NFI was de mening toegedaan

dat de uitkomsten wťl bruikbaar waren en dat zij wezen in de richting van hetzelfde

mannelijk individu als de sporen in het nagelvuil en op de linker laars. Deze mening werd

9/10

5374195/505/13 september 2005

door de deskundige van het NFI niet gedeeld omdat de profielen onvoldoende betrouwbaar

waren vanwege de volgende factoren:

a) niet reproduceerbaarheid (herhaling van het onderzoek heeft niet hetzelfde resultaat

opgeleverd),

b) teveel achtergrondsignalen als gevolg van contaminatie en

c) te beperkte meetgegevens als gevolg van de zeer geringe hoeveelheid beschikbaar

materiaal.

Gezien het bovenstaande heeft de deskundige over deze mengprofielen alleen gerapporteerd

dat ze konden worden toegewezen aan ťťn of beide slachtoffers, aangezien geen

verantwoorde conclusies konden worden getrokken over (de herkomst van) overig in deze

mengprofielen aanwezig kenmerken. Vanuit wetenschappelijk oogpunt wordt het NFI immers

geacht alleen te rapporteren over onderzoeksresultaten die een zekere mate van

betrouwbaarheid hebben.

De officier van justitie en advocaat -generaal hebben, vertrouwend op de wetenschappelijke

expertise van de deskundige als verantwoordelijke voor het opstellen van de NFIrapportage,

zijn opvatting gevolgd.

Na het vonnis van de rechtbank Rotterdam in de zaak B. heeft het NFI in een gesprek met

de (toenmalige) procureur-generaal belast met de portefeuille DNA en vervolgens met de

zaaksofficier van justitie zijn twijfels geuit over de betrokkenheid van de heer B. bij de

strafbare feiten. Tevens heeft er op 17 januari 2002 op initiatief van de advocaat-generaal

een gesprek plaatsgevonden tussen de AG en medewerkers van het NFI. In dit gesprek is

de problematiek van het aangetroffen spoor van een onbekende derde aan de orde geweest.

In deze bespreking is onder meer gepraat over de mengprofielen die gevonden

waren op de linkerlaars, in het nagelvuil en op andere plaatsen waarover het NFI in 2001

had gerapporteerd. Ook hebben de medewerkers van het NFI twijfels geuit over de betrokkenheid

van B. bij de strafbare feiten. Het OM heeft in dat gesprek daarom nadrukkelijk

gevraagd aan het NFI of de sporen van de derde onbekende persoon dadersporen zouden

betreffen. Los van het geheel ontbreken van technisch bewijs voor de betrokkenheid van

de heer B. was de onderzoeker van mening dat in de overige onderzoeksresultaten het

profiel van de onbekende derde zichtbaar was. Die laatste conclusie kon, naar het oordeel

van de deskundige, niet wetenschappelijk worden verantwoord en is daarom door hem ook

niet overgenomen.

De twijfel van de medewerkers van het NFI over de betrokkenheid van de heer B. bij de

feiten is echter niet aan de rechter voorgelegd. Met het oog op hetgeen ik hierboven heb

weergegeven over de waarheidsvinding in het strafproces, valt dit te betreuren. De conclusie

van de onderzoeker is dat dit had behoren te gebeuren. Dat is echter wat anders

dan de beschuldiging dat het OM bij de behandeling van de strafzaak tegen de heer B.

feiten die zijn onschuld zouden aantonen, bewust heeft achtergehouden met het kennelijke

10/10

5374195/505/13 september 2005

doel hem (ten onrechte) te doen veroordelen; voor die beschuldiging blijkt ook uit het onderzoek

geen grond. Dat is ook wat de voorzitter van het College in het actualiteitenprogramma

NOVA op 6 september jongstleden heeft gesteld.

Tot Besluit

Zoals gesteld aan het begin is een justitiŽle dwaling een schrikbeeld voor de rechtsstaat en

een schok voor de samenleving en het rechtsbestel. Ieder beseft dat ook de rechtsgang en

opsporing en vervolging mensenwerk zijn en dat daar fouten bij gemaakt kunnen en zullen

worden. Toch mag dat in voorkomende gevallen geen excuus zijn. Een rechtstaat kan zich

niet neerleggen bij fouten die ertoe leiden dat een onschuldige burger wordt veroordeeld

en bestraft, en deze als onvermijdelijk aanvaarden. Steeds zal bij tekortkomingen zoals die

in het onderhavig onderzoek aan het licht gekomen zijn, het uiterste gedaan moeten worden

om een herhaling te voorkomen.

Terecht heeft het College dan ook toen in december 2004 de indruk ontstond dat er bij de

opsporing en vervolging in de Schiedamse parkmoord sprake was van een ernstige dwaling

van het recht, het verloop hiervan uitgebreid en kritisch laten evalueren. De resultaten

van het onderzoek zijn duidelijk en hard. Het rapport laat zien hoe de dwaling in deze zaak

heeft kunnen ontstaan. Dat is soms schokkend, maar alleen met dit inzicht kunnen de aan

de dwaling ten grondslag liggende problemen worden aangepakt.

De inzet van alle betrokkenen dient gericht te zijn op het voorkomen van herhaling. Dat zal

ook uitgangspunt moeten zijn van het verbeterprogramma van het College. Ik heb vertrouwen

dat die inzet er is. Rechtspleging is naar haar aard het voortdurend streven naar een

ideaal. Het blijft mensenwerk, maar het mag zich niet bij de daaraan inherente tekortkomingen

neerleggen doch zal steeds moeten blijven streven naar het terugdringen daarvan.

Dat dient de inzet te zijn.

De Minister van Justitie,


Meer informatie:
Antwoorden Donner op vragen vaste commissie voor Justitie (pdf)

Antwoorden op de schriftelijke vragen van de vaste commissie voor Justitie ter

voorbereiding op het debat en in verband met de brief van de minister van Justitie van

13 september 2005 over de Schiedammer parkmoord (29800 VI, nr. 168)

Vraag 1

Klopt het bericht dat het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in haar

voorlichtingsactiviteiten en bijeenkomsten voor derden of in het kader van een SSR-cursus

gebruik gemaakt heeft van de casus van de Schiedamse parkmoord?

Zo ja, wanneer vonden deze bijeenkomsten plaats, wie waren daarbij aanwezig, hoe zagen

de presentaties eruit en heeft het NFI zich op een zeker moment in deze bijeenkomsten

kritisch uitgelaten over het gebruik van NFI-rapporten door het Openbaar Ministerie en de

rechterlijke macht? Heeft ťťn van de aanwezigen bij deze activiteiten, bijeenkomsten of

cursussen zich gebogen over de vraag welke consequenties die door het NFI uitgedragen

informatie zou moeten hebben voor de strafexecutie van de heer B.?

Antwoord 1

Het NFI heeft van eind 2001 tot medio 2004 ongeveer 20 werkbezoeken georganiseerd op

het NFI over het onderwerp DNA. Onderwerpen die daar aan de orde kwamen waren,

“Onzichtbare Sporen”, DNA -onderzoek nu en in de toekomst”, “Statistische interpretatie”,

“Sporen Zoeken”, “DNA -profilering”, “Y-chromosomaal DNA onderzoek” en “Criminalistiek en

Sporen”. Deze werkbezoeken, georganiseerd door de SSR werden bezocht door ongeveer

400 bezoekers. Deze werkbezoeken hadden ten doel om het kennisniveau op het gebied

van forensisch technisch onderzoek (met name DNA technieken) te verhogen. Daarbij werd

ook nadrukkelijk ingegaan op de bewijswaarde en de (on)mogelijkheden van deze

technieken en de toepassing daarvan in zaken (criminalistiek). Hierbij werd ook gebruik

gemaakt van de casus van de Schiedamse Parkmoord. Tijdens deze dagen is ongetwijfeld

ook gediscussieerd de resultaten van dit onderzoek. Daarvoor zijn deze werkdagen juist

bedoeld. Aan de hand van voorbeelden wordt de problematiek verduidelijkt en de discussie

gestimuleerd. De cursus had zeker niet de bedoeling om de zaken te evalueren.

Volgens de deelnemerslijst heeft de AG deze cursus op 9 januari 2002 gevolgd en was dit

kennelijk aanleiding om het overleg op 17 januari te hebben op het NFI.

Bovendien heeft het NFI cursussen Forensische Expertise gegeven in Zutphen (ICR), waar

het onderwerp “Onzichtbare Sporen en criminalistische interpretatie” onderdeel van is

geweest (ongeveer 300 deelnemers).

Op 22 mei 2002 is op NFI ongeveer het zelfde programma geweest tijdens de landelijke

Vergadering van Rechters-commissaris.

Daarnaast zijn er tenminste twee voorlichtingsbijeenkomsten geweest voor de TR van

politiekorpsen.

Voor zover mij bekend heeft geen van de aanwezigen naar aanleiding van presentaties van

het NFI zich gebogen over de vraag welke consequenties zou moeten hebben voor de

strafexecutie van de heer B.

Vraag 2

Op welk moment kreeg u en/of uw ambtsvoorganger voor het eerst bericht vanuit het

Openbaar Ministerie (OM) dat er twijfels waren gerezen over de houdbaarheid van het

gehanteerde bewijsmateriaal tegen veroordeelde Kees B.? Op welke momenten heeft het

college van procureurs-generaal u bericht over de strafprocedure tegen Kees B. en welke

informatie is u daarbij ter beschikking gesteld? Wat hebt u vervolgens met die informatie

gedaan?

Antwoord 2

Bij brief van d.d. 5 september 2002 heeft de heer B. zich gewend tot de Minister President.

Deze brief is ter behandeling doorgestuurd aan het College van procureurs-generaal. De

brief is aldaar op 23 oktober 2002 ontvangen. Op 29 oktober 2002 heeft het College de brief

ter verdere behandeling aan mij gezonden. In deze brief geeft de heer B. aan onschuldig

gedetineerd te zijn. Bij brief van 23 januari 2003 heeft het College mij een rapport van de

Vervolg

Bladzijde 2

heer Van Koppen doen toekomen waarin wordt geconcludeerd dat er onvoldoende bewijs

bestond voor de veroordeling van de heer B. Ook waren de reacties van de behandelend

officier van justitie en Advocaat-generaal bijgevoegd. Op dat moment diende de zaak nog in

cassatie. Het College heeft daarbij opgemerkt dat het rapport niets bevat dat niet bij de

behandeling van de strafzaak in de feitelijke instanties aan de orde is geweest en, los van de

vraag of dat in het stadium waarin de zaak verkeerde nog mogelijk zou zijn, niet noopte tot

nader feitenonderzoek.

Verder heeft het College mij bij brief van 13 september 2004 bericht dat op 25 juli 2004 een

persoon was aangehouden die de moord op Nienke en de poging tot moord op Maikel heeft

bekend. In deze brief werd ook gemeld dat uit de eerste resultaten van DNA-onderzoek

bleek dat niet was uit te sluiten dat delen van het DNA-profiel van de verdachte

overeenkwamen met DNA-sporen op Nienke en dat op dat moment nog nader DNAonderzoek

gaande was. Ook berichtte in deze brief het College dat de raadsman van de

heer B. een verzoek had gedaan om kennisname van op de zaak betrekking hebbende

stukken bij het NFI. Het College merkte daarbij op dat het Wetboek van Strafvordering geen

grondslag bood de stukken door het Openbaar Ministerie te verstrekken en heeft de

raadsman doorverwezen naar mij, als het verantwoordelijk bestuursorgaan voor het NFI,

voor het eventueel indienen van een verzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur

of de Wet bescherming persoonsgegevens. Naar aanleiding van de brief van 13 september

2004 heb ik het College verzocht mij regelmatig op de hoogte te houden van de relevante

ontwikkelingen, hetgeen ook is geschied. Op 6 oktober 2004 heeft het College mij in kennis

gesteld van een ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam waarin bericht en

toegelicht dat de heer Wik H. in verzekering is gesteld voor de op 22 juni 2000 gepleegde

feiten in het Beatrixpark te Schiedam. Bij brief van 11 november 2004 heeft het College mij

wederom over de voortgang in het onderzoek tegen H. ingelicht. Op 9 december 2004

schreef het College mij opnieuw over de voortgang waarbij werd bericht dat het een DNAspoor

op het jasje van Nienke is aangetroffen dat overeenkomt met dat van de verdachte H.

Ik heb vervolgens mondeling overleg gehad over de vrijlating van de heer B. Bij die

gelegenheid heb ik aangedrongen op een gedegen onderzoek. Bij brief van 10 december

2004 heeft het College mij bericht dat aan de directeur van de PI waar de heer B. verbleef is

meegedeeld dat er termen aanwezig zijn om B. in het kader van een strafonderbreking in

vrijheid te stellen. De Hoge Raad had laten weten dat de beslissing in het kader van het

herzieningsverzoek over de opschorting van de detentie niet kon worden verwacht voor half

januari 2005. Dat vond het Openbaar Ministerie te lang duren. Bij brief van 28 december

2004 heeft het College mij geÔnformeerd over de opdracht tot het uitvoeren van het

evaluatieonderzoek en de onderzoeksopzet aan mij toegezonden. Tenslotte heeft het

College bij brief van 6 september 2005 aan mij gereageerd op de uitzending van Netwerk

van de avond ervoor.

Vraag 3

Wanneer hebben een of meer leden van het college van PG’s inzage gehad in het geheel of

delen van het concept- Evaluatierapport?

Antwoord 3

Het College heeft op 28 december 2004 opdracht gegeven tot het doen van het

evaluatieonderzoek. Om de onafhankelijkheid van de onderzoeker te garanderen heeft de

huidige Voorzitter van het College van procureurs-generaal tijdens het evaluatieonderzoek

bewust geen inzage willen hebben in de bevindingen. Wel is hij twee keer op werkbezoek

geweest: op 9 februari 2005 en op 4 maart 2005 om kennis te maken met het

onderzoeksteam, respectievelijk de onafhankelijke deskundigen. Op 15 juli jl. is door de

Voorzitter van het College een concept-versie van het rapport ontvangen, dat hij op 5

augustus 2005 met de onderzoeker heeft besproken. Naar aanleiding van dit gesprek heeft

de onderzoeker in overleg met de onafhankelijke deskundigen het rapport op een aantal

punten verduidelijkt. Vervolgens is het (concept-)rapport op 12 augustus 2005 door de

Voorzitter toegezonden aan de betrokken hoofdofficier, de hoofdadvocaat-generaal, de

korpschef Rotterdam-Rijnmond en de directeur van het NFI met het verzoek om, in

Vervolg

Bladzijde 3

samenspraak met de betrokken medewerkers te reageren op de bevindingen. Naar

aanleiding van deze reacties is door de onderzoeker in overleg met de onafhankelijke

deskundigen een aantal passages in het rapport verduidelijkt.

Vraag 4

Op welk moment was u op de hoogte van de (hoofd)conclusies van het evaluatierapport, nu

dat rapport reeds in augustus gedateerd is? Hoe vaak en wanneer hebt u tussenrapportages

ontvangen en met welke inhoud?

Antwoord 4

Het voorwoord van het rapport is in augustus 2005 geschreven. De hoofdconclusies van het

rapport zijn mij op 6 september jl. meegedeeld. Ik heb het (concept-) rapport op 9 september

jl. van de Voorzitter van het College ontvangen en onmiddellijk nadat het rapport aan de

Voorzitter van het College was aangeboden op 13 september jl., aan uw Kamer ter

beschikking gesteld. Voor 9 september jl. heb ik geen tussenrapportages ontvangen.

Vraag 5

Klopt het dat de heer H. Timmerman (politie Groningen) de enige is die datgene dat hij

gehoord heeft tijdens een van de bijeenkomsten van het NFI naar buiten heeft gebracht?

Antwoord 5

Voor zover mij bekend zijn er geen personen die hebben deelgenomen aan de

werkbezoeken van het NFI die melding hebben gemaakt van soortgelijke informatie als die

de heer Timmerman in het programma Netwerk naar voren heeft gebracht.

Vraag 6

Is het waar dat voornoemde Timmerman inmiddels ontslagen is? Zo ja, hield zijn ontslag

enig verband met het naar buiten brengen van die informatie?

Vraag 7

Acht u dit ontslag gerechtvaardigd? Bent u van mening dat hij met goede reden naar buiten

heeft gebracht dat er onder medewerkers van Justitie kennis was van de mogelijke onschuld

van Cees B.? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 6 en 7

Naar mij is meegedeeld door de korpsleiding van politieregio Groningen was de heer

Timmerman op detacheringbasis werkzaam bij het cold case team Groningen. De heer

Timmerman was vanuit dien hoofde niet betrokken bij het onderzoek in de zaak Nienke. In

maart 2005 hebben de korpsleiding en de hoofdofficier van justitie om uiteenlopende

redenen besloten het team op te heffen en voor een nieuwe aanpak in interregionaal

verband te kiezen. De inzet van de heer Timmerman werd hierdoor overbodig. In goed

overleg tussen het regiokorps en de werkgever van de heer Timmerman is het

detacheringcontract ontbonden.

Vraag 8

Hoe lang heeft Kees B. na de bekentenis van Wik H. nog vastgezeten? Hoe verklaart u dat?

Antwoord 8

Na de bekennende verklaringen van Wik H. hebben intensieve en tijdrovende DNAonderzoeken

plaatsgevonden. De uitslag daarvan was nodig om het waarheidsgehalte van

de verklaringen van Wik H. te verifiŽren. In eerste instantie kon op basis van het DNAonderzoek

geen onomstotelijke uitspraak worden gedaan over een relatie van aangetroffen

sporen met het DNA-profiel (uit de mengprofielen van 2000/2001) van Wik H. Dit is

gerapporteerd op 20 september 2004. Op basis hiervan is besloten nader onderzoek te laten

doen op stukken van overtuiging (svo’s) door het FLDO van de universiteit te Leiden. Bij het

DNA-onderzoek zijn vervolgens nieuwe onderzoekstechnieken gebruikt die in 2000/2001 nog

niet konden worden toegepast. Op 9 november 2004 is onder andere het spijkerjack van

Vervolg

Bladzijde 4

Nienke bij het NFI onderzocht naar aanleiding van verklaringen van Wik H die

daderinformatie bevatten. Met behulp hiervan is een bloedvlekje gevonden dat heeft geleid

tot een volledig profiel van Wik H. Het NFI heeft het OM hiervan op 8 december 2004 in

kennis gesteld. Op 10 december 2004 is de heer B. in vrijheid gesteld.

Vraag 9

Kunt u nauwgezet aangeven welke interventies u op dit dossier heeft gepleegd voor de brief

van 13 september 2005?

Antwoord 9

Ik ben door het College van procureurs-generaal op de hoogte gehouden van

ontwikkelingen, eerst in de zaak de heer B, en vervolgens in de zaak tegen Wik H en ben

tevens over de zaken geÔnformeerd door het NFI. Los van het feit dat ik mij in beginsel niet

bemoei met individuele zaken, gaf het gerapporteerde mij geen aanleiding tot het geven van

een aanwijzing. Zie overigens mijn antwoord op vraag 2.

Vraag 10

Kunt u puntsgewijs per organisatie aangeven wat naar uw mening de belangrijkste fouten

zijn geweest die de politie, het OM, het NFI en de rechtbank/het hof hebben gemaakt?

Antwoord 10

Zoals ik heb gesteld in mijn brief aan uw Kamer onderschrijf ik de conclusies en

aanbevelingen van het evaluatierapport, zonder daarbij nader onderscheid aan te brengen

tussen belangrijke en minder belangrijke fouten.

Vraag 11

Waarom bagatelliseert u het falen van het OM in de Schiedammer parkmoord door vooral te

benadrukken dat er van opzettelijk achterhouden van bewijs geen sprake was en er evenmin

van verwijtbare misdragingen terwijl u tegelijkertijd de blunders van het OM -waardoor een

onschuldige man jaren achter de tralies heeft gezeten – slechts benoemt als het gevolg van

beoordelingsfouten, slordigheden en onzorgvuldigheden? Waarom zegt u niet eerlijk en in

helder Nederlands dat het OM enorm en verwijtbaar heeft geblunderd en gefaald waardoor

het vertrouwen van de burgers in de rechtsstaat een forse deuk heeft opgelopen?

Antwoord 11

De conclusies die ik trek uit het rapport, namelijk dat er sprake is van een justitiŽle dwaling,

die een schrikbeeld vormt voor de rechtsstaat en een schok voor de samenleving en het

rechtsbestel, waarbij de grootste verantwoordelijkheid hiervoor wordt gelegd bij het

Openbaar Ministerie, kunnen naar mijn mening de bewering dat ik deze zaak bagatelliseer

niet dragen.

Vraag 12

U omschrijft vele fouten van het OM en spreekt over een opeenstapeling van

onzorgvuldigheden en beoordelingsfouten. Maar u geeft geen enkele verklaring hiervoor.

Wilt u alsnog een plausibele verklaring geven voor het geblunder van het OM?

Vervolg

Bladzijde 5

Antwoord 12

De vraag naar de verklaring van de onzorgvuldigheden en beoordelingsfouten stond centraal

in het evaluatierapport. Ik ben van mening dat het rapport duidelijk laat zien hoe de dwaling

in deze zaak heeft kunnen ontstaan.

Vraag 13

Uit de schriftelijke verklaring van het OM blijkt dat er twijfel was over de schuld van verdachte

de heer B, maar dat deze informatie niet aan de rechter is doorgegeven. Is deze bekentenis

van het OM voor u als minister acceptabel? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 13

In de brief aan Uw Kamer heb ik gesteld dat het te betreuren is dat de twijfel van de

medewerkers van het NFI over de betrokkenheid van de heer B. bij de feiten niet aan de

rechter is voorgelegd.

Vraag 14

Wie acht u verantwoordelijk binnen het Justitie-apparaat met betrekking tot het achterhouden

van het bewijsmateriaal?

Antwoord 14

Uit het onderzoek is gebleken dat er geen sprake is geweest van het achterhouden van

bewijsmateriaal of feiten met het (kennelijke) doel de heer B. ten onrechte te doen

veroordelen. Het strafdossier bevatte alle bewijsmateriaal en feiten die in de zaak een rol

speelden. Uitsluitend de twijfel met betrekking tot de waardering van de feiten is door het OM

niet naar voren gebracht. Zoals ik in de brief duidelijk stel berust de grootste

verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij het Openbaar Ministerie.

Vraag 15

Welke maatregelen gaat u nemen tegen de verantwoordelijke(n) binnen het NFI?

Antwoord 15

Uit de evaluatie is naar mijn mening niet van feiten of omstandigheden gebleken die het

treffen van maatregelen tegen individuele medewerkers van het NFI rechtvaardigen.

Vraag 16

Heeft u aanwijzingen dat recentelijk bij andere strafzaken door het OM c.q het NFI

bewijsmateriaal is achtergehouden c.q. verkeerd is beoordeeld? Zo neen, wilt u dat nagaan?

Antwoord 16

Zoals ik ook aangaf in mijn antwoord op vraag 14 is geen sprake geweest van het

achterhouden van bewijsmateriaal of feiten met het (kennelijke) doel de heer B. ten onrechte

te doen veroordelen. De twijfel met betrekking tot de waardering van de feiten is door het OM

niet naar voren gebracht.

Ik heb geen aanwijzingen dat dit ook in andere zaken is voorgekomen. Wel is het zo – en dat

heb ik in mijn brief aan de Tweede Kamer van 13 september 2005 ook aangegeven – dat

herhaling van hetgeen is voorgevallen, voorkomen dient te worden. Het verbeterprogramma

van het College dat voor de behandeling van de begroting van dit jaar vastgesteld dient te

zijn, dient daarop ook gericht te zijn. Rechtspleging is mensenwerk maar het mag zich niet

neerleggen bij de daaraan inherente tekortkomingen en zal steeds moeten blijven streven

naar het terugdringen daarvan.

Vraag 17

Bent u de mening toegedaan dat door de fouten van het OM en het NFI er binnen het

justitieapparaat een crisis is ontstaan?

Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat hij nemen om deze crisis op te

lossen?

Vervolg

Bladzijde 6

Antwoord 17

De bevindingen in het evaluatierapport en daaruit getrokken conclusies hebben diepe sporen

getrokken bij een ieder binnen de justitieorganisatie die zich hierbij betrokken voelt. Van een

crisis is echter geen sprake. Tegelijkertijd is een gerichtheid op de toekomst aanwezig, en

een grote bereidheid bij alle betrokkenen om de aan de dwaling ten grondslag liggende

problemen aan te pakken. Het verbeterplan zal hierbij centraal staan.

Vraag 18

Bent u er zeker van dat er geen andere justitiŽle dwalingen in ons land hebben

plaatsgevonden? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo neen, bent u bereid daar onderzoek naar

te doen?

Antwoord 18

Nee, zoals eerder al is aangegeven kan geen garantie worden gegeven dat er geen andere

justitiŽle dwalingen hebben plaatsgevonden. Ik heb thans evenwel geen aanwijzingen dat dat

het geval zou zijn. Het evaluatieonderzoek naar de Schiedammer parkmoord heeft duidelijke

en harde conclusies opgeleverd die er niet om liegen. Hieruit zal lering moeten worden

getrokken, hetgeen door het College van procureurs-generaal ook nadrukkelijk is erkend en

toegezegd. Met de lessen uit het onderzoek zal voortvarend aan de slag worden gegaan.

Formeel staat in geval van vermeende justitiŽle dwaling het bijzondere rechtsmiddel van

herziening open. Dit rechtsmiddel is bedoeld als correctie van onherroepelijk rechterlijke

uitspraken. Het is kortweg bedoeld voor gevallen waarin omstandigheden blijken die niet

eerder voor de rechter op de terechtzitting aan de orde zijn geweest en die aanleiding geven

voor het vermoeden dat, waren deze bekend geweest, de verdachte dan niet zou zijn

veroordeeld of een minder zware straf zou hebben gekregen.

Vraag 19

Zijn gerechtelijke dwalingen zoals deze, volgens u, mede het gevolg van de ‘crimefightermentaliteit’

die een belangrijke rol is gaan spelen bij het OM? Is de minister van mening dat

de magistratelijke rol van de officier van justitie binnen de organisatie voldoende wordt

onderschreven?

Antwoord 19

Binnen het Openbaar Ministerie is geen sprake van een ‘crimefighter-mentaliteit’ waarbij het

resultaat boven de oriŽntatie op wet en recht wordt gesteld. Bovendien ligt er – gelet op de

stijgende criminaliteit – een zware taak bij het Openbaar Ministerie die een grote mate van

doortastendheid vereist. Het staat buiten kijf dat de officier van justitie en de advocaatgeneraal

op grond van professionele afwegingen beslissingen dienen te nemen in individuele

strafzaken. In deze zaak zijn – zoals in het rapport-Posthumus is beschreven – achteraf

bezien onjuiste keuzes zijn gemaakt. Het is daarom van belang dat in dit type onderzoeken

professionele tegens praak plaatsvindt. De invoering van vormen van tegenspraak maakt

onderdeel uit van het verbeterprogramma. Daarbij zal aandacht worden besteed aan de rol

van de officier van justitie als leider van het opsporingsonderzoek. De officier dient, zoals ook

de heer Posthumus vaststelt, in het opsporingsonderzoek niet ťťn te worden met de politie.

De betrokkenheid moet op een zekere afstand plaatsvinden. Dat komt de mogelijkheid tot

een kritische blik op het onderzoek ten goede. In het verbeterprogramma zal worden bezien

op welke wijze kaders kunnen worden gesteld voor de rol van de officier. Ook zal in de

opleiding van officieren voor dit aspect aandacht moeten zijn.

Vraag 20

Waarop baseert u de mening dat er geen aanwijzingen zijn dat soortgelijke dwalingen zich

vaker hebben voortgedaan? Bent u van mening dat er in de Puttense moordzaak en in de

zaak van de vermeende brandstichting bij S.E. Fireworks in Enschede sprake was van

Vervolg

Bladzijde 7

gerechtelijke dwalingen? Bent u bekend met de zogenaamde Deventer moordzaak? Is er in

de Deventer moordzaak mogelijk sprake van een gerechtelijke dwaling?

Antwoord 20

Als naar gerechtelijke dwalingen in het verleden wordt gevraagd, springen de Puttense

moordzaak, de vermeende brandstichting bij S.E Fireworks in Enschede en de Deventer

moordzaak in het oog, omdat in al deze zaken veroordelingen hebben plaatsgevonden,

waarbij ook publiekelijk twijfel heeft bestaan omtrent het daderschap van de verdachten. In

de Puttense moordzaak zijn degenen die in eerste instantie voor deze moord waren

veroordeeld, na herziening vrijgesproken (zie www.rechtspraak.nl LJN: AE1877) Het hof

heeft het niet waarschijnlijk geacht dat de verdachten de moord hadden gepleegd op de

wijze die door eerdere rechters als bewezen verklaard was aangenomen, terwijl het hof

voorts niet aannemelijk heeft geacht dat zij de moord wel zouden hebben gepleegd maar op

een andere wijze. In de zaak van de vermeende brandstichting bij S.E Fireworks in

Enschede gaat de vergelijking met de bevindingen van de evaluatie van de Schiedammer

parkmoord niet op. In deze zaak heeft de opvolgende rechter de veroordeling door de

rechter in eerste aanleg gecorrigeerd, met andere woorden heeft het strafproces in deze

zaak de waarborg geboden dat een onschuldige niet ten onrechte is veroordeeld. In de

Deventer moordzaak is de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot 12 jaar

gevangenisstraf. Hij heeft enkele jaren daarvan uitgezeten alvorens zijn verzoek tot

herziening door de Hoge Raad gegrond werd verklaard en de zaak door het gerechtshof

opnieuw is beoordeeld. Hoewel is overwogen dat een essentieel bewijsmiddel dat tot eerste

veroordeling heeft geleid destijds niet voor het bewijs had mogen worden gebruikt, is het hof,

mede op basis van nieuw bewijsmateriaal opnieuw tot een veroordeling gekomen. De zaak

ligt nu bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg.

Vraag 21

Deelt u de mening dat het feit dat de twijfels van het NFI nimmer de onafhankelijke rechter in

casu de rechtbank en het Hof hebben bereikt, een van de grootste fouten is geweest in deze

trieste zaak? Is hier sprake van een mogelijk ambtsmisdrijf van de functionarissen van het

OM vanwege het achterhouden dan wel verduisteren van relevante gegevens? Zo ja, zullen

betrokken hiervoor worden vervolgd?

Antwoord 21

Hoewel het in het kader van het volledig voorlichten van de rechter en de verdediging zonder

meer de voorkeur had verdiend dat de twijfels van het NFI door het OM expliciet naar voren

waren gebracht, staat niet vast dat dit tot een ander eindoordeel zou hebben geleid. Immers,

de rechter en de verdediging waren wel op de hoogte van het feit dat er DNA-materiaal was

aangetroffen (op de laars en in het nagelvuil) van een onbekende persoon, niet zijnde de

terechtstaande heer B. Ook was de wetenschap dat er geen technisch bewijs was tegen de

heer B. door de rechter en de verdediging kenbaar uit de rapportages. Daarnaast was het de

verdediging bekend dat er meer sporenmateriaal was onderzocht en is de verdediging ter

terechtzitting. volop in de gelegenheid geweest de getuige-deskundige te bevragen.

Van het bewust achterhouden of zelfs verduisteren van relevante gegevens is, zoals ook

blijkt uit het evaluatierapport, geen sprake geweest.

Vraag 22

Het unieke initiatief van het NFI om twijfels te uiten heeft de rechter niet bereikt. Vindt u dat

dit soort initiatieven een formele plaats in het systeem zouden moeten krijgen, bijvoorbeeld

via een ingang bij de rechter-commissaris?

Waarom maakt u in uw brief geen melding van het belangrijke gegeven uit het rapport-

Posthumus dat het een unicum, voor het eerst in de geschiedenis, was dat een directeur van

het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) op dergelijke wijze aan het OM zijn twijfels kenbaar

maakte in een dergelijke kwestie? Deelt u de mening dat dit gegeven het nog

opzienbarender en laakbaarder maakt dat het OM van de twijfel van het NFI over de

betrokkenheid van de heer B. geen melding doet aan de rechter?

Vervolg

Bladzijde 8

Antwoord 22

Volgens het geldend recht rapporteert het NFI aan degene die de opdracht tot het onderzoek

heeft verstrekt. Dat is in het overgrote deel van de gevallen het OM, maar ook de rechter of

de rechter-commissaris kan daar ambtshalve of op verzoek van de verdediging opdracht toe

geven. De verdediging kan op grond van artikel 36a Sv. (de zogenaamd mini-instructie) aan

de rechter-commissaris vragen bepaalde onderzoekshandelingen te (doen) verrichten. Los

van de directe inhoud van de rapportage staat het de procesdeelnemers uiteraard vrij om de

deskundige op de terechtzitting nader te horen en om een toelichting op de gepresenteerde

bevindingen te vragen. De omstandigheid dat de opdracht door het OM is verstrekt noopt de

deskundige geenszins om die reden mogelijke twijfel te verhullen of op de terechtzitting te

verzwijgen. Hij kan deze desgevraagd in volle vrijheid uiten.

Of aan de verdediging meer armslag moet worden verschaft om rapportage van

deskundigen in het geding te brengen, zal aan de orde komen in het desbetreffende

wetsvoorstel dat ik in mijn brief van 13 september j.l. heb aangekondigd. Ik verwacht dat dit

begin volgend jaar in consultatie kan worden gegeven. Hoewel het melden van de twijfel

voor het NFI een unieke gebeurtenis was acht ik met name van belang dŠt de twijfel kenbaar

is gemaakt aan het openbaar ministerie maar niet vervolgens aan de rechter en verdediging

is overgebracht.

Vraag 23

Deelt u de mening dat de fouten die bij het OM zijn gemaakt – hoewel niet bewezen is dat dit

opzettelijk is gebeurd – moeten leiden tot het nemen van verantwoordelijkheid en ook het

ontslag van de betrokken OM-functionarissen zoals de betrokken officier van justitie en de

AG? Acht u zichzelf politiek verantwoordelijk voor deze kwestie en welke politieke

consequenties trekt u zelf al dan niet uit deze kwestie? Deelt u de mening dat het nemen van

verantwoordelijkheid voor gemaakte fouten essentieel is om het gewenste herstel van

vertrouwen van de burger in de rechtsstaat te realiseren?

Antwoord 23

Het treffen van maatregelen tegen medewerkers van het OM is primair voorbehouden aan

de ter zake verantwoordelijken binnen het OM. Ten aanzien van het tweede deel van de

vraag: naar bekend mag worden verondersteld is de Minister van Justitie politiek

verantwoordelijk voor het functioneren van het Openbaar Ministerie en het NFI. Vanuit die

verantwoordelijkheid heb ik het Openbaar Ministerie verzocht een verbeterplan op te stellen.

Vraag 24

Is het waar, zoals o.a. door de Volkskrant op vrijdag 9 september jl. is bericht dat u van

mening bent dat ‘als er iets is misgegaan in deze zaak, het juist de volle druk van de media

[is] op iets dat rustig overleg vergt’? Wilt u hiermee zeggen dat de media de uitkomst van het

opsporings- en strafrechtelijk onderzoek negatief hebben beÔnvloed?

Antwoord 24

Ik doelde met mijn opmerkingen op de recente aandacht en met name de weergave van

veronderstelde ‘feiten’ in sommige media van de afgelopen weken. Ik heb mijn bezorgdheid

geuit omdat deze materie rustig overleg vergt terwijl in sommige media de integriteit en het

aanzien van onder meer het openbaar ministerie op oneigenlijke gronden ter discussie

werden gesteld. Ik constateer dat deze ‘feiten’ inmiddels door het onderzoek zijn weerlegd.

De onderzoeker van de evaluatie stelt dat de maatschappelijke druk (waaronder de media)

het werk van de teamleiding en de officieren van justitie niet heeft beÔnvloed.

Vragen naar aanleiding van de brief van de minister

Vraag 25

Hoe wordt doorgaans in formele en in praktische zin de samenhang en samenwerking

tussen het technische en het tactische politieonderzoek gewaarborgd? (blz. 2)

Vervolg

Bladzijde 9

Antwoord 25

In formele zin zijn er geen waarborgen voor samenhang tussen het tactische en technische

politieonderzoek. Dit kan en moet worden versterkt , hetgeen bevestigd wordt in de visie van

de Raad van Hoofdcommissarissen op het Forensisch Technisch Onderzoek “De

spelverdeler” en het in mijn opdracht door het WODC uitgevoerde onderzoek naar “de inzet,

organisatie en kwaliteit van de forensisch technische opsporing”. Ik zal daar nader op ingaan

bij de maatregelen die ik aan u zal doen toekomen inzake de versterking van de kwaliteit van

het forensisch technisch onderzoek zo mogelijk al geÔntegreerd in het verbeterplan die ik in

mijn brief van 13 september 2005 heb aangekondigd.

Vraag 26

Kunt u inzicht geven in de wijze waarop door de procureur-generaal bij de Hoge Raad het

herzieningsverzoek van de heer B. is behandeld? Is door deze procureur-generaal nog met

de inzake forensisch onderzoek competente pg die door het NFI op de hoogte gesteld was

van de twijfels rond de schuld van de heer B. overlegd?

Antwoord 26

Er zijn twee herzieningsprocedures geweest bij de Hoge Raad. In de eerste is uitspraak

gedaan op 7 september 2004. In de eerste herzieningsprocedure heeft de HR de zaak,

omdat er geen novum was aangevoerd, zelf op grond van de stukken afgedaan en is er geen

AG van de HR bij de zaak betrokken geweest.

In de tweede herzieningsprocedure (uitspraak HR 25-1-05) heeft de AG bij de Hoge Raad

een conclusie genomen. Hij heeft over de zaak contacten gehad met de Haagse

Hoofdadvocaat-Generaal. Omdat de herzieningzaak inhoudelijk klip en klaar was en duidelijk

was wat er geconcludeerd moest worden, was er geen reden voor nader onderzoek. De AG

bij de HR heeft geen contact gehad met de procureur-generaal die door het NFI op de

hoogte was gesteld van twijfels die bij NFI-medewerkers leefden over de betrokkenheid van

de heer B bij de feiten in het Beatrixpark. Ook anderszins hebben de AG bij de HR in de

tweede herzieningsprocedure geen signalen bereikt dat bij NFI-medewerkers twijfel bestond.

Vraag 27

Naar uw mening heeft het OM “de grootste verantwoordelijkheid” voor de fouten die zijn

gemaakt. Worden hier consequenties voor personen aan verbonden en/of wordt dat

overwogen? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 27

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 23.

Vraag 28

Is de wijze waarop Maikel is ondervraagd 'onrechtmatig' te noemen?

Antwoord 28

Zoals bij de conclusies met betrekking tot de verhoren van Maikel uit het evaluatierapport

naar voren komt is met de belangen van Maikel tijdens de verhoren onvoldoende rekening

gehouden. Hij is onderworpen aan verhoren die wat betreft techniek en bejegening niet

aansluiten bij een jongen van net 11 die betrokken is geweest bij zeer ernstige strafbare

feiten. Geconcludeerd kan worden dat er met betrekking tot het verhoren van Maikel

beoordelingsfouten zijn gemaakt die hebben geleid tot deze onfatsoenlijke handelwijze. Ik

verwijs tevens naar mijn antwoord op vraag 60.

Vraag 29

Vervolg

Bladzijde 10

De rol van de zittende magistratuur is in het onderzoek opzettelijk buiten beschouwing

gebleven. Vooral de rol van de rechter-commissaris is in dit verband echter zeer interessant.

Bent u van zins hier nader onderzoek naar te doen? Bent u van plan de rol van de rechtercommissaris

in het onderzoek anders in te richten (meer actief)? Kan de rechter-commissaris

een belangrijkere rol krijgen in grotere onderzoeken en minder inwisselbaar zijn dan thans

het geval is?

Antwoord 29

Gelet op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, is het aan haar een dergelijk

onderzoek te doen.

Uit de evaluatie van de herziene regeling van het gerechtelijk vooronderzoek blijkt dat de

huidige regeling in het algemeen goed functioneert. Deze bestendigt evenwel de na de

parlementaire (IRT)enquÍte, Inzake opsporing. gegroeide situatie dat het openbaar

ministerie het primaat bij de opsporing heeft en de rechter-commissaris niet meer de leiding

van het vooronderzoek heeft. De evaluatie en de daaraan door mij verbonden conclusies zijn

op 18 mei 2005 met Uw Kamer besproken; deze vonden bij die gelegenheid brede steun

(kamerstukken II 2004/05, 29 940, nr.2 ).

Niettemin heb ik in het voortgangsbericht over de herziening van het Wetboek van

Strafvordering (Kamerstukken II 2003/04 29 271, nr. 2) al laten weten dat ik mij bezin op de

herstructurering van het vooronderzoek. De herpositionering van de rechter-commissaris zal

daarin prominent aan de orde komen. De grove contouren daarvan heb ik die gelegenheid

reeds geschetst. Een nieuw voortgangsbericht , waarbij ik ernaar streef tot een duidelijker

invulling van deze herstructurering te komen, zal ik u tijdig voor de behandeling van mijn

begroting toezenden.

Vraag 30

Waarom worden de rapporten van de rechtbank Rotterdam en het Hof Den Haag niet

openbaar gemaakt? Blijft zo niet een deel van de ‘opeenstapeling van onzorgvuldigheden’

buiten beeld?

Antwoord 30

Ik verwijs in de eerste plaats naar artikel 7, derde lid, van de Wet op de rechterlijke

organisatie dat rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, verplicht tot geheimhouding

van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. Ten tweede ben ik niet

bevoegd tot zodanige openbaarmaking.

Vraag 31

Als er geen sprake is van “het opzettelijke achterhouden van bewijs en gegevens teneinde

een onschuldige veroordeeld te krijgen”, is er dan wel sprake van verwijtbaarheid bij het

achterhouden van gegevens waardoor een bijdrage is geleverd aan het veroordelen van een

onschuldige? Zo ja, wie of wat draagt die verwijtbaarheid en welke consequenties worden

daaraan verbonden? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 31

Uit het evaluatieonderzoek komt naar voren dat er fouten zijn gemaakt in het onderzoek naar

de Schiedammer parkmoord, maar naar het oordeel van de onderzoeker en de

onafhankelijke deskundigen is bij die fouten geen sprake geweest van opzet, kwader trouw

of bewust verkeerd handelen. Niemand stelde zich ten doel een onschuldige te doen straffen

door de rechter. Wel is geconstateerd dat inschattings- en beoordelingsfouten zijn gemaakt.

Zoals ik uw Kamer heb geschreven zal het uiterste gedaan moeten worden om herhaling

hiervan te voorkomen; de inzet van alle betrokkenen dient hierop gericht te zijn. Ik heb

vertrouwen dat die inzet er is.

Vraag 32

Op welke wijze heeft het NFI onvoldoende duidelijk gerapporteerd?

Vervolg

Bladzijde 11

Antwoord 32

Het NFI is er om twijfels uit te sluiten door aan te geven wat naar haar wetenschappelijke

inzichten wel en niet relevant is.

De wijze waarop dit in de rapportage wordt verwoord kan wellicht voor juristen toegankelijker

worden gemaakt. Dit is dan ook als aanbeveling opgenomen in het rapport.

Vraag 33

Is in het Evaluatieonderzoek de vraag of er sprake was van het opzettelijk achterhouden van

gegevens aan de orde geweest? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat is hierover gezegd?

Antwoord 33

Ja, dat is uitdrukkelijk aan de orde geweest. De conclusie van de onderzoeker en de

onafhankelijke deskundigen is dat er geen sprake is geweest van opzet, kwader trouw of

bewust verkeerd handelen. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 31.

Vraag 34

Hoe groot acht u de kans dat de dwalingen uitgekomen zouden zijn zonder de bekentenis

van Wik H? Is er in het verleden sprake geweest van rechterlijke dwalingen die min of meer

bij toeval pas aan het licht zijn gekomen?

Antwoord 34

Gezien het feit dat een cassatieberoep van B. op 15 april 2003 is verworpen en een

herzieningsverzoek op 7 september 2004 is afgewezen, acht ik de kans klein dat de

dwalingen zonder de bekentenis van Wik H. aan het licht gekomen zouden zijn.

Mij zijn geen voorbeelden bekend van rechterlijke dwalingen uit het verleden die bij toeval

uitgekomen zijn. Zie ook mijn antwoord op vraag 20.

Vraag 35

Hoe verhoudt uw mening dat er geen redenen zijn om “aan te nemen dat soortgelijke

dwalingen zich vaker hebben voorgedaan” tot de uitlatingen van de heer Van de Kamp,

voorzitter van de ACP, die wel dergelijke aanwijzingen lijkt te hebben? Hoe beoordeelt u

opmerkingen vanuit de Politiebond, dat zij vaker meldingen krijgen van politiemensen in

gewetensnood omdat het OM informatie zou achterhouden?

Antwoord 35

Ik heb thans geen aanleiding om te veronderstellen dat zich dezelfde (soort) fouten in andere

zaken op dezelfde wijze hebben voorgedaan en tot hetzelfde resultaat – de bestraffing van

een onschuldige – als in de onderhavige zaak hebben geleid. Daarover kan ik echter geen

garanties geven. Ik verwijs naar mijn antwoorden op de vragen 16, 18 en 20.

Vraag 36

Ligt het niet in de rede om de bevindingen van de NFI in meer gevallen ter beschikking te

stellen aan de verdediging?

Antwoord 36

Het uitzonderlijke in deze zaak is dat het NFI kennelijk behoefte had een nadere toelichting

te geven naar aanleiding van de rapportage, aangezien er twijfels bestonden over de

betrokkenheid van de heer B gezien het volledig ontbreken van technisch bewijs tegen hem

en er twijfels van wetenschappelijke aard bestonden over de bruikbaarheid van een aantal

DNA-sporenanalyses waarover de deskundige en de onderzoeker van mening verschilden.

Vraag 37

Vervolg

Bladzijde 12

Heeft de verdediging expliciet verzocht de onderzoeken van de NFI te mogen ontvangen?

Waarom zijn in deze casus de bevindingen van de NFI niet ter beschikking gesteld aan de

verdediging?

Antwoord 37

De onderzoeken van het NFI zijn vastgelegd in het rapport van het NFI dat deel uitmaakt van

het strafdossier en zijn derhalve zowel aan de rechter als aan de verdediging ter beschikking

gesteld. De twijfels die door het NFI mondeling zijn geuit aan het adres van de zaaksofficier

en de advocaat-generaal over de schuld van de heer B zijn niet gemeld aan de rechter of de

verdediging. Zie ook mijn antwoord op vraag 2 en op vraag 41.

Vraag 38

Hoe vaak komt het voor dat het NFI constateringen ten aanzien van DNA sporen of ander

bewijsmateriaal niet in haar rapporten opneemt omdat er twijfel is over de wetenschappelijke

betrouwbaarheid?

Antwoord 38

Hier valt geen uitspraak over te doen. In ieder onderzoek stuit men op grensgevallen waar

discussie over mogelijk is of het wetenschappelijk wel of niet betrouwbaar is.

Vraag 39

Bestaat er een regel die verbiedt dat het NFI gegevens rapporteert waarover

(wetenschappelijke) twijfel bestaat of kan bestaan? Is dit een vereiste 'uit wetenschappelijk

oogpunt'? Is het vanuit wetenschappelijk oogpunt niet juist ook wenselijk om feiten en

nuances naar voren te brengen die de conclusie nŪet ondersteunen (volgens Popper is deze

falcificatie, in tegenstelling tot verificatie, zelfs de kťrn van de wetenschap)?

Antwoord 39

Nee, een dergelijke regel bestaat niet. Het NFI brengt alleen op basis van wetenschappelijke

kennis en ervaring feiten naar voren. Deze feiten worden gerapporteerd ongeacht of deze

resultaten belastend of ontlastend in een zaak zijn.

Vraag 40

Is het waar, zoals in Netwerk wordt beweerd, dat de AG tegenover het gerechtshof stelde dat

op de veter waarmee Nienke is gewurgd geen DNA sporen zijn aangetroffen, ook niet met de

zogenaamde LCN-methode? Hoe verhoudt die uitspraak zich met de constatering op blz. 45

van het rapport Posthumus dat er wel degelijk sporen van een onbekende derde op de veter

zaten?

Antwoord 40

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat op de zitting gesproken is over de

veter om de nek van Nienke. Wel staat in het requisitoir van de AG: “Onderzoek aan de veter

waarmee Nienke was gestranguleerd heeft geen resultaat gehad, ook niet met de zgn. LCN

methode.”

Op de zitting bij het hof is door de deskundige van het NFI uitgelegd dat de LCN methode

heel kwetsbaar is en de kans op ruis groot is. Qua bewijsvoering kon de deskundige deze

sporen met een zo kwetsbare methode en zo weinig markers in het DNA mengprofiel niet

aanvoeren in een officieel rapport.

De verwijzing in het rapport van Posthumus heeft betrekking op de conclusie van de NFIonderzoeker

dat er wel meer materiaal beschikbaar was, waarvan de NFI-deskundige

evenwel besloten had dat dit onvoldoende wetenschappelijk betrouwbaar was.

Overigens is in 2004 is – met nieuwe DNA-isolatietechnieken – opnieuw onderzoek aan de

veter verricht. Hierbij is vastgesteld dat enkele van de sporen een mengprofiel bevatten van

Nienke en tenminste ťťn of twee andere personen.

Vervolg

Bladzijde 13

Vraag 41

Op welke wijze is door het OM ter terechtzitting melding gemaakt van de twee gesprekken

met het NFI over de door deze instantie geuite twijfel over de betrokkenheid van de heer B?

Antwoord 41

Er is niets gemeld. Daarbij is evengoed aangetekend dat het gesprek met de zaaksofficier,

waarin zoals uiteengezet in het rapport van de heer Posthumus (pagina 44) van de zijde van

het NFI de twijfels zijn geuit over de betrokkenheid van de heer B in deze zaak, pas na de

terechtzitting bij de rechtbank plaatsvond. In een zich in het hofdossier bevindende brief van

14 februari 2002 van de advocaat-generaal aan het NFI wordt melding gemaakt van het feit

dat de advocaat-generaal en haar juridisch medewerker op 17 januari 2002 op het NFI

waren geweest om te spreken over het onderzoek in deze strafzaak, mede naar aanleiding

van het feit dat de zaak door het hof was teruggewezen naar de RC voor het doen van nader

onderzoek (rapport p. 148). In haar requisitoir is de advocaat -generaal hier niet op

teruggekomen. Zie ook mijn antwoord op vraag 57.

Vraag 42

Waarom hebben de officier van justitie en de AG vertrouwd op de expertise van de

deskundige van het NFI en niet op die van de onderzoeker van het NFI?

Antwoord 42

Ten behoeve van de zorgvuldigheid van werken bij het NFI, kijken steeds twee personen

naar de onderzoeken en bijbehorende uitslagen. Bij het NFI is de deskundige – gezien zijn

opleiding en ervaring – verantwoordelijk voor het opmaken en ondertekenen van de

rapportages. Aangezien hŪj verantwoordelijk is voor de inhoud van de rapportage, is het niet

meer dan logisch dat het OM daarop af gaat.

Vraag 43

Bestaat er al inzicht in de financiŽle en operationele consequenties van het doorvoeren van

de gedane aanbevelingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de gesuggereerde bewaring van

onderzoeksgegevens? Kunt u hierop ingaan? Wat betekent dit voor informeel bijgehouden

logboeken/aantekeningen van betrokkenen waarvan de onderzoeker vaststelt deze

bestudeerd te hebben? Moeten deze ook worden bewaard? Zou dat gevolgen kunnen

hebben voor de manier waarop die worden gemaakt?

Antwoord 43

Ik kan op dit moment geen inzicht geven in de financiŽle en operationele consequenties van

het doorvoeren van de gedane aanbevelingen. Zoals ik u in mijn brief van 13 september

2005 heb gemeld heb ik zowel aan het College van procureurs-generaal als aan het NFI

gevraagd aan de hand van de aanbevelingen in samenwerking met de politie een concreet

verbeterprogramma te maken. Daarna ben ik in staat inzicht te geven in de financiŽle en

operationele consequenties.

Vraag 44

Is het correct dat hoewel er tussen de NFI-onderzoeker en de NFI-deskundige verschil van

mening bestond of het derdenspoor ook een daderspoor was, men het er wel over eens wat

dŠt er een derdenspoor was en dat dat in ieder geval niet naar de heer B. verwees?

Antwoord 44

Ik verwijs hiervoor naar de passage op bladzijde 44 (eerste alinea) van het evaluatierapport.

Vraag 45

In hoeverre is het OM volgens u thans beschadigd door de media en welke lessen worden

daaraan verbonden?

Vervolg

Bladzijde 14

Antwoord 45

Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 24

Vragen over het evaluatieonderzoek

Vraag 46

De onderzoeker van het rapport signaleert dat vanuit het OM “interesse” bestond in de

werkzaamheden van het NFI. De onderzoeker signaleert een aantal gesprekken, waarvan de

inhoud en de precieze aanwezigen niet meer volledig is te achterhalen. Kunt u uitsluiten dat

het OM, in het bijzonder de betrokken zaaksofficier en de AG, actief invloed heeft

uitgeoefend op het conflict binnen het NFI (tussen de “onderzoeker” en de “deskundige”) ten

aanzien van de betekenis van de DNA-sporen op het lichaam van Nynke, welke niet zijn

genoemd in het aan de rechtbank overgelegde rapport?

Antwoord 46

Het NFI-rapport aan de rechtbank is in maart 2001 verschenen. Dat was vůůr het onderzoek

ter terechtzitting in eerste aanleg. De gesprekken waarin het NFI haar twijfels heeft geuit

hebben plaatsgevonden nŠ de terechtzitting. Die twijfels kunnen dan ook niet van invloed zijn

geweest op de inhoud van het rapport van het NFI.

Overigens heeft in al januari 2001 een eerste gesprek plaatsgevonden met de zaaksofficier.

Ik heb mij ervan vergewist of dat gesprek van invloed is geweest op de inhoud van het NFIrapport.

Van de zijde van het NFI is mij verzekerd dat dat gesprek geen invloed heeft gehad

op het rapport.

Vraag 47

De onderzoeker beschrijft dat ter terechtzitting van het Hof zowel de onderzoeker als de

deskundige zijn gehoord over het door hen opgestelde rapport. Hierbij is verbazingwekkend

genoeg niet gesproken over de drie onduidelijke sporen en niet over het – kennelijke unieke

– initiatief vanuit het NFI om hun twijfels over de schuld van Kees B. aan het OM kenbaar te

maken. De onderzoeker stelt dat “onder meer” de reden hiervan was dat niet de juiste

vragen gesteld zijn. Welke redenen waren er dan nog meer? Hoe zijn de getuigen voorbereid

op hun verhoor door het hof? Wat is de rol van het OM hierbij geweest? Wat zijn de

standaardprocedures hiervoor? Wat is de rol van de verdediging van Kees B. geweest?

Heeft de advocaat ook de “juiste vragen” niet gesteld?

Antwoord 47

De getuigen zijn niet voorbereid op hun verhoor door het Hof, en het OM heeft daarin geen

rol gehad. Pas in een zeer laat stadium - de donderdag of vrijdag voor de zitting van

maandag 18 februari 2002 – heeft de voorzitter van het hof de AG telefonisch laten weten

dat er behoefte was om de NFI-deskundige op de zitting als getuige te horen. De AG heeft

toen allerlei moeite moeten doen om de deskundige - die een aantal dagen niet op kantoor

was – te spreken te krijgen om hem te laten weten dat hij verwacht werd (telefonisch bevel).

Tijdens de ondervraging van de deskundige ter zitting vroeg hij toestemming om even

ruggespraak te houden met de onderzoeker die met hem was meegekomen en in de zaal

zat. De voorzitter heeft toen ter plekke besloten om ook de onderzoeker als getuige te horen.

Deze had geen ervaring met het compareren ter terechtzitting en ging ervan uit dat hij alleen

kon antwoorden op gestelde vragen. Hij wilde de deskundige tijdens de zitting niet

tegenspreken (zij verschilden, zoals bekend, met elkaar van inzicht over de interpretatie van

een aantal mengprofielen).

De rechtbank of het Hof kan op eigen initiatief getuigen of deskundigen laten oproepen. De

deskundige van het NFI is een zeer ervaren deskundige die regelmatig als getuigedeskundige

ter zitting optreedt. Gewoonlijk worden de onderzoekers zelf niet door de

rechtbank of het hof gehoord; dat is de taak van de deskundige die - zoals uit de

beantwoording van vraag 42 blijkt - inhoudelijk verantwoordelijk is voor het onderzoek en de

rapportage daarover.

Vervolg

Bladzijde 15

De verdediging heeft een groot aantal verzoeken ingediend, onder andere om (aanvullend)

DNA-onderzoek. Een aantal van deze verzoeken is ook gehonoreerd.

Tijdens de terechtzitting en in het verhoor van de NFI-medewerkers zijn er, noch door de AG,

noch door de verdediging, (veel) gerichte vragen gesteld. Het betrof meer een algemene

uitleg over DNA en de LCN methode en over aangetroffen sporen van DNA op de PD.

Vraag 48

Kunt u alsnog de beschikbare verslagen van de bespreking op het NFI van 19 januari 2001

in zijn geheel aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet? (blz. 42)

Antwoord 48

Ik beraad mij nog op de toezending van de gevraagde stukken, mede gelet op het feit dat

hierover een kort geding tegen de staat is aangespannen. De stukken hebben bovendien

niet het karakter van een verslag, maar van persoonlijke aantekeningen. De inhoud van de

stukken betreft voorts privacygevoelige gegevens.

Vraag 49

Waarom hebben de medewerkers van het NFI zich met hun twijfel niet gewend tot de AG in

plaats van de zaaksofficier, nu de berechting in eerste aanleg op dat moment al was

afgerond? (blz. 44)

Antwoord 49

De directie van het NFI heeft zich na de veroordeling in eerste aanleg gewend tot de

(toenmalige) procureur-generaal in zijn hoedanigheid van portefeuillehouder forensischtechnisch

onderzoek. Doel van dat gesprek was met name om de PG te informeren over de

binnen het NFI levende twijfels.

Het was de PG die hierop een gesprek arrangeerde tussen de zaaksofficier en de NFI

medewerkers. Uit het rapport blijkt niet of de PG ook de AG toen heeft geÔnformeerd of dat

hij van mening was dat het op de weg van de zaaksofficier lag om –afhankelijk van de

uitkomsten van haar gesprek met de NFI medewerkers- eventueel de AG te informeren.

Vraag 50

Heeft de PG die een intermediaire rol heeft gespeeld in het gesprek tussen NFI en de AG

zich laten informeren over de afloop van deze bijzonder gebeurtenis? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 50

De PG heeft een intermediaire rol gespeeld in het contact tussen de officier van justitie (dus

niet de AG) en het NFI. Zij heeft het gesprek met het NFI teruggekoppeld zowel aan de

plaatsvervangend hoofdofficier als aan de procureur-generaal. In die terugkoppeling was

voor haar niet aan de orde dat de informatie zodanig was dat betrokkenen moesten worden

gewaarschuwd of tot nadere actie genood. In ieder geval heeft de zaaksofficier niet ter zitting

kunnen rapporteren over dit gesprek, omdat het eindvonnis reeds was gewezen.

Vraag 51

Hoe verklaart u dat de betrokken medewerkers van NFI, toen zij als deskundige werden

gehoord, niet spontaan, dat wil zeggen zonder daarnaar te zijn gevraagd, gelet op de

voorgeschiedenis hun twijfels naar voren hebben gebracht? (blz. 45)

Antwoord 51

Dit is mij niet bekend.

Vraag 52

Vervolg

Bladzijde 16

Kan de verdediging de aan het deskundigenverslag ten grondslag liggende stukken

opvragen en inzien? Waarom zijn deze stukken desgevraagd recent expliciet geweigerd aan

de advocaat van Kees B.? (blz. 46)

Antwoord 52

Gedurende de strafzaak kan de verdediging op basis van art. 30 Sv verzoeken van

processtukken kennis te nemen. De aan het deskundigenverslag ten grondslag liggende

stukken zullen echter veelal geen processtukken zijn. Wanneer het Wetboek van

Strafvordering geen grondslag biedt om stukken van het NFI aan de verdediging te

verstrekken, kan een verzoek op basis de Wet openbaarheid van bestuur of de wet

bescherming persoonsgegevens aan mij worden gericht (zie tevens het antwoord op vraag

2). Een dergelijk verzoek heeft mij echter niet bereikt. Met name art. 35 van de Wet

bescherming persoonsgegevens kan, wanneer geen van de gronden van art. 43 Wet

bescherming persoonsgegevens of het Wetboek van strafvordering als specialis van

toepassing is, een grondslag zijn om informatie te verstrekken aan een betrokkene die

daarom vraagt.

Vraag 53

Klopt de conclusie in het rapport dat Maikel als dader is verhoord, mede gezien de

opmerking van verhoorder 3 “dat hij de personificatie van de theorie ‘Maikel is verdachte’ is”?

Antwoord 53

Zie hetgeen vermeld is op bladzijde 86 van het rapport: Ondanks de twijfel die kort na 22 juni

2000 ontstond over de rol van Maikel, is er voor gekozen hem te blijven horen als getuige. In

de laatste twee studioverhoren is hij echter de facto als verdachte gehoord. De wijze van

verhoor in de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 past niet bij iemand die als getuige wordt

beschouwd. Hij heeft nimmer de cautie gekregen; evenmin is hij gewezen op zijn zwijgrecht.

Vraag 54

Kunt u nader inzicht geven in de bemoeienis die de inzake forensisch onderzoek competente

PG heeft gespeeld in het proces? Heeft deze PG de zaak en de twijfels van het NFI

besproken in het College van PG’s en/of met u? Zo neen, waarom niet gezien de hoge

‘gevoeligheid van deze zaak’? Welke “plaats” is door de zaaksofficier gegeven aan de

twijfels die NFI-medewerkers hebben geuit?

Antwoord 54

De procureur-generaal is door het NFI niet op de hoogte gesteld van de details van deze

zaak. Hij heeft deze zaak niet met mijn ambtsvoorganger besproken en ook niet in de

Collegevergadering aan de orde gesteld. Gezien de terugkoppeling door de officier (zie de

beantwoording van vraag 50), leek dat ook niet nodig.

De zaaksofficier heeft, evenals de AG, de geuite twijfels afgewogen tegen het voorliggende

bewijsmateriaal; dit leidde bij beiden echter niet tot de overtuiging dat B. niet de dader was.

Vraag 55

Is door voornoemde PG, gezien de eerdere betrokkenheid van hem bij de zaak en zijn

kennis van de bij het NFI levende twijfels, nog contact gezocht met de AG die de zaak in

hoger beroep behandelde?

Antwoord 55

Nee, zie het antwoord op vraag 50.

Vraag 56

Kunnen de drie verschillende notulen van het gesprek dat op 17 januari 2002 heeft

plaatsgevonden tussen drie medewerkers van het NFI, twee gedragsdeskundigen van de

dNRI en de AG en haar juridisch medewerker terstond naar de Kamer worden gestuurd?

Vervolg

Bladzijde 17

Antwoord 56

Zie antwoord 48

Vraag 57

Heeft u kennisgenomen van de passage uit het rapport-Posthumus waarin staat dat het

gesprek van 10 juli 2001 waarin het NFI haar twijfels aan het OM meldde, door de

zaaksofficier niet is gemeld aan het ressortparket bij het Haagse gerechtshof? Acht u dit

behalve betreurenswaardig ook laakbaar en verwijtbaar? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 57

Het had in de rede gelegen dat de zaaksofficier dit gesprek en de daarin geuite twijfels had

gemeld aan het ressortsparket. Zoals ik al heb aangegeven is dit te betreuren.

Vraag 58

Kunt u inzicht geven in de logica van de redenering van de zaaksofficier waarin zij de

afwezigheid van celmateriaal van Kees B. als teken van daderschap kwalificeert? (blz. 47)

Antwoord 58

Ik kan niet in het hoofd van de officier kijken, maar het is niet ongebruikelijk dat daders van

misdrijven proberen hun sporen uit te wissen. .

Vraag 59

Kunt u inzicht geven in het “zeer klein aantal” zaken waarover bij het NFI grote twijfel bestaat

over de betrokkenheid van een verdachte bij strafbare feiten? Om welke zaken gaat het

hier? Zijn de twijfels van het NFI in deze zaken wel door het OM gehoord en verwerkt? (blz.

50)

Antwoord 59

De zaken die hierop betrekking hebben zijn De Puttense Moordzaak en De Goudse

moordzaak (eind 2001). In deze laatste zaak is geen veroordeling geweest van de

verdachte.

Vraag 60

Is het staande praktijk om jeugdigen onder de 12 jaar op deze wijze te verhoren zonder de

cautie te geven en zonder de ouders hiervan op de hoogte te brengen? (blz. 83, 85, 89)

Antwoord 60

Nee, dit is geen staande praktijk. Als een minderjarige onder de 12 jaar als verdachte van

een strafbaar feit wordt aangemerkt, kan hij als verdachte worden verhoord. Hoewel de wet

geen uitsluitsel geeft of deze minderjarige dan op zijn zwijgrecht moet worden gewezen, ligt

het voor de hand dat hem, als iedere verdachte, voorafgaand aan het verhoor de cautie

wordt gegeven. Als een minderjarige wordt aangehouden, dient de politie de ouders daarvan

in kennis te stellen.

In het rapport-Posthumus is beschreven dat Maikel in enkele verhoren formeel niet, maar de

facto wel als verdachte is gehoord. In die gevallen had hem de cautie moeten worden

gegeven. De politie had de ouders van Maikel moeten informeren over de aard van deze

verhoren.

Vraag 61

Welke maatregelen, behalve de geuite excuses, worden/zijn getroffen tegen de verhoorders

die het slachtoffer M., in strijd met de vormvoorschriften van een aantal uitdrukkelijke

verhoorprotocollen voor minderjarigen in, hebben verhoord op een wijze die “wat betreft

Vervolg

Bladzijde 18

techniek en bejegening niet aansluiten bij een jongen van net 11 die betrokken is geweest bij

zeer ernstige strafbare feiten”?

Antwoord 61

Het eventueel treffen van maatregelen is een verantwoordelijkheid die bij de korpsbeheerder

berust, mede om die reden heb ik het rapport aan de Korpsbeheerder gezonden met het

verzoek te doen wat geboden is.

Vraag 62

Is het gebruikelijk en wenselijk dat bij de uitwerking van videoverhoren verdachteīs

beweringen van onschuld worden geschrapt als zijnde `niet relevant`? (blz. 104)

Antwoord 62

Volgens de gehanteerde protocollen audiovisuele registratie verdachtenverhoor is de

audiovisuele registratie een hulpmiddel dat niet in de plaats komt van het proces-verbaal van

verhoor. Ook een proces-verbaal van verhoor is veelal geen letterlijke transcriptie van

hetgeen gezegd is. Irrelevante passages kunnen daarin ingekort worden. Uiteraard is het

niet wenselijk om beweringen van onschuld daaruit te schrappen. In het kader van deze zaak

zij er echter op gewezen dat veel van B.'s ontkenningen wŤl letterlijk uitgewerkt zijn. De

raadsman van de heer B. dan wel ťťn van zijn kantoorgenoten was steeds aanwezig bij de

videoverhoren. De raadsman zat in een aparte ruimte en kon de verhoren op een

beeldscherm volgen. In het interview heeft de raadsman gezegd dat hij over de uitwerking

van de videoverhoren geen klachten heeft (zie p. 102 rapport).

Vraag 63

Kan nader worden toegelicht waarom de AG, die aanvankelijk sterk twijfelde aan de schuld

van B. de “ongerijmdheden wegredeneerde”, en concludeerde dat B. schuldig was? (blz.

147)

Antwoord 63

Ook hier geldt, dat ik niet in het hoofd van de AG kan kijken. In het rapport wordt vanaf

pagina 160 aan de hand van het requisitoir toegelicht hoe dat gegaan kan zijn. Van belang is

ook wat in het rapport op pagina 147 wordt opgemerkt:

"Het gedrag van de heer B. ter zitting (de zittingzaal verlaten als het te confronterend werd)

heeft bijgedragen aan de overtuiging van de AG dat de heer B. de dader was. In dit verband

merk ik op dat een aantal geÔnterviewden, namelijk de ouders van Nienke, hun advocaat, en

de vader van Maikel, onafhankelijk van elkaar hebben gezegd dat voor zover zij vůůr de

zitting bij de rechtbank twijfels hadden over de schuld van de heer B., die twijfel verdween

naarmate zij de heer B. vaker op zitting meemaakten"

Het requisitoir wordt gehouden na de behandeling ter terechtzitting die in de onderhavige

casus vier dagen in beslag heeft genomen. Het oordeel van de AG dat zij voor de zitting had,

is veranderd tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting naar aanleiding van al

hetgeen daar is voorgevallen.

Vraag 64

Komt de beschrijving die Maikel van de dader heeft gegeven overeen met het uiterlijk van

Wik H? (blz. 160).

Antwoord 64

Wik H. heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 27

april 2005 waarbij hij onder meer voor de feiten die op 22 juni 2000 in het Beatrixpark te

Schiedam hebben plaatsgevonden, is veroordeeld. Dit hoger beroep moet nog worden

behandeld door het Gerechtshof in Den Haag. Nu de strafzaak tegen Wik H. nog niet

onherroepelijk is afgedaan, acht ik het niet gepast op deze vraag in te gaan.

Vervolg

Bladzijde 19

Vraag 65

Zijn er alternatieve oplossingen voor de geconstateerde problemen, die niet door de

onderzoeker worden aangegeven? Zo ja, welke? Wat zijn hiervan de voor- en nadelen ten

opzichte van de oplossingen die door de onderzoeker worden voorgesteld?

Antwoord 65

De aanbevelingen uit het rapport van het evaluatieonderzoek bij het OM zijn naar mijn

mening gedegen en volledig. Alternatieve en aanvullende oplossingen voor de

geconstateerde problemen acht ik echter niet uitgesloten. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan

het integreren van een pakket van maatregelen ten behoeve van het versterken van de

forensische opsporing zoals ik die al eerder aan uw kamer heb aangekondigd.

 


Aanvulling antwoorden (pdf)

 

Ministerie van Justitie

Directoraat-Generaal Rechtshandhaving

Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden

Bij beantwoording de

datum en ons kenmerk

vermelden. Wilt u slechts

ťťn zaak in uw brief

behandelen.

a

In vervolg op mijn brief van 14 september jl., waarbij ik u de antwoorden heb doen

toekomen op de vr agen van de door de vaste commissie voor Justitie gestelde vragen

inzake de Schiedammer parkmoord, bericht ik u het volgende.

Op de vraag (vragen 48. en 56.) of ik -kort samengevat- bereid ben een verslag van een

bespreking op 19 januari 2001 en drie verslagen van een bespreking op 17 januari 2002

aan de Kamer te zenden heb ik geantwoord dat ik mij nog beraad op de toezending van de

gevraagde stukken. Ik heb inmiddels besloten uw Kamer de gevraagde documenten te

doen toekomen teneinde iedere speculatie omtrent de inhoud ervan te voorkomen. Ik heb

uit het oogpunt van zorgvuldigheid jegens de betrokkenen de in de conceptverslagen

voorkomende achternamen, behoudens de eerste letter, onleesbaar gemaakt.

Ik hecht er aan te benadrukken dat het conceptverslag van de bespreking op 19 januari

2001 (bijlage I) uitsluitend de weergave van een aantal losse aantekeningen en impressies

betreft van ťťn van de aanwezigen. Niet vast staat wie de weergave heeft opgesteld; de

weergave is niet rondgezonden en derhalve evenmin vastgesteld. Uit de weergave wordt

niet duidelijk wie aanwezig was bij de bespreking en wie wat heeft gezegd. De essentie

van de inhoud is reeds weergegeven in het evaluatierapport.

Met betrekking tot de drie verslagen van de bespreking op 17 januari 2002 merk ik op dat

ook ten aanzien van deze verslagen geldt dat het uitsluitend de persoonlijke weergave

betreft van hetgeen volgens de opsteller is besproken. De conceptverslagen zijn eveneens

niet rondgezonden en derhalve ook niet vastgesteld. Het eerste conceptverslag (bijlage II)

is opgesteld door de advocaat-generaal (of haar juridisch medewerker) en het tweede

Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag

De voorzitter van de Tweede kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Bezoekadres

Schedeldoekshaven 100

2511 EX Den Haag

Telefoon (070) 3 70 79

11

Fax (070) 3 70 79 25

www.justitie.nl

Onderdeel BJBA

Datum 15 september 2005

Ons kenmerk 5374792/505

Bijlage(n) 4

Onderwerp Debat van heden inzake de Schiedammer Parkmoord

2/2

5374792/505/15 september 2005

concept (bijlage III) is opgesteld door een medewerker van het NFI. Het derde verslag

(bijlage IV ) is eerst in 2005 op verzoek van mr. Posthumus ten behoeve van het onderzoek

opgemaakt door een politieambtenaar van de CRI (thans: DNRI) aan de hand van zijn

aantekeningen.

Tenslotte is mij gebleken dat in het antwoord op vraag 36 een gedeelte van de tekst is

weggevallen. Hieronder treft u de vraag en het volledige antwoord aan:

Vraag 36

Ligt het niet in de rede om de bevindingen van de NFI in meer gevallen ter beschikking te

stellen aan de verdediging?

Antwoord 36

Het is vaste praktijk dat het NFI alle relevante bevindingen die het wetenschappelijk

verantwoord en naar de regelen der kunst heeft opgesteld neerlegt in rapportage ten

behoeve van het strafdossier, die ter beschikking komt van verdediging, OM en rechter.

Het uitzonderlijke in deze zaak is dat het NFI kennelijk behoefte had een nadere toelichting

te geven naar aanleiding van de rapportage, aangezien er twijfels bestonden over de

betrokkenheid van de heer B gezien het volledig ontbreken van technisch bewijs tegen

hem en er twijfels van wetenschappelijke aard bestonden over de bruikbaarheid van een

aantal DNA -sporenanalyses waarover de deskundige en de onderzoeker van mening

verschilden.

Ik verwijs voor een eventuele nadere wettelijke regeling naar mijn antwoord op vraag 22.

De Minister van Justitie,

 

 

top
Activiteiten
Startpagina Raad voor de Kinderbescherming
Censuur en organisatiecriminaliteit in Nederland ©
De website(s) www.burojeugdzorg.nl (org, net, com) www.bureaujeugdzorg.nl (org, net, com) zijn het eigendom van verzetsstrijder, politicus, schrijver, journalist Dhr. J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo. Plaats uitgave: Ermelo. Uitgever: Hop Ermelo. Disclaimer 2014 en vrijwaring. Op al deze websites van Hop is een 2014 disclaimer van toepassing. Procedures inzake publicatie van nieuwsfeiten, vrijheid van drukpers, belemmering vrijheid van meningsuiting, belemmering politieke activiteiten, gerechtvaardigde verdediging van Hop tegen improductieve bureaucratie en/of voor de overheid vrijwel altijd partijdige rechtspraak tegen politicus, schrijver, journalist Hop uitsluitend via de rechtbank Gelderland (dan weet ik immers van tevoren dat ik vrijwel zeker wordt genaaid zoals bijvoorbeeld ook weer in 2014 met het een jaar lang onbehandeld laten liggen van mijn beroepschriften Hop tegen de gemeente Ermelo waarbij de partijdige smeerlappen van die rechtbank Gelderland niet eens gekeken hebben tegen welk besluit ik beroep instelde maar weerzinwekkend partijdig als papegaaien de gemeente Ermelo bleven napraten. Ik heb mijn beroepschriften vervolgens na een jaar ingetrokken. IK WIL HET DOOR MIJ BETAALDE GRIFFIEGELD (721) HOP TEGEN ERMELO VAN DIE RECHTBANK GELDERLAND TERUG) met gelijktijdig verzoek om beeld- en geluidsopnames te mogen maken van de complete hoorzitting t.b.v. publicatie op bovengenoemde websites. Door mijn website te raadplegen accepteert u mijn vrijwaring. Hop streeft ernaar, op een integere wijze, dat alle informatie op de websites correct is. Hop verleent ten aanzien van die informatie echter geen enkele garantie, noch kan Hop worden geacht een dergelijke garantie stilzwijgend te hebben verleend. Hop zal in geen geval aansprakelijk zijn voor schade van welke aard dan ook, waaronder directe, indirecte of gevolgschade, voortvloeiend uit of in verband met het gebruik of betreden van deze website.