| Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming! Openbare aanklachten van burgers tegen het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming (Ministerie van Justitie) in de volksmond nog veel beter bekend als Raad voor de Leugenbescherming en Raad voor de Kindermishandeling |
Hop geeft inzicht in denk- en werkwijze van Rechterlijke ambtenaren door publicatie van informatie op internet
De belangrijkste taak van de Hoge Raad is burgers geen recht geven op rechtseenheid en rechtsbescherming en waarheidsvinding om "gesubsidieerde hulpverlening" te kunnen blijven verkopen en oordeelt dus ook niet over feiten
De belangrijkste taak van de Hoge Raad is de cassatierechtspraak. Doel van de cassatierechtspraak is het handhaven van de rechtseenheid en het richting geven aan de rechtsontwikkeling. Daarnaast beoogt de cassatierechtspraak rechtsbescherming, controle op de kwaliteit van de bestreden uitspraak van de lagere rechter, zowel wat betreft de wijze waarop daarin het recht is toegepast, als wat betreft de motivering. Van de uitspraken in hoger beroep van de rechtbanken, de gerechtshoven en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba op het gebied van het strafrecht en van het burgerlijk of civiele recht, en van de belastinguitspraken van de Hoven kan gewoonlijk beroep in cassatie op de Hoge Raad worden ingesteld. Met betrekking tot bestuursrechtuitspraken bestaat, zoals vermeld, die mogelijkheid niet. Van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan slechts in beperkte mate cassatieberoep op de Hoge Raad worden ingesteld.
Conclusie
De belangrijkste taak van de procureur-generaal en de advocaten-generaal is aan de Hoge Raad een onafhankelijk advies te geven hoe in het gegeven geval te oordelen. De wet noemt een dergelijk advies conclusie van de procureur-generaal. Deze conclusies leveren een wezenlijke, ja zelfs onmisbare bijdrage aan de rechtspraak van de Hoge Raad en daarmee aan de kwaliteit van de rechtspraak, de rechtsbescherming, de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. In de conclusie wordt in de regel een overzicht gegeven van de feiten waarvan de Hoge Raad moet uitgaan, van de rechtsvragen die de Hoge Raad moet beantwoorden, van de beslissing van het gerecht tegen wiens uitspraak het cassatieberoep is gericht, van de wetenschappelijke meningen en van eerdere jurisprudentie. Ook wordt soms een aantal mogelijke oplossingen aangedragen. In civiele zaken en in de meeste strafzaken is een conclusie wettelijk verplicht. Met betrekking tot belastingzaken ontbreekt een dergelijke verplichting. De Hoge Raad is vrij de conclusies al dan niet te volgen en is terzake geen verantwoording verschuldigd. De conclusies worden met de uitspraken gepubliceerd in de vakpers en, voorlopig nog beperkt, op internet.Een zaak kan aan de Hoge Raad worden voorgelegd door (een van) de civiele procespartijen, door de verdachte of door het openbaar ministerie bij rechtbank of hof, door de belanghebbende (belastingplichtige) of de instantie die een vordering of heffing heeft opgelegd, of door een vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad tot cassatie in het belang der wet.
Aard van de cassatierechtspraak Cassatie verschilt wezenlijk van hoger beroep. In hoger beroep wordt de zaak in beginsel helemaal opnieuw bekeken en kan ook, zonodig, een nieuw onderzoek naar de feiten worden ingesteld. Het onderzoek van de cassatierechter is echter beperkt, met name voor wat betreft de feiten. De Hoge Raad moet - volgens wettelijk voorschrift - uitgaan van de feiten die de lagere rechter heeft vastgesteld.
Cassatie betekent: vernietiging van een rechterlijke uitspraak wegens schending van het recht, de regels van het procesrecht daaronder begrepen. In dat laatste kader controleert de Hoge Raad of de lagere rechter heeft voldaan aan de eisen die het recht stelt aan een behoorlijk proces. Heeft de lagere rechter essentiële regels van een behoorlijke rechtspleging geschonden, dan zal de Hoge Raad reeds daarom de aangevallen beslissing moeten casseren. Meestal wijst de Hoge Raad na vernietiging van de bestreden uitspraak een - in de regel andere - lagere rechter aan om de zaak verder te behandelen. In beginsel oordeelt de Raad immers niet over de feiten. Alleen als voor een eindbeslissing (bijna) geen beslissingen van feitelijke aard meer behoeven te worden genomen, zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.
Taken van de vier kamers van de Hoge Raad
De rechtspraak op het gebied van het civiele recht, waaronder begrepen het handelsrecht (Wetboek van Koophandel, Faillissementswet, waaronder de Wet schuldsanering natuurlijke personen) wordt uitgeoefend door de eerste of civiele kamer. Deze kamer oefent ook rechtspraak uit op tal van andere, niet in strikte zin tot het civiele recht behorende terreinen, zoals die van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en de Algemene Bijstandswet.
De rechtspraak op het gebied van het strafrecht en het uitleveringsrecht is in handen van de tweede of strafkamer. Deze kamer behandelt ook de verzoeken om herziening. De derde kamer - die in twee afdelingen is verdeeld - houdt zich in hoofdzaak bezig met de cassatierechtspraak op het gebied van het belastingrecht en het onteigeningsrecht. Deze kamer oordeelt onder meer ook over de cassatieberoepen die zijn ingesteld tegen uitspraken van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam en, in een beperkt aantal gevallen, van de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
De vierde kamer van de Hoge Raad behandelt de vorderingen van de procureur-generaal tot schorsing of ontslag van leden van de rechtsprekende macht. Omdat rechters in onafhankelijkheid hun rechtsprekende taak moeten kunnen verrichten worden zij aangesteld voor het leven, dat wil zeggen totdat zij de wettelijke leeftijdsgrens van 70 jaar hebben bereikt. Zij kunnen dan ook niet tegen hun wil door regering of parlement worden geschorst of ontslagen. De Hoge Raad heeft die bevoegdheid wel, bijvoorbeeld bij gebleken ongeschiktheid voor de functie of na een veroordeling wegens misdrijf. Voor een vordering tot schorsing of ontslag is zelden aanleiding, niet alleen omdat deze problematiek zich weinig voordoet, maar ook omdat de betrokken rechter de ontslagprocedure meestal niet afwacht, maar zelf ontslag vraagt. Ook verricht de vierde kamer in het kader van de zgn. ombudsregeling, op vordering van de procureur-generaal, onderzoek naar gedragingen van een rechter over wie bij de procureur-generaal is geklaagd. Vanwege deze ombudstaak wordt de vierde kamer ook wel aangeduid als ombudskamer.Het geheim van de raadkamer
De beslissingen van de Hoge Raad komen tot stand in de raadkamer. Artikel 28 van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt: '...zijn verplicht het geheim te bewaren opzichtelijk de gevoelens die in de raadkamer over rechtsaanhangige gedingen door de raadsheren(...) zijn geuit geworden.' Van de discussies in de raadkamer mag dus niets naar buiten komen. Het is voor derden niet kenbaar of beslissingen unaniem of met meerderheid van stemmen zijn aangenomen.
Cassatie in het belang der wet
(bron: verslag Hoge Raad over de jaren
2005/2006)
De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft op grond van artikel 78 lid 1 Wet
op de rechterlijke organisatie de discretionaire bevoegdheid om een vordering
tot cassatie ‘in het belang der wet’ in te stellen tegen een rechterlijke
uitspraak met als doel de rechtsontwikkeling en rechtseenheid te bevorderen.
Een dergelijke vordering kan slechts worden ingesteld indien voor partijen
geen gewoon rechtsmiddel openstaat (artikel 78 lid 6 Wet op de rechterlijke
organisatie). Voorts wordt in lid 6 bepaald dat de uitspraak van de Hoge Raad
op een vordering tot cassatie in het belang der wet geen verandering brengt in
de rechten van partijen, zoals deze uit de bestreden uitspraak van de lagere
rechter voortvloeien. Cassatie in het belang der wet heeft dus geen
rechtsgevolgen voor de betrokken partijen.
In de praktijk wordt de beslissing om al dan niet een vordering tot cassatie
in het belang der wet in te stellen, in vrijwel alle gevallen genomen op grond
van een verzoek dat de procureur-generaal heeft ontvangen. Verzoeken zijn
afkomstig van onder meer het openbaar ministerie (sinds 2006 is de behandeling
van cassatieberoepen geconcentreerd bij het ressortparket in Den Haag en zijn
de verzoeken van dat parket afkomstig), andere gerechten, (semi-)
overheidsinstellingen, bedrijven, advocaten en burgers. Het komt echter ook
voor dat de procureur-generaal op eigen initiatief, dus zonder dat hij daartoe
een verzoek heeft ontvangen, besluit een vordering tot cassatie in het belang
der wet in te stellen.
Het aantal verzoeken om cassatie in het belang der wet in te stellen dat door
de procureur-generaal wordt ontvangen, blijft redelijk constant. In 2001
werden 27 verzoeken ontvangen, in 2002 26, in 2003 23, in 2004 35 en in de
afgelopen verslagperiode werden 36 verzoeken ontvangen in 2005 en 35 in 2006.
Het aantal vorderingen dat door de procureur-generaal wordt ingediend groeit.
In de verslagperiode 2001-2002 werden vier vorderingen ingediend, in 2003-2004
waren dat er drie. In de afgelopen verslagperiode werden zeven vorderingen
ingediend.
De toename van het aantal ingediende vorderingen houdt in de eerste plaats
verband met de totstandkoming van wettelijke regelingen die het cassatieberoep
voor partijen uitsluiten en de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet
in de wet hebben opgenomen als middel om de rechtseenheid te garanderen, zoals
de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften, de Wet op de Beroepen
in de Individuele Gezondheidszorg en de Overleveringswet.
In de tweede plaats is er de toenemende aandacht voor de rechtseenheid die er
toe leidt dat niet altijd jaren kan worden gewacht tot een gewoon
cassatieberoep wordt ingesteld, maar dat voor het instellen van cassatie in
het belang der wet moet worden gekozen om een vraag van uitleg van nieuwe
wetgeving snel aan de Hoge Raad voor te leggen (zie bijv. HR 13 juni 2006, LJN
AX1662 (RvdW 2006, 621) met betrekking tot de wijziging van art. 14a lid 2
Sr).
Daarbij moet wel worden opgemerkt dat een snelle cassatie in het belang der
wet niet in aanmerking komt, indien het gaat om een rechtskwestie waarmee in
de praktijk nog ervaring moet worden opgedaan om tot een verantwoord oordeel
te komen.
Ook is terughoudendheid geboden indien verwacht wordt dat de rechtsvraag de
Hoge Raad binnen redelijke termijn zal bereiken door middel van een gewoon
cassatieberoep. De gewone procedure heeft in het bijzonder in civiele zaken
het voordeel dat de partijen hun argumenten voor de ene of de andere
beslissing naar voren kunnen brengen. Omdat dit voordeel van het
contradictoire geding in strafzaken minder speelt dan in andere zaken, kan
deze terughoudendheid bij strafzaken minder groot zijn.
Afgewezen verzoeken
Veel verzoeken om een vordering tot cassatie in het belang der wet
worden ingediend door of namens de partij die in de betreffende beslissing in
het ongelijk is gesteld. Het indienen van een verzoek cassatie in het belang
der wet in te stellen wordt dan kennelijk gezien als laatste mogelijkheid om
alsnog gelijk te krijgen. Daarvoor is dit buitengewone rechtsmiddel echter
niet bedoeld. Deze praktijk leidt er wel toe dat veel verzoeken moeten worden
afgewezen omdat zij geen kwestie aan de orde stellen die in het belang van
rechtsontwikkeling of rechtseenheid opheldering behoeft.
Bij de beoordeling van een verzoek om een vordering tot cassatie in het belang
der wet in te dienen, spelen verschillende aspecten een rol (zie voor een
overzicht van de beoordelingscriteria Den Hartog Jager, ‘Cassatie in het
belang der wet’ p. 119 e.v. en de toelichting op de jaarcijfers 1999-2000,
p. 60-61, a t/m k). De meest voorkomende redenen op grond waarvan
verzoeken in de verslagperiode werden afgewezen zijn:
a. dat geen sprake is van een omstreden rechtskwestie die in het belang van de
rechtseenheid of rechtsontwikkeling opheldering behoeft.
Met name bij verzoeken die van een der partijen afkomstig zijn, komt het voor
dat zij zich richten tegen een beslissing die niet onjuist is en in lijn is
met bestaande rechtspraak. Een enkele keer is er sprake van een apert onjuiste
beslissing, maar ook die lenen zich in het algemeen niet voor het instellen
van cassatie in het belang der wet. Er valt immers niets op te helderen;
b. dat de beslissing overwegend wordt bepaald door de feiten en omstandigheden
van het geval en de daaraan te verbinden feitelijke waarderingen.
Ook deze grond voor afwijzing hangt samen met de omstandigheid dat verzoeken
vaak worden ingediend door de partij die het niet eens is met de betreffende
beslissing. Indien het oordeel van de rechter in hoge mate afhankelijk is van
de nuances van het concrete geval, wordt alleen al om die reden geen cassatie
in het belang der wet ingesteld;
c. dat in de (hoofd)zaak nog niet onherroepelijk is beslist.
Deze situatie doet zich vooral voor bij verzoeken in strafzaken die betrekking
hebben op beschikkingen tijdens het vooronderzoek. Het is vast beleid om
zolang een strafzaak tegen een verdachte (of een medeverdachte) nog loopt,
tegen dergelijke beschikkingen geen cassatie in het belang der wet in te
stellen, omdat de daarbij aan de orde te stellen rechtsvraag dikwijls ook in
de eigenlijke strafzaak een rol kan spelen.
De verzoeken betreffen uitspraken omtrent uiteenlopende onderwerpen. Ten
aanzien van de verzoeken die betrekking hebben op het strafrecht, valt op dat
relatief veel verzoeken om cassatie in het belang der wet in te stellen worden
ingediend ten aanzien van beschikkingen op verzoeken tot schadevergoeding ex
art. 89 en 591a Wetboek van Strafvordering.
Enerzijds heeft dit te maken met het feit dat de rechter van de wetgever veel
ruimte heeft gekregen om te beslissen of een vergoeding moet worden toegekend
en hoe hoog die vergoeding zou moeten zijn (een vergoeding wordt slechts
toegekend indien en voorzover daartoe naar het oordeel van de rechter,
alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig
zijn) en dit aanleiding geeft tot uiteenlopende beslissingen. Omdat de
beslissingen sterk samenhangen met de weging en waardering van de
omstandigheden van de zaak, lenen zij zich dikwijls alleen al om die reden
niet voor cassatie in het belang der wet.
Anderzijds leidt de uitleg van de term ‘zaak’ in art. 89 en 591a Sv –
over welk onderwerp de Hoge Raad in 2001 nog een uitspraak heeft gedaan op een
vordering tot cassatie in het belang der wet (zie HR 8 mei 2001, NJ 2001, 508
en 509 m.nt. JdH, LJN AB1502 en AB1509) – nog steeds tot verzoeken om
cassatie in het belang der wet in te stellen. Het gaat dan met name om de
vraag of een ‘zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel’
ingeval er sprake is van gevoegde zaken waartussen geen relevant verband
bestaat en de verdachte slechts voor één van die zaken is veroordeeld. Uit
de rechtspraak van de Hoge Raad valt op te maken dat niet van belang is of er
enig verband bestaat tussen de feiten of zaken, maar een aantal afwijkende
beschikkingen van het hof en de rechtbank Amsterdam (hof Amsterdam 7 juli
2003, LJN AO0473 en rechtbank Amsterdam 9 augustus 2002, LJN AO3103) heeft op
dit punt toch voor onduidelijkheid gezorgd. Nu bij navraag is gebleken dat
deze beschikkingen niet kunnen worden aangemerkt als bestendige rechtspraak
van de rechtbank of het hof Amsterdam en de rechtspraak van de Hoge Raad
duidelijk is, heeft de procureur-generaal het niet nodig geacht om tegen deze
beschikkingen cassatie in het belang der wet in te stellen.
Ingestelde vorderingen
In de verslagperiode zijn – zoals hiervoor reeds vermeld – zeven
vorderingen tot cassatie in het belang der wet ingesteld. Op één vordering
is nog niet beslist.
Van de zes afgewikkelde zaken volgt hier een korte uiteenzetting.
1. HR 15 april 2005, LJN AS 2713 (NJ 2005, 483)
In deze zaak is aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of een ontslagneming door
een statutair directeur uit zijn bestuurspositie tevens het einde van zijn
arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft. Het maatschappelijk belang van deze
vraag en de onzekerheid die over deze vraag bestond in de rechtspraktijk,
vormden de redenen voor het indienen van de vordering. De Hoge Raad oordeelde
dat uitgangspunt is dat door een ontslag als bestuurder ook een einde wordt
gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Voor een uitzondering is slechts
plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat
of indien partijen anders zijn overeengekomen. Ook de ontslagneming door de
statutair bestuurder heeft in beginsel tot gevolg dat zijn dienstbetrekking
eindigt. Daaruit vloeit tevens voort dat niet kan worden aanvaard dat de
bestuurder, die zijn functie neerlegt, die ontslagneming eenzijdig kan
beperken tot het verlies van de hoedanigheid van bestuurder van de
vennootschap met instandhouding van de dienstbetrekking.
2. HR 23 mei 2006, LJN AU 7141 (RvdW 2006, 527)
De vordering in deze zaak had betrekking op de vraag of het hof het
verschuldigde bedrag aan zekerheidstelling en aan griffierecht had mogen
matigen in geval van hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter
op het verzet op de voet van de artikelen 26 en 27 Wet administratieve
handhaving verkeersvoorschriften (verzet tegen kennisgeving van verhaal van
een opgelegde administratieve sanctie), omdat het recht op toegang tot de
rechter als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in het geding was. De Hoge Raad
stelde vast dat noch in de Wet administratieve handhaving
verkeersvoorschriften noch in de Wet tarieven in burgerlijke zaken in een
geval als het onderhavige aan het hof de bevoegdheid wordt toegekend het
wettelijk griffierecht te matigen en/of in debet te stellen en evenmin om de
verschuldigde zekerheid te verminderen.
Het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM kan niet leiden tot een verplichting tot
matiging, nu art. 6 EVRM niet op de verzetprocedure van toepassing is. De
verzetprocedure betreft immers geen ‘criminal charge’ en er is geen sprake
van de ‘determination of civil obligations’, omdat aan de rechter die in
de verzetprocedure beslist, niet de bevoegdheid toekomt geldelijke
verplichtingen van de betrokkene vast te stellen. Het hof was dus niet bevoegd
het gevraagde bedrag aan zekerheidstelling en griffierecht te matigen.
3. HR 13 juni 2006, LJN AX1662 (RvdW 2006, 621)
Deze door de procureur-generaal ingediende vordering betrof de vraag of de
nieuwe, sinds 1 februari 2006 geldende regeling van de voorwaardelijke
gevangenisstraf (art. 14a lid 2 Sr) mag worden toegepast op feiten die zijn
gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze regeling. Hoewel deze rechtsvraag
ook in het kader van een gewone cassatieprocedure door een van de partijen aan
de Hoge Raad kon worden voorgelegd, diende de procureur-generaal een vordering
in. Het was gebleken dat er tussen de verschillende gerechten uiteenlopende
opvattingen bestonden over deze kwestie en de procureur-generaal achtte het
onwenselijk deze onzekerheid te laten bestaan, terwijl het hier niet ging om
een rechtskwestie waarmee in de praktijk nog ervaring moest worden opgedaan om
tot een verantwoord oordeel te komen. Nu de Wet herijking strafmaxima (met
welke wet onder meer art. 14a lid 2 Sr werd gewijzigd in die zin dat de
maximum duur van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf werd verhoogd
van één naar twee jaar) geen voor deze regeling relevante overgangsbepaling
bevat en uit niets – met name niet uit de wetsgeschiedenis – blijkt dat er
sprake is van een verandering in de wetgeving als bedoeld in art. 1 lid 2 Sr
(er is geen sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de
strafwaardigheid van de feiten waarop die bepaling betrekking heeft),
oordeelde de Hoge Raad dat de nieuwe regeling niet met terugwerkende kracht
mocht worden toegepast op feiten die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding
van deze regeling (zie r.o. 3.6).
4. HR 28 november 2006, LJN AY6634 (RvdW 2006, 1157)
De procureur-generaal legde in deze zaak aan de Hoge Raad de vraag voor in
hoeverre de rechter de vordering van de officier van justitie op de voet van
art. 13 lid 2 Overleveringswet (OLW) mag toetsen. Art. 13 lid 1 OLW bepaalt
onder meer dat overlevering niet wordt toegestaan voor feiten die geacht
worden geheel of ten dele in Nederland te zijn begaan. Volgens art. 13 lid 2
OLW wordt van een weigering van de overlevering afgezien op vordering van de
officier van justitie, een bevoegdheid die in het bijzonder in het leven is
geroepen in het belang van een goede rechtspleging, met name in gevallen
waarin lidstaten bij de opsporing hebben samengewerkt en het daarom gewenst is
de vervolging in één lidstaat te concentreren. Indien de officier van
justitie met toepassing van art. 13 lid 2 OLW de overlevering vordert, kan de
rechtbank deze slechts weigeren indien de officier naar het oordeel van de
rechtbank in redelijkheid niet tot die vordering heeft kunnen komen. Op grond
van de bewoordingen van art. 13 lid 2 OLW moet – mede gezien de
wetsgeschiedenis – worden aangenomen dat de rechtbank de vordering van de
officier van justitie slechts marginaal mag toetsen. Nu de toetsing van de
rechtbank verder ging dan een marginale toetsing (de rechtbank overwoog dat de
feiten ter zake waarvan overlevering werd verzocht – invoer van drugs vanuit
Turkije naar Nederland – een grove schending vormden van de Nederlandse
rechtsorde en dat de beperkte schending van de Duitse rechtsorde (Duitsland
fungeerde slechts als transitland) niet opwoog tegen de inbreuk op de
Nederlandse rechtsorde en oordeelde dat de officier van justitie op grond
hiervan in redelijkheid niet tot haar vordering had kunnen komen om af te zien
van de weigeringsgrond), gaf het oordeel van de rechtbank volgens de Hoge Raad
blijk van miskenning van de te dezen aan te leggen maatstaf (r.o. 3.4.2-3.6).
5. HR 28 november 2006, LJN AY6631 (RvdW 2006, 1155)
Ook deze vordering betrof de uitleg van art. 13 OLW. De rechtbank had de
overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd op de grond dat de officier
van justitie in verband met de namens de opgeëiste persoon aangevoerde
redenen van humanitaire aard in redelijkheid niet had kunnen komen tot de
vordering om af te zien van weigering van de overlevering krachtens art. 13
lid 1 OLW. De Hoge Raad gaat in op de wetsgeschiedenis van art. 13 OLW (zie
hiervoor onder 4) en overweegt vervolgens dat de OLW geen regeling bevat die
vergelijkbaar is met de in het uitleveringsrecht erkende en in art. 10 lid 2
UW neergelegde ‘hardheidsclausule’ op grond waarvan de uitlevering kan
worden geweigerd. Art. 35 lid 3 OLW kent immers slechts de mogelijkheid van
uitstel van de feitelijke overlevering op grond van ernstige humanitaire
redenen. Nu de overlevering niet kan niet worden geweigerd om redenen van
humanitaire aard, vormen die dus niet een factor die relevant is bij de
beantwoording van de vraag of in het belang van een goede rechtsbedeling moet
worden afgezien van toepassing van de in art. 13 lid 1 OLW genoemde
weigeringsgronden. Door redenen van humanitaire aard te betrekken bij haar
toetsing van de vordering van de officier van justitie heeft de rechtbank een
verkeerde maatstaf aangelegd, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.4.2.-3.6).
6. HR 28 november 2006, LJN AY6633 (RvdW 2006, 1156)
In deze zaak had de rechtbank, evenals in de zaak genoemd onder 5, de
overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd omdat de officier van
justitie in verband met de namens de opgeëiste persoon aangevoerde redenen
van humanitaire aard in redelijkheid niet had kunnen komen tot de vordering om
af te zien van weigering van de overlevering krachtens art. 13 lid 1 OLW. Ten
aanzien van de betekenis van redenen van humanitaire aard bij de beantwoording
van de vraag of moet worden afgezien van toepassing van art. 13 lid 1 OLW,
besliste de Hoge Raad als in de hiervoor onder 5 genoemde zaak.
Voorts besliste de Hoge Raad dat in het middel van de procureur-generaal
terecht wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de
omstandigheid dat het openbaar ministerie geschreven noch ongeschreven
beleidsregels heeft ten aanzien van de wijze waarop het van de in art. 13 lid
2 OLW bedoelde bevoegdheid gebruik maakt en in de toekomst gebruik zal maken,
op de officier een ‘verzwaarde plicht’ rust te motiveren waarom wordt
gevorderd af te zien van de weigeringsgronden van art. 13 lid 1 OLW. Voor
zover hierbij wordt gedoeld op beleidsregels ten aanzien van omstandigheden
van humanitaire aard, vloeit de onjuistheid van haar oordeel voort uit hetgeen
hiervoor is overwogen (zie onder 5). Maar ook overigens is dit oordeel onjuist
en vindt het geen steun in de bewoordingen of de geschiedenis van art. 13 OLW,
aldus de Hoge Raad (r.o. 3.7).
NVvR: "De erkenning van het recht op geleden affectieschade is een politieke keuze van de wetgever en heeft tevens een zekere mate van symbolische werking!" De niet duurzaam samenwonende partner heeft op grond van deze formulering geen recht op vergoeding van geleden affectieschade
Blijkens de concept memorie van toelichting kan de naaste of nabestaande worden vermoed tot de kring van gerechtigden te horen indien hij of zij langer dan één jaar met het slachtoffer samenwoont.
224
ADVIES
inzake
Wetsvoorstel tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en de Wet Schadefondsen Geweldsmisdrijven in verband met de vergoedbaarheid van schade als gevolg van overlijden of ernstig en blijvend letsel van naasten.
Inleiding
1. De Minister van Justitie heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak om advies gevraagd over het concept wetsvoorstel tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven in verband met de vergoedbaarheid van schade als gevolg van overlijden of ernstig en blijvend letsel van naasten, verder te noemen het concept wetsvoorstel affectieschade.
Het onderhavige advies van de wetenschappelijke commissie van de NVvR is voorbereid door leden van de studiekring Burgerlijk Recht.
Voorstel
Het concept wetsvoorstel strekt ertoe een wettelijke regeling tot stand te brengen voor de vergoedbaarheid van affectieschade (zijnde het nadeel dat geleden wordt wanneer een persoon waarmee men een affectieve relatie heeft ernstig gewond raakt of overlijdt tengevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is).
In het concept wetsvoorstel wordt gekozen voor een uitputtende kring van personen die recht hebben op een gefixeerd bedrag t.z.v. immateriële schade, zowel in het geval van ernstig en blijvend letsel, als in het geval van overlijden; dit wordt in het concept voorstel bewerkstelligd door de aanpassing van de artikelen 6:107 en 108 van het Burgerlijk wetboek.
Daarnaast wordt voorgesteld artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering en een bepaling uit de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven aan te passen.
Commentaar
De wetenschappelijke commissie staat positief tegenover een wettelijke regeling van affectieschade.
In het recente verleden is de rechterlijke macht geconfronteerd met een groeiend aantal procedures waarbij naasten en nabestaanden van slachtoffers trachtten enige vorm van genoegendoening geldend te maken.
Aan de groeiende maatschappelijke behoefte aan vergoeding van geleden affectieschade kan de rechterlijke macht echter niet voldoen vanwege het limitatieve en exclusieve stelsel van de artikelen 6:107 en 108 BW.
Het concept wetsvoorstel affectieschade brengt hierin verandering door de juridische erkenning en wettelijke verankering van de vergoeding van geleden affectieschade, hetgeen de wetenschappelijke commissie (mede gezien de wettelijke mogelijkheden in andere Europese landen) ondersteunt.
Enkele effecten van de politieke keuze
De erkenning van het recht op geleden affectieschade is een politieke keuze van de wetgever en heeft tevens een zekere mate van symbolische werking, waardoor de verwachtingen in de maatschappij hoog gespannen kunnen zijn. De wetenschappelijke commissie wenst hierbij te wijzen op enkele effecten van deze politieke keuze.
De nabestaande of naaste zal vaak verzekerd zijn van de uitkering van de schadevergoeding daar de dader verzekerd is, zoals bijvoorbeeld in het geval van verkeersongelukken.
De wetenschappelijke commissie vraagt zich echter af in hoeverre de tegemoetkoming van het Schadefonds geweldsmisdrijven het gefixeerde bedrag in zijn totaliteit betreft.
Daarnaast omvat het concept wetsvoorstel ook niet-verzekerde schade toebrengende gebeurtenissen en gebeurtenissen welke niet onder de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven vallen. In die gevallen is de nabestaande of naaste aangewezen op de inkomsten en het vermogen van de dader zelf; indien hier niets te halen is, zal de toegekende schadevergoeding feitelijk niet vergoed worden.
Daarbij komt dan ook het feit dat bij verwonding de schadevergoeding aan het slachtoffer zelf concurreert met de schadevergoeding aan de naasten.
Kring gerechtigden
Uitgangspunt in het concept wetsvoorstel is dat de kring van personen die recht hebben op affectieschade beperkt wordt tot die personen die geacht worden een zeer nauwe band met het schachtoffer te hebben. Alleen in die gevallen is het gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat het letsel van het slachtoffer een zo ernstig verlies betekent dat vergoeding op zijn plaats is. De wetgever heeft in het concept wetsvoorstel niet gekozen voor een algemene hardheidsclausule; wel biedt lid 2, sub e en f van artikel 6:107 en artikel 6:108 BW volgens de wetgever voldoende ruimte om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.
De niet duurzaam samenwonende partner heeft op grond van deze formulering geen recht op vergoeding van geleden affectieschade. Broers en zussen hebben enkel recht op vergoeding indien ze met het slachtoffer een gezamenlijke huishouding voerden of voeren. Ook zulks is een politieke keuze van de wetgever, waarop de wetenschappelijke commissie geen juridisch technisch commentaar heeft. De wetenschappelijke commissie verwacht wel dat, zeker in het begin, door middel van procedures getracht zal worden op grond van de leden 2 sub e en f de kring van gerechtigden uit te breiden.
In lid 2 van de artikelen 6:107 en 108 BW wordt gesproken over "duurzaam een huishouding voeren" of "duurzaam in gezinsverband de zorg hebben".
Blijkens de concept memorie van toelichting kan de naaste of nabestaande worden vermoed tot de kring van gerechtigden te horen indien hij of zij langer dan één jaar met het slachtoffer samenwoont.
De wetgever heeft hier naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie het juiste evenwicht gevonden tussen enerzijds de bepalingen van de redelijkheid en billijkheid en anderzijds de wettelijke fixatie op bijvoorbeeld één jaar.
Fixatie schadevergoeding
De wetgever kiest voor een in een AMvB gefixeerd bedrag; ook hier betreft het een politieke keuze van de wetgever. De wetenschappelijke commissie signaleert dat door de fixatie van het bedrag de rechter minder maatwerk kan leveren bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding, maar verliest hierbij de voordelen van het systeem niet uit het oog, zoals bijvoorbeeld het minimaliseren van de kosten van onderhandelingen bij de vaststelling van de schadevergoeding en de grote mate van helderheid voor alle partijen waardoor de onderhandelingsmarges klein zijn.
De wetenschappelijke commissie adviseert wel in de memorie van toelichting aan te geven of het matigingsrecht (6:109 BW) ook geldt voor de wettelijk gefixeerde affectieschade.
De materiële schade van derden.
Het concept wetsvoorstel beperkt zich tot immateriële affectieschade. Het regelt niet de materiële schade van verwanten zoals bijvoorbeeld de moeder die geestelijk instort door de dood of het letsel van haar kind en inkomsten derft omdat zij haar beroep niet meer kan uitoefenen of de materiële schade van hen die de feitelijke verzorging van het slachtoffer op zich nemen. Deze vormen van materiële schade van derden worden besproken in paragraaf 6 van de concept memorie van toelichting; de heroverweging van een bredere inrichting van het aansprakelijkheidsrecht wordt hier door de wetgever eventueel op langere termijn mogelijk geacht.
De wetenschappelijke commissie adviseert dit traject inderdaad te vervolgen en hier nadere wetgeving op te ontwikkelen.
Shockschade
Paragraaf 4 van de concept memorie van toelichting behandelt de verhouding tussen affectieschade en shockschade. De regering geeft onder in deze paragraaf aan dat, daar waar het wetsvoorstel ertoe strekt vergoeding van affectieschade in bepaalde gevallen mogelijk te maken, het er mede toe kan bijdragen dat de rechtspraak inzake de vergoeding van shockschade beperkt blijft tot sprekende gevallen.
De wetenschappelijke commissie vraagt zich af of hier niet een te rooskleurige beeld wordt geschetst en in hoeverre de wettelijke verankering van de affectieschade er inderdaad toe zal bijdragen het probleem rond de shockschade inzichtelijker te maken; ook naar geldend recht is de afbakening tussen verdriet enderzijds en letsel anderzijds immers een probleem.
Eventueel kan wel het aantal procedures waarbij shockschade gevorderd wordt afnemen nu hier de druk van de ketel is.
Werklast
De Minister van Justitie gaat in zijn brief betreffende de kamervragen over het onderwerp affectieschade uit van een berekening van 1400 gevallen per jaar. Het betreft hier echter enkel en alleen de verkeersslachtoffers, andere gevallen moeten hier nog bij worden opgeteld. Het concept wetsvoorstel brengt dan ook enige extra werkbelasting voor de rechterlijke macht met zich mee. Daarnaast kunnen procedures meer tijd gaan vergen, bijvoorbeeld omdat ter zitting van de politierechter een nabestaande of naaste met een vordering verschijnt. Ook civielrechtelijke verweren, bijvoorbeeld gebaseerd op de toerekening rond eigen schuld, of interpretatieproblemen, kunnen procedures oprekken of voor praktische problemen zorgen.
. Artikel II concept
wetsvoorstel
In het tweede lid van het voorgestelde artikel 51a Wetboek van Strafvordering wordt gesproken over het "mede voegen" van de naasten en nabestaanden in het strafproces. De wetenschappelijke commissie adviseert hier duidelijker aan te geven dat het een zelfstandig voegingsrecht betreft.
De wetenschappelijke commissie adviseert tevens de laatste regel betreffende de voorgestelde uitzondering van artikel 51a, derde lid Wetboek van Strafvordering te laten vervallen, nu hier geen rekening gehouden wordt met de omstandigheid dat advocaten (ondanks het feit dat de vordering gefixeerd is) slechts een gedeelte van de vordering voegen in het strafproces, met name in het geval dat er discussie bestaat over eigen schuld.
. Overige opmerkingen
Wellicht dat in de memorie van toelichting kan worden opgenomen dat de rechtsgevolgen die aan de vordering affectieschade toekomen in onder meer het faillissementsrecht en het huwelijksvermogensrecht, gelijk zijn aan de rechtsgevolgen die aan bestaande immateriële schadevergoeding(vorderingen) toekomen.
Conclusie
12. De wetenschappelijke commissie staat positief tegenover een wettelijke regeling van affectieschade. Door de juridische erkenning en wettelijke verankering van de vergoeding op geleden affectieschade zal de maatschappelijke druk op de rechterlijke macht om tegemoet te komen aan naasten en nabestaanden afnemen.
Daar waar het concept wetsvoorstel een zekere symbolische waarde heeft, waarschuwt de wetenschappelijke commissie voor al te hoog gespannen verwachtingen. Wellicht kan in de memorie van toelichting worden opgenomen in hoeverre de wettelijke verankering van de affectieschade er inderdaad toe zal bijdragen dat het probleem rond de shockschade inzichtelijker wordt gemaakt.
De wetenschappelijke commissie constateert dat het concept wetsvoorstel enige extra werkbelasting voor de rechterlijke macht met zich brengt.
Tenslotte adviseert de wetenschappelijke commissie de laatste regel betreffende de voorgestelde uitzondering van artikel 51a, derde lid Wetboek van Strafvordering te laten vervallen.
Den Haag, 18 april 2002
Namens het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak,
de wetenschappelijke commissie,
G.Chr. Kok,
voorzitter
Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming
Een boycot is, in de oorspronkelijke zin, het verbreken van (handels)relaties met een land, een bedrijf of een individu. In de brede zin is het ook een verzaking om iets te doen, bijvoorbeeld een verkiezing boycotten om een statement te maken. De redenen van een boycot kunnen van politieke aard zijn of dienen om een vorm van wraak uit te oefenen of iemand te isoleren. Het woord ontstond in Ierland, waar de hardvochtige Engelse rentmeester Charles Cunningham Boycott (1832–1897) zo door zijn pachters werd gehaat, dat zij hem in 1879 volledig isoleerden.
Bekende (oproepen tot) boycots in de
geschiedenis zijn o.a.
- de oproep van de Indiase leider Mahatma Gandhi om geen Engelse producten te
kopen.
- de Montgomery-busboycot die begon in 1955 en leidde tot het einde van de
rassenscheiding in bussen.
- de olieboycot van OPEC-landen tegen westerse landen die Israël hadden
bijgestaan in de Jom Kippoeroorlog, wat in 1973 leidde tot de oliecrisis,
- en de boycot van Zuid-Afrikaanse producten ten tijde van de
apartheidspolitiek.
- de boycot van joodse winkels in Duitsland en Oostenrijk, tijdens en in de
jaren voor de Tweede Wereldoorlog.
- Olympische Spelen 1956 in Melbourne vanwege de rol van de Sovjet-Unie in de
Hongaarse opstand.
CENSUUR
IN NEDERLAND ©
Groep
Hop
© Boycot
RvdK NBG
BSC
Modelbrief
91 Modelbrief
465 Oorlog op de Veluwe: (340)
(425) (459)
(379) Farizeeërs
gesignaleerd!
Het verzet op internet begon op de Veluwe in 1997 (1)
(16) en daar waren ze bij de
rechtbank Zutphen niet zo blij mee. (12)
(95) (710)
(Wraking,
naam en nevenfuncties rechters)