CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Hop geeft inzicht in denk- en werkwijze van Rechterlijke ambtenaren door publicatie van informatie op internet 

De belangrijkste taak van de Hoge Raad is burgers geen recht geven op rechtseenheid en rechtsbescherming en waarheidsvinding om "gesubsidieerde hulpverlening" te kunnen blijven verkopen en oordeelt dus ook niet over feiten

 

De belangrijkste taak van de Hoge Raad is de cassatierechtspraak. Doel van de cassatierechtspraak is het handhaven van de rechtseenheid en het richting geven aan de rechtsontwikkeling. Daarnaast beoogt de cassatierechtspraak rechtsbescherming, controle op de kwaliteit van de bestreden uitspraak van de lagere rechter, zowel wat betreft de wijze waarop daarin het recht is toegepast, als wat betreft de motivering. Van de uitspraken in hoger beroep van de rechtbanken, de gerechtshoven en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba op het gebied van het strafrecht en van het burgerlijk of civiele recht, en van de belastinguitspraken van de Hoven kan gewoonlijk beroep in cassatie op de Hoge Raad worden ingesteld. Met betrekking tot bestuursrechtuitspraken bestaat, zoals vermeld, die mogelijkheid niet. Van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan slechts in beperkte mate cassatieberoep op de Hoge Raad worden ingesteld.

Conclusie
De belangrijkste taak van de procureur-generaal en de advocaten-generaal is aan de Hoge Raad een onafhankelijk advies te geven hoe in het gegeven geval te oordelen. De wet noemt een dergelijk advies conclusie van de procureur-generaal. Deze conclusies leveren een wezenlijke, ja zelfs onmisbare bijdrage aan de rechtspraak van de Hoge Raad en daarmee aan de kwaliteit van de rechtspraak, de rechtsbescherming, de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. In de conclusie wordt in de regel een overzicht gegeven van de feiten waarvan de Hoge Raad moet uitgaan, van de rechtsvragen die de Hoge Raad moet beantwoorden, van de beslissing van het gerecht tegen wiens uitspraak het cassatieberoep is gericht, van de wetenschappelijke meningen en van eerdere jurisprudentie. Ook wordt soms een aantal mogelijke oplossingen aangedragen. In civiele zaken en in de meeste strafzaken is een conclusie wettelijk verplicht. Met betrekking tot belastingzaken ontbreekt een dergelijke verplichting. De Hoge Raad is vrij de conclusies al dan niet te volgen en is terzake geen verantwoording verschuldigd. De conclusies worden met de uitspraken gepubliceerd in de vakpers en, voorlopig nog beperkt, op internet.

Een zaak kan aan de Hoge Raad worden voorgelegd door (een van) de civiele procespartijen, door de verdachte of door het openbaar ministerie bij rechtbank of hof, door de belanghebbende (belastingplichtige) of de instantie die een vordering of heffing heeft opgelegd, of door een vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad tot cassatie in het belang der wet.

Aard van de cassatierechtspraak Cassatie verschilt wezenlijk van hoger beroep. In hoger beroep wordt de zaak in beginsel helemaal opnieuw bekeken en kan ook, zonodig, een nieuw onderzoek naar de feiten worden ingesteld. Het onderzoek van de cassatierechter is echter beperkt, met name voor wat betreft de feiten. De Hoge Raad moet - volgens wettelijk voorschrift - uitgaan van de feiten die de lagere rechter heeft vastgesteld.

Cassatie betekent: vernietiging van een rechterlijke uitspraak wegens schending van het recht, de regels van het procesrecht daaronder begrepen. In dat laatste kader controleert de Hoge Raad of de lagere rechter heeft voldaan aan de eisen die het recht stelt aan een behoorlijk proces. Heeft de lagere rechter essentiŽle regels van een behoorlijke rechtspleging geschonden, dan zal de Hoge Raad reeds daarom de aangevallen beslissing moeten casseren. Meestal wijst de Hoge Raad na vernietiging van de bestreden uitspraak een - in de regel andere - lagere rechter aan om de zaak verder te behandelen. In beginsel oordeelt de Raad immers niet over de feiten. Alleen als voor een eindbeslissing (bijna) geen beslissingen van feitelijke aard meer behoeven te worden genomen, zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.

Taken van de vier kamers van de Hoge Raad
De rechtspraak op het gebied van het civiele recht, waaronder begrepen het handelsrecht (Wetboek van Koophandel, Faillissementswet, waaronder de Wet schuldsanering natuurlijke personen) wordt uitgeoefend door de eerste of civiele kamer. Deze kamer oefent ook rechtspraak uit op tal van andere, niet in strikte zin tot het civiele recht behorende terreinen, zoals die van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en de Algemene Bijstandswet.
De rechtspraak op het gebied van het strafrecht en het uitleveringsrecht is in handen van de tweede of strafkamer. Deze kamer behandelt ook de verzoeken om herziening. De derde kamer - die in twee afdelingen is verdeeld - houdt zich in hoofdzaak bezig met de cassatierechtspraak op het gebied van het belastingrecht en het onteigeningsrecht. Deze kamer oordeelt onder meer ook over de cassatieberoepen die zijn ingesteld tegen uitspraken van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam en, in een beperkt aantal gevallen, van de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
De vierde kamer van de Hoge Raad behandelt de vorderingen van de procureur-generaal tot schorsing of ontslag van leden van de rechtsprekende macht. Omdat rechters in onafhankelijkheid hun rechtsprekende taak moeten kunnen verrichten worden zij aangesteld voor het leven, dat wil zeggen totdat zij de wettelijke leeftijdsgrens van 70 jaar hebben bereikt. Zij kunnen dan ook niet tegen hun wil door regering of parlement worden geschorst of ontslagen. De Hoge Raad heeft die bevoegdheid wel, bijvoorbeeld bij gebleken ongeschiktheid voor de functie of na een veroordeling wegens misdrijf. Voor een vordering tot schorsing of ontslag is zelden aanleiding, niet alleen omdat deze problematiek zich weinig voordoet, maar ook omdat de betrokken rechter de ontslagprocedure meestal niet afwacht, maar zelf ontslag vraagt. Ook verricht de vierde kamer in het kader van de zgn. ombudsregeling, op vordering van de procureur-generaal, onderzoek naar gedragingen van een rechter over wie bij de procureur-generaal is geklaagd. Vanwege deze ombudstaak wordt de vierde kamer ook wel aangeduid als ombudskamer.

Het geheim van de raadkamer
De beslissingen van de Hoge Raad komen tot stand in de raadkamer. Artikel 28 van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt: '...zijn verplicht het geheim te bewaren opzichtelijk de gevoelens die in de raadkamer over rechtsaanhangige gedingen door de raadsheren(...) zijn geuit geworden.' Van de discussies in de raadkamer mag dus niets naar buiten komen. Het is voor derden niet kenbaar of beslissingen unaniem of met meerderheid van stemmen zijn aangenomen.

 

Cassatie in het belang der wet

(bron: verslag Hoge Raad over de jaren 2005/2006)

De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft op grond van artikel 78 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie de discretionaire bevoegdheid om een vordering tot cassatie ‘in het belang der wet’ in te stellen tegen een rechterlijke uitspraak met als doel de rechtsontwikkeling en rechtseenheid te bevorderen.
Een dergelijke vordering kan slechts worden ingesteld indien voor partijen geen gewoon rechtsmiddel openstaat (artikel 78 lid 6 Wet op de rechterlijke organisatie). Voorts wordt in lid 6 bepaald dat de uitspraak van de Hoge Raad op een vordering tot cassatie in het belang der wet geen verandering brengt in de rechten van partijen, zoals deze uit de bestreden uitspraak van de lagere rechter voortvloeien. Cassatie in het belang der wet heeft dus geen rechtsgevolgen voor de betrokken partijen.
In de praktijk wordt de beslissing om al dan niet een vordering tot cassatie in het belang der wet in te stellen, in vrijwel alle gevallen genomen op grond van een verzoek dat de procureur-generaal heeft ontvangen. Verzoeken zijn afkomstig van onder meer het openbaar ministerie (sinds 2006 is de behandeling van cassatieberoepen geconcentreerd bij het ressortparket in Den Haag en zijn de verzoeken van dat parket afkomstig), andere gerechten, (semi-) overheidsinstellingen, bedrijven, advocaten en burgers. Het komt echter ook voor dat de procureur-generaal op eigen initiatief, dus zonder dat hij daartoe een verzoek heeft ontvangen, besluit een vordering tot cassatie in het belang der wet in te stellen.
Het aantal verzoeken om cassatie in het belang der wet in te stellen dat door de procureur-generaal wordt ontvangen, blijft redelijk constant. In 2001 werden 27 verzoeken ontvangen, in 2002 26, in 2003 23, in 2004 35 en in de afgelopen verslagperiode werden 36 verzoeken ontvangen in 2005 en 35 in 2006.
Het aantal vorderingen dat door de procureur-generaal wordt ingediend groeit. In de verslagperiode 2001-2002 werden vier vorderingen ingediend, in 2003-2004 waren dat er drie. In de afgelopen verslagperiode werden zeven vorderingen ingediend.
De toename van het aantal ingediende vorderingen houdt in de eerste plaats verband met de totstandkoming van wettelijke regelingen die het cassatieberoep voor partijen uitsluiten en de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet in de wet hebben opgenomen als middel om de rechtseenheid te garanderen, zoals de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften, de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg en de Overleveringswet.
In de tweede plaats is er de toenemende aandacht voor de rechtseenheid die er toe leidt dat niet altijd jaren kan worden gewacht tot een gewoon cassatieberoep wordt ingesteld, maar dat voor het instellen van cassatie in het belang der wet moet worden gekozen om een vraag van uitleg van nieuwe wetgeving snel aan de Hoge Raad voor te leggen (zie bijv. HR 13 juni 2006, LJN AX1662 (RvdW 2006, 621) met betrekking tot de wijziging van art. 14a lid 2 Sr).
Daarbij moet wel worden opgemerkt dat een snelle cassatie in het belang der wet niet in aanmerking komt, indien het gaat om een rechtskwestie waarmee in de praktijk nog ervaring moet worden opgedaan om tot een verantwoord oordeel te komen.
Ook is terughoudendheid geboden indien verwacht wordt dat de rechtsvraag de Hoge Raad binnen redelijke termijn zal bereiken door middel van een gewoon cassatieberoep. De gewone procedure heeft in het bijzonder in civiele zaken het voordeel dat de partijen hun argumenten voor de ene of de andere beslissing naar voren kunnen brengen. Omdat dit voordeel van het contradictoire geding in strafzaken minder speelt dan in andere zaken, kan deze terughoudendheid bij strafzaken minder groot zijn.

Afgewezen verzoeken
Veel verzoeken om een vordering tot cassatie in het belang der wet worden ingediend door of namens de partij die in de betreffende beslissing in het ongelijk is gesteld. Het indienen van een verzoek cassatie in het belang der wet in te stellen wordt dan kennelijk gezien als laatste mogelijkheid om alsnog gelijk te krijgen. Daarvoor is dit buitengewone rechtsmiddel echter niet bedoeld. Deze praktijk leidt er wel toe dat veel verzoeken moeten worden afgewezen omdat zij geen kwestie aan de orde stellen die in het belang van rechtsontwikkeling of rechtseenheid opheldering behoeft.
Bij de beoordeling van een verzoek om een vordering tot cassatie in het belang der wet in te dienen, spelen verschillende aspecten een rol (zie voor een overzicht van de beoordelingscriteria Den Hartog Jager, ‘Cassatie in het belang der wet’ p. 119 e.v. en de toelichting op de jaarcijfers 1999-2000, p. 60-61, a t/m k). De meest  voorkomende redenen op grond waarvan verzoeken in de verslagperiode werden afgewezen zijn:
a. dat geen sprake is van een omstreden rechtskwestie die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling opheldering behoeft.
Met name bij verzoeken die van een der partijen afkomstig zijn, komt het voor dat zij zich richten tegen een beslissing die niet onjuist is en in lijn is met bestaande rechtspraak. Een enkele keer is er sprake van een apert onjuiste beslissing, maar ook die lenen zich in het algemeen niet voor het instellen van cassatie in het belang der wet. Er valt immers niets op te helderen;
b. dat de beslissing overwegend wordt bepaald door de feiten en omstandigheden van het geval en de daaraan te verbinden feitelijke waarderingen.
Ook deze grond voor afwijzing hangt samen met de omstandigheid dat verzoeken vaak worden ingediend door de partij die het niet eens is met de betreffende beslissing. Indien het oordeel van de rechter in hoge mate afhankelijk is van de nuances van het concrete geval, wordt alleen al om die reden geen cassatie in het belang der wet ingesteld;
c. dat in de (hoofd)zaak nog niet onherroepelijk is beslist.
Deze situatie doet zich vooral voor bij verzoeken in strafzaken die betrekking hebben op beschikkingen tijdens het vooronderzoek. Het is vast beleid om zolang een strafzaak tegen een verdachte (of een medeverdachte) nog loopt, tegen dergelijke beschikkingen geen cassatie in het belang der wet in te stellen, omdat de daarbij aan de orde te stellen rechtsvraag dikwijls ook in de eigenlijke strafzaak een rol kan spelen.
De verzoeken betreffen uitspraken omtrent uiteenlopende onderwerpen. Ten aanzien van de verzoeken die betrekking hebben op het strafrecht, valt op dat relatief veel verzoeken om cassatie in het belang der wet in te stellen worden ingediend ten aanzien van beschikkingen op verzoeken tot schadevergoeding ex art. 89 en 591a Wetboek van Strafvordering.
Enerzijds heeft dit te maken met het feit dat de rechter van de wetgever veel ruimte heeft gekregen om te beslissen of een vergoeding moet worden toegekend en hoe  hoog die vergoeding zou moeten zijn (een vergoeding wordt slechts toegekend  indien en voorzover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn) en dit aanleiding geeft tot uiteenlopende beslissingen. Omdat de beslissingen sterk samenhangen met de weging en waardering van de omstandigheden van de zaak, lenen zij zich dikwijls alleen al om die reden niet voor cassatie in het belang der wet.
Anderzijds leidt de uitleg van de term ‘zaak’ in art. 89 en 591a Sv – over welk onderwerp de Hoge Raad in 2001 nog een uitspraak heeft gedaan op een vordering tot cassatie in het belang der wet (zie HR 8 mei 2001, NJ 2001, 508 en 509 m.nt. JdH, LJN AB1502 en AB1509) – nog steeds tot verzoeken om cassatie in het belang der wet in te stellen. Het gaat dan met name om de vraag of een ‘zaak is geŽindigd zonder oplegging van straf of maatregel’ ingeval er sprake is van gevoegde zaken waartussen geen relevant verband bestaat en de verdachte slechts voor ťťn van die zaken is veroordeeld. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad valt op te maken dat niet van belang is of er enig verband bestaat tussen de feiten of zaken, maar een aantal afwijkende beschikkingen van het hof en de rechtbank Amsterdam (hof Amsterdam 7 juli 2003, LJN AO0473 en rechtbank Amsterdam 9 augustus 2002, LJN AO3103) heeft op dit punt toch voor onduidelijkheid gezorgd. Nu bij navraag is gebleken dat deze beschikkingen niet kunnen worden aangemerkt als bestendige rechtspraak van de rechtbank of het hof Amsterdam en de rechtspraak van de Hoge Raad duidelijk is, heeft de procureur-generaal het niet nodig geacht om tegen deze beschikkingen cassatie in het belang der wet in te stellen.

Ingestelde vorderingen
In de verslagperiode zijn – zoals hiervoor reeds vermeld – zeven vorderingen tot cassatie in het belang der wet ingesteld. Op ťťn vordering is nog niet beslist.
Van de zes afgewikkelde zaken volgt hier een korte uiteenzetting.

1. HR 15 april 2005, LJN AS 2713 (NJ 2005, 483)
In deze zaak is aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of een ontslagneming door een statutair directeur uit zijn bestuurspositie tevens het einde van zijn arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft. Het maatschappelijk belang van deze vraag en de onzekerheid die over deze vraag bestond in de rechtspraktijk, vormden de redenen voor het indienen van de vordering. De Hoge Raad oordeelde dat uitgangspunt is dat door een ontslag als bestuurder ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beŽindiging in de weg staat of indien partijen anders zijn overeengekomen. Ook de ontslagneming door de statutair bestuurder heeft in beginsel tot gevolg dat zijn dienstbetrekking eindigt. Daaruit vloeit tevens voort dat niet kan worden aanvaard dat de bestuurder, die zijn functie neerlegt, die ontslagneming eenzijdig kan beperken tot het verlies van de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap met instandhouding van de dienstbetrekking.

2. HR 23 mei 2006, LJN AU 7141 (RvdW 2006, 527)
De vordering in deze zaak had betrekking op de vraag of het hof het verschuldigde bedrag aan zekerheidstelling en aan griffierecht had mogen matigen in geval van hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter op het verzet op de voet van de artikelen 26 en 27 Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (verzet tegen kennisgeving van verhaal van een opgelegde administratieve sanctie), omdat het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in het geding was. De Hoge Raad stelde vast dat noch in de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften noch in de Wet tarieven in burgerlijke zaken in een geval als het onderhavige aan het hof de bevoegdheid wordt toegekend het wettelijk griffierecht te matigen en/of in debet te stellen en evenmin om de verschuldigde zekerheid te verminderen.
Het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM kan niet leiden tot een verplichting tot matiging, nu art. 6 EVRM niet op de verzetprocedure van toepassing is. De verzetprocedure betreft immers geen ‘criminal charge’ en er is geen sprake van de ‘determination of civil obligations’, omdat aan de rechter die in de verzetprocedure beslist, niet de bevoegdheid toekomt geldelijke verplichtingen van de betrokkene vast te stellen. Het hof was dus niet bevoegd het gevraagde bedrag aan zekerheidstelling en griffierecht te matigen.

3. HR 13 juni 2006, LJN AX1662 (RvdW 2006, 621)
Deze door de procureur-generaal ingediende vordering betrof de vraag of de nieuwe, sinds 1 februari 2006 geldende regeling van de voorwaardelijke gevangenisstraf (art. 14a lid 2 Sr) mag worden toegepast op feiten die zijn gepleegd vůůr de inwerkingtreding van deze regeling. Hoewel deze rechtsvraag ook in het kader van een gewone cassatieprocedure door een van de partijen aan de Hoge Raad kon worden voorgelegd, diende de procureur-generaal een vordering in. Het was gebleken dat er tussen de verschillende gerechten uiteenlopende opvattingen bestonden over deze kwestie en de procureur-generaal achtte het onwenselijk deze onzekerheid te laten bestaan, terwijl het hier niet ging om een rechtskwestie waarmee in de praktijk nog ervaring moest worden opgedaan om tot een verantwoord oordeel te komen. Nu de Wet herijking strafmaxima (met welke wet onder meer art. 14a lid 2 Sr werd gewijzigd in die zin dat de maximum duur van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf werd verhoogd van ťťn naar twee jaar) geen voor deze regeling relevante overgangsbepaling bevat en uit niets – met name niet uit de wetsgeschiedenis – blijkt dat er sprake is van een verandering in de wetgeving als bedoeld in art. 1 lid 2 Sr (er is geen sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de feiten waarop die bepaling betrekking heeft), oordeelde de Hoge Raad dat de nieuwe regeling niet met terugwerkende kracht mocht worden toegepast op feiten die zijn gepleegd vůůr de inwerkingtreding van deze regeling (zie r.o. 3.6).

4. HR 28 november 2006, LJN AY6634 (RvdW 2006, 1157)
De procureur-generaal legde in deze zaak aan de Hoge Raad de vraag voor in hoeverre de rechter de vordering van de officier van justitie op de voet van art. 13 lid 2 Overleveringswet (OLW) mag toetsen. Art. 13 lid 1 OLW bepaalt onder meer dat overlevering niet wordt toegestaan voor feiten die geacht worden geheel of ten dele in Nederland te zijn begaan. Volgens art. 13 lid 2 OLW wordt van een weigering van de overlevering afgezien op vordering van de officier van justitie, een bevoegdheid die in het bijzonder in het leven is geroepen in het belang van een goede rechtspleging, met name in gevallen waarin lidstaten bij de opsporing hebben samengewerkt en het daarom gewenst is de vervolging in ťťn lidstaat te concentreren. Indien de officier van justitie met toepassing van art. 13 lid 2 OLW de overlevering vordert, kan de rechtbank deze slechts weigeren indien de officier naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet tot die vordering heeft kunnen komen. Op grond van de bewoordingen van art. 13 lid 2 OLW moet – mede gezien de wetsgeschiedenis – worden aangenomen dat de rechtbank de vordering van de officier van justitie slechts marginaal mag toetsen. Nu de toetsing van de rechtbank verder ging dan een marginale toetsing (de rechtbank overwoog dat de feiten ter zake waarvan overlevering werd verzocht – invoer van drugs vanuit Turkije naar Nederland – een grove schending vormden van de Nederlandse rechtsorde en dat de beperkte schending van de Duitse rechtsorde (Duitsland fungeerde slechts als transitland) niet opwoog tegen de inbreuk op de Nederlandse rechtsorde en oordeelde dat de officier van justitie op grond hiervan in redelijkheid niet tot haar vordering had kunnen komen om af te zien van de weigeringsgrond), gaf het oordeel van de rechtbank volgens de Hoge Raad blijk van miskenning van de te dezen aan te leggen maatstaf (r.o. 3.4.2-3.6).

5. HR 28 november 2006, LJN AY6631 (RvdW 2006, 1155)
Ook deze vordering betrof de uitleg van art. 13 OLW. De rechtbank had de overlevering van de opgeŽiste persoon geweigerd op de grond dat de officier van justitie in verband met de namens de opgeŽiste persoon aangevoerde redenen van humanitaire aard in redelijkheid niet had kunnen komen tot de vordering om af te zien van weigering van de overlevering krachtens art. 13 lid 1 OLW. De Hoge Raad gaat in op de wetsgeschiedenis van art. 13 OLW (zie hiervoor onder 4) en overweegt vervolgens dat de OLW geen regeling bevat die vergelijkbaar is met de in het uitleveringsrecht erkende en in art. 10 lid 2 UW neergelegde ‘hardheidsclausule’ op grond waarvan de uitlevering kan worden geweigerd. Art. 35 lid 3 OLW kent immers slechts de mogelijkheid van uitstel van de feitelijke overlevering op grond van ernstige humanitaire redenen. Nu de overlevering niet kan niet worden geweigerd om redenen van humanitaire aard, vormen die dus niet een factor die relevant is bij de beantwoording van de vraag of in het belang van een goede rechtsbedeling moet worden afgezien van toepassing van de in art. 13 lid 1 OLW genoemde weigeringsgronden. Door redenen van humanitaire aard te betrekken bij haar toetsing van de vordering van de officier van justitie heeft de rechtbank een verkeerde maatstaf aangelegd, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.4.2.-3.6).

6. HR 28 november 2006, LJN AY6633 (RvdW 2006, 1156)
In deze zaak had de rechtbank, evenals in de zaak genoemd onder 5, de overlevering van de opgeŽiste persoon geweigerd omdat de officier van justitie in verband met de namens de opgeŽiste persoon aangevoerde redenen van humanitaire aard in redelijkheid niet had kunnen komen tot de vordering om af te zien van weigering van de overlevering krachtens art. 13 lid 1 OLW. Ten aanzien van de betekenis van redenen van humanitaire aard bij de beantwoording van de vraag of moet worden afgezien van toepassing van art. 13 lid 1 OLW, besliste de Hoge Raad als in de hiervoor onder 5 genoemde zaak.
Voorts besliste de Hoge Raad dat in het middel van de procureur-generaal terecht wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de omstandigheid dat het openbaar ministerie geschreven noch ongeschreven beleidsregels heeft ten aanzien van de wijze waarop het van de in art. 13 lid 2 OLW bedoelde bevoegdheid gebruik maakt en in de toekomst gebruik zal maken, op de officier een ‘verzwaarde plicht’ rust te motiveren waarom wordt gevorderd af te zien van de weigeringsgronden van art. 13 lid 1 OLW. Voor zover hierbij wordt gedoeld op beleidsregels ten aanzien van omstandigheden van humanitaire aard, vloeit de onjuistheid van haar oordeel voort uit hetgeen hiervoor is overwogen (zie onder 5). Maar ook overigens is dit oordeel onjuist en vindt het geen steun in de bewoordingen of de geschiedenis van art. 13 OLW, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.7).



Bron: Hoge Raad der Nederlanden
Datum actualiteit: 3 februari 2009
Naar boven

 

NVvR: "De erkenning van het recht op geleden affectieschade is een politieke keuze van de wetgever en heeft tevens een zekere mate van symbolische werking!" De niet duurzaam samenwonende partner heeft op grond van deze formulering geen recht op vergoeding van geleden affectieschade

Blijkens de concept memorie van toelichting kan de naaste of nabestaande worden vermoed tot de kring van gerechtigden te horen indien hij of zij langer dan ťťn jaar met het slachtoffer samenwoont.

 

224

ADVIES

inzake

Wetsvoorstel tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en de Wet Schadefondsen Geweldsmisdrijven in verband met de vergoedbaarheid van schade als gevolg van overlijden of ernstig en blijvend letsel van naasten.

Inleiding

1. De Minister van Justitie heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak om advies gevraagd over het concept wetsvoorstel tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven in verband met de vergoedbaarheid van schade als gevolg van overlijden of ernstig en blijvend letsel van naasten, verder te noemen het concept wetsvoorstel affectieschade.

Het onderhavige advies van de wetenschappelijke commissie van de NVvR is voorbereid door leden van de studiekring Burgerlijk Recht.

Voorstel

  1. Het concept wetsvoorstel strekt ertoe een wettelijke regeling tot stand te brengen voor de vergoedbaarheid van affectieschade (zijnde het nadeel dat geleden wordt wanneer een persoon waarmee men een affectieve relatie heeft ernstig gewond raakt of overlijdt tengevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is).

    In het concept wetsvoorstel wordt gekozen voor een uitputtende kring van personen die recht hebben op een gefixeerd bedrag t.z.v. immateriŽle schade, zowel in het geval van ernstig en blijvend letsel, als in het geval van overlijden; dit wordt in het concept voorstel bewerkstelligd door de aanpassing van de artikelen 6:107 en 108 van het Burgerlijk wetboek.

    Daarnaast wordt voorgesteld artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering en een bepaling uit de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven aan te passen.

    Commentaar

  2. De wetenschappelijke commissie staat positief tegenover een wettelijke regeling van affectieschade.

    In het recente verleden is de rechterlijke macht geconfronteerd met een groeiend aantal procedures waarbij naasten en nabestaanden van slachtoffers trachtten enige vorm van genoegendoening geldend te maken.

    Aan de groeiende maatschappelijke behoefte aan vergoeding van geleden affectieschade kan de rechterlijke macht echter niet voldoen vanwege het limitatieve en exclusieve stelsel van de artikelen 6:107 en 108 BW.

    Het concept wetsvoorstel affectieschade brengt hierin verandering door de juridische erkenning en wettelijke verankering van de vergoeding van geleden affectieschade, hetgeen de wetenschappelijke commissie (mede gezien de wettelijke mogelijkheden in andere Europese landen) ondersteunt.

  3. Enkele effecten van de politieke keuze

    De erkenning van het recht op geleden affectieschade is een politieke keuze van de wetgever en heeft tevens een zekere mate van symbolische werking, waardoor de verwachtingen in de maatschappij hoog gespannen kunnen zijn. De wetenschappelijke commissie wenst hierbij te wijzen op enkele effecten van deze politieke keuze.

    De nabestaande of naaste zal vaak verzekerd zijn van de uitkering van de schadevergoeding daar de dader verzekerd is, zoals bijvoorbeeld in het geval van verkeersongelukken.

    De wetenschappelijke commissie vraagt zich echter af in hoeverre de tegemoetkoming van het Schadefonds geweldsmisdrijven het gefixeerde bedrag in zijn totaliteit betreft.

    Daarnaast omvat het concept wetsvoorstel ook niet-verzekerde schade toebrengende gebeurtenissen en gebeurtenissen welke niet onder de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven vallen. In die gevallen is de nabestaande of naaste aangewezen op de inkomsten en het vermogen van de dader zelf; indien hier niets te halen is, zal de toegekende schadevergoeding feitelijk niet vergoed worden.

    Daarbij komt dan ook het feit dat bij verwonding de schadevergoeding aan het slachtoffer zelf concurreert met de schadevergoeding aan de naasten.

  4. Kring gerechtigden

    Uitgangspunt in het concept wetsvoorstel is dat de kring van personen die recht hebben op affectieschade beperkt wordt tot die personen die geacht worden een zeer nauwe band met het schachtoffer te hebben. Alleen in die gevallen is het gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat het letsel van het slachtoffer een zo ernstig verlies betekent dat vergoeding op zijn plaats is. De wetgever heeft in het concept wetsvoorstel niet gekozen voor een algemene hardheidsclausule; wel biedt lid 2, sub e en f van artikel 6:107 en artikel 6:108 BW volgens de wetgever voldoende ruimte om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieŽn, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.

    De niet duurzaam samenwonende partner heeft op grond van deze formulering geen recht op vergoeding van geleden affectieschade. Broers en zussen hebben enkel recht op vergoeding indien ze met het slachtoffer een gezamenlijke huishouding voerden of voeren. Ook zulks is een politieke keuze van de wetgever, waarop de wetenschappelijke commissie geen juridisch technisch commentaar heeft. De wetenschappelijke commissie verwacht wel dat, zeker in het begin, door middel van procedures getracht zal worden op grond van de leden 2 sub e en f de kring van gerechtigden uit te breiden.

    In lid 2 van de artikelen 6:107 en 108 BW wordt gesproken over "duurzaam een huishouding voeren" of "duurzaam in gezinsverband de zorg hebben".

    Blijkens de concept memorie van toelichting kan de naaste of nabestaande worden vermoed tot de kring van gerechtigden te horen indien hij of zij langer dan ťťn jaar met het slachtoffer samenwoont.

    De wetgever heeft hier naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie het juiste evenwicht gevonden tussen enerzijds de bepalingen van de redelijkheid en billijkheid en anderzijds de wettelijke fixatie op bijvoorbeeld ťťn jaar.

  5. Fixatie schadevergoeding

    De wetgever kiest voor een in een AMvB gefixeerd bedrag; ook hier betreft het een politieke keuze van de wetgever. De wetenschappelijke commissie signaleert dat door de fixatie van het bedrag de rechter minder maatwerk kan leveren bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding, maar verliest hierbij de voordelen van het systeem niet uit het oog, zoals bijvoorbeeld het minimaliseren van de kosten van onderhandelingen bij de vaststelling van de schadevergoeding en de grote mate van helderheid voor alle partijen waardoor de onderhandelingsmarges klein zijn.

    De wetenschappelijke commissie adviseert wel in de memorie van toelichting aan te geven of het matigingsrecht (6:109 BW) ook geldt voor de wettelijk gefixeerde affectieschade.

  6. De materiŽle schade van derden.

    Het concept wetsvoorstel beperkt zich tot immateriŽle affectieschade. Het regelt niet de materiŽle schade van verwanten zoals bijvoorbeeld de moeder die geestelijk instort door de dood of het letsel van haar kind en inkomsten derft omdat zij haar beroep niet meer kan uitoefenen of de materiŽle schade van hen die de feitelijke verzorging van het slachtoffer op zich nemen. Deze vormen van materiŽle schade van derden worden besproken in paragraaf 6 van de concept memorie van toelichting; de heroverweging van een bredere inrichting van het aansprakelijkheidsrecht wordt hier door de wetgever eventueel op langere termijn mogelijk geacht.

    De wetenschappelijke commissie adviseert dit traject inderdaad te vervolgen en hier nadere wetgeving op te ontwikkelen.

  7. Shockschade

    Paragraaf 4 van de concept memorie van toelichting behandelt de verhouding tussen affectieschade en shockschade. De regering geeft onder in deze paragraaf aan dat, daar waar het wetsvoorstel ertoe strekt vergoeding van affectieschade in bepaalde gevallen mogelijk te maken, het er mede toe kan bijdragen dat de rechtspraak inzake de vergoeding van shockschade beperkt blijft tot sprekende gevallen.

    De wetenschappelijke commissie vraagt zich af of hier niet een te rooskleurige beeld wordt geschetst en in hoeverre de wettelijke verankering van de affectieschade er inderdaad toe zal bijdragen het probleem rond de shockschade inzichtelijker te maken; ook naar geldend recht is de afbakening tussen verdriet enderzijds en letsel anderzijds immers een probleem.

    Eventueel kan wel het aantal procedures waarbij shockschade gevorderd wordt afnemen nu hier de druk van de ketel is.

  8. Werklast

    De Minister van Justitie gaat in zijn brief betreffende de kamervragen over het onderwerp affectieschade uit van een berekening van 1400 gevallen per jaar. Het betreft hier echter enkel en alleen de verkeersslachtoffers, andere gevallen moeten hier nog bij worden opgeteld. Het concept wetsvoorstel brengt dan ook enige extra werkbelasting voor de rechterlijke macht met zich mee. Daarnaast kunnen procedures meer tijd gaan vergen, bijvoorbeeld omdat ter zitting van de politierechter een nabestaande of naaste met een vordering verschijnt. Ook civielrechtelijke verweren, bijvoorbeeld gebaseerd op de toerekening rond eigen schuld, of interpretatieproblemen, kunnen procedures oprekken of voor praktische problemen zorgen.

  9. . Artikel II concept wetsvoorstel

    In het tweede lid van het voorgestelde artikel 51a Wetboek van Strafvordering wordt gesproken over het "mede voegen" van de naasten en nabestaanden in het strafproces. De wetenschappelijke commissie adviseert hier duidelijker aan te geven dat het een zelfstandig voegingsrecht betreft.

    De wetenschappelijke commissie adviseert tevens de laatste regel betreffende de voorgestelde uitzondering van artikel 51a, derde lid Wetboek van Strafvordering te laten vervallen, nu hier geen rekening gehouden wordt met de omstandigheid dat advocaten (ondanks het feit dat de vordering gefixeerd is) slechts een gedeelte van de vordering voegen in het strafproces, met name in het geval dat er discussie bestaat over eigen schuld.

  1. . Overige opmerkingen

Wellicht dat in de memorie van toelichting kan worden opgenomen dat de rechtsgevolgen die aan de vordering affectieschade toekomen in onder meer het faillissementsrecht en het huwelijksvermogensrecht, gelijk zijn aan de rechtsgevolgen die aan bestaande immateriŽle schadevergoeding(vorderingen) toekomen.

Conclusie

12. De wetenschappelijke commissie staat positief tegenover een wettelijke regeling van affectieschade. Door de juridische erkenning en wettelijke verankering van de vergoeding op geleden affectieschade zal de maatschappelijke druk op de rechterlijke macht om tegemoet te komen aan naasten en nabestaanden afnemen.

Daar waar het concept wetsvoorstel een zekere symbolische waarde heeft, waarschuwt de wetenschappelijke commissie voor al te hoog gespannen verwachtingen. Wellicht kan in de memorie van toelichting worden opgenomen in hoeverre de wettelijke verankering van de affectieschade er inderdaad toe zal bijdragen dat het probleem rond de shockschade inzichtelijker wordt gemaakt.

De wetenschappelijke commissie constateert dat het concept wetsvoorstel enige extra werkbelasting voor de rechterlijke macht met zich brengt.

Tenslotte adviseert de wetenschappelijke commissie de laatste regel betreffende de voorgestelde uitzondering van artikel 51a, derde lid Wetboek van Strafvordering te laten vervallen.

 

Den Haag, 18 april 2002

 

Namens het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak,

de wetenschappelijke commissie,

 

G.Chr. Kok,

voorzitter

 

 

Ouders BOYCOT het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming

Een boycot is, in de oorspronkelijke zin, het verbreken van (handels)relaties met een land, een bedrijf of een individu. In de brede zin is het ook een verzaking om iets te doen, bijvoorbeeld een verkiezing boycotten om een statement te maken. De redenen van een boycot kunnen van politieke aard zijn of dienen om een vorm van wraak uit te oefenen of iemand te isoleren. Het woord ontstond in Ierland, waar de hardvochtige Engelse rentmeester Charles Cunningham Boycott (1832–1897) zo door zijn pachters werd gehaat, dat zij hem in 1879 volledig isoleerden.

Bekende (oproepen tot) boycots in de geschiedenis zijn o.a.
- de oproep van de Indiase leider Mahatma Gandhi om geen Engelse producten te kopen.
- de Montgomery-busboycot die begon in 1955 en leidde tot het einde van de rassenscheiding in bussen.
- de olieboycot van OPEC-landen tegen westerse landen die IsraŽl hadden bijgestaan in de Jom Kippoeroorlog, wat in 1973 leidde tot de oliecrisis,
- en de boycot van Zuid-Afrikaanse producten ten tijde van de apartheidspolitiek.
- de boycot van joodse winkels in Duitsland en Oostenrijk, tijdens en in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog.
- Olympische Spelen 1956 in Melbourne vanwege de rol van de Sovjet-Unie in de Hongaarse opstand.
- de boycot van de Raad voor de kinderbescherming in Nederland na onderonsjes met BARRAU om Leenders/Nienhuis uit het gezag te zetten.
- de boycot van de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland na onderonsjes met SBJNB om moeder D. uit het gezag te zetten
In Nederland rekent de jeugdzorg op medeplichtigheid van de RvdK om ouders met kritiek op de werkwijze van de jeugdzorg
in hun zaak zo snel mogelijk uit het gezag te zetten om kritiek van ouders op de jeugdzorg met deze werkwijze te onderdrukken.
Het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming heeft dan ook volkomen terecht in de volksmond de bijnamen
Raad voor de Leugenbescherming, Raad voor de Oudermishandeling en Raad voor de Kindermishandeling opgelopen.
Groep Hop eist per ouder tien miljoen euro schadevergoeding voor iedere ouder die procedeert tegen jeugdzorg
om vervolgens door RvdK en kinderrechters uit het gezag te worden gezet en een beroepsverbod voor de betrokken medewerkers van
jeugdzorg, Raad voor de Kinderbescherming en kinderrechters op welke zaken door een volksjury dient te worden beslist.

 

 

Wilt u meehelpen om de boycot Kinderbescherming bekendheid te geven?


UITNODIGING U kunt GRATIS meehelpen door uitnodigingen te verspreiden om te beginnen in uw eigen netwerk, in flatgebouwen
met veel brievenbussen, in wachtkamers, voor de ingang van scholen, kinderdagverblijven, rechtbanken of buro jeugdzorg enz.
091 Verzoek om gemeentegarantie vingerafdrukken bij nieuw paspoort of identiteitskaart!
685 Leer zelf procederen! Dien een Wob verzoek (bestuurlijke) nevenfuncties van een burgemeester in bij meerdere gemeenten
102 Leer zelf procederen! Dien een of meer Wob verzoeken in bij Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant

Troonrede 2010
Troonrede 2009
Troonrede 2008
Troonrede 2007
Troonrede 2006
Troonrede 2005
Troonrede 2004
Troonrede 2003
Troonrede 2002
Troonrede 2001
Troonrede 2000
Troonrede 1999
Troonrede 1998
Troonrede 1997
Troonrede 1996
Troonrede 1995
Troonrede 1994
Troonrede 1993
Troonrede 1992
Troonrede 1991
Troonrede 1990
Troonrede 1989
Troonrede 1988
Troonrede 1987
Gezocht Troonredes 1986 en ouder

top
Censuur in Nederland ©
Stem Groep Hop in 2014