|
Overzicht
|
| Lachwekkend!
Kinderbescherming zit
niet meer bij rechter aan tafel. (1)
(12) Lachwekkend!
Nu bellen de
vertegenwoordigers van de Staat met de kinderrechter buiten de
hoorzitting om nog voordat een verzoek wordt ingediend! (101)
(124) (180)
Lachwekkend!
UN heeft nog steeds niet op klacht van Hop
tegen Nederland beslist als representatief
voorbeeld van "corruptie van coalities" tussen UN en Nederland
(95) (710)
|
Als je niets te verbergen hebt en uitgebreide informatieplicht geen kwaad kan waarom krijg je als burger dan een enorme boete als je je identiteitsbewijs per ongeluk een keer vergeten bent?
De leden van de SGP-fractie hebben met buitengewoon veel reserves kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. De uitbreiding van de identificatieplicht achten deze leden zodanig ruim dat in feite van een vrijwel algemene en algehele identificatieplicht sprake is, zonder dat hen de noodzaak daartoe duidelijk is geworden. Ook tonen deze leden zich verontrust over de buitengewoon oppervlakkige wijze waarop de bevoegdheid om naar identiteitsbewijzen te vragen door het wetsvoorstel wordt genormeerd.
Het invoeren van de identificatieplicht voor "hulpverlening", "rechtshandhaving" en "handhaving openbare orde" is de verborgen agenda van de elite achter de overheid om burgers steeds beter in de gaten te kunnen houden
Als u naar een gemeentehuis gaat om een identiteitskaart, paspoort of rijbewijs te halen, lees dan altijd het complete aanvraagformulier even na en vraag aan de betrokken ambtenaar wat alle (computer)afkortingen op uw ingevulde aanvraagformulier exact betekenen! Vraag een kopietje van een compleet ingevuld formulier dus ook met de info van de gemeente op dit formulier. De ambtenaren van uw gemeente zullen aan u op eerste verzoek onverwijld het gevraagde verstrekken. Ambtenaren van de gemeente zijn er voor de burgers en niet andersom. Het kan natuurlijk zijn dat u met een "arrogante ambtenaar" te maken gaat krijgen die van mening is dat u er voor deze ambtenaar bent om zijn zakken te kunnen vullen met het niet geven van informatie aan burgers op verzoek van die burgers. Indien dat het geval is schrijf dan even snel uw verzoek op een papiertje. U overhandigd uw verzoek aan die ambtenaar en u vraagt gelijk om een BESCHIKKING OP VERZOEK! In de meeste gevallen helpt dat gelijk maar soms ook weer niet. U heeft te maken met een ambtenaar die kennelijk de juridische strijd met u wil aangaan over het wel of niet verstrekken van de (computer) afkortingen op een formulier dat u moet tekenen. U gaat vervolgens naar de informatiebalie en u vraagt daar alle nevenfuncties op van de burgemeester, wethouders en raadsleden van uw gemeente. Vervolgens vraagt u alle namen van alle leden van de bezwaarschriftencommissie van uw gemeente met hun nevenfuncties. Als u wordt gevraagd waarom u dit allemaal wilt weten dan kunt u zeggen. "Ik ben niet verplicht om dit te zeggen maar in dit geval wil ik dat wel doen". "Ik vraag net keurig netjes om informatie aan een ambtenaar bij dat loket welke informatie mij ten onrechte wordt geweigerd. Ik ga dus procederen tegen de gemeente en ben nu begonnen om informatie te verzamelen om beter te kunnen procederen. Ik ga ervan uit dat u wel snapt dat procederen tegen de gemeente om de betekenis van (computer)afkortingen op een formulier dat ik moet ondertekenen de gemeente meer gaat kosten dan een kopietje met die afkortingen en hun betekenis. Bovendien wil ik door een gemeente ambtenaar aan wiens salaris ik meebetaal netjes te worden behandeld. Het is nu een principe zaak geworden met verdergaande gevolgen voor de gemeente dan alleen het weigeren van de gevraagde informatie veroorzaakt door de ambtenaar die denkt de betekenis van (computer)afkortingen op een aanvraagformulier voor een identiteitsbewijs te kunnen weigeren aan een burger die hierom verzoekt.
Als je niets te verbergen hebt en uitgebreide informatieplicht geen kwaad kan waarom krijg je als burger dan een enorme boete als je je identiteitsbewijs per ongeluk een keer vergeten bent?
Tegengestelde beweringen van de overheid inzake invoering van een steeds verdergaande identificatieplicht
De auteur van de website Censuur in Nederland heeft voor u informatie verzameld over het onderwerp "identificatieplicht" bij het Ministerie van Justitie. Hij nodigt u als lezer van zijn website uit begrijpend te lezen hoe tegengesteld de beweringen en bedoelingen van de overheid zijn om een steeds verdergaande "identificatieplicht" voor de burgers in te voeren.
De overheid: "De uitbreiding van de identificatieplicht is bedoeld om handhaving van wetten en regels door de politie (en andere toezichthouders) te verbeteren" "Met de identificatieplicht kan gecontroleerd worden of de gegevens die iemand over zichzelf opgeeft juist en volledig zijn. Zo wordt voorkomen dat mensen een valse naam opgeven en worden fraude en criminaliteit bestreden"
TEGENSTELLING
De overheid: "Het concept-wetsvoorstel voor een algemene identificatieplicht vloeit voort uit het Strategisch Akkoord 2002 en het Nationaal Veiligheidsplan. Het doel is de criminaliteitsbestrijding en rechtshandhaving doeltreffender aan te pakken"
De overheid: "Volgens de huidige wetgeving mag de politie een verdachte van een strafbaar feit om zijn naam, adres, geboortedatum en sofi-nummer vragen. Ook mag de politie, zonder dat er een verdenking van een strafbaar feit is, iemands identiteit controleren in het kader van het verkeerstoezicht of indien er een redelijk vermoeden is dat de persoon illegaal in Nederland verblijft. Voor de andere politietaken, het handhaven van de openbare orde en hulpverlening, heeft de politie onder de huidige wetgeving geen identificatiebevoegdheden. Dat verandert met de invoering van de wet “Uitgebreide identificatieplicht”. De politie krijgt dan ook voor de uitvoering van deze taken (openbare orde en hulpverlening) de bevoegdheid om naar het identiteitsbewijs te vragen, mits daar een concrete aanleiding voor is."
Ik (redacteur website Censuur in Nederland) nodig u uit wat kritischer na te denken over de uitspraken van Minister van Justitie Donner inzake de invoering van de wet “Uitgebreide identificatieplicht”.
De overheid wil de algemene identificatieplicht voor iedereen van 14 jaar en ouder invoeren. Dit houdt in dat iedereen dan ten allen tijde een paspoort, rijbewijs of identiteitskaart bij zich moet dragen en desgevraagd aan overheidsdienaren moet tonen, op straffe van boete en/of cel bij overtreding. Voor de invoering wordt gepleit met de volgende argumenten:
1. Nederland wordt er veiliger van. Niet waar! Er bestaat geen stuk papier dat misdrijven voorkomt. Ook zal het de oplossing van misdrijven niet bespoedigen, geen denkende misdadiger laat een kopie van zijn identiteitsbewijs achter op de plaats van het misdrijf. Veiligheid komt niet van overheidscontrole, maar van sociale cohesie: hoe ga ik eigenlijk met mijn buren om? De criminaliteitscijfers in Nederland dalen al jaren er wordt een gevoel van onveiligheid geschapen door het tegendeel te beweren om de oplossing zo duur mogelijk te kunnen blijven verkopen en burgers steeds beter in de gaten te kunnen houden.
2. Het herstelt het gezag van de politie en de overheid. Niet waar! Identificatieplicht zal voor steeds meer mensen het effect hebben dat de politie, nog meer dan zij al heeft, een repressieve functie krijgt. Aangezien de politie zelf selecteert wie zij controleert, zal het ook discriminatie in de hand werken. De overheid moet gezag afdwingen door zelf van onbesproken gedrag te zijn.
3. Het helpt tegen het internationale terrorisme. Niet waar! Alle plegers van de aanslagen op het WTC hadden identiteitsbewijzen, ze zijn door alle controles heen gelopen. Ieder identiteitsbewijs dat te maken is, is ook na te maken.
4. 1. Als je niets te verbergen hebt, kan het geen kwaad. Door invoering van een uitgebreide identificatieplicht maakt de overheid van iedere burger automatisch een verdachte. Het is een maatregel van een overheid die steeds repressiever wil optreden tegen gewone burgers om die burgers financieel uit te kleden en in de gaten te houden om de elite achter die overheid steeds verder te verrijken. Als je niets te verbergen hebt en uitgebreide informatieplicht geen kwaad kan waarom krijg je als burger dan een enorme boete als je je identiteitsbewijs per ongeluk een keer vergeten bent?"
4.2 Onderbouwing van stelling onder 4.1: Boetes van maximaal 2250 Euro of een gevangenisstraf van twee maanden voor iedere Nederlander van 14 jaar en ouder vanaf 1 januari 2005 voor wie zich niet kan legitimeren als politie of "toezichthouder" daarom vraagt
4.3 Onderbouwing van stelling onder 4.1: Wetsvoorstel Minister van Justitie tot invoering van een algemene identificatieplicht zal oncontroleerbaar blijken te zijn en leiden tot een aanzienlijke uitbreiding registratie van het gedrag van onverdachte burgers. 14.02.03. Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft de Minister van Justitie geadviseerd het wetsvoorstel uitbreiding identificatieplicht niet in te dienen. Het wetsvoorstel dient tot invoering van een algemene identificatieplicht. Alle burgers vanaf 12 jaar zouden zich overal en altijd moeten kunnen identificeren tegenover politie en andere toezichthouders. Het CBP vindt dat de wetgever deze verplichting niet goed heeft onderbouwd. Ook vindt het CBP de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet voldoende gerechtvaardigd. Bovendien roept het wetsvoorstel een bevoegdheid in het leven die ofwel oncontroleerbaar zal blijken te zijn ofwel zal leiden tot een aanzienlijke uitbreiding van de registratie van het gedrag van onverdachte burgers.
010105 Eerste boete identificatieplicht! In Nijmegen toont de overheid voor het eerst zijn ware gedaante om (met de verborgen agenda van de elite achter de overheid) met een buitengewoon oppervlakkige bevoegdheid de identificatieplicht te normeren
Bron: Omroep Gelderland
Eerste boete identificatieplicht! De politie in Nijmegen heeft op 1 januari 2005 de eerste verdachte aangehouden die weigerde te voldoen aan de nieuwe identificatieplicht. De Nijmeegse politie hield de man op het Keizer Karelplein aan bij het feest ter ere van het 2000-jarig bestaan van Nijmegen. De man wilde demonstreren tegen het kabinetsbeleid en verzette zich toen agenten dat niet wilde toestaan.
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak verwacht toename van strafbare feiten die samenhangen met onrechtmatige verkrijging van identiteitsbewijzen. Jeugdige personen kunnen een gemakkelijk doelwit vormen voor het afpakken van paspoorten. Indien een algemene identificatieplicht – dus een plicht die verder gaat dan de reeds bestaande bijzondere identificatieverplichtingen - daadwerkelijk bijdraagt aan het voorkómen van strafbare feiten, met name geweldsdelicten door groepen anoniem blijvende personen, kan de bescherming van de rechten van andere personen met een zodanige identificatieplicht gediend zijn. Of een algemene identificatieplicht inderdaad hieraan bijdraagt, kan de NVvR bevestigen noch ontkennen. Het probleem is, dat er maar weinig bekend is over de effectiviteit.
242
ADVIES inzake Het concept
wetsvoorstel inzake uitbreiding van de identificatieplicht
Inleiding
Bij brief van 10 december 2002 heeft de minister van Justitie de NVvR om advies
verzocht over een concept-voorstel van wet d.d. 27 november 2002 inzake de
uitbreiding van de identificatieplicht. Het advies is voorbereid door een
werkgroep uit leden van de vereniging. Het advies beperkt zich in dit stadium
tot een reactie op hoofdlijnen. Omdat de wetenschappelijke commissie tot de
slotsom komt dat nadere bestudering van het onderwerp gewenst is behoudt de NVvR
zich de mogelijkheid voor dit advies in een later stadium aan te vullen.
Inhoud voorstel
Het conceptvoorstel van wet houdt in dat de identificatieplicht, die thans voor
een aantal situaties is vastgelegd in de Wet op de identificatieplicht, zal
worden uitgebreid tot een algemene identificatieplicht. Volgens het
conceptvoorstel zal art. 2 van de Wet op de identificatieplicht komen te luiden:
“Een ieder die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, is verplicht op de
eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet,
een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden. Deze
verplichting geldt ook indien het verzoek tot inzage wordt gedaan door een
toezichthouder op grond van artikel 5:16 van de Algemene wet bestuursrecht.”
Het conceptvoorstel houdt verder in dat ook een geldig Nederlands rijbewijs als
identificatiemiddel kan dienen. In een nieuw art. 447e WvSr zal een
strafbepaling worden opgenomen met betrekking tot degene die niet terstond
voldoet aan een vordering tot inzage. Verder worden de Politiewet en de Algemene
wet bestuursrecht aangepast.
Voorgeschiedenis
De identificatieplicht is een onderwerp dat al geruime tijd in de belangstelling
staat . Op 24 juni 1988 bracht de toenmalige minister van Justitie een Notitie
identificatieplicht uit (Kamerstukken 20 612). Een verplichting voor burgers om
zich desgevraagd te identificeren werd nodig geacht in het kader van de
fraudebestrijding, de opsporing van strafbare feiten (anonieme verdachten) en de
opheffing van de grenscontroles. De notitie heeft geleid tot een maatschappelijk
en wetenschappelijk debat.
In 1992 is een voorstel voor een Wet op de identificatieplicht ingediend (Stb.
1993, 660; Kamerstukken 22 694). De regering zag destijds uitdrukkelijk af van
een algemene verplichting tot identificatie. De Wet op de identificatieplicht
verplicht burgers slechts in bepaalde situaties om zich te identificeren, zoals
voetbalsupporters (vgl. art. 435f WvSr), werknemers en uitkeringsgerechtigden en
zij die gebruik maken van financiële dienstverlening en burgers die bij de
notaris verschijnen; daarnaast bestaat een identificatieplicht in het kader van
het vreemdelingentoezicht. Ten aanzien van anonieme verdachten kunnen
maatregelen worden getroffen ter vaststelling van hun identiteit: zie de
bestaande art. 55b en 61a WvSv. In de Wegenverkeerswet was voor bestuurders
reeds een toonplicht van het rijbewijs opgenomen.
Commentaar
Algemene opmerkingen
De NVvR is zich ervan bewust dat in de samenleving uiteenlopend wordt geoordeeld
over het praktisch nut van een identificatieplicht en over de vraag, of dat nut
opweegt tegen de nadelen van een identificatieplicht voor de burger. De NVvR
wenst in dit overwegend politieke debat geen partij te kiezen, mede omdat de
rechter te zijner tijd geroepen kan worden tot het geven van een oordeel over
het resultaat van dat debat. Wel zijn er vanuit een juridische invalshoek
opmerkingen te maken.
Art. 8 lid 1 EVRM beschermt het privé-leven. Het tweede lid van art. 8 staat
een inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toe, mits
deze inmenging is voorzien bij de wet en in een democratische samenleving
noodzakelijk is in het belang van een aantal in dat artikellid genoemde
doeleinden. In een advies van mr. G.J. Wiarda, aangehaald in de eerdergenoemde
Notitie identificatieplicht (op blz. 7-8), werd gesteld dat een algemene
identificatieplicht voor een ieder die zich op de openbare weg bevindt moeilijk
verenigbaar is met de aan het recht op privacy verbonden vrijheid van beweging
tenzij blijkt van een (in de terminologie van het EHRM) pressing social need.
Deze stelling heeft naar de mening van de NVvR nog actuele betekenis.
In het huidige conceptvoorstel van wet (het nieuwe art. 8a Politiewet) worden
politieambtenaren bevoegd verklaard tot het vorderen van inzage in een
identiteitsbewijs “voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van de
politietaak”. Volgens de conceptmemorie van toelichting (par. 4) is hierbij
gedacht aan de handhaving van de openbare orde en aan de hulpverleningstaak van
de politie. Als voorbeeld wordt aldaar genoemd het bij gelegenheid van dreigende
wanordelijkheden vaststellen van de identiteit van de personen die daarbij
aanwezig zijn.
Een zó algemene omschrijving lokt naar de mening van de NVvR in concrete
gevallen discussie uit over de vraag of sprake is van een pressing social need.
De in het conceptvoorstel gekozen formulering (“uitoefening van de
politietaak”) is ruimer dan het verdragsrechtelijke begrip pressing social
need. Het is van belang dat de wetgever duidelijk maakt welke onderdelen van de
politietaak hij op het oog heeft. Voor zover het niet mogelijk is de gevallen
waarin identificatie mag worden gevorderd in de wet nauwkeuriger te omschrijven,
beveelt de NVvR aan dat in ieder geval achteraf wordt vastgelegd voor welk doel
de inzage is gevorderd. Zonder dat, zal de rechter in voorkomende geschillen
niet goed in staat zijn te toetsen of de inmenging in het privé-leven aan het
bepaalde in art. 8 lid 2 EVRM voldoet. Bovendien dwingt een
motiveringsverplichting de politieambtenaar (resp. het toezichthoudende
overheidsorgaan) zich rekenschap te geven van de noodzaak van een afweging of
het beoogde doel de vordering tot identificeren wel rechtvaardigt.
Een voorzichtige opstelling ten aanzien van dit onderwerp behoeft niet per se
voort te komen uit het benadrukken van het privacybelang. Ook de verenigbaarheid
van de voorgestelde regeling met andere grondrechten dan art. 8 EVRM verdient de
aandacht van de wetgever. Wanneer burgers gedwongen kunnen worden zich te
legitimeren wanneer zij aanwezig zijn bij bepaalde evenementen of op bepaalde
plaatsen, kan dit vooruitzicht hen ervan weerhouden gebruik te maken van de
vrijheid van vergadering (art. 11 EVRM), de vrijheid van meningsuiting (art. 10
EVRM) of de vrijheid van godsdienstuitoefening (art. 9 EVRM). De inmenging van
de overheid is groot indien, bijvoorbeeld, bij de uitgang van een kerk of van
een verenigingsgebouw naar een identificatiebewijs wordt gevraagd. In dit
verband wordt wel gesproken van het chilling effect van een identificatieplicht.
De NVvR zou gaarne zien dat in de toelichting op het voorstel van wet aan dit
vraagstuk aandacht wordt besteed.
Indien een algemene identificatieplicht – dus een plicht die verder gaat dan
de reeds bestaande bijzondere identificatieverplichtingen - daadwerkelijk
bijdraagt aan het voorkómen van strafbare feiten, met name geweldsdelicten door
groepen anoniem blijvende personen, kan de bescherming van de rechten van andere
personen met een zodanige identificatieplicht gediend zijn. Of een algemene
identificatieplicht inderdaad hieraan bijdraagt, kan de NVvR bevestigen noch
ontkennen. Het probleem is, dat er maar weinig bekend is over de effectiviteit.
Dat bepaalde vormen van identificatieplichten (bijv. voor zwartrijders in de
tram of voor personen die een sofi-nummer opgeven aan een werkgever e.d.) kunnen
bijdragen aan het terugdringen van strafbare feiten lijkt wel duidelijk. Echter,
de beantwoording van de vraag of een algemene identificatieplicht bijdraagt aan
het terugdringen van strafbare feiten, en wel in die mate dat sprake is van een
pressing social need, zou wetenschappelijk onderzoek en/of vergelijking met
ervaringen in het buitenland vergen. De NVvR stelt een nadere onderbouwing van
de memorie van toelichting op dit punt voor. In het bijzonder valt op dat geen
aandacht is besteed aan de reeds bestaande mogelijkheid om een strafvervolging
tegen een verdachte “n.n.” in te stellen, bijv. bij vervolging van
deelnemers aan rellen.
Leeftijdsgrens
Het voorstel wil de verplichting tot het tonen van een identiteitsbewijs laten
ingaan bij de leeftijd van 12 jaar (dit houdt kennelijk verband met art. 77a
WvSr). De NVvR vraagt zich af of het door de wetgever beoogde voordeel van een
legitimatieplicht voor de leeftijdscategorie onder, bijvoorbeeld, 16 jaar wel
opweegt tegen de praktische nadelen ervan (zoals het risico van kwijtraken van
legitimatiebewijzen en het feit dat jeugdigen in deze leeftijdscategorie
dikwijls wisselingen van uiterlijk doormaken, hetgeen leidt tot de noodzaak van
spoedige vervanging van het legitimatiebewijs of tot een slechte herkenbaarheid
van personen).
Meer specifiek vraagt de NVvR zich af of het beoogde voordeel van een
legitimatieplicht voor 12-16 jarigen wel opweegt tegen de – ook volgens de
conceptmemorie van toelichting (par. 6) - te verwachten toename van strafbare
feiten die samenhangen met onrechtmatige verkrijging van identiteitsbewijzen.
Jeugdige personen kunnen een gemakkelijk doelwit vormen voor het afpakken van
paspoorten. Dit geldt temeer, nu voor deze leeftijdscategorie niet is voorzien
in een apart identiteitsbewijs. Een intensivering van het toezicht op illegaal
verblijf van vreemdelingen kan het voor criminelen lucratief maken om
identiteitsbewijzen van (minderjarige) personen af te pakken en, na vervalsing,
te verhandelen.
Uitvoering in de praktijk
In dit advies op hoofdlijnen volstaat de NVvR met een enkele opmerking over de
uitvoering in de praktijk. De toelichting op het voorstel van wet geeft geen
indicatie van het aantal te verwachten strafzaken wegens overtreding van de
voorgestelde toonplicht. Afhankelijk van de wijze waarop de politie en de
bestuurlijke toezichthouders gebruik gaan maken van de voorgestelde bevoegdheid,
kan het om grote aantallen gaan. Het woord “terstond” in onderdeel II.B (de
strafbepaling) doet vermoeden dat het aanbod om een identiteitsbewijs thuis op
te halen en achteraf te tonen niet voldoende is om strafbaarheid te voorkomen.
In dit stadium is nog niet duidelijk of door middel van richtlijnen een nadere
invulling zal worden gegeven aan de situaties waarin door de politie gebruik mag
worden gemaakt van de voorgestelde vorderingsbevoegdheid. Hetzelfde geldt voor
het gebruik hiervan door de bestuurlijke toezichthouders. Onderdeel IV (de
voorgestelde wijziging van art. 5:16 Awb) moet klaarblijkelijk worden gelezen in
samenhang met het bestaande art. 5:13 Awb: “Een toezichthouder maakt van zijn
bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling
van zijn taak nodig is.” Voor deze algemene formulering geldt hetzelfde als
hiervoor is opgemerkt ten aanzien van het voorgestelde art. 8a Politiewet.
De uiteindelijke waardering van het voorstel tot uitbreiding van de
identificatieplicht kan moeilijk los worden gezien van het antwoord op de vraag,
wat de politieambtenaar resp. het toezichthoudend overheidsorgaan met de
verkregen persoonsgegevens gaat doen. Thans wordt de verwerking van
persoonsgegevens geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet
politieregisters. Wanneer deze wetten zouden worden gewijzigd teneinde een
ruimere verwerking van persoonsgegevens mogelijk te maken, kan de waardering van
het voorstel tot invoering van een algemene identificatieplicht anders
uitvallen.
Samenvatting
De NVvR onthoudt zich van een oordeel over de politieke wenselijkheid van
invoering van een algemene identificatieplicht. Vanuit een juridische invalshoek
zijn over de voorgestelde wettelijke regeling de nodige opmerkingen te maken. De
meer principiële opmerkingen hebben betrekking op de verenigbaarheid van het
conceptvoorstel van wet met art. 8 EVRM en de gevolgen van een algemene
identificatieplicht voor de uitoefening van andere grondrechten. De opmerkingen
van praktische aard hebben betrekking op de invulling van het voorgestelde
criterium en op de risico’s wanneer, bijvoorbeeld, 12-jarigen worden verplicht
steeds een identiteitsbewijs bij zich te dragen.
Den Haag, 20 februari 2003
T. de Roos in NRC Verplichte legitimatie biedt schijnveiligheid
|
|
1.
De vrijheidssfeer wordt aangetast
Wanneer overheidsorganen de
bevoegdheid krijgen zonder voorwaarden (tijdstip, plaats, situatie) zich van
de identiteit van ieder burger te vergewissen verschaft dat hun een
ongeclausuleerde macht die in een rechtsstaat niet past. Immers, power
always corrupts. Identificatieplichten kunnen
slechts legitiem zijn wanneer zij aantoonbaar en evident aan een dringende
maatschappelijk behoefte voldoen. De situatie waarin dat het geval is dient
per geval nauwkeurig in de wet te worden omschreven. Dit gezichtspunt verdraagt
zich uiteraard niet met een algemene identificatieplicht. 2. Strijdig met
strafprocesrecht Wanneer het de bedoeling is
niet alleen een draagplicht, maar ook een toonplicht in te voeren en deze
toonplicht – zoals de VVD heeft voorgesteld – te verbinden aan de eis
dat sprake moet zijn van verdenking van een misdrijf, betekent dat een
inbreuk op het beginsel dat de verdachte niet verplicht kan worden actief
aan het tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek mee te werken. Weliswaar geldt dit beginsel
niet absoluut; daar is het ook een beginsel voor. Ons recht kent
uitzonderingen, bijvoorbeeld in de Wegenverkeerswet (medewerking aan
ademonderzoek is verplicht; weigering levert een strafbaar feit op). Daarbij
gaat het echter steeds om nauwkeurig omschreven situaties. Verdenking van
een willekeurig misdrijf kan niet worden beschouwd als een nauwkeurig
omschreven situatie. Bovendien gaat het in dit
geval om een inbreuk op het recht om te zwijgen, dat onder meer in de
rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt gezien
als de harde kern van het nemo tenetur-beginsel. 3. Werkt niet tegen terrorisme Aanleiding voor de recente
pleidooien vormden de terroristische aanslagen op het WTC in New York en het
Pentagon in Washington. Tegen die achtergrond is het nuttig dat men zich
realiseert dat de professionele werkwijze die terroristische netwerken erop
nahouden met zich meebrengt dat zij veel in vervalsing van
identiteitsbewijzen investeren. Bovendien werkt de
verplichting fraude in het algemeen in de hand (criminogene werking). Als de
identificatieplicht al enig effect zou sorteren is dat het bevorderen van
een vals gevoel van veiligheid. 4. Irritaties bij toepassing Omdat de ambtenaren die
verantwoordelijk zijn voor rechtshandhaving en ordehandhaving en met het oog
daarop worden toegerust met de bevoegdheid het tonen van het
identiteitsbewijs te eisen geen wettelijk verankerd specifiek richtsnoer
wordt meegegeven, wordt bevorderd dat burgers die met zo'n eis worden
geconfronteerd dit zullen ervaren als een nodeloze inmenging in hun privé-sfeer. Zelfs is het aannemelijk dat
sommigen deze overheidsinterventie – al of niet terecht – als
discriminatoir zullen opvatten. Uit een oogpunt van sociale cohesie en zelfs
– uiteindelijk – maatschappelijke veiligheid is dat rampzalig. 5. Disproportioneel Met de invoering en praktische
toepassing van een algemene identificatieplicht zijn behalve
maatschappelijke ook aanzienlijke financiële kosten gemoeid. Die middelen kunnen veel beter
worden besteed aan de gerichte opsporing en preventie van terrorisme en
andere vormen van ernstige criminaliteit. |
|
|
|
||
|
|
|
|
Invoering Wet op de identificatieplicht (WID) in 1993.
De Wet op de identificatieplicht (WID) werd ingevoerd in 1993. De officiële naam luidt `Wet van 9 december 1993 tot aanwijzing van documenten dienende ter vaststelling van de identiteit van personen alsmede aanwijzing van enige gevallen waarin de identiteit van personen aan de hand van deze documenten kan worden vastgesteld'.
De identificatieplicht houdt meer in dan dat een werknemer zijn paspoort moet laten zien bij zijn of haar nieuwe werkgever. Zo is de werkgever verplicht de documenten te verifiëren, een kopie van het origineel te bewaren in zijn administratie en te zorgen dat ook de werknemer aan zijn verplichtingen voldoet. De WID en het thema identificatieplicht hebben raakvlakken met andere wet- en regelgeving, waaronder:
de Vreemdelingenwet
de Paspoortwet
de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)
de Organisatiewet Sociale Verzekeringen (OSV)
de Wet arbeid vreemdelingen (WAV)
De WID is ingevoerd om de volgende misdrijven en overtredingen beter te kunnen bestrijden:
sociale zekerheidsfraude
fiscale fraude
illegaal verblijf van personen in Nederland
illegale arbeid.
Nieuw Wetsvoorstel 2003 Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
KST70364, 0304tkkst29218-1-2, ISSN 0921 - 7371, Sdu Uitgevers, ’s-Gravenhage 2003
29 218
Wijziging en
aanvulling van de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafrecht, de
Algemene wet bestuursrecht, de Politiewet 1993 en enige andere wetten in verband
met de invoering van een identificatieplicht van burgers ten opzichte van
ambtenaren van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en van
toezichthouders (Wet op de uitgebreide identificatieplicht)
Nr. 2 VOORSTEL VAN WET. Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan
tot de invoering van een identificatieplicht voor burgers ten opzichte van
ambtenaren van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en
daarmee gelijk te stellen ambtenaren alsmede van degenen die zijn belast met
toezicht in de zin van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
A
Aan artikel 1, eerste lid, worden, onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel 2° door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, die
luiden: 3° een geldig nationaal,
diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag
in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor
zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;
4°.een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de
Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de
Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is en dat
geregistreerd is in het rijbewijzenregister bedoeld in artikel 126 van de
Wegenverkeerswet 1994, zolang de bij registratie van dat rijbewijs in dat
register vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken en
mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.
B
Hoofdstuk II komt te luiden: HOOFDSTUK II. TOONPLICHT
C De
hoofdstukken III tot en met XXII vervallen. ARTIKEL II
A
Artikel 435f vervalt.
B
Na artikel 447d wordt een artikel ingevoegd, dat luidt: Artikel 447e
1. Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak.
2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.
3. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de militair van
de Koninklijke marechaussee, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor
de uitoefening van zijn politietaak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en aan de
militair van de Koninklijke marechaussee of van enig ander onderdeel van de
krijgsmacht die op grond van artikel 58, eerste lid, onderscheidenlijk artikel
59, eerste lid, bijstand verleent aan de politie.
ARTIKEL V
ARTIKEL VI
A
Aan artikel 47 wordt een lid toegevoegd, dat luidt:
3. Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is
verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identiteitsbewijs als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te
bieden, indien dit van belang kan zijn voor de belastingheffing te zijnen
aanzien.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven De Minister van Justitie, De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
De leden van de SGP-fractie hebben met buitengewoon veel reserves kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. De uitbreiding van de identificatieplicht achten deze leden zodanig ruim dat in feite van een vrijwel algemene en algehele identificatieplicht sprake is, zonder dat hen de noodzaak daartoe duidelijk is geworden. Ook tonen deze leden zich verontrust over de buitengewoon oppervlakkige wijze waarop de bevoegdheid om naar identiteitsbewijzen te vragen door het wetsvoorstel wordt genormeerd.
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2003–2004
KST71843
0304tkkst29218-6
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
29 218 Wijziging en aanvulling van de Wet op de
identificatieplicht, het Wetboek van Strafrecht, de Algemene wet bestuursrecht,
de Politiewet 1993 en enige andere wetten in verband met de invoering van een
identificatieplicht van burgers ten opzichte van ambtenaren van politie
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en van toezichthouders (Wet op
de uitgebreide identificatieplicht)
Nr. 6 VERSLAG
Vastgesteld op 13 november 2003
De vaste commissie voor Justitie 1 belast met het voorbereidend onderzoek van
dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen.Onder het
voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht
de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
1. Inleiding
Hoewel de leden van de CDA-fractie liever de invoering van een algemene
identificatieplicht hadden gezien, hebben zij met instemming kennisgenomen van
het onderhavige wetsvoorstel.
In een steeds harder en anoniemer wordende maatschappij is het nodig dat de
overheid regels vaststelt, zodat het eenvoudiger wordt de identiteit van
personen vast te stellen. Dit kan gelden bij het aanvragen van allerlei sociale
voorzieningen, bij de belastingdienst, maar ook om de veiligheid in het publieke
domein te vergroten en de overlast daar te voorkomen.
Deze leden zijn zich bewust van het feit dat er in dezen voor sommige mensen een
gevoel van schending van de privacy tot uitdrukking wordt gebracht. Als men
echter de toenemende geweldsspiraal in ogenschouw neemt, kan men zich afvragen
of het de anonieme daders dan vrij mag staan een inbreuk op de privacy te plegen
door toepassing van fysiek geweld. Steeds vaker begint het er namelijk op te
lijken dat de maatschappij moet worden beschermd tegen de overheidsinstanties,
omdat we dat onplezierig vinden, terwijl een bescherming tegen bijvoorbeeld
fraude, geweld tegen personen of goederen, overlast en/of inbraak niet zou
behoren. Immers dan zou er sprake zijn van schending van de privacy,althans
kunnen ontstaan. De slachtoffers van dergelijke feiten zullen oordelen over een
andere vorm van schending van privacy, namelijk de inbreuk op hun privacy.
Daarnaast constateren de leden van de CDA-fractie dat steeds meer organisaties
overgaan tot het verplichten zich te identificeren om bijvoorbeeld misbruik van
bepaalde voorzieningen tegen te gaan. Recentelijk kon men kennisnemen van het
feit dat ook ziekenhuizen een identificatieplicht overwegen, gelet op het feit
dat steeds vaker mensen onjuiste personalia verstrekken om op die manier niet de
nota van het ziekenhuis te hoeven betalen. Nota’s worden daardoor toegezonden
aan mensen die niet voor behandeling in het ziekenhuis zijn geweest, waardoor
het ziekenhuis met niet te incasseren nota’s blijft zitten. Deze leden vragen
voorts of de genoemde evaluatietermijn van drie jaar niet kan worden bekort tot
bijvoorbeeld één jaar. Hoewel de wettekst duidelijk is geformuleerd en de
memorie van toelichting veel verduidelijkt, hebben de leden van de CDA-fractie
nog enkele vragen.
De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het
wetsvoorstel. Over het onderwerp wordt al lange tijd gesproken. Voorgaande
kabinetten hebben steeds op basis van rationele argumenten het huidige systeem van identificatieplichten helpen invoeren en optimaliseren en meenden,
eveneens op basis van argumenten, dat hiermee kon worden volstaan. Thans is de
regering van oordeel dat een verdergaande identificatieplicht noodzakelijk is voor een effectief overheidsoptreden. Zij
heeft echter geen deugdelijke onderbouwing gegeven waarom dit nodig is en welke
effecten kunnen worden verwacht.
Deze leden merken op dat de memorie van toelichting als volgt begint: «De
regering is van oordeel dat de bestaande beperkte identificatieplichten niet
meer toereikend zijn». Zij verzoeken de regering dit oordeel te motiveren. Is het gestoeld op onderzoek?
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het
onderhavige wetsvoorstel. Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan een
afspraak uit het hoofdlijnenakkoord en de in de motie
Nicolaï, Kamerstukken II 2000/01, 27 400 VI, nr. 30, neergelegde wens te komen
tot een algemene identificatieplicht die begrensd wordt door deze nieuwe
bevoegdheid alleen dan te hanteren indien dit plaatsvindt in samenhang met
bestaande dwangbevoegdheden. Deze systematiek biedt een aantal voordelen. De
identificatieplicht wordt zover uitgebreid dat er geen onduidelijkheid meer kan
bestaan over de verplichting om altijd een identificatiebewijs te dragen.
Iedereen van 14 jaar of ouder moet een identificatiebewijs bij zich dragen.
Politie en toezichthouders krijgen daardoor de mogelijkheid om eenvoudig van
verdachten de identiteit vast te stellen. Daarmee wordt de anonimiteit opgeheven
van mensen die met hun crimineel gedrag overlast veroorzaken. Zij kunnen zich
niet langer verschuilen achter een valse naam. Nu is het niet zo dat een
beroepscrimineel zich zal laten weerhouden van het plegen van misdrijven, alleen
omdat er straks een identificatieplicht geldt. Maar op deze groep van criminelen
is de nieuwe bevoegdheid ook niet primair gericht. De uitgebreide
identificatieplicht biedt vooral een extra middel om op te treden tegen de
kleine overlast gevende criminaliteit. Waar een agent of toezichthouder nu nog
verhoudingsgewijs veel tijd kwijt is met het zeker stellen van de identiteit van
iemand die een klein vergrijp heeft begaan, zal hij straks met één blik op het
identiteitsbewijs kunnen vaststellen dat de boete die hij uitschrijft ook
daadwerkelijk zal neerkomen bij de overtreder. Het «lik-op-stuk-beleid» komt
hiermee dichterbij.
Een ander voordeel van de gekozen systematiek is het voorkomen van Franse of
Belgische toestanden waarbij het controleren van identificatiebewijzen een doel
op zich werd. De politie kan alleen dan om een identificatiebewijs vragen indien dit wordt ingegeven door hun reguliere
taakuitoefening.
De leden van de fractie van de VVD vinden de keuze om aan te sluiten bij
bestaande identificatiemiddelen een logische. Zij kunnen zich echter wel
voorstellen dat dit met toekomstige ontwikkelingen van de techniek niet langer
logisch is. Zij vragen daarom in de aangekondigde evaluatie mee te nemen of het
dan inmiddels wenselijk is om identificatiebewijzen te integreren en daarbij
gebruik te gaan maken van bijvoorbeeld biometrische technieken.
Voorts vragen zij of de identificatieplicht ook behulpzaam kan worden bij het
verbeteren van de informatiehuishouding van de politie zoals dat thans onder
leiding van de Regieraad ICT gestalte krijgt. Krijgen de identificatieplicht en
de daarbij gebruikte identificatiemiddelen een rol in het
personenidentificatiesysteem van de politie, zo vragen de leden van de
VVD-fractie.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het
onderhavige wetsvoorstel. De algemene identificatieplicht gaat gelden voor
mensen vanaf 14 (in het openbaar vervoer onder 14) jaar. De plicht houdt in dat
de politie en enkele andere groepen mensen, zoals bankemployees, een
identiteitsbewijs kunnen vragen. Men is verplicht dit te tonen, op straffe van
een boete van 2250 euro. De identificatieplicht wordt gebracht als maatregel die
de veiligheid gaat verhogen, samen met een groot aantal andere maatregelen die
na 11 september 2001 zijn ingevoerd. Voor de leden van de SP-fractie is het de
vraag of het de veiligheid zal verhogen, het brengt tal van onwenselijke en soms
gevaarlijke consequenties met zich mee.
Deze leden erkennen en herkennen de vraag vanuit de samenleving om criminaliteit
op te lossen en bescherming te bieden tegen terroristen. Maar dan heb je niets
aan een identificatieplicht. Immers, zal niet iedereen met kwaad in de zin
zorgen dat hij zich kan legitimeren? Op dat legitimatiebewijs staat bovendien
niet vermeld wat de drager voor criminele of terroristische activiteiten van
plan is, dan wel heeft gepleegd. Een causaal verband met succes in de opsporing
is niet aan te tonen. Toch zal de politie mensen moeten controleren. Volgens
deze leden zullen zij, om dit goed te doen, er veel tijd aan kwijt zijn. Wat
zijn de streefcijfers voor het aantal controles (in de zin van een
prestatiecontract) bijvoorbeeld per agent? Hoeveel tijd mag een agent hier
dagelijks aan kwijt zijn?
De leden van de SP-fractie menen dat de voorgestelde plicht weinig toevoegt aan
het versterken van een causaal verband zoals hierboven beschreven. Er bestaan al
meerdere mogelijkheden om identiteits-controles uit te voeren. In de trein (bij
zwartrijden), bij de bank, bij een voetbalwedstrijd en op het werk of bij
uitkeringsinstantie kan zonder vermoeden van een misdrijf worden gecontroleerd.
Daarnaast kan de politie een identiteitsbewijs vragen bij een vermoeden van een
misdrijf. In het kader van vreemdelingentoezicht kan iemand ook staande worden
gehouden voor het overleggen van een verblijfsvergunning. In andere situaties
kan de politie niet om een identiteitsbewijs vragen als er geen vermoeden is van
een wetsovertreding. Dat is volgens deze leden ook niet nodig.
De leden van de SP-fractie pleiten ervoor om in plaats van een algemene
identificatieplicht op te stellen, de redenen om naar de identiteit te vragen
limitatief op te sommen. Zoals de burger zich, volgens de regering, niet mag
verschuilen achter anonimiteit, mag het bevoegd gezag zich niet verschuilen
achter onduidelijke regelgeving.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het onderhavige wetsvoorstel waarin wordt voorzien in een uitbreiding van de
bestaande identificatieplichten. Deze leden waarderen het in het huidige kabinet
dat gezocht wordt naar mogelijkheden om de veiligheid voor burgers te vergroten.
Zij vragen of het invoeren van een toonplicht voor een ieder van 14 jaar of
ouder aan de gewenste veiligheid kan en zal bijdragen. Deze leden vragen de
regering nader toe te lichten waarin de meerwaarde schuilt van de voorgestelde
identificatieplicht.
De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling
kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden hebben bij het
voorstel nog enige kanttekeningen en vragen. De regering geeft aan dat de
uitgebreide identificatieplicht wordt ingevoerd om criminaliteit doeltreffender
te kunnen bestrijden. De leden van de fractie van D66 vragen hoe de regering
gaat meten of de uitgebreide identificatieplicht ook daadwerkelijk helpt bij het
bestrijden van criminaliteit. Volgens de regering is de uitgebreide
identificatieplicht noodzakelijk voor een redelijke taakuitoefening van de
politie. Kan de regering aangeven in welk soort situaties een redelijke
taakuitoefening van de politie met zich meebrengt dat het tonen van een
identificatiebewijs noodzakelijk is?
Drie jaar na inwerkingtreding zal de Wet op de uitgebreide identificatieplicht
worden geëvalueerd. De leden van de fractie van D66 vragen of de regering kan
aangeven welke aspecten van de wet en welke gevolgen van de invoering zullen
worden geëvalueerd. Hoe en op basis van welke criteria zal gemeten worden of de
wet effectief is? Hoe zal worden geëvalueerd of in de praktijk het criterium «redelijke
taakuitoefening» eenduidig door de opsporingsambtenaren wordt toegepast, zo
vragen deze leden. Mocht uit de evaluatie van de Wet op de uitgebreide
identificatieplicht volgen dat het beter is om de leeftijdsgrens te verhogen
naar 15 of 16 jaar,is de regering daartoe dan bereid? Zo neen, waarom niet?
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling
kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het wetsvoorstel geeft deze
leden aanleiding tot het stellen van een aantal vragen en opmerkingen. Zij
merken op dat hun fractie altijd enigszins gereserveerd heeft gestaan tegenover
uitbreiding van de identificatieplicht. Dat is niet vanwege het feit dat de
identificatieplicht een te grote inbreuk zou maken op het privéleven van de
burgers. Immers, de huidige identificatieplicht maakt het verplicht
identificeren in een groot aantal situaties al mogelijk en bovendien hebben een
tal van landen al geruime tijd een algemene identificatieplicht.
Deze leden achten de vraag, of de uitbreiding een wezenlijke toevoeging vormt op
het huidige instrumentarium om iemands identiteit vast te stellen dat politie,
bijzondere opsporingsambtenaren en toezichthouders al ter beschikking staat, van
groter belang. Deze leden zijn van mening dat het antwoord op deze vraag op dit
moment nog niet in alle opzichten overtuigend is. Zij wijzen daarbij op het feit
dat de omvang van de huidige identificatieplicht al vrij groot is. Zoals de
identificatieplicht in het openbaar vervoer, het rijbewijs, de
identificatieplicht op het werk en bij financiële transacties, en in situaties
waarin verstoringen van de openbare orde zijn te verwachten (voetbalrellen).
Kortom, deze leden hebben de indruk dat het op dit moment al niet meevalt om aan
het maatschappelijke leven deel te nemen zonder een identificatiebewijs op zak
te hebben.
Bovendien heeft de politie nu al aanzienlijke mogelijkheden tot het vaststellen
van iemands identiteit, voor zover deze daar in eerste instantie niet aan wil
meewerken. Recent is deze bevoegdheid nog uitgebreid, zie het in de memorie van
toelichting genoemde artikel 55b Strafvordering.
De leden van de SGP-fractie hebben met buitengewoon veel reserves kennisgenomen
van het onderhavige wetsvoorstel. De uitbreiding van de identificatieplicht
achten deze leden zodanig ruim dat in feite van een vrijwel algemene en algehele
identificatieplicht sprake is, zonder dat hen de noodzaak daartoe duidelijk is
geworden. Ook tonen deze leden zich verontrust over de buitengewoon
oppervlakkige wijze waarop de bevoegdheid om naar identiteitsbewijzen te vragen
door het wetsvoorstel wordt genormeerd.
2. Uitbreiding van de bestaande identificatieplichten
De leden van de CDA-fractie vragen wat het verschil van de uitgebreide
identificatieplicht is ten opzichte van de algemene identificatieplicht en welke
verschillen zich in dit wetsvoorstel voordoen ten opzichte van de ons omringende
landen als Duitsland, België en Frankrijk. Voorts merken deze leden op dat in
een eventueel op te maken procesverbaal dient te worden omschreven ten behoeve
waarvan de ambtenaar heeft gevraagd de identiteitspapieren te tonen. Deze leden
vragen op welke wijze de motivering in het proces-verbaal dient te worden
opgenomen. Tevens rijst de vraag of dit mogelijk kan leiden tot het terughoudend
toepassen van deze wettelijke bepaling inzake de uitgebreide
identificatieplicht.
De leden van de PvdA-fractie vragen of het waar is dat bij het wetsvoorstel de
ervaringen, die andere EU-landen met een uitgebreide of algemene
identificatieplicht hebben opgedaan, niet zijn betrokken omdat deze ervaringen
niet bekend zijn. Kan de regering zich alsnog laten informeren over de
ervaringen van deze landen? Wat waren de argumenten voor Duitsland, Frankrijk en
België om tot invoering van een meer of minder verdergaande identificatieplicht
over te gaan? Waarin verschillen deze landen wat betreft de bestaande
identificatieplichten van Nederland? Voorts vragen deze leden of de regering
onderzoek heeft gedaan naar de maatschappelijke acceptatie van de invoering van
de verruimde identificatieplicht? Zo ja, wat is hiervan de uitkomst? Zo neen,
waarom niet, zo vragen deze leden.
De leden van de SP-fractie merken op dat dit wetsvoorstel de rechten van
onschuldige en niet-verdachte burgers tegenover de overheid op fundamentele
wijze verandert. Eenieder die gesignaleerd wordt, kan door de politie staande
gehouden worden ter identificatie. Het redelijke taak vereiste van de regering
(parallel aan art. 5:13 Awb) overtuigt in deze zin allerminst, omdat dit een
ruim begrip is. Wat kan de regering doen zodat mensen duidelijker weten wat zij
kunnen verwachten van de identificatieplicht? Deze leden voorzien dat er altijd
wel iets te vinden zal zijn dat een staande houden mogelijk maakt. Er worden
bevoegdheden gegeven aan de politie die kúnnen worden misbruikt. Deze leden
oordelen dat als de mogelijkheid tot misbruik aanwezig is, er goede
rechtsbescherming en waarborgen moeten zijn in het wetsvoorstel.
De leden van de SP-fractie vinden dat de waarborgen en rechtsmiddelen
tekortschieten. Deze waarborgen en rechtsmiddelen moeten, volgens deze leden,
kunnen worden ingezet om een eventueel misbruik te voorkomen. Hoewel dit
wellicht niet onmiddellijk aan de orde is, vinden deze leden dat er gekeken moet
worden naar de toekomst waarin deze wet van kracht zou kunnen zijn onder een
ander gesternte en een andere overheid. Volgens het Nederlands Juristen Comité
voor de Mensenrechten (NJCM)is er alle reden om bestuursrechtelijke
rechtsbescherming te bieden tegen vragen om legitimatie door politie en
toezichthouders. Politie en toezichthouders die afwijken van het vereiste van
voorzienbaarheid van de inbreuk op de privacy (artikel 8 EVRM) en hun
bevoegdheden willekeurig uitoefenen kunnen zich dan niet verschuilen achter een
ruime taakomschrijving.
Bovendien kan, zo vervolgt het NJCM, de identiteitscontrole voorafgaan aan een
inbewaringstelling van personen, waarop de straf- en vreemdelingenrechter niet
(of mogelijk niet) zullen kunnen toetsen. Het bevoegd maken van de
bestuursrechter om te oordelen over de rechtmatigheid van de identiteitscontrole
zou, volgens het NJCM, uitkomst bieden. De leden van de SP-fractie vragen de
regering naar haar oordeel hierover. De leden van de SP-fractie vervolgen dat de
regering in de memorie van toelichting stelt dat het advies van mr. G.J. Wiarda
gelding blijft houden.
Toch is het de vraag of dit wel zo is, omdat deze heeft gesteld
dat de algemene identificatieplicht moeilijk verenigbaar is met privacy. De
toetsing op artikel 8 EVRM leidt, volgens de leden van de fractie van de SP,
eveneens op twee punten tot conflicten. Met het «legitimate aim» vereiste
hebben deze leden enige moeite, omdat het doel van de regering niet duidelijk
is. Aangezien de regering niet tot doel heeft de criminaliteit te bestrijden
maar alleen om te kunnen kijken wie er op straat rondloopt, wordt het
controleren van de identiteit een doel op zich. Het voornaamste conflict vormt
volgens de leden van de SP-fractie de uit de «necessary in a democratic society»
vereiste voortkomende «pressing social need». De formulering «redelijkerwijs
noodzakelijk voor de uitoefening van de politietaak» is een uitbreiding van het
verdragsrechtelijke begrip uit het EVRM. Volgens de leden van de SP-fractie is
een verduidelijking van de onderdelen van de politie- en toezichttaak, die in
aanmerking komen, noodzakelijk om de onderbouwing te laten voldoen aan dit
verdrags-vereiste. Achteraf moet de motivatie om te vragen naar het
identiteitsbewijs door de rechter getoetst kunnen worden. De Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) en NJCM hebben hier ook op gewezen, zodat het
volgens deze leden hoogst bedenkelijk is dat de regering deze organen negeert.
De regering wijst in de memorie van toelichting op de toegenomen geschakeerdheid
van de bevolking. De leden van de fractie van D66 vragen de regering wat zij
precies bedoelt met dit argument voor invoering van de uitgebreide
identificatieplicht. Mag uit de argumentatie van de regering geconcludeerd
worden dat indien de bevolkingsgroei niets te maken zou hebben gehad met de
komst van migranten, de regering ook geen aanleiding zou hebben gezien tot
introductie van een uitgebreide identificatieplicht? Zo ja, kan de regering deze
argumentatie nader toelichten?
Voorts vragen deze leden of de regering kan aangeven of, sinds de invoering van
de identificatieplicht in het openbaar vervoer, sprake is geweest van een
toename van zwartrijders mét een identificatiedocument? Is de praktijk niet dat
zwartrijders zich niets van de identificatieplicht aantrekken? Is er sinds de
invoering van de identificatieplicht in het openbaar vervoer sprake van een
meetbare winst met betrekking tot het terugdringen van zwartrijden in het
openbaar vervoer, zo vragen de leden van de D66-fractie.
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben de indruk dat de
belangrijkste uitbreiding vooral is gelegen in het verruimen van de
mogelijkheden om iemands identiteit vast te stellen die daar eigenlijk niet aan
wil meewerken. Nu zal het in de meeste gevallen zo zijn dat het met of zonder
(algemene) identificatieplicht voor de meeste burgers weinig bezwaarlijk is om
desgewenst aan de politie naam en adres op te geven.
De grote vraag is of minderbereidwilligen door de plicht een identificatiebewijs
op zak te dragen meer onder druk kunnen worden gezet dan nu het geval is om mee
te werken aan de vaststelling van de identiteit. Deze leden zijn daarvan nog
niet overtuigd. Waarom zou een lichte overtreding als het niet voldoen aan de
identificatieplicht gewicht in de schaal leggen voor iemand die toch al van plan
is om mee te doen aan aanmerkelijk zwaardere overtredingen of zelfs misdrijven
zoals een geplande grootschalige verstoring van de openbare orde?
De regering doet de ruimte die zij aanwezig acht om tot uitbreiding van de
identificatieplicht te komen binnen de grenzen van de bestaande grondrechten
voornamelijk steunen op het advies van één persoon uit 1987. De leden van de
SGP-fractie stellen, met alle waardering voor het destijds uitgebrachte advies,
de vraag waarom er niet voor is gekozen om een kleine commissie advies te laten
uitbrengen, met inachtneming van de in de afgelopen 15 jaar plaatsgehad hebbende
ontwikkelingen wat betreft de grondrechten, in het bijzonder artikel 8 EVRM. Of
is de regering van mening dat in de afgelopen 15 jaar op dit punt niet van enige
betekenisvolle ontwikkeling sprake is geweest?
Voor zover de vrijwel algemene identificatieplicht moet bijdragen aan het
voorkomen van strafbare feiten, vooral geweldsdelicten door groepen anoniem
blijvende personen, stellen de leden van de SGP-fractie de vraag of de regering
gegevens kan overleggen die een indicatie geven over de effectiviteit van een
dergelijke identificatieplicht.
Voorts verzoeken deze leden om nadere, zoveel mogelijk gespecificeerde gegevens
wat betreft de aantallen mensen in ons land die op grond van de huidige
identificatieplichten gehouden zijn een identiteitsbewijs bij zich te dragen.
Tevens vragen zij een zo nauwkeurig mogelijk inzicht te verschaffen in de
aantallen personen die als gevolg van de voorgestelde uitbreiding een
identiteitsbewijs bij zich zullen moeten gaan dragen.
3. Kring van personen
De leden van de CDA-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt
gesteld dat voor de leeftijd van 14 jaar is gekozen, omdat men aansluiting wilde
zoeken bij de toepassing in de ons omringende landen. Vervolgens lezen zij dat
dit in de ons omringende landen ligt bij de leeftijd van gemiddeld 16 jaar.
Kennelijk om eenvoudiger te kunnen vaststellen of men met een persoon te maken
heeft die al dan niet de bedoelde leeftijd heeft bereikt. De leden van de
CDA-fractie vragen waarom dan niet is gekozen voor de leeftijd van 12 jaar.
De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de opsporingsambtenaar/toezichthouder
zal omgaan met de jongere die stelt jonger dan 14 jaar te zijn. Is dit probleem
niet gelijk indien de leeftijdsgrens een jaar hoger wordt gesteld, hetgeen meer
voor hand ligt in het licht van het argument dat de grootste groep jeugdigen die
in aanraking komt met de politie 15 tot 17 jaar is.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom er is gekozen voor een
toonplicht vanaf 14 jaar. In de ons omringende landen bestaat geen eenduidigheid
over de leeftijd waarop de toonplicht geldt. Deze leden vragen of het niet
consistenter is om een toonplicht vanaf 18 jaar in te voeren.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen een nadere toelichting op de
betrekkelijk arbitraire keuze van 14 jaar. Zij vragen of er argumenten zijn voor
een ondergrens van 16 jaar, in het bijzonder omdat deze leeftijd meer dan de
grens van 14 jaar een zekere leeftijdsfasegrens markeert (men mag brommer
rijden). Op deze wijze wordt bovendien aansluiting gevonden bij de situatie in
ons grootste buurland, Duitsland.
De leden van de SGP-fractie stellen de vraag of het niet disproportioneel
genoemd moet worden een algemene identificatieplicht in te voeren ook voor
degenen die 65 jaar of ouder zijn, voor al degenen die duurzaam in een behandel-,
verzorg- of verpleeginrichting verblijven of anderen die aan huis gebonden zijn.
4. Aard van de identiteitsbewijzen
De leden van de SP-fractie verwachten dat er een levendige handel zal ontstaan
in valse identiteitsbewijzen. Naast de tijd die de politie kwijt zal zijn aan
identiteitscontroles, zal de politie een nieuwe taak hebben, namelijk het
opsporen van makers van valse identiteitsbewijzen. Als de grootschalige fraude
met paspoorten waar justitie niets aan doet een maatstaf is, ziet het er voor
vervalsers rooskleurig uit de komende jaren. De leden van de SP-fractie vragen
de regering of zij dit risico ziet.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering wat voor een soort nieuw
identiteitsdocument zij voor ogen heeft. Aan welke beveiligingscriteria zal dit
document moeten voldoen? Worden nieuwe biometrische technieken toegepast? Zo
neen, waarom niet? Hoe kan de regering verzekeren dat met het nieuwe
identiteitsdocument geen frauduleuze handelingen kunnen worden gepleegd?
De leden van de fractie van de ChristenUnie kunnen zich voorstellen dat er geen
nieuw identiteitsbewijs wordt ingevoerd of verplicht gesteld, maar dat wordt
volstaan met de bestaande documenten. Wel vragen zij om welke redenen de
regering zich nu precies verzet tegen het opnemen van de nationaliteit op het
rijbewijs.
5. Identificatieplicht ter uitvoering van de politietaak
De leden van de CDA-fractie merken op dat op pagina 12 van de memorie van
toelichting staat: «het sluitstuk daarvan is dat personen die niet in staat of
bereid zijn een identiteitsbewijs te tonen, vervolgens als verdachte van een
strafbaar feit worden aangemerkt, namelijk het niet voldoen aan de
identificatieplicht. Dan kunnen zij worden meegenomen naar het bureau om daar
aan identificatiemaatregelen te worden onderworpen.»Deze leden vragen wie er
worden bedoeld met «het niet in staat zijn». Is dat een bredere groep dan
mensen die het op dat moment niet bij zich dragen? Ten aanzien van degenen die
niet bereid zijn, vragen deze leden of de regering de mogelijkheid van extra
oponthoud (naast de zes uur voor verhoor en de zes uur voor het vaststellen van
de identiteit) op het bureau voor verhoor en het vaststellen van de identiteit
te verlengen tot het tijdstip waarop de identiteit daadwerkelijk is vastgesteld,
overweegt.
Het komt nu immers toch nog voor dat iemand die niet bereid is mee te werken aan
het vaststellen van zijn/haar identiteit uiteindelijk het bureau zal verlaten
nadat vingerafdrukken of een pasfoto zijn (af)genomen. Daardoor is het mogelijk
een dagvaarding in persoon uit te reiken, echter doordat men zonder vaste woon-
of verblijfplaats is, zal de executiefase, waarbij de straf of maatregel ten
uitvoer moet worden gelegd, worden bemoeilijkt.
De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het standpunt van de
regering dat de voorgenomen uitbreiding van de identificatieplicht niet leidt
tot een algemene bevoegdheid voor de politie om burgers die zich op de openbare
weg bevinden zonder reden aan te houden om zich van hun identiteit te
vergewissen. De bevoegdheid wordt ingeperkt doordat deze pas mag worden
gehanteerd in het kader van een redelijke taakuitoefening (een «specifieke
doelbinding»). Waar het de toezicht op vreemdelingen betreft, geeft de regering
aan dat met voornoemd criterium geen aanvullende bevoegdheid is beoogd ten
opzichte van het huidige vreemdelingentoezicht, waarbij staande houding is
toegestaan in het geval van een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal
verblijf in Nederland. Wat is het standpunt van de regering ten aanzien van de
onmogelijkheid voor de vreemdelingenrechter om bij de toetsing van de
rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring het strafrechtelijk voortraject te
beoordelen? De vreemdeling kan zo immers in voorkomende gevallen een
rechterlijke toets op het toepassen van voornoemd criterium – met verregaande
gevolgen voor de vreemdeling – worden onthouden.
Deze leden vragen de regering nader te motiveren of, en zo ja waar het criterium
van de redelijke taakuitoefening in het kader van de strafrechtelijke handhaving
een uitbreiding betreft op de bestaande legitimatieplicht die bestaat nadat men
verdachte van een strafbaar feit is geworden.
In de memorie van toelichting motiveert de regering aan de hand
van twee voorbeelden in welke gevallen toepassing van de uitgebreide
identificatieplicht door de politie in het kader van haar taak als handhaver
van de openbare orde en hulpverlener mogelijk wordt. Zij geeft hierbij zelf al
aan dat het onderscheid tussen het opsporen van strafbare feiten en openbare
orde handhaving moeilijk te maken is. In de door de regering gegeven voorbeelden
lijkt het met name te gaan om strafrechtelijk opsporing makkelijker te maken.
Kan de regering nader motiveren wanneer de handhaving van de openbare orde een
verdergaande identificatieplicht dan nu reeds bestaat, rechtvaardigt. Hoe zit
dit in het kader van de hulpverleningtaak van de politie, zo vragen de leden van
de PvdA-fractie.
Deze leden merken verder op dat een verruiming van de identificatieplicht in de
richting van een algemene identificatieplicht het gevaar van discriminatie en
ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer met zich meebrengt. In vermoedelijk een klein deel van de gevallen
zal de verplichte identificatie worden onderworpen aan rechterlijke controle. In
de overige gevallen kan de betrokkene klagen op grond van de klachtenprocedure
van de politie. Deze leden vragen of deze klachten specifiek op onderwerp worden
geregistreerd en of zij worden betrokken bij de evaluatie van deze wet.
Het is voor de leden van de SP-fractie niet helemaal duidelijk hoe er bezwaar en
beroep kan worden ingediend. Kan worden toegelicht wat de procedure hiervoor zal
zijn? Zal dit wetsvoorstel en de vele protesten die het zal opleveren van mensen
op straat niet heel veel bureaucratie opleveren vanwege de klachten en bezwaren
die mensen aantekenen?
De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering aan te geven waarin de
doelbinding van de bepaling in artikel IV artikel 8a lid 1 nu precies zit. De
zinsnede «voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van
de politietaak» geeft te veel ruimte voor discussie.
Deze leden vragen tevens hoe deze toonplicht zich verhoudt tot het verbod op
zelf-incriminatie bij verdachten. Kan de regering aangeven wat zij vindt van de
gedachte om, ter voorkoming van willekeurig gebruik van deze bevoegdheid (wat de
regering ook niet voorstaat), van ieder gebruik van de bevoegdheid
proces-verbaal te laten opstellen of anderszins te laten registreren onder welke
omstandigheden is verzocht om het tonen van het identiteitsbewijs?
De leden van de fractie van D66 merken op dat de regering het samenscholen op
een openbare plek als voorbeeld noemt van een situatie waarin het onderscheid
tussen openbare orde handhaving en het opsporen van strafbare feiten niet
gemakkelijk te geven is. Kan de regering aangeven waarom en in welk geval een
groep personen die op straat bijeen staat «samenschoolt»? Is «samenscholen»
niet een negatieve inkleuring van het feit dat een groep mensen bij elkaar
staat? Wordt het door gebruikmaking van het begrip samenscholing niet erg
gemakkelijk om een groep personen om hun identificatiedocument te vragen, louter
en alleen vanwege hun huidskleur of hun afkomst uit een bepaald land?
Ontstaan zo geen situaties waarin bijvoorbeeld Marokkaanse jongens continu hun
identificatiedocument moeten tonen, terwijl dat niet geldt voor autochtone
jongens die op de openbare weg staan? Zal dit geen agressieve reacties
uitlokken? Wat is de reactie van de regering op de kritiek dat de politie in
Antwerpen zich bij de uitoefening van haar taak helemaal richt op Arabische
jongeren, waardoor zij zich gediscrimineerd voelen? Hoe kan worden voorkomen dat
soortgelijke situaties zich in Nederland zullen voordoen, na introductie van de
uitgebreide identificatie-plicht, zo vragen de leden van de fractie van D66.
De leden van de SGP-fractie merken op dat de bevoegdheid van
politie en toezichthouders slechts genormeerd wordt met de woorden
redelijkerwijs, noodzakelijk enzovoort. De wet zou limitatief moeten omschrijven
in welke gevallen en onder welke voorwaarden naar identiteitsbewijzen mag worden
gevraagd. Aan de Algemene wet op het binnentreden, ligt een overeenkomstig
systeem ten grondslag en deze leden menen te weten dat dit in het algemeen goed
werkt.
Deze leden vragen of zij goed hebben begrepen dat het wetsvoorstel het houden
van algemene controles ter zelfstandige handhaving van de identificatieplicht
door de politie mogelijk maakt, zonder dat enige motivering van het gebruik van
die bevoegdheid gevergd wordt. In dit verband hebben deze leden met bezorgdheid
kennisgenomen van de mededeling dat de regering het zelfs niet gewenst acht dat
in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt geregistreerd in welke
gevallen de bevoegdheid tot het houden van algemene controles is uitgeoefend.
Zij vragen of de regering het niet als een elementaire eis van een rechtsstaat
beschouwt dat burgers gevrijwaard worden van onaangekondigde, massale
identificatiecontroles, die niet gemotiveerd behoeven te worden, behalve in het
individuele geval waarin proces-verbaal wordt opgemaakt.
6. Toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften
De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de artikelen 5:13, 5:17 en 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een doelgebonden identificatieplicht
voor burgers ten opzichte van toezichthouders creëren.
Kan de regering nader motiveren waar het toevoegen van artikel 16a aan de Awb
een uitbreiding geeft aan deze bevoegdheid en waarom deze uitbreiding
noodzakelijk wordt geacht? Indien dit slechts gebeurt – zoals de memorie van
toelichting suggereert – om onzekerheid over de bestaande bevoegdheid weg te
nemen, zijn hiervoor dan geen andere meer passende middelen?
Ook toezichthouders krijgen de bevoegdheid om naar een identificatiebewijs te
vragen. De leden van de fractie van de VVD vinden dit een logisch uitvloeisel
van de doelstelling van de identificatieplicht en het toenemende belang dat
wordt gehecht aan de rol van toezichthouders. Zij hebben evenwel de vraag of de
bevoegdheid bij toezichthouders evenzeer begrensd is als bij de politie.
Toezichthouders hebben immers vaak ook een taak die buiten de grenzen van het
toezicht ligt. Voorgesteld wordt om de vorderingsbevoegdheid te verlenen voor
zover de toezichthouder dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
nodig heeft. Wordt hiermee bedoeld dat het dan wel moet gaan om de
toezichthoudende taak?
7. Sanctionering
De leden van de PvdA-fractie merken op dat de minister van Justitie, tijdens een
onlangs gehouden wetgevingsoverleg, de stelling heeft ingenomen dat de
overbrenging van de handhaving van kleine criminaliteit van het strafrecht naar
het bestuursrecht (bestuurlijke boete) niet kan, of weinig zin heeft zonder de
invoering van deze wet. Kan de minister dit nader motiveren? De regering stelt
voor om een aparte strafbaarstelling van het niet voldoen aan de
identificatieplicht in het leven te roepen.
De leden van de fractie van de VVD vragen of dit het gevaar in zich bergt dat het handhaven van de identificatieplicht alsnog een doel op zich wordt. Zij vragen aan de regering om te garanderen dat dit niet het geval zal zijn. Voorts vragen zij hoe er in de praktijk zal worden gereageerd op het niet (kunnen) tonen van een identificatieplicht. Kan de regering schetsen hoe dergelijke gevallen zullen worden afgehandeld?
De leden van de SP-fractie vinden de straf, die staat op het
niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs, disproportioneel. Het kan voor een
14-jarig kind zonder inkomen niet zo zijn dat hij of zij 2250 euro moet betalen,
omdat hij of zij het identiteitsbewijs is kwijtgeraakt bij het spelen. Zal de
regering het mogelijk maken voor kinderen om bij de bank van lening een krediet
aan te vragen? Tevens vragen deze leden of vreemdelingen die na de vaststelling
dat ze geen identiteitsbewijs hebben, in bewaring ter fine van de uitzetting
worden geplaatst, eveneens de boete zullen moeten betalen. Verwacht de regering
daar iets van vóórdat ze worden uitgezet? Zo neen, leidt dit dan niet tot de
vreemde situatie dat niet legale burgers
harder worden gestraft dan illegale inwoners, zo vragen deze leden.
8. Uitvoering en toepassing
De leden van de CDA-fractie hebben een vraag over de financiële consequenties
voor gezinnen met een minimum inkomen. Het aanschaffen van een
identiteitsbewijs, zoals voorgesteld, zal de nodige kosten met zich meebrengen
voor dergelijke gezinnen. Door de regering is rekening gehouden met de kosten
van invoering voor de verschillende organisaties, maar is ook rekening gehouden
met de omstandigheden van deze
groep, zo vragen deze leden.
De leden van de PvdA-fractie vragen welke (tijdelijke) kosten voor burgers
worden verwacht als gevolg van de invoering van dit wetsvoorstel. Welke
inspanningen moeten zij verrichten ter verkrijging van een identiteitsbewijs en
welke kosten zijn hieraan verbonden? Hoeveel kinderen en ouderen beschikken niet
over een ter identificatie noodzakelijk identiteits-bewijs, zo vragen deze
leden.
De leden van de SP-fractie vrezen dat de financiële consequenties voor mensen
die een legitimatiebewijs moeten aanschaffen en na verlies weer moeten
aanschaffen, groot zullen zijn. Zoals de kosten voor paspoorten al jarenlang
torenhoog zijn gestegen, zal het zeker gelden voor het verplichte
identiteitsbewijs.
De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat, nu er een uitbreiding van de
identificatieplicht wordt voorgesteld, het voor de hand ligt om gelijktijdig te
voorzien in een gratis ter beschikking gesteld document waarmee personen zich
kunnen legitimeren.
De regering wil niet overgaan tot het aanwijzen en/of uitreiken van één
specifiek identificatiebewijs door de overheid. De leden van de fractie van D66
vragen de regering of het niet praktischer zou zijn om toch één nieuw
identificatiedocument te introduceren, dat bijvoorbeeld bij de afgifte van een
rijbewijs of een nieuw paspoort gratis verstrekt kan worden. Wanneer de regering
de kosten van een dergelijk identificatiedocument aan de burger in rekening zou
willen brengen, hoe groot zouden de kosten dan zijn? De leden van de fractie van
de ChristenUnie worden in hun hierboven beschreven aarzeling gesterkt door de
opvatting van de Raad van Hoofdcommissarissen.
De Raad heeft te kennen gegeven weinig rendement voor de opsporing te verwachten
van de voorgestelde uitbreiding van de identificatieplicht. Daarvoor zijn
algemene controles op de draagplicht zelf nodig. Echter, dat is nu juist niet
aan de orde, zo begrijpen deze leden.
In het verlengde hiervan vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie
nader in te gaan op de vraag om welke reden ook thans in het kader van het
onderhavige wetsvoorstel niet is gekozen voor een draagplicht, maar voor een
toonplicht, zeker waar veel materiewetten in essentie meer in de richting gaan
van een draagplicht en waar materieel, bij een dergelijke uitbreiding van de
identificatieplicht als nu voorzien, draagplicht en toonplicht wel heel dicht
bij elkaar liggen.
9. Financiële paragraaf
Nieuwe bevoegdheden zullen geen bijdrage leveren aan het vergroten van de
veiligheid indien ze niet worden toegepast. De leden van de fractie van de VVD
hechten er daarom aan dat er een goed voorlichtingsprogramma wordt gestart
richting burgers, politie en toezichthouders. Een programma dat verder moet gaan
dan het simpelweg schetsen van de grenzen van de nieuwe bevoegdheid. Een
onderdeel van de voorlichting van agenten en de scholing van toekomstige agenten
moet gericht zijn op de mogelijkheden die de identificatieplicht biedt. Kan de
regering schetsen hoe de voorlichting en scholing er zal gaan uitzien?
10. Artikelsgewijs
Artikel II
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de strekking van het
voorgestelde artikel 447 e Sr technisch is sprake van overtreding van de
bepaling als geen geldig identificatiebewijs is getoond. Kan er echter wel in
redelijkheid sprake zijn van een strafbedreiging indien iemand het nodige er aan
gedaan heeft om de politie te helpen zijn identiteit vast te stellen? Te denken
valt aan een (zojuist) verlopen bewijs, maar ook aan andere gegevens die nu al
veelvuldig worden gebruikt om vast te stellen dat iemand is wie hij zegt dat hij
is, zoals agenda’s, treinabonnementen, lidmaatschapspasjes of andere zaken
waarvan het gebruikelijk is dat men deze bij zich heeft. Verder valt te denken
aan bereidwilligheid die tot uiting
komt door het plegen van verhelderende telefoontjes, het vrijwillig meegaan naar
het politiebureau, bereidwilligheid om vergeten documenten alsnog op te halen,
enzovoort. Is het dan niet van belang deze notie met zoveel woorden in de wet op
te nemen?
Artikel IX
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het aanbeveling verdient
om te bezien of artikel 151a Gemeentewet in het licht van de rechterlijke
uitspraak waaraan wordt gerefereerd toch geen nadere
aanpassing behoeft. Dit in het licht van de wijze waarop de algemene wet
bestuursrecht in het algemeen behoort te worden gezien in relatie tot de
bijzondere bestuurswetten: de bevoegdheden die in de bijzondere wetten staan,
behoren immers, tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken, zoveel mogelijk te
worden uitgelegd in de geest van de algemene beginselen terzake die in de
algemene wet bestuursrecht staan opgenomen. Is 151a Gemeentewet bij nader inzien
wel voldoende expliciet in dat opzicht?
Artikel XIX
De leden van de PvdA-fractie constateren dat artikel XIX, artikel 92 van de Wet
personenvervoer zodanig wijzigt dat ook de reiziger die de leeftijd van 14 jaar
nog niet heeft bereikt een identificatieplicht heeft. Is deze plicht beperkt tot
reizigers vanaf 12 jaar? Wat is de huidige in deze wet opge-nomen
leeftijdsgrens? Wat is de reden van deze wijziging die mogelijk een verruiming
inhoudt? Waarom wordt afgeweken van de voornoemde algemene leeftijdsgrens van 14
jaar?
De leden van de fractie van de ChristenUnie stellen vast dat het nieuwe artikel
92 Wet personenvervoer neerkomt op een afzwakking van het huidige artikel 92.
Waar op dit moment elke reiziger een toonplicht heeft bij het niet kunnen laten
zien van een vervoersbewijs is dat straks alleen het geval bij 14-jarigen en
ouder. Zij vragen of dat wel de bedoeling kan zijn en of artikel 92 dus niet
beter kan blijven luiden zoals het thans is.
De voorzitter van de commissie,
De Pater-van der Meer
Adjunct-griffier van de commissie,
Van Bemmel
1 Samenstelling:
Leden: Van de Camp (CDA), de Vries (PvdA),van Heemst (PvdA), Vos (GL), Rouvoet
(CU), Adelmund (PvdA),
de Wit (SP), Albayrak(PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (VVD), Weekers (VVD), de
Pater-van der Meer (CDA),voorzitter, Cqörüz (CDA), Verbeet (PvdA),
onder-voorzitter, Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA),Tonkens (GL), de Vries (CDA), van
Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Fessem (CDA),
Straub (PvdA), Nawijn (LPF), Griffith (VVD),Van der Laan (D66) en Visser (VVD).
Plv. leden: Van Hijum (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GL),
van derStaaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), van Velzen (SP),Tjon-A-Ten (PvdA), van
Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA),
Jager (CDA), van Heteren (PvdA), Vergeer (SP), Arib (PvdA), Karimi (GL),Buijs
(CDA), Sterk (CDA), Varela (LPF), Joldersma (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken
(PvdA), Hermans (LPF), Örgü (VVD), Lambrechts (D66) en Rijpstra (VVD).
’s-Gravenhage 2003 Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29
218, nr. 6 1
Identificatieplicht. Identificatieplicht vanaf 14 jaar
Identificatieplicht.
Identificatieplicht vanaf 14 jaar
Volgens het wetsvoorstel “Uitgebreide identificatieplicht” moet iedereen van
14 jaar en ouder een geldig identiteitsbewijs tonen als de politie of
andere toezichthouders daar om vragen. In de praktijk betekent dit dat iedereen
van 14 jaar en ouder altijd een geldig identiteitsbewijs bij zich moet dragen.
Het verzoek om legitimatie door politie of andere toezichthouder mag niet
willekeurig gebeuren. Zij moeten daar een reden voor hebben. Het verzoek moet
nodig zijn voor de uitvoering van hun taken. Wanneer iemand geen geldig
identiteitsbewijs kan of wil tonen, kan hij meegenomen worden naar het
politiebureau. Daar wordt vervolgens onderzoek gedaan naar zijn identiteit. Ook
kan hij bestraft worden met een boete of gevangenisstraf. De maximale straf die
kan worden opgelegd is een geldboete van 2250 euro en een gevangenisstraf van
maximaal twee maanden. Mensen met de Nederlandse nationaliteit kunnen zich
legitimeren met het paspoort, het rijbewijs en de Nederlandse identiteitskaart
(voorheen Europese identiteitskaart). Vreemdelingen kunnen zich legitimeren met
een vreemdelingendocument. Het kabinet besloot in 2002 tot de invoering van de
uitgebreide identificatieplicht als onderdeel van een breed pakket aan
maatregelen om criminaliteit en overlast te verminderen. De Tweede Kamer heeft
op 10 december 2003 ingestemd met het wetsvoorstel “Uitgebreide
identificatieplicht”. De streefdatum voor het invoeren van de nieuwe wet is 1
januari 2005. Dit is echter afhankelijk van goedkeuring door de Eerste Kamer.
Welke identificatieplichten zijn er nu al?
In 1994 is de Wet op de identificatieplicht ingevoerd en sindsdien geldt in
Nederland een beperkte identificatieplicht. Die houdt, kort gezegd, in dat alle
burgers van 12 jaar en ouder in bepaalde situaties (zoals aangewezen in
verschillende wetten) aan bepaalde personen of instanties op hun verzoek een
geldig identiteitsbewijs moeten laten zien. Dit geldt bijvoorbeeld bij het
openen van een bankrekening, het in dienst treden bij een nieuwe werkgever en
het aanvragen van een uitkering. Mensen moeten zich ook kunnen legitimeren bij
de notaris en op het werk. En ook bij zwartrijden in het openbaar vervoer en
bezoeken van een voetbalwedstrijd moet men een identiteitsbewijs aan de
controleur of politieagent laten zien wanneer zij daarom vragen. Daarnaast mogen
politie en marechaussee de identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus van
iemand controleren om illegale immigratie tegen te gaan. Ook moet elke
bestuurder van een motorrijtuig op verzoek van de politie een rijbewijs kunnen
laten zien. Met de identificatieplicht kan gecontroleerd worden of de gegevens
die iemand over zichzelf opgeeft juist en volledig zijn. Zo wordt voorkomen dat
mensen een valse naam opgeven en worden fraude en criminaliteit bestreden. De
huidige identificatieplichten zijn in verschillende wetten opgenomen,
bijvoorbeeld in de Wet personenvervoer, de sociale zekerheidswetten en de
fiscale wetgeving. In alle situaties waarin men zich moet legitimeren zijn het
Nederlandse paspoort, de Nederlandse identiteitskaart en het
vreemdelingendocument toegestaan. Het Nederlandse rijbewijs is niet altijd
voldoende. Het rijbewijs geldt bijvoorbeeld niet als geldig identiteitsbewijs
bij het in dienst treden bij een nieuwe werkgever en bij het aanvragen van een
uitkering. Op het rijbewijs staat namelijk niets over de nationaliteit en de
verblijfsstatus van de persoon. In een aantal gevallen, waarbij de nationaliteit
of verblijfsstatus van de persoon minder belangrijk is, is ook het rijbewijs
toegestaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor bezoek aan voetbalwedstrijden, de
notaris en geldzaken bij de bank. Ook bij controles op het werk door
bijvoorbeeld de Arbeidsinspectie of de FIOD volstaat een Nederlands rijbewijs.
Met de invoering van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht (beoogd per 1
januari 2005) blijven de identificatieverplichtingen in deze speciale gevallen
bestaan. Die veranderen dus niet.
Wat verandert er met de invoering van de uitgebreide
identificatieplicht?
Met de invoering van het wetsvoorstel “Uitgebreide identificatieplicht”
blijven de bestaande identificatieplichten voor de burger bestaan en komen er
belangrijke nieuwe plichten bij. Politie en (bestuurlijk) toezichthouders
krijgen meer bevoegdheden om de identiteit van burgers te controleren. Met
toezichthouders worden ambtenaren bedoeld die toezicht moeten houden op de
naleving van bepaalde wetten. Zij zijn werkzaam bij bijvoorbeeld
Staatsbosbeheer, Fiod, douane, bouw- en woningtoezicht, arbeidsinspectie,
milieu-inspectie. Alle burgers van 14 jaar en ouder moeten een geldig
identiteitsbewijs tonen als de politie of toezichthouder daar om vraagt. In de
praktijk betekent dit dat elke burger van 14 jaar en ouder altijd een geldig
identiteitsbewijs met zich mee moet nemen wanneer hij van huis weggaat. Wordt
onder de huidige wet bijvoorbeeld in het verkeer alleen van bestuurders van
motorrijtuigen verwacht dat ze zich op verzoek van de politie kunnen
legitimeren, met de uitgebreide identificatieplicht moeten ook fietsers en
voetgangers zich op verzoek kunnen identificeren, als dat nodig is voor de
uitoefening van het verkeerstoezicht of de opsporing van strafbare feiten.
Geen willekeurige verzoeken om legitimatie
Ook onder de Wet op de uitgebreide identificatieplicht mag de politie burgers
niet zonder reden aanhouden om hun identiteit te controleren. De politie moet
een concrete reden hebben om naar het identificatiebewijs van de burger te
vragen. Er mag geen sprake zijn van willekeurige identiteitscontroles. Het
verzoek om legitimatie moet nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de
politie.
Volgens de huidige wetgeving mag de politie een verdachte van een strafbaar feit om zijn naam, adres, geboortedatum en sofi-nummer vragen. Ook mag de politie, zonder dat er een verdenking van een strafbaar feit is, iemands identiteit controleren in het kader van het verkeerstoezicht of indien er een redelijk vermoeden is dat de persoon illegaal in Nederland verblijft. Voor de andere politietaken, het handhaven van de openbare orde en hulpverlening, heeft de politie onder de huidige wetgeving geen identificatiebevoegdheden. Dat verandert met de invoering van de wet “Uitgebreide identificatieplicht”. De politie krijgt dan ook voor de uitvoering van deze taken de bevoegdheid om naar het identiteitsbewijs te vragen, mits daar een concrete aanleiding voor is.
Toezichthouders, bijvoorbeeld douaniers, boswachters en onderwijsinspecteurs krijgen dezelfde bevoegdheden als de politie om naar het identificatiebewijs te vragen. Ook voor toezichthouders geldt dat er een reden moet zijn voor het verzoek om het identiteitsbewijs te tonen en moet het verzoek passen bij de uitoefening van de functie. Een toezichthouder van bouw– en woningtoezicht kan bijvoorbeeld van een fietser die door rood licht rijdt niet eisen om zich te legitimeren. Het aanhouden van verkeersovertreders behoort immers niet tot zijn taken. Net zo min mag een inspecteur van de arbeidsinspectie aan iemand die troep op straat gooit, vragen om zich te legitimeren. Met toezichthouders worden ambtenaren bedoeld die toezicht moeten houden op de naleving van bepaalde wetten. Werknemers van particuliere beveiligingsbedrijven, bijvoorbeeld beveiligingsmedewerkers van winkels, bedrijven en instellingen vallen hier niet onder. Zij mogen op grond van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht burgers niet vragen om zich op straat te legitimeren. Zij mogen wel, in verband met beveiliging of op grond van de huisregels van de winkel, het bedrijf of de instelling waarvoor zij werken, bezoekers of klanten vragen om zich te legitimeren. Die bezoekers zijn niet verplicht om daarop in te gaan, maar zij moeten wel dulden dat zij op last van de rechthebbende op het pand worden verwijderd of de toegang geweigerd. Door identificatie te weigeren begaan zij geen strafbaar feit.
Sancties bij niet legitimeren. Bij de invoering van “uitgebreide identificatieplicht” kan iemand die geen geldig identiteitsbewijs kan of wil tonen aan politie of toezichthouder, meegenomen worden naar het politiebureau. Daar wordt vervolgens onderzoek gedaan naar zijn identiteit. De maximale straf die voor deze overtreding kan worden opgelegd is een geldboete van 2250 euro en een gevangenisstraf is maximaal twee maanden. De verwachting is dat de standaardboete in de praktijk in veel (eenvoudige) gevallen aanzienlijk lager zal uitkomen.
Klachten over optreden politie en toezichthouders. Klachten over het optreden en het gedrag van politie of toezichthouders bij het vragen om een identiteitsbewijs kunnen ingediend worden volgens de normale klachtenprocedure (voor de politie bij het regiokorps, voor de toezichthouder bij de instantie waarbij hij werkzaam is). Ook het bezwaar maken tegen een opgelegde boete verloopt via de normale (bezwaar)procedures.
Met welke identiteitsbewijzen kan men zich legitimeren? Wanneer
een politieambtenaar of een toezichthouder vraagt om een identiteitsbewijs, dan
kunnen mensen met de Nederlandse nationaliteit zich legitimeren met het
paspoort, het rijbewijs en de Nederlandse identiteitskaart (voorheen Europese
identiteitskaart).
Vreemdelingen kunnen zich legitimeren met documenten zoals opgenomen in de
Vreemdelingenwet 2000, zoals het vreemdelingendocument. EU- en EER-onderdanen
kunnen zich in bepaalde gevallen eveneens met hun paspoort of rijbewijs
identificeren. Men kan zich niet legitimeren met een verlopen of anderszins
ongeldig identiteitsbewijs. Ook kan men zich niet legitimeren met allerlei
andere pasjes, zoals een 65+ kaart, een openbaar vervoerkaart of bankpas..
Het rijbewijs is niet in alle situaties voldoende
Het rijbewijs wordt als algemeen identiteitsbewijs erkend, behalve in een aantal
specifieke situaties waarin voor een goede controle gegevens over de
verblijfsstatus en de nationaliteit van de persoon belangrijk zijn. Bijvoorbeeld
bij de fiscus, bij het in dienst treden bij een werkgever en bij het aanvragen
van een uitkering.
|
Overzicht
|
Waar is een paspoort of Nederlandse identiteitskaart te verkrijgen? Een paspoort of Nederlandse identiteitskaart vraag u aan bij de afdeling burgerzaken van de gemeente waarbij u staat ingeschreven. Het duurt ongeveer een week om het document te maken. Aan de uitgifte zijn kosten verbonden. Een Nederlandse identiteitskaart is goedkoper dan een paspoort en kost 28,73 euro (als overheid proberen we dat de komende tijd flink wat duurder te maken om steeds meer aan identificatie te kunnen verdienen.) De Nederlandse identiteitskaart is als reisdocument geldig binnen de Europese Unie. Een paspoort is ook buiten de Europese Unie geldig.
Bij verlies en diefstal, bij ingetrokken rijbewijs. Als u uw
paspoort, rijbewijs, identiteitskaart of vreemdelingendocument kwijt bent of als
die gestolen is, moet u aangifte doen bij de politie. De politie maakt een
proces-verbaal op. Dit proces-verbaal heeft u nodig voor het aanvragen van een
nieuw identiteitsbewijs.
In het geval u uw rijbewijs heeft moeten inleveren, bijvoorbeeld wegens te hard
rijden of ontoelaatbaar alcoholgebruik, dient u er zelf voor te zorgen dat u
zich met een ander geldig identiteitsbewijs, dus een paspoort of
identiteitskaart, kunt legitimeren.
19 september 2003
VOORSTEL IDENTIFICATIEPLICHT NAAR TWEEDE KAMER
Minister Donner (Justitie) en minister Remkes (BZK) hebben het wetsvoorstel tot uitbreiding van de identificatieplicht naar de Tweede Kamer gestuurd. De identificatieplicht geldt voor iedereen van 14 jaar en ouder.
De uitbreiding van de identificatieplicht is bedoeld om handhaving van wetten en regels door de politie (en andere toezichthouders) te verbeteren. Dit betekent dat de politie alleen in het kader van bestaande werkzaamheden om identificatie kan vragen. Er komen geen afzonderlijke controles op het bezit van identiteitsbewijzen.
De regeling betekent een uitbreiding van de vormen van identificatieplicht. In de huidige situatie mag de politie een aangehouden verdachte om een identiteitsbewijs vragen. Ook een aantal andere instanties mag voor een wettelijk omschreven taak om een legitimatie vragen. Dan geldt bijvoorbeeld bij de notaris, bij het openen van een bankrekening of het aanvragen van een sofi-nummer. Daarnaast moet de werkgever op de eerste werkdag van een nieuwe werknemer de identiteit van deze persoon vaststellen.
Identiteitsbewijs. Het kabinet heeft besloten om geen nieuwe identiteitskaart in te voeren. Naast het paspoort en de Nederlandse identiteitskaart geldt ook het rijbewijs in de meeste gevallen als een erkend identiteitsbewijs. Voor de vaststelling van de verblijfsstatus of de nationaliteit voldoet het rijbewijs niet. Vreemdelingen kunnen zich onder meer identificeren met een zogeheten vreemdelingendocument.
Vreemdelingentoezicht. Het wetsvoorstel biedt geen extra bevoegdheden voor het vreemdelingentoezicht. Alleen bij een 'geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf' mag de politie de identiteit van een vreemdeling controleren. Het kabinet verwacht dan ook niet dat buitenlanders of vreemdelingen onevenredig getroffen worden door de invoering van de algemene identificatieplicht.
2 mei 2003
IDENTIFICATIEPLICHT VOOR IEDEREEN VANAF 14 JAAR
De identificatieplicht wordt uitgebreid. Dat staat in een wetsvoorstel waarmee de ministerraad akkoord is gegaan. De plicht gaat gelden voor iedereen van veertien jaar en ouder. Er komen
(nog) geen speciale controles. Minister Donner (Justitie) en minister Remkes (BZK) sturen het wetsvoorstel voor advies naar de Raad van State. Daarna wordt het ingediend bij de Tweede Kamer. In de oorspronkelijke concept-tekst van de wet werd voorgesteld om de identificatieplicht te laten ingaan vanaf twaalf jaar. Na het inwinnen van advies bij een aantal instellingen en adviesorganen heeft het kabinet besloten om die leeftijd te verhogen naar veertien jaar. Betere handhaving. De uitbreiding van de identificatieplicht is bedoeld om een betere handhaving van wetten en regels mogelijk te maken. De politie krijgt de bevoegdheid om identificatie te vragen bij alle reguliere politietaken. Er komt geen algemene identificatieplicht met bijbehorende aparte controles. Het huidige toezicht op vreemdelingen blijft onveranderd. Dat betekent dat er alleen identiteitscontrole plaatsvindt bij een vermoeden van illegaal verblijf. Ook rijbewijs wordt erkend. Naast het paspoort en de Nederlandse identiteitskaart wordt ook het rijbewijs erkend als een officieel identificatiemiddel. Voor vreemdelingen gelden daarvoor aangewezen documenten, zoals het vreemdelingendocument.
13
december 2002
CONCEPT-WETSVOORSTEL VOOR IDENTIFICATIEPLICHT
Iedereen
in Nederland boven de twaalf jaar moet in de toekomst desgevraagd aan de politie
een geldig identiteitsbewijs kunnen tonen. Degene die dat niet doet, riskeert
een gevangenisstraf van maximaal twee maanden of een boete van maximaal
€2.250. Dat staat in een concept-wetsvoorstel van minister Donner (Justitie).
De minister heeft het voorstel voor advies gestuurd aan onder meer het College
bescherming persoonsgegevens, het openbaar ministerie, de Raad van
Hoofdcommissarissen, de Raad voor de Rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor
Rechtspraak, de Nederlandse Orde van Advocaten en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten. In het concept-wetsvoorstel krijgt de politie de bevoegdheid om
identificatie te vragen bij alle reguliere politietaken: de opsporing van
strafbare feiten, de handhaving van de openbare orde of de hulpverlening. De
identificatieplicht geldt dus niet alleen voor verdachten van een strafbaar
feit. Wel moet er een aanleiding zijn voor een identiteitscontrole; er worden
geen willekeurige controles gehouden. De op deze wijze ingevulde
identificatieplicht betekent dat - als het wetsvoorstel wordt aangenomen -
iedereen verplicht is altijd een geldig identiteitsbewijs bij zich te dragen.
Aan de identificatieplicht kan worden voldaan met de bestaande erkende
identiteitsbewijzen (paspoort, rijbewijs of Europese identiteitskaart). Het
concept-wetsvoorstel voor een algemene identificatieplicht vloeit voort uit het
Strategisch Akkoord 2002 en het Nationaal Veiligheidsplan. Het doel is de
criminaliteitsbestrijding en rechtshandhaving doeltreffender aan te pakken.
Persbericht Ministerie van Justitie 13 december 2002 over identificatieplicht
|
Concept-wetsvoorstel voor een algemene identificatieplicht klaar 13
december 2002 Advies gevraagd aan belanghebbenden Iedereen in Nederland boven de twaalf jaar zal in de toekomst desgevraagd aan de politie een geldig identiteitsbewijs moeten kunnen tonen. Degene die dat niet doet, wordt strafbaar met een gevangenisstraf van maximaal twee maanden of een boete van maximaal 2.250 Euro. De politie krijgt de bevoegdheid om identificatie te vragen ten behoeve van al haar reguliere politietaken te weten de opsporing van strafbare feiten, de handhaving van de openbare orde of de hulpverlening. Ook degenen die zijn belast met het houden van administratief toezicht krijgen dezelfde bevoegdheid ter verbetering van de handhaving van de wetten. De identificatieplicht geldt dus niet alleen voor verdachten van een strafbaar feit. Dat is de kern van het ontwerp-wetsvoorstel uitbreiding identificatieplicht. Minister J.P.H. Donner heeft het voorstel vandaag om advies gestuurd aan onder meer het College bescherming persoonsgegevens, het Openbaar Ministerie, de Raad van Hoofdcommissarissen, de Raad voor de Rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVVR), de Nederlandse Orde van Advocaten (Nova) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.. In het Strategisch Akkoord 2002 is opgenomen dat een algemene identificatieplicht zal worden ingevoerd opdat de bestrijding van de criminaliteit en de rechtshandhaving doeltreffender zullen worden. Het wetsvoorstel is een uitwerking van de in het Nationaal Veiligheidsplan vervolgens neergelegde voornemens op dit terrein. Naar huidig recht mag de politie een staande gehouden of aangehouden verdachte om een ID-bewijs vragen. Indien de verdachte dit weigert of als de politie vermoedt dat hij en valse naam heeft opgegeven, kan de persoon worden aangehouden voor maatregelen ter identificatie (foto’s, vingerafdrukken etc.). Ter identificatie kan de verdachte bovendien worden opgehouden voor verhoor voor een termijn van maximaal twee maal zes uur. Voor de andere reguliere politietaken- handhaving van de openbare orde en de hulpverleningstaak - bestaan nu geen identificatiebevoegdheden. Naast de reguliere taken, zoals in de Politiewet gedefinieerd heeft de politie een aantal bijzondere (toezichthoudende) taken. Te denken valt aan het verkeerstoezicht waarbij op grond van Wegenverkeerswet om het rijbewijs van de bestuurder kan worden gevraagd en het vreemdelingentoezicht waarbij op grond van de Vreemdelingenwet 2000 bij een redelijk vermoeden van illegaal verblijf om een ID-bewijs en het bewijs van verblijfsstatus mag worden gevraagd. Het wetsvoorstel brengt op deze twee terreinen geen wijziging in de bestaande situatie. Naast de politie hebben naar huidig recht ook een aantal andere instanties in specifieke wettelijk omschreven gevallen de bevoegdheid of de verplichting om een ID-bewijs te vragen. Te denken is aan de banken bij het openen van een rekening, bij de notaris, bij de aanvraag van een Sofi-nummer etc. Ook deze verplichtingen blijven bestaan. In het wetsvoorstel worden bestaande identificatieplichten in sterke mate uitgebreid. De komende wettelijke identificatieplicht omvat een toonplicht, die een plicht tot het permanent dragen van een geldig identiteitsbewijs met zich mee brengt. Ook voor de uitvoering van het administratieve toezicht in de verschillende wetten wordt in de Algemene wet bestuursrecht een identificatieplicht opgenomen. Aan de identificatieplicht kan worden voldaan met behulp van de bestaande erkende identiteitsbewijzen; er worden geen nieuwe documenten voorgesteld. Bij het vragen naar een identiteitsbewijs zijn de politie en de administratieve toezichthouders gebonden aan het criterium van de redelijke taakuitoefening. Dat betekent dat er een aanleiding moet zijn voor een identiteitscontrole en er dus geen sprake zal zijn van willekeurige identiteitscontroles, maar dat de bevoegdheid zal worden ingezet in het kader van een betere handhaving van wetten. |
Nee tegen de identificatieplicht. De Groene Amsterdammer van 15 februari 1995
In 1970 stond heel Nederland op z'n kop vanwege de volkstelling. De angst voor de dictatuur van Big Brother was groot. Maar nu met de 'beperkte identificatieplicht' die dictatuur werkelijkheid dreigt te worden, ontbreekt elk verzet. Waar blijft de nieuwe Lau Mazirel?
door Max Arian
HET MOOIE VAN ouder worden is dat je leert je te verbazen. Als
je jong bent, is de wereld zoals hij is. Misschien vind je hem prachtig of wil
je hem veranderen. Maar hij is vanzelfsprekend. Pas als je ouder wordt, zie je
dat niets vanzelf spreekt, dat alles in z'n tegendeel kan verkeren. Zowel het
vroegere als het huidige wordt ongrijpbaar en verbazingwekkend. In 1970 was ik
net als iedereen om me heen tegen alles. Tegen het koningshuis, tegen het
establishment, tegen de oorlog in Vietnam, het kapitalisme en de Navo. En dus
ook tegen de volkstelling die in 1971 zou worden gehouden. Waarom we daar zo
tegen waren, dat weet ik niet precies meer. Het lijkt toch niet volkomen
onzinnig af en toe eens te kijken wie er precies in Nederland wonen en of er
misschien nog iets voor ze te doen valt. De voorgaande dertien volkstellingen
waren zonder veel protest verlopen. Tien jaar eerder had alleen de
rechts-anarchistische Telegraaf-columnist Jacques Gans een boete van 25 gulden
gekregen omdat hij volhardde in zijn weigering aan de volkstelling van 1960 mee
te doen. Maar in 1971 was plotseling het verzet massaal en was er werkelijk een
brede maatschappelijke discussie over de volkstelling. Toen Vrij Nederland haar
dertigjarig jubileum aan de volkstelling wijdde, was de hele Rai vol. Er werd
een 'Comité Waakzaamheid Volkstelling' opgericht. En de Tweede Kamer werd door
al dat verzet genoodzaakt opnieuw over de volkstelling te debatteren.
Het was 25 jaar na de oorlog en velen waren huiverig voor allerlei vormen van
bureaucratische registratie. Wat zou de overheid niet allemaal met die gegevens
kunnen doen? Maar een verklaring is dat allerminst. Er wordt nu veel meer
aandacht besteed aan de oorlog. Maar niemand heeft de neiging daar enige
conclusie uit te trekken voor zijn eigen huidige gedrag. Streng zeg ik tegen
mezelf dat het sentimenteel is om over het tekenen van een Ariër-verklaring te
beginnen als me wordt gevraagd een kopie van m'n paspoort bij m'n werkgever te
deponeren. En toch weet ik dat ik als ik die kopie inlever, meewerk aan het
uitsluiten van illegale buitenlanders.
Er is een jonge vrouw in Utrecht die het met me eens is en die er zelfs haar
baan (van een dag in de week) voor op het spel heeft gezet. Er is een klein
Autonoom Centrum in de Kinkerstraat dat actie voert tegen wat ze
'administratieve apartheid' noemen. De VPRO heeft er in het najaar een
radio-uitzending aan gewijd. En dat is het dan zo ongeveer.et is zo moeilijk',
zegt een kennis van vroeger die in Groningen bestuursrecht doceert, 'je bent nu
zo geïsoleerd. Tijdens de acties tegen de Volkstelling in 1970/'71 werd je aan
alle kanten gevoed met argumenten. Je wist dat als je weigerde je dat samen met
tienduizenden deed. Nu sta je alleen te twijfelen of je dat kopietje moet
inleveren of niet. Als je het niet doet, loop je kans op een hoge boete. Je
wordt dan door de belastingen aangeslagen voor het hoogste tarief, zestig
procent. En maakt het nu iets uit om principieel te zijn?'
Het lijkt inderdaad futiel. In Frankrijk en België is het normaal dat je een
legitimatiebewijs bij je hoort te hebben. In Nederland begon de discussie over
een algemene legitimatieplicht in 1984 toen minister van Justitie Korthals Altes
als zijn 'strikt persoonlijke mening' te kennen gaf dat er met het oog op de
misdaadbestrijding ook in Nederland een verplicht legitimatiebewijs moest worden
ingevoerd. Het idee viel niet zo goed in Nederland, de herinnering aan Jacob
Lenz en het door hem ontworpen en tijdens de Duitse bezetting in Nederland
ingevoerde persoonsbewijs was nog niet geheel verdwenen. Vooral de PvdA verzette
zich aanvankelijk fel tegen elke identificatieplicht. Maar ze stemde er toch in
toe dat in het regeerakkoord voor het kabinet-Lubbers/Kok een beperkte
identificatieplicht werd opgenomen, op basis van bestaande documenten en slechts
in bepaalde omstandigheden verplicht. Dit compromis werd door minister van Justitie Hirsch Ballin uitgewerkt tot een
wetsvoorstel dat eind 1993 uiteindelijk is aangenomen. Vanaf 1 juni 1994 geldt
de wet op de identificatieplicht. Hirsch Ballin liet zich fotograferen met z'n
identiteitsbewijs in de hand en er werd een folder gedrukt die uitlegt wanneer
welk 'ID-bewijs' geldig is. Het blijkt dat je rijbewijs meestal niet als
ID-bewijs kan gelden, omdat je nationaliteit daar niet op staat vermeld. Maar
waarom moet je bij het aanvragen van een Sofi-nummer, op het arbeidsbureau, bij
het aanvragen van een uitkering en bij een nieuwe baan eigenlijk je
nationaliteit zo nodig vermelden? Wordt daar de apartheidsstaat al niet zo'n
beetje ingevoerd?
De beperkte identificatieplicht bestaat bovendien in zoveel omstandigheden en
ter oplossing van zoveel problemen, dat hij in feite heel dicht bij een algemene
identificatieplicht komt. In het informatieve boekje van Jan Holvast en André
Mosshammer Identificatieplicht: Het baat niet, maar het schaadt wel (uitgeverij
Jan van Arkel, 1993) wordt dat zo uitgedrukt: 'Enigszins gechargeerd kan men
zeggen dat de identificatieplicht beperkt is, maar de legitimatieplicht
algemeen.'
Toch zijn er omstandigheden waarin iedereen het normaal zal vinden een
identiteitsbewijs te overleggen. Bijvoorbeeld bij het openen van een
bankrekening, bij het afsluiten van een levensverzekering of bij het opmaken van
een akte door de notaris. Enige sympathie zou men ook nog wel kunnen hebben bij
het gebruik van het ID-bewijs om voetbalvandalisme en zwartrijden in het
openbaar vervoer tegen te gaan. Door een valse identiteit op te geven kunnen de
boosdoeners zich immers aan boetes onttrekken of zelfs een ander ervoor op laten
draaien. Maar waar is de grens? Fraude tegengaan bij sociale uitkeringen is ook een
lofwaardig streven. Maar door bij het aanvragen van een uitkering het ID-bewijs
te eisen worden illegaal in Nederland aanwezige buitenlanders - ook als ze al
jaren braaf premies hebben betaald - uitgesloten. De Tweede Kamer stond
staatssecretaris Schmitz zelfs niet toe deze grove onrechtvaardigheid te
corrigeren voor althans degenen die al zes jaar premies hebben betaald door ze
voor legalisering in aanmerking te laten komen.
Zonder ID-bewijs kan men zich nu ook niet meer als werkzoekende bij het
arbeidsbureau inschrijven, bij een nieuwe baan moet het ID-bewijs worden getoond
en een kopie daarvan moet in de administratie van de werkgever worden opgenomen.
Bovendien kunnen vanaf 1 juni 1995 op het werk controles plaatsvinden om
zwartwerken en het in dienst hebben van illegalen tegen te gaan. Daarom worden
nu ook mensen die al jarenlang in dienst zijn plotseling tot hun verbazing om
een kopie van hun identiteitsbewijs gevraagd. Velen vinden dat vervelend en een
inbreuk op hun privacy: wat gebeurt er met die kopie en de gegevens die daar op
staan? Kan het werkelijk een ontslaggrond zijn als je weigert hieraan mee te
werken? Dat laatste valt nog te bezien, maar erger vind ik dat hiermee illegale
buitenlanders volstrekt naar de marge worden gedwongen. Ze kunnen alleen nog
maar werk vinden dat volledig zwart is en zijn daarvoor volkomen afhankelijk van
malafide werkgevers, of ze moeten hun toevlucht zoeken in de criminaliteit. De
overheid lost op deze manier geen problemen op, maar creëert ze zelf. Er wordt
een subproletariaat geschapen dat volstrekt rechteloos is.
ALS SLUITSTUK IS er dan nog het 'binnenlandse vreemdelingentoezicht' in de wet
opgenomen: als de politie een duidelijke aanwijzing heeft dat het om illegale
vreemdelingen gaat en een onderzoek instelt, zijn die altijd verplicht hun
identiteit en nationaliteit aan te tonen. Vlak achter de grens mogen politie en
marechaussee bovendien om illegale immigratie tegen te gaan zonder bijzondere
aanwijzingen tot controle overgaan.
Nu gold voor vreemdelingen in Nederland al eerder een algemene
identificatieplicht. Tot nu toe maakte de politie slechts spaarzaam gebruik van
hun controlebevoegdheid, om discriminatie te vermijden. Het lijkt wel alsof de
regering politieambtenaren wil aansporen ruimer gebruik van hun bevoegdheden te
maken. Nederland wordt er niet aardiger op als iedereen die er wat anders uit
ziet, een bruine huidskleur heeft of door z'n kleding laat vermoeden een
buitenlander te zijn, op elk moment met controles rekening moet houden.
Dat is wat Sjoerd Bosch van het Autonoom Centrum 'administratieve apartheid'
noemt. Wie een blanke huid heeft en er netjes uit ziet kan z'n ID-bewijs
misschien nog wel thuis laten, maar anderen doen er beter aan voortdurend in
staat te zijn zich te identificeren.
Het is vooral om die reden dat Judith de Lang uit Utrecht weigerde bij haar
werkgever, de Universiteit van Utrecht, een wettig erkend legitimatiebewijs in
te leveren. Zij ziet de Wet op de Identificatieplicht in het verlengde van het
Nederlandse vluchtelingenbeleid, waarbij vluchtelingen worden beschouwd als
overtollige, tweedehands burgers. Zij vindt dat de universiteit hier niet aan
zou moeten meewerken en er in elk geval garant voor zou moeten staan dat de
personeelsgegevens niet worden uitgeleverd aan derden 'bij eventuele
razzia-achtige controles van de Dienst Inspectie Arbeidsverhoudingen'.
Judith de Lang is de eerste of een van de eersten die de consequenties van haar
principiële houding onder ogen heeft moeten zien. Zij is afhankelijk van
tijdelijke arbeidscontracten van de universiteit. Daardoor kon haar werkgever
toen zij geen kopie van haar identiteitsbewijs wilde overleggen, besluiten haar
contract vanaf 1 januari 1995 niet te verlengen. Zij heeft dit niet zomaar
geslikt en is met hulp van een advocaat een bezwaarschriftenprocedure begonnen.
In dat kader heeft onlangs een 'hoorzitting' plaatsgevonden waar ze voor het
eerst mondeling haar bezwaren uiteen heeft kunnen zetten. Ze vraagt om
dispensatie op grond van ernstige gewetensproblemen. Voorlopig is haar salaris
stopgezet en heeft men haar te kennen gegeven dat ze niet meer welkom is op haar
werk. Intussen probeert ze gewoon door te werken aan het
feministisch-theologisch bibliografische tijdschrift Theasaurus en tracht ze via
het kantongerecht haar loon alsnog te krijgen.
Maar er zullen ook mensen die wèl in vaste dienst zijn, in gewetensproblemen
komen. Echt acuut zal dat pas worden als vanaf 1 juni 1995 de controles zullen
beginnen. Wie dan geen kopie heeft ingeleverd, kan in het 'anoniemen-tarief' van
de belasting worden ingedeeld - hoe absurd dat ook klinkt voor mensen die allang
in vaste dienst zijn - en moet dan het hoogste belastingtarief van zestig
procent betalen. Eventueel valt dat later terug te krijgen via de
inkomstenbelasting. Ook de werkgever is strafbaar. Die heeft namelijk een
'zorgplicht' en die strekt zich ook uit tot stagiaires, vrijwilligers en
allerlei freelance medewerkers. Vandaar dat bijvoorbeeld de Amsterdamse theaters
straks in grote moeilijkheden verkeren en er over denken medewerking aan de wet
te weigeren.
Daarom is het maar de vraag of de wet, die door veel deskundigen klungelig wordt
genoemd en die in elk geval een lappendeken aan maatregelen en regelingen
inhoudt die nauwelijks iets met elkaar te maken lijken te hebben, wel zo
gemakkelijk kan worden uitgevoerd als er verzet tegen komt dat enigszins te
vergelijken is met de acties tegen de volkstelling van 1971. Ook toen werden
degenen die niet mee wilden werken met forse boetes bedreigd, waar uiteindelijk
niets van is opgelegd. Het bleek 'bewijstechnisch' te moelijk de 23.000
weigeraars te vervolgen en in 1978 besloot men dat bij eventuele volgende
volkstellingen weigering niet meer strafbaar zou zijn. Vervolgens werd besloten
voorlopig helemaal geen volkstelling meer te houden.
IS HET DENKBAAR dat 23.000 mensen dispensatie krijgen van de wet op de
identificatieplicht op het werk op grond van ernstige gewetensproblemen? Zouden
werkgevers bereid zijn belangrijke werknemers die allang in vaste dienst zijn,
te ontslaan wanneer die weigeren aan de identificatieplicht te voldoen? Kunnen
werkgevers eigenlijk strafbaar zijn wanneer zij door 'overmacht' hun zorgplicht
niet kunnen vervullen? Zijn er geen andere manieren mogelijk om de wet te
omzeilen - bijvoorbeeld door onleesbare kopieën in te leveren, zoals door het
Autonoom Centrum is voorgesteld?
In 1970 en 1971 hebben tal van journalisten, juristen en andere deskundigen zich
over alle aspecten van de volkstelling gebogen. Hoe zou het toch komen dat daar
nu geen sprake van is? Over die volkstelling heb ik achteraf m'n aarzelingen:
was die nu werkelijk zo verderfelijk en heeft die nu echt een periode van
administratieve dictatuur ingeleid? Maar over de Wet op de Identificatieplicht
heb ik die aarzelingen niet. Die is werkelijk, voor wat betreft de werkplek,
geheel en al bedoeld om illegale buitenlanders op te sporen, te brandmerken en
uit te bannen.
IEMAND DIE ALS geen ander met artikelen en ingezonden brieven de drijvende
kracht is geweest achter de acties tegen de volkstelling, was mr. Lau Mazirel.
Zij was niet zomaar tegen de volkstelling. Zij had al voor de Tweede
Wereldoorlog gewaarschuwd tegen een te perfectionistische
bevolkingsadministratie en ze had er bij de minister van Binnenlandse Zaken op
aangedrongen althans de aantekening van kerkelijke gezindte te laten vallen.
Helaas kreeg zij tijdens de Duitse bezetting gelijk. Ook na de oorlog verzette
zij zich tegen registratie van met name zigeuners, waaraan mede door het ijveren
van de naar haar genoemde Vereniging Lau Mazirel langzamerhand een einde is
gemaakt.
In zijn proefschrift Volkstelling in opspraak uit 1984 schrijft J. Katus over
haar: 'Zij verhief haar stem en zij had in een zekere zin ook recht van spreken,
daar de geschiedenis haar eerder helaas gelijk gaf. Zij had voorts veel kennis,
en bleef informatie vergaren betreffende de samenhang tussen registratie en
vervolging van mensen. Zij nam het voor vervolgden op, maar ook voor degenen die
vervolgd zouden kunnen worden. Haar ging het niet enkel om de volkstelling als
zodanig, doch ook om de te ver gaande detaillering van de over individuele
personen vergaarde gegevens en de computerisatie bij de verwerking van deze
gegevens, waardoor de mogelijkheid tot misbruik ervan toenam, zodat in luttele
minuten tienduizenden met bepaalde kenmerken, als - bij wijze van bizar
voorbeeld - grote of drankneuzen, konden worden gelokaliseerd. Het ging haar om
deze gestroomlijnde, efficiënte registratie die perfecter was dan vóór de
oorlog, toen zij voor vernietiging van bepaalde gegevens pleitte, voordat er
misbruik van zou worden gemaakt.'
Lau Mazirel en haar medestanders hebben de volkstelling van 1971 niet kunnen
tegengehouden, maar ze hebben er wel velen van bewust gemaakt dat er moest
worden gewaakt voor misbruik van persoonsgegevens.
DAARUIT IS ONDER meer de Stichting Waakzaamheid Persoonsregistratie
voortgekomen, die echter onlangs failliet is gegaan en is opgekocht door een
groep kapitaalkrachtige grootaandeelhouders. Helaas was een van de laatste
wapenfeiten van deze Stichting een enquête waaruit blijkt 'dat de Nederlander
er geen bezwaar tegen heeft dat de overheid personen afluistert, fotografeert of
anderszins in de gaten houdt om criminaliteit en fraude te bestrijden. Zo lang
die middelen maar niet tegen hem- of haarzelf worden ingezet. Op het gebied van
de privacybescherming zijn solidariteit of de belangenloze inzet voor
gemeenschappelijke waarden vrijwel uitgestorven.' Als waakhond tegen misbruik van persoonsgegevens is er nu alleen nog de
Registratiekamer, die echter in haar laatste jaarverslag ook droevig constateert
dat het tij gekeerd lijkt en dat het belang van privacybescherming het begint af
te leggen tegen andere belangen. Solidariteit is ook al niet een beginsel dat
tegenwoordig hoog staat aangeschreven. Waar is de nieuwe Lau Mazirel die zich nog werkelijk druk maakt om hen die
zouden kunnen worden vervolgd als de tijden slechter worden? Of die zich nu al
druk maakt, nu degenen die niet zo fortuinlijk zijn om over de juiste papieren
te beschikken, door de Wet op de Identificatieplicht volstrekt rechteloos zijn
gemaakt?
| STASI NEDERLAND! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten houden door invoering van kilometerheffing | |
| 688 | STASI NEDERLAND! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten houden door invoering van kilometerheffing |
| 406 | De ontwikkeling van Nederland als informatie samenleving cruciaal voor arbeidsproductiviteit en sociale cohesi |
| 623 | Doordat akten van de burgerlijke stand elektronisch worden opgeslagen, kan er direct een zogeheten 'dubbel' worden gestuurd naar de centrale bewaarplaats van de Justitiële Informatiedienst (JustID) in Almelo |
| 124 | AANDACHTSVESTIGING! Aan ALLE burgemeesters, gemeentesecretarissen, raadsgriffiers en ambtenaren gemeente of provincie in Nederland Aan ALLE rechters in Nederland Aan ALLE pleegouders in Nederland Aan ALLE medewerkers van scholen in Nederland Aan ALLE medewerkers van ziekenhuizen in Nederland Aan ALLE gedragsdeskundigen en psychologen in Nederland Aan ALLE medewerkers van verzekeringsmaatschappijen in Nederland Aan ALLE medewerkers van kindertehuizen, kindergevangenissen of andere instellingen actief in de jeugdzorg Aan ALLE politie agenten en hun leidinggevenden in Nederland Indien u personen tegen komt bij OTS of VOTS die zich ten onrechte uitgeven voor de VOOGD wordt u vriendelijk verzocht deze persoon GELIJK AAN TE HOUDEN en over te dragen aan het BEVOEGD GEZAG voor een WAARHEIDSVINDING ONDERZOEK. Indien deze persoon zich inderdaad ten onrechte heeft uitgegeven voor een VOOGD bij OTS of VOTS aangifte tegen deze persoon te doen wegens "het vervullen van een beroep in valse hoedanigheid" met het verzoek aan het BEVOEGD GEZAG deze persoon onverwijld een BEROEPSVERBOD op te leggen om ooit nog met kinderen te werken om jeugdzorg voor kinderen en hun OUDERS BELAST MET HET GEZAG VEILIGER te maken! |
| JH11 | Geschiedenis
7 oktober 2005 Vraagjes van Hop aan College Ermelo inzake verkeer,
verkeersforum,verkeerssituaties in Ermelo Kunt u mij uitleggen welke instantie SMF is, die de gebruikersnaam controleert? Kunt u mij uitleggen welke anderen u bedoeld met de vraag "E-mailadres verbergen voor anderen"? Kunt u mij uitleggen waarom u niet kenbaar maakt dat er een profiel van de gebruiker aangemaakt én bewaard wordt? Kunt u mij uitleggen wat er met het gedaan wordt en wie er inzage in hebben? Kunt u mij uitleggen hoe het profiel tegen misbruik beschermd wordt? Kunt u mij uitleggen waarom uitsluitend de voorwaarden om aan "Ermelo forum" mee te doen, in het Engels gesteld zijn? Kunt u mij uitleggen waarom expliciet gesteld wordt dat de gegeven reactie niet strijdig mag zijn met iedere internationale _ÉN wetgeving van de Verenigde Staten_? Kunt u mij uitleggen waarom er in dit verband voorbij gegaan wordt aan de Nederlandse wetgeving? Kunt u mij uitleggen waarom er in de voorwaarden glashard gelogen wordt? Met name de laatste zin "The software does not collect or send any other form of information to your computer". |
| JH15 | “Van alle kanten in Ermelo wordt de roep gehoord om deze politieke partij (Groep Hop) dood te zwijgen en ik ben er helaas achter gekomen dat dit waarschijnlijk waar is” schrijft mevrouw Jeanne Dijkstra eindredacteur van het Ermelo's Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek |
| 308 | De norm! Een politiebeambte moet boeten voor te weinig bonnen |
| 623 | Burgers, paspoorten, voertuigen krijgen microchip met foto en vingerafdruk om boetes volautomatisch te incasseren |
| 372 | Beroepschrift tegen verkeersboete onder overlegging van aantoonbare feiten dat ik niet op die plaats geweest ben |
| 373 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete bellen met mobiele telefoon |
| 126 | Jurisprudentie, toelichting en aanvullende informatie gelinkt aan de verkeersboete bellen met mobiele telefoon |
| 191 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete "bestemmingsverkeer" |
| 412 | Beroepschrift op internet tegen IDENTIFICATIEPLICHT boete |
| 172 | Jurisprudentie, toelichting en aanvullende informatie gelinkt aan boetes IDENTIFICATIEPLICHT |
| 235 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete verplichte APK keuring |
| 330 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete gesimuleerde wegsituaties |
| 364 | Beroepschrift verkeersboete voetganger op voetgangersoversteekplaats niet voor laten gaan, feitcode R482 |
| 510 | Onderbouwing verzoek (2) met jurisprudentie van de Raad van State |
| 331 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete overtreding maximum snelheid |
| 386 | Jurisprudentie, toelichting en aanvullende informatie gelinkt aan de verkeersboete overtreding maximum snelheid |
| 423 | OM blijft gebruikers lasershield of laserecho vervolgen voor “belemmeren van een opsporingshandeling” (WvS, art.184) |
| 418 | Commercieel belang OvJ bij opleggen en handhaven van administratieve sancties |
| 155 | Bonnenregen richting burgers wordt door Justitie steeds beter en sneller georganiseerd |
| 336 | Troonrede 2004 Gemeenten meer mogelijkheden bestuurlijke boetes voor kleine vergrijpen en parkeerovertredingen |
| BSC | Waarom zijn namen en nevenfuncties van leden/secretarissen bezwaarschriftencommissie gemeente GEHEIM? |
| 240 | Als bewijslast tegen burgers door OM als problematisch wordt ervaren worden wetten voor het Openbaar Ministerie opgerekt |
| 475 | OM: "Verkeerscamera's kunnen we mooi gebruiken om te bepalen welke voertuigen zich waar in het land bevinden" |
| 414 | Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 270597 inzicht werkwijze OM en politie opslaan gegevens burgers geheime dossiers |
| 370 | OM, rechtersleger, politie, veiligheidsdiensten willen wetten oprekken om info over niet-verdachte burgers op te slaan |
| 371 | Vanaf 11 mei 2008 wordt op de website het woord "rechtersleger" ingevoerd als aanduiding voor beroepsgroep rechters |
| STEM | Stemwijzer! Stem NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks indien u TEGEN het in de gaten houden van burgers door de STAAT via de kilometerheffing bent |