CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

403 Een klacht indienen tegen een psycholoog bij het Medisch Tuchtcollege met als grondslag de beroepscode voor psychologen 2007

NIP Postbus 9921 1006 AP Amsterdam telefoon (020) 4106222 info@psynip.nl www.psynip.nl

Beroepscode voor psychologen 2007

van het Nederlands Instituut van Psychologen

Ingangsdatum 1 april 2007

2

Inhoud

pagina

Inleiding 3

Preambule 6

I. Algemeen deel 7

II. De basisprincipes 10

III. Richtlijnen ter uitwerking van de basisprincipes 11

III.1 Verantwoordelijkheid 11

III.2 Integriteit 14

III.3 Respect 17

III.4 Deskundigheid 23

Trefwoordenregister 25

3

Inleiding

Het is een goede traditie dat psychologen zich bezinnen op de ethische kanten van hun beroepsuitoefening.

Dat is niet exclusief voor psychologen, maar de vertrouwelijke aard van hun werk en van de

relatie met hun cliŽnten maakt een voortdurende beroepsethische reflectie daarop noodzakelijk.

Voor beroepen van professionals als psychologen is het kenmerkend dat het handelen niet van tevoren

met grote precisie kan worden voorgeschreven. Er blijft een zekere ruimte, waarbij de psycholoog

naar bevind van zaken zelf moet bepalen hoe te werk te gaan.

Bij de professionalisering van het beroep staan vier aspecten centraal: de deskundigheid, de maatschappelijke

rol, de professionele standaard en de beroepsethiek.

Aan de deskundigheid wordt inhoud gegeven door de kennis, kunde en kunst van de beroepsbeoefenaar.

De door de samenleving toegekende rol van de psycholoog houdt de erkenning en machtiging in om

de deskundigheid van het academische vakgebied in de praktijk toe te passen.

De professionele standaard is het zorgvuldig handelen zoals een redelijk bekwame beroepsgenoot in

gelijke omstandigheden zou doen, met middelen die in acceptabele verhouding staan tot het doel van

de interventie. Bij dat handelen wordt uitgegaan van de rechten van de cliŽnt en van de maatschappelijke

plichten van de psycholoog.

De beroepsethiek vormt het waarden- en normenstelsel van de professionele standaard.

Een van de doelstellingen van het Nederlands Instituut van Psychologen, als beroepsvereniging van

psychologen, is in dit professionaliseringsproces een belangrijke rol te spelen. Dit gebeurt met name

door het vertalen van de beroepsethische principes in gedragsregels die als richtsnoer dienen voor

het beroepsmatig handelen.

Het is ongeveer een halve eeuw geleden dat de beroepsethiek voor psychologen in ons land werd

gecodificeerd.

De eerste NIPP-beroepscode werd in 1960 vastgesteld. Sindsdien zijn er vier grote revisies geweest.

Bij de herziening van 1998 en die van 2007 is nadrukkelijk rekening gehouden met de ontwikkelingen

in de wetgeving op het gebied van de gezondheidszorg en de privacy en met de in 1995 vastgestelde

en in 2005 herziene Meta-code van de European Federation of Psychologists’ Associations

(EFPA), de koepelorganisatie van Europese psychologenverenigingen, waarbij ook het NIP is aangesloten.

De beroepscode is een kwaliteitsinstrument ten dienste van de beroepsuitoefening. Dit is in het belang

van de cliŽnt, van de psycholoog, van andere betrokkenen en van de psychologiebeoefening in

al haar facetten.

Hierbij dient de code als een leidraad voor het beroepsmatig handelen van de individuele psycholoog.

Verder is het een informatiebron over wat van de psycholoog in het algemeen kan worden

verwacht en verlangd, voor al degenen die te maken hebben met het professioneel handelen van de

psycholoog. Ten slotte dient de beroepscode als maatstaf waaraan het handelen van de psycholoog

wordt getoetst naar aanleiding van een ingediende klacht. Eenieder die weet heeft van ethisch onjuist

handelen door een lid van het NIP kan gebruik maken van de klachtenprocedure van het NIP, als hij

of zij een redelijk belang daarbij heeft.

Deze procedure is vastgelegd in het Reglement voor het Toezicht. Met toepassing van het principe

van hoor en wederhoor wordt de klacht behandeld door het College van Toezicht. Van de uitspraak

van het College staat hoger beroep open bij het College van Beroep.

4

Uitgangspunt van de code is de noodzaak om gedragsregels te formuleren waaraan het beroepsmatig

handelen van de psycholoog dient te voldoen. Onder beroepsmatig handelen wordt dan niet alleen

verstaan het handelen in het kader van een professionele relatie in engere zin, maar elk optreden in

de hoedanigheid van psycholoog. De beroepscode als geheel steunt op de volgende vier ethische

basisprincipes:

verantwoordelijkheid, integriteit, respect en deskundigheid

Deze basisprincipes worden verwoord in een aantal algemene formuleringen die dienen ter oriŽntatie

voor de beroepsethische bezinning op het beroepsmatig handelen. De basisprincipes zijn vervolgens

uitgewerkt in regels en richtlijnen met een meer concreet en specifiek karakter. Deze dienen als

wegwijzer voor de ethische besluitvorming van de psycholoog in een concrete situatie. Bij sommige

artikelen ligt meer dan ťťn principe ten grondslag aan de geformuleerde regel. Er is voor gekozen in

zo’n geval het artikel onder te brengen bij het principe dat daarbij het zwaarst lijkt te wegen, al is die

keuze soms arbitrair.

De beroepscode is in eerste instantie bedoeld om de psycholoog de ethische dimensies voor te houden

bij het richting geven aan zijn beroepsmatig handelen. Daarom verdienen ook regels in de beroepscode

te worden opgenomen, die meer algemeen zijn geformuleerd en vragen om te worden

nagestreefd. Verder is ervoor gekozen bij het opstellen van regels met een meer concreet en specifiek

karakter de eis van toetsbaarheid niet altijd absoluut te laten gelden.

Waar mogelijk zijn de regels echter zodanig vormgegeven dat zij wel kunnen dienen om er het beroepsmatig

handelen formeel aan te kunnen toetsen, als dat nodig is. Maar ook dan is het onvermijdelijk

dat die regels soms een zekere professionele handelingsruimte zullen openlaten.

Om een duidelijke structuur in de beroepscode aan te brengen, wordt bij het formuleren van de richtlijnen

steeds aangesloten bij ťťn van de basisprincipes.

De beroepscode reflecteert de stand van zaken in de voortgaande ethische discussie in de maatschappij

en vanzelfsprekend meer in het bijzonder die in de eigen professie en in verwante beroepsgroepen.

Een belangrijke graadmeter voor de ontwikkelingen in het denken over de beroepsethiek is

de jurisprudentie die wordt gevormd door de uitspraken van de beide tuchtcolleges van het NIP.

Omdat opvattingen over wat al dan niet behoorlijk of toelaatbaar is in de loop der tijd veranderen, is

de code een in de tijd gegeven document, dat regelmatig moet worden herzien. Het Nederlands Instituut

van Psychologen voorziet daarvoor in een revisieprocedure.

Naast de code zelf, die door de Ledenraad van het NIP is vastgesteld, is er door de Raad van Advies

in Beroepsethische Zaken (Rabez) een toelichting op de code opgesteld, waarin codebepalingen

nader worden uitgewerkt, uitgelegd en geÔllustreerd.

Terwijl ervoor is gekozen om de code niet vaker dan eens per vijf jaar opnieuw vast te stellen, kan

het bijstellen van de toelichting een meer dynamisch karakter hebben, zodat sneller op actuele ontwikkelingen

wordt ingespeeld.

Deze versie van de beroepscode is ontwikkeld door de Raad van Advies in Beroepsethische Zaken,

rekening houdend met de commentaren van een daartoe samengestelde commissie van externe adviseurs.

Het Algemeen Bestuur heeft het voorstel ter goedkeuring aangeboden aan de Ledenraad van

het NIP, die de code in haar vergadering van 1 maart 2007 heeft vastgesteld en heeft bepaald dat

deze code van kracht wordt op 1 april 2007.

5

Maart 2007

Dr. A.J.W. Boelhouwer, voorzitter NIP Drs. C.J. Koene, voorzitter Raad van Advies in

Beroepsethische Zaken

6

Preambule

In het belang van degenen op wie het beroepsmatig handelen van psychologen betrekking heeft en in

het belang van de kwaliteit van de beroepsuitoefening, heeft het Nederlands Instituut van Psychologen

besloten ethische principes te formuleren en daarop nadere richtlijnen te baseren. Deze zijn

neergelegd in de Beroepscode voor psychologen. De beroepscode heeft tot doel de beroepsethische

reflectie te bevorderen en als maatstaf te dienen voor toetsing van het beroepsmatig handelen van

psychologen.

Psychologen dienen bij deze reflectie steeds het volgende in het oog te houden:

In de beroepsuitoefening zijn veel van de relaties in aanleg ongelijk en kunnen daardoor gemakkelijk

leiden tot afhankelijkheid van de betrokkenen.

In de beroepsuitoefening van psychologen kunnen de relaties met anderen ontwikkelingen

doormaken, waarbij in verschillende stadia verschillende regels van de beroepscode van toepassing

zijn.

Het kan voorkomen dat psychologen tegelijkertijd of kort na elkaar verschillende rollen vervullen

ten opzichte van cliŽnten of andere betrokkenen. Dat kunnen zowel professionele rollen zijn

als niet-professionele rollen. Daarbij bestaat het risico dat deze rollen zich ten opzichte van elkaar

niet verdragen of dat er verwarring ontstaat bij de betrokkenen.

Een beroepscode kan geen eenduidige handleiding zijn, die zonder nadere overwegingen uitsluitsel

geeft over wat in elke situatie de juiste handelwijze is. In het oog moet worden gehouden dat in een

gegeven situatie verschillende basisprincipes en daarop gebaseerde richtlijnen gelijktijdig geldig

zijn, maar met elkaar op gespannen voet kunnen staan. In zo’n geval is er sprake van een ethisch

dilemma waarbij het gaat om een afweging van welke ethische principes daarbij het zwaarste wegen.

De beroepscode is dan het hulpmiddel voor de psycholoog om zijn ethische afwegingen te expliciteren

en tot een verantwoorde eigen keuze te komen. Bij dergelijke afwegingen kan het aanbeveling

verdienen dat de psycholoog ondersteuning door ervaren collega’s en zijn beroepsvereniging inroept.

Het achterwege laten van een dergelijke consultatie behoeft de psycholoog niet altijd te worden aangerekend,

als deze een overtuigende motivering heeft voor zijn uiteindelijke beslissing en als het

gewicht van deze beslissing een consultatie niet zonder meer vooronderstelt.

Het behoort bij een verantwoorde beroepsuitoefening om bereid te zijn de beroepsethische aspecten

van het eigen professioneel handelen onder collega’s ter discussie te stellen. Dat brengt in voorkomende

gevallen de verplichting met zich mee het beroepsmatig handelen te verantwoorden aan en te

laten toetsen door daartoe bevoegde Colleges en aan een dergelijke toetsing loyaal en coŲperatief

medewerking te verlenen.

Het zich onttrekken aan die toetsing of het frustreren daarvan is derhalve in strijd met de geest van

de beroepscode.

De beroepscode wordt gedragen door de besluitvorming van de in het Nederlands Instituut van Psychologen

georganiseerde psychologen en heeft voor alle individuele leden van de vereniging bindende

kracht (artikel 4 lid 1 van de Statuten).

Het Nederlands Instituut van Psychologen is overigens van mening dat de code naar zijn aard zou

moeten gelden voor de beroepsuitoefening van alle psychologen.

7

I. Algemeen deel

In deze code worden personen in de mannelijke vorm aangeduid. In voorkomende gevallen worden

daarmee vanzelfsprekend ook vrouwelijke personen bedoeld.

I.1.1.1 Samenhang van de code

De bepalingen in dit deel moeten worden gelezen in samenhang met de overige bepalingen van de

beroepscode.

Als de omstandigheden dat vereisen, vormen de relevante bepalingen uit het onderstaande een integraal

geheel met de overige bepalingen van de beroepscode.

I.1.2 Begrippen

I.1.2.1

het beroepsmatig handelen: alle handelingen die de psycholoog verricht wanneer hij optreedt in zijn

functie of gebruik maakt van de aanduiding psycholoog; hieronder valt de professionele relatie, het

optreden als wetenschappelijk onderzoeker, docent, supervisor, in de media, et cetera;

I.1.2.2

de betrokkene: elke persoon die direct of indirect is betrokken bij het beroepsmatig handelen van de

psycholoog of die daardoor in zijn belangen wordt geraakt; zoals de cliŽnt, de partner en naaste verwanten

van de cliŽnt, de opdrachtgever, collega, student, proefpersoon, et cetera;

I.1.2.3

de professionele relatie: de relatie die de psycholoog aangaat met een of meer personen, gericht op

behandeling, begeleiding, advisering of psychologisch onderzoek;

I.1.2.4

de cliŽnt: de persoon met wie de psycholoog een professionele relatie aangaat, onderhoudt, of onderhouden

heeft; zoals de patiŽnt, de onderzochte, et cetera;

I.1.2.5

het cliŽntsysteem: een aantal personen in hun onderling functioneren, met wie de psycholoog ťťn

professionele relatie aangaat, onderhoudt, of onderhouden heeft;

I.1.2.6

derden: alle anderen dan de cliŽnt of het cliŽntsysteem;

I.1.2.7

de opdracht: omvat zowel de vraagstelling die aan het beroepsmatig handelen ten grondslag ligt, als

de afspraken over voortgang, procedurele aspecten en rapportage en de financiŽle afwikkeling van

de opdracht;

I.1.2.8

de opdrachtgever: de cliŽnt of het cliŽntsysteem, dan wel de externe opdrachtgever door wie de

opdracht wordt gegeven;

I.1.2.9

de externe opdrachtgever: de persoon of rechtspersoon die opdracht heeft gegeven tot enige vorm

van beroepsmatig handelen, maar die niet zelf de cliŽnt of het cliŽntsysteem is, noch de verwijzer;

I.1.2.10

de verwijzer: de persoon op wiens advies de cliŽnt een professionele relatie met de psycholoog aangaat;

8

I.1.2.11

wettelijk vertegenwoordiger(s):

de ouder(s) van de minderjarige cliŽnt, die het ouderlijk gezag over hem uitoefent of uitoefenen,

dan wel diens voogd;

de door de rechter benoemde curator of mentor van de meerderjarige cliŽnt.

I.1.2.12

gerichte toestemming: de toestemming tot enig handelen, die een betrokkene geeft aan de psycholoog

nadat deze de aard, de bedoeling, de mogelijke consequenties en de reikwijdte van dat handelen

expliciet heeft duidelijk gemaakt. Tot de voorwaarden van gerichte toestemming behoort het geven

van mogelijkheid tot inzage vooraf in schriftelijke stukken die aan derden worden verstuurd.

I.1.2.13

gegevens: alle op een persoon herleidbare data die in welke vorm dan ook bewaard worden, waaronder

begrepen audiovisuele middelen en geautomatiseerde databestanden.

I.1.2.14

dossier: de op een cliŽnt of cliŽntsysteem betrekking hebbende verzameling van alle gegevens die de

psycholoog in zijn beroepsmatig handelen heeft verkregen en die hij bewaart vanwege hun relevantie

voor kwaliteit en continuÔteit van de professionele relatie. Persoonlijke werkaantekeningen van de

psycholoog behoren niet tot het dossier.

I.1.2.15

rapportage: alle tot ťťn of meer cliŽnten herleidbare bevindingen, beoordelingen of adviezen die

mondeling of schriftelijk worden uitgebracht;

I.1.2.16

gegevensverstrekking: het aan andere derden dan de externe opdrachtgever ter beschikking stellen

van gegevens zoals die in het dossier aanwezig zijn, anders dan in de vorm van een rapportage.

I.1.3 Algemene bepaling

I.1.3.1 Zorgvuldigheid

De psycholoog neemt in de uitoefening van zijn beroep de zorgvuldigheid in acht door te handelen

naar de inhoud van de beroepscode.

I.1.4 Bijzondere omstandigheden

I.1.4.1 Onverenigbaarheid van codeartikelen

Als de psycholoog in een bepaalde situatie ervaart dat het volgen van een bepaling van de beroepscode

ertoe leidt dat een andere bepaling van de beroepscode niet gevolgd kan worden, weegt hij de

gevolgen van de keuze voor ťťn van de bepalingen zorgvuldig af en overweegt hij zijn beroepsvereniging

en/of ervaren vakgenoten te consulteren.

I.1.4.2 Afwijken van de beroepscode

Als de uitzonderlijke situatie zich voordoet dat de psycholoog redenen heeft om af te wijken van de

door de beroepscode voorgeschreven handelwijze, zonder dat er sprake is van tegenstrijdige codeartikelen

zoals bedoeld in het vorige artikel, dan dient hij de beroepsvereniging te raadplegen of een

vakgenoot die niet rechtstreeks bij de professionele relatie is betrokken. Dit doet hij voordat hij beslist

over zijn handelwijze.

Als de genomen beslissing afwijkt van de beroepscode, moet deze grondig worden gemotiveerd. Uit

de motivering moet blijken dat de handelwijze die strijdig is met bepalingen van de beroepscode,

wel in overeenstemming is met de overige bepalingen van de beroepscode en het resultaat is van een

zorgvuldige belangenafweging.

9

I.1.4.3 Toepassen van uitzonderingsbepalingen

Als de psycholoog gegronde redenen heeft om toepassing te geven aan een uitzonderingsbepaling

zoals geformuleerd in een artikel van de beroepscode, dan gelden in dat geval de in het vorige artikel

omschreven motiveringseisen.

I.1.4.4 Afwijken van de beroepscode vanwege specifieke wettelijke regels

Als specifieke wettelijke regels de psycholoog verplichten af te wijken van enige bepaling van de

Beroepscode voor psychologen, dan streeft de psycholoog ernaar zoveel mogelijk de overige bepalingen

van de beroepscode te volgen.

I.1.4.5 Wettelijk vereiste nakoming van de opdracht

Als de professionele relatie tot stand komt als gevolg van een opdracht door een externe opdrachtgever

die een door de wet toegekende bevoegdheid heeft nakoming van de opdracht te eisen, dan blijven

de rechten van de cliŽnt gehandhaafd voor zover dit niet strijdig is met de regels die op deze

opdrachtrelatie van toepassing zijn.

I.1.5 Vertegenwoordiging van de cliŽnt

I.1.5.1 Minderjarige cliŽnt

Als de cliŽnt minderjarig is en nog niet de jaren des onderscheids heeft bereikt, worden de in de

beroepscode aan hem toegekende rechten uitgeoefend door zijn wettelijk vertegenwoordiger(s),

tenzij de psycholoog redenen heeft om aan te nemen dat de belangen van de cliŽnt ernstig zouden

worden geschaad door de betrokkenheid van de wettelijk vertegenwoordiger(s) bij de professionele

relatie.

De cliŽnt wordt geacht in ieder geval de jaren des onderscheids te hebben bereikt als hij de leeftijd

van 16 jaar heeft bereikt, tenzij hij niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van

zijn belangen ter zake.

Vanaf de leeftijd van 12 jaar wordt de cliŽnt, ongeacht de aanspraken van zijn wettelijk vertegenwoordiger(

s), zoveel mogelijk bij de uitoefening van zijn rechten betrokken.

I.1.5.2 Informatie aan de ouder zonder gezag

Als slechts ťťn der ouders het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige cliŽnt, dan verschaft de

psycholoog de informatie over de cliŽnt die hij aan deze ouder verstrekt desgevraagd ook aan de

andere ouder, tenzij dit in strijd zou zijn met de belangen van de minderjarige cliŽnt.

I.1.5.3 Meerderjarige wilsonbekwame cliŽnt

Als de cliŽnt meerderjarig is, maar niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake,

worden de in de code aan hem toegekende rechten uitgeoefend door zijn wettelijk vertegenwoordiger.

Als er geen wettelijk vertegenwoordiger is benoemd, worden de rechten uitgeoefend door een

vertegenwoordiger die door de cliŽnt is aangewezen. Heeft de cliŽnt dit niet kunnen doen, dan laat de

psycholoog de rechten van de cliŽnt uitoefenen door respectievelijk de echtgenoot of levensgezel,

ouder, kind, broer of zuster van de cliŽnt, tenzij de cliŽnt dat niet wenst of de psycholoog dat niet in

het belang van de cliŽnt acht. Ook als er sprake is van een vertegenwoordiging zoals boven vermeld,

dan nog betrekt de psycholoog de meerderjarige wilsonbekwame cliŽnt waar mogelijk bij de uitoefening

van zijn rechten.

Beslissingen van de genoemde vertegenwoordigers worden door de psycholoog niet gevolgd als hij

in de gegeven omstandigheden meent dat dit zou strijden met de belangen van de cliŽnt.

10

II. De basisprincipes

II.1.1.1 Verantwoordelijkheid

Psychologen onderkennen hun professionele en wetenschappelijke verantwoordelijkheid ten opzichte

van de betrokkenen, hun omgeving en de maatschappij. Psychologen zijn verantwoordelijk voor

hun beroepsmatig handelen. Voor zover dat in hun vermogen ligt zorgen zij ervoor dat hun diensten

en de resultaten van hun handelen niet worden misbruikt.

II.1.1.2 Integriteit

Psychologen streven naar integriteit in de wetenschapsbeoefening, het onderwijs en de toepassing

van de psychologie. In hun handelen betonen psychologen eerlijkheid, gelijkwaardige behandeling

en openheid tegenover betrokkenen. Zij scheppen tegenover alle betrokkenen duidelijkheid over de

rollen die zij vervullen en handelen in overeenstemming daarmee.

II.1.1.3 Respect

Psychologen tonen respect voor de fundamentele rechten en waardigheid van betrokkenen. Zij respecteren

het recht van betrokkenen op privacy en vertrouwelijkheid.

Zij respecteren en bevorderen diens zelfbeschikking en autonomie, voor zover dat te verenigen is

met de andere professionele verplichtingen van de psychologen en met de wet.

II.1.1.4 Deskundigheid

Psychologen streven naar het verwerven en handhaven van een hoog niveau van deskundigheid in

hun beroepsuitoefening. Zij nemen de grenzen van hun deskundigheid in acht en de beperkingen van

hun ervaring. Zij bieden alleen diensten aan waarvoor zij door opleiding, training en ervaring zijn

gekwalificeerd. Datzelfde geldt ook voor de methoden en technieken die zij gebruiken.

11

III. Richtlijnen ter uitwerking van de basisprincipes

III.1 Verantwoordelijkheid

III.1.1 De kwaliteit van het beroepsmatig handelen

III.1.1.1 Vertrouwen in de psychologie en psychologiebeoefening

De psycholoog onthoudt zich van gedragingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan voorzien dat

deze het vertrouwen in de wetenschap van de psychologie, de psychologiebeoefening of in collega's

kunnen schaden.

III. 1.1.2 Zorgvuldig handelen

In zijn handelen en nalaten is de psycholoog zorgvuldig jegens cliŽnten en andere betrokkenen.

III.1.1.3 Zorg voor kwaliteit

De psycholoog dient te zorgen voor een goede kwaliteit van zijn beroepsmatig handelen.

III.1.1.4 Professionele en ethische normen

De psycholoog handelt in zijn beroepsuitoefening volgens professionele en ethische normen.

Hij handelt in overeenstemming met de stand van de wetenschap. Hij draagt naar vermogen bij aan

het ontwikkelen van dergelijke normen en standaarden in zijn vakgebied.

III.1.1.5 Zorgvuldigheid en voorzichtigheid bij nieuwe methoden

Bij het toepassen van nieuwe methoden of het betreden van nieuwe toepassingsgebieden gaat de

psycholoog zorgvuldig en voorzichtig te werk.

III.1.2 ContinuÔteit van het beroepsmatig handelen

III.1.2.1 ContinuÔteit van de professionele relatie

De psycholoog is verantwoordelijk voor de continuÔteit van de professionele relatie. Als dat nodig is

schakelt hij daarbij andere deskundigen in. Hij treft maatregelen om zich er van te verzekeren dat

een of meer vakgenoten zijn professionele werkzaamheden overnemen dan wel afronden, als hij om

welke reden dan ook genoodzaakt is de professionele relatie ontijdig te onderbreken of voortijdig af

te breken. De psycholoog is verantwoordelijk voor een adequate overdracht.

III.1.2.2 Volledigheid, noodzakelijkheid en actualiteit van het dossier

Alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de professionele relatie en dienen tot het doel van de professionele

relatie worden door de psycholoog bewaard, en geen andere. Hij bewaart deze gegevens

uitsluitend in het dossier. Hij zorgt er voor dat het dossier altijd zodanig bijgewerkt is dat bij een

onvoorziene absentie van zijn kant, een deskundige vakgenoot de professionele relatie kan voortzetten.

III.1.2.3 Verantwoordelijkheid na beŽindiging van de professionele relatie

Al voor het aangaan van de professionele relatie geeft de psycholoog er zich rekenschap van dat na

de formele beŽindiging van de professionele relatie zijn professionele verantwoordelijkheid ten opzichte

van de betrokkenen niet zonder meer ophoudt te bestaan. Als gevolg van de professionele

relatie kan er immers na de beŽindiging daarvan nog steeds sprake kan zijn van belangentegenstellingen

of een ongelijke machtsverhouding tussen hem en betrokkenen.

Evenzeer blijft zijn professionele verantwoordelijkheid ten opzichte van de betrokkenen bestaan

waar deze rechtstreeks voortvloeit uit de voorafgaande professionele relatie.

12

III.1.3 Voorkomen en beperken van schade

III.1.3.1 Verplichtingen jegens de externe opdrachtgever

Onverlet het bepaalde in de artikelen III.3.2.12 en III.3.2.19 verstrekt de psycholoog aan de externe

opdrachtgever de gegevens die noodzakelijk zijn om zijn declaraties te specificeren.

III.1.3.2 Negatieve ervaringen

De psycholoog stelt betrokkenen niet aan negatieve ervaringen bloot tenzij dat noodzakelijk is voor

het bereiken van het doel van zijn beroepsmatig handelen en het de enige manier is waarop dat doel

kan worden bereikt. In dat geval tracht hij zoveel mogelijk de gevolgen van de negatieve ervaringen

voor de betrokkenen te beperken of te neutraliseren.

III.1.3.3 Voorkomen en beperken van dierenleed

Als de psycholoog in zijn research werkt met proefdieren, dan geldt mutatis mutandis de voorgaande

bepaling met betrekking tot de zorg en de behandeling van deze dieren.

III.1.3.4 Onderzoek met en uitspraken over personen zonder hun toestemming

De psycholoog geeft zich rekenschap van zijn verantwoordelijkheid om schade te voorkomen als hij

wetenschappelijk onderzoek doet met personen of professionele uitspraken over hen doet zonder dat

zij daar toestemming voor hebben gegeven.

III.1.3.5 Ingrijpende indirecte effecten van het beroepsmatig handelen

De psycholoog realiseert zich dat zijn beroepsmatig handelen niet alleen directe gevolgen kan hebben

maar ook ingrijpende indirecte effecten. Als dat het geval is dan handelt hij overeenkomstig de

hieraan voorafgaande bepaling.

III.1.4 Voorkůmen van misbruik

III.1.4.1 Voorkůmen van misbruik van resultaten

De psycholoog zorgt ervoor, voor zover dat in zijn macht ligt, dat geen misbruik wordt gemaakt van

de resultaten van zijn beroepsmatig handelen.

III.1.4.2 Voorkomen van onbedoeld gebruik en misbruik van rapportage

De psycholoog treft maatregelen om te voorkomen dat een rapportage wordt gebruikt voor een ander

doel dan waarvoor deze is opgesteld. Daartoe dient in de rapportage te worden vermeld dat deze van

vertrouwelijke aard is. Bovendien wordt vermeld dat de conclusies alleen betrekking hebben op de

aan de rapportage ten grondslag liggende doel- of vraagstelling en niet zonder meer kunnen dienen

voor de beantwoording van andere vragen. Ook wordt in de rapportage vermeld na verloop van welke

termijn de conclusies redelijkerwijs hun geldigheid verloren kunnen hebben.

III.1.4.3 Inspanningen van de psycholoog om misbruik van rapportage tegen te gaan

Wanneer het de psycholoog bekend is dat een opdrachtgever niet handelt in overeenstemming met

het voorgaande artikel wijst hij deze op diens onjuiste handelwijze. Als dit geen effect heeft, dan

overweegt de psycholoog om geen verdere opdrachten meer van de betreffende opdrachtgever aan te

nemen, zolang deze zijn handelwijze niet heeft gewijzigd.

III.1.5 De psycholoog en zijn werkomgeving

III. 1.5.1 Vrijheid om te kunnen handelen conform de beroepscode

Als professioneel beroepsbeoefenaar is de psycholoog volledig verantwoordelijk voor zijn beroepsmatig

handelen, ongeacht zijn verplichtingen jegens eventuele leidinggevenden.

13

Voor zover van betekenis, zorgt de psycholoog er voor dat eenieder in zijn werkomgeving op de

hoogte is van de eisen die de Beroepscode voor psychologen aan hem stelt en hij verzekert zich van

de nodige vrijheid om te kunnen handelen naar die eisen.

III. 1.5.2 Medeverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het team

Onverminderd de verantwoordelijkheid van medeprofessionals voor hun eigen beroepsmatig handelen

draagt de psycholoog medeverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het handelen van het team

waarvan hij deel uitmaakt.

III. 1.5.3 Verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van medewerkers

De psycholoog is verantwoordelijk voor de technische en de ethische kwaliteit van het werk van

degenen die onder zijn directe leiding meewerken aan de uitvoering van opdrachten, waarvoor hij

zelf de professionele verantwoordelijkheid draagt.

Als deze medewerkers niet vanuit hun beroep of functie aan eigen beroepsethische regels zijn onderworpen,

wijst hij hen op de afgeleide verplichtingen uit deze beroepscode, in het bijzonder op de

geheimhoudingsverplichting.

Hij vergewist zich van de professionele (en ethische) kwaliteit van degenen die hij bij zijn beroepsmatig

handelen anderszins inschakelt.

III.1.5.4 Hulp en steun aan collega's, studenten en supervisanten

Met zijn deskundigheid en ervaring verleent de psycholoog hulp en steun aan collega's, studenten en

supervisanten om ertoe bij te dragen dat zij het beroep professioneel en ethisch verantwoord kunnen

uitoefenen. Hij onthoudt zich van gedragingen die hen daarin kunnen schaden.

III.1.5.5 Collegiaal appŤl

De psycholoog volgt het beroepsmatig handelen van collega’s kritisch en stelt dat handelen ter discussie

als daartoe aanleiding is. Hij spreekt collega’s erop aan als hij meent dat zij in strijd met de

bepalingen van de beroepscode handelen of hebben gehandeld. Hij zorgt dat de belangen van cliŽnten

door dit aanspreken niet worden geschaad.

De psycholoog dient geen klacht in tegen een collega voordat hem is gebleken dat deze collega weigert

zijn handelen te verantwoorden in een collegiaal dispuut of volhardt in het veronderstelde

ethisch onjuiste handelen.

III.1.6 Verantwoording

III. 1.6.1 Afleggen van verantwoording

De psycholoog houdt van zijn professionele activiteiten op zodanige wijze aantekening, dat hij in

staat is van zijn handelwijze verantwoording af te leggen.

III. 1.6.2 Bewaartermijn van een op naam gesteld dossier

Na beŽindiging van de professionele relatie bewaart de psycholoog het op naam gestelde dossier een

jaar of zoveel langer als noodzakelijk is voor het doel waarvoor het dossier is aangelegd, dan wel

wettelijk is voorgeschreven. Het dossier wordt niet langer bewaard dan de van tevoren vastgestelde

termijn.

Als er een klacht wordt ingediend bij het College van Toezicht, dan mag de psycholoog bij het verstrijken

van de bewaartermijn niet tot vernietiging van het dossier overgaan zolang de klachtbehandeling

in eerste, dan wel in tweede aanleg, niet is afgerond, tenzij de cliŽnt om vernietiging vraagt.

III. 1.6.3 Medewerking aan behandeling van een klachtenprocedure

De psycholoog onttrekt zich niet aan de behandeling van een klachtenprocedure, als die tegen hem

wordt ingesteld. Hij zal naar beste weten de vragen van de Colleges beantwoorden en aan hun verzoeken

voldoen.

III.2 Integriteit

14

III.2.1 Betrouwbaarheid

III.2.1.1 Voorwaarden voor aanvang en voortzetting van de professionele relatie

De psycholoog dient een professionele relatie alleen aan te vangen of voort te zetten, als dit professioneel

en ethisch verantwoord is.

III.2.1.2 Reden tot beŽindiging van de professionele relatie

De psycholoog zet de professionele relatie niet voort als daar professioneel geen grond meer voor

bestaat of als dat niet langer op een professioneel verantwoorde manier mogelijk is. Hij zorgt ervoor

dat de professionele relatie in overleg met de cliŽnt wordt afgerond en dat daarover geen misverstanden

blijven bestaan.

III.2.1.3 Niet meewerken aan werkzaamheden die strijdig zijn met de code

De psycholoog verleent geen medewerking aan werkzaamheden van anderen die met de code in

strijd zijn. Evenmin profiteert hij van de resultaten van dergelijke werkzaamheden.

III.2.1.4 Onafhankelijkheid en objectiviteit in het beroepsmatig handelen

De psycholoog zorgt ervoor dat hij in zijn beroepsmatig handelen onafhankelijk en objectief kan

optreden.

Hij laat zijn beroepsmatig handelen niet zodanig beÔnvloeden, dat hij zijn werkwijze en de resultaten

daarvan professioneel niet kan verantwoorden.

III.2.2. Eerlijkheid

III.2.2.1 Voorkůmen van misleiding

De psycholoog voorkomt misleiding in zijn beroepsmatig handelen. Als tijdelijke misleiding onvermijdelijk

is, zorgt de psycholoog ervoor dat de daaruit ontstane misverstanden zo spoedig mogelijk

worden weggenomen.

III.2.2.2 Geen misbruik van kennis, vaardigheden of overwicht

De psycholoog maakt geen misbruik van zijn psychologische kennis en vaardigheden of van het

overwicht dat voortvloeit uit zijn deskundigheid of zijn positie.

III.2.2.3 Vermelden van opleiding, kwalificaties, ervaring, deskundigheid en titels

De psycholoog is nauwgezet bij het vermelden van zijn opleiding en kwalificaties, ervaring, deskundigheid

en titels. Hij vermeldt deze uitsluitend wanneer zij relevant zijn.

III.2.2.4 Geen irreŽle verwachtingen wekken

De psycholoog zorgt ervoor dat met betrekking tot de aard, de effecten en de gevolgen van zijn

dienstverlening geen verwachtingen worden gewekt die niet op de realiteit gestoeld zijn.

III.2.2.5 Informatie over voorwaarden waaronder opdrachten worden aanvaard

De psycholoog stelt voorafgaand aan of in het vroegste stadium van de professionele relatie de betrokkenen

eerlijk en nauwgezet op de hoogte van de financiŽle en andere voorwaarden waaronder hij

zijn opdracht aanvaardt, voor zover deze informatie voor betrokkenen van belang is voor het weloverwogen

verlenen van hun medewerking aan de uitvoering van de opdracht.

III.2.2.6 Informatie over alternatieve theorieŽn of verklaringen

De psycholoog is nauwgezet bij het verstrekken van informatie aan betrokkenen en informeert dezen

passend over eventuele alternatieve theorieŽn of verklaringen, en expliciteert zijn professioneel oordeel

over deze alternatieven.

15

III.2.2.7 Bronvermelding

Bij het presenteren van bevindingen van het beroepsmatig handelen vermeldt de psycholoog op passende

wijze de bronnen waaruit hij heeft geput, voor zover de resultaten of het gedachtegoed niet

voortkomen uit eigen professionele werkzaamheden. Dit geldt zowel voor schriftelijke als voor

mondelinge presentaties.

III.2.2.8 Zorgvuldigheid in het verkrijgen en weergeven van gegevens

De psycholoog is zorgvuldig in het verkrijgen en het statistisch bewerken van gegevens en in het

weergeven en het verklaren van de resultaten.

III.2.3 Rolintegriteit

III.2.3.1 Niet oneigenlijk bevorderen van persoonlijke belangen

De psycholoog laat na in zijn beroepsmatig handelen zijn zakelijke, persoonlijke, religieuze, politieke

of ideologische belangen oneigenlijk te bevorderen.

III.2.3.2 Onderkennen van onverenigbare belangen

De psycholoog onderkent de moeilijkheden die kunnen ontstaan doordat cliŽnt, opdrachtgever en

personen die deel uitmaken van een cliŽntsysteem onverenigbare belangen kunnen hebben. In een zo

vroeg mogelijk stadium expliciteert hij zijn positiekeuze daarbij aan alle betrokkenen.

III.2.3.3 Niet aanvaarden van onverenigbare opdrachten

De psycholoog aanvaardt geen nieuwe opdracht die niet goed te verenigen is met een reeds eerder

aanvaarde opdracht, ook als er geen sprake is van dezelfde cliŽnt. Bij motivering van zo'n weigering

neemt de psycholoog de vertrouwelijkheid in acht.

III.2.3.4 Vermijden van het vermengen van professionele rollen

De psycholoog onderkent de moeilijkheden die kunnen ontstaan uit het gelijktijdig of opeenvolgend

vervullen van verschillende professionele rollen ten opzichte van een of meer betrokkenen. Bij voorkeur

begeeft hij zich niet in een dergelijke positie. Als de psycholoog onder omstandigheden het

vervullen van meerdere rollen na of naast elkaar ten opzichte van betrokkene(n) niettemin aanvaardbaar

vindt, dan schept hij daarover duidelijkheid tegenover deze(n).

III.2.3.5 Vermijden van het vermengen van professionele en niet-professionele rollen

De psycholoog vermengt professionele en niet-professionele rollen niet zodanig met elkaar dat hij

niet meer in staat kan worden geacht een professionele afstand tot de betrokkene(n) te bewaren of

dat de belangen van de betrokkene(n) worden geschaad.

III.2.3.6 Geen seksuele gedragingen ten opzichte van de cliŽnt

De psycholoog onthoudt zich van seksuele toenadering ten opzichte van zijn cliŽnt en gaat niet in op

dergelijke toenaderingen van diens kant. Hij onthoudt zich van gedragingen die seksueel getint zijn

of in het algemeen als zodanig kunnen worden opgevat.

III.2.3.7 Geen seksuele relatie met de cliŽnt

De psycholoog gaat met zijn cliŽnt geen seksuele relatie aan tijdens de professionele relatie, of direct

aansluitend daaraan. Ook nadien is hij daarin terughoudend. Hetzelfde geldt voor de relaties met

andere betrokkenen, waarbij sprake is van een aanzienlijk machtsverschil of grote afhankelijkheid,

zoals studenten of supervisanten.

III.2.3.8 Persoonlijke relatie na het beŽindigen van de professionele relatie

Bij het aangaan van een persoonlijke relatie na het beŽindigen van de professionele relatie, vergewist

de psycholoog zich ervan dat de voorgaande professionele relatie geen onevenredige betekenis meer

heeft.

16

Als het hierbij gaat om een seksuele relatie is de psycholoog er verantwoordelijk voor dat hij desgevraagd

kan aantonen dat hij bij het aangaan van deze relatie alle zorgvuldigheid in acht genomen

heeft, die van hem als professioneel psycholoog verwacht mag worden.

17

III.3 Respect

III.3.1 Algemeen respect

III.3.1.1 Respect voor kennis, inzicht en ervaring

De psycholoog geeft zich rekenschap van en respecteert de kennis, het inzicht en de ervaring van de

betrokkene.

III.3.1.2 Respect voor psychische en lichamelijke integriteit

De psycholoog respecteert de psychische en lichamelijke integriteit van de betrokkene en tast hem

niet in zijn waardigheid aan. Hij dringt niet verder door in het privťleven van de betrokkene dan voor

het doel van zijn beroepsmatig handelen noodzakelijk is.

III.3.1.3 Geen ongerechtvaardigde discriminatie

De psycholoog geeft zich rekenschap van de individuele eigenschappen en omstandigheden van elke

cliŽnt en de culturele verschillen die tussen cliŽnten bestaan en houdt daar rekening mee. Hij spant

zich ervoor in dat ondanks die verschillen een ieder in een soortgelijke situatie dezelfde kansen

krijgt.

Discriminatie wegens ras, etniciteit, geslacht, levensovertuiging, godsdienst, politieke gezindheid,

seksuele geaardheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

III.3.2 Autonomie en zelfbeschikking

III.3.2.1 Respect voor autonomie en zelfbeschikking

In zijn beroepsmatig handelen respecteert de psycholoog de autonomie en zelfbeschikking van de

betrokkene, en bevordert deze. In het bijzonder komt die zelfbeschikking van de betrokkene tot uiting

in het recht om de professionele relatie met de psycholoog al dan niet aan te gaan, voort te zetten,

dan wel te beŽindigen.

III.3.2.2 Respectvol handelen bij beperkte zelfbeschikking

De zelfbeschikking van de cliŽnt kan worden beperkt door zijn leeftijd, aanleg en ontwikkeling,

geestelijke gezondheid, door wettelijke bepalingen of door de beslissingsbevoegdheid van een externe

opdrachtgever die deze ontleent aan een hem opgedragen wettelijke taak of rechterlijke beslissing.

In dat geval laat de psycholoog binnen deze beperkingen de zelfbeschikking van de cliŽnt toch

zoveel mogelijk tot haar recht komen.

III.3.2.3 Toestemming bij aangaan of voortzetten van de professionele relatie

De psycholoog kan uitsluitend een professionele relatie met iemand aangaan of voortzetten met

diens toestemming. Die toestemming is echter niet nodig als de professionele relatie tot stand komt

als gevolg van een opdracht door een externe opdrachtgever die daartoe een door de wet toegekende

bevoegdheid heeft.

III.3.2.4 Welingelicht aangaan en voortzetten van de professionele relatie

Voorafgaande aan en tijdens de duur van de professionele relatie verstrekt de psycholoog zodanige

informatie aan de cliŽnt, dat deze vrijelijk in staat is welingelicht in te stemmen met het aangaan en

voortzetten van de professionele relatie.

III.3.2.5 Informatie bij het aangaan en voortzetten van de professionele relatie

De informatie bij het aangaan en voortzetten van de professionele relatie wordt bij voorkeur schriftelijk

gegeven en waar nodig mondeling toegelicht, en bevat voor zover van toepassing:

het doel van de professionele relatie, de context waarin die plaatsvindt en de plaats van de cliŽnt

en de psycholoog hierin;

18

de methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking komen en wat daarvan wel en

niet te verwachten is;

de gang van zaken, de activiteiten en situaties waarmee de cliŽnt rechtstreeks of indirect zal

worden geconfronteerd;

de personen met wie de psycholoog in de professionele relatie samenwerkt, al dan niet in multidisciplinair

verband;

de soort gegevens die over de cliŽnt worden verzameld, de wijze waarop deze worden bewaard

en hoe lang de gegevens worden bewaard;

de wijze van eventuele rapportering en aan wie wordt gerapporteerd;

de regels in de beroepscode met betrekking tot inzage en afschrift, correctie en blokkering van

de rapportage;

eventuele instanties die bij de professionele relatie enig belang hebben;

mogelijke neveneffecten van het beroepsmatig handelen;

de gebondenheid van de psycholoog aan de beroepscode en het klachtrecht.

III.3.2.6 Dezelfde informatie voor externe opdrachtgever en cliŽnt

Vůůr de aanvang van de professionele relatie dient de psycholoog zich ervan te vergewissen dat

zowel de externe opdrachtgever als de cliŽnt of het cliŽntsysteem over dezelfde informatie beschikken

over het doel en de opzet van de professionele relatie en over de voorgenomen werkwijze.

De opdracht kan slechts doorgang vinden als over doel en opzet tussen hen overeenstemming bestaat.

Bij wijziging van de situatie of van de opdracht dient de psycholoog tot hernieuwde afspraken te

komen.

III.3.2.7 Overleg over invulling van de professionele relatie

De psycholoog biedt de cliŽnt de gelegenheid voor overleg over diens wensen en meningen betreffende

de invulling van de professionele relatie, tenzij dat een goede voortgang van de professionele

relatie in de weg staat.

III.3.2.8 Instemming en informatie bij professionele activiteiten in ruimere zin

Als er sprake is van professionele werkzaamheden van de psycholoog, die niet aangemerkt kunnen

worden als een professionele relatie in de zin van deze code, dan gelden de bepalingen in deze paragraaf,

voor zover zij van toepassing zijn opzichte van degenen die betrokken zijn bij die professionele

werkzaamheden.

III.3.2.9 Inzage in en afschrift van het eigen dossier

De psycholoog geeft de cliŽnt desgevraagd inzage in en afschrift van het diens dossier. Hij biedt

daarbij aan tekst en uitleg te verschaffen. Alvorens de cliŽnt inzage te geven, verwijdert de psycholoog

de gegevens die betrekking hebben op anderen, voor zover die niet door de cliŽnt zelf zijn verstrekt.

Als er sprake is van een professionele relatie met een cliŽntsysteem, worden daarbij van de afzonderlijke

personen alle gegevens, die niet tegelijkertijd betrekking hebben op andere personen in dat

systeem (ook) op zodanige wijze bewaard, dat aan elk afzonderlijk gelegenheid tot inzage gegeven

kan worden zonder de vertrouwelijkheid van de gegevens van de anderen te schenden.

III.3.2.10 Toegankelijkheid van het dossier

De psycholoog richt het dossier naar vorm en inhoud zo in dat het voor de cliŽnt redelijkerwijs toegankelijk

is.

19

III.3.2.11 Verbetering van, aanvulling op of verwijdering van gegevens in het dossier

De psycholoog corrigeert die gegevens in het dossier, waarvan de cliŽnt aannemelijk maakt dat ze

onjuist zijn, onvolledig, of niet ter zake doen, gezien de doelstelling van het dossier en voor zover

deze op hem betrekking hebben.

Op verzoek van de cliŽnt worden door hem opgestelde notities met zijn opvattingen over de professionele

relatie in het dossier opgenomen.

III.3.2.12 Recht op vernietiging van het eigen dossier

Op schriftelijk verzoek van de cliŽnt wordt diens dossier door de psycholoog vernietigd. Het verzoek

om vernietiging wordt bewaard.

Het verzoek van de cliŽnt om vernietiging wordt niet ingewilligd als het dossier betrekking heeft op

een professionele relatie in opdracht van een externe opdrachtgever die een door de wet toegekende

bevoegdheid heeft om nakoming van de opdracht te eisen, en deze opdrachtgever niet met vernietiging

instemt.

III.3.2.13 Rapportage in opdracht van de cliŽnt

Rapportage in opdracht van de cliŽnt wordt uitsluitend aan de cliŽnt uitgebracht en bij voorkeur

schriftelijk.

III.3.2.14 Toestemmingsvereiste voor rapportage aan derden

Voor rapportage aan derden is toestemming van de cliŽnt noodzakelijk.

III.3.2.15 Rapportage aan derden

De rapportage aan een derde wordt als regel schriftelijk uitgebracht. Als gemotiveerd kan worden

dat schriftelijke rapportage niet in overeenstemming kan worden gebracht met het doel van de opdracht,

wordt vooraf afgesproken dat de rapportage mondeling wordt uitgebracht.

III.3.2.16 Gelegenheid tot inzage voorafgaand aan de rapportage

Als de psycholoog rapporteert aan een derde, biedt de psycholoog de cliŽnt de gelegenheid tot inzage

in het rapport voordat de rapportage wordt uitgebracht. Het recht op inzage geldt niet voor delen in

het rapport die betrekking hebben op anderen. Wanneer de rapportage feitelijk wordt uitgebracht

verschaft de psycholoog de cliŽnt desgewenst een afschrift, voor zover de rapportage op de cliŽnt

betrekking heeft.

III.3.2.17 Mondelinge rapportage aan een derde

Wanneer, met in achtneming van het artikel III.3.2.15, een rapportage mondeling wordt uitgebracht,

dan wordt de inhoud van de rapportage met de cliŽnt besproken voorafgaand aan het uitbrengen

ervan.

III.3.2.18 Correctie, aanvulling of verwijdering van gegevens in de rapportage

De gegevens in de rapportage waarvan de cliŽnt aannemelijk maakt dat ze onjuist zijn, worden door

de psycholoog gecorrigeerd en hij vult ze aan of hij verwijdert ze als ze onvolledig zijn of niet terzake

doen gezien de doelstelling van de rapportage.

Dit geldt niet voor de bevindingen en conclusies, deze behoren tot de verantwoordelijkheid van de

psycholoog.

III.3.2.19 Blokkeren van de rapportage aan de externe opdrachtgever

Als regel heeft de cliŽnt heeft het recht om de rapportage aan de externe opdrachtgever te blokkeren.

Dat recht is er echter niet als de externe opdrachtgever op grond van een wettelijke regeling een

bevoegdheid heeft om rapportage te eisen. In dat geval stelt de psycholoog de cliŽnt in de gelegenheid

eventuele bezwaren tegen de rapportage op schrift te stellen en deze gelijktijdig met de rapportage

naar de opdrachtgever te sturen.

Als de cliŽnt geen recht heeft om de rapportage te blokkeren, dan is de psycholoog verplicht om hem

voorafgaande aan de professionele relatie schriftelijk daarop te wijzen.

20

III.3.2.20 Inzage- en blokkeringsrecht bij rapportage over een cliŽntsysteem

CliŽnten kunnen niet zonder meer een beroep doen op bovenstaande bepalingen met betrekking tot

inzage en blokkering van de rapportage als zij deel uitmaken van een cliŽntsysteem. Het doel van de

rapportage en of de vertrouwelijkheid ten opzichte van de anderen kunnen zich tegen inzage en

blokkering verzetten. Voor zover dat het geval is dienen de cliŽnten voorafgaand aan de professionele

relatie daarover te worden ingelicht.

III.3.2.21 Verstrekking van gegevens over de cliŽnt

De psycholoog verstrekt aan een derde die niet de opdrachtgever is, uitsluitend die gegevens over de

cliŽnt, waarvoor deze vooraf gerichte toestemming heeft verleend en die relevant en noodzakelijk

zijn voor een specifieke vraagstelling van die derde.

III.3.2.22 Verstrekking van gegevens over een ander dan de cliŽnt

Wanneer er in het dossier gegevens aanwezig zijn over een ander dan de cliŽnt, en deze gegevens

niet door de cliŽnt zelf zijn verstrekt, dan verstrekt de psycholoog deze niet aan derden, dan met

gerichte toestemming van die ander en alleen voor zover zij relevant en noodzakelijk zijn voor de

specifieke vraagstelling. De toestemming wordt schriftelijk vastgelegd.

III.3.3 Vertrouwelijkheid

III.3.3.1 Geheimhouding

In het directe contact met de betrokkene gaat de psycholoog een vertrouwensrelatie met hem aan.

Daarom is de psycholoog verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem uit hoofde van de uitoefening

van zijn beroep ter kennis komt, voor zover die gegevens van vertrouwelijke aard zijn. Onder

deze verplichting valt ook het professionele oordeel van de psycholoog over de betrokkene. De geheimhoudingsverplichting

blijft na beŽindiging van de professionele contacten bestaan.

III.3.3.2 Zorgvuldigheid in de communicatie

De psycholoog neemt in redelijkheid alle voorzorgen dat er in de schriftelijke, telefonische of elektronische

communicatie met de cliŽnt of met andere betrokkenen geen vertrouwelijke gegevens over

de cliŽnt, zonder diens instemming, ter kennis komen van derden. In een vroeg stadium overlegt de

psycholoog daartoe met de cliŽnt of met betrokken derden hoe de communicatie het best kan verlopen

en hoe deze moet worden vormgegeven om de vertrouwelijkheid met betrekking tot de cliŽnt te

bewaren.

III.3.3.3 Geheimhouding bij rapportage en gegevensverstrekking

Als er met toestemming van de cliŽnt bepaalde gegevens worden verstrekt of wordt gerapporteerd

aan derden, dan geldt er geen geheimhoudingsplicht jegens de ontvanger van die gegevens of van het

oordeel dat in de verklaring of rapportage is vervat. Voor het overige dat hem ter kennis mocht komen

heeft de psycholoog een geheimhoudingsplicht.

III.3.3.4 Doorbreken van de geheimhouding

De psycholoog is niet gehouden geheimhouding in acht te nemen als hij gegronde redenen heeft om

te menen dat het doorbreken van de geheimhouding het enige en laatste middel is om direct gevaar

voor personen te voorkomen, dan wel wanneer hij door wettelijke bepalingen of een rechterlijke

beslissing daartoe wordt gedwongen.

III.3.3.5 Informatie over het doorbreken van de geheimhouding

Als te voorzien is dat een dergelijke situatie zich kan voordoen, stelt de psycholoog de betrokkene

ervan op de hoogte dat hij in dat geval genoodzaakt kan zijn de geheimhouding te doorbreken, tenzij

door een dergelijke mededeling acuut gevaar voor hemzelf of derden kan ontstaan.

21

III.3.3.6 Reikwijdte van het doorbreken van de geheimhouding

Als de psycholoog besluit tot het doorbreken van de geheimhouding dan mag die doorbreking zich

niet verder uitstrekken dan in de gegeven omstandigheden is vereist en dient hij de betrokkene van

zijn besluit op de hoogte te stellen, tenzij door een dergelijke mededeling acuut gevaar voor hemzelf

of derden kan ontstaan.

III.3.3.7 Beroep op verschoning

De psycholoog is verplicht zich tegenover de rechter te beroepen op verschoning, als het afleggen

van een getuigenis of het beantwoorden van vragen hem in strijd brengt met zijn geheimhoudingsplicht.

III.3.3.8 Vertrouwelijkheid jegens andere personen dan cliŽnt

Als het noodzakelijk is om gegevens in het dossier op te nemen, die betrekking hebben op andere

personen dan de cliŽnt en die gegevens niet door de cliŽnt zelf zijn verstrekt, dan worden deze in

zodanige vorm opgenomen, dat ze tijdelijk te verwijderen zijn, zodat bij inzage door de cliŽnt de

vertrouwelijkheid van die gegevens gewaarborgd kan worden.

III.3.3.9 Vertrouwelijkheid jegens personen in een cliŽntsysteem

Voor zover gegevens noodzakelijkerwijs op meerdere personen tegelijk betrekking hebben, dan

worden deze verzameld in een dossier over het betreffende cliŽntsysteem. Geen van de personen in

het cliŽntsysteem heeft recht op inzage en afschrift van die gegevens, tenzij de andere(n) schriftelijk

toestemming hiertoe verleent of verlenen.

Voorafgaand aan het opnemen van gegevens in zo’n dossier deelt de psycholoog dat aan elk van hen

mee, en wijst hen erop dat daaruit een beperking kan voortvloeien van het recht op inzage en afschrift,

voor zover dat noodzakelijk is om de vertrouwelijkheid van elkaars gegevens te waarborgen.

III.3.3.10 Beveiliging van het dossier

De psycholoog zorgt er voor dat het dossier op zodanige wijze wordt bewaard dat zonder zijn toestemming

niemand toegang daartoe heeft, zodat de vertrouwelijkheid van de gegevens bewaard

blijft.

III.3.3.11 Verstrekking van gegevens en beoordelingen zonder toestemming

Voor het verstrekken van gegevens en het geven van beoordelingen aan andere beroepsbeoefenaren

is geen gerichte toestemming van de cliŽnt nodig als die andere beroepsbeoefenaren de cliŽnt behandelen

of onderzoeken in verband met hetzelfde als dat waarop de professionele relatie van de psycholoog

betrekking heeft, of met iets dat daaraan sterk gerelateerd is.

De verstrekking wordt beperkt tot die gegevens en beoordelingen die noodzakelijk zijn voor de

werkzaamheden van die andere beroepsbeoefenaren.

III.3.3.12 Wettelijk verplichte verstrekking van gegevens en van beoordelingen

Voor het verstrekken van gegevens of van een beoordeling aan derden is geen toestemming van de

cliŽnt nodig wanneer de psycholoog op grond van een wettelijke bepaling verplicht is deze te verstrekken.

De cliŽnt wordt hiervan van tevoren op de hoogte gesteld.

III.3.3.13 Gegevensverstrekking aan medewerkers

Er is geen toestemming van de cliŽnt nodig voor het verstrekken van gegevens aan iemand die onder

leiding van de psycholoog meewerkt aan de uitvoering van de professionele relatie.

III.3.3.14 Informatieverstrekking voor research en statistiek

Ten behoeve van research en statistiek mag de psycholoog desgevraagd aan een derde gegevens en

beoordelingen verstrekken. Deze gegevens en beoordelingen dienen zo te worden aangeleverd, dat

herkenbaarheid van de persoon daarbij wordt uitgesloten, tenzij dat gezien het doel van het onderzoek

niet mogelijk is. In dat geval kunnen die gegevens, respectievelijk beoordelingen, alleen met

toestemming van de cliŽnt worden verstrekt.

III.3.3.15 Gebruik van gegevens voor publicaties, onderwijs, supervisie en intervisie

22

Voor wetenschappelijke publicaties, onderwijsdoelen, supervisie en intervisie mag de psycholoog

uitsluitend gegevens van en oordelen over een cliŽnt gebruiken waaruit diens identiteit niet te herleiden

is. De combinatie van gegevens en beschreven omstandigheden mag er niet toe kunnen leiden

dat derden daaruit de cliŽnt herkennen, tenzij de cliŽnt toestemming heeft gegeven voor een dergelijke

gegevensverstrekking.

III.3.3.16 Rapporteren over anderen dan de cliŽnt

Bij het uitbrengen van rapportages beperkt de psycholoog zich bij het geven van oordelen en adviezen

tot die aangaande de cliŽnt, en geeft hij geen oordelen of adviezen met betrekking tot een ander

dan de cliŽnt. Indien het voor het doel van de rapportage noodzakelijk is over een ander dan de cliŽnt

gegevens te verstrekken, dan beperkt de psycholoog zich zo mogelijk tot die gegevens die hij uit

eigen waarneming of onderzoek heeft verkregen. Voor het verstrekken van dergelijke gegevens is

gerichte toestemming van betrokkene noodzakelijk. Indien de psycholoog het noodzakelijk acht in

een rapportage gegevens over een ander dan de cliŽnt te vermelden, die hij niet uit eigen waarneming

of onderzoek heeft verkregen, dan is hij daarin uiterst terughoudend en geeft steeds de bron en

relevantie van de gegevens aan.

23

III.4 Deskundigheid

III.4.1 Ethisch bewustzijn

III.4.1.1 Beroepsuitoefening in overeenstemming met de beroepscode

De psycholoog is zich bewust van de ethische aspecten van zijn beroepsmatig handelen en beoefent

zijn professie in overeenstemming met de 'Beroepscode voor psychologen'.

III.4.1.2 Noodzaak van kritische bezinning

De psycholoog denkt kritisch na over zijn beroepsmatig handelen en over zijn persoonlijke waarden

en motieven die bij dat handelen een rol spelen. Hij stelt zijn beroepsmatig handelen met enige regelmaat

aan de orde in (inter)collegiaal overleg, zoals bijvoorbeeld intervisie. Hij volgt de ethische

discussie binnen zijn beroepsgroep.

III.4.1.3 Kennis van wettelijke bepalingen

De psycholoog stelt zich op de hoogte van de wettelijke bepalingen die in zijn werkveld van toepassing

zijn en handelt ernaar.

III.4.2 Vakbekwaamheid

III.4.2.1 In stand houden en verder ontwikkelen van de professionele deskundigheid

De psycholoog houdt zijn professionele deskundigheid in stand en ontwikkelt deze in overeenstemming

met de recente ontwikkelingen in de psychologie. Hij volgt de voor hem relevante vakliteratuur

en neemt deel aan relevante bij- en nascholing.

III.4.2.2 Gebruik van doeltreffende en doelmatige methoden

De psycholoog kiest methoden die doeltreffend en doelmatig zijn en geeft zich rekenschap van de

beperkingen van die methoden.

III.4.3 De grenzen van het beroepsmatig handelen

III.4.3.1 Professionele en persoonlijke beperkingen

De psycholoog onderkent zijn professionele en persoonlijke beperkingen en is daar open over. Waar

nodig roept hij deskundig advies en ondersteuning in, en verwijst zo nodig door.

III.4.3.2 Grenzen van de eigen deskundigheid

De psycholoog neemt in zijn beroepsmatig handelen de grenzen van zijn deskundigheid in acht en

aanvaardt geen opdrachten waarvoor hij de deskundigheid mist.

III.4.3.3 Grenzen van het domein van de psychologiebeoefening

Aan elke opdracht dient een duidelijk omschreven doel- of vraagstelling ten grondslag te liggen. De

psycholoog neemt geen opdracht aan, waarvan de doel- of vraagstelling niet valt binnen het domein

van de psychologiebeoefening. Evenmin doet hij dat als de beschikbare methoden en technieken

ontoereikend zijn voor een behoorlijke interventie of beantwoording van de vraagstelling.

Als de psycholoog een dergelijke opdracht krijgt, treedt hij met de opdrachtgever in overleg om de

doel- of vraagstelling te herformuleren voordat hij de opdracht kan aannemen.

III.4.3.4 Kwalificatie

De psycholoog hanteert alleen methoden, waarvoor hij door opleiding, training en/of ervaring is

gekwalificeerd.

24

III.4.3.5 Relevantie en beperkingen van conclusies

De psycholoog geeft zich er rekenschap van in hoeverre de conclusies die hij uit zijn bevindingen

trekt relevant zijn en welke beperkingen aan deze conclusies kleven. In overeenstemming daarmee

nuanceert hij zijn conclusies.

III.4.3.6 Rapportage beperken tot relevante gegevens

De psycholoog beperkt zich in rapportages tot het vermelden van die gegevens en oordelen die voor

het doel van de rapportage noodzakelijk zijn. Hij doet dat in voor de ontvanger van het rapport begrijpelijke

en in ondubbelzinnige termen. Uit de rapportage moet duidelijk blijken wat de beperkingen

zijn van de uitspraken en de gronden waarop deze berusten.

Wanneer er een verzoek is om een beoordeling te geven over de (toekomstige) toestand of het (toekomstig)

functioneren van de cliŽnt, dient de psycholoog zicht te beperken tot een beoordeling die

kan worden gedragen door de hem bekende gegevens.

III.4.3.7 Professionele verantwoording van het beroepsmatig handelen

De psycholoog moet zijn beroepsmatig handelen kunnen verantwoorden in het licht van de stand der

wetenschap ten tijde van dat handelen, zoals deze uit de vakliteratuur blijkt.

III.4.3.8 Voorkůmen van verminderd vermogen tot verantwoorde beroepsuitoefening

Voor zover mogelijk onderkent de psycholoog in een vroeg stadium tekenen die wijzen op zodanige

persoonlijke, psychische of fysieke problemen, dat zijn beroepsmatig handelen negatief beÔnvloed

dreigt te worden. Hij roept tijdig deskundig advies en ondersteuning in om de problemen te voorkomen

of te verminderen.

III.4.3.9 Staken van het beroepsmatig handelen bij verminderd vermogen

Als zijn psychische, lichamelijke of oordeelkundige vermogens zodanig zijn aangetast of verminderd,

dat dit een verantwoorde beroepsuitoefening in de weg staat, staakt de psycholoog zijn beroepsmatig

handelen zolang als deze toestand duurt.

25

Trefwoordenregister

Trefwoord Artikel

Aangaan van de professionele relatie III.1.2.3; III.2.1.1; III.3.2.3; III.3.2.4;

III.3.2.5; III.3.2.6; III.3.2.7; III.3.3.1

Aanvaarden van opdrachten III.1.4.3; III.2.2.5; III.2.3.3; III.3.2.3;

III.3.2.6; III.4.3.2; III.4.3.3

Aanvulling op gegevens III.3.2.11; III.3.2.18

Absentie; waarneming bij onvoorziene ~ III.1.2.1; III.1.2.2

Afgeleide verplichtingen III.1.5.3

Afschrift III.3.2.9; III.3.2.16; III.3.3.9

Afwijken van de beroepscode I.1.4.1; I.1.4.2; 1.1.4.4

Algemene voorwaarden III.2.2.5

Alternatieve theorieŽn, ~ verklaringen III.2.2.6

Anderen  derden Preambule; I.1.2.6; I.1.2.12; I.1.2.16;

III.2.1.3; III.3.2.9; III.3.2.14; III.3.2.15;

III.3.2.16; III.3.2.20; III.3.2.22; III.3.3.2;

III.3.3.3; III.3.3.5; III.3.3.6; III.3.3.12;

III.3.3.15; III.3.3.16

Autonomie en zelfbeschikking II.1.1.3; III.3.2; III.3.2.1; III.3.2.2

BeŽindiging van de professionele relatie III.1.2.3; III. 1.6.2; III.2.1.2; III.2.3.8;

III.3.2.1; III.3.3.1

Begin van de professionele relatie III.1.2.3; III.2.1.1; III.3.2.3; III.3.2.4;

III.3.2.5; III.3.2.6; III.3.2.7; III.3.3.1

Begrippen: definities van ~ I.1.2

Belangen I.1.2.2; I.1.4.2.; I.1.5.1; I.1.5.2; I.1.5.3;

III.1.2.3; III.1.5.5; III.2.3.2

~ afweging I.1.4.2

~ tegenstelling III.1.2.3

~ verstrengeling III.2.3.1

Beperkingen II.1.1.4

- methoden; resultaten; uitspraken III.4.2.2; III.4.3.5; III.4.3.6

- professionele en persoonlijke ~ III.2.3.4; III.4.3.1

- zelfbeschikking van de cliŽnt III.3.2.2

Beroepscode; afwijken van ~ I.1.4.2; I.1.4.4; zie ook I.1.4.1

Beroepsethisch

~ dilemma Preambule; I.1.4.1; I.1.4.2

~ reflectie Inleiding; Preambule

~ toetsing Preambule; III.1.6.1; III. 1.6.2; III. 1.6.3;

Beroepsmatig handelen Inleiding; I.1.2.1; I.1.2.2; II.1.1.1; I.1.2.7;

I.1.2.9; I.1.2.14; II.1.1.1; III.1.1.3; III.1.2;

III.1.3.2; III.1.3.5; III.1.4.1; III. 1.5.1;

III.1.5.2; III.1.5.3; III.1.5.5; III.2.1.4;

III.2.2.1; III.2.2.7; III.2.3.1; III.3.1.2;

26

III.3.2.5; III.4.1.1; III.4.1.2; III.4.3,

III.4.3.2; III.4.3.7; III.4.3.8; III.4.3.9

Betrokkene Inleiding; Preambule; I.1.2.2; I.1.2.12;

II.1.1.1; II.1.1.2; II.1.1.3; III.1.2.3;

III.1.3.2; III.2.2.5; III.2.2.6; III.2.3.2;

III.2.3.4; III.2.3.5; III.2.3.7; III.3.1.1;

III.3.1.2; III.3.2.1; III.3.3.1; III.3.3.2;

III.3.3.5; III.3.3.6; III.3.3.16;

Betrouwbaarheid III.2.1

Bewaren I.1.2.13; I.1.2.14; III.1.2.2; III.3.2.5;

III.3.2.9; III.3.2.12; III.3.310

~ van een op naam gesteld dossier III.1.6.2

Bijzondere omstandigheden I.1.4

Blokkeren van rapportage III.3.2.19; III.3.2.20; III.3.2.5

Bronvermelding III.2.2.7; III.3.3.16

CliŽnt I.1.2.4 (definitie); overige verwijzingen

blijven achterwege

CliŽntsysteem I.1.2.5; I.1.2.8; I.1.2.14; III.2.3.2; III.3.2.6

- inzage en blokkeringsrecht bij ~ III.3.2.9; III.3.2.20; III.3.3.9

Collega Preambule; III.1.1.1; III. 1.5.4; III. 1.5.5;

Conclusies III.1.4.2; III.3.2.18; III.4.3.5

Consulteren van collega’s Preambule; I.1.4.1; I.4.2

ContinuÔteit van het beroepsmatig handelen III.1.2

ContinuÔteit van de professionele relatie I.1.2.14; III.1.2.1

Correctie van gegevens III.3.2.5; III.3.2.11; III.3.2.18

Curator I.1.2.11

Declaraties III.1.3

Derden  anderen Preambule; I.1.2.6; I.1.2.12; I.1.2.16;

III.2.1.3; III.3.2.9; III.3.2.14; III.3.2.15;

III.3.2.16; III.3.2.20; III.3.2.22; III.3.3.2;

III.3.3.3; III.3.3.5; III.3.3.6; III.3.3.12;

III.3.3.15; III.3.3.16

Deskundige(n) III.1.2.1; III.1.2.2; III.4.3.1; III.4.3.8

Deskundigheid Inleiding; II.1.1.4; III.1.5.4; III.2.2.2,

III.2.2.3; III.4; III.4.2.1; III.4.3.2

Dierenleed III.1.3.3

Dilemma Preambule; I.4.1; I.4.2

Discretionaire ruimte Inleiding

Discriminatie III.3.1.3

Disfunctioneren III.4.3.8; III.4.3.9

Doel

~ van het beroepsmatig handelen III.1.3.2; III.3.1.2

~ van de beroepsethische reflectie Preambule

~ van het dossier III.1.6.2; III.3.2.11

~ van de interventie Inleiding

27

~ van de opdracht III.3.2.15

~ van de professionele relatie III.1.2.2; III.3.2.5; III.3.2.6

~ van de rapportage III.1.4.2; III.3.2.20; III.3.3.16; III.4.3.6

~ van het wetenschappelijk onderzoek III.3.3.14

Doeltreffende en doelmatige methoden III.4.2.2

Doorbreken van de geheimhouding III.3.3.4; III.3.3.5; III.3.3.6

Dossier I.1.2.14; I.1.2.16; III.3.2.10; III.3.2.11;

III.3.3.10

- bewaartermijn van het ~ III. 1.6.2

~ betreffende een cliŽntsysteem III.3.3.9

~ gegevens over andere personen III.3.2.22; III.3.3.8

- inzage in het ~ III.3.2.9

- vernietiging van het ~ III.3.2.12

- volledigheid en actualiteit van het ~ III.1.2.2

 zie ook gegevens

Echtgenoot, levensgezel, familie I.1.5.3

Eerlijk, eerlijkheid II.1.1.2; III.2.2; III.2.2.5

Ervaring

~ van de cliŽnt III.1.3.2; III.3.1.1

~ van de psycholoog II.1.1.4; III. 1.5.4; III.2.2.3; III.4.3.4

Ethisch bewustzijn Inleiding; Preambule; III.2.1.1; III.4.1;

III.4.1.1; III.4.1.2

Ethisch(e)

~ dilemma Preambule

~ discussie Inleiding; Preambule; III.4.1.2; III.1.5.5

~ en professionele normen Inleiding; III.1.1.4; III.1.5.3

Externe opdrachtgever I.1.2.8; I.1.2.9; I.1.2.16; I.1.4.5; III.3.2.2;

III.3.2.3; III.3.2.6; III.3.2.12; III.3.2.19

- verplichtingen jegens ~ III.1.3.1; III.3.2.19

Familie, echtgenoot, levensgezel I.1.5.3

FinanciŽle voorwaarden I.1.2.7; III.2.2.5

Gegevens I.1.2.13; I.1.2.14; III.1.2.2; III.1.3.1;

III.2.2.8; III.3.2.5; III.3.2.9; III.3.2.11;

III.3.2.18; III.3.3.1; III.3.3.2; III.3.3.8;

III.3.3.9; III.3.3.10; III.3.3.12; III.4.3.6

~ voor publicaties, supervisie, etc III.3.3.15;

Gegevensverstrekking I.1.2.16

~ aan andere beroepsbeoefenaren III.3.3.11

~ aan derden III.3.2.21; III.3.2.22; III.3.3.3

~ aan medewerkers III.3.3.13

~ voor wetenschappelijk onderzoek III.3.3.14

Geheimhouding III. 1.5.3; III.3.3.1; III.3.3.7

- doorbreken van ~ III.3.3.4; III.3.3.5

~ bij rapportage III.3.3.3

28

- reikwijdte van het doorbreken van ~ III.3.3.6

 zie ook vertrouwelijkheid

Grenzen

~ van het beroepsmatig handelen III.4.3

~ van de eigen deskundigheid II.1.1.4; III.4.3.2

~ van de psychologiebeoefening III.4.3.3

Hulp en steun aan collega's, etc. III.1.5.4

Indirecte effecten van het beroepsmatig handelen III.1.3.5

Informatie en instemming III.3.2.8; III.3.3.2

Informatie

~ bij aangaan van de professionele relatie III.3.2.4; III.3.2.5

~ bij aanvaarden van opdrachten III.2.2.5

~ over alternatieve theorieŽn etc. III.2.2.6

- dezelfde ~ voor opdrachtgever en cliŽnt III.3.2.6

~ over het doorbreken van vertrouwelijkheid III.3.3.5

~ aan de ouder zonder gezag I.1.5.2

~ bij professionele activiteiten in ruimere zin III.3.2.8

Instemming III.3.2.1; III.3.2.4; III.3.2.8; III.3.3.2

Integriteit Inleiding; II.1.1.2; III.2; III.2.3; III.3.1.2

Interdisciplinaire samenwerking III.3.3.11

Intervisie III.3.3.15; III.4.1.2

Inzage I.1.2.12; III.3.2.5; III.3.2.6; III.3.3.8

~ en afschrift van het dossier III.3.2.9; III.3.3.9

~ en blokkeringsrecht bij cliŽntsysteem III.3.2.20

~ voorafgaand aan de rapportage III.3.2.16

Kennis, inzicht en ervaring van betrokkene III.3.1.1

Kind I.15.1; I.15.2

Klachtenprocedure, medewerking aan ~ Preambule; III.1.6.3

Kritisch III.1.5.5

~ bezinning III.4.1.2

Kwalificatie II.1.1.4; III.2.2.3; III.4.3.4

Kwaliteit Inleiding; Preambule

~ van het beroepsmatig handelen III.1.1; III.1.1.3

~ van medewerkers III.1.5.3

~ van de professionele relatie I.1.2.14

~ van het team III. 1.5.2

Lichamelijke

~ integriteit van betrokkene III.3.1.2

~ vermogens III.4.3.9

Medeverantwoordelijkheid III.1.5.2

Medewerkers III.1.5.3; III.3.3.13

Meerderjarige wilsonbekwame cliŽnt I.1.5.3

Meervoudige rollen; vermijden van ~ Preambule; III.2.3.4; III.2.3.5

29

Mentor I.1.2.11

Methoden II.1.1.4; III.1.1.5; III.3.2.5; III.4.2.2;

III.4.3.3; III.4.3.4

Minderjarige cliŽnt I.1.5.1

Misbruik II.1.1.1; III.1.4.2; III.1.4.3; III.2.2.2

- voorkomen van ~ III.1.4; III.1.4.1; III.1.4.2

Misleiding III.2.2.1

Mondelinge

~ presentaties III.2.2.7

~ rapportage I.1.2.15; III.3.2.15; III.3.2.17

~ toelichting III.3.2.5

Negatieve ervaringen III.1.3.2

Non-discriminatie III.3.1.3

Onafhankelijkheid en objectiviteit III.2.1.4

Onderwijs, onderwijsdoeleinden II.1.1.2; III.3.3.15

Onderzoek met personen, zonder hun toestemming III.1.3.4

Onderzoeksgegevens III.2.2.8

Ongerechtvaardigde verwachtingen III.2.2.4

Onverenigbare

~ codeartikelen I.1.4.1

~ opdrachten III.2.3.3

- onderkennen van ~ belangen III.2.3.2

Onvoorziene absentie; waarneming bij ~ III.1.2.1; III.1.2.2

Opdracht I.1.2.7

Opdrachtgever I.1.2.8; III.1.4.3; III.2.3.2; III.4.3.3

- externe ~ I.1.2.9; I.1.2.16; I.1.4.5; III.3.2.2; III.3.2.6;

III.3.2.12; III.3.2.19

- verplichtingen jegens externe ~ III.1.3.1

Opleiding II.1.1.4; III.2.2.3; III.4.3.4

Ouders I.1.5.1; I.1.5.2.; I.1.5.3

Overleg over de professionele relatie III.2.1.2; III.3.2.7; III.3.3.2

Persoonlijke

~ beperkingen III.4.3.1; III.4.3.8; III.4.3.9

~ belangen III.2.3.1

~ relatie na het beŽindigen III.2.3.8

~ relatie met cliŽnten III.2.3.7; III.2.3.8

~ waarden en motieven III.4.1.2

~ werkaantekeningen I.1.2.14

Plagiaat III.2.2.7

Privacy  zie vertrouwelijkheid

Procedure; klachten ~ Inleiding; III.1.6.3

Proefdieren III.1.3.3

Professionalisering Inleiding

Professionele

30

~ activiteiten III.1.6.1; III.2.2.7; III.3.2.8

~ beperkingen II.1.1.4; III.4.3.1; III.4.3.8; III.4.3.9

~ deskundigheid III.4.2.1

~ en ethische normen III.1.1.4

~ handelingsruimte Inleiding

~ kwaliteit III.1.5.3

~ oordeel III.3.3.1

~ relatie Inleiding; I.1.2.1; I.1.2.3; I.1.2.4; I.1.2.5;

I.1.2.10; I.1.4.2; I.1.4.5; I.1.5.1; III.1.2.2;

III.2.2.5; III.2.3.7; III.3.2.1; III.3.2.9;

III.3.2.11; III.3.2.12; III.3.3.11; III.3.3.13

- continuÔteit van ~ I.1.2.14; III.1.2.1

- doel van ~ III.3.2.4; III.3.2.6; III.3.2.7

- stadium van ~ Inleiding; III.3.3.1

- begin van ~ I.1.5.3; III.2.1.1; III.2.2.5; III.3.2.1;

III.3.2.3; III.3.2.4; III.3.2.5; III.3.2.6;

III.3.2.19; III.3.2.20

- einde van ~ III.1.2.3; III.1.6.2; III.2.1.2; III.2.3.8;

III.3.2.1; III.3.3.1; III.1.2.1

- wijzigingen in ~ III.3.2.4; III.3.3.5; III.3.3.6

~ rol Inleiding; III.2.3.4; III.2.3.4; III.2.3.5

~ standaard Inleiding

~ uitspraken III.1.3.4

~ verantwoordelijkheid II.1.1.1; III.1.2.3; III.1.5.3

~ verantwoording III.4.3.7

~ verplichting II.1.1.3

Psychische integriteit III.3.1.2

Publicaties III.2.2.7

Rapportage I.1.2.7; I.1.2.15; I.1.2.16; III.1.4.2;

III.1.4.3; III.3.2.5; III.3.2.13; III.3.2.14;

III.3.2.15; III.3.2.16; III.3.2.17; III.3.2.18;

III.3.2.19; III.3.2.20; III.3.3.3; III.3.3.16;

III.4.3.6;

Relevant, relevante, relevantie

~ gegevens I.1.2.14; III.2.2.3; III.3.2.21; III.3.2.22

~ conclusies III.4.3.5

~ kwalificaties, titels etc. III.2.2.3

~ in rapportages III.3.3.16; III.4.3.6

Respect II.1.1.3; III.3

Rolintegriteit III.2.3

Rol, rolverwarring, rolvermenging Inleiding; II.1.1.2; III.2.3.4; III.2.3.5

Samenhang van de code I.1.1.1

Schade, voorkomen van ~ III.1.1.1; III.1.3; III.1.3.1; III.1.3.2;

III.1.3.3; III.1.3.4

Schriftelijke rapportage III.3.2.13; III.3.2.15

Seksuele

31

~ geaardheid III.3.1.3

~ gedragingen III.2.3.6

~ relatie met de cliŽnt III.2.3.7; III.2.3.8

Stadium van de professionele relatie Preambule

Statistiek III.3.3.14

Strijdigheid met de code I.1.4.2; III.2.1.3

Studenten III.1.5.4; III.2.3.7

Supervisanten III.1.5.4; III.2.3.7

Team III.1.5.2

Toegang tot het dossier III.3.3.10

Toegankelijkheid van het dossier III.3.2.10

Toestemming III.3.3.3; III.3.3.9; III.3.3.11; III.3.3.14;

III.3.3.15

- gerichte ~ I.1.2.12; III.3.2.21; III.3.2.22

Toetsing van het beroepsmatig handelen Preambule; III.1.6.1; III.1.6.3

- maatstaf voor ~ Preambule

- medewerking aan ~ Preambule

Uitspraken over personen, zonder hun toestemming III.1.3.4

Uitzonderingsbepalingen; toepassen van ~ I.1.4.3

Vakbekwaamheid III.4.2; III.4.2.1; III.4.2.2

Verantwoorde beroepsuitoefening Inleiding; Preambule; III.1.5.4; III.2.1.1;

III.2.1.2; III.2.1.4; III.4.3.8; III.4.3.9

Verantwoordelijkheid II.1.1.1; III.1

~ na beŽindiging van de professionele relatie III.1.2.3

~ voor de continuÔteit van de relatie III.1.2.1

Verantwoording III.1.6; III.1.6.1; III.4.3.7

Verbetering van gegevens III.3.2.11

Vermelden van opleiding, kwalificaties, titels etc. III.2.2.3

Vermengen van rollen vermijden III.2.3.4; III.2.3.5

Verminderd vermogen tot beroepsuitoefening III.4.3.8; III.4.3.9

Vernietiging van het dossier; recht op ~ III.1.6.2; III.3.2.12

Verschoning III.3.3.7

Vertegenwoordiging van de cliŽnt I.1.2.11; I.1.5; I.1.5.1; I.1.5.3

Vertrouwelijkheid, privacy Inleiding; II.1.1.3; III.1.4.2; III.2.3.3;

III.3.2.9; III.3.2.20; III.3.3; III.3.3.1;

III.3.3.2; III.3.3.8; III.3.3.9; III.3.3.10

Vertrouwen in de psychologiebeoefening III.1.1.1

Verwijdering van gegevens III.3.2.9; III.3.2.11; III.3.2.18; III.3.3.8

Verwijzer I.1.2.10

Voorkůmen

~ en beperken van dierenleed III.1.3.3

~ van misleiding III.2.2.1

Voortzetten van de professionele relatie III.1.2.2; III.3.2.3; III.3.2.4; III.3.2.5

Voorwaarden, financiŽle en algemene III.2.2.5

32

Voorzichtigheid bij nieuwe methoden III.1.1.5

Vrijheid om te handelen conform de beroepscode III.1.5.1

Waardigheid II.1.1.3; III.3.1.2

Waarneming bij onvoorziene absentie III.1.2.2

Welingelicht aangaan van de professionele relatie III.3.3.4

Werkomgeving; de psycholoog en zijn ~ III.1.5; III.1.5.1; III.1.5.2; III.1.5.3;

III.1.5.4; III.1.5.5

Wetenschappelijk(e)

~ onderzoek I.1.2.1; III.1.3.4; II.1.1.2; III.2.2.7;

III.3.3.14

~ publicatie III.2.2.7; III.3.3.15

Wettelijk(e)

~ bepalingen I.1.4.4; III.1.6.2; III.3.2.2; III.3.2.19;

III.3.3.4; III.4.1.3

~ vertegenwoordiger I.1.2.11; I.1.5.1; I.1.5.3

~ vereiste nakoming van de opdracht I.1.4.5

~ verplichte gegevensverstrekking aan derden III.3.3.12

Wilsonbekwaam I.1.5; I.15.3

Zelfbeschikking, autonomie II.1.1.3; III.3.2.1; III.3.2.2

Zorgvuldig, zorgvuldigheid Inleiding; I.13.1; III.1.1.2; III.2.3.8

~ in de communicatie III.3.3.2

~ bij nieuwe methoden III.1.1.5

~ in het verkrijgen van onderzoeksgegevens III.2.2.8

N://klaar/beroepscode07\30-08-2007

 

 

De gekwalificeerde gedragswetenschapper van Bureau Jeugdzorg

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepaling

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.

de wet: de Wet op de jeugdzorg;

b.

indicatiebesluit: een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet;

c.

aanvrager: degene die de aanvraag indient voor een indicatiebesluit;

m.

gekwalificeerde gedragswetenschapper: degene die lid is van het Nederlands Instituut voor Psychologen en is opgenomen in het Register Klinisch Psychologen of het register Kinder- en Jeugdpsychologen en beschikt over de Basisaantekening Psychodiagnostiek van dit instituut of degene die lid is van de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen en Onderwijskundigen en geregistreerd is als Orthopedagoog-Generalist dan wel een BIG-geregistreerde gezondheidszorgpsycholoog;

 

 

 

De Beroepscode voor psychologen 1998 van het Nederlands Instituut van Psychologen

Inhoud

Deel 1

De Beroepscode voor psychologen 1998

van het Nederlands Instituut van Psychologen 3

Deel 2

Reglement voor het Toezicht 33

Deel 3

Overige informatie 45

Deel 4

Index bij deel 1 Beroepscode 51

 

Deel 1

De Beroepscode voor psychologen 1998

van het Nederlands Instituut van Psychologen

NB. De artikelen van de beroepscode hebben een viercijferig nummer.

Inleiding 7

Preambule 10

I. Algemeen 12

I.1.1.1 Samenhang van de code 12

I.1.2 Begrippen 12

I.1.3 Algemene bepaling 13

I.1.3.1 Zorgvuldigheid 13

I.1.4 Bijzondere omstandigheden 14

I.1.4.1 Onverenigbaarheid van code-artikelen 14

I.1.4.2 Afwijken van de beroepscode 14

I.1.4.3 Toepassen van uitzonderingsbepalingen 14

I.1.4.4 Afwijken van de beroepscode vanwege specifieke wettelijke regels 14

I.1.4.5 Wettelijk vereiste nakoming van de opdracht 14

I.1.5 Vertegenwoordiging van de cliŽnt 15

I.1.5.1 Minderjarige cliŽnt 15

I.1.5.2 Informatie aan beide ouders 15

I.1.5.3 Meerderjarige wilsonbekwame cliŽnt 15

I.1.5.4 Strijdigheid met de belangen van de cliŽnt 15

II. De basisprincipes 16

III. Richtlijnen ter uitwerking van de basisprincipes 17

III.1 Integriteit 17

III.1.1 Betrouwbaarheid 17

III.1.1.1 Vertrouwen in de psychologie en psychologiebeoefening 17

III.1.1.2 Voorwaarden voor aanvang en voortzetting van de

professionele relatie 17

III.1.1.3 Reden tot beŽindiging van de professionele relatie 17

III.1.1.4 Niet meewerken aan werkzaamheden die strijdig zijn met de code 17

3

III.1.1.5 Onafhankelijkheid en objectiviteit in het beroepsmatig handelen 17

III.1.2 Eerlijkheid 17

III.1.2.1 Voorkomen van misleiding 17

III.1.2.2 Geen misbruik van kennis, vaardigheden of overwicht 18

III.1.2.3 Vermelden van opleiding, kwalificaties, ervaring,

deskundigheid en titels 18

III.1.2.4 Geen ongerechtvaardigde of bovenmatige verwachtingen wekken 18

III.1.2.5 Informatie over voorwaarden waaronder opdrachten

worden aanvaard 18

III.1.2.6 Informatie over alternatieve theorieŽn of verklaringen 18

III.1.2.7 Bronvermelding 18

III.1.2.8 Zorgvuldigheid in het verkrijgen en weergeven van

onderzoeksgegevens 18

III.1.3 Rolintegriteit 18

III.1.3.1 Vermijden van meervoudige rollen 18

III.1.3.2 Onderkennen van onverenigbare belangen 19

III.1.3.3 Niet aanvaarden van onverenigbare opdrachten 19

III.1.3.4 Vermengen van professionele en niet-professionele rollen vermijden 19

III.1.3.5 Niet oneigenlijk bevorderen van persoonlijke belangen 19

III.1.3.6 Geen seksuele relatie met de cliŽnt 19

III.1.3.7 Geen seksuele gedragingen ten opzichte van de cliŽnt 19

III.1.3.8 Verantwoordelijkheid na beŽindiging van de professionele relatie 19

III.1.3.9 Persoonlijke relatie na het beŽindigen van de professionele relatie 20

III.2 Respect 20

III.2.1 Algemeen respect 20

III.2.1.1 Respect voor kennis, inzicht en ervaring van betrokkene 20

III.2.1.2 Respect voor de psychische en lichamelijke integriteit

van betrokkene 20

III.2.1.3 Non-discriminatie 20

III.2.2 Autonomie en zelfbeschikking 20

III.2.2.1 Respect voor autonomie en zelfbeschikking van betrokkene 20

III.2.2.2 Respectvol handelen bij beperkte zelfbeschikking van de cliŽnt 21

III.2.3 Informatie en instemming 21

III.2.3.1 Toestemming bij aangaan of voortzetten van de professionele relatie 21

III.2.3.2 Welingelicht aangaan en voortzetten van de professionele relatie 21

III.2.3.3 Dezelfde informatie voor opdrachtgever en cliŽnt 21

III.2.3.4 Inhoud van de informatie 21

III.2.3.5 Overleg over invulling van de professionele relatie 22

III.2.3.6 Informatie en instemming bij professionele activiteiten

in ruimere zin 22

4

III.2.4 Vertrouwelijkheid 22

III.2.4.1 Geheimhouding 22

III.2.4.2 Geheimhouding bij rapportage aan een externe opdrachtgever

of aan derden 22

III.2.4.3 Doorbreken van de geheimhouding 23

III.2.4.4 Informatie over het doorbreken van de vertrouwelijkheid 23

III.2.4.5 Reikwijdte van het doorbreken van de geheimhouding 23

III.2.4.6 Beroep op verschoning 23

III.2.5 Dossier 23

III.2.5.1 Beperken van het dossier tot relevante gegevens 23

III.2.5.2 Dossiergegevens over andere personen dan cliŽnt 23

III.2.5.3 Dossier betreffende een cliŽntsysteem 24

III.2.5.4 Dossieronderdelen die betrekking hebben op meerdere

personen tegelijk 24

III.2.5.5 Toegang tot het dossier 24

III.2.5.6 Toegankelijkheid, begrijpelijkheid en volledigheid van het dossier 24

III.2.5.7 Inzage in en afschrift van het dossier 24

III.2.5.8 Verbetering van, aanvulling op of verwijdering van gegevens

in het dossier 24

III.2.5.9 Bewaartermijn van een op naam gesteld dossier 25

III.2.5.10 Recht op vernietiging van het dossier 25

III.2.6 Gegevensverstrekking 25

III.2.6.1 Gegevensverstrekking aan derden 25

III.2.6.2 Wettelijk verplichte gegevensverstrekking aan derden 25

III.2.6.3 Gegevensverstrekking in een interdisciplinair team 25

III.2.6.4 Gegevensverstrekking voor wetenschappelijk onderzoek en statistiek 25

III.2.6.5 Gebruik van gegevens voor wetenschappelijke publicaties,

supervisie, etc. 26

III.2.7 Rapportage 26

III.2.7.1 Schriftelijke rapportage 26

III.2.7.2 Gelegenheid tot inzage voorafgaand aan de rapportage 26

III.2.7.3 Mondelinge rapportage aan derden 26

III.2.7.4 Correctie, aanvulling of verwijdering van gegevens

in de rapportage 26

III.2.7.5 Blokkeren van rapportage aan de externe opdrachtgever 26

III.2.7.6 Inzage- en blokkeringsrecht bij rapportage van een cliŽntsysteem 27

III.2.7.7 Beperking tot relevante gegevens in rapportages en verklaringen 27

III.2.7.8 Voorkomen van onbedoeld gebruik en misbruik van rapportages 27

III.3 Deskundigheid 27

5

III.3.1 Ethisch bewustzijn 27

III.3.1.1 Beroepsuitoefening in overeenstemming met de beroepscode 27

III.3.1.2 Noodzaak van een voortdurende kritische reflectie 27

III.3.1.3 Kennis van bijzondere wettelijke bepalingen 28

III.3.2 Vakbekwaamheid 28

III.3.2.1 In stand houden van professionele deskundigheid 28

III.3.2.2 Gebruik van doeltreffende en doelmatige methoden 28

III.3.3 De grenzen van het beroepsmatig handelen 28

III.3.3.1 Professionele en persoonlijke beperkingen 28

III.3.3.2 Grenzen van de eigen deskundigheid 28

III.3.3.3 Kwalificatie 28

III.3.3.4 Relevantie en beperkingen van conclusies 28

III.3.3.5 Professionele verantwoording van het beroepsmatig handelen 29

III.3.3.6 Dreigend verminderd vermogen tot verantwoorde

beroepsuitoefening 29

III.3.3.7 Staken van het beroepsmatig handelen bij verminderd vermogen 29

III.4 Verantwoordelijkheid 29

III.4.1 De kwaliteit van het beroepsmatig handelen 29

III.4.1.1 Zorg voor kwaliteit 29

III.4.1.2 Medeverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het team 29

III.4.1.3 Adequate professionele en ethische normen 29

III.4.2 Verantwoording 29

III.4.2.1 Afleggen van verantwoording 29

III.4.2.2 Medewerking aan behandeling van een klachtenprocedure 30

III.4.3 Voorkomen van schade 30

III.4.3.1 Negatieve ervaringen 30

III.4.3.2 Ingrijpende indirecte effecten van het beroepsmatig handelen 30

III.4.4 Voorkomen van misbruik 30

III.4.4.1 Voorkomen van misbruik van resultaten 30

III.4.5 ContinuÔteit van het beroepsmatig handelen 30

III.4.5.1 ContinuÔteit van de professionele relatie 30

III.4.5.2 Verantwoordelijkheid voortvloeiend uit de professionele relatie 30

III.4.5.3 Verantwoordelijkheid voor waarneming bij onvoorziene absentie 31

III.4.6 De psycholoog en zijn werkomgeving 31

III.4.6.1 Verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van ondergeschikten 31

III.4.6.2 Vrijheid om te kunnen handelen conform de beroepscode 31

III.4.6.3 Hulp en steun aan collega’s, studenten en supervisanten 31

III.4.6.4 Collegiaal appŤl 31

6

Inleiding

Het is een goede traditie dat psychologen zich nadrukkelijk bezinnen op de

ethische kanten van hun beroepsuitoefening. Hoewel zoiets niet exclusief

voor psychologen geldt, maakt de aard van het werk en de relatie met

cliŽnten een voortdurende beroepsethische reflectie noodzakelijk. Een van de

doelstellingen van het Nederlands Instituut van Psychologen als beroepsvereniging

van psychologen, is daarin een belangrijke rol te spelen, met name

door het vertalen van de beroepsethische principes in gedragsregels die als

richtsnoer voor het beroepsmatig handelen dienen.

De beroepscode dient tot waarborg van de kwaliteit van de beroepsuitoefening

in het belang van de cliŽnt, van de psycholoog, van andere betrokkenen en van

de psychologiebeoefening in al haar facetten.

Daarmee komen de belangrijkste functies van de beroepscode in beeld.

Enerzijds dient de code als een leidraad voor het beroepsmatig handelen van de

individuele psycholoog. Anderzijds is het een informatiebron over wat van de

psycholoog in het algemeen kan worden verwacht en verlangd voor al degenen

die te maken hebben met het professioneel handelen van de psycholoog.

Daarnaast dient de beroepscode als maatstaf waaraan het handelen van de

psycholoog kan worden getoetst.

Het NIP kent een klachtenprocedure, vastgelegd in het Reglement voor het

Toezicht, waarvan iedereen gebruik kan maken die weet heeft van ethisch

onjuist handelen door een psycholoog die lid is van het NIP. De klacht wordt,

met toepassing van het principe van hoor en wederhoor, behandeld door het

College van Toezicht. Over de uitspraak van het College staat hoger beroep

open bij het College van Beroep.

De codificatie van de beroepsethiek voor psychologen heeft in ons land een vrij

lange voorgeschiedenis. Een eerste beroepscode werd in 1960 vastgesteld.

In 1976 volgde een herziening van deze gedragscode. Daarna werd, na een

grondige voorbereiding, per 1 januari 1988 de derde, geheel herziene beroepscode

van kracht. Sinds die tijd heeft de ontwikkeling in het denken over

beroepsethiek, de positie van de cliŽnt en de beroepsverantwoordelijkheid van

de psycholoog in alle werkvelden niet stil gestaan. Er zijn nieuwe wetten

gekomen over privacy en patiŽntenrechten, er zijn nieuwe methodieken van

behandeling, onderzoek en assessment ontstaan. En ook is in het werken met

de beroepscode een aantal knelpunten aan het licht gekomen, die inherent zijn

aan de destijds gekozen opbouw en structuur.

7

Dit waren redenen om opnieuw te komen tot een grondige herziening van de

beroepscode. Hierbij is voor een radicaal andere opzet gekozen dan in de code

van 1988. Dat betekent echter niet dat de eisen die in de praktijk aan de psycholoog

worden gesteld nu wezenlijk veranderd worden. Getracht is tot een

heldere en inhoudelijk logisch opgebouwde structuur te komen, die als basis

kan dienen voor het beroepsmatig handelen van psychologen in alle, soms ver

uiteenlopende, werkvelden. Op deze basis kan worden voortgebouwd aan

nadere richtlijnen en toelichtende hoofdstukken.

Daarin kunnen meer specifieke situaties - al dan niet werkveld gebonden -

worden behandeld en verbanden worden gelegd met wettelijke bepalingen en

andere richtlijnen waaraan NIP-leden in hun werksituatie gebonden kunnen

zijn. In deze opzet is er rekening mee gehouden dat er geen knelpunten mogen

ontstaan tussen de bepalingen van de beroepscode en de meest toepasselijke

wetten en andere regelingen.

De beroepscode als samenstel van gedragsregels reflecteert de stand van zaken

in de voortgaande ethische discussie zoals die in het algemeen in de maatschappij

wordt gevoerd, en specifiek in de eigen professie en de verwante beroepsgroepen.

Een belangrijke graadmeter voor de ontwikkelingen in het denken

over de beroepsethiek is de jurisprudentie, gevormd door de uitspraken van de

beide tuchtcolleges van het NIP.

Bij het totstandkomen van deze versie van de beroepscode heeft het NIP niet

alleen voortgebouwd op het denken in Nederland over de beroepsethiek, maar

zich ook buiten de grenzen georiŽnteerd. In juli 1995 werd door de General

Assembly van de European Federation of Professional Psychologists’

Associations (EFPPA), de koepelorganisatie van Europese psychologenverenigingen

waarbij ook het NIP is aangesloten, een voorstel voor een Meta-Code

aangenomen die als grondslag dient voor de codes van de aangesloten verenigingen.

Bij het ontwikkelen van deze versie van de beroepscode is aansluiting gezocht

bij de Meta-Code.

Uitgangspunt van de code is de noodzaak om gedragsregels te formuleren waaraan

het beroepsmatig handelen van de psycholoog dient te voldoen. Onder

beroepsmatig handelen wordt hier niet alleen verstaan het handelen in het

kader van een professionele relatie in engere zin, maar elk optreden van de psycholoog

in die hoedanigheid.

De beroepscode als geheel steunt op de volgende vier ethische basisprincipes:

integriteit, respect, deskundigheid en verantwoordelijkheid.

Deze basisprincipes worden verwoord in een aantal algemene formuleringen

die dienen ter oriŽntatie voor de beroepsethische bezinning op het beroeps-

8

matig handelen. De basisprincipes zijn vervolgens uitgewerkt in regels en richtlijnen

met een meer concreet en specifiek karakter. Deze dienen als wegwijzer

voor de ethische besluitvorming van de psycholoog in een concrete situatie.

Om een duidelijke structuur in de beroepscode aan te brengen, wordt bij het

formuleren van de richtlijnen steeds aangesloten bij ťťn van de basisprincipes.

Voorts hebben de volgende overwegingen een rol gespeeld bij het formuleren

van de bepalingen in de beroepscode.

De psycholoog dient een aantal aspecten van zijn beroepsuitoefening steeds in

het oog te houden. Veel van de relaties die hij in zijn beroepsuitoefening

aangaat, zijn in aanleg ongelijke relaties, die voor de betrokkenen licht kunnen

leiden tot afhankelijkheid van de psycholoog. De psycholoog moet zich dat

steeds realiseren.

De psycholoog dient ook te onderkennen dat iedere relatie die hij in zijn

beroepsuitoefening aangaat, een ontwikkeling doormaakt waarbij in verschillende

stadia verschillende regels van toepassing kunnen zijn. De psycholoog

dient zich dan ook steeds af te vragen in welk stadium de relatie verkeert en

vooruit te kijken naar de volgende stadia.

Een derde aspect dat de psycholoog zich dient te realiseren is dat het mogelijk

is dat hij tijdens of in samenhang met zijn beroepsmatig handelen tegelijkertijd

of kort na elkaar verschillende rollen vervult. Dat kunnen zowel professionele

als niet-professionele rollen zijn. Hij dient zich steeds af te vragen of deze rollen

zich ten opzichte van elkaar verdragen en of er geen verwarring kan ontstaan

bij de betrokkenen.

Omdat opvattingen over wat al dan niet behoorlijk of toelaatbaar is in de loop

der tijd veranderen, is de code een in de tijd gegeven document, dat regelmatig

moet worden herzien. Het Nederlands Instituut van Psychologen voorziet daarvoor

in een vaste revisieprocedure, waarin elke vijf jaar een aangepaste code

wordt vastgesteld.

Bij de code behoort een uitgebreide toelichting, die in een aparte uitgave wordt

gepubliceerd. Voor een goed begrip van de code en de interpretatie in verschillende

situaties wordt hier uitdrukkelijk naar de toelichting verwezen.

December 1997

Prof. dr. H. T. van der Molen

C. J. Koene

9

Preambule

In het belang van degenen op wie het beroepsmatig handelen van de psycholoog

in ruimste zin betrekking heeft, in het belang van de maatschappij en in

het belang van de kwaliteit van de beroepsuitoefening heeft het Nederlands

Instituut van Psychologen besloten ethische principes te formuleren en daarop

nadere richtlijnen te baseren. Deze zijn neergelegd in de Beroepscode voor

psychologen. De beroepscode heeft tot doel de beroepsethische reflectie te

bevorderen en als maatstaf te dienen voor toetsing van het beroepsmatig handelen

van de psycholoog.

Een beroepscode kan geen eenduidige handleiding zijn, die zonder nadere

overwegingen uitsluitsel geeft over wat in elke situatie de juiste handelwijze is.

In het oog moet worden gehouden dat in een gegeven situatie verschillende

basisprincipes en daarop gebaseerde richtlijnen gelijktijdig geldig zijn, maar

met elkaar op gespannen voet kunnen staan. Bij een dergelijk ethisch dilemma

gaat het om een afweging van welke ethische principes daarbij het zwaarste

wegen.

De beroepscode is het hulpmiddel voor de psycholoog om zijn ethische

afweging te expliciteren en tot een verantwoorde eigen keuze te komen. Bij een

dergelijke afweging kan het aanbeveling verdienen dat de psycholoog ondersteuning

door ervaren collega’s en zijn beroepsvereniging inroept. Het achterwege

laten van een dergelijke consultatie behoeft de psycholoog niet altijd te

worden aangerekend, als deze een overtuigende motivering heeft voor zijn uiteindelijke

beslissing en als het gewicht van deze beslissing een consultatie niet

zonder meer vooronderstelt.

Het behoort bij een verantwoorde beroepsuitoefening bereid te zijn de beroepsethische

aspecten van het eigen professioneel handelen onder collega’s ter

discussie te stellen. Dat brengt in voorkomende gevallen de verplichting met

zich mee het beroepsmatig handelen te verantwoorden aan en te laten toetsen

door daartoe bevoegde Colleges en aan een dergelijke toetsing loyaal en coŲperatief

medewerking te verlenen. Het zich onttrekken aan die toetsing, of het

frustreren daarvan is derhalve in strijd met de geest van de beroepscode.

De beroepscode wordt gedragen door de besluitvorming van de in het

Nederlands Instituut van Psychologen georganiseerde psychologen en heeft

voor alle leden van de vereniging bindende kracht (artikel 5 lid 2 van de

Statuten).

10

Het Nederlands Instituut van Psychologen is bovendien van mening dat de

code naar zijn aard zou moeten gelden voor de beroepsuitoefening van alle

psychologen.

11

I. Algemeen

I.1.1.1. Samenhang van de code

De bepalingen in dit deel moeten worden gelezen in samenhang met de volgende

bepalingen van de beroepscode. Indien de omstandigheden dat vereisen,

vormen de relevante bepalingen uit het onderstaande een integraal geheel met

de overige bepalingen van de beroepscode.

I.1.2 Begrippen

I.1.2.1

Het beroepsmatig handelen: alle handelingen die de psycholoog als zodanig

verricht; dat wil zeggen elk optreden van de psycholoog in zijn functie of met

gebruikmaking van de aanduiding psycholoog; hieronder valt de

professionele relatie, het optreden als docent, supervisor, in de media etc.

I.1.2.2

De betrokkene: elke persoon die direct of indirect is betrokken bij het beroepsmatig

handelen van de psycholoog of die daardoor in zijn belangen wordt

geraakt; zoals de cliŽnt, opdrachtgever, collega, student, proefpersoon etc.

I.1.2.3

De professionele relatie: de behandelings-, onderzoeks-, adviserings-, of begeleidingsrelatie

tussen psycholoog en cliŽnt of cliŽntsysteem.

I.1.2.4

De cliŽnt: de persoon met wie de psycholoog een professionele relatie aangaat,

onderhoudt, of onderhouden heeft; zoals de patiŽnt, de onderzochte, etc.

I.1.2.5

Het cliŽntsysteem: de groep van meer personen in hun onderling functioneren,

met wie de psycholoog ťťn professionele relatie aangaat, onderhoudt, of onderhouden

heeft.

I.1.2.6

De externe opdrachtgever: de persoon of rechtspersoon die de opdracht tot enige

vorm van beroepsmatig handelen heeft gegeven, niet zijnde de cliŽnt, het cliŽntsysteem

of de verwijzer; de opdracht omvat zowel de vraagstelling die aan het

beroepsmatig handelen ten grondslag ligt, als de afspraken omtrent voortgang,

12

procedurele aspecten en rapportage en de financiŽle afwikkeling van de

opdracht.

I.1.2.7

Wettelijk vertegenwoordiger(s):

• de ouder(s) van de minderjarige cliŽnt die het ouderlijk gezag over hem uitoefent

of uitoefenen, dan wel diens voogd;

• de door de rechter benoemde curator of mentor van de meerderjarige

cliŽnt.

I.1.2.8

Dossier: de verzameling van gegevens betrekking hebbend op een cliŽnt of

cliŽntsysteem, verkregen door de psycholoog in zijn beroepsmatig handelen, die

hij bewaart vanwege hun relevantie voor kwaliteit en continuÔteit van de professionele

relatie. Persoonlijke werkaantekeningen van de psycholoog en ruwe

testgegevens behoren niet tot het dossier.

I.1.2.9

Rapportage: elke bevinding, beoordeling of advies, herleidbaar tot ťťn of meer

cliŽnten, die mondeling of schriftelijk wordt uitgebracht in het kader van een

opdracht.

I.1.2.10

Gegeven: elk op een persoon herleidbaar gegeven dat in welke vorm dan ook

bewaard kan worden, waaronder begrepen audiovisuele middelen en geautomatiseerde

databestanden.

Waar in deze code gesproken wordt van de psycholoog, de cliŽnt, de betrokkene,

respectievelijk hij of hem, wordt in voorkomende gevallen bedoeld de

psychologe, de cliŽnte, zij of haar.

I.1.3 Algemene bepaling

I.1.3.1 Zorgvuldigheid

De psycholoog neemt in de uitoefening van zijn beroep de zorgvuldigheid in

acht door te handelen naar de inhoud van de beroepscode.

13

I.1.4 Bijzondere omstandigheden

I.1.4.1 Onverenigbaarheid van code-artikelen

In geval de psycholoog in een bepaalde situatie ervaart dat het volgen van een

bepaling van de beroepscode ertoe leidt dat een andere bepaling van de

beroepscode niet gevolgd kan worden, dan weegt hij de gevolgen van de keuze

voor ťťn van de bepalingen zorgvuldig af en overweegt zijn beroepsvereniging

en/of ervaren vakgenoten te consulteren.

I.1.4.2 Afwijken van de beroepscode

Als de psycholoog gegronde redenen heeft om af te wijken van de door de

beroepscode voorgeschreven handelwijze, dient hij alvorens te beslissen, de

beslissing grondig te motiveren en een deskundige te raadplegen die niet rechtstreeks

bij de professionele relatie is betrokken.

Uit de motivering moet blijken dat de handelwijze die strijdig is met de bepalingen

van de beroepscode, wel in overeenstemming is met de geest van de

beroepscode en het resultaat is van een zorgvuldige belangenafweging.

I.1.4.3 Toepassen van uitzonderingsbepalingen

Als de psycholoog gegronde redenen heeft om toepassing te geven aan enige, in

een artikel van de beroepscode geformuleerde, uitzonderingsbepaling, gelden

de hiervoor omschreven zorgvuldigheidseisen eveneens.

I.1.4.4 Afwijken van de beroepscode vanwege specifieke wettelijke regels

Indien specifieke wettelijke regels de psycholoog verplichten af te wijken van

enige bepaling van de ‘Beroepscode voor psychologen’, dan streeft de psycholoog

ernaar voor het overige zoveel mogelijk de andere bepalingen en de geest

van de beroepscode te volgen.

I.1.4.5 Wettelijk vereiste nakoming van de opdracht

Als de professionele relatie tot stand komt als gevolg van een opdracht door een

externe opdrachtgever die een door de wet toegekende bevoegdheid heeft om

nakoming van de opdracht te eisen, blijven de rechten van de cliŽnt gehandhaafd,

voor zover dit niet strijdt met de regels die op deze opdrachtrelatie van

toepassing zijn.

14

I.1.5 Vertegenwoordiging van de cliŽnt

I.1.5.1 Minderjarige cliŽnt

Als de cliŽnt minderjarig is en nog niet de jaren des onderscheids heeft bereikt,

worden de in de code aan hem toegekende rechten uitgeoefend door zijn wettelijk

vertegenwoordiger(s), tenzij de psycholoog redenen heeft om aan te nemen,

dat de belangen van de cliŽnt ernstig zouden worden geschaad door de betrokkenheid

van de wettelijk vertegenwoordiger(s) bij de professionele relatie.

De cliŽnt wordt geacht in ieder geval de jaren des onderscheids te hebben

bereikt als hij de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, tenzij hij niet in staat kan

worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. Vanaf de leeftijd

van 12 jaar wordt de cliŽnt, ongeacht de aanspraken van zijn wettelijk vertegenwoordiger(

s), zoveel mogelijk bij de uitoefening van zijn rechten betrokken.

I.1.5.2 Informatie aan beide ouders

Indien ťťn der ouders het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige cliŽnt, verschaft

de psycholoog de informatie over de cliŽnt die hij aan deze ouder verstrekt

desgevraagd ook aan de andere ouder, tenzij dit in strijd zou zijn met de

belangen van de minderjarige cliŽnt.

I.1.5.3 Meerderjarige wilsonbekwame cliŽnt

Als de cliŽnt meerderjarig is, maar niet tot een redelijke waardering van zijn

belangen terzake in staat kan worden geacht, worden de in de code aan hem

toegekende rechten uitgeoefend door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Als ten

aanzien van een dergelijke cliŽnt geen wettelijk vertegenwoordiger is benoemd,

worden de rechten uitgeoefend door een door hemzelf aangewezen vertegenwoordiger.

Bij gebreke van een dergelijk vertegenwoordiger worden de rechten

uitgeoefend door respectievelijk de echtgenoot of levensgezel, ouder, kind,

broer of zuster van de cliŽnt, tenzij de cliŽnt dat niet wenst, of de psycholoog

dat niet in het belang van de cliŽnt acht. Onverlet het bovenstaande wordt de

meerderjarige wilsonbekwame cliŽnt waar mogelijk bij de uitoefening van zijn

rechten betrokken.

I.1.5.4 Strijdigheid met de belangen van de cliŽnt

Beslissingen van de genoemde vertegenwoordigers worden door de psycholoog

niet gevolgd indien hij in de gegeven omstandigheden meent dat dat zou strijden

met de belangen van de cliŽnt.

15

II. De basisprincipes

II.1.1.1 Integriteit

De psycholoog streeft naar integriteit in de wetenschapsbeoefening, het

onderwijs en de toepassing van de psychologie. In zijn handelen betoont de

psycholoog eerlijkheid, gelijkwaardige behandeling en openheid tegenover

betrokkenen. Hij schept tegenover alle betrokkenen duidelijkheid over de

rollen die hij vervult en handelt in overeenstemming daarmee.

II.1.1.2 Respect

De psycholoog toont respect voor de fundamentele rechten en waardigheid van

de betrokkene en bevordert de ontwikkeling daarvan. Hij respecteert het recht

van de betrokkene op privacy en vertrouwelijkheid. Hij respecteert en bevordert

diens zelfbeschikking en autonomie, voor zover dat te verenigen is met de

andere professionele verplichtingen van de psycholoog en met de wet.

II.1.1.3 Deskundigheid

De psycholoog streeft naar het verwerven en handhaven van een hoog niveau

van deskundigheid in zijn beroepsuitoefening. Hij neemt de grenzen van zijn

deskundigheid in acht en de beperkingen van zijn ervaring. Hij biedt alleen

diensten aan en gebruikt alleen methoden en technieken waarvoor hij door

opleiding, training en/of ervaring is gekwalificeerd.

II.1.1.4 Verantwoordelijkheid

De psycholoog onderkent zijn professionele en wetenschappelijke verantwoordelijkheid

ten opzichte van de betrokkene, zijn omgeving en de maatschappij.

De psycholoog is verantwoordelijk voor zijn professioneel handelen en zorgt

ervoor, voor zover dat in zijn vermogen ligt, dat zijn diensten en de resultaten

van zijn beroepsmatig handelen niet worden misbruikt.

16

III. Richtlijnen ter uitwerking van de

basisprincipes

III.1 Integriteit

III.1.1 Betrouwbaarheid

III.1.1.1 Vertrouwen in de psychologie en psychologiebeoefening

De psycholoog onthoudt zich van gedragingen waarvan hij weet of redelijkerwijs

kan voorzien dat zij het vertrouwen in de wetenschap der psychologie, de

psychologiebeoefening of van collega’s kunnen schaden.

III.1.1.2 Voorwaarden voor aanvang en voortzetting van de professionele relatie

Hij dient een professionele relatie alleen aan te vangen, of voort te zetten, als

dit professioneel en ethisch verantwoord is.

III.1.1.3 Reden tot beŽindiging van de professionele relatie

De psycholoog zet de professionele relatie niet voort als daar professioneel geen

grond meer voor bestaat. Hij zorgt er voor dat de professionele relatie in

overleg met de cliŽnt wordt afgerond en dat daarover geen misverstanden

blijven bestaan.

III.1.1.4 Niet meewerken aan werkzaamheden die strijdig zijn met de code

De psycholoog verleent geen medewerking aan werkzaamheden van anderen

die met de code in strijd zijn. Evenmin profiteert hij van de resultaten van

dergelijke werkzaamheden.

III.1.1.5 Onafhankelijkheid en objectiviteit in het beroepsmatig handelen

De psycholoog draagt er zorg voor dat hij in zijn beroepsmatig handelen onafhankelijk

en objectief kan optreden.

Hij laat zijn beroepsmatig handelen niet zodanig beÔnvloeden door eisen van

anderen met wie of in opdracht van wie hij werkt, dat hij de resultaten daarvan

professioneel niet kan verantwoorden.

III.1.2 Eerlijkheid

III.1.2.1 Voorkomen van misleiding

De psycholoog voorkomt misleiding van enige aard in zijn beroepsmatig

handelen.

17

III.1.2.2 Geen misbruik van kennis, vaardigheden of overwicht

De psycholoog maakt geen misbruik van zijn psychologische kennis en vaardigheden

of van het overwicht dat voortvloeit uit zijn deskundigheid of zijn

positie.

III.1.2.3 Vermelden van opleiding, kwalificaties, ervaring, deskundigheid en titels

De psycholoog is nauwgezet bij het vermelden van zijn opleiding en kwalificaties,

ervaring, deskundigheid en titels. Hij vermeldt deze uitsluitend wanneer

zij relevant zijn.

III.1.2.4 Geen ongerechtvaardigde of bovenmatige verwachtingen wekken

De psycholoog zorgt ervoor dat geen ongerechtvaardigde of bovenmatige verwachtingen

worden gewekt ten aanzien van de aard, de effecten en de gevolgen

van zijn dienstverlening.

III.1.2.5 Informatie over voorwaarden waaronder opdrachten worden aanvaard

De psycholoog stelt betrokkenen voorafgaand aan of in het vroegste stadium

van de professionele relatie eerlijk en nauwgezet op de hoogte van de financiŽle

en andere algemene voorwaarden waaronder hij zijn opdrachten aanvaardt.

III.1.2.6 Informatie over alternatieve theorieŽn of verklaringen

De psycholoog is nauwgezet bij het verstrekken van informatie aan betrokkene

en informeert deze als er sprake kan zijn van alternatieve theorieŽn of verklaringen

en expliciteert zijn professioneel oordeel over deze alternatieven.

III.1.2.7 Bronvermelding

Bij het presenteren, in woord en geschrift, van wetenschappelijk werk, toegepast

wetenschappelijk werk of voor lekenpubliek bedoelde presentaties,

vermeldt de psycholoog op passende wijze de bronnen waaruit hij heeft geput,

voor zover de resultaten of het gedachtegoed niet voortkomen uit eigen professionele

werkzaamheden.

III.1.2.8 Zorgvuldigheid in het verkrijgen en weergeven van onderzoeksgegevens

De psycholoog is zorgvuldig in het verkrijgen en het statistisch bewerken van

onderzoeksgegevens. Hij is niet selectief in het gebruik van relevante gegevens

en in het weergeven en het verklaren van de resultaten.

III.1.3 Rolintegriteit

III.1.3.1 Vermijden van meervoudige rollen

De psycholoog onderkent de moeilijkheden die kunnen ontstaan uit het ver-

18

vullen van verschillende professionele rollen ten opzichte van een of meer

betrokkenen. Bij voorkeur vermijdt hij het ontstaan van meervoudige rollen.

III.1.3.2 Onderkennen van onverenigbare belangen

De psycholoog onderkent de moeilijkheden die kunnen ontstaan doordat er

binnen het geheel van cliŽnt, cliŽntsysteem en opdrachtgever sprake kan zijn

van onverenigbare belangen.

III.1.3.3 Niet aanvaarden van onverenigbare opdrachten

De psycholoog aanvaardt geen nieuwe opdracht die niet goed te verenigen is

met een reeds eerder aanvaarde opdracht, ook als er geen sprake is van dezelfde

cliŽnt. Bij motivering van zo’n weigering neemt de psycholoog de vertrouwelijkheid

in acht.

III.1.3.4 Vermengen van professionele en niet-professionele rollen vermijden

De psycholoog vermengt geen professionele en niet-professionele rollen die

elkaar zodanig kunnen beÔnvloeden, dat hij niet meer in staat is een professionele

afstand tot de betrokkene(n) te bewaren of waardoor de belangen van de

betrokkene(n) worden geschaad.

III.1.3.5 Niet oneigenlijk bevorderen van persoonlijke belangen

De psycholoog laat na in zijn beroepsmatig handelen zijn persoonlijke, religieuze,

politieke of ideologische belangen oneigenlijk te bevorderen.

III.1.3.6 Geen seksuele relatie met de cliŽnt

De psycholoog gaat geen seksuele relatie aan met zijn cliŽnt tijdens of direct aansluitend

aan de professionele relatie. Ook nadien is hij daarin terughoudend.

III.1.3.7 Geen seksuele gedragingen ten opzichte van de cliŽnt

De psycholoog onthoudt zich van seksuele toenaderingspogingen ten opzichte

van zijn cliŽnt en gaat niet in op dergelijke toenaderingspogingen van diens

kant.

Hij onthoudt zich van gedragingen die seksueel getint zijn of in het algemeen

als zodanig kunnen worden opgevat.

III.1.3.8 Verantwoordelijkheid na beŽindiging van de professionele relatie

De psycholoog geeft zich rekenschap van het feit dat na de formele beŽindiging

van de professionele relatie er nog steeds sprake kan zijn van belangentegenstellingen

of een ongelijke machtsverhouding tussen hem en de betrokkenen en

dat derhalve zijn professionele verantwoordelijkheid ten opzichte van de

betrokkenen niet zonder meer ophoudt te bestaan.

19

III.1.3.9 Persoonlijke relatie na het beŽindigen van de professionele relatie

Bij het aangaan van een persoonlijke relatie na het beŽindigen van de professionele

relatie, vergewist de psycholoog zich ervan dat de voorgaande professionele

relatie geen onevenredige betekenis meer heeft.

Als het hierbij gaat om een seksuele relatie is de psycholoog er verantwoordelijk

voor dat hij desgevraagd kan aantonen dat hij bij het aangaan van deze relatie

alle zorgvuldigheid in acht genomen heeft, die van hem als professioneel

psycholoog gevraagd kan worden.

III.2 Respect

III.2.1 Algemeen respect

III.2.1.1 Respect voor kennis, inzicht en ervaring van betrokkene

De psycholoog geeft zich rekenschap van en respecteert de kennis, het inzicht

en de ervaring van de betrokkene.

III.2.1.2 Respect voor de psychische en lichamelijke integriteit van betrokkene

De psycholoog respecteert de psychische en lichamelijke integriteit van de

betrokkene en tast hem niet in zijn waardigheid aan. Hij dringt niet verder

door in het privťleven van de betrokkene dan voor het doel van zijn beroepsmatig

handelen noodzakelijk is.

III.2.1.3 Non-discriminatie

De psycholoog geeft zich rekenschap van en houdt rekening met individuele en

culturele verschillen als gevolg van ras, afkomst, etniciteit, geslacht, seksuele

voorkeur, handicap, leeftijd, religie, taal of sociaal-economische status.

Hij spant zich ervoor in dat ondanks die verschillen een ieder in dezelfde

situatie dezelfde kansen krijgt. Discriminatie op deze en andere gronden is niet

toegestaan.

III.2.2 Autonomie en zelfbeschikking

III.2.2.1 Respect voor autonomie en zelfbeschikking van betrokkene

De psycholoog respecteert en bevordert in zijn beroepsmatig handelen de autonomie

en zelfbeschikking van de betrokkene. In het bijzonder komt die zelfbeschikking

van de betrokkene tot uiting in het recht om de professionele

relatie met de psycholoog al dan niet aan te gaan, voort te zetten, dan wel te

beŽindigen.

20

III.2.2.2 Respectvol handelen bij beperkte zelfbeschikking van de cliŽnt

Indien de zelfbeschikking van de cliŽnt wordt beperkt door diens leeftijd, aanleg

en ontwikkeling, geestelijke gezondheid of door wettelijke bepalingen, dan

wel door de beslissingsbevoegdheid van een externe opdrachtgever die deze

ontleent aan een hem opgedragen wettelijke taak of rechterlijke beslissing, dan

laat de psycholoog binnen deze beperkingen de zelfbeschikking van de cliŽnt

toch zoveel mogelijk tot zijn recht komen.

III.2.3 Informatie en instemming

III.2.3.1 Toestemming bij aangaan of voortzetten van de professionele relatie

Zonder toestemming van de cliŽnt kan de psycholoog geen professionele relatie

met hem aangaan of voortzetten.

Evenwel is toestemming van de cliŽnt niet vereist, indien de professionele

relatie tot stand komt als gevolg van een opdracht door een externe opdrachtgever,

die daartoe een door de wet toegekende bevoegdheid heeft.

III.2.3.2 Welingelicht aangaan en voortzetten van de professionele relatie

Voorafgaande aan en tijdens de duur van de professionele relatie verstrekt de psycholoog

zodanige informatie aan de cliŽnt, dat deze vrijelijk in staat is welingelicht

in te stemmen met het aangaan en voortzetten van de professionele relatie.

III.2.3.3 Dezelfde informatie voor opdrachtgever en cliŽnt

Als er sprake is van een externe opdrachtgever, dient de psycholoog zich, vůůr

de aanvang van de professionele relatie ervan te vergewissen, dat zowel de

opdrachtgever als de cliŽnt of het cliŽntsysteem over dezelfde informatie

beschikken voor wat betreft doel en opzet van de professionele relatie en de

voorgenomen werkwijze.

De opdracht kan slechts doorgang vinden als over doel en opzet tussen hen

overeenstemming bestaat. Bij wijziging van de situatie of van de opdracht dient

de psycholoog tot hernieuwde afspraken te komen.

III.2.3.4 Inhoud van de informatie

De informatie wordt bij voorkeur zowel mondeling als schriftelijk gegeven en

bevat voor zover van toepassing:

• het doel van de professionele relatie en de context waarin die plaatsvindt; de

plaats van de cliŽnt en de psycholoog hierin;

• de gang van zaken, de activiteiten en situaties waarmee de cliŽnt rechtstreeks

of indirect zal worden geconfronteerd;

• de personen met wie de psycholoog, al dan niet in multidisciplinair verband,

samenwerkt in de professionele relatie;

21

• de methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking kunnen

komen en de te verwachten resultaten en beperkingen daarvan;

• de typen gegevens die over de cliŽnt worden verzameld en de wijze waarop

deze worden bewaard;

• de wijze van eventuele rapportering en aan wie wordt gerapporteerd;

• de regels in de beroepscode met betrekking tot inzage en afschrift, correctie

en blokkering van de rapportage;

• eventuele instanties die bij de professionele relatie enig belang hebben;

• mogelijke neveneffecten van het beroepsmatig handelen;

• de gebondenheid van de psycholoog aan de beroepscode en het klachtrecht;

Eventuele wijzigingen hierin worden met de cliŽnt besproken.

III.2.3.5 Overleg over invulling van de professionele relatie

De psycholoog biedt de cliŽnt de gelegenheid voor overleg over diens wensen

en meningen betreffende de invulling van de professionele relatie, tenzij dat

een goede voortgang van de professionele relatie in de weg staat.

III.2.3.6 Informatie en instemming bij professionele activiteiten in ruimere zin

De bepalingen in deze paragraaf gelden, voor zover zij van toepassing zijn,

evenzeer ten opzichte van degenen die betrokken zijn bij de professionele werkzaamheden

van de psycholoog, indien deze niet aangemerkt kunnen worden als

een professionele relatie in strikte zin.

III.2.4 Vertrouwelijkheid

III.2.4.1 Geheimhouding

In het directe contact met de betrokkene gaat de psycholoog een vertrouwensrelatie

met hem aan. Daarom is de psycholoog verplicht tot geheimhouding

van hetgeen hem uit hoofde van de uitoefening van zijn beroep ter kennis

komt, voor zover die gegevens van vertrouwelijke aard zijn. Deze verplichting

blijft na beŽindiging van de professionele contacten bestaan.

III.2.4.2 Geheimhouding bij rapportage aan een externe opdrachtgever of aan

derden

Als het rapporteren aan een externe opdrachtgever of aan derden deel uitmaakt

van de opdracht, dan geldt voor de gegevens, die relevant zijn voor de rapportage,

geen geheimhoudingsplicht jegens de ontvanger van de rapportage.

Voor het overige heeft de psycholoog een geheimhoudingsplicht betreffende

het meerdere dat hem ter kennis mocht komen en dat niet relevant is voor de

rapportage en tegenover derden.

22

III.2.4.3 Doorbreken van de geheimhouding

De psycholoog is niet gehouden geheimhouding in acht te nemen, als hij

gegronde redenen heeft om te menen dat het doorbreken van de geheimhouding

het enige en laatste middel is om direct gevaar voor personen te voorkomen,

dan wel wanneer hij door wettelijke bepalingen of een rechterlijke beslissing

daartoe wordt gedwongen.

III.2.4.4 Informatie over het doorbreken van de vertrouwelijkheid

Als de mogelijkheid bestaat dat zulks zich kan voordoen stelt de psycholoog de

betrokkene, indien mogelijk, ervan op de hoogte dat hij genoodzaakt kan zijn

de vertrouwelijkheid te doorbreken.

III.2.4.5 Reikwijdte van het doorbreken van de geheimhouding

Indien de psycholoog besluit tot het doorbreken van de geheimhouding dan

mag zich dat niet verder uitstrekken dan in de gegeven omstandigheden is vereist

en dient hij de betrokkene van zijn besluit op de hoogte te stellen.

III.2.4.6 Beroep op verschoning

De psycholoog is verplicht zich tegenover de rechter te beroepen op verschoning,

als het afleggen van een getuigenis of het beantwoorden van vragen hem

in strijd brengt met zijn geheimhoudingsplicht.

III.2.5 Dossier

III.2.5.1 Beperken van het dossier tot relevante gegevens

In het dossier verzamelt en bewaart de psycholoog alleen die gegevens die relevant

zijn voor en dienen tot het doel van de professionele relatie.

III.2.5.2 Dossiergegevens over andere personen dan cliŽnt

Als het noodzakelijk is om tevens gegevens in het dossier op te nemen die

betrekking hebben op andere personen dan de cliŽnt en die niet door de cliŽnt

zelf zijn verstrekt, dan worden deze in zodanige vorm opgenomen, dat ze tijdelijk

te verwijderen zijn, zodat bij inzage door de cliŽnt de vertrouwelijkheid van

die gegevens gewaarborgd kan worden.

23

III.2.5.3 Dossier betreffende een cliŽntsysteem

In het geval er sprake is van een dossier betreffende een cliŽntsysteem dan worden

de gegevens aangaande de verschillende personen in dat systeem waar

mogelijk zo bewaard, dat aan elk van deze personen afzonderlijk gelegenheid

tot inzage gegeven kan worden zonder de vertrouwelijkheid van de gegevens

van de anderen te schenden.

III.2.5.4 Dossieronderdelen die betrekking hebben op meerdere personen tegelijk

Voor zover delen van het dossier noodzakelijkerwijs op meerdere personen

tegelijk betrekking hebben, wordt aan elk van hen hiervan mededeling gedaan,

en wordt hen gewezen op het feit dat daaruit een beperking van het recht op

inzage en afschrift kan voortvloeien, voor zover dat noodzakelijk is om de

vertrouwelijkheid van elkaars gegevens te waarborgen.

III.2.5.5 Toegang tot het dossier

De psycholoog zorgt er voor dat het dossier op zodanige wijze wordt bewaard

dat niemand daar zonder zijn toestemming toegang toe heeft, zodat de vertrouwelijkheid

van de gegevens bewaard blijft.

III.2.5.6 Toegankelijkheid, begrijpelijkheid en volledigheid van het dossier

De psycholoog richt het dossier naar vorm en inhoud op zodanige wijze in dat

het voor de cliŽnt redelijkerwijs toegankelijk en begrijpelijk is.

Hij zorgt er voor dat het dossier te allen tijde zodanig bijgewerkt is dat bij een

plotselinge, onvoorziene tijdelijke of blijvende absentie zijnerzijds, een deskundige

vakgenoot de professionele relatie kan voortzetten.

III.2.5.7 Inzage in en afschrift van het dossier

De psycholoog geeft de cliŽnt desgevraagd inzage in en afschrift van het dossier.

Hij biedt daarbij aan tekst en uitleg te verschaffen. Alvorens de cliŽnt inzage te

geven verwijdert de psycholoog de gegevens die betrekking hebben op anderen

uit het dossier, voor zover die niet door de cliŽnt zelf zijn verstrekt.

Voor zover onderdelen van het dossier op meerdere personen tegelijk betrekking

hebben, heeft geen van die personen recht op afschrift van die onderdelen,

tenzij alle gegevens van hemzelf afkomstig zijn of de andere(n) hiertoe schriftelijk

toestemming verlenen.

III.2.5.8 Verbetering van, aanvulling op of verwijdering van gegevens in het dossier

Op verzoek van de cliŽnt verbetert, vult aan of verwijdert de psycholoog die

gegevens in het dossier, waarvan deze aannemelijk maakt dat ze onjuist, onvolledig

of niet terzake doende zijn gezien de doelstelling van het dossier, en voor

zover deze op cliŽnt betrekking hebben.

24

Het verzoek tot correctie, aanvulling en verwijdering van gegevens wordt

schriftelijk ingediend, dan wel zo nodig in overleg met de cliŽnt door de

psycholoog op papier gesteld.

III.2.5.9 Bewaartermijn van een op naam gesteld dossier

De psycholoog bewaart na beŽindiging van de professionele relatie het op naam

gestelde dossier van de cliŽnt niet langer dan noodzakelijk is voor het doel

waarvoor het dossier is aangelegd.

III.2.5.10 Recht op vernietiging van het dossier

De psycholoog vernietigt het dossier op uitdrukkelijk schriftelijk verzoek van

de cliŽnt, tenzij de professionele relatie wordt uitgevoerd in opdracht van een

externe opdrachtgever die een door de wet toegekende bevoegdheid heeft

nakoming van de opdracht te eisen, en deze niet met vernietiging instemt.

Het verzoek om vernietiging wordt bewaard.

III.2.6 Gegevensverstrekking

III.2.6.1 Gegevensverstrekking aan derden

De psycholoog verstrekt uit het dossier uitsluitend die gegevens aan derden die

relevant zijn voor de legitieme vraagstelling van die derden en waarvoor de

cliŽnt vooraf gericht en schriftelijk toestemming heeft verleend.

III.2.6.2 Wettelijk verplichte gegevensverstrekking aan derden

Als de psycholoog op grond van een wettelijke bepaling verplicht is bepaalde

gegevens aan derden te verstrekken, is toestemming van de cliŽnt niet nodig.

Indien de derde meewerkt aan de professionele relatie is toestemming van de

cliŽnt niet nodig.

De cliŽnt wordt van de gegevensverstrekking op de hoogte gesteld.

III.2.6.3 Gegevensverstrekking in een interdisciplinair team

Als de psycholoog in het kader van zijn werk gegevens inbrengt in een interdisciplinair

team, waarvan de leden niet rechtstreeks meewerken aan de uitvoering

van de professionele relatie, dan is daarvoor toestemming van de cliŽnt nodig.

III.2.6.4 Gegevensverstrekking voor wetenschappelijk onderzoek en statistiek

Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en statistiek mag de psycholoog

desgevraagd aan een derde gegevens verstrekken. Deze gegevens dienen

geanonimiseerd te worden, tenzij dat gezien het doel van het wetenschappelijk

onderzoek niet mogelijk is. In dat geval kunnen de gegevens alleen met toestemming

van de cliŽnt worden verstrekt.

25

III.2.6.5 Gebruik van gegevens voor wetenschappelijke publicaties, supervisie, etc

Voor wetenschappelijke publicaties of voor onderwijsdoeleinden, supervisie en

intervisie, mag de psycholoog uitsluitend niet op de persoon van de cliŽnt te herleiden

gegevens gebruiken. De combinatie van gegevens en beschreven omstandigheden

mag er niet toe kunnen leiden dat derden daarin de cliŽnt herkennen.

III.2.7 Rapportage

III.2.7.1 Schriftelijke rapportage

Een rapportage wordt schriftelijk uitgebracht, tenzij dat niet in overeenstemming

is met het doel van de opdracht en bij de aanvang van de opdracht wordt

afgesproken dat de rapportage mondeling wordt uitgebracht.

III.2.7.2 Gelegenheid tot inzage voorafgaand aan de rapportage

De psycholoog biedt de cliŽnt de gelegenheid tot inzage in de rapportage, voor

zover die op hemzelf betrekking heeft, voorafgaand aan het uitbrengen van de

rapportage aan derden. Als de rapportage feitelijk wordt uitgebracht verschaft

de psycholoog de cliŽnt desgewenst een afschrift, voorzover de rapportage op

hem betrekking heeft.

III.2.7.3 Mondelinge rapportage aan derden

Als de opdracht inhoudt dat de rapportage mondeling wordt uitgebracht,

wordt de inhoud met de cliŽnt besproken, voorafgaand aan het uitbrengen van

de rapportage aan derden.

III.2.7.4 Correctie, aanvulling of verwijdering van gegevens in de rapportage

Op verzoek van cliŽnt verbetert, vult aan of verwijdert de psycholoog die

gegevens in de rapportage waarvan deze aannemelijk maakt dat ze onjuist,

onvolledig of niet terzake doende zijn, gezien de doelstelling van de rapportage.

Het verzoek om correctie, aanvulling of verwijdering van gegevens in de

rapportage wordt schriftelijk ingediend, dan wel in overleg met de cliŽnt door

de psycholoog op papier gesteld.

III.2.7.5 Blokkeren van rapportage aan de externe opdrachtgever

De cliŽnt heeft in principe het recht rapportering aan de externe opdrachtgever

te blokkeren. De cliŽnt heeft geen recht rapportering aan de externe opdrachtgever

te blokkeren als deze een bevoegdheid heeft om rapportage te eisen, ontleend

aan een wettelijke regeling.

De psycholoog is verplicht de cliŽnt van te voren schriftelijk te wijzen op het

feit of hij in de huidige opdrachtrelatie al dan niet het recht heeft de rapportage

te blokkeren.

26

Als de cliŽnt niet het recht heeft de rapportage te blokkeren, dan stelt de psycholoog

hem in de gelegenheid eventuele bezwaren tegen de rapportage op

schrift te stellen en deze gelijktijdig met de rapportage naar de externe

opdrachtgever te sturen.

III.2.7.6 Inzage- en blokkeringsrecht bij rapportage van een cliŽntsysteem

Als er sprake is van een cliŽntsysteem, dan kunnen de personen die deel uitmaken

van dat cliŽntsysteem niet zonder meer een beroep doen op bovenstaande

bepalingen met betrekking tot inzage en blokkering van de rapportage, als het

doel van de rapportage en/of de vertrouwelijkheid ten opzichte van de anderen

zich daartegen verzetten.

III.2.7.7 Beperking tot relevante gegevens in rapportages en verklaringen

De psycholoog beperkt zich in rapportages en verklaringen tot het verstrekken

van slechts die gegevens die voor de beantwoording van de vraagstelling en het

doel van een opdracht van belang zijn, zulks in begrijpelijke en ondubbelzinnige

termen. Uit de rapportage of de verklaring moet duidelijk blijken wat de beperkingen

zijn van de uitspraken en de gronden waarop de uitspraken berusten.

III.2.7.8 Voorkomen van onbedoeld gebruik en misbruik van rapportages

De psycholoog treft maatregelen om te voorkomen dat zijn rapportages worden

gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn opgesteld. Daartoe dient in

de rapportage te worden vermeld dat deze van vertrouwelijke aard is. Tevens

wordt vermeld dat de conclusies alleen betrekking hebben op de aan de rapportage

ten grondslag liggende vraagstelling en niet zonder meer kunnen dienen

voor de beantwoording van andere vragen. Voorts wordt in de rapportage vermeld

na verloop van welke termijn de conclusies redelijkerwijs hun geldigheid

verloren kunnen hebben.

III.3 Deskundigheid

III.3.1 Ethisch bewustzijn

III.3.1.1 Beroepsuitoefening in overeenstemming met de beroepscode

De psycholoog is zich bewust van de ethische aspecten van zijn beroepsmatig

handelen en beoefent zijn professie in overeenstemming met de ‘Beroepscode

voor psychologen’.

III.3.1.2 Noodzaak van een voortdurende kritische reflectie

De psycholoog erkent de noodzaak van een voortdurende kritische reflectie op

zijn beroepsmatig handelen. Hij stelt zijn beroepsmatig handelen met enige

27

regelmaat in intervisieverband aan de orde. Hij volgt de ethische discussie binnen

zijn beroepsgroep.

III.3.1.3 Kennis van bijzondere wettelijke bepalingen

De psycholoog stelt zich op de hoogte van de bijzondere wettelijke bepalingen

die in zijn werkveld van toepassing zijn en handelt daarnaar.

III.3.2 Vakbekwaamheid

III.3.2.1 In stand houden van professionele deskundigheid

De psycholoog houdt zijn professionele deskundigheid in stand en ontwikkelt

deze in overeenstemming met de recente ontwikkelingen in de psychologie.

Hij volgt de voor hem relevante vakliteratuur en neemt deel aan relevante bijen

nascholingscursussen.

III.3.2.2 Gebruik van doeltreffende en doelmatige methoden

De psycholoog hanteert alleen die methoden die in het kader van de professionele

relatie doeltreffend en doelmatig zijn en geeft zich rekenschap van de

beperkingen van die methoden.

III.3.3 De grenzen van het beroepsmatig handelen

III.3.3.1 Professionele en persoonlijke beperkingen

De psycholoog onderkent zijn professionele en persoonlijke beperkingen en is

daar open over. Hij roept waar nodig deskundig advies en ondersteuning in, en

verwijst zo nodig door.

III.3.3.2 Grenzen van de eigen deskundigheid

De psycholoog neemt in zijn beroepsmatig handelen de grenzen van zijn deskundigheid

in acht en aanvaardt geen opdrachten waarvoor hij de deskundigheid

mist.

III.3.3.3 Kwalificatie

Hij hanteert alleen methoden waarvoor hij door opleiding, training en/of

ervaring is gekwalificeerd.

III.3.3.4 Relevantie en beperkingen van conclusies

De psycholoog geeft zich rekenschap van de relevantie en de beperkingen van

de conclusies die hij uit zijn bevindingen trekt en nuanceert die conclusies in

overeenstemming daarmee.

28

III.3.3.5 Professionele verantwoording van het beroepsmatig handelen

De psycholoog moet zijn beroepsmatig handelen kunnen verantwoorden in het

licht van de stand der wetenschap ten tijde van dat handelen, zoals deze uit de

vakliteratuur blijkt.

III.3.3.6 Dreigend verminderd vermogen tot verantwoorde beroepsuitoefening

De psycholoog onderkent in een vroeg stadium tekenen die wijzen op het

optreden van zodanige persoonlijke - psychische of fysieke - problemen dat zijn

beroepsmatig handelen negatief beÔnvloed dreigt te worden. Hij roept tijdig

deskundig advies en ondersteuning in om de problemen te voorkomen of te

verminderen.

III.3.3.7 Staken van het beroepsmatig handelen bij verminderd vermogen

De psycholoog staakt zijn beroepsmatig handelen als en voor zolang zijn

psychische, lichamelijke of oordeelkundige vermogens zodanig zijn of dreigen

te worden aangetast of verminderd, dat dit een verantwoorde beroepsuitoefening

in de weg staat.

III.4 Verantwoordelijkheid

III.4.1 De kwaliteit van het beroepsmatig handelen

III.4.1.1 Zorg voor kwaliteit

De psycholoog dient te zorgen voor een goede kwaliteit van zijn beroepsmatig

handelen.

III.4.1.2 Medeverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het team

De psycholoog draagt medeverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het

handelen van het team waarvan hij deel uitmaakt.

III.4.1.3 Adequate professionele en ethische normen

De psycholoog handelt in zijn beroepsuitoefening volgens adequate professionele

en ethische normen.

Hij handelt naar aanvaarde wetenschappelijke inzichten. Hij draagt naar vermogen

bij aan het ontwikkelen van dergelijke normen en standaarden in zijn

vakgebied.

29

III.4.2 Verantwoording

III.4.2.1 Afleggen van verantwoording

De psycholoog houdt van zijn professionele activiteiten op zodanige wijze aantekening

dat hij in staat is van zijn handelwijze verantwoording af te leggen aan

cliŽnten, vakgenoten en tuchtcolleges.

III.4.2.2 Medewerking aan behandeling van een klachtenprocedure

De psycholoog onttrekt zich niet aan de behandeling van een klachtenprocedure

als die tegen hem wordt ingesteld. Hij zal naar beste weten de vragen van de

Colleges beantwoorden en aan hun verzoeken voldoen.

III.4.3 Voorkomen van schade

III.4.3.1 Negatieve ervaringen

De psycholoog stelt de betrokkene met wie hij in direct contact treedt niet aan

negatieve ervaringen bloot tenzij dat noodzakelijk is voor het bereiken van het

doel van zijn beroepsmatig handelen en het de enige manier is waarop dat doel

kan worden bereikt. In dat geval tracht hij zoveel mogelijk de gevolgen van de

negatieve ervaringen voor de betrokkene te beperken of te neutraliseren.

III.4.3.2 Ingrijpende indirecte effecten van het beroepsmatig handelen

De psycholoog realiseert zich dat behalve de directe effecten van zijn beroepsmatig

handelen, ook ingrijpende indirecte effecten kunnen voordoen. Als zulks

zich voordoet handelt hij analoog aan bovenstaande bepaling.

III.4.4 Voorkomen van misbruik

III.4.4.1 Voorkomen van misbruik van resultaten

De psycholoog zorgt ervoor, voor zover dat in zijn mogelijkheden ligt, dat geen

misbruik wordt gemaakt van de resultaten van zijn beroepsmatig handelen.

III.4.5 ContinuÔteit van het beroepsmatig handelen

III.4.5.1 ContinuÔteit van de professionele relatie

De psycholoog is verantwoordelijk voor de continuÔteit van de professionele

relatie. Indien nodig schakelt hij daarbij andere deskundigen in.

Als de psycholoog om welke reden dan ook genoodzaakt is een professionele

relatie voortijdig af te breken, zorgt hij er voor dat deze door een deskundige

vakgenoot kan worden voortgezet en is hij verantwoordelijk voor een adequate

overdracht.

30

III.4.5.2 Verantwoordelijkheid voortvloeiend uit de professionele relatie

De psycholoog geeft zich rekenschap van het feit dat na de formele beŽindiging

van de professionele relatie zijn professionele verantwoordelijkheid ten opzichte

van de betrokkene blijft bestaan waar deze rechtstreeks voortvloeit uit de voorafgaande

professionele relatie.

III.4.5.3 Verantwoordelijkheid voor waarneming bij onvoorziene absentie

De psycholoog treft maatregelen om zich er van te verzekeren dat bij een

plotselinge, onvoorziene tijdelijke of blijvende absentie zijnerzijds, een of meer

vakgenoten zijn professionele werkzaamheden overnemen dan wel afronden.

III.4.6 De psycholoog en zijn werkomgeving

III.4.6.1 Verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van ondergeschikten

De psycholoog draagt verantwoordelijkheid voor de professionele en ethische

kwaliteit van degenen die onder zijn leiding meewerken aan de uitvoering van

zijn opdrachten. Als zij uit hun beroep of functie niet aan eigen beroepsethische

regels zijn onderworpen, wijst hij hen op de afgeleide verplichtingen

uit deze beroepscode, in het bijzonder op de geheimhoudingsverplichting.

Hij vergewist zich van de professionele en ethische kwaliteit van degenen die

hij bij zijn beroepsmatig handelen anderszins inschakelt.

III.4.6.2 Vrijheid om te kunnen handelen conform de beroepscode

De psycholoog zorgt er voor dat, voor zover relevant, een ieder in de omgeving

waar hij zijn beroepsmatig handelen uitoefent, op de hoogte is van de eisen die

de ‘Beroepscode voor psychologen’ aan hem stelt en verzekert zich van de nodige

vrijheid om te kunnen handelen naar die eisen.

III.4.6.3 Hulp en steun aan collega’s, studenten en supervisanten

De psycholoog verzekert zijn collega’s, studenten en supervisanten van de hulp

en steun die hij krachtens zijn deskundigheid en ervaring kan bieden, om hen

in staat te stellen tot professioneel en ethisch verantwoorde beroepsuitoefening.

Hij onthoudt zich van gedragingen die hen daarin kunnen schaden.

III.4.6.4 Collegiaal appŤl

De psycholoog spreekt collega’s er op aan als hij meent dat deze in strijd met de bepalingen

van de beroepscode hebben gehandeld. Als blijkt dat een aangesproken collega

niet bereid is zijn handelen te verantwoorden in een collegiaal dispuut, dan wel volhardt

in het vermeende ethisch onjuiste handelen, dient de psycholoog een klacht

in bij de daartoe meest gerede instantie, indien de ernst van de overtreding daartoe

aanleiding geeft. Hij stelt de collega van het indienen van de klacht op de hoogte.

31

 

Deel 2

Reglement voor het Toezicht

Korte informatie over de klachtenprocedure 34

Reglement voor het Toezicht 35

1. Algemene Bepalingen 35

2. Klacht in eerste aanleg 38

3. Hoger beroep 43

33

Korte informatie over de klachtenprocedure

Het NIP, de beroepsvereniging van psychologen, kent twee verenigingstuchtrechtelijke

instanties: het College van Toezicht en het College van Beroep.

Beide Colleges nemen een onafhankelijke positie in binnen het NIP.

Wanneer u van mening bent dat een psycholoog, aangesloten bij het NIP,

onjuist heeft gehandeld (in strijd met de NIP-ethiek), kunt u hierover een klacht

indienen bij het College van Toezicht. Het College van Toezicht zal naar aanleiding

van de klacht een uitspraak doen. In het geval uw klacht gegrond wordt

verklaard kan het College van Toezicht aan de psycholoog een maatregel opleggen.

De maatregel kan inhouden een waarschuwing, een berisping, een schorsing

van het lidmaatschap gedurende ten hoogste twee jaar of ontzetting uit het

lidmaatschap van de vereniging. Het behoort niet tot de mogelijkheden van het

College van Toezicht een psycholoog te ontslaan uit zijn dienstbetrekking, de

klager een schadevergoeding toe te kennen ten laste van de psycholoog of een

heronderzoek te gelasten.

Van de uitspraak van het College van Toezicht kunt u of de aangeklaagde

psycholoog in beroep gaan bij het College van Beroep. De maatregelen die het

College van Beroep in dat geval aan de psycholoog kan opleggen zijn dezelfde

als bovengenoemde.

De volledige informatie met betrekking tot de klachtprocedure vindt u in het

volgende hoofstuk. Vanzelfsprekend kunt u zich bij een klachtenprocedure

laten bijstaan door een vertrouwenspersoon of een jurist, die u ook behulpzaam

kan zijn bij de formulering van uw klacht.

Voor verdere informatie kunt u zich wenden tot het NIP-bureau.

34

Reglement voor het Toezicht

Als bedoeld in artikel 25 van de Statuten van de Vereniging ‘Nederlands

Instituut van Psychologen’ (NIP)

1. Algemene Bepalingen

1.1 Taak van het College van Toezicht en het College van Beroep

1.1.1

De taken van het College van Toezicht en - in beroep - die van het College van

Beroep bestaan uit het behandelen van ontvangen klachten ten aanzien van

leden en buitengewone leden van de vereniging, het naar aanleiding daarvan

toetsen van de gedragingen van die leden en buitengewone leden aan de vastgestelde

regels voor de beroepsuitoefening als in artikel 3 sub g van de Statuten

van de vereniging bedoeld, het beslissen omtrent het opleggen van disciplinaire

maatregelen aan de hand van de uitkomst van de toetsing, alsmede het beslissen

omtrent vervallen verklaren van het lidmaatschap van leden bedoeld in artikel

4 sub 1, van de Statuten op de gronden in artikel 11, sub 4, van de Statuten

van de vereniging vermeld.

1.1.2

Indien het Hoofdbestuur van mening is dat naar aanleiding van een bepaalde

probleemstelling een uitspraak in het belang van de Beroepsethiek voor psychologen

gewenst is, kan het Hoofdbestuur een beslissing terzake van het College

van Beroep uitlokken. Het College van Beroep geeft in eerste en laatste instantie

een beslissing; een zodanige beslissing brengt aan geen der in de probleemstelling

betrokken psychologen enig nadeel toe.

1.2 Samenstelling en wijze van benoeming der Colleges

1.2.1

Het College van Toezicht bestaat uit een door het Hoofdbestuur vast te stellen

aantal leden dat minimaal negen dient te zijn. Met uitzondering van de voorzitter,

de plaatsvervangend voorzitter(s) en de secretaris(sen), die tenminste de

hoedanigheid van meester in de rechten dienen te bezitten, zijn de leden lid

van de vereniging.

35

1.2.2

De leden van het College van Toezicht worden benoemd door de ledenvergadering

van de vereniging. Met uitzondering van de voorzitter, de plaatsvervangend

voorzitter(s) en de secretaris(sen) worden zij benoemd voor de tijd van vier jaar,

welke termijn maximaal twee maal verlengd kan worden. De termijn wordt

niet verlengd indien het lid vier jaar of langer niet meer als psycholoog werkzaam

is, dan wel indien er binnen het College van Toezicht ernstige bezwaren tegen

diens functioneren bestaan.

1.2.3

De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter(s) en de secretaris(sen) worden

door de ledenvergadering van de vereniging in die functies benoemd.

1.2.4

Tenminste ťťn maand voor de ledenvergadering waarin een of meer leden van

het College van Toezicht zullen worden benoemd, doet het Hoofdbestuur aan

de leden een schriftelijke voordracht toekomen, vermeldende tenminste de naam

van ťťn kandidaat voor elke vacature.

1.2.5

Tot acht dagen voor de ledenvergadering waarin de benoeming zal plaatsvinden,

kan een voordracht door de leden worden aangevuld. Deze aanvulling dient

schriftelijk te worden ingediend door tenminste drie leden van de vereniging,

waarbij een verklaring van de door hen gestelde kandidaat of kandidaten dient

te worden gevoegd, dat in de kandidaatstelling wordt bewilligd.

1.2.6

Het Hoofdbestuur doet onverwijld aan de leden van de vereniging schriftelijk

opgave van de gestelde tegenkandidaten.

1.2.7

Het lidmaatschap van het College van Toezicht is onverenigbaar met het lidmaatschap

van het Hoofdbestuur, van het College van Beroep, van de Raad van

Advies in Beroepsethische Zaken en van de besturen van de Sectoren en Secties

der vereniging.

1.2.8

Het Hoofdbestuur doet onverwijld aan de leden van de vereniging schriftelijk

opgave van de gestelde tegenkandidaten.

36

1.2.9

Het College van Toezicht kan uit zijn midden een of meer kamers samenstellen.

1.2.10

Een kamer van het College van Toezicht bestaat uit minimaal drie leden van

dit College.

1.2.11

Een kamer wordt voorgezeten door de voorzitter of een plaatsvervangend

voorzitter.

1.2.12

1. Het Hoofdbestuur kan teneinde een secretaris van het College van Toezicht

in diens ambtsbezigheden bij te staan, respectievelijk te vervangen, op voordracht

van het College een of meer adjunct-secretaris(sen), geen lid zijnde

van de vereniging, aanstellen.

2. Een adjunct-secretaris van het College van Toezicht dient de hoedanigheid

van meester in de rechten te bezitten.

3. Een adjunct-secretaris woont, tenzij de voorzitter anders bepaalt, de zittingen

van het College van Toezicht, ook die in de raadkamer, bij: hij heeft

terzake van de beslissingen geen stem.

1.2.13

Het College van Beroep bestaat uit een door het Hoofdbestuur vast te stellen

aantal leden dat minimaal zeven dient te zijn. Met uitzondering van de voorzitter,

de plaatsvervangend voorzitter(s) en de secretaris, die de hoedanigheid van

meester in de rechten dienen te bezitten, zijn de leden lid van de vereniging.

Op het College van Beroep zijn voor wat de benoeming, zittingsperiode, en

kandidaatstelling der leden betreft, voor zover mogelijk, de artikelen 1.2.2 t/m

1.2.6 van dit reglement van overeenkomstige toepassing.

Het lidmaatschap van het College van Beroep is onverenigbaar met het lidmaatschap

van: het Hoofdbestuur van de vereniging, het College van Toezicht,

de Raad van Advies in Beroepsethische Zaken en van de besturen van Sectoren

en Secties der vereniging.

1.2.14

1. Het Hoofdbestuur kan teneinde de secretaris van het College van Beroep in

diens ambtsbezigheden bij te staan, respectievelijk te vervangen, op voordracht

van het College een of meer adjunct-secretaris(sen), geen lid zijnde van de

vereniging, aanstellen.

37

2. Een adjunct-secretaris van het College van Beroep dient de hoedanigheid

van meester in de rechten te bezitten.

3. Een adjunct-secretaris woont, tenzij de voorzitter anders bepaalt, de zittingen

van het College van Beroep, ook die in de raadkamer, bij: hij heeft terzake

van de beslissingen geen stem.

1.2.15

De onkosten van de leden van de Colleges in de uitoefening van hun functie

gemaakt, worden door de vereniging vergoed.

2. Klacht in eerste aanleg

2.1 Indienen van een klacht

2.1.1

Klachten dienen schriftelijk per aangetekend schrijven te worden ingediend bij

de secretaris van het College van Toezicht. Het College van Toezicht kiest voor

het indienen van de klacht formeel domicilie op het NIP-bureau. Het College

van Toezicht kan gebruik maken van een postadres.

Het College van Toezicht bepaalt het aantal exemplaren van de klacht en eventuele

bijlagen, dat moet worden ingediend.

2.1.2

Het klachtschrift dient te bevatten:

a. naam, adres en woonplaats van de klager;

b. naam en woonplaats, dan wel werkadres, van de aangeklaagde;

c. de klacht en de gronden waar deze op berust.

2.1.3

Het College van Toezicht neemt geen klacht in behandeling als de klager daarbij

geen belang heeft, tenzij naar het oordeel van het College behandeling van de

klacht in het belang is van de psychologie of de psychologiebeoefening.

2.1.4

Het College van Toezicht neemt geen anonieme klachten in behandeling.

2.1.5

Het College van Toezicht neemt geen klacht in behandeling waarover het reeds

eerder uitspraak heeft gedaan.

38

2.1.6

Het College van Toezicht kan indien de klacht kennelijk ongegrond, danwel van

onbeduidende aard is bepalen, dat deze niet in behandeling wordt genomen.

2.1.7

Indien een klacht in behandeling wordt genomen, doet de secretaris daarvan

mededeling aan de aangeklaagde en aan de klager.

Indien een klacht niet in behandeling wordt genomen, doet de secretaris daarvan

mededeling aan de indiener van de klacht. Van een beslissing bedoeld in artikel

2.1.6 doet de secretaris mededeling aan het Hoofdbestuur.

2.2 Vooronderzoek

2.2.1

Een of meer leden van het College van Toezicht kunnen door de voorzitter van

het College aangewezen worden teneinde een vooronderzoek in te stellen naar

aanleiding van de klacht.

2.2.2

De leden die het vooronderzoek hebben verricht kunnen niet meer aan de verdere

behandeling van de klacht deelnemen.

2.2.3

Het College van Toezicht is bevoegd de gronden waarop de klacht berust

ambtshalve aan te vullen.

2.3 Behandeling ter terechtzitting

2.3.1

De voorzitter kan een kamer aanwijzen die de klacht in behandeling zal nemen.

2.3.2

Aan de behandeling van een klacht wordt op straffe van nietigheid deelgenomen

door tenminste vier leden van het College van Toezicht.

2.3.3

Leden van het College van Toezicht zullen zich van het deelnemen aan de

behandeling van een klacht onthouden, indien zij behoren tot de bloed- en

aanverwanten in de rechte linie van de aangeklaagde of tot deze bestaan in de

zijlinie in de tweede graad van bloedverwantschap of zwagerschap, of zijn

39

gehuwd of gehuwd geweest met de aangeklaagde en in het algemeen indien

er naar hun oordeel onverenigbaarheid bestaat.

2.3.4

Een klacht tegen of ingediend door een lid van het College van Toezicht heeft

tot gevolg dat dit lid zich van de behandeling van de zaak dient te onthouden.

2.3.5

Het College van Toezicht stelt aangeklaagde in de gelegenheid schriftelijk op

het klachtschrift te reageren. Indien het verweerschrift van aangeklaagde daartoe

aanleiding geeft kan het College van Toezicht klager en aangeklaagde daarna

nog de gelegenheid geven schriftelijk van repliek, respectievelijk dupliek te dienen.

Het College van Toezicht bepaalt het aantal exemplaren van het verweerschrift,

de repliek, de dupliek en eventuele bijlagen, dat moet worden ingediend.

Alle door een partij ingediende relevante stukken worden in afschrift aan de

andere partij gezonden.

2.3.6

Indien het College van Toezicht na de wisseling van de in het vorige artikel

genoemde stukken van oordeel is dat de klacht mondelinge behandeling

behoeft of indien klager hetzij aangeklaagde de wens daartoe te kennen geeft,

roept het College van Toezicht zowel klager als aangeklaagde op ter zitting van

het College te verschijnen, om naar aanleiding van de klacht te worden gehoord.

Klager en aangeklaagde zijn bevoegd zich ter zitting door een raadsman te laten

bijstaan en/of zich door een wettelijk vertegenwoordiger of een bijzonder

gevolmachtigde te laten vertegenwoordigen. Klager, aangeklaagde en hun

respectieve raadslieden worden in de gelegenheid gesteld tijdig van alle op de

klacht betrekking hebbende gegevens kennis te nemen.

2.3.7

Indien klager en/of aangeklaagde zich ter zitting wil laten bijstaan danwel

vertegenwoordigen door een raadsman, dient hij dit uiterlijk drie weken voor

de vastgestelde zitting schriftelijk aan het College van Toezicht mede te delen

onder vermelding van naam en hoedanigheid van de raadsman. Indien een der

partijen een raadsman heeft aangemeld en de andere partij hiervan kennis

neemt op een moment, dat de termijn tot de zitting reeds minder is dan drie

weken, dan heeft de laatstgenoemde partij het recht alsnog onverwijld een

raadsman aan te melden aan het College van Toezicht.

40

2.3.8

Op verzoek van klager of aangeklaagde of ambtshalve kan het College van

Toezicht inlichtingen winnen en voor het verkrijgen van inlichtingen getuigen

en deskundigen horen. Leden van de vereniging zijn verplicht, indien zij worden

opgeroepen om als getuige of deskundige inlichtingen te verstrekken,ter zitting

van het College van Toezicht te verschijnen en de gevraagde inlichtingen te

verschaffen. Getuigen en deskundigen zullen zich kunnen verschonen, indien

zij behoren tot de bloed- en aanverwanten in de rechte linie van de aangeklaagde

of tot deze bestaan in de zijlinie in de tweede graad van bloedverwantschap

of zwagerschap of gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn met aangeklaagde.

Eveneens kunnen zij zich verschonen indien zij uit hoofde van hun stand, beroep

of betrekking tot geheimhouding zijn verplicht.

2.3.9

De zittingen van het College van Toezicht zijn als regel niet openbaar, tenzij

het College anders beslist. De leden van het College van Toezicht en de adjunctsecretaris(

sen) zijn gehouden tot geheimhouding van de door hen behandelde

zaken. De stukken op de behandeling van klachten betrekking hebbend, zijn

geheim en uitsluitend ter inzage van leden van het College van Toezicht en de

adjunct-secretaris(sen), voorzover in dit reglement niet anders is bepaald.

2.4 Maatregelen

2.4.1

Het College van Toezicht zal de volgende disciplinaire maatregelen kunnen

opleggen ten aanzien van leden bedoeld in artikel 4 sub 1 van de Statuten van

de vereniging in geval zij zich hebben gedragen in strijd met vastgestelde regels

voor de beroepsuitoefening, als in artikel 3 sub g van de Statuten bedoeld:

a. waarschuwing;

b. berisping;

c. schorsing in het lidmaatschap der vereniging gedurende ten hoogste twee

jaar op grond van het bepaalde in artikel 10 van de Statuten, al dan niet

gecombineerd met een van de maatregelen onder a. en b. genoemd;

d. ontzetting uit het lidmaatschap van de vereniging op grond van het bepaalde

in artikel 11 lid 4 van de Statuten.

2.4.2

Het College van Toezicht kan bij een beslissing voorts bepalen, dat de door hem uitgesproken

disciplinaire maatregel eerst zal ingaan indien de betrokkene zich voor

het einde van een bij de betreffende beslissing te bepalen proeftijd schuldig heeft

gemaakt aan een handeling, die tot een disciplinaire maatregel als vorenbedoeld

41

aanleiding zou kunnen geven, dan wel indien ťťn of meer bijzondere voorwaarden, die

door het College van Toezicht bij zijn beslissing zijn gesteld, niet zijn nagekomen.

2.4.3

Bij de beslissingen, houdende oplegging van een of meer maatregelen als in

artikel 2.4.1 omschreven, kan het College van Toezicht bepalen dat de

betreffende beslissing met gronden waarop zij berust alsmede met vermelding

van de naam van de aangeklaagde aan alle leden van de vereniging schriftelijk

worden medegedeeld, zulks onder vermelding van de vorm waarin genoemde

informatieverstrekking aan de leden geschiedt.

2.4.4

Het Hoofdbestuur van de vereniging draagt zorg voor de schriftelijke mededeling,

als bedoeld in artikel 2.4.3 van dit reglement.

2.4.5

Vervallenverklaring van het lidmaatschap der vereniging gaat eerst in en disciplinaire

maatregelen zijn eerst van kracht wanneer de termijn als bedoeld in artikel

3.1.1 is verstreken en binnen die termijn geen hoger beroep is ingesteld.

De schriftelijke mededeling, als in artikel 2.4.3 van dit reglement bedoeld, kan

niet geschieden voordat de desbetreffende beslissing onherroepelijk is geworden

in de zin van de eerste zin van dit artikel.

2.5 Uitspraak

2.5.1

De beslissingen van het College van Toezicht worden genomen met meerderheid

van stemmen en zijn met redenen omkleed. Bij het staken van de stemmen

beslist de voorzitter.

2.5.2

De secretaris van het College van Toezicht zendt per aangetekend schrijven van

een uitspraak van het College een afschrift aan:

a. de aangeklaagde;

b. de klager;

c. het Hoofdbestuur van de vereniging.

42

3. Hoger beroep

3.1 Algemene bepalingen

3.1.1

Bij het College van Beroep kan hoger beroep worden ingesteld van een uitspraak

van het College van Toezicht alsmede tegen een beslissing als bedoeld in artikel

2.1.6 door klager, aangeklaagde en het Hoofdbestuur der vereniging gedurende

twee maanden na de dag van verzending van het in artikel 2.5.2 bedoeld afschrift.

3.2 Indienen van het beroepschrift

3.2.1

Het hoger beroep wordt schriftelijk, per aangetekend schrijven, ingediend bij

secretaris van het College van Beroep. Het College van Beroep kiest voor het

indienen van de klacht formeel domicilie op het NIP-bureau. Het College van

Beroep kan gebruik maken van een postadres.

De secretaris van het College van Beroep geeft van het instellen van het hoger

beroep kennis aan het College van Toezicht, met uitnodiging tot toezending

aan het College van Beroep van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.

3.2.2

Het beroepsschrift bevat:

a. naam, adres en woonplaats van degene, die beroep aantekent;

b. kopie van de uitspraak van het College van Toezicht waartegen beroep

wordt aangetekend;

c. de gronden waar het beroep op berust.

3.3 Behandeling ter terechtzitting en uitspraak

3.3.1

De artikelen 2.2.3, 2.3.2 t/m 2.3.9 en 2.5.1. zijn van overeenkomstige toepassing

ten aanzien van de behandeling van het hoger beroep door het College van

Beroep.

Het College van Beroep kan het College van Toezicht uitnodigen nadere

inlichtingen te verschaffen.

3.3.2

Het College van Beroep kan in hoger beroep:

a. de uitspraak of de beslissing als bedoeld in artikel 2.1.6 van het College van Toezicht

bevestigen, al dan niet met verbetering van de gronden waarop deze steunt;

43

b. de uitspraak van het College van Toezicht wijzigen danwel vernietigen en

doen, wat ingevolge het bepaalde in artikel 2.4.1 t/m 2.4.3 van dit reglement

het College van Toezicht zou hebben kunnen doen.

c. de beslissing als bedoeld in artikel 2.1.6 vernietigen en de klacht ter behandeling

terugverwijzen naar het College van Toezicht.

3.3.3

De secretaris van het College van Beroep zendt van een uitspraak van het

College per aangetekend schrijven een afschrift aan:

a. de aangeklaagde;

b. de klager;

c. het Hoofdbestuur van de vereniging;

d. het College van Toezicht.

3.3.4

Het Hoofdbestuur van de vereniging draagt zorg voor de schriftelijke mededeling,

als bedoeld in artikel 2.4.3 van dit reglement.

4. Publicatie

4.1.1

De uitspraken van het College van Toezicht en het College van Beroep kunnen,

ter beoordeling en onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de vereniging,

geanonimiseerd worden gepubliceerd in het blad van de vereniging.

Aldus vastgesteld door de ledenvergadering op 18 november 1977, in werking

getreden op 1 juli 1978.

Gewijzigd door de ledenvergadering op 10 juni 1982, in werking getreden op

1 oktober 1982.

Gewijzigd door de ledenvergadering op 31 mei 1985, in werking getreden op

31 mei 1985.

Gewijzigd door de ledenvergadering op 24 juni 1988, in werking getreden op

24 juni 1988.

Gewijzigd door de ledenvergadering op 23 juni 1989, in werking getreden op

23 juni 1989.

Gewijzigd door de ledenvergadering op 29 oktober 1992, in werking getreden

op 29 oktober 1992.

Gewijzigd door de ledenvergadering op 24 oktober 1997, in werking getreden

op 24 oktober 1997.

Gewijzigd door de ledenvergadering op 26 juni 1998, in werking getreden op

1 november 1998.

44

Deel 3

Overige informatie

Samenstelling Raad van Advies in Beroepsethische Zaken,

College van Toezicht en College van Beroep 46

Het NIP 48

45

Samenstelling Raad van Advies in

Beroepsethische Zaken, College van Toezicht

en College van Beroep (per november 2000)

Raad van Advies in Beroepsethische Zaken

Drs. C.J. Koene, voorzitter

Mw.mr J.J. Bravenboer, secretaris

Drs. J.L.J. Deterd Oude Weme (sectie Psychologen in Academische Ziekenhuizen)

Mw.dr. S.M.J. van Hekken (sector Jeugd)

Dr. F.A.M.M. Koenraadt (sectie Forensische Psychologie)

Drs. J.E.E.A. Mulder (sector Arbeid & Organisatie)

Drs. K. Vegter (sectie Zorg voor mensen met een verstandelijke handicap)

Drs. R. van der Woude (sector Jeugd)

College van Toezicht

Mr J.P. Fokker, voorzitter

Mr J.A.J. Peeters, plaatsvervangend voorzitter

Mw.mr D.J. Markx, plaatsvervangend voorzitter

Mw.mr R.A. Hopster-Arendsen, plaatsvervangend voorzitter

Mw.mr T.A. Leenhouts-Strijker, secretaris

Mw.mr W.Th. Tideman, secretaris

Mw.drs. C.G.I. Asscher-Sonius, lid

Drs. S. Homminga, lid

Dr. K.A. Soudijn, lid

Drs. M.E.H. Tillema, lid

Mw.drs. B.M. Vermeulen-Ter Mors, lid

Drs. Th. K. Westerduin, lid

Mw. drs. J.H. Wippoo, lid

College van Beroep

Mr C.J.G. Bleichrodt, voorzitter

Mr H.F.M. Hofhuis, plaatvervangend voorzitter

Mr drs. F.J. van Woerden, secretaris

Prof.dr. J. van den Bout, lid

Drs. P.M. de Groot, lid

Prof.dr. G. Lang, lid

Drs. W.I. Lucassen, lid

46

Drs. L.J.M. Timmermans, lid

Drs. J. Verdam, lid

Mw.drs. M.E. de Weerdt, lid

47

Het NIP

Algemeen

Het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) is de landelijke beroepsvereniging

van psychologen. De organisatie waarin degenen die beroepsmatig de

psychologie beoefenen zijn verenigd (ruim 8500 leden). De vereniging werd op

26 september 1938 opgericht onder de naam: Nederlandsch Instituut van

Praktizeerende Psychologen (NIPP). Sinds 1968 draagt zij de naam Nederlands

Instituut van Psychologen.

De vereniging stelt zich ten doel de beoefening van de psychologie te bevorderen

en daarbij zowel in maatschappelijke als in wetenschappelijke zin de

beroepsbelangen van de gekwalificeerde psychologen te dienen.

Lidmaatschap

Tot het gewoon lidmaatschap van de vereniging kunnen slechts worden toegelaten

personen die:

1. a. aan een universiteit binnen het Koninkrijk het doctoraalexamen

psychologie of:

b. een daaraan gelijkwaardig examen aan een buitenlandse universiteit,

en die:

2. een schriftelijke verklaring volgens vastgesteld model ter uitvoering van het

gestelde in artikel 3 sub g van de statuten naar waarheid ingevuld en ondertekend

bij het hoofdbestuur hebben ingediend.

Als student-lid der vereniging wordt toegelaten degene die:

1. ingeschreven staan als student aan een door de Nederlandse overheid erkende

universiteit in de studierichting psychologie en zich voorbereiden op het

doctoraalexamen psychologie en

2. de NIP-beroepsethiek onderschrijft.

Titelbescherming

Degene die het doctoraalexamen in de psychologie heeft behaald, is gerechtigd

de titel doctorandus te voeren. Vanaf januari 1994 kent het NIP een regeling

voor de toekenning van de titel PSYCHOLOOG NIP. Informatie hierover is te verkrijgen

bij het NIP-bureau.

48

NIP-activiteiten

Kwaliteitsbewaking

• bescherming titel PSYCHOLOOG NIP

• registratie als klinisch psycholoog

• basisaantekening psychodiagnostiek (per 1 januari 1994)

• actie tegen beunhazerij

• beroepsethiek en klachteninstantie

Professionele ondersteuning

• advies bij beroepsethische vragen

• informatie en advies over computergebruik

• ondersteuning bij testconstructie en testgebruik

• ondersteuning door psychologisch-pedagogisch assistent met het

LOI-diploma

Belangenbehartiging

• juridische adviezen

• salarisrichtlijnen

• individuele rechtsbijstand

• collectieve belangenbehartiging (fusies, ondernemingsraden)

• semi-collectieve belangenbehartiging (CAO’s, functiewaardering, politieke

lobby)

Werkgelegenheid

• sollicitatiecursussen

• meer kans op werk door de NIP-registraties

• discussiebijdragen in De Psycholoog

• ontwikkeling van nieuwe werkvelden

• werkgelegenheidsconferenties

Bijeenkomsten

• het tweejaarlijkse Nederlands Psychologencongres

• conferenties

• studie- en themadagen

• bedrijfs- en instellingsbezoeken

49

• lezingen, workshops, cursussen

• contacten met collega’s

Publicaties

• het vak- en verenigingsblad De Psycholoog

• het kwartaalblad Psychologie en Computers

• de Documentatie van Tests en Testresearch en de losbladige aanvullingen

• de reeks ‘Publicaties van het NIP’

• de Beroepsethiek voor psychologen

• informatieve folders, brochures, pockets, boeken

Voorlichting

• aan psychologen

• aan het publiek

• aan organisaties

• aan de pers

50

Deel 4

Index bij deel 1 Beroepscode

Trefwoord Artikel

Aangaan van de professionele III.1.1.2; III.1.3.9;

relatie III.2.3.1; III.2.3.2; III.2.3.3

Aanvaarden van opdrachten III.1.1.2; III.1.1.5

III.1.2.5; III.1.3.3

Aanvang van de professionele III.1.1.2; III.2.3.3

relatie

Aanvulling op gegevens III.2.5.8; III.2.7.4

Absentie; - waarneming bij III.4.5.3

onvoorziene

Afgeleide verplichtingen III.4.6.1

Afschrift III.2.3.4; III.2.5.4;

III.2.5.7; III.2.7.2

Afwijken van de beroepscode I.1.4.1; I.1.4.2; I.1.4.4

Algemeen respect III.2.1

Algemene bepaling I.1.3

Algemene voorwaarden III.1.2.5

Alternatieve theorieŽn; - verklaringen III.1.2.6

Anderen ➝ derden III.2.3.4; III.2.4.2;

III.2.6.1; III.2.6.2;

III.2.6.4; III.2.6.5;

III.2.7.2; III.2.7.3

Autonomie en zelfbeschikking II.1.1.2; III.2.2

BeŽindiging van de III.1.1.3; III.1.3.8; III.2.4.1;

professionele relatie III.2.5.9; III.4.5.2

Begin van de professionele I.1.4.5; III.1.1.2; III.1.2.5;

relatie III.2.2.1

Begrippen; - definities van I.1.2

Belangen I.1.2.2; I.1.4.2.; I.1.5.1;

I.1.2; I.1.5.3; I.1.5.4;

III.1.3.2; III.1.3.4;

III.1.3.5; III.1.3.8

- afweging I.1.4.2

- verstrengeling III.1.3.5

51

➝ = zie (ook)

Beperkingen; professionele en III.3.3.1

persoonlijke

methoden; III.2.3.4; III.2.7.7;

resultaten, III.3.2.2; III.3.3.4

uitspraken

zelfbeschikking III.2.2.2

van de cliŽnt

Beroepscode; afwijking van I.1.4.1; I.1.4.2; I.1.4.4

Beroepsethisch(e); - dilemma Preambule; I.1.4.1; I.1.4.2

- toetsing Preambule; III.4.2.1;

III.4.2.2; III.4.6.4

Beroepsmatig handelen II.4; III.1.1.5; III.1.2.1;

III.1.3.5; III.2.1.2;

III.2.2.1; III.2.3.4;

III.2.4.1; III.3.1.1;

III.3.1.2.; III.3.3

- toetsing van III.3.5; III.4.2.1; III.4.2.2

Betrokkene I.1.2.2

Betrouwbaarheid III.1.1

Bewaren I.1.2.8; I.1.2.10; III.2.4;

III.2.5.3; III.2.5.5;

III.2.5.9;III.2.5.10

- van een op naam III.2.5.9

gesteld dossier

Bijzondere; - omstandigheden I.1.4

- wettelijke III.3.1.3

bepalingen

Blokkeren van rapportage III.2.3.4; III.2.7.5; III.2.7.6

Broer I.1.5.3

Bronvermelding III.1.2.7

CliŽnt I.1.2.4

CliŽntsysteem I.1.2.5; III.1.3.2; III.2.3.3;

III.2.5.3; III.2.7.6

- inzage- en III.2.7.6

blokkeringsrecht

Collega Preambule; I.1.2.2;

III.1.1.1;

III.4.6.3; III.4.6.4

Conclusies III.2.7.8; III.3.3.4

Consulteren van collega’s Preambule; I.1.4.1; I.1.4.2

52

ContinuÔteit; - van het beroeps- III.4.5

matig handelen

- van de profes- III.4.5.1

sionele relatie

Correctie van gegevens III.2.3.4; III.2.5.8; III.2.7.4

Curator I.1.2.7

Derden III.2.3.4; III.2.4.2;

III.2.6.1; III.2.6.2;

III.2.6.4; III.2.6.5;

III.2.7.2; III.2.7.3

Deskundige(n) I.1.4.2; III.2.5.6; III.3.3.6;

III.4.5.1

Deskundigheid II.1.1.3; III.1.2.2, III.3,

III.3.2.1; III.3.3.1;

III.3.3.2; III.4.6.3

Dilemma Preambule; I.1.4.1; I.1.4.2

Discriminatie III.2.1.3

Disfunctioneren III.3.3.6; III.3.3.7

Doel; - van het weten- III.2.6.4

schappelijk onderzoek

- van het beroeps- III.2.1.2; III.4.3.1

matig handelen

- van het dossier III.2.5.8; III.2.5.9

- van de profes- III.2.3.3; III.2.3.4; III.2.5.1

sionele relatie

- van de opdracht III.2.7.1; III.2.7.7

- van de rapportage III.2.7.4; III.2.7.6; III.2.7.8

Doeltreffende en doelmatige III.3.2.2

methoden

Doorbreken; - van de geheim- III.2.4.3; III.2.4.5; III.2.4.6

houding

- van de geheimhouding

bij gevaar III.2.4.3

Dossier I.1.2.8; III.2.5

- betreffende een III.2.5.3

cliŽntsysteem

- gegevens over III.2.5.2

andere personen

53

- onderdelen m.b.t. III.2.5.4

meerdere personen

➝ gegevens

Duidelijkheid II.1.1.1

Echtgenoot I.1.5.3

Eerlijkheid III.1.2

Ervaring III.1.2.3

- van de psycholoog II.1.1.3; III.1.2.3; III.3.3.3;

III.4.6.3

- van de cliŽnt III.2.1.1; III.4.3.1

Ethisch bewustzijn Inleiding; Preambule;

III.1.1.2; III.3.1; III.3.1.1;

III.3.1.2

Ethische discussie Inleiding, III.4.6.4

- en professionele Inleiding; III.4.1.3;

normen III.4.6.1

Externe opdrachtgever I.1.4.5; III.2.2.2; III.2.3.1;

III.2.3.3; III.2.4.2;

III.2.5.10; III.2.7.5

FinanciŽle voorwaarden III.1.2.5

Gegevens I.1.2.8; I.1.2.10; III.1.2.8;

III.2.3.4; III.2.4.1;

III.2.4.7; III.2.5; III.2.6.5;

III.2.7.4; III.2.7.7

- voor publicaties, III.2.6.5

supervisie, etc

Gegevensverstrekking III.2.5.7; III.2.6

- aan derden III.2.6.1; III.2.6.2

- in een interdisci- III.2.6.3

plinair team

- voor wetenschap- III.2.6.4

pelijk onderzoek

Geheimhouding ➝ vertrouwelijkheid III.2.4.1

- bij rapportage III.2.4.2

- doorbreken van III.2.4.3; III.2.4.5; III.2.4.6

- bij gevaar voor III.2.4.3

personen

- reikwijdte van het III.2.4.6

doorbreken van

54

Grenzen; - van de eigen II.1.1.3; III.3.3.2

deskundigheid

- van het beroeps- III.3.3

matig handelen

Hulp en steun aan collega’s, III.4.6.3

etc.

Indirecte effecten van het III.4.3.2

beroepsmatig handelen

Informatie; - en instemming III.2.3

- over het doorbreken III.2.4.4

van vertrouwelijkheid

- aan beide ouders I.1.5.2

- bij professionele III.2.3.6

activiteiten in

ruimere zin

- over alternatieve III.1.2.6

theorieŽn etc.

- over aanvaarden III.1.2.5

van opdrachten

- inhoud van de III.2.3.4

dezelfde

- voor opdrachtgever III.2.3.3

en cliŽnt

Instemming III.2.3; III.2.3.6

Integriteit II.1.1.1; III.1

Interdisciplinair team; - samenwerking III.2.6.3

Intervisie III.2.6.5; III.3.1.2

Inzage III.2.3.4; III.2.5.2; III.

2.5.3; III.2.5.4; III.2.7.2

- en afschrift van III.2.5.7

het dossier

- en blokkerings- III.2.5.3; III.2.7.6

recht bij cliŽntsysteem

- voorafgaand aan III.2.7.2

de rapportage

Kennis, inzicht en ervaring III.2.1.2

van betrokkene

Kind I.1.5.1; I.1.5.2.; I.1.5.3,

I.1.5.4

55

Klachtenprocedure; - medewerking aan ~ Preambule; III.4.2.3

Kritische reflectie III.3.1.2

Kwalificatie III.1.2.3 ; III.3.3.3

Kwaliteit Inleiding; Preambule; I.1.2.8

- van het beroeps- III.4.1.1; III.4.1.2

matig handelen

- van ondergeschikten III.4.6.1

Levensgezel I.1.5.3

Lichamelijke integriteit van III.2.1.2

betrokkene

Medeverantwoordelijkheid III.4.1.2

Meerderjarige wilsonbekwame I.1.5.3

cliŽnt

Meervoudige rollen; - vermijden van III.1.3.1

Mentor I.1.2.7

Methoden II.1.1.3; III.2.3.4; III.3.2.2;

III.3.3.3

Minderjarige cliŽnt I.1.5.1

Misbruik II.1.1.4; III.1.2.2; III.2.7.8;

III.4.4.1

- voorkomen van III.4.4

Misleiding III.1.2.1

Mondelinge rapportage III.2.7.3

aan derden

Negatieve ervaringen III.4.3.1

Non-discriminatie III.2.1.3

Onafhankelijkheid en III.1.1.5

objectiviteit

Onderwijs, onderwijs- II.1.1.1; III.2.6.5

doeleinden

Onderzoeksgegevens III.1.2.8

Ongerechtvaardigde III.1.2.4

verwachtingen

Onverenigbare; - code-artikelen I.1.4.1

- opdrachten III.1.3.3

- belangen; III.1.3.2

onderkennen van

Onvoorziene absentie; - onder- III.4.5.3

waarneming bij

56

Opleiding II.1.1.3; III.1.2.3; III.3.3.3

Ouders I.1.5.1; I.1.5.2.; I.1.5.3,

I.1.5.4

Overleg over de professionele III.2.3.5

relatie

Persoonlijke; - beperkingen III.3.3.1; III.3.3.6; III.3.3.7

- belangen III.1.3.5

- relatie met cliŽnten III.1.3.6; III.1.3.9

- relatie na het III.1.3.9

beŽindigen ...

Plagiaat III.1.2.7

Privacy ➝ vertrouwelijkheid

Procedure; klachten Inleiding; III.4.2.2

Professionele; - beperkingen II.1.1.3; III.3.3.1; III.3.3.6;

III.3.3.7

- deskundigheid III.3.2.1

- en ethische normen III.4.1.3

- relatie I.1.2.3

- doel van III.2.3.2; III.2.3.4;

III.2.3.5; III.2.5.1; III.3.2.2

- stadium van Inleiding; III.2.3.1

- begin van I.1.4.5; III.1.1.2; III.1.2.5;

III.2.2.1; III.4.5.2

- einde van III.1.1.3; III.1.3.8;

III.1.3.9; III.2.2.1;

III.2.4.1; III.2.5.9;

III.2.5.10; III.4.5.2

- wijzigingen in III.2.4.4; III.2.4.5; III.2.5.6

- verantwoording III.3.3.5

Psychische integriteit van III.2.1.2

betrokkene

Publicaties III.1.2.7

Rapportage III.2.7

Relevante; - gegevens III.1.2.8.; III.2.4.2;

III.2.5.1; III.2.6.1; III.2.7.7

- gegevens in rap- III.2.7.7

portages en

verklaringen

- conclusies III.3.3.4

57

Respect II.1.1.2; III.2

Rolintegriteit III.1.3

Rol, rolverwarring, Inleiding; II.1.1.1; III.1.3.1;

rolvermenging III.1.3.4

Samenhang van de code I.1.1.1

Schade; - voorkomen van III.4.3

Schriftelijke rapportage III.2.7.1

Seksuele; - gedragingen ten III.1.3.7

opzichte van de

cliŽnt

- relatie met de III.1.3.6 ; III.1.3.9

cliŽnt

Specifieke wettelijke regels I.1.4.4

Stadium van de professionele Inleiding

relatie

Statistiek III.2.6.4

Strijdigheid met de belangen I.1.5.4

van de cliŽnt

Studenten; - hulp en steun aan III.4.6.3

Supervisanten; - hulp en steun aan III.4.6.3

Supervisie III.2.6.5

Titels III.1.2.3

Toegang tot het dossier III.2.5.5

Toegankelijkheid van het III.2.5.6

dossier

Toestemming III.2.3.1; III.2.5.5;

III.2.5.7; III.2.6.1;

III.2.6.2; III.2.6.3; III.2.6.4

Toetsing van het beroepsmatig Preambule, III.4.2.1;

handelen III.4.2.2

Uitzonderingsbepalingen; - toepassen van I.1.4.3

Vakbekwaamheid III.3.2

Verantwoorde beroeps- Inleiding; III.3.3.6;

uitoefening III.3.3.7; III.4.6.3

Verantwoordelijkheid II.1.1.4 ; III.4

- na beŽindiging III.1.3.8 ; III.4.5.2

van de professionele

relatie

58

Verantwoording III.4.2

Verbetering van gegevens III.2.3.4; III.2.5.8; III.2.7.4

Vermelden van opleiding, III.1.2.3

kwalificaties, titels etc.

Vermengen van rollen III.1.3.4

vermijden

Verminderd vermogen tot III.3.3.6; III.3.3.7

beroepsuitoefening

Vernietiging van het dossier; III.2.5.9

- recht op III.2.5.10

Verschoningsrecht III.2.4.6

Vertegenwoordiging van de I.1.5

cliŽnt

Vertrouwelijkheid II.1.1.2; III.1.3.3; III.2.4;

III.2.5.2; III.2.5.3 ;

III.2.5.4; III.2.5.5; III.2.7.6

Vertrouwen in de psychologie III.1.1.1

Verwijdering van gegevens III.2.3.4; III.2.5.8; III.2.7.4

Voorkomen van misleiding III.1.2.1

Voortzetten van de III.1.1.2 ; III.2.3.1;

professionele relatie III.2.3.2

Voorwaarden, financiŽle en III.1.2.5

algemene

Vrijheid om te handelen III.4.6.2

conform de beroepscode

Waardigheid II.1.1.2; III.2.1.2

Waarneming bij onvoorziene III.4.5.3

absentie

Welingelicht aangaan van de III.2.3.2

professionele relatie

Werkomgeving; - de psycholoog en III.4.6

zijn

Werkzaamheden die strijdig III.1.1.4

zijn met de code

Wetenschappelijk(e); - onderzoek II.1.1.1.; III.1.2.7.; III.2.6.4;

III.2.6.5

- publicaties III.1.2.7; III.2.6.5

Wettelijk(e); - vertegenwoordiger I.1.2.7; I.1.5

- vereiste nakoming I.1.4.5

van de opdracht

59

- verplichte gegevens- III.2.6.2

verstrekking aan

derden

- bepalingen I.1.4.4; I.1.4.5

Wijzigingen in de III.2.4.4; III.2.4.5; III.2.5.6

professionele relatie

Wilsonbekwaam I.1.5; I.1.5.3

Zelfbeschikking, autonomie III.2.2.1; III.2.2.2

Zorgvuldigheid I.1.3.1

- in het verkrijgen III.1.2.8

van onderzoeksgegevens

60

Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)

Postadres

Postbus 9921

1006 AP Amsterdam

Tel (020) 410 62 22

Fax (020) 410 62 21

E-mail nipburo@wxs.nl

Internet www.psynip.nl

Bezoekadres

Osdorper Ban 27a

Amsterdam

 

 

 

Macht is recht.

101 Als de Staat een kind psychologisch wil onderzoeken dan KRIJSEN alle jeugdzorg medewerkers betrokken bij indicatiebesluiten voor GGZ behandeling in het rond dat de ouders uit het gezag zijn gezet. De rest van de BENDES in de papegaaienkooi "jeugdzorg" zoals kindertehuizen, scholen, psychologen, rechters enz. krijsen als papagaaien dezelfde LEUGENS in het rond. De psycholoog kan snel centjes verdienen aan een DOORGESTOKEN KAART RAPPORT en toeschrijven naar de gewenste jeugdzorg conclusie. De ouders zijn uit het gezag gezet en de voogd maakt de dienst uit dus moet er wel wat aan de hand zijn met dit kind voordat het onderzoek begint.

U bent gewaarschuwd!

J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo, redacteur websites Censuur in Nederland en Groep Hop

 

 

 

Gelukkig laat de samenwerking tussen de Bureaus Jeugzorg en de jeugd-GGZ-instellingen veel te wensen over. Vandaag 12 september 2006 trok de jeugdzorgINDUSTRIE hun PR-machine weer open nu niet met de vaste vraag om steeds meer geld maar met de vraag OM NOG MEER MACHT. De papagaaienkooi jeugdzorg wil nu ook alle jeugd-GGZ-instellingen onder hun controle (52) (397) (53) brengen. Een zeer gevaarlijke situatie voor ouders en hun kinderen! 

Huis-, tuin- en keukenlogica van Hop. Als een minderjarige gelijk bij de jeugd-GGZ terecht kan, die doen hun intake/onderzoek vanuit hun specialisme, welk rapport vervolgens de basis is voor behandeling in ieder vervolgtraject. Hoe vaak worden onderzoeken/behandeling van kinderen niet steeds opnieuw overgedaan om stelselmatig de wachtlijsten in stand te houden en steeds meer nieuwe onderzoeken en rapporten te kunnen blijven verkopen als voorbeeld van de weerzinwekkende jeugdzorg in Nederland? Hoe snel zullen wachtlijsten niet verdwijnen als onderzoeken niet steeds opnieuw overgedaan worden. Een minderjarige die al bijna een jaar opgesloten heeft gezeten in de JJI Hunnerberg vervolgens in de volgende JJI hetzelfde begintraject weer helemaal overnieuw moet doen als voorbeeld van pedagogisch onverantwoord handelen door Justitie onder toezicht van de jeugdzorg en de falende CDA Minister van Justitie Donner die kennelijk meer oog heeft voor het invoeren van de sharia in Nederland dan een einde te maken aan het steeds opnieuw doen van het begintraject in de volgende JJI waardoor MET OPZET STELSELMATIG wachtlijsten in stand worden gehouden!

Het is dus een goede zaak voor ouders en hun kinderen als de jeugd-GGZ-instellingen ONAFHANKELIJK BLIJVEN van de Bureaus Jeugdzorg. Gelukkig komt er van het streven om Bureaus Jeugzorg en de jeugd-GGZ-instellingen onder een loket te brengen nog niets terecht. Ik hoop natuurlijk ook dat er, in het belang van het kind, ook niets van terecht komt. Het traject voor een indicatiestelling bij Bureau Jeugdzorg deugt niet! Laat Bureau Jeugdzorg nu eerst even binnen hun eigen organisatie navolgbaar en transparant werken invoeren voordat ze buiten de deur gaan kijken wat daar weer mis is. Ik zou de aanbeveling willen doen onverwijld de jeugd-GGZ hun eigen intaketrajecten te laten doen. De kwaliteit van indicatiestellingen kan alleen maar verbeteren want slechter als het nu bij Bureau Jeugdzorg gebeurt kan het volgens mij niet.

De jeugdzorg is een puinhoop vertelde de Commissaris van de Koningin van Gelderland. Dat blijft ook zo want het is een puinhoop bij de jeugdzorg in Gelderland omdat ze niet eens in staat zijn om een indicatiestelling te maken in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De methodes die bij Bureau Jeugdzorg gebruikt worden om indicatiestellingen te fabriceren deugen niet. Ik pleit dus voor GEEN SAMENWERKING tussen jeugd-GGZ en Bureaus Jeugdzorg en ik hoop dat de jeugd-GGZ een eigen intaketraject zo snel mogelijk voor elkaar krijgen. De jeugd-GGZ moet ONAFHANKELIJK blijven van Bureau Jeugdzorg want de werkwijze en mentaliteit in de jeugdzorg deugt niet. Met de onmiddellijke invoering van een richtlijn voor een eigen intaketraject voor de jeugd-GGZ kunnen jongeren met psychiatrische problemen veel beter en veel sneller geholpen worden.

Voor de invoering van nieuwe wetgeving heb ik, J. Hop, een gesprek gehad op het CDA-hoofdkantoor in Den Haag met een CDA medewerker die zich bezig hield met nieuwe jeugdzorg wetgeving. Een van de gespreksonderwerpen was een duidelijke scheiding tussen GGZ en jeugdzorg. Ik (Hop) was voor die scheiding omdat ik denk dat het heel belangrijk is dat ouders en hun kinderen onafhankelijke "psychische hulp" kunnen krijgen zonder bemoeienis van "bureau jeugdzorg". Het is veel slimmer en praktischer een minderjarige direct toegang tot een psycholoog en psychiater te geven zonder de bemoeienis van "bureau jeugdzorg" Ik hoop dan ook dat ouders die zelf hulp zoeken voor hun kind op vrijwillige basis steeds rechtstreeks contact opnemen met een jeugdpsycholoog en in het intake gesprek gelijk afspreken dat er geen informatie wordt uitgewisseld over de minderjarige met een "bureau jeugdzorg". Op deze manier krijgt het betrokken kind gelijk de hulp die het nodig heeft en hoeven de ouders niet te vrezen voor de bemoeienis van "bureau jeugdzorg" met het gezin.

J. Hop, auteur website Censuur in Nederland

 

 

 

Wat een toeval? Op dezelfde dag komt het Ministerie van VWS met het onderstaande persbericht

3,4 miljoen euro voor onderzoek jonge kinderen

Nieuwsbericht, 12-9-2006

Staatssecretaris Ross betaalt 3,4 miljoen euro voor een nieuwe fase van het onderzoek Generation R. Daarmee worden tienduizend 5-jarige kinderen onderzocht op hun lichamelijke, psychische en motorische gesteldheid. Ross verwacht dat het onderzoek zeer veel nieuwe informatie zal opleveren voor het jeugd(gezondheids)beleid. Onderzoekers van het Erasmus MC en de Erasmus Universiteit Rotterdam volgen al vier jaar de ontwikkeling van de tienduizend kinderen onder de noemer Generation R. Ross vindt de samenstelling van de onderzoeksgroep een sterk punt. ‘In Generation R zijn kinderen uit vrijwel alle etnische groepen die we in Nederland kennen vertegenwoordigd. Daardoor weten we nu dat er tussen deze groepen grote verschillen bestaan in de groei, de ontwikkeling en de gezondheid.’ Omdat het onderzoek al enige jaren loopt, worden zo nu en dan nieuwe feiten bekend. Zo constateerden de Generation R-onderzoekers zeer onlangs een groot verschil in het gebruik van verloskundige zorg door moeders uit diverse landen. Surinaamse en Antilliaanse vrouwen melden zich bijvoorbeeld relatief laat in de zwangerschap aan bij een verloskundige. Dat kan grote gevolgen hebben voor de gezondheid van de aanstaande moeder en haar kind. Ook vermoeden de onderzoekers van Generation R een relatie tussen die late aanmelding bij een verloskundige en complicaties als een te laag geboortegewicht, te vroeg bevallen en babysterfte. In Rotterdam gaf Ross vandaag aan dat de overheid nog jarenlang voordeel kan hebben van de nieuwe inzichten die Generation R oplevert. ‘Dat is voor mij ťťn van de voornaamste drijfveren geweest om de tweede fase van dit project, Generation R at 5, financieel te ondersteunen met een bedrag van 3,4 miljoen euro.’ Het is onbegrijpelijk dat psychologen en psychiaters informatie over kinderen die zij in behandeling hebben doorgeven aan "bureau jeugdzorg" zolang deze industrie weigert navolgbaar en transparant te werken.

 

 

 

Jaarverslag 2005 Nederlands Instituut van Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen

Het Nederlands Instituut van Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen heeft in samenwerking met AON Verzekeringen, een wereldwijd opererende assurantiemakelaar, voor de leden een aansprakelijkheidsverzekering ontwikkeld, de NIP Beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Baneke: 'De kosten van beroepsfouten kunnen de continuÔteit van een onderneming in gevaar brengen. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering dekt de kosten van schade als gevolg van beroepsfouten.'

Geachte lezer,  

Welkom op 'nipjaarverslag', de site waarop het NIP, de beroepsvereniging van psychologen, zijn jaarverslag 2005 presenteert. Het jaar 2005 stond in het teken van vernieuwing binnen de vereniging. Ik ben verheugd u te kunnen melden dat in december 2005 is besloten de Algemene Ledenvergadering te vervangen door een Ledenraad. Op die manier zijn afgevaardigden van alle NIP-ledengroepen bij de besluitvorming betrokken, in plaats van een relatief klein aantal van de ruim twaalfduizend leden. In het jaarverslag veel aandacht voor de secties van het NIP. De secties en sectoren zijn afgelopen jaar hard bezig geweest nieuw beleid te ontwikkelen. In 2006 zullen de plannen verder worden uitgewerkt en hun beslag krijgen in diverse activiteiten.  

Ik hoop dat u het verslag met veel plezier leest,  

prof.dr. J.M. Pieters

voorzitter NIP  


1. Het NIP in 2005: na interne reorganisatie richt het NIP de blik naar buiten

'Slagvaardigheid is ons motto. Het navelstaren is voorbij'

Het jaar 2005 stond in het teken van besluiten nemen over de modernisering en een begin maken met een cultuuromslag in de vereniging. Het bestuur meende dat de groei van het aantal leden, in vijftien jaar tijd van drieduizend naar twaalfduizend, het professionaliseren van de vereniging nodig maakt. 'De werkwijzen, de onderlinge verhoudingen en de verantwoordelijkheden moesten duidelijk worden vastgelegd, zodat slagvaardig kan worden opgetreden, zowel intern als naar buiten toe,' aldus directeur Rein Baneke.  

De vereniging heeft knopen doorgehakt over de noodzakelijke wijzigingen die het NIP zou moeten doorvoeren om het professionele imago van de psycholoog uit te kunnen dragen. Baneke: 'Het heeft behoorlijk veel moeite gekost om de neuzen ten aanzien van de modernisering dezelfde kant op te krijgen. In 2005 is dat ons gelukt. We hebben helderheid gekregen waar het NIP voor gaat. In juni vorig jaar bijvoorbeeld is de missie van het NIP geformuleerd en vastgelegd.'

 

Missie NIP

Het NIP bevordert de wetenschappelijk gefundeerde professionele beoefening van de psychologie en behartigt de belangen van de aangesloten leden. Het doet dit zodanig dat het daarbij een bijdrage levert aan het welzijn van de mensen en de samenleving.  

In navolging van deze missie draagt de beroepsvereniging vier uitgangspunten hoog in het vaandel.

       Collectieve (politieke) belangenbehartiging voor de leden en de beroepsgroep, onder andere door zich strategisch te positioneren en onderhandelingen te voeren

       Bevordering en verbetering van de kwaliteit van de psychologie, het geven van een 'vakmatig' gezicht aan de aangesloten leden

       Individuele dienstverlening waar de leden van profiteren

       Maatschappelijke verantwoordelijkheid en relevantie bij het uitvoeren van de eerste drie onderdelen  

Dit 'klaverblad' is het uitgangspunt voor de beleidsvorming de komende jaren.

Baneke: 'Ik ben er als directeur het meest trots op dat er consensus is bereikt. Want dit betekent dat we vooruit kunnen en niet meer hoeven te navelstaren. Er kan meer aandacht worden geschonken aan het naar buiten treden, nu de interne hobbels zijn genomen.'  

In december vorig jaar werden door de Algemene Ledenvergadering, de ALV, de nieuwe statuten bekrachtigd. De vereniging werkt voortaan volgens het subsidiariteitprincipe. Baneke: 'Dit houdt in dat er minder schijven zijn waar alles doorheen moet, zodat de vier sectoren slagvaardiger kunnen optreden. De sectoren worden ondersteund door een geprofessionaliseerd bureau, dat bevoegdheden krijgt om sneller te kunnen optreden. Dus wat laag in de organisatie van het NIP kan worden afgehandeld, moet daar ook worden afgehandeld.'  

Het uitgangspunt is dat het Algemeen Bestuur zich niet bezighoudt met problemen die beter door de afzonderlijke secties of de sector kunnen worden opgelost. Het bestuur treedt alleen op als de doelstellingen van het gemeenschappelijke beleid niet voldoende op sectie- of sectorniveau, of beter op het hoogste niveau kunnen worden bereikt.  

Eveneens zijn in de statuten, die in 2005 zijn geaccordeerd, en het Huishoudelijk Reglement, dat in 2006 van kracht zal worden, de bevoegdheden van het bureau, de sectoren en het Algemeen Bestuur vastgelegd. Hierdoor kan men slagvaardiger optreden en is er ruimte om verantwoordelijkheid te nemen.

 

Verenigingsdemocratie

'De verenigingsdemocratie is in 2005 officieel hersteld,' meent Baneke, 'want met het instellen van de Ledenraad is het niet meer zo dat twaalfduizend leden worden vertegenwoordigd door mensen die "toevallig" op de Algemene Ledenvergadering aanwezig zijn. De leden kiezen zelf, vanuit de sector waar ze lid van zijn, hun afgevaardigden uit het sectorbestuur.'  

De Ledenraad is het hoogste orgaan van de vereniging en bestaat uit vertegenwoordigers van de sectorbesturen aangevuld met twee afgevaardigden voor de psychologiestudenten. De Ledenraad stelt het NIP-beleid vast, stelt de begroting en jaarrekening/contributie vast en benoemt het Algemeen Bestuur, inclusief de NIP-voorzitter.

 

1.1 Wat betekent de modernisering voor u als NIP-lid?

De modernisering was de afgelopen tijd natuurlijk vooral een bestuurlijke aangelegenheid, waarvan de 'ins & outs' eigenlijk alleen voor de kaderleden interessant zijn. Volgens Rein Baneke, directeur van het NIP, hoeft niet ieder lid precies te weten wat er bijvoorbeeld statutair veranderd is: 'Ik ben het meest blij als onze leden op hartstochtelijke wijze voor hun vak gaan. Dat een aantal van deze psychologen meewerkt aan het vormgeven van een professionele vereniging stemt mij tevreden. Het rekruteren van nieuwe bestuursleden die voor het behalen van praktische resultaten gaan, is de komende jaren een belangrijke taak voor ons.'

 

De beleidsuitgangspunten van de beroepsvereniging voor de komende jaren zijn:

       collectieve (politieke) belangenbehartiging voor de leden; onder andere door zich strategisch te positioneren en onderhandelingen te voeren

       bevordering en verbetering van de kwaliteit van de psychologie; het geven van een 'vakmatig' gezicht aan de aangesloten leden

       individuele dienstverlening aan de leden; zoals verzekeringen, rechtsbijstand, advies bij ethische vraagstukken

       maatschappelijke verantwoordelijkheid en relevantie bij het uitvoeren van de drie eerste onderdelen.

Belangenbehartiging

Het NIP legt zich al jaren toe op de collectieve en individuele belangenbehartiging. In 2005 werd vastgelegd dat het ťťn van de uitgangspunten van onze beroepsvereniging is. Wat is het doel de komende jaren?

 

Baneke: 'Een belangrijk onderdeel van de behartiging van de belangen van onze leden zijn de cao-onderhandelingen. Daarbij wordt meestal gefocust op de salarisverhogingen. Maar de positionering van de psycholoog ten opzichte van de werkgever en collega's, ik noem managers en bijvoorbeeld psychiaters, blijft bij de onderhandelingen soms onderbelicht. De positie van de psycholoog binnen een team als professionele zelfstandige moet worden benadrukt door goede functiebeschrijvingen en de adequate waardering hiervan. Dat is wellicht nog wel belangrijker dan een extra procent salarisverhoging.'

Kwaliteit

De tweejarige master van de studie psychologie blijft een belangrijk streven. In 2005 werden door het NIP gesprekken gevoerd met de staatssecretaris van Onderwijs, Rutte. De politiek raakt er steeds meer van overtuigd dat een verlenging van de masteropleiding gewenst en zelfs noodzakelijk is. Zeker gezien de eis van een tweejarige master bij de inrichting van het Europees Diploma door de EFPA, de European Federation of Psychologists' Associations.

 

Baneke: 'Het NIP heeft de druk vorig jaar opgevoerd en we lijken de politiek mee te krijgen. De bekostiging van de verlenging van de masteropleiding is echter het struikelpunt. In het verkiezingsjaar 2007 moet het NIP de kansen aangrijpen om de minister van FinanciŽn ook mee te krijgen.'

 

Dienstverlening

Het NIP heeft vorig jaar een collectieve verzekering en een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten. 'In het kader van de profilering van de psycholoog als professional is dit zeer belangrijk geweest', meent Baneke. 'Het getuigt, zeker in het contact met bijvoorbeeld zorgverzekeraars, van professionaliteit als je zulke verzekeringen hebt.'

Het NIP heeft in samenwerking met AON Verzekeringen, een wereldwijd opererende assurantiemakelaar, voor de leden een aansprakelijkheidsverzekering ontwikkeld, de NIP Beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Baneke: 'De kosten van beroepsfouten kunnen de continuÔteit van een onderneming in gevaar brengen. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering dekt de kosten van schade als gevolg van beroepsfouten.'

Via Ohra biedt het NIP een zorgverzekering met acht procent korting aan. Het gaat om een collectieve verzekering, waarbij ook familieleden kunnen profiteren van de aanbieding.

 

Maatschappelijke verantwoordelijkheid

'De modernisering heeft natuurlijk als belangrijke doelstelling gehad om niet alleen intern op bestuurs- en beleidsgebied een helder een eenduidig standpunt in te nemen', zegt Baneke. 'Het gaat ook om de manier waarop het NIP naar buiten treedt. Er wordt financieel ruimte gemaakt voor lobbyen ter faveure van de beroepsgroep. We richten meer de blik naar buiten toe. We moeten een krachtige speler in het veld worden en laten weten waar het NIP voor staat. In de politiek, bij collega's in de ggz, bij zorgverzekeraars, werkgevers en cliŽnten. Hierbij zijn contacten met de media natuurlijk onmisbaar. Externe profilering en transparantie krijgen nadrukkelijk de prioriteit de komende tijd. En dat is in 2005 besloten.'

2. Bestuurszaken

De activiteiten van het Hoofdbestuur van het NIP waren in 2005 vooral gericht op veranderingen in de vereniging zelf. Vanaf april 2005 werden besluiten genomen over drie belangrijke onderwerpen:

       de nieuwe NIP-verenigingsstructuur en de weerslag daarvan op de statuten

       de professionalisering van het NIP-bureau

       de invoering van een beleidscyclus.

 

Bestuur NIP 2005

Hoofdbestuur

dhr. prof.dr. H.G. Schmidt, voorzitter

dhr. prof.dr. J.M. Pieters, vice-voorzitter

dhr. prof.dr. H.T. van der Molen, past president

dhr. dr. F.A. Albersnagel, secretaris

dhr. dr. J.H. Kamphuis, penningmeester

dhr. drs. M.A. van Bronswijk, sector Arbeid & Organisatie

mw. drs. M.E.Th.A. CloÔn-Brouwers, sector Gezondheidszorg

mw. dr. A.M.L. Collot d'Escury-Koenigs, sector Jeugd

dhr. drs. C.J. Koene, Raad van Advies in Beroepsethische Zaken

dhr. drs. J. van der Pol, sector Gezondheidszorg

dhr. drs. H. Schutz, sector Gezondheidszorg

dhr. drs. J.M.H.P. Timmermans, Intersector

Algemeen Bestuur

(n.a.v. besluitvorming ALV 16 december 2005; geŽffectueerd per 1 januari 2006)

dhr. prof.dr. J.M. Pieters, voorzitter

dhr. prof.dr. H.T. van der Molen, past president

dhr. dr. F.A. Albersnagel, secretaris

dhr. dr. J.H. Kamphuis, penningmeester

mw. drs. M.E.Th.A. CloÔn-Brouwers

mw. dr. A.M.L. Collot d'Escury-Koenigs

dhr. drs. E. Hummelen

dhr. drs. C.J. Koene

dhr. drs. J. van der Pol

dhr. drs. H. Schutz

dhr. drs. J.M.H.P. Timmermans

 

De nieuwe statuten werden in straf tempo behandeld, allereerst door het Hoofdbestuur. De conceptstatuten zijn vervolgens op een extra kaderdag in augustus voorgelegd aan de diverse bestuursleden van het NIP. In september werd de definitieve vorm vastgesteld. Na publicatie in De Psycholoog konden de leden in december kennisnemen van de statuten.

 

Dicht bij de leden

In de statuten is het zogenaamde subsidiariteitsprincipe vastgelegd. Binnen de vereniging zullen zaken op een zo laag mogelijk niveau worden besloten. Dus zo dicht mogelijk bij de leden. Alleen als er sprake is van sectie- dan wel sectoroverstijgende belangen worden zaken op een hoger niveau behandeld. Een grote verandering ten opzichte van de oude statuten is het vervangen van de Algemene Ledenvergadering door een Ledenraad. De Algemene Ledenvergadering stemde op 16 december in met het voorstel tot statutenwijziging.  

Het Hoofdbestuur gaf aan dat de professionalisering van het bureau mede moest resulteren in een grotere invloed van de sectoren op de gang van zaken binnen het bureau. In de toekomst wordt het mogelijk een eigen sectorbureau op te richten als onderdeel van het totale bureau. Ook zullen de sectorsecretarissen deel gaan uitmaken van het managementteam. Het Hoofdbestuur heeft tevens gezocht naar mogelijkheden om de efficiency te vergroten.  

Het Dagelijks Bestuur, de formele werkgever van het bureau, heeft een adviesaanvrage over de nieuwe bureaustructuur voorgelegd aan de personeelsvertegenwoordiging (PVT). De PVT adviseerde hierover begin 2006. De invoering van de nieuwe bureaustructuur zal in 2006 plaatsvinden.

Aan de vormgeving van de zogenaamde 'planning & control'-structuur is in 2005 door de verschillende besturen veel tijd besteed. 'Geld volgt beleid' is daarbij het uitgangspunt. De uitwerking van deze structuur kwam te laat op gang om in 2006 al te worden toegepast. De uitgangspunten werden in 2005 wel vastgesteld, maar zullen pas in 2007 hun vruchten gaan afwerpen. In het jaar 2006 heeft het bestuur zichzelf een strak schema opgelegd om te komen tot beleidsplannen voor 2007.

 

Afscheid

In 2005 december vergaderden het Dagelijks Bestuur en het Hoofdbestuur van het NIP voor het laatst. De nieuwe statuten kennen enkel een Algemeen Bestuur. Op de laatste vergadering van het Dagelijks Bestuur nam voorzitter prof.dr. Henk Schmidt afscheid van het NIP. In 2006 zal nog worden teruggekomen op de periode waarin Schmidt het NIP leidde en op zijn verdiensten voor de vereniging.  

Het Hoofdbestuur behandelde in 2005 nog meer belangrijke zaken. Samen met een vertegenwoordiging van de opleidingsdirecteuren Psychologie van de tien faculteiten werd bij staatssecretaris Rutte gepleit voor de tweejarige algemene master in de psychologie. Deze pogingen krijgen in 2006 zeker nog een vervolg.

 

Tegen een hbo psychologie

Met de hbo-instellingen werd in 2005 overlegd over opleidingen in de psychologie. Het NIP is tegen hbo-opleidingen die suggereren dat zij gediplomeerde psychologen afleveren. Over andere benamingen valt te overleggen. Het NIP stelt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van deze zienswijze op de hoogte.  

Het bestuur gaf de kwaliteit van het testgebruik verder vorm door het instellen van een speciale website. Voor gebruikers van tests en voor het publiek is hier veel informatie te vinden die richtinggevend is voor het testgebruik. In een later stadium zullen ook de testbeoordelingen van de Commissie Testaangelegenheden Nederland van het NIP (Cotan) op de site verschijnen.  

Met behulp van Walvis Consulting is in 2005 gestart met de opzet van een accreditatiesysteem. Dit systeem moet het hele veld van de bij- en nascholing in de psychologie gaan omvatten. Zo ontstaat voor aanbieders van bij- en nascholing en voor cursisten een goed toegankelijk accreditatiesysteem. Het is de bedoeling via overleg met andere beroepsgroepen te bekijken of een alomvattend accreditatiesysteem voor de gedragswetenschappen mogelijk is. 


 3. Bureau

Op verzoek van het Dagelijks Bestuur van het NIP is in februari 2005 door Upstream Consulting een advies uitgebracht over een andere bureauopzet. Het Hoofdbestuur meende dat in het uitgebrachte advies de positie van de sectoren binnen de bureauorganisatie niet duidelijk genoeg was uitgewerkt. Tevens wilde het bestuur bekijken of het mogelijk was de efficiency te vergroten bij de verschillende afdelingen van het bureau. Hierover is extern bedrijfseconomisch advies ingewonnen. In het najaar 2005 stelde het Dagelijks Bestuur een voorgenomen besluit op, in overleg met de directeur-secretaris. De personeelsvertegenwoordiging (PVT) is gevraagd hierover advies uit te brengen, maar kon nog niet voor 31 december reageren.

Personele zaken

Begin 2005 verliet Meta Loman, stafmedewerker Kwaliteit, het bureau na een dienstverband van zestien jaar. Haar functie is in verband met de ontwikkelingen rondom de nieuwe bureauopzet voorlopig niet ingevuld. Marian Kraai, hoofd van de afdeling Registraties, nam in het voorjaar ontslag. Ook deze positie is voorlopig niet ingevuld. Dit heeft een flinke wissel getrokken op de activiteiten op het gebied van kwaliteit binnen het bureau. In de beleidsplanning voor 2007 zal kwaliteit weer ruimschoots aan bod komen.  

In november 2005 werd met een symposium over beroepethiek aandacht geschonken aan het vertrek van Joke Bravenboer, stafjurist voor beroepsethische zaken. Zestien jaar was zij een zeer betrokken medewerker op dit gebied. De totstandkoming van de nieuwe Beroepscode 1998 was een belangrijke mijlpaal in haar carriŤre bij het NIP.  

De plannen van het bestuur om de herstructurering van de vereniging ook tot uitdrukking te laten komen in een andere opzet en werkwijze van het bureau heeft in 2005 voor de nodige onrust gezorgd. Gedurende dat jaar heeft het bestuur, naast de directie, diverse malen toelichting op de plannen gegeven aan de medewerkers. Daarnaast is in juni 2005 tussen de personeelsvertegenwoordiging en het Dagelijks Bestuur een sociaal plan overeengekomen. In 2006 zal het plan tot herinrichting van het bureau zijn beslag krijgen.

NDC en Stichting Training en Scholing

Eind 2004 heeft het verenigingsbestuur besloten de testontwikkelingsactiviteiten van het NIP Dienstencentrum BV (NDC) af te bouwen. Deze activiteiten zijn voor een vereniging te risicovol. Door testontwikkelaar Jeroen de Wit werd met succes de bewerking van de DAT afgerond. Deze test kwam aan het eind van het jaar op de markt via Harcourt Test Services.  

De opleidingsactiviteiten van het NDC, waaronder de succesvolle mediation-opleidingen, zijn halverwege 2005 overgedragen aan de nieuwe Stichting Training en Scholing NIP. Deze stichting, waarvan het bestuur door het NIP wordt benoemd, heeft een goede start kunnen maken. De stichting gaat training en scholing verzorgen speciaal toegesneden op psychologen.  

Voor de verzekeringsportefeuille werd door het NDC met AON Group Programs samengewerkt. Deze samenwerking op het gebied van ziektekosten, arbeidsongeschiktheid, beroepsaansprakelijkheid en een autoverzekering is overgedragen aan het NIP zelf.  

De afwikkeling van de arbeidscontracten bij het NDC heeft in 2005 gezorgd voor een (voorlopig) negatief saldo. Hier staat nog een afrekening met Harcourt tegenover, die later gerealiseerd zal worden.


4. Service

Het bureau van het NIP is de operationele en professionele spil van de vereniging. Bij het bureau komen jaarlijks de meest uiteenlopende vragen binnen. De professionals van het NIP-bureau bedienen in de eerste plaats de leden en bestuursleden van de vereniging.

Leden benaderen het NIP voor informatie, maar ook voor een advies op maat, bijvoorbeeld over salarisonderhandelingen, postmasteropleidingen en -cursussen, zelfstandige vestiging, beroepsethische kwesties, of consultatie van een deskundige collega. Het bureau biedt kaderleden advies en ondersteuning bij de profilering van de psycholoog in een bepaald werkveld, beleidsontwikkeling, belangenbehartiging, contacten met de media, het organiseren van studiedagen en congressen, het uitvoeren van een registratieregeling of het versturen van een mailing.

Daarnaast behandelt het verenigingsbureau vragen van cliŽnten, andere beroeps- en belangenverenigingen, werkgevers, instellingen, maatschappelijke en politieke organisaties en de pers. Door ook derden van dienst te zijn, zet het bureau de psycholoog bij tal van doelgroepen op de kaart.

4.1 Communicatie

Het goed informeren van de leden is ťťn van de pijlers van de dienstverlening van het NIP. De website van het NIP www.psynip.nl vervult daarin een belangrijke functie. Dagelijks kunnen op de site nieuwe berichten worden geplaatst. Zo is de trouwe websitebezoeker altijd op de hoogte.  

Eind 2005 was de stand van bezoekers op de homepage van het NIP 166.180. Dat is een stijging van 28% ten opzichte van 2004. Het meest populair is de pagina met annonces. Het aantal bezoekers van deze pagina nadert de vierhonderd per dag.

E-nieuwsbrief

Ook de secties van het NIP gaan steeds meer over op digitale communicatie. Zij hebben reeds een eigen pagina op de NIP-website, maar kunnen nu ook de leden bedienen met een digitale nieuwsbrief. Secties kunnen deze e-nieuwsbrief op een eenvoudige manier zelf opstellen en verzenden. Een uitgebreide handleiding, ondersteuning vanuit het bureau en een online helpdesk maken dit werk nog gemakkelijker.

De Psycholoog

De redactie van De Psycholoog kijkt terug op een goedgevulde en gevarieerde veertigste jaargang van het maandblad. Het jaar 2005 werd geopend met een themanummer over het onbewuste, een actueel onderwerp in de psychologie dat een hedendaagse, niet-Freudiaanse invulling heeft gekregen. Een bijdrage over nieuwetijdskinderen in het meinummer vond ook weerklank elders in de pers.  

Op het vlak van de beroepsuitoefening leidde een artikel over de dynamische-theoriegestuurde profielinterpretatie tot een aantal relevante discussiebijdragen. Daaruit kwam naar voren dat de klinische blik en evidence-based-benaderingen nog steeds moeilijk met elkaar te verenigen zijn. Tot slot bleek het artikel over verantwoordelijkheden van psychologen in opleiding een belangrijke lacune op te vullen in de dagelijkse praktijk van veel instellingen. Goede kopij vanuit de sociale psychologie en vanuit de arbeids- en organisatiepsychologie ontbrak helaas in deze jaargang. De redactie gaat zich extra inspannen om dit in 2006 wel te realiseren.

Ondersteuning bij externe PR

De afdeling Voorlichting & PR heeft diverse NIP-groepen ondersteund bij hun externe contacten. Dat gebeurde onder andere in de vorm van het schrijven van of adviseren over strategische teksten, opiniestukken voor kranten en persberichten. Het ging om uiteenlopende onderwerpen, zoals oorlogstrauma's (persbericht), btw-vrijstelling voor psychologische diensten, mediation bij echtscheiding, indicatiestelling in het onderwijs (lobbyteksten), het NIP-Crisis Interventie Team (folder) en verstandelijk gehandicapten (opiniestuk).

Kenmerk van kwaliteit

Veel NIP-leden willen zichtbaar kunnen maken dat zij zijn aangesloten bij het NIP. De leden die het dienstmerk psycholoog nip mogen voeren, kunnen sinds 2005 het dienstmerk in een speciale schrijfwijze downloaden van de NIP-site en dit achter hun naam plaatsen. 

Signalen opgepakt

De afdeling Voorlichting & PR beantwoordde afgelopen jaar gemiddeld 45 vragen per dag, waarvan ongeveer vijfentwintig e-mails. In 2005 gingen opmerkelijk veel vragen van leden over het nieuwe zorgstelsel en de vergoeding van psychologische hulp, over werkgelegenheid en postmasteropleidingen en over zelfstandige vestiging.

Vanwege de belangstelling van leden voor zelfstandige vestiging zal de dienstverlening op dit vlak in 2006 worden uitgebouwd. Eind 2005 is een projectgroep ingesteld om de diverse producten van psychologen onder de aandacht van de zorgverzekeraars te brengen. Doel is zoveel mogelijk gekwalificeerde psychologen voor vergoeding van psychologische hulp in aanmerking te laten komen. Dit geldt voor de eerstelijnspsychologische hulp in de basisverzekering 2007 en de overige psychologische diensten in de aanvullende verzekering.  

De voorlichting aan studenten over postmastermogelijkheden wordt voortaan niet door de studenten zelf maar vanuit het bureau verzorgd. Op die manier kan een constante kwaliteit van de voorlichting worden gewaarborgd. De laatste ontwikkelingen zullen steeds in de presentaties worden verwerkt. Op de NIP-site is bovendien een dossier over postmasteropleidingen geplaatst.  

Ook het overige informatiemateriaal wordt geregeld aangepast aan de laatste ontwikkelingen. Een voorbeeld is de folder Het psychologisch onderzoek. Deze is in 2005 bijgesteld. De folder bevat nu meer informatie over hoe het psychologisch onderzoek in zijn werk gaat en hoe het op een verantwoorde manier wordt uitgevoerd.

4.2 Belangenbehartiging

Het NIP wil de leden van dienst zijn op het vlak van collectieve belangenbehartiging en individuele advisering. De meeste individuele vragen gaan over functiewaardering, het freelancecontract of de arbeidsovereenkomst en over inschaling bij salarisonderhandelingen. Omdat er steeds meer vragen worden gesteld over het voeren van een eigen praktijk, is het Hoofdbestuur geadviseerd de formatie hiervoor uit te breiden. Dit zal in 2006 worden gerealiseerd. Voor cliŽnten van zelfstandig gevestigde psychologen is de vergoeding van psychologische hulp door de zorgverzekeraar van groot belang. In 2005 zijn de voorbereidingen getroffen voor een project dat in 2006 van start gaat.  

Op de website van het NIP worden de leden geregeld geÔnformeerd over de lopende cao-onderhandelingen. De vereniging behartigt de collectieve belangen van de leden door bijvoorbeeld op te treden als partij bij cao's in de zorg, de jeugdzorg en het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Het NIP is aangesloten bij de Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg (FBZ). De FBZ onderhandelt, mede namens het NIP, over deze cao's en over sociale plannen bij reorganisaties.

Functiewaardering

Zowel het functiewaarderingssysteem voor de zorg (FWG 3.0) als dat voor de universitaire medische centra (Fuwavaz) is in 2005 geŽvalueerd. Deze evaluatie en de daaropvolgende voorgestelde wijzigingen van het systeem voor de eigen beroepsgroep is kritisch gevolgd. Het NIP heeft geprobeerd invloed uit te oefenen op de beschrijving van de nieuwe ijkfuncties en kaderteksten. Bij de FWG 3.0 is deze herijking nog niet afgerond. Bij de Fuwavaz heeft het NIP succes geboekt. Er is inmiddels een nieuwe ijkfunctie voor de gezondheidszorgpsycholoog gekomen die ťťn schaal hoger uitvalt dan voorheen.

4.3 Werk voor psychologen

Op de ranglijst van ziekteverzuim en wao-instroom staat verzuim om psychische redenen sinds enige jaren op nummer ťťn. Toch worden psychologen niet optimaal ingezet bij de behandeling en begeleiding van werknemers met psychische klachten. Mogelijke redenen zijn dat slechts weinig psychologen bij de behandeling expliciet rekening houden met het werk van hun cliŽnten. Daarnaast is het bedrijfsartsen, werkgevers, cliŽnten en zorgverzekeraars op dit moment niet voldoende duidelijk welke psychologen arbeidsgerelateerde problematiek op een werkgerichte wijze behandelen.  

Op initiatief van het NIP en de LVE, de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen, is in 2005 het project Werk voor psychologen gestart. Doel van het project is psychologen te stimuleren de factor arbeid vaker te betrekken in de behandeling en begeleiding van cliŽnten. Ook moet het project anderen meer inzicht geven in de kennis en kunde van psychologen op dit terrein. In 2005 zijn binnen het project de volgende producten ontwikkeld.

       Werk en psychische klachten: richtlijn voor psychologen
Deze richtlijn is een hulpmiddel voor psychologen voor een werkgerichte benadering. De richtlijn is op 24 januari 2006 op een introductieconferentie gepresenteerd aan de beroepsgroep en aan vertegenwoordigers van de werknemers- en werkgeversorganisaties. De richtlijn en bijbehorende toelichting zijn bij het NIP en de LVE te bestellen of te downloaden.

       Werk en psychische klachten: praktijkvoorbeelden als illustratie van werken volgens de richtlijn
Deze brochure is onder een groot aantal NIP-leden verspreid. De publicatie zal ook gebruikt worden om de maatschappelijke partners te informeren over de nieuwe richtlijn.

       Curriculum
De richtlijn gaat ook deel uitmaken van de scholing en training van psychologen. De Stichting Training en Scholing NIP biedt samen met de sector Arbeid & Organisatie cursussen aan rondom dit onderwerp.  

Voor dit project zijn diversie subsidies verworven. Stichting Instituut Gak (SIG) stelde geld beschikbaar voor het ontwikkelen van de richtlijn. De Nederlandse Stichting voor Psychotechniek (NSvP) bekostigde de ontwikkeling van het curriculum, en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunde het uitbrengen van de nieuwsbrieven en de brochure met praktijkvoorbeelden. Binnen het project is samengewerkt met de Commissie het Werkend Perspectief.

 

4.4 Testvoorlichting

De markt rondom psychologisch testgebruik is al enkele jaren volop in beweging. De dominante positie van psychologen is niet langer vanzelfsprekend. Daarom is besloten tot het ontwikkelen van een nieuwe website op het gebied van tests en testgebruik. Doel van de website is het ondersteunen van NIP-leden bij testgebruik en het informeren van het publiek en opdrachtgevers over dit onderwerp.

De testwebsite

In juni 2005 is onder de naam Testzaken een eerste versie van deze website voor gebruikers toegankelijk geworden. In 2006 wordt een redactie ingesteld met daarin onder andere vertegenwoordigers van de Commissie Testaangelegenheden Nederland van het NIP (Cotan) en de sectoren. Deze redactie zal de website Testzaken verder gaan vormgeven.  

De eerste grote uitbreiding van de website wordt een digitale versie van de Documentatie van tests en testresearch. In 2006 worden de welbekende naslagwerken over psychologische tests vervangen door een via de website te raadplegen database. Vanaf elke werkplek kan dan snel actuele informatie over psychologische instrumenten worden opgezocht.

 

4.5 Ethiek

De vraag van leden naar beroepsethisch advies is onveranderd groot gebleven. Er is vooral een grote toestroom van per e-mail gestelde vragen. Om vragen in de toekomst sneller af te kunnen handelen, is het afgelopen jaar op de pagina Beroepsethiek van de NIP-website een begin gemaakt met de rubriek Veel gestelde vragen. Bij de beantwoording van vragen zal zoveel mogelijk naar deze rubriek worden verwezen.  

Momenteel zijn op de website de antwoorden te lezen op allerhande vragen over het dossier. Een onderwerp dat zeker ook aan de orde zal komen, is de behandeling van minderjarigen en de positie van ouders met en zonder gezag. Een ander nog steeds actueel onderwerp is het beroepsgeheim. Dit onderwerp komt geregeld ter sprake in relatie tot jeugdzorg, AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling), politie en justitie.  

In de spreekuren beroepsethiek en belangenbehartiging blijkt dat de zelfstandige professionele rol van de psycholoog nog steeds onder druk staat. Dit speelt vooral in de gezondheidszorg, de jeugdzorg en het (speciaal) onderwijs. Vanuit beide invalshoeken proberen de medewerkers de leden zoveel mogelijk voorlichting en ondersteuning te bieden.

 

College van Toezicht

Bij het onafhankelijke College van Toezicht kan men een klacht indienen als men meent dat een NIP-lid niet volgens de Beroepscode van het NIP heeft gehandeld. In 2005 kwamen er 58 zaken binnen, waarvan enkele van meer klagers en enkele tegen twee psychologen. Om deze zaken af te ronden zijn daarom 64 uitspraken nodig. In 2005 zijn 54 zaken afgehandeld. Drie zaken zijn afgerond met een intrekking. De overige 51 zaken zijn mondeling dan wel schriftelijk behandeld.

 

Een terugblik

jaar

klachten in behandeling

klachten afgehandeld

2005

64 (tegen 62 psychologen)

54 (51 uitspraken, 3 intrekkingen)

2004

43 (van 39 klagers)

47 (39 uitspraken, 8 maal intrekking of sluiting)

2003

69

60 (49 uitspraken, 10 intrekkingen en 1 gestaakt)

 

Helaas heeft het College van Toezicht in 2005 een zeer gewaardeerde collega verloren, Pim Wippoo, die in oktober overleed. In 2005 nam Caty Asscher-Sonius afscheid van het College van Toezicht en trad Karin Singendonk toe.


5. Ledengegevens

Ledengegevens 2005

Totaal ledental

Leden per 1-1-2005

11384

Opzeggingen per 31-12-2005

643

Opzeggingen in de loop van het jaar

149

Nieuwe leden in 2005

1294

Ledental per 1-1-2006

incl. opzeggingen per 1-1-2006

11659

Ledenwinstsaldo 2005

275

Ledenwinstsaldo 2004

102

Ledenwinstsaldo 2003

577

Opzeggingen per sector 2005

Sector Arbeid & Organisatie

137

Sector Gezondheidszorg

273

Sector Jeugd

108

Intersector

inclusief studentleden die 'gewoon lid' worden

274

Totaal opzeggingen

792

Nieuwe leden per sector 2005

Sector Arbeid & Organisatie

146

Sector Gezondheidszorg

393

Sector Jeugd

191

Intersector

564

Totaal nieuwe leden

1294

Enkele bijzondere categorieŽn leden

Aspirant leden

15

Belangstellende leden

42

Afgestudeerden in opleiding

369

Ledentallen per sector

Ledentallen per sector per

1-1-2005

1-1-2006

Sector Arbeid & Organisatie

2072

2036

Sector Gezondheidszorg

5739

5814

Sector Jeugd

1997

2046

Intersector

1841

1875

Zelfstandig gevestigden per sector

Sector Arbeid & Organisatie

598

Sector Gezondheidszorg

1801

Sector Jeugd

453

Intersector

130

Totaal

2982    

Loondienst per sector

Sector Arbeid & Organisatie

1144

Sector Gezondheidszorg

3660

Sector Jeugd

1400

Intersector

241

Totaal

6445

Combinatie loondienst/zelfstandig gevestigd

Sector Arbeid & Organisatie

88

Sector Gezondheidszorg

518

Sector Jeugd

146

Intersector

24

Totaal

776

Zonder betaald werk (werkzoekend, gepensioneerd; excl. studenten)

Sector Arbeid & Organisatie

181

Sector Gezondheidszorg

498

Sector Jeugd

176

Intersector

94

Totaal

949

 

Ledental per sectie en werkgroep per 3-1-2006

Binnen de sector Arbeid & Organisatie

Sectie Arbeid & Gezondheid

2053

Sectie Beroepskeuze- en Loopbaanpsychologie

1424

Sectie HRM

1232

Sectie Training & Opleiding

1561

Sectie Management & Organisatie

(voorheen de secties Kwaliteitsmanagement, Management Development en Organisatie Ontwikkeling Management)

1394

Werkgroep Psychologen in de Sociale Werkvoorziening

256

Binnen de sector Gezondheidszorg

Sectie Geestelijke Gezondheidszorg

4744

Sectie Eerstelijnspsychologen

1695

Sectie Psychologen in de Ouderenzorg

1231

Sectie Psychologen in Algemene Ziekenhuizen

304

Sectie Zorg voor mensen met een verstandelijke handicap

553

Sectie Revalidatie

1144

Sectie Forensische Psychologie

1148

Sectie Neuropsychologie

1800

Werkgroep Psychologen in de Verslavingszorg

359

Binnen de sector Jeugd

Sectie Adolescentie

2116

Sectie Het Jonge Kind

1400

Sectie Forensische Psychologie Jeugd

(voorheen sectie Justitie Jeugd)

901

Sectie Schoolpsychologen

(voorheen secties Basis/Speciaal Onderwijs en Onderwijspsychologie)

2010

Werkgroep Auditief Gehandicapten

104

Binnen de Intersector

Sectie Interculturalisatie

641

Sectie Lichaamsgericht Werkende Psychologen

177

Sectie Mediation

772

Sectie Psychologiedocenten

369

Sectie Psychologiestudenten

1404

Werkgroep Neurofeedback

237

Werkgroep Onderzoekers in de Psychologie

355

Werkgroep Studentenpsychologen

79

NB leden kunnen lid zijn van meer dan ťťn sectie/werkgroep

Verdeling vrouwen/mannen

Vrouwen

8413 = 71%

Mannen

3358 = 29%

Registraties/kwalificaties (per 1-1-2006)

Basisaantekening Psychodiagnostiek NIP

3274

Beroepskeuze- en Loopbaanpsycholoog NIP

94

Eerstelijnspsycholoog NIP

1164

Gezondheidszorgpsycholoog (BIG)

5711

Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP

1333

Kinder- en Jeugdpsycholoog Specialist NIP

412

Klinisch Psycholoog NIP

1269

Lichaamsgericht Werkende Psycholoog NIP

81

Psycholoog van Arbeid en Gezondheid NIP

84

Psycholoog Trainer NIP

69

Psychotherapeut (BIG)

2033

 

6. Sector Arbeid & Organisatie

6.1 Professionalisering en profilering

In het kader van de modernisering maakte de het bestuur van de sector Arbeid & Organisatie beleidsplannen voor de komende jaren. In de beleidsvergadering van oktober 2005 heeft het sectorbestuur een aantal beleidsterreinen afgebakend en prioriteiten gesteld.

       Zorgen voor een adequaat scholings- en professionaliseringsaanbod voor leden

       Behartigen van de belangen van de leden

       Organiseren van activiteiten waarbij leden een netwerk kunnen maken en onderhouden

       Onderhouden van goede relaties tussen wetenschap en praktijk

       Aansluiten bij maatschappelijk relevante issues

Beleidsplannen

Binnen het sectorbestuur zijn in 2005 drie beleidsplannen opgesteld. Het eerste plan gaat over de relatie van A&O-psychologen met anders opgeleiden in het werkveld. De concrete acties voor de komende tijd zijn: inventariseren wat de A&O-psycholoog aan concurrentie tegenkomt in het werkveld, formuleren hoe het NIP en de sector A&O daarop kunnen reageren en het formuleren van de unique selling points van de A&O-psycholoog.

 

Het tweede plan gaat over het opzetten van een postmasteropleiding tot sociaal- en A&O-registerpsycholoog en het bevorderen van aansluiting van psychologen die net zijn afgestudeerd op de praktijk. Het laatste plan gaat over het instrumentarium van de A&O-psycholoog: kwaliteit in de praktijk. Hierbij draait het om het bevorderen van een gevalideerd instrumentarium voor de A&O-psycholoog.

Zorgverzekering

In november 2005 stuurde het sectorbestuur een alarmbrief aan het toenmalige NIP-hoofdbestuur over de zorgverzekering nieuwe stijl en de eerstelijnspsychologische zorg.

Uit de brief:

'In offertes voor het NIP bij het project Vergoedingen in het nieuwe zorgverzekeringsstelsel wordt melding gemaakt van het volgende NIP-standpunt: "Het standpunt van het NIP is dat elke psycholoog werkzaam in de individuele gezondheidszorg een BIG-geregistreerde gezondheidszorgpsycholoog moet zijn." Het beperken van eerstelijnspsychologische zorg tot de gezondheidszorgpsycholoog dan wel tot het niveau van de gezondheidszorgpsycholoog gaat voorbij aan de rol van de A&O-psycholoog in de eerstelijnspsychologische zorg en negeert actuele maatschappelijke ontwikkelingen. Wij vragen u dringend de positie van de A&O-psychologen op het vlak van de eerstelijnspsychologische zorg te betrekken in de verdere beleidsvorming van het NIP.'

Werk voor psychologen

Verder was de sector het hele jaar door intensief betrokken bij de ontwikkeling van de richtlijn voor psychologen Werk en psychische klachten.

6.2 Arbeid & Gezondheid

De belangrijkste actiepunten van de sectie Arbeid & Gezondheid in 2005 waren meer bekendheid geven aan de arbeids- en gezondheidspsychologie op de arbeidsmarkt en bij een breder publiek, certificering, inter- en supervisie, professionalisering en verdere ontwikkeling van het werkveld van de arbeids- en organisatiepsychologie, kwaliteitsbewaking en onderlinge informatie-uitwisseling.

 

De activiteiten van de sectie bestonden uit het organiseren van evenementen, congressen en symposia. In november organiseerde de sectie Arbeid & Gezondheid het symposium Aandacht ervaren. 'Hoe blijf ik als psycholoog gezond in mijn werk?' was de centrale vraag die psycholoog en trainer Noud de Haas stelde in zijn lezing. De Haas gaat hierbij uit van 'mindfulness', een aantal eenvoudige meditaties om het dagelijks bewustzijn aandacht te geven, thuis en op het werk.

 

Verder was de sectie betrokken bij de uitvoering van de registratieregeling voor arbeids- en gezondheidspsychologen.

6.3 Beroepskeuze- en Loopbaanpsychologie

De sectie Beroepskeuze- en Loopbaanpsychologie organiseerde in 2005 twee belangrijke congressen. Allereerst vond op 17 juni het congres Loopbaanperspectieven voor de oudere werknemer. Tijd voor een gezonde heroriŽntatie? plaats. Het congres dat als thema het potentieel van ouderen op de werkvloer had, werd voorgezeten drs. Maurits Dinger. Er waren zo'n zeventig vakgenoten aanwezig. Dinger sprak in zijn lezing over de maatschappelijke context. De belangstelling voor nieuwe loopbaanperspectieven voor oudere werknemers blijkt de laatste tijd toe te nemen.

Burn-out

Op 4 november 2005 vond een congres plaats over burn-out en loopbaankeuzes onder voorzitterschap van Hans Brugman, zelfstandig gevestigd arbeidsdeskundige. Er waren zo`n tachtig belangstellenden aanwezig. Aan de hand van drie lezingen werd de rol van loopbaanpsychologen bij preventie, begeleiding en behandeling van burn-outverschijnselen in het werk belicht.  

Verder organiseerde de sectie op 18 februari een studiebijeenkomst waarin de jaarvergadering gecombineerd werd met een lezing en discussie over de betrouwbaarheid van de assessmentmethode. Er waren zo'n dertig belangstellenden.  

Een belangrijke doelstelling van de sectie voor de komende jaren blijft de profilering van de beroepskeuzepsychologie op de arbeidsmarkt.

Actiepunten van de sectie

       Registratieregeling voor beroepskeuze- en loopbaanpsychologen

       Aandacht voor beroepsethische aspecten specifiek voor de beroepskeuzepsycholoog

       Onderhouden van (inter)nationale contacten met verenigingen, overheid en media

6.4 HRM

De sectie Human Resource Management, HRM, heeft in 2005 getracht de wensen van de leden, voortkomend uit het ledenonderzoek van eind 2004, te realiseren. Daarin is de sectie grotendeels geslaagd.

Wensen leden HRM

       Meer regionale ontmoetingen

       Meer profilering van de arbeids- en organisatiepsycholoog

       Meer mogelijkheden tot collegiale ontmoeting en discussie

 

In 2005 zijn ongeveer tien regionale bijeenkomsten georganiseerd. En er werd een lobby opgezet om samen met het sectorbestuur de A&O-psycholoog beter te promoten. Dit onderwerp is uitgemond in een van de negen beleidsnotities van de sector. Het uiteindelijke doel van deze lobby en de beleidsnotitie is een betere externe profilering van de (meerwaarde van de) A&O-psycholoog.  

Verder is de sectie in nauwe samenwerking met de sector Arbeid & Organisatie bezig geweest met de ontwikkeling van een eigen website, www.aenokennisnet.nl. Dit is een kennisnet van arbeids- en organisatiepsychologen die lid zijn van het NIP. Op de website voeren collega's discussies, stellen ze elkaar vragen en delen ze kennis. De site is sinds oktober 2005 als proefsite online en staat eind april 2006 open voor 'publiek'.

6.5 Management & Organisatie: frisse start

In het jaar 2005 werd de sectie Management & Organisatie (M&O) in haar huidige vorm opgericht. In de sectie Management & Organisatie zijn de secties Organisatie, Ontwikkeling en Management, Management Development en Kwaliteitsmanagement samengegaan.

Thema's van de sectie

       Strategie en management

       Kwaliteit van management & leiderschap

       De psychologie van cultuurveranderingen in organisaties

       Management van en door professionals

       De rol van kwaliteitsmodellen in de organisatieontwikkeling

 

Als eerste centrale thema werd gekozen voor strategie in organisaties. Het is de bedoeling om een onderwerp vanuit diverse wetenschappelijke disciplines onder de loep te nemen.

Fusies

In november 2005 organiseerde de sectie een symposium met als titel Strategie rond fusies en overnames. Het onderwerp werd ingeleid door de econoom Hans Schenk, hoogleraar aan het Tjalling Koopmans Instituut van de economische faculteit van de Universiteit Utrecht. In zijn onderzoek stuitte hij op meer en minder adequate strategieŽn bij overnamen en fusies. Hoe cognitieve illusies tot minder fortuinlijke strategieŽn kunnen leiden, werd met verve toegelicht door cognitief psycholoog dr. Job Groeneweg, verbonden aan de Universiteit Leiden. Een kijkje in de keuken van de coaching van de beslissers over strategie werd gegeven door drs. Erin Lap van Hay Management Consultants.

Vooruitblik

Voor het jaar 2006 staat een symposium over strategie en de dynamiek van fraude en corruptie op stapel. In samenwerking met de sectie HRM wordt in 2006 tevens een bijeenkomst georganiseerd die aansluit bij een van de speerpunten van het beleid van de sector Arbeid & Organisatie: de kwaliteit van het instrumentarium van de A&O-psycholoog.

6.6 Sociale Werkvoorziening

2005 stond bij de werkgroep Psychologen in de Sociale Werkvoorziening in het teken van de volgende onderwerpen.

       Onderbrengen indicatiestelling Wet sociale werkvoorziening (WSW) bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI)

       Updaten Professionele standaard indicatiestelling sociale werkvoorziening (PSIW) en het profileren hiervan naar het CWI

       Door het CWI bindend verklaren van de Professionele standaard indicatiestelling sociale werkvoorziening voor de werkwijze van psychologen in het kader van de indicatiestelling

       Openbaar landelijk aanbesteden van psychologisch onderzoek in het kader van de indicatiestelling
Inmiddels heeft de aanbesteding plaats gevonden: de opdracht is gegund aan de ArboUnie

 

De Professionele standaard indicatiestelling sociale werkvoorziening is indertijd nadrukkelijk geformuleerd in relatie tot het indicatieproces van de Wet sociale werkvoorziening. De werkgroep vindt dat deze standaard met enige modificaties ook toepasbaar is op werkzaamheden van psychologen in het gehele reÔntegratieveld.

 

Verder waren er activiteiten op de volgende terreinen.

       Kwaliteitsborging van de psychologische inbreng in het indicatieproces CWI

       Behoud van de bestaande expertise in relatie tot het reÔntegratietraject de indicatiestelling WSW (belangenbehartiging)

       Nagaan van samenwerkingsmogelijkheden met andere secties/werkgroepen in het reÔntegratiewerkveld

6.7 Training & Opleiding

In 2005 organiseerde het bestuur van de sectie Training & Opleidingen viermaal het zogenaamde Trainerscafť, waar leden van de sector Arbeid & Organisatie met collega's kunnen praten over trends op het vakgebied van A&O. Er worden verder lezingen over trainen, coachen en/of adviseren gehouden en er was een interuniversitaire conferentie over het opleiden van interventiedeskundigen.

Acteurs

De sectie organiseerde in juli in Utrecht de lezing De inzet van acteurs bij trainingen. Remco Koffijberg en Sander Vermeulen, beiden als acteur verbonden aan Boertien en Partners, behandelden de volgende thema`s. Welke meerwaarde hebben acteurs bij trainingen? Hoe kijken acteurs naar trainers? Zijn er trainerstypen? Na afloop van de lezing was er tijdens een borrel gelegenheid om na te praten met collega`s en sprekers.

 

Het sectiebestuur richt zich de komende jaren op kwaliteitszorg, professionalisering van de beroepsgroep, opleidingen, conferenties en de profilering van de gekwalificeerde Psycholoog Trainer NIP.

 


7. Sector Gezondheidszorg

7.1 Positioneren gezondheidszorgpsycholoog

Het jaar 2005 begon met de eerste beleidsdag in de geschiedenis van de sector Gezondheidszorg. De secties presenteerden hun plannen en inventariseerden onderwerpen die zij gezamenlijk zouden kunnen uitvoeren. De dag beviel zo goed, dat besloten is er een jaarlijkse traditie van te maken. De dag krijgt een plaats binnen de NIP-beleidscyclus.

Positioneren

De wettelijke bescherming van de titel 'klinisch psycholoog' per 1 januari 2006 en het behoud van het basisberoep psychotherapeut waren aanleiding om activiteiten te ondernemen om de gezondheidszorgpsycholoog en de klinisch psycholoog beter te positioneren. Hiertoe zocht het bestuur contact met de NVO (pedagogen en onderwijskundigen), de sector Jeugd, de Kamer Gezondheidszorgpsycholoog en de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen (FGzP) om waar mogelijk gezamenlijk op te trekken.

 

In het najaar werd een invitational conference belegd over de psychologische beroepenstructuur. Er vond een uitvoerige discussie plaats over functiedifferentiatie na de registratie als gezondheidszorgpsycholoog. Besloten werd dat er betere schakelmogelijkheden moeten komen tussen de opleidingen tot psychotherapeut, gezondheidszorgpsycholoog en klinisch psycholoog. Een vervolgconferentie vindt plaats in april 2006, ook als opmaat voor het tweede gz-congres in juni 2006.

 

Vooruitlopend op de overheveling van de geestelijke gezondheidszorg naar de Zorgverzekeringswet is door het bestuur meegewerkt aan het opzetten van een NIP-project dat psychologen beter moet toerusten op de zorgmarkt.

Psychofarmaca

Een pleidooi van een prominent NIP-lid in het tijdschrift Psy leidde tot de instelling van een werkgroep die moet onderzoeken of de gezondheidszorgpsycholoog het recht zou moeten krijgen om psychofarmaca voor te schrijven. De werkgroep bracht een bezoek aan de Verenigde Staten en bereidt een conferentie voor die in juni 2006 plaatsvindt. De voorzitter van de American Psychological Association prof. R. Levant zal een van de sprekers zijn.

 

Een gezamenlijke actie met de beroepsverenigingen van psychiaters en psychotherapeuten leidde tot bijstelling door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de maatregel waarmee de vergoeding van psychotherapie wordt beperkt. Het NIP is nog niet volledig tevreden. Nadere actie moet leiden tot verdere bijstelling.

7.2 Forensische Psychologie: samenwerking met Jeugd

2005 was een actief jaar voor de sectie Forensische Psychologie. Zo heeft het sectiebestuur geÔnvesteerd in een nieuwe bestuursstructuur en in contact met de achterban. De leden zijn benaderd met een enquÍte. Ook is er onderzoek verricht naar de opleidingsmogelijkheden voor leden die zich willen specialiseren in de forensische psychologie. Van beide activiteiten is schriftelijk verslag gedaan.

 

Sinds 2005 werken de secties Forensische Psychologie Volwassenen & Jeugd nauw samen.

Nieuwsbrief

In 2005 is een gezamenlijke Nieuwsbrief Forensische Psychologie verschenen, waarmee gericht de achterban benaderd kan worden. Ruim zestienhonderd NIP-leden hebben de nieuwsbrief ontvangen. De website van beide secties is verder uitgebouwd en bevat up-to-date informatie; momenteel nog van beperkte omvang.

 

In samenwerking met enkele justitiŽle instellingen is een aantal studiedagen georganiseerd over het thema gewetensontwikkeling. Het streven is om deze studiedagen gratis toegankelijk te houden als service naar de sectieleden. De secties willen in de toekomst blijven samenwerken.

Missie

Op de beleidsdag in december 2005 is de missie van beide secties vastgesteld: de secties Forensische Psychologie (Volwassenen & Jeugd) dragen bij aan het professioneel handelen van de leden door belangenbehartiging, kennisoverdracht en het stimuleren van de toepassing van wetenschappelijk gefundeerde methodieken. Het welzijn en de bescherming van cliŽnt en samenleving zijn daarbij het uiteindelijke doel.

 

De doelstelling voor de komende jaren is verdere profilering en bevordering van de forensische psychologie en de behartiging van de beroepsbelangen van de leden.

7.3 Neuropsychologie: werken aan nieuw specialisme

Aan het begin van het jaar werd de tekst van de informatiefolder over neuropsychologisch onderzoek voor verwijzers en cliŽnten aangepast. Tot voor kort werd deze folder uitgegeven door de Nederlandse Vereniging voor Neuropsychologie. De folder is nu ondergebracht bij de sectie Neuropsychologie van het NIP.

Specialisme

In maart presenteerde de commissie Overgangsregeling specialisme klinisch neuropsycholoog van de NIP-sectie op de ledenvergadering haar voorstel voor de overgangsregeling. Dit voorstel hoorde bij de aanvraag voor de goedkeuring van het specialisme klinisch neuropsycholoog. In augustus besloot het College Specialismen Gezondheidszorgpsycholoog om klinische neuropsychologie het tweede specialisme van de gezondheidszorgpsychologie te laten worden. Eerder werd de klinische psychologie als specialisme in de Wet BIG (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg) opgenomen.

 

Het College heeft de opleidingseisen goedgekeurd en is bezig de overgangsregeling voor het nieuwe specialisme uit te werken, zodat het registratietraject door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan worden goedgekeurd. Naar verwachting zal de registratie van de eerste neuropsycholoogspecialisten eind 2006 een feit zijn.

 

Wettelijke erkenning van een specialisme betekent dat de bijbehorende beroepstitel wettelijk beschermd wordt. Alleen gezondheidszorgpsychologen die ingeschreven zijn in het BIG-register zullen zich in de toekomst dus nog 'klinisch neuropsycholoog' mogen noemen. Dit geeft garanties voor de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Voor wettelijke specialismen gelden centraal vastgestelde opleidingseisen en een systeem van periodieke herregistratie.

 

Verder is de sectie bezig met het ontwikkelen van richtlijnen voor neuropsychologen.

7.4 Psychologen Algemene / Academische Ziekenhuizen: de focus op DBC's

De sectie Psychologen Algemene / Academische Ziekenhuizen heeft zich in 2005 vooral beziggehouden met de DBC's. DBC staat voor Diagnose Behandeling Combinatie en is de naam voor een bepaalde behandeling in een ziekenhuis. Voorbeelden zijn: een behandelingscontact, een intakegesprek of een psychodiagnostisch neuropsychologisch onderzoek.

 

In een DBC zitten alle kosten van de behandeling, dus ook de foto's, laboratoriumonderzoeken en verpleging. Doordat alle ziekenhuizen met dit systeem werken, krijgen patiŽnten en verzekeraars beter inzicht in de prestaties van de ziekenhuizen en de bijbehorende prijs. Het is de bedoeling dat DBC's het prijsbewustzijn, de doelmatigheid en de mogelijkheden voor marktwerking vergroten.

 

Het DBC-systeem is op 1 januari 2005 in werking getreden voor een gedeelte van de ziekenhuiszorg. Er zijn geen aparte DBC's voor medisch psychologen, maar verrichtingen kunnen wel worden opgenomen in het zorgprofiel van DBC's van poortspecialismen. December 2005 zijn daartoe twaalf verrichtingcodes aan de verrichtingentabellen toegevoegd. Het streven is om de medisch psycholoog vergoed te krijgen door zorgverzekeraars.

Kwaliteit

Met visitaties en de richtlijnencommissie heeft de sectie gewerkt aan het kwaliteitsbeleid. De sectie wil de komende jaren invulling aan kwaliteit geven door richtlijnen te ontwikkelen, bestaande richtlijnen toepasbaar te maken voor de ziekenhuissituatie, visitaties uit te breiden en prioriteit te geven aan belangenbehartiging en registraties.

 

In september organiseerde de sectie een drukbezochte wetenschappelijke dag Over de praktijk gesproken in de Beurs van Berlage in Amsterdam.

 

7.5 Psychologen in de Ouderenzorg

Het bestuur van de sectie Psychologen in de Ouderenzorg heeft zich in 2005 met een aantal specifieke zaken bezig gehouden.

Actualiteiten

Gezien een aantal maatschappelijke, wetenschappelijke en andere beroepsmatige ontwikkelingen besloot het bestuur van de sectie om naast de jaarsymposia andersoortige bijeenkomsten te organiseren. Deze bijeenkomsten steken in op recente ontwikkelingen in het werkveld en de gevolgen daarvan voor de beroepsgroep. In 2005 waren dat de veranderingen in de AWBZ (De AWBZ van A tot Z, 31 maart), zelfstandige vestiging in de ouderenzorg (Zelfstandige psychologen in de ouderenzorg, 6 november) en het verschijnen van een nieuwe CBO-richtlijn Dementie en het werken met de Algemene Standaard Testgebruik bij ouderen (Dementie: neuropsychologisch onderzoek, 24 november). De belangstelling voor deze bijeenkomsten was zo groot dat soms naar grotere zalen moest worden uitgeweken.

Opleiding

Het bestuur wilde graag inzicht krijgen in de positie van de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog voor psychologen in de ouderenzorg en het geringe aantal opleidingsplaatsen. Daartoe is aan alle leden een vragenlijst toegestuurd. Slechts een klein percentage bleek geregistreerd als gezondheidszorgpsycholoog. De meerderheid gaf aan deze opleiding wel te willen volgen. Degenen die gesolliciteerd hadden, bleken toegelaten te zijn tot de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog.

 

Een aantal bestuursleden heeft een actieve rol gespeeld in het opstarten van de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog met het accent op ouderen bij de RINO Noord-Holland. Deze opleiding is inmiddels erkend door de Kamer Gezondheidszorgpsycholoog. Tevens zijn voorbereidingen gaande voor een postdoctorale opleiding op het gebied van de ouderenpsychologie aan de psychologische faculteit van de VU.

 

Verder maakte het bestuur in 2005 een beleidsplan voor de periode 2006-2008. Een belangrijk punt in dit plan is de samenwerking met de Vereniging voor Psychologie en Ouderen (VPO). Hiervoor is een structuur ontwikkeld die in 2006 zal worden ingevoerd.

7.6 Zorg voor mensen met een verstandelijke handicap: beroepsprofiel

In 2005 werd door de sectie hard gewerkt aan het ontwikkelen van een beroepsprofiel van psychologen die werken met verstandelijk gehandicapten. De bedoeling van het beroepsprofiel is om deze groep psychologen een duidelijk eigen gezicht te geven. Het doel is om naast het beroepsprofiel, dat in november 2006 zal worden vastgesteld, een aantal richtlijnen te ontwikkelen.

Publieke debat

Naast het organiseren van grote congressen, onder andere over dementie, en het uitbrengen van nieuwsbrieven en themanummers, mengde de sectie zich in het publieke debat. In de Volkskrant werd afgelopen jaar gerept over 'zwakbegaafde' ouders die kinderen krijgen. De sectie stoorde zich aan de term 'zwakbegaafd'.

ectievoorzitter Ruud Geus: 'Bij een IQ lager dan 69 spreken "wij" volgens een internationaal modern classificatiesysteem van "een lichte graad van verstandelijke beperking". En bij een IQ lager dan 50 spreken "wij" van "een matige graad van verstandelijke beperking".'

'Als het om een discussie gaat omtrent het ouderschap van "verstandelijk beperkten", (…) zouden betrokkenen er goed aan doen zich eerst te verdiepen in recente literatuur en classificatiesystemen, alvorens in de media onjuiste uitspraken te doen die voor mensen eventueel verregaande en negatieve consequenties kunnen hebben', aldus Geus.

Enkele plannen voor 2006

       Beginnen met een meerjarenplanning

       Professionaliseren van het sectiebestuur

       Ondersteuning door het bureau initiŽren

       Raadpleging van de achterban (leden van de sectie)

       Profileren van de leden

       Contacten onderhouden met externe relaties en samenwerken met artsen

       Samenwerking met de NVO (pedagogen en onderwijskundigen) continueren

7.7 Revalidatie

De sectie Revalidatie organiseerde in 2005 de najaarsconferentie Kwalivaderen: het belang van kwaliteit van leven bij revalideren. De conferentie werd voor het eerst in samenwerking met de Nederlandse Behavioral Medicine Federatie opgezet. Het was een drukbezocht evenement dat door de bezoekers als 'boeiend' werd ervaren.

Publicaties

Tijdens de najaarsconferentie werd het eerste exemplaar van het nieuwe boek Verder kijken: ontwikkelingen in de revalidatiepsychologie overhandigd aan de voorzitter van de sectie. De oorsprong van het boek ligt een drietal jaren terug. Ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van de sectie vond het bestuur dat er een opvolger moest komen van het boek over revalidatiepsychologie uit 1990. De sectie gaf in 2005 drie nieuwsbrieven uit en zette zich in voor het ontwikkelen van richtlijnen op een aantal verschillende gebieden van de revalidatiepsychologie.

 

In de komende jaren zullen er minimaal drie richtlijnen ontwikkeld worden. De eerstkomende richtlijn gaat over psychodiagnostiek bij kinderen met chronische pijn. Verder zal een bestuurswerkgroep een aantal richtlijnen van anderen gaan beoordelen.


8. Sector Jeugd

8.1 'Niet de procedure, maar het kind centraal'

Een mooier begin van het nieuwe jaar kon de sector Jeugd zich niet wensen. 2005 startte met het succesvolle congres Zin en onzin van diagnostiek. Ruim vierhonderd deelnemers discussieerden mee over het nut en de noodzaak van diagnostiek in de verschillende jeugd-werkvelden. Aan het eind van het congres werd de flyer Frequently Asked Questions over IQ gepresenteerd. Daarin staat een (voorlopig) antwoord op zeven veelgestelde maar weinig beantwoorde vragen over intelligentietests.

Folder Crisis Interventie Team

De sector organiseerde in mei het congres Crisisinterventie in het onderwijs. Het NIP-Crisis Interventie Team (CIT) publiceerde ter gelegenheid van het congres de informatiefolder NIP-Crisis Interventie Team over de activiteiten en organisatie van het team. Via deelname aan internationale trainingen in TsjechiŽ en Griekenland werd het CIT ook dit jaar weer uitgebreid.  

De NIP/NVO-werkgroep Leerling Gebonden Financiering heeft in 2005 de notitie Niet de procedure maar het kind centraal uitgebracht. Daarin staan aanbevelingen voor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de procedure voor indicatiestelling in het onderwijs. Voorafgaand aan de notitie stuurde de sector de minister een aantal brieven. De Tweede Kamer ontving een alarmpamflet over de knelpunten in de indicatiestelling in het onderwijs. Over indicatiestelling werd ook contact gelegd met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, juist om te wijzen op de noodzakelijkheid van samenwerking en afstemming met het onderwijs.

 

Deskundigenbestand dyslexie

De sector Jeugd stelde in 2005 het gezamenlijke NIP/NVO Deskundigenbestand Dyslexie op. Doel van dit bestand is het in kaart brengen van de deskundigheid van leden op het gebied van dyslexie en het stroomlijnen van informatievoorziening aan deskundigen.  

Een belangrijk thema in voorbereiding is het initiŽren van een postdoctoraal opleidingstraject met een duidelijk te onderscheiden schoolpsychologisch accent. In 2005 werd gewerkt aan een projectplan, de eindtermen, een beroepsprofiel en contacten met de hoogleraren ontwikkelingspsychologie en mogelijke opleidingsinstellingen. De uitwerking hiervan vindt plaats in 2006.

Bestuurlijk

Intern-bestuurlijk beschouwde de sector Jeugd kritisch de eigen werkwijze tijdens een beleidsdag in maart. De sector heeft verder een richtlijn opgesteld voor vergoeding van congresbezoek van kaderleden, hield een strategisch overleg over opleidingszaken, ontwikkelde een conceptmeerjarenbeleidsplan voor 2006-2009 en stelde een jaarplan plus begroting voor 2006 op.

 

8.2 Auditief Gehandicapten

De werkgroep Auditief Gehandicapten hield in november 2005 een studiedag Diagnostiek en begeleiding van kinderen met een c.i.: veranderingen in communicatie en schoolkeuze bij dove kinderen. In juni vond een studiedag plaats met de titel Slechthorende kinderen & jongeren. Er werden verder verschillende lezingen en workshops gehouden.  

De werkgroep biedt nu vooral een platform voor de leden. De werkgroep wil zich ook meer gaan richten op vakinhoudelijke en actuele ontwikkelingen en op het regionaliseren van het overleg. Er zal een andere, meer democratische opzet van het bestuur moeten ontstaan. Daarvoor is het eerst nodig de wensen van de leden van de werkgroep te inventariseren.

 

8.3 Het Jonge Kind

De sectie Het Jonge Kind, die nu enige jaren bestaat, werkt nauw samen met de Stichting Babywerk (www.babywerk.net). Babywerk biedt een platform aan professionals die met hele jonge kinderen werken en wordt door de sectie Het Jonge Kind financieel en inhoudelijk ondersteund.  

De zogenaamde Inventgroep van Babywerk is sinds het najaar van 2004 in opdracht van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bezig geweest met het inventariseren van:

       wetenschappelijk onderbouwde screeningsinstrumenten om gedragsproblemen bij kinderen en jongeren op te sporen

       effectieve interventies voor de aanpak van dergelijke problemen

       organisatorische randvoorwaarden voor de uitvoering

 

Het rapport Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter is inmiddels verschenen met een overzicht van de (wetenschappelijke) stand van zaken op het terrein van vroegsignalering, signalerings- en risicotaxatie-instrumenten en het inzetten van vroegtijdige interventies. In het rapport wordt een gericht voorstel gedaan voor het inzetten en doorontwikkelen van screeningsinstrumenten en interventies.

 

De leden van de Inventgroep lichtten in december hun rapport en advies toe aan cliŽnten, professionals, beleidsmakers en onderzoekers. Op 9 december waren de NIP-leden aan de beurt. De voorzitter nodigde deelnemers uit om standpunten over het rapport te verwoorden en met elkaar in discussie te gaan.

8.4 Justitie Jeugd

In 2005 deed het bestuur van de sectie Justitie Jeugd, inmiddels genaamd Forensische Psychologie Jeugd, een eerste aanzet voor een meer georganiseerde werkwijze binnen het sectiebestuur. Ook is er geÔnvesteerd in het contact met de achterban. Zo is er een enquÍte uitgewerkt en onder de leden verspreid. De centrale vraag was wat de leden van het sectiebestuur en haar activiteiten verwachten. Ook is er onderzoek verricht naar de opleidingsmogelijkheden voor leden die zich willen specialiseren in de forensische psychologie. Van beide activiteiten is schriftelijk verslag gedaan.  

Sinds 2005 werken de secties Forensische Psychologie Volwassenen & Jeugd nauw samen.

Nieuwsbrief

In 2005 is een gezamenlijke Nieuwsbrief Forensische Psychologie verschenen, waarmee gericht de achterban benaderd kan worden. Ruim zestienhonderd NIP-leden hebben de nieuwsbrief ontvangen. De website van beide secties is verder uitgebouwd en bevat up-to-date informatie; momenteel nog van beperkte omvang.

 

In samenwerking met enkele justitiŽle instellingen is een aantal studiedagen georganiseerd over het thema gewetensontwikkeling. Het streven is om deze studiedagen gratis toegankelijk te houden als service naar de sectieleden. De secties willen in de toekomst blijven samenwerken.

Missie

Op de beleidsdag in december 2005 is de missie van beide secties vastgesteld: de secties Forensische Psychologie (Volwassenen & Jeugd) dragen bij aan het professioneel handelen van de leden door belangenbehartiging, kennisoverdracht en het stimuleren van de toepassing van wetenschappelijk gefundeerde methodieken. Het welzijn en de bescherming van cliŽnt en samenleving zijn daarbij het uiteindelijke doel.

 

De doelstelling voor de komende jaren is verdere profilering en bevordering van de forensische psychologie en de behartiging van de beroepsbelangen van de leden.

8.5 Schoolpsychologen

In 2005 heeft de sectie Onderwijspsychologie de fusie met de sectie Basis/Speciaal Onderwijs voorbereid die per 1 januari 2006 van kracht werd. De activiteiten van beide secties in 2005 worden hier behandeld.  

Het NIP-Crisis Interventie Team organiseerde in mei het congres Crisis Interventie in het Onderwijs. Ter gelegenheid van het congres werd een folder over de activiteiten en organisatie van het team gepubliceerd. Via internationale trainingen in TsjechiŽ en Griekenland werd het CIT ook in 2005 weer uitgebreid. Olanda Mocilovic gaf in september een succesvolle training over crisisinterventie in Colombo, Sri Lanka. Het thema was Help de helpers.

Alarmpamflet

De sectie Schoolpsychologie ontwikkelde de notitie Niet de procedure maar het kind centraal, met aanbevelingen voor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de procedure voor indicatiestelling in het onderwijs. De notitie is opgesteld door de NIP/NVO-werkgroep Leerling Gebonden Financiering. De sector Jeugd liet van zich horen richting het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Voorafgaand aan de notitie Niet de procedure maar het kind centraal stuurde de sector de minister een aantal brieven en de Tweede Kamer een alarmpamflet over de knelpunten in de indicatiestelling in het onderwijs.  

Verder hielden de secties zich bezig met de organisatie van het internationale ISPA-congres (International School Psychology Association) in 2008. Met een uitgebreid onderbouwde aanvraag heeft de sector Jeugd bereikt dat dit jaarlijkse congres over twee jaar wordt georganiseerd in Utrecht.  

Een leuk detail is dat bestuurslid Helen Bakker in 2005 werd verkozen tot president (elect) van de ISPA. De ISPA is in 1982 opgericht door een internationale groep schoolpsychologen. Nu, bijna vijfentwintig jaar later, is de ISPA uitgegroeid tot een professionele organisatie met circa 650 leden uit meer dan vijftig landen.

Inhoudelijke bijeenkomsten

De secties hebben in 2005 zes inhoudelijke bijeenkomsten georganiseerd, onder andere gericht op hechtingsstoornissen, AD(H)D, kindermishandeling & seksueel misbruik en de DSM-IV & indicatiestelling.


9. Intersector

9.1 'De innovatieve sector'

Bij de Intersector stond het jaar 2005 voornamelijk in het teken van de modernisering van de vereniging. In juni vond een beleidsdag plaats waarbij het sectorbestuur de doelstellingen en prioriteiten voor de komende jaren vaststelde. Doelstelling van de sector is secties aan te moedigen zich op hun vakgebied te professionaliseren. De sterkte van deze sector is zijn innovatieve kracht. Een van de belangrijkste doelen is dan ook de naam te veranderen in sector Innovatie.

 

De belangrijkste taken van de sector zijn deskundigheidsbevordering en belangenbehartiging. Voorbeelden hiervan zijn het opstellen van registratie- en kwalificatieregelingen, bijvoorbeeld Psycholoog Mediator NIP, met als specialisatie Family Mediator NIP, en Neurofeedback. Sterke nadruk zal gelegd worden op het profileren van de psycholoog in de verschillende werkvelden van de Intersector.

Profileren

Eveneens een belangrijk doel voor de periode 2006-2009 is de sector meer te profileren. De sector heeft vergeleken met de andere drie sectoren - Gezondheid, Jeugd en A&O - te weinig een gezicht naar buiten toe, vindt het sectorbestuur. De sector wordt nu, onterecht, als restgroep gezien. Het is te weinig bekend welke vakgebieden binnen de sector een plaats hebben en zich ontwikkelen.

 

De andere drie sectoren moeten overtuigd worden van het belang van de specialismen van de secties binnen de Intersector. Bovendien is medewerking van de andere sectoren belangrijk om meer inzicht te krijgen in de markt en een goed beroepsprofiel op te kunnen stellen.

Prioriteiten Intersector

       Op de markt zetten van de psycholoog in verschillende werkvelden

Voor sommige secties is het in aanmerking komen voor vergoeding door zorgverzekeraars een belangrijk punt. Tevens zullen er beroepsprofielen worden opgesteld. Belangrijk aandachtspunt voor de secties is het leggen van contacten met externe organisaties, ook in Europees verband.

       Kwaliteitsontwikkeling van de psycholoog in de verschillende werkvelden

Hierbij kan gedacht worden aan het opzetten van opleidingen, bij- en nascholing, het vormen van intervisiegroepen. Het doel is dus kwalificatie- en registratieregelingen te ontwikkelen.

       Zichtbaarheid van de Intersector en zijn onderdelen binnen het NIP

Er moet meer samenwerking komen met de andere drie sectoren. Dit kan door het gezamenlijk organiseren van studiedagen, congressen en vergaderingen.

9.2 De IJsbrekers

De IJsbrekers fungeren als platform voor startende psychologen op de arbeidsmarkt.

In 2005 is verder gewerkt aan het ontwikkelen van de zogenaamde 'starterskit'. Dit is een soort gids op internet voor startende en werkzoekende psychologen. Wanneer een psycholoog net is afgestudeerd en werk gaat zoeken of met de eerste baan begint, kan dit nogal wat vragen en onzekerheid oproepen.

 

Hoe vind je nou die baan? Hoe moet dat als je als enige (onervaren) psycholoog in een organisatie belandt? Wat moet je allemaal weten als beginnende psycholoog? Op veel van deze vragen is geen standaard antwoord mogelijk. In de starterskit staan allerlei tips en weetjes in die deze 'verse' psychologen verder kunnen helpen. De starterskit bevat niet alleen algemene informatie over het zoeken en vinden van een baan. Starters op de arbeidsmarkt kunnen ook informatie vinden die ze vaak niet via de gangbare wegen te weten kunt komen.

 

De IJsbrekers zijn bezig met een klein onderzoek naar de waarde van startende psychologen. De sectie wil onderzoeken wat de positie van psychologen is die begonnen zijn aan hun eerste baan als psycholoog, of van pas afgestudeerde psychologen die in de sector van hun keuze werkzaam zijn, maar niet in de functie van psycholoog. De IJsbrekers willen daarom aan starters, werkgevers, en psychologen die inmiddels geen starter meer zijn een aantal vragen stellen over hun eerste baan. Via de website van het NIP is een enquÍte op te vragen. De resultaten van dit onderzoek worden op de site van De IJsbrekers geplaatst.

9.3 Interculturalisatie

Voor de sectie Interculturalisatie was 2005 een zeer actief jaar. In maart organiseerde de sectie in samenwerking met de War Trauma Foundation in Den Haag het succesvolle en groots opgezette congres TRAUMA: hulpverlening bij massale en individuele traumatisering. In Nederland bestaat een grote expertise op het gebied van de psychosociale zorg aan mensen die te maken krijgen met zware traumatische gebeurtenissen als een oorlog of een (natuur)ramp. Thema's op het congres waren de therapeutische interventies op dit gebied en de noodzaak om internationaal verantwoordelijkheid te nemen.

Richtlijnen

Verder ontwikkelde de sectie samen met het LBR, het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie, richtlijnen voor gebruikers van psychologische tests bij kandidaten uit etnische minderheidsgroepen. De richtlijnen zijn ontwikkeld omdat op de arbeidsmarkt een zeer grote diversiteit is ontstaan aan culturele en etnische achtergronden van mensen. Etnocentrisme ten gunste van de dominante cultuur dient vermeden te worden.

 

De sectie organiseerde in 2005 de eerste van een cyclus van workshops met als onderwerp de migrantenliteratuur. Het thema was Migratie, hoe en waar ontmoeten psychologen en schrijvers elkaar. Het achterliggende idee is dat migrantenliteratuur het begrip en interculturele sensitiviteit kan bevorderen.

 

Voor 2006 bereidde de sectie de workshop Voice Dialogue bij migranten voor. Voice Dialogue kan voor migranten effectief zijn bij het leren omgaan met verschillende identiteiten binnen verschillende culturen. De therapiemethode kan een cliŽnt helpen zich bewust te worden van innerlijke conflicten en hem of haar leren hier effectief mee om te gaan.

9.4 Lichaamsgericht Werkende Psychologen

De sectie Lichaamsgericht Werkende Psychologen (LWP) heeft in 2005 gewerkt aan de vorming van een eigen sectiestructuur. Deze sluit aan bij de structuur van de vereniging.

 

Daarnaast zijn veel activiteiten ontplooid binnen de diverse commissies, zoals de Voortgangscommissie, de Beroepscodecommissie, de Intervisiecommissie, de Onderwijscommissie en de Wetenschapscommissie. Deze laatste twee commissies hebben zich tot taak gesteld om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van het lichaamsgericht werken binnen de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog.

Wetenschap

Ook werden bijdragen geleverd om te komen tot een wetenschappelijke onderbouwing van de toegevoegde waarde van het lichaamsgericht werken binnen de psychologie. Inmiddels wordt via de Stichting Training en Scholing NIP een aantal modules aangeboden, met de bedoeling deze te accrediteren voor de gekwalificeerde lichaamsgericht werkende psycholoog (tevens gezondheidszorgpsycholoog). In 2005 werd de folder van de sectie herschreven. Hierin wordt nu ook de gekwalificeerde Lichaamsgericht Werkende Psycholoog NIP genoemd.

Sectiedag

In de herfst werd een sectiedag georganiseerd, C'est le ton du touch, waarbij verschillende workshops werden aangeboden, zoals:

       het opzetten intervisiegroepen en een mogelijke procedure om intervisiebijeenkomsten vorm te geven

       de NIP-beroepscode en de verhouding tot de lichaamsgericht werkende psycholoog

       het profileren van de positie van individuele LWP-leden op de markt in 2006.

9.5 Mediation: samenwerking met andere beroepsgroepen

Gaius en Sigmund

Het jaar 2005 was voor de sectie een gedenkwaardig jaar. Op het jaarcongres dat in mei in samenwerking met NVvMA (Nederlandse Vereniging van Mediators Advocaten) werd georganiseerd, vierde de sectie haar vijfjarig bestaan. Het congres had de toepasselijke titel Gaius treft Sigmund. De sectie wilde het over de zakelijke mediation hebben. Samenwerking met advocaat mediators, die zich vooral richten op bestuurlijke vraagstukken en arbeidsgeschillen, lag hierbij voor de hand.

 

Marktwaarde

Omdat de Stichting Training en Scholing NIP de specialisatieopleiding Family Mediation in september 2006 van start wil laten gaan, is gewerkt aan een eerste outline van deze opleiding. Het wordt een bij- en nascholingstraject dat in de tijd gespreid, diverse maanden in beslag zal nemen.

 

Het bij- en nascholingstraject Family Mediation moet leiden tot een kwalificatie als Psycholoog Mediator NIP, met als specialisatie Family Mediator NIP. Om de eigen marktwaarde op professioneel peil te brengen en te houden, is de interne NIP-opleiding hiermee in overeenstemming gebracht. Deze professionalisering is tevens van belang voor de samenwerking met mediators uit andere beroepsgroepen, bijvoorbeeld de advocatuur.

Forensische mediation

Forensische mediation is een initiatief van Cees van Leuven. De Stichting Forensische Mediation (SFM) is een samenwerkingsverband van VFAS (familierechtadvocaten), NIP, SRA (accountant mediators) en VMSN (notaris scheidingbemiddelaars). Het is een nieuw en veelbelovend werkveld voor NIP-mediators. De sectie Mediation participeert samen met de sector Jeugd in deze stichting.

 

Verder spande de sectie zich in voor het aangaan van samenwerkingsverbanden op mediationgebied met de advocatuur, het notariaat en de accountancy en organiseerde de sectie een aantal drukbezochte studieavonden.

 

(m.m.v. Ton Westerduin, voorzitter sectie Mediation)

9.6 Neurofeedback

De werkgroep Neurofeedback stelt zich voor de komende jaren in de eerste plaats ten doel neurofeedback onder de aandacht van psychologen te brengen. Dit zal geschieden door het organiseren voorlichtingsbijeenkomsten en het ontwikkelen van trainingen.

 

Verder wil de werkgroep behandelingsprotocollen ontwikkelen en onderzoek entameren. De volgende stap is het onder de aandacht brengen van neurofeedback bij potentiŽle gebruikers (patiŽnten/cliŽnten) en ziektekostenverzekeraars.

 

De afgelopen twee jaar heeft een groep klinisch psychologen werkzaam in ziekenhuizen ervaring opgedaan met de methode van neurofeedback.

9.7 Psychologiedocenten

De werkzaamheden van de sectie Psychologiedocenten in 2005 bestonden vooral uit het op individueel niveau beantwoorden van vragen en het ondersteunen van een aantal NIP-leden die als docent psychologie actief zijn.

 

In het 'duistere veld' van het psychologieonderwijs wordt vaak onder diverse noemers door niet-psychologen gedoceerd. Daar moet verandering in komen. De sectie wil intern en extern duidelijk maken dat de bevoegdheid tot het lesgeven in de psychologie opgeŽist moet worden door gekwalificeerde psychologen. Alleen deze docenten houden zich aan de NIP-beroepscode. Verder heeft de sectie als taak de werkwijze van deze psychologiedocenten ťn de beroepscode onder de aandacht van leerlingen en studenten te brengen.

Ondersteuning

Het algemene doel van de sectie Psychologiedocenten is het ondersteunen van (beginnende) docenten psychologie. Dit geschiedt door de leden van de sectie met elkaar in contact te brengen. Gepoogd wordt een kwaliteitseis vast te leggen waaraan het onderwijs moet voldoen. De sectie houdt zich in dit licht ook bezig met bijscholing. Bovendien wordt contact onderhouden met doctoraalopleidingen om zodoende afstemming te verkrijgen over bevoegdheden.

9.8 Psychologiestudenten

In 2005 is de sectie Psychologiestudenten (SPS) gestart met een jaarlijks leden- of niet-ledenonderzoek op universiteiten. Gekeken wordt onder andere naar de bekendheid van de SPS. Uit het eerste onderzoek bleek dat 44 % van de 231 onderzochte psychologiestudenten bekend is met de sectie Psychologiestudenten van het NIP. Maar liefst 55,4 % procent van deze studenten gaf aan in de toekomst eventueel lid te willen worden van de vereniging. De SPS was verheugd over dit grote aantal potentiŽle leden.

 

Op elke universiteit waar psychologie wordt gegeven, bestaat nu een platform om op universitair niveau de SPS te vertegenwoordigen. Zo kan goed voeling met de psychologiestudenten in den lande worden gehouden.

 

De SPS heeft in 2005 een 'Freud' T-shirtactie opgezet om een discussie te initiŽren over het imago van de psycholoog. Op dit T-shirt staat de tekst: 'I'm not your Freud!' Het doel hiervan is de maatschappij erop te wijzen dat er meer is dan alleen de klinisch psycholoog.

 


Colofon

 

Uitgave

Nederlands Instituut van Psychologen

Amsterdam

 

Samenstelling

Rein Baneke

EugŤn Zut (financiŽn)

 

Teksten

Judith Flier

Rein Baneke

AdriŽnne Bel

 

Eindredactie

AdriŽnne Bel

 

Ontwerp

Loes Schepens (Eindeloos), Den Haag

 

Webdesign

Ed van den Heuvel, Den Haag

 

© NIP 2006

 

 

Adresgegevens

 

Postadres

NIP

Postbus 9921

1006 AP Amsterdam

Telefoon (020) 410 62 22

Fax (020) 410 62 21

E-mail info@psynip.nl

 

Bezoekadres

Osdorper Ban 27A

Amsterdam

 

 

Protocol Indicatiestelling Jeugdigen met psychiatrische problematiek

31 maart 2006

Quirien v.d. Zijden & Karel Diephuis

Partners in Jeugdbeleid

In opdracht van het IPO

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 2

Inhoud

Inleiding......................................................................................................... 3

Deel 1 Inhoud en onderbouwing indicatiebesluit ......................................... 4

1.1 Analyse en opstellen diagnostisch beeld ..................................................... 4

1.1.1 Algemeen........................................................................................ 4

1.1.2 Vaststellen of er sprake is van psychiatrische problematiek..................... 5

1.2 Vaststellen benodigde zorg ....................................................................... 7

1.2.1 Algemeen........................................................................................ 7

1.2.2 Zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet (ZVW)............................ 8

1.2.3 Zorg in het kader van de Wet op de Jeugdzorg (WJZ) ............................ 9

1.2.4 Zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). 10

1.2.5 Het indicatiebesluit ......................................................................... 12

1.2.6 Informatieoverdracht richting zorgkantoor ......................................... 12

Deel 2. Deskundigheden BJZ.................................................................... 13

2.1 Deskundigheden BJZ-medewerker........................................................ 13

2.2 Deskundigheden gedragswetenschapper ............................................... 13

2.3 Specialistische kennis AWBZ-aanspraken............................................... 13

Deel 3. Informatie-uitwisseling BJZ en aanbieders jeugd-GGZ ................... 15

3.1 Informatieverstrekking door BJZ .......................................................... 15

3.2 Het gebruik van informatie door de aanbieder van jeugd-GGZ.................. 15

3.3 Informatieverstrekking door de aanbieder van jeugd-GGZ ....................... 15

3.4 Omgang met cliŽntgegevens: WJZ en WGBO ......................................... 16

3.5 Afspraken BJZ en aanbieders van jeugd-GGZ......................................... 16

Bronnen ........................................................................................................ 17

Geraadpleegde deskundigen............................................................................. 18

Bijlage 1: Toelichting op het protocol............................................................... 19

Bijlage 2: Toelichting op AWBZ-aanspraken...................................................... 23

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 3

Inleiding

Met het in werking treden van de Wet op de Jeugdzorg per 1 januari 2005 zijn de

Bureaus Jeugdzorg (BJZ’s) verantwoordelijk geworden voor de indicatiestelling voor de

provinciaal gefinancierde jeugdzorg, de jeugd-GGZ en de JustitiŽle Jeugdinrichtingen

(civielrechtelijk). Per 2007 indiceren de BJZ’s ook voor de Jeugd-LVG.

Dit protocol bevat inhoudelijke voorschriften omtrent de indicatiestelling voor jeugdigen

met psychiatrische problematiek. De voorschriften hebben betrekking op de inhoud en de

onderbouwing van indicatiebesluiten door BJZ, op de informatie uitwisseling tussen BJZ’s

en aanbieders van jeugd-GGZ en op de benodigde inhoudelijke expertise binnen de

BJZ’s.

BJZ’s en aanbieders van jeugd-GGZ zijn verantwoordelijk voor het inpassen van deze

voorschriften binnen hun eigen werkprocessen.

Dit indicatieprotocol heeft geen betrekking op jeugdigen die via de huisarts, of daarmee

gelijkgestelde behandelaar, rechtstreeks naar de jeugd-GGZ worden verwezen.

De doelstelling van het protocol is tweeledig:

a. Het bevorderen van een adequate uitvoering, door de BJZ’s, van de vier wettelijke

kaders die van toepassing zijn op de indicatiestelling voor en de zorgverlening aan

jeugdigen met psychiatrische problematiek:

- Wet op de Jeugdzorg (WJZ)

- Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

- Zorgverzekeringswet (ZVW, per 2007)1

- Beginselenwet JustitiŽle Jeugdinrichtingen

b. Het bevorderen van de samenwerking en afstemming tussen BJZ’s en aanbieders van

jeugd-GGZ.

Het protocol bestaat uit drie delen:

Deel 1: Inhoud en onderbouwing van het indicatiebesluit

Dit deel van het indicatieprotocol sluit aan op het referentiewerkmodel (RWM) van de

BJZ’s. Het protocol bevat inhoudelijke voorschriften met betrekking tot 2 hoofdprocessen

uit het RWM:

1. Analyse en opstellen diagnostisch beeld:

Het protocol beschrijft welke informatie BJZ’s moeten verzamelen en welke diagnostische

instrumenten tenminste worden ingezet met het oog op de vaststelling van de aard en de

ernst van de psychiatrische problematiek.

2. Vaststellen benodigde zorg:

Het protocol beschrijft op welke zorginhoudelijke gronden de BJZ’s kunnen vaststellen of

er aanspraak bestaat op de WJZ, de ZVW, de AWBZ of de Beginselenwet JJI.

Het protocol geeft aanwijzingen aan de hand waarvan de BJZ’s op eenduidige wijze

kunnen indiceren voor de te onderscheiden AWBZ-functies en klassen.

Deel 2: Deskundigheden BJZ

In deel 2 staat beschreven welke deskundigen het BJZ in huis moeten hebben om

psychiatrische problematiek te kunnen signaleren. Daarnaast wordt beschreven welke

specifieke deskundigheid aanwezig moet zijn voor het stellen van AWBZ-indicaties.

Deel 3: Informatie uitwisseling BJZ – aanbieders jeugd-GGZ

In deel 3 staat beschreven welke informatie BJZ’s en aanbieders van jeugd-GGZ

uitwisselen. Het betreft de informatie die BJZ’s verzamelen en verstrekken aan de

aanbieders van jeugd-GGZ, het gebruik van deze informatie door aanbieders van jeugd-

GGZ en het terugkoppelen van informatie door aanbieders van jeugd-GGZ.

1 Dit protocol gaat uit van de situatie per 2007; vanaf dat moment is de Zorgverzekeringswet van toepassing

op een belangrijk deel van de jeugd-GGZ, tot die tijd valt alle GGZ-zorg onder de AWBZ.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 4

Deel 1 Inhoud en onderbouwing indicatiebesluit

In dit deel staan de inhoudelijke eisen beschreven die worden gesteld aan de inhoud en

de onderbouwing van indicatiebesluiten voor jeugdigen met psychiatrische problematiek.

Het werkproces van de BJZ’s, zoals beschreven in hun Referentiewerkmodel (RWM),

vormt hierbij het uitgangspunt. De inhoudelijke voorschriften hebben betrekking op de

uitvoering van 2 hoofdprocessen: “Analyse en opstellen diagnostisch beeld” en

“Vaststellen benodigde zorg”.

De voorschriften gelden voor de uitvoering van deze processen in vrijwillig kader en

binnen de kaders van de voogdij, de gezinsvoogdij en de jeugdreclassering.

1.1 Analyse en opstellen diagnostisch beeld

1.1.1 Algemeen

Nadat in de fase Aanmelding en Acceptatie is vastgesteld dat de cliŽnt bij het BJZ aan het

juiste adres is start de fase van Analyse en opstellen diagnostisch beeld. In deze fase

wordt bezien wat er aan de hand is met een cliŽnt of binnen een cliŽntsysteem: wat is de

hulpvraag, wat zijn de problemen, waardoor worden deze veroorzaakt of in stand

gehouden en in hoeverre kan het cliŽntsysteem op eigen kracht verbetering bereiken in

de situatie.

De benodigde informatie over de cliŽnt en zijn/haar situatie wordt verzameld. Het doel

van de informatieverzameling in deze fase is om zo snel als mogelijk helder te krijgen

welke zorg de cliŽnt nodig heeft.

Uitgangspunt is dat het BJZ gebruik maakt van reeds beschikbare informatie zodat

cliŽnten hun verhaal niet opnieuw hoeven te vertellen of meermalen vergelijkbare

onderzoeken behoeven te ondergaan. Het BJZ vraagt, na toestemming van de ouders

en/of de jeugdige, informatie op bij voorzieningen waar de jeugdige en het gezin al

bekend zijn (onderwijs, betrokken zorgverleners, jeugdgezondheidszorg, huisarts).

Wordt door deze voorzieningen de benodigde informatie verstrekt, of is een cliŽnt al

bekend bij het BJZ, dan worden de fase van Analyse en opstellen diagnostisch beeld

versneld doorlopen. Het accent ligt dan op het toetsen en zonodig actualiseren van de

reeds beschikbare informatie.

De informatieverzameling is gericht op het onderbouwen van het indicatiebesluit. Alleen

die informatie die nodig is voor het nemen van een beslissing over de te indiceren zorg

wordt verzameld.

? De informatieverzameling is er op gericht om zo snel en accuraat als mogelijk is

helder te krijgen welke zorg de cliŽnt nodig heeft.

? Het BJZ vraagt informatie op bij voorzieningen waar de jeugdigen en het gezin al

bekend zijn.

?

Als de benodigde informatie beschikbaar is dan wordt de fase van Analyse en

opstellen diagnostische beeld versneld doorlopen.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 5

1.1.2 Vaststellen of er sprake is van psychiatrische problematiek

In de fase van Analyse en opstellen diagnostisch beeld wordt bezien wat er aan de hand

is met een cliŽnt of binnen een cliŽntsysteem: wat is de hulpvraag en wat zijn de

achterliggende problemen. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van psychiatrische

problematiek worden 3 stappen gezet:

- Taxatie aard van de problematiek

- Taxatie ernst van de problematiek

- Vaststellen dat er sprake is van psychiatrische problematiek

Deze hieronder beschreven stappen en het vaststellen van de benodigde zorg worden in

kort tijdsbestek uitgevoerd; bij voorkeur op 1 dag of binnen enkele dagen.

Bij het verzamelen van de benodigde informatie wordt gebruikgemaakt van informatie

die reeds beschikbaar is vanuit andere voorzieningen. Indien een gekwalificeerde

gedragswetenschapper2 of kinderpsychiater al heeft vastgesteld dat er sprake is van

psychiatrische problematiek, en er voldoende informatie beschikbaar is, kunnen de

hieronder beschreven stappen worden overgeslagen. De BJZ-medewerker toetst de

informatie en stelt in samenspraak met de cliŽnt een ontwerp-indicatiebesluit op. De

medewerker legt dit ontwerp, conform de WJZ, ter toetsing voor aan een gekwalificeerde

gedragswetenschapper.

Stap 1: Taxatie aard van de problematiek

Met het oog op een eerste analyse van de hulpvraag en een taxatie van de aard van de

problematiek verzamelt het BJZ informatie over de cliŽnt en zijn/haar situatie. Het BJZ

legt daarbij de volgende informatie vast:

? Gegevens van het cliŽntsysteem en de betrokken instanties.

? De aanmeldingsvraag en een beschrijving van de huidige situatie

? Inventarisatie van eerdere hulpverlening en onderzoeken.

? Analyse van de probleemsituatie; risicofactoren en beschermende factoren.

Rijst tijdens de eerste analyse het vermoeden dat er sprake is van psychiatrische

problematiek dan wordt de SPsy (Screeningsinstrument PSYchische stoornissen) of de

CBCL (Child Behavior Checklist) afgenomen3.

De medewerker gebruikt de scores op de SPsy of de CBCL, in samenhang met de

hierboven beschreven informatie, ter ondersteuning van de besluitvorming omtrent de te

indiceren zorg.

Stap 2: Taxatie ernst van de problematiek

Met het oog op de bepaling van de zwaarte van de benodigde zorg is het noodzakelijk dat

de ernst van de problematiek in kaart wordt gebracht. De ernst van de problematiek

wordt enerzijds bepaald door zwaarte en duur van de problemen, anderzijds door de

mate waarin de problemen belemmerend voor de jeugdige en/of belastend voor de

omgeving zijn.

Op basis van de verzamelde informatie wordt de QUICKSTEP4 ingevuld. De QUICKSTEP levert

een globale indicatie op voor de zwaarte en de urgentie van de benodigde zorg.

2 Zie deel 2 voor de kwalificaties

3 De SPsy heette voorheen SDQ+; voor een korte beschrijving van de instrumenten zie Toelichting bij het

protocol. BJZ’s kunnen er voor kiezen om de CBCL ůf de SPsy te gebruiken. Deze keuze maken zij in

samenspraak met de aanbieders van jeugd-GGZ in hun provincie. Zie ook deel 3.

4 Voor een korte beschrijving van de QUICKSTEP zie Toelichting bij het protocol.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 6

Stap 3: Vaststellen dat er sprake is van psychiatrische problematiek

Wanneer op grond van de taxatie van de aard van de problemen het vermoeden is

gerezen dat er sprake is van psychiatrische problematiek, ťn dat vermoeden wordt

bevestigd door de score van de SPSY of de CBCL, dan stelt de BJZ medewerker een

ontwerp-indicatiebesluit op en legt dit ter toetsing voor aan een gedragswetenschapper.

Deze gedragswetenschapper is verbonden aan het BJZ en heeft aantoonbare kennis van

en ervaring met de diagnostiek en de behandeling van jeugdigen met psychiatrische

problematiek (zie ook Deel 2: deskundigheden BJZ).

De gedragswetenschapper stelt, op basis van de beschikbare informatie, vast of er

inderdaad sprake is van psychiatrische problematiek5 en toetst of de geÔndiceerde zorg

passend is.

Indien niet duidelijk is of er sprake is van psychiatrische problematiek ůf het is niet

duidelijk welke zorg het beste antwoord is dan consulteert de medewerker BJZ in eerste

instantie bovengenoemde gedragwetenschapper. Indien nodig worden deskundigen uit

het zorgaanbod geconsulteerd, dit gebeurd met name wanneer er sprake is van

sectoroverschrijdende problematiek (GGZ / LVG / Jeugdzorg). Dit consult kan zowel

bilateraal van aard zijn of in de vorm van een georganiseerd overleg.

Wanneer het op grond van de verzamelde informatie echt niet mogelijk is om de

beslissing omtrent de indicatiestelling te nemen, adviseert de gedragsdeskundige welk

nader onderzoek moet worden uitgevoerd en door wie.

Aanvullende diagnostiek kan op drie manieren worden uitgevoerd:

a. Wanneer duidelijk is dat psychiatrische behandeling noodzakelijk is dan wordt de

aanvullende diagnostiek binnen de kaders van de ZVW uitgevoerd.

b. Wanneer geen psychiatrische behandeling nodig is maar nadere informatie

noodzakelijk is om een andere indicatie te kunnen stellen wordt de diagnostiek door

het BJZ zelf, of onder verantwoordelijkheid van het BJZ, uitgevoerd.

c. Wanneer geen psychiatrische behandeling nodig is maar observatiediagnostiek met

(deeltijd-)verblijf noodzakelijk is om een indicatie te kunnen stellen dan indiceert het

BJZ deze functie binnen de kaders van de WJZ.

? Bij een vermoeden van psychiatrische problematiek wordt standaard de SPsy of de

CBCL afgenomen. Met het oog op de bepaling van de zwaarte en urgentie van de

zorg wordt tevens de QUICKSTEP afgenomen.

? Een gekwalificeerde gedragswetenschapper toetst het ontwerp-indicatiebesluit: stelt

vast of er sprake is van psychiatrische problematiek en toetst of de geÔndiceerde

zorg een passend antwoord biedt.

?

Bij twijfel over de aard van de te indiceren zorg worden deskundigen uit het

zorgaanbod geconsulteerd.

5 Het BJZ stelt vast dŠt er sprake is van psychiatrische problematiek; het BJZ geeft geen psychiatrische

diagnose of DSMIV classificatie.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 7

1.2 Vaststellen benodigde zorg

1.2.1 Algemeen

Aan de hand van de verzamelde informatie bepaalt de medewerker BJZ in samenspraak

met de cliŽnt welke zorg nodig is. Indien er sprake is van psychiatrische problematiek en

geÔndiceerde zorg noodzakelijk is dan zijn er vier wettelijke kaders waarbinnen de zorg

verleend kan worden: de Zorgverzekeringswet (ZVW, met ingang van 2007), de Wet op

de Jeugdzorg (WJZ), de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de

Beginselenwet JustitiŽle Jeugdinrichtingen (BJJ).

Afbakening ZVW – WJZ – AWBZ – BJJ

Ingeval er sprake is van psychiatrische problematiek:

? Zorg in het kader van de ZVW

De psychiatrische problematiek is zodanig van aard dat een psychiatrische aanpak

noodzakelijk is. In deze situatie is Geneeskundige Geestelijke Gezondheidszorg nodig

en wordt een aanspraak op de Zorgverzekeringswet vastgelegd.

? Zorg in het kader van de WJZ

Naast psychiatrische problematiek is er sprake van opgroei- en opvoedproblemen

waarvoor Jeugdzorg noodzakelijk is.

? Zorg in het kader van de AWBZ

De jeugdige heeft persoonlijke verzorging (PV) en/of ondersteunende begeleiding

(OB) nodig (al dan niet icm verblijf). In deze situatie geeft het BJZ de benodigde

AWBZ-indicaties af.

?

Opname JustitiŽle Jeugdinrichting6

De jeugdige heeft ernstige gedragsproblemen waarvoor opvang of behandeling

binnen een beveiligde of beperkt beveiligde setting nodig is.

6 Er ligt een voorstel voor een wetswijziging welke inhoudt dat per 2007 gesloten opvang en behandeling in het

kader van de WJZ mogelijk wordt. Op het moment dat deze wetswijziging in werking treedt verandert de rol

van de justitiŽle jeugdinrichtingen.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 8

1.2.2 Zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet (ZVW)

Indien er sprake is van psychosociale, psychische of gedragsproblemen die hun oorzaak

vinden of mede vinden in een psychiatrische aandoening van een jeugdige die zodanig

van aard is dat een psychiatrische aanpak van de problemen noodzakelijk is bestaat er

geen aanspraak op jeugdhulp, verblijf of observatiediagnostiek ingevolge de WJZ

(Uitvoeringsbesluit WJZ artikel 3 lid2b, artikel 4 lid2b, artikel 5 lid2). Met ingang van

2007 bestaat er in bovengenoemde situatie aanspraak op de ZVW7.

Met ingang van 2007 financiert de ZVW:

- alle extramurale geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

- het eerste jaar van alle intramurale geneeskundige geestelijke gezondheidszorg8; dit

verblijf houdt een integraal pakket in.

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, ofwel jeugd-GGZ, kan in combinatie met

Jeugdzorg, AWBZ-zorg of opname in een JustitiŽle jeugdinrichting worden geÔndiceerd.

Zorgaanspraak ZVW (per 2007)

? Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (al dan niet in combinatie met verblijf)

Voor de jeugd-GGZ vervult het BJZ een indicerende rol. De mogelijkheid van

rechtstreekse verwijzing door de huisarts, of de daarmee gelijkgestelde behandelaar,

naar de jeugd-GGZ blijft bestaan.

-

Ingeval het BJZ een indicatie voor de ZVW afgeeft moet dit besluit voldoen aan de

eisen van de WJZ (zie ook 1.2.5).

- Wat betreft de aard van de zorg wordt volstaan met het benoemen dŠt

geneeskundige geestelijke gezondheidszorg is geÔndiceerd. Het BJZ stelt niet vast

welke vorm van jeugd-GGZ geboden moet worden9.

- De duur van de zorg stelt het BJZ standaard op maximaal 1 jaar.

- Op grond van het indicatiebesluit van het BJZ, de overgedragen informatie en (indien

nodig) nader diagnostisch onderzoek stelt de aanbieder van jeugd-GGZ vast welke

zorg geŽigend is.

7 In artikel 5 lid 2 van de WJZ staat vermeld dat het BJZ moet vaststellen op welke zorg de cliŽnt is

aangewezen. Hier wordt de ZVW aan toegevoegd.

8 Verblijf omvat verblijf gedurende een ononderbroken periode van ten hoogste 365 dagen, dat medisch

noodzakelijk is in verband met de geneeskundige zorg, al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging

of paramedische zorg. Een onderbreking van ten hoogste 30 dagen wordt niet als een onderbreking beschouwd,

maar deze dagen tellen niet mee voor de berekening van de 365 dagen. Onderbrekingen wegens weekend en

vakantieverlof tellen wel mee voor de berekening van de 365 dagen (artikel 2.10 Besluit ZVW).

9 Reden hiervoor is de herziening van de bekostigingssystematiek binnen de curatieve GGZ. Het einddoel van

deze herziening is dat Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s) het fundament vormen voor een

contractenstelsel tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Binnen dat stelsel zijn zorgaanbieders zelf

verantwoordelijk voor het vaststellen van de Diagnose-Behandel-Combinatie. Deze werkwijze is niet te

verenigen met een indicatiebesluit van het BJZ waarin de exacte aard en omvang van de zorg reeds is

vastgelegd.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 9

1.2.3 Zorg in het kader van de Wet op de Jeugdzorg (WJZ)

Een aanspraak op Jeugdzorg ingevolge de WJZ omvat jeugdhulp, verblijf en

observatiediagnostiek (Uitvoeringsbesluit WJZ artikel 2).

Indien er sprake is van opgroei- en opvoedproblemen waarvoor jeugdzorg noodzakelijk

is, terwijl er ook sprake is van psychiatrische problematiek, kan toch Jeugdzorg worden

geÔndiceerd. Jeugdzorg kan worden geÔndiceerd in combinatie met jeugd-GGZ maar ook

zonder jeugd-GGZ ingeval een psychiatrische aanpak niet (langer) noodzakelijk is.

Het vastleggen van de zorgaanspraken in het kader van de WJZ gebeurt conform het

Uitvoeringsbesluit WJZ en de uitwerking daarvan in de tabel Zorgvorm en omvang

benodigde zorg uit het Gegevenswoordenboek Jeugdzorg.

Zorgaanspraken WJZ (conform gegevenswoordenboek Jeugdzorg)

? Jeugdhulp

1. Jeugdhulp Thuis

2. Jeugdhulp Accommodatie zorgaanbieder individueel

3. Jeugdhulp Accommodatie zorgaanbieder groep

De omvang van de jeugdhulp wordt uitgedrukt in het totaal aantal uren in de

termijn gedurende welke de aanspraak geldt.

? Verblijf

4. Verblijf pleegouder deeltijd

5. Verblijf pleegouder 24-uurs

6. Verblijf Accommodatie zorgaanbieder deeltijd

7. Verblijf Accommodatie zorgaanbieder 24-uurs

De omvang van het verblijf wordt uitgedrukt in het aantal uren per etmaal en

het aantal dagen waarover de uren worden gespreid.

? Observatiediagnostiek

8. Observatiediagnostiek deeltijd

9. Observatiediagnostiek 24-uurs

De omvang van de observatiediagnostiek wordt uitgedrukt in aantal uren per

etmaal en aantal dagen per week waarover deze uren verspreid worden.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 10

1.2.4 Zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

De systematiek voor het verkrijgen van AWBZ-zorg is als volgt:

Het BJZ stelt op de wijze zoals beschreven in paragraaf 1.1.2. vast of er sprake is van

een psychiatrische grondslag. Vervolgens wordt de zorgbehoefte geÔnventariseerd en

wordt in het indicatiebesluit aangegeven voor welke functie(s) en klassen de verzekerde

in aanmerking komt. Met dit indicatiebesluit wendt een verzekerde zich tot een door het

zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbieder om zijn zorgbehoefte om te zetten in

daadwerkelijk zorg, dan wel de verzekerde vraagt een PersoonsGebonden Budget (PGB)

aan bij het zorgkantoor.

AWBZ-indicaties met Psychiatrische grondslag (situatie per 2007)

? Alle extramurale

niet-geneeskundige

geestelijke

gezondheidszorg

Persoonlijke Verzorging (PV)

Ondersteunende Begeleiding (OB)

Alleen voorzover het

activiteiten betreft die

geen integraal

onderdeel10 vormen van

een psychiatrische

behandeling

? Alle intramurale

niet-geneeskundige

geestelijke

gezondheidszorg

Verblijf (VB) evt. in combinatie

met Persoonlijke Verzorging (PV),

Ondersteunende Begeleiding (OB)

Alleen voorzover het

verblijf en activiteiten

betreffen die geen

onderdeel vormen van

een psychiatrische

behandeling

? Intramurale

geneeskundige

geestelijke

gezondheidszorg na

het eerste jaar

Dit houdt een integraal pakket in

van verblijf met behandeling

inclusief alle eventuele andere

AWBZ-functies.

Jeugdhulp omvat geen persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding. Wanneer

deze zorg noodzakelijk is bij jeugdigen met een psychiatrische grondslag geeft het BJZ

de hiervoor benodigde AWBZ indicaties af11.

- PV en OB kunnen in combinatie met Geneeskundige Geestelijke Gezondheidszorg

(ZVW) en/of in combinatie met Jeugdzorg (WJZ) geÔndiceerd worden. Echter alleen

voorzover het activiteiten betreft die geen integraal onderdeel vormen van de

behandeling.

- Voor de uren dat een jeugdige elders verblijft in het kader van een indicatie ZVW,

WJZ of de BJJ kunnen deze functies niťt geÔndiceerd worden.

- Verblijf en behandeling in het kader van Geneeskundige Geestelijke gezondheidszorg

(ZVW) valt na het eerste jaar in zijn geheel onder de AWBZ. Het BJZ geeft in die

situatie een (nieuw) indicatiebesluit af.

10 Integraal onderdeel van de behandeling = binnen behandelplan en onder directe aansturing van de

behandelaar

11 Dit is conform de WJZ artikel 5 lid b en het Uitvoeringsbesluit WJZ artikel 9. In artikel 9 staan echter ook de

functies Behandeling en Activerende Begeleiding vermeld. Deze worden overgeheveld naar de ZVW. De functie

Huishoudelijke Verzorging wordt per 01-01-2007 overgeheveld naar de WMO.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 11

Inventariseren zorgbehoefte

Bij het vaststellen van de aard en omvang van de benodigde zorg wordt de QUICKSTEP

afgenomen. Daarnaast wordt rekening gehouden met de informele zorg die geboden

wordt, of kan worden. Onder informele zorg wordt zowel Gebruikelijke zorg als

Mantelzorg verstaan.

Gebruikelijke zorg12:

De zorg van ouders, of van verzorgers die tot het huishouden behoren, voor een kind

zonder beperkingen wordt als gebruikelijke zorg beschouwd. Gebruikelijke zorg kan niet

geÔndiceerd worden. Voor het bepalen van de aard en omvang van de benodigde AWBZzorg

wordt de situatie vergeleken met die van een kind zonder beperkingen.

Mantelzorg:

Bij mantelzorg gaat het om zorg die in aard en omvang meer is dan gebruikelijke zorg en

die wordt geboden, of geboden gaat worden, op initiatief van mensen die al dan niet tot

het huishouden behoren. Het gaat hier om ouders, inwonende kinderen en huisgenoten

als zij meer doen dan de gebruikelijke zorg of om buren, vrienden, vrijwilligers,

uitwonende kinderen of grootouders. Als mantelzorg valt onder de termen van de AWBZ

is het, in tegenstelling tot gebruikelijke zorg, in principe te indiceren zorg. Als de

mantelzorger overbelast dreigt te raken of aangeeft (een deel van) de mantelzorg niet

meer te leveren kan voor deze zorg een indicatie worden gegeven.

Vaststellen zorgaanspraken

Het vastleggen van de zorgaanspraken in het kader van de AWBZ gebeurt in de vorm

van functies en klassen13. In Bijlage 1 worden de functies omschreven waarvoor Bureaus

Jeugdzorg, ingeval van een psychiatrische grondslag bij de jeugdige, kunnen indiceren.

Per functie staat aangegeven hoe de omvang van de zorg, de geldigheidsduur en de

leveringsvoorwaarden moeten worden vastgelegd.

De BJZ-medewerker bespreekt met de cliŽnt de keuzemogelijkheid tussen zorg in natura

(ZIN) of een Persoonsgebonden budget (PGB) en legt de voorkeur van de cliŽnt ook vast.

Het vaststellen van AWBZ-aanspraken vraagt om specialistische kennis met betrekking

tot de informele zorg, de AWBZ-functies en klassen en de mogelijkheden van het PGB.

Met het oog op een integrale indicatiestelling is het van belang dat BJZ-medewerkers

bekend zijn met deze AWBZ regelingen. Daarnaast wordt voorgeschreven dat ieder BJZ

over AWBZ-specialisten dient te beschikken (zie Deel 2: Deskundigheden BJZ). Deze

specialisten adviseren BJZ-medewerkers en/of verzorgen de afwikkeling van AWBZaanspraken.

?

Bij het vastleggen van AWBZ-aanspraken worden BJZ medewerkers ondersteund

door AWBZ-specialisten.

12 Er zijn nog geen wettelijk vastgelegde richtlijnen om vast te stellen wat gebruikelijk zorg is. Gebruik is

gemaakt van het door het CIZ gebruikte Werkdocument gebruikelijke zorg.

13 In het uitvoeringsbesluit WJZ artikel 21 lid 2 staat ten onrechte dat de systematiek van de jeugdzorg moet

worden gevolgd bij het vaststellen van de zorgaanspraken AWBZ. Het uitvoeringsbesluit wordt op dit punt

aangepast.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 12

1.2.5 Het indicatiebesluit

Het indicatiebesluit van het BJZ verleent de cliŽnt een recht op zorg in het kader van de

WJZ, de ZVW, de AWBZ of op plaatsing in een JustitiŽle Jeugdinrichting. De cliŽnt kan dit

recht verzilveren bij een aanbieder van zorg of (ingeval van een AWBZ-aanspraak)

kiezen voor een PGB14.

Het indicatiebesluit moet voldoen aan de eisen van de WJZ en het Uitvoeringsbesluit:

In artikel 6 van de WJZ wordt gesteld dat het BJZ in het indicatiebesluit in ieder geval

aangeeft:

- Een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliŽnt, de ernst en

de mogelijke oorzaken daarvan.

- Een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met de zorg

beoogde doel.

- De duur van de zorg, gerekend van af het moment dat de zorg is begonnen. (Het

Uitvoeringsbesluit schrijft een maximale duur van 1 jaar voor met specifieke

uitzonderingen binnen de pleegzorg, de AWBZ en voor vreemdelingen).

- De termijn waarbinnen de aanspraak op Jeugdzorg tot gelding moet zijn gebracht.

(Het Uitvoeringsbesluit schrijft een maximale duur van 13 weken voor).

- Een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen

- Of coŲrdinatie van de zorg gewenst is en zo ja wie dat het beste kan uitvoeren

In hoofdstuk 7 van het Uitvoeringsbesluit WJZ worden nadere regels gesteld omtrent de

inhoud van het indicatiebesluit:

- Indien voorzien wordt dat de zorg waarop de cliŽnt is aangewezen niet op tijd

beschikbaar is kan het BJZ vervangende zorg aanduiden. Daarvan kan de cliŽnt

gebruik maken tot het moment waarop de aangewezen zorg beschikbaar komt.

- Indien ten behoeve van een jeugdige meerdere cliŽnten aangewezen zijn op

jeugdzorg dan geven de indicatiebesluiten de samenhang aan.

Het Uitvoeringsbesluit stelt de volgende kwaliteitseisen aan het indicatiebesluit:

- aan het indicatiebesluit ligt een aanvraag van een cliŽnt ten grondslag

- over het indicatiebesluit wordt ten minste eenmaal overleg gepleegd met de

aanvrager

- het ontwerp indicatiebesluit wordt voorgelegd aan een gekwalificeerde

gedragswetenschapper.

1.2.6 Informatieoverdracht richting zorgkantoor

Ingeval van een AWBZ-indicatie gelden aanvullende eisen in verband met de

informatieoverdracht aan het zorgkantoor. De betreffende gegevensset staat nog niet

vast en maakt onderdeel uit van een onderzoek dat het College van Zorgverzekeraars in

2006 uitvoert naar de aansluiting BJZ-AZR (= AWBZbrede zorgregistratie). De

aanvullende eisen worden opgenomen in het Indicatieprotocol voor Jeugdigen met een

licht verstandelijke handicap.

? Het indicatiebesluit voldoet aan de eisen die de WJZ en het uitvoeringsbesluit

daaraan stellen.

? Ingeval van een AWBZ indicatie verstrekt het BJZ informatie aan het zorgkantoor.

Voorschriften hiervoor worden opgenomen in het indicatieprotocol voor jeugdigen

met een licht verstandelijke handicap.

14 Binnen de kaders van de ZVW is de mogelijkheid geschapen om te experimenteren met PGB’s. Onduidelijk is

nog op welke wijze aan deze experimenten vorm gegeven wordt.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 13

Deel 2. Deskundigheden BJZ

De WJZ stelt in beperkte mate opleidingseisen aan de medewerkers van het BJZ.

Voorgeschreven wordt dat het BJZ beschikt over deskundigheid met betrekking tot de

beoordeling en aanpak van (oa) psychiatrische problemen bij jeugdigen. Ook moet een

gekwalificeerde gedragsdeskundige een oordeel geven over het indicatiebesluit. In

aanvulling op de WJZ worden in het onderstaande eisen gesteld aan de deskundigheid

van BJZ-medewerkers en gedragswetenschappers die verantwoordelijk zijn voor de

indicatiestelling voor jeugdigen met psychiatrische problematiek.

2.1 Deskundigheden BJZ-medewerker

Voor het stellen van indicaties voor jeugdigen met psychiatrische problematiek dienen

BJZ-medewerkers ten minste te beschikken over:

- Een HBO-opleiding SPH of Maatschappelijk werk

- Aanvullende scholing op het gebied van psychiatrische problemen bij kinderen en

jeugdigen

- Aanvullende scholing op het gebied van het gebruik van de SPsy, of de CBCL, en de

QuickSTEP

- Kennis van de mogelijke zorgaanspraken voor jeugdigen met psychiatrische

problematiek binnen de kaders van de ZVW, de WJZ, de AWBZ en BJJ.

2.2 Deskundigheden gedragswetenschapper

De WJZ verstaat onder de term gekwalificeerde gedragswetenschapper:

- Degene die lid is van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) en is

opgenomen in het Register Klinisch Psychologen of in het register Kinder- en

Jeugdpsychologen en beschikt over de basisaantekening psychodiagnostiek van het

NIP.

- Degene die lid is van de Nederlandse Vereniging van pedagogen en

Onderwijskundigen (NVO) en geregistreerd is als pedagoog-generalist.

- De BIG-geregistreerde gezondheidspsycholoog.

(Uitvoeringsbesluit WJZ, artikel 1 lid m)

In aanvulling hierop stelt schrijft dit protocol het volgende voor:

Gedragswetenschappers die verantwoordelijk zijn voor het toetsen van, en adviseren bij,

indicaties voor jeugdigen met psychiatrische problematiek hebben aantoonbare

deskundigheid en ervaring op het gebied van de diagnostiek en behandeling van

psychiatrische problematiek bij jeugdigen.

Het BJZ draagt er zorg voor dat deze deskundigheid in voldoende mate beschikbaar is.

Zij doet dit door deze deskundigen in dienst te nemen of door detacheringsovereenkomsten

te sluiten met aanbieders van jeugd-GGZ.

2.3 Specialistische kennis AWBZ-aanspraken

Voor het vaststellen van AWBZ-aanspraken is specialistische kennis nodig (zie 1.2.4 in

deel 1 van dit protocol). Voorgeschreven wordt dat BJZ-medewerkers op de hoogte zijn

van de AWBZ systematiek zoals in dit protocol is omschreven, inclusief de mogelijkheden

van het PGB. Daarnaast beschikt een BJZ over AWBZ-specialisten. Deze deskundigen

adviseren BJZ-medewerkers ten aanzien van het vaststellen van AWBZ-aanspraken en/of

dragen zorg voor de verdere afhandeling van deze aanspraken.

Rond de AWBZ spelen diverse beleidsontwikkelingen en wetswijzigingen die de komende

jaren van invloed zullen zijn op de indicatiestelling. Dit betekent dat er sprake moet zijn

van periodieke bijscholing van de betreffende specialisten.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 14

? BJZ-medewerkers die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van indicatiebesluiten

voor jeugdigen met psychiatrische problemen:

- hebben tenminste een HBO opleiding (SPH of Maatschappelijk werk)

- beschikken over enige basis kennis van psychopathologie bij jeugdigen

- zijn geschoold in het afnemen en interpreteren van de SPsy of de CBCL en de

QuickStep

- zijn bekend met de mogelijke zorgaanspraken binnen de kaders van de ZVW, de

WJZ, de AWBZ en de BJJ

? Het BJZ draagt er zorg voor dat medewerkers, bij vermoeden van psychiatrische

problematiek, eenvoudig en snel een gekwalificeerde gedragswetenschapper met

deskundigheid en ervaring op het gebied van de diagnostiek en behandeling van

psychiatrische problematiek bij jeugdigen kunnen consulteren.

?

Het BJZ draagt er zorg voor dat medewerkers eenvoudig en snel een beroep kunnen

doen op AWBZ-specialisten voor het vaststellen van AWBZ-aanspraken

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 15

Deel 3. Informatie-uitwisseling BJZ en aanbieders jeugd-GGZ

In dit deel staat de informatie-uitwisseling tussen het BJZ en de aanbieders van jeugd-

GGZ binnen hun werkgebied centraal. Het betreft de informatie die BJZ’s verzamelen en

verstrekken aan de aanbieders van jeugd-GGZ, het gebruik van deze informatie door

aanbieders van jeugd-GGZ en het terugkoppelen van informatie door aanbieders van

jeugd-GGZ.

3.1 Informatieverstrekking door BJZ

In deel 1 staat beschreven welk soort informatie BJZ’s verzamelen voor de onderbouwing

van het indicatiebesluit. Concreet gaat hier om:

? Gegevens van het cliŽntsysteem en de betrokken instanties.

? De aanmeldingsvraag en een beschrijving van de huidige situatie

? Inventarisatie van eerdere hulpverlening en onderzoeken.

? Analyse van de probleemsituatie; risicofactoren en beschermende factoren.

? Informatie verzameld met behulp van de SPsy of de CBCL en de QuickSTEP

Deze informatie wordt door de BJZ’s verstrekt aan de aanbieder die de cliŽnt in zorg

neemt.

? De informatie die het BJZ met het oog op de onderbouwing van het indicatiebesluit

heeft verzameld, draagt het BJZ over aan de aanbieder van jeugd-GGZ die de cliŽnt

in zorg neemt

3.2 Het gebruik van informatie door de aanbieder van jeugd-GGZ

De informatie die wordt verstrekt door het BJZ vormt het vertrekpunt bij het uitvoeren

van de aanvullende diagnostiek en het opstellen van de behandelovereenkomst. Door

een zorgvuldige informatieoverdracht wordt voorkomen dat aanbieders van jeugd-GGZ

het werk van de BJZ’s nog eens over doen en cliŽnten opnieuw dezelfde informatie

moeten verschaffen of onderzoeken voor de tweede keer moeten ondergaan.

?

Aanbieders van jeugd-GGZ bouwen voort op de informatie van BJZ. Zij vermijden

herhaling van informatieverzameling of onderzoek.

3.3 Informatieverstrekking door de aanbieder van jeugd-GGZ

Eťn van de wettelijke taken van het BJZ betreft het volgen van de verleende zorg en het

bijstaan van de cliŽnt bij vragen omtrent de inhoud van deze zorg, alsmede de evaluatie

van deze zorg (WJZ art. 10, eerste lid, sub f t/m i).

Voor de uitvoering van deze taken is het noodzakelijk dat BJZ’s tenminste beschikken

over de volgende gegevens:

- datum aanvang zorg

- datum einde zorg

- de aard en omvang van de daadwerkelijk geleverde zorg

- gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de zorg; waaronder de mate waarin het

doel van de behandeling, zoals vermeld in het indicatiebesluit, is bereikt.

Wanneer uit de evaluatie van de zorg blijkt dat een nieuwe indicatie noodzakelijk is

verschaft de aanbieder van jeugd-GGZ de daartoe benodigde informatie. Het BJZ

gebruikt deze informatie voor het opstellen van het nieuwe indicatiebesluit (zie ook 1.1.1

in deel 1 van dit protocol).

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 16

? Aanbieders van jeugd-GGZ verstrekken de informatie die het BJZ nodig heeft voor de

uitvoering van haar wettelijke taken.

?

Ingeval een nieuwe indicatie noodzakelijk is verschaft de aanbieder van jeugd-GGZ

de benodigde informatie. Het BJZ gebruikt deze informatie voor het versneld

opstellen van het nieuwe indicatiebesluit.

3.4 Omgang met cliŽntgegevens: WJZ en WGBO

Voor de BJZ’s gelden de privacyregels uit de WJZ, de regels hebben betrekking op de

vrijwillige jeugdzorg ťn de jeugdbescherming. Uitgangspunt van de geheimhoudingsplicht

van de werker in de jeugdzorg is dat de werker geen informatie geeft over de cliŽnt

zonder zijn uitdrukkelijke toestemming.

Medewerkers in de jeugd-GGZ zijn gebonden aan de Wet Geneeskundige Behandel-

Overeenkomst (WGBO). Medewerkers in de jeugd-GGZ kennen het beroepsgeheim

hetgeen ook betekent dat zij zonder toestemming van de cliŽnt geen informatie mogen

verstrekken aan anderen.

Binnen zowel de WJZ Šls de WGBO geldt voor het verstrekken van informatie dat:

- indien de cliŽnt jonger is dan 12 jaar de wettelijke vertegenwoordiger (de

gezaghebbende ouder of de voogd) namens de cliŽnt toestemming moet geven voor

het verstrekken van informatie.

- een cliŽnt vanaf 12 jaar om toestemming wordt gevraagd, tenzij hij “niet in staat is

tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”. In dat geval moet de

wettelijke vertegenwoordiger toestemming geven voor het verstrekken van

informatie.

Binnen de WJZ is een uitzondering die het mogelijk maakt cliŽntgegevens te verstrekken

aan andere beroepskrachten van wie medewerking nodig is voor de uitvoering van de

zorg of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Hoewel deze mogelijkheid

bestaat zal, in ieder geval bij vrijwillige hulp, in beginsel toch toestemming worden

gevraagd.

? Met instemming van de cliŽnt, of zijn wettelijke vertegenwoordiger indien de cliŽnt

jonger is dan 12 jaar, kan de in 3.1 en 3.3 beschreven informatie worden

uitgewisseld.

3.5 Afspraken BJZ en aanbieders van jeugd-GGZ

Om een adequaat gebruik van de beschikbare informatie te realiseren sluiten BJZ’s met

de aanbieders van jeugd-GGZ binnen hun werkgebied overeenkomsten af over de aard

en de kwaliteit van de informatie die –over en weer- wordt verstrekt. Onderdeel van deze

overeenkomsten betreft de te gebruiken vragenlijsten en instrumenten. Het BJZ laat zich

bij de keuze voor de SPsy of de CBCL adviseren door de aanbieders van jeugd-GGZ

binnen de regio. Ten minste 1 maal per jaar evalueren de BJZ’s en de aanbieders van

jeugd-GGZ deze overeenkomsten.

? BJZ en aanbieders van jeugd-GGZ stellen overeenkomsten op waarin zij vastleggen

welke informatie zij over en weer verstrekken. Deze overeenkomst wordt tenminste

jaarlijks geŽvalueerd en zonodig bijgesteld.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 17

Bronnen

Literatuur:

College voor Zorgverzekeringen (2003). Functiegerichte aanspraken.

Eijgenraam, K, M.van der Steege (2005). Een samenhangend instrumentarium voor het

bureau jeugdzorg. Utrecht: NIZW

Konijn, C. (2005). Voorbeeldformulier Ontwerp indicatiebesluit Bureau Jeugdzorg.

Utrecht: NIZW jeugd

Ministerie van VWS (2003). Omgang met cliŽntgegevens in de jeugdzorg

Oort, M. van, H. van ’t Land, C. de Ruiter (2006). Handleiding voor het gebruik van het

screeningsinstrument psychische stoornissen (SPsy) binnen Bureau Jeugdzorg. Utrecht:

Trimbos instituut.

Verhulst, F.C., J. van der Ende, H.M. Koot (1996). Handleiding CBCL / 4-18. Rotterdam:

Erasmus Universiteit / Sophia Kinderziekenhuis, afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie.

Yperen, T.A. van, G. van den Berg, K. Eijgenraam (2003). QuickSTEP Snelle Standaard

Taxatie Ernst Problematiek / Handleiding. Utrecht: NIZW

Zwier, H.P. (2005). Referentiewerkmodel Bureau Jeugdzorg. Ordina Public Management

Relevante wet en regelgeving

Wet op de Jeugdzorg

Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg

Algemene Wet Bijzondere ziektekosten

Besluit Zorgaanspraken AWBZ

Zorgverzekeringswet

Besluit Zorgverzekeringswet

Beginselenwet JustitiŽle Jeugdinrichtingen

Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst

Websites

www.aseba.nl

www.ciz.nl

www.dbcggz.nl

www.ggzbeleid.nl

www.jeugdzorg.nl

www.kenniscentrum-kjp.nl

www.overheveling-ggz.nl

www.minvws.nl

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 18

Geraadpleegde deskundigen

Liesbeth Hendriks BJZ Noord Brabant

Marjolein Knaap BJZ Haaglanden / Zuid-Holland

Jurrien Heydelberg BJZ Rotterdam

Ron Heinrich BJZ Amsterdam

Dries Roosma BJZ Drenthe

Theo Horsten BJZ Drenthe

Anneke de Leeuw BJZ Utrecht

Joep Verbugt BJZ Limburg

Mascha vd Ven BJZ Limburg

Jan Moes BJZ Flevoland

Hanneke Wijnen BJZ Groningen

Astrid Huisman BJZ Noord Holland

Mieke Looman BJZ Overijssel

Leo Bedaux De Jutters

Jos Rietveld Accare

Peter Dijkshoorn Accare

Rutger Jan v.d. Gaag ACKJON en Kenniscentrum KJP

Ruud Mindraa Accare en Kenniscentrum KJP

Fop Verheij Sophia kinderziekenhuis

Hubert Bijkerk OCK het Spalier

Carolien Konijn NIZW

Karin Eijgenraam NIZW

Maureen v. Oort Trimbos

Thei van Els Inspectie Gezondheidszorg

Hanneke v. Diggelen College van zorgverzekeraars

Denis Koets NVO

Britt van Beek NIP

Monique Smit NVVP

Aline Saers Per Saldo

Heleen van Deur Adviseur Jeugdzorg / Doorbraak

Hems Zwier Ordina

Huub Pijnenburg Praktikon

Marije van Houwelingen Ministerie van VWS

Harry Coppens Ministerie van VWS

Aaltje Hartholt Ministerie van VWS

Mirjam Pancras Ministerie van VWS

Chris Smissaert Ministerie van VWS

Begeleidingscommissie

Paul Nota Voorzitter / DMO Amsterdam

Ruud van Herk IPO

Truus van Tiggelen MO groep

Peter van den Hoek Zorgverzekeraars Nederland

Willeke Michel Ministerie van VWS

Jack Dane GGZ Nederland

Yvonne Meijer NVO / NIP

Aletta Willems Expertise centrum CIZ

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 19

Bijlage 1: Toelichting op het protocol

Doelstelling en reikwijdte

De doelstelling van dit protocol is tweeledig:

Enerzijds het bevorderen van een adequate uitvoering van de indicatiestelling door BJZ’s

voor jeugdigen met psychiatrische problematiek; anderzijds het bevorderen van de

samenwerking en afstemming tussen BJZ’s en aanbieders van jeugd-GGZ.

Met deze doelstelling is tevens een afbakening van de reikwijdte van dit protocol

gegeven:

- Het protocol richt zich niet op de huisartsen of daarmee gelijkgestelde behandelaars

die richting de jeugd-GGZ kunnen verwijzen.

- Het protocol richt zich niet op de LVG-doelgroep en niet op jeugdigen zonder

psychiatrische problematiek. Ten behoeve van de LVG doelgroep verschijnt in de loop

van 2006 een vergelijkbaar protocol.

- In het protocol ligt de focus bij de BJZ’s; alleen waar het de informatie uitwisseling en

het gebruik van de informatie betreft zijn voorschriften voor aanbieders van jeugd-

GGZ opgenomen.

- Het protocol bevat geen voorschriften voor de informatie-uitwisseling met aanbieders

van provinciale jeugdzorg, justitiŽle jeugdinrichtingen, aanbieders van awbz-zorg

(niet zijnde de jeugd-GGZ) of budgethouders.

Voor wie is het protocol geschreven?

Het protocol bevat inhoudelijke voorschriften omtrent de indicatiestelling voor jeugdigen

met psychiatrische problematiek. BJZ’s en aanbieders van jeugd-GGZ zijn

verantwoordelijk voor het inpassen van deze voorschriften binnen hun eigen

werkprocessen.

Het protocol is geschreven voor beleidsmedewerkers, gedragswetenschappers en

managers die belast zijn met het onderhoud en de implementatie van interne

werkinstructies en protocollen. Deze functionarissen dragen er zorg voor dat de hier

opgenomen voorschriften worden omgezet naar werkinstructies en worden geÔntegreerd

in de eigen protocollen. Daarnaast dragen zij zorg voor de noodzakelijke

randvoorwaarden voor wat betreft de deskundigheden en de informatie-uitwisseling.

Onderbouwing indicatiebesluit

Tijdens het opstellen van het protocol is gebleken dat het niet mogelijk is om een harde

scheidslijn te trekken tussen de doelgroep en het aanbod binnen de jeugdzorg enerzijds

en de doelgroep en het aanbod binnen de jeugd-GGZ anderzijds. Objectieve criteria,

eenduidige definities of harde cut-off scores blijken niet mogelijk en ontbreken derhalve

in dit protocol.

Het doel van de informatieverzameling in de fase van Analyse en opstellen diagnostisch

beeld is om zo snel als mogelijk helder te krijgen welke zorg de cliŽnt nodig heeft. In

deze fase dient niet meer en niet minder informatie verzamelt te worden dan nodig is om

de beslissing omtrent de te indiceren zorg te kunnen nemen. Daarbij moet voor ogen

gehouden worden dat het diagnostische proces niet eindigt met het afgeven van het

indicatiebesluit; hulpverlening is een cyclisch proces van informatie verzamelen,

analyseren, afwegen, besluiten nemen, een plan maken, het plan uitvoeren en

evalueren. Op het moment dat het BJZ heeft vastgesteld op welke zorg de cliŽnt is

aangewezen en die zorg daadwerkelijk is aangevangen loopt deze cyclus door.

In dit protocol is gekozen voor de inzet van eenvoudig te hanteren instrumenten in

combinatie met een professionele oordeelsvorming door de medewerker BJZ en een

gekwalificeerde gedragswetenschapper. Deze combinatie maakt een verantwoorde

besluitvorming over de te indiceren zorg mogelijk. Wanneer er sprake is van

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 20

meervoudige problematiek wordt aangeraden specialisten te consulteren; bijvoorbeeld

gedragsdeskundigen of kinderpsychiaters werkzaam binnen de jeugd-GGZ, de jeugd-LVG

of de provinciale jeugdzorg.

In dit protocol staat voorgeschreven dat de SPsy of de CBCL wordt afgenomen bij een

vermoeden van psychiatrische problematiek. BJZ’s kunnen er ook voor kiezen een van

deze instrumenten standaard af te nemen bij cliŽnten. Het risico dat psychische

stoornissen over het hoofd worden gezien wordt daarmee verkleind. Onderzoek dat

momenteel nog naar de SPsy wordt verricht moet uitwijzen of dit voordeel opweegt

tegen het nadeel van de extra investering (in tijd en geld).

Informatie over de SPsy (Screeningsinstrument PSYchische stoornissen)

De SPsy is een screeningsinstrument voor het signaleren van psychosociale problemen

bij kinderen van 4-18 jaar15. Het Trimbos-instituut heeft dit korte en eenvoudig

schriftelijk af te nemen instrument als hulpmiddel voor het BJZ ontwikkeld.

Aan de hand van de score op 45 eenvoudig te beantwoorden vragen kan een

professionele hulpverlener zijn klinisch beeld van de cliŽnt onderbouwen. De SPsy kan

gebruikt worden om psychische stoornissen te signaleren maar ook als onderdeel van

een behandelevaluatie. De SPsy kan gebruikt worden op het Bureau Jeugdzorg, de

jeugd-GGZ en verwante instellingen voor jeugdzorg.

De SPsy heeft ouderversies voor kinderen van 4-11 jaar, en van 12-18 jaar en een

jongerenversie voor 12-18 jarigen. Er wordt niet alleen naar problemen gevraagd, maar

ook naar sterke kanten. De SPsy kan in gemiddeld 10 minuten afgenomen worden. De

SPsy kan in gemiddeld 3 minuten worden verwerkt en gescoord. Het verdient

aanbeveling de SPsy door tenminste twee informanten te laten invullen

De SPsy meet problemen die zijn gelegen op As-I: klinische syndromen van de DSM-IV.

De SPsy geeft een score op 10 probleemschalen:

- Emotionele symptomen

- Gedragsproblemen

- Hyperactiviteit / Aandachtstekort

- Sociale problemen

- Prosociaal gedrag

- Problemen met alcohol

- Problemen met drugs

- Eetstoornissen

- Zelfdestructief gedrag

- Psychotische kenmerken

Daarnaast beschikt de SPsy over een Impact Supplement. De score op dit onderdeel is

van belang om een onderscheid te kunnen maken tussen klinische en niet-klinische cases

en om de invloed van moeilijkheden op het dagelijks leven vast te stellen.

De SPsy is een screeningsinstrument dat op een relatief snelle wijze een betrouwbare en

valide indicatie geeft van de psychische gesteldheid van de cliŽnt. De genormeerde

totaalscore kan gezien worden als een algemene index waarbij cliŽnten vergeleken

worden met de landelijke populatie kinderen van 4-18 jaar.

Om tot een optimale betrouwbaarheid van de metingen te komen dient de interviewer de

condities waaronder de SPsy wordt afgenomen goed in acht te nemen.

De ouderversie voor 12-18 jarigen geeft de meest betrouwbare waarden, gevolgd door

de ouderversie 4-11 jarigen en de jongerenversie. De perceptie van het kind komt bij de

meeste schalen voldoende tot goed overeen met die van de ouder. Bij de schalen

hyperactiviteit, problemen met leeftijdsgenoten en sociaal gedrag is deze overeenkomst

15 Voor kinderen jonger dan 4 wordt in voorkomende gevallen de CBCL 1Ĺ - 5 gehanteerd.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 21

onvoldoende tot matig. Jongeren hebben in het algemeen moeite met het toegeven dat

zij problemen hebben in het sociale verkeer. Dit is een bekend gegeven in de

psychometrie.

Momenteel voert het Trimbos Instituut een implementatieonderzoek en aanvullend

valideringsonderzoek (ivm toegevoegde vragen) uit. Ook zijn een handleiding en

scholingsprogramma in ontwikkeling.

Informatie over de CBCL (Child Behavior Checklist)

De CBCL vragenlijsten zijn ontwikkeld door Achenbach van de universiteit van Vermont in

Amerika en door Verhulst en van der Ende van de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie

van het Erasmus MC - Sophia in het Nederlands vertaald.

De Gedragsvragenlijst voor Kinderen van 6-18 jaar (CBCL/6-18) is een vragenlijst

waarop ouders, andere familieleden of volwassen die een kind goed kennen vragen

kunnen beantwoorden over vaardigheden en gedrag van een kind. Ouders kunnen op 20

vragen over vaardigheden informatie geven over activiteiten, sociale contacten en

schoolwerk. De CBCL/6-18 heeft 118 specifieke vragen over emotionele en

gedragsproblemen en twee open vragen over andere problemen.

De vragen over vaardigheden vormen de drie vaardigheidsschalen: Activiteiten, Sociaal,

School. Samen vormen deze de schaal Totale Vaardigheden.

De vragen over gedrag vormen de acht probleemschalen

- Teruggetrokken/Depressief,

- Lichamelijke Klachten,

- Angstig/Depressief,

- Sociale Problemen,

- Denkproblemen,

- Aandachtsproblemen,

- Normafwijkend Gedrag en

- Agressief Gedrag.

De eerste drie probleemschalen vormen samen de schaal Internaliseren en de laatste

twee de schaal Externaliseren. Alle vragen over gedrag opgeteld vormen de schaal Totale

Problemen.

Een indeling van de vragen over gedrag die nauw aansluit bij het classificatiesysteem van

de DSM leidt tot zogenaamde DSM-schalen. Deze zes DSM-schalen zijn:

- Affectieve Problemen

- Angstproblemen

- Lichamelijk Problemen

- Aandachtstekort/Hyperactiviteitsproblemen

- Oppositioneel-Opstandige Problemen

- Gedragsproblemen.

De indeling in probleemschalen is gebaseerd op nieuwe factoranalyses die Achenbach

heeft uitgevoerd op gegevens van 4.994 kinderen in GGZ-instellingen. De indeling in

DSM-schalen is gebaseerd op oordelen van internationale deskundigen op het gebied van

classificatie in de kinder- en jeugdpsychiatrie. De schalen zijn genormeerd op gegevens

van een steekproef uit de Amerikaanse bevolking. Op dit moment vindt onderzoek plaats

om de CBCL/6-18 te ijken voor de Nederlandse bevolking.

De Gedragsvragenlijst voor Kinderen van 1Ĺ-5 jaar (CBCL/1Ĺ-5) is een vragenlijst

waarop ouders, andere familieleden of volwassen die een kind goed kennen vragen

kunnen beantwoorden over gedrag, moeilijkheden en goede dingen van een kind. De

CBCL/1Ĺ-5 heeft 99 specifieke vragen over emotionele en gedragsproblemen een vraag

over andere problemen.

De antwoorden op de vragen tellen op tot de probleemschalen:

- Emotioneel Reagerend

- Angstig/Depressief

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 22

- Lichamelijke Klachten

- Teruggetrokken

- Slaapproblemen

- Aandachtsproblemen

- Agressief Gedrag.

De eerste vier probleemschalen vormen samen de schaal Internaliseren en de laatste

twee de schaal Externaliseren. Alle vragen over gedrag opgeteld vormen de schaal Totale

Problemen.

Een indeling van de vragen over gedrag die nauw aansluit bij het classificatiesysteem van

de DSM leidt tot zogenaamde DSM-schalen. Deze vijf DSM-schalen zijn:

- Affectieve Problemen

- Angstproblemen

- Pervasieve Ontwikkelingsproblemen

- Aandachtstekort/Hyperactiviteitsproblemen

- Oppositioneel-Opstandige Problemen.

De indeling in probleemschalen is gebaseerd op nieuwe factoranalyses die Achenbach

heeft uitgevoerd op gegevens van 1.728 kinderen in GGZ-instellingen. De indeling in

DSM-schalen is gebaseerd op oordelen van internationale deskundigen op het gebied van

classificatie in de kinder- en jeugdpsychiatrie. De schalen zijn genormeerd op gegevens

van een steekproef uit de Amerikaanse bevolking. Op dit moment vindt onderzoek plaats

om de CBCL/1Ĺ-5 te ijken voor de Nederlandse bevolking.

Vergelijkbaar met de CBCL vragenlijsten, en tevens behorend tot de “ASEBA-familie”,

zijn de YSR (Youth Self Report for ages 11-18) en de TRF (Teachers Report Form ages 6-

18).

Informatie over de QuickSTEP

De QUICKSTEP is ontwikkeld door het NIZW en bestaat uit een viertal eenvoudige schalen

waarop de verschillende aspecten van ernst van de problematiek van een jeugdige

worden gescoord. Het gebruik van de QUICKSTEP levert de volgende informatie op:

? een beoordeling van het Functioneren Jeugdige

? een globale beoordeling van de Kwaliteit Omgeving

? een globale indicatie van de Zwaarte Zorg

? een globale indicatie van de Urgentie Zorg

De QUICKSTEP werkt structurerend en objectiverend, de afweging met betrekking tot de

zwaarte van de benodigde zorg wordt ondersteund en meer transparant. De QUICKSTEP

kan worden ingezet in het kader van effectonderzoek.

Naar de oorspronkelijke STEP (deze is later verkort tot de QUICKSTEP) is een eerste

verkennend onderzoek gedaan, het instrument is niet beoordeeld in de COTAN. De eerste

onderzoeksresultaten laten zien dat de interne consistentie van de schalen van de STEP

redelijk tot goed te nomen is. Wel blijken de schalen hier en daar het zelfde te meten (de

redunantie is dan te hoog). De dekking van de STEP is ook afdoende, het instrument past

goed bij de populatie van het BJZ. Er zijn nog vragen over de (predictieve) validiteit van

de STEP, het eerste onderzoek geeft slechts aanwijzingen dat de STEP meet wat hij

pretendeert te meten. De komende tijd wordt nog een ijkingsonderzoek uitgevoerd.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 23

Bijlage 2: Toelichting op AWBZ-aanspraken

? Functie: Ondersteunende Begeleiding16 (OB)

- Richt zich op het handhaven van de zelfredzaamheid en integratie in de samenleving.

- Meestal in verband met een beperkt regelvermogen of andere beperkingen die tot

een sociaal isolement dreigen te leiden.

- Ondersteunende begeleiding kan zich ook richten op degenen die langdurig en

intensief voor een ander zorgen. Dit kan in de vorm van respijtzorg (logeren) of in de

vorm van ondersteuning van de verzorger(s).

- Nachtopvang valt onder ondersteunende begeleiding.

- Zowel individuele begeleiding als begeleiding in groepsverband is mogelijk.

? Omvang Ondersteunende begeleiding in uren per week

OB klasse 1

0 tot 1,9 uur/wk Intervalbegeleiding

OB klasse 2 2 tot 3,9 uur/wk Intervalbegeleiding doorgaans meerdere keren per

week

OB klasse 3 4 tot 6,9 uur/wk Min of meer dagelijkse begeleiding, eventueel

meerdere keren per dag

OB klasse 4 7 tot 9,9 uur/wk Continue begeleiding, veelal in samenhang met

geclusterd wonen

OB klasse 5 10 tot 12,9 uur/wk Continue begeleiding plus toezicht, met geclusterd

wonen, structuurbiedend klimaat

OB klasse 6 13 tot 15,9 uur/wk Continue begeleiding en toezicht, geclusterd wonen,

structuurbiedend klimaat met extra aandacht voor

dagindeling en leefregels

OB klasse 7 16 tot 19,9 uur/wk Continue, intensieve begeleiding, individueel en

structuurverlenend, permanent toezicht, accent op

gestructureerde dagindeling, beschermend

leefklimaat

OB klasse 8 20 tot 24,9 uur/wk Continue begeleiding en bescherming, 24uurs nabij,

in therapeutisch leefklimaat; gericht op ernstig

probleemgedrag of ernstige psychische problematiek

? Geldigheidsduur, leveringsvoorwaarde, leveringsvorm

Start zorg

Ingangsdatum geldigheid functie OB

Einde zorg Einddatum geldigheid functie OB

Leveringsvoorwaarde

a. begeleiding volgens afspraak, op geplande tijden

b. volgens afspraak + direct oproepbaar

c. voortdurend in de nabijheid

d. 24 uur per dag direct aanwezig

Leveringsvorm a. Zorg in Natura

b. PGB

16 Mogelijk wordt de functie Ondersteunende Begeleiding in 2007 uitgebreid met lichtere vormen uit de functie

Activerende begeleiding die niet worden overgeheveld naar de ZVW.

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 24

? Functie: Persoonlijke verzorging (PV)

- Het ondersteunen bij, of overnemen van lichaamsgebonden zorg.

- Alle persoonlijke verzorging valt onder de functie.

- Hulp bij niet complex medicijngebruik valt hier eveneens onder.

? Omvang Persoonlijke Verzorging in uren per week

PV klasse 1

Gemiddeld 0 tot 1,9 uur / week

PV klasse 2

Gemiddeld 2 tot 3,9 uur / week

PV klasse 3

Gemiddeld 4 tot 6,9 uur / week

PV klasse 4

Gemiddeld 7 tot 9,9 uur / week

PV klasse 5

Gemiddeld 10 tot 12,9 uur / week

PV klasse 6

Gemiddeld 13 tot 15,9 uur / week

PV klasse 7

Gemiddeld 16 tot 19,9 uur / week

PV klasse 8

Gemiddeld 20 tot 24,9 uur / week

? Geldigheidsduur, leveringsvoorwaarde, leveringsvorm

Start zorg

Ingangsdatum geldigheid functie PV

Einde zorg Einddatum geldigheid functie PV

Leveringsvoorwaarde

a. verzorging volgens afspraak, op geplande tijden

b. volgens afspraak + direct oproepbaar

c. voortdurend in de nabijheid

d. 24 uur per dag direct aanwezig

Leveringsvorm a. Zorg in Natura

b. PGB

Protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek 25

? Functie: Verblijf (VB-TYD en VB-LDU)

- Het bieden van een beschermende woonomgeving, therapeutisch leefklimaat of

permanent toezicht.

- Voeding, schoonmaak en recreatie maken deel uit van verblijf.

- Verblijf betreft verblijf gedurende een etmaal. Indien de verzekerde minder dan een

etmaal aanwezig is, is er geen sprake van verblijf.

- Verblijf kan kortdurend, intermitterend of langdurend zijn, maar altijd gekoppeld aan

een andere functie.

- Ook: verblijf na het eerste jaar intramurale Geneeskundige Jeugd-GGZ.

? Verblijf: kortdurend of intermitterend (ook wel: tijdelijk-verblijf of respijtzorg)

- Verblijf tijdens (af en toe) een weekend of een dag door de week ter verlichting van

informele zorg

- Kortdurende opname in verband met tijdelijke afwezigheid van informele

verzorger(s) in de vorm van “vakantieopvang”

? Omvang Verblijf-tijdelijk in (gemiddeld aantal) etmalen per week

klasse 1 …ťn etmaal (24 uur)

klasse 2 Twee etmalen

klasse 3 Drie etmalen

klasse 4 Vier etmalen

klasse 5 Vijf etmalen

klasse 6 Zes etmalen

Klasse 7 Zeven etmalen

? Startdatum en duur

Start zorg

Ingangsdatum geldigheid functie VB-TYD

Einde zorg Einddatum geldigheid functie VB-TYD

Leveringsvorm c. Zorg in Natura

d. PGB

? Verblijf: langdurend

- Langdurend verblijf, langer dan een jaar, primair in relatie tot psychiatrische

problematiek

? Omvang Verblijf-Langdurend in (gemiddeld aantal) etmalen per week

klasse 4 Vier etmalen

klasse 5 Vijf etmalen

klasse 6 Zes etmalen

Klasse 7 Zeven etmalen

? Startdatum en duur

Start zorg

Ingangsdatum geldigheid functie VB-LDU

Einde zorg Einddatum geldigheid functie VB-LDU

 

 

 

Toegang naar jeugd-GGZ kan sneller en beter

Thematische toezichtronde samenwerking BJZ- jeugd-GGZ

Amsterdam / Utrecht,september 2006

 

Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Eind 2005 is een thematische toezichtronde verricht naar de samenwerking tussen

Bureaus Jeugdzorg en organisaties voor geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen.

Deze toezichtronde vond plaats tegen de achtergrond van de per 1 januari 2005

ingevoerde nieuwe Wet op de jeugdzorg. Uitgangspunt van deze wet is immers dat er

voor jeugdigen met opvoed- en opgroeiproblemen ťťn toegang is tot het zorgaanbod:

Bureau Jeugdzorg.

Helaas moet worden geconstateerd dat adequate en snelle toeleiding van Bureau

Jeugdzorg (BJZ) naar de jeugd-GGZ nog geen gemeengoed is. De meeste BJZ’en geven

na een relatief lang voortraject een globaal indicatiebesluit af, waarna de jeugd-GGZ

alsnog haar eigen intaketraject start. De onderlinge werkprocessen van BJZ en de

jeugd-GGZ zijn derhalve te weinig complementair ten opzichte van elkaar.

Ook na het starten van de behandeling bij de jeugd-GGZ is de meerwaarde van samenwerking

met BJZ minimaal. BJZ toetst, behalve in incidentele gevallen, het behandelplan

van de jeugd-GGZ niet op aansluiting op het indicatiebesluit. De jeugd-GGZ

verstrekt geen vervolggegevens aan BJZ, waardoor het volgen van de behandeling van

jeugd-GGZ door BJZ niet mogelijk is.

Duidelijk is dat de praktijk waarin de samenwerking en afstemming tussen BJZ en de

jeugd-GGZ onvoldoende meerwaarde oplevert, het laten bestaan van een enorme ‘zijinstroom’

– rechtstreekse verwijzingen van artsen en andere gezondheidsprofessionals

naar de jeugd-GGZ – bevordert. Hiermee is de intentie van de WJZ - namelijk het

creŽeren van ťťn toegang voor jeugdigen met problemen, waarin diverse vormen van

vervolghulp ten opzichte van elkaar kunnen worden gewogen en van waaruit

instellingsoverstijgende, complexe vervolgtrajecten kunnen worden gemonitored –

onvoldoende geimplementeerd in de praktijk.

De inspecties hebben dit onderzoek mede uitgevoerd als bijdrage aan de evaluatie van

de Wet op de jeugdzorg. Gezien de bevindingen kiezen de inspecties ervoor eerst de

resultaten van de evaluatie af te wachten alvorens met dit dossier verder te gaan.

De inspecties spreken de hoop uit dat als resultaat van de evaluatie meer duidelijkheid

ontstaat over de gewenste organisatie van de zorg. Dit geldt in het bijzonder ten

aanzien van de nog aanzienlijke zij-instroom.

Plv. Inspecteur-Generaal Hoofdinspecteur Inspectie jeugdzorg

voor de Gezondheidszorg

Drs. N.C. Oudendijk Mw. drs. J.F. de Vries

4 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

5 RAPPORT

Samenvatting

Op verzoek van het ministerie van VWS is een thematische toezichtronde verricht naar

de samenwerking tussen Bureaus Jeugdzorg (BJZ) en organisaties voor geestelijke

gezondheidszorg voor jeugdigen (jeugd-GGZ). Eerder ontvingen zowel de Inspectie voor

de Gezondheidszorg (IGZ) als de Inspectie jeugdzorg (IJZ) signalen over problemen

binnen deze samenwerking. Per provincie of grotestadsregio is een locatie van BJZ en

een instelling voor jeugd-GGZ bezocht, en zijn medewerkers en directie bevraagd over

het indicatieproces dat via BJZ leidt tot afgifte van een jeugd-GGZ-indicatie.

Aan de hand van een hiertoe ontwikkeld instrument is de samenwerking tussen BJZ en

de jeugd-GGZ getypeerd. Bijlage 1 geeft een korte beschrijving van de vier gehanteerde

samenwerkingsvormen. In totaal zijn in vijftien verschillende regio’s telkens een BJZ en

jeugd-GGZ-instelling bezocht. Hun beider samenwerking is getoetst en beschreven in

een locatierapportage. De samenvatting van deze locatierapporten is weergegeven in

bijlage 2. In dit geaggregeerde rapport wordt het landelijk beeld van de samenwerking

tussen BJZ en jeugd-GGZ gepresenteerd, voorzien van conclusies en maatregelen.

In geen van de vijftien onderzochte regio’s komt de samenwerking geheel tegemoet

aan de eisen die de Wet op de jeugdzorg stelt. In twee regio’s (13%) is sprake van

‘gescheiden werelden’: er zijn weinig of geen onderlinge afspraken tussen BJZ en de

jeugd-GGZ, meer dan 80 procent van de verwijzingen naar de jeugd-GGZ gaat rechtstreeks

(via de huisarts) en er is, vanuit de jeugd-GGZ, weinig vertrouwen in de

expertise van BJZ. Deze magere vorm van samemwerking leidt niet tot een goede

afweging van de inzet van jeugdzorg of jeugd-GGZ en kan leiden tot onderdiagnostiek.

In de meeste regio’s (53%) is sprake van de samenwerkingsvorm ‘vreedzame

coŽxistentie’. De samenwerking wordt (op de werkvloer) over het algemeen als positief

ervaren omdat er waardering is voor elkaars deskundigheden, ervaringen en expertise.

Een indicatie van BJZ is veelal globaal, het betreft feitelijk een sectorkeuze: een

aanspraak op jeugd-GGZ. Deze aanpak resulteert er veelal in dat, na een relatief lang

voortraject binnen BJZ, bij de jeugd-GGZ opnieuw een soort van intaketraject start

alvorens tot hulpverlening over te gaan. Door te trage toeleiding naar de fase van

behandeling ontstaat het risico op ontijdige behandeling of onderbehandeling.

In vier regio’s (27%) is sprake van ‘geregisseerd aanbod’ en in ťťn regio (7%) van

‘geÔntegreerde dienstverlening’. Hier is sprake van een geÔntegreerde werkwijze bij het

indicatieproces, wordt de deskundigheid over en weer (h)erkend en zijn er duidelijke

afspraken over het (geaccordeerd) gebruik van diagnostische instrumenten. Deze

aanpak kan, mits werkprocessen daadwerkelijk zijn geoptimaliseerd en geÔntegreerd,

leiden tot relatief korte doorlooptijden, terwijl wederzijdse deskundigheden optimaal

worden benut.

Voor alle situaties geldt dat er onduidelijkheid is over de (noodzaak van) specificiteit

van het indicatiebesluit, dat de afstemming tussen indicatiebesluit en behandelplan niet

getoetst wordt en er over en weer niet systematisch gegevens worden uitgewisseld,

noch op casusniveau noch op beleidsniveau.

6 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

De maatregelen voor alle betrokken partijen luiden als volgt:

Zorg dat de werkprocessen van BJZ en jeugd-GGZ-instellingen naadloos in elkaar

overvloeien. Dit maakt dat deskundigheden zo effectief mogelijk worden ingezet,

dit is klantgericht (geen dubbele mededelingen) en bespaart tijd (kostbare tijd in de

zin van gezondheidswinst voor de cliŽnt).

Zorg dat het indicatiebesluit van BJZ voor jeugd-GGZ ůf globaal is en in korte tijd

tot stand komt ůf een langere doorlooptijd kent, maar dan wel richtinggevend is

voor het vervolg.

Zorg dat het behandelplan een vertaling is van het indicatiebesluit en dat BJZ de

uitvoering, binnen een helder kader voor casemanagement, kan volgen.

Zorg dat concrete afspraken worden gemaakt en nageleefd over de uitwisseling

van cliŽntgegevens.

7 RAPPORT

Inhoudsopgave

1 Inleiding 9

1.1 Aanleiding 9

1.2 Werkwijze 9

1.3 Opbouw geaggregeerde rapportage 10

2 Wettelijk kader/normkader 11

2.1 Aanmelding en screening 11

2.2 Diagnostiek binnen BJZ 12

2.3 Indicatiebesluit van BJZ 12

2.4 Aanmelding bij de jeugd-GGZ/uitvoering van het indicatiebesluit 12

2.5 Opstellen van een behandelplan jeugd-GGZ 13

2.6 Monitoren van de geÔndiceerde jeugd-GGZ-zorg door BJZ 13

3 Typologie van de samenwerking tussen BJZ en de jeugd-GGZ 14

4 Landelijk beeld van de samenwerking tussen BJZ en jeugd-GGZ 18

4.1 Het totaalbeeld 18

4.2 Uitsplitsing per samenwerkingstype 20

5 Conclusies en maatregelen 22

5.1 Adequate en snelle toeleiding naar de jeugd-GGZ geen gemeengoed 22

5.2 Bedoelde ‘zij-instroom’ is nog altijd de hoofdroute 23

5.3 Casemanagementfunctie onhelder voor veldpartijen 23

5.4 Informatie-uitwisseling over cliŽnten effectief en toch privacy-proof 24

Bijlagen

1 Typologie samenwerking BJZ – jeugd-GGZ (beschrijving vier samenwerkingsvormen)

27

2 Beschrijving vijftien regionale samenwerkingsrelaties BJZ –

jeugd-GGZ, 2005 28

3 Scoringstabellen gehanteerd instrumentarium 35

8 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

9 RAPPORT

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Uitgangspunt van de op 1 januari 2005 ingevoerde Wet op de jeugdzorg is dat er voor

jeugdigen met opvoed- en opgroeiproblemen ťťn toegang is tot het zorgaanbod: Bureau

Jeugdzorg. Dit bureau vervult niet alleen de toegangsfunctie voor de huidige jeugdhulpverlening,

de civiele plaatsingen in justitiŽle jeugdinrichtingen en – op termijn – de

zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke handicap, maar is ook de toegangspoort

tot de jeugd-GGZ. In Nederland zijn Bureaus Jeugdzorg operationeel in elk van de

12 provincies en 3 grootstedelijke regio’s. Zij zijn verbonden aan zo’n 48 jeugd-GGZpartners.

Om een sluitende keten van jeugd-(GGZ)zorg te realiseren en in stand te houden,

moeten Bureau Jeugdzorg en de jeugd-GGZ intensief samenwerken. Via samenwerking

binnen de keten moet tijdig de adequate behandeling voor jeugdigen ontsloten worden.

De zorg moet toegankelijk en van verantwoorde kwaliteit zijn.

Het hulpaanbod van de jeugd-GGZ-instellingen moet zo adequaat ťn zo spoedig

mogelijk worden ingezet, in aansluiting op de inspanningen van BJZ. Gegeven het feit

dat het hier gaat om kinderen en jeugdigen, is het van extra groot belang dat zo snel

mogelijk wordt gestart met de geÔndiceerd geachte behandeling. Een lange doorlooptijd

tussen aanmelding en aanvang behandeling kan, vanwege de dynamiek in de

ontwikkeling van de jeugdige, betekenen dat gepleegde screenings- en diagnostische

activiteiten overgedaan moeten worden. (Te) laat ingezette behandeling levert op

cliŽntniveau aanzienlijke (ontwikkelings-) risico’s op.

Voor Bureau Jeugdzorg betekent dit dat het moet kunnen beschikken over expertise op

het terrein van screening, diagnostiek en indicatiestelling bij psychische/psychiatrische

stoornissen.

Voor de jeugd-GGZ-instellingen betekent dit dat zij de indicatie die bureau jeugdzorg

afgeeft voor jeugd-GGZ zorg, dient in te passen binnen haar eigen werkprocessen,

zodat zo spoedig mogelijk met de behandeling van de jeugdige kan worden gestart.

1.2 Werkwijze

Op verzoek van het ministerie van VWS hebben de Inspectie voor de Gezondheidszorg

(IGZ) en de Inspectie jeugdzorg (IJZ) een inventariserend onderzoek gedaan naar de

samenwerking tussen Bureaus Jeugdzorg (BJZ) en organisaties voor jeugd-GGZ. De

thematische toezichtronde is verricht om de samenwerking op het gebied van het

indicatieproces van BJZ bij (vermoeden van) psychiatrische problematiek naar zorg door

de jeugd-GGZ in beeld te brengen en eventuele knelpunten te signaleren.

De resultaten van de thematische toezichtronde die de IGZ samen met de IJZ in de

periode oktober/november 2005 heeft uitgevoerd, zijn vervat in vijftien locatierapporten.

In elke provincie en grotestadsregio is een locatie bezocht van Bureau

Jeugdzorg en van een instelling voor jeugd-GGZ waar deze locatie mee samenwerkt.

Een BJZ heeft meestal meerdere locaties en binnen het bereik van een BJZ werken

vaak meerdere instellingen voor jeugd-GGZ. Dit betekent dat de beschrijvingen van het

10 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

thematisch bezoek niet zonder meer gelden voor het hele (provinciale) BJZ of voor alle

binnen de regio werkzame instellingen voor jeugd-GGZ.

1.3 Opbouw geaggregeerde rapportage

Dit rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 beschrijft het wettelijk kader/normkader

waarbinnen dit onderzoek geplaatst moet worden. In hoofdstuk 3 volgt een

beschrijving van de gehanteerde typologie van samenwerkingsvormen tussen BJZ en

jeugd-GGZ. In hoofdstuk 4 wordt het landelijk beeld geschetst van de samenwerking

tussen BJZ en jeugd-GGZ ten aanzien van de toeleiding naar hulp van de jeugd-GGZ.

Tot slot worden in hoofdstuk 5 conclusies en maatregelen geformuleerd voor de

betrokken partijen.

11 RAPPORT

2 Wettelijk kader/normkader

Het voor dit onderzoek gehanteerde instrument is gepositioneerd binnen het volgende

wettelijk kader/normkader:

Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Wet op de jeugdzorg (WJZ).

Uitvoeringsbesluit WJZ.

Kwaliteitswet zorginstellingen.

Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO).

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

Referentiewerkmodel BJZ.

HKZ-certificatieschema jeugdzorg/jeugd-GGZ.

De bedoeling van de genoemde wetten en normen is het richting geven aan het

indiceren en behandelen van jeugdigen en het waarborgen van de levering van

kwalitatief verantwoorde zorg. Op geleide van deze wetten en normen kan voor de

verschillende fasen binnen het indicatieproces (de toeleiding naar hulp van de sector

jeugd-GGZ) de streefsituatie worden weergegeven. Nagegaan is wat in de wet of het

door het veld ontwikkelde normkader is weergegeven over de ‘ideale’ inrichting van de

volgende fasen:

Aanmelding en screening.

Diagnostiek binnen BJZ.

Indicatiebesluit BJZ.

Aanmelding bij jeugd-GGZ/uitvoering indicatiebesluit.

Opstellen behandelplan door jeugd-GGZ.

Monitoren van de geÔndiceerde jeugd-GGZ door BJZ.

2.1 Aanmelding en screening

Een adequate werking van de keten begint bij voldoende toegankelijkheid van de

jeugdzorg voor alle doelgroepen en een goede relatie met en dienstverlening aan

verwijzers.

Onder voldoende toegankelijkheid voor alle doelgroepen wordt verstaan: heldere

informatie aan potentiŽle cliŽnten, zoveel mogelijk ťťn toegangspoort (geringe omvang

rechtstreekse verwijzingen naar de jeugd-GGZ), voldoende deskundige bejegening en

beoordeling van de problematiek bij de aanmelding/screening, voldoende snelheid in

handelen. Artsen/ verwijzers mogen bij het vermoeden van ernstige psychiatrische

problematiek rechtstreeks naar de jeugd-GGZ verwijzen. Het gaat hierbij om huisartsen

of artsen naar wie de huisarts doorverwijst, een BIG-geregistreerde behandelaar of een

arts verbonden aan een justitiŽle jeugdinrichting. Ook dient de jeugd-GGZ of de

verwijzer gegevens over die rechtstreekse verwijzingen aan te leveren aan BJZ (de aard

van de vermoedelijke stoornis en de reden van het vermoeden). Daarnaast heeft BJZ de

taak om 7x24 uur bereikbaar te zijn. Onder een goede relatie met en dienstverlening

aan verwijzers in de fase van aanmelding wordt verstaan: heldere informatie aan

mogelijke verwijzers over de actuele procedures en wachttijden, accurate terugkoppeling

van informatie (wettelijk vereist voor huisartsen).

12 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

2.2 Diagnostiek binnen BJZ

Een adequate werking van de keten vergt een goede en gedegen beoordeling van de

problematiek. Daarvoor zijn voldoende diagnostische kennis en vaardigheden van de

professionals nodig en voldoende mogelijkheden om diagnostiek uit te voeren. Wanneer

BJZ niet voldoende mogelijkheden heeft voor (specialistische) toegangsdiagnostiek van

psychische problematiek en/of indien op voorhand al een sterk vermoeden bestaat dat

GGZ is geÔndiceerd, dan kan het voor die taak ook expertise vanuit de jeugd-GGZ

inhuren. Ook kunnen hiervoor medewerkers van de jeugd-GGZ gedetacheerd worden bij

BJZ.

Volgens het Referentiewerkmodel is sprake van een specialistische diagnose als voor

het bepalen van het diagnostisch beeld gebruik wordt gemaakt van een specialistisch

classificatiesysteem. In deze definitie is het stellen van een specialistische diagnose

voorbehouden aan een gedragswetenschapper/BIG-geregistreerde professional. De

specialistische diagnose van BJZ is ter ondersteuning van het bepalen van het

diagnostisch beeld. Indien de aard van de problematiek dit vergt, vindt multidisciplinaire

beoordeling van de gegevens plaats (dat wil zeggen dat de gedragswetenschapper/BIGgeregistreerde

professional wordt ingeschakeld) conform vastgestelde afspraken.

2.3 Indicatiebesluit van BJZ

In de zorgketen is het indicatiebesluit een kerndocument. Het vat samen wat er aan de

hand is, motiveert de keuze voor jeugdzorg en stuurt de uitvoering van de hulp door de

zorgaanbieder (onder andere jeugd-GGZ) aan. De zorgaanbieder legt de manier waarop

hij de geÔndiceerde zorg gaat verlenen vast in een hulpverleningsplan/behandelplan. Op

basis van het diagnostische beeld en de wensen en verwachtingen van de cliŽnt stelt

BJZ in het kader van de indicatiestelling vast welke zorg nodig is. BJZ heeft de taak te

indiceren voor onder meer bepaalde vormen van AWBZ-zorg (bijvoorbeeld jeugd-GGZ).

Dit wordt vastgelegd in een indicatiebesluit dat voldoet aan de eisen die de WJZ

hieraan stelt: beschrijving van de problemen; ernst en mogelijke oorzaken; beschrijving

van de benodigde zorg; beschrijving van korte- en langetermijndoelen van die zorg; de

termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is

aangevangen; de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht; een

advies over wie de zorg kan verlenen; een oordeel over zorgcoŲrdinatie; aanduiding van

eventuele vervangende zorg. Voorts wordt in het indicatiebesluit beschreven hoeveel

en op welke wijze hulp moet worden uitgevoerd: in de thuissituatie, bij de zorgaanbieder,

individueel of in groepsverband, het benodigd aantal contacturen, inclusief

bandbreedte.

Om goed te kunnen vaststellen welke zorg nodig is, moet BJZ te beschikken over

voldoende deskundigheid over de wijze waarop psychische problematiek kan worden

aangepakt. Om deze deskundigheid te verhogen kunnen medewerkers van de jeugd-

GGZ hiervoor worden gedetacheerd naar BJZ. BJZ neemt geen indicatiebesluit voordat

een gedragswetenschapper het ontwerpbesluit heeft beoordeeld.

2.4 Aanmelding bij de jeugd-GGZ/uitvoering van het indicatiebesluit

Een adequate werking van de keten voorziet in een soepele overgang van indicatiestelling

naar hulpverlening door de zorgverlenende instelling. De indicatiesteller

ondersteunt de cliŽnt bij het verkrijgen van die zorg en de uitvoerende instelling

accepteert het indicatiebesluit. Het terugverwijzen van cliŽnten naar de indicatiesteller

komt slechts bij uitzondering voor.

13 RAPPORT

Bij aanmelding van de cliŽnt bij de jeugd-GGZ moet er een indicatiebesluit zijn zoals

bedoeld in de WJZ. Op grond van het indicatiebesluit kan een cliŽnt aanspraak maken

op de zorg die daarin is genoemd. BJZ moet de cliŽnten bijstaan/motiveren voor het tot

gelding brengen van het indicatiebesluit.

Alleen als de instelling aan de cliŽnt kan aantonen dat het verlenen van de zorg niet

binnen de opdracht/missie van de instelling past, kan de instelling de cliŽnt terugverwijzen

naar de indicatiesteller. In alle andere gevallen wordt door de instelling met

de cliŽnt een gesprek gehouden waarbij tot een overeenkomst wordt gekomen.

Het zorgkantoor toetst de indicatiebesluiten aan de wettelijke vereisten (niet inhoudelijk),

zorgt ervoor dat de cliŽnt de geÔndiceerde AWBZ-zorg kan verzilveren en

registreert de geÔndiceerde en uitgevoerde hulp.

2.5 Opstellen van een behandelplan jeugd-GGZ

Voor een adequaat werkende zorgketen is continuÔteit in de aanpak van de problematiek

van cliŽnten van belang. In het verlengde van de inhoud van het indicatiebesluit

moet de zorgaanbieder dan wel de jeugd-GGZ-instelling een hulpverleningsplan

opstellen voor de cliŽnt. BJZ heeft de taak dit te bevorderen. Het hulpverleningsplan is

afgestemd met eventuele andere zorg- of hulpverleners en op eventuele andere

hulpverleningsplannen. Daarnaast legt hij het plan voor aan de cliŽnt en BJZ. Nadat hij

hun fiat heeft gekregen, start de zorgaanbieder de zorg.

2.6 Monitoren van de geÔndiceerde jeugd-GGZ-zorg door BJZ

Een adequate zorgketen wordt door een casemanager gevolgd en vanuit het perspectief

van de situatie/problematiek bij aanmelding geŽvalueerd.

De instelling voor jeugd-GGZ geeft aan BJZ de aanvang en de beŽindiging van de zorg

conform het indicatiebesluit door. De jeugd-GGZ houdt BJZ op de hoogte van de voortgang

van de zorg, geeft wijzigingen in het zorgaanbod door en kondigt aan wanneer de

zorg zal worden beŽindigd. BJZ kan hierdoor de zorg volgen en de zorg bij beŽindiging

samen met de cliŽnt en de zorgaanbieder evalueren.

Op vooraf vastgestelde momenten wordt door BJZ bij de instelling voor jeugd-GGZ en

bij de cliŽnt geÔnformeerd hoe de verleende zorg verloopt. De cliŽnt wordt door BJZ

bijgestaan bij vragen over de inhoud van deze zorg, alsmede de evaluatie van de zorg.

In het kader van de monitoring registreert BJZ een aantal vaste gegevens per cliŽnt

(datum van aanvang van de zorg; datum van einde van de zorg; reden van beŽindiging

van de zorg; gegevens over het wachten na het indicatiebesluit tot de zorg is gestart;

gebruik van vervangende zorg; gegevens over het behalen van het in het indicatiebesluit

omschreven doel). De tussenevaluatie wordt uitgevoerd conform afspraken

tussen het Bureau Jeugdzorg en de aanbieder en in overeenstemming met het

indicatiebesluit. Resultaten van de (tussen)evaluatie worden geregistreerd.

14 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

3 Typologie van de samenwerking tussen BJZ en de

jeugd-GGZ

Op basis van literatuurstudie, waaronder een onderzoek van het NIZW van juni 2002[1],

zijn vier samenwerkingsvormen getypeerd. Vervolgens zijn de in hoofdstuk 2

beschreven streefsituaties geoperationaliseerd in interviewvragen. Het antwoord op

deze vragen, die telkens zijn gesteld aan een BJZ en een hiermee samenwerkende

instelling voor jeugd-GGZ, leverde input op ťťn van de vier samenwerkingsvormen (zie

bijlage 3 voor de gehanteerde scoringstabel). Na afloop van de bezoekdag is de

samenwerking van elk koppel van BJZ en jeugd-GGZ door de bezoekend inspecteurs

getypeerd (bijvoorbeeld: ‘de samenwerking vertoont vooral trekken van de samenwerkingstypologie

‘geÔntegreerde dienstverlening’).

Opgemerkt wordt dat het model niet de pretentie heeft aan te geven welke vorm van

samenwerking het beste is. Afgezet tegen de streefsituaties in hoofdstuk 2 voldoet het

ene type wel meer aan de gestelde verwachtingen dan het andere. Het voornaamste is

echter de toegevoegde waarde voor de cliŽnten. Welke vorm van samenwerking is het

meest effectief voor de cliŽnten van jeugdzorg/jeugd-GGZ? Op basis van uitkomstmaten

als de (geschatte) doorlooptijd tussen het moment van aanmelding bij BJZ en

het verkrijgen van een indicatie is getracht de meerwaarde voor de cliŽnt nadrukkelijk

te betrekken in het oordeel over een bepaalde samenwerkingsvorm.

Type A: Gescheiden werelden

De toegang tot de jeugd-GGZ is per 1-1-2005 via het regionale BJZ georganiseerd,

maar in de praktijk loopt dit toch anders. Er komen nog nauwelijks aanmeldingen bij

BJZ die een jeugd-GGZ-indicatie behoeven en er is een hoge zij-instroom: veel

rechtstreekse verwijzingen door artsen naar de jeugd-GGZ (dit betreft nog 80 tot 100

procent van de aanmeldingen bij de jeugd-GGZ). Terugkoppeling van gegevens over

de rechtstreeks aangemelde cliŽnten bij de jeugd-GGZ naar BJZ vindt (nog) niet

plaats; de jeugd-GGZ weigert dit zelfs hier en daar. Omdat maar zo weinig cliŽnten via

BJZ een jeugd-GGZ-indicatie krijgen, heeft BJZ bovendien geen (volg)gegevens over

het verloop van de hulpverlening aan deze jeugd-GGZ-cliŽnten. De verwijzers, waaronder

de huisartsen, zijn niet geÔnformeerd over de veranderingen als gevolg van de

invoering van de WJZ.

De gescheiden werelden van BJZ en jeugd-GGZ blijken ook uit de volgende achterliggende

zaken. Er zijn geen of magere samenwerkingsafspraken tussen BJZ en de

jeugd-GGZ. Men kent elkaar en elkaars procedures nauwelijks en heeft weinig

positiefs over elkaar te melden. De doorlooptijden in de toegang via de jeugd-GGZ en

BJZ zijn verschillend, maar zeker bij de jeugd-GGZ in toenemende mate problematisch

door gebrek aan capaciteit in de toegang. BJZ ziet geen reden voor overleg met het

zorgkantoor.

Er bestaan over en weer bij BJZ en bij de jeugd-GGZ veel negatieve verhalen over

elkaars deskundigheid en intenties. Er is geen notie van dat men elkaar nodig zou

kunnen hebben voor de organisatie van een goede toegang tot de jeugdzorg. In deze

regio’s vindt ook nog nauwelijks uitwisseling van kennis en ervaringen plaats tussen

professionals op de werkvloer, ook niet naar aanleiding van cases uit de praktijk.

[1] Bureau Jeugdzorg en Jeugd-GGZ. Kwaliteit van de samenwerking, C. Konijn, NIZW Jeugd,

Utrecht, juni 2002.

15 RAPPORT

Detacheringen van personeel en consultatie over en weer vinden niet plaats. Men

weet elkaar niet te vinden; men kent elkaar nauwelijks. In het verleden hebben

ontmoetingen niet uitgedaagd tot meer contact.

Type B: Vreedzame coŽxistentie

De toegang tot de jeugd-GGZ is per 1-1-2005 via het regionale Bureau Jeugdzorg

georganiseerd, maar in de praktijk loopt dit toch nog anders. Er is een hoge zijinstroom,

veel rechtstreekse verwijzingen door artsen naar de jeugd-GGZ (40 tot 80

procent van het aantal aanmeldingen bij de jeugd-GGZ). Terugkoppeling van gegevens

over die rechtstreekse aanmeldingen aan BJZ vindt (nog) niet plaats. Wel is er af en

toe overleg tussen BJZ en jeugd-GGZ over aanmeldingen die bij BJZ of bij de jeugd-

GGZ niet aan het juiste adres zijn gedaan. Doorlooptijden in de toegang zijn voor deze

cliŽnten echter onaanvaardbaar lang. Er is overleg tussen de instellingen: over de

organisatie van de toegang en incidenteel over aangemelde cliŽnten. Dit heeft echter

(nog) niet geleid tot een integratie van de toegangsfuncties. Professionals op de

werkvloer weten elkaar in toenemende mate te vinden. Maar men accepteert de

gescheiden toegangen omdat men er weinig vertrouwen in heeft dat meer samenwerking

meerwaarde betekent. De jeugd-GGZ levert geen gegevens aan BJZ zodat

deze de hulpverlening kan volgen, omdat het nog maar een gering aantal cliŽnten

betreft dat via BJZ een indicatie voor jeugd-GGZ krijgt. BJZ heeft geen overleg met

het zorgkantoor.

De verwijzers zijn wel geÔnformeerd door de jeugd-GGZ en/of BJZ maar apart van

elkaar; in gezamenlijkheid is afgesproken dat men dit elk apart zou doen. De nadruk in

de informatie van de jeugd-GGZ ligt op het bestaan van de zij-ingang, rechtstreeks bij

de jeugd-GGZ. In de informatie van BJZ wordt de (veranderde) toegang tot de jeugd-

GGZ niet of nauwelijks aan de orde gesteld.

Samenwerkingsafspraken tussen BJZ en jeugd-GGZ bestaan in deze regio’s, maar

deze zijn (nog) niet zo hecht. Men weet elkaar wel te vinden als het echt nodig is. De

afspraken die bestaan, zijn erop gericht ieder zijn taken zo goed mogelijk in eigen

beheer uit te laten voeren. Men heeft geen hoge pet op van elkaars deskundigheid en

intenties. Er is een sfeer van tolerantie, niet van tegenwerking.

Type C: Geregisseerd aanbod

In de jaren voorafgaand aan 2005 heeft men door samenwerkingsafspraken

toegewerkt naar meer eenheid in de toegangsfuncties. Dat deze nog niet optimaal

geÔntegreerd zijn is eerder een kwestie van tijd en organisatie dan van intenties en

mogelijkheden. In de loop van de jaren heeft men elkaar beter leren kennen en

waardeert men elkaars positie en deskundigheid steeds meer. De indicatiestelling voor

de jeugd-GGZ voldoet echter eerder dankzij mandaten, detacheringen en andere

technische constructies aan de voorwaarden van de nieuwe wet dan dat er sprake is

van gezamenlijk gedragen procedures en instrumenten, integrale afweging van de

problematiek en de aanpak van alle aangemelde cliŽnten bij de jeugdzorg. In goed

overleg gevoerd tussen het management van de instellingen zijn de verantwoordelijkheden

verdeeld. Er is een toenemende gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de

jeugdzorg. Er bestaat een regionaal overleg van onder andere BJZ en jeugd-GGZmedewerkers

over twijfelgevallen of problematische aanmeldingen, de onafhankelijke

eindverantwoordelijkheid voor het indicatiebesluit ligt bij BJZ. Er zijn daarnaast

16 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

afspraken gemaakt over het te gebruiken instrumentarium in de toegang, maar de

jeugd-GGZ vindt het resultaat (nog) niet optimaal.

Op de werkvloer weten professionals elkaar over het algemeen goed te vinden voor

consultatie en advies. De jeugd-GGZ levert bovendien af en toe een bijdrage aan de

toegangsfuncties door training en deskundigheidsbevordering van medewerkers van

BJZ. Nadeel van de gekozen constructie is dat de doorlooptijd in de toegang

gemiddeld hoog is door wachttijden tussendoor en dubbele activiteiten (onderzoeken

worden bij de jeugd-GGZ soms overgedaan, et cetera).

BJZ en jeugd-GGZ hebben gezamenlijk de verwijzers geÔnformeerd over de veranderde

gang van zaken vanaf 1-1-2005. Vergeleken met 2004 is sprake van een toenemend

aantal indicaties voor de jeugd-GGZ gesteld door BJZ; het aantal rechtstreekse aanmeldingen

bij de jeugd-GGZ neemt af. Er is nog wel een zij-instroom (10 tot 40

procent), maar de jeugd-GGZ levert hierover volgens afspraak gegevens aan aan BJZ.

Ook levert de jeugd-GGZ (binnenkort) gegevens aan zodat BJZ de hulpverlening kan

volgen. Verdere afspraken moeten nog gemaakt worden over de rol van BJZ bij

evaluatie van de hulpverlening en herindicaties.

BJZ heeft beginnend overleg met de zorgkantoren. Men begint elkaar te kennen en

elkaar te vinden. Aarzelend zijn de eerste stappen gezet om afspraken te maken over

de wijze van aanvragen en toekennen van persoonsgebonden budgetten (PGB’s), de

uitvoering van de zorgtoewijzingsfunctie van het zorgkantoor en/of de mogelijke

inbreng van BJZ en de provincie bij het maken van productieafspraken met de jeugd-

GGZ.

Type D: GeÔntegreerde dienstverlening

Per 1-1-2005 geeft BJZ in deze regio’s vorm aan de toegang tot de hele jeugdzorg,

inclusief de jeugd-GGZ. Aan de vorming van die toegang is uitgebreid overleg met de

jeugd-GGZ voorafgegaan: over de procedures, de instrumenten en de benodigde

deskundigheid. Mede dankzij de inzet van de jeugd-GGZ bij training, deskundigheidsbevordering

of het invullen van diagnostische capaciteit is die toegang naar beider

tevredenheid vormgegeven. Zowel BJZ als de jeugd-GGZ hebben vertrouwen in de

kwaliteit van de toegang en blijven deze ook volgen. Er zijn betrekkelijk korte doorlooptijden

in de toegang en als de doorlooptijden toenemen, wordt daarover snel

overlegd tussen de betrokken partijen. Er is in principe geen zij-instroom meer naar de

jeugd-GGZ (minder dan 10 procent). De gegevens over deze beperkte zij-instroom

worden op gezette tijden naar BJZ teruggekoppeld.

BJZ en jeugd-GGZ hebben gezamenlijk de verwijzers geÔnformeerd over de veranderde

gang van zaken vanaf 1-1-2005 waarbij benadrukt is dat BJZ vanaf die datum de

enige toegang tot de jeugdzorg is. Rechtstreekse aanmeldingen bij de jeugd-GGZ

worden niet gestimuleerd; er is voldoende vertrouwen in de toegang van BJZ dat er

een snelle en deskundige beoordeling plaatsvindt, ook bij crisisgevallen of wanneer

sprake is van ernstige psychiatrische problematiek.

Bij BJZ vindt een integrale beoordeling van de problematiek van cliŽnten plaats waarbij

de jeugd-GGZ door middel van detacheringen of consultatieafspraken inbreng bij de

bespreking van de indicatiestellingen heeft. De jeugd-GGZ accepteert deze indicatiebesluiten

en stelt in aansluiting hierop hulpverleningsplannen op. Er wordt zo nodig

door de jeugd-GGZ wel eens aanvullend diagnostisch onderzoek (behandelingsdiagnostiek)

gedaan maar over het algemeen is men redelijk tevreden met de kwaliteit

van de indicatiestelling en de informatie die door BJZ wordt aangeleverd. Negatieve

ervaringen op dit vlak worden ook systematisch besproken in het managementoverleg

17 RAPPORT

van de instellingen.

BJZ heeft al enige tijd overleg met de regionale zorgkantoren. Eerste afspraken zijn

gemaakt over de wijze van aanvragen en toekennen van persoonsgebonden budgets

(PGB’s), de uitvoering van de zorgtoewijzingsfunctie van het zorgkantoor en/of de

mogelijke inbreng van BJZ en de provincie bij het maken van productieafspraken met

de jeugd-GGZ.

18 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

4 Landelijk beeld van de samenwerking tussen BJZ en

jeugd-GGZ

In de meeste samenwerkingsconvenanten tussen BJZ en jeugd-GGZ wordt het belang

van het kind benadrukt. De vragen van het kind, het diagnosticeren van de problemen,

het indiceren voor de aangewezen zorg, het krijgen van adequate hulp en de evaluatie

daarvan staan voorop. Dat vereist bij de samenwerking een actieve, coŲperatieve

houding, waarbij de organisatiebelangen niet mogen prevaleren.

Aan de invoering van de WJZ is een jarenlange discussie voorafgegaan. In een aantal

regio’s is op de invoering van de WJZ en de daarin vervatte indicatiebevoegdheid van

BJZ voor de jeugd-GGZ geanticipeerd. Er zijn diverse samenwerkingsvormen ontstaan.

In andere regio’s is een meer afwachtende houding aangenomen. Voor alle instellingen

vormde de formele invoering van de WJZ, per 1 januari 2005, aanleiding om onderlinge

afspraken te maken of gemaakte afspraken te herijken. Ten tijde van de toezichtronde

(september/november 2005) werd opvallend vaak gemeld dat de afspraken tussen BJZ

en jeugd-GGZ nog maar kort in werking waren getreden en dat de resultaten nog

onvoldoende zichtbaar waren. In gevallen van vroege samenwerking leidde de invoering

van de WJZ tot ontvlechting van bijvoorbeeld de gezamenlijke voordeur voor cliŽnten

met opvoed- en opgroeiproblemen. Deze instellingen zijn bij invoering van de WJZ

feitelijk geconfronteerd met de wet van de remmende voorsprong.

4.1 Het totaalbeeld

In deze paragraaf wordt telkens verwezen naar de verschillende provincies die zijn

bezocht. Nadrukkelijk zij vermeld dat per provincie of grootstedelijke regio telkens ťťn

koppel is bezocht; welke instellingen dit betreft is vermeld in bijlage 2. Per provincie of

grootstedelijke regio zijn meerdere BJZ-afdelingen of jeugd-GGZ-instellingen actief;

deze tekst laat geen generalisatie over een hele provincie of grootstedelijke regio toe.

Op basis van de verschillende scores op de samenwerkingstypologie zijn de onderzochte

koppels BJZ en instellingen voor jeugd-GGZ in figuur 1 getypeerd. Koppels die

links of rechts van het midden zijn geplaatst, vertonen duidelijk trekken van twee

verschillende samenwerkingsvormen. Dus het in Flevoland onderzochte koppel scoort

op ‘gescheiden werelden’ en ’vreedzame coŽxistentie’, terwijl het in Rotterdam

onderzochte koppel duidelijker past in de samenwerkingsvorm ‘gescheiden werelden’.

De koppels die zijn onderzocht in Groningen, Drenthe, Gelderland en Haaglanden zijn

vrij consistent in hun scores op het samenwerkingstype vreedzame coŽxistentie, terwijl

de onderzochte koppels in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg daarbij ook trekken van

het type ‘gescheiden werelden’ vertonen en het in Utrecht onderzochte koppel meer

neigt naar het type ‘geregisseerd aanbod’. De samenwerking tussen het Overijsselse

koppel is vrij goed te duiden als ‘geregisseerd aanbod’. De koppels die zijn onderzocht

in Noord-Holland en ROA Amsterdam zijn vooral te kenmerken binnen het type

‘geregisseerd aanbod’, maar vertonen ook kenmerken van ‘geÔntegreerde dienstverlening’.

Het koppel dat is onderzocht in Zuid-Holland vertoont de meeste trekken

van de samenwerkingsvorm ‘geÔntegreerde dienstverlening’.

19 RAPPORT

Figuur 1

Typering van de 15 bezochte BJZ-jeugd-GGZ-instellingenn

(zie bijlage 2 voor bezochte instellingen per provincie/grootstedelijke regio)

A. Gescheiden werelden 2005: 13%

B. Vreedzame coŽxistentie 2005: 53%

Groningen

Flevoland Drenthe

Rotterdam Gelderland

Utrecht

Haaglanden

Zeeland

Noord-Brabant

Limburg

C. Geregisseerd aanbod 2005: 27%

D. GeÔntegreerde dienstverlening 2005: 7%

Friesland

Overijssel Zuid-Holland

Noord-Holland

ROA Amsterdam

Het NIZW hanteerde bij haar onderzoek in 2002 eveneens een indeling in vier samenwerkingsvormen.

Ondanks enkele verschillen in benadering, kunnen de resultaten van

dit onderzoek afgezet worden tegen de resultaten van dit inspectieonderzoek. De

samenwerkingsvorm ‘gescheiden werelden’ is te plaatsen naast de ‘sectorale toegang’

uit het NIZW-onderzoek, de ‘vreedzame coŽxistentie’ is te vergelijken met de ‘netwerkorganisaties’,

het ‘geregisseerd aanbod’ met de ‘intersectorale voordeur’ en de

‘geÔntegreerde dienstverlening met de ‘intersectorale toegang’. Deze vergelijking levert

het volgende beeld op:

Figuur 2

Vergelijking typering 2002-2005

Kwadranten NIZW 2002 (in %) IGZ / IJZ 2005 (in %)

A: Gescheiden werelden 43 13

B: Vreedzame co-existentie 24 53

C: Geregisseerd aanbod 24 27

D: GeÔntegreerde dienstverlening

10 7

In vergelijking met de situatie in 2002 is het aantal regio’s waar de samenwerking

nauwelijks van de grond komt, afgenomen. In toenemende mate komt men tot

afspraken over het indicatieproces. Tegelijkertijd is ook het aantal regio’s waar het

indicatieproces gezamenlijk vorm gegeven was, afgenomen. BJZ dient op grond van de

WJZ per 1 januari 2005 vanuit een onafhankelijke positie tot een indicatiebesluit te

komen, dus samenwerkingsvormen met gezamenlijke verantwoordelijkheid hiervoor,

20 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

zijn niet langer mogelijk. De regio’s waar zoveel mogelijk – in goed overleg – de eigen

toegangsprocedures in stand worden gehouden, zijn in aantal gegroeid.

4.2 Uitsplitsing per samenwerkingstype

4.2.1 Gescheiden werelden

In twee regio’s (13%) is op basis van de bezoekronde sprake van ‘gescheiden

werelden’. Er zijn geen onderlinge afspraken gemaakt over de aanmeldingsprocedure,

waardoor er sprake is van een gescheiden toegang tot BJZ en de jeugd-GGZ. De

rechtstreekse instroom bij de jeugd-GGZ is dan ook meer dan 80 procent. BJZ beschikt

over relatief weinig specifieke deskundigheid voor het beoordelen van psychiatrische

problemen en huurt deze incidenteel in bij de jeugd-GGZ. BJZ maakt zeer globale

indicatiebesluiten. Naar de mening van de geÔnterviewden komt het nogal eens voor dat

cliŽnten worden terugverwezen naar BJZ. Er vindt geen afstemming of toetsing plaats

van indicatiebesluit op behandelplan. Er worden geen gegevens uitgewisseld tussen

BJZ en jeugd-GGZ.

4.2.2 Vreedzame coŽxistentie

In de meeste regio’s (53%) is sprake van ‘vreedzame coŽxistentie’. De samenwerking

wordt (op de werkvloer) over het algemeen als positief ervaren omdat er wederzijds

waardering is voor elkaars deskundigheden, ervaringen en expertise. Er vindt rechtstreeks

onderlinge consultatie plaats.

In deze regio’s zijn er onderling afspraken over de wijze waarop aanmeldingen bij BJZ

moeten worden beoordeeld. De crisisdiensten opereren veelal gescheiden. BJZ kan in

een crisissituatie niet rechtstreeks naar de jeugd-GGZ verwijzen; verwijzing via de

huisarts is noodzakelijk. Omgekeerd kan jeugd-GGZ wel naar de crisisdienst van BJZ

verwijzen. De informatie over de gewijzigde toegang tot de jeugd-GGZ via het BJZ naar

mogelijke professionele verwijzers is soms gezamenlijk gedaan.

Het aantal rechtstreekse verwijzingen naar de jeugd-GGZ bedraagt echter in slechts

vier regio’s tussen de 40 en 80 procent. De deskundigheid van de voordeurmedewerkers

van BJZ voor de beoordeling van psychiatrische problematiek neemt toe, mede

door de samenwerking met de jeugd-GGZ en de onderlinge consultatie. Over de rechtstreekse

verwijzingen naar de jeugd-GGZ wordt BJZ slechts in ťťn regio structureel

geÔnformeerd.

In deze regio’s waarin sprake is van ‘vreedzame coŽxistentie’ zijn over de diagnostiek,

het gebruik van diagnostische instrumenten door BJZ en het opstellen van een

diagnostisch beeld, afspraken gemaakt. Over het algemeen is specifieke jeugd-GGZdeskundigheid

bij BJZ groeiende of wordt deze (nog) ingehuurd bij de jeugd-GGZ. Er is

sprake van multidisciplinaire beoordeling van mogelijke psychiatrische problemen bij de

cliŽnten en indien nodig wordt de jeugd-GGZ geconsulteerd.

In deze regio’s geldt ook dat er onderling overleg is over en deelname vanuit de jeugd-

GGZ aan de indicatiestelling . De indicatiebesluiten van BJZ zijn globaal en leiden tot

een ‘sectorkeuze’ ofwel een aanspraak op jeugd-GGZ. Dat wil zeggen een indicatiestelling

voor diagnostiek of behandeling door jeugd-GGZ, waarbij aan de indicatiestelling

in verschillende mate overige algemene informatie over de cliŽnt is toegevoegd.

Deze informatie wordt door de jeugd-GGZ wisselend van toegevoegde waarde geacht,

21 RAPPORT

maar de jeugd-GGZ heeft – onder bepaalde condities - wel vertrouwen in de indicatiebesluiten

van het BJZ.

Over de gemiddelde doorlooptijd bij BJZ van aanmelding tot aan afgifte van het

indicatiebesluit zijn te weinig betrouwbare, onderlinge vergelijkbare cijfers aangeleverd,

zodat hierover op basis van dit onderzoek geen kwantitatieve uitspraken te doen zijn.

Op basis van de door de geÔnterviewden afgegeven schattingen is echter duidelijk dat

voor verreweg de meeste BJZ’en geldt dat de gemiddelde doorlooptijd meer dan 50

werkdagen bedraagt. In diverse gevallen is de (ingeschatte) doorlooptijd zelfs langer

dan 100 werkdagen.

In vijf regio’s zijn de afspraken over de aanmeldingen van cliŽnten van BJZ bij een

jeugd-GGZ gericht op soepele overdracht van cliŽnten bij vermoeden van psychiatrische

klachten. Daarnaast zijn er afspraken over ondersteuning van de cliŽnt bij het verkrijgen

van zorg bij de jeugd-GGZ. Er wordt veel discussie gevoerd over de mate van

specificiteit die nodig is om richting te geven aan het behandelplan van de jeugd-GGZ.

Desgevraagd geven de instellingen voor jeugd-GGZ aan dat er zeer weinig cliŽnten naar

het BJZ worden ‘terugverwezen’. In incidentele gevallen wordt het BJZ (weer)

ingeschakeld als zich ook jeugdzorghulpvragen voordoen gedurende het behandeltraject.

De indicatiebesluiten van BJZ zijn globaal: er is een vermoeden van psychiatrische

problematiek en er is een inschatting van behoefte aan jeugd-GGZ. Er wordt over het

algemeen geen nadere omschrijving van de benodigde zorg gegeven. Daardoor is er bij

de jeugd-GGZ veel ruimte om op basis van de eigen interpretatie van de problematiek

(en eventueel aanvullende diagnostiek) van het kind een behandelplan op te stellen.

BJZ toetst, behalve in incidentele gevallen, het behandelplan niet op aansluiting op het

indicatiebesluit. De jeugd-GGZ verstrekt geen vervolggegevens aan BJZ, waardoor het

volgen van de behandeling van jeugd-GGZ door BJZ niet mogelijk is.

Ook beleidsgegevens, onder andere over aantallen arts-artsverwijzingen, worden op het

moment van het onderzoek niet structureel uitgewisseld, zodat evaluatie niet mogelijk

is.

4.2.3 Geregisseerde en geÔntegreerde dienstverlening

In vier regio’s (27%) is sprake van ‘geregisseerd aanbod’ en in ťťn regio (7%) van

‘geÔntegreerde dienstverlening’. In deze regio’s is sprake van een geÔntegreerde werkwijze

ten aanzien van de aanmeldingsprocedure bij BJZ. Er is voldoende deskundigheid

voor het beoordelen van psychiatrische problematiek bij BJZ, dan wel die wordt nog

vergroot door bijdragen vanuit de jeugd-GGZ. De stroom rechtstreekse verwijzing naar

de jeugd-GGZ is slechts in ťťn regio kleiner dan 10 procent. Er zijn duidelijke afspraken

over de (toegangs-) diagnostiek en de te gebruiken, deels gezamenlijk ontwikkelde,

instrumenten. De werkprocessen zijn afgestemd en er zijn afspraken over de inhoud

van het indicatiebesluit. De aanmelding bij de jeugd-GGZ is gebaseerd op soepele overdracht

van informatie over de cliŽnten. Er worden vrijwel geen cliŽnten door jeugd-GGZ

terugverwezen naar BJZ. Het behandelplan wordt gebaseerd op het indicatiebesluit,

hoewel dat veelal wel globaal is, dus ruimte laat voor de jeugd-GGZ bij het opstellen

van het behandelplan. Ook in deze regio’s vindt slechts af en toe toetsing door BJZ

plaats en wordt niet of incidenteel geŽvalueerd.

22 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

5 Conclusies en maatregelen

5.1 Adequate en snelle toeleiding naar de jeugd-GGZ geen gemeengoed

Doelstelling van de WJZ is adequate toeleiding binnen zo kort mogelijke tijd. Dit vereist

naadloze aansluiting tussen de werkprocessen van de beide organisaties. Daar waar

BJZ een redelijk gedetailleerd indicatiebesluit afgeeft – hetgeen logischerwijs meer tijd

in beslag neemt dan het afgeven van een erg globaal indicatiebesluit – moet het

indicatiebesluit zo direct mogelijk vertaald kunnen worden in een behandelplan. Daar

waar BJZ – in samenspraak met de samenwerkende jeugd-GGZ-partners – volstaat met

een globale indicatie, moet deze indicatie binnen (veel) korte(re) tijd afgegeven worden.

Vanuit cliŽntperspectief is het alleen acceptabel dat de jeugd-GGZ-instelling een relatief

lang eigen indicatietraject uitvoert, als dit nog niet gebeurd is bij BJZ

Uit de resultaten van dit inspectieonderzoek blijkt dat in veel gevallen een

‘onaantrekkelijk compromis’ tussen bovengenoemde opties wordt gerealiseerd. In te

veel gevallen geeft BJZ, na een relatief lange doorlooptijd, een globaal indicatiebesluit

af, hetgeen de jeugd-GGZ aanzet tot het opnieuw uitrollen van een eigen indicatietraject.

De samenwerking heeft tot nu toe in onvoldoende gevallen geleid tot een meetbare verkorting

van de totale doorlooptijd (tot aan aanvang behandeling bij de jeugd-GGZ) en

een goede afstemming tussen indicatiebesluit en behandelplan. Er is ‘bestuurlijk’

commitment nodig om te komen tot effectieve afspraken over op elkaar afgestemde

werkprocessen, gedeelde werkwijzen, instrumenten, multidisciplinair overleg, onderlinge

consultatie en kennisoverdracht. Dit geldt voor raden van bestuur en directies

enerzijds, maar ook voor het rijks- en provinciaal bestuur anderzijds. Deze zijn immers

verantwoordelijk voor het voorwaardenscheppend beleid. In de praktijk wordt een

eenduidig sturend en richtinggevend beleid door deze overheden gemist.

Maatregelen

Zorg dat de werkprocessen van BJZ en jeugd-GGZ-instellingenn naadloos in elkaar

overvloeien. Maak hierbij, afhankelijk van de eigen positie, gebruik van werkzame

bestanddelen zoals:

Concrete samenwerkingsconvenanten die bestuurlijk commitment hebben.

Samenwerking op de werkvloer in het belang van de cliŽnt, gebruikmakend van

elkaars expertise.

Op de praktijk afgestemde casusoverleggen voor goede doorstroming van de

cliŽnt / het cliŽntsysteem.

Onderlinge kennisoverdracht en wederzijdse waardering voor elkaars deskundigheden.

Mogelijkheden voor rechtstreekse onderlinge consultatie en wederzijdse

feedback.

23 RAPPORT

Zorg dat het indicatiebesluit van BJZ voor jeugd-GGZ ůf globaal is en in korte tijd tot

stand komt ůf een langere doorlooptijd kent, maar dan wel richtinggevend is voor het

vervolg. Maak hierbij gebruik van:

Duidelijkheid over de minimaal noodzakelijke informatie in het indicatiebesluit.

Gestandaardiseerde en gevalideerde instrumenten voor het indiceren (screenen,

diagnosticeren, opstellen van het diagnostisch beeld), die door partijen onderschreven

worden.

Het systematisch implementeren van deze instrumenten en waar nodig opleiden

van personeel in het hanteren hiervan; het bevorderen van deskundigheid bij

medewerkers van BJZ in het beoordelen van psychiatrische problematiek.

Evaluatie van het inhuren van expertise bij jeugd-GGZ of het door BJZ inkopen

hiervan.

5.2 Bedoelde ‘zij-instroom’ is nog altijd de hoofdroute

De bedoeling van de WJZ is dat BJZ bij (vermoeden van) psychiatrische problematiek

onafhankelijk een indicatiebesluit opstelt dat recht geeft op jeugd-GGZ. Bij wijze van

uitzondering, in evidente of crisisgevallen, is de mogelijkheid open voor rechtstreekse

verwijzingen naar de jeugd-GGZ. Dit houdt in dat een groot deel van de cliŽntenstroom

van de jeugd-GGZ moe(s)t worden verlegd van de (huis)arts naar BJZ.

Uit dit inspectieonderzoek blijkt dat deze omlegging in de praktijk nog lang niet wordt

gerealiseerd. Er wordt echter ook niet eenduidig geregistreerd, zodat de weergegeven

percentages schattingen blijven. Overigens worden aan de rechtstreekse verwijzingen

(indicaties voor jeugd-GGZ) geen eisen gesteld. Voor de cliŽnten geldt dus slechts de

behandelwachttijd voor jeugd-GGZ als wachttijd. Het uitvoeringsbesluit WJZ legt BJZ

daarentegen diverse vereisten op bij het opstellen en formuleren van het indicatiebesluit

ten aanzien van probleemanalyse, overleg met de cliŽnten en de deskundige

beoordeling[2], Indien BJZ aan alle vereisten wil voldoen, kost het indiceren veel tijd,

waardoor een lange(re) doorlooptijd dan de gewenste periode van maximaal zes weken

al snel het gevolg is.

5.3 Casemanagementfunctie onhelder voor veldpartijen

Veel van de bezochte jeugd-GGZ-partners geven de voorkeur aan een indicatiebesluit

dat slechts een sectorkeuze, een globale indicatie, geeft en geen zorgvormen voorschrijft.

Diagnostiek en behandeling zijn dan als een geheel (cyclisch proces) te zien.

Op dit moment zijn de indicatiebesluiten van BJZ overwegend globaal en is er ruimte

voor de (behandelaar van de) jeugd-GGZ een eigen inschatting van de problematiek en

de zorgbehoefte te maken. Aan de afstemming tussen het indicatiebesluit en het

behandelplan wordt daarbij weinig aandacht besteed en het behandelplan wordt niet

door BJZ getoetst. Dit heeft gevolgen voor het (ontbreken van) casemanagement door

BJZ. De verwachtingen over en weer over het casemanagement, het volgen van de

verleende zorg aan de cliŽnt en het evalueren daarvan, lopen uiteen. Hierbij speelt ook

angst voor controle op specialistisch werk door niet terzake deskundigen. Het

ontbreekt veldpartijen aan een helder kader voor de casemanagementfunctie. Het is

[2] In april 2006 is een nieuw protocol opgesteld, dat de eisen aan BJZ aanscherpt, maar de

rechtstreekse verwijzing ongemoeid laat.

24 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

zeer wel denkbaar dat in gevallen van monodisciplinaire, minder complexe vervolghulp

een minimale BJZ-casemanagent-variant volstaat, terwijl bij instellingsoverstijgende,

complexere vervolghulp een zwaardere casemanagement-variant aangewezen is.

Maatregel

Zorg dat het behandelplan een vertaling is van het indicatiebesluit en dat BJZ de

uitvoering, binnen een helder kader voor casemanagement, kan volgen. Dit vereist

onder andere:

Heldere eisen over inhoud en bruikbaarheid van het indicatiebesluit (zie hiervoor).

Een helder kader voor het invullen van casemanagement door BJZ.

Nuancering van de mate van intensiteit van casemanagement, namelijk afhankelijk

van de complexiteit van de vervolghulp.

Minimaal afspraken over de terugkoppeling van informatie aan BJZ, zodat deze

haar taak kan vervullen als dat voor de cliŽnt nodig is.

5.4 Informatie-uitwisseling over cliŽnten effectief en toch privacy-proof

In gevallen waarin de informatie-uitwisseling (nog) niet tot stand is gekomen, verwijzen

partijen regelmatig naar ervaren tegenstrijdigheden tussen WGBO en WJZ op dit punt.

Ten eerste met betrekking tot de individuele cliŽnt: als een kind (en zijn/haar cliŽntsysteem)

eenmaal een indicatie voor behandeling van jeugd-GGZ (of diagnostiek) heeft,

wordt het kind als een cliŽnt van de jeugd-GGZ gezien en in een ander (financieel)

systeem geregistreerd. Vanuit de jeugd-GGZ wordt herhaaldelijk het nut van het terugkoppelen

van gegevens over de behandeling van het kind betwijfeld. Bovendien bestaat

er angst dat de informatie in een ander, bijvoorbeeld justitieel, kader onterecht of

onzorgvuldig zal worden gebruikt. Daartegenover heeft BJZ, in het bijzonder de jeugdbescherming,

in voorkomende gevallen last van het ontbreken van informatie, zodat

beslissingen ten aanzien van het kind (vervolgindicatie of bijvoorbeeld verlenging van

een ondertoezichtstelling) niet adequaat kunnen worden onderbouwd. Mogelijke

problematiek in het cliŽntsysteem van het kind kan zonder terugkoppeling van

informatie onvoldoende worden onderkend. Bovendien geldt dat in geval van rechtstreekse

verwijzingen naar de jeugd-GGZ geen informatie aan BJZ wordt geleverd. In

de WJZ is bepaald dat de jeugd-GGZ van al haar cliŽnten gegevens aan BJZ dient te

leveren zodat de verleende zorg kan worden verantwoord. Hiervan is in dit onderzoek

geen voorbeeld in de praktijk gezien. In een aantal convenanten waren wel schriftelijke

afspraken opgenomen, maar nog niet in praktijk gebracht.

25 RAPPORT

Maatregel

Zorg dat concrete, haalbare en zinvolle afspraken worden gemaakt en nageleefd over

de uitwisseling van cliŽntgegevens. Maak hierbij gebruik van:

De door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) ontwikkelde regels

over het uitwisselen van gegevens tussen professionals, geef deze meer

bekendheid en leef ze na.

Voorbeelden uit de praktijk: de meldcode KNMG voor huisartsen, de meldcode

van het NIZW voor beroepsgroepen.

Implementatie van in goed onderling overleg tot stand gekomen meldcodes en

verwijsprotocollen; het is effectief de codes met beroepsbeoefenaars te

bespreken.

Bevordering van de communicatie tussen artsen, psychiaters en psychologen en

andere (opvoed)deskundigen die beslissingen nemen tijdens het behandeltraject;

Aandacht voor het begrijpelijk, bruikbaar doorgeven van informatie over de

behandeling van cliŽnten door medici aan collega’s in een niet-medische, maar

aanverwante sector; dit mag niet door conflicterende wetgeving worden

verhinderd.

Duidelijkheid over de noodzaak van het uitwisselen van beleidsinformatie,

geaggregeerde informatie moet worden uitgewisseld.

Aanpassing, indien nodig, van de betrokken wetsartikelen in bijvoorbeeld WGBO

en WJZ.

26 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

BIJLAGE 1 Typologie samenwerking BJZ – Jeugd-GGZ

Typologie samenwerking bjz – jeugd-ggz

Gescheiden werelden

Geen of zeer magere samenwerkingsovereenkomst

Geen / weinig kennis van intentie & werkwijze wederpartij

Weinig affiniteit met wederpartij, geen positieve beeldvorming over

en weer

Weinig indicatiebesluiten bjz tbv j-ggz

Verwijzers niet adequaat geÔnformeerd

Hoge zij-instroom j-ggz (>80%)

Vreedzame coŽxistentie

Samenwerkingsafspraken: verdeling verantwoordelijkheden.

Geen vertrouwen in elkaars deskundigheid: zien geen meerwaarde

van samenwerking.

Wel kennis werkwijze wederpartij maar geen gedeelde definities,

procedures en instrumenten. Verwijzers elk apart geÔnformeerd.

Bedrijfsprocessen bestaan naast elkaar: tolerantie van elkaar.

Dubbeling in activiteiten en uitkomsten.

Lange doorloop- en wachttijden / hoge ‘zij-instroom’ jeugd-ggz (40%-

80%) / gering aantal indicatiebesluiten voor j-ggz door bjz.

Geregisseerd aanbod GeÔntegreerde dienstverlening

Bedrijfsprocessen zijn over en weer beÔnvloed

Koppeling via vooral ‘technische’ verbindingen

Ontwikkeling gezamenlijke taal, definities, procedures en

instrumentarium

Afspraken over overdracht / monitoren zorg

Nog altijd (maar incidenteel) dubbeling in activiteiten (m.n.

diagnostische onderzoeken)

J-ggz nog geen optimaal vertrouwen in deskundigheid bjz en

in beoordeling problematiek en kwaliteit indicatiebesluit

Zij-instroom j-ggz: 10% tot 40%; toenemend aantal

indicatiebesluiten voor j-ggz

Eťn bedrijfsproces, ťťn gezamenlijk voorbereide en gedragen

aansturing. Gezamenlijke verantwoordelijkheid voor jeugdzorg.

Indicatiestelling loopt door goede afspraken naadloos over in start

hulpverlening j-ggz; afspraken over overdracht informatie en cliŽnten, en

over monitoren zorg

Relatief korte doorloop- en wachttijden; lage ‘zij-instroom’ jeugd-ggz

(<10%)

Vertrouwen in elkaars deskundigheid.

Monitoren elkaars kwaliteit en bespreken deze regelmatig.

27 RAPPORT

BIJLAGE 2 Beschrijving van de samenwerkingsrelaties tussen BJZ en

jeugd-GGZ

Deze bijlage bevat een korte beschrijving van de samenwerkingsrelaties tussen BJZ en

jeugd-GGZ op het gebied van het indicatieproces bij (vermoeden van) psychiatrische

problemen van jeugdigen. Het betreft de onderzochte combinaties van een BJZ(-locatie)

en een instelling voor jeugd-GGZ in elke provincie of grotestadsregio. De resultaten van

de thematische toezichtbezoeken zijn beschreven in vijftien lokale rapporten, die aan de

betreffende organisaties zijn uitgebracht.

1. Groningen

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Groningen, locatie Stad en GGZ Groningen-Zuid,

afdeling jeugd. Het samenwerkingsconvenant dateert van juli 2005. Dit convenant is

mede gebaseerd op vroegere gezamenlijke ervaringen. Het convenant beschrijft het

bestuurlijke niveau en behoeft nog implementatie op uitvoerend niveau. Het vertrouwen

in elkaars competenties moet nog groeien. De doorlooptijd in de toegangsroute van BJZ

is lang. Men overweegt een verkorte procedure voor de indicatie jeugd-GGZ. De

indicatie voor jeugd-GGZ is over het algemeen globaal. Er bestaan uiteenlopende

verwachtingen over de specificiteit van het indicatiebesluit van BJZ. De jeugd-GGZ

ervaart specifieke indicaties als beperkend en de standaardprocedure van BJZ, strikt

conform de wettelijke eisen, als vertragend. Veel cliŽnten krijgen bij de jeugd-GGZ

alsnog een intake. Er bestaan onduidelijkheden over de inbreng van de casemanager en

de zorgcoŲrdinator, zoals genoemd in het convenant en het landelijk beleid. Dit vereist

een vertaling naar praktische consequenties voor de betrokken medewerkers.

Goed overleg en afspraken over doorlooptijd in de toegang (het gebruikmaken van de

verkorte route), de specificiteit van het indicatiebesluit, het casemanagement en de

onderlinge consultatie kunnen posities van beide partijen verhelderen.

2. Friesland

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Friesland en GGZ Friesland, afdeling jeugd. In Friesland

is een Frontoffice ingericht (per juni 2005) voor aanmelding en acceptatie van

jeugdigen en andere cliŽnten. Nu nog worden direct na de aanmelding de cliŽnten door

aparte basisteams van jeugdhulpverlening (JHV) of jeugd-GGZ beoordeeld en wordt de

indicatie voor respectievelijk JHV of jeugd-GGZ voorbereid. Deze constructie roept bij

BJZ de vraag op of BJZ dan nog regie voert over het indicatietraject en diverse vormen

van geÔndiceerde zorg afweegt. Het ‘concept-indicatiebesluit jeugd-GGZ’ wordt wel ter

beoordeling voorgelegd aan de teammanager BJZ, maar daarover vindt geen multidisciplinaire

teambespreking meer plaats. Er is onduidelijkheid over de verantwoordelijkheid

voor de cliŽnten die op de wachtlijst komen voor jeugd-GGZ. Ligt die bij de jeugd-

GGZ of bij BJZ? Ook zijn er geen sluitende afspraken over het monitoren van de

verleende jeugd-GGZ door BJZ, noch over het verstrekken van informatie aan BJZ. De

afspraken die in het convenant waren vastgelegd zijn geŽvalueerd, maar er is nog geen

consensus over de uitkomsten.

3. Drenthe

Bezocht zijn BJZ Drenthe, locatie Assen en de samenwerkende jeugd-GGZ-instellingen,

GGZ Drenthe en Accare. De samenwerking tussen BJZ en jeugd-GGZ wordt als goed

ervaren en is organisch gegroeid via het ‘Voordeurprogramma BJZ Drenthe’. De

verschillen in werkwijze van de regio’s jeugd-GGZ zijn aanzienlijk. Partijen weten elkaar

te vinden om cliŽnten goed en snel te helpen. Er is nog wel discrepantie tussen de

analyse van BJZ Assen en de (vervolg-, behandel)diagnostiek van jeugd-GGZ. Dit noopt

28 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

tot verregaande overeenstemming over de gang van zaken (inclusief de rechtstreekse

verwijzingen van (huis)arts naar jeugd-GGZ).

Drenthe heeft een oplossing gezocht in het ‘stempelindicatiebesluit’ voor diagnostiek

bij jeugd-GGZ. Het vervolgtraject is volgens de geÔnterviewden van jeugd-GGZ nogal

bureaucratisch. En BJZ vraagt zich af of er op deze manier wel aan de eisen van de

WJZ wordt voldaan. In het multidisciplinaire overleg worden relatief weinig cliŽnten

besproken. De diagnostiek onder verantwoordelijkheid van de jeugd-GGZ maakt de

verantwoordelijkheid van BJZ voor het indicatiebesluit niet helder.

De – vanwege de WJZ – noodzakelijke evaluatie van de door de jeugd-GGZ geleverde

zorg door BJZ krijgt in de praktijk slechts incidenteel gestalte. De functie casemanagement

vereist (landelijk eenduidige) discussie.

De beschikbaarheid van informatie over doorlooptijden, onderlinge uitwisseling van

informatie behoeft verbetering.

4. Overijssel

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Overijssel, locatie Zwolle en RIAGG Zwolle, locatie

Zwolle. De samenwerking werd anticiperend op de WJZ al in 1998 gestart met de

vorming van een multidisciplinair team, waarin men elkaars werkwijze leerde kennen.

Er is nog wel discussie over een aantal thema’s, maar er is regelmatig overleg op

bestuurlijk, management- en uitvoerend niveau. Men werkt volgens afgestemde

processen tot het indicatiebesluit, maar over de monitortaak van BJZ is de discussie

nog niet afgerond. Er zijn nog veel rechtstreekse verwijzingen (40-80 %) naar de jeugd-

GGZ en de informatie over deze cliŽnten aan BJZ is niet geregeld. De samenwerking

wordt ondersteund door de faciliterende rol van de provincie en het Overlegorgaan

Jeugdzorg Overijssel. Er bestaat nog verschil van inzicht over een aantal thema’s zoals

cliŽntenstromen, volume, casemanagement (monitoring) en de indicatietaak van BJZ.

Het indicatiebesluit van BJZ is tot op heden globaal, terwijl de Riagg dit specifieker zou

willen. Daarvoor heeft BJZ echter geen expertise en capaciteit. Daarnaast is er

discussie over de invulling van het casemanagement door BJZ. Wat is de toegevoegde

waarde? Wanneer is er geen casemanagement nodig? Met behoud van de waardering

voor de onderlinge samenwerking ligt er nog een aantal vragen: welke informatie moet

jeugd-GGZ aan BJZ verstrekken voor de ‘monitoring’ zonder de geheimhoudingsplicht

te schaden? Wat is de verhouding tussen de verplichtingen van de WGBO en de WJZ?

Hoe kan worden voorkomen dat deze onzekerheden voor de professionals leiden tot

gevaar voor het kind?

5. Gelderland

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Gelderland, locatie Arnhem en GGZ De Gelderse Roos,

Arnhem. Zowel BJZ Gelderland als De Gelderse Roos heeft een eigen voordeur. Over

de samenwerking zijn beleidsafspraken in een convenant vastgelegd. Tot de invoering

van de WJZ participeerde de jeugd-GGZ in het screeningsoverleg. Op het moment van

het bezoek is de expertise van de jeugd-GGZ door BJZ te consulteren en er is goede

inhoudelijke communicatie. Men ondervindt hinder van de talloze (beleids)wijzigingen

op landelijk niveau. Er is nog veel instroom bij de jeugd-GGZ via de (huis)artsen. Men

heeft weliswaar gezamenlijk alle (huis)artsen geÔnformeerd over de nieuwe situatie,

maar de relatief lange doorlooptijd bij BJZ in vergelijking met het verwijzingstraject via

de huisarts, maakt dat het aantal rechtstreekse aanmeldingen aanzienlijk is. Over deze

verwijzingen wordt BJZ niet systematische geÔnformeerd en daar zijn ook geen

afspraken over. Dit betekent dat het risico blijft bestaan dat relevante informatie

verloren gaat. Bovendien is het de vraag of bij de rechtstreekse verwijzingen naar de

jeugd-GGZ de overige jeugdzorg voldoende in beeld komt? Alle betrokkenen geven aan

29 RAPPORT

dat deze problematiek een gezamenlijke aanpak vereist. Het aantal indicaties door BJZ

voor de jeugd-GGZ neemt wel toe. Ook het casemanagement vanuit BJZ is groeiende,

maar moet nog verder vorm krijgen. Er bestaat daarbij wel de behoefte aan te sluiten

bij de behandelpraktijk van de jeugd-GGZ.

6. Flevoland

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Flevoland, locatie Almere en de Symforagroep, Kinder-

& Jeugdpsychiatrie (de Meregaard) te Almere. De samenwerking tussen BJZ en

Symfora/de Meregaard is nog beperkt, maar wordt wel door beide partijen als positief

ervaren. Er wordt door BJZ diagnostiek ingekocht als er op basis van eigen deskundige

inschatting vermoeden is van psychiatrische problematiek. Daarbij vindt overleg plaats

binnen het Regionaal Diagnostisch Team. De uitvoerend werkers ontmoeten elkaar daar

en zij waarderen deze samenwerking. Medewerkers van de jeugd-GGZ betwijfelen nog

wel of BJZ lastig te signaleren psychiatrische problemen kan herkennen. Op bestuurlijk

niveau worden nadere afspraken voorbereid, uitgaande van adequate zorg voor

cliŽnten. BJZ Flevoland heeft een eigen GZ-psycholoog, die wordt ingeschakeld bij

vermoeden van psychiatrische problematiek. Er is gezamenlijk eerstelijnsoverleg waarin

afspraken gemaakt kunnen worden met huisartsen en de jeugd-GGZ. Het indicatiebesluit

van BJZ is globaal - een sectorkeuze. Daarna volgt de cliŽnt hetzelfde traject als

een door de (huis)arts verwezen cliŽnt. Op het bezoekmoment is er nog sprake van

ongeveer 90 procent arts-artsverwijzingen naar de jeugd-GGZ. Gegevens over deze

cliŽnten worden niet teruggekoppeld aan BJZ en de cliŽnt kan niet worden gevolgd.

Alleen in evidente gevallen is er aanvullend inhoudelijk contact tussen BJZ en jeugd-

GGZ.

7. Utrecht

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Utrecht, locatie Stad Utrecht en Altrecht geestelijke

gezondheidszorg, afdeling jeugd. Na een jarenlange samenwerking, onder andere in de

vorm van deelname van jeugd-GGZ in de voordeur van BJZ, heeft BJZ bij de invoering

van de WJZ besloten de expertise van de jeugd-GGZ in te brengen in de (centrale)

indicatiecommissies. Gedurende het indicatieproces en bij vragen van BJZ medewerkers

is er voorzien in consultatiemogelijkheid bij jeugd-GGZ medewerkers. De

afgesproken structurele uitwisseling van informatie over het verloop van de

behandeling is – ten tijde van het inspectiebezoek – nog niet gerealiseerd. Dit heeft

onder andere te maken met belemmeringen die men ervaart bij vergelijking van de eisen

van de WJZ, de WGBO en de privacywetgeving. Over het uitvoeren van de afspraken

over de informatievoorziening en de positie van de casemanager wordt nader overleg

gevoerd. Er is over en weer wel vertrouwen in elkaars werkwijze en men overlegt met

elkaar op casusniveau. Het indicatieproces heeft BJZ ingericht conform het

referentiewerkmodel, maar dat kost wel veel tijd en de informatie die dat oplevert over

de leefgebieden van de cliŽnt zijn minder relevant voor het behandelplan van de jeugd-

GGZ. Vanuit de jeugd-GGZ vergelijkt men de indicaties van BJZ met de artsartsverwijzingen

(ongeveer 85% van de aanmeldingen), die als adequaat worden

ervaren. Hierna kan de behandeling door de jeugd-GGZ snel starten.

Over het casemanagement door BJZ zijn formele afspraken vastgelegd, maar ten tijde

van het onderzoek was de discussie hierover nog niet uitgekristalliseerd. De invoering

van de WJZ heeft een (hernieuwde) discussie opgeroepen over de specificaties van het

indicatiebesluit, verantwoording van behandelingen en effectiviteit van zorg voor de

cliŽnt.

30 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

8. Noord-Holland

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, locatie Haarlem en Jeugdriagg Noord-

Holland Zuid. Tot aan de invoering van de WJZ hadden BJZ en de Jeugdriagg een

gedeelde voordeur. Voor de nieuwe situatie is, samen met stadsregio Amsterdam

omdat de instellingen voor jeugd-GGZ ook voor die regio werken, een visiedocument

opgesteld. In dit document staan de cliŽnt, de juiste zorg op het juiste moment en een

goede afstemming in de keten centraal. Op basis hiervan zijn specifieke afspraken

gemaakt. Op uitvoerend niveau vindt onderlinge consultatie plaats en erkent men

elkaars deskundigheid en specifieke competenties. Door deskundigheidsbevordering en

onderlinge samenwerking kan in de voordeur een eerste inschatting van psychiatrische

problematiek worden gemaakt, waarna de analyse en het diagnostisch beeld door

medewerkers met jeugd-GGZ-expertise worden uitgevoerd. Nog meer dan 80 procent

van de aanmeldingen komt rechtreeks bij de Jeugdriagg. BJZ heeft op deze aanmeldingen

geen zicht en de informatie wordt (nog) niet uitgewisseld. Het risico bestaat

dat cliŽnten mogelijk in beide circuits hulp krijgen, maar dat men dit niet van elkaar

weet. Het indicatieproces, beschreven conform het referentiewerkmodel, kent een

lange doorlooptijd. Bovendien wordt het indicatieproces - zeker als expertise voor

diagnostiek wordt ingekocht bij de jeugd-GGZ - mogelijk niet als ‘onafhankelijk’

ervaren. Er is nog discussie gaande over de invulling van het casemanagement, zicht

op het behandelplan, evaluatie en eindverslag van de behandeling. In het belang van de

cliŽnt moet de keten goed blijven werken.

9. Regionaal Orgaan Amsterdam

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA), locatie Zaandam en

GGZ Dijk en Duin, afdeling jeugd Zaanstreek, locatie Zaandam. Vanaf de ‘Regie in de

jeugdzorg’ is anticiperend op de nieuwe WJZ door het toenmalige BJZ Amstelland/

Meerlanden en Zaanstreek/Waterland en de Riagg-jeugdafdeling een gezamenlijke

voordeur gecreŽerd. Dit om een laagdrempelige toegang tot alle vormen van jeugdzorg

te realiseren. De samenwerking leidde tot een sectorale aanmeldprocedure, een

multidisciplinair indicatieoverleg (mio), een gestructureerd overleg over het ‘grensverkeer’

en een diagnostisch centrum. In het mio-grensverkeer worden alle cliŽnten

vanuit BJZ en jeugd-GGZ ingebracht die een indicatie krijgen na crisisopvang, verhuizen

of anderszins worden overgeplaatst. Na de invoering van de WJZ is door (inmiddels)

BJAA en BJZ NH enerzijds en (inmiddels) Dijk en Duin (en vier andere in deze regio

werkende instellingen voor jeugd-GGZ) een visiedocument opgesteld als kader voor

afspraken over de toegang tot de jeugd-GGZ. De noodzakelijke onafhankelijkheid van

het indicatiebesluit, dat leidt tot recht op jeugdzorg en het inhuren van GZ-psychologen

en psychiaters bij BJAA, zou kunnen leiden tot meer bureaucratie en/of minder goede

samenwerking. Na acceptatie van de cliŽnt in de voordeur is er sprake van ‘overdracht’

van de cliŽnt bij (vermoeden van) psychiatrische problematiek naar de jeugd-GGZ, met

een zeer globaal ‘indicatiebesluit’. Er zijn geen afspraken over terugkoppeling van

gegevens over deze cliŽnten, in bijzondere gevallen is er het mio-grensverkeer. BJAA

geeft aan nog te zoeken naar de juiste wijze van specificeren van het indicatiebesluit

(en verwacht daarbij ook duidelijkere landelijke richtlijnen) en de inzet van (intensief)

casemagement. Er worden onderlinge tegenstrijdigheden tussen WGBO en WJZ

ervaren. De toegang naar de jeugd-GGZ mag dan redelijk verlopen, bij ouderproblematiek

in het cliŽntsysteem kan BJZ niet naar de volwassenen-GGZ verwijzen.

Naast een goede jeugdzorgketen is ook een goede ‘ouderketen’ een vereiste.

31 RAPPORT

10. Zuid-Holland

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, locatie Gouda en GGZ Kinderen en Jeugd,

locatie Gouda. Na jarenlange samenwerking en een gezamenlijke voordeur – in het

belang van de cliŽnt - is in Gouda bij de invoering van de WJZ de samenwerking voor

een deel weer ontvlochten. De voorzitter van de indicatiecommissie is (2005)

gedetacheerd vanuit de jeugd-GGZ en er is maandelijks overleg tussen BJZ en de jeugd-

GGZ over signalen in de toegang bij BJZ en casusbespreking van crisiscliŽnten. In

plaats van de volledig omgelegde toegang worden (huis)artsen nu geÔnformeerd

wanneer (weer) rechtstreekse toegang mogelijk is. Door de gezamenlijke huisvesting is

nog steeds goede afstemming mogelijk. Door opleidingsinvestering vanuit de jeugd-

GGZ en het inzetten van professionele krachten in de voordeur wordt het indicatieproces

zo snel mogelijk doorlopen. Het indicatiebesluit blijft globaal waar het de

behandeling door de jeugd-GGZ betreft. Er worden geen gegevens over de verleende

zorg teruggerapporteerd aan BJZ. BJZ is niet in staat casemanagement te leveren

vanwege capaciteitsproblemen. De ontvlechting zal wellicht leiden tot een vermindering

van de samenwerking, waarbij voor beide partijen vooropstaat dat de cliŽnt er niet

onder mag lijden.

11. Haaglanden

Bezocht zijn, in de pilotfase van het project, BJZ Haaglanden locatie Waldeck

Pyrmontkade en instelling voor jeugd-GGZ de Jutters te Scheveningen. Al sinds 2000

is er sprake van bestuurlijk commitment voor een goede koppeling tussen BJZ en de

jeugd-GGZ. Er zijn gezamenlijke procedures en werkwijzen voor de toegangsfase

ontworpen. Er is werk gemaakt van het slechten van (culturele) barriŤres. Hierbij zijn

het in nabijheid van elkaar verrichten van werkzaamheden (detachering van jeugd-GGZ

medewerkers op de locatie van BJZ) en het realiseren van korte lijnen belangrijke

succesfactoren gebleken. Ook het bevorderen van deskundigheid van BJZ, onder

andere door bijscholing vanuit de Jutters, is hierbij van belang.

Tegelijk lijkt het erop dat de neiging bestaat om de eigen positie en verantwoordelijkheden

binnen de toegangsfase in tact te laten. Relevant is vooral dat het indicatiebesluit

dat BJZ afgeeft, feitelijk een onderbouwing is van de keuze voor een sector:

jeugd-GGZ. De diagnostiek voor GGZ-cliŽnten wordt voornamelijk door de Jutters

uitgevoerd. De beschikbare globale informatie moet in een vervolgtraject binnen de

jeugd-GGZ worden gespecificeerd. De inzet op meer differentiatie binnen de toegangsfunctie

(‘uitwerken van een concept van verschillende snelheden’) biedt naar de

mening van de jeugd-GGZ kansen op verdere verbetering.

Ten aanzien van de functie casemanagement door BJZ lijkt, ondanks een gezamenlijk

uitgebrachte notitie, sprake van verschillende verwachtingen. BJZ wil voor deze functie

het eigen inzicht in vervolghulp vergroten en mogelijk de eigen werkprocessen hierop

aanscherpen, terwijl de Jutters slechts voor een beperkt deel van de cliŽntpopulatie

meerwaarde ziet in casemanagement door BJZ. Dit zou gericht moeten zijn op doelgroepen

die kampen met gecompliceerde co-morbiditeit, waardoor intersectorale

afstemming noodzakelijk is. Voor doelgroepen waarvoor evidence-based behandeling

beschikbaar is, is geen zorgcoŲrdinatie nodig: ‘Voor deze doelgroep biedt een uitgewerkt

en goed geÔmplementeerd zorgprogramma voldoende waarborg op kwalitatief

verantwoorde zorg en continuÔteit van zorg.’

12. Stadsregio Rotterdam

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam en Riagg Rijnmond Noord-West,

afdeling jeugd. De afgelopen periode wordt gekenmerkt door moeizame verhoudingen

tussen BJZ en Riagg RNW. Over en weer twijfelt men aan elkaars competenties. Riagg

32 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

RNW accepteert de indicatie van BJZ niet. Ondanks dat was er voor de invoering van

de WJZ sprake van samenwerking en afstemming over casuÔstiek, bereikbaarheidsdiensten

buiten kantooruren en diagnostisch onderzoek. De invoering van de WJZ

vroeg om een heroriŽntatie, die tot een soort competentiestrijd lijkt te zijn uitgegroeid.

Er is nog wel periodiek beleidsoverleg tussen de bestuurders. De WJZ gaat ervan uit

dat (huis)artsen incidenteel rechtstreeks kunnen verwijzen naar de jeugd-GGZ. Voor de

Riagg RNW geldt dat nog nagenoeg alle verwijzingen verlopen via de (huis)arts. Dit

gaat sneller, maar BJZ is niet in staat deze cliŽnten te volgen; er wordt geen informatie

teruggekoppeld. Ook de administratieve communicatie verloopt stroef: er raken belangrijke

stukken zoek.

Op basis van de gegevens en de meningen van geÔnterviewden constateren we dat de

aanmeldingen vanuit BJZ naar de jeugd-GGZ/Riagg RNW moeizaam verlopen, er geen

adequate uitwisseling van cliŽntgegevens plaatsvindt en dat de jeugd-GGZ medewerkers

geen zicht hebben op de multidisciplinaire beoordeling van de indicatie die bij

BJZ plaatsvindt. Kortom, de samenwerking laat te wensen over. BJZ Stadsregio

Rotterdam en de jeugd-GGZ in de regio zijn verzocht deze problemen in de samenwerking,

de afstemming en de implementatie van de WJZ zo spoedig mogelijk (weer)

ter hand te nemen.

13. Zeeland

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Zeeland en instelling voor jeugd-GGZ Emergis/Ithaka.

Sinds 1996 participeerden beide organisaties in het Zeeuwse Netwerk Jeugdzorg, dat

is opgeheven bij het in werking treden van de WJZ. De samenwerking wordt ten tijde

van het onderzoek met veel inspanning weer opnieuw vormgegeven, waarbij het recht

van de cliŽnt op adequate zorg voorop staat. BJZ heeft in de afgelopen tijd de jeugd-

GGZ-expertise in eigen huis opgebouwd en maakt gebruik van de kennis en ervaring

van Ithaka bij de besprekingen van (complexe) casussen in het indicatieorgaan. Men

overlegt nog over nut en noodzaak van de inzet van de jeugd-GGZ in een eerder

stadium en bij verdere deskundigheidsbevordering van BJZ-medewerkers. De jeugd-

GGZ neemt het indicatiebesluit als uitgangspunt voor het behandelplan, naast de DSM

IV als voorlopige classificatie. Over het volgen van de behandeling door BJZ zijn de

afspraken nog in ontwikkeling. Voornemen: beperkt casemanagement in de vorm van

het dossier bijhouden en actief bij crisis of vervolghulp, hetgeen een actieve en

coŲperatieve houding van beide organisaties vereist. Concretere afspraken en uitvoering

daarvan zijn ook nodig over het uitwisselen van (beleids)informatie en analyse

van deze gegevens. Vervolgoverleg kan leiden tot het ontwikkelen van een gezamenlijke

strategie voor het verbeteren van de toegangsfunctie tot de jeugd-GGZ.

14. Noord-Brabant

Bezocht zijn BJZ Noord-Brabant, locatie Breda en Jeugd-GGZ regio Breda. Er is al

langere tijd sprake van samenwerking, met name op casusniveau en voor deskundigheidsbevordering.

De invoering van de WJZ heeft op bestuurlijk niveau en in de

samenwerkingspraktijk de discussie over het afbakenen van taken en verantwoordelijkheden

aangescherpt.

Alle aanmeldingen bij BJZ worden eerst gescreend op urgentie en (vermoeden van)

psychiatrische problematiek. GGZ-cliŽnten worden besproken in het GGZ-team en zo

spoedig mogelijk geÔndiceerd voor de jeugd-GGZ, zonder de gebruikelijke indicatieprocedure

van BJZ te doorlopen. Naar schatting wordt 90 procent van de cliŽnten van

de jeugd-GGZ rechtstreeks door de (huis)arts verwezen. Over deze cliŽnten bestaan

(nog) geen afspraken over informatie-uitwisseling. Er bestaat dus het risico dat jeugdzorgaspecten

over het hoofd worden gezien. Anderzijds bestaat de kans dat cliŽnten te

33 RAPPORT

laat worden geÔndiceerd voor de jeugd-GGZ als ze de normale procedure doorlopen

omdat de wachttijd bij BJZ (in 2005) twee tot drie maanden was. Als BJZ in crisissituaties

voor de jeugd-GGZ wil indiceren kan dat niet; dat kan alleen via de huisarts.

BJZ en jeugd-GGZ hebben de intentie om verder samen te werken vastgelegd in een

convenant en een implementatieplan. Er moet nog een aantal zaken worden uitgewerkt

zoals de grens tussen toegangs(indicatie)diagnostiek en behandeldiagnostiek en het

casemanagement door Bureau Jeugdzorg.

15. Limburg

Bezocht zijn Bureau Jeugdzorg Limburg, locatie Venlo en instelling voor jeugd-GGZ

Mutsaertsstichting te Venlo. Op bestuursniveau is nadrukkelijk een koers bepaald

gericht op verbeteren en intensiveren van de samenwerking. Er is een (concept-)

samenwerkingsprotocol Bureau Jeugdzorg Limburg en GGZ Limburg. In de praktijk is er

nog veel sprake van domeindenken, hoewel op casusniveau problemen wel worden

opgelost. Het is nog onduidelijk hoe het protocol moet worden ingevoerd, er zijn geen

eenduidige afspraken over fasering en evaluaties. Het ontbreekt ten tijde van het

onderzoek aan een aantal randvoorwaarden hiervoor zoals wederzijds vertrouwen,

draagvlak voor het gekozen beleid en op elkaar afgestemde verwachtingen over en

weer. Ondanks jarenlange voorbereiding van de (invoering van de) WJZ is er nog veel

onduidelijkheid en zijn er veel interpretatieverschillen over de consequenties van het

vigerend wettelijk kader. Vanuit de jeugd-GGZ wordt de indicatietaak met moeite

overgelaten aan BJZ en heeft men bedenkingen over de casemanagementfunctie van

BJZ. Er worden, met name door de medewerkers van de jeugd-GGZ, bij de verdere

implementatie van de WJZ meer problemen voorzien dan oplossingen. Bestuurders

zullen een heldere lijn moeten uitzetten en aandacht besteden aan scholing, coaching

en sturing.

Geconstateerd wordt dat nog een groot deel van de verwijzingen naar de jeugd-GGZ

door (huis)artsen rechtstreeks plaatsvindt. Over deze cliŽnten wordt geen informatie

teruggekoppeld en de kans bestaat dus dat informatie van/over de cliŽnt niet op de

juiste plaats beschikbaar is.

34 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

BIJLAGE 3 Scoringstabellen gehanteerd instrumentarium

Aanmelding Score a: Score b: Score c: Score d:

Vormgeving

voordeur

Er zijn feitelijk twee

voordeuren; er zijn

geen op elkaar

afgestemde afspraken

tussen BJ en J-GGZ

over aanmelding.

BJZ en J-GGZ hebben

onderling afspraken

over uitvoering van

aanmeldingsfunctie.

Ieder neemt grotendeels

de aanmeldingen

voor ‘eigen’ sector

voor eigen rekening.

BJZ en J-GGZ hebben

de werkwijze t.a.v.

aanmelding grotendeels

geÔntegreerd.

De vormgeving van

de voordeur wordt

volledig gedragen

door BJZ en J-GGZ

samen; deskundigheid

van beide deelsectoren

is voldoende

aanwezig.

Bekendheid met/

gedeeld gebruik

van aanmeldingsformulieren

of

procedures

Men kent de

gebruikte

aanmeldingsformulieren

en/of

procedures over en

weer niet of nauwelijks.

Men kent het bestaan

van de gebruikte aanmeldingsformulieren

en –procedures over

en weer maar maakt

geen gebruik van

elkaars of gezamenlijke

producten.

Er wordt gebruik

gemaakt van elkaars

of gezamenlijke aanmeldingsformulieren

en procedures.

Eťn team beoordeelt

aan de hand van een

vastgesteld en door

medewerkers van BJZ

en J-GGZ gedragen

werkproces alle

aanmeldingen.

Informatie aan en

terugkoppeling

naar verwijzers

BJZ en J-GGZ hebben geen gezamenlijke

voorlichting en informatie verstrekt aan

mogelijke verwijzers; huisartsen krijgen (nog

geen) standaard terugkoppeling van hun

verwijzing naar BJZ.

BJZ en J-GGZ hebben gezamenlijke voorlichting

op dit punt verstrekt o.a. door actieve

benadering van externe verwijzer (uitleg rol

BJZ en mogelijkheid rechtstreekse

verwijzingen).

Bereikbaarheids/

crisisdienst

BJZ en J-GGZ beschikken niet over een

gezamenlijke bereikbaarheids/ crisisdienst

BJZ en J-GGZ beschikken over een

gezamenlijke bereikbaarheids/ crisisdienst

Deskundigheid

voor beoordeling

psychiatrische

problematiek bij

de voordeur

Onvoldoende

deskundigheid bij

BJZ.

Onvoldoende

deskundigheid bij BJZ

maar bij twijfel wordt

incidenteel overlegd

met J-GGZ.

Nog niet voldoende

deskundigheid bij BJZ

maar bij twijfel (aan

beide kanten) wordt

overlegd. Mede door

bijdrage J-GGZ neemt

deskundigheid bij BJZ

toe.

Voldoende deskundigheid

bij BJZ o.a. door

uitwisseling en/of

detachering van

medewerkers over en

weer.

35 RAPPORT

Omlegging

cliŽntenstroom/

zij-instroom

J-GGZ

Vaak melden cliŽnten

zich nog gewoon bij

BJZ en J-GGZ zelf

aan.

Zij-instroom: >80%

aan-meldingen bij

J-GGZ.

CliŽntenstroom is

onvoldoende

omgelegd.

Zij-instroom:

40-80% aanmeldingen

bij J-GGZ.

CliŽntenstroom is

grotendeels omgelegd

Zij-instroom: tussen

10-40%

aanmeldingen bij JGGZ.

Vrijwel alle J-GGZ

cliŽnten komen via de

integrale toegangspoort

bij BJZ binnen.

Zij-instroom: <10%

aanmeldingen bij

J-GGZ.

Terugkoppeling

gegevens naar

BJZ over rechtstreekse

aanmeldingen

bij

J-GGZ

Op dit punt vindt geen (structurele)

terugkoppeling plaats.

Op dit punt vindt structureel terugkoppeling

plaats.

Diagnostiek

Score a:

Score b:

Score c:

Score d:

Uitvoering

diagnostiek

Er zijn geen op elkaar

afgestemde afspraken

tussen BJZ en J-GGZ

over de uitvoering

van toegangsdiagnostiek.

BJZ en J-GGZ hebben

onderling afspraken

gemaakt over de

manier waarop

diagnostiek wordt

gepleegd, waarbij

ieder de aanmeldingen

die voor de

‘eigen’ sector lijken te

zijn, voor de rekening

neemt.

BJZ en J-GGZ hebben

de (eerder bestaande)

werkwijzen ten

aanzien van diagnostiek

besproken en op

elkaar afgestemd.

De diagnostiekfunctie

is georganiseerd

en ingevuld

door BJZ en J-GGZ

gezamenlijk aan de

hand van een vastgesteld

en door medewerkers

van BJZ en

J-GGZ gedragen

werkproces

Bekendheid met/

gedeeld gebruik

diagnostische

instrumenten

Men kent de (voorheen)

gehanteerde

diagnostische

instrumenten over en

weer niet of

nauwelijks.

Men kent het bestaan

van gebruikte diagnostische

instrumenten

over en weer,

maar maakt geen

gebruik van elkaars/

gezamenlijk ontwikkelde

of gekozen

instrumenten.

Er wordt gebruik

gemaakt van elkaars

of van gezamenlijk

ontwikkelde/gekozen

diagnostische

instrumenten.

Eťn team behandelt

aan de hand van een

vastgesteld en door

medewerkers van BJZ

en J-GGZ gedragen

werkproces de diagnostiek

voor alle

cliŽnten in de

toegangsfase.

36 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

Deskundigheid

voor beoordeling

psychia-trische

problematiek

Geen specifieke

deskundigheid bij

BJZ.

Geen specifieke

deskundigheid bij BJZ

maar wordt

incidenteel ingehuurd

door BJZ bij J-GGZ.

Toenemende deskundigheid

bij BJZ;

aanvullend inhuren

van J-GGZ medewerkers

of diagnostiek.

Voldoende specifieke

deskundigheid bij BJZ

(mede door inzet JGGZ

in het verleden).

Multi-disciplinaire

beoordeling

Adequate uitwerking van criteria voor multidisciplinaire

beoordeling in de toegangsfase

van BJZ, maar deze is niet bekend bij de

medewerkers van J-GGZ.

Adequate uitwerking van criteria voor multidisciplinaire

beoordeling in de toegangsfase

van BJZ en deze is bekend bij de medewerkers

van J-GGZ.

Positionering

toegangsdiagnostiek

en

behandeldiagnostiek

Binnen BJZ

beoordeling die leidt

tot ‘sector-keuze’,

diagnostiek voor

GGZ-cliŽnten vindt

grotendeels plaats

binnen J-GGZ.

Binnen BJZ toegangsdiagnostiek.

Evt. behandeldiagnostiek

binnen J-GGZ.

Soms doet J-GGZ

diagnostisch onderzoek

ten behoeve van

de toegangsfunctie

over.

Binnen BJZ toegangsdiagnostiek.

Evt. behandeldiagnostiek

binnen J-GGZ.

J-GGZ verricht geen

dubbele diagnostiek

(tov voortraject)

Indicatiestelling/

indicatiebesluit

Score a:

Score b:

Score c:

Score d:

Organisatie

proces

indicatiestelling

Binnen BJZ worden

vrijwel geen of weinig

indicatiebesluiten

afgegeven voor

J-GGZ.

Er is deelname van JGGZ

aan proces van

indicatiestelling binnen

BJZ, waarbij ieder

vooral aanmeldingen

voor de ‘eigen’ sector

beoordeelt.

Er is deelname van JGGZ

aan het proces

van indicatiestelling

binnen BJZ.

Er wordt in feite

gezamenlijk een

indicatiebesluit

genomen.

Het proces van

indicatiestelling

binnen BJZ is door

BJZ en J-GGZ samen

voorbereid en wordt

gezamenlijk gedragen.

BJZ voert het uit.

Vertrouwen in

kwaliteit

indicatiestelling

J-GGZ heeft geen of weinig vertrouwen in

indicatiestelling BJZ.

J-GGZ heeft – onder bepaalde condities –

vertrouwen in indicatiestelling BJZ.

Specificiteit

uitkomst

indicatiestelling

-- Beoordeling leidt tot

‘sectorkeuze’: zeer

globaal geformuleerde

indicatiebesluiten.

Er worden globale tot

redelijk specifieke

indicaties voor J-GGZ

gesteld.

Er worden specifieke

indicaties voor

J-GGZ gesteld.

37 RAPPORT

Tevredenheid

samenwerking

Geen of stagnerende

samenwerking,

weinig wederzijdse

affiniteit.

Samenwerking op

papier geregeld, wel

(enige) kennis

werkwijze wederpartij,

geen gedeelde

werkprocessen.

Intensieve

‘technische’ verbindingen

tussen

(voorheen) eigen

werkprocessen.

Gedeelde werkprocessen,

integrale

teams

Gemiddelde

doorlooptijd BJZ

Beduidend hoger dan

het landelijke

gemiddelde van beide

sectoren.

Hoger dan het

landelijke gemiddelde.

Op het landelijke

gemiddelde.

Lager dan het

landelijke gemiddelde.

Aanmelding

J-GGZ/uitvoeren

indicatiebesluit

Score a:

Score b:

Score c:

Score d:

Afspraken BJZ

en J-GGZ over

overdracht van

informatie en

cliŽnten

Geen afspraken Afspraken zijn vooral

gericht op zo vroeg

mogelijke overdracht

van cliŽnten/niet of

minder gericht op

informatie-overdracht.

Afspraken zijn gericht op soepele overdracht

van informatie en ondersteuning van cliŽnten

bij het verzilveren van indicatiebesluit.

Terugverwijzingen

Terugverwijzingen komen regelmatig voor;

aantal (beduidend) hoger dan het landelijke

gemiddelde.

Terugverwijzingen komen vrijwel niet voor;

aantal langer dan het landelijk gemiddelde.

Opstellen

hulpverleningsplan

J-GGZ

Score a:

Score b:

Score c:

Score d:

Afstemming

hulpplan op

indicatiebesluit

Geen afstemming. Afstemming maar

indicatiebesluit is zeer

globaal en biedt veel

ruimte.

Intentie om altijd af te

stemmen. Maar soms

wordt beoordeling

aanpak problematiek

overgedaan. BJZ

wordt hiervan dan op

de hoogte gebracht.

Afgestemd op

indicatiebesluit:

geaccepteerd als

uitgangspunt voor

hulpplan. Meningsverschillen

worden in

structureel overleg

besproken en leiden

tot hernieuwde

afspraken.

38 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

Overleg/toetsing

hulpverleningsplan

door BJZ

Geen toetsing Ad hoc/in

voorkomende

gevallen.

Structureel, aan de hand van

geÔmplementeerde werkafspraken hieromtrent.

Uitvoeren en

monitoren van

zorg

Score a: Score b: Score c: Score d:

Verstrekken van

volggegevens

door J-GGZ aan

BJZ

Worden niet verstrekt. Worden verstrekt en worden gerapporteerd

door BJZ.

Evaluatie J-GGZ

door BJZ

Wordt niet geŽvalueerd. Wordt incidenteel

geŽvalueerd.

Wordt structureel

geŽvalueerd.

39 RAPPORT

40 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG / INSPECTIE JEUGDZORG

IGZ 06-31/400 exemplaren

 

 

 

AON verzekeringen gelooft in de meerwaarde van samenwerking met beroepsorganisaties

Doet AON Group Netherlands zich onder de naam AON Verzuim Management voor als arbodienst? Claimen ze een BOA keurmerk te hebben? Heeft de
Brancheorganisatie Arbodiensten AON Verzuim Management gecertificeerd als een arbodienst?


Een uitnodiging om na te denken aan de hand van een een fictief voorbeeld. Een werknemer krijgt burn-out omdat de werkomstandigheden slecht zijn. Volgens de BW is werkgever verantwoordelijk. De werkgever heeft de 2-jaar loondoorbetaling tijdens ziekte bij AON verzekeerd. Tegelijkertijd fungeert AON als "arbodienst" en "verzuimverzekeraar" voor de ziekte werknemer. Ze gebruiken BBP/WOSM als arbodienst achter de schermen. Ze verzekeren een organisatie, daarna maken ze "gebruik" van deze organisatie. Een slimme manier van zaken doen door Aon. Wat gebeurt er vervolgens met de zieke werknmers die met Aon te maken hebben gekregen als alle advocaten bij Aon verzekerd zijn, alle psychologen en andere beroepsorganisaties? Gaat Aon de dienst uitmaken over de werknemers van Nederland?

Wie heeft uitspraken van rechters in zaken waar AON partij is?

Hoe stelt het UWV zich op t.o.v. AON indien AON NIET als arbodienst kan worden aangemerkt?

Hoe stelt het UWV zich op t.o.v. AON indien AON WEL als arbodienst kan worden aangemerkt?

Wat is het verschil tussen een bedrijfsarts en een verzekeringsarts?

Welke artsen werken voor AON in welke hoedanigheid?

 

 

Aon Nederland. Aon is toonaangevend dienstverlener op het gebied van risicomanagement, employee benefits en verzekeringen. We hebben een breed werkterrein, maar werken bij alles wat we doen vanuit ťťn centrale gedachte. Vanuit onze visie dat een idee alleen kan worden verwezenlijkt als (dreigende) risico's onder controle zijn. Daarom brengen wij die risico's in kaart, maken deze inzichtelijk en bedenken creatief verantwoorde oplossingen. Zodat ieder risico beheersbaar wordt en de klant zijn ambitie kan waarmaken. Aon in Nederland heeft 1.500 medewerkers en maakt onderdeel uit van Aon Corporation, Chicago, USA. Het wereldwijde Aon-netwerk omvat circa 500 kantoren in meer dan 120 landen en telt ruim 46.000 medewerkers. Hiermee is Aon ťťn van de grotere financiŽle dienstverleners ter wereld. Aon Corporation is gespecialiseerd in financiŽle en verzekeringsdienstverlening en genoteerd aan de effectenbeurs van New York (NYSE).

 

Directie en Raad van Commissarissen Aon Nederland:

(27) Lex Geerdes
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Directievoorzitter Aon Nederland 010106
Directievoorzitter Aon Risico Management
Geerdes begon zijn carriŤre bij Aon in 1986 als trainee. In de afgelopen 20 jaar bekleedde hij diverse commerciŽle en management functies binnen Aon in Nederland, de Verenigde Staten en Frankrijk. Zo was hij van 1993 tot 1997 werkzaam als Directielid van Aon Frankrijk en Managing Director van Aon in Parijs. Geerdes zal zijn nieuwe functie combineren met zijn huidige functie als directievoorzitter van Aon Risico Management, makelaars in assurantiŽn en risicoadviseurs voor bedrijven en instellingen, onderdeel van Aon Nederland. Geerdes studeerde Economie aan de Erasmus Universiteit  en is tevens registermakelaar in assurantiŽn (RMiA). Bij INSEAD Business School participeerde hij in het International Executive Programme.

(28) Reinier Hinse (1950)
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Vice-voorzitter directie Aon Nederland
Directievoorzitter Aon Consultin
Reinier Hinse is in 1999 in dienst getreden bij Aon Nederland. Hij is statutair directeur en vice-voorzitter directie van Aon Groep Nederland bv en directievoorzitter van Aon Consulting, een onderdeel van Aon Nederland dat zich richt op het adviseren van ondernemingen en pensioenfondsen op het gebied van Employee Benefits en actuariŽle vraagstukken. Hij is tevens verantwoordelijk voor het communicatiebeleid van Aon. Reinier Hinse was bij NUTS OHRA Beheer B.V. lid van de Raad van Bestuur en sinds 1995 bestuursvoorzitter van NUTS. Daarvoor was hij sinds 1986 lid van de Raad van Bestuur van OHRA Verzekeringen en Bank Groep B.V. met achtereenvolgens de portefeuilles Verzekeringstechniek, operationele dienstverlening en Marketing en Verkoop. Voor deze functies was hij als adjunct-directeur verantwoordelijk voor financiŽle zaken. Tevens was hij vice-voorzitter van de Raad van Bestuur van Ohra BelgiŽ en commissaris bij enkele bedrijfsonderdelen. Reinier Hinse volgde de studie bedrijfseconomie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Hierna volgde hij diverse specifieke cursussen, waaronder het Senior Management Program bij INSEAD Business School te Fontainebleau.

(38) Bert Radder (1957)
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Directielid Aon Nederland
Directeur Operations
Directievoorzitter Aon Verzekeringen
Bert Radder is sinds november 2002 in dienst van Aon Nederland. Als Directielid van Aon Nederland is hij verantwoordelijk voor het realiseren van de gewenste kwaliteit en efficiency van alle operationele processen van Aon Nederland. Tevens is hij verantwoordelijk voor de aansturing van de afdelingen Organisatie & Informatisering, Facility Services, eSolutions en het volmachtbedrijf Jacobs & Brom. Bert Radder is daarnaast als portefeuillehouder in Directie Nederland verantwoordelijk voor Aon Verzekeringen, een bedrijfsonderdeel dat zich specifiek richt op het kleinbedrijf, particuliere klanten en affinitymarketing.

(22) Monique Bodde
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Directielid Aon Nederland
Directeur Human Resources
Per 1 mei 2006 is Monique Bodde (37) benoemd tot Directeur Human Resources. In deze functie is zij tevens lid van de Directie van Aon Groep Nederland bv. Zij zal zich met name richten op het aantrekken, ontwikkelen, binden en boeien van talent. Bodde is in 2000 in dienst getreden als HR manager bij Aon Consulting, onderdeel van Aon Nederland en is sinds 2002 HR manager van Aon Risico Management, Aon Verzekeringen en Corporate Services. Voordat Bodde bij Aon in dienst trad werkte zij bij PricewaterhouseCoopers in Brussel waar zij als HR consultant internationale projecten begeleidde. Zij studeerde Bestuur en Beleid in Internationale Organisaties aan de Universiteit van Groningen.

(22) Maurice Buijzen (1969)
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Directielid Aon Nederland
Financieel Directeur
Maurice Buijzen is sinds oktober 2005 lid van de directie van Aon Nederland in de functie van Chief Financial Officer. In deze hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor de financiŽle organisatie en besturing van Aon Nederland. Maurice Buijzen is per september 1995 in dienst getreden bij de Aon Risk Services International en heeft als Internal Auditor en International Controller uitgebreide internationale ervaring opgedaan binnen de Aon organisatie. Vanaf april 2004 was hij in dienst van Aon Corporation (Chicago) en verantwoordelijk voor de wereldwijde implementatie van de Sarbanes-Oxley 404 wetgeving. Voordat Maurice Buijzen bij Aon in dienst trad was hij werkzaam bij Coopers & Lybrand. Hij is registeraccountant en afgestudeerd aan Universiteit Nyenrode.

(22) Bax, Jan
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
ex-voorzitter RvB ABN AMRO
NU
AON Group Nederland BV
Corio NV (VZ)
Frans Maas Groep NV
Handelsveem Beheer BV
Heerema Fabrication Group
IHC Caland
Intec
Mammoet Holding BV
Netherlands Pilotage Association
Oranjewoud Beheer BV
Smit Internationale NV (VZ
TBI Holdings (VZ)
Vopak (VZ)

(40) Jong, J.M. drs. Jan Maarten (1945)
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Supervisory Board Heineken N.V.
AON Group Nederland
ex-lid RvB ABN AMRO
Nutreco

(31) Kalff, mr. Peter Jan
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
ex-voorzitter RvB ABN AMRO
NU
v Schiphol
v Hagemeyer
c Volker Wessels
Buitenland AON

HOEK, P.C. van den
NLRM 80 87 88/89 90 91 92 93
Kantonrechter-plaatsvervanger Hilversum 130375
Advocaat Amsterdam kantoor Stibbe Simont Monahan Duhot beŽdiging 1965
Plaatsvervangend lid Hof van Discipline NOvA
(28) Hoek, prof.mr. Paul C. van den (120239)
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
comissaris AON Groep Nederland BV
voorzitter – voormalige Deken van de Nederlandse Orde van Advocaten 1981/1984
Advocaat en partner Stibbe te Amsterdam sinds 1965
v Buhrmann
c Euronext
ASM Internationaal (VZ)
Ballast Nedam (VZ)
Buhrmann (VZ)
Euronext NV (Euronext N.V. is de eerste multinationale beursorganisatie in Europa. Euronext verzorgt diensten voor gereglementeerde aandelen- en derivatenmarkten in BelgiŽ, Frankrijk, Nederland en Portugal, alsmede in het Verenigd Koninkrijk (alleen derivaten).
Het Financieele Dagblad Holding bv
Robeco G

(39) STEEN, J.W.Th. (John) van der
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Chairman Aon Risk Services Continental Europe binnen Aon International 010606 Chairman Executive Board voting member
Voorzitter Risk Services Continental Europe, Global Large Corporate Board Continental Europe en Japan Group Europe bij Aon International.
Daarnaast is Van der Steen met ingang van 1 januari 2006 toegetreden tot de Raad van Commissarissen van Aon Groep Nederland

(42) D.P.M. Verbeek
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Member Supervisory Board
Raad van Bestuur AON Group Chicago
Voorzitter/CEO raad van bestuur AON Holding te Rotterdam
Commissaris van Petroplus International, Robeco, Robinco en Rorento

(21) Mw. T.J.M. ALDERS - TIMMER
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Jurist/Directeur Rollins Hudig Hall Groep bv Rotterdam
Jurist/directeur Aon Groep Nederland bv Marconistraat 16 3029 AK Rotterdam
"Netwerkster" bij de Stichting Vrouwennetwerk Nederland SVN 1994/1995
Netwerkster van de Stichting Vrouwennetwerk Nederland; ledenlijst SVN 1998

(42) Mrs. C. Verhagen
Netwerk onderzoek, behoort tot de machtige personen in het bedrijfsleven
Director/Secretary & Legal Director, Aon Holdings

 

Paulus C. van den Hoek (1939)
chairman
Dutch nationality. Appointed in 1997 and reappointed in 2004. Former Dean of the Dutch National Bar (1981-1984).  Lawyer and partner at Stibbe in Amsterdam since 1965. Supervisory Director of ASM International, Ballast Nedam, Buhrmann, Euronext, Robeco, Rolinco and Rorento.

  •  Commissariaten: AON Groep Nederland B.V (Voorzitter), ASM International N.V. (Voorzitter), Ballast Nedam N.V. (Voorzitter), Robeco Groep N.V. (Voorzitter), Robeco N.V. (Voorzitter), Rolinco N.V. (Voorzitter), Rorento N.V. (Voorzitter), Het Financieele Dagblad Holding B.V. (Voorzitter), Wavin B.V. (Voorzitter), Euronext Amsterdam N.V.

 

Johan C. ten Cate (1946)  
vice chairman
Dutch nationality.
Appointed in 2001. Member of the Executive Board of Rabobank Nederland.

Diederik J.M.G. Baron van Slingelandt (1946)  
Dutch nationality. Appointed in 2002. Member of the Executive Board of Rabobank Nederland

Dirk P.M. Verbeek (1950)  
Dutch nationality. Appointed in 2001 and last reappointed in 2003. Member of the Executive Board of Aon Corporation in Chicago and chairman of the Executive Board of Aon Holdings in Rotterdam. Supervisory director of Petroplus International, Robeco, Rolinco and Rorento

Gilles Izeboud (1942)
Dutch nationality. Appointed in 2004. Partner PricewaterhouseCoopers (1977/2002). Member Corporate Governance committee in the Netherlands. Supervisory Director of Endex European Energy Derivatives, Amsterdam, Buhrmann, Robeco, Rolinco en Rorento.

Philip Lambert (1946)
Dutch nationality. Appointed in 2005. Head of Corporate Pensions Division, Unilever N.V. and PLC since 1994. Member of the Investment Committee of the ABN AMRO Pension Fund and Chairman of the Investment Committee of ABP (Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds), the largest Dutch pension fund.

 

 

 

Werkmaatschappijen Aon Nederland:
Aon Risico Management
Aon Risico Management is een makelaar in assurantiŽn en adviesorganisatie op het gebied van risicomanagement voor middelgrote en grote organisaties. De activiteiten zijn erop gericht cliŽnten te helpen bij het verkrijgen van inzicht in risico's, oplossingen te bieden voor risicovraagstukken en onder andere door middel van verzekering en alternatieve risicofinanciering de continuÔteit van bedrijven en organisaties te bevorderen door risico's en onzekerheden weg te nemen. Het opzetten en onderhouden van verzekeringsprogramma's en de daaraan verbonden dienstverlening wordt op professionele wijze, waar ook ter wereld, uitgevoerd.

Aon Consulting
Aon Consulting is een kennisintensieve adviesorganisatie op het gebied van employee benefits en actuariŽle dienstverlening die zich richt op in Nederland gevestigde werkgevers en pensioenfondsen. Onze kernactiviteiten bestaan uit beleidsadvisering, -formulering, het ontwerpen en uitvoeren van regelingen, het sluiten van verzekeringsovereenkomsten en het ondersteunen van ondernemingen bij de verantwoording van hun pensioenlasten en -verplichtingen in de jaarrekening. Aon Consulting beschouwt een integrale benadering van de secundaire arbeidsvoorwaarden als een essentiŽle voorwaarde voor succes.

Aon Verzekeringen
Aon Verzekeringen is een dienstverlenende organisatie op het gebied van verzekeringen die zich specifiek richt op het midden- en kleinbedrijf en particuliere klanten. Als makelaar in assurantiŽn houdt Aon Verzekeringen zich in hoofdzaak bezig met het onderbrengen van risico's, het sluiten van verzekeringsovereenkomsten en het afhandelen van schaden. Aon Verzekeringen kenmerkt zich door inkoopkracht en een efficiŽnte administratie en distributie gebaseerd op direct marketingtechnieken.

Aon Re Netherlands
Als herverzekeringsmakelaar houdt Aon Re zich bezig met het beschermen van de risico's van beursverzekeraars, 'provinciale' verzekeraars en 'onderlinge' verzekeraars, zowel op individueel polisniveau ('facultatief') als over hele portefeuilles ('treaty').

 

Samenwerking met beroepsorganisaties.
Aon Professional Services gelooft in de meerwaarde van samenwerking met haar doelgroep. De beroepsorganisaties weten als geen ander wat er speelt onder de leden. Wij kunnen daarop inspelen en in overleg met de verschillende beroepsorganisaties een passend pakket aanbieden. Dit biedt naast de schaalvoordelen voor de klant, de zekerheid dat de producten in overeenstemming zijn met de gangbare richtlijnen en wetgeving.

192 Jaarverslag 2005 Nederlands Instituut van Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen: Het NIP heeft in samenwerking met AON Verzekeringen, een wereldwijd opererende assurantiemakelaar, voor de leden een aansprakelijkheidsverzekering ontwikkeld, de NIP Beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Baneke: 'De kosten van beroepsfouten kunnen de continuÔteit van een onderneming in gevaar brengen. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering dekt de kosten van schade als gevolg van beroepsfouten"

284 Advocaten. Voor de Nederlandse advocatenkantoren plaatsen wij beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen die tenminste voldoen aan de richtlijnen van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA). Voor de grotere advocatenkantoren zijn uiteraard hogere verzekerde limieten mogelijk. Bovendien zorgen wij er voor dat de polissen worden afgestemd op kantoren die ook notarissen of belasting adviseurs in huis hebben. Iedere Nederlandse advocaat is lid van de NOvA. Een van de diensten die de NOvA voor haar leden heeft is de servicedesk BaliePlus. Samen met BaliePlus heeft Aon een aantal verzekeringspakketten (zoals autoverzekering, ziektekosten etc.) ontwikkeld.

Notarissen. De notaris is volgens de richtlijnen van de Koninklijke NotariŽle Beroepsorganisatie (KNB) verplicht zijn/haar individuele beroepsaansprakelijkheid tot EUR 1.000.000.= verzekeren. Voor de excedentverzekeringen is Aon de exclusieve makelaar in Nederland en werkt hierbij nauw samen met de KNB. Dit betekent dat alle notarissen die bij ons verzekerd zijn in elk geval verzekerd zijn overeenkomstig de KNB richtlijnen. Uiteraard behandelen wij ook andere verzekeringen dan de beroepsaansprakelijkheid. U kunt ook bij ons terecht voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, andere employee benefits en alle andere schadeverzekeringen.

Accountants. Naar aanleiding van de nieuwe richtlijnen van de beroepsorganisaties van accountants, de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOvAA) en het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA) heeft Aon Professional Services een nieuwe verzekering ontwikkeld die geheel voldoet aan deze minimum richtlijnen. Tevens hebben wij in samenwerking met de Nederlandse Organisatie van Accountantskantoren (NOVAK), de serviceorganisatie van de NOvAA, nog een aantal producten ontwikkeld die precies zijn toegesneden op de accountants. Meer informatie treft u aan op de website van de NOVAK en u kunt uiteraard contact met ons opnemen.

 

BaliePlus Verzuim Management, U wilt investeren in verzuimbegeleiding en reintegratie, maar niet goed weet hoe of wat?
Komt het in uw organisatie voor dat: De opzet en uitvoering van uw verzuim- en reÔntegratiebeleid voor verbetering vatbaar is? Een werknemer wekenlang thuis zit, zonder dat er iets gebeurt? U eigenlijk niet goed weet waarom een werknemer al enige tijd afwezig is? Een werknemer lange tijd op een wachtlijst staat voor een specialistische behandeling of psychologische hulp? Een werknemer de WAO instroomt, waarvan u zich afvraagt of dat nu wel echt nodig was? U wilt investeren in verzuimbegeleiding en reintegratie, maar niet goed weet hoe of wat? Met BaliePlus Verzuim Management zijn dergelijke situaties verleden tijd Goed verzuimmanagement kenmerkt zich door een snelle en directe aanpak van verzuim en een duidelijke regie over het totale proces. Al jaar en dag is Aon adviseur voor haar klanten als het gaat om risicomanagement en risicobeheersing. Het financiŽle risico van verzuim en arbeidsongeschiktheid wordt door veranderende wetgeving steeds groter. Daarom heeft Aon dienstverlening ontwikkeld die gericht is op het beheersen en reduceren van verzuim en arbeidsongeschiktheid: Aon Verzuim Management.

Met BaliePlus Verzuim Management vult u gemakkelijk ook alle andere Arbo-zaken in Met BaliePlus Verzuim Management kunnen leden van BaliePlus nu gebruik maken van de dienstverlening van Aon Verzuim Management tegen een aantrekkelijk tarief. Met BaliePlus Verzuim Management krijgt u op een effectieve en efficiŽnte wijze grip op verzuim en arbeidsongeschiktheid. Bovendien geeft een zorgvuldig gestuurd verzuimbegeleidingsproces u de basis voor een gericht preventief beleid. En… natuurlijk vult u met BaliePlus Verzuim Management ook gemakkelijk alle andere Arbo-zaken in, waaronder uw risico-inventarisatie & -evaluatie (RI&E). U kunt het contract met uw huidige Arbo-dienst dus beŽindigen. Uitgangspunt is een speciaal voor BaliePlus leden ontwikkeld verzuimbeleid BaliePlus stelt voor u een verzuim- en reÔntegratiebeleid op en zorgt voor een betrouwbare uitvoering middels een duidelijke regiefunctie. Snel, efficiŽnt en baanbrekend. Met een zo groot mogelijke rol voor uw eigen organisatie. Dit sluit specifiek aan op de liberalisering van de Arbo-markt. Regiefunctie. Een geautomatiseerd kennissysteem met moderne communicatietechnologie waarborgt een efficiŽnte sturing en bewaking van het reÔntegratieproces. U geeft uw ziekmeldingen door via een speciale website. BaliePlus Verzuim Management staat vervolgens garant voor een optimale doorloop van de terugkeer van uw verzuimende medewerkers. Acties voor versnelde terugkeer Alle verzuimgevallen worden geregistreerd en geanalyseerd. Er wordt adequaat gereageerd op het kortdurend verzuim. En bij dreigend langdurend verzuim wordt zo spoedig mogelijk bekeken welke mogelijkheden er zijn om iemand versneld terug te laten keren. Het gaat erom dat de juiste onderdelen in de juiste samenhang worden ingezet. Fundamenteel hierbij is dat niet wordt uitgegaan van wat een zieke werknemer niet meer kan, maar juist van de mogelijkheden die de betrokken persoon heeft. BaliePlus Verzuim Management beheert een netwerk van geselecteerde leveranciers van reÔntegratieprogramma's en sluit samenwerkingsovereenkomsten om de juiste dienstverlening te kunnen inzetten en aan te sturen. BaliePlus Verzuim Management: stelt een effectief verzuimprotocol beschikbaar; registreert en analyseert alle verzuimgevallen; onderneemt actie op kortdurend frequent verzuim en (dreigend) langdurig verzuim en koppelt de voortgang terug; selecteert en contracteert leveranciers van reÔntegratieprogramma’s; beoordeelt en bewaakt de reÔntegratieprogramma’s en stuurt deze logistiek aan; regelt - indien gewenst - alle andere Arbo-zaken; melding aan het UWV maakt gebruik van financieringsmogelijkheden die binnen mantelcontracten van BaliePlus met verzekeraars worden aangeboden; verzorgt ieder halfjaar een verzuimrapportage; biedt medewerkers de mogelijkheid voor een preventief open spreekuur actief en gericht case management. Onze aanbieding Voor een tarief van EUR 50,-- per medewerker bent u straks verzekerd dat u dagelijks uw vragen omtrent verzuim en reÔntegratie - on meest brede zin van het woord - neer kunt leggen bij  een van onze verzuimdeskundigen. Tevens ontvangt u voor dit tarief frequent managementinformatie  en wordt her verzuimproces bewaakt op de wettelijke verplichtingen (o.a. de 13e weekse melding aan het UWV). Additionele ondersteuning in verzuimbegeleiding en reÔntegratie door een van onze verzuimdeskundigen zal apart in rekening worden gebracht. Deze nieuwe vorm stelt u in staat om tegen lage beheerskosten het benodigd pakket aan dienstverlening in te vullen. Het nieuwe diensverleningspakket zal evenals het 'all in' pakket per 1 januari 2006 gecombineerd kunnen worden met een verzuimverzekering. Het voordeel bestaat dan uit een lagere premie voor de verzekering alsmede uit medefinanciering door de verzekeraar van reÔntegratiedienstverlening. Hierbij kunt u denken aan medefinanciering van psychologische begeleiding, fysiotherapie, vervangend vervoer e.d. Per genoemde datum wordt u ook nog de mogelijkheid geboden om het nieuwe ziektekostenpakket hierbij onder te brengen waardoor u nog korting kunt krijgen op de vaste fee per medewerker per jaar voor BaliePlus Verzuim Management. Op dit moment zijn wij nog in gesprek met verzekeraars over de hoogte van deze bijdrage. Vanuit de ziektekostenverzekering moet dan eveneens de mogelijkheid worden geboden om reÔntegratiedienstverlening vergoed te krijgen. Vanaf nu kunt u gemakkelijk via internet de arbeidsrisico's binnen uw kantoor in kaart brengen. De Nederlandse Orde van Advocaten en KeurCompany, onderdeel van ArboNed, hebben samen een branchespecifiek instrument voor de Risico-Inventarisatie & -Evaluatie (RI&E) ontwikkeld. Hiermee kunt u snel en simpel werken aan een veilige en gezonde werkomgeving. Het instrument is hier te downloaden en daarna te installeren op uw pc. Door het beantwoorden van een aantal vragen kunt u alle belangrijke risico's binnen uw kantoor inventariseren en beoordelen. Vervolgens kan een Plan van Aanpak worden opgesteld om risico's weg te nemen. In het programma vindt u oplossingen en tips voor het maken van een Plan van Aanpak en onder 'meest gestelde vragen' vindt u extra informatie. Algemene voorwaarden. Op de dienstverlening van BaliePlus Verzuim Management zijn de Algemene Leveringsvoorwaarden van Aon Verzuim Management van toepassing. Deze zijn op te vragen via de website van Balieplus www.balieplus.nl. Gegevens leverancier Naam Aon Nederland, Landkode NED, Contactpersoon, Bas van der Tuyn Profiel relatie Balieplus heeft tezamen met Aon, een wereldwijd werkende verzekeringsmakelaar, diverse verzekeringen ontwikkeld voor haar deelnemers. Deelnemers in Balieplus kunnen gebruik maken van een op maat gesneden pakket aan verzekeringen. Zowel verzekeringen voor de advocaat zelf als verzekeringen die belangrijk zijn om de advocatenpraktijk te runnen. De premies zijn sterk concurrerend, omdat uitgegaan kan worden van een homogene doelgroep.
Alle bovengenoemde producten en diensten zijn door Balieplus en Aon Verzekeringen met zorg ontwikkeld. Per product of dienst is er een keuze gemaakt voor de meest gunstige, meest concurrerende en meest aantrekkelijke partij.

 

 

 

Aon Settles Corruption Probe with 3 States for $190 Million; Complaint Cites Involvement of Top Execs
Insurence Journal U.S.A., March 4, 2005

New York Attorney General Eliot Spitzer and Acting New York State Insurance Superintendent Howard Mills, together with Connecticut Attorney General Richard Blumenthal, Illinois Attorney General Lisa Madigan and Illinois Acting Director of Insurance Deirdre Manna, today announced an agreement with the nation's second largest insurance brokerage to resolve allegations of fraud and anti-competitive practices. Under the agreement, the Chicago-based Aon Corporation is providing $190 million over a 30- month period for restitution to policyholders and is adopting a new business model designed to avoid conflicts of interest. In addition, Aon's Chairman and CEO, Patrick G. Ryan, will issue a public statement apologizing for Aon's improper conduct according to the statement issued by Spitzer's office. "The underlying complaint in this case shows that improper conduct was pervasive at Aon," Spitzer said. "To its credit, however, the company has acknowledged the problems, has agreed to compensate policyholders and has adopted reforms that will provide greater accountability in the future." Al Orendorff, director of corporate communications for Aon, said the company had no comment at this time. The agreement with Aon was modeled after an earlier agreement reached January 31 with the nation's largest insurance broker, Marsh & McLennan Companies, for $850 million. The Aon complaint cites the involvement of Ryan in efforts to increase placements with an insurance company in exchange for that company's use of an Aon subsidiary (Aon Re) for reinsurance brokering. The complaint also alleges that Michael O'Halleran, Ryan's second-in command, personally negotiated "clawback" arrangements in which Aon Re would provide insurers with discounts or rebates on its reinsurance commissions on the condition that Aon could recover or "claw back" these discounts through retail placements made with the same insurers. Among the reforms adopted by Aon is a new policy in which the company will accept one payment only for an insurance contract at the time of placement, and that its payments will be fully disclosed to and approved by Aon's customers. The civil complaint filed today in State Supreme Court in Manhattan and the citation issued by the New York Insurance Department allege that for years Aon received special payments from insurance companies that were above and beyond normal sales commissions. These payments -- known as "contingent commissions" -- were characterized as compensation for "services to underwriters" but were, in fact, rewards for the business that Aon steered and allocated to the insurance companies. Spitzer's office and the Insurance Department have said they have uncovered evidence showing that the "practice distorts and corrupts the insurance marketplace and cheats insurance customers." In addition to promising to send business to its insurance company partners in exchange for cash payments, Aon also promised to place business with insurers in exchange for the insurers' agreement use Aon's reinsurance brokerage services, according to the charges by the state attorney general. Spitzer's complaint against the company cites internal communications in which top executives openly discussed these efforts to maximize Aon's revenue and insurance companies' revenues - without regard to Aon's clients' interests. "Aon will under the terms of this settlement bring greater transparency to the insurance marketplace by providing significant disclosure to clients and instituting substantive corporate governance reforms. The big winners here are consumers who understandably need assurances that they are receiving appropriate insurance products at the best price," Mills stated. Connecticut AG Blumenthal said: "This hidden "pay to play' scheme severely hit both public and private purses, including ordinary consumers, towns and cities, taxpayers and major educational institutions. Aon demanded kickbacks from insurers in exchange for business, even as it was paid by customers. The scheme inflated prices and stifled competition. Today's action compels Aon to cease this illegal, unethical practice immediately and pay restitution." Illinois Madigan said: "Our investigation revealed that Aon Corporation accepted secret payments from insurers for steering them business. Aon's acceptance of these secret payments was a direct conflict of interest that harmed Aon's clients. Aon's acceptance of kickbacks was not only unethical, but illegal. This settlement will guard against future conflicts of interest and help to return integrity to this industry." Spitzer's office and the New York State Department of Insurance said they are continuing a broad investigation of the insurance industry. To date, 10 executives from four companies have pleaded guilty to criminal charges stemming from the probe.

 

 

 

VBS en Aon, Voordeel door een hechte samenwerking

De VBS is een profielorganisatie voor bestuur en management van scholen: 650 scholen zijn lid, met 500 rechtspersonen als bevoegde gezagen van deze scholen. De leden zijn basisscholen, scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs, verschillende soorten van voortgezet onderwijs en enkele opleidingsinstituten.
De VBS is een werkgeversorganisatie en werkt samen met de andere werkgevers- en schoolleidersorganisaties in het onderwijs.
De VBS behartigt de belangen van de bij de VBS aangesloten scholen; naast
belangenbehartiging kunnen besturen en directies advies bij het Centraal Bureau van de VBS inwinnen over uiteenlopende onderwerpen. Het gaat daarbij om vragen die betrekking hebben op bestuur, beheer en organisatie van scholen.   

Neem dan contact op met Aon Verzekeringen.

Voordelen verzekeringspakket via VBS

Rol van Aon Verzekeringen

VBS heeft inzicht in de wensen van de branche ten aanzien van verzekeringen. Op basis hiervan koopt Aon Verzekeringen collectief een verzekeringspakket in bij de verzekeraar met het beste aanbod. Door de sterke onderhandelingspositie kunnen bovendien goede afspraken worden gemaakt over de dekking, service en prijs. U profiteert daarvan.

 

 

Aon en De Hypotheker gaan samenwerking aan op het gebied van hypotheken

Hoe regel ik via mijn werkgever de beste hypotheek? http://www.aon.nl/hypotheek/pdf/Aon-brochure.pdf  

Aon en De Hypotheker gaan samenwerking aan op het gebied van hypotheken
Rotterdam, 24 januari 2003 - Vanaf 1 januari werken Aon Nederland en De Hypotheker samen op het gebied van hypotheekadvies. Daarvoor is vandaag een overeenkomst getekend. Aon, wereldwijd toonaangevend adviseur in risicomanagement, employee benefits en verzekeringen, heeft besloten haar hypotheekadvies uit te besteden. Aon wil haar klanten de beste kennis, ervaring en inkoopkracht bieden. De keuze viel op De Hypotheker, die als grootste onafhankelijke specialist op het gebied van hypotheekadvies de kwaliteit die Aon verwacht weet te waarborgen.  

http://www.hypotheker.nl/default.htm

 

 

AON samenwerking met architecten en ingenieursbureaus BNA  

BNA
De BNA, voluit de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architecten BNA, is de enige algemene Nederlandse beroepsvereniging van architecten. Doel van de BNA is het stimuleren van de ontwikkeling van de bouwkunst en het bevorderen van de beroepsuitoefening van de leden.  

http://www.architectenweb.nl/aweb/redactie/redactie_detail.asp?iNID=8009&iNTypeID=55