| Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming! Openbare aanklachten van burgers tegen het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming (Ministerie van Justitie) in de volksmond nog veel beter bekend als Raad voor de Leugenbescherming en Raad voor de Kindermishandeling |
Haags Kinderontvoeringsverdrag is ooit werd opgesteld om westerse moeders te beschermen wanneer islamitische vaders hun kinderen meenamen naar het land van herkomst
Bron Ministerie van Justitie Betty de Hart
'Kinderontvoering zegt iets over wanhoop van ouders' De kranten hebben weer vol gestaan over kidhunters die naar het buitenland meegenomen kinderen ‘terugontvoeren’. Blijkbaar ervaren sommige ouders dat ze in zulke situaties aangewezen zijn op privédetectives om hun recht te halen. Ik vind dit een zorgwekkende ontwikkeling, omdat een kinderontvoering door derden een strafbaar feit oplevert en bovendien oncontroleerbaar is. Wie kijkt er op dat moment nog naar het belang van het kind? En wat betekent de terugontvoering voor zo’n kind? Het zou best een hele traumatische ervaring kunnen zijn, zoals de kinderontvoering die eraan voorafging dat ook al was.
Ik denk dat terugontvoeren (liever
spreek ik van kindermeename) meestal geen goede oplossing is. Het probleem bij
kindermeename is, net als bij echtscheidingen in het algemeen, dat ouders een
conflict over het gezag of de omgang hebben waar ze zelf niet uitkomen. In dat
geval moet je de rechter inschakelen. Maar nog liever moet je proberen samen met
je ex een uitweg te vinden, bijvoorbeeld via bemiddeling. Waarbij voorop staat
dat het kind contact met beide ouders houdt, want daar heeft het behoefte aan om
evenwichtig op te groeien.
Bij kindermeename gebeurt in feite hetzelfde, met als enige verschil dat het
feit zich over landsgrenzen heen afspeelt. Dit wordt geregeld door het Haags
Kinderontvoeringsverdrag, dat zegt dat het kind terugmoet naar het land waar het
altijd heeft gewoond en dat de rechter daar beslist over de omgang. Het Haags
Kinderontvoeringsverdrag staat bloot aan kritiek vanuit de samenleving en de
uitvoering kan inderdaad een stuk beter. Toch is het beter dan niets. De kans
dat een kind terugkeert uit een verdragsland is altijd groter dan bij een
niet-verdragsland en ook de snelheid is hoger.
Het probleem is een beetje dat het verdrag ooit werd opgesteld om westerse
moeders te beschermen wanneer islamitische vaders hun kinderen meenamen naar het
land van herkomst. De opstellers dachten niet aan de situatie dat een moeder uit
het buitenland zou terugkeren naar huis. Maar wat blijkt in de praktijk: juist
dat is een situatie die veel voorkomt. Een van oorsprong Nederlandse moeder met
een stukgelopen huwelijk in Amerika denkt: ‘ik ga naar huis’ en neemt haar
kinderen mee. Al dan niet bewust pleegt ze daarmee kinderontvoering. Als de
vaders vervolgens aankloppen bij de autoriteiten, kunnen ze hun kinderen
terugvragen.
Kinderontvoering zegt natuurlijk
iets over de wanhoop van deze ouders. Wat volgens mij ontbreekt is ondersteuning
in dit soort internationale situaties. Er is geen telefoonnummer waar gescheiden
ouders, of ouders die bezig zijn met scheiden, naartoe kunnen bellen als ze het
niet meer weten of als hun kind is meegenomen. Wat dat aangaat loopt Nederland
achter bij de omringende landen. Laten we een einde maken aan de situatie dat
ouders stad en land afbellen om van politie, advocaten en raadsonderzoekers te
horen: ‘ik kan niets voor u doen, buiten de landsgrenzen heb ik geen
bevoegdheid’.
Er moet een centraal ondersteuningspunt komen waar ouders informatie kunnen
krijgen bij een scheiding. Dat ondersteuningspunt moet ook de bemiddeling over
een omgangsregeling op gang kunnen brengen. Minister Donner heeft in de Kamer
gezegd: ‘dit is een verantwoordelijkheid van de ouders zelf en dus geen
overheidstaak’, maar dat vind ik onverstandig. Bemiddeling is altijd goedkoper
dan een juridische procedure. Ik stel me voor dat vliegende bemiddelaars de hele
wereld over gaan om te praten met ouders die kindermeename hebben meegemaakt.
Van Nederland uit moet er een internationaal netwerk worden opgebouwd met
organisaties die kunnen helpen - en die bestaan overal.
De jeugdbescherming ontbeert
helaas professionele kennis over kindermeename. Ze weten wat ze in de krant
hebben gelezen en dat is erg eenzijdig.
Gezien de frequentie van het verschijnsel - kindermeename komt jaarlijks ca. 120
keer voor - kan iedere jeugdbeschermer ermee te maken krijgen, en dan moet je
weten hoe je kunt helpen. De eerste reactie is heel belangrijk. Je moet de angst
voor kindermeename van een ouder niet bagatelliseren maar ook niet voor zoete
koek slikken. Onderzoek eerst waarom die ouder bang is en of de angst reëel is.
Als er reeds kindermeename heeft plaatsgevonden, zijn de mogelijkheden beperkt
zolang dat steunpunt er niet is, maar wijs toch op een eventuele minnelijke
schikking en de rol die de autoriteiten daarbij kunnen spelen.
Betty de Hart
Mr. Betty de Hart is senior-onderzoeker bij het Centrum voor Migratie van de rechtenfaculteit van de Katholieke Universiteit Nijmegen (de toekomstige Radboud Universiteit). In februari promoveerde zij op het onderzoek Onbezonnen vrouwen. Gemengde relaties in het nationaliteitsrecht en vreemdelingenrecht. Zij onderzoekt nu de theorie en praktijk van de dubbele nationaliteit. Betty de Hart werkte eerder bij de Stichting Lawine, een organisatie voor Nederlandse vrouwen met een buitenlandse partner, en schreef vanuit haar expertise het boek Internationale kinderontvoering. Oorzaken, preventie en oplossingen, NCB, Utrecht 2002. Betty de Hart is betrokken bij een landelijk platform van belangenorganisaties dat streeft naar een structurele oplossing voor de kinderontvoeringsproblematiek door middel van een centraal steunpunt.
Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder - het Europese Verdrag: het op 20 mei 1980 te
Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de
tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende
het herstel van het gezag over kinderen Trb. 1981, 10; - het Haagse Verdrag: het
op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de
burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen Trb. 1987,
139; - internationale ontvoering van kinderen: de ongeoorloofde overbrenging of
het ongeoorloofd niet doen terugkeren van een kind in strijd met een
gezagsrecht, als omschreven in Artikel 3 in verband met Artikel 5 onder a van
het Haagse Verdrag.
Artikel 2
Deze wet regelt de uitvoering van de in Artikel 1 vermelde Verdragen en is
tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen
die niet door een Verdrag worden beheerst.
Artikel 3
1 Deze wet is van toepassing op internationale ontvoering van kinderen die de
leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt.
2 Bereikt een kind ten aanzien waarvan een verzoek om teruggeleiding in
behandeling is de leeftijd van zestien jaren, dan wordt de behandeling van dat
verzoek ambtshalve gestaakt. Hetzelfde geldt voor maatregelen ter uitvoering van
een beslissing op een verzoek.
Artikel 4
1 Onze Minister van Justitie wijst bij in de Nederlandse Staatscourant openbaar
te maken besluit de onder zijn Ministerie ressorterende dienst aan, welke wordt
belast met de taak van centrale autoriteit, bedoeld in Artikel 2 van het
Europese Verdrag en in Artikel 6 van het Haagse Verdrag. Deze centrale
autoriteit is als zodanig tevens belast met de behandeling van verzoeken in
gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een Verdrag
worden beheerst.
2 De aanwijzing van de centrale autoriteit als bedoeld in het eerste lid staat
er niet aan in de weg dat een persoon zich rechtstreeks tot de rechter of andere
autoriteiten wendt teneinde de erkenning van het wettig gezag over een ontvoerd
kind, het herstel van dat gezag en de teruggeleiding van dat kind te bereiken.
Artikel 5
1 De centrale autoriteit is bevoegd, zo nodig ook zonder uitdrukkelijke volmacht
van degene die zich met een verzoek tot haar heeft gewend, zowel in als buiten
rechte ter uitvoering van haar taak namens hem op te treden.
2 De centrale autoriteit behoeft, indien zij in rechte optreedt, niet de
bijstand van een procureur of advocaat, tenzij de rechtsingang aanvangt met een
dagvaarding.
3 De centrale autoriteit draagt zelf alle kosten die aan de uitvoering van haar
taak zijn verbonden, voor zover deze niet door haar teruggevorderd kunnen worden
van de verzoeker of verhaald op de persoon die het kind heeft ontvoerd.
Artikel 6
1 Indien de centrale autoriteit besluit om een verzoek tot teruggeleiding van
een kind niet in behandeling te nemen of de behandeling van een zodanig verzoek
te staken, deelt zij zulks aanstonds aan de verzoeker mede. De verzoeker kan van
de centrale autoriteit verlangen, haar beslissing aan hem mede te delen in de
vorm van een beschikking met vermelding van de gronden die tot de beslissing
hebben geleid. De centrale autoriteit deelt haar beschikking bij aangetekend
schrijven aan de verzoeker mede.
2 De verzoeker kan binnen een maand na de ontvangst van de beschikking daartegen
bij de arrondissementsrechtbank te 's- Gravenhage opkomen, bij een
bezwaarschrift dat moet worden ingediend door een procureur. De rechtbank hoort
de verzoeker en de centrale autoriteit op het bezwaarschrift. Indien de
rechtbank het bezwaar gegrond acht, vernietigt zij de beschikking van de
centrale autoriteit en geeft zij een met reden omklede beschikking die in haar
plaats treedt. Tegen de beschikking van de rechtbank staat geen hogere
voorziening open behoudens cassatie in het belang der wet.
Artikel 7
De centrale autoriteit kan de uitvoering van bepaalde handelingen, met
uitzondering van optreden in rechte, overeenkomstig door haar te geven
aanwijzingen opdragen aan een raad voor de kinderbescherming, voor zover die
uitvoering in het gebied van die raad moet geschieden. De bepalingen van deze
Titel zijn mede van toepassing ten aanzien van die raad.
Artikel 8
De gemeentebesturen en de ambtenaren van de Burgerlijke Stand verschaffen de
centrale autoriteit kosteloos alle inlichtingen en verstrekken haar kosteloos en
vrij van zegel alle afschriften en uittreksels uit hun registers die deze
autoriteit van hen vraagt in verband met de uitvoering van haar taak.
Artikel 9
1 Indien de centrale autoriteit voor het vinden van de verblijfplaats van een
kind in Nederland medewerking behoeft van dienaren van de openbare macht, kan
zij zich voor het verkrijgen daarvan wenden tot de officier van justitie in het
arrondissement waar het kind vermoedelijk verblijft, of anders in het
arrondissement te 's-Gravenhage. De officier van justitie kan de zaak
overeenkomstig door hem aan te geven aanwijzingen overdragen aan een officier
van justitie in een ander arrondissement, indien de opsporing vermoedelijk in
dat arrondissement moet geschieden.
2 De in het eerste lid bedoelde officier van justitie behandelt een verzoek om
medewerking van de centrale autoriteit met voorrang
3 De dienaar der openbare macht die is aangewezen om zijn medewerking te
verlenen aan de opsporing van de verblijfplaats van een kind mag daartoe elke
plaats betreden. De bepalingen van Artikel 926, tweede en derde lid van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
1 De centrale autoriteit stelt de persoon bij wie het ontvoerde kind verblijft
bij aangetekende brief in kennis van het verzoek tot teruggeleiding en de
gronden waarop het berust. Zij geeft in deze mededeling tevens kennis van haar
voornemen een verzoek tot afgifte van een rechterlijk bevel tot teruggeleiding
van het kind in te dienen, indien niet binnen een door haar te stellen redelijke
termijn vrijwillig aan dat verzoek is voldaan.
2 De centrale autoriteit kan de in het voorafgaande lid bedoelde mededeling
achterwege laten, indien naar haar oordeel in verband met de omstandigheden van
het geval de uiterste spoed geboden is of de vrijwillige medewerking van degene
bij wie het kind verblijft niet is te verwachten.
Artikel 11
1 De kinderrechter in de arrondissementsrechtbank binnen wier rechtsgebied het
kind verblijfplaats heeft is, onverminderd de bevoegdheid van de president in
kort geding, bevoegd tot de kennisneming van alle zaken met betrekking tot
a. de toepassing van de in Artikel 1 bedoelde Verdragen;
b. internationale ontvoering van kinderen die niet door een Verdrag wordt
beheerst; en
c. de regeling en uitvoering van het omgangsrecht in internationale gevallen,
daaronder begrepen verzoeken als bedoeld in Artikel 14 van deze wet.
2 Heeft het kind geen vaste verblijfplaats in Nederland of kan de verblijfplaats
niet worden vastgesteld, dan is bevoegd de kinderrechter in de
arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.
Artikel 12
De in Artikel 11 bedoelde zaken worden ingeleid met een verzoekschrift. Daarop
zijn, voorzover daarvan niet bij deze wet wordt afgeweken, de Artikelen 429d tot
en met 429r van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing. De
verzoeker die zich heeft gewend tot de centrale autoriteit wordt geacht ten
kantore van die autoriteit woonplaats te hebben gekozen.
Artikel 13
1 De gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene aan wie
het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de
Nederlandse grens is slechts mogelijk uit krachte van een daartoe strekkend
bevel van de rechter.
2 De rechter behandelt het verzoek bij voorrang. Het verzoek wordt met gesloten
deuren behandeld. De rechter beslist niet dan na het kind in de gelegenheid te
hebben gesteld hem zijn mening kenbaar te maken, althans na het daartoe
behoorlijk te hebben opgeroepen, tenzij dit in verband met de lichamelijke of
geestelijke toestand van het kind onmogelijk is of toepassing moet worden
gegeven aan Artikel 8 of 9 van het Europese Verdrag. Het bepaalde in de leden 3
en 4 van Artikel 902b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van
toepassing.
3 In de gevallen waarin geen Verdrag toepasselijk is kan de rechter het verzoek
afwijzen op de gronden vermeld in de Artikelen 12, lid 2, 13 en 20 van het
Haagse Verdrag.
4 De rechter kan op verzoek of ambtshalve bevelen dat het kind gedurende een
door hem te bepalen termijn voorlopig wordt toevertrouwd aan de raad voor de
kinderbescherming, indien gevaar bestaat dat het wordt onttrokken aan de
tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in het vijfde lid. De beschikking
verliest haar kracht van rechtswege indien het verzoek wordt afgewezen.
5 Indien de rechter het verzoek toewijst, beveelt hij de afgifte van het kind
aan degene aan wie het gezag erover toekomt.Het bevel is uitvoerbaar bij
voorraad.
6 Artikel 926 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing
op de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in het vijfde lid.
7 Hoger beroep van een eindbeslissing moet worden ingesteld binnen drie weken na
de dagtekening van die beslissing.
Artikel 14
1 Ieder die in Nederland het gezag uitoefent over een kind kan de rechter
verzoeken, de in het tweede lid bedoelde beslissingen te geven terzake van het
omgangsrecht met betrekking tot dat kind, indien het zich in verband met de
uitoefening daarvan buiten Nederland moet begeven. De beslissingen kunnen worden
gegeven voor een of meer bepaalde bezoeken of voor bepaalde tijdvakken waarin
het omgangsrecht met betrekking tot het kind kan worden uitgeoefend.
2 De in het eerste lid bedoelde beslissingen zijn:
a. vaststelling dat het wettig gezag aan de verzoeker toekomt in gevallen dat
zulks niet reeds vaststaat door een rechterlijke beslissing;
b. regeling van de plaats en de duur van het verblijf van het kind buiten
Nederland en, zonodig, andere omstandigheden met betrekking tot het verblijf,
zulks met inachtneming van reeds van kracht zijnde beslissingen inzake het
omgangsrecht;
c. het richten van een verzoek aan de bevoegde autoriteiten van de Staat waar
het kind tijdens de uitoefening van het omgangsrecht verblijft toezicht te
houden of te doen houden op de juiste naleving van dat recht, in het bijzonder
wat de plaats en de duur ervan betreft en voorts, indien nodig maatregelen te
treffen tot teruggeleiding van het kind na ommekomst van de termijn van
uitoefening van dat recht.
Artikel 15
De rechter die moet beslissen met betrekking tot het gezag over een kind ten
aanzien van hetwelk een verzoek tot teruggeleiding is gedaan bij de centrale
autoriteit, houdt zijn beslissing aan totdat op dat verzoek onherroepelijk is
beslist. Indien nog geen verzoek tot teruggeleiding is gedaan houdt de rechter
zijn beslissing gedurende een redelijke termijn aan, indien hij goede gronden
heeft om aan te nemen dat het kind internationaal is ontvoerd in de zin van
Artikel 1 onder c en dat een verzoek tot zijn teruggeleiding zal worden
ingediend.
Artikel 16
1 Ieder die in verband met de toepassing van een Verdrag of in verband met de
toepassing van deze wet in Nederland in rechte wil optreden en daartoe
rechtsbijstand behoeft, kan zonodig daarop recht doen gelden op de voet van de
Wet van 4 juli 1957, Stb. 233, tot regeling van de rechtsbijstand aan on- en
minvermogenden.
2 De in het eerste lid bedoelde personen zijn vrijgesteld van het stellen van
zekerheid voor de betaling van kosten, schaden en interessen waarin zij zouden
kunnen worden verwezen.
Artikel 17
Bij en krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere bepalingen worden
vastgesteld met betrekking tot de wijze van uitvoering van deze wet.
Artikel 18
De auteur van de website Censuur in Nederland zoekt de tekst van het niet
opgenomen artikel 18?
Info naar J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo
Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming
Een boycot is, in de oorspronkelijke zin, het verbreken van (handels)relaties met een land, een bedrijf of een individu. In de brede zin is het ook een verzaking om iets te doen, bijvoorbeeld een verkiezing boycotten om een statement te maken. De redenen van een boycot kunnen van politieke aard zijn of dienen om een vorm van wraak uit te oefenen of iemand te isoleren. Het woord ontstond in Ierland, waar de hardvochtige Engelse rentmeester Charles Cunningham Boycott (1832–1897) zo door zijn pachters werd gehaat, dat zij hem in 1879 volledig isoleerden.
Bekende (oproepen tot) boycots in de
geschiedenis zijn o.a.
- de oproep van de Indiase leider Mahatma Gandhi om geen Engelse producten te
kopen.
- de Montgomery-busboycot die begon in 1955 en leidde tot het einde van de
rassenscheiding in bussen.
- de olieboycot van OPEC-landen tegen westerse landen die Israël hadden
bijgestaan in de Jom Kippoeroorlog, wat in 1973 leidde tot de oliecrisis,
- en de boycot van Zuid-Afrikaanse producten ten tijde van de
apartheidspolitiek.
- de boycot van joodse winkels in Duitsland en Oostenrijk, tijdens en in de
jaren voor de Tweede Wereldoorlog.
- Olympische Spelen 1956 in Melbourne vanwege de rol van de Sovjet-Unie in de
Hongaarse opstand.
CENSUUR
IN NEDERLAND ©
Groep
Hop
© Boycot
RvdK NBG
BSC
Modelbrief
91 Modelbrief
465 Oorlog op de Veluwe: (340)
(425) (459)
(379) Farizeeërs
gesignaleerd!
Het verzet op internet begon op de Veluwe in 1997 (1)
(16) en daar waren ze bij de
rechtbank Zutphen niet zo blij mee. (12)
(95) (710)
(Wraking,
naam en nevenfuncties rechters)