| Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304. |
1997
De zaak Hop,
personeel Raad voor de Kinderbescherming zit voor, na, tijdens
schorsing hoorzitting bij de kinderrechter aan dezelfde tafel (1)
In strijd om afschrift contactjournaal gezinsvoogd werd door jeugdzorg
een advocaat met baantjes bij kerk en school ingezet! (427)
(137) (51)
Strijd om afschrift contactjournaal geeft
gewone burgers een representatief zicht op mentaliteit die heerst
in de "jeugdzorg" (50)
Zutphense Verhoormethode representatief voorbeeld corruptie coalities tussen
jeugdzorg en rechtbank in Nederland (95)
(710)
Arnhemse Verhoormethode representatief voorbeeld corruptie coalities tussen
jeugdzorg en rechtbank in Nederland (664) (500)
Complot tegen de rechtstaat? De
zaak Admiraal/Vermaas 222 De 1-ste Pot-norm. Citaat: "De
rechter is van oordeel, dat als uitgangspunt geldt dat een moeder het gezag
heeft over een kind." Nummer 107315 VG 99-297. Het complot in de zaak
Admiraal/Vermaas. De 1-ste Pot-norm betreft de gang
van zaken rondom Dyonne Admiraal en geeft op een prachtige manier inzicht in de
werkwijze van overheid, rechtersleger en Raad voor de Kinderbescherming in
familiezaken 091196 Het begin. Dyonne woont
vanaf haar geboorte 9 november 1996 bij haar grootmoeder mz. Grootmoeder mz is
bij beschikking 30 januari 1997 benoemd tot voogdes over Dyonne Admiraal en
Dyonne woont bij de voogdes t.w. grootmoeder mz. Vader heeft vrijwel dagelijks
omgang met zijn kind. LET OP! Dyonne woont dus al drieënhalf
jaar bij grootmoeder mz en wordt door de grootouders probleemloos verzorgd en
opgevoed. 100599. Advies Raad voor de
Kinderbescherming T.A.K. Binnema en Zaane als praktijkleider. Het advies is om
moeder te belasten met het gezag over Dyonne. Grootmoeder is een belangrijke
hechtingspersoon voor Dyonne, daarom is het belangrijk dat er straks omgang
tussen Dyonne en de grootouders is. 090799. De natuurlijke moeder van
Dyonne dient op 9 juli 1999 een verzoek in bij het gerecht om belast te worden
met het gezag over Dyonne. 120799. Wijziging vastgestelde
omgangsregeling tussen moeder en Dyonne als basis voor verdere uitbreiding.
Citaat: "Volgens de grootmoeder verloopt de omgangsregeling (tussen moeder
en kind) op dit moment goed." Beschikking 44173 FARK 98-3450. Aanwezig is
W.P.M. Mulder namens de Raad. 150799. Een week later!
Hoorzitting waar het verzoekschrift van 090799 wordt behandeld! De vrouw wordt
belast met het gezag over dit kind. Bron: 107315 VG 99-297. 130899. 222 De 1-ste Pot-norm.
Citaat: "De rechter is van oordeel, dat als uitgangspunt geldt dat een
moeder het gezag heeft over een kind." Nummer 107315 VG 99-297. Citaat uit dezelfde beschikking
107315 VG 99-297. In de onderhavige zaak blijkt
onder meer uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, dat er geen
beletsels zijn om de vrouw te belasten met het gezag over voornoemde
minderjarige. Daarnaast is de minderjarige onder toezicht gesteld en is het een
van de taken van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de
huidige voogdes en het kind te laten bestaan. De derde Pot-norm: Daarnaast is de
minderjarige onder toezicht gesteld en is het een van de taken van de
gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en
het kind te laten bestaan. Nummer 107315 VG 99-297. Grootmoeder is een belangrijke
hechtingspersoon voor Dyonne, daarom is het belangrijk dat er straks omgang
tussen Dyonne en de grootouders is. Ik nodig u uit mee te kijken hoe
deze derde Pot-norm vastgelegd in beschikking Nummer 107315 VG 99-297 vervolgens
in Nederland wordt uitgevoerd als norm voor de werkwijze van het rechtersleger
en de Raad voor de Kinderbescherming. 10 juni 1999. Op verzoek van de
Raad voor de Kinderbescherming te Lelystad wordt Dyonne onder toezicht gesteld
en is het een van de taken van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten
tussen de vader, de huidige voogdes en het kind te laten bestaan. 25 augustus 1999. Melder H.J.
Hagen (Art 48 Wjh) Stichting
Jeugd en Gezin Flevoland. Melding verzoekschrift machtiging uithuisplaatsing
d.d. 240899. De machtiging voor een uithuisplaatsing heeft betrekking op een
plaatsing in een centrum voor moeder en kind. Dit met het doel het gezin te
begeleiden in het ouderschap. Besluit Raad voor de Kinderbescherming 310899.
Akkoord met verzoek. Geen verdere bemoeienis. Medewerker M.P. Bootsman. Op 17 december 1999 hebben
verzoekers een verzoekschrift ter griffie van de rechtbank ingediend, strekkende
tot - onder meer - wijziging van de omgangsregeling tussen verzoekers en na te
vermelden minderjarige. Nadat Dyonne door grootmoeder mz en vader aan de moeder
werd overdragen hebben zij geen omgang meer met Dyonne gehad. Gegevens uit het verleden als
moeder een verzoek bij de rechtbank indiende dan duurt het niet langer dan een
week en het verzoek van moeder wordt door het rechtersleger in Lelystad
razendsnel behandeld om moeder een kind toe te wijzen. 090799. De natuurlijke moeder van
Dyonne dient op 9 juli 1999 een verzoek in bij het gerecht om belast te worden
met het gezag over Dyonne. 150799. Een week later!
Hoorzitting waar het verzoekschrift van 090799 wordt behandeld! De vrouw wordt
belast met het gezag over dit kind. Bron: 107315 VG 99-297. In dezelfde zaak dienen vervolgens
de natuurlijke vader en grootmoeder een belangrijke hechtingspersoon voor Dyonne
een verzoek in bij hetzelfde rechtersleger in Lelystad de behandeling van een
verzoek in dezelfde zaak duurt dan dat vier maanden. 171299 Verzoek grootmoeder en
vader om vaststelling van een omgangsregeling met Dyonne. 060400 Vier maanden later. Op 6
april 2000 wordt de zaak op een hoorzitting behandeld de kinderrechter acht zich
niet bevoegd omdat Dyonne inmiddels is vertrokken. In het diepste geheim zijn echter
plannen gemaakt door moeder en de gezinsvoogdij-instelling om moeder met Dyonne
te laten vertrekken naar het buitenland zonder dat grootmoeder een belangrijke
hechtingspersoon voor Dyonne en vader daar weet van hebben 231299 Brief Stichting Jeugd en
Gezin Flevoland aan de Raad voor de Kinderbescherming Lelystad. Citaat: "Bij deze breng ik u
op de hoogte dat moeder per 12 januari 2000 naar Engeland zal vertrekken. Moeder
heeft per 08-07-99 het ouderlijk gezag gekregen over Dyonne. Na intensieve
begeleiding door het IOG
is gebleken dat moeder en X (nieuwe partner van moeder) verantwoordelijke ouders
zijn die goed voor Dyonne zorgen en haar ontwikkeling op alle terreinen
stimuleren. Dyonne hecht zich aan moeder en X (nieuwe partner van moeder)" Citaat: "Oma en de
biologische vader van Dyonne zijn nu met een procedure bezig om contact met
Dyonne af te dwingen. Met oog op mogelijke ontvoering of andere voor Dyonne en
ouders spanningsvolle acties die te verwachten zijn als vader of oma weet
krijgen van het vertrek van moeder en Dyonne naar Engeland is er door onze
instelling voor gekozen dat zij pas ingelicht worden als de familie in Engeland
is gearriveerd. 301299. Melding Jeugd en Gezin
Flevoland aan de Raad voor de Kinderbescherming. Mw. P. van Weissenbruch.
Verzoek stopzetting ots door vertrek naar het buitenland. Contact gehad met de
heer Hilhorst van Stichting Jeugd en Gezin Flevoland. Moeder zal met Dyonne naar
Engeland vertrekken. De heer Hilhorst wil graag weten wat het standpunt van de
Raad is. Aangegeven dat wij van mening zijn dat een en ander goed is voorbereid,
hulpverlening is reeds verzocht bij de instantie in Engeland. Moeder is hiervoor
ook goed gemotiveerd. Moeder en kind zullen zodoende goed gevolgd worden. In die
zin kunnen wij ons hier ook in vinden. De heer Hilhorst geeft wel aan dat
de belanghebbenden niet zijn geïnformeerd, vader en grootouders, hij vindt dit
geen goede zaak en is voornemens om hem maandag a.s. van de plannen op de hoogte
te stellen. Op 3 januari 2000 wordt de door de
natuurlijke vader en de grootmoeder ingediende klachtzaak met bijstand van Hop
behandeld. HAPPY NEW YEAR OMA en
VADER............ Welkom bij de Stichting Jeugd en
Gezin Flevoland, we hebben een leuke mededeling voor u........ Klagers grootmoeder mz en de
natuurlijke vader zijn met bijstand van Hop bij de Stichting Jeugd en Gezin
Flevoland voor de behandeling van ingediende klachten tegen de
gezinsvoogdij-instelling Jeugd en Gezin Flevoland. Voordat de zitting van de interne
klachtencommissie plaats heeft hebben zij een gesprek met directeur Hilhorst van
deze instelling. Voor het eerst horen de natuurlijke vader en grootmoeder mz een
belangrijke hechtingspersoon voor Dyonne van de geheime plannen van Stichting
Jeugd en Gezin Flevoland om moeder en kind te laten vertrekken naar het
buitenland. Denkt u dat u zich kunt
voorstellen wat voor impact deze mededeling van directeur Hilhorst heeft op de
grootmoeder mz die Dyonne vanaf haar geboorte jarenlang heeft opgevoed en
grootgebracht en op de vader die dagelijks contact met zijn dochtertje had
totdat het rechtersleger en de Raad voor de Kinderbescherming het nodig vonden
om Dyonne bij grootmoeder mz weg te halen? Ik denk van niet en u als lezer
weet hiermee ook wat voor soort zaakjes ik met de gezinsvoogdij in Nederland heb
meegemaakt. Uitspraak interne
klachtencommissie Stichting Jeugd en Gezin Flevoland Klachten van klagers met bijstand
van Hop worden door de interne klachtencommissie gegrond verklaard! 260100 Directeur Hilhorst van
Stichting Jeugd en Gezin Flevoland is het eens met de gegrond verklaarde
klachten en bied daarom alsnog zijn excuses aan. Wat hebben klagers bereikt met het
indienen van klachten tegen de gezinsvoogdij welke klachten gegrond werden
verklaard? NIETS! Vanaf augustus 1999 hebben
grootmoeder mz die jarenlang voor Dyonne heeft gezorgd en haar heeft opgevoed en
haar natuurlijke vader haar niet meer terug gezien nadat het rechtersleger en de
Raad voor de Kinderbescherming zich met Dyonne zijn gaan bemoeien. Op 6 april 2000 wordt het
verzoekschrift van vader en grootmoeder van 171299 op een hoorzitting behandeld
de kinderrechter acht zich niet bevoegd omdat Dyonne inmiddels is vertrokken. Aanwezig namens Stichting Jeugd en
Gezin Flevoland is dhr. Hagen. De vierde Pot-norm. Liegen en
bedriegen is de norm voor de rechtspraak in Nederland in familiezaken om kost
wat kost kinderen aan de moeder toe te kunnen wijzen. Onderbouwing de zaak
Admiraal/Vermaas tegen het rechtersleger en de Raad voor de Kinderbescherming in
Lelystad. 222 De 1-ste Pot-norm. Citaat:
"De rechter is van oordeel, dat als uitgangspunt geldt dat een moeder het
gezag heeft over een kind." Nummer 107315 VG 99-297. Citaat uit dezelfde
beschikking 107315 VG 99-297. In de onderhavige zaak blijkt onder meer uit het
rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, dat er geen beletsels zijn om de
vrouw te belasten met het gezag over voornoemde minderjarige. Daarnaast is de
minderjarige onder toezicht gesteld en is het een van de taken van de
gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en
het kind te laten bestaan. 222 De derde Pot-norm: Daarnaast
is de minderjarige onder toezicht gesteld en is het een van de taken van de
gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en
het kind te laten bestaan. Nummer 107315 VG 99-297. 222 De vierde Pot-norm. Liegen en
bedriegen is de norm voor de rechtspraak in Nederland in familiezaken om kost
wat kost kinderen aan de moeder toe te kunnen wijzen. Citaat beschikking 57135
JL RK426 : "Blijkens beschikking van de kinderrechter te Lelystad (Pot zie
eerste en derde Pot-norm in deze zaak) blijkt dat verzoekers zich niet kunnen
verenigen met de opheffing van de ondertoezichtstelling van de minderjarige door
de gezinsvoogdij-instelling. De kinderrechter is ambthalve bekend dat moeder en
kind in januari 2000 verhuisd zijn naar het buitenland. Nu de moeder tezamen met
het kind is verhuisd naar het buitenland en de ondertoezichtstelling door de SJG
aan de bevoegde autoreiteiten in Engeland is overgedragen, is de kinderrechter
gelet op het bepaalde in artikel 1:429c, vierde lid, van het wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, alsmede artikel 1 van het Haags
Kinderbeschermingsverdrag, niet bevoegd van het verzoek kennis te nemen Wat is nu de moraal van het
complot in de zaak Admiraal/Vermaas? 1. De rechtspraak in Nederland in
familiezaken is gebaseerd op liegen en bedriegen om kinderen kost wat kost aan
moeders toe te wijzen! Zie ook de
zaak Hop. 2. Als er een gesubsidieerde
gedwongen kinderbeschermingsmaatregel OTS wordt uitgesproken waarbij het de taak
is van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige
voogdes en het kind te laten bestaan dan staat dat wel in de beschikking maar
het is niet de bedoeling van het rechtersleger dat hun uitspraak door de
overheid wordt uitgevoerd. Integendeel het is de bedoeling van zo'n rechterlijke
uitspraak om oma en vader te misleiden en aan het lijntje te houden zodat in een
geheim complot diezelfde gezinsvoogdij-instelling samen met het rechtersleger en
de Raad voor de Kinderbescherming het vertrek van Dyonne naar het buitenland
kunnen uitvoeren. Het complot zit zo goed in elkaar dat de klachten en
verzoekschriften van oma en vader pas worden behandeld als Dyonne is vertrokken. 3. Is er in de onderhavige zaak
sprake van PAS (Parental Alienation
Syndrome) emotionele of psychische kindermishandeling van Dyonne als zij na
drieënhalf jaar door het rechtersleger met instemming van de Raad voor de
Kinderbescherming plotseling bij haar oma en vader wordt weggehaald en haar oma
en vader niet meer terugziet. Het antwoord is neen! Diezelfde rechtbank Zwolle
heeft in kort geding tegen Hop vastgesteld dat dit niet het geval is en Hop een
dwangsom van Dfl. 150.000,-- opgelegd zodat hij zijn mond hierover dicht moet
houden. Dat doet Hop ook en het uitgangspunt van Hop inzake PAS (Parental
Alienation Syndrome) op de website Censuur in Nederland is dan ook dat PAS in
Nederland niet voorkomt. En laten we eerlijk zijn als u de rechtbank Zwolle was
en ook in staat zou zijn ZELF TE BESLISSEN over zaken waarin je wordt
aangeklaagd zou je dan ook niet zelf beslissen de aanklacht ongegrond verklaren
en de aanklager een dwangsom van Dfl. 150.000,-- opleggen zodat de aanklager
zijn mond gaat houden.......................... 4. Wat heeft Hop als
belangenbehartiger van oma en vader in de zaak Admiraal/Vermaas bereikt met
gegrond verklaarde klachten bij de interne klachtencommissie? Het antwoord is
niets. Wat heeft Hop als belangenbehartiger van oma en vader in de zaak
Admiraal/Vermaas bereikt met het indienen van verzoekschriften bij deze
rechtbank. Het antwoord is niets. De rechtbank verklaarde zich niet bevoegd
omdat Dyonne inmiddels was vertrokken naar het buitenland. 5. Wat heeft Hop als
belangenbehartiger van oma en vader in de zaak Admiraal/Vermaas inzake het
contactjournaal gezinsvoogd bereikt? 1. De problemen in Flevoland o.a. in deze
zaak Admiraal/Vermaas leverde Hop een
hetze van de gezinsvoogdij tegen Hop op omdat Hop systematisch
klaagde over afgifte van het contactjournaal gezinsvoogd o.a. in deze zaak.
Het staat u als lezer vrij voor u zelf te bepalen na het lezen van de zaak
Admiraal/Vermaas hoe belangrijk het voor oma en vader was een compleet
contactjournaal gezinsvoogd in handen te krijgen en hoe belangrijk het was voor
de betrokken gezinsvoogdij-instelling om dit contactjournaal gezinsvoogd niet te
geven. Het antwoord is niets. Zowel de interne klachtencommissie als de
Provinciale Klachtencommissie Flevoland, Overijssel en Gelderland verklaarde
alle klachten met bijstand van Hop ingediend ongegrond. 6. Hetze tegen Hop. Er wordt door
mij dus expliciet op gewezen dat de zaak Admiraal-Vermaas een beroepsverbod
voor Hop heeft opgeleverd niet alleen bij de betrokken
gezinsvoogdij-instelling maar ook bij de Provinciale Klachtencommissie
Flevoland, Gelderland en Overijssel omdat Hop weigerde klachten tegen de
gezinsvoogdij op maximaal een A4-tje in te dienen. Dat was voor de overheid
kennelijk nog niet genoeg om Hop aan te pakken en (financieel) kapot te maken. De
christelijke advocaat Mr. X diende namens de overheid een lawine aan
verboden voor Hop in met een lawine aan dwangsommen van Dfl. 150.000,-- voor
iedere overtreding van een verbod. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft in
hoger beroep bepaald dat liegen en bedriegen de norm is voor het werk van een
christelijke advocaat met allerlei bijbaantje bij kerk en school. Hop is blij
met deze NOvA uitspraak omdat liegen en bedriegen nu direct gelinkt kan worden
aan het netwerk van advocaat X en tevens de norm is voor het werk van de
advocatuur en de kerkelijke groeperingen waaraan deze advocaat X met zijn eigen
methode gelinkt kan worden. Conclusie. Wat is nu de moraal van
het complot in de zaak Admiraal/Vermaas en wat kunt u als burger leren van de
zaak Admiraal/Vermaas? In Nederland hebben advocatuur, overheid, rechtersleger,
Raad voor de Kinderbescherming en gezinsvoogdij het onder elkaar perfect
geregeld om kinderen systematisch aan moeders toe te wijzen en kritiek van
buitenaf op deze sectoren met de meest smerige praktijken te onderdrukken.
Tenslotte vraag ik u de zaak Admiraal/Vermaas kritisch en begrijpend te lezen.
Wat valt u op als deze gezinsvoogdij-instelling de nieuwe partner van moeder in
hun brief van 231299 aan de Raad voor de Kinderbescherming noemt? Hoeveel vaders zullen ook dit jaar
weer door de advocatuur en het rechtersleger genaaid en van hun kinderen BEROOFD
worden door advocaten met baantjes bij kerk en school en waar
liegen en bedriegen als norm voor hun werkwijze is vastgesteld? Het
rechtersleger heeft met de zaak Admiraal/Vermaas, het censuurvonnis tegen Hop in
ieder geval aan iedere vader duidelijk gemaakt dat niet de moeders het probleem
zijn. Advocatuur, gezinsvoogdij en het rechtersleger zijn VEEL TE VER gegaan in
hun hetze en het censuurvonnis tegen Hop. Het gaat nu in Nederland steeds
sneller steeds harder worden nu ook steeds duidelijker is geworden hoe en waarom
vaders systematisch als de vaste verliezer in de rechtspraak aangemerkt kunnen
worden met norm 222 als representatief voorbeeld. Norm 222 is immers vastgelegd
in een kort gedingbeschikking met gigantische dwangsommen door de rechtbank
Lelystad-Zwolle en bevestigd door het Hof Arnhem met Hop als verliezer om zijn
kritiek op de zaak Admiraal/Vermaas te onderdrukken. Wat zullen ze niet alleen in
Lelystad, door dit vonnis overal naar toe te sturen, bij de gezinsvoogdij,
kinderbescherming en rechtersleger om de veroordeling van Hop omdat hij kritiek
had bijvoorbeeld op de zaak Admiraal/Vermaas en het niet afgeven van
contactjournalen gelachen hebben. Het zij zo. Ik gun ze dat
pleziertje ook wel. Nederland is immers een land waar vaders na de zaak
Admiraal/Vermaas en het censuurvonnis tegen Hop niets meer te verliezen hebben
maar dat hebben ze zelf met hun enorme arrogantie kennelijk nog steeds niet in
de gaten. Na de zaak Admiraal/Vermaas en het
censuurvonnis tegen Hop onderkende
Minister van Justitie Donner de impact van de hetze tegen Hop in zijn toespraak
tot het rechtersleger. April 2005. In Arnhem heeft een
eerste groep van 10 vaders voor het eerst de rechtbank en het Hof Arnhem
bestormd. In Utrecht hebben ze ook al bovenop de rechtbank gestaan. In Den Haag
dreigde er eentje zichzelf te verbranden. In het Parlement is er een vanaf de
publieke tribune naar beneden gesprongen. Op 3 mei 2005 stond een vader
boven op de Waalburg bij Nijmegen. Hoe zou dat nu komen? J.
Hop, auteur website Censuur in
Nederland. Nog een klein vraagje: In welk
jaar schreef Mr. Max. Moszkowiczs Sr. het artikel "Andere
tijden"? Kinderrechter verklaart zich onbevoegd
na verhuizing van de moeder met dochter vanuit Nederland naar Denemarken, zonder
overleg te hebben gepleegd met het Bureau Jeugdzorg Amsterdam BJA als haar
gezinsvoogdij-instelling
LJN: AA5523, Hoge
Raad, R99/111HR Rek.nr. R99/111HR
Mr Strikwerda
Een boycot is, in de oorspronkelijke zin, het verbreken van (handels)relaties met een land, een bedrijf of een
individu. In de brede zin is het ook een verzaking om iets te doen, bijvoorbeeld een verkiezing boycotten om een statement te maken. De redenen
van een boycot kunnen van politieke aard zijn of dienen om een vorm van wraak uit te oefenen of iemand te isoleren. Het woord ontstond in Ierland, waar de
hardvochtige Engelse rentmeester Charles Cunningham Boycott (1832–1897) zo door zijn pachters werd gehaat, dat zij hem in 1879 volledig isoleerden.
Bekende (oproepen tot) boycots in de geschiedenis zijn o.a.
Troonrede 2010
Dyonne Admiraal woonde probleemloos vanaf haar geboorte 9 november 1996 tot
augustus 1999 bij haar grootmoeder mz. Oma was voogdes en de belangrijkste
hechtingspersoon voor Dyonne. De natuurlijke moeder van Dyonne dient op 9 juli
1999 een verzoek in bij het gerecht om belast te worden met het gezag over
Dyonne. Twee weken later is er een hoorzitting en het gezag over Dyonne gaat
naar de natuurlijke moeder. Daarnaast is de minderjarige onder toezicht gesteld
en is het een van de taken van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten
tussen de vader, de huidige voogdes en het kind te laten bestaan. Augustus 1999
wordt Dyonne door oma aan de natuurlijke moeder overgedragen. Oma en vader zien
Dyonne hierna niet meer terug omdat in het geheim met medewerking van de Raad
voor de Kinderbescherming, rechtersleger en gezinsvoogdij het vertrek van Dyonne
met haar moeder naar het buitenland wordt voorbereid zonder dat oma en vader
daarvan mogen weten. 231299 Brief Stichting Jeugd en Gezin Flevoland aan de Raad
voor de Kinderbescherming Lelystad. Citaat: "Oma en de biologische
vader van Dyonne zijn nu met een procedure bezig om contact met Dyonne af te
dwingen. Met oog op mogelijke ontvoering of andere voor Dyonne en ouders
spanningsvolle acties die te verwachten zijn als vader of oma weet krijgen van
het vertrek van moeder en Dyonne naar Engeland is er door onze instelling voor
gekozen dat zij pas ingelicht worden als de familie in Engeland is gearriveerd.
De klachten en verzoekschriften van oma en vader worden pas behandeld als Dyonne
met haar moeder naar het buitenland zijn vertrokken.
Datum uitspraak: 14-04-2000
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Cassatie
Uitspraak 14 april 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/111HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
STICHTING BUREAU JEUGDZORG AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[de moeder],
wonende te [woonplaats], Denemarken,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 19 juni 1998 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam
ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: het
BJA - zich gewend tot de Kinderrechter aldaar en verzocht de
ondertoezichtstelling van de uit het huwelijk van verweerster in cassatie,
hierna: de moeder, met [de vader], […], op [geboortedatum] 1989 te
[geboorteplaats] geboren minderjarige [de dochter] met ingang van 18 augustus
1998 voor de duur van een jaar te verlengen.
Met een op 30 juli 1998 gedateerd verzoekschrift heeft voorts de
moeder bij genoemde Kinderrechter een verzoek ingediend tot vervallenverklaring
ex art. 1:259 lid 1 BW van een schriftelijke aanwijzing van het BJA van 19 mei
1998.
Met een op 10 september 1998 bij deze Kinderrechter ingediend
verzoekschrift heeft tenslotte het BJA een verzoek gedaan tot afgifte van een
machtiging tot uithuisplaatsing van [de dochter] in het gezin van de vader voor
de duur van één jaar.
De Kinderrechter heeft bij tussenbeschikking van 14 augustus 1998 de
ondertoezichtstelling voorlopig voor de duur van twee maanden verlengd en de
behandeling van de verzoeken van het BJA en van de moeder voor het overige
aangehouden.
Bij eindbeschikking van 28 september 1998 heeft de Kinderrechter
zich omtrent de drie genoemde verzoeken onbevoegd verklaard.
Tegen laatstvermelde beschikking hebben het BJA en de vader hoger
beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De moeder heeft
voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft bij beschikking van 8 april 1999 de beschikking van de
Rechtbank van 28 september 1998 bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft het BJA beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan
deel uit.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot
verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) Uit het op 30 december 1988 tussen de vader en de moeder gesloten
huwelijk is op [geboortedatum] 1989 geboren een dochter, genaamd [de dochter]
[…], welke dochter de Nederlandse nationaliteit heeft.
(ii) Nadat in dit huwelijk bij vonnis van 8 april 1992 echtscheiding
was uitgesproken en het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke
stand was ingeschreven, is bij beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 28
mei 1997 de moeder belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [de
dochter], terwijl bij diezelfde beschikking tussen de vader en [de dochter] een
omgangsregeling is vastgesteld.
(iii) Reeds op 18 februari 1997 was [de dochter] door de
Kinderrechter te Amsterdam onder toezicht gesteld van het BJA.
(iv) In april 1998 is de moeder, nadat die ondertoezichtstelling tot
18 augustus 1998 was verlengd, met [de dochter] vanuit Nederland naar Denemarken
verhuisd, zonder dit tevoren met het BJA te hebben overlegd. Zij is daar gehuwd
met [de echtgenoot] en woont daar thans in de [woonplaats].
3.2 Een en ander heeft geleid tot de onderhavige procedure. Daarbij
gaat het, zoals hiervóór onder 1 reeds werd vermeld, om de volgende drie
verzoeken:
(a) het BJA verzocht de ondertoezichtstelling andermaal
te verlengen (art. 1:256 lid 2 BW);
(b) de moeder verzocht een ingevolge art. 1:258 BW op 19
mei 1998 door het BJA gegeven schriftelijke aanwijzing, strekkende tot de
onmiddellijke terugkeer van [de dochter] naar Nederland, vervallen te verklaren
(art. 1:259 lid 1 BW);
(c) het BJA verzocht de afgifte van een machtiging tot
uithuisplaatsing van [de dochter] in het gezin van de vader (art. 1:261 lid 1
BW).
3.3 Het Hof heeft zich met betrekking tot deze verzoeken onbevoegd
verklaard. Het heeft dit, kort samengevat, gemotiveerd door te overwegen dat de
verhuizing van de moeder met [de dochter] vanuit Nederland naar Denemarken,
zonder overleg te hebben gepleegd met het BJA als haar gezinsvoogdij-instelling,
naar zijn oordeel niet in strijd was met de zogenoemde
Kinderontvoeringsverdragen, in het bijzonder niet met de art. 3 en 5 van het op
25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de
burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, Trb.
1987, nr. 139 (handelen in strijd met enig “gezagsrecht” over het kind),
omdat een gezinsvoogdij-instelling naar Nederlands recht (art. 1:257 en 258 BW)
tot taak heeft toezicht te houden en hulp en steun te bieden en daarin geen
“gezagsrecht” over de minderjarige ligt besloten en omdat voorts, wat het
onderhavige verdragenrecht betreft, art. 5 van het hiervóór genoemde Haagse
verdrag een ruimere interpretatie van het begrip “gezagsrecht” evenmin
rechtvaardigt. Volgens het Hof bracht de ondertoezichtstelling van [de dochter]
dan ook geen wijziging in het gezagsrecht van de moeder, daarbij inbegrepen haar
recht om de woon- of verblijfplaats van [de dochter] te bepalen, en stond het de
moeder rechtens vrij om met [de dochter] vanuit Nederland naar Denemarken te
verhuizen. Aldus kwam het Hof tot de slotsom dat, nu [de dochter] inmiddels haar
gewone verblijfplaats in Denemarken heeft, “op grond van de regels van
Nederlands internationaal privaatrecht” moet worden aangenomen dat de
Nederlandse rechter in deze geen rechtsmacht heeft. Hiertegen richten zich de
cassatiemiddelen.
3.4.1 Middel I richt zich met een rechts- en een motiveringsklacht
tegen het oordeel van het Hof in rov. 3.2 van zijn beschikking dat in de in art.
1:257 en 258 BW neergelegde regeling niet ligt besloten dat de
gezinsvoogdij-instelling - al dan niet naast de met het gezag belaste ouder -
met gezag over de minderjarige is belast. De rechtsklacht faalt, aangezien het
oordeel van het Hof juist is. Zoals ook blijkt uit de parlementaire ge-
schiedenis van de Wet van 26 april 1995, Stb. 255, tot herziening van de
maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen, kan een
ondertoezichtstelling weliswaar meebrengen dat het gezag van de ouders wordt
beperkt, maar betekent dit niet dat het gezag in zoverre bij de instelling komt
te berusten; vgl. in het bijzonder de in de conclusie van de Advocaat-Generaal
Strikwerda onder 9 aangehaalde passages uit de memorie van toelichting en de
memorie van antwoord bij dit wetsvoorstel.
De motiveringsklacht is eveneens tevergeefs voorgesteld, aangezien
een rechtsoordeel in cassatie niet met een motiveringsklacht kan worden
bestreden.
3.4.2 Middel I verwijt het Hof voorts te hebben miskend dat ingevolge
art. 5, eerste lid, van het Haagse Verdrag van 5 oktober 1961 betreffende de
bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van
minderjarigen, Trb. 1968, 101 - kennelijk abusievelijk spreekt het middel van
art. 5 van het Haagse Kinder- ontvoeringsverdrag 1961 - de maatregelen die zijn
getroffen door de autoriteiten van de Staat van het vorige gewone verblijf van
het kind, van kracht blijven zolang de autoriteiten van het nieuwe gewone
verblijf deze niet hebben opgeheven of vervangen. Daaruit vloeit voort, aldus
het middel, dat, nu de ondertoezichtstelling van [de dochter] nog van kracht is,
de Nederlandse rechter zich bevoegd had moeten achten kennis te nemen van het
verzoek tot verlenging daarvan. Deze klacht faalt reeds omdat art. 5, dat
slechts betrekking heeft op het geval waarin het gewone verblijf van de
minderjarige van de ene verdragsstaat naar een andere verdragsstaat wordt
verplaatst, in het onderhavige geval geen toepassing kan vinden, nu Denemarken
geen partij is bij voormeld verdrag.
3.5 Middel II keert zich tegen het oordeel van het Hof in rov. 3.4
van zijn beschikking dat de positie die aan het BJA is toegekend krachtens de
art. 1:257 en 258 geen gezag oplevert als bedoeld in de Kinderontvoeringsver-
dragen. Bij de beoordeling van dit middel moet tot uitgangspunt worden genomen
dat de betekenis van het in art. 5 van het hiervoor genoemde Haagse Verdrag van
25 oktober 1980 omschreven begrip "gezagsrecht" moet worden bepaald
aan de hand van doel en strekking van dit verdrag. In het licht van de in art. 1
van het verdrag omschreven doelstellingen - te weten: de onmiddellijke terugkeer
te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden
vastgehouden in een verdrag- sluitende staat, alsmede het in een
verdragsluitende staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht
in de andere verdragsluitende staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen - en in
aanmerking genomen dat het BJA niet een aanwijzing met betrekking tot de
verblijfplaats van [de dochter] had gegeven toen de moeder die het gezag over
haar uitoefent met haar naar Denemarken vertrok, kan niet worden gezegd dat het
BJA toen uit hoofde van een hem toekomende bevoegdheid om over de verblijfplaats
van [de dochter] te beslissen (vgl. art. 5 onder a van het verdrag) een
gezagsrecht in de zin van het verdrag had. Nu noch uit de regeling betreffende
de ondertoezichtstelling noch uit enige andere wettelijke bepaling een
verplichting voor de moeder voortvloeit het BJA omtrent de verblijfplaats van
[de dochter] te consulteren, kan het BJA ook hieraan niet een gezagsrecht in de
zin van het verdrag ontlenen.
Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als
voorzitter en de raadsheren Neleman,
Heemskerk, Jansen en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door
de raadsheer Heemskerk op 14 april 2000.
Parket, 21 jan. 2000 conclusie
inzake
Stichting Bureau
Jeugdzorg Amsterdam
tegen
[de moeder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de maatregel van ondertoezichtstelling
als bedoeld in art. 1:254 e.v. BW tot gevolg heeft dat de
gezinsvoogdij-instelling een gezagsrecht krijgt over de minderjarige in de zin
van de Kinderontvoe-ringsverdragen. In cassatie is deze vraag toegespitst op het
Haagse Kinderontvoeringsverdrag (voluit: het Verdrag inzake de burgerrechtelijke
aspecten van internationale ontvoering over de grens van kinderen,
's-Gravenhage, 25 oktober 1980, Trb. Trb. 1987, 137), hierna het HKOV.
2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 2 van de bestreden beschikking).
(i) Op 30 december 1988 zijn verweerster in cassatie, hierna: de moeder, en [de
vader], hierna: de vader, met elkaar gehuwd.
(ii) Uit hun huwelijk is op [geboortedatum] 1989 geboren [de dochter]. [De
dochter] heeft de Nederlandse natio-naliteit.
(iii) Het huwelijk van de ouders is ontbonden door inschrij-ving van het
echtscheidingsvonnis van 8 april 1992 in de registers van de burgerlijke stand.
(iv) De moeder is bij beschikking van de Rechtbank te Amster-dam van 28 mei 1997
belast met het ouderlijk gezag over [de dochter]. Bij deze beschikking is een
omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [de dochter].
(v) Bij beschikking van de Kinderrechter te Amsterdam van 18 februari 1997 is
[de dochter] voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van verzoekster
van cassatie, hierna: het BJA. Bij beschikking van 2 februari 1998 van de
Kinderrechter te Amsterdam is deze ondertoezichtstelling met ingang van 18
februari 1998 voor de duur van zes maanden verlengd.
(vi) De moeder is in april 1998 met [de dochter] vanuit Nederland naar
Denemarken verhuisd. Zij woont thans in de [woonplaats], Denemarken. Zij is in
Denemarken met de [echtgenoot] gehuwd.
(vii) Op 19 mei 1998 heeft het BJA een schriftelijke aanwij-zing gegeven. Met
die aanwijzing beoogde het BJA de moeder met [de dochter] per onmiddellijk terug
te doen keren naar Nederland.
(viii) Bij brief van 26 mei 1998 heeft het BJA een verzoek tot teruggeleiding
van [de dochter] ingediend bij de Nederlandse Centrale Autoriteit ingevolge de
Kinderontvoeringsverdragen. Bij brief van 25 juni 1998 heeft de Nederlandse
Centrale Autoriteit bij de Deense Centrale Autoriteit om teruggeleiding van [de
dochter] verzocht. De procedure tot teruggeleiding in Denemarken is geschorst in
afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure.
3. In de onderhavige procedure zijn drie verzoeken aan de orde:
- het op 16 juni 1998 door het BJA bij de Kinderrechter te Amsterdam ingediende
verzoek tot verlenging van de ondertoe-zichtstelling van [de dochter] met ingang
van 18 augustus 1998 voor de duur van twee maanden;
- het op 28 september 1998 door het BJA bij de Kinderrechter te Amsterdam
ingediende verzoek tot afgifte van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de
dochter] in het gezin van de vader voor de duur van één jaar;
- het op 30 juli 1998 door de moeder bij de Kinderrechter te Amsterdam
ingediende verzoek tot vervallenverklaring van de aanwijzing van het BJA van 19
mei 1998.
4. Kennelijk na verwijzing door de Kinderrechter naar de meervoudige kamer,
heeft de Rechtbank te Amsterdam bij be-schikking van 28 september 1998 zich
onbevoegd verklaard van genoemde verzoeken kennis te nemen. In hoger beroep
heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 8 april 1999 de
beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
5. Daartoe overwoog het Hof, kort weergegeven, het volgende.
In de wettelijke regeling van de maatregel van ondertoezicht-stelling ligt niet
besloten dat de gezinsvoogdij-instelling - al dan niet naast de met het gezag
beklede ouder - met gezag over de minderjarige is belast. Zij kan weliswaar
aanwijzingen geven die op het ouderlijk gezag inbreuk maken, maar een eigen
gezagsrecht levert dat voor de gezinsvoogdij-instelling niet op (r.o. 3.2).
De ondertoezichtstelling brengt dan ook geen wijziging in het recht van de
gezagdragende ouder om de woon- dan wel verblijf-plaats van de minderjarige te
bepalen (r.o. 3.3).
Evenmin is de conclusie gerechtvaardigd dat de positie die aan het BJA is
toegekend krachtens de artt. 1:257 en 258 BW gezag oplevert als bedoeld in de
Kinderontvoeringsverdragen. Aan de schriftelijke aanwijzing van 19 mei 1998 komt
geen betekenis toe, omdat de moeder toen al verhuisd was (r.o. 3.4). Het stond
de moeder dus rechtens vrij om met [de dochter] te verhui-zen. De
Kinderontvoeringsverdragen zijn alleen al om die reden niet van toepassing (r.o.
3.5).
Nu aangenomen moet worden dat [de dochter] inmiddels haar gewone verblijfplaats
in Denemarken heeft, heeft de Nederlandse rechter op grond van de regels van
Nederlands internationaal privaatrecht geen rechtsmacht om te oordelen over de
inleiden-de verzoeken (r.o. 3.6).
6. Het BJA is van de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met
twee middelen. De moeder heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
7. Middel I bevat, als ik het goed zie, twee klachten.
8. Allereerst komt het middel op tegen het oordeel van het Hof dat in de
wettelijke regeling van de maatregel van ondertoe-zichtstelling niet ligt
besloten dat de gezinsvoogdij-instel-ling - al dan niet naast de met het gezag
beklede ouder - met gezag over de minderjarige is belast. Dit oordeel van het
Hof zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien volgens het middel
de (enkele) maatregel van ondertoezicht-stelling uit haar aard een beperking van
het gezagsrecht van de met het gezag belaste ouder meebrengt, terwijl de
toezicht-houdende taak van de gezinsvoogdij-instelling impliceert dat een deel
van het gezagsrecht bij deze instelling komt te berusten.
9. De door het middel verdedigde opvatting komt mij onjuist voor. Hoewel de
maatregel van ondertoezichtstelling, met name ook als gevolg van de bevoegdheid
van de gezinsvoogdij-instel-ling tot het geven van bindende aanwijzingen
betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige (art. 1:258 lid 1 en
2), leidt tot een beperking van het gezag van de met het gezag belaste ouder,
heeft de maatregel niet tot gevolg dat het gezag geheel of gedeeltelijk door de
gezinsvoogdij-instel-ling wordt overgenomen. Het gezag van de ouder wordt onder
toezicht van en met hulp en steun door de gezinsvoogdij-in-stelling uitgeoefend,
en in zoverre beperkt, maar niet, ook niet gedeeltelijk, van de met het gezag
belaste ouder overge-dragen naar de gezinsvoogdij-instelling. De maatregel is
daarop ook niet gericht, maar juist, althans waar het de hulp en steun van de
gezinsvoogdij-instelling betreft, op het zoveel mogelijk doen behouden van de
verantwoordelijkheid van de met het gezag belaste ouder voor de verzorging en
opvoeding (art. 1:257 lid 2). Ik citeer J.E. Doek (Personen- en familie-recht,
losbl., Art. 258, aant. 1):
"Het eerste en tweede lid van art. 258 maken duidelijk dat de
ondertoezichtstelling een maatregel is die tot beperking van het ouderlijk gezag
kan leiden, ook tegen de wens van de ouders. Maar dit betekent niet dat de GVI
over de minderjarige wettig gezag in de zin van ouderlijk gezag of voogdij
uitoefent. Er is 'slechts' sprake van 'toezicht'."
Deze opvatting vindt steun in de geschiedenis van de totstand-koming van de Wet
van 26 april 1995, Stb. 1995, 255, tot herziening van de maatregel van
ondertoezichtstelling van minderjarigen (wetsvoorstel 23 003). In de MvT
(Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, blz. 35/36) wordt in de toelichting op
art. 1:258 opgemerkt:
"Evenmin omvat de bevoegdheid tot het geven van een aan-wijzing de
bevoegdheid tegenover een derde het ouderlijk gezag uit te oefenen; zij behelst
slechts de bevoegdheid tot het geven van een opdracht tot een doen of nalaten.
(...). Dat de gezinsvoogdij-instelling aanwijzingen aan de minderjarige kan
geven doet echter geen afbreuk aan de structuur van de maatregel die het
ouderlijk gezag in stand laat tenzij dit beperkt wordt door een tot de ou-ders
gerichte aanwijzing."
Zie ook de MvA (Kamerstukken II 1993/94, 23 003, nr. 5, blz. 10), waar de
Staatssecretaris van Justitie naar aanleiding van vragen in het VV over de aard
van het aan de gezinsvoogdij-instelling toebedeelde gezag opmerkt, dat naar zijn
mening de wet
"aan de gezinsvoogdij-instelling publiekrechtelijke be-voegdheden
verschaft, veeleer dan dat sprake is van het overdragen van ouderlijk gezag aan
de instelling."
Het aangevallen oordeel van het Hof acht ik derhalve juist, de daartegen
gerichte klacht ongegrond.
10. Voorts houdt het middel de klacht in dat het Hof, door te oordelen dat, nu
[de dochter] inmiddels haar gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft, de
Nederlandse rechter op grond van de regels van Nederlands internationaal
privaatrecht geen rechts-macht heeft om te oordelen over de inleidende
verzoeken, art. 5 van het op 5 oktober 1961 te 's-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet
inzake de bescherming van minderjarigen, Trb. 1963, 29 en 168, 62, 101, hierna:
het HKV, heeft geschon-den. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat
uit het eerste lid van art. 5 HKV blijkt dat de maatregelen die zijn getroffen
door de autoriteiten van het vorig gewoon verblijf van het kind van kracht
blijven zolang de autoriteiten van het nieuwe gewone verblijf deze niet hebben
opgeheven of vervang-en, waaruit volgt dat, nu de maatregel van
ondertoezichtstel-ling nog van kracht was toen verlenging van deze maatregel
werd gevraagd, de Nederlandse rechter zich bevoegd had moeten achten om van dit
verzoek kennis te nemen.
11. Dit betoog faalt. Nog daargelaten dat het voorschrift het eerste lid van
art. 5 van het HKV zich, blijkens het tweede lid van dat artikel, niet richt tot
de autoriteiten van de staat van het vorige gewone verblijf van de minderjarige,
maar tot de autoriteiten van de staat van het nieuwe gewone ver-blijf van de
minderjarige, heeft het bedoelde artikel slechts betrekking op de situatie
waarin de verplaatsing van het gewone verblijf van de minderjarige plaatsvindt
van de ene verdragsstaat naar een andere verdragsstaat. In het onderhavi-ge
geval heeft [de dochter] haar nieuwe gewone verblijf in Dene-marken, een staat
die geen partij is bij het HKV. Art. 5 mist derhalve toepassing. Ook de tweede
klacht van middel I faalt daarom.
12. Middel II neemt stelling tegen het oordeel van het Hof dat de positie die
aan het BJA is toegekend krachtens de artt. 1:257 en 258 BW ook geen gezag als
bedoeld in het HKOV ople-vert. Als het Hof daarmee bedoelt dat, nu het recht om
de verblijfplaats van het kind te bepalen bij de moeder is blij-ven berusten,
van gezag van het BJA in de zin van het HKOV nooit sprake kan zijn, berust het
oordeel van het Hof op een te beperkte en daarmee onjuiste lezing van art. 5
onder a van het HKOV, aldus de toelichting op het middel.
13. Art. 5 onder a HKOV definieert het begrip 'gezagsrecht' als "het recht
dat betrekking heeft op de zorg voor de persoon van het kind, en in het
bijzonder het recht over zijn ver-blijfplaats mede te beslissen". Zoals het
middel, evenals trouwens het Hof, terecht tot uitgangspunt neemt, is het begrip
'gezagsrecht' als bedoeld in art. 5 onder a HKOV een verdragsautonoom begrip.
Dit betekent dat de vraag of sprake is van een gezagsrecht in de zin van het
verdrag niet uitslui-tend bepaald wordt door de terminologie en het
begrippenstel-sel van het nationale recht dat toepasselijk is op de
rechts-betrekking waarop de zorg voor de persoon van het kind berust, doch
veeleer beantwoord dient te worden in het licht van het doel en de strekking van
het verdrag. Vgl. het Rapport expli-catif van de hand van E. Pérez-Vera, Conférence
de la Haye de droit international privé, Actes et documents de la Quator-zième
session 6 au 25 octobre 1980, Tome III, Enlèvement d'enfants, 1982, blz. 426
e.v., blz. 452, onder 84, waar in verband met de uitleg van het begrip
gezagsrecht als bedoeld in art. 5 onder a HKOV erop wordt gewezen dat
"a classic rule of treaty law requires that a treaty's terms be interpreted
in their context and by taking into account the objective and end sought by the
treaty".
Het doel van het HKOV is tweeledig: enerzijds heeft het tot doel de
onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn
overgebracht of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat (art. 1 onder
a), anderzijds heeft het tot doel het in een verdragsluitende staat bestaande
recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere verd-ragsluitende
staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen (art. 1 onder b).
14. Gezien deze doelstellingen en gegeven de bevoegdheden welke voortvloeien uit
de op het Nederlandse recht berustende rechtsbetrekkingen van enerzijds de
moeder en anderzijds het BJA ten aanzien van de zorg voor de persoon van [de
dochter], kan naar mijn oordeel niet worden geconcludeerd dat het BJA op het
tijdstip waarop de moeder met [de dochter] naar Denemarken vertrok een
gezagsrecht had in de zin van het HKOV. Op dat tijdstip was er geen sprake van
enige aanwijzing van het BJA krachtens art. 1:258 lid 1 BW met betrekking tot de
uit art. 1:245 BW voortvloeiende bevoegdheid van de moeder om over de
verblijf-plaats van [de dochter] te beslissen. Bij gebreke van een daartoe
strekkende wettelijke bepaling kan ook niet worden aangenomen dat die
bevoegdheid werd beperkt door de enkele omstandigheid dat ten aanzien van [de
dochter] de maatregel van ondertoezicht-stelling was uitgesproken. De wet
voorziet evenmin in een verplichting van de moeder om bij de uitoefening van
haar bevoegdheid om over de verblijfplaats van [de dochter] te beslis-sen het
BJA als de gezinsvoogdij-instelling die het toezicht over [de dochter] heeft te
consulteren. Dat zo'n consultatieplicht aanleiding kan geven tot het aannemen
van een gezagsrecht in de zin van het HKOV bij de te consulteren instantie,
wordt in de rechtspraak van de verdragsstaten wel aangenomen (zie Récapitulation
des point à discuter à la troisième réunion de la commission spéciale sur
le functionnement de la Convention de la Haye sur les aspects civils de l'enlèvement
internatio-nal d'enfants, Doc. prél. No 1, janvier 1997, Bureau Permanent de la
Conférence de la Hay de droit international privé, blz. 14/15, onder 29), doch
is hier niet aan de orde. Niet te ontkennen valt, dat de wijziging van de
verblijfplaats van [de dochter] van Nederland naar Denemarken kan leiden tot een
ongewenste lacune in de hulpverlening aan en het toezicht op [de dochter] (vgl.
HR 11 december 1987, NJ 1988, 724 nt. EAAL). Het is echter, gezien de huidige
gewone verblijfplaats van [de dochter], niet (meer) aan de Nederlandse
autoriteiten, doch aan de Deense autoriteiten om, zo nodig en volgens het daar
geldende recht, in die lacune te voorzien. Middel II is der-halve tevergeefs
voorgesteld.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Strijd
om afschrift contactjournaal geeft representatief zicht op mentaliteit die
heerst in de "jeugdzorg"
134
Tip
van Hop: "Zorg dat u de omschrijving van een verdachte goed
kent!"
100
Tip
van Hop: "Zorg dat u iedere maand de werkwijze van de gezinsvoogd in uw
zaak goed controleert!"
639
Tip
van Hop: "Dien gelijk een bezwaarschrift in tegen iedere regel die niet
deugt in een indicatiebesluit!"
640
Tip
van Hop: "Dien gelijk een bezwaarschrift in tegen iedere regel die niet
deugt in een Plan van Aanpak GEZINSVOOGDIJ!"
641
Tip
van Hop: "Dien gelijk een bezwaarschrift in tegen iedere regel die niet
deugt in een Hulpverleningsplan ZORGVERLENER!"
680
Tip
van Hop: "Dien NOOIT een klacht in tegen de jeugdzorg, dien altijd
een BEZWAARSCHRIFT en BEROEPSCHRIFT in!"
500
Tip
van Hop: "Kinderrechters overleggen met jeugdzorg buiten de
hoorzitting om hoe zij op weerwerk moeten beslissen!"
070
Het
artikel "kinderdieven" van Prof. Dr. A. de Swaan werd door Hop
als grondslag gebruikt in strijd om afgifte contactjournaal
069
Oneerlijk
rechtsproces bij klachtafhandeling! Klagers hadden geen stukken en geen
contactjournaal
068
VEreniging
DIrecteuren VOogdij-instellingen (Vedivo) wil bepalen wat rechters en
burgers mogen lezen
067
Hetze
tegen Hop! Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht weigert Hop na klagen over
naam instelling en contactjournaal
335
Hetze
tegen Hop! Brief Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht dat er geen afschrift
van het contactjournaal wordt gegeven
130
Hetze
tegen Hop! Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg weigert afgifte
contactjournaal en doet mee met hetze tegen Hop
066
Hetze
tegen Hop! Stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland weigert Hop "na
aanzetten tot klagen over afgifte contactjournaal"
252
Hetze
tegen Hop! Persbericht gezinsvoogdijinstelling over Hop in strijd om
afgifte contactjournaal gezinsvoogd
251
Hetze
tegen Hop! Brief gezinsvoogdijinstelling over Hop aan alle cliëntenorganisaties
250
Steun
voor Hop! Platform cliëntenorganisaties verheugt dat ouders actie voeren
om afgifte contactjournalen
222
Complot
tegen de rechtsstaat! De zaak Admiraal/Vermaas geeft direct inzicht in het
belang burger bij contactjournaal
062
Hetze
tegen Hop! AKJ en Veringmeier starten en verliezen kort geding tegen Hop
bij rechtbankpresident mr. P.A. Offers
064
Oproep
aan de gezinsvoogden: "Neem je eigen kinderrechter mee en ga
demonstreren voor 200 miljoen extra
065
Hop
voert actie met ouders en deelt folders uit bij ministeries en Parlement
voor afgifte contactjournaal gezinsvoogd
063
Hop
roept op niet meer te demonstreren in Den Haag na censuur in Nederland na
demonstratie rechters gezinsvoogden
116
Hetze
tegen Hop! Voorkeur voor gesubsidieerde klachtondersteuners bij provincie
Flevoland, Gelderland, Overijssel
316
Hetze
tegen Hop! Voorkeur voor gesubsidieerde klachtondersteuners bij provincie
Zuid-Holland
220
Hetze
tegen Hop! Beroepsverbod voor Hop in drie provincies na weigering Hop
klachten op maximaal !4-tje in te dienen
061
Het
HVRM arrest Mc Michael! Nederland schendt mensenrechten
053
Vedivo
opent een helpdesk voor gezinsvoogdijinstellingen om hen bij te staan in
hun strijd tegen Hop
055
Contactjournaal:
Eerste bonafide uitspraak door College Advies Justitiële
Kinderbescherming
056
Contactjournaal:
Tweede bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Noord-Brabant
057
Contactjournaal:
Derde bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Groningen
058
Contactjournaal:
Vierde bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Zuid-Holland
059
Contactjournaal:
Vijfde bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Rotterdam
Haaglanden
060
Contactjournaal:
Zesde bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Noord-Brabant
137
Memo
Margriet Storms aan alle sectormanagers Bureau Jeugdzorg Amsterdam inzake
Vedivo formulering om Hop te weigeren
054
Vedivo
besluit tot afgifte van contactjournaal gezinsvoogd
137
Hetze
tegen Hop! Vedivo leidt hetze tegen Hop met als grondslag Amerikaanse
websites die NIET van Hop zijn
052
Hetze
tegen Hop! Beroepsverbod voor Hop nu omdat hij weigert te stoppen met
steeds dezelfde klachten in te dienen
051
Hetze
tegen Hop! Klacht gegrond! Hop is ten onrechte geweigerd als
belangenbehartiger van klagende burgers
050
Brief
Platform Cliëntenorganisaties Familierecht aan Hop met de hoop dat Hop
zijn werk zal voortzetten
084
Hetze
tegen Hop! Advocaat jeugdzorg: "Hop moet bloeden" na de gewonnen
strijd om afgifte contactjournaal
300
Liegen
en bedriegen is de norm voor de werkwijze van de jeugdzorg om burgers te
demoniseren en kapot te maken
020
Rene
Diekstra: "Macht is recht! Wie meer macht heeft eigent zich
ongestraft steeds meer rechten toe"
459
Nawoord.
Zorg dat u de geschiedenis van de Omroepbijdrage goed kent!
718
Nawoord.
Problemen met jeugdzorg? Doe zelf mee met provinciale verkiezingen 2011,
verkiezingen gemeenteraad 2014!
JH
Dankzegging.
Jan Hop bedankt iedereen die heeft meegeholpen in de strijd om afgifte
contactjournaal gezinsvoogd
Ouders BOYCOT het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming
- de oproep van de Indiase leider Mahatma Gandhi om geen Engelse producten te kopen.
- de Montgomery-busboycot die begon in 1955 en leidde tot het einde van de rassenscheiding in bussen.
- de olieboycot van OPEC-landen tegen westerse landen die Israël hadden bijgestaan in de Jom Kippoeroorlog, wat in 1973 leidde tot de oliecrisis,
- en de boycot van Zuid-Afrikaanse producten ten tijde van de apartheidspolitiek.
- de boycot van joodse winkels in Duitsland en Oostenrijk, tijdens en in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog.
- Olympische Spelen 1956 in Melbourne vanwege de rol van de Sovjet-Unie in de Hongaarse opstand.
- de boycot van de Raad voor de kinderbescherming in Nederland na onderonsjes met BARRAU om Leenders/Nienhuis uit het gezag te zetten.
- de boycot van de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland na onderonsjes met SBJNB om moeder D. uit het gezag te zetten
In Nederland rekent de jeugdzorg op medeplichtigheid van de RvdK om ouders met kritiek op de werkwijze van de jeugdzorg
in hun zaak zo snel mogelijk uit het gezag te zetten om kritiek van ouders op de jeugdzorg met deze werkwijze te onderdrukken.
Het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming heeft dan ook volkomen terecht in de volksmond de bijnamen
Raad voor de Leugenbescherming, Raad voor de Oudermishandeling en Raad voor de Kindermishandeling opgelopen.
Groep Hop eist per ouder tien miljoen euro schadevergoeding voor iedere ouder die procedeert tegen jeugdzorg
om vervolgens door RvdK en kinderrechters uit het gezag te worden gezet en een beroepsverbod voor de betrokken medewerkers van
jeugdzorg, Raad voor de Kinderbescherming en kinderrechters op welke zaken door een volksjury dient te worden beslist.
Wilt u meehelpen om de boycot Kinderbescherming bekendheid te geven?
UITNODIGING
U kunt GRATIS meehelpen door uitnodigingen te verspreiden om te beginnen in uw eigen netwerk, in flatgebouwen
met veel brievenbussen, in wachtkamers, voor de ingang van scholen, kinderdagverblijven, rechtbanken of buro jeugdzorg enz.
091
Verzoek om gemeentegarantie vingerafdrukken bij nieuw paspoort of identiteitskaart!
685
Leer zelf procederen! Dien een Wob verzoek (bestuurlijke) nevenfuncties van een burgemeester in bij meerdere gemeenten
102
Leer zelf procederen! Dien een of meer Wob verzoeken in bij Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant
Troonrede 2009
Troonrede 2008
Troonrede 2007
Troonrede 2006
Troonrede 2005
Troonrede 2004
Troonrede 2003
Troonrede 2002
Troonrede 2001
Troonrede 2000
Troonrede 1999
Troonrede 1998
Troonrede 1997
Troonrede 1996
Troonrede 1995
Troonrede 1994
Troonrede 1993
Troonrede 1992
Troonrede 1991
Troonrede 1990
Troonrede 1989
Troonrede 1988
Troonrede 1987
Gezocht Troonredes 1986 en ouder