CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Complot tegen de rechtstaat? De zaak Admiraal/Vermaas

222 De 1-ste Pot-norm. Citaat: "De rechter is van oordeel, dat als uitgangspunt geldt dat een moeder het gezag heeft over een kind." Nummer 107315 VG 99-297.

 

Het complot in de zaak Admiraal/Vermaas.
Dyonne Admiraal woonde probleemloos vanaf haar geboorte 9 november 1996 tot augustus 1999 bij haar grootmoeder mz. Oma was voogdes en de belangrijkste hechtingspersoon voor Dyonne. De natuurlijke moeder van Dyonne dient op 9 juli 1999 een verzoek in bij het gerecht om belast te worden met het gezag over Dyonne. Twee weken later is er een hoorzitting en het gezag over Dyonne gaat naar de natuurlijke moeder. Daarnaast is de minderjarige onder toezicht gesteld en is het een van de taken van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en het kind te laten bestaan. Augustus 1999 wordt Dyonne door oma aan de natuurlijke moeder overgedragen. Oma en vader zien Dyonne hierna niet meer terug omdat in het geheim met medewerking van de Raad voor de Kinderbescherming, rechtersleger en gezinsvoogdij het vertrek van Dyonne met haar moeder naar het buitenland wordt voorbereid zonder dat oma en vader daarvan mogen weten. 231299 Brief Stichting Jeugd en Gezin Flevoland aan de Raad voor de Kinderbescherming Lelystad. Citaat: "Oma en de biologische vader van Dyonne zijn nu met een procedure bezig om contact met Dyonne af te dwingen. Met oog op mogelijke ontvoering of andere voor Dyonne en ouders spanningsvolle acties die te verwachten zijn als vader of oma weet krijgen van het vertrek van moeder en Dyonne naar Engeland is er door onze instelling voor gekozen dat zij pas ingelicht worden als de familie in Engeland is gearriveerd. De klachten en verzoekschriften van oma en vader worden pas behandeld als Dyonne met haar moeder naar het buitenland zijn vertrokken.

 

 

De 1-ste Pot-norm betreft de gang van zaken rondom Dyonne Admiraal en geeft op een prachtige manier inzicht in de werkwijze van overheid, rechtersleger en Raad voor de Kinderbescherming in familiezaken

091196 Het begin. Dyonne woont vanaf haar geboorte 9 november 1996 bij haar grootmoeder mz. Grootmoeder mz is bij beschikking 30 januari 1997 benoemd tot voogdes over Dyonne Admiraal en Dyonne woont bij de voogdes t.w. grootmoeder mz. Vader heeft vrijwel dagelijks omgang met zijn kind.

LET OP! Dyonne woont dus al drieënhalf jaar bij grootmoeder mz en wordt door de grootouders probleemloos verzorgd en opgevoed.

100599. Advies Raad voor de Kinderbescherming T.A.K. Binnema en Zaane als praktijkleider. Het advies is om moeder te belasten met het gezag over Dyonne. Grootmoeder is een belangrijke hechtingspersoon voor Dyonne, daarom is het belangrijk dat er straks omgang tussen Dyonne en de grootouders is.

090799. De natuurlijke moeder van Dyonne dient op 9 juli 1999 een verzoek in bij het gerecht om belast te worden met het gezag over Dyonne.

120799. Wijziging vastgestelde omgangsregeling tussen moeder en Dyonne als basis voor verdere uitbreiding. Citaat: "Volgens de grootmoeder verloopt de omgangsregeling (tussen moeder en kind) op dit moment goed." Beschikking 44173 FARK 98-3450. Aanwezig is W.P.M. Mulder namens de Raad.

150799. Een week later! Hoorzitting waar het verzoekschrift van 090799 wordt behandeld! De vrouw wordt belast met het gezag over dit kind. Bron: 107315 VG 99-297.

 

130899. 222 De 1-ste Pot-norm. Citaat: "De rechter is van oordeel, dat als uitgangspunt geldt dat een moeder het gezag heeft over een kind." Nummer 107315 VG 99-297.

Citaat uit dezelfde beschikking 107315 VG 99-297.

In de onderhavige zaak blijkt onder meer uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, dat er geen beletsels zijn om de vrouw te belasten met het gezag over voornoemde minderjarige. Daarnaast is de minderjarige onder toezicht gesteld en is het een van de taken van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en het kind te laten bestaan.

 

De derde Pot-norm: Daarnaast is de minderjarige onder toezicht gesteld en is het een van de taken van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en het kind te laten bestaan. Nummer 107315 VG 99-297.

Grootmoeder is een belangrijke hechtingspersoon voor Dyonne, daarom is het belangrijk dat er straks omgang tussen Dyonne en de grootouders is.

Ik nodig u uit mee te kijken hoe deze derde Pot-norm vastgelegd in beschikking Nummer 107315 VG 99-297 vervolgens in Nederland wordt uitgevoerd als norm voor de werkwijze van het rechtersleger en de Raad voor de Kinderbescherming.

10 juni 1999. Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming te Lelystad wordt Dyonne onder toezicht gesteld en is het een van de taken van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en het kind te laten bestaan. 

25 augustus 1999. Melder H.J. Hagen (Art 48 Wjh) Stichting Jeugd en Gezin Flevoland. Melding verzoekschrift machtiging uithuisplaatsing d.d. 240899. De machtiging voor een uithuisplaatsing heeft betrekking op een plaatsing in een centrum voor moeder en kind. Dit met het doel het gezin te begeleiden in het ouderschap. Besluit Raad voor de Kinderbescherming 310899. Akkoord met verzoek. Geen verdere bemoeienis.  Medewerker M.P. Bootsman.

 

Op 17 december 1999 hebben verzoekers een verzoekschrift ter griffie van de rechtbank ingediend, strekkende tot - onder meer - wijziging van de omgangsregeling tussen verzoekers en na te vermelden minderjarige. Nadat Dyonne door grootmoeder mz en vader aan de moeder werd overdragen hebben zij geen omgang meer met Dyonne gehad.

Gegevens uit het verleden als moeder een verzoek bij de rechtbank indiende dan duurt het niet langer dan een week en het verzoek van moeder wordt door het rechtersleger in Lelystad razendsnel behandeld om moeder een kind toe te wijzen.

090799. De natuurlijke moeder van Dyonne dient op 9 juli 1999 een verzoek in bij het gerecht om belast te worden met het gezag over Dyonne.

150799. Een week later! Hoorzitting waar het verzoekschrift van 090799 wordt behandeld! De vrouw wordt belast met het gezag over dit kind. Bron: 107315 VG 99-297.

In dezelfde zaak dienen vervolgens de natuurlijke vader en grootmoeder een belangrijke hechtingspersoon voor Dyonne een verzoek in bij hetzelfde rechtersleger in Lelystad de behandeling van een verzoek in dezelfde zaak duurt dan dat vier maanden.

171299 Verzoek grootmoeder en vader om vaststelling van een omgangsregeling met Dyonne.

060400 Vier maanden later. Op 6 april 2000 wordt de zaak op een hoorzitting behandeld de kinderrechter acht zich niet bevoegd omdat Dyonne inmiddels is vertrokken.

 

In het diepste geheim zijn echter plannen gemaakt door moeder en de gezinsvoogdij-instelling om moeder met Dyonne te laten vertrekken naar het buitenland zonder dat grootmoeder een belangrijke hechtingspersoon voor Dyonne en vader daar weet van hebben

231299 Brief Stichting Jeugd en Gezin Flevoland aan de Raad voor de Kinderbescherming Lelystad. 

Citaat: "Bij deze breng ik u op de hoogte dat moeder per 12 januari 2000 naar Engeland zal vertrekken. Moeder heeft per 08-07-99 het ouderlijk gezag gekregen over Dyonne. Na intensieve begeleiding door het IOG is gebleken dat moeder en X (nieuwe partner van moeder) verantwoordelijke ouders zijn die goed voor Dyonne zorgen en haar ontwikkeling op alle terreinen stimuleren. Dyonne hecht zich aan moeder en X (nieuwe partner van moeder)"

Citaat: "Oma en de biologische vader van Dyonne zijn nu met een procedure bezig om contact met Dyonne af te dwingen. Met oog op mogelijke ontvoering of andere voor Dyonne en ouders spanningsvolle acties die te verwachten zijn als vader of oma weet krijgen van het vertrek van moeder en Dyonne naar Engeland is er door onze instelling voor gekozen dat zij pas ingelicht worden als de familie in Engeland is gearriveerd.

301299. Melding Jeugd en Gezin Flevoland aan de Raad voor de Kinderbescherming. Mw. P. van Weissenbruch. Verzoek stopzetting ots door vertrek naar het buitenland. Contact gehad met de heer Hilhorst van Stichting Jeugd en Gezin Flevoland. Moeder zal met Dyonne naar Engeland vertrekken. De heer Hilhorst wil graag weten wat het standpunt van de Raad is. Aangegeven dat wij van mening zijn dat een en ander goed is voorbereid, hulpverlening is reeds verzocht bij de instantie in Engeland. Moeder is hiervoor ook goed gemotiveerd. Moeder en kind zullen zodoende goed gevolgd worden. In die zin kunnen wij ons hier ook in vinden.

De heer Hilhorst geeft wel aan dat de belanghebbenden niet zijn geïnformeerd, vader en grootouders, hij vindt dit geen goede zaak en is voornemens om hem maandag a.s. van de plannen op de hoogte te stellen.

 

Op 3 januari 2000 wordt de door de natuurlijke vader en de grootmoeder ingediende klachtzaak met bijstand van Hop behandeld.

HAPPY NEW YEAR OMA en VADER............

Welkom bij de Stichting Jeugd en Gezin Flevoland, we hebben een leuke mededeling voor u........

Klagers grootmoeder mz en de natuurlijke vader zijn met bijstand van Hop bij de Stichting Jeugd en Gezin Flevoland voor de behandeling van ingediende klachten tegen de gezinsvoogdij-instelling Jeugd en Gezin Flevoland. 

Voordat de zitting van de interne klachtencommissie plaats heeft hebben zij een gesprek met directeur Hilhorst van deze instelling. Voor het eerst horen de natuurlijke vader en grootmoeder mz een belangrijke hechtingspersoon voor Dyonne van de geheime plannen van Stichting Jeugd en Gezin Flevoland om moeder en kind te laten vertrekken naar het buitenland.

Denkt u dat u zich kunt voorstellen wat voor impact deze mededeling van directeur Hilhorst heeft op de grootmoeder mz die Dyonne vanaf haar geboorte jarenlang heeft opgevoed en grootgebracht en op de vader die dagelijks contact met zijn dochtertje had totdat het rechtersleger en de Raad voor de Kinderbescherming het nodig vonden om Dyonne bij grootmoeder mz weg te halen?

Ik denk van niet en u als lezer weet hiermee ook wat voor soort zaakjes ik met de gezinsvoogdij in Nederland heb meegemaakt.

 

Uitspraak interne klachtencommissie Stichting Jeugd en Gezin Flevoland

Klachten van klagers met bijstand van Hop worden door de interne klachtencommissie gegrond verklaard!

260100 Directeur Hilhorst van Stichting Jeugd en Gezin Flevoland is het eens met de gegrond verklaarde klachten en bied daarom alsnog zijn excuses aan.

Wat hebben klagers bereikt met het indienen van klachten tegen de gezinsvoogdij welke klachten gegrond werden verklaard?

NIETS! Vanaf augustus 1999 hebben grootmoeder mz die jarenlang voor Dyonne heeft gezorgd en haar heeft opgevoed en haar natuurlijke vader haar niet meer terug gezien nadat het rechtersleger en de Raad voor de Kinderbescherming zich met Dyonne zijn gaan bemoeien.

 

Op 6 april 2000 wordt het verzoekschrift van vader en grootmoeder van 171299 op een hoorzitting behandeld de kinderrechter acht zich niet bevoegd omdat Dyonne inmiddels is vertrokken.

Aanwezig namens Stichting Jeugd en Gezin Flevoland is dhr. Hagen.

 

De vierde Pot-norm. Liegen en bedriegen is de norm voor de rechtspraak in Nederland in familiezaken om kost wat kost kinderen aan de moeder toe te kunnen wijzen.

Onderbouwing de zaak Admiraal/Vermaas tegen het rechtersleger en de Raad voor de Kinderbescherming in Lelystad.

222 De 1-ste Pot-norm. Citaat: "De rechter is van oordeel, dat als uitgangspunt geldt dat een moeder het gezag heeft over een kind." Nummer 107315 VG 99-297. Citaat uit dezelfde beschikking 107315 VG 99-297. In de onderhavige zaak blijkt onder meer uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, dat er geen beletsels zijn om de vrouw te belasten met het gezag over voornoemde minderjarige. Daarnaast is de minderjarige onder toezicht gesteld en is het een van de taken van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en het kind te laten bestaan.

De tweede Pot-norm.

222 De derde Pot-norm: Daarnaast is de minderjarige onder toezicht gesteld en is het een van de taken van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en het kind te laten bestaan. Nummer 107315 VG 99-297.

222 De vierde Pot-norm. Liegen en bedriegen is de norm voor de rechtspraak in Nederland in familiezaken om kost wat kost kinderen aan de moeder toe te kunnen wijzen. Citaat beschikking 57135 JL RK426 : "Blijkens beschikking van de kinderrechter te Lelystad (Pot zie eerste en derde Pot-norm in deze zaak) blijkt dat verzoekers zich niet kunnen verenigen met de opheffing van de ondertoezichtstelling van de minderjarige door de gezinsvoogdij-instelling. De kinderrechter is ambthalve bekend dat moeder en kind in januari 2000 verhuisd zijn naar het buitenland. Nu de moeder tezamen met het kind is verhuisd naar het buitenland en de ondertoezichtstelling door de SJG aan de bevoegde autoreiteiten in Engeland is overgedragen, is de kinderrechter gelet op het bepaalde in artikel 1:429c, vierde lid, van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, alsmede artikel 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag, niet bevoegd van het verzoek kennis te nemen

 

 

Wat is nu de moraal van het complot in de zaak Admiraal/Vermaas?

1. De rechtspraak in Nederland in familiezaken is gebaseerd op liegen en bedriegen om kinderen kost wat kost aan moeders toe te wijzen! Zie ook de zaak Hop.

2. Als er een gesubsidieerde gedwongen kinderbeschermingsmaatregel OTS wordt uitgesproken waarbij het de taak is van de gezinsvoogdij-instelling om de contacten tussen de vader, de huidige voogdes en het kind te laten bestaan dan staat dat wel in de beschikking maar het is niet de bedoeling van het rechtersleger dat hun uitspraak door de overheid wordt uitgevoerd. Integendeel het is de bedoeling van zo'n rechterlijke uitspraak om oma en vader te misleiden en aan het lijntje te houden zodat in een geheim complot diezelfde gezinsvoogdij-instelling samen met het rechtersleger en de Raad voor de Kinderbescherming het vertrek van Dyonne naar het buitenland kunnen uitvoeren. Het complot zit zo goed in elkaar dat de klachten en verzoekschriften van oma en vader pas worden behandeld als Dyonne is vertrokken.

3. Is er in de onderhavige zaak sprake van PAS (Parental Alienation Syndrome) emotionele of psychische kindermishandeling van Dyonne als zij na drieënhalf jaar door het rechtersleger met instemming van de Raad voor de Kinderbescherming plotseling bij haar oma en vader wordt weggehaald en haar oma en vader niet meer terugziet. Het antwoord is neen! Diezelfde rechtbank Zwolle heeft in kort geding tegen Hop vastgesteld dat dit niet het geval is en Hop een dwangsom van Dfl. 150.000,-- opgelegd zodat hij zijn mond hierover dicht moet houden. Dat doet Hop ook en het uitgangspunt van Hop inzake PAS (Parental Alienation Syndrome) op de website Censuur in Nederland is dan ook dat PAS in Nederland niet voorkomt. En laten we eerlijk zijn als u de rechtbank Zwolle was en ook in staat zou zijn ZELF TE BESLISSEN over zaken waarin je wordt aangeklaagd zou je dan ook niet zelf beslissen de aanklacht ongegrond verklaren en de aanklager een dwangsom van Dfl. 150.000,-- opleggen zodat de aanklager zijn mond gaat houden..........................

4. Wat heeft Hop als belangenbehartiger van oma en vader in de zaak Admiraal/Vermaas bereikt met gegrond verklaarde klachten bij de interne klachtencommissie? Het antwoord is niets. Wat heeft Hop als belangenbehartiger van oma en vader in de zaak Admiraal/Vermaas bereikt met het indienen van verzoekschriften bij deze rechtbank. Het antwoord is niets. De rechtbank verklaarde zich niet bevoegd omdat Dyonne inmiddels was vertrokken naar het buitenland.

5. Wat heeft Hop als belangenbehartiger van oma en vader in de zaak Admiraal/Vermaas inzake het contactjournaal gezinsvoogd bereikt? 1. De problemen in Flevoland o.a. in deze zaak Admiraal/Vermaas leverde Hop een hetze van de gezinsvoogdij tegen Hop op omdat Hop systematisch klaagde over afgifte van het contactjournaal gezinsvoogd o.a. in deze zaak. Het staat u als lezer vrij voor u zelf te bepalen na het lezen van de zaak Admiraal/Vermaas hoe belangrijk het voor oma en vader was een compleet contactjournaal gezinsvoogd in handen te krijgen en hoe belangrijk het was voor de betrokken gezinsvoogdij-instelling om dit contactjournaal gezinsvoogd niet te geven. Het antwoord is niets. Zowel de interne klachtencommissie als de Provinciale Klachtencommissie Flevoland, Overijssel en Gelderland verklaarde alle klachten met bijstand van Hop ingediend ongegrond.

6. Hetze tegen Hop. Er wordt door mij dus expliciet op gewezen dat de zaak Admiraal-Vermaas een beroepsverbod voor Hop heeft opgeleverd niet alleen bij de betrokken gezinsvoogdij-instelling maar ook bij de Provinciale Klachtencommissie Flevoland, Gelderland en Overijssel omdat Hop weigerde klachten tegen de gezinsvoogdij op maximaal een A4-tje in te dienen. Dat was voor de overheid kennelijk nog niet genoeg om Hop aan te pakken en (financieel) kapot te maken. De christelijke advocaat Mr. X diende namens de overheid een lawine aan verboden voor Hop in met een lawine aan dwangsommen van Dfl. 150.000,-- voor iedere overtreding van een verbod. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft in hoger beroep bepaald dat liegen en bedriegen de norm is voor het werk van een christelijke advocaat met allerlei bijbaantje bij kerk en school. Hop is blij met deze NOvA uitspraak omdat liegen en bedriegen nu direct gelinkt kan worden aan het netwerk van advocaat X en tevens de norm is voor het werk van de advocatuur en de kerkelijke groeperingen waaraan deze advocaat X met zijn eigen methode gelinkt kan worden.

Conclusie. Wat is nu de moraal van het complot in de zaak Admiraal/Vermaas en wat kunt u als burger leren van de zaak Admiraal/Vermaas? In Nederland hebben advocatuur, overheid, rechtersleger, Raad voor de Kinderbescherming en gezinsvoogdij het onder elkaar perfect geregeld om kinderen systematisch aan moeders toe te wijzen en kritiek van buitenaf op deze sectoren met de meest smerige praktijken te onderdrukken. Tenslotte vraag ik u de zaak Admiraal/Vermaas kritisch en begrijpend te lezen.  Wat valt u op als deze gezinsvoogdij-instelling de nieuwe partner van moeder in hun brief van 231299 aan de Raad voor de Kinderbescherming noemt?

Hoeveel vaders zullen ook dit jaar weer door de advocatuur en het rechtersleger genaaid en van hun kinderen BEROOFD worden door advocaten met baantjes bij kerk en school en waar liegen en bedriegen als norm voor hun werkwijze is vastgesteld? Het rechtersleger heeft met de zaak Admiraal/Vermaas, het censuurvonnis tegen Hop in ieder geval aan iedere vader duidelijk gemaakt dat niet de moeders het probleem zijn. Advocatuur, gezinsvoogdij en het rechtersleger zijn VEEL TE VER gegaan in hun hetze en het censuurvonnis tegen Hop. Het gaat nu in Nederland steeds sneller steeds harder worden nu ook steeds duidelijker is geworden hoe en waarom vaders systematisch als de vaste verliezer in de rechtspraak aangemerkt kunnen worden met norm 222 als representatief voorbeeld. Norm 222 is immers vastgelegd in een kort gedingbeschikking met gigantische dwangsommen door de rechtbank Lelystad-Zwolle en bevestigd door het Hof Arnhem met Hop als verliezer om zijn kritiek op de zaak Admiraal/Vermaas te onderdrukken.  

Wat zullen ze niet alleen in Lelystad, door dit vonnis overal naar toe te sturen, bij de gezinsvoogdij, kinderbescherming en rechtersleger om de veroordeling van Hop omdat hij kritiek had bijvoorbeeld op de zaak Admiraal/Vermaas en het niet afgeven van contactjournalen gelachen hebben. 

Het zij zo. Ik gun ze dat pleziertje ook wel. Nederland is immers een land waar vaders na de zaak Admiraal/Vermaas en het censuurvonnis tegen Hop niets meer te verliezen hebben maar dat hebben ze zelf met hun enorme arrogantie kennelijk nog steeds niet in de gaten. 

Na de zaak Admiraal/Vermaas en het censuurvonnis tegen Hop onderkende Minister van Justitie Donner de impact van de hetze tegen Hop in zijn toespraak tot het rechtersleger.

April 2005. In Arnhem heeft een eerste groep van 10 vaders voor het eerst de rechtbank en het Hof Arnhem bestormd. In Utrecht hebben ze ook al bovenop de rechtbank gestaan. In Den Haag dreigde er eentje zichzelf te verbranden. In het Parlement is er een vanaf de publieke tribune naar beneden gesprongen.

Op 3 mei 2005 stond een vader boven op de Waalburg bij Nijmegen.

Hoe zou dat nu komen?

J. Hop, auteur website Censuur in Nederland.

 

Nog een klein vraagje: In welk jaar schreef Mr. Max. Moszkowiczs Sr. het artikel "Andere tijden"?

 

 

 

Kinderrechter verklaart zich onbevoegd na verhuizing van de moeder met dochter vanuit Nederland naar Denemarken, zonder overleg te hebben gepleegd met het Bureau Jeugdzorg Amsterdam BJA als haar gezinsvoogdij-instelling

 

LJN: AA5523, Hoge Raad, R99/111HR
Datum uitspraak: 14-04-2000
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Cassatie
Uitspraak 14 april 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/111HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking

in de zaak van:

STICHTING BUREAU JEUGDZORG AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[de moeder],
wonende te [woonplaats], Denemarken,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.

1.  Het geding in feitelijke instanties
  Met een op 19 juni 1998 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: het BJA - zich gewend tot de Kinderrechter aldaar en verzocht de ondertoezichtstelling van de uit het huwelijk van verweerster in cassatie, hierna: de moeder, met [de vader], […], op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] geboren minderjarige [de dochter] met ingang van 18 augustus 1998 voor de duur van een jaar te verlengen.
  Met een op 30 juli 1998 gedateerd verzoekschrift heeft voorts de moeder bij genoemde Kinderrechter een verzoek ingediend tot vervallenverklaring ex art. 1:259 lid 1 BW van een schriftelijke aanwijzing van het BJA van 19 mei 1998.
  Met een op 10 september 1998 bij deze Kinderrechter ingediend verzoekschrift heeft tenslotte het BJA een verzoek gedaan tot afgifte van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de dochter] in het gezin van de vader voor de duur van één jaar.
  De Kinderrechter heeft bij tussenbeschikking van 14 augustus 1998 de ondertoezichtstelling voorlopig voor de duur van twee maanden verlengd en de behandeling van de verzoeken van het BJA en van de moeder voor het overige aangehouden.
  Bij eindbeschikking van 28 september 1998 heeft de Kinderrechter zich omtrent de drie genoemde verzoeken onbevoegd verklaard.
  Tegen laatstvermelde beschikking hebben het BJA en de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De moeder heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
  Het Hof heeft bij beschikking van 8 april 1999 de beschikking van de Rechtbank van 28 september 1998 bekrachtigd.
  De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2.  Het geding in cassatie
  Tegen de beschikking van het Hof heeft het BJA beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
  De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
  De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3.  Beoordeling van de middelen
3.1  In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i)  Uit het op 30 december 1988 tussen de vader en de moeder gesloten huwelijk is op [geboortedatum] 1989 geboren een dochter, genaamd [de dochter] […], welke dochter de Nederlandse nationaliteit heeft.
(ii)  Nadat in dit huwelijk bij vonnis van 8 april 1992 echtscheiding was uitgesproken en het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand was ingeschreven, is bij beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 28 mei 1997 de moeder belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [de dochter], terwijl bij diezelfde beschikking tussen de vader en [de dochter] een omgangsregeling is vastgesteld.
(iii)  Reeds op 18 februari 1997 was [de dochter] door de Kinderrechter te Amsterdam onder toezicht gesteld van het BJA.
(iv)   In april 1998 is de moeder, nadat die ondertoezichtstelling tot 18 augustus 1998 was verlengd, met [de dochter] vanuit Nederland naar Denemarken verhuisd, zonder dit tevoren met het BJA te hebben overlegd. Zij is daar gehuwd met [de echtgenoot] en woont daar thans in de [woonplaats].

3.2  Een en ander heeft geleid tot de onderhavige procedure. Daarbij gaat het, zoals hiervóór onder 1 reeds werd vermeld, om de volgende drie verzoeken:
(a)    het BJA verzocht de ondertoezichtstelling andermaal te verlengen (art. 1:256 lid 2 BW);
(b)    de moeder verzocht een ingevolge art. 1:258 BW op 19 mei 1998 door het BJA gegeven schriftelijke aanwijzing, strekkende tot de onmiddellijke terugkeer van [de dochter] naar Nederland, vervallen te verklaren (art. 1:259 lid 1 BW);
(c)    het BJA verzocht de afgifte van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de dochter] in het gezin van de vader (art. 1:261 lid 1 BW).

3.3  Het Hof heeft zich met betrekking tot deze verzoeken onbevoegd verklaard. Het heeft dit, kort samengevat, gemotiveerd door te overwegen dat de verhuizing van de moeder met [de dochter] vanuit Nederland naar Denemarken, zonder overleg te hebben gepleegd met het BJA als haar gezinsvoogdij-instelling, naar zijn oordeel niet in strijd was met de zogenoemde Kinderontvoeringsverdragen, in het bijzonder niet met de art. 3 en 5 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, Trb. 1987, nr. 139 (handelen in strijd met enig “gezagsrecht” over het kind), omdat een gezinsvoogdij-instelling naar Nederlands recht (art. 1:257 en 258 BW) tot taak heeft toezicht te houden en hulp en steun te bieden en daarin geen “gezagsrecht” over de minderjarige ligt besloten en omdat voorts, wat het onderhavige verdragenrecht betreft, art. 5 van het hiervóór genoemde Haagse verdrag een ruimere interpretatie van het begrip “gezagsrecht” evenmin rechtvaardigt. Volgens het Hof bracht de ondertoezichtstelling van [de dochter] dan ook geen wijziging in het gezagsrecht van de moeder, daarbij inbegrepen haar recht om de woon- of verblijfplaats van [de dochter] te bepalen, en stond het de moeder rechtens vrij om met [de dochter] vanuit Nederland naar Denemarken te verhuizen. Aldus kwam het Hof tot de slotsom dat, nu [de dochter] inmiddels haar gewone verblijfplaats in Denemarken heeft, “op grond van de regels van Nederlands internationaal privaatrecht” moet worden aangenomen dat de Nederlandse rechter in deze geen rechtsmacht heeft. Hiertegen richten zich de cassatiemiddelen.

3.4.1  Middel I richt zich met een rechts- en een motiveringsklacht tegen het oordeel van het Hof in rov. 3.2 van zijn beschikking dat in de in art. 1:257 en 258 BW neergelegde regeling niet ligt besloten dat de gezinsvoogdij-instelling - al dan niet naast de met het gezag belaste ouder - met gezag over de minderjarige is belast. De rechtsklacht faalt, aangezien het oordeel van het Hof juist is. Zoals ook blijkt uit de parlementaire ge- schiedenis van de Wet van 26 april 1995, Stb. 255, tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen, kan een ondertoezichtstelling weliswaar meebrengen dat het gezag van de ouders wordt beperkt, maar betekent dit niet dat het gezag in zoverre bij de instelling komt te berusten; vgl. in het bijzonder de in de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda onder 9 aangehaalde passages uit de memorie van toelichting en de memorie van antwoord bij dit wetsvoorstel.
  De motiveringsklacht is eveneens tevergeefs voorgesteld, aangezien een rechtsoordeel in cassatie niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden.

3.4.2  Middel I verwijt het Hof voorts te hebben miskend dat ingevolge art. 5, eerste lid, van het Haagse Verdrag van 5 oktober 1961 betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen, Trb. 1968, 101 - kennelijk abusievelijk spreekt het middel van art. 5 van het Haagse Kinder- ontvoeringsverdrag 1961 - de maatregelen die zijn getroffen door de autoriteiten van de Staat van het vorige gewone verblijf van het kind, van kracht blijven zolang de autoriteiten van het nieuwe gewone verblijf deze niet hebben opgeheven of vervangen. Daaruit vloeit voort, aldus het middel, dat, nu de ondertoezichtstelling van [de dochter] nog van kracht is, de Nederlandse rechter zich bevoegd had moeten achten kennis te nemen van het verzoek tot verlenging daarvan. Deze klacht faalt reeds omdat art. 5, dat slechts betrekking heeft op het geval waarin het gewone verblijf van de minderjarige van de ene verdragsstaat naar een andere verdragsstaat wordt verplaatst, in het onderhavige geval geen toepassing kan vinden, nu Denemarken geen partij is bij voormeld verdrag.

3.5  Middel II keert zich tegen het oordeel van het Hof in rov. 3.4 van zijn beschikking dat de positie die aan het BJA is toegekend krachtens de art. 1:257 en 258 geen gezag oplevert als bedoeld in de Kinderontvoeringsver- dragen. Bij de beoordeling van dit middel moet tot uitgangspunt worden genomen dat de betekenis van het in art. 5 van het hiervoor genoemde Haagse Verdrag van 25 oktober 1980 omschreven begrip "gezagsrecht" moet worden bepaald aan de hand van doel en strekking van dit verdrag. In het licht van de in art. 1 van het verdrag omschreven doelstellingen - te weten: de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een verdrag- sluitende staat, alsmede het in een verdragsluitende staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere verdragsluitende staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen - en in aanmerking genomen dat het BJA niet een aanwijzing met betrekking tot de verblijfplaats van [de dochter] had gegeven toen de moeder die het gezag over haar uitoefent met haar naar Denemarken vertrok, kan niet worden gezegd dat het BJA toen uit hoofde van een hem toekomende bevoegdheid om over de verblijfplaats van [de dochter] te beslissen (vgl. art. 5 onder a van het verdrag) een gezagsrecht in de zin van het verdrag had. Nu noch uit de regeling betreffende de ondertoezichtstelling noch uit enige andere wettelijke bepaling een verplichting voor de moeder voortvloeit het BJA omtrent de verblijfplaats van [de dochter] te consulteren, kan het BJA ook hieraan niet een gezagsrecht in de zin van het verdrag ontlenen.
  Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4.  Beslissing
  De Hoge Raad verwerpt het beroep.

  Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Neleman,
Heemskerk, Jansen en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 14 april 2000.

Rek.nr. R99/111HR         Mr Strikwerda
Parket, 21 jan. 2000         conclusie inzake
          Stichting Bureau
          Jeugdzorg Amsterdam
          tegen
          [de moeder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de maatregel van ondertoezichtstelling als bedoeld in art. 1:254 e.v. BW tot gevolg heeft dat de gezinsvoogdij-instelling een gezagsrecht krijgt over de minderjarige in de zin van de Kinderontvoe-ringsverdragen. In cassatie is deze vraag toegespitst op het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (voluit: het Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering over de grens van kinderen, 's-Gravenhage, 25 oktober 1980, Trb. Trb. 1987, 137), hierna het HKOV.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 2 van de bestreden beschikking).
(i) Op 30 december 1988 zijn verweerster in cassatie, hierna: de moeder, en [de vader], hierna: de vader, met elkaar gehuwd.
(ii) Uit hun huwelijk is op [geboortedatum] 1989 geboren [de dochter]. [De dochter] heeft de Nederlandse natio-naliteit.
(iii) Het huwelijk van de ouders is ontbonden door inschrij-ving van het echtscheidingsvonnis van 8 april 1992 in de registers van de burgerlijke stand.
(iv) De moeder is bij beschikking van de Rechtbank te Amster-dam van 28 mei 1997 belast met het ouderlijk gezag over [de dochter]. Bij deze beschikking is een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [de dochter].
(v) Bij beschikking van de Kinderrechter te Amsterdam van 18 februari 1997 is [de dochter] voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van verzoekster van cassatie, hierna: het BJA. Bij beschikking van 2 februari 1998 van de Kinderrechter te Amsterdam is deze ondertoezichtstelling met ingang van 18 februari 1998 voor de duur van zes maanden verlengd.
(vi) De moeder is in april 1998 met [de dochter] vanuit Nederland naar Denemarken verhuisd. Zij woont thans in de [woonplaats], Denemarken. Zij is in Denemarken met de [echtgenoot] gehuwd.
(vii) Op 19 mei 1998 heeft het BJA een schriftelijke aanwij-zing gegeven. Met die aanwijzing beoogde het BJA de moeder met [de dochter] per onmiddellijk terug te doen keren naar Nederland.
(viii) Bij brief van 26 mei 1998 heeft het BJA een verzoek tot teruggeleiding van [de dochter] ingediend bij de Nederlandse Centrale Autoriteit ingevolge de Kinderontvoeringsverdragen. Bij brief van 25 juni 1998 heeft de Nederlandse Centrale Autoriteit bij de Deense Centrale Autoriteit om teruggeleiding van [de dochter] verzocht. De procedure tot teruggeleiding in Denemarken is geschorst in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure.

3. In de onderhavige procedure zijn drie verzoeken aan de orde:
- het op 16 juni 1998 door het BJA bij de Kinderrechter te Amsterdam ingediende verzoek tot verlenging van de ondertoe-zichtstelling van [de dochter] met ingang van 18 augustus 1998 voor de duur van twee maanden;
- het op 28 september 1998 door het BJA bij de Kinderrechter te Amsterdam ingediende verzoek tot afgifte van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de dochter] in het gezin van de vader voor de duur van één jaar;
- het op 30 juli 1998 door de moeder bij de Kinderrechter te Amsterdam ingediende verzoek tot vervallenverklaring van de aanwijzing van het BJA van 19 mei 1998.

4. Kennelijk na verwijzing door de Kinderrechter naar de meervoudige kamer, heeft de Rechtbank te Amsterdam bij be-schikking van 28 september 1998 zich onbevoegd verklaard van genoemde verzoeken kennis te nemen. In hoger beroep heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 8 april 1999 de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.

5. Daartoe overwoog het Hof, kort weergegeven, het volgende.
In de wettelijke regeling van de maatregel van ondertoezicht-stelling ligt niet besloten dat de gezinsvoogdij-instelling - al dan niet naast de met het gezag beklede ouder - met gezag over de minderjarige is belast. Zij kan weliswaar aanwijzingen geven die op het ouderlijk gezag inbreuk maken, maar een eigen gezagsrecht levert dat voor de gezinsvoogdij-instelling niet op (r.o. 3.2).
De ondertoezichtstelling brengt dan ook geen wijziging in het recht van de gezagdragende ouder om de woon- dan wel verblijf-plaats van de minderjarige te bepalen (r.o. 3.3).
Evenmin is de conclusie gerechtvaardigd dat de positie die aan het BJA is toegekend krachtens de artt. 1:257 en 258 BW gezag oplevert als bedoeld in de Kinderontvoeringsverdragen. Aan de schriftelijke aanwijzing van 19 mei 1998 komt geen betekenis toe, omdat de moeder toen al verhuisd was (r.o. 3.4). Het stond de moeder dus rechtens vrij om met [de dochter] te verhui-zen. De Kinderontvoeringsverdragen zijn alleen al om die reden niet van toepassing (r.o. 3.5).
Nu aangenomen moet worden dat [de dochter] inmiddels haar gewone verblijfplaats in Denemarken heeft, heeft de Nederlandse rechter op grond van de regels van Nederlands internationaal privaatrecht geen rechtsmacht om te oordelen over de inleiden-de verzoeken (r.o. 3.6).

6. Het BJA is van de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. De moeder heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

7. Middel I bevat, als ik het goed zie, twee klachten.

8. Allereerst komt het middel op tegen het oordeel van het Hof dat in de wettelijke regeling van de maatregel van ondertoe-zichtstelling niet ligt besloten dat de gezinsvoogdij-instel-ling - al dan niet naast de met het gezag beklede ouder - met gezag over de minderjarige is belast. Dit oordeel van het Hof zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien volgens het middel de (enkele) maatregel van ondertoezicht-stelling uit haar aard een beperking van het gezagsrecht van de met het gezag belaste ouder meebrengt, terwijl de toezicht-houdende taak van de gezinsvoogdij-instelling impliceert dat een deel van het gezagsrecht bij deze instelling komt te berusten.

9. De door het middel verdedigde opvatting komt mij onjuist voor. Hoewel de maatregel van ondertoezichtstelling, met name ook als gevolg van de bevoegdheid van de gezinsvoogdij-instel-ling tot het geven van bindende aanwijzingen betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige (art. 1:258 lid 1 en 2), leidt tot een beperking van het gezag van de met het gezag belaste ouder, heeft de maatregel niet tot gevolg dat het gezag geheel of gedeeltelijk door de gezinsvoogdij-instel-ling wordt overgenomen. Het gezag van de ouder wordt onder toezicht van en met hulp en steun door de gezinsvoogdij-in-stelling uitgeoefend, en in zoverre beperkt, maar niet, ook niet gedeeltelijk, van de met het gezag belaste ouder overge-dragen naar de gezinsvoogdij-instelling. De maatregel is daarop ook niet gericht, maar juist, althans waar het de hulp en steun van de gezinsvoogdij-instelling betreft, op het zoveel mogelijk doen behouden van de verantwoordelijkheid van de met het gezag belaste ouder voor de verzorging en opvoeding (art. 1:257 lid 2). Ik citeer J.E. Doek (Personen- en familie-recht, losbl., Art. 258, aant. 1):

"Het eerste en tweede lid van art. 258 maken duidelijk dat de ondertoezichtstelling een maatregel is die tot beperking van het ouderlijk gezag kan leiden, ook tegen de wens van de ouders. Maar dit betekent niet dat de GVI over de minderjarige wettig gezag in de zin van ouderlijk gezag of voogdij uitoefent. Er is 'slechts' sprake van 'toezicht'."

Deze opvatting vindt steun in de geschiedenis van de totstand-koming van de Wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 255, tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen (wetsvoorstel 23 003). In de MvT (Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, blz. 35/36) wordt in de toelichting op art. 1:258 opgemerkt:

"Evenmin omvat de bevoegdheid tot het geven van een aan-wijzing de bevoegdheid tegenover een derde het ouderlijk gezag uit te oefenen; zij behelst slechts de bevoegdheid tot het geven van een opdracht tot een doen of nalaten. (...). Dat de gezinsvoogdij-instelling aanwijzingen aan de minderjarige kan geven doet echter geen afbreuk aan de structuur van de maatregel die het ouderlijk gezag in stand laat tenzij dit beperkt wordt door een tot de ou-ders gerichte aanwijzing."

Zie ook de MvA (Kamerstukken II 1993/94, 23 003, nr. 5, blz. 10), waar de Staatssecretaris van Justitie naar aanleiding van vragen in het VV over de aard van het aan de gezinsvoogdij-instelling toebedeelde gezag opmerkt, dat naar zijn mening de wet

"aan de gezinsvoogdij-instelling publiekrechtelijke be-voegdheden verschaft, veeleer dan dat sprake is van het overdragen van ouderlijk gezag aan de instelling."

Het aangevallen oordeel van het Hof acht ik derhalve juist, de daartegen gerichte klacht ongegrond.

10. Voorts houdt het middel de klacht in dat het Hof, door te oordelen dat, nu [de dochter] inmiddels haar gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft, de Nederlandse rechter op grond van de regels van Nederlands internationaal privaatrecht geen rechts-macht heeft om te oordelen over de inleidende verzoeken, art. 5 van het op 5 oktober 1961 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen, Trb. 1963, 29 en 168, 62, 101, hierna: het HKV, heeft geschon-den. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit het eerste lid van art. 5 HKV blijkt dat de maatregelen die zijn getroffen door de autoriteiten van het vorig gewoon verblijf van het kind van kracht blijven zolang de autoriteiten van het nieuwe gewone verblijf deze niet hebben opgeheven of vervang-en, waaruit volgt dat, nu de maatregel van ondertoezichtstel-ling nog van kracht was toen verlenging van deze maatregel werd gevraagd, de Nederlandse rechter zich bevoegd had moeten achten om van dit verzoek kennis te nemen.

11. Dit betoog faalt. Nog daargelaten dat het voorschrift het eerste lid van art. 5 van het HKV zich, blijkens het tweede lid van dat artikel, niet richt tot de autoriteiten van de staat van het vorige gewone verblijf van de minderjarige, maar tot de autoriteiten van de staat van het nieuwe gewone ver-blijf van de minderjarige, heeft het bedoelde artikel slechts betrekking op de situatie waarin de verplaatsing van het gewone verblijf van de minderjarige plaatsvindt van de ene verdragsstaat naar een andere verdragsstaat. In het onderhavi-ge geval heeft [de dochter] haar nieuwe gewone verblijf in Dene-marken, een staat die geen partij is bij het HKV. Art. 5 mist derhalve toepassing. Ook de tweede klacht van middel I faalt daarom.

12. Middel II neemt stelling tegen het oordeel van het Hof dat de positie die aan het BJA is toegekend krachtens de artt. 1:257 en 258 BW ook geen gezag als bedoeld in het HKOV ople-vert. Als het Hof daarmee bedoelt dat, nu het recht om de verblijfplaats van het kind te bepalen bij de moeder is blij-ven berusten, van gezag van het BJA in de zin van het HKOV nooit sprake kan zijn, berust het oordeel van het Hof op een te beperkte en daarmee onjuiste lezing van art. 5 onder a van het HKOV, aldus de toelichting op het middel.

13. Art. 5 onder a HKOV definieert het begrip 'gezagsrecht' als "het recht dat betrekking heeft op de zorg voor de persoon van het kind, en in het bijzonder het recht over zijn ver-blijfplaats mede te beslissen". Zoals het middel, evenals trouwens het Hof, terecht tot uitgangspunt neemt, is het begrip 'gezagsrecht' als bedoeld in art. 5 onder a HKOV een verdragsautonoom begrip. Dit betekent dat de vraag of sprake is van een gezagsrecht in de zin van het verdrag niet uitslui-tend bepaald wordt door de terminologie en het begrippenstel-sel van het nationale recht dat toepasselijk is op de rechts-betrekking waarop de zorg voor de persoon van het kind berust, doch veeleer beantwoord dient te worden in het licht van het doel en de strekking van het verdrag. Vgl. het Rapport expli-catif van de hand van E. Pérez-Vera, Conférence de la Haye de droit international privé, Actes et documents de la Quator-zième session 6 au 25 octobre 1980, Tome III, Enlèvement d'enfants, 1982, blz. 426 e.v., blz. 452, onder 84, waar in verband met de uitleg van het begrip gezagsrecht als bedoeld in art. 5 onder a HKOV erop wordt gewezen dat

"a classic rule of treaty law requires that a treaty's terms be interpreted in their context and by taking into account the objective and end sought by the treaty".

Het doel van het HKOV is tweeledig: enerzijds heeft het tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat (art. 1 onder a), anderzijds heeft het tot doel het in een verdragsluitende staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere verd-ragsluitende staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen (art. 1 onder b).

14. Gezien deze doelstellingen en gegeven de bevoegdheden welke voortvloeien uit de op het Nederlandse recht berustende rechtsbetrekkingen van enerzijds de moeder en anderzijds het BJA ten aanzien van de zorg voor de persoon van [de dochter], kan naar mijn oordeel niet worden geconcludeerd dat het BJA op het tijdstip waarop de moeder met [de dochter] naar Denemarken vertrok een gezagsrecht had in de zin van het HKOV. Op dat tijdstip was er geen sprake van enige aanwijzing van het BJA krachtens art. 1:258 lid 1 BW met betrekking tot de uit art. 1:245 BW voortvloeiende bevoegdheid van de moeder om over de verblijf-plaats van [de dochter] te beslissen. Bij gebreke van een daartoe strekkende wettelijke bepaling kan ook niet worden aangenomen dat die bevoegdheid werd beperkt door de enkele omstandigheid dat ten aanzien van [de dochter] de maatregel van ondertoezicht-stelling was uitgesproken. De wet voorziet evenmin in een verplichting van de moeder om bij de uitoefening van haar bevoegdheid om over de verblijfplaats van [de dochter] te beslis-sen het BJA als de gezinsvoogdij-instelling die het toezicht over [de dochter] heeft te consulteren. Dat zo'n consultatieplicht aanleiding kan geven tot het aannemen van een gezagsrecht in de zin van het HKOV bij de te consulteren instantie, wordt in de rechtspraak van de verdragsstaten wel aangenomen (zie Récapitulation des point à discuter à la troisième réunion de la commission spéciale sur le functionnement de la Convention de la Haye sur les aspects civils de l'enlèvement internatio-nal d'enfants, Doc. prél. No 1, janvier 1997, Bureau Permanent de la Conférence de la Hay de droit international privé, blz. 14/15, onder 29), doch is hier niet aan de orde. Niet te ontkennen valt, dat de wijziging van de verblijfplaats van [de dochter] van Nederland naar Denemarken kan leiden tot een ongewenste lacune in de hulpverlening aan en het toezicht op [de dochter] (vgl. HR 11 december 1987, NJ 1988, 724 nt. EAAL). Het is echter, gezien de huidige gewone verblijfplaats van [de dochter], niet (meer) aan de Nederlandse autoriteiten, doch aan de Deense autoriteiten om, zo nodig en volgens het daar geldende recht, in die lacune te voorzien. Middel II is der-halve tevergeefs voorgesteld.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.


De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

 

 

top
Activiteiten
Startpagina Raad voor de Kinderbescherming
Censuur en organisatiecriminaliteit in Nederland ©
De website(s) www.burojeugdzorg.nl (org, net, com) www.bureaujeugdzorg.nl (org, net, com) zijn het eigendom van verzetsstrijder, politicus, schrijver, journalist Dhr. J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo. Plaats uitgave: Ermelo. Uitgever: Hop Ermelo. Disclaimer 2014 en vrijwaring. Op al deze websites van Hop is een 2014 disclaimer van toepassing. Procedures inzake publicatie van nieuwsfeiten, vrijheid van drukpers, belemmering vrijheid van meningsuiting, belemmering politieke activiteiten, gerechtvaardigde verdediging van Hop tegen improductieve bureaucratie en/of voor de overheid vrijwel altijd partijdige rechtspraak tegen politicus, schrijver, journalist Hop uitsluitend via de rechtbank Gelderland (dan weet ik immers van tevoren dat ik vrijwel zeker wordt genaaid zoals bijvoorbeeld ook weer in 2014 met het een jaar lang onbehandeld laten liggen van mijn beroepschriften Hop tegen de gemeente Ermelo waarbij de partijdige smeerlappen van die rechtbank Gelderland niet eens gekeken hebben tegen welk besluit ik beroep instelde maar weerzinwekkend partijdig als papegaaien de gemeente Ermelo bleven napraten. Ik heb mijn beroepschriften vervolgens na een jaar ingetrokken. IK WIL HET DOOR MIJ BETAALDE GRIFFIEGELD (721) HOP TEGEN ERMELO VAN DIE RECHTBANK GELDERLAND TERUG) met gelijktijdig verzoek om beeld- en geluidsopnames te mogen maken van de complete hoorzitting t.b.v. publicatie op bovengenoemde websites. Door mijn website te raadplegen accepteert u mijn vrijwaring. Hop streeft ernaar, op een integere wijze, dat alle informatie op de websites correct is. Hop verleent ten aanzien van die informatie echter geen enkele garantie, noch kan Hop worden geacht een dergelijke garantie stilzwijgend te hebben verleend. Hop zal in geen geval aansprakelijk zijn voor schade van welke aard dan ook, waaronder directe, indirecte of gevolgschade, voortvloeiend uit of in verband met het gebruik of betreden van deze website.