| Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming! Openbare aanklachten van burgers tegen het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming (Ministerie van Justitie) in de volksmond nog veel beter bekend als Raad voor de Leugenbescherming en Raad voor de Kindermishandeling |
Vader stelde beroep in tegen zijn veroordeling en kreeg het verwijt van de "kinderbeschermers" dat er door het instellen van beroep tegen zijn veroordeling er geen rust kwam voor de kinderen die in pleeggezinnen en tehuizen waren geplaatst
De zaak van vader V. uit Rotterdam.
Hij werd door Justitie opgepakt op verdenking van een misdrijf. Zijn kinderen was hij gelijk kwijt via de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam. Het gezag over de kinderen ging naar de voogdij. Vader werd tot een langdurige gevangenisstraf veroordeeld. Hij stelde beroep in tegen zijn veroordeling en kreeg het verwijt van de "kinderbeschermers" dat er door het instellen van beroep tegen zijn veroordeling er geen rust kwam voor de kinderen die in pleeggezinnen en tehuizen waren geplaatst. Na een jarenlange detentie en juridische strijd werd de vader vrijgesproken. Zijn kinderen kreeg vader echter niet terug omdat het niet in het belang was van die kinderen om hen uit het pleeggezin te halen en weer bij hun vader te laten wonen. Burgers die met deze sectoren te maken krijgen dienen zich er dan ook van tevoren op in te stellen dat er in deze sector niet aan waarheidsvinding wordt gedaan. Gemaakte fouten worden niet ongedaan gemaakt maar er wordt op de ingeslagen weg kost wat kost doorgegaan om verdere hulpverlening te kunnen blijven verkopen. Houd de Raad voor de Kinderbescherming buiten de deur ook als u uw kinderen niet te zien krijgt als pressiemiddel om aan de vooringenomen, partijdige en vernederende onderzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming mee te werken is mijn eerste advies op basis van jarenlange ervaring. Klachtrecht is een schijnvertoning bij de Raad voor de Kinderbescherming en dat kan niet beter geëtaleerd worden met de zaak V.
J. Hop.
De Hoge Raad handlanger van de jeugdzorg om de belangrijkste gegevens uit dossiers voor burgers verborgen te houden met een advocaat voor de overheid die tevens de rechter dubbelfunctie heeft
Hoe lang duurt het nog voordat burgers begrijpen hoe zij door op deze manier genaaid worden door het rechtersleger?
LJN-nummer: AF0148 Zaaknr: C01/143HR
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 24-01-2003
Datum publicatie: 24-01-2003
Soort zaak: civiel - personen-en familierecht
Soort procedure: cassatie
24 januari 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/143HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.W. Wladimiroff-Nater,
t e g e n
STICHTING JEUGDBESCHERMING ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat (en RECHTER!) : mr. J. van Duijvendijk-Brand. (24)
en (89)
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 10 juli
2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - in kort geding
gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij
vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting te
veroordelen om aan hem een kopie van het dossier met betrekking tot de
hulpverlening aan zijn minderjarige dochters [dochter 1] en [dochter 2],
inclusief contactjournalen, die zich in het dossier bevinden, ter beschikking te
stellen, met bepaling dat de Stichting een dwangsom van ƒ 10.000,-- per dag zal
verbeuren wanneer zij na betekening van het in deze te wijzen vonnis haar
medewerking blijft weigeren.
Bij exploit van 7 augustus 2000 heeft [eiser] de Stichting in kort geding
gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij
vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting te
veroordelen om zijn minderjarige kinderen [dochter 1] en [dochter 2] in de
gelegenheid te stellen om hun eerste communie te doen in een in overleg met
[eiser] te kiezen kerk, alsmede medewerking te verlenen aan alle voorbereidingen
die daartoe noodzakelijk zijn, met bepaling dat de Stichting een dwangsom van ƒ
1.000,-- per dag zal verbeuren wanneer zij na betekening van het in deze te
wijzen vonnis haar medewerking blijft weigeren.
De Stichting heeft beide vorderingen bestreden.
De President heeft bij vonnis van 5 september 2000 de vorderingen afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te
's-Gravenhage.
Bij arrest van 28 maart 2001 heeft het Hof het vonnis van de President
bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Stichting heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker
strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser] is de vader van een in 1992 geboren tweeling. Zijn echtgenote, de
moeder van de tweeling, is in 1995 overleden. [Eiser] werd verdacht van
betrokkenheid bij dit overlijden, maar is uiteindelijk op 6 april 1999
vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.
(ii) Nadat [eiser] in de strafzaak in voorlopige hechtenis was genomen, is de
Stichting belast met het gezag over de kinderen. Zij zijn in een pleeggezin
geplaatst.
(iii) De kinderrechter heeft het verzoek van [eiser] om hersteld te worden in
het gezag over de kinderen aangehouden in verband met nader onderzoek, een
beslissing waartegen [eiser] hoger beroep heeft ingesteld.
(iv) Al geruime tijd bestaat verschil van inzicht tussen [eiser] en de Stichting
over het door de Stichting gevoerde beleid ten aanzien van de kinderen. Dit
heeft geleid tot procedures over de omgang met de kinderen en klachtprocedures
bij de Interne Klachtencommissie van de Stichting Jeugdzorg en - in hoger beroep
- bij de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening.
3.2 De President heeft de hiervoor onder 1 vermelde vorderingen, waarvan in
cassatie nog slechts van belang zijn de vordering tot afgifte van een afschrift
van het contactjournaal dat zich bevindt in het dossier met betrekking tot de
hulpverlening aan de beide kinderen en de vordering met betrekking tot de eerste
communie, afgewezen. De vordering tot afgifte heeft [eiser] gegrond op art.
1:377c BW, art. 6 en 8 EVRM en voorts onder meer op de stelling dat hij kennis
van het gehele dossier behoeft a) teneinde zijn klachten tegen de Stichting
aannemelijk te maken en b) met het oog op de hiervoor in 3.1 onder (iii)
vermelde procedure.
In hoger beroep, waar [eiser] zich met zijn grief I keerde tegen de oordelen van
de President dat de contactjournalen mede gezien kunnen worden als persoonlijke
werkaantekeningen of kladblok van de behandelend maatschappelijk werkster en dat
deze journalen om die reden niet voor inzage door derden vatbaar zijn, en waar
hij met grief III opkwam tegen het oordeel van de President dat hij geen
spoedeisend belang had bij de vordering met betrekking tot de eerste communie,
heeft het Hof de vier door [eiser] voorgestelde grieven verworpen. Met
betrekking tot grief I heeft het Hof daartoe overwogen:
"(...) De grief faalt. De maatschappelijk werker dient in alle vrijheid
zijn c.q. haar gedachten en ideeën in het kader van het hulpverleningsproces op
papier te kunnen zetten, teneinde daaruit uiteindelijk een definitief rapport op
te stellen. Dat rapport is uiteraard ter inzage, maar de daaraan ten grondslag
liggende, subjectieve, werkaantekeningen niet, omdat niet uitgesloten is dat de
gedachten en ideeën van de maatschappelijk werker in de loop van de tijd
bijgesteld worden en zelfs geheel veranderen, omdat de ontwikkeling in de
hulpverleningssituatie daartoe noopt. De maatschappelijk werker kan
verantwoordelijk worden gehouden voor het in het rapport neergelegde beleid maar
niet voor het ontstaan en de ontwikkeling van de gedachten en ideeën, zoals
neergelegd in het contactjournaal." (rov. 2)
3.3 Onderdeel I.1 klaagt dat het Hof een essentiële stelling van [eiser]
onbesproken heeft gelaten, te weten de stelling dat het contactjournaal ook
andere informatie dan de aantekeningen van persoonlijke gedachten van de
maatschappelijk werker bevat. Deze klacht berust op een onjuiste lezing van het
bestreden arrest. Evenals de President is het Hof immers ervan uitgegaan dat in
het contactjournaal naast bedoelde werkaantekeningen ook andere informatie is
opgenomen. Onderdeel I.1 mist dus feitelijke grondslag en kan daarom niet tot
cassatie leiden.
3.4.1 Vooropstellende dat rov. 2 van het Hof in strijd is met art. 6 en art. 8
EVRM, betoogt onderdeel I.2 dat, zelfs indien het contactjournaal uitsluitend
persoonlijke gedachten van de maatschappelijk werker zou bevatten, dit journaal
toch aan [eiser] ter inzage zou moeten worden gegeven omdat het een belangrijk
middel is om inzicht te verkrijgen in het verloop van het hulpverleningsproces,
en met name in de gang van zaken rond de omgangsregeling. Uit het arrest van het
Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 24 februari 1995, NJ 1995, 594 (McMichael),
blijkt dat [eiser], behoudens bijzondere omstandigheden, recht heeft op dit
soort informatie, aldus het onderdeel.
3.4.2 Een inzagerecht als waarop in het onderdeel aanspraak wordt gemaakt, kan
noch aan art. 6 noch aan art. 8 EVRM worden ontleend. Het onderdeel
veronderstelt dat het arrest van het EHRM in de zaak McMichael een
aanknopingspunt biedt voor een oordeel in andere zin, maar dat is gelet op het
navolgende niet het geval. In de zaak McMichael ging het om een procedure onder
Schots recht waarin door een "children's hearing" en (in hoger beroep)
een Sheriff Court kinderbeschermingsmaatregelen waren genomen. Sociale rapporten
over het desbetreffende kind waren in het geding gebracht, maar niet aan de
ouders ter beschikking gesteld. Aan hen was de inhoud slechts wat de hoofdzaken
betreft bekend gemaakt. Naar het oordeel van het EHRM leverde het onthouden van
inzage van zo vitale documenten als de bedoelde rapporten in het
besluitvormingsproces betreffende het gezag over en de omgang met het kind een
schending van art. 6 en art. 8 op jegens (een van) de ouders. [Eiser] heeft in
hoger beroep betoogd dat de door hem benaderde klachtencommissies het
contactjournaal ter inzage hebben gehad, maar het Hof heeft geoordeeld dat
daarvan niet gebleken is. Middel II keert zich tegen dit oordeel, echter - zoals
hierna zal blijken - tevergeefs. De feiten waarvan in de onderhavige zaak moet
worden uitgegaan wijken dus op een beslissend punt af van die in de zaak
McMichael.
Het door het onderdeel bepleite inzagerecht van [eiser] in aantekeningen die
uitsluitend persoonlijke gedachten van de maatschappelijk werker bevatten, vindt
ook geen steun in enige andere rechtsregel, met name niet in de in het onderdeel
genoemde bepalingen. Ook art. 1:377c BW biedt geen grondslag voor een recht op
inzage in uitsluitend voor persoonlijk gebruik gemaakte aantekeningen, die niet
zijn bedoeld om onder ogen van derden te komen en ook niet onder ogen van derden
zijn gekomen.
De rechtsklachten van onderdeel I.2 falen derhalve.
3.5 De overige in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie
leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten
niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid
of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze
uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 286,88 aan verschotten en
€ 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman (34)
als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers (26),
H.A.M. Aaftink (21), A.G. Pos (36)
en D.H. Beukenhorst (22), en in
het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman (39)
op 24 januari 2003.
*** Conclusie ***
Rolnr. C01/143
Mr. J. K. Moltmaker (33)
Kort geding
Inzage contactjournalen
Zitting 1 november 2002
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
STICHTING JEUGDBESCHERMING ROTTERDAM
Edelhoogachtbaar college,
1 Feiten en procesgang
1.1 De feiten ontleen ik aan het vonnis van de president in kort geding:
"2.1
Eiser is de vader van de thans achtjarige tweeling [dochter 1] en [dochter 2].
Op [overlijdensdatum] 1995 is de vrouw van de eiser, tevens moeder van de
tweeling, overleden. In verband met verdenking dat de eiser op enigerlei wijze
bij haar overlijden betrokken is geweest, werd eiser in voorlopige hechtenis
genomen. In de strafzaak is eiser uiteindelijk door het Gerechtshof te Amsterdam
bij arrest van 6 april 1999 vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.
2.2
Gedaagde (hierna: de Stichting) is belast met het gezag over de kinderen die,
nadat eiser gedetineerd raakte, in een pleeggezin zijn geplaatst.
2.3
Eiser heeft zich zowel tot de Stichting als tot de kinderrechter te Rotterdam
gewend met het verzoek om hersteld te worden in het gezag. De kinderrechter
heeft de beslissing aangehouden in afwachting van nader onderzoek. Eiser is
daarvan in hoger beroep gegaan. Dit hoger beroep is nog steeds lopende, zulks
eveneens in verband met te verrichten deskundigenonderzoek.
2.4
Al geruime tijd bestaat verschil van inzicht tussen eiser en de Stichting over
het door de Stichting gevoerde beleid ten aanzien van de kinderen. Eiser heeft
procedures gevoerd over de omgang met de kinderen en daarnaast heeft hij een
aantal klachtprocedures tegen de Stichting ingesteld bij de Interne
Klachtencommissie van de Stichting Jeugdzorg en in hoger beroep bij de
Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening."
1.2 Eiser tot cassatie (de vader) heeft - voor zover in cassatie nog van belang
- bij de rechtbank te Rotterdam in kort geding op straffe van een dwangsom
inzage gevorderd in de door de maatschappelijk werker van verweerster in
cassatie (de Stichting) opgemaakte contactjournalen. Hij heeft zijn vordering in
eerste instantie gebaseerd op art. 1:377c BW, dat bepaalt dat de niet met gezag
belaste ouder in beginsel recht heeft op informatie van derden die beroepshalve
beschikken over informatie over zijn kinderen. Later heeft hij art. 6 en 8 EVRM
aan deze grondslag toegevoegd. Voorts heeft hij gevorderd de Stichting te
veroordelen [dochter 1] en [dochter 2] in de gelegenheid te stellen om hun
eerste communie te doen in een in overleg met de vader te kiezen kerk alsmede
medewerking te verlenen aan alle voorbereidingen die daartoe noodzakelijk zijn,
eveneens op straffe van een dwangsom.
1.3 De President heeft de vorderingen van de vader afgewezen bij vonnis van 5
september 2000. Hij heeft daartoe het volgende overwogen:
"5.3
De president deelt het zijdens de Stichting ingenomen standpunt dat het ten
processe bedoelde contactjournaal bij uitstek het document voor de
maatschappelijk werker en voor de instelling is om gedachten te formuleren en
toezicht uit te oefenen op de uitvoering en de voortgang van het
hulpverleningsproces, en dat die journaals mede gezien kunnen worden als
persoonlijke werkaantekeningen van de behandelend functionaris (in dit geval de
maatschappelijk werkster) en als het ware mede als haar kladblok hebben te
gelden.
5.4
Aldus moeten dergelijke, subjectieve gegevens geacht worden niet voor bedoelde
inzage vatbaar te zijn. Het gegeven dat ook het privacyreglement van de
stichting Vedivo, een overkoepelend orgaan van de instellingen van voogdij,
gezinsvoogdij en jeugdreclassering bepaalt dat het contactjournaal niet ter
inzage is, past in dit beeld. Zulks zou evenwel anders kunnen zijn, indien de
journaals wel ter inzage zijn geweest voor de Interne Klachtencommissie of de
Provinciale Klachtencommissie, maar daarvan niet is gebleken.
5.5
Deze overwegingen leiden tot de slotsom, dat de vordering tot inzage integraal
moet worden afgewezen.
5.6
De gevorderde medewerking aan de eerste communie van de kinderen treft hetzelfde
lot. De president vermag niet in te zien welk spoedeisend belang van eiser een
onverwijlde voorziening vordert. Reeds op deze grond wordt de vordering
afgewezen. (...)"
De president heeft de vader in de kosten van de procedure veroordeeld.
1.4 De vader is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te
's-Gravenhage. Het gerechtshof heeft bij arrest van 28 maart 2001 het vonnis van
de president bekrachtigd. De relevante overwegingen uit zijn arrest luiden als
volgt:
"2. (...) De maatschappelijk werker dient in alle vrijheid zijn c.q. haar
gedachten en ideeën in het kader van het hulpverleningsproces op papier te
kunnen zetten, teneinde daaruit uiteindelijk een definitief rapport op te
stellen. Dat rapport is uiteraard ter inzage, maar de daaraan ten grondslag
liggende, subjectieve werkaantekeningen niet, omdat niet uitgesloten is dat de
gedachten en ideeën van de maatschappelijk werker in de loop van de tijd
bijgesteld worden en zelfs geheel veranderen, omdat de ontwikkeling in de
hulpverleningssituatie daartoe noopt. De maatschappelijk werker kan
verantwoordelijk worden gehouden voor het in het rapport neergelegde beleid maar
niet voor het ontstaan en de ontwikkeling van gedachten en ideeën, zoals
neergelegd in het contactjournaal.
3.(...) Uit geen enkel zich in het procesdossier bevindend stuk blijkt dat enige
Klachtencommissie het contactjournaal ter inzage heeft gehad. Uit hetgeen de
vader in de toelichting op deze grief heeft vermeld blijkt dat hij zijn stelling
baseert op vermoedens, die door de Stichting zijn weersproken. Ook in hoger
beroep is derhalve niet gebleken dat enige klachtcommissie het contactjournaal
ter inzage heeft gehad.
4. (...) Naar het oordeel van het hof heeft de president terecht beslist dat de
vader bij zijn vordering geen spoedeisend belang had. Uit de door de Stichting
in eerste aanleg overgelegde stukken blijkt dat de Stichting reeds in juli 2000
met de vader in gesprek is geweest over deinvulling van de viering van de Eerste
Communie van de kinderen. Dat een en ander nog niet tot overeenstemming heeft
geleid, maakt niet dat de vader thans wel een spoedeisend belang zou hebben. Uit
niets blijkt immers dat voor die viering alleen de maand mei 2001 in aanmerking
komt, zoals de vader stelt. Ook deze grief faalt derhalve.
5. (...) De president heeft de vorderingen van de vader afgewezen en het stond
haar vrij de vader op grond daarvan in de proceskosten te veroordelen."
1.5 De vader heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest. Hij
heeft geen schriftelijke toelichting ingediend. De Stichting heeft geconcludeerd
tot verwerping. Zij heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1 Middel I
2.1.1 Middel I is verdeeld in twee onderdelen. Onderdeel I.I bevat de klacht dat
het Hof een essentiële stelling van de vader onbesproken heeft gelaten. De
vader heeft gesteld dat het contactjournaal niet alleen persoonlijke
werkaantekeningen bevat. Volgens hem bevat het contactjournaal informatie over
de beweegredenen voor het afzien van het voornemen om de bestaande
omgangsregeling tussen de vader en de kinderen uit te breiden. Uit het dossier,
dat de vader wel ter inzage heeft gehad, blijkt van zulke redenen niet.
2.1.2 Voorafgaand aan de bespreking van middel I merk ik op dat niet ter
discussie staat dat de vader recht heeft op inzage in en afschrift van het
dossier. De vader heeft reeds inzage gehad en uit de stukken van het geding
blijkt dat de Stichting heeft toegezegd afschrift daarvan te zullen verstrekken.
Onderwerp van geschil is inzage in het contactjournaal. Dat maakt volgens de
Stichting geen deel uit van het dossier, zodat het inzagerecht zich niet
daarover uitstrekt. De vader stelt dat, nu daarin naar hij vermoedt voor hem
relevante informatie staat, hij wèl inzage zou moeten krijgen.
2.1.3 Tussen de verschillende gezinsvoogdij-instellingen bestaat verschil in de
wijze waarop het contactjournaal wordt ingericht, zie de memorie van antwoord in
hoger beroep, sub 9, en de pleitnota in hoger beroep van de Stichting, sub 10.
Zie ook A. van Hout en S. Spinder, De (gezins)voogd als jongleur, een methodisch
handboek voor het (gezins)voogdijwerk, 2001, p. 417-419, die voor het doel van
het contactjournaal verwijzen naar het Protocollenboek, Vedivo, 1994. Daarin
wordt het doel als volgt omschreven:
" Het contactjournaal geeft een beknopt overzicht van de mondelinge,
telefonische en schriftelijke contacten met leden van het cliëntsysteem gericht
op de uitvoering van het hulpverleningsplan en in dat verband het oplossen van
voorkomende problemen en vragen. Het contactjournaal moet de contacten en
activiteiten op hoofdpunten in kernachtige bewoordingen vastleggen."
2.1.4 Als functies van het contactjournaal noemen Van Hout en Spinder:
geheugensteun, informatieoverdracht, open en directe communicatie met de cliënt,
ondersteuning van het werkproces en ten slotte legitimering. Met betrekking tot
de vraag of cliënten recht hebben op inzage in het contactjournaal, merken zij
het volgende op:
" Binnen de meeste (gezins)voogdij-instellingen ontwikkelt het beleid zich
nu in de richting van een duidelijk onderscheid tussen werkaantekeningen en
contactjournaal. [noot: Dat neemt niet weg dat in een aantal instellingen
contactjournaal en werkaantekeningen zijn geïntegreerd. Openheid naar de cliënt
wordt gegarandeerd door uitgebreide hulpverleningsplannen en
voortgangsrapportages, waarin de inhoud van het contactjournaal is verwerkt.]
Werkaantekeningen worden gezien als een middel voor de gezinsvoogd zelf om
vrijelijk zijn gedachten en persoonlijke gevoelens weer te geven. Ze worden
alleen intern gebruikt en kunnen een rol spelen bij de werkbegeleiding. Ze
vormen geen onderdeel van het dossier en zijn op grond daarvan dus ook niet ter
inzage voor cliënten. Het contactjournaal is een lijst waarop vermeld wordt met
wie in het kader van de uitvoering van de hulpverlening op welke datum contact
geweest is, het onderwerp van het gesprek en eventuele conclusies en afspraken.
Het gaat om het weergeven van feiten. Het contactjournaal vormt een onderdeel
van het dossier en leent zich voor inzage."
2.1.5 De Stichting heeft over het contactjournaal in haar pleitnota in hoger
beroep het volgende opgemerkt:
"11. Er is landelijk enige onduidelijkheid ontstaan over de status van de
contactjournaals. Hierin wordt, naar is gebleken, geen uniform beleid gevoerd.
Het standpunt van de Stichting Vedivo, een overkoepelend orgaan van de
instelling[en] van voogdij, gezinsvoogdij en jeugdreclassering stelt zich op het
standpunt dat het contactjournaal gezien dient te worden als persoonlijke
werkaantekeningen en nadrukkelijk niet bedoeld is om tot inzage te dienen. De
contactjournaals worden gebruikt voor de maatschappelijk werker om aantekeningen
te maken over gesprekken, bezoeken en om daarin te noteren eventueel de gedachte
die de maatschappelijk werker bij gesprekken en bezoeken heeft. De
contactjournaals dienen voor de maatschappelijk werker als geheugensteun bij het
voorbereiden van de officiële rapportages."
2.1.6 Kennelijk is (of was) het bij de Stichting gebruikelijk om
werkaantekeningen en het contactjournaal te integreren. Ook de president (rov.
5.3) en het hof (rov. 2) zijn daarvan uitgegaan. Beide hebben doorslaggevend
geacht dat in het contactjournaal van de Stichting ook werkaantekeningen zijn
opgenomen. Op grond daarvan hebben zij geconcludeerd dat het contactjournaal
niet ter inzage gegeven behoeft te worden. De klacht van onderdeel I.I dat het
hof de stelling dat in het contactjournaal ook andere informatie is opgenomen,
heeft gepasseerd faalt dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.
2.1.7 In onderdeel I.II wordt geklaagd dat zelfs als het contactjournaal
uitsluitend persoonlijke gedachten van de maatschappelijk werker zou bevatten,
de vader toch inzage zou moeten krijgen omdat het deel van het dossier waarin
hij wel inzage heeft, onvoldoende informatie bevat over het verloop van het
hulpverleningsproces. De vader stelt voorts dat uit de uitspraak van het
Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 24 februari 1995, NJ
1995,594, m.nt. JdB voortvloeit dat hij behoudens bijzondere omstandigheden
recht heeft op kennisneming van dit soort informatie.
2.1.8 In de eerdergenoemde zaak van 24 februari 1995 (McMichael / Verenigd
Koninkrijk) overwoog het EHRM als volgt:
"80. The Court notes that on these two dates, in accordance with the
relevant procedural rules, documents before the hearing, in particular social
reports updating the information on the child A., reviewing the history of the
case and making recommendations, were not disclosed to the second applicant or
the first applicant acting as her representative, although the chairman of the
hearing did inform them of the substance of the documents. On 4 February 1988
the children's hearing decided that A. did need compulsory measures of care,
notably because of the mental health of both applicants, and a supervision
requirement was made placing A. under the supervision of the local authority
subject to the condition that he reside with foster parents; this supervision
requirement being continued at the following hearing on 13 October 1988. These
were the two sole occasions of such non-disclosure when the second applicant had
participated in the proceedings and a decision affecting her civil rights had
been taken - other than the decision on 5 September 1989, which was quashed on
appeal (see in addition).
(...) In the context of the present case, the lack of disclosure of such vital
documents as social reports is capable of affecting the ability of participating
parents not only to influence the outcome of the children's hearing in question
but also to assess their prospects of making an appeal to the Sheriff Court.
(...)
87. Whilst Article 8 contains no explicit procedural requirements, the
decision-making process leading to measures of interference must be fair and
such as to afford due respect to the interests safeguarded by Article 8:
"(W)hat ... has to be determined is whether, having regard to the
particular circumstances of the case and notably the serious nature of the
decisions to be taken, the parents have been involved in the decision-making
process, seen as a whole, to a degree sufficient to provide them with the
requisite protection of their interests. If they have not, there will
have been a failure to respect their family life and the interference resulting
from the decision will not be capable of being regarded as "necessary"
within the meaning of Article 8."
(see the above-mentioned W v. the United Kingdom judgment, pp. 28 and 29, § 62
and 64).
(...)
89. (...) In the second place, the Government maintained that in so far as the
non-disclosure to the second applicant of documents before the children's
hearing was held to have rendered the procedure unfair and infringed her rights
under Article 6 § 1, it was unnecessary to examine the same complaint under
Article 8 as no separate issue arose.
(...)
91. As to the Government's second submission, the Court would point to the
difference in the nature of the interests protected by Articles 6 § 1 and 8.
Thus, Article 6 § 1 affords a procedural safeguard, namely the "right to a
court" in the determination of one's "civil rights and obligations"
(see the Golder v. the United Kingdom judgment of 21 February 1975, Series A no.
18, p. 18, § 36) [ NJ 1975,462, m.nt. EAA, red. NJ]; whereas not only does the
procedural requirement inherent in Article 8 cover administrative procedures as
well as judicial proceedings, but it is ancillary to the wider purpose of
ensuring proper respect for, inter alia, family life (see, for example, the B.
v. the United Kingdom judgment of 8 July 1987, Series A no. 121-B, pp. 72-74 and
75, § 63-65 and 68). The difference between the purpose pursued by the
respective safeguards afforded by Articles 6 § 1 and 8 may, in the light of the
particular circumstances, justify the examination of the same set of facts under
both Articles (compare, for example, the above-mentioned Golder v. the United
Kingdom judgment, pp. 20-22, § 41-45, and the O. v. the United Kingdom judgment
of 7 July 1987, Series A no. 120-A, pp. 28-29, § 65-67).
As regards the instant case, the facts complained of had repercussions not only
on the conduct of judicial proceedings to which the second applicant was a
party, but also on "a fundamental element of (the) family life" of the
two applicants (see paragraph 85 [86?; red. NJ] above). In the present case the
Court judges it appropriate to examine the facts also under Article 8.
92. The Government have already conceded, in the context of Article 6 § 1, the
unfair character of the care proceedings on specified occasions by reason of the
inability of the second applicant or the first applicant acting as her
representative to have sight of certain documents considered by the children's
hearing and the Sheriff Court (see paragraphs 79 and 81 above).
The Court, taking note of this concession, finds that in this respect the
decision-making process determining the custody and access arrangements in
regard to A. did not afford the requisite protection of the applicants'
interests as safeguarded by Article 8. (...)
93. In conclusion, there has been a breach of Article 8 in respect of both
applicants."
2.1.9 Uit dit arrest van het EHRM kunnen de volgende conclusies getrokken
worden. Art. 6 EVRM vereist dat alle bescheiden die door de rechter aan zijn
beslissing in een - het family life rakende - zaak ten grondslag worden gelegd,
ook voor alle partijen ter inzage dienen te zijn. Dat vloeit voort uit het
beginsel van hoor en wederhoor. Het dient ook voor de inschatting van de kansen
in hoger beroep.
Art. 8 EVRM vereist dat ouders voldoende kans krijgen om in zaken die raken aan
het family life met hun kinderen, hun belangen in het besluitvormingsproces te
verdedigen.
2.1.10 Art. 6 EVRM is in het onderhavige geval niet in het geding omdat, zoals
zal blijken uit de bespreking van middel II, het contactjournaal ook niet aan
anderen dan de Stichting ter inzage is geweest.
2.1.11 Het oordeel van president en hof dat persoonlijke werkaantekeningen van
de hulpverlener niet ter inzage gegeven behoeven te worden, is juist. Deze maken
geen onderdeel uit van het dossier. Hetzelfde geldt voor medische dossiers, zie
Hof Amsterdam 9 juli 1987, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht (TvG) 1987/64, Hof
Den Haag 4 december 1986, TvG 1988/70, Rechtbank Rotterdam 22 maart 1989, TvG
1989/81, A. M. E. Bolscher en J. Wijkstra, Inzagerecht en teambehandeling in de
psychiatrie, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht juni 1993, p.189-195, B. Sluyters
en M. C. H. I. Biesaart, De geneeskundige behandelingsovereenkomst, 1995, p.
65/66.
2.1.12 Hof en President zijn er, gezien hun oordeel dat het contactjournaal mede
persoonlijke werkaantekeningen bevat, kennelijk van uitgegaan dat het
contactjournaal ook andere informatie bevat die in beginsel wèl ter inzage zou
behoren te zijn. Het hof heeft echter kennelijk aannemelijk geoordeeld de
stelling van de Stichting dat het contactjournaal dient als geheugensteun voor
de maatschappelijk werker bij de voorbereiding van officiële rapportages
betreffende het hulpverleningsproces aan [dochter 1] en [dochter 2] (memorie van
antwoord nr. 5, pleitnota hoger beroep nr. 11) waarin deze informatie is
verwerkt en dat de vader over deze stukken reeds beschikt nu deze stukken in de
procedures over herstel in gezag en omgang in het geding zijn gebracht
(pleitnota hoger beroep nr. 17). Dat oordeel kan de beslissing van het hof
dragen en behoeft, in aanmerking genomen de aard van de kort-gedingprocedure,
geen nadere motivering.
2.1.13 Onderdeel II van middel I faalt derhalve.
2.2 Middel II
2.2.1 Middel II is gericht tegen rov. 3 van het arrest van het hof. Daarin
oordeelde het hof dat ook in hoger beroep niet is gebleken dat enige
klachtencommissie inzage heeft gehad in het contactjournaal. De klacht tegen dit
oordeel luidt (1) dat de vader wèl bewijs heeft geleverd van de inzage in het
contactjournaal door een klachtencommissie en (2) dat het hof heeft verzuimd te
behandelen de stelling van de vader dat de bewijslast op de stichting gelegd zou
moeten worden.
2.2.2 De rechter in kort geding is niet gebonden aan de regels van
bewijslastverdeling. De verdeling van de bewijslast is aan het inzicht van de
president overgelaten, HR 16 februari 1962, NJ 1962, 142 en HR 22 november 1974,
NJ 1975, 176, m. nt. WLH. Het gaat in kort geding om 'aannemelijk maken'. De
president heeft geoordeeld dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat enige
klachtencommissie inzicht heeft gehad in de contactjournalen. Dat oordeel kan in
cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel van de
president doorstaat die toets, gelet op de brieven van de secretarissen van de
klachtencommissies, die beiden hebben verklaard dat de contactjournalen geen
onderdeel uitmaakten van de aan de klachtencommissies overgelegde dossiers
(producties 1 en 2 bij de memorie van antwoord). De klacht faalt derhalve.
2.3 Middel III
2.3.1 Middel III bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat
het spoedeisend belang ontbreekt aan de vordering met betrekking tot de Eerste
Communie van de kinderen (rov. 4).
2.3.2 Het oordeel omtrent de vraag of een eiser in kort geding een voldoende
spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de door hem gevraagde voorziening,
berust op een aan de rechter die in kort geding over de feiten oordeelt,
voorbehouden waardering van de omstandigheden, HR 26 mei 1989, NJ 1989, 653. Het
oordeel van het hof dat spoedeisend belang wat dit onderdeel van de vordering
betreft ontbreekt, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
2.4 Middel IV
2.4.1 Middel IV ten slotte is gericht tegen de veroordeling van de vader in de
proceskosten in eerste aanleg. Het klaagt dat het Hof niet is ingegaan op de
stelling van de vader dat de Stichting daags voor de behandeling van het kort
geding aan een van de eisen van de vader is tegemoetgekomen.
2.4.2 Inzake veroordeling in de proceskosten heeft de rechter een discretionaire
bevoegdheid, waarvan de uitoefening in cassatie slechts in beperkte mate ter
toets kan staan. Hoofdregel is veroordeling van de in het ongelijk gestelde
partij in de kosten. Art. 56, eerste lid, Rv geeft de rechter de bevoegdheid
daarvan naar eigen inzicht af te wijken bij nodeloos gemaakte proceskosten, HR
19 dec. 1958, NJ 1959, 129 en HR 5 oktober 2001, NJ 2001, 651. Of aanleiding
bestaat voor compensatie van de kosten is aan het oordeel van de feitenrechter
overgelaten, HR 9 apr. 1954, NJ 1954, 309 en HR 15 okt. 1982, NJ 1983, 328.
2.4.3 De president heeft bij de proceskostenveroordeling de hoofdregel
toegepast. Zulks is niet onbegrijpelijk en behoefde niet nader te worden
gemotiveerd.
3 Conclusie
Alle middelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G i.b.d.
Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming
Een boycot is, in de oorspronkelijke zin, het verbreken van (handels)relaties met een land, een bedrijf of een individu. In de brede zin is het ook een verzaking om iets te doen, bijvoorbeeld een verkiezing boycotten om een statement te maken. De redenen van een boycot kunnen van politieke aard zijn of dienen om een vorm van wraak uit te oefenen of iemand te isoleren. Het woord ontstond in Ierland, waar de hardvochtige Engelse rentmeester Charles Cunningham Boycott (1832–1897) zo door zijn pachters werd gehaat, dat zij hem in 1879 volledig isoleerden.
Bekende (oproepen tot) boycots in de
geschiedenis zijn o.a.
- de oproep van de Indiase leider Mahatma Gandhi om geen Engelse producten te
kopen.
- de Montgomery-busboycot die begon in 1955 en leidde tot het einde van de
rassenscheiding in bussen.
- de olieboycot van OPEC-landen tegen westerse landen die Israël hadden
bijgestaan in de Jom Kippoeroorlog, wat in 1973 leidde tot de oliecrisis,
- en de boycot van Zuid-Afrikaanse producten ten tijde van de
apartheidspolitiek.
- de boycot van joodse winkels in Duitsland en Oostenrijk, tijdens en in de
jaren voor de Tweede Wereldoorlog.
- Olympische Spelen 1956 in Melbourne vanwege de rol van de Sovjet-Unie in de
Hongaarse opstand.
CENSUUR
IN NEDERLAND ©
Groep
Hop
© Boycot
RvdK NBG
BSC
Modelbrief
91 Modelbrief
465 Oorlog op de Veluwe: (340)
(425) (459)
(379) Farizeeërs
gesignaleerd!
Het verzet op internet begon op de Veluwe in 1997 (1)
(16) en daar waren ze bij de
rechtbank Zutphen niet zo blij mee. (12)
(95) (710)
(Wraking,
naam en nevenfuncties rechters)