CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

>PROCESRECHT

42. Hof 's-Hertogenbosch 11 december 1998 (nr. R9800525)

 

Ontvankelijkheid zonder verplichte procureurstelling ex art, 429o jo. 429d Rv

Feiten: De man heeft niet door middel van een procureur maar door tussenkomst van (de heer Hop) een beroepschrift ingediend tegen de beschikking van de kinderrechter tot ondertoezichtstelling van zijn minderjarig kind. De man heeft in dit kader aangevoerd dat ook de gezinsvoogdij-instelling in geval van hoger beroep van een (verlenging van een) ondertoezichtstelling een dergelijk appŤl zonder inschakeling van een procureur bij het hof mag indienen. Indien niettemin van de man gevorderd zou moeten worden dat hij zijn appŤlschrift via een procureur indient, levert zulks bij de wet en grondwet verboden discriminatie op.

Hof: Het hof wijst eerst op het bepaalde in art. 1:265 lid 4 BW: 'De verzoeken die de gezinsvoogdij-instelling ter uitvoering van haar taak tot de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder procureur en worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die zij tot dat doel aanvraagt, worden haar door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.' Bij de totstandkoming van deze wetsbepaling heeft de minister naar voren gebracht dat dit lid in overeenstemming is met art. 243, lid 4 van dit boek, dat voor de Raad voor de Kinderbescherming hetzelfde bepaalt.

Anders dan voor een deel van de procedure in eerste aanleg bij de kinderrechter van de rechtbank geldt, is door de wetgever bij de totstandkoming van de herziening van de maatregel van de ondertoezichtstelling (de Wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 255) gekozen voor een stelsel van verplichte procesvertegenwoordiging in hoger beroep. Daarbij is voor de gezinsvoogdij-instelling in het voetspoor van de Raad voor de Kinderbescherming - een uitzondering gemaakt op deze regel. Reeds in de Wet van 27 sep. 1909 Stb. 322 werd voor de toenmalige voogdijraden een uitzondering gemaakt op de regel dat procureursbijstand voor verzoeken als de onderhavige noodzakelijk is. In de memorie van toelichting bij art. VII van genoemde wet werd vermeld dat ten gevolge van jurisprudentie van de Hoge Raad als regel procureursbijstand door de wet werd vereist en dat uit dien hoofde wetswijziging noodzakelijk was om tot een zelfstandig optreden van de voogdijraden te komen.

De wetgever achtte klaarblijkelijk de noodzaak om de Raad voor de Kinderbescherming en in een veel later tijdsbestek de gezinsvoogdij-instelling te verplichten om telkens voor hun rekestrerende taken een procureur in te schakelen niet aanwezig, omdat deze beide instellingen in zaken als de onderhavige over de vereiste deskundigheid beschikken en daartoe ook speciale zittingsvertegenwoordigers kunnen aanstellen. Zulks geldt niet voor privťpersonen, die slechts incidenteel in rechte betrokken worden. Daaraan doet niet af dat de man zich kennelijk wenst te laten bijstaan door een gemachtigde, die ook namens hem het beroepschrift heeft ingediend. Immers een gemachtigde is niet aan te merken als een tot rechtsbijstand in deze zaken bevoegde persoon. Afgezien van het feit dat de rechter de wet niet kan toetsen aan de grondwet, is aldus geen sprake van discriminatie in die zin, dat bij gelijke gevallen zonder geldige reden onderscheid gemaakt wordt. Volgt niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn hoger beroep.

Bron; Tijdschrift Familie- Jeugdrecht nr. 4 april 1999

 

 

 

Speech DG Holthuis bij inontvangstneming gedenkboek 50 jaar Hof van Discipline en lijst van de leden van het Hof van Discipline

 

14 mei 2003

Toespraak minister van Justitie, uitgesproken door de Directeur-Generaal Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand, mr. P.H. Holthuis, bij inontvangstneming gedenkboek 50 jaar Hof van Discipline op 14 mei 2003 te Den Bosch

Dames en heren,

Advocaten tuchtigen zichzelf. Dat is niet masochistisch bedoeld. Het tuchtrecht wil de kwaliteit van de advocatuur bewaken. Vergelijkt u het met de positie van Advocaat ( ik bedoel Dick) tegenover "Oranje". Het tuchtrecht is het strafbankje van de Nederlandse Orde van Advocaten. We hebben hier te maken met een betekenis van "orde en tucht" die heel wat minder militant is dan gebruikelijk.

Is tuchtrecht voor de advocatuur wel nodig? Ik citeer de u bekende oud-advocaat Jan Leyten. Hij schreef: " Er valt veel kwaads te vertellen over advocaten, en lang niet altijd ten onrechte". Maar wie dat kwaad vertelt, zegt hij er niet bij. Dan is de 17-de eeuwse Engelse staatsman Lord Halifax heel wat duidelijker. Die zei: "wanneer de wetten konden spreken, zouden ze zich vooral beklagen over advocaten".

De wet die spreekt over klagen en advocaten is de Advocatenwet. In artikel 46 rept zij over het advocatentuchtrecht en in artikel 48 somt zij de sancties op. Een in zwaarte oplopende reeks, van kwaad tot erger. Het begint met de enkele waarschuwing. Dan volgen berisping en schorsing voor maximaal een jaar. De rij eindigt met de "schrapping van het tableau". Over dat laatste woord viel ruim twintig jaar geleden nog de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer. Enkele leden vroegen zich af of de term tableau niet vervangen kon worden door een Nederlands woord. Van Dale definieert tableau immers ook als: "gerangschikt geheel van het op een jachtpartij geschoten wild". Let u ook op de positie van het woord berisping op de tweede plaats van de ranglijst. De berisping is de gele kaart voor de getuchtigde advocaat. Minder erg dan een rode kaart, ernstiger dan een vermaning van de scheidsrechter.

Alleen, de tuchtrechter is geen scheidsrechter. Vooral voor de particuliere cliŽnt die meent ondermaats behandeld te zijn door zijn advocaat en daarover gaat klagen, is de rol van de tuchtrechter niet altijd even duidelijk. Nu is dat ook wel begrijpelijk. Het tuchtrecht bedoelt primair de gedragsregels en de beroepsstandaard binnen de advocatuur te bewaken. Het gaat er niet om de klager tegemoet te treden. Het gaat om de dienstverlening, niet om de dienstverlener. Maar in de praktijk komt de procedure bijna alleen op gang als er een klacht ligt (en er dus een klager is). Dat geeft die laatste - ten onrechte - de indruk dat het in het tuchtrecht om zijn belang draait. In feite fungeert de klager echter als - zoals B.J. Asscher het ooit formuleerde -: "de startmotor die niet meer nodig is als de hoofdmotor draait". Daardoor wordt hij vaak teleurgesteld in de afhandeling van zijn klacht.

De Consumentengeschillencommissie advocatuur, die inmiddels is ingesteld, kan aan het ondervangen van dit euvel een belangrijke bijdrage leveren. Deze geschillenregeling biedt immers tegen lage kosten een snelle en eenvoudige rechtsgang - die naast de rechtsvorming door de tuchtrechter - een geheel eigen betekenis voor de rechtsbescherming heeft. De nieuwe regeling past in ons streven om de wijze van geschilbeslechting zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de concrete belangen van partijen en de aard van het geschil.

Het is van groot belang dat deze regeling het algemeen vertrouwen van het publiek verwerft en dat zij ook materieel een succes wordt. In mijn (in dit boek opgenomen) artikel benadruk ik dat een goede, betrouwbare en objectieve rechtsgang voor klagers van groot belang is. Dit lijkt, maatschappelijk gezien, een voorwaarde te worden voor het voortbestaan van een meer op de professie gericht beroepsgroepen-tuchtrecht - waarin dus ook tuchtrechters uit de beroepsgroep zelf optreden. Tot mijn genoegen heeft de Orde onlangs een richtlijn uitgevaardigd, waarin advocaten dringend wordt aanbevolen aan de geschillenregeling deel te nemen. Het lijkt mij een goede zaak op enig moment de balans op te maken en te bezien of hier wel met een aanbeveling kan worden volstaan.

Naast de geschillencommissie blijft er uiteraard de deken van de plaatselijke Orde die zich buigt over klachten. En verder staat ook de weg naar de gewone rechter open voor cliŽnten die menen als gevolg van "advocatuurlijk" optreden schade ondervonden te hebben. Al met al kun je je in ons land moeilijk beklagen over een gebrek aan mogelijkheden om je ongenoegen over het werk van advocaten te ventileren.

Dat er geklaagd wordt mag ons niet verwonderen. De advocaat die strijdbaar de belangen van zijn cliŽnt verdedigt - en dat is zijn taak - komt licht in aanraking, soms zelfs in botsing: met de wederpartij, met de advocaat van de wederpartij, met rechterlijke instanties, met overheidsdiensten. Tegelijkertijd dient hij zijn onafhankelijkheid te bewaren en is hij medeverantwoordelijk voor een eerlijke procesvoering. Dat alles vereist een voortdurend balanceren tussen verschillende posities. Dan is de kans niet denkbeeldig dat hem enerzijds teveel distantie of anderzijds juist te veel vereenzelviging met het standpunt van zijn cliŽnt verweten wordt. Het overkomt advocaten niet gauw dat hun optreden de goedkeuring van alle betrokkenen kan wegdragen. Bovendien, elk werk is mensenwerk. Om de eerder aangehaalde Jan Leyten nogmaals te citeren: "wie in zijn beroepsleven nooit een beroepsfout heeft gemaakt moet of heel jong gestorven zijn of voortdurend weinig werk verzet hebben".1

Dat laat onverlet dat het tuchtrecht aan kritiek onderhevig is. En die kritiek is niet van gisteren. Al in de brieven van Paulus lezen we (Brief van Paulus aan Titus: 1: 10 ) " Want velen willen van geen tucht meer weten. Het zijn ijdele praters en misleiders ...". Ook vandaag de dag berichten dag- en weekbladen wel in afkeurende zin over het tuchtrecht.

Toch pleit er niemand serieus voor afschaffing. Daarvoor is het instituut van het tuchtrecht te waardevol. Om te oordelen over de vraag wat een behoorlijk advocaat betaamt, is vertrouwdheid nodig met alle aspecten van de professie. Dat wil zeggen, kennis en ervaring van vakgenoten. Het tuchtrecht heeft ook in de afgelopen vijftig jaar bewezen een uitstekend instrument te zijn voor de advocatuur om een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Die borging kan het niet stellen zonder de dreiging van sancties. En dus ook niet zonder gerechten die in eerste instantie en in appel die sancties met gezag kunnen opleggen. Dat weten zelfs de leden van de Jonge Balie al. Tot besluit wil ik dan ook de cabarettekst citeren waarin ze dat veertig jaar geleden aldus verwoordden: "zijn toga hangt aan een zijden draadje het advocaatje krijgt er een heel jaar schorsing bij en wordt als meester X, of Y gepubliceerd in het Advocatenblaadje".

 

 

Op verzoek van Hop werd probleemloos direct een totaaloverzicht van alle leden van het Hof van Discipline afgegeven 

De bijbanengegevens van onderstaande personen kunt u vinden in de bijbanenregisters rechterlijke macht op internet. Indien u gegevens tegenkomt die onjuist en/of onvolledig zijn dan wordt verzocht dit omgaand aan mij mee te delen om gegevens zo snel mogelijk actueel bij te werken. J. Hop

 

Mevrouw ZWITSER-SCHOUTEN J.H.C., Voorzitter

FRANSEN T. Plaatsvervangend voorzitter

Mevrouw ERP TAALMAN KIP-NIEUWENKAMP G.G. VAN, Plaatsvervangend voorzitter

GRIENSVEN, H.P.H. VAN, Plaatsvervangend voorzitter

D.H.M. Peeperkorn, Plv. voorzitter Hof van Discipline, benoemd bij Koninklijk Besluit geeft zijn bijbaan voorzitter Hof van Discipline NIET op

STERK, T.A.W., Lid

Mevrouw GROOT-VAN DIJKEN P.M.A. DE, Lid

A.E. DU PERRON, Plv. lid Hof van Discipline, benoemd bij Koninklijk Besluit geeft zijn bijbaan plv. lid Hof van Discipline NIET op

BERGH P.J.M. VAN DEN, Plaatsvervangend lid

FLEERS, J.B., Plaatsvervangend lid

JONG-SCHOUWENBURG H.M. DE, Plaatsvervangend lid

GERRITZEN, J.J.H., Plaatsvervangend lid

BALKEMA, J.P., Plaatsvervangend lid

ORIE, A.M.M., , Plaatsvervangend lid

Mevrouw WIGLEVEN, M, Plaatsvervangend lid

Mevrouw GOSLINGS, M.A., Plaatsvervangend lid

GR‹NDEMANN, P.T., Plaatsvervangend lid

Mevrouw KIERS-BECKING A.D., Plaatsvervangend lid

Mevrouw ARPEAU, A.J.M.E., Plaatsvervangend lid

HOOYKAAS, M., Plaatsvervangend lid

Mevrouw SCHOKKENBROEK, J.S.A.M. , Plaatsvervangend lid

Mevrouw GROOT, H.M.A. DE, Plaatsvervangend lid

BOUMANS, A.D.R.M., Plaatsvervangend lid

Mevrouw TONKENS-GERKEMA, W. , Plaatsvervangend lid

Mevrouw KNOTTNERUS E.B., Plaatsvervangend lid

LOO, H. VAN, Plaatsvervangend lid

MENDLIK, J., Plaatsvervangend lid

PANNEKOEK-DUBOIS, C.M., Plaatsvervangend lid

KOK, H.G.F.M., Plaatsvervangend lid

GOOSSENS, A.H.Q., Plaatsvervangend lid

SCHOLTEN, A.H.A., Plaatsvervangend lid

VISSER, G.J., Plaatsvervangend lid

SCHEELE-MULDER, A.G., Plaatsvervangend lid

Mevrouw DRIESSEN-POORTVLIET, G.J., Plaatsvervangend lid

MARRES, A.W.J.Th., Plaatsvervangend lid

VEENENDAAL, R. , Plaatsvervangend lid

SPLINT, J.R., Plaatsvervangend lid

 

Gekozen door het College van afgevaardigden

MEETER, F., Lid    

BEKER, A., Lid 

HEIDINGA, P., Lid 

BYVANCK, J.W., Lid 

Mevrouw MOUT-BOUWMAN, E.A., Plaatsvervangend lid

LEEUW, M.DE, Plaatsvervangend lid

VOORST VAN BEEST, A. VAN, Plaatsvervangend lid

HULLEMAN, H.E.M., Plaatsvervangend lid

SMITS, L.J.D., Plaatsvervangend lid

HOUTUM, W. VAN, Plaatsvervangend lid

HEL, J. VAN DER, Plaatsvervangend lid

MINDERHOUD, A, Plaatsvervangend lid

VERMEULEN, F.M., Plaatsvervangend lid

THUNNISSEN, F.H.A.M., Plaatsvervangend lid

SCHELTEMA, W.P., Plaatsvervangend lid

PAULUSSEN, Ch.M.E.M., Plaatsvervangend lid Hof van Discipline, gekozen door het College van afgevaardigden geeft zijn bijbaan advocaat NIET op

CREUTZBERG, G. , Plaatsvervangend lid

HOMVELD, J.H., Plaatsvervangend lid

FIňVEZ, A.W.A.M., Plaatsvervangend lid

SWAAB, E., Plaatsvervangend lid

BAAUW, P.J., Plaatsvervangend lid

DIJKSTRA, J.Sj., Plaatsvervangend lid

RUUK, R.W. DE

 

Griffier

KEULEN, B.F.

 

Plaatsvervangend griffiers

BRAAM, S.L.

DIJCK, H.I.E. VAN

ZEGERS, A.A.H.

 

 

 

Klacht gegrond verklaart tegen advocaat wegens misleiding van de rechtbank

 

Instantie : Raad van Discipline Den Haag

Datum : 05/11/90

Rubrieken : Gedragsregels 1980, Artikel 02, Gedragsregels 1992, Artikel 30

Misleiding rechtbank

Samenvatting.
Door in de inleidende dagvaarding - in een procedure waarin klager geen partij maar wel belanghebbende was - bewust onjuist te stellen dat de aandelenoverdracht tussen klager en diens broer reeds was geŽffectueerd en deze mededeling niet bij repliek of enig ander processtuk te corrigeren, heeft Mr X de Rechtbank bewust misleid.

De feiten.
Klager en zijn broer bezitten tezamen (te weten voor respectievelijk 51% en 49%) alle aandelen in de besloten vennootschap Van G. Holding BV en Van G.G. Holding (thans genaamd Van G. Handelsholding BV) Op 4 maart 1985 hebben zij deze aandelen gezamenlijk verkocht aan een zekere J. H. B. te A, voor een bedrag van f 1 000 000. In kort geding is B. door het Gerechtshof te Amsterdam op 18 december 1986 veroordeeld om tegen een bankgarantie van f 1 000 000 de overeenkomst uit te voeren. Vervolgens is afgesproken dat op 18 februari 1987 de akte van aandelenoverdracht zou worden verleden. Op 17 februari 1987 heeft klager deze afspraak afgezegd. Op vordering van B. heeft de President van de Arrondissementsbank te Haarlem bij in hoger beroep bevestigd vonnis van 31 juli 1987 de executie van het arrest van 18 december 1986 geschorst. Klagers broer is tegen klager een schadevergoedingsprocedure begonnen wegens derving van zijn deel van de koopsom. In die procedure werd klagers broer bijgestaan door Mr X. Mr X heeft, in opdracht van diens cliŽnt, op 8 februari 1988 ten laste van klager beslag doen leggen op, kort weergegeven, klagers woonhuis te S, klagers aandelen in de besloten vennootschappen M. BV, Van G. Holding BV en Van G. Handelsholding BV en op alle gelden die twee laatstgenoemde vennootschappen aan klager verschuldigd zijn uit hoofde van een overeenkomst van 15 oktober 1987.

Klager heeft, bijgestaan door Mr Y, in kort geding bij de President van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, voor zover hier van belang, opheffing gevorderd van de door zijn broer gelegde beslagen. Klagers broer werd in die procedure bijgestaan door Mr Z. De President heeft deze vordering bij vonnis van 4 mei 1988 afgewezen, omdat door klager geen genoegzame zekerheid was gesteld en omdat niet was gebleken dat de vordering van klagers broer ondeugdelijk of het beslag onnodig was. Bij de schikking bereikt tijdens de behandeling ter terechtzitting in kort geding bij de Vice-President van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op vrijdag 3 juni 1988 in de zaak van klagers broer en Van G. & Zoonen Loodgieters BV tegen klager, zijn klager en zijn broer, onder meer, overeengekomen: J.C. draagt zijn 36 aandelen ŗ nominaal f 1000 in Van G. Holding BV alsmede zijn 36 aandelen ŗ nominaal f 500 in Van G. Handelsholding BV tegen een bedrag van f 32 400 aan C.J. over. Het bedrag zal worden betaald conform de daarvoor in de dadingsovereenkomst getroffen regeling. Partijen verplichten zich over en weer het noodzakelijke te verrichten tot levering op rechtsgeldige wijze van die aandelen te geraken'. Bij vonnis van de Arrondissementsbank te 's-Gravenhage dd. 4 april 1990, gewezen tussen klagers broer en B., is B. veroordeeld, kort weergegeven, om alle medewerking te verlenen aan de uitvoering van de overeenkomst dd. 4 maart 1985 tot koop en verkoop van alle aandelen van de besloten vennootschap Van G. Holding BV en Van G. Handelsholding BV, een en ander op straffe van een dwangsom. In de door Mr X geconcipieerde inleidende dagvaarding voor bovengenoemde procedure staat, onder meer: Aangezien tussen de gebroeders als toen is overeengekomen, en inmiddels ook is geŽffectueerd, dat alle aan J.C. van G. in eigendom toebehorende aandelen betreffende genoemde holdings worden overgedragen aan eiser en voorts dat J.C. van G. afstand doet van zijn positie als directeur van beide holdings.'

Allereerst is in de onderhavige procedure geen sprake van Van G. c.s., doch enkel en alleen van C.J. van G. Voorts heeft C.J. van G. van meet af aan alle medewerking aangeboden om de transacties te realiseren en is daarmee doorgegaan, ook na het derde kort geding, hetgeen heeft geresulteerd in de overname van de aandelen van J.C. van G. door C.J. van G., waardoor hij sedertdien in staat is ongehinderd alle aandelen aan B. te leveren... Deze mededeling is onjuist en door Mr X bij repliek, of bij enig ander processtuk, niet gecorrigeerd. In het aandelenhoudersregister zijn inmiddels de aandelen van klager zonder diens toestemming overgeschreven op naam van zijn broer. Klager wordt inmiddels bijgestaan door Mr W.

De klacht.
De klacht houdt in dat Mr X in de procedure bij de Arrondissementsbank te 's-Gravenhage, waarin klager belanghebbende is, in zijndagvaarding en repliek de rechtbank welbewust heeft misleid, door beweringen welke volstrekt onwaar zijn, namelijk door in strijd met de waarheid te stellen dat klager de aandelen reeds aan zijn broer heeft overgedragen. Klager kan ten gevolge van deze onware beweringen schade lijden. Mr X werkt er immers aldus aan mede, dat bij toewijzing van de eis in eerdergenoemde procedure, klagers broer meer dan f 1 000 000 kan incasseren zonder dat klager daarvan kennis zou kunnen verkrijgen.

De Raad acht de klacht gegrond en legt Mr X een berisping op.