| (546) Geld is Macht! Macht is Recht! Nederlandse rechtspraak met smerige streken! 030806-270509 DOORLOOPTIJD BIJNA DRIE JAAR procedure bezwaarschrift tegen Plan van Aanpak als representatief voorbeeld van die geweldige onpartijdige rechtspraak in Nederland als burgers tegen jeugdzorg procederen! |
Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel
Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd
Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen
Project Schriftelijke Aanwijzing
Project BEZWAAR tegen Plan van Aanpak
Project BEZWAAR tegen HVP zorgverlener
Project
beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger 11 juni 1997 - heden
11
juni 1997 President rechtbank Zutphen mr. J.J.
Oostveen schrijft in brief over J. Hop Ermelo
aan Procureur-Generaal Hoge Raad citaat:
"Partijen gaan en komen in de zittingzaal, maar de vertegenwoordiger van de
Raad voor de Kinderbescherming treedt in iedere zaak
weer op als adviseur; het komt niet efficiënt en
ook overigens niet opportuun voor, ZELFS WELLICHT ENIGSZINS LACHWEKKEND om de
betreffende vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming telkens de
zaal te doen verlaten en bij de volgende zaak weer te
zien terugkeren. Hoogachtend, Mr. J.J. van Oostveen."
(1)
(12)
18 november 1997 De Telegraaf: "Rechters rechtbank Den Bosch eisen
juridische stappen tegen publicatie van hun bijbaantjes door Hop (131)
Vereniging Directeuren Gezinsvoogdij besluiten tot hetze tegen Hop openen
"helpdesk" in strijd om afgifte contactjournalen gezinsvoogd (137)
(50)
5 november 2007 Rechtbank Zutphen tegen (wraking) door Hop. Hop ontdekt
kinderrechter is rechter, aanklager en belanghebbende (95)
(710)
Vereniging van Nederlandse Gemeenten opent helpdesk tegen Hop om bijbaantjes
TOP-ambtenaren GEHEIM te houden (GRI)
(GEM) (BSC)
5 november 2009 - heden. Strijd om openbaarheid NAMEN (INHUUR) jeugdzorg
personeel (215) (262)
(303) (348)
(463) (441)
(445)
De norm! Betere rechters in Nederland kenmerken zich door waarheidsvinding en niet als een PAPEGAAI de jeugdzorg NAPRATEN!
Is het niet lachwekkend dat rechtbanken niet eens in staat zijn NAMEN RECHTER(S) in de oproep hoorzitting te vermelden?
Staat de naam van de rechter(s) NIET in de oproep hoorzitting vermeld? Dien dan gelijk klacht 653 in bij de President rechtbank!
Stuur redacteur kopietje van de beslissing President op uw klacht voor bijgewerkte bijbanen en code 653 bij die President op internet
WAARSCHUWING CODE 653
Met deze President rechtbank
Alleen wanneer burgers massaal klachten 653 gaan indienen bij rechtbanken kunnen falende Presidenten uit hun IVOREN TORENS verwijderd worden om vervangen te worden door betere Presidenten die wel in staat zijn om zorg te dragen voor NAMEN RECHTERS in de oproepen voor hoorzittingen.
Kent u iemand in Ermelo, Rheden of Zoetermeer? Wilt u hen vragen Groep Hop te stemmen tijdens de verkiezingen gemeenteraad 2010?
259 De G.Chr. Kok-norm. Als in dit advies wordt gesproken over alimentatieverplichtingen, wordt ervan uitgegaan dat de man alimentatie betaalt en dat de vrouw alimentatie ontvangt"
Citaat: "De wetenschappelijke commissie van de NVvR en het landelijk overleg van sectorvoorzitters van familiesectoren van de rechtbanken (LVO) hebben gezamenlijk dit advies opgesteld. Als in dit advies wordt gesproken over alimentatieverplichtingen, wordt ervan uitgegaan dat de man alimentatie betaalt en dat de vrouw alimentatie ontvangt"
Citaat: "De Hoge Raad oordeelt over de lasten van een nieuw gezin dat “het enkele feit dat de vader zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstiger verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn, en zo de belangen van het kind in het kader van de hiervoor bedoelde afweging bij die van de nieuwe partner achter te stellen.”
236
ADVIES
Het eindrapport van de werkgroep alimentatiebeleid “Het kind centraal: verantwoordelijkheid blijft” een interdepartementaal beleidsonderzoek
Inleiding De Minister van Justitie heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, zowel als de Raad voor de Rechtspraak om advies gevraagd betreffende het eindrapport van de werkgroep alimentatiebeleid.
De wetenschappelijke commissie van de NVvR en het landelijk overleg van sectorvoorzitters van familiesectoren van de rechtbanken (LVO) hebben gezamenlijk dit advies opgesteld. Als in dit advies wordt gesproken over alimentatieverplichtingen, wordt ervan uitgegaan dat de man alimentatie betaalt en dat de vrouw alimentatie ontvangt.
Het eindrapport van de werkgroep
alimentatiebeleid (verder te noemen: het rapport) bevat voorstellen tot
verbetering van de vaststelling en inning van kinderalimentatie (verder te
noemen: alimentatie). Het rapport is opgesteld naar aanleiding van een
kabinetsbesluit tot een interdepartementaal beleidsonderzoek naar
alimentatiebeleid. Blijkens het
rapport doen verzorgende ouders door het uitblijven van de alimentatie een
groter beroep op de bijstand dan noodzakelijk is. Er moet één instantie komen
die op verzoek van (een van) de ouders kinderalimentatie kan vaststellen en
innen. Als betaling uitblijft, zou deze organisatie ook beslag moeten kunnen
leggen op het loon van de betalende ouder. Daarnaast moet de hoogte van
kinderalimentatie op een eenvoudige manier vastgesteld kunnen worden. Op dit
moment wordt de hoogte van kinderalimentatie berekend aan de hand van de
draagkracht van de niet-verzorgende ouder en de behoefte van het kind. In het
voorgestelde model bestaat de kinderalimentatie uit een onderhoudsdeel en een
verzorgingsdeel. De niet-verzorgende ouder draagt een vast bedrag bij aan het
onderhoud van het kind. Daarnaast betaalt hij of zij volgens vaste normen voor
de zorg die de andere ouder op zich heeft genomen.
Commentaar
De wetenschappelijke commissie
heeft met belangstelling kennis genomen van het rapport van de werkgroep.
Doelstelling van dit rapport is het oplossen van de hieronder nader omschreven
knelpunten: de wetenschappelijke commissie kan zich hier in hoofdlijnen mee
verenigen. Echter, op de uitvoering hiervan heeft de wetenschappelijke commissie
kritiek, nu de uitgangspunten waarop men de oplossingen baseert niet goed
doordacht lijken en tevens te weinig gebaseerd zijn op de rechtspraktijk. Naar
het oordeel van de wetenschappelijke commissie wordt zowel van de beoogde
positie verbetering van de kinderen als van de bezuinigingen op uitkeringen en
rechterlijke macht teveel verwacht. Daarnaast is het rapport teveel toegespitst
op bezuinigingen en ziet het te weinig op verbetering van het huidige
alimentatiesysteem.
De teneur van het rapport is dat
het mes aan twee kanten snijdt: bezuinigingen op de collectieve uitgaven
enerzijds en positieverbetering van het kind anderzijds. De directe effecten
zijn dat hoge kosten voor de instelling van het Intermediair moeten worden
gemaakt, terwijl het zeer de vraag is of die ooit geld oplevert en dat er een
lagere alimentatie voor kinderen van welgestelde ouders zal worden vastgesteld,
terwijl niet zeker is of kinderen van ouders met lagere inkomens er beter van
worden. Gelet op de constatering dat de uitgangspunten van de werkgroep voor
discussie vatbaar zijn, bestaat het gevaar dat alleen de directe bovengenoemde
negatieve effecten bewaarheid worden en noch de positie van het kind wordt
verbeterd, noch de bezuinigingen gerealiseerd zullen worden.
In dit advies bespreekt de
wetenschappelijke commissie de door de werkgroep gesignaleerde knelpunten en
aangedragen oplossingen. Hierna doet de wetenschappelijke commissie enkele
concrete aanbevelingen, die een minder grote inbreuk op het huidige beleid
vormen. Deze zullen naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie eerder
maatschappelijk worden geaccepteerd en de verwachting is dat zij een
rechtvaardiger resultaat zullen opleveren voor het kind, de ouders en de
gemeenten.
Knelpunten volgens de werkgroep
met kanttekeningen
De
werkgroep signaleert in het rapport een drietal knelpunten in het huidige
alimentatiebeleid. Hieronder worden deze knelpunten kort samengevat, vervolgens
plaatst de wetenschappelijke commissie hierbij enige kanttekeningen.
A
Ongelijke
verdeling van de lasten
De
werkgroep merkt op dat de lasten ongelijk verdeeld zijn tussen de
alimentatieplichtige en gerechtigde. De werkgroep ziet hiervoor twee belangrijke
redenen:
1 De wijze waarop de draagkracht van de alimentatieplichtige wordt vastgesteld leidt ertoe dat een aanzienlijk aantal lasten van de alimentatieplichtige voorgaat op de te betalen kinderalimentatie. Voorts mag de alimentatieplichtige van de resterende bestedingsruimte een deel vrijhouden. Hierna wordt pas toegekomen aan kinderalimentatie. Als er vervolgens onvoldoende draagkracht is om de kinderalimentatie op het niveau van de genormeerde behoefte van het kind te betalen, ontvangt de verzorgende ouder een te laag bedrag en wordt het inkomen van de alimentatieplichtige beschermd.
2
Bij de vaststelling van alimentatie wordt nauwelijks rekening gehouden
met de verzorgingstijd van kinderen. De benodigde verzorgingstijd beïnvloed wel
in directe zin de verdienmogelijkheden en dus de inkomenspositie van de
verzorgende ouder. De verzorging van kinderen is wel een van de factoren die bij
de toekenning van partneralimentatie een rol kan spelen.
B
Onvoldoende naleving
Er
volgt uit de door de werkgroep geraadpleegde cijfers dat de onderhoudsplicht
onvoldoende wordt nageleefd. Dit zou veroorzaakt worden door het niet verzoeken
om alimentatie, het ontbreken van draagkracht en het niet betalen van
vastgestelde alimentatie, hetgeen consequenties heeft voor het verhaal van
bijstand door de gemeenten.
C
Ingewikkeld vast te stellen en emotionele vervlechting
De
werkgroep stelt dat alimentatie volgens het huidige systeem ingewikkeld vast te
stellen is. De alimentatie wordt frequent gewijzigd indien de omstandigheden
waarvan is uitgegaan bij de eerste vaststelling van de alimentatie wijzigen,
hetgeen naar het oordeel van de werkgroep een belasting oplevert voor de
rechterlijke macht. Op dit moment houden naast de rechterlijke macht het
Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en de gemeentelijke sociale dienst
zich voor verschillende groepen bezig met de inning en vaststelling van
kinderalimentatie. De werkgroep stelt dat dit te versnipperd is.
Voorts
stelt de werkgroep dat de huidige wijze van vaststelling en de mogelijkheid om
frequent wijziging te verzoeken een blijvende emotionele en zakelijke
betrokkenheid veroorzaakt tussen de gescheiden partners, die zich slecht
verstaat met de gewenste economische en emotionele zelfstandigheid.
De
wetenschappelijke commissie en het LVO hebben bovenstaande knelpunten besproken
en geconstateerd dat de ervaringen uit de rechtspraktijk niet althans in mindere
mate overeen stemmen met de bevindingen van de werkgroep. Hieronder plaatst de
wetenschappelijke commissie enkele kanttekeningen met betrekking tot de door de
werkgroep gesignaleerde knelpunten.
Ad
A1
Ook
nu wordt het inkomen van de alimentatieplichtige niet beschermd, zoals in het
rapport wordt gesteld.
· De alimentatierechter is nu al zeer terughoudend met het rekening houden met lasten aan de zijde van de alimentatiegerechtigde. Ten aanzien van de schulden wordt onderzocht of het een noodzakelijke schuld is waarop wordt afgelost en of deze voor de alimentatieverplichting gaat. Kinderalimentatie dient altijd voor te gaan.
Een uitzondering is wellicht te bedenken voor de schulden die na de ontbinding van het huwelijk danwel de verbreking van relatie moeten worden afgelost. Het zou averechts kunnen werken als betalingen op deze schulden buiten beschouwing zouden worden gelaten, dan zouden de schuldeisers de vrouw immers kunnen aanspreken. Beide partijen hebben daarom baat bij een snelle aflossing van deze schulden.
· De Hoge Raad oordeelt over de lasten van een nieuw gezin dat “het enkele feit dat de vader zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstiger verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn, en zo de belangen van het kind in het kader van de hiervoor bedoelde afweging bij die van de nieuwe partner achter te stellen.”[1]
·
Als de alimentatieplichtige niet een deel van de resterende
bestedingsruimte mag vrijhouden zal hij minder gemotiveerd zijn om inkomsten te
verhogen.
·
Als er geen kinderalimentatie wordt betaald, komt dat, zo is de ervaring,
meestal doordat de alimentatieplichtige onvoldoende inkomen heeft. Het opleggen
van een forfaitaire kinderalimentatie helpt dan niet.
Ad
A2
Gesteld
wordt door de werkgroep dat indien de niet-verzorgende ouder niet voldoet aan de
verzorgingsverplichting, hiermee geen rekening wordt gehouden bij de
vaststelling van de behoefte aan kinderalimentatie. Dit is onjuist. Bij de
bepaling van de behoefte wordt naast de forfaitair vastgestelde behoefte
rekening gehouden met kosten van kinderopvang indien en voor zover deze gemaakt
worden.
Ad B
De
werkgroep baseert de veronderstelling dat de onderhoudsplicht onvoldoende wordt
nageleefd met name op de bij het rapport behorende bijlage 5. De gegevens uit
deze bijlage zijn echter te mager om deze conclusie te kunnen rechtvaardigen en
stroken niet met de rechtspraktijk. Overigens biedt het leggen van loonbeslag
als er een rechterlijke uitspraak is voldoende mogelijkheden om de alimentatie
te innen.
Ad C
Het
gesignaleerde probleem van het vaststellen van kinderalimentatie blijkt in de
rechtspraktijk niet een zo groot knelpunt te zijn als de werkgroep in haar
rapport doet voorkomen. Kinderalimentatie wordt vaak bij de echtscheiding
vastgesteld en regelmatig tegelijk met de partneralimentatie. In dat geval kost
het de rechter zeer weinig extra tijd. Maar ook indien enkel om
kinderalimentatie wordt verzocht is de vaststelling hiervan in het algemeen voor
een ervaren rechter weinig tijdrovend. Alimentatievaststelling geschiedt thans
volgens voor ieder kenbare normen die door alimentatiegerechtigden en -plichtigen
alsmede door de rechterlijke macht en de advocatuur worden geaccepteerd en als
rechtvaardig ervaren. Daarnaast geldt dat de vaststelling van de behoefte van de
kinderen momenteel geheel niet ingewikkeld is en thans al nagenoeg forfaitair
geschiedt.
Ten
aanzien van de genoemde emotionele vervlechting kan opgemerkt worden dat als
twee mensen samen een kind hebben, hun levens door dit kind vervlochten blijven
en de kinderalimentatieverplichting daar slechts in geringe mate toe bijdraagt.
In
het rapport wordt gesteld dat verhaal door gemeenten kostbaar en tijdrovend is.
Dit ligt waarschijnlijk aan de manier waarop dit gebeurt: gemeenten
moeten er eerst achter komen of de bijstand verhaald kan worden op een
alimentatieplichtige ouder, vervolgens moeten zij het adres van de ouder
achterhalen en hem verzoeken inlichtingen te geven over zijn financiële
positie. Als er geen reactie komt, moet de gemeente een verhaalsbesluit nemen.
Dan wordt verzocht te betalen. Als er dan nog geen reactie komt, moet een
verzoek bij de rechtbank worden ingesteld. Als de zaak dan op de zitting komt,
wordt regelmatig geoordeeld dat deze procedure te lang heeft geduurd en dat dat
reden is om de ingangsdatum te verschuiven. Ook komt het regelmatig voor dat
alimentatieplichtigen kort voor de zitting alsnog reageren en dat dan blijkt dat
zij geen draagkracht hebben, zodat het verzoek wordt ingetrokken.
Door de werkgroep aangedragen
oplossingen
Hieronder bespreekt de
wetenschappelijke commissie eerst de door de werkgroep aangedragen oplossingen.
Daarna volgt het standpunt van de wetenschappelijke commissie.
De werkgroep doet, kort gezegd, de volgende aanbevelingen:
1. Kinderalimentatie is bestemd voor het kind. Keuzes die ouders na een scheiding maken dienen niet van invloed te zijn op de te betalen kinderalimentatie.
2. De overheid stelt eenvoudige, duidelijke en begrijpelijke normen vast voor minimaal te betalen kinderalimentatie
3. Kinderalimentatie dient te bestaan uit een vergoeding voor de onderhoudskosten en de verzorgingskosten voor kinderen. Dit doet recht aan de verantwoordelijkheid voor de niet-verzorgende ouder bij te dragen in de kosten van opvoeding van en zorg van het kind.
4. Het draagkrachtprincipe zoals bij de huidige vaststelling van kinderalimentatie gehanteerd dient vervangen te worden door het principe dat beide ouders altijd bijdragen aan de kosten voor het onderhoud én de verzorging van de kinderen.
5. In geval van co-ouderschap en gelijke verdeling van zorgtaken kan de kinderalimentatie vervangen worden door bijdragen in natura.
6. De vormgeving van de kinderalimentatie moet de ontvlechting van financiële belangen van de ouders na hun scheiding danwel beëindiging van de samenleving of het besluit om geen gezamenlijk gezin (meer) te vormen mogelijk maken.
7. De overheid zorgt ervoor dat, als de vaststelling of inning van de kinderalimentatie haperingen vertoont, (één van de) ouders zich kan/kunnen richten tot een laagdrempelig intermediair voor de vaststelling en inning van kinderalimentatie.
8. Het intermediair berekent bij de vaststelling en inning van kinderalimentatie een kostenvergoeding.
9. Het intermediair heeft verregaande bevoegdheden, zoals administratieve vaststelling van de alimentatie en mogelijkheid tot het leggen van loonbeslag bij de alimentatieplichtige.
10.
De verzorging van het kind of meer kinderen dient niet langer een factor
te zijn bij de vaststelling van partneralimentatie.
Standpunt
van de wetenschappelijke commissie
De wetenschappelijke commissie constateert dat de ervaringen in Duitsland met, of vergelijkend onderzoek naar een soortgelijk stelsel van vaststelling en inning van kinderalimentatie in het rapport niet zijn gebruikt ter motivering van de keuze voor het stelsel.
Daarnaast heeft de
wetenschappelijke commissie de volgende bezwaren tegen het door de werkgroep
voorgestelde stelsel.
·
Met betrekking tot de eerste aanbeveling merkt de wetenschappelijke
commissie op dat die zich slecht verhoudt met het uitgangspunt van de
contractsvrijheid van partijen, welke het rapport tevens voorstaat. Dit lijkt
tegenstrijdig.
·
De samenvoeging van vaststellende en innende taak lijkt principieel
onjuist. Te denken valt aan budgettering van de betreffende instantie aan de
hand van resultaatgericht werken (hoeveel geld halen zij binnen).
·
Er kan wel een forfaitaire bijdrage worden vastgesteld, maar dat wil nog
niet zeggen dat die ook kan worden betaald. Het is het verleggen van het
probleem: wat als de forfaitair bepaalde bijdrage met afwijzing van het beroep
op de hardheidsclausule niet wordt betaald of kan worden betaald, mag dan beslag
worden gelegd tot onder de beslagvrije voet? Een rigide systeem zoals in de
eerste variant wordt voorgesteld zal de alimentatieplichtige in de problemen
brengen. Met een hardheidsclausule zal veelvuldig beroep op de rechter worden
gedaan. Als de alimentatieplichtige niet kan betalen zal hij de
alimentatieplicht als onredelijk ervaren.
·
Een verbetering van de vaststelling en inning van bijstandsverhaal door
de gemeenten zou ook al heel wat kunnen oplossen. Uit het rapport blijkt dat in
slechts 22 % van de gevallen waarin de bijstandsgerechtigde aanspraak zou kunnen
maken op kinderalimentatie deze aanspraak wordt gerealiseerd[2].
Kennelijk laten de gemeenten nogal wat verhaal zitten, ondanks de verplichting
tot verhaal. Met de beschikking kunnen de alimentatiegerechtigde of de gemeente
middels de deurwaarder nu op eenvoudige wijze beslag laten leggen op loon of
bezittingen van de alimentatieplichtige.
·
De wetenschappelijke commissie vraagt zich voorts af of een
"intermediair" wel in staat is om in de lastige zaken snel en goed een
bijdrage vast te stellen. De zelfstandige ondernemers, om maar een voorbeeld te
noemen, zullen toch een bron van geschillen blijven, zeker bij de vaststelling
van het inkomen. Bij de twee laatste in het rapport genoemde varianten[3]
wordt de bijdrage afhankelijk van het inkomen vastgesteld. Het vaststellen van
het inkomen echter, maakt vaak al meer dan de helft van de “ingewikkelde”
bepaling van de alimentatie uit. Voorgesteld wordt om het belastbaar inkomen als
uitgangspunt te nemen. Ook hier is echter sprake van een redelijk ingewikkelde
berekening, nu de adviestabellen voor ouderbijdrage 2002 uit gaan van het
verzamelinkomen[4].
·
Bepaald een probleem zou zijn de variant waarbij eigenlijk geen
aanpassing van het eenmaal vastgestelde bedrag mogelijk is. Het zal in veel
gevallen in ernstige strijd met het rechtvaardigheidsgevoel komen wanneer -
bijvoorbeeld - een enorme inkomensverbetering bij de vader tot geen enkele
positieve consequentie voor het kind leidt, en andersom wanneer een faillerende
vader toch een forse alimentatie moet blijven betalen omdat het ten tijde van de
vaststelling daarvan zo goed ging bijvoorbeeld in de IT-branche waarin hij
werkte.
·
De alimentatieplichtige behoudt een prikkel om inkomen te verhogen door
behoud van een vrij besteedbaar deel, waardoor de onderhoudsbijdrage voor
kinderen vervolgens kan worden verhoogd. Bij het wegvallen van de prikkel zal de
alimentatiegerechtigde minder inspanning leveren om zijn inkomen te verhogen.
·
De vraag is of de aan het op te richten intermediair verbonden kosten
zullen opwegen tegen de besparingen bij de rechterlijke macht. De rechterlijke
macht heeft op dit moment reeds alle expertise in huis om onderhoudsbijdragen
vast te stellen en dat blijft zo, omdat ook onder de voorgestelde regeling
partneralimentatie door de rechter dient te worden vastgesteld. Het meerwerk
voor kinderalimentatie moet niet worden overdreven. Thans is het aantal
wijzigingsverzoeken beperkt en wordt kinderalimentatie meestal in de
echtscheidingsprocedure tegelijk met de ex-partneralimentatie vastgesteld.
Gescheiden vaststelling van partner- en kinderalimentatie kan wel eens meer werk
opleveren. De rechtbank zal bij het vaststellen van ex-partneralimentatie
rekening moeten houden met het vast te stellen bedrag aan kinderalimentatie door
de Intermediair. Bij een beroep op de hardheidsclausule zal de rechtbank
vervolgens de kinderalimentatie moeten toetsen en daarna eventueel de
ex-partneralimentatie, al dan niet met terugwerkende kracht, moeten aanpassen.
·
De maatregelen die nu voorgesteld worden zijn bedoeld om de situatie te
verbeteren van de groep alimentatiegerechtigden die een bijstanduitkering
hebben. Zij werken echter door bij de grote groep kinderalimentatiegerechtigden
die geen bijstandsuitkering hebben. De voorgestelde maatregelen lijken niet erg
voordelig uit te werken voor deze laatste groep, nu de hoogte van de forfaitaire
kinderalimentatie lager lijkt uit te vallen dan bij vaststelling op de huidige
wijze.
·
De wetenschappelijke commissie acht het onwenselijk dat wordt uitgegaan
van de norm van verdeling van zorg voor kinderen over de werkweek, nu deze norm
vaak niet in het belang van het kind zal zijn. In de meeste gevallen is het niet
in het belang van de kinderen om elke helft van de week te worden verplaatst
naar een andere woonomgeving.
· Een vergoeding voor niet in natura geleverde zorg door de alimentatieplichtige ouder nodigt uit tot het aanbieden van die zorg door deze als "goedkoop" alternatief, terwijl het de praktijk is co-ouderschap slechts een werkbare optie is indien er goede afspraken tussen partijen zijn gemaakt en er tevens nog een goede verstandhouding aanwezig is. Indien zulks niet het geval is, zal co-ouderschap leiden tot conflicten en geschillen met betrekking tot het ouderlijk gezag.
Het
lijkt niet juist om omgang of co-ouderschap op te koppelen aan de
kinderalimentatie. Daardoor ontstaat juist een grote mate van
“vervlechting”. Overigens wordt, indien ook partneralimentatie wordt
betaald, geen ontvlechting bereikt door forfaitaire vaststelling van
kinderalimentatie.
·
Een koppeling tussen hoogte van de zorgbijdrage en inkomen van de
alimentatieplichtige zal in veel gevallen worden ervaren als een verkapte
partneralimentatie, met name in die gevallen waarin de verzorgende ouder een
nieuwe relatie heeft, niet van plan is te gaan werken of een aanzienlijk lager
inkomensniveau heeft dan de niet-verzorgende ouder.
·
Er is bij de rechtbanken een behoorlijke expertise opgebouwd, die moet
blijven bestaan ten behoeve van de gevallen waarin de hardheidsclausule getoetst
moet worden en voor de ex-partneralimentatie. Het zal een zeer kostbare zaak
worden om een instantie te vormen die alimentatie kan vaststellen en innen.
Daarnaast lijken de huidige methoden van inning via een deurwaarder of het LBIO
zeer eenvoudig en niet snel te verbeteren door een nieuw orgaan. Ervan uitgaande
dat een nieuw stelsel tot beperking van maatschappelijke en collectieve lasten
zou moeten leiden, lijkt het oprichten van een nieuwe ambtelijke instantie het
paard achter de wagen spannen, zeker waar alle expertise reeds bij de rechter
voorhanden is en geen onderzoek is gedaan naar de te verwachten positieve
effecten in financiële zin van de voorstellen. Als er al een ander
inningsorgaan moet komen, zou gekozen kunnen worden voor de Raad voor de
Kinderbescherming in verband met de te verwachten problemen rond de verzorging
en omgang of voor de Belastingdienst in verband met de eenvoudige toegang tot
inkomensgegeven en inningsmogelijkheden. Het is echter de vraag of deze
instanties met deze taak belast willen worden.
· Als de alimentatieplichtige een inkomen heeft op bijstandsniveau, heeft het opleggen van een alimentatieverplichting weinig zin, omdat de geringste kinderalimentatie ervoor zal zorgen dat hij minder kan besteden dan het bestaansminimum. Er kan dan ook geen beslag gelegd worden. Op grond van gegevens uit Denemarken lijkt het erop dat een systeem zoals voorgesteld slechts werkt ingeval van lage bijdragen met zomin mogelijk gelegenheid tot bijstelling.
Diverse opmerkingen
Proportionaliteit en
subsidiariteit
Voorkomen moet worden dat het
systeem tot vaststelling van kinderalimentatie wordt gebruikt voor een probleem
dat ligt op het terrein van de uitvoering van de algemene bijstandswet en
bezuinigingen in het algemeen. Voorts is onvoldoende onderzocht of minder
verstrekkende maatregelen zoals hieronder aanbevolen, niet tenminste tot
hetzelfde resultaat kunnen leiden. Overigens acht de wetenschappelijke commissie
het niet waarschijnlijk dat de voorgestelde maatregelen tot bezuinigingen zullen
leiden.
Effectiviteit
Ook de vaststelling van
forfaitaire alimentatie zal de nodige problematiek met zich meebrengen. Ondanks
dat een juridische beroepsgang mogelijk blijft, doet de introductie van
hardheidsclausules (b.v. door werkloosheid, arbeidsongeschiktheid,
faillissement, schuldsanering etc.) vermoeden dat alsnog maatwerk moet worden
geleverd, zoals naar verluid in Duitsland ook het geval is. De voorstellen zijn
op dit onderdeel niet concreet uitgewerkt.
Acceptatie
In het voorstel komt er een
Intermediair die een belastingdienstachtige aanpak heeft. Deze stelt vast en
int, en wie het er niet mee eens is stapt naar de rechter. Zeker als het
forfaitaire systeem gevoelsmatig onredelijke uitkomsten heeft (en dat zal het
zeker hebben bij alimentatieplichtigen als de bedoeling wordt gerealiseerd
namelijk meer alimentatie binnenhalen), zal men de rechter blijven vinden.
Wellicht is dat een snel afnemende zaak wanneer de rechters dezelfde harde
forfaitaire aanpak hanteren als het Intermediair, maar aan een hardheidsclausule
zal niet te ontkomen zijn. Verwachtingen omtrent besparingen zijn dan ook te
hoog gespannen. Het huidige systeem van maatwerk is zo gegroeid vanuit de vragen
uit de praktijk.
Problemen zijn te verwachten in
die gevallen waarin de verzorgende ouder een nieuwe relatie aangaat met een
gefortuneerde partner. De opgelegde bijdrage zal dan verworden tot
partneralimentatie. Het in rekening brengen van verzorgingstijd kan worden
voorkomen door zorg in natura, welke "goedkope" variant bij voorkeur
zal worden gekozen. Hierboven is hier al aandacht aan besteed.
Bezuinigingen
Dat de op zich niet nieuwe
voorstellen thans worden gedaan, is mogelijk gemaakt door de politieke wens
bezuinigingen te realiseren. De voorstellen zijn er namelijk op gericht
verzorgende ouders (meestal moeders) uit de bijstand te houden of te krijgen.
Volgens het eindrapport zullen de besparingen in 2006 ten minste 190 miljoen
euro per jaar bedragen, een niet onderbouwde aanname. Op geen enkele wijze
worden de schattingen inzichtelijk gemaakt.
Overgangsrecht
De wetenschappelijke commissie adviseert -met name in het kader van de rechtszekerheid- aandacht te schenken aan het overgangsrecht.
Aanbevelingen
De wetenschappelijke commissie is
van mening dat de beoogde doelstellingen eerder op een andere wijze behaald
kunnen worden en doet hiertoe de volgende aanbevelingen.
·
Het percentage van de draagkracht dat aan kinderalimentatie wordt besteed
zou kunnen worden verhoogd, eventueel tot 100 % van de draagkracht ten behoeve
van kinderalimentatie. De kans bestaat dan wel dat de alimentatieplichtige niet
(meer) gaat werken, omdat hetgeen hij daarmee verdient rechtstreeks naar de
moeder of de sociale dienst gaat.
·
“Luxe lasten” zoals pensioenpremies, tandartskosten,
begrafenisverzekeringspremies e.d. zouden bij de bepaling van de draagkracht tot
het betalen van kinderalimentatie buiten beschouwing gelaten kunnen worden
(algemene herijking alimentatienormen).
·
Kinderalimentatie dient preferent te zijn (bij faillissement en voor de
WSNP).
·
Het probleem van de in het rapport genoemde verhaalsval moet opgeheven
worden. Als er geen kinderalimentatie is vastgesteld, maar wel een
verhaalsbijdrage, zou de alimentatiegerechtigde deze beschikking ook buiten de
bijstand moeten kunnen gebruiken. De rechter dient dan wel te splitsen tussen
een bijdrage ten behoeve van het kind en ten behoeve van de ex-partner.
·
Een mogelijke oplossing voor het door de werkgroep geconstateerde
probleem van het frequent wijzigen van de alimentatie zou kunnen liggen in het
herformuleren van art. 1:401 BW in die zin dat wijzigingsverzoeken
kinderalimentatie een apart regime kennen. Bepaald zou kunnen worden dat de
hoogte van de kinderalimentatie slechts gewijzigd kan worden in geval van zo
ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde
kan worden gevergd.
·
Enerzijds wordt in het rapport gesteld dat kinderalimentatie een recht is
van het kind en dat keuzes die ouders maken na de echtscheiding niet van invloed
moeten zijn op de hoogte van de te betalen kinderalimentatie. Anderzijds wordt
gesteld dat als ouders zelfstandig tot overeenstemming kunnen komen, inmenging
door de Intermediair niet noodzakelijk is. Dat is tegenstrijdig.
Kinderalimentatie kan in het kader van bijstandsverhaal (zie artt. 93 en 94 Abw)
reeds ambtshalve getoetst worden. Bijstand wordt pas verstrekt op het moment dat
aangetoond is, dat de eerste stappen tot de procedure zijn gemaakt.
·
Een van de problemen die naar voren komt in het onderzoek is dat
gemeenten een omslachtige weg moeten volgen om bijstand te kunnen verhalen.
Wellicht is het mogelijk om besluiten tot verhaal, nadat de termijn voor bezwaar
en of beroep ongebruikt is verstreken, direct executabel te maken. In een
dergelijk geval kan de gemeente in een veel eerder stadium beslag leggen op loon
of bezittingen. Een ander voordeel is dat alimentatieplichtigen veel eerder
zullen reageren als zij weten dat er anders beslag wordt gelegd.
·
Schulden welke na de ontbinding van het huwelijk danwel de verbreking van
de relatie door de alimentatieplichtige worden afgelost kunnen ertoe leiden dat
kinderalimentatie op nihil of een lager bedrag is gesteld.
De wetenschappelijke commissie acht het raadzaam dat die schulden in dat
geval in de beschikking worden opgenomen met een bepaling daarbij wanneer, op
basis van de hoogte van de schuld en de te verrichten aflossingen, er weer
ruimte zal ontstaan voor
kinderalimentatie, alsmede de hoogte daarvan.
Conclusie
De wetenschappelijke commissie is van oordeel dat het rapport nauwelijks voorstellen bevat die als een verbetering beschouwd kunnen worden, nu de voorstellen tot minder maatwerk en flexibiliteit leiden. Daarnaast wordt het huidige systeem van vaststelling op grond van draagkracht en behoefte ten onrechte geschrapt, terwijl de noodzaak daarvan niet is aangetoond. De voorstellen zullen naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie maatschappelijk slecht geaccepteerd worden, mede doordat de uitgangspunten onvoldoende doordacht en uitgewerkt zijn.
De wetenschappelijke commissie
adviseert de in het rapport voorgestelde wijzigingen van het familie en
jeugdrecht niet in wetgeving om te zetten.
Den Haag, 20 november 2002
Namens het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak,
de wetenschappelijke commissie,
G.Chr. Kok, voorzitter.
NJ 1995/286
Zie pagina 21 van het rapport;
Een boycot is, in de oorspronkelijke zin, het verbreken van (handels)relaties met een land, een bedrijf of een
individu. In de brede zin is het ook een verzaking om iets te doen, bijvoorbeeld een verkiezing boycotten om een statement te maken. De redenen
van een boycot kunnen van politieke aard zijn of dienen om een vorm van wraak uit te oefenen of iemand te isoleren. Het woord ontstond in Ierland, waar de
hardvochtige Engelse rentmeester Charles Cunningham Boycott (1832–1897) zo door zijn pachters werd gehaat, dat zij hem in 1879 volledig isoleerden.
Bekende (oproepen tot) boycots in de geschiedenis zijn o.a.
Troonrede 2010
Zie pagina 29 e.v. van het rapport;
Zie bijlage 9 van het rapport: De term verzamel inkomen wordt gebruikt voor het
totale inkomen van box I (inkomsten uit arbeid en woning), box II (inkomsten uit
aanmerkelijk belang) en box III (inkomsten uit vermogen)
Ouders BOYCOT het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming
- de oproep van de Indiase leider Mahatma Gandhi om geen Engelse producten te kopen.
- de Montgomery-busboycot die begon in 1955 en leidde tot het einde van de rassenscheiding in bussen.
- de olieboycot van OPEC-landen tegen westerse landen die Israël hadden bijgestaan in de Jom Kippoeroorlog, wat in 1973 leidde tot de oliecrisis,
- en de boycot van Zuid-Afrikaanse producten ten tijde van de apartheidspolitiek.
- de boycot van joodse winkels in Duitsland en Oostenrijk, tijdens en in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog.
- Olympische Spelen 1956 in Melbourne vanwege de rol van de Sovjet-Unie in de Hongaarse opstand.
- de boycot van de Raad voor de kinderbescherming in Nederland na onderonsjes met BARRAU om Leenders/Nienhuis uit het gezag te zetten.
- de boycot van de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland na onderonsjes met SBJNB om moeder D. uit het gezag te zetten
In Nederland rekent de jeugdzorg op medeplichtigheid van de RvdK om ouders met kritiek op de werkwijze van de jeugdzorg
in hun zaak zo snel mogelijk uit het gezag te zetten om kritiek van ouders op de jeugdzorg met deze werkwijze te onderdrukken.
Het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming heeft dan ook volkomen terecht in de volksmond de bijnamen
Raad voor de Leugenbescherming, Raad voor de Oudermishandeling en Raad voor de Kindermishandeling opgelopen.
Groep Hop eist per ouder tien miljoen euro schadevergoeding voor iedere ouder die procedeert tegen jeugdzorg
om vervolgens door RvdK en kinderrechters uit het gezag te worden gezet en een beroepsverbod voor de betrokken medewerkers van
jeugdzorg, Raad voor de Kinderbescherming en kinderrechters op welke zaken door een volksjury dient te worden beslist.
Wilt u meehelpen om de boycot Kinderbescherming bekendheid te geven?
UITNODIGING
U kunt GRATIS meehelpen door uitnodigingen te verspreiden om te beginnen in uw eigen netwerk, in flatgebouwen
met veel brievenbussen, in wachtkamers, voor de ingang van scholen, kinderdagverblijven, rechtbanken of buro jeugdzorg enz.
091
Verzoek om gemeentegarantie vingerafdrukken bij nieuw paspoort of identiteitskaart!
685
Leer zelf procederen! Dien een Wob verzoek (bestuurlijke) nevenfuncties van een burgemeester in bij meerdere gemeenten
102
Leer zelf procederen! Dien een of meer Wob verzoeken in bij Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant
Troonrede 2009
Troonrede 2008
Troonrede 2007
Troonrede 2006
Troonrede 2005
Troonrede 2004
Troonrede 2003
Troonrede 2002
Troonrede 2001
Troonrede 2000
Troonrede 1999
Troonrede 1998
Troonrede 1997
Troonrede 1996
Troonrede 1995
Troonrede 1994
Troonrede 1993
Troonrede 1992
Troonrede 1991
Troonrede 1990
Troonrede 1989
Troonrede 1988
Troonrede 1987
Gezocht Troonredes 1986 en ouder