| Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming! Openbare aanklachten van burgers tegen het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming (Ministerie van Justitie) in de volksmond nog veel beter bekend als Raad voor de Leugenbescherming en Raad voor de Kindermishandeling |
Verlenging ondertoezichtstelling zeilmeisje Laura Dekker afgewezen. Ondertoezichtstelling met onmiddelijke ingang opgeheven.
LJN: BN2481, Rechtbank Middelburg , zaak/reknr: 73059 / JE RK 10-352
Uitspraak RECHTBANK MIDDELBURG
De rechtbank stelt echter wel vast dat sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling de standpunten van de ouders over de uitvoering van
de ondertoezichtstelling door Bureau Jeugdzorg zijn verhard en dat de verhoudingen in toenemende mate onder druk zijn komen te staan. Tussen de
gezinsvoogd en de jeugdige en haar ouders bleek geen constructief overleg meer mogelijk.
Ter zitting heeft de vader in antwoord op de vraag van de
rechtbank of hij mogelijkheden ziet voor samenwerking met Jeugdzorg Zeeland, meegedeeld dat iedere hulp van welke instantie dan ook zal worden
geweigerd, als blijkt dat deze hulp er niet op is gericht de jeugdige te laten zeilen. Gelet op die mededeling is niet te verwachten dat bij een
verlenging van de ondertoezichtstelling, met Jeugdzorg Zeeland wel van een werkbare verstandhouding sprake zal zijn.
De moeder heeft Jeugdzorg en de
Raad in een ingezonden brief in het Algemeen Dagblad van 17 juli 2010 criminele organisaties genoemd. Gelet op het voorgaande is naar het
oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de ouders niet in staat zullen zijn de jeugdige te ondersteunen in haar verdere ontwikkeling indien de
ondertoezichtstelling wordt verlengd.
Datum uitspraak: 27-07-2010
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Verlenging ondertoezichtstelling zeilmeisje afgewezen. Ondertoezichtstelling met onmiddelijke ingang opgeheven.
Sector civiel
zaak/reknr: 73059 / JE RK 10-352
beschikking van de meervoudige kamer d.d. 27 juli 2010
in de zaak met betrekking tot de onder toezicht gestelde jeugdige
Laura Dekker (hierna: de jeugdige),
geboren te [adres], [geboorteplaats], op [geboortedatum],
advocaat: mr. P.A. de Lange te Barendrecht,
als kind van
[verzoeker] (hierna: de vader), wonende te [woonplaats], [adres],
advocaat: mr. P.A. de Lange te Barendrecht,
en
[belanghebbende] (hierna: de moeder), wonende te [woonplaats], [adres].
De ouders zijn belast met het gezag over de jeugdige. De jeugdige
verblijft bij de vader.
1. Het procesverloop
1.1 Bij beschikkingen van 8 september 2009 van de rechtbank Utrecht (LJN:
BJ7911) en 30 oktober 2009 (LJN: BK1598) is de (voorlopige)
ondertoezichtstelling uitgesproken.
1.2 Bij beschikking van het hof te Amsterdam van 4 mei 2010 (LJN:
BM2916) is de beschikking van de rechtbank Utrecht van 30 oktober 2010
bekrachtigd.
1.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2010 (LJN:
BM8125) is de termijn van de ondertoezichtstelling van de jeugdige met
ingang van 1 juli 2010 en tot 1 augustus 2010 verlengd, met behoud van de
Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (hierna: Jeugdzorg Utrecht) als
gezinsvoogdij-instelling. De beslissing op het resterende deel van het ter
zitting van 14 juni 2010 door Jeugdzorg Utrecht gewijzigde verzoek is bij
voornoemde beschikking aangehouden.
1.4 Per telefaxbericht van 19 juli 2010 heeft Jeugdzorg
Utrecht het resterende deel van haar verzoek ingetrokken en daarbij tevens
om tussentijdse beëindiging van de huidige ondertoezichtstelling
verzocht. Voor het geval de rechtbank op verzoek van een andere partij tot
verlenging van de ondertoezichtstelling zou komen, heeft Jeugdzorg Utrecht
in voornoemd telefaxbericht verzocht om niet haar maar een andere
gezinsvoogdij-instelling met de uitvoering van de ondertoezichtstelling te
belasten.
1.5 Per telefaxbericht van 19 juli 2010 heeft de Raad voor de
Kinderbescherming te Utrecht (hierna: de Raad) geadviseerd de huidige
ondertoezichtstelling te handhaven, alsmede verzocht de
ondertoezichtstelling van de jeugdige te verlengen voor een periode van
twaalf maanden, met benoeming van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland
(hierna: Jeugdzorg Zeeland) tot gezinsvoogdij-instelling.
1.6 De rechtbank heeft op 19 juli 2010 een nader
telefaxbericht ontvangen van Jeugdzorg Utrecht.
1.7 De rechtbank heeft op 19 juli 2010 een telefaxbericht, met
bijlagen, ontvangen van mr. De Lange.
1.8 De rechtbank heeft op 19 juli 2010 aanvullende informatie
ontvangen van de Raad.
1.9 De mondelinge behandeling heeft op 20 juli 2010 ter
terechtzitting met gesloten deuren plaatsgevonden. De jeugdige en de vader
zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens Jeugdzorg
Utrecht zijn verschenen [belanghebbenden]
1.10 Mr. De Lange heeft ter zitting pleitaantekeningen, houdende een
verweerschrift en een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling,
overgelegd.
1.11 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 20 juli 2010 is de
jeugdige, in het bijzijn van haar advocaat, buiten aanwezigheid van de
overige belanghebbenden gehoord.
2. De beoordeling
2.1 Resterende deel van het verzoek van Jeugdzorg Utrecht
Aangezien Jeugdzorg Utrecht het resterende deel van haar verzoek per
telefaxbericht van 19 juli 2010 heeft ingetrokken, behoeft dit geen
verdere beoordeling en beslissing meer.
2.2 Behandeling verzoek van de Raad ter zitting van 20 juli 2010
2.2.1 De jeugdige en de vader hebben bezwaar gemaakt tegen behandeling van
het hiervoor sub 1.5 genoemde verzoek van de Raad ter zitting van 20 juli
2010. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat behandeling van dit verzoek
tijdens deze zitting in strijd is met de beginselen van een goede
procesorde. Partijen zijn namelijk niet expliciet voor de behandeling van
dit verzoek opgeroepen en niet kan worden vastgesteld dat alle
belanghebbenden op de hoogte zijn van dit verzoek, aangezien de moeder van
de jeugdige niet ter terechtzitting is verschenen. Bovendien maken zij
bezwaar tegen de aanwezigheid van de gedragsdeskundige van de Raad, omdat
zij stellen daardoor in hun verdediging te worden geschaad.
2.2.2 De Raad dringt aan op gelijktijdige behandeling met de al
voorliggende verzoeken. Hij stelt dat het verzoek is gegrond op hetzelfde
feitencomplex. Bovendien acht hij het in het belang van de jeugdige dat zo
spoedig mogelijk duidelijkheid wordt verschaft omtrent de
ondertoezichtstelling.
De gedragsdeskundige kan een nadere toelichting geven op hetgeen de Raad
ten grondslag legt aan zijn verzoek en ingaan op meer specifieke vragen
hieromtrent.
2.2.3 Jeugdzorg Utrecht heeft geen bezwaar tegen gelijktijdige behandeling
van dit verzoek.
2.2.4 De rechtbank overweegt, gelet op de aard van het verzoek van de Raad
en de onderlinge samenhang tussen dat verzoek en de overige verzoeken, dat
het in het belang van de jeugdige is om deze verzoeken gelijktijdig te
behandelen. Hoewel een formele oproeping voor de behandeling van het
verzoek van de Raad ontbreekt, worden de jeugdige en haar vader niet in de
verdediging belemmerd nu de feiten en omstandigheden, waarop dit verzoek
is gegrond, dezelfde zijn als die ten grondslag liggen aan de overige te
behandelen verzoeken. De aanwezigheid van de gedragsdeskundige leidt niet
tot een ander oordeel. Het staat de Raad vrij zijn procesvertegenwoordiger
bij te laten staan door een eigen deskundige. De rechtbank is verder met
de Raad van oordeel dat het belang van de jeugdige is gediend met een
beslissing op alle aanhangige verzoeken betreffende haar
ondertoezichtstelling. De rechtbank overweegt daarbij dat het feit dat de
moeder niet als belanghebbende ter terechtzitting is verschenen, daaraan
niet in de weg staat, nu de moeder aan Jeugdzorg Utrecht te kennen heeft
gegeven niet meer betrokken te willen worden bij de onderhavige procedure.
2.3 Aanwezigheid Jeugdzorg Zeeland ter zitting van 20 juli 2010
2.3.1 De jeugdige en de vader hebben bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid
van een vertegenwoordiger van Jeugdzorg Zeeland ter zitting. Zij hebben
hiertoe aangevoerd dat Jeugdzorg Zeeland geen partij is in de onderhavige
procedure.
2.3.2 De Raad en Jeugdzorg Utrecht hebben geen bezwaren geuit tegen de
aanwezigheid van een vertegenwoordiger van Jeugdzorg Zeeland ter zitting.
2.3.3 De rechtbank overweegt dat de Raad heeft verzocht om bij toewijzing
van zijn verzoek Jeugdzorg Zeeland tot gezinsvoogdij-instelling te
benoemen. Het is algemeen beleid van de rechtbank Middelburg de
voorgestelde gezinsvoogdij-instelling bij de behandeling van het verzoek
tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling aanwezig te laten zijn. De
rechtbank ziet geen reden om van dit beleid af te wijken.
2.4 Ondertoezichtstelling
2.4.1 De rechtbank verstaat het verzoek van Jeugdzorg Utrecht om de
huidige ondertoezichtstelling tussentijds te beëindigen als een verzoek
tot opheffing van de ondertoezichtstelling in de zin van artikel 1:256 lid
4 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit verzoek is gelijk aan het verzoek
van de jeugdige en haar vader. De Raad verzoekt om verlenging van de
ondertoezichtstelling. Gelet op de feitelijke samenhang tussen deze drie
verzoeken, zal de rechtbank deze hier gezamenlijk beoordelen.
2.4.2 Jeugdzorg Utrecht heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld
dat er geen gronden meer aanwezig zijn die de ondertoezichtstelling
rechtvaardigen. Er is in voldoende mate aan de gestelde voorwaarden
voldaan. Jeugdzorg Utrecht heeft sinds december 2009 geen zorgelijke
signalen omtrent de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de
jeugdige gezien of ontvangen. Zij stelt dat van een bedreiging van de
sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de jeugdige geen sprake
(meer) is en voelt zich door de informatie van de school van de jeugdige
in deze conclusie gesterkt. De omstandigheid dat het contact tussen de
gezinsvoogd en de jeugdige met haar vader moeizaam verliep en dat de
jeugdige en haar vader weigerden mee te werken aan een nader psychologisch
onderzoek door [psycholoog] doet daar niet aan af. Met de overlegging van
het zeilplan heeft de jeugdige aan de elf eisen zoals vermeld in het
verzoekschrift voldaan, hetgeen voor wat betreft de onder de nummers 3 en
5 tot en met 11 geformuleerde eisen wordt bevestigd door het door
Jeugdzorg Utrecht overgelegde rapport van de door haar geraadpleegde
zeildeskundige [deskundige].
In reactie op het verzoek van de Raad strekkende tot verlenging van de
ondertoezichtstelling heeft Jeugdzorg Utrecht nog opgemerkt dat niet met
zekerheid vooraf kan worden vastgesteld hoe de jeugdige tijdens een
eventuele zeilreis met onverwachte situaties om zal gaan. Op basis van de
inzinking die de jeugdige na de uitspraak van 30 oktober 2009 van de
rechtbank Utrecht doormaakte, kan wel worden aangenomen dat verlenging van
de ondertoezichtstelling, terwijl de jeugdige aan alle aan haar gestelde
voorwaarden heeft voldaan, mogelijk schadelijk zal zijn voor haar
ontwikkeling.
2.4.3 Het uitgangspunt van de Raad is dat het in zijn algemeenheid
onverantwoord is een 14/15-jarige solo rond de wereld te laten zeilen. De
identiteit en de daaraan gerelateerde copingsvaardigheden van jeugdigen
van die leeftijd zijn nog niet zodanig ontwikkeld dat zelfstandig een
goede inschatting gemaakt kan worden van de gevaren en risicovolle
situaties die zich tijdens zo’n reis kunnen voordoen. Met name als een
jeugdige van die leeftijd onder druk komt te staan, ontbreekt het vermogen
planmatig tot een oplossing te komen. Dit geldt ook voor de jeugdige, nu
uit het door [psycholoog] in het najaar van 2009 verrichte
persoonlijkheidsonderzoek niet naar voren is gekomen dat de jeugdige in
haar ontwikkeling vooruitloopt op haar leeftijdsgenoten. De Raad voorziet
dan ook een ernstige bedreiging in de sociaal-emotionele- en
identiteitsontwikkeling, wanneer de jeugdige de zeilreis nu zal
ondernemen. De Raad onderkent dat mogelijk de sociaal-emotionele
ontwikkeling van de jeugdige ook in het gedrang komt door de spanning en
onzekerheid die ontstaat door het telkens voor korte tijd verlengen van de
ondertoezichtstelling en de nieuwe voorwaarden die daarbij worden gesteld.
Mede gelet op die dreiging verzoekt de Raad de rechtbank om in het belang
van de jeugdige zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen omtrent
de vraag of zij onder verantwoordelijkheid van haar ouders de zeilreis kan
aanvangen dan wel onder toezicht blijft van een gezinsvoogdij-instelling
en haar reis niet kan aanvangen.
2.4.4 Jeugdzorg Zeeland heeft zich ter zitting bereid verklaard de
uitvoering van de ondertoezichtstelling op zich te nemen indien de
rechtbank tot verlenging van de ondertoezichtstelling zou beslissen.
2.4.5 De jeugdige en haar vader hebben betoogd dat er geen gronden
aanwezig zijn die de ondertoezichtstelling rechtvaardigen. Om die reden
verzoeken zij de rechtbank de huidige ondertoezichtstelling onmiddellijk
te beëindigen en het verzoek van de Raad tot verlenging van de
ondertoezichtstelling af te wijzen. Zij hebben hiertoe primair aangevoerd
dat de regels betreffende de ondertoezichtstelling niet op de onderhavige
situatie van toepassing zijn. Subsidiair hebben zij gesteld dat de
jeugdige in de gelegenheid moet worden gesteld om de zeilreis deze zomer
aan te vangen daar zij volledig aan alle door de rechtbank gestelde
voorwaarden heeft voldaan. De jeugdige en haar vader hebben - onder
verwijzing naar de conclusie van de rechtbank Utrecht in haar beschikking
van 30 oktober 2009 dat het in de onderhavige situatie gaat om een
bijzondere ondertoezichtstelling met een bijzonder doel, namelijk het
helpen en begeleiden van de jeugdige bij realisatie van de door haar
voorgenomen zeilreis – gesteld, dat zij ten onrechte telkens met nieuwe
eisen en voorwaarden worden geconfronteerd. Om die reden hebben zij ook
geen gehoor gegeven aan het verzoek van Jeugdzorg Utrecht om mee te werken
aan nader psychologisch onderzoek. Tot slot hebben de jeugdige en haar
vader gesteld dat de toezegging is gedaan dat de jeugdige, wanneer zij aan
de gestelde voorwaarden zou voldoen, zou mogen vertrekken. In reactie op
het verzoek van de Raad hebben de jeugdige en haar vader bovendien
aangevoerd dat het middel van de ondertoezichtstelling erger is dan de
kwaal, daar de jeugdige ernstig te lijden heeft onder de
ondertoezichtstelling en er vorig jaar bijna letterlijk aan onderdoor is
gegaan. Te vrezen is voor de gevolgen voor de jeugdige indien de
ondertoezichtstelling thans, ondanks de inspanningen die zij de afgelopen
periode met goed resultaat heeft verricht, wederom zou worden verlengd.
2.5 De rechtbank overweegt als volgt.
2.5.1 Onder verwijzing naar hetgeen zij heeft overwogen onder 3.13 van
haar tussenbeschikking van 17 juni 2010 passeert de rechtbank het verweer
van de jeugdige en haar vader dat de regels betreffende de
ondertoezichtstelling niet van toepassing zijn op de situatie van de
jeugdige.
2.5.2 De rechtbank is met het hof van oordeel dat een zeilreis, zoals de
jeugdige wil ondernemen, grote risico’s met zich brengt op het gebied
van haar sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling, haar cognitieve
ontwikkeling en haar fysieke welzijn. Het hof heeft vastgesteld dat het de
taak van de ouders is de jeugdige voor deze risico’s te behoeden, dat de
ouders dit niet zullen doen en dat op grond daarvan de jeugdige ernstig in
haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het hof heeft het denkbaar geacht dat er
middelen kunnen zijn om de ernstige bedreiging weg te nemen.
2.5.3 Tot aan de beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2010 hebben
Jeugdzorg Utrecht, de jeugdige en haar vader zich vooral gericht op elf
voorwaarden, die zien op de cognitieve ontwikkelingsdreiging (voorwaarde 1
en 2) en op de fysieke veiligheid (voorwaarde 3 tot en met 11). De
rechtbank heeft in haar beschikking overwogen dat ten onrechte geen
aandacht is besteed aan de dreiging voor de sociaal-emotionele- en
identiteitsontwikkeling van de jeugdige.
2.5.4 Thans gaan Jeugdzorg Utrecht, de jeugdige en haar vader ervan uit
dat aan de elf voorwaarden is voldaan en dat geen sprake is van een
dreiging voor de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de
jeugdige. De Raad wil aannemen dat aan de voorwaarden op het gebied van de
cognitieve dreiging en de fysieke veiligheid is voldaan, maar dat de
dreiging voor de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling, waaronder
de copingsvaardigheden van de jeugdige onverminderd aanwezig is.
2.5.5 De rechtbank acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de jeugdige via
de Wereldschool onderwijs zal volgen. Daarmee is een onmiddellijke
dreiging van de cognitieve ontwikkeling voldoende afgewend.
2.5.6 Op grond van het zeilplan en het rapport van de door Jeugdzorg
geraadpleegde zeildeskundige nemen alle partijen thans aan dat ten aanzien
van de risico’s voor het fysieke welzijn van de jeugdige zodanige
maatregelen zijn getroffen dat die risico’s zoveel mogelijk worden
beperkt. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van dit
eensluidend door partijen ingenomen standpunt.
2.5.7 Resteert de dreiging op het gebied van de sociaal-emotionele- en
identiteitsontwikkeling van de jeugdige, waaronder haar
copingsvaardigheden. Het standpunt van de Raad, dat het in het algemeen
niet in het belang is van een 14/15-jarige om twee jaar alleen rond de
wereld te gaan zeilen, onderschrijft de rechtbank.
Echter, gelet op hetgeen het hof heeft overwogen, namelijk dat het in
bepaalde gevallen denkbaar is dat er middelen kunnen zijn om deze ernstige
bedreiging weg te nemen, dient getoetst te worden of ook deze jeugdige
ernstig in haar sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling wordt
bedreigd. Bovendien moet aannemelijk zijn dat die dreiging door middel van
de ondertoezichtstelling zal worden afgewend.
2.5.8 Voor de beantwoording van de vraag of de jeugdige in haar
sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling wordt bedreigd, beschikt de
rechtbank in de eerste plaats over het rapport van [psycholoog] van 15
oktober 2009. [Psycholoog] heeft op basis van haar onderzoek van de
jeugdige geconstateerd dat de jeugdige zich op sociaal gebied redelijk
adequaat ontwikkelt en dat zij op emotioneel gebied enige mate van
scheefgroei laat zien. [Psycholoog] signaleert als “zorgpunt dat de
geconstateerde emotionele scheefgroei vermoedelijk niet op adequate wijze
zal worden beïnvloed, c.q. eerder zal worden versterkt door de zeilreis.
De aanwezige sterke kanten van (de jeugdige) zullen tijdens de reis worden
bekrachtigd, hetgeen tot een eenzijdige ontwikkeling zou kunnen leiden.
Anderzijds kan ook niet met zekerheid worden gesteld dat de scheefgroei
kan of zal worden omgebogen als ze in Nederland zou blijven; (de jeugdige)
ondervindt er zelf geen hinder van.”. Sinds dit rapport zijn inmiddels
negen maanden verstreken. In die periode heeft de jeugdige aanvankelijk
een ernstige emotionele terugslag gehad. Zij heeft vervolgens de draad
weer opgepakt, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat zij is
voortgegaan met de voorbereidingen van de zeilreis en uit het feit dat zij
op school goede resultaten heeft geboekt. In haar beschikking van 17 juni
2010 heeft de rechtbank Jeugdzorg Utrecht vervolgens verzocht haar nader
te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de sociaal-
emotionele- en identiteitsontwikkeling van de jeugdige. Ter zitting heeft
Jeugdzorg Utrecht toegelicht dat de jeugdige en haar vader niet hebben
willen meewerken aan een nader psychologisch onderzoek. Verdere
initiatieven om te komen tot een antwoord op de vraag of de jeugdige ook
nu nog ernstig in haar sociaal- emotionele- en identiteitsontwikkeling
wordt bedreigd, zijn niet genomen. Jeugdzorg Utrecht heeft verklaard op
dit punt geen dreiging te zien. De stellingname van de Raad is onvoldoende
toegespitst op de situatie van deze jeugdige. De rechtbank kan derhalve
niet met zekerheid vaststellen of deze jeugdige ernstig in haar sociaal-
emotionele- en identiteitsontwikkeling wordt bedreigd.
2.5.9 De rechtbank stelt echter wel vast dat sinds de aanvang van de
ondertoezichtstelling de standpunten van de ouders over de uitvoering van
de ondertoezichtstelling door Bureau Jeugdzorg zijn verhard en dat de
verhoudingen in toenemende mate onder druk zijn komen te staan. Tussen de
gezinsvoogd en de jeugdige en haar ouders bleek geen constructief overleg
meer mogelijk. Ter zitting heeft de vader in antwoord op de vraag van de
rechtbank of hij mogelijkheden ziet voor samenwerking met Jeugdzorg
Zeeland, meegedeeld dat iedere hulp van welke instantie dan ook zal worden
geweigerd, als blijkt dat deze hulp er niet op is gericht de jeugdige te
laten zeilen. Gelet op die mededeling is niet te verwachten dat bij een
verlenging van de ondertoezichtstelling, met Jeugdzorg Zeeland wel van een
werkbare verstandhouding sprake zal zijn. De moeder heeft Jeugdzorg en de
Raad in een ingezonden brief in het Algemeen Dagblad van 17 juli 2010
criminele organisaties genoemd. Gelet op het voorgaande is naar het
oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de ouders niet in staat zullen
zijn de jeugdige te ondersteunen in haar verdere ontwikkeling indien de
ondertoezichtstelling wordt verlengd.
2.5.10 Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat bij
een verlenging van de ondertoezichtstelling feitelijk geen verdere
resultaten zijn te verwachten. Daarvan uitgaande is vervolgens, mede gelet
op de door de ouders gekozen positie ten opzichte van de instelling die
aan de ondertoezichtstelling uitvoering moet geven, niet uit te sluiten
dat een verlenging van de ondertoezichtstelling juist leidt tot een
bedreiging van de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de
jeugdige. Dit is een omstandigheid waaraan de rechtbank ook betekenis moet
toekennen.
2.5.11 Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de Raad
tot verlenging van de ondertoezichtstelling af. Met deze beslissing ligt
de verantwoordelijkheid voor de jeugdige weer waar deze hoort, namelijk
bij de ouders. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders om de jeugdige
de zeilreis wel of niet te laten maken.
2.5.12 Bovenstaande overwegingen leiden de rechtbank verder tot de
conclusie dat er geen grond is de ondertoezichtstelling nog te laten
voortduren tot 1 augustus 2010. De verzoeken tot onmiddellijke opheffing
zullen worden toegewezen.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af;
heft de ondertoezichtstelling van de jeugdige op met ingang van heden.
Deze beslissing is gegeven te Middelburg door mrs. S. Kuypers, voorzitter,
E.K. van der Lende - Mulder Smit en G.H. Nomes, kinderrechters, in
tegenwoordigheid van mr. J.J. Visser-Hendriks als griffier en uitgesproken
ter openbare terechtzitting van 27 juli 2010.