| Hop
vraagt op 27 januari 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie tegen de democratische rechtsstaat?" |
|
Lees
eerst de uitgangsformule
Beveiliging & bescherming burger tegen een NIET-KLANTVRIENDELIJKE overheid
271 Startpagina Huiselijk
geweld. Gezocht
door J. Hop Ermelo voor publicatie op internet" VRAGENLIJST RISICOSCREENING AAN DE VOORDEUR". De korte vragenlijst biedt een handvat voor medewerkers van de vrouwenopvang als
een vrouw zich bij hen meldt. Al bij de intake krijgt de medewerker een
indicatie van de aard en ernst van het gevaar waarin de cliënt verkeert. Zo wordt ook duidelijk of een vrouw naar een geheime, gesloten opvang
moet. Bovendien is informatie tussen de opvanginstellingen gemakkelijker
uit te wisselen: "Ieder gebruikt dezelfde maatstaven om de
veiligheidssituatie van de cliënt te beoordelen. 602 WAARSCHUWING! Een valse melding kindermishandeling tegen ouders van een kind is NIET onrechtmatig!
Bezwaarschrift 81 ouders tegen BESLUIT STICHTING om RvdK te verzoeken onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
633 Bezwaarschrift tegen BESLUIT RvdK om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
100 Jeugdzorg MOET transparant werken! Ouders vraag iedere maand om afschrift van het contactjournaal gezinsvoogd
1. Klacht naar President
rechtbank geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen van ingeleverde procedure
bij rechtbank
2. Klacht naar President rechtbank geen NAMEN RECHTERS in oproep vermeld
Als een rechter zijn vriendin in elkaar slaat dan wordt zijn zaakje behandeld die een rechter die een baantje bij het Openbaar Ministerie (48) heeft, er wordt aan waarheidsvinding gedaan en er wordt rekening mee gehouden dat hij een ex-rechter is. Is dat geen klassenjustitie?
WEDZINGA
W. 1157
NLRM 95 96 97 98
Rechterplaatsvervanger rechtbank Leeuwarden 80794-GOG221003
Universitair docent bij de vakgroep strafrecht en criminologie van de RUG
Leeuwarden Hof raadsheer 010400-ontslag genomen 010506
Bestuurslid sectie strafprocesrecht van de adviesraad beroepsopleiding advocatuur Nederlandse Orde van Advocaten
C1997-150504-GOG0506 Hop bijbanenregister Leeuwarden
Memo W. Wedzinga
174 De rechtbank (Zwolle Kleinrensink/Heeregrave/Schimmel) houdt er rekening mee dat het voor een voormalig lid van de rechterlijke macht extra pijnlijk is om publiekelijk te moeten terechtstaan en met het feit dat verdachte nooit meer als lid van de rechterlijke macht actief zal kunnen zijn.
Memo W. Wedzinga
NOVA ontdekte dat de Nederlandse ex-vrouw van de rechter al in 2001 aangifte deed van mishandeling en bedreiging met de dood. Het proces verbaal kunt u lezen op deze en deze pagina. Door op of naast het plaatje te klikken verschijnt een icoontje waarmee u op de pagina kunt inzoomen. De aangifte lag vijf jaar in een bureaula bij de politie en al die tijd werkte rechter Wedzinga gewoon door.
Memo W. Wedzinga
Wedzinga schreef een brief aan de politie om een aangifte tegen hem door een "bestelbruid" in de papierversnipperaar te laten verdwijnen
OM gaat hem toch vervolgen. Deze zaak wordt behandeld door rechtbank Zwolle.
De Wedzinga-norm. Interessante uitspraak van Wedzinga over waarheidsvinding door het OM tijdens zijn proces in Zwolle
Oud rechter Wicher Wedzinga beklaagde zich erover dat justitie onder meer om financiële redenen nooit heeft onderzocht of Tatiana’s bewering: „Alles was besmeurd met bloed”, wel op waarheid berustte. „Het gaat toch om waarheidsvinding? Als dit het openbaar ministerie is in Nederland, ben ik blij dat ik er niet werk…!”
De C.C.S. Bordenga-Koppes norm. Klassenjustitie OM kenmerk voor de rechtspraak in Nederland
Het OM eist geen celstraf voor een rechter na mishandeling, gewelddadigheden, zelfs poging tot doodslag omdat een rechter al hard wordt getroffen doordat een rechter nooit meer zijn rechtersvak kan uitoefenen en het voor een rechter extra zwaar is publiekelijk terecht te staan.
Uitspraak 6 juni 2006
LJN: AX6783, Rechtbank
Zwolle, 07.630043-05
Datum
uitspraak:
06-06-2006
Datum
publicatie:
06-06-2006
Rechtsgebied:
Straf
Soort
procedure:
Eerste
aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie:
Voormalig
raadsheer Hof Leeuwarden veroordeeld wegens geweldpleging.
RECHTBANK
ZWOLLE-LELYSTAD
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 07. 630043-05
Uitspraak: 6 juni 2006
S T R A F V O N N I S
in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
[verdachte]
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006. De
verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Plasman, advocaat te
Amsterdam.
De officier van justitie, mr. Bordenga-Koppes, heeft ter terechtzitting
gevorderd de veroordeling van verdachte voor de hem onder 1 primair en 2
primair ten laste gelegde feiten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf
van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een werkstraf
voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.
TENLASTELEGGING
De verdachte is ten laste gelegd dat:
(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting gewijzigd)
BEWIJS
De verdachte dient van het onder 1 primair en 2 primair en subsidiair
ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet
wettig en overtuigend bewezen acht.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte het
slachtoffer meerdere malen heeft geslagen op verschillende plaatsen van
haar lichaam, waaronder meerdere keren met de vuist tegen het hoofd. Nu
de rechtbank het schoppen tegen het hoofd niet bewezen acht, zijn ten
aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde pogen het slachtoffer
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met name die vuistslagen tegen
het hoofd van belang. Het toedienen van vuistslagen strekt er in het
algemeen toe pijn en/of letsel toe te dienen aan het slachtoffer. De ene
vuistslag is echter de andere niet. Bijzonderheden met betrekking tot
een slag kunnen maken dat de kans op het optreden van zwaar lichamelijk
letsel aanmerkelijk is te achten. Arts-assistent Van der Laan heeft het
slachtoffer op de dag, volgend op de nacht waarin de geweldpleging
jegens haar heeft plaatsgevonden onderzocht, en heeft - voor zover het
betreft het hoofd van het slachtoffer – zwellingen en
bloeduitstortingen geconstateerd. Gelet op dit letsel is de rechtbank
van oordeel dat de vuistslagen niet van zodanig bijzondere aard zijn
geweest dat zij de kans op het optreden van zwaar lichamelijk letsel
aanmerkelijk maakten.
De rechtbank leidt eveneens uit de bewijsmiddelen af dat tijdens de
tweede ‘worstelpartij’, die in de slaapkamer plaatsvond, verdachte
het slachtoffer op zeker moment bij de keel heeft vastgepakt en die keel
ook even heeft dichtgeknepen. Het slachtoffer heeft zelf verklaard dat
zij een fractie van een seconde geen lucht kreeg. Uit het een fractie
van een seconde zodanig dichtknijpen van de keel kan niet volgen dat
verdachte het opzet heeft gehad op levensberoving dan wel op het
toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke
zin.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte
onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste is gelegd, met dien
verstande dat:
hij in de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen
(in de woonkamer van de woning aan [adres]) opzettelijk mishandelend een
persoon te weten [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd en het lichaam
heeft geslagen en gestompt en op de grond heeft gegooid en aan de haren
heeft getrokken waardoor deze letsel en pijn heeft ondervonden
hij in de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen
(in de slaapkamer van de woning aan [adres]) opzettelijk mishandelend
een persoon te weten [slachtoffer] met kracht bij de keel heeft
vastgepakt en de keel heeft dichtgeknepen en meermalen met kracht tegen
het hoofd heeft geslagen waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn
heeft ondervonden
Van het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair meer of anders ten laste
gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank
dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.
STRAFBAARHEID
Het bewezene levert op:
1. subsidiair en 2 meer subsidiair:
telkens: mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 Wetboek van
Strafrecht
De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden
gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.
OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op
de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig
gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het
onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te
noemen beslissing passend.
Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende:
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige, langdurige
mishandelingen van zijn toenmalige vriendin. De feiten zijn gepleegd in
de woning waar het slachtoffer in Nederland verbleef, de plek bij
uitstek waar zij zich veilig had moeten kunnen voelen. De rechtbank
houdt er rekening mee dat het voor een voormalig lid van de rechterlijke
macht extra pijnlijk is om publiekelijk te moeten terechtstaan en met
het feit dat verdachte nooit meer als lid van de rechterlijke macht
actief zal kunnen zijn. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat gelet
op de hiervoor omschreven ernst van de feiten aan verdachte nog wel een
taakstraf van na te melden duur opgelegd dient te worden.
Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf passend
gelet op het feit dat verdachte – hoewel hij zeer veel te verliezen
had – toch tot het plegen van deze feiten is gekomen en teneinde hem
ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan relationeel geweld
schuldig te maken,
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de
verdachte betreffend blanco uittreksel uit het algemeen
documentatieregister van de justitiële documentatiedienst
en de inhoud van het op 16 december 2005 door forensisch psychiater
Oppedijk opgemaakte rapport.
De oplegging van straf of maatregel is, behalve op het reeds aangehaalde
wetsartikel, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en
57 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde is niet
bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde is bewezen
zoals hiervoor aangegeven en levert telkens het strafbare feit op, zoals
hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.
Het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair meer of anders ten laste
gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de
duur van 3 maanden.
De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter
later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het
einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft
schuldig gemaakt.
De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf
het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 80 uren.
De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf
niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40
dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan
het niet verrichte aantal uren taakstraf .
De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde
taakstraf in mindering worden gebracht, zulks in de vorm van een aftrek
van 6 uren op vorengenoemd urenaantal.
Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.
Aldus gewezen door mr. Kleinrensink (31),
voorzitter, mrs. Heeregrave (28)
en Schimmel (39),
rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar als griffier en
uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2006.
De Voorzitter heeft heden de volgende vragen aan de regering doorgezonden
Vragen van het lid Hendriks (Fractie Hendriks) over een verbod op justitiële ambtenaren als rechter ingezonden 29 januari 1998.
Is het u bekend dat in
Nederland een veertigtal ambtenaren van het Openbaar Ministerie fungeert
als rechter?
Acht u het gewenst dat
ambtenaren van het Openbaar Ministerie eveneens deel uitmaken van de
zittende magistratuur?
Zo ja, waarom? Zo neen, bent
u bereid aan deze situatie een einde te maken door middel van een
wettelijk verbod?
681236/898/ 16 februari 1998.
Antwoorden van de Minister van Justitie op Kamervragen van het Lid Hendriks, over een verbod op justitiële ambtenaren als rechter.
Antwoorden van de Minister van Justitie op Kamervragen van het Lid Hendriks, over een verbod op justitiële ambtenaren als rechter.
(Ingezonden 29 januari 1998, nr.2979806040)Antwoord op vraag 1.
In Nederland functioneren officieren van justitie niet tevens als vaste rechter. Wel bestaat de mogelijkheid dat officieren van justitie als rechter-plaatsvervanger optreden. Het optreden als rechter-plaatsvervanger geschiedt op zeer kleine schaal, onder andere ter voorbereiding van een definitieve overstap naar de zittende magistratuur. Voorts wordt een beperkt aantal voormalige officieren van justitie, die op grond van leeftijd uit hun functie zijn ontslagen, als rechter-plaatsvervanger ingezetAntwoord op vraag 2.
Leden van het openbaar ministerie maken geen deel uit van de zittende magistratuur. Het is aan de rechtsprekende macht zelf om, binnen de wettelijke grenzen, te beslissen wie in een concreet geval als rechter-plaatsvervanger wordt ingezet. De minister van justitie kan, gezien de constitutionele positie van de zittende magistratuur, geen invloed op de toedeling van zaken uitoefenen.Antwoord op vraag 3.
Het opnemen van een wettelijk verbod voor de officier van justitie om op te treden als rechter-plaatsvervanger is, mede gezien de huidige praktijk, overbodig. Het concept-wetsvoorstel tot aanvulling van de wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren met enige regels omtrent de uitoefening van het rechter-plaatsvervangerschap bevatte een landelijk verbod voor de officier van justitie om als rechter-plaatsvervanger in de strafsector op te treden. Dit concept-wetsvoorstel is, zoals uiteengezet in de brief van 3 november 1997 aan de Tweede Kamer (kamerstukken II, 25600 VI, nr 12), aangehouden. Tevens is in deze brief aangegeven dat de inzet van rechter-plaatsvervangers zal worden afgebouwd. De rechterlijke macht dient in zijn functioneren niet structureel afhankelijk te zijn van de inzet van rechter-plaatsvervangers. Wel blijft het mogelijk om rechter-plaatsvervangers in te zetten in het kader van opleiding, (exclusieve) specialismen en ziekte en verlof.
Definitie
huiselijk geweld. ‘Geweld
dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer gepleegd is’
Fysiek geweld is geweld waarbij iemand lichamelijk pijn wordt gedaan of waarbij deze dreiging bestaat.
Code ? Fysiek geweld waarbij kinderen mogelijk getuige zijn geweest van het slaan of schoppen, of de dreiging hiervan, van één van hun ouders.
Code
? Iemand dreigde u te slaan
Code
? Geslagen
Code
? Zo hard vastgehouden dat het pijn deed
Code
? Ergens hard tegenaan geduwd
Code
? Geschopt
Code
? Iemand dreigde mensen kwaad te doen
Code
? Iemand dreigde u te verwonden
Code
? Iemand sloot u op
Code
? Iemand toonde u messen of vuurwapens
Code
? Gesneden met een mes of ander scherp voorwerp
Code
? Van de trap af gesmeten
Geestelijk
geweld:
Code
? Dreigen de relatie te verbreken
Code
? Geregeld bespot of gekleineerd worden
Code ? Stalking
Code
? Steeds in de gaten gehouden worden
Code
? Niet mogen uitgaan
Code
? Op feestjes niet met anderen mogen praten
Code ? Het verbieden om een afspraak met iemand mogen maken
Code
? Het verbieden om op bezoek te gaan bij vrienden
Code
? Het verbieden met iemand te mogen bellen
Code
? Telefoonafschriften die gecontroleerd worden
Code
? Geen inzicht in de eigen financiële positie
Code
? De eigen post niet mogen inkijken
Code ? Geen eigen bankrekening mogen hebben
Seksueel
geweld geweld waarbij
iemand gedwongen seksuele handelingen moet ondergaan of waarbij deze dreiging
bestaat:
Code
? Iemand maakt vervelende obscene gebaren
Code
? Iemand dreigde u seksueel te benaderen
Code
? Aangeraakt met ongewenste seksuele bedoelingen
Code
? Iemand stond dicht bij u met ongewenste seksuele bedoelingen
Code
? Gedwongen tot seksuele handelingen
Code
? Iemand kleedde zich in uw bijzijn uit
Code
? Verkracht
Code
? Gevraagd iemand anders aan te raken
Code
? Gedwongen zich te ontkleden
Code ? Gedwongen te kijken naar seksuele handelingen van een ander
Gevraagd voor deze website aanvulling met incidenten die gebruikt worden door de politie en de nummers achter de code bij ieder incident om het beeld zo compleet mogelijk te maken.
Gelders Nieuws
9 november 2002. Kinderrechter Cools: "Geen vervolging van kinderen na
valse aangifte in zedenzaken"
ARNHEM-
Kinderen die een valse aangifte hebben gedaan van een zedenzaak moeten niet
strafrechtelijk worden vervolgd. Dat zei de Arnhemse kinderrechter Cools (23)
zaterdagmiddag voor Radio Gelderland.
Onlangs
biechtte een 14-jarig meisje uit Nijmegen op dat ze een groepsverkrachting
had verzonnen. Volgens deskundigen is 10 tot 20 procent van dit soort
aangiften vals. Maar volgens kinderrechter Cools is zo'n valse aangifte een
schreeuw om aandacht. Kinderen die dat doen, hebben vaak andere problemen
waarmee ze zo snel mogelijk moeten worden geholpen.
"Als
tegenreactie bij een beschuldiging/aangifte van seksuele intimidatie wordt
door de dader wel aangifte van smaad gedaan. Het advies is om daar niet te
veel aandacht aan te besteden. De politie doet er toch niets mee."
LANDELIJKE
WERKGROEP VROUW EN RECHT
Notulen
plenaire bijeenkomst d.d. 11 mei 1999
1. Opening
en mededelingen
Marlies Vegter,
beleidsmedewerkster bij het Clara Wichmann Instituut en de Werkgroep( Vrouw
en Recht, opent de bijeenkomst en heet de aanwezigen welk om. Zij deelt mee
dat er een vacature bestaat in het bestuur van de Werkgroep.
Belangstellenden kunnen zich bij haar melden.
2.
Rondvraag
Niemand heeft
een punt voor de rondvraag.
3. Vragen
en/of opmerkingen naar aanleiding van de lezing van Rikki Holtmaat
Rikki Holtmaat
introduceert zichzelf en het onderwerp seksuele intimidatie, welk onderwerp
circa 15 jaar geleden op de agenda is gezet naar aanleiding van de
resultaten van een enquête in de Viva. Uit deze enquête kwam naar voren
dat 1/3e van degenen die reageerden last had van seksuele intimidatie op het
werk.
Als eerste
opmerking wordt naar voren gebracht dat het bij het opstellen van een
klachtenregeling inzake seksuele intimidatie van groot belang is dat de
leiding van een onderneming/organisatie zich er achter stelt. Rikki Holtmaat
beaamt dit. Indien de leiding dit niet doet, dan is de kans dat een
klachtenregeling effect heeft, klein. Overigens kan ook de Arbo-commissie of
een OR het onderwerp seksuele intimidatie aankaarten. Het is zaak dan een
leidinggevende te vinden die hen steunt. Argumenten om de werkgever tot
actie te bewegen, zijn dat seksuele intimidatie schadelijk is voor een
organisatie omdat het tot een verpeste werksfeer en ziekteverzuim leidt en
reden is voor vrouwen om ontslag te nemen.
Gevraagd wordt
of, in plaats van een ontslagprocedure, een slachtoffer van seksuele
intimidatie wel eens in een procedure van een werkgever heeft geëst dat hij
maatregelen nam. Rikki Holtmaat antwoordt bevestigend en verwijst naar de
zaak over het Clara Ziekenhuis (RN 1998, 923, nr. 113 in boek Rikki Holtmaat)
waarin een werkgever aansprakelijk werd gehouden voor schade als gevolg van
seksuele intimidatie op de grond dat hij zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW
voor veilige werkomstandigheden had geschonden. Verder is actie op grond van
onrechtmatige daad mogelijk. In het verleden is dat echter wel eens mislukt
(nr. 108 in het boek). Mirjam Decoz heeft nu een zaak waarin zij op grond
van onrechtmatige daad schorsing van een pleger van seksuele intimidatie wil
vorderen.
Gevraagd wordt
of de grootte van een bedrijf invloed heeft op het voorkomen van seksuele
intimidatie. Volgens Rikki Holtmaat is dit niet zo. Bij kleine bedrijven is
het alleen meestal wel zo dat de geïntimideerde medewerkster uiteindelijk
weg moet.
Opgemerkt
wordt dat instelling van een klachtenregeling bij een klein bedrijf geen zin
heeft. Rikki Holtmaat merkt op dat dit opgelost kan worden door per branche
een klachtencommissie in te stellen. Een aantal jaren geleden was het de
bedoeling dat elke werkgever verplicht werd een klachtenregeling in te
stellen dan wel zich bij een branchecommissie aan te sluiten. Dat is toen
echter niet doorgegaan. Volgens geruchten overweegt de PvdA om een nieuw
wetsvoorstel inzake het individueel klachtrecht in te dienen. Met betrekking
tot de inhoud van een klachtenregeling kan de 4e tranche van de Algemene wet
bestuursrecht wellicht meer helderheid bieden.
Opgemerkt
wordt dat de wetgever meer zou moeten doen in de sfeer van een
mentaliteitsverandering. Rikki Holtmaat merkt op dat dit moeilijk af te
dwingen is. De wetgever kan natuurlijk wel de aandacht vragen voor seksuele
intimidatie, zoals ook gedaan is met het reclamespotje met het opdringerige
hondje. Daar zijn erg veel (boze) reacties op gekomen.
4. Vragen
en/of opmerkingen naar aanleiding van de lezing van Anne Legeland
Anne Legeland
geeft een overzicht van haar diverse activiteiten op het gebied van seksuele
intimidatie, waaronder het geven van cursussen en het optreden als
bemiddelaar.
Een
medewerkster van de luchtmacht vraagt of de daar werkzame
vertrouwenspersonen ook kunnen optreden als bemiddelaar, aangezien de
luchtmacht geen bemiddelaar heeft voor conflicten rondom seksuele
intimidatie. Anne Legeland is hier geen voorstander van. Het is beter om een
externe professionele bemiddelaar die is aangesloten bij het NMI aan te
zoeken, ook omdat er onverwerkte trauma's naar buiten kunnen komen. Wil de
organisatie dat niet, dan moet in elk geval een vertrouwenspersoon worden
ingeschakeld wiens positie op geen enkele wijze verbonden is aan die van het
slachtoffer en/of haar leidinggevenden en/of de dader.
Gevraagd wordt
in hoeverre het tegen een slachtoffer werkt indien zij ook uit zichzelf met
de dader is omgegaan, bijvoorbeeld met hem uit eten is gegaan. Anne Legeland
merkt op dat ondergeschikte verhouding, met heel belangrijk is of er sprake
is van een leidinggevende andere woorden van een ongelijke machtsverhouding.
Gevraagd wordt
of het mogelijk is om een werknemer te dwingen om voor een klachtencommissie
te verschijnen. Anne Legeland merkt op dat dit formeel niet kan, maar dat
een werkgever het wel in zijn beleid kan opnemen. Opgemerkt wordt dat een
werknemer bij indiensttreding gevraagd kan worden gedragsregels waar dit in
staat te onderschrijven. Dit is een mogelijkheid. Niet verschijnen is, aldus
Anne Legeland, echter ook in strijd met goed werknemerschap. Eventueel moet
met ontslag gedreigd worden. Er zal een keer helderheid moeten komen in deze
kwestie door een rechterlijke uitspraak.
Er ontstaat
een discussie over het nut van het doen van aangifte van aanranding/seksuele
intimidatie. De politie doet doorgaan niets met een dergelijke aangifte en
willen soms niet eens opnemen. In dat geval, zo wordt opgemerkt, is het ook
mogelijk om eenzijdig, bijvoorbeeld per fax, een aangifte in te dienen. Als
je daarbij stelt dat er schade is aan de zijde van het slachtoffer (Terwee-claim)
moet er wel iets mee gebeuren.
Voordeel van
het doen van aangifte is dat de feiten precies op een rij gezet worden. De
zaak wordt bovendien geloofwaardiger door de bereidheid aangifte te doen.
Een complicatie bij defensie is dat, indien de marechaussee een aangifte
terzijde legt, dit gezien kan worden als een bewijs dat er niets ernstigs
aan de hand is. Dit hoeft echter niet zo te zijn. Onderneemt de
politiemarechaussee wel actie, dan bestaat het risico dat de
strafrechtelijke en de klachtenprocedure door elkaar gaan lopen. Anne
Legeland raadt aan in dat geval het onderzoek naar de klacht te schorsen
totdat het onderzoek van de politie klaar is. Bij de luchtmacht zorgt men
dat alleen een kopie van de klacht naar buiten komt. Andere stukken mogen
worden ingezien, maar worden niet uit handen gegeven. Als
tegenreactie bij een beschuldiging/aangifte van seksuele intimidatie wordt
door de dader wel aangifte van smaad gedaan. Het advies is om daar niet te
veel aandacht aan te besteden. De politie doet er toch niets mee.
Gevraagd wordt
of een klachtencommissie klager en beklaagde achter elkaar hoort zonder dat
er stukken zijn? Anne Legeland doet dat vaak wel, uiteraard niet in elkaars
bijzijn. Na afloop krijgt elke partij dan alle stukken.
Een
medewerkster van de publieke omroep merkt op dat de klachtencommissie aldaar
niet goed werkt. Wellicht komt dit door de samenstelling van de commissie.
Anne Legeland merkt op dat dit inderdaad vaak een probleem is. Het is aan te
raden om als commissielid in elk geval een jurist met ervaring op dit gebied
aan te trekken.
Tot slot van
de avond deelt Rikki Holtmaat mee dat het de bedoeling is om over een paar
jaar een actualisering van haar boek te verzorgen. Een ieder wordt daarom
gevraagd om uitspraken over seksuele intimidatie toe te sturen aan het Clara
Wichmann Instituut!
AMBONPLEIN 73
1094 PW AMSTERDAM POSTBUS 93929 1090 EC AMSTERDAM
Ministerie van Justitie Ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties Persbericht ministerraad 17 februari 2006 HUISVERBOD BIJ HUISELIJK GEWELD De ministerraad heeft ingestemd
met het voorstel van minister Donner van Justitie en minister Remkes van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om burgemeesters de bevoegdheid te
geven een huisverbod op te leggen. Het verbod houdt in dat een pleger van
huiselijk geweld in beginsel tien dagen zijn of haar woning niet meer in mag en
in die periode ook geen contact mag opnemen met de partner of de kinderen. Het
kabinet wil met de maatregel het huiselijk geweld verder terugdringen. Het huisverbod biedt de
mogelijkheid om in een noodsituatie te voorzien in een afkoelingsperiode
waarbinnen de nodige hulpverlening op gang kan worden gebracht en escalatie kan
worden voorkomen. Voor de uithuisgeplaatste kan corrigerende hulpverlening in
gang worden gezet. Het huisverbod kan ook worden opgelegd bij kindermishandeling
of een ernstig vermoeden daarvan. Het huisverbod wordt in de vorm
van een beschikking uitgereikt, waartegen beroep mogelijk is bij de
bestuursrechter. De burgemeester kan afhankelijk van de situatie het huisverbod
verlengen tot maximaal vier weken. Een uithuisgeplaatste die zich niet aan het
huisverbod houdt, kan maximaal twee jaar gevangenisstraf krijgen of een
taakstraf. Huiselijk geweld vormt een ernstig
maatschappelijk probleem. Het kan de vorm aannemen van partner- of
relatiegeweld, kindermishandeling en mishandeling van ouderen. Bij de politie
worden jaarlijks meer dan 50.000 incidenten gemeld, het werkelijke aantal ligt
vermoedelijk veel hoger. Vanaf 1 januari 2004 registreert de politie standaard
gevallen van huiselijk geweld. Elke politieregio heeft inmiddels een
aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en specifiek beleid voor de aanpak van
huiselijk geweld. De ministerraad heeft ermee
ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden
gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State
worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer. RVD, 17.02.2006 Begrippenlijst huiselijk geweld
Centraal
staat het bevorderen van een eenduidige registratie van gegevens over huiselijk
geweld gratis op internet voor minderjarigen en hun ouders waardoor meer
inzicht kan worden verkregen in de Het
gevaar! Om steeds meer subsidiegeld voor
"huiselijk geweld" los te krijgen en gesubsidieerde hulpverleners
baantjes te creëren is bij mij de indruk gaan ontstaan dat niet alleen valse
aanklachten gewoon als huiselijk geweld meegeteld worden in allerlei onderzoeken
en statistieken maar ook door de definitie van huiselijk geweld steeds ruimer te
definiëren bijvoorbeeld door een burenruzie nu ook als huiselijk geweld in
onderzoeken en statistieken mee te tellen wordt de indruk gewekt dat er sprake
is van een toename van huiselijk geweld kritiekloos en klakkeloos overgenomen
door handlangers bij de gesubsidieerde media om de rechtspositie van het gewone
volk tegenover de Staat steeds verder uit te hollen. Ik onderbouw mijn bewering
op basis van feiten bijvoorbeeld de indeling naar soort geweld gebruikt Interessant
begint de begrippenlijst "huiselijk geweld" te worden door
de begrippenlijst omgekeerd op de jeugdzorg industrie zelf toe te passen om
vervolgens aan de hand van de onderstaande begrippenlijst aangifte tegen
medewerkers/instellingen werkzaam in de jeugdzorg te doen. Hoe gaat de politie
reageren als u de methodes van de jeugdzorg en politie jegens burgers omgekeerd
gaat toepassen op de jeugdzorg industrie? Ik heb altijd veel bereikt in mijn
procedures door (in gedachte) de zaak eens om te draaien en te kijken wat er dan
gebeurt. Melding het op de hoogte
brengen van de politie van een incident of strafbaar feit. Dit kan
telefonisch of aan het bureau. Het kan een melding zijn die een persoon zelf
betreft, maar het kan ook een melding zijn die anderen, bijvoorbeeld de buren,
betreft. De politie maakt hiervan een mutatie in het bedrijfsprocessensysteem (BPS).
Mutatie het beschrijven van een melding of aangifte van een incident in het BPS.
Het bedrijfsprocessensysteem van Aangever
persoon die aangifte doet Bedrijfsprocessensysteem
(BPS) het systeem van de politie waarin mutaties van Casusformulier.
Formulier dat is ontwikkeld in het kader van het
Page 1 of 1 Checklisten aanpak
geweld in huiselijke kring – versie 09/03/2004 (Walter Klein Nienhuis) Checklisten Aanpak Geweld
in Huiselijke Kring 9 maart 2004 Regio Politie Gelderland-Midden Werkgroep Aanpak Geweld in
Huiselijke Kring 1. Telefonische melding bij
politie De telefonist van meldkamer of
telefooncentrale stelt o.a. de volgende vragen: • Wat is er aan de hand? • Gegevens melder noteren (naam,
telefoonnummer en hoedanigheid bijv. slachtoffer, buren, familie, vrienden) • Wie is de verdachte? • Is de verdachte nog in de
woning aanwezig c.q. elders? • Wat is de locatie? • Hoeveel personen zijn er op
dit moment in de woning? • Zijn er kinderen in de woning
aanwezig? • Informatie over de mate en
frequentie van het geweld. • Achtergrondinformatie noteren
(bijv. huilen, geschreeuw, ander lawaai enz.) Wat doet de telefonist nog meer? • Kijkt in het bedrijfsprocessen
systeem (BPS) naar eerdere meldingen op locatie /op persoon; • Geeft verkregen info door aan
de surveillance-eenheid of chef van dienst /daco; • Legt de gegevens uit het
telefoongesprek zoals (spontane verklaring verdachte, (kinder)gehuil, verbale bedreigingen en
achtergrond geluiden en aan wie de melding is overgedragen enz.) in de BPS mutatie vast. 2. Melding aan het bureau c.q. op
straat: • Hoor het verhaal kort aan en
maak een inschatting van de problematiek; • Zorg voor een rustige
gespreksruimte; • Bedenk dat een verdachte die u
in het bureau vast heeft zitten ook slachtoffer kan zijn; • Bij het inschatten van de
problematiek moet u rekening houden met de volgende zaken: − Wel /geen acuut gevaar − Wel /geen kinderen
aanwezig − Wel /geen letsel − Wel /geen heterdaad − Wel /geen bereidheid tot
het doen van aangifte • Informeer over de
mogelijkheden (melding, aangifte, hulpverlening, gesprek(ken) met slachtoffer
en /of verdachte); • Geef objectieve informatie:
praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte maar zet het slachtoffer ook niet onder
druk om wel aangifte te doen; • Geef in het kort uw
vervolgstappen aan; • Registreer uw bevindingen in
BPS. 3. Externen melden aan
contactpersoon politie • Hoor het verhaal kort aan en
maak een inschatting van de problematiek; • Informeer over de
mogelijkheden (melding, aangifte, hulpverlening, gesprek(ken) met slachtoffer
en /of verdachte); • Overleg met de externe partner
welke vervolgstappen noodzakelijk zijn; • Geef in het kort uw
vervolgstappen aan; • Registreer uw bevindingen in
BPS. 4. Politie gaat ter plaatse: • Vraag de meldkamer om alle
informatie omtrent locatie en personen.(eerdere meldingen); • Bij melding van wapengebruik,
denk aan eigen veiligheid!! • Beschouw de woning als plaats
delict. (denk daarbij aan sporen zoals bloed /vernielingen/zichtbaar letsel / drank of
drugsgebruik enz.) • Stop het geweld; neem stelling
tegen het geweld • Afhankelijk van de situatie
prioriteiten stellen. (willekeurige volgorde): − Laat slachtoffer vervoeren
naar een ziekenhuis of; − Arts ter plaatse laten
komen. − Als er kinderen aanwezig
zijn let dan op hun veiligheid. Eventueel de kinderen elders onderbrengen (buren, familie, Raad
voor de Kinderbescherming). − Technische recherche laten
komen (foto’s maken van slachtoffer en andere sporen in de woning). − Scheid (indien aanwezig)
de betrokken partijen en vraag wat er aan de hand is. − Bij vermoeden van een
verdachte deel direct mede dat hij /zij niet tot antwoorden verplicht is. (Zie verder heterdaad, punt 3
/ buiten heterdaad, punt 4) − Verdachte (eventueel)
aanhouden. − Slachtoffer (eventueel)
verwijzen naar het bureau voor het doen van aangifte. Geef dus objectieve informatie: praat het
slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte maar zet het slachtoffer ook niet onder
druk om wel aangifte te doen. − Je moet zelf inschatten of
het nodig is om informatie bij het kind in te winnen. − Verzamel informatie bij
eventuele getuigen (buren, vrienden, familie enz). - Maak foto’s; indien de
technische recherche niet ter plaatse kan komen/ komt is het van belang om foto’s te
maken van eventueel aanwezige sporen. In elke noodhulp auto is hiervoor een
digitale fotocamera aanwezig. 5. Heterdaad Is er sprake van een heterdaad,
denk dan aan het volgende: • Wie is de verdachte? • Is hij /zij ter plaatse of
elders? • Is verdachte gewapend? • Houd de verdachte aan en deel
mede dat hij /zij niet tot antwoorden verplicht is; • Regel zo spoedig mogelijk
transport voor de verdachte naar het bureau; • Denk bij het transport van de
verdachte aan het aanwezig zijn van sporen op /aan de verdachte c.q. kleding (bloed /sperma). • Overweeg de technische
recherche ter plaatse te laten komen (maken foto’s plaats delict en letsel bij slachtoffer en/of
verdachte, veiligstellen en/of vastleggen sporen). • Het in voorkomende gevallen
veiligstellen van sporen (bloed/sperma) door arts GGD alleen na overleg vooraf met technische
recherche; • Onderzoek slachtoffer door
arts van de GGD in geval sprake is van verkrachting; • Verwijs het slachtoffer
(indien mogelijk) naar het bureau voor het doen van aangifte of spreek af
wanneer en bij wie hij/zij
aangifte kan doen. Geef objectieve informatie: praat het slachtoffer niet
direct af van het doen van
aangifte maar zet het slachtoffer ook niet onder druk om wel aangifte te doen; • Registreer uw bevindingen in
BPS. 6. Buiten heterdaad Als er geen sprake meer is van
heterdaad, denk dan aan het volgende: • Hoor het verhaal aan en maak
een inschatting van de problematiek; • In geval van een verkrachting
moet het slachtoffer binnen maximaal 72 uur na het feit onderzocht zijn door de arts van de GGD. • Geef het slachtoffer
vervolgens informatie over de verdere procedure: − Het verschil tussen
heterdaad en buiten heterdaad. − Welke bevoegdheden heeft
de politie m.b.t. heterdaad en buiten heterdaad. − Welke mogelijkheden de
politie heeft, maar ook wat de politie niet kan.(Opstarten hulpverlening, zorgen voor
veiligheid) − Bespreek de mogelijkheden
die het slachtoffer heeft om te zorgen voor haar eigen veiligheid ( b.v. vrouwenopvang, andere
sloten op de deur (adviseer dit alleen als de verdachte niet in de woning woont), familie en / of
buren informeren) − Het doen van aangifte (Hoe
gaat dat in zijn werk en wat is het doel daarvan?) − De mogelijkheid van het
ambtshalve vervolgen. • Registreer uw bevindingen in
BPS; • Overleg de casus met de
Officier van Justitie; • Plannen aanhouding c.q.
ontbieding van de verdachte; • Indien mogelijk voor het
verhoor van de verdachte afspraken maken met de daderhulpverlening over het tijdstip waarop de
verdachte door hen eventueel bezocht kan worden. (Afhankelijk of verdachte gemotiveerd is voor
daderhulpverlening) • Een mogelijk gevolg van
aanhouden buiten heterdaad (al dan niet ambtshalve) kan leiden tot een lagere bereidheid tot melden /
aangifte doen bij het slachtoffer in de toekomst. Het is immers niet ondenkbaar dat het
slachtoffer inmiddels de relatie met de verdachte (tijdelijk) heeft hersteld. 7. Aangifte • Wil het slachtoffer na de
eerste opvang aangifte doen, leg dan de procedure en de gevolgen van de aangifte uit. Vertel daarbij
ook wat de gevolgen (kunnen) zijn als er geen aangifte gedaan wordt. • Geef objectieve informatie.
Praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte, maar zet het slachtoffer ook niet onder
druk om het wel te doen. Neem duidelijk in de aangifte op dat het slachtoffer aangifte doet
omdat hij/ zij wil dat de dader gestraft wordt. • Neem een luisterende houding
aan en geef aandacht aan het slachtoffer; • Zorg voor een rustige ruimte; • Leg het slachtoffer uit dat
het doel van de aangifte is: het vervolgen van de dader en / of het laten
doorlopen van een
hulpverleningstraject. • Dat het niet mogelijk is de
aangifte in te trekken. • Vul de brief
“Slachtofferhulp” in als men dit wenst. • Geef uitleg over de wet Terwee
en het schadefonds Geweldsmisdrijven. • Geef uitleg over hulpverlening
(bijv. speciale hulp voor kinderen die getuige zijn geweest van geweld, vrouwenhulpverlening,
daderhulpverlening). • Geef het slachtoffer je naam
en telefoonnummer zodat hij/zij na het doen van aangifte weer contact met je kan opnemen. • Mocht het slachtoffer zich
tijdens het doen van aangifte door iemand laten begeleiden informeer dan voor het opnemen van de
aangifte of deze begeleider getuige geweest is. Dit om te voorkomen dat die getuige tijdens
de aangifte beïnvloed wordt door het verhaal van het slachtoffer en daardoor
“onbruikbaar” wordt als getuige. • Omschrijf de elementen van het
strafbare feit; • Vraag of het slachtoffer
eerdere ervaringen heeft met geweld; • Begin met een algemene
beschrijving van de relatie; • Geef een beschrijving van de
verandering in de relatie; • Beschrijf het eerste
geweldsincident; • Beschrijf een typisch /
markant geweldsincident; • Beschrijf het ernstigste
geweldsincident; • Beschrijf het laatste
geweldsincident; • Beschrijf de frequentie van de
geweldsincidenten; • Vraag, indien het gesprek het
toelaat, door naar eventueel seksueel geweld; (Mocht dit van toepassing zijn vraag dan
ondersteuning van het Bureau Zeden. Er zijn namelijk richtlijnen m.b.t. het opnemen van aangiftes van
seksueel geweld binnen afhankelijkheidsrelaties. Deze aangiftes dienen opgenomen te worden door
zedenspecialisten. • Is er bij een van de
gezinsleden sprake van drugs- en/of alcoholgebruik of gokken? • Zijn er financiële problemen
in het gezin? • Heeft iemand in het gezin
mogelijk een psychische stoornis? • Hoe ziet het slachtoffer de
toekomst m.b.t. hun relatie, de veiligheid van het slachtoffer en eventuele kinderen. • Zijn er kinderen binnen de
relatie en zijn deze mogelijk betrokken, getuigen of zelf slachtoffer van
geweld. • Wie zijn er getuigen geweest
van de geweldsincidenten? • Met wie heeft het slachtoffer
gesproken over het geweld en hoe reageerden deze personen? • Als ouders aangifte doen
namens hun kind vraag dan wie het gezag heeft. • Als een kind verhoord kan
worden in een studio (tussen 4 en 12 jaar en/of verstandelijk gehandicapten) vraag dan
toestemming aan de ouder die het gezag heeft en laat de toestemmingsverklaring
ondertekenen. • Beschrijf in de aangifte het
eventuele letsel. Mocht het zichtbaar letsel zijn laat dit dan vastleggen
door de technische recherche. Vul
de medische informatiestaat in en laat deze ondertekenen. • Laat de aangifte op inhoud
beoordelen door de chef van dienst. • Beschrijf de wijze waarop de
relatie is ontstaan en het moment waarop en de aanleiding waardoor geweld in de relatie
ontstond. • Is het slachtoffer bang voor
herhaling? • De eventuele wens van het
slachtoffer tot het opleggen van een straat- of contact verbod aan de verdachte. Daarbij wordt met
redenen omkleed wat de indicatoren zijn voor herhaling van het plegen van huiselijk geweld jegens
het slachtoffer (bijvoorbeeld het aantal meldingen, levensgevaar, belaging of
onberekenbaar gedrag). 8. Verhoor getuigen Kinderen als getuigen: • Kinderen kunnen uitstekende
getuigen zijn, maar zijn meestal zeer loyaal naar hun ouders. Soms zeggen ze daarom geen belastende
dingen over hun ouders. • Het verhoren van kinderen is
soms een delicate bezigheid en kan dan het beste worden overgelaten aan ervaren en
deskundige collega’s; • Het is verstandig om het
verhoor op band op te nemen; • Kinderen die getuige /
slachtoffer zijn van een ernstig misdrijf en tussen de 4 en 12 jaar of verstandelijk gehandicapte
kinderen die ouder zijn, moeten door speciaal daarvoor opgeleide politiemensen worden verhoord in
een zogenaamde verhoorstudio. De Officier van justitie en een van de ouders die het gezag over
de kinderen heeft dienen vooraf toestemming te geven voor het studioverhoor. Overige getuigen: • Leg uit wat de consequenties
zijn van het afleggen van een verklaring; • Hoor zo spoedig mogelijk
eventuele getuige van het geweld in huiselijke kring; • Leg de verklaring zo
gedetailleerd mogelijk vast in een proces-verbaal. 9. Overleg met justitie • Na de beoordeling van de
aangifte door de lijnverantwoordelijke, overlegt u met de Officier van Justitie verder over de casus. De
Officier van Justitie kan toestemming geven voor: − Het eventuele
studioverhoor van kinderen; − De aanhouding buiten
heterdaad van de verdachte; − Hij kan ook beslissen dat
de verdachte uitgenodigd wordt voor verhoor; − Tevens kunt u al
overleggen of een voorgeleiding gewenst is; − In geval van twijfel
omtrent de vraag of bij melding van geweld in gezinsverband wel of geen proces-verbaal moet worden
opgemaakt pleegt de politie overleg met de officier van justitie of de parketsecretaris; − Indien er proces-verbaal
wordt opgemaakt wordt dit zo spoedig mogelijk ingezonden (in elk geval binnen een maand). • Indien het proces-verbaal is
ingezonden volgt een spoedige strafrechtelijke reactie (binnen drie maanden). In alle gevallen wordt
een reclasseringsrapport gevraagd. Slechts om technische redenen zal geseponeerd worden. In
het geval van een voorwaardelijk sepot vindt er altijd een gesprek op het parket plaats met
de verdachte. Indien de verdachte wel in verzekering wordt gesteld maar niet zijn bewaring
wordt gevorderd vindt er zo mogelijk toch een voorgeleiding bij de officier van justitie plaats
met het oog op het persoonlijk onderhoud. • In alle gevallen waarin
inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden zal de behandelend officier van justitie het slachtoffer
aanbieden een gesprek te hebben met hem/haar; • Het openbaar ministerie zendt
in alle zaken betreffende "geweld in huiselijke kring" een afloopbericht. 10. Verhoor verdachte • Deel de verdachte mede dat hij
niet tot antwoorden verplicht is; • Vertel de verdachte hoe de
verdere procedure verloopt (de juridische afwikkeling); • Omschrijf de elementen van het
strafbare feit; • Informeer naar het gezin
waarin de verdachte is opgegroeid; • Vraag of de verdachte eerdere
ervaringen heeft met geweld (bijv. als slachtoffer); • Begin met een algemene
beschrijving van de relatie; • Geef een beschrijving van de
verandering in de relatie; • Beschrijf het eerste
geweldsincident; • Beschrijf een typisch /
markant geweldsincident; • Beschrijf het ernstigste
geweldsincident; • Beschrijf het laatste
geweldsincident; • Beschrijf de frequentie van de
geweldsincidenten; • Vraag, indien het gesprek het
toelaat, door naar eventueel seksueel geweld (mocht dit van toepassing dan kunt u
ondersteuning vragen bij het bureau Zeden)? • Is iemand in gezin verslaafd
aan drugs of alcohol of gokken? • Zijn er financiële problemen
in het gezin? • Heeft iemand in het gezin
mogelijk een psychische stoornis? • Hoe ziet de verdachte de
toekomst m.b.t. hun relatie; de veiligheid van het slachtoffer en eventuele kinderen? • Zijn er kinderen binnen de
relatie en zijn deze mogelijk betrokken, getuigen of zelf slachtoffer van
geweld? • Wie zijn er getuigen geweest
van de geweldsincidenten? • Met wie heeft de verdachte
gesproken over het geweld en hoe reageerden deze personen? • Introduceer de mogelijkheid
van daderhulpverlening. 11. Inverzekeringstelling en
reclassering • Indien nodig zal de verdachte
in verzekering gesteld worden. Het is voor het verdere hulpverleningstraject (van de
verdachte) van belang dat de reclassering zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld. • Na het verhoor van de
verdachte dient u de casus met de Officier van Justitie te bespreken. • Hij / zij neemt meestal een
van de volgende beslissingen: • Nader verhoor verdachte /
getuigen; • Au afdoening; • Normaal proces-verbaal
opmaken; • Voorgeleiding; • Heenzenden verdachte. 12. Daderhulpverlening Aanmeldingen door de politie 1 . Verdachten van geweld in
huiselijke kring, die door de politie in verzekering worden gesteld worden automatisch gemeld aan de
reclassering via de reguliere piketdienst. De politie vermeldt daarbij indien het gaat om
"relationeel geweld"; 2. In geval van aanhouding zonder
in verzekeringstelling, zogenaamde 6-uurszaken overlegt de politie met de Officier van
Justitie c.q. de parketsecretaris. Als uit dit overleg blijkt dat er voldoende materiaal is voor
vervolging verzoekt de politie de reclassering een gesprek te hebben met de verdachte op het
politiebureau waartoe betrokkene op het politiebureau wordt ontboden. Dit gesprek vindt plaats naast een
"vermanend gesprek" met een rechercheur. 3. In zaken, waarbij niet tot
aanhouding wordt overgegaan en/of waarbij niet voldoende belastend materiaal is om te kunnen
vervolgen kan de politie de verdachte rechtstreeks verwijzen naar Kairos. Deze verwijzing vindt
plaats op vrijwillige basis. In de eerste variant bezoekt de
reclassering betrokkene op het politiebureau op de tijden die daarvoor gereserveerd zijn: maandag tot en
met vrijdag van 8.30 tot 10.00 uur. In de tweede variant ontbiedt de
politie betrokkene in hetzelfde tijdsbestek dat gereserveerd is voor het vroeghulpgesprek met de
Reclassering. Ze laat dag en tijd van ontbieding aan de reclassering schriftelijk weten. In de derde variant verwijst de
politie betrokkene rechtstreeks naar Kairos, dat een intakegesprek plant binnen twee weken na de
verwijzing en dat de politie over de uitkomst daarvan informeert. In alle zaken betreffende
relationeel geweld (ook bij melding of bij 6-uurszaken) overlegt de politie met
de betreffende Officier van
Justitie of de parketsecretaris. Macht er voldoende materiaal zijn
om betrokkene te vervolgen dan verzoekt de Officier van Justitie de reclassering om rapportage.
Aanmeldingen en verzoek om
rapportage door Openbaar Ministerie In gevallen betreffende
"relationeel geweld" schakelt het Openbaar Ministerie de reclassering
in middels een verzoek om rapportage,
waarbij zij laat weten in hoeverre: • Zij een transactiezitting
overweegt, taakstraf of leerstraf. • Of er sprake is van een AU
procedure • Op welke termijn de rapportage
wordt verwacht. In het geval van een
transactiezitting of AU procedure is het van belang dat de reclassering snel op
de hoogte is van het verzoek i.v.m.
de korte termijn voor rapportage. Onderzoek door de reclassering 1 . Na ontvangst van de melding
door de politie bezoekt de reclassering betrokkene op het politiebureau. Dit gesprek is
bedoeld om een inventarisatie te maken van de motivatie en de mogelijkheden tot begeleiding. 2. De reclassering schakelt Kairos
in indien betrokkene in aanmerking komt voor daderbehandeling bij
Kairos. Ze consulteert Kairos
bij twijfel over de diagnose of de mogelijkheden tot behandeling. 3. Bij twijfel over
verslavingsproblematiek of bij verkeerde verdeling naar De Grift of Reclassering
Nederland nemen de
aandachtsfunctionarissen van de pilot contact met elkaar op voor overleg of
consultatie. Rapportage aan het Openbaar
Ministerie 1. Indien de reclassering de
verdachte op het politiebureau gesproken heeft worden de bevindingen middels voorlichtingsrapportage
teruggekoppeld aan de Officier van Justitie. 2. indien tot strafrechtelijke
vervolging wordt overgegaan zal de reclassering (na aanvraag van het OM) rapporteren aan het Openbaar
ministerie. Er kan slechts met instemming van
betrokkene worden gerapporteerd. In de rapportage zal geadviseerd
worden over mogelijkheden van begeleiding en hulpverlening. Initiëren en organiseren van
begeleiding. Afhankelijk van de uitkomsten van
het onderzoek naar de persoonlijke situatie van betrokkene zal de reclassering de wenselijk geachte
begeleiding initiëren en organiseren, in eerste instantie bij Kairos en in geval er sprake is van
verslaving mogelijk in combinatie met de Grift. De vorm waarin dit plaatsvindt zal mede afhankelijk
zijn van de ernst van het relationeel geweld en de strafrechtelijke afdoening. Dit kan betekenen: 1. Aanmelding en verwijzing naar
Kairos en / of een hulpverleningsinstelling in de regio op basis van vrijwilligheid 2. Aanmelding en verwijzing naar
Kairos in het kader van een leerstraf 3. Aanmelding en verwijzing naar
Kairos of een andere instelling in de regio in het kader van een bijzondere voorwaarde.
De eerste variant is alleen
mogelijk met volledige instemming en medewerking van de betrokkenen; er zijn geen sanctiemogelijkheden
indien betrokkene(n) geen medewerking verleent of de begeleiding verbreekt.
De tweede variant kan vanaf 1
april 2001 opgelegd worden door de Officier van Justitie in het kader van een transactiezitting. De
derde variant kan zijn opgelegd in het kader van een schorsing onder voorwaarden of bij een
voorwaardelijke veroordeling. Deze juridische kaders bieden een sanctiemogelijkheid. In die
gevallen zal bij afbreken van het begeleidingstraject door betrokkene het
openbaar Ministerie worden geïnformeerd
door de reclassering. Daderbehandeling Bij verwijzing naar Kairos door
politie of reclassering, wordt er binnen twee weken een intake gepland. Als er met alle partijen
overeenstemming is over de behandeling kan er binnen twee weken met de behandeling worden gestart.
Over het resultaat en het verloop
van de behandeling wordt de politie c.q. de reclassering geïnformeerd.
Op dit moment is het niet mogelijk
om de vormen van daderhulpverlening te beschrijven. Hierover zijn nog geen concrete afspraken
gemaakt met instellingen. Op dit moment is de Reclassering de aangewezen instantie om
hulpverlening op te starten. 13. Aandacht voor slachtoffers en
kinderen Inleiding Op het moment dat de politie
betrokken raakt bij een huiselijk conflict wordt aan het slachtoffer een gesprek aangeboden op het
politiebureau met de betrokken behandelaar en een medewerker van Bureau Slachtofferhulp. Doel van
dit eerste gesprek is om het slachtoffer te informeren, beperkte ruimte te bieden voor het
slachtoffer om te vertellen over de situatie, problemen te inventariseren en
zo nodig door te verwijzen naar
hulpverleningsinstanties (het aanbod van hulpverleningsinstanties staat beschreven in bijlage l).
Daarnaast worden er interventies gepleegd om het actuele geweld te kunnen stoppen. De mogelijkheid
tot het voeren van een tweede gesprek met de medewerker van Bureau Slachtofferhulp is
aanwezig. Waar nodig en gewenst wordt na
doorverwijzing contact gehouden door de medewerker van Bureau Slachtofferhulp. De mogelijkheid
bestaat om relatie- en gezinsgesprekken te voeren onder deskundige begeleiding. Vastgelegde afspraken
garanderen dat het slachtoffer en eventuele kinderen op korte termijn hulp krijgen aangeboden. Politie-interventie Tijdens de politie-interventie
wordt aan het slachtoffer een persoonlijk gesprek aangeboden op het politiebureau, met de behandelaar
en met een medewerker van Bureau Slachtofferhulp, binnen twee werkdagen. De reden voor dit
aanbod wordt aan het slachtoffer uitgelegd door de betrokken behandelaar.
Indien het slachtoffer en
eventuele kinderen acuut opvang nodig hebben, wordt door de betrokken behandelaar contact opgenomen met
Hera, -vrouwenopvang Gelderland, die zorg draagt voor een beschikbare plaats in Hera of een
andere opvangvoorziening in Nederland. Eerste gesprek Het eerste gesprek wordt gevoerd
door de bij het conflict betrokken behandelaar en een medewerker van Bureau Slachtofferhulp. Dit
gesprek vindt zo spoedig mogelijk plaats, maar uiterlijk binnen vijf werkdagen. De medewerkers van
Bureau Slachtofferhulp zijn geselecteerd voor deze taak, zijn geïnformeerd over de aanpak van
geweld in huiselijke kring en hebben hierin een training gevolgd. Voor advies en eventuele opname
van het slachtoffer kan de medewerker contact opnemen met het intaketeam van Hera, vrouwenopvang
Gelderland. Wanneer het slachtoffer niet verschijnt op de afspraak neemt de betrokken
behandelaar contact op met het slachtoffer en probeert een nieuwe afspraak tot stand te laten komen.
Wanneer het slachtoffer wel verschijnt wordt deze in dit gesprek door de behandelaar geïnformeerd
over de rol van de politie, de procedure bij het doen van aangifte de gevolgen ervan, de eventuele
toe te passen maatregelen naar de pleger van het geweld toe, de overige procedures van het
stafrechtelijk onderzoek en eventuele andere juridische zaken. Checklist algemeen • Als er in een gezin sprake is
van geweld in huiselijke kring dan zijn kinderen daar vaak getuige of (indirect) slachtoffer van. • Mogelijk zijn de kinderen
getraumatiseerd en hebben zij hulp nodig. Verwijzingsmogelijkheden zijn onder andere: − Advies en Meldpunt
Kindermishandeling; − Bureau Jeugdzorg; − Eventueel de Raad voor de
Kinderbescherming (Alleen bij levensbedreigende situaties). • U kunt altijd met de UJC
overleggen welke instelling het beste aansluit bij uw casus. • Kinderen die getuige /
slachtoffer zijn van een ernstig misdrijf, tussen de 4 en 12 jaar oud, of
verstandelijk gehandicapten,
moeten door speciaal daarvoor opgeleide politiemensen worden verhoord in een verhoorstudio. • De Officier van Justitie en
een van de ouders die het gezag over de kinderen heeft, dienen vooraf toestemming te geven voor
het studioverhoor. (Zie ook punt checklist getuigen). Checklist informatiegesprek • Zorg voor een rustige ruimte; • Neem een luisterende houding
aan; • Geef aandacht (bijvoorbeeld
koffie aanbieden) en geef bij het slachtoffer een gevoel van eigenwaarde; • Het informatiegesprek is geen
verhoorsituatie; • Leg uit wie je bent en wat je
taak is; • Onderzoek wat het slachtoffer
van de politie verwacht (soms is dat vooral hulp en (nog) geen aangifte); • Geef zoveel mogelijk uitleg
over wat we (gaan) doen en waarom (procedure bij het doen van aangifte en gevolgen daarvan); • Introduceren van medewerker
Bureau Slachtofferhulp en overdragen van de hulpverleningstaak; • Vastleggen in een
proces-verbaal van bevindingen (BPS formulier); − Inhoud eerste spontane
verhaal; − (Emotionele) toestand van
slachtoffer; − inventarisatie van
voorgeschiedenis (eerdere incidenten). Gesprek bureau Slachtofferhulp Hierna vervolgt de medewerker van
Bureau Slachtofferhulp het gesprek (de behandelaar verlaat het gesprek). Deze gaat in op
dringende -vragen die het slachtoffer heeft. Hierna volgt zo mogelijk: • Het inschatten van de
situatie. Hiertoe is er beperkte ruimte voor het slachtoffer om te vertellen
over de situatie. De medewerker
vraagt naar. − de actuele leefsituatie; − de religieuze/culturele
achtergrond; − mogelijke steun van de
omgeving; − het welzijn van de
kinderen en de mate waarin zij getuige of medeslachtoffer zijn geweest van
het geweld. • Het inventariseren van
problemen en het nagaan van wensen en verwachtingen van het slachtoffer t.a.v. mogelijke hulp. • Het ondernemen van actie op
acute problemen. • Het zorgdragen voor de
veiligheid en het maken van een veiligheidsplan. • Het onderzoeken of verwijzing
naar hulpverlening gewenst of geboden is. • Het informeren over
hulpmogelijkheden • Het gericht verwijzen indien
gewenst en geboden. Wanneer het slachtoffer alleen wil
of kan vertellen over de situatie, kan een vervolgafspraak gemaakt worden. Er wordt afgesproken dat
het slachtoffer de tijd krijgt om te besluiten of ze een vervolgafspraak wil. Dan vindt
eventueel opnieuw een gesprek plaats tussen de politieagent de medewerker van Bureau
Slachtofferhulp en het slachtoffer. Doorverwijzing Bij doorverwijzing wordt
schriftelijk toestemming van het slachtoffer gevraagd om de gegeven informatie door te geven aan de
verwijzende instantie. Zo mogelijk wordt een casemanager
aangesteld (mogelijkheden worden momenteel bekeken). Wanneer dit niet mogelijk blijkt
is de volgende afspraak van kracht: wanneer het slachtoffer verwezen wordt naar een
hulpverleningsinstantie, is deze instantie verantwoordelijk voor het onderhouden
van contacten met mogelijke andere
betrokken instanties en voor het samenbrengen van deze instanties. Wanneer een slachtoffer wordt
doorverwezen naar de NIM volgt binnen vijf werkdagen een gesprek met het slachtoffer en wordt de
hulpverlening opgestart. De rol van het Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling (AMK) • Wanneer kinderen aanwezig zijn
in het gezin waar geweld heeft plaatsgevonden, geeft de behandelaar hiervan altijd bericht
aan het AMK. • Het AMK kan zo nodig onderzoek
doen naar de kinderen en naar het effect van het getuige zijn van geweld tussen ouders voor de
kinderen. • Hiernaast kan het AMK een rol
spelen wanneer het niet lukt om vrijwillig noodzakelijke hulp te accepteren. • Ouders worden over de melding
bij het AMK door de betrokken behandelaar geïnformeerd. Bij het opstellen van dit
checklist nummer 12 is gebruik gemaakt van het protocol 'Aanpak Huiselijk
Geweld Haarlem'. Veiligheid / opvang slachtoffer: • Overleg met het slachtoffer of
het wenselijk dan wel noodzakelijk is, de verdachte elders te laten verblijven. Wanneer dit geen optie
is dan moet de veiligheid van het slachtoffer zo goed mogelijk op een andere manier gewaarborgd
worden. • Bespreek daarom de
mogelijkheden die het slachtoffer heeft om te zorgen voor haar eigen veiligheid: − Vrouwenopvang; − Opvang bij familie en / of
vrienden; − Als de vrouw in haar eigen
woning wil blijven, denk dan aan het informeren van familie en / of buren; − Eventueel andere sloten op
de deuren. (dit kan alleen als de woning niet door de verdachte bewoond wordt). • Zorg dat er duidelijke
afspraken met het slachtoffer gemaakt worden en registreer deze in het BPS (zo nodig afspraak op
locatie). 14. Belaging (stalking): 14.1 Het slachtoffer van stalking. De meeste slachtoffers zullen, in
eerste instantie, toch proberen het probleem zelf aan te pakken. Dit Doordat het slachtoffer steeds op
haar hoede is voor de belager zal het slachtoffer haar gehele levensstijl gaan aanpassen.
Voorbeelden hiervan zijn dat de slachtoffers de plekken vermijden waar zij de belager eventueel zouden
kunnen tegenkomen. Dit zijn vaak winkelcentra en uitgaansgelegenheden, maar zelfs
ook gelegenheden waar het slachtoffer of haar kinderen privéverplichtingen
heeft, zoals de sportclub en de
scholen. Het slachtoffer voelt zich ook
niet veilig in haar eigen woning. De belager dringt zich ook op in de directe omgeving van de woning
alwaar deze post vat op de woning. Ook als de belager niet in de buurt van de woning is voelt het
slachtoffer toch de aanwezigheid van de belager. Zij zijn kortom zo gefixeerd op de belager dat dit
het gehele leven beheerst. In en om de woning van het slachtoffer zijn vaak aanpassingen gedaan om ervoor
te zorgen dat de belager niet in de woning kan kijken of de woning moeilijk kan betreden.
Voorbeelden hiervan zijn: hoge schuttingen, ondoorzichtige gordijnen, meerdere sloten op de
toegangsdeuren en extra verlichting om de woning. Het slachtoffer past zijn leven in
de woning ook aan. Zij zal zich vaak zodanig in de woning gedragen dat er een kleine kans is dat
iemand die buiten de woning staat de bewoner niet kan zien. De indeling van de woning is vaak dusdanig dat
er niet voor een raam gezeten kan worden zodat de belager geen kans krijgt om te zien of er
iemand thuis is. Als het donker wordt gaan de gordijnen dicht. Deze gordijnen zijn vaak van een
dusdanige dikte dat er geen licht kan doorkomen. Het slachtoffer zal er alles aan doen om er voor te
zorgen dat zij niet gezien kan worden in de woning. Vaak is een slachtoffer ook bang om zelf naar
buiten te kijken. Het slachtoffer heeft vaak
meerdere malen een ander telefoonnummer aangevraagd en is in sommige gevallen verhuisd.
De stalking kan zo ver gaan dat
het slachtoffer op het werk ook belaagd wordt. Het slachtoffer is dan vaak genoodzaakt om ander werk te
zoeken. Zoals eerder beschreven beheerst
de belager het gehele leven van het slachtoffer! Dit kan voor een slachtoffer
dusdanige gevolgen hebben dat zij psychische problemen krijgt en het is zelfs niet ondenkbaar dat het
slachtoffer zichzelf probeert van het leven te beroven. 14,2 De Stalker/Belager. De personen die de stalking plegen
kunnen in alle sociale treden van de samenleving voorkomen. Een stalker kan om verschillende
redenen met het belagen van zijn slachtoffer beginnen. De gevallen waar de politie het meest mee in
aanraking komt zijn: De meest voorkomende reden (82%)
is het niet kunnen verkroppen van een relatie welke ten einde is. De stalker wil door zijn gedrag
het slachtoffer bewegen om weer een relatie met hem aan te gaan. Ook kan in dit geval een rol
spelen dat er uit de relatie kinderen zijn voortgekomen. De stalker wil ook
graag zeggenschap over de kinderen
om zodoende druk uit te kunnen oefenen op het slachtoffer. De relatie welke het slachtoffer met
de stalker heeft gehad is vaak gepaard gegaan met fysiek en/of psychisch geweld. In de sociaal
zwakkere families komt geweld vaker voor. Het slachtoffer is vaak erg bang geweest in de relatie. Het
duurt dan ook vaak erg lang voordat het slachtoffer de beslissing heeft genomen om de relatie te beëindigen.
Doordat het slachtoffer ondergeschikt is geweest aan de belager in de relatie wil de
belager dit weer na de relatie. De belager wil deze machtspositie over het
slachtoffer houden. De belager zal
alles in het werk stellen om weer macht te krijgen. Vaak begint de belager eenvoudig met psychische
dwang door steeds contact te zoeken (opbellen), maar als dat niet werkt zal de belager, zo leert de
ervaring, naar steeds zwaardere middelen grijpen. We zien dat de belagers hun slachtoffers gaan
achtervolgen, langsrijden en plegen van misdrijven (inbraak, vernieling, bedreiging en
mishandeling.) Deze vorm komt veel voor bij een ex-partners of familieleden.
De stalker wil een relatie met het
slachtoffer. Hij heeft geen relatie met haar gehad maar is gewoonweg geobsedeerd door het
slachtoffer. Dit soort stalkers kan bestempeld worden als een categorie die op den duur
gevaarlijk gedrag gaat vertonen. Deze stalker zal niet stoppen voordat hij
zijn doel heeft bereikt en zal
geen middel schuwen. Vaak lopen dit soort gevallen op ernstige misdrijven uit. De stalker kan
zijn doel niet bereiken en denkt dat als hij het slachtoffer niet krijgt niemand haar zal krijgen. Bij deze
categorie stalkers komt deze gedachte relatief vaker voor dan bij andere categorieën. Bij deze
gevallen is meestal haast geboden met het bieden van hulp. De stalker is een onbekende en
maakt zich op geen enkele manier bekend. Deze vorm van stalking is een vorm waarbij de stalker geen
direct contact heeft met het slachtoffer. De stalker maakt gebruik van brieven, e-mail en telefoon.
Bij het telefonisch contact wordt vaak niets gezegd. Het slachtoffer weet niet wie haar belager is en
kan hierdoor in ernstige psychische problemen raken, mede door het feit dat achter de belaging een
onbekende zit. Het slachtoffer kan zich nergens op voorbereiden, de stalker kan namelijk iedereen
zijn. De stalker weet daarentegen veel van het slachtoffer en dat maakt de situatie vaak benauwender. Het
slachtoffer ziet na verloop van tijd in iedereen in haar omgeving een potentiële stalker. De
stalker wil ook hier de macht uitoefenen over zijn slachtoffer en geniet van
de opwinding die dat met zich mee
brengt. In de voornoemde gevallen is de
stalker vaak een persoon die een persoonlijkheidsstoornis heeft. De meeste stalkers neigen naar het
schizofrene. De stalkers zijn onberekenbaar en deinzen nergens voor terug. Geen enkel middel laten zij
ongemoeid om het doel te behalen. Hierin schuilt ook het gevaar voor het slachtoffer als deze niet
op tijd hulp krijgt, of hierom zelf vraagt. 14.3 Omgaan met slachtoffers van
stalking. Het slachtoffer komt naar het
bureau om aangifte te doen. Het slachtoffer ziet dit als laatste redmiddel in de strijd tegen de stalker.
Voordat het slachtoffer hulp komt zoeken bij de politie is er toch gauw een periode van enkele maanden geweest
waarin het slachtoffer zelf heeft geprobeerd om de stalking op te lossen. Als het slachtoffer bij de politie
aanklopt is de tijd van bemiddelen reeds geweest. Er is in 90% van de gevallen geen mogelijkheid meer om
te bemiddelen. In de gevallen dat bemiddelen nog
wel mogelijk is, is de stalking nog niet zo lang aan de gang. In deze gevallen is de kans echter
ook klein dat door bemiddeling de stalking stopt. Er moet rekening gehouden met het
feit dat het slachtoffer zeer emotioneel is. Het slachtoffer zoekt echt hulp. Dit wordt wel eens
onderschat. Er zijn gevallen bekend dat een slachtoffer al negen jaar vecht tegen haar stalker. Hierbij
komt ook nog het feit dat zij constant tegen een juridische muur op loopt. In de ogen van het
slachtoffer neemt de politie haar zaak niet serieus en probeert de zaak af te schuiven. De politie beschouwt het
slachtoffer als een zeur die alweer aan het bureau komt met een wazig verhaal. Het slachtoffer
heeft al meerdere klachten tegen de politie ingediend omdat zij in haar ogen niet serieus genomen wordt.
Door deze klachten wordt zij bijna niet meer geholpen en krijgt zij niet de hulp die zij nodig heeft.
Zij wil haar gezin beschermen en is bezig met het treffen van maatregelen tegen haar stalker.
Deze maatregelen zijn dusdanig dat als zij dit gebruikt er slachtoffers gaan vallen. Het verhaal wat door het
slachtoffer verteld wordt is vaak warrig en bestaat uit meerdere verhalen van misdrijven die gepleegd zijn.
Hierdoor is het moeilijk in te schatten om wat voor misdrijf het gaat. Stalking bestaat uit meerdere
misdrijven en vervelend gedrag. Het slachtoffer zal toch vaak met een verhaal komen dat zij bedreigd
wordt. Hiervan wordt dan een aangifte opgenomen en komen deze zaken vaak onder op de stapel. Als
er een lange tijd overheen gaat wordt de zaak vergeten, dit is geheel niet wat het slachtoffer
wil. Het slachtoffer wil snel geholpen
worden omdat zij niet meer normaal kan functioneren en hierdoor in grote psychische problemen komt.
Als de zaak dan in behandeling wordt genomen is in de tijd van aangifte en in behandeling nemen
vaak meer gebeurd. In sommige gevallen hebben de stalkers daadwerkelijk toegeslagen en is er
een ernstig misdrijf gepleegd. Dan komt hulp voor het slachtoffer te laat. Bij het eerste contact met het
slachtoffer door een politiemedewerker dient de zaak niet
onderschat te moeten worden. Laat het slachtoffer zijn verhaal
doen en maak dan de inschatting of het om stalking gaat of om een los staand feit. Slachtoffers van stalking maken
vaak wel duidelijk dat het over een lange periode speelt en dat er toch een bepaalde systematiek in
zit. De stalker moet wel een bepaald doel hebben met het gedrag jegens het slachtoffer. 14.4 Intake gesprek Voordat er een daadwerkelijke
aangifte opgenomen gaat worden wordt er met het slachtoffer een “intake gesprek” gehouden.
Voordat iemand wordt uitgenodigd voor een intake gesprek moet er voorwerk gedaan worden. Dit houdt
in dat in het bedrijfsprocessensysteem gezocht moet worden naar relevante gegevens omtrent stalker
en slachtoffer, zoals vakere meldingen die de collegae op straat hebben afgehandeld etc…) Het doel van het intake gesprek is
het uitwisselen van informatie om er voor te zorgen dat het slachtoffer weloverwogen tot een
beslissing kan komen met betrekking tot het wel of niet doen van aangifte. Het opnemen van een
aangifte is vaak een tijdrovende klus en er moet veel tijd voor uitgetrokken worden. Als later
blijkt dat het niet om een stalking gaat of het slachtoffer trekt alsnog de aangifte in is het een verlies van
tijd. Naast dit belang voor de verbalisant, wil men het ook een onnodige belasting voor het
slachtoffer voorkomen. Bij dit intake gesprek wordt er
uitvoerig gesproken met het slachtoffer. De gehele situatie wordt
doorgesproken. Aan het slachtoffer worden tips gegeven hoe zij goed kan omgaan met de situatie. Hierbij
wordt gebruik gemaakt van een protocol voor slachtoffers. In dit protocol is ook een voorbeeldbrief
gevoegd. Deze brief kan gestuurd worden aan de stalker. Middels deze brief wordt aan de stalker
duidelijk gemaakt dat het slachtoffer in zijn geheel geen contact met de stalker wil hebben. Deze brief
wordt ook gebruikt als ondersteunend bewijs. (zie verder bewijsvoering). N.b. het protocol
en de brief zijn als bijlagen bijgevoegd. Het slachtoffer wordt ook in
contact gebracht met slachtofferhulp. Zij zijn voor verdere opvang van het slachtoffer. Tijdens het intake gesprek wordt
ook aan het slachtoffer verteld dat de aangifte een tijdrovende klus is en dat daar een aparte afspraak
voor gemaakt moet worden. Ook wordt het slachtoffer duidelijk gemaakt dat het traject wat
gevolgd word een lange termijntraject is. De stalker zal niet gelijk de dag na de aangifte in de cel zitten. Tijdens het intake gesprek zal het
slachtoffer duidelijk gemaakt worden dat de politie niet 24 uur per dag voor de deur kan liggen om het
slachtoffer te beschermen, maar dat er wel afspraken met een politiemeldkamer gemaakt kunnen
worden. Ook is er een mogelijkheid dat onder strenge voorwaarden het slachtoffer en mobiel
alarmeringssysteem kan krijgen. Het slachtoffer wordt ook verteld
dat in de klacht/aangifte veel persoonlijke dingen gevraagd gaan worden. Indien het slachtoffer emotioneel
is of wordt dan dient hier uiteraard correct mee worden omgegaan. Door het contact wat er vanaf dat
moment met het slachtoffer is wordt aan het slachtoffer toch een handreiking gedaan om hulp te
bieden. Het slachtoffer weet dat haar zaak serieus genomen wordt en begint weer hoop te krijgen. De afspraak voor de daadwerkelijke
aangifte volgt kort op het intake gesprek. In die tussentijd kan het
slachtoffer ook bewijsmateriaal vergaren, hierbij wordt gedacht aan brieven en tijdstippen van bellen. Na het intake gesprek blijft er,
zo mogelijk, een intensief contact tussen slachtoffer en verbalisant. Dit geeft het slachtoffer een bepaalde
rust zodat zij de maatregelen kan treffen welke zijn besproken tijdens het intake gesprek. 14.5 Aangifte/Klacht Stalking is een klachtdelict.
Stalking wordt alleen op klacht vervolgd. Hier dient terdege rekening mee gehouden worden. Als er alleen een
aangifte opgenomen wordt gaat de hele zaak niet door. Voor het opnemen van de klacht
moet, zoals geschreven, een lange tijd uitgetrokken worden. In de klacht worden alle gebeurtenissen
genoteerd welke voorgevallen zijn. Stel het slachtoffer op haar
gemak. Maak duidelijk dat wij er voor het slachtoffer zijn en dat wij willen helpen. Laat eventueel een
vertrouwenspersoon bij het verhoor toe, zoals bijvoorbeeld een kennis of iemand van slachtofferhulp,
waardoor het slachtoffer zich gesteund voelt. Bedenk wel dat deze persoon onbruikbaar is als
getuige!. Bij de klacht wordt begonnen met
de relatie die het slachtoffer heeft gehad met de stalker. Als er een onbekende stalker is wordt
begonnen met het tijdstip waarop het eerste contact was. Hierna worden alle gebeurtenissen
in chronologische volgorde genoteerd. Elke minimale vorm van contact wordt beschreven. Bij de
klacht moet immers aangetoond worden of het systematisch is en moet het duidelijk worden wat de
stalker wil van het slachtoffer. Laat tijdens het opnemen van de
klacht het slachtoffer zoveel mogelijk vertellen en begin pas met schrijven als het gehele verhaal
in vogelvlucht is gedaan en ook duidelijk is. Het is beter om een slachtoffer iets meerdere malen te
laten vertellen dan dat het slachtoffer iets een keer verteld en dat het dan onduidelijk op papier
komt. Zo wordt er voorkomen dat er dan wederom contact moet worden gezocht met het slachtoffer om een
aanvullende verklaring af te leggen. Probeer in de klacht zoveel
mogelijk namen van eventuele getuigen te noteren. Dit is erg belangrijk voor het vervolg van het
onderzoek. Eventuele papieren die overhandigd
worden dienen ook verwerkt te worden in de klacht. Laat het slachtoffer duidelijk
maken wanneer en op wat voor tijdstippen zij lastig gevallen wordt. Dit is vooral van belang als de belaging
vaak over de telefoon is. Vraag ook duidelijk de telefoonprovider en het telefoonnummer van het
slachtoffer. Geef ook duidelijk aan hoe het
slachtoffer zich onder de omstandigheden voelt. In de klacht is het ook van belang
dat de stalker op de hoogte is van het feit dat het slachtoffer geen contact meer met de stalker wil.
Dit kan middels de brief welke bij het protocol geleverd is. Doe tijdens het opnemen van de
klacht geen loze beloftes. Voor het slachtoffer is er niets erger dan zich ergens op te richten terwijl
dat achteraf niet waar blijkt te zijn. 14.6 Verder onderzoek. Tijdens het verdere onderzoek is
het te zeerste aanbevolen om het slachtoffer steeds op de hoogte te houden van hetgeen er gebeurd.
Door dit contact kan ook snel ingegrepen worden als er zich weer iets voordoet. Alle gebeurtenissen
naar het slachtoffer toe welke na het doen van de klacht voorvallen, dienen in een relaas gezet te
worden. Hou bij het verdere onderzoek voor
ogen dat het belang van het slachtoffer voor gaat. Mocht het in de tijd van het onderzoek blijken dat
de stalking al geruime tijd gestopt is dan kan in overleg met het slachtoffer ervoor gekozen worden
om de zaak nog even te laten rusten. Eventuele getuigen die nog gehoord moeten worden zullen dan
nog wel gehoord moeten worden. Spreek met het slachtoffer af dat de zaak zover afgehandeld
wordt dat als er zich weer iets voorvalt in korte tijd er gelijk ingegrepen
kan worden. Zorg er dus voor dat
het onderzoek bijna rond is op het aanhouden en het horen van de verdachte na. In het verdere onderzoek dienen
zoveel mogelijk onafhankelijke getuigen gehoord te worden. Hierbij word gedacht aan de directe buren
en eventueel mensen uit de werkomgeving die ook iets gezien hebben. Ook zullen de familieleden
gehoord moeten worden. Laat in de verklaringen die afgelegd worden ook blijken of het
slachtoffer erg veranderd is in haar doen en laten. Dit is vooral belangrijk voor het aantonen van de noodzaak
van een onderzoek. Zorg dat de verklaringen goed op papier komen. Bij eventuele mishandelingen die
gepleegd zijn door de stalker en waarbij het slachtoffer bij een dokter is geweest, moet een
medische verklaring worden aangevraagd. Dit dient als ondersteunend bewijs. Bij de belaging over de telefoon
moet in overleg met de Officier van Justitie een bijzondere bevoegdheid aangevraagd worden om
de historische gegevens van de telefoon te kunnen opvragen. Dit is meestal een kwestie van 3
á 4 weken voordat de gegevens door de telefoonmaatschappij worden aangeleverd. Alle handelingen dienen genoteerd
te worden in een relaas. Tijdens het onderzoek heeft het
slachtoffer waarschijnlijk al contact gehad met slachtofferhulp. Stel slachtofferhulp ook op de hoogte
van het onderzoek. Zij kunnen hiermee ook hun voordeel doen ten opzicht van het slachtoffer. Ook
kan bepaalde informatie uit de hoek van slachtofferhulp nuttig zijn voor het onderzoek. LET OP: tijdens het gehele
onderzoek staat het belang van het slachtoffer voorop. Het slachtoffer moet niet het
gevoel krijgen dat zij in de steek gelaten wordt door de hulpverlenende instanties. Hier kan de
verbalisant een grote rol in betekenen. Door het contact dat de verbalisant met het slachtoffer heeft kan deze
snel ingrijpen in bepaalde situaties. De verbalisant kan bepaalde hulpverleners informeren hoe de
zaken ervoor staan. Slachtoffers ervaren doodgewoon steun van een verbalisant als deze alleen al wil
luisteren. 14.7 Officier van Justitie Bij het gehele onderzoek speelt de
Officier van Justitie een grote rol. Hij zal moeten bepalen of een bepaalde zaak sterk genoeg is om
voor te laten komen. Hou dan ook goed contact met de Officier van Justitie. Leg hem in eerste
instantie het gehele verhaal uit. Vertel ook het te volgen traject. Mocht een Officier van Justitie bij voorbaad
al zeggen dat het geen haalbare zaak is omdat het verhaal niet “sterk” genoeg is dan kan er
gekeken worden wat voor traject er gevolgd moet worden om de zaak wel sterk te krijgen. Uit het
intake gesprek is gebleken dat er bij het slachtoffer inderdaad sprake is van Stalking. De Officier van Justitie zal
uiteindelijk ook toestemming moeten geven voor een aanhouding buiten heterdaad en moet ook toestemming
geven voor een onderzoek na de historische gegevens van de telefoon. Zorg dat de Officier van Justitie
goed wordt ingelicht over de feiten zodat hij/zij het ook als stalking zal onderkennen. De Officier van Justitie is een
erg belangrijke factor in het onderzoek. Met hem staat of valt een onderzoek. Geen medewerking
betekent geen zaak. 14.8 Verdachte In het belang van het onderzoek is
het noodzakelijk dat de verdachte aangehouden wordt. In het voortraject dient elk
contact met de verdachte te worden vermeden. De verdachte zal soms op het bureau verschijnen om
informatie te vragen over de zaak. Dit is meestal een gevolg op de brief die zij heeft ontvangen. Een
slachtoffer kan ook bij de verdachte hebben aangegeven dat zij de politie heeft ingeschakeld. Hierdoor is
het contact met de verdachte onvermijdelijk. Dit contact kan het verder onderzoek in de weg staan. Als een verdachte wordt
uitgenodigd middels een brief of telefonisch om een verklaring af te leggen aan het bureau is het gedwongen
karakter eraf en dit kan het verhoor in de weg staan. Daar er op Stalking voorlopige
hechtenis staat heeft de Officier van Justitie de bevoegdheid om toestemming te geven voor een
aanhouding buiten heterdaad. Als er voldoende verdenking is en de zaak is goed doorgesproken met de
Officier van Justitie moet een aanhouding buiten heterdaad geen probleem zijn. Met de Officier van Justitie dient
ook de mogelijkheid tot voorgeleiding bij de Rechter Commissaris besproken worden. Dit is een
behoorlijk wapen in de strijd tegen de stalker. Bij de voorgeleiding bestaat de
mogelijkheid dat de RC een geschorste bewaring onder voorwaarden oplegt. Deze voorwaarden houden
vaak in dat de verdachte geen contact mag zoeken met het slachtoffer. Vaak wordt ook een
strafrechterlijk straat-, en contactverbod door de rechter opgelegd. De voorlopige hechtenis geeft de
mogelijkheid om de verdachte in verzekering te stellen. Daar de aangiftes meestal bestaan uit een
zeer groot verhaal is het vaak ondoenlijk of onmogelijk om de verdachte binnen de 6 uren geheel
te horen. In het belang van het onderzoek zal de verdachte in verzekering gesteld moeten worden.
Het is vaak niet goed mogelijk om een goede kloppende verklaring te verkrijgen van een
verdachte. Mocht de verdachte voorgeleid worden voor de RC dan is inverzekeringstelling geen
probleem. De aanhouding dient dus tactisch
gepland te worden. Dus niet op vrijdagmiddag. Mocht het onverhoopt toch
voorkomen dat de verdachte zich vervelend bij het slachtoffer gaat gedragen en een strafbaar feit ten
opzicht van het slachtoffer plegen dan dient de verdachte op heterdaad aangehouden te worden.
Indien de stalkingszaak voldoende te bewijzen valt kan dan de eventuele voorgeleiding voor de RC
later geregeld worden. Indien de stalking niet voldoende
hard te maken is dan kan eventueel artikel 540 van het wetboek van strafvordering worden toegepast.
Ook hiervoor geldt dat de verdachte aan de RC moet worden voorgeleid. De politie heeft dan
maximaal 2 dagen voor verder onderzoek en het maken van een proces-verbaal. De OVJ ( en niet
de HOVJ) stelt de verdachte te allen tijde gedurende het onderzoek inverzekering. In het voortraject dienen alle
mogelijkheden en voorgeleidingen reeds besproken met de Officier van Justitie. De normale inverzekeringstelling
zal door een Hulp Officier van Justitie bevolen dienen te worden. Hier dienen binnen het district
goede afspraken over gemaakt te worden. Daar het hier lange verhalen en verklaringen betreft is, kan de
HOVJ vaak overtuigd worden van de noodzaak van de inverzekeringstelling. Breng het slachtoffer in ieder
geval op de hoogte van het feit dat de verdachte is aangehouden. Spreek ook met het slachtoffer af
dat wanneer de verdachte vrij komt zij gelijk op de hoogte gesteld wordt. Dit geeft bij het
slachtoffer ook een bepaalde rust. 14.9 Verhoor verdachte Het verhoor van de verdachte kan
op verschillende manieren. Een ieder hanteert een andere manier van verhoren. Hierbij echter wat tips geven
waarmee je tijdens het verhoor rekening kan houden:. De verdachte is meestal iemand die
zelf ook met psychische problemen rondloopt. Vaak is er iets in haar verleden gebeurd waardoor hij
dit gedrag vertoont. Probeer de verdachte op een zeer
sociale manier te benaderen en gooi niet gelijk alle feiten op de tafel. Begin ook met de relatie die hij
gehad heeft met het slachtoffer. Probeer uit te vinden waarom deze relatie er niet meer is of waarom
het slachtoffer volgens de verdachte niets met hem wil beginnen. Probeer ook een zwakke plek te
vinden bij de verdachte. Meestal is de zwakke plek van de verdachte toch het onbegrip van het
slachtoffer ten opzichte van hem. Probeer de verdachte te laten
merken dat je de situatie waarin hij/ zij verkeert begrijpt. Probeer zo het vertrouwen van de
verdachte te winnen. Hierdoor zal hij makkelijker gaan praten. Laat de verdachte in het begin
zijn visie geven van het verhaal en laat hem uitspreken. Praat ook over andere dingen in
het leven van de verdachte. Begin na al deze dingen langzaam
de verdachte te confronteren met de feiten zodat hij op een gegeven moment geen kant meer uit
kan. Blijf steeds op je hoede tijdens
het verhoor. De verdachte van stalking is meestal een onberekenbaar persoon. Voordat je het door hebt
kan hij omslaan en zichzelf of een ander wat aandoen. Als je het gesprek op de
vriendelijke toon houdt is de kans dat de verdachte “flipt” en daardoor dichtslaat het kleinst. De verdachte kan iemand zijn met
een persoonlijkheidsstoornis, houdt hier rekening mee. 14.10 Nazorg. Nazorg: Als de verdachte wordt vrijgelaten
of in bewaring gesteld wordt is de hulpverlening door slachtofferhulp reeds in werking
gesteld. Het slachtoffer wil nog graag op de hoogte gesteld worden van het onderzoek. In het kader
van de nazorg is het dus ook van belang dat het contact tussen de verbalisant en het slachtoffer
blijft. Dit contact is minder intensief dan in het begin van de zaak. Door dit contact zal het slachtoffer
sterker worden en meer vertrouwen krijgen en dit is weer een stap in de richting van een normaal leven. 14.11 Civiele procedure Maak het slachtoffer ook duidelijk
dat zij via een advocaat een civiel straat-, contactverbod kunnen aanvragen. Dit kan via een kort
geding. 14.12 Problemen Na het intake gesprek kan een
slachtoffer van aangifte af willen zien. Vaak is het slachtoffer te
emotioneel en te ver in de psychische problemen dat zij de aangifte/klacht niet (meer) durft te doen. Ook zijn de slachtoffers vaak bang
voor de gevolgen die kunnen ontstaan nadat zij aangifte/klacht hebben gedaan. Dwing een slachtoffer niet om
aangifte te doen. Zij moet zelf de keuze maken. De verbalisant moet wel een
afspraak met het slachtoffer maken dat hij over een paar weken contact zal opnemen en dan de situatie zal
doorspreken. Misschien is er dan wel genoeg voor het slachtoffer gebeurd dat zij toch wel een
aangifte/klacht wil (durft) doen. Denk aan de mogelijkheid om
ambtshalve te vervolgen. Het volgende probleem wat zich kan
voordoen is dat de getuigen niet een verklaring durven af
te leggen. Maak de getuigen duidelijk dat
zonder hun verklaringen de zaak nooit rond kan komen. Veel getuigen zullen ook bang zijn
voor de gevolgen. Maak wel duidelijk dat de politie niet 24 uur per dag op de getuigen kan passen. Probeer toch de getuigen zover te
krijgen dat zij wel een verklaring willen afleggen. Overigens kan het vastleggen van
de getuigen die om redenen van veiligheid niet willen getuigen ook meetellen in de bewijsvoering. De officier van Justitie wil geen
medewerking verlenen voor het aanhouden buiten heterdaad. Zorg dat er voldoende concrete
contacten zijn vastgelegd en zorg dat duidelijk is wat de gevolgen voor het slachtoffer zijn en wat
de bedoelingen van de stalker zijn. Overtuig de officier van Justitie
dat het van belang is dat de verdachte aangehouden moet worden i.v.m. met de lange verhalen en
het intensieve onderzoek. Zeg daarbij ook dat de aanhouding
in het belang van het slachtoffer is. Als de verdachte uitgenodigd wordt voelt hij zich nog steeds
machtig en kan hij dit na het verhoor reflecteren op het slachtoffer. De hulpofficier wil de verdachte
niet in verzekering stellen. Goede afspraken in het district
kunnen deze problemen oplossen. Mocht de HOVJ dan nog de verdachte
niet in verzekering willen stellen, probeer hem dan te overtuigen dat het echt
noodzakelijk is in het belang van het onderzoek, namelijk de duur van de verhoren, de verklaring van de
verdachte kan nader verhoor/onderzoek noodzakelijk maken, zoals nader verhoor van getuigen of het
slachtoffer of nader onderzoek telecommunicatie. Er dienen mogelijk confrontaties te worden
gehouden of foto’s te worden gemaakt voor confrontatie enz. Zelfs het veiligstellen van
strafvervolging of -oplegging kan het noodzakelijk maken in verzekering te
stellen bijvoorbeeld zodat er een foto kan
worden gemaakt om later bij de uitvoering van de straf persoonsverwisseling te voorkomen 14.13 De stalker gaat door. De echte Die-Hard stalker zal
nergens van terugschrikken. Ook al krijgt hij nog zoveel straf. Dit is dan ook het grote gevaar van een
stalker. Zoals eerder besproken zal een stalker pas stoppen als haar doel bereikt is. Hoe hier mee om te gaan? Neem wederom een aangifte op en
begin weer met het horen van getuigen. Maak goede afspraken met de
Officier van Justitie over het te volgen traject. Alleen volhouden kan het
slachtoffer eventueel redden. Mocht dit allemaal niet helpen dan
zal het slachtoffer moeten gaan kiezen om toch te gaan verhuizen naar een onbekende bestemming waar
zij het leven weer op kan pakken. Dit is een behoorlijke stap voor het slachtoffer maar soms is
het onvermijdelijk. 14.14 Eindgesprek. Door langdurige en intensieve
contacten, waaronder de bespreking van emoties en intieme onderwerpen, ontstaat tussen het
slachtoffer en de verbalisant vaak een band. Het op verantwoorde wijze beëindigen van het contact
met het slachtoffer komt beide partijen te goede. Het voeren van een eindgesprek
dient enerzijds te leiden tot verheldering door de verbalisant van onduidelijkheden en/of
beantwoording van (alsnog gerezen) vragen van het slachtoffer. Anderzijds wordt het slachtoffer geïnformeerd
over de gevolgde procedure in het onderzoek en het vervolg. Het eindgesprek kan, afhankelijk
van de ontwikkelingen in het onderzoek, op verschillende momenten in het proces plaatsvinden. Indien
er geen aangifte is gedaan, kan wel een verwijzing, al dan niet door bemiddeling van de verbalisant,
naar een hulpverleningsinstantie, een advocaat, et cetera aan de orde komen. Ook na afsluiting van
het onderzoek kan zo’n verwijzing nog tot stand worden gebracht 15. Informatie uitwisseling • U mag niet altijd (aan
iedereen) informatie verstrekken over slachtoffers en verdachten. • Dit heeft te maken met de wet
op de privacy. Met toestemming van betrokkene mag u derden (hulpverleners)
informeren. • Voor een overzicht van
instellingen / instanties waarmee informatie uitgewisseld mag worden wordt verwezen naar het
“Privacy reglement” zoals vermeld op het intranet. 16. Registratie geweld in
huiselijke kring • Gebruik in BPS zoveel mogelijk
de code 343 en de projectcode huiselijk geweld. Koppel de projectcode aan het
proces. • De verschillende vormen van
geweld in huiselijke kring worden in het Wetboek van Strafrecht niet in aparte
artikelen omschreven, wel zijn er verschillende artikelen die op vormen van geweld in huiselijke
kring van toepassing kunnen zijn. • Dit zijn de artikelen
betrekking hebbend op verschillende vormen van mishandeling (art 300-303 WvSr), seksuele
misdrijven (art 240b e.v. W.v.Sr), misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid, waarbij
gedacht moet worden aan dwang, bedreiging, opzettelijke vrijheidsberoving,
schaking (art 284, 385, 282, 281, W.v.Sr), vernieling, (art 350 W.v.Sr), huisvredebreuk
(art 138 W.v.Sr) en sinds juli 2000 ook belaging/stalking (art 285 b
W.v.Sr). Alleen kinderdoodslag (art 290 W.v.Sr) is een misdrijf dat alleen door de moeder
kan worden gepleegd. • Andere gevallen zijn niet als
vormen van geweld in huiselijke kring herkenbaar wanneer ze niet apart worden
geregistreerd, wat betekent dat er (nog) geen inzicht is in het aantal en de aard van de
door justitie afgehandelde zaken betreffende deze vormen van geweld. • Zonder aparte registratie
komen deze zaken op de grote stapel terecht en worden ze behandeld als -bijvoorbeeld-
anderen gevallen van eenvoudige mishandeling, met de kans dat ze door middel van
een transactie worden afgedaan. Deze afhandeling draagt er niet toe bij
dat het geweld ophoud. Om een registratie bij het Openbaar Ministerie tot stand te
brengen is het om te beginnen noodzakelijk dat de politie deze zaken geoormerkt
aanmerkt. • Het muteren van incidenten
inzake geweld in relaties is uiterst belangrijk. Daarvoor moet de projectcode huiselijk
geweld worden ingevoerd aangevuld met een nadere specificatie om welke vorm van
huiselijk geweld het zich handelt. • Wanneer een zaak is
doorverwezen en wanneer een zaak is opgelegd (in verband met het later kunnen voegen) wordt
dit geregistreerd in een BPS-mutatie. Bijlagen 1. Formulier 350 Meldingsformulier
huiselijk geweld 2. Formulier 351 Aanzegging
wederrechtelijke belaging 3. Formulier 352
Gespreksbevestiging 4. Stappenplan voor slachtoffers
van belaging 9 maart 2004 Regio Gelderland-Midden Werkgroep Aanpak geweld in
Huiselijke Kring BIJLAGE 1: Politie Gelderland-Midden BPSFORM 350 District: Unit: Adres: Behandelaar: Rechtstreeks tel.nummer: BPS-nr: Dossier-nr: Aan: HERA VROUWENOPVANG :
Fax-nr 026-3525811 BURO JEUGDZORG ARNHEM / ZEVENAAR :
Fax-nr 026-3644351 BURO JEUGDZORG EDE :
Fax-nr 0318-691255 KAIROS ARNHEM :
Fax.nr 026-3529779 MELDINGSFORMULIER HUISELIJK GEWELD L.S. Op (datum) werd bij de
politieregio Gelderland-Midden melding/aangifte gedaan van huiselijk geweld. Korte omschrijving van gebeurde (oa
aangewend geweld, bedreigingen, letsel, enz.) Kinder(en) aanwezig in woning :
ja/nee De melding/aangifte werd gedaan
door: Naam: Voornamen: Geboorteplaats en –datum: Adres: Woonplaats: Slachtoffer: J/N ( ) Hij/Zij verklaart mee te
werken aan het hulpverleningstraject en heeft geen bezwaar tegen verstrekking van de
benodigde gegevens. (handtekening) Harri de Vries 01-07-2005 Dader(s)gegevens: Naam: Voornamen: Geboorteplaats en –datum: Adres: Woonplaats: Relatie tot melder/aangever: ( ) Hij/Zij verklaart mee te
werken aan het hulpverleningstraject en heeft geen bezwaar tegen verstrekking van de
benodigde gegevens. (handtekening) Andere
Slachtoffer(s)/Betrokkene(n): Naam: Voornamen: Geboorteplaats en –datum: Adres: Woonplaats: Relatie tot melder/aangever: Naam: Voornamen: Geboorteplaats en –datum: Adres: Woonplaats: Relatie tot melder/aangever: Aankruisen indien van toepassing
en eventueel aanvullen: ( ) Wie heeft/hebben het gezag
over minderjarige(n): beiden / moeder / vader / anders: ( ) Eerdere politie-interventies:
J/N ( ) Bestaande contacten met
hulpverleningsinstanties te weten: Aanhouding verdachte: (datum en
plaats) Heenzending verdachte: (datum en
plaats) Voorgeleiding verdachte: (datum en
plaats) Huidige verblijfplaats verdachte: 1 ingevuld exemplaar faxen naar
betreffende instantie 1 ingevuld exemplaar naar Jeugdcoördinator
betreffende Unit Harri de Vries 01-07-2005 Bijlage 2 P O L I T I E Regio Gelderland Midden District:………………………. Afdeling:……………………… Formulier: 351 Aanzegging wederrechtelijkheid
belaging BPS
mutatienummer:………………………………….. Hierbij verklaar ik, als
slachtoffer/ benadeelde, Achternaam : Voornamen : Geboortedatum : Geboorteplaats : Adres : Woonplaats : van belaging (stalking) gepleegd
door: Achternaam : Voornamen : Geboortedatum : Geboorteplaats : Adres : Woonplaats : hierna aangeduid als “pleger”, (X) dat ik vanaf (datum
dagtekening van deze brief) op geen enkele wijze nog contact met pleger wens te hebben (X) dat ik daartoe zelf geen enkel
initiatief zal nemen ( ) dat eventueel noodzakelijke
contacten m.b.t. kinderen, huisvesting, goederen, scheiding etc. alleen via een
advocaat / andere bemiddelaar (naam advocaat/ bemiddelaar:
……………………….……..) dienen plaats te vinden Aard belaging (X) dat de belaging tot op heden
bestaan heeft uit: Aard handeling Frequentie ( ) in of bij de woning komen
…………………………………….. ( ) (achter)volgen
…………………………………….. ( ) telefonisch lastigvallen
…………………………………….. ( ) brieven of andere post
versturen …………………………………….. ( ) voicemail/sms/e-mail versturen
…………………………………….. ( ) lastigvallen van derden
…………………………………….. ( ) anders, nl.
……………………... ……………………………………. ( )
……………………………………
…………………………………….. Kenbaar gemaakt aan pleger: ( ) dat ik hiervan op de volgende
wijze(n) reeds kenbaar heb gemaakt aan pleger dat dit gedrag voor mij ongewenst
is: ( ) ik heb pleger persoonlijk op
zijn gedrag aangesproken ( ) ik heb pleger middels
voicemail/ sms/ e-mail op zijn gedrag aangesproken ( ) ik heb pleger door derden op
zijn gedrag laten aanspreken, namelijk door: ………………………………………………….
(naam bemiddelaar) ( ) ik heb pleger op andere wijze
op gedrag aangesproken, namelijk …………………………………………………. ( ) ik heb pleger niet eerder op
zijn gedrag aangesproken ( ) ik heb reeds eerder aangifte
bij de politie gedaan, namelijk op (dag/ maand/ jaar) ( ) op andere wijze, namelijk
…………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………….. (X) dat elk contact van pleger op
welke wijze dan ook direct of indirect, door mij zal worden aangemerkt als
belagingshandeling en zal worden gemeld bij de plaatselijke politie (X) dat bij voortduring van deze
handelingen de belaging het karakter van stelselmatigheid heeft en ik dit
beschouw als een inbreuk op mijn persoonlijke levenssfeer, waarvan
aangifte/klacht zal volgen bij de politie (X) dat daarbij de
wederrechtelijkheid en onwenselijkheid van het gedrag van pleger middels deze brief mijnerzijds
reeds is benadrukt Andere van belang zijnde
opmerkingen: (X) Deze brief zal in eventuele
processtukken worden aangehaald als “Brief aanzegging belaging” ( ) Deze brief is uitgereikt aan
de pleger en door hem / haar voor gezien ondertekend ( ) Deze brief is NIET door de
pleger ondertekend, omdat ………………………………… …………………………………………………………………………………………………. ( ) De inhoud van deze brief is
aan de pleger bekend gemaakt. ( ) De inhoud van deze brief is
niet aan de pleger bekend gemaakt, omdat……………… .…………………………………………………………………………………………………. Afschrift ( ) ik heb een afschrift van deze
brief ter kennisgeving verzonden aan de plaatselijke politie, waar deze brief zal
worden bewaard en gevoegd bij een eventuele aangifte/klacht mijnerzijds bij voortduring
van de belaging ( ) ik heb geen bezwaar dat (een
afschrift van) deze brief gevoegd wordt bij de processtukken, indien een
strafrechtelijke procedure tegen de pleger aanhangig wordt gemaakt Informatie t.b.v. politie Op (dag/ maand/ jaar) werd (de
inhoud van) deze brief op de volgende wijze aan de pleger bekend gemaakt: ( ) deze brief is in het bijzijn
van de volgende politieambtenaren van de politie regio Gelderland-Midden, (namen en
dienstnummers) aan de pleger uitgereikt ( ) de inhoud van deze brief werd
in het bijzijn van de volgende politieambtenaren van de politie regio Gelderland-Midden,
(namen en dienstnummers) aan de pleger bekend gemaakt ( ) deze brief werd persoonlijk
door mij aan de pleger overhandigd, in bijzijn van ………………………………………………………………………………………… ( ) deze brief werd door mij
aangetekend aan de pleger verzonden naar het adres: …………………………………………………………………………………………… ( ) deze brief werd door mij via
e-mail aan de pleger verzonden naar het e-mailadres: …………………………………………………………………………………………… ( ) de inhoud van deze brief is
door mij niet in het bijzijn van de politie bekend gemaakt aan de pleger Daar waar een ( ) voor de zinsnede
is geplaatst, is deze van toepassing voorzover het is aangekruist. Datum: Plaats : …………………...............
……………………….. Benadeelde Pleger Indien betrokken: ……………………………… Verbalisant Bijlage 3 P O L I T I E Regio Gelderland Midden District:…………………….. Afdeling:…………………… Formulier: 352 Gespreksbevestiging (belaging/ huiselijk geweld) BPS mutatienummer
:………………………………………. Op (dag/ maand/ jaar) hebben wij: Verbalisant
:………………………………………. Functie
:………………………………………. Werkzaam binnen het
district:………………………………………. en Naam/ voornamen
:………………………………………. Geboorteplaats
:………………………………………. Huidige adres
:………………………………………. Huidige woonplaats
:………………………………………. Laatstgenoemde nader te noemen als
betrokkene, een gesprek gevoerd in het politiebureau te…………………….. De aan leiding van dit gesprek
was: ……………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………… ………… In het gesprek is het navolgende
besproken: ( ) Betrokkene zal zich
nadrukkelijk onthouden van alle vormen van geweld of ander strafbaar gedrag ten aanzien van
het slachtoffer/ benadeelde: Naam/ voornamen : Geboortedatum : Geboorteplaats : Adres : Woonplaats : ( ) Betrokkene zal zich
nadrukkelijk onthouden van alle vormen van geweld of ander strafbaar gedrag ten aanzien van
kinderen, familieleden en/ of kennissen van het slachtoffer/ benadeelde. ( ) Betrokkene zal zich voor (dag/
maand/ jaar) vrijwillig aanmelden bij Kairos. ( ) Betrokkene gaat akkoord met
het vertrekken van politiegegevens aan Kairos. ( ) Betrokkene geeft toestemming
voor consultatie met hulpverleningsinstellingen. ( ) Het is betrokkene bekend dat
hem een straat/ contactverbod is opgelegd. Betrokkenen zal zich aan dit
straat/ contactverbod houden. ( ) Betrokkene zal zich houden aan
de opgelegde/ overeengekomen bezoekregeling. ( ) Betrokkene is op de hoogte van
het feit dat deze gespreksbevestiging kan worden gevoegd bij processtukken, indien
een strafrechtelijke procedure tegen hem/ haar aanhangig is of wordt gemaakt. ( ) Betrokkene is op de hoogte van
het feit dat er melding is gedaan bij het Advies- en meldpunt kindermishandeling. Daar waar een ( ) voor de zinsnede
is geplaatst is deze van toepassing voorzover het is aangekruist. Datum: Plaats: ……………………………….
……………………………… Betrokkene Verbalisant Bijlage 4: Stappenplan voor slachtoffers van
belaging (stalking) Stap 1 Onderken
zelf uw probleem U wordt belaagd en de belager zal
daar, zo is de ervaring, uit eigen Wil niet gauw mee stoppen! Belaging kan in allerlei
verschijningsvormen voorkomen, zoals telefonisch lastig vallen, producten toesturen,
achtervolgen, roddelen, maar ook geweldgebruik waaronder bedreigen, mishandelen,
huisvredebreuk en intimidatie enz. Vaak bedient de Belager zich van meerdere
middelen! Praat er met objectieve anderen
over of hetgeen u gebeurd normaal is of dat er kan worden gesproken van belaging! Stap 2 Neem
een besluit wat u hiertegen gaat doen: Negeren of bestrijden. Opmerking: negeren heeft geen vaak
geen enkele zin, omdat de belager ervan uit gaat dat u het of niet erg vindt
of dat u er niet tegenin durft te gaan. Hoe eerder u dus uw grenzen aangeeft door actie
te ondernemen, hoe beter. Stap 3 Onderken
dat actief bestrijden vaak geen korte termijn politiek is doch langdurig en voortdurend inzet van u vraagt,
(veel) geduld en incasseringsvermogen Stap 4 Organiseer
een goede achtervang (HULP) Mensen in uw directe omgeving
waarop u emotioneel en/of praktisch kunt terugvallen als het nodig is en
die u dan willen en kunnen steunen. Stap 5 Organiseer
een goede dossiervorming van elke actie (hoe miniem ook) die uw belager neemt. • Neem foto's of leg zaken vast
op video • Neem (telefonische) gesprekken
op • Noteer alle bijzonderheden in
een journaal met dag en tijdstip • Print E-mail berichten uit en
schrijf SMS-berichten op • Zorg bij (directe) contacten
altijd voor eventuele getuigen (tenminste 1) • Zorg bij al uw sociale
contacten (school, club, crèche, enzovoort) dat u tenminste op één vriend(in),
collega of medewerker kunt terugvallen. Vraag of deze wil getuigen van
eventuele voorvallen. • Vraag familie, kennissen,
vrienden, huisarts, wijkagent en dergelijke te beschrijven welke relatie u hebt
met uw belager en hoe zij zijn/haar gedrag inschatten. Ook een eventueel
motief van uw belager is hierbij belangrijk! Vraag ze vooral op te schrijven
wat ze zelf gezien en gehoord hebben van het gedrag van de belager Stap 6a Stel
uw belager exact op de hoogte van wat U wilt en VOORAL NIET WILT! Benoem de punten die u niet wilt
als zijnde dat de belager u daarmee lastig valt. Doe dit altijd per aangetekende
brief of schrijven van uw advocaat (Voorbeeldbrief) Indien u in een beginfase
verkeert, kunt u eerst proberen te laten bemiddelen door een onpartijdig persoon die zowel
uw vertrouwen als het vertrouwen van de belager geniet. Ook een wijkagent
kan hier diensten verlenen. Het best werkt het als u een persoon vraagt te
bemiddelen die in hoog aanzien staat bij de belager. Tips om aan te denken bij
bemiddeling of het schrijven van een brief. • Stel regels voor contact op
als er noodzakelijke contacten in stand moeten blijven (in verband met een
relatie). Denk bijvoorbeeld aan een apart emailadres of mobiele telefoon (voicemail!)
dan weet u wie er belt of mailt of beter nog wie er heeft gebeld. • Stel eventuele regels op voor
bezoeken aan je woon- en werkadres. Verbied de toegang (evt. onder
voorwaarden) tot u woning met toepassing van artikel 138 Wetboek van
Strafrecht. Vraag aan uw werkgever of hij/zij
hetzelfde wil doen voor uw werkadres. • Stel regels over de manier en
de wijze van communiceren (met respect, tijdstippen, plaatsen enz) • Stel regels op voor het op
straat of in openbare gelegenheden "tegen komen" Laat dit bijvoorbeeld
alleen toe als u niet alleen bent!!! In combinatie met het laatste punt
maakt u vervolging door achtervolgen beter mogelijk! • Stel eventueel aanvullende
regels op al naar gelang uw omstandigheden. • Benoem alle overige wijze van
contact opnemen als Ongewenst! Uiteraard neemt u een geheim
telefoonnummer en wijst u iedereen erop dit absoluut geheim te houden. Uw
belager kan immers contact opnemen via uw aparte (prepaid) mobiele telefoon.
Hier kunt u tijden voor instellen en bovendien voicemail inschakelen. Hierdoor
creëert u rust voor uzelf, omdat u niet iedere keer in angst zit wie er belt. Stap 6b Deel
hem in uw schrijven mede wat de consequenties zijn als hij in strijd met uw wil toch blijft lastig vallen. Duidelijkheid verschaffen staat
hier voorop !! • Van elk strafbaar feit (hoe
gering ook) zal aangifte bij de politie worden gedaan! Bijvoorbeeld: Hinderlijk volgen en
hinderlijk ophouden op de openbare weg, huisvredebreuk, bedreiging (ook
mondeling en telefonisch), enz. • Overige ongewenste acties
en/of zaken worden vastgelegd en periodiek gerapporteerd aan de politie en uw
advocaat, zodat vervolging terzake Belaging (artikel 285b Wetboek van
Strafrecht) kan worden ingesteld. • Daarnaast zal middels een
civiele procedure een straatverbod en schadevergoeding worden gevorderd. • Indien strafbare feiten
hiertoe aanleiding geven kunt u justitie vragen rechterlijke bevelen op te leggen
conform de regeling neergelegd in artikel 540 van het Wetboek van
Strafvordering. Door deze handelwijze toont u uw
belager dat u het ernstig neemt en dat u vastbesloten bent niet toe te
geven. U heeft hierdoor kans dat hij zijn acties staakt of vermindert. Anders heeft u de
voorwaarden geschapen voor het (later) nemen van effectieve maatregelen tegen
de belager. Stap 7 Doe
precies wat u in uw schrijven tegen uw belager hebt gezegd! Consequent handelen is uw belangrijkste wapen
in de strijd tegen de belager. Elke afwijking van eerder handelen ziet uw
belager als een handvat om verder te gaan!!! Aanvullende regels handelt u
altijd schriftelijk en aangetekend af. Stap 8 Bel
bij constateren van strafbare feiten DIRECT de politie via het alarmnummer
112. Voorbeelden van strafbare feiten:
belediging, bedreiging, mishandeling, huisvredebreuk, vernielingen,
hinderlijk tegen uw wil blijven volgen/ opdringen, hinderlijk ophouden op de openbare
weg, u de weg blokkeren, u klem rijden met een voertuig enz.
Als u het ziet gebeuren of het
overkomt u op dat moment, is het namelijk een zogenaamde heterdaad situatie en
kan de politie de belager aanhouden en verbaliseren. Met bellen moet u
dan ook niet lang wachten, want de heterdaad situatie verloopt na een bepaalde
tijd en dan kan de politie bij geringe feiten minder goed optreden. Stap 9 Vraag
de politie en justitie bij stap 8 de procedure van artikel 540 Wetboek van Strafvordering toe te
passen. Dit kan alleen als aan strikte
voorwaarden wordt voldaan! Deze procedure kan echter sneller worden toegepast
dan dat vervolging via het nieuwe wetsartikel Belaging mogelijk is. Het is
verder Makkelijker als een civiele
procedure. Toepassing van de 540 procedure
kan bij elk strafbaar feit, echter alleen als het op heterdaad ontdekt is en als u
kunt aantonen dat 1. de belager door zal gaan met
lastig vallen en 2. dat het strafbare feit veel
angst/ onrust bij u en/ of de omgeving, zoals buren, familie en kennissen teweeg heeft
gebracht, bijvoorbeeld door de brute wijze van uitvoeren of doordat er al veel
aan vooraf is gegaan. Als u Stap 5 goed heeft uitgevoerd kan deze u hierbij
helpen! Vraag de politie (anders) om
(aanvullende) maatregelen te nemen ter bescherming van u en uw gezin.
Ook kan de politie vaak speciale
alarmeringsafspraken maken, zodat de politie: a. snel begrijpt hoe ernstig de
situatie is en b. snel kan ingrijpen. Eventueel kan men zelfs video- en/
of afluisterapparatuur plaatsen om zaken gemakkelijker te bewijzen.
Heeft dit alles niet het gewenste
resultaat vraag dan een advocaat of er een civiele procedure kan worden
opgestart om een straat- en contactverbod af te dwingen.
Probeer dit via een zogenaamd kort
geding. Om een straat- en contactverbod te krijgen heeft u ook weer stap 5
nodig! Vraag bijstand van
slachtofferhulp. Zij kunnen u verder helpen en begeleiden bij procedures. Zeker als er strafzaken gaan
spelen is de morele en praktische ondersteuning van deze ervaren mensen heel
nuttig en handig. Stap 10 Herhaal
stap 8 en 9 zo vaak als nodig is! Stap 11 Neem
zodra het kan (één) van de maatregelen van stap 6b Stap 12 Blijf
alert! Ook als een maatregel is of wordt opgelegd. Bedenk dat alleen volhouden u kan redden. Zorg dan
ook voortdurend voor een goede achtervang. Voorwoord Uit de
kabinetsnota “Privé geweld – publieke zaak” blijkt dat huiselijk geweld
de meest voorkomende geweldsvorm in onze samenleving is. De feiten op
een rij uit een onderzoek van het Ministerie van Justitie (1997): ·
In Nederland is meer dan een kwart van de bevolking (in een
bepaalde periode of meerdere perioden van zijn of haar leven) wekelijks of
dagelijks slachtoffer (geweest) van huiselijk geweld. ·
27% van de ondervraagden is ooit slachtoffer geweest van
huiselijk geweld dat zich wekelijks of dagelijks manifesteerde. ·
Bij 21% van de ondervraagden duurde dat geweld
langer dan vijf jaar. ·
Slechts 12% van de slachtoffers had het geweld gemeld bij de
politie. In de helft van die gevallen volgde uiteindelijk een aangifte.Daar
komt bij dat zich reeds gemiddeld 27 incidenten hebben voorgedaan voordat
huiselijk geweld gemeld wordt bij de politie. Uit
onderzoek van het WODC naar alle 225 moorden uit 1998, bleek dat in ruim 70
zaken dader en slachtoffer in een intieme relatie tot elkaar stonden. Onderzoek
onder TBS-patiënten in Nederland toont aan dat 80% van hen als kind
verwaarloosd, mishandeld of seksueel misbruikt was. Kinderen,
die al dan niet rechtstreeks slachtoffer (bijv. als getuige) zijn geweest van
huiselijk geweld, blijken op latere leeftijd drie maal zoveel kans te lopen om
dader van geweld te worden. Kinderen die opgroeien in een sfeer van huiselijk
geweld hebben aanmerkelijk vaker problemen of vertonen vaker probleemgedrag
dan andere kinderen. Ook vertonen zij eerder crimineel en gewelddadig gedrag
dan andere kinderen. Gelet op de
impact van het probleem voor betrokkenen en de samenleving, heeft het kabinet
zich op het standpunt gesteld dat huiselijk geweld gestopt moet worden
en staat een integrale aanpak voor. Door
het kabinet wordt benadrukt dat de regierol voor de aanpak van huiselijk
geweld bij de gemeenten ligt. Als
voorbeeld van een dergelijke aanpak binnen de politieregio Gelderland-Midden
kan dienen het project Integrale aanpak van Huiselijk Geweld, waarin
organisaties uit zowel de justitiële als de preventieve keten nauw
samenwerken, onder regie van de gemeente Arnhem. Dit project heeft vooralsnog
een lokale werking. De plv.
korpschef van de regiopolitie Gelderland-Midden/Districtschef AVZ, de wnd.
hoofdofficier van justitie van het Arrondissementsparket Arnhem, alsmede de
unitmanager van Reclassering Nederland te Arnhem, maken regiobrede afspraken
om te komen tot een sluitende en effectieve repressieve aanpak van huiselijk
geweld. Deze afspraken
richten zich op het stoppen van geweld en voorkomen van herhaling, het zorgdragen
voor de veiligheid van betrokkenen, adequate
opsporing en vervolging van de dader en het zorgdragen voor goede verwijzing naar (dader)hulpverlening. Het bereiken
van resultaten hangt direct samen met gelijktijdige hulpverlening aan zowel
daders, slachtoffers (meest vrouwen) en kinderen. Effectief overheidsoptreden
vraagt om een adequate afstemming van het strafrechtelijk traject met het
hulpverleningsaanbod. Daarom worden gelijktijdig afspraken gemaakt met
relevante hulpverleningsinstanties. Hiertoe is een afzonderlijk
samenwerkingsprotocol opgesteld (zie bijlage).
Dhr. drs.
J.M.J.M. van Deursen Wnd. korpschef
Dhr. mr.
B.W.J.Steensma
Wnd. Hoofdofficier van
justitie Dhr. Ch.
Baltussen
unitmanager Partijen
verklaren zich, voor wat betreft de door hun vertegenwoordigde organisatie, te
verplichten tot: -
het uitvoering (doen) geven aan de in de bijlage
bij dit protocol genoemde samenwerkingsafspraken; -
het verzorgen van afdoende interne communicatie binnen de
organisaties aangaande de in dit verband gemaakte afspraken tussen de
deelnemende partijen; Definities: Huiselijk
geweld: Geweld
dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is/wordt gepleegd,
ongeacht de plaats waar het geweld wordt gepleegd. Geweld:
Geestelijke of lichamelijke aantasting van iemands persoonlijke
integriteit Huiselijke
kring: De
huiselijke kring bestaat uit (ex-)partners, gezinsleden, familieleden en
huisvrienden Huisvrienden:
Personen die een vriendschappelijke band onderhouden met het
slachtoffer of met iemand uit de onmiddellijke omgeving van het slachtoffer en
die het slachtoffer in huiselijke sfeer ontmoeten Doelstelling van de samenwerking: Partijen
willen door middel van samenwerking het volgende bereiken: 1.
Het in individuele gevallen stoppen en voorkomen van herhaling
van huiselijk geweld 2.
Het zorgdragen voor de veiligheid van betrokkenen 3.
Het opzetten van adequate opsporing en vervolging van de dader 4.
Het zorgdragen voor goede verwijzing naar (dader)hulpverlening. Looptijd van de samenwerking: -
Voor 1 april 2006 vindt gezamenlijke besluitvorming plaats met
betrekking tot voortzetting van de samenwerking. Evaluatie -
De samenwerking tussen de partijen wordt tussentijds en aan het
einde geëvalueerd. -
De inhoud van de evaluatie zal zich richten op de onderlinge
communicatie tussen de deelnemende partijen en ketenopvolging. Daarnaast zal
aan de hand van een te houden nulmeting de effectiviteit van de aanpak gemeten
worden door onder andere te meten of de recidive binnen de groep is afgenomen. Ondertekening: Plaats: Arnhem
Datum:
maart 2004 Dhr. drs.
J.M.J.M. van Deursen Wnd. korpschef Dhr. mr. B.W.J.
Steensma
Wnd. Hoofdofficier van
justitie Dhr. Ch.
Baltussen
unitmanager 1.
Alle meldingen en signalen omtrent huiselijk geweld worden serieus
genomen 2.
Alle meldingen/incidenten van huiselijk geweld worden op
eenduidige wijze geregistreerd. 3.
Onverminderd artikel 2 worden zedenzaken, voor zover van
toepassing, behandeld conform de daarvoor geldende afspraken binnen en tussen de
politie en het OM en de aanwijzingen van het College van procureurs-generaal. 4.
Bij alle meldingen en signalen omtrent huiselijk geweld wordt als
handvat voor de benadering van het slachtoffer het “ABCDEF-model” gehanteerd: A:
Ask
Stel vragen, oordeel niet B:
Believe
Neem het verhaal serieus C:
Call
Bel voor ondersteuning voor het slachtoffer (familie, vrienden, medische
hulp) D:
Document
Leg het verhaal vast E:
Ensure safety
Bespreek en waarborg zoveel mogelijk de veiligheid van het slachtoffer F:
Follow-up
Informatie verstrekken, helpen bij het maken van afwegingen en nazorg
verlenen 5.
Te allen tijde draagt de politie er zorg voor dat het geweld ter
plaatse wordt gestopt. 6.
Indien nodig brengt de politie het slachtoffer naar een veilige
plek. De hulpverlening heeft de verantwoordelijkheid te zorgen voor een veilige
plek. 7.
Als uitgangspunt geldt dat de dader altijd aangehouden (zowel op
als buiten heterdaad) en dat het justitiële traject ingezet wordt. 8.
Zo veel als mogelijk wordt bevorderd dat het slachtoffer aangifte
doet. Bij het opnemen van de aangifte dienen minimaal de volgende elementen aan
de orde te komen: -
algemene beschrijving van de relatie -
beschrijving van: ·
de verandering in de relatie (incl. afhankelijkheidspositie) ·
het eerste geweldsincident ·
een typisch/markant geweldsincident ·
het ergste geweldsincident ·
het laatste geweldsincident ·
indien mogelijk: bewijsmateriaal (foto’s) -
de ideeën van het
slachtoffer over de toekomst 9.
Een eenmaal gedane aangifte kan niet meer worden ingetrokken en er
zal in principe altijd vervolging worden ingesteld. 10.
Indien de aangever/benadeelde niet meer achter de aangifte staat,
dient dat door hem/haar schriftelijk en gemotiveerd kenbaar te worden gemaakt
aan het OM. Dit kan geschieden door rechtstreekse toezending aan het OM, danwel
door voeging in het proces-verbaal. 11.
Indien een aangifte achterwege blijft, vindt overleg plaats met
het Openbaar Ministerie over ambtshalve vervolging. De beslissing hangt af van
de ernst en de stelselmatigheid van het geweld en de mate van afhankelijkheid
die er is tussen slachtoffer en dader. 12.
Indien er geen aangifte is gedaan en ambtshalve vervolging is niet
mogelijk, tracht de politie de dader en het slachtoffer zoveel mogelijk te
motiveren voor vrijwillige hulpverlening. 13.
Alle (informatie m.b.t.) meldingen/incidenten van huiselijk geweld
worden zorgvuldig gemuteerd. Zo nodig wordt een afspraak op persoon of locatie
gemaakt. Een
mutatie bevat minimaal: ·
volledige omschrijving van de situatie ·
samenvatting relaas alle betrokkenen, eventuele aanwezigheid van
kinderen ·
eventuele eerdere kontakten met hulpverlening of politie ·
door politie ondernomen actie ·
gemaakte afspraken ·
voorgestelde advies voor verwijzing ·
de door de politie geïnformeerde instanties ·
nazorg-activiteiten van de politie 14.
Alle processen-verbaal van huiselijk geweld worden schriftelijk
gemeld bij het Openbaar Ministerie. Daarnaast worden: ·
slachtoffers doorverwezen naar Slachtofferhulp (conform
standaardprocedure); ·
vrouwelijke slachtoffers doorverwezen naar Hera Vrouwenopvang (bij
behoefte aan onderdak en/of zorg), ·
minderjarigen die als getuige of slachtoffer betrokken zijn,
doorverwezen naar Bureau Jeugdzorg. 15.
In 6-uurszaken neemt de politie contact op met de parketsecretaris
omtrent de vraag of een AU-dagvaarding en/of een leerstraftransactie dient te
worden uitgereikt, danwel nader onderzoek gewenst is. In
het geval dat besloten wordt tot een sepot, blijft het dossier bij de politie en
draagt de politie zorg voor registratie. 16.
In het geval van inverzekeringstelling overlegt de hulpofficier
van justitie met de (piket-)officier van justitie over de vraag of de verdachte
dient te worden voorgeleid of dat deze kan worden heengezonden. 17.
Zowel bij heenzending in 6-uurszaken, als in zaken waarin
inverzekeringstelling is bevolen, verzoekt het OM aan de reclassering rapportage
omtrent verdachte uit te brengen. 18.
Termijn inzending proces-verbaal Huiselijk Geweld: -
Indien sprake is van een AU-afdoening, zorgt de politie ervoor dat
het proces-verbaal binnen 14 dagen na aanhouding van de verdachte aan het OM
wordt toegezonden. -
Indien geen sprake is van een AU-afdoening, zorgt de politie
ervoor dat het proces-verbaal binnen 30 dagen na aanhouding van de verdachte aan
het OM wordt toegezonden. -
Indien sprake is van een voorgeleiding, zorgt de ploitie ervoor
dat het proces-verbaal binnen 6 weken na voorgeleiding van de verdachte aan het
OM wordt toegezonden. 19.
Alle processen-verbaal ter zake van huiselijk geweld worden als
“Huiselijk geweld”-zaak gemerkt en als zodanig herkenbaar ingezonden naar
het OM. 20.
De politie zorgt voor een kwalitatief goed dossier, indien
relevant, voorzien van foto’s en medische verklaringen. 21.
De werkwijze van de Politie Gelderland-Midden is conform het
opgestelde werkproces “opsporen verdachten geweld huiselijke kring” d.d.
februari 2004.
Openbaar Ministerie en Reclassering Werkafspraken
strafrechtelijke aanpak huiselijk geweld Arrondissement Arnhem 1.
De officier van justitie en/of parketsecretaris die door de
politie wordt gebeld over een mogelijke huiselijk geweldzaak*, verifieert of er
sprake is van huiselijk geweld zoals bedoeld in de Aanwijzing**. 2.
Indien de officier van justitie en/of secretaris, na
beoordeling van het dossier op bewijsbaarheid en volledigheid, besluit tot
vervolging wordt aan de Reclassering verzocht om te beoordelen of verdachte in
aanmerking komt voor een daderhulpverleningstraject. 3.
De officier van justitie en/of secretaris beslist vervolgens
over de afdoeningsmodaliteit.
Er zijn drie modaliteiten: ·
Indien de verdachte door de Reclassering geschikt wordt bevonden
voor een daderhulpverleningstraject zal de afdoening schriftelijk plaatsvinden
door het aanbieden van een transactie-leerstraf
waarbij tevens een dagvaarding wordt
uitgereikt op het politiebureau voor een zitting binnen een termijn van
drie maanden (het proces-verbaal wordt binnen 14 dagen ingezonden). Indien
verdachte de leerstraf verricht zal deze dagvaarding worden ingetrokken. ·
Indien de verdachte door de Reclassering niet geschikt wordt
bevonden voor een daderhulpverleningstraject zal een dagvaarding op het
politiebureau worden uitgereikt voor een zitting binnen een termijn van drie
maanden (het proces-verbaal wordt binnen 14 dagen ingezonden). Aan de
Reclassering wordt verzocht een rapportage op te stellen vóór die zitting. ·
Het voorgeleiden van de verdachte bij de rechter-commissaris opdat
verdachte in bewaring wordt gesteld. Aan de Reclassering wordt verzocht een
rapportage op te stellen met een beschrijving van het eventuele
hulpverleningsaanbod aan de verdachte en zo mogelijk tussentijds te rapporteren.
Zowel de rechter-commissaris als de raadsman dienen ten tijde van de
voorgeleiding te beschikken over een kopie van deze aanvraag. 4.
Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt,
beziet de officier van justitie – gelet op de ernst van de feiten – de
mogelijkheid tot schorsing van de voorlopige hechtenis (met bijzondere
voorwaarden) en voert daarover overleg met de Reclassering. 5.
De officier van justitie draagt er zorg voor dat alle
betrokkenen (reclassering, slachtoffer en politie) onverwijld in kennis worden
gesteld van een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis en de daarbij
behorende voorwaarden. 6.
Na schorsing ziet de officier van justitie erop toe dat de
zaak binnen zes maanden op zitting wordt aangebracht (de Processen-verbaal
dienen binnen 6 weken te worden ingezonden). 7.
In die zaken waarin een dagvaarding is uitgereikt gaat de
officier van justitie na of de (geringe) ernst van het feit en/of de inhoud van
de reclasseringsrapportage aanleiding geven de zaak in te trekken en
voorwaardelijk te seponeren met een proeftijd van één of twee jaar met
bijzondere voorwaarden (bijvoorbeeld deelname aan een hulpverleningsvorm) binnen
een te stellen termijn. 8.
Wanneer het slachtoffer geen aangifte wil doen, zal de
officier van justitie overgaan tot ambtshalve vervolging indien sprake is van
een bewijsbaar strafbaar feit, dat aan minimaal één van de volgende criteria
voldoet. -
de geestelijke en/of lichamelijke integriteit van het slachtoffer
is/wordt ernstig bedreigd, gelet op de aard van het letsel en/of de frequentie
van het geweld; -
het slachtoffer bevindt zich evident in een
afhankelijkheidspositie waardoor hij/zij zich niet kan – of meent te kunnen
– onttrekken aan de invloedssfeer van verdachte (dit geldt altijd voor
minderjarigen) 9.
Op zitting verwijst de officier van justitie naar dit protocol
en hetgeen de reclassering omtrent de afdoening heeft geadviseerd. Indien de
verdachte reeds is begonnen met een behandeling of bereid is daaraan mee te
werken, wordt een – deels – voorwaardelijke straf geëist met een proeftijd
van twee jaar met bijzondere voorwaarden (verdere deelname aan behandeling).
In huiselijk geweld zaken is het eisen van een geldboete ongewenst omdat
een geldboete bij samenlevende partners tevens het slachtoffer treft. Wanneer is
gebleken dat de verdachte niet in aanmerking komt voor daderhulpverlening is het
vorderen van een zwaardere vrijheidsstraf geïndiceerd. 10.
Indien blijkt dat door de verdachte niet is voldaan aan de
bijzondere voorwaarde(n) wordt de zaak onverwijld op zitting aangebracht voor de
inhoudelijke behandeling ingeval van een voorwaardelijk sepot of op zitting
aangebracht voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de
opgelegde straf. 11.
Het slachtoffer wordt door de officier van justitie op de
hoogte gesteld van het verloop van de procedure. *
Huiselijk geweld is geweld dat
door iemand uit de huiselijke kring van het
slachtoffer wordt gepleegd. Hieronder vallen lichamelijke en seksuele
geweldpleging, belaging en bedreiging (al dan niet door middel van of
gepaard
gaand met beschadiging van goederen in en om het huis). **
Dit betreffen de volgende zaken
uit het Wetboek van Strafrecht: 1.
art. 300 mishandeling (inclusief verzwarende omstandigheden ex
art. 304) 2.
art. 138 huisvredebreuk 3.
art. 350 beschadiging goederen 4.
art. 255 iemand tot wiens onderhoud verdachte is verplicht in
hulpeloze toestand brengen of laten 5.
art. 284 dwang 6.
art. 287 jo 45 Sr poging doodslag 7.
art. 300 lid 2 Sr mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten
gevolge hebbend 8.
art. 302 (jo 45) Sr (poging tot) zware mishandeling 9.
art. 303 zware mishandeling met voorbedachten rade 10.
art. 304 betrekking hebbend op 300 t/m 303 indien begaan jegens
vader, moeder, echtgeno(o)t(e) of kind of door toediening van voor de gezondheid
schadelijke stoffen 11.
art. 257 iemand tot wiens onderhoud verdachte verplicht is in
hulpeloze toestand brengen of laten, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge
hebbend 12.
art.282 wederrechtelijke vrijheidsberoving, al dan niet zwaar
lichamelijk letsel ten gevolge hebbend 13.
art. 285 bedreiging 14.
art 285b belaging (klachtdelict) 15.
art.242 (jo 45) (poging tot) verkrachting (bij zedenzaken volgt
altijd overleg met de zedenovj) 16.
art.243 gemeenschap met bewusteloze of onmachtige (bij zedenzaken
volgt altijd overleg met de zedenovj) 17.
art.246 feitelijke aanranding der eerbaarheid (bij zedenzaken
volgt altijd overleg met de zedenovj) De
onder 6 t/m 17 genoemde zaken betreffen de zware zaken uit het Wetboek van
Strafrecht. Bij deze zaken is voorlopige hechtenis mogelijk, indien sprake is
van ernstige bezwaren en er tevens gronden aanwezig zijn voor de in
bewaringstelling.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
SAMENWERKINGSPROTOCOL
Strafrechtelijke
aanpak huiselijk geweld
Politieregio
Gelderland-Midden
Regiopolitie Gelderland-Midden
Openbaar
Ministerie Arnhem
Reclassering Nederland/Arnhem
Maart 2004
Partijen:
Partij 1
Regiopolitie Gelderland-Midden
Partij
2
Openbaar Ministerie
Arrondissementsparket
Arnhem
Partij 3
Reclassering Nederland, vestiging Arnhem
-
De samenwerking start op 1 april 2004 en eindigt op 1 april 2006
Partij 1
Regiopolitie Gelderland-Midden
Partij
2
Openbaar Ministerie
Arrondissementsparket
Arnhem
Partij 3
Reclassering Nederland, vestiging Arnhem
BIJLAGE
AFSPRAKEN
EN ROL PER ORGANISATIE
Regiopolitie Gelderland-Midden
Vanaf 1 januari 2007 gaat de *Wet Maatschappelijke Ondersteuning* in. Wat al direct opvalt is de financiële
ondersteuning voor vrouwen opvang. Mannen opvang? Niet nodig zo meent deze discriminatoire wetgeving.
Gelet op artikel 1, zesde lid, artikel 15, derde lid, artikel 19, tweede lid, artikel 20, eerste tot en met derde lid, en artikel 21, tweede lid, van de Wet maatschappelijke
ondersteuning en op de Kaderwet militaire pensioenen, de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, de Tabakswet, de Wet op de
jeugdzorg, de
Wet tarieven gezondheidszorg, de Kwaliteitswet
zorginstellingen,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet op
de
omzetbelasting 1968, de Wet werk en bijstand, de Wet werk en inkomen
kunstenaars,
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten,
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, Wet Invoering en
financiering
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet werk en
inkomen naar
arbeidsvermogen, de Ziektewet, de Wet inburgering
nieuwkomers,
de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Overgangswet
verzorgingshuizen;
De Raad van
State gehoord (advies van, nummer);
Gezien het
nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en
Sport van ;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Besluit van
houdende
regels met betrekking tot de
uitkeringen
ten behoeve van beleid op het
terrein van
openbare geestelijke
gezondheidszorg,
maatschappelijke
opvang,
vrouwenopvang en
verslavingsbeleid,
de
stimuleringsuitkeringen,
de eigen bijdrage
en de financiële
tegemoetkomingen op het
terrein van
maatschappelijke ondersteuning
en wijziging
van andere besluiten (Besluit
maatschappelijke
ondersteuning)
2
Hoofdstuk I
Definitiebepaling
Artikel 1
In dit besluit
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de
Wet maatschappelijke ondersteuning;
b. project:
een activiteit op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning
met een
incidenteel karakter;
c. uitkering:
een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 20 van de wet;
d.
stimuleringsuitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 21
van
de wet;
e.
maatschappelijke opvang: maatschappelijk opvang, vrouwenopvang
daaronder niet
begrepen;
f. peiljaar:
het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin aan een
persoon
maatschappelijke ondersteuning is verleend.
Hoofdstuk II
Uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van
openbare
geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang,
vrouwenopvang
en verslavingsbeleid
Artikel 2.1
Aan de in de
bij dit besluit behorende bijlage, onder A, opgenomen
gemeenten,
wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het
terrein van de
openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke
opvang en
verslavingsbeleid.
Artikel 2.2
Aan de in de
bij dit besluit behorende bijlage, onder B, opgenomen
gemeenten,
wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het
terrein van
vrouwenopvang.
Artikel 2.3
Uitkeringen
aan gemeenten ten behoeve van door hun besturen te voeren
beleid op de
terreinen van openbare geestelijke gezondheidszorg,
maatschappelijke
opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid worden door
Onze Minister
toegekend met inachtneming van de artikelen 2.4 tot en met
2.10.
Artikel 2.4
1. Onze
Minister beslist voor 15 januari van het kalenderjaar omtrent de
verlening. De
beschikking bevat de wijze waarop het bedrag dat wordt
verleend, is
bepaald.
2. Op de
verleende uitkering wordt maandelijks een voorschot verleend van
één twaalfde
deel van de verleende uitkering.
3. De
artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2.5
1. Bij de
verlening van een uitkering kan Onze Minister bepalen dat het
uitkeringsbedrag
door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de
ontwikkeling
van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de
arbeidsvoorwaarden.
3
2. Met het oog
op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de
verlening van
de uitkering tevens bepalen welk deel van het uitkeringsbedrag
in aanmerking
zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de
ontwikkeling
van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de
arbeidsvoorwaarden.
3. Indien een
uitkering met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan
de
bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
Artikel 2.6
1. Voor zover
na afloop van het kalenderjaar de uitkering niet is besteed aan
het doel van
de uitkering, kan het worden gereserveerd. De aldus
gereserveerde
bedragen kunnen uitsluitend worden besteed aan het doel
waarvoor de
uitkering werd verstrekt.
2. Het totaal
van de reservering, bedoeld in het eerste lid, gaat een
percentage van
30% van de verleende uitkering niet te boven.
Artikel 2.7
De bijlage bij
de jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin de
uitkeringsperiode
afloopt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in
artikel 58a
van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
gemeenten.
Artikel 2.8
Het college
van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk
schriftelijk
mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van
belang kunnen
zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van een
uitkering.
Daarbij worden de relevante stukken overgelegd. Artikel 4:49
van de
Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.9
Voor zover uit
de jaarrekening en de daarbij gevoegde
accountantsverklaring
en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel
213, derde en
vierde lid, van de Gemeentewet, blijkt dat de uitkering niet,
niet geheel of
niet rechtmatig besteed is, kan met inachtneming van artikel
2.6 het
niet-bestede bedrag, onderscheidenlijk het onrechtmatige bedrag
of het bedrag
waarvan de rechtmatige besteding onzeker is,
teruggevorderd
worden.
Artikel 2.10
Onze Minister
geeft binnen zes maanden na ontvangst van de
verantwoordingsinformatie,
bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en
verantwoording
provincies en gemeenten, een beschikking tot vaststelling van
de uitkering.
Artikel 2.11
Onze Minister
kan, gelet op het belang dat dit hoofdstuk beoogt te
beschermen,
artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover
strikte
toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Hoofdstuk III
Stimuleringsuitkeringen
§ 1. Het
aanvragen van een stimuleringsuitkering
Artikel 3.1.1
4
1. De aanvraag
voor een stimuleringsuitkering, anders dan ten behoeve van
een project,
wordt uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van het
desbetreffende
kalenderjaar ingediend.
2. Bij de
aanvraag wordt aangegeven welke activiteiten met behulp van de
stimuleringsuitkering
zullen worden gesubsidieerd, welke doelen daarmee
worden
nagestreefd en welke kosten met de activiteiten zullen
zijn gemoeid.
3. Onze
Minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde
aanvraagtermijn.
Artikel 3.1.2
1. Onze
Minister kan voor projecten stimuleringsuitkeringen verlenen die zich
uitstrekken
over meer dan één kalenderjaar.
2. Een
aanvraag van een stimuleringsuitkering ten behoeve van een project
wordt
uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van de periode waarop deze
betrekking
heeft, ingediend. Artikel 3.1.1, tweede en derde lid, is van
overeenkomstige
toepassing.
§ 2. Het
verlenen van een stimuleringsuitkering en de bevoorschotting
Artikel 3.2.1
1. Onze
Minister geeft een beschikking op de aanvraag binnen dertien weken
na ontvangst
van de aanvraag. Met het oog op de onderlinge afweging van
aanvragen kan
bij ministeriële regeling worden bepaald dat op aanvragen
wordt beslist
op of na een of meer bepaalde data in een kalenderjaar.
2. Indien de
beslissing een verlening inhoudt, wordt het bedrag van de
stimuleringsuitkering
vermeld dan wel de wijze waarop dit wordt bepaald en
welk bedrag
ten hoogste zal worden verleend.
3. De
artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige
toepassing.
Artikel 3.2.2
1. Nadat een
aanvraag voor een stimuleringsuitkering is ingediend, kan Onze
Minister
voorschotten verlenen.
2. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot
de bevoorschotting.
3. Indien de
aanvraag te laat wordt ingediend en Onze Minister de aanvraag
desondanks in
behandeling neemt, kan hij het verlenen van voorschotten
evenredig
later doen plaatsvinden.
Artikel 3.2.3
1. Bij de
verlening van een stimuleringsuitkering kan Onze Minister bepalen
dat het
uitkeringsbedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de
ontwikkeling
van het prijspeil of de ontwikkeling in de
kosten van de
arbeidsvoorwaarden.
2. Met het oog
op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de
verlening van
de stimuleringsuitkering tevens bepalen welk deel van het
uitkeringsbedrag
in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in
verband met de
ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten
van de
arbeidsvoorwaarden.
3. Indien een
stimuleringsuitkering met toepassing van het eerste lid wordt
bijgesteld,
kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
5
§ 3. Aan de
verlening van een stimuleringsuitkering verbonden
verplichtingen
Artikel 3.3.1
Het college
van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk
schriftelijk
mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van
belang kunnen
zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of
vaststelling
van een stimuleringsuitkering. Daarbij worden de relevante
stukken
overgelegd. Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht is
van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.3.2
Binnen zes
maanden na afloop van het jaar waarin een stimuleringsuitkering
is verstrekt,
zendt het college van burgemeester en wethouders een schriftelijk
verslag aan
Onze Minister over de activiteiten waarvoor een
stimuleringsuitkering
is verstrekt.
Artikel 3.3.3
1. Het college
van burgemeester en wethouders verstrekt aan de door Onze
Minister
aangewezen ambtenaren of andere personen op diens verzoek alle
bescheiden en
inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van
hun taak. De
bescheiden worden op één adres getoond en de inlichtingen, op
verzoek,
schriftelijk verstrekt. Indien het college slechts kan voldoen aan deze
verplichting
door inbreuk te maken op het recht van enig persoon op
bescherming
van zijn persoonlijke levenssfeer, verstrekt het college de
verlangde
gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar
zijn.
2. Ook
anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de
door Onze
Minister aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te
stellen hun
taak op een juiste wijze te vervullen.
3. Het college
van burgemeester en wethouders werkt mee aan door of
namens Onze
Minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht Onze
Minister
inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het
beleid.
Artikel 3.3.4
Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aan
de verlening
van bepaalde categorieën van stimuleringsuitkeringen te
verbinden
verplichtingen.
§ 4. De
vaststelling van een stimuleringsuitkering en betaling
Artikel 3.4.1
De bijlage bij
de jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin de
uitkeringsperiode
afloopt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in
artikel 58a
van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
gemeenten.
Artikel 3.4.2
Voor zover uit
de jaarrekening en de daarbij gevoegde
accountantsverklaring
en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel
213, derde en
vierde lid, van de Gemeentewet, blijkt dat de
6
stimuleringsuitkering
niet, niet geheel of niet rechtmatig besteed is, kan het
niet-bestede
bedrag, onderscheidenlijk het onrechtmatige bedrag of het
bedrag waarvan
de rechtmatige besteding onzeker is, teruggevorderd
worden.
Artikel 3.4.3
Onze Minister
geeft binnen zes maanden na ontvangst van de
verantwoordingsinformatie,
bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en
verantwoording
provincies en gemeenten, een beschikking tot vaststelling van
de
stimuleringsuitkering.
§ 5. Overige
bepalingen
Artikel 3.5.1
1. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
wijze waarop
het bedrag van een stimuleringsuitkering wordt berekend.
2. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien
van de
inrichting en de wijze van indiening van aanvragen, het activiteitenplan,
het
projectplan en het verslag.
Artikel 3.5.2
Artikel 2.11
is op dit hoofdstuk van toepassing.
Hoofdstuk IV
Eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen
Artikel 4.1
1. Indien de
gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid,
of artikel 19,
eerste lid, van de wet mag de in een kalenderjaar verschuldigde
eigen bijdrage
en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke
ondersteuning
waarvoor een financiële tegemoetkoming wordt verleend,
tezamen niet
meer bedragen dan:
a. voor de
ongehuwde persoon jonger dan 65 jaar € 16,40 per vier weken, met
dien verstande
dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 16 137 het
bedrag van €
16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het
verschil
tussen zijn inkomen en € 16 137;
b. voor de
ongehuwde persoon van 65 jaar of ouder € 16,40 per vier weken,
met dien
verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 14 162 het
bedrag van €
16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het
verschil
tussen zijn inkomen en € 14 162;
c. voor de
gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar
€ 23,40 per
vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke
inkomen meer
bedraagt dan € 20 810 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd
met een
dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke
inkomen en €
20 810;
d. voor de
gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn € 23,40 per vier
weken, met
dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer
bedraagt dan
€ 19 837 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd met een
dertiende deel
van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en
€ 19 837.
2. De
gemeenteraad kan voor alle groepen van personen, bedoeld in het
eerste lid,
het bedrag van € 16,40 en het bedrag van € 23,40 in gelijke mate
wijzigen, het
percentage van 15 in gelijke mate verlagen en de overige in het
eerste lid
genoemde bedragen in gelijke mate wijzigen.
7
3. Indien de
voorziening bestaat uit het verschaffen in eigendom van een
roerende zaak
dan wel een bouwkundige of woontechnische aanpassing van
een woning die
in eigendom is van de aanvrager, kan gedurende maximaal
vijfenzestig
perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening worden
gebracht dan
wel bij de vaststelling van de hoogte van de financiële
tegemoetkoming
gedurende maximaal die periode een met toepassing van de
daarvoor
geldende regels berekende bedrag in mindering worden gebracht.
Artikel 4.2
1. Het
inkomen, bedoeld in het artikel 4.1, tweede lid, bestaat uit het inkomen
over het
peiljaar van de ongehuwde persoon dan wel de gehuwden personen
tezamen, en
bedraagt:
a. indien met
betrekking tot het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of
wordt
vastgesteld: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet
inkomstenbelasting
2001, in het peiljaar;
b. in de
overige gevallen: het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet
op de
loonbelasting 1964, in het peiljaar.
2. Inkomen dat
in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van
belasting op
grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in
aanmerking
genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving
onderworpen.
3. In
afwijking van het eerste lid vindt op aanvraag van de persoon aan wie
maatschappelijke
ondersteuning is verleend een voorlopige vaststelling van
het
bijdrageplichtig inkomen plaats, indien redelijkerwijs te verwachten is dat
het inkomen in
het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het
inkomen,
bedoeld in het eerste lid.
4. Indien het
derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve
vaststelling
van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien
daarbij blijkt
dat het bijdrageplichtig inkomen minder dan € 1816 lager is
geweest dan
het inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve
vaststelling
plaats overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 4.3
Voor de
toepassing van de artikelen 4.1 en 4.2 wordt een wijziging in de
burgerlijke
staat van de ongehuwde persoon of gehuwde personen en het
bereiken van
een van belang zijnde leeftijd van een van deze personen in
aanmerking
genomen met ingang van de datum waarop die wijziging
plaatsvindt.
Artikel 4.4
De eigen
bijdrage wordt niet opgelegd voor zover:
a. binnen twee
jaar na aanvang van de maatschappelijke ondersteuning voor
de te betalen
eigen bijdrage geen beschikking dan wel voorlopige beschikking
tot
vaststelling van deze bijdrage is verzonden;
b. binnen een
jaar nadat de aanbieder van de maatschappelijke ondersteuning
de naam, het
adres en de woonplaats alsmede de omvang van de
maatschappelijke
ondersteuning heeft aangeleverd bij de op grond van artikel
16 van de wet
aangewezen rechtspersoon, deze rechtspersoon de naam, het
adres en de
woonplaats niet heeft teruggevonden in de gemeentelijke
basisadministratie.
Artikel 4.5
8
1. Bij
ministeriële regeling worden de bedragen van € 16,40 en € 23,40,
genoemd in
artikel 4.1, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor
de
gezinsconsumptie.
2. De
berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud
van € 0,2.
3. Bij de
jaarlijkse toepassing van het eerste lid wordt de afronding, bedoeld in
het tweede
lid, buiten beschouwing gelaten.
4. In
afwijking van het eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in
artikel 4.1,
jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de
ontwikkelingen
van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a,
van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het
tweede en het
derde lid zijn niet van toepassing.
Hoofdstuk V
Wijziging van andere besluiten
Artikel 5.1
Het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 wordt als
volgt
gewijzigd:
A. Artikel 1,
onderdeel k, komt te luiden:
k. Wmo: Wet
maatschappelijke ondersteuning;
B. In artikel
2, onderdeel k, wordt “van de WVG” vervangen door: van de
Wmo.
C. Artikel 3,
eerste lid, onderdeel b, onder 11, komt te luiden:
11. de Wmo;
D. In artikel
4 wordt “van de WVG” vervangen door: van de Wmo.
Artikel 5.2
In artikel 21
van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en
invaliditeitsvoorzieningen
militairen wordt “Wet voorzieningen gehandicapten”
vervangen
door: Wet maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 5.3
In artikel 21
van het Besluit bijzondere militaire pensioenen wordt “Wet
voorzieningen
gehandicapten” vervangen door: Wet maatschappelijke
ondersteuning.
Artikel 5.4
Artikel 21 van
het Reïntegratiebesluit vervalt.
Artikel 5.5
In artikel 3,
tweede lid, onderdeel c, van het Besluit beperking verkoop en
gebruik
tabaksproducten wordt “het welzijnsbeleid die zijn vermeld in artikel 2
van de
Welzijnswet 1994” vervangen door: maatschappelijke ondersteuning
als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke
ondersteuning.
Artikel 5.6
9
Het Besluit
gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK wordt
als volgt
gewijzigd:
A. In het
eerste lid van artikel 1 vervalt “, de Wet voorzieningen
gehandicapten”.
B. In artikel
3 vervalt “, Wvg”.
Artikel 5.7
Het
Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers wordt als volgt gewijzigd:
A. Artikel 3,
derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder
verlettering van onderdeel c in b vervalt onderdeel b.
2. In
onderdeel b vervalt “of onderdeel b”.
B. In artikel
7, eerste lid, onderdeel d, vervalt “op grond van de Welzijnswet
1994 of”.
Artikel 5.8
Het
Bijdragebesluit zorg wordt als volgt gewijzigd:
A. Aan artikel
4 wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. Op de
bijdrage worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke
ondersteuning
verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke
ondersteuning
en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke
ondersteuning
die bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming
ingevolge die
wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.
B. Aan artikel
14 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Op de
bijdrage worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke
ondersteuning
verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke
ondersteuning
en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke
ondersteuning
die bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming
ingevolge die
wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.
C. Het
opschrift van § 2 van hoofdstuk III komt te luiden:
§ 2.
Bijdragen voor persoonlijke verzorging en verpleging, indien er geen
sprake is van
verblijf.
D. Artikel 16d
wordt gewijzigd als volgt:
1. Het tweede
lid, komt te luiden:
2. De
bijdrage, bedoeld in het tweede lid, bedraagt per kalenderjaar niet meer
dan:
a. voor de
ongehuwde verzekerde jonger dan 65 jaar € 16,40 per vier weken,
met dien
verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 16 137 het
bedrag van €
16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het
verschil
tussen zijn inkomen en € 16 137;
b. voor de
ongehuwde verzekerde van 65 jaar of ouder € 16,40 per vier
weken, met
dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 14
162 het bedrag
van € 16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15%
van het
verschil tussen zijn inkomen en € 14 162;
10
c. voor de
gehuwde verzekerden indien een van beiden jonger is dan 65 jaar €
23,40 per vier
weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke
inkomen meer
bedraagt dan € 20 810 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd
met een
dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke
inkomen en €
20 810;
d. voor de
gehuwde verzekerde die beiden 65 jaar of ouder zijn € 23, 40 per
vier weken,
met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer
bedraagt dan
€ 19 837 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd met een
dertiende deel
van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en
€ 19 837.
3. Onder
vernummering van het derde lid tot vierde lid, wordt een lid
ingevoegd,
luidende:
3. Op de
bijdrage worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke
ondersteuning
verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke
ondersteuning
en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke
ondersteuning
die bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming
ingevolge die
wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.
E. In artikel
16e, derde lid, vervalt: , dan wel indien het inkomen in het lopende
jaar algemene
bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand betreft.
F. Artikel 19
wordt gewijzigd als volgt:
1. In het
eerste lid wordt na 16d ingevoegd: , voor zover het betreft de
bedragen van
€ 16,40 en € 23,40,.
2. Er wordt
een lid toegevoegd, luidende:
4. In
afwijking van het eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in
artikel 16d,
jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de
ontwikkelingen
van het minimumloon, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel h.
Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing.
Artikel 5.9
Bijlage B,
onder b, onderdeel 15, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting
1968 komt als
volgt te luiden:
15.
a.
instellingen die werkzaam zijn op het terrein van op preventie gerichte
ondersteuning
van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders
met problemen
met opvoeden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
onderdeel 2,
van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zover
werkzaam op
het gebied van het jeugd- en jongerenwerk;
b.
instellingen op het terrein van het bevorderen sociale samenhang in en
leefbaarheid
van dorpen, wijken en buurten als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder b,
onderdeel 1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zover
werkzaam op
het gebied van het club- en buurthuiswerk.
Artikel 5.10
Het Besluit
brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid wordt als volgt
gewijzigd:
A. Artikel 13
van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en
veiligheid
wordt als volgt gewijzigd:
1. In het
eerste lid wordt “10a, vierde lid, van de Welzijnswet 1994” vervangen
door: 17,
vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
11
2. Het tweede
lid vervalt.
3. Het derde
en vierde lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.
B. Artikel 30
vervalt.
Artikel 5.11
Artikel 11,
eerste lid, onderdeel a, van het Besluit WWB komt te luiden:
a. de
gemeenten opgenomen in de bijlage onder A van het Besluit
maatschappelijke
ondersteuning,
en.
Artikel 5.12
Het Besluit
zorgaanspraken AWBZ wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel
2, eerste lid, vervalt onderdeel a en worden de onderdelen b tot en
met o
verletterd tot a tot en met n.
B. Artikel 3
vervalt.
Artikel 5.13
In artikel 2
van het Zorgindicatiebesluit wordt “3” vervangen door: 4.
Artikel 5.14
In artikel 2
van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering
wordt “3 tot
en met 12” vervangen door: 4 tot en met 12.
Artikel 5.15
In artikel 9
van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg vervalt
“huishoudelijke
verzorging,”.
Artikel 5.16
Aan artikel 1
van het koninklijk besluit van 11 december 1996, houdende
uitvoering van
artikel 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen en
wijziging van
enige besluiten op grond van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (Stb. 639) worden, onder vervanging
van de punt
aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, twee
onderdelen
toegevoegd, luidende:
e. openbare
geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder e, van
de Wet maatschappelijke ondersteuning;
f.
huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van
de
Wet
maatschappelijke ondersteuning.
Hoofdstuk VI
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6.1
1. Tot 1
januari 2008 is de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is
verleend geen
eigen bijdrage ingevolge de wet verschuldigd, indien deze
persoon of
zijn echtgenoot een bijdrage als bedoeld in artikel 4 of artikel 14
van het
Bijdragebesluit zorg verschuldigd is.
2. Tot 1
januari 2008 blijft op een financiële tegemoetkoming als bedoeld in
artikel 19 van
de wet geen eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke
ondersteuning
voor rekening van de persoon aan wie een zodanige
12
tegemoetkoming
is verleend, indien deze persoon of zijn echtgenoot een
bijdrage als
bedoeld in artikel 4 of artikel 14 van het Bijdragebesluit zorg
verschuldigd
is.
Artikel 6.2
1. De Regeling
experimenten Wmo en de Tijdelijke stimuleringsregeling lokale
opvoedondersteuning
en gezinsondersteuning worden geacht te zijn
vastgesteld op
grond van artikel 21 van de wet en vervallen met ingang van 1
januari 2008.
2. De
artikelen 3.1.1 en 3.1.2 zijn op de in het eerste lid genoemde regelingen
niet van
toepassing.
Artikel 6.3
Dit besluit
treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Artikel 6.4
Dit besluit
wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
De
Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en
Sport,
13
Bijlage bij
het Besluit maatschappelijke ondersteuning
A. Gemeenten
waaraan een uitkering openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke
opvang
en
verslavingsbeleid wordt verstrekt
Almere
Apeldoorn
Assen
Bergen op Zoom
Delft
Den Helder
Doetinchem
Ede
Gouda
Hilversum
Hoorn
Oss
Purmerend
Spijkenisse
Vlaardingen
Vlissingen
B. Gemeenten
waaraan een uitkering vrouwenopvang wordt verstrekt
Almere
Apeldoorn
Delft
Den Helder
Ede
Gouda
Hilversum
Spijkenisse
Vlaardingen
Vlissingen
14
Nota van
toelichting
1. Algemeen
1.1. Inleiding
Dit besluit
stelt nadere regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo).
De opbouw van
dit besluit is als volgt. In hoofdstuk 1 zijn de definitiebepalingen
opgenomen. Hoofdstuk
2 regelt de
uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke
gezondheidszorg,
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en ambulante verslavingszorg.
Hoofdstuk 3
bevat bepalingen ten aanzien van de stimuleringsuitkeringen aan gemeenten.
In hoofdstuk
4 zijn de
bepalingen ten aanzien van eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen
neergelegd.
Hoofdstuk 5
regelt de wijziging van verschillende andere besluiten waarin naar de
Welzijnswet 1994 en
de Wet
voorzieningen gehandicapten( Wvg) wordt verwezen.
Hoofdstuk 6
bevat twee slotbepalingen.
Hier alvast de
opmerking dat de Wmo de Welzijnswet 1994 en de Wvg intrekt en dat daardoor
de
volgende
besluiten vervallen. Door het intrekken van de Welzijnswet 1994 vervallen
het
Bekostigingsbesluit
welzijnsbeleid, het Besluit afwijking verantwoordelijkheidstoedeling
welzijnsbeleid,
het Besluit
specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid en het
Tijdelijk
besluit kwaliteitsregels kinderopvang.
Door het
intrekken van de Wvg vervallen het Besluit rijksvergoeding
Wvg-woonvoorzieningen en het
Besluit
bijdrage AWBZ-gemeenten.
1.2 Openbare
geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwen opvang en
verslavingsbeleid
Op grond van
artikel 20 Wmo kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
specifieke
uitkeringen
verstrekken ten behoeve van gemeentelijk beleid op de terreinen van de
openbare
geestelijke
gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid.
Gemeenten die
een uitkering ontvangen worden daarmee door de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en
Sport financieel gestimuleerd en gefaciliteerd bij de uitoefening van een
bij de Wmo
opgedragen
taak. In vergelijking met de Welzijnswet 1994 blijft het stelsel van
specifieke uitkeringen
ongewijzigd.
Het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid
is daarom in zijn geheel opgenomen in hoofdstuk II van onderhavig besluit en
uitgebreid met
de openbare geestelijke gezondheidszorg. Daarbij is rekening gehouden met
het feit dat
27
centrumgemeenten de middelen voor deze prestatievelden sinds 2005 krijgen
uit de Brede
doeluitkering
sociaal, integratie en veiligheid.
De middelen
voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ) zullen aan de specifieke
uitkering
maatschappelijke
opvang en het verslavingsbeleid worden toegevoegd. Deze middelen zijn
bestemd
voor de
toeleiding tot zorg, te weten het signaleren, opsporen, contact leggen en
contacthouden, het
toeleiden zelf
én de ongevraagde nazorg. De verdeelsystematiek wordt nog uitgewerkt.
Hoofdstuk II
van het onderhavige besluit regelt op basis van artikel 20 van de Wmo aan
welke
gemeenten de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uitkeringen verstrekt.
Tevens stelt
dit besluit de regels vast ten aanzien van het bedrag van de uitkering dan
wel de wijze
waarop dit
bedrag wordt bepaald, de vaststelling van de uitkering, de intrekking of
wijziging van de
beschikking
tot verlening en vaststelling van de uitkering en de betaling, de
terugvordering van de
uitkering
evenals het verlenen van voorschotten op de uitkering.
1.3
Stimuleringsuitkeringen
15
Op grond van
artikel 21 van de Wmo kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
aan
gemeenten een
uitkering verstrekken ten behoeve van de stimulering van de maatschappelijke
ondersteuning.
Overeenkomstig het kabinetsstandpunt “Anders gestuurd, beter bestuurd”
naar
aanleiding van
de bevindingen en aanbevelingen van de Stuurgroep Brinkman (Kamerstukken II
2004/05, 29
800 B, nr. 16) wordt getracht nieuwe specifieke uitkeringen te voorkomen.
Slechts waar het
erom gaat de
totstandkoming van nieuwe voorzieningen te bevorderen of een nieuwe
samenhang
tussen
voorzieningen tot stand te brengen, zal naar dit middel worden gegrepen,
waarbij te allen tijde
het
beoordelingskader voor de specifieke uitkeringen zal worden gehanteerd.
Daarbij zal strikt de hand
worden
gehouden aan de voorwaarde dat een specifi eke uitkering wordt gehanteerd
wanneer er een
nationaal
politiek belang aan het doel wordt gehecht en er (nog) weinig vertrouwen is
dat de
medeoverheden
dit doel tot stand kunnen brengen.
De bepalingen
uit het onderhavige besluit komen zoveel mogelijk ove reen met die uit het
Besluit
volksgezondheidssubsidies
(Hoofdstuk VI. Uitkeringen aan provincies en gemeenten). De
desbetreffende
bepalingen uit het Besluit volksgezondheidssubsidies sloten overigens aan
bij die uit het
(inmiddels
vervallen) Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid.
Opgemerkt
dient te worden dat de bepalingen uit het Bekostigingsbesluit
volksgezondheidssubsidies
momenteel
worden geëvalueerd. Deze evaluatie zal er hoogstwaarschijnlijk toe leiden
dat de
uitvoeringsregels
voor subsidies en specifieke uitkeringen niet meer bij algemene maatregel
van bestuur
en ministeriële
regeling zullen worden gesteld, maar alleen nog maar bij ministeriële
regeling. Naar
verwachting
zullen de bepalingen omtrent specifieke uitkeringen inhoudelijk nagenoeg
ongewijzigd
blijven. De
wijzigingen zullen met name betrekking hebben op de bepalingen omtrent
subsidies.
Het is gewenst
de gemeenten in beginsel zoveel mogelijk vrijheid te geven ten aanzien van
de wijze
waarop zij de
betrokken activiteiten wensen uit te voeren. Dit uitgangspunt is de basis
voor de regeling
in hoofdstuk
III van het onderhavige besluit.
1.4 Eigen
bijdrage en financiële tegemoetkoming
In mijn brief
van 26 november 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 29 538, nr. 7) heb ik aan de
Tweede
Kamer kenbaar
gemaakt hoe met de invoering van de Wmo aan de eigen bijdrageregeling op
grond van
de Wmo en de
AWBZ vorm gegeven zal worden.
Bij de
behandeling van het wetvoorstel Wmo in de Tweede Kamer is een amendement van
het lid Van
Miltenburg c.s
aanvaard waardoor in artikel 4 van het wetsvoorstel een compensatiebeginsel
voor
gemeenten is
ingevoerd (Kamerstukken II 30 131, 2005/06, nr. 65). Dit compensatiebeginsel
geeft aan
college van
burgemeester en wethouders de opdracht om aan personen met bepaalde
beperkingen
voorzieningen
te verstrekken die deze personen in staat stellen een huishouden te voeren,
zich te
verplaatsen in
en om de woning alsmede medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
verbanden aan
te gaan. Tevens is met het amendement geregeld dat het college van
burgemeester en
wethouders bij
het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken, de
behoefte en de
capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te
voorzien.
Dit betekent
dat als de aanvrager in staat is de voorziening zelf te regelen én de
financiële middelen
heeft deze
zelf te betalen, hij niet in aanmerking komt voor verstrekking van de
voorziening, of het geld
daarvoor, op
grond van de Wmo. Het is aan het college van burgemeester en wethouders zelf
om te
bepalen
wanneer het compensatiebeginsel tot deze uitkomst leidt. De Wmo geeft geen
bevoegdheid om
daarover
regels op te stellen.
De eerste
vraag is dus of de aanvrager in staat is zelf in de voorziening te voorzien.
Is dat niet het geval
en wordt de
voorziening toegewezen, dan komt pas het vraagstuk van de eigen bijdrage aan
de orde.
Ook dan kan
het, zoals ik in de brief van 26 november 2004 heb aangegeven, zijn dat de
aanvrager de
volledige
kostprijs zelf moet betalen. Gezien het compensatiebeginsel valt daarbij te
denken aan een
persoon die
wel de financiële middelen heeft, maar niet in staat is om de voorziening
zelf te regelen.
16
De
gemeenteraad is vrij om wel of niet in een verordening te bepalen of de
aanvrager voor de
voorziening
een eigen bijdrage moet betalen dan wel voor een persoonsgebonden budget of
een
financiële
tegemoetkoming te regelen dat een deel van de kosten voor rekening van de
aanvrager
komen. Ook is
de gemeenteraad vrij in de inrichting van het eigenbetalingssysteem. Aan de
vrijheid van
de
gemeenteraad met betrekking tot de inrichting van het eigenbijdragesysteem
Wmo zijn door de
wetgever twee
beperkingen gesteld. In de eerste plaats is in dit besluit geregeld welk
inkomensafhankelijke
maximum geldt en hoe dat berekend wordt. De gemeenteraad mag wel een
lagere
bijdrage opleggen, maar geen hogere. Daardoor heeft de gemeenteraad
voldoende armslag om
een eigen
bijdragebeleid te voeren, zonder dat sprake is van het voeren van
inkomensbeleid door de
gemeenteraad
in die zin dat er meer opgelegd wordt dan het bij wettelijk voorschrift
geregelde
maximum. Dat
is dus niet toegestaan.
In de tweede
plaats wijst de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van
artikel 16 van
de Wmo de
rechtspersoon aan die de eigen bijdrage vaststelt en int.
Zoals in de
memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wmo is aangegeven, acht de
regering het
gewenst om de
extramurale eigen bijdrageregeling AWBZ en de regeling voor de Wmo goed op
elkaar
te laten
aansluiten om een mogelijke stapeling van eigen bijdragen voor individuen te
beperken. Met de
extramurale
eigenbijdragen AWBZ worden bedoeld de eigen bijdragen die op grond van de
AWBZ zijn
verschuldigd
voor persoonlijke verzorging en verpleging, zonder dat er sprake is van
verblijf in een
AWBZ-instelling.
Er is voor
gekozen om de grenzen voor de eigenbijdrage Wmo te enten op grenzen van de
eigenbijdrage
die geldt voor de extramurale AWBZ. Behalve regels met betrekking tot de
eigen bijdrage
in het kader
van de Wmo, wijzigt het onderhavige besluit daarom ook de extramurale eigen
bijdrage
AWBZ.
De begrenzing
aan de stapeling is geregeld door het anticumulatiebeding zoals dat onder de
Wvg gold,
ook voor de
Wmo te regelen. Anders dan bij de Wvg gaat de Wmo-bijdrage thans voor op de
AWBZ. Dit
betekent dat
burgers die voor een bepaalde Wmo-voorziening reeds een eigen bijdrage
betalen, maar
daarvoor het
maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ slechts een eigen bijdrage
betalen tot
dat voor hen
geldende maximum. Dit geldt ook voor de eigen bijdrage die in mindering
wordt gebracht
op het
persoonsgebonden budget op grond van de AWBZ.
In de AWBZ is
een anticumulatie voor de eigen bijdrage voor extramurale zorg met de zorg
ingeval er
sprake is van
zorg met verblijf in een AWBZ-instelling. Een samenloop kan vooral aan de
orde zijn
indien een van
de partners verblijft in een AWBZ-instelling en de ander thuis AWBZ-zorg
ontvangt.
Hoewel de Wvg
een anticumulatie ingeval van verblijf in een AWBZ-instelling niet kende, is
een
dergelijke
anticumulatie met dit besluit ook geregeld voor de Wmo. Dat lag alleen al
voor de hand omdat
de
huishoudelijke verzorging per 1 januari 2007 is overgegaan naar de Wmo. Ook
hiervoor is geregeld
dat de Wmo
voorgaat.
Tot de
inwerkingtreding van dit besluit gold voor de extramurale eigen bijdragen
voor alleenstaanden
hetzelfde
maximum als voor meerpersoonshuishoudens. Huishoudens op het sociaal minimum
waren
procentueel
veel meer van hun huishoudinkomen kwijt aan eigen bijdragen dan een
alleenstaande op
sociaal
inkomen. Dit wordt nu gecorrigeerd door de bijdrage voor de
meerpersoonshuishoudens op het
relevant
sociaal minimum te verzachten. Deze verzachting geldt derhalve ook voor de
Wmo-bijdrage.
Omdat gekozen
is het percentage dat van het huishouden maximaal aan eigen bijdrage voor
extramurale
AWBZ-zorg gevraagd mag worden voor alle groepen op sociaal minimum gelijk te
laten
zijn, is
tevens een onderscheid gemaakt tussen mensen die 65 jaar en ouder zijn en
mensen die jonger
dan 65 jaar
zijn. Als gevolg hiervan zijn er vier groepen onderscheiden. De systematiek
is afgeleid van
de Regeling
inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG, waarin bepaald
was dat de
draagkracht
die in aanmerking genomen kon worden, toenam indien het inkomen ten minste
1,5 maal
het voor de
betreffende persoon geldende sociaal minimum bedroeg.
Tot nu toe was
het bedrag dat maximaal aan eigen bijdrage moest worden betaald gemaximeerd
tot een
bepaald
nominaal bedrag per vier weken. Dit bedrag bedroeg in 2006 € 544,20. Dit
maximum is komen
17
te vervallen.
Daarmee is op dit punt eveneens aangesloten bij de eigen bijdrageregeling op
grond van
de Wvg, die
een dergelijk maximum ook niet kende.
De
vaststelling en de inning van de extramurale eigen bijdragen AWBZ wordt
gedaan door het Centraal
Administratie
Kantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK). Het CAK heeft derhalve ervaring en
deskundigheid
ten aanzien
van het berekenen, vaststellen en innen van eigen bijdragen. De regering
heeft daarom
besloten het
CAK deze taak ook voor de eigen bijdragen Wmo te geven (Kamerstukken II
2005/05,
30 313, nr.
36). Het CAK is dan ook de rechtspersoon die hiervoor op grond van artikel
16 van de Wmo
wordt
aangewezen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat artikel 16 geen betrekking
op de financiële
tegemoetkomingen.
1.5
Administratieve lasten
Gemeenten
hebben een grote mate van vrijheid bij de uitvoering van de wmo. Dit geldt
onder andere
voor de eigen
bijdrage die kan worden gevraagd van inwoners aan wie maatschappelijke
ondersteuning
wordt
verleend. Gemeenten zijn bevoegd zelf te bepalen of er een eigen bijdrage
wordt gevraagd. Met
deze amvb
wordt het maximum van de eigen bijdrage geregeld dat per vier weken van de
burger
gevraagd mag
worden voor de Wmo-voorzieningen en AWBZ-zorg tezamen. Tevens wordt
aangegeven
welk
inkomensbegrip wordt gehanteerd bij het vaststellen van deze eigen bijdrage.
In de derde
nota van wijziging is reeds geregeld dat de vaststelling en inning van de
eigen bijdrage wmo
zal worden
verzorgd door een door onze Minister aan te wijzen rechtspersoon. De
regering heeft
besloten dat
dit het CAK zal zijn. Het CAK verzorgt op dit moment ook al de
vaststellingen en inning van
de
verschuldigde eigen bijdrage voor de AWBZ.
Doordat het in
deze amvb gedefinieerde inkomensbegrip gelijk is gesteld aan het inkomen dat
geldt
voor de
extramurale bijdrage AWBZ, wordt het mogelijk dat de eigen bijdrage voor
zowel AWBZ als
Wmo
gelijktijdig door het CAK wordt vastgesteld en geïnd.
Hiermee is
gekozen voor het minst belastende alternatief voor de burger. De burger die
gebruik maakt
van
voorzieningen uit de AWBZ, Wmo of een combinatie van beide regelingen
ontvangt in alle gevallen
nog slechts
één rekening voor de inning van de (gezamenlijke) eigen bijdrage. Ten
opzichte van de
huidige
situatie betekent dit een reductie van de administratieve lasten. Uit
onderzoek is gebleken dat
eind 2004 ca
360.000 mensen gebruik maakten van voorzieningen uit zowel de WVG als de
AWBZ.
Voor de inning
van de eigen bijdrage heeft deze groep momenteel dan ook te maken met twee
instanties,
gemeente en CAK. Door het CAK ook de inning van de eigen bijdrage uit hoofde
van de wmo
te laten
verzorgen wordt het aantal facturerende instanties voor deze groep terug
gebracht van 2 naar 1.
Alhoewel op
dit moment dus duidelijk is dat het centraal innen van de eigen bijdrage Wmo
en AWBZ
een reductie
van de administratieve lasten voor de burger oplevert, kan nog niet exact
worden becijferd
hoe groot de
totale reductie is. Hiervoor is het ook nodig te weten hoeveel van de
360.000 awbz en wvg
gebruikers
daadwerkelijk een eigen bijdrage voor de WVG betalen. Dit getal is op dit
moment niet
bekend
aangezien gemeenten vrij zijn in het al dan niet opleggen van een eigen
bijdrage. Bij de
kwantificering
van de lasten die de Wmo met zich mee brengt zal nader onderzoek rond dit
onderwerp
worden
uitgevoerd.
De keuze die
in deze amvb wordt gemaakt voor het belastbaar inkomen in combinatie met
centrale
vaststelling
en inning door het CAK heeft nog meer positieve gevolgen voor de
administratieve lasten
burgers. De
circa 800.000 mensen die een beroep zullen gaan doen op de Wmo worden
hiermee
ontheven van
de lasten die samenhangen met het achterhalen van de eigen inkomensgegevens
en
mogelijke
betalingen die al eerder zijn gedaan voor hetzij Wmo, hetzij AWBZ. Gemeenten
en CAK
kunnen deze
gegevens voortaan direct achterhalen via de belastingdienst. Ook de
lastenvermindering
die dit
oplevert zal bij uiteindelijke kwantificering nader worden onderzocht.
18
De Wmo zal in
de loop van dit jaar preciezer worden gekwantificeerd, als meer duidelijk is
over hoe
gemeenten
uitvoering gaan geven aan de wet. Hierbij zullen tevens de ervaringen met de
uitgevoerde
pilots worden
betrokken.
2.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk I
Definitiebepaling
Artikel 1
Is de
definitiebepaling en bevat definities van wet, project, uitkering,
stimuleringsuitkering,
maatschappelijke
opvang, en peiljaar.
Hoofdstuk II
Uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke
gezondheidszorg,
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid
Artikel 2.1 en
2.2
Het aantal
gemeenten, opgenomen in bijlage A en bijlage B is in vergelijking met het
Besluit specifieke
uitkeringen
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid niet gewijzigd.
In het kader
van het Grotestedenbeleid (GSB) ontvangen op basis van het Besluit brede
doeluitkering
sociaal,
integratie en veiligheid 27 van de 43 centrumgemeenten middelen ten behoeve
van activiteiten
op het terrein
van de openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en
verslavingsbeleid
en 25 van de 35 centrumgemeenten middelen ten behoeve van activiteiten op
het
terrein van
vrouwenopvang. In bijlage A en bijlage B zijn de centrumgemeenten opgenomen
die niet
onder het GSB
vallen.
Artikel 2.6
Om de
beleidsvrijheid van gemeenten bij de besteding van middelen ook in de tijd
gezien te vergroten is
een bijzondere
voorziening getroffen. Het wordt een gemeente mogelijk gemaakt een bepaald
deel van
de uitkering
te reserveren voor latere jaren. Daarmee worden gemeenten in staat gesteld
om, binnen
zekere
grenzen, ook flexibiliteit in de tijd te realiseren. Hiermee wordt de
doelmatige inzet van
overheidsmiddelen
bevorderd. Gemeenten hoeven immers aan het eind van het jaar niet op
geforceerde
wijze tot besteding van gelden over te gaan.
Omdat het
uiteraard niet de bedoeling is dat er jaarlijks grote sommen geld gespaard
worden, is in het
tweede lid van
dit artikel vastgelegd dat het totaal van de gereserveerde gelden niet
groter mag zijn dan
dertig procent
van de over het verslagjaar verleende uitkering. Er is afgezien van een
beperking in de
tijdsduur van
de spaarmogelijkheid, omdat met de limitering zoals die in vormgegeven in
het tweede lid
voorkomen kan
worden dat een gemeente onverhoopt te veel gelden in kas zou houden.
Artikel 2.7
Voor wat
betreft de door de gemeente in de bijlage bij de jaarrekening te geven
verantwoordingsinformatie
wordt verwezen naar artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording
provincies en
gemeenten (BBV). Artikel 58a is aan het BBV toegevoegd ter uitvoering van
het op 1 april
2005
vastgestelde kabinetsstandpunt over het rapport “Anders gestuurd, beter
bestuurd: De specifieke
uitkeringen
doorgelicht” van de stuurgroep Brinkman (Kamerstukken II 2004/05, 29800 B,
nr. 16).
Het gaat om
door de gemeente te verstrekken informatie die noodzakelijk is voor het
afleggen van
verantwoording
over het beheer van de uitkering en over het behalen van de
hoofddoelstellingen. Met
betrekking tot
het beheer van de uitkering is nog van belang hetgeen is bepaald in artikel
2.9.
Artikel 2.8
Dit is de
gebruikelijke bepaling waarbij de gemeente wordt verplicht de minister
schriftelijk mededeling
te doen van
omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging
of intrekking
19
van een
uitkering. In het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 4:49 van
de Algemene wet
bestuursrecht
wordt onder meer bepaald in welke gevallen de minister de uitkering kan
intrekken of ten
nadele van de
gemeente kan wijzigen.
Artikel 2.9
De uitkering
is bestemd voor een specifiek doel. Gelet op dit karakter van de uitkering
ligt het in de rede
dat, wanneer
uit de jaarrekening en de daarbij gevoegde accountantsverklaring en het
verslag van
bevindingen,
bedoeld in artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, blijkt dat
een uitkering
niet (geheel)
is besteed voor het doel waarvoor de uitkering was bestemd of niet
rechtmatig is besteed,
het
niet-bestede bedrag, onderscheidenlijk het onrechtmatige bedrag of het
bedrag waarvan de
rechtmatige
besteding onzeker is, teruggevorderd kan worden.
Artikel 2.10
Een
beschikking tot vaststelling van de uitkering wordt door de minister gegeven
binnen zes maanden
na ontvangst
van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het BBV.
Artikel 2.11
Het opnemen
van een anti-hardheidsclausule opent de mogelijkheid voor de Minister van
Volksgezondheid,
Welzijn en Sport om, in gevallen waarin toepassing van dit hoofdstuk -
gegeven de
doelstelling
en de strekking daarvan - een onbillijkheid van overwegende aard zou
opleveren, een artikel
van het
besluit buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Dit artikel komt
overeen met artikel 44
van het
Besluit volksgezondheidsubsidies en artikel 57 van het Bekostigingsbesluit
welzijnsbeleid.
Hoofdstuk III
Stimuleringsuitkeringen
§ 1. Het
aanvragen van een stimuleringsuitkering
Artikel 3.1
e.v.
Zoals in het
algemeen deel van de toelichting reeds is uiteengezet, heeft hoofdstuk III
betrekking op
stimuleringsuitkeringen
aan gemeenten. Het gaat hier om specifieke uitkeringen.
Het is gewenst
de gemeenten in beginsel zoveel mogelijk vrijheid te geven ten aanzien van
de wijze
waarop zij de
betrokken activiteiten wensen uit te voeren. Dit uitgangspunt is de basis
voor de regeling
in hoofdstuk
III van het onderhavige besluit.
Artikelen
3.1.1 en 3.1.2
Met deze
bepalingen wordt aangegeven waaraan een aanvraag voor een uitkering dient te
voldoen. Het
gaat hier om
voor specifieke uitkeringen gebruikelijke bepalingen. Zie de artikelen 33 en
34 van het
Besluit
volksgezondheidssubsidies.
§ 2. Het
verlenen van een stimuleringsuitkering en de bevoorschotting
Artikelen
3.2.1 tot en met 3.2.3
Deze
bepalingen betreffen het verlenen van een uitkering en de bevoorschotting en
komen overeen met
de artikelen
35 tot en met 37 van het Besluit volksgezondheidssubsidies.
Artikel 3.2.1
geeft regels onder andere over de termijn waarbinnen de Minister van VWS op
een
aanvraag voor
een uitkering dient te beslissen. Artikel 3.2.2 betreft het verlenen van
voorschotten door
de minister.
Artikel 3.2.3 maakt het mogelijk dat bij de verlening van een uitkering de
Minister van VWS
bepaalt dat
het uitkeringsbedrag kan worden bijgesteld, rekening houdend met de
ontwikkeling van het
prijspeil of
de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
§ 3. Aan de
verlening van een stimuleringsuitkering verbonden verplichtingen
20
Artikelen
3.3.1 tot en met 4.3.3
Deze
bepalingen hebben betrekking op de aan de verlening van een uitkering
verbonden verplichtingen
en komen
overeen met de artikelen 38 tot en met 40a van het Besluit
volksgezondheidssubsidies.
Artikel 3.3.1
bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk
de Minister
van VWS
schriftelijk op de hoogte stelt van omstandigheden die van belang kunnen
zijn voor een
beslissing tot
wijziging, intrekking of vaststelling van een uitkering en daarbij de
relevante stukken
overlegt.
Artikel 3.3.2
bevat regels over een door het college van burgemeester en wethouders aan de
minister te
zenden
schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor een uitkering is
verstrekt.
Artikel 3.3.3
bepaalt onder meer dat het college van burgemeester en wethouders aan door
de Minister
van VWS
aangewezen ambtenaren of andere personen op diens verzoek bescheiden en
inlichtingen
verstrekt die
noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. Voorts bevat
artikel 3.3.3
bepalingen
over het medewerken aan door of namens de Minister van VWS ingestelde
onderzoekingen
en over het
ook anderszins zoveel mogelijk medewerking verlenen aan de minister.
Artikel 3.3.4
maakt het mogelijk bij ministeriële regeling nadere regels te stellen
omtrent de aan de
verlening van
bepaalde categorieën van uitkeringen te verbinden verplichtingen.
§ 4. De
vaststelling van een stimuleringsuitkering en betaling
Artikelen
3.4.1 tot en met 3.4.3
Deze artikelen
en de artikelen 2.7 tot en met 2.10 zijn gelijkluidend. Voor de toelichting
wordt dan ook
verwezen naar
de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 2.7 tot en met 2.10.
§ 5. Overige
bepalingen
Artikelen
3.5.1 en 3.5.2
Overeenkomstig
hetgeen bepaald is in het Besluit volksgezondheidssubsidies (artikel 5
respectievelijk
artikel 43) is
in artikel 3.5.1 de mogelijkheid opgenomen dat bij ministeriële regeling
regels kunnen
worden gesteld
met betrekking tot de wijze waarop het bedrag van een uitkering wordt
berekend en
nadere regels
kunnen worden gesteld ten aanzien van de inrichting en de wijze van
indiening van
aanvragen, het
activiteitenplan, het projectplan en het verslag.
In artikel
3.5.2 wordt verwezen naar artikel 2.11 waarin een hardheidsclausule staat
opgenomen. Ook
voor de
toelichting wordt verwezen naar die van artikel 2.11.
Hoofdstuk IV
Eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen
Artikel 4.1
Artikel 15,
eerste lid, van de Wmo geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
verordening te
bepalen dat
een persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend een eigen
bijdrage is
verschuldigd.
Ingevolge het tweede lid van artikel 15 van de Wmo kan de eigen bijdrage
inkomensafhankelijk
zijn. Artikel 19, eerste lid, van de Wmo regelt dat de hoogte van de financiële
tegemoetkoming
inkomensafhankelijk kan zijn. In artikel 15, derde lid, respectievelijk
artikel 19, derde
lid, van de
Wmo is geregeld dat bij of krachtens amvb regels kunnen worden gesteld met
betrekking tot
deze eigen
bijdrage respectievelijk de financiële tegemoetkoming.
Zoals in het
algemene deel van de toelichting is aangegeven, is de gemeenteraad vrij om
wel of niet
voor een
eigenbijdragesysteem te kiezen en om dat zelf vorm te geven. Met deze amvb
is slechts het
maximum
geregeld dat per vier weken van de burger gevraagd mag worden aan eigen
betalingen voor
de
Wmo-voorzieningen en AWBZ-zorg tezamen. Omdat de anticumulatie zowel de
eigen bijdrage als
21
het eigen
aandeel bij een financiële tegemoetkoming betreft, is er voor gekozen om de
anticumulatie net
als in de
Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG geregeld
was, in één
bepaling te
regelen.
Het eerste lid
van artikel 4.1 van het onderhavige besluit regelt wat de gemeenteraad
maximaal aan
eigen
betalingen voor de Wmo-voorzieningen per vier weken mag vragen of door het
CAK mag laten
opleggen. Het
tweede lid van artikel 4.2 regelt hoe de gemeenteraad dat maximum mag
verlagen.
In artikel
4.1, eerste lid, zijn vier groepen te onderscheiden, namelijk de groep
ongehuwd 65-, de groep
ongehuwd van
65 jaar en ouder, de groep gehuwd 65- en de groep gehuwd van 65 en ouder. De
in dit
lid opgenomen
inkomensgrenzen, beogen de eigen bijdrage mede afhankelijk te maken van het
voor de
betreffende
groepen geldende sociale minimum. De hoogte ervan komt overeen met 120% van
het
verzamelinkomen
op het sociaal minimum. Deze systematiek is afgeleid van de Regeling inzake
financiële
tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG, waarin bepaald was dat de
draagkracht die in
aanmerking
genomen kon worden, toenam indien het inkomen ten minste 1,5 maal het voor
de
betreffende
persoon geldende sociaal minimum bedroeg.
De aldus
geregelde maximale bijdrage kent derhalve de volgende variabelen:
a. de maximale
eigen bijdrage die minima moeten betalen (minimaal maximum, vorm: vast
bedrag);
b. de omvang
van het inkomensafhankelijk deel van de eigen bijdrage (vorm: percentage
marginale
druk);
c. het
startpunt van waar af de eigen bijdrage toeneemt met het inkomen (vorm: vast
bedrag of een
percentage van
het relevante sociaal minimum).
De gemeenten
zijn vrij om de maximaal verschuldigde eigen betaling beneden de in het
eerste lid
geregelde
maxima vast te stellen. Het is niet wenselijk dat gemeenten personen met
hogere inkomens
geheel of
gedeeltelijk van een dergelijke vermindering uitsluiten, omdat zodoende de
marginale druk die
voortvloeit
uit de regeling toeneemt. Daarom regelt het tweede lid dat de gemeenteraad
de in het eerste
lid genoemde
bedragen alleen in gelijke mate mag wijzigen. Dit betekent dat het
percentage van 15 wel
lager mag
worden vastgesteld, maar niet hoger worden. Datzelfde geldt voor het bedrag
van € 16,40,
respectievelijk
€ 23,40. Genoemde inkomensbedragen mogen zowel hoger als lager worden
vastgesteld.
De verlaging onderscheidenlijk wijziging mag alleen voor alle in het eerste
lid bedoelde
groepen van
personen in gelijke mate geschieden. Met andere woorden per groep geldt dat
er gekozen
mag worden
voor één lager percentage en één lager bedrag dan € 16,40,
respectievelijk € 23,40. Ook
voor genoemde
inkomensbedragen kan in de verordening telkens één afwijkend bedrag
vastgesteld
worden.
De in deze
bepaling genoemde bedragen zijn de bedragen 2006. Deze zullen nog per 1
januari 2007 bij
ministeriële
regeling aangepast worden.
In het derde
lid is geregeld dat voor bepaalde individuele voorzieningen gedurende
maximaal vijf jaar
een eigen
bijdrage in rekening kan worden gebracht dan wel op de hoogte van de financiële
tegemoetkoming
gedurende maximaal die periode een met toepassing van de daarvoor geldende
regels
berekende
bedrag in mindering worden gebracht. Hiermee is wat betreft de eigen
bijdrage afgeweken
van de
regeling op grond van de Wvg. In artikel 5, eerste lid, van de Regeling
inzake financiële
tegemoetkomingen
en eigen bijdrage WVG was immers geregeld dat de eigen bijdrage slechts was
verschuldigd
over het kalenderjaar waarin de voorziening werd toegekend.
Artikel 4.2
In het eerste
en tweede lid is geregeld welk inkomen relevant is voor de maximale bijdrage
die een
ongehuwde
persoon of gehuwde personen gezamenlijk in een kalenderjaar verschuldigd
zijn. Het gaat
om hetzelfde
inkomensbegrip als geldt voor de extramurale bijdrage AWBZ. Ook gaat het om
het
inkomen over
het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de maatschappelijke
ondersteuning,
het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming daarvoor, is
verleend.
22
Ook de
uitzondering van het derde lid komt overeen met de regeling daarvoor op
grond van de AWBZ.
Hetzelfde
geldt voor de defintieve vaststelling indien het derde lid is toegepast. De
regeling hiervan is
gelijk aan
artikel 16e, vierde lid, van het Bijdragebesluit zorg.
Artikel 4.3
Dit artikel
komt overeen met artikel 2, derde lid, van het Bijdragebesluit zorg.
Artikel 4.4
Dit artikel
komt overeen met artikel 16a, vierde lid, van het Bijdragebesluit zorg.
Artikel 16a is met het
koninklijk
besluit van 20 september 2005 tot wijziging van het Bijdragebesluit zorg
houdende invoering
van een
termijn waarbinnen de beschikking tot vaststelling van de eigen voor zorg
zonder verblijf wordt
genomen,
alsmede enkele technische wijzigingen (Stb. 471) in het Bijdragebesluit zorg
opgenomen. De
reden voor
invoering van artikel 16 was dat het CAK de eigen bijdrage niet kon opleggen
omdat de
verzekerde
niet in de gemeentelijke basis administratie (GBA) te vinden was of omdat er
nog een
gerechtelijke
procedure liep tegen de hoogte van de vaststelling van het verzamelinkomen.
Dezelfde
uitzondering
die voor de desbetreffende eigen bijdrage AWBZ geldt, is met artikel 4.4 ook
voor de eigen
bijdrage WMO
die door het CAK wordt vastgesteld en geïnd, geregeld. Deze bepaling heeft
geen
betrekking op
de door de gemeente vastgestelde financiële tegemoetkoming. Het is de
gemeente die de
hoogte daarvan
vaststelt, rekeninghoudend met het aandeel in de kosten die voor rekening
van de
aanvrager van
de maatschappelijke ondersteuning kunnen blijven. Indien betrokkene niet in
het GBA te
vinden is, kan
een financiële tegemoetkoming niet worden vastgesteld. Dat geldt ook indien
er nog
discussie is
over zijn verzamelinkomen. Een regeling als die van artikel 4.4 is bij de
financiële
tegemoetkoming
dan ook zinloos.
Omdat het CAK
de eigen bijdragen voor de Wmo en de AWBZ vaststelt en de gemeente de hoogte
van
de financiële
tegemoetkomingen, zullen het CAK en de gemeente goede afspraken moeten maken
over
de uitvoering
van de anticumulatie indien aan een persoon of zijn echtgenoot zowel een
financiële
tegemoetkoming
als een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget is verleend.
Artikel 4.5
Het
indexatiecijfer en de wijze van indexering zoals geregeld in het eerste tot
en met het derde lid is
gelijk aan de
regeling daarvoor op grond van de AWBZ (artikel 19, eerste tot en met het
derde lid, van
het
Bijdragebesluit zorg).
Voor de
overige in artikel 4.1 genoemde bedragen geldt dat deze worden aanpast aan
de hand van de
ontwikkelingen
van het minimumloon. Daarom is in het vierde lid een afwijkende regeling
getroffen. De
aanpassing aan
de hand van de ontwikkelingen van het minimumloon betekent niet een naadloze
aansluiting
aan de ontwikkelingen van het minimumloon, maar ook gevolgen met betrekking
sociale
premies, zoals
de premie voor de Zorgverzekeringswet kunnen van invloed zijn.
Hoofdstuk V
Wijziging van andere besluiten
Artikelen 5.1
tot en met 5.7
De Wmo trekt
de Welzijnswet 1994 en de Wvg in. Besluiten waarin verwezen wordt naar de
Welzijnswet
1994 of de Wvg
dienen te worden gewijzigd.
In sommige
gevallen kan worden volstaan met het wijzigen van Wvg in Wmo (artikelen 5.1
tot en met
5.3). In
andere gevallen komt door het intrekken van de Wvg de desbetreffende
bepaling te vervallen
(artikelen
5.4). In artikel 3 va n het Besluit beperking verkoop en gebruik
tabaksproducten wordt de
verwijzing
naar de Welzijnswet 1994 vervangen door een overeenkomstige verwijzing naar
de Wmo
(artikel 5.5).
In het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK
vervalt in de
artikelen 1 en
3 de verwijzing naar de Wvg (artikel 5.6). In het Bekostigingsbesluit
inburgering
nieuwkomers
vervalt de verwijzing in de artikelen 3 en 7 naar de Welzijnswet 1994
(artikel 5.7).
23
Artikel 5.8
A en B. Zoals
in het algemene deel van de toelichting is aangegeven, is met dit besluit,
anders dan bij
de Wvg het
geval was, ook een anticumulatie tussen de Wmo-bijdrage en de bijdrage
ingeval er sprake
is van
verblijf in een AWBZ-instelling geregeld. Omdat de Wmo-bijdrage voorgaat op
de AWBZ-bijdrage
is geregeld
dat de Wmo-bijdrage in mindering moet worden gebracht op de eigen bijdrage
die de
verzekerde of
zijn partner verschuldigd is bij verblijf in een AWBZ-instelling.
C. Het
opschrift van paragraaf 2 van hoofdstuk III was al niet meer actueel. Van
het voornemen om
eigen
bijdragen voor ondersteunende en activerende begeleiding te gaan heffen, is
al enige tijd geleden
afgezien. Met
ingang van 1 januari 2007 is, wat betreft de AWBZ, ook de eigen bijdrage
voor
huishoudelijke
verzorging vervallen.
D. Het tweede
lid van artikel 16d is aangepast aan artikel 4.1, tweede lid, van het
Besluit
maatschappelijke
ondersteuning.
In een nieuw
derde lid is de anticumulatie met de eigen bijdrage Wmo geregeld. Deze moet
in mindering
worden
gebracht op de extramurale bijdrage die de verzekerde voor de AWBZ
verschuldigd is.
E. De
uitzondering dat uitgegaan wordt van het actuele inkomen indien het inkomen
algemene bijstand
ingevolge de
Wet werk en bijstand betreft, is met de wijziging van artikel 16d, tweede
lid, van het
Bijdragebesluit
zorg achterhaald. Met die gewijzigde bepaling is de eigen bijdrage tot 120%
van het
(voor
betrokkene geldende) sociaal minimum inkomensonafhankelijk. Pas vanaf die
inkomensgrens
wordt het
nominale bedrag (€ 16,40 voor alleenstaanden, € 23,40 voor gehuwden)
verhoogd met 15%
van het
meerinkomen. Iemand die op het sociaal minimum zit, heeft er dus niets aan
als heel precies
gekeken wordt
wat zijn actuele inkomen is, want dat leidt toch niet tot een lagere eigen
bijdrage. De
verwijzing
naar de Wet werk en bijstand is daarom komen te vervallen.
F. Voor de in
artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg geregelde inkomensgrenzen geldt
niet dat die
geïndexeerd
worden aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. Deze worden
aangepast
aan de hand
van de ontwikkelingen van het minimumloon. Ook hier geldt, dat dat niet
betekent een
naadloze
aansluiting aan de ontwikkelingen van het minimumloon, maar ook gevolgen met
betrekking
sociale
premies, zoals de premie voor de Zorgverzekeringswet kunnen van invloed
zijn.
Artikel 5.9
Deze bepaling
regelt dat de huidige BTW -vrijstelling gehandhaafd blijft voor genoemde
instellingen op
het gebied van
jeugd en jongerenwerk en club- en buurthuiswerk.
Artikel 5.10
In verband met
de verwijzing naar de Welzijnswet 1994 dient artikel 13 van het Besluit
brede
doeluitkering
sociaal, integratie en veiligheid te worden gewijzigd.
Artikel 30 van
het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid bevat een
wijziging van
bijlagen van
het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid,
welk laatste besluit echter door het intrekken van de Welzijnswet 1994 komt
te
vervallen. De
inhoud van dit laatste besluit is opgenomen in het onderhavige Besluit Wmo.
De
desbetreffende
bijlagen zijn opnieuw vastgesteld. In verband hiermede kan artikel 30 komen
te
vervallen.
Artikel 5.12
tot en met 5.16
Deze besluiten
zijn aangepast omdat de huishoudelijke verzorging zoals die in artikel 3 van
het Besluit
zorgaanspraken
AWBZ is omschreven ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Wmo niet meer
onder de
aanspraken op
grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten valt. Het aldus aanpassen
van het
Besluit
zorgaanspraken AWBZ is in de toelichting op artikel 38 aangekondigd.
24
Hoofdstuk VI
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6.1
Zoals hiervoor
is aangegeven, geldt anders dan tot nu toe bij de Wvg gold, dat de
Wmo-bijdrage
voorgaat op de
AWBZ-bijdrage.
Dit betekent
bij de eigen bijdrage die verschuldigd is ingeval er sprake is bij verblijf
in een AWBZinstelling,
het bedrag dat
voor de Wmo-bijdrage verschuldigd is dan wel bij een Wmo-financiële
tegemoetkoming
in mindering wordt gebracht op die tegemoetkoming op de bijdrage voor
AWBZ-verblijf
in mindering
moet worden gebracht. Met ingang van 1 januari 2008 is dat geen probleem
omdat vanaf
die datum het
CAK ook deze AWBZ-bijdrage vaststelt en int. Tot die datum doen zorgkantoren
dat nog.
Om noch de
zorgkantoren, noch de burgers daarmee te belasten, is ervoor gekozen de
huidige wijze
van
anticumulatie een jaar te handhaven. Daartoe strekt deze overgangsbepaling.
Artikel 6.2
De Regeling
experimenten Wmo en de Tijdelijke stimuleringsregeling lokale
opvoedondersteuning en
gezinsondersteuning
zijn vastgesteld op grond van artikel 10 van de Welzijnswet 1994 en zouden
met
de
inwerkingtreding van de Wmo komen te vervallen, hetgeen niet de bedoeling
is. Met artikel 6.2
worden beide
regelingen geacht te zijn vastgesteld op grond van artikel 21 van de wet en
gelden tot 1
januari 2008.
Artikel 6.3
Dit artikel
bepaalt dat dit besluit in werking treedt met ingang van 1 januari 2007. Dit
is ook de datum
van
inwerkingtreding van de Wmo.
Artikel 6.4
Met deze
bepaling wordt de citeertitel van het onderhavige besluit vastgesteld,
namelijk Besluit
maatschappelijke
ondersteuning.
De
Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en
Sport,
drs. Clémence
Ross-van Dorp
Handreiking aanpak huiselijk geweld 55 vragen over de rol van de gemeente
Een veilige leefomgeving is een groot goed en bepalend voor het welzijn van de mens. Het is echter ook een
onderdeel van de samenleving waar veel Nederlanders zich zorgen om maken. Het
onderwerp veiligheid wordt vaak (nog) geassocieerd met (zichtbaar) geweld in het
openbaar, zoals zinloos geweld, agressieve supporters, roofovervallen of geweld
in het uitgaanscircuit. De laatste jaren staat geweld in de huiselijke
leefomgeving ook volop in de belangstelling. Deze veelvoorkomende vorm van
geweld is daarmee uit de taboesfeer gehaald. Zeker nu cijfers hebben aangetoond
dat de omvang van huiselijk geweld verontrustend hoog is en grote
maatschappelijke gevolgen heeft. De onzichtbaarheid van huiselijk geweld en de
complexiteit van deze vorm van geweld vragen om een integrale aanpak en een
duidelijke regisseursrol. Verschillende gemeenten, al dan niet in regioverband,
hebben inmiddels initiatieven ontwikkeld om huiselijk geweld aan te pakken. Er
zijn verschillende voorbeelden van een succesvolle aanpak. Deze handreiking
helpt gemeenten te komen tot een aanpak huiselijk geweld. Veel aandacht gaat
daarbij uit naar het vormgeven van de regierol en de samenwerking tussen
betrokken partners. De gemeenten staan voor de uitdaging om beleid te
ontwikkelen dat wordt gedragen door de partners en dat aansluit bij de wensen en
behoeften van de burgers. Enkele voorbeelden illustreren (delen van) een
mogelijke aanpak. Ook komen een overzicht van financieringsmogelijkheden en het
opzetten van een advies- en steunpunt aan bod. Bij de totstandkoming van deze
handreiking zijn verschillende gemeenten betrokken. Zij hebben meegelezen en de
tekst van commentaar voorzien, waarvoor veel dank. Onze dank gaat eveneens uit
naar het ministerie van Justitie dat heeft zorg gedragen voor de financiering.
Deze publicatie is een vervolg op de brochure Aanpak
huiselijk gewelddie in november 2003
is uitgekomen. Beide publicaties maken deel uit van het ondersteuningsprogramma
huiselijk geweld van de VNG. Dit programma ondersteunt gemeenten bij de
ontwikkeling en implementatie van beleid inzake huiselijk geweld. Wij hopen dat
deze handreiking bijdraagt aan de totstandkoming van een effectieve aanpak
huiselijk geweld en wensen u in dit proces veel succes toe. Den Haag mr. R.J.J.M.
Pans, Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Huiselijk geweld staat hoog op de politieke agenda. Dit is ook
niet verwonderlijk, aangezien het de meest voorkomende vorm van geweld is.
Doordat huiselijk geweld zich achter de voordeur afspeelt, is het voor
bestuurders, beleidsambtenaren en hulpverleners moeilijk hier grip op te
krijgen. De effecten van huiselijk geweld zijn echter niet onzichtbaar.
Schoolartsen, politiefunctionarissen of hulpverleners in de vrouwenopvang hebben
er allemaal in meer of mindere mate mee te maken. In de nota Privé-geweld
– publieke zaak (2002) geeft het
kabinet aan dat het bestrijden van huiselijk geweld een grondige aanpak vereist.
Voor gemeenten is hierin een belangrijke taak weggelegd. De gemeente kan
partijen bij elkaar brengen, verbanden leggen en aansturen. Zij kan een
integrale aanpak stimuleren en afspraken tot stand brengen. Om gemeenten te
helpen bij het ontwikkelen van een (regionale) aanpak verzorgt de VNG een
ondersteuningsprogramma dat doorloopt tot en met 2006. Een belangrijk onderdeel
van dit programma vormen de gemeentekringen. Deze kringen zijn bedoeld voor
beleidsambtenaren veiligheid of volksgezondheid/welzijn die kennis kunnen delen
en ervaringen kunnen uitwisselen. In 2004 zijn er vier kringen gestart, die
gedurende dit jaar vijf bijeenkomsten hebben gehad. In de kringbijeenkomsten
zijn veel vragen naar voren gebracht over de invulling van de regierol door de
gemeente in de aanpak huiselijk geweld. Omdat bij veel gemeenten vergelijkbare
vragen leven, hebben we besloten deze handreiking te schrijven in de vorm van
vraag en antwoord. De discussies in de kringbijeenkomsten en de successen en
obstakels die door de deelnemers naar voren zijn gebracht, hebben dan ook een
belangrijke input geleverd voor deze publicatie.
De vragen en de concepttekst zijn aan een tiental gemeenten
voorgelegd. Zij hebben, waar nodig, aanvullingen gegeven en de tekst van
bruikbaar commentaar voorzien. Correcties en aanvullingen zijn opgenomen in de
definitieve tekst. Sommige vragen in deze handreiking kunnen duidelijk
beantwoord worden; het antwoord op andere vragen is minder eenduidig. Ook zullen
niet alle vragen voor alle gemeenten van toepassing zijn, omdat niet iedere
gemeente een aanpak ontwikkelt die bestaat uit alle onderdelen die in deze
handreiking naar voren komen. Het doel van deze handreiking is dan ook niet om
een beste aanpak voor alle gemeenten te presenteren. De lokale en regionale
situatie vraagt immers om een (geheel) eigen aanpak. De handreiking geeft vooral
handvatten voor de invulling van de regierol. Praktijkvoorbeelden illustreren de
verschillende mogelijkheden. De publicatie is in eerste instantie geschreven
voor gemeenteambtenaren, beleidsambtenaren welzijn, zorg of veiligheid. Voor
bestuurders en gemeenteraadsleden kan het echter ook een goede informatiebron
zijn.
De vragen zijn ingedeeld naar de volgende categorieën:
• algemeen kader;
• de rol van de gemeente;
• de keuze en betrokkenheid van relevante partners;
• samenwerken;
• financiering;
• advies- en steunpunten huiselijk geweld.
Wij hebben bij het beantwoorden van de vragen dankbaar
gebruikgemaakt
van beleidsdocumenten van gemeenten of provincies en
van landelijke publicaties. Een lijst van geraadpleegde bronnen,
links
naar websites en organisaties en een afkortingenlijst zijn
opgenomen
in de bijlagen.
12 HUISELIJK GEWELD
1 Algemeen kader
1 Wat is huiselijk geweld?
De definitie van huiselijk geweld luidt als volgt:1
‘Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke
kring
van het slachtoffer is gepleegd. Geweld is de aantasting van de
persoonlijke
integriteit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geestelijk
en lichamelijk geweld (waaronder seksueel geweld). De huiselijke
kring bestaat uit (ex-)partners, gezins- of familieleden en
huisvrienden.’
Het begrip 'huiselijk' wijst dus op de relatie tussen dader en
slachtoffer
en niet zozeer op de plek waar het gebeurt (het eigen huis).
Bij huiselijk geweld gaat het om ernstig, aanhoudend en
regelmatig
terugkerend geweld.
Huiselijk geweld kan de volgende kenmerken hebben:
• er is sprake van lichamelijk letsel;
• het heeft een langere periode geduurd, meestal langer dan
één
jaar;
• het komt maandelijks, wekelijks of dagelijks voor;
• het heeft noemenswaardige gevolgen zoals eetproblemen,
eetstoornissen
of een echtscheiding.
Het is belangrijk onderscheid te maken tussen het meemaken van
huiselijk geweld en het ondergaan van het geweld (slachtoffer).
Sommige mensen (vooral kinderen) maken huiselijk geweld mee als
getuige, maar ondervinden dit niet aan den lijve. De psychische
gevolgen voor deze groep kunnen echter groot zijn. Anderen zijn
zowel getuige (als kind) als slachtoffer.
ALGEMEEN KADER 13
1 Huiselijk
geweld, Aard, omvang en hulpverlening,
T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk
Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober
1997.
2 Hoe vaak, bij wie en wanneer komt het voor?
De cijfers over huiselijk geweld zijn schrikbarend. Bijna de
helft van
alle Nederlanders heeft ooit te maken gehad met huiselijk geweld
en
een aanzienlijk deel ervaart zelfs dagelijks de gevolgen. Voor
veel
slachtoffers heeft huiselijk geweld ingrijpende gevolgen.
De belangrijkste cijfers op een rij:2
• 45% van de Nederlandse bevolking heeft ooit te maken gehad
met
aanhoudend geweld.
• Bij 11% van de Nederlanders leidt huiselijk geweld tot
lichamelijk
letsel.
• 30% van de Nederlanders ervaart grote gevolgen van huiselijk
geweld, zoals een scheiding, angstgevoelens, neerslachtigheid,
eetproblemen
of problemen met relaties en/of intimiteit.
• Bij 21% van de Nederlanders heeft huiselijk geweld langer
dan vijf
jaar geduurd.
• 27% van de Nederlanders is slachtoffer of getuige van
huiselijk
geweld waarbij de voorvallen wekelijks of dagelijks voorkomen.
• Geestelijke, lichamelijke en seksuele vormen van huiselijk
geweld
komen vaak samen voor.
• Vrouwen worden vaker slachtoffer van geweld met een zeer
hoge
intensiteit (hoge frequentie, lange duur, lichamelijk letsel en
andere
gevolgen) dan mannen.
• Huiselijk geweld komt in alle lagen van de bevolking en
binnen
alle culturele groeperingen voor.
• Huiselijk geweld vindt zowel in grote steden als op het
platteland
plaats.
3 Welke vormen zijn er?
Huiselijk geweld kent verschillende vormen, zoals geestelijk
geweld
(waaronder bedreiging en stalking, lichamelijk geweld, seksueel
geweld, financiële uitbuiting of verwaarlozing.
De gemeente Rotterdam heeft een onderzoek laten uitvoeren naar
de
aard, omvang en achtergronden van huiselijk geweld.3 Een van de
belangrijkste bevindingen van dit onderzoek is dat huiselijk
geweld
14 HUISELIJK GEWELD
2 Huiselijk
geweld, Aard, omvang en hulpverlening,
T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk
Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober
1997.
3 De vele
gezichten van huiselijk geweld. Aard, omvang en achtergronden.
B.W.M.A. Beke & M. Bottenberg, Rotterdam, 2003.
zich afspeelt volgens drie karakteristieke geweldsscenario’s.
Deze
worden bepaald op basis van het profiel van de dader en het
slachtoffer,
op basis van de aanleiding en het verloop van het
geweldsincident
en op basis van kenmerkende geweldspatronen.
Het eerste scenario is extreem huiselijk geweld. Er is sprake
van
excessief, aanhoudend en onvoorspelbaar geweld. Een aanleiding
ontbreekt. De plegers zijn meestal ‘goede bekenden’ van de
politie,
onder hen vinden we ook daders van geweld op straat.
Het tweede scenario is cyclisch huiselijk geweld. De
geweldsexplosies
worden afgewisseld met periodes van ‘het weer goed maken’.
Vaak is er sprake van (obsessieve) jaloezie. Als daders al een
strafblad
hebben, dan betreft het voornamelijk lichtere misdrijven.
Het derde scenario is plotseling huiselijk geweld. Hier zien we
een
korte, hevige geweldsexplosie die ontstaat door een combinatie
van
spanningen en gevoelens van machteloosheid en frustratie. Deze
daders hebben zelden een strafblad.
4 Wat zijn de aanleidingen?
De oorzaken van huiselijk geweld zijn niet eenduidig weer te
geven.
Individuele, relationele en maatschappelijke factoren zijn van
invloed op de aard en omvang van het geweld. Uit onderzoek
blijkt
dat kinderen die uit een gewelddadig gezin komen een verhoogde
kans hebben om zelf geweld te plegen.
Aanleidingen voor huiselijk geweld:4
• eigen aan het karakter van de dader;
• conflicten binnen het gezin;
• alcohol of drugs;
• psychische problemen;
• hij of zij dacht dat het normaal was.
In veel gevallen is er geen concrete aanleiding voor een
geweldsuitbarsting
en kan een klein voorval uitmonden in geweld. Veel daders
kunnen dan ook geen reden voor hun geweldsuitbarsting noemen.
ALGEMEEN KADER 15
4 Huiselijk
geweld, Aard, omvang en hulpverlening,
T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk
Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober
1997.
5 Wat zijn de individuele en maatschappelijke gevolgen?
De gevolgen van huiselijk geweld bij kinderen en volwassenen
zijn
niet alleen merkbaar ten tijde van het geweld, maar ook daarna.
Slachtoffers van huiselijk geweld voelen zich aanmerkelijk vaker
onveilig dan niet-slachtoffers. Ook hebben zij vaker
gezondheidsklachten,
meer last van gevoelens van minderwaardigheid en hebben
zij minder sociale contacten dan niet-slachtoffers.
Gevolgen van huiselijk geweld voor volwassenen:5
• ruim een kwart van de slachtoffers van huiselijk geweld
heeft minder
zelfvertrouwen als gevolg van het geweld;
• een op de vijf slachtoffers heeft last van angstgevoelens
gekregen;
• een op de tien slachtoffers heeft problemen gekregen met
intimiteit
en/of seksualiteit;
• 11% van de slachtoffers van huiselijk geweld is gescheiden
van de
dader.
De maatschappelijke kosten van huiselijk geweld zijn hoog. Uit
een
onderzoek uit 19976 blijkt dat ernstig fysiek geweld van mannen
tegen hun vrouwelijke (ex-)partner de samenleving naar schatting
ruim € 350
miljoen per jaar kost. Dit zijn de totale kosten voor politie
en justitie, medische zorg, psychosociale zorg, arbeid
(ziekteverzuim)
en sociale zekerheid (bijstand en huursubsidie) voorzover die
direct voortvloeien uit huiselijk geweld.
Kostenposten Kosten
Sociale zekerheid en ziekteverzuim €
75,3 miljoen
Politie en justitie €
33 miljoen
Opvang (Blijf-van-mijn-lijf- en andere opvanghuizen) €
27,2 miljoen
Psychosociale begeleiding €
8,3 miljoen
Medische zorg € 7
miljoen
6 Wie zijn de slachtoffers?
Uit onderzoek blijkt dat zowel mannen als vrouwen ongeveer in
gelijke mate te maken hebben (gehad) met geweld in de huiselijke
kring. Het geweld tegen vrouwen is echter doorgaans ernstiger en
16 HUISELIJK GEWELD
5 Huiselijk
geweld, Aard, omvang en hulpverlening. T.
van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk
Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober
1997.
6 Economische
kosten van thuisgeweld tegen vrouwen.
D. Korf e.a.
Stichting Economisch Onderzoek Amsterdam, 1997.
vaker seksueel van aard dan het geweld tegen mannen. Bovendien
worden mannen meestal op jeugdige leeftijd slachtoffer van
vooral
lichamelijk geweld, terwijl vrouwen in elke leeftijdscategorie
huiselijk
geweld ondergaan. De volgende groepen slachtoffers hebben we
onderscheiden: vrouwen, allochtonen, kinderen en ouderen.
Vrouwen
Hoewel vrouwen én mannen geweld tegenkomen in de privé-sfeer,
vormen de vrouwen een belangrijke groep slachtoffers. Voor een
groot aantal vrouwen is de situatie onhoudbaar geworden. Zij
ontvluchten
het huis en melden zich aan bij een Blijf-van-mijn-lijfhuis
of een vrouwenopvangcentrum. In 2001 verbleven 4.656 vrouwen
en 3.947 kinderen in vrouwenopvangcentra en
Blijf-van-mijn-lijfhuizen.
7 De meldingen nemen jaarlijks toe. Uit een onderzoek van het
Trimbos-instituut blijkt dat zich jaarlijks 17.500 vrouwen bij
de vrouwenopvang
melden.8 Door de toename in aanmeldingen zijn er
capaciteitsproblemen
ontstaan bij de vrouwenopvang.
Allochtonen
Een andere groep die de laatste tijd aandacht krijgt, onder
andere
door gevallen van eerwraak, zijn allochtonen. Veel van de
vrouwen
uit de vrouwenopvang zijn afkomstig uit minderheidsgroepen
(bijna
60% in 2004). Onderzoek naar huiselijk geweld in allochtone
kring
biedt een verontrustend beeld:9 24% van de ondervraagden zegt
ooit
in zijn/haar leven slachtoffer te zijn geweest van huiselijk
geweld.
Onderzoekers en allochtone organisaties vrezen dat het cijfer in
werkelijkheid
hoger ligt, omdat het onderwerp huiselijk geweld moeilijk
bespreekbaar is onder allochtonen. De aanpak van het geweld bij
minderheden vraagt op onderdelen specifieke kennis van politie
en
hulpverleners en om specifieke methoden en benaderingswijzen. Er
wordt gewerkt aan de ontwikkeling van methoden die tot doel
hebben
huiselijk geweld bij minderheden bespreekbaar te maken en de
risico’s voor allochtone vrouwen te verkleinen.
ALGEMEEN KADER 17
7 Monitor
Maatschappelijke Opvang Jaarbericht 2003.
J. Wolf, e.a. Trimbosinstituut,
Utrecht, 2003.
8 Hierbij moet worden opgemerkt dat er sprake is van
dubbeltellingen, omdat
vrouwen bij gebrek aan plaats bij meerdere instellingen worden
aangemeld.
Hoe groot deze dubbelingen zijn, is niet bekend.
9 Huiselijk
geweld, Aard, omvang en hulpverlening. T.
van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk
Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober
1997.
Kinderen
Kinderen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld hebben
speciale
aandacht nodig. Ongeveer 80.000 kinderen houden blijvend
lichamelijk
letsel over aan huiselijk geweld. Ongeveer 100.000 kinderen
zijn jaarlijks getuige van geweld in het gezin. Kinderen die
slachtoffer
of getuige zijn van geweld kunnen problemen ontwikkelen op
meerdere gebieden tegelijk (spijbelen, delinquent gedrag,
slapeloosheid,
depressiviteit, slechte schoolprestaties). Doorgaans wordt ervan
uitgegaan dat kinderen in gewelddadige gezinnen kampen met
meerdere problemen tegelijk: ruziënde ouders, blootstelling aan
geweld tussen de ouders, alcoholisme van de ouders, lage
inkomens,
spanningen (stress), minder aandacht van de moeder, lichamelijke
mishandeling en verwaarlozing. Een voorbeeld van de vervlechting
van de problematiek is dat kinderen die getuige zijn van geweld
tussen
hun ouders, volgens onderzoek een grote kans lopen om zélf
lichamelijk mishandeld te worden of later zelf geweld gaan
plegen.
De meeste slachtoffers worden in hun jeugdjaren (tussen 10 en 25
jaar) slachtoffer van huiselijk geweld. Dit geldt met name voor
lichamelijke
en geestelijke vormen van huiselijk geweld.
Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld kunnen lang
onzichtbaar
blijven voor de hulpverlening. Om hen beter te beschermen is
het meldtraject ‘Kindspoor’ ontwikkeld. Het meldtraject
‘Kindspoor’
is in 2003 in Nederland geïntroduceerd in de politieregio
Hollands
Midden.
Het kindspoor wordt gevormd door de politie, het Advies- en
Meldpunt Kindermishandeling (AMK), bureau Jeugdzorg, de Raad
voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie.
Het meldtraject begint bij de politiebemoeienis. Bij de
afhandeling
van huiselijk geweld zaken, voert de politie voortaan ook de
gegevens
van de woonachtige kinderen tot achttien jaar in het
registratiesysteem
in. Op deze manier worden de kinderen zichtbaar.
De ketenpartners hebben met het kindspoor vijf doelen voor ogen.
Ten eerste proberen zij een veilige situatie voor het kind te
creëren.
Daarnaast willen zij de kans op een verstoorde ontwikkeling
terugdringen.
Ze proberen ontwikkelingsproblematiek te signaleren en
18 HUISELIJK GEWELD
het kind en de opvoeders een adequaat hulpaanbod te bieden. Ten
slotte willen de ketenpartners de opvoeders bevorderen om hun
verantwoordelijkheid
te nemen en het geweld te stoppen.
Ouderen
Een belangrijke groep slachtoffers van huiselijk geweld zijn
ouderen;
uit onderzoek is gebleken dat ruim 5% van de zelfstandig wonende
ouderen mishandeld wordt.
Bij oudermishandeling gaat het bijvoorbeeld om de mantelzorgers
die de situatie niet langer aankunnen of kinderen en
kleinkinderen
die (groot)ouders financieel uitbuiten. Ook komt het voor dat
professionele
hulpverleners die dagelijks voor de ouderen zorgen deze
ouderen mishandelen. Over de geweldsproblematiek bij deze groep
is weinig bekend.
De onzichtbaarheid en onbekendheid van de ouderenproblematiek
komen onder andere door de afhankelijkheidsrelatie die ouderen
hebben met hun pleger, degene die voor hen zorgt. Dit heeft tot
gevolg dat ze niet snel aangifte zullen doen. Daarnaast is
wetgeving
ter bestrijding van huiselijk geweld niet specifiek gericht op
ouderen,
maar meer op kinderen en volwassen partners. Er is nog geen
duidelijke
structuur bij ouderenmishandeling, zoals bij kindermishandeling,
om aangifte door de buitenwereld te doen vergemakkelijken.
Ook de ketenaanpak rondom deze groep is nog in ontwikkeling. Her
en der zijn er wel aparte meldpunten ouderenmishandeling vanuit
de thuiszorg of de GGD opgezet, of wordt de aandacht voor
ouderenmishandeling
integraal meegenomen in de activiteiten van een
advies- en steunpunt huiselijk geweld.
7 Wie zijn de daders?
Zoals eerder vermeld wordt huiselijk geweld voornamelijk
gepleegd
door mannelijke daders. In het algemeen geldt: hoe nauwer de
relatie
tussen dader en slachtoffer, des te intenser het huiselijk
geweld.
Als huiselijk geweld wordt gepleegd door een ‘huisvriend’
van het
slachtoffer gaat het in veel gevallen om incidenteel geweld. Als
huiselijk
geweld wordt gepleegd door een (ex-)partner van het slachtoffer,
dan gaat het in veel gevallen juist om geweld met een (zeer)
hoge
intensiteit.
ALGEMEEN KADER 19
Typen daders10 Kenmerken
Overgeremde dader • kropt woede en emoties op;
• vermijdt conflicten;
• emotionele mishandeling van het slachtoffer;
• controledwang;
• goed te behandelen.
Cyclische dader • dader heeft traumatische voorgeschiedenis;
• gebrek aan eigenwaarde;
• behoefte aan macht over het slachtoffer;
• geweld herhaalt zich in een zelfde patroon;
• is te behandelen.
Psychopathische dader • zeer problematisch gedrag;
• biologisch-neurotische oorzaak;
• geen behandeling, wel medicatie.
8 Hoe vaak en wanneer doet het slachtoffer aangifte?
Huiselijk geweld wordt relatief weinig gemeld en aangegeven bij
de
politie. In totaal wordt 12% gemeld bij de politie. In 6% van de
gevallen
komt het ook tot een daadwerkelijke aangifte in de vorm van een
ondertekend proces-verbaal. Bij geweld met een zeer hoge
intensiteit
valt op dat het wel vaker gemeld wordt dan bijvoorbeeld
incidenteel
geweld, maar dat dit niet resulteert in meer aangiften.11 Deze
cijfers
zullen gaan toenemen door een betere registratie van de politie,
door
de toenemende aandacht (ook bij gemeenten) voor huiselijk geweld
als maatschappelijk probleem en door het doorbreken van de taboe.
9 Welke overheden en maatschappelijke organisaties
zijn betrokken bij de landelijke aanpak huiselijk
geweld?
Op 1 oktober 2000 gaf de toenmalige minister van Justitie het
startsein
tot het project ‘Voorkomen en bestrijden van huiselijk
geweld’,
dat tot doel had een extra inzet voor de aanpak van huiselijk
geweld
vanuit departementen en (landelijke) organisaties mogelijk te
maken
en een effectieve benadering van de problematiek te ontwikkelen.
Aan het project hebben verschillende departementen en landelijke
20 HUISELIJK GEWELD
10 De
partnermishandelaar, een psychologisch profiel. D.G.
Dutton, S.K. Golant en
H. Pijnaker. Bohn Stafleu Van Loghum, 2000.
11 Huiselijk
geweld, Aard, omvang en hulpverlening. T.
van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intromart, Sociaal Wetenschappelijk
Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober
1997.
organisaties deelgenomen, zoals de VNG, het Korps landelijke
politiediensten
(KLPD), het Parket-Generaal (PG), Reclassering
Nederland, Slachtofferhulp Nederland, de Federatie Opvang (FO),
Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ)-Nederland, GGD-Nederland en
diverse (landelijke) ondersteuningsorganisaties. De
projectresultaten
vormen de basis voor de kabinetsnota Privé-geweld
– publieke zaak
(2002).
De betrokken departementen bij het huidige landelijk beleid
huiselijk
geweld zijn: Justitie, Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
Volksgezond, Welzijn en Sport, Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
10 Welke wet- en regelgeving is er rond huiselijk geweld?
Huiselijk geweld betreft verschillende beleidsterreinen en valt
onder
meerdere wetten. De belangrijkste wet- en regelgeving op het
welzijns-
en veiligheidsterrein komt in deze vraag aan bod.
Wetgeving op het Welzijnswet
gebied van Welzijn Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV)
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO)
Wet op de jeugdzorg
Stimuleringsmaatregel advies- en steunpunt
Wetgeving op het Wetboek van Strafrecht
gebied van veiligheid Aanwijzing procureur-generaal
Tijdelijk huisverbod voor pleger huiselijk geweld
Grotestedenbeleid
Welzijnswet
In de Welzijnswet staat dat gemeenten een vangnetfunctie hebben
op een aantal gebieden. De Welzijnswet is echter geen wet
waaraan
burgers rechten kunnen ontlenen of waarop ze een beroep kunnen
doen. De gemeente kan dus zelf het (zorg)voorzieningenniveau
bepalen. Een belangrijke voorziening die onder de Welzijnswet
valt,
is de maatschappelijke opvang (MO). De vangnetfunctie voor de
maatschappelijke opvang ligt primair bij centrumgemeenten.
Centrumgemeenten zijn verantwoordelijk voor de totstandkoming,
ALGEMEEN KADER 21
instandhouding en ontwikkeling van een landelijk dekkend geheel
van voorzieningen voor de maatschappelijke opvang,
verslavingsbeleid
en vrouwenopvang. De centrumgemeenten ontvangen daarvoor
twee specifieke doeluitkeringen: één voor de maatschappelijke
opvang en verslavingsbeleid en één voor de vrouwenopvang.12
Wet collectieve preventie volksgezondheid
De huidige Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV) is
in
2003 gewijzigd en heeft het volgende tot doel: ‘bescherming en
bevordering van de gezondheid van de bevolking of van specifieke
groepen daaruit, evenals het voorkómen en vroegtijdig opsporen
van
ziekten onder de bevolking’ (artikel 1, WCPV).
In het kader van gezondheid is de WCPV een belangrijke wet
waarmee
alle gemeenten te maken hebben. Op basis van de WCPV dient
de gemeente elke vier jaar een nota gemeentelijk
gezondheidsbeleid
vast te stellen. De belangrijkste implicatie is dat op grond van
de
WCPV alle gemeenten een algemeen preventieve taak voor de
gezondheidszorg hebben. Te denken valt aan voorlichting aan
jongeren
of vroegsignalering.
Voor huiselijk geweld zijn de gemeentelijke verplichtingen in de
WCPV rond de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ)13 van
belang. In het basispakket (artikel 2.2f) is beschreven wat in
elk geval
onder het bevorderen van de OGGZ wordt verstaan:
• het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het
gebied van
de OGGZ;
• het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en
risicogroepen;
• het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of
dreiging
van crisis bij kwetsbare personen of risicogroepen;
• het bieden van psychosociale hulp bij rampen;
• het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken
organisaties
over de uitvoering van de OGGZ. Hiertoe zijn OGGZ-platforms in
het leven geroepen waar huiselijk geweld onderdeel van kan
uitmaken;
• preventie van huiselijk geweld (sinds 2002).
22 HUISELIJK GEWELD
12 Deze uitkeringen zullen in de toekomst deel uitmaken van de
uitkering op basis
van de Wet maatschappelijke opvang (WMO).
13 OGGZ is de zorg voor mensen die daar zelf niet om vragen,
maar die het wel
nodig hebben. Het kan daarbij gaan om preventie, opvang en zorg.
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Iedere Nederlander is via de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten
(AWBZ) verzekerd voor zorg en ondersteuning bij langdurige
ziekte,
handicap of ouderdom. Om in aanmerking te komen voor
voorzieningen
uit de AWBZ is een indicatiebesluit van het Regionaal
Indicatieorgaan (RIO) nodig. De RIO’s worden per 1 mei 2005
vervangen
door het (vanuit het Rijk georganiseerde) Centrum
Indicatiestelling Zorg (CIZ). Mensen kunnen een indicatie
krijgen
voor één of meerdere functies: huishoudelijke verzorging,
persoonlijke
verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende
begeleiding, behandeling en verblijf. De functie ‘behandeling
en
verblijf’ is van belang voor de aanpak huiselijk geweld. De
vrouwenopvang
wordt bijvoorbeeld deels gefinancierd vanuit de AWBZ.
Vooruitblik op de Wet maatschappelijke ondersteuning
Het kabinet heeft besloten tot een nieuw stelsel voor langdurige
zorg
en maatschappelijke ondersteuning. Het maakt met de geplande
invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in
2006 een strikt onderscheid tussen ‘zorg’ en
‘maatschappelijke
ondersteuning’. Zorg valt na invoering van de WMO onder de
AWBZ en behelst alleen nog de langdurige zorg voor chronisch
zieken,
gehandicapten, chronisch psychiatrische patiënten en ouderen.
Maatschappelijke ondersteuning valt straks onder de nieuwe WMO
en gaat over de ondersteuning en begeleiding die het mensen
mogelijk
moet maken om volwaardig aan de maatschappij deel te nemen.
Opvangvoorzieningen voor de slachtoffers van huiselijk geweld
worden
bijvoorbeeld ondergebracht onder de WMO en bij centrumgemeenten
die hiertoe een doeluitkering ontvangen. Met de nieuwe
WMO kan de gemeente ondersteuning logischer, betaalbaar en
lokaal regelen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van
de
WMO komt bij de gemeenten te liggen. De structuur en rol van centrumgemeenten blijven gehandhaafd.
Wet op de jeugdzorg
De Wet op de jeugdzorg treedt in 2005 in werking. Deze wet vervangt de Wet op de jeugdhulpverlening. De centrale uitgangspunten
van de wet zijn:
ALGEMEEN KADER 23
• De jongere heeft recht op jeugdzorg op grond van een
indicatiebesluit
van het Bureau Jeugdzorg.
• Het Bureau Jeugdzorg verschaft toegang tot de jeugdzorg. Het
is
een indicatieorgaan voor de jeugdhulpverlening.
• De vraag staat centraal. Jeugdigen en hun ouders kunnen met
alle
opgroei- en opvoedingsproblemen bij het Bureau Jeugdzorg
terecht.
• Afstemming tussen de algemene en preventieve voorzieningen
voor de jeugdigen en de jeugdzorg. Een belangrijk doel van de
wet
is het verbeteren van de afstemming tussen de jeugdzorg en het
lokaal preventief jeugdbeleid.
Veel jongeren die slachtoffer zijn van huiselijk geweld doen een
beroep op de jeugdzorg. Het Bureau Jeugdzorg is dan ook een
belangrijke partner in de hulpverlening aan jonge slachtoffers
van
geweld in de huiselijke kring. Het Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling
(AMK), een belangrijke partner in de bestrijding van
huiselijk geweld onder kinderen, valt onder de Wet op de
jeugdzorg,
evenals de instellingen voor jeugdhulpverlening en justitiële
instellingen
voor jongeren.
Stimuleringsmaatregel advies- en steunpunt
Voor het realiseren van een landelijk dekkend netwerk van
advies- en
steunpunten huiselijk geweld heeft de Rijksoverheid een naar
2007
oplopend bedrag van €
3 miljoen beschikbaar gesteld. De uitkering
is
bestemd voor de oprichting van een nieuw advies- en steunpunt
dan
wel de uitbreiding van een bestaand punt. Uiterlijk in januari
2006
moeten de advies- en steunpunten functioneren. Voor een
uitgebreidere
beschrijving van de stimuleringsmaatregel verwijzen wij u naar
hoofdstuk 6.
Wetboek van Strafrecht
In het strafrecht biedt artikel 304 van het Wetboek van
Strafrecht de
mogelijkheid tot strafverzwaring als een dader zijn moeder,
vader,
partner of kind mishandelt. Strafverzwaring geldt ook als ouders
seksuele
handelingen verrichten met hun kind. De maximumstraf voor
24 HUISELIJK GEWELD
eenvoudige mishandeling is verhoogd van twee naar drie jaar
gevangenisstraf.
In combinatie met de al genoemde strafverzwaring heeft
dit als gevolg dat de dader ook ‘buiten heterdaad’ kan
worden aangehouden
en in voorlopige hechtenis kan worden genomen. Dit biedt
de politie in de toekomst meer mogelijkheden om huiselijk geweld
aan te pakken.
Aanwijzing procureur-generaal14
Het Openbaar Ministerie (OM) beschikt over een bijzonder
instrument
dat ingezet kan worden om vanuit het strafrecht zaken van
huiselijk geweld structureel aan te pakken, namelijk ‘de
aanwijzing’.
De aanwijzing schrijft voor dat de politie de verdachte terstond
aanhoudt
indien sprake is van een redelijk vermoeden van schuld bij een
heterdaadsituatie. Verder worden alle gegevens in een als
‘huiselijk
geweld’ geoormerkt dossier vastgelegd. Het OM zal bewijsbare
huiselijk geweld zaken in beginsel altijd vervolgen.
De aanwijzing schrijft voor hoe gehandeld moet worden in het
opsporen, vervolgen en opleggen van straffen aan daders en stelt
maatregelen voor. Daarmee richten de regels zich dus ook op de
opsporingstaak van de politie. Een landelijk geldende aanwijzing
laat
geen ruimte voor afspraken op lokaal of regionaal niveau die
afwijken
van de landelijke regels. Dit kan in de praktijk ertoe leiden
dat
afspraken die in een regionaal samenwerkingsverband zijn gemaakt
waarbij het Openbaar Ministerie betrokken is, moeten worden
bijgesteld.
Een belangrijk onderdeel van deze maatregel is
deskundigheidsbevordering
van politie en justitie om de aanwijzing uit te kunnen
voeren.
Een ander belangrijk uitgangspunt van de aanwijzing is dat
daderhulpverlening
in een zo vroeg mogelijk stadium wordt geïntegreerd
in de strafrechtelijke aanpak van huiselijk geweld. Hiermee kan
een
langdurig effectieve aanpak worden gerealiseerd. Naast
richtlijnen
voor OM en politie ten aanzien van de opsporing en vervolging,
bestaat de aanwijzing uit randvoorwaarden, zoals de benoeming
van
contactfunctionarissen bij arrondissementen en lokale
werkafspraken
met politie, reclassering en hulpverleningsinstellingen.
ALGEMEEN KADER 25
14 Informatie over de Aanwijzing is te vinden op de website
www.huiselijkgeweld.nl
Elementen van de aanwijzing zijn:
• Regels over de handelwijze van de politie, zoals het opmaken
(en
inzenden) van processen-verbaal, arrestatie, voorgeleiding,
voorlopige
hechtenis en de (on)mogelijkheden van vervolg.
• Regels over het vastleggen van feiten (dossieropbouw) over
het
strafbaar feit, zodat in concrete gevallen maatregelen tot
verbalisering
en vervolging kunnen worden genomen. Dit is bijvoorbeeld
informatie over de ernst van de verwondingen, de ernst,
frequentie
en duur van de geweldpleging en de eventuele aanwezigheid
van kinderen.
• Regels over de handelwijze bij meldingen en aangiften die
afkomstig
zijn van hulpverlenende instellingen.
• Regels over afspraken en communicatie met hulpverlenende
instellingen. Het kan gaan over de wensen en behoeften van het
slachtoffer en over de noodzaak tot en mogelijkheden van
daderbegeleiding.
• Specifiek zal in de aanwijzing worden gekeken of het
mogelijk is
een voorlopige voorziening te treffen zodat het slachtoffer
direct
wordt beschermd tegen de dader (contactverbod).
Tijdelijk huisverbod voor pleger huiselijk geweld
Als zich geweld in de privé-sfeer voordoet, is het niet
vanzelfsprekend
dat dader en slachtoffer uit elkaar gaan. Het stoppen van
geweld wordt steeds meer het uitgangspunt. Dat betekent dat niet
volstaan kan worden met maatregelen die erop gericht zijn
slachtoffer
en pleger uit elkaar te halen. De realiteit leert immers dat
veel
slachtoffers en plegers hun relatie niet willen of kunnen
loslaten.
Investeren in het doen stoppen van geweld levert in zulke
situaties
meer op dan uitsluitend het opvangen van slachtoffers.
De minister van Justitie stelt een huisverbod voor dat kan
worden
opgelegd in crisissituaties waarbij huiselijk geweld dreigt
plaats te
vinden, of gevaar dreigt voor leven, gezondheid of vrijheid. Het
tijdelijke
huisverbod heeft tot doel de dreiging en onrust in het gezin
te doorbreken, de veiligheid van het slachtoffer en eventueel
betrokken
gezinsleden te waarborgen, een adempauze in te lassen en hulp
26 HUISELIJK GEWELD
op gang te brengen voor slachtoffer(s) en pleger. Voor de nieuwe
wettelijke
regeling wordt gedacht aan een huisverbod voor een periode
van tien dagen, op te leggen door een hulpofficier van justitie
met
instemming van de burgemeester of de officier van justitie. Naar
schatting zal er in 1000 tot 2000 gevallen per jaar een
huisverbod
worden opgelegd. De maatregel is nog in voorbereiding.
Grotestedenbeleid15
Sinds 1995 bestaat er grotestedenbeleid (GSB) voor dertig grote
steden.
Daarmee wordt de ontstane concentratie van problemen in de
grote steden aangepakt. Tegelijkertijd beoogt het
grotestedenbeleid
de steden een extra impuls te geven. Het grotestedenbeleid wordt
voortgezet met een derde periode, die loopt van 2005 tot 2009 (GSB
III).
Om het grotestedenbeleid uit te voeren zal het Rijk in januari
2005
met de steden gerichte resultaatsafspraken maken voor een
periode
van vijf jaar. De steden formuleren meetbare resultaten op
dertig
zogeheten outputindicatoren. Een van de basisindicatoren is de
aanpak
huiselijk geweld. De grote steden hebben hiervoor de volgende
opdracht: het opstellen van een convenant (als zij deze nog niet
hebben),
het bijhouden van het aantal meldingen en het opzetten van
een advies- en steunpunt.
11 Wat zijn de kernpunten van het landelijke beleid?
De problematiek van huiselijk geweld is niet nieuw. Wel nieuw is
de
manier waarop de overheid ermee omgaat. Stelde zij zich lange
tijd
heel terughoudend op, tegenwoordig vindt de overheid dat het
probleem
niet meer kan worden afgedaan als een echtelijke ruzie waar
buitenstaanders niets mee te maken hebben. De overheid maakt
beleid dat moet helpen huiselijk geweld aan te pakken.
In de kabinetsnota Privé-geweld
– publieke zaak (2002) wordt de
nadruk gelegd op het strafbare karakter van huiselijk geweld.
Huiselijk geweld is dus een gezondheidsprobleem én een veilig-
ALGEMEEN KADER 27
15 De dertig gemeenten zijn: Alkmaar, Almelo, Amersfoort,
Amsterdam, Arnhem,
Breda, Den Bosch, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven,
Emmen,
Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo,
Leeuwarden,
Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam,
Tilburg,
Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zwolle.
heidsprobleem dat ligt op het snijvlak van zorg en veiligheid.
Het
kabinet wil niet alleen werken aan het vergroten van de
opvangmogelijkheden,
maar ook aan het bestrijden van het geweld, zoals het
voorkomen van escalaties, het aanpakken van daders in een vroeg
stadium en het terugdringen van recidive. Zij streeft hierbij
naar een
intensieve samenwerking tussen overheden en met partijen uit het
veld. Daarnaast is het verspreiden van de boodschap dat
huiselijk
geweld onacceptabel is een belangrijk speerpunt in het
rijksbeleid.
Kernpunten uit de nota Privé-geweld – publieke zaak
Samenwerking
Toename van het aantal landelijke, regionale en vooral lokale
samenwerkingsverbanden.
Gemeenten actief
Een actievere rol van de gemeente. Om dit te bevorderen is het
VNGondersteuningsprogramma
ontwikkeld.
Normstelling
Verhogen van het aantal meldingen en aangiftes bij de politie,
onder
andere op basis van publiekscampagnes.
Efficiency door effectiviteit
Door een effectiever optreden van politie en OM moet herhaling
van
geweld worden teruggebracht. Een maatregel hiervoor is het
huisverbod
voor plegers.
Hulp en opvang
De insteek is het verbeteren en uitbreiden van de vrouwenopvang
en
uitbreiden van hulp aan daders en systeemgerichte hulpverlening.
Deskundigheid beroepsgroepen
Bevorderen van deskundigheid van beroepsgroepen die direct of
indirect te maken krijgen met huiselijk geweld. Te denken valt
aan
huisartsen, leerkrachten in het basisonderwijs,
politiefunctionarissen,
medewerkers in de vrouwenopvang of maatschappelijk werk.
28 HUISELIJK GEWELD
Specifieke risicogroepen
Allochtone vrouwen, kinderen en ouderen worden aangemerkt als
specifieke doelgroepen.
Registratie en monitoring
Een verbetering van de registratie bij politie en OM, waardoor
beter
zicht ontstaat op de aantallen incidenten en ontwikkelingen in
de
aard en omvang van huiselijk geweld.
Voor het realiseren van de maatregelen maakt het kabinet een
bedrag
vrij van € 7
miljoen tot 2007. Voor het versterken van de capaciteit in
de vrouwenopvang zet het kabinet een bedrag in dat oploopt tot €
4
miljoen in 2007. Voor de ontwikkeling van een landelijk dekkend
netwerk van advies- en steunpunten trekt het kabinet een bedrag
uit
dat oploopt tot €
3 miljoen in 2007.
12 Wat zijn de documenten die iedere beleidsmaker moet
kennen?
Een veilige gemeente (2000)16
Dit boekje beschrijft vuistregels voor gemeenten die beleid
willen
maken over seksueel en huiselijk geweld. Achtereenvolgens komen
aan de orde: beschrijving van seksueel en huiselijk geweld,
aanknopingspunten
voor gemeentelijk beleid, valkuilen en tips. Deze informatie
wordt afgewisseld met voorbeelden uit gemeenten die al beleid
hebben ontwikkeld op deze terreinen.
Privé-geweld – publieke zaak (2002)17
Deze nota schetst de stand van zaken van het beleid huiselijk
geweld.
In de nota zijn vijftig nieuwe maatregelen aangekondigd om het
huidige
beleid te verbeteren. Deze maatregelen richten zich op het
verbeteren
van de samenwerking en op een andere aanpak van geweld,
waarbij niet alleen aandacht is voor bescherming van
slachtoffers,
maar ook voor het stoppen van geweld.
ALGEMEEN KADER 29
16 De veilige
gemeente. Vuistregels voor gemeenten die beleid willen maken over seksueel
en huiselijk geweld. L.
van Gurp, Utrecht, TransAct, 2000.
17 Privé-geweld
– publieke zaak. Een nota over de gezamenlijke aanpak van huiselijk
geweld. Ministerie
van Justitie, Den Haag, 2002.
Voortgangsrapportage Privé-geweld – publieke zaak (2003)18
De voortgangsrapportage is een jaarlijkse update en beschrijft
de
stand van zaken van de uitvoering van maatregelen die in de nota
Privé-geweld – publieke zaak zijn
aangekondigd.
VNG-brochure Aanpak huiselijk geweld (2003)19
In deze pocket voor gemeenten wordt onder meer de relatie gelegd
tussen huiselijk geweld en andere maatschappelijke problemen, de
inbedding van een aanpak huiselijk geweld binnen de
gemeentelijke
organisatie en voorbeelden van projecten huiselijk geweld in
verschillende
gemeenten.
Inventarisatie stand van zaken aanpak huiselijk geweld (2003)20
Dit rapport geeft de stand van zaken weer van de aanpak
huiselijk
geweld bij gemeenten, regiopolitie en Openbaar Ministerie. Er is
een
inventarisatie gehouden op basis van de volgende thema’s:
beleid,
samenwerking en deskundigheidsbevordering. Het geeft inzicht in
de samenwerkingsrelaties, in de aanwezigheid van deskundigheid
bij de drie actoren en de ontwikkeling van beleid. De
inventarisatie
krijgt in 2005 een vervolg op basis van een monitor waarin naast
gemeenten, OM en politie ook de hulpverlening in beeld wordt
gebracht.
Ruimte voor regie. Handreiking voor ketenregie in het openbaar
bestuur
(2003)21
Deze handreiking is in het kader van het project
‘Ketenregie’ van het
ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)
geschreven. De handreiking geeft handvatten voor de toepassing
van
ketenregie in het sociale domein en inzicht in de activiteiten,
rollen
en verantwoordelijkheden van partners in de keten.
30 HUISELIJK GEWELD
18 Privé-geweld
– publieke zaak. Voortgangsbericht over de aanpak huiselijk geweld.
Ministerie van Justitie, Den Haag, 2002.
19 Aanpak
Huiselijk geweld. Nathalie Assen en
Else Kingma, Den Haag,
VNG-SGBO, 2003.
20 Inventarisatie
stand van zaken aanpak huiselijk geweld 2003. L.
van Lier e.a.,
ES&E in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag
2003.
21 Ruimte voor
regie. Handreiking voor ketenregie in het openbaar bestuur.
A.H.E. van der Aa en P.J.T. Konijn. Ministerie van Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties, Den Haag, 2003.
Quickscan advies- en steunpunten (2004)22
In deze rapportage worden de resultaten van zeven, inmiddels
functionerende
advies- en steunpunten beschreven. Naast de beschrijving
van de advies- en steunpunten zijn ook ervaringen en ideeën
van de groep gebruikers zelf opgenomen. De quickscan dient als
basis voor de stimuleringsmaatregel advies- en steunpunten (zie
hoofdstuk 6).
Mozaïek handboek23
In september 2001 is het driejarig project Mozaïek gestart,
gericht op
preventie van seksueel geweld en vrouwenmishandeling tegen
Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse vrouwen en de
opvang van deze groep vrouwen met hun kinderen. Het doel van het
project is om bestaande methodieken te beschrijven en te
analyseren
en lacunes in kaart te brengen. De meest succesvolle opvang- en
preventiemethodieken
zijn in een handboek beschreven. Het Mozaïek
handboek bevat meer dan
25 methodieken die in de praktijk zijn ontwikkeld
door preventiewerkers, vrouwen van zelforganisaties,
maatschappelijk
werkers van de vrouwenopvang en andere betrokkenen.
Het handboek bestaat uit vijf delen:
1 basisinformatie;
2 voorlichtingsmethoden;
3 steungroepen;
4 weerbaarheidstrainingen;
5 eerste opvang.
De gegevens van deze documenten zijn opgenomen in de bijlage
Geraadpleegde bronnen. De publicaties zijn te vinden op de
websites
www.aanpakhuiselijkgeweld.nl, www.huiselijkgeweld.nl en
www.minbzk.nl (handreiking voor ketenregie).
ALGEMEEN KADER 31
22 Zonder
drempels. Quickscan advies- en steunpunten huiselijk geweld. Stichting
Alexander, Amsterdam, in opdracht van het ministerie voor VWS,
2004.
23 Mozaïek
handboek, M. Cense, P. Nieuwenhuizen,
T. Pauli, B. Steenbergen;
eindred. A. Gort, TransAct, Utrecht, 2004.
32 HUISELIJK GEWELD
2 De rol van de gemeente
13 Wat is regie voeren?
Regie is inmiddels een bekende term die in vele beleidsnota’s
terug
te vinden is. Maar wat houdt regie voeren nu eigenlijk in?
Bij regie gaat het om het toekennen en oppakken van
verantwoordelijkheden,
om aansturing en om het tot stand brengen van
samenwerkingsrelaties.
Het gemeentebestuur is op grond van regelgeving
of op basis van een autonome politieke taakstelling verantwoordelijk
voor de totstandkoming van een bepaald beleid, maar is hiervoor
afhankelijk van de
medewerking van een of meer andere actoren.24
Een belangrijk kenmerk van de regierol van gemeenten is dat er
geen
sprake is van een hiërarchische relatie tussen de betrokken
partijen.
Het is een proces waarin de gemeente probeert om diverse
partijen
tot samenwerking te brengen en taken te laten uitvoeren.
Centraal
uitgangspunt hierbij is het bereiken van gemeenschappelijk te
formuleren
doelen en initiatieven. In de samenwerking zijn partijen
onderling van elkaar afhankelijk. Om een instelling tot
uitvoerder
van een gemeentelijk beleid te bewegen, zal er meer nodig zijn
dan
het onderstrepen van een gezamenlijke visie. Er moet vaak worden
onderhandeld en financiële middelen moeten worden ingezet om
tot
afspraken te komen.
14 Wat zijn mijn activiteiten als regisseur binnen de aanpak
huiselijk geweld?
De kern van de gemeentelijke regisseursrol bestaat uit de
volgende
onderdelen:
1 Bij elkaar brengen van partijen
Gemeenten hebben de taak alle betrokken uit te nodigen voor
deelname
aan overleg en dragen de verantwoordelijkheid dit overleg op
te starten. Dit kunnen betrokkenen zijn binnen de gemeente en
DE ROL VAN DE GEMEENTE 33
24 De
regiefunctie in gemeenten, preadvies Raad voor het Openbaar bestuur.
S.A.H. Denters e.a. Den Haag, 1999.
externe partners. Voor huiselijk geweld betekent dit dat de
gemeente
een overleg initieert met ten minste de kernpartijen en dat zij
het
probleem onder de aandacht brengt. Deze kernpartners kunnen
lokaal verschillen, maar over het algemeen zijn dit de politie,
de
GGD, vrouwenopvang en het algemeen maatschappelijk werk
(AMW). Het bijeenbrengen van de relevante uitvoerende
instellingen
leidt vervolgens tot het maken van samenwerkingsafspraken.
2 Stroomlijnen van communicatie en informatievoorziening
Goed en open overleg is pas mogelijk als alle betrokken partijen
over
dezelfde informatie beschikken. Het is de taak van de gemeente
zorg
te dragen voor actuele informatie en effectieve communicatie
binnen
de samenwerkingsstructuur. Dit betekent niet alleen een goede
informatievoorziening van de gemeente naar de (interne en
externe)
partners, maar ook een optimale communicatie tussen de partners
onderling. Bij huiselijk geweld zal de informatieverstrekking
zowel
veiligheidsthema’s als gezondheidsthema’s betreffen.
3 Overeenstemming zoeken
Om een goed resultaat te bereiken is het belangrijk dat de
betrokken
partijen elkaars belangen kennen. Bij de aanpak huiselijk geweld
kan
het bijvoorbeeld voorkomen dat de gemeente, politie en de
vrouwenopvang
(op onderdelen) tegenstrijdige belangen hebben. Het is
verstandig
de tegenstrijdige belangen zo snel mogelijk te benoemen,
om vervolgens overeenstemming te zoeken op gedeelde belangen.
4 Afstemming realiseren
De gemeente brengt niet alleen partijen bij elkaar, zij richt
zich ook
op afstemming van beleid en uitvoering tussen partijen. Het
onderhouden
van contacten met regionale instellingen, zoals het
Openbaar Ministerie en instellingen voor de geestelijke
gezondheidszorg,
is daar een onderdeel van. Evenals het afstemmen met
andere overlegstructuren en bestuurslagen.
5 Zorg dragen voor sturing
De gemeente legt afspraken vast en zorgt ervoor dat het
ondubbel-
34 HUISELIJK GEWELD
zinnig duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is. Het is de
verantwoordelijkheid
van de gemeente om te bewaken dat partijen uitvoeren
wat afgesproken is en in te grijpen als dat niet gebeurt. Bij
een terrein als huiselijk geweld, waar zoveel verschillende
partners
bij betrokken zijn, vraagt de aansturing een sterke
regisseursrol.
Daarnaast stuurt de gemeente de financiering aan om er voor te
zorgen
dat de afgesproken acties kunnen worden bekostigd.
6 Evalueren en monitoren
De gemeente neemt het initiatief voor de evaluatie en de
monitoring
van het beleid en de uitvoering. Het is daarom belangrijk om in
de
afspraken met de uitvoeringsorganisaties een moment vast te
leggen
waarop de gemeente en de uitvoeringsinstellingen de voortgang en
het resultaat van het beleid (laten) evalueren.
Op basis van de evaluatie kan de gemeente bepalen of er een
nieuw
aanbod ontwikkeld dient te worden, bijvoorbeeld op het terrein
van
preventie, opvang of deskundigheidsbevordering.
15 Hoe pak ik als gemeente de regierol op?
Hoe de regierol het best ingevuld kan worden, hangt onder meer
af
van de grootte van de gemeente en van wat al ontwikkeld is en
(goed)
uitgevoerd wordt op het terrein van huiselijk geweld.
De centrumgemeenten hebben de regietaak voor het beleid en de
instandhouding van de vrouwenopvang (inclusief financiering).25
De
centrumgemeenten krijgen ook steeds meer de regisseursrol
toebedeeld
voor de aanpak huiselijk geweld. Het ligt daarbij voor de hand
dat de kleine regiogemeenten een groot deel van de taken rond de
uitvoering van het beleid inzake huiselijk geweld
‘delegeren’ aan de
centrumgemeente. Te denken valt aan de implementatie en
monitoring
van projecten, het inrichten van het advies- en steunpunt en het
vormen en onderhouden van een netwerk huiselijk geweld. Zo kan
zij de eigen taken beperken tot het onderhouden van contact met
(met name) lokale instellingen, het financieel ondersteunen van
de
centrumgemeente en het informeren van externe organisaties en de
eigen burgers over de gemeentelijke aanpak.
DE ROL VAN DE GEMEENTE 35
25 Er zijn 35 centrumgemeenten aangewezen voor de vrouwenopvang
en
43 centrumgemeenten voor de maatschappelijke opvang en
verslavingszorg.
Van grote gemeenten, en zeker van de centrumgemeenten, wordt
een totaalbeleid verwacht. Zoals het zorgdragen voor een goed
functionerende
frontoffice (zie hoofdstuk 6) en een goed functionerende
backoffice (een sluitende aanpak van huiselijk geweld door
politie en
justitie, hulpverlening, onderwijs en buurtwerk). Er is daarbij
nog
veel variatie mogelijk in de mate waarin en de manier waarop de
onder vraag 14 geformuleerde onderdelen van de regierol
praktisch
worden ingevuld.
Om de regie vorm te geven en uit te voeren wordt doorgaans een
‘regisseur’ aangesteld. Dit kan een ambtelijke of een
externe projectleider
huiselijk geweld zijn. Deze kan zijn werk doen vanuit de
gemeente of vanuit een externe organisatie, zoals de GGD. Een
specifiek voor de aanpak huiselijk geweld aangestelde externe
projectleider
die vanuit de GGD werkt, is de meest voorkomende invulling
van de regisseursrol. Er zijn vier redenen te noemen waarom de
GGD in aanmerking komt voor de regisseursrol:26
1 De GGD wordt over het algemeen gezien als onafhankelijke
partij.
De GGD dient het algemeen belang en heeft minder te maken met
belangenverstrengeling dan andere partijen omdat zij niet de
hulpverlening biedt die de andere instellingen tot hun kerntaken
rekenen.
2 De GGD’en werken, behalve in de grote steden, regionaal,
zodat
zij ook de regierol op regionaal niveau kunnen invullen.
3 Door de GGD als regisseur aan te wijzen wordt gebruikgemaakt
van de bestaande bestuursstructuren. De algemene en dagelijkse
besturen van de GGD’en bestaan uit het college van B en W. Via
deze structuur is de relatie met de politiek geregeld.
4 De GGD heeft op basis van de uitvoering van het OGGZ-beleid
belangrijke inhoudelijke aanknopingspunten met huiselijk
geweld.
De regierol van een grote gemeente: Almere27
De politie en de maatschappelijke opvang hebben de gemeente
benaderd
voor het ontwikkelen van een integrale aanpak huiselijk geweld.
De gemeente heeft de regie over dit thema ondergebracht bij het
36 HUISELIJK GEWELD
26 Aanpak en
preventie van huiselijk geweld, een handreiking voor GGD’en.
R. Vink,
Utrecht, 2004.
27 Aanpak
huiselijk geweld. Nathalie Assen en
Else Kingma, VNG, Den Haag, 2003.
integraal veiligheidsbeleid. De gemeente Almere heeft vervolgens
een projectleider aangesteld die in dienst is van de Dienst
Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente. Deze
projectleider
heeft tot taak een aanpak te ontwikkelen voor de hele provincie
Flevoland. De projectleider voert de volgende regietaken uit:
• bewaakt de doelstellingen uit het plan van aanpak;
• heeft de structuur opgezet, waaronder het instellen van
werkgroepen;
• ziet toe op het functioneren van de werkgroepen en stuurt
waar
nodig bij;
• geeft adviezen over het te voeren beleid;
• zorgt voor draagvlak door middel van het geven van
presentaties
over het onderwerp bij zowel interne als externe partners;
• bewaakt de ontwikkeling van het beleid op regionaal niveau;
• is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie
van
het project.
De start van een kleine gemeente in regionaal verband: gemeente
Mill en St. Hubert
Mill maakt deel uit van het district Land van Cuijk. Dit Noord-
Brabantse (politie)district bestaat uit vijf gemeenten. Binnen
het
driehoeksoverleg van dit district is eind 2002 aandacht gevraagd
voor
huiselijk geweld. Er is besloten dat de gemeente Mill c.a. voor
deze 5
gemeenten als projectleider zal optreden. Begin 2003 is er
gestart
met een brainstormbijeenkomst. Er is vervolgens een werkgroep
huiselijk geweld ingesteld waar, behalve de burgemeester van de
gemeente Mill met ambtelijke ondersteuning, onder andere de
politie,
justitie, maatschappelijk werk, Stichting slachtofferhulp,
reclassering,
de raad voor de Kinderbescherming, de GGD, geestelijke
gezondheidszorg (GGZ), Bureau Jeugdzorg bij zijn betrokken. Uit
de werkgroep is een aantal overlegvormen voortgekomen. Justitie,
politie en Stichting Slachtofferhulp zijn, onder andere door
opgestelde
protocollen over hoe te handelen in diverse situaties, goed op
elkaar afgestemd. De werkgroep is inmiddels elf keer, op
vrijwillige
basis, bij elkaar gekomen. Er is een korte startnotitie
opgesteld, waarin
de samenstelling en de werkwijze van de werkgroep zijn beschre-
DE ROL VAN DE GEMEENTE 37
ven. De gemeente is voornemens een samenwerkingsconvenant op
te stellen en de samenwerking ook met nog niet aan het overleg
deelnemende
partijen uit te breiden. Tevens dient de aandacht voor en de
voorlichting over de problematiek te worden vergroot en dienen
de
hulpverleningsprogramma’s beter op elkaar te worden afgestemd.
16 Wat is de ‘ketenbenadering’?
‘Ketenbenadering’ of ‘ketenaanpak’ staat voor: een
integrale aanpak
(van huiselijk geweld) met aandacht voor verschillende soorten
van
maatregelen, interventies en hulp, voor verschillende
doelgroepen,
die door verschillende typen organisaties gezamenlijk moet
worden
uitgevoerd.
De ‘ketenregie’, regie op uitvoerend niveau, ligt bij
voorkeur níét bij
de gemeente, maar bij een uitvoerende organisatie; het liefst
bij een
organisatie die het vertrouwen van alle andere partijen heeft of
krijgt.
Maar de gemeente heeft wel een rol ten aanzien van ‘de
keten’,
namelijk de regie op beleidsniveau waarbij het erom gaat
onderling
overeenstemming te bereiken over gezamenlijke doelen en over
ieders inzet en bijdragen aan het bereiken van het doel.
Idealiter
vindt er precieze afstemming plaats tussen de regie op
beleidsniveau
(gemeente) en de regie op uitvoerend niveau (een uitvoerende
organisatie
zoals de GGD). Soms lopen beide soorten regie niet in hetzelfde
tempo of is er alleen sprake van regie op uitvoerend niveau.
Dan is het zaak ook gezamenlijke sturing op beleidsniveau te
ontwikkelen
en een relatie te leggen tussen de sturing op doelen en de
sturing op uitvoering. Dat kan bijvoorbeeld via een stuurgroep
die de
koers uitzet en die wordt voorgezeten door de gemeente en een
projectgroep
voor de coördinatie van de uitvoerende activiteiten.
17 Uit welke onderdelen bestaat een sluitende aanpak?
Een samenhangende aanpak van huiselijk geweld omvat de functies
preventie, signalering en bescherming, justitiële aanpak,
hulpverlening
en nazorg. Daarbij is er een specifiek hulpaanbod voor de
verschillende
doelgroepen: de slachtoffers van huiselijk geweld, de plegers
van huiselijk geweld en de eventuele kinderen die getuige zijn
(geweest) van het geweld.
38 HUISELIJK GEWELD
Om zo’n sluitende aanpak te realiseren zijn veel verschillende
organisaties
nodig: organisaties vanuit de zorgketen, de veiligheidsketen,
de jeugdketen, etc. Die komen niet zonder meer tot
ketenafspraken.
Als de belangen verdeeld zijn is bijvoorbeeld doelvervlechting,
het
combineren van uiteenlopende doelstellingen in de samenwerking,
een geschikte strategie. Daarbij wordt gekeken welke
gemeenschappelijke
doelen er zijn, welke doelstellingen verschillen en op welke
wijze deze uiteenlopende doelstellingen op elkaar kunnen worden
afgestemd. De gemeenschappelijkheid vormt de basis voor het
gezamenlijk
uitvoeren van projecten. Het is daarbij van belang dat de
partners niet blijven steken in deze verkennende fase op basis
van
steeds diepgaander onderzoek en nog meer overleg.
Ketenresultaten
moeten uiteindelijk worden geboekt op het operationele niveau.
18 Hoe geef ik de regierol vorm als er al veel ontwikkeld
is door instellingen als politie, vrouwenopvang of de
GGD?
Als er al beleid en projecten ontwikkeld zijn op het terrein van
huiselijk
geweld, kan de gemeente daarop aansluiten. Vaak zijn dit
initiatieven
die vanuit de praktijk zijn geïnitieerd en inmiddels vruchten
hebben afgeworpen. Als eerste activiteit kan de gemeente
zorgvuldig
inventariseren wat er al ontwikkeld is, wat er nog ontbreekt en
wat
ontwikkeld is maar (nog) niet optimaal wordt uitgevoerd. Op
grond
van die analyse kan beleid uitgestippeld worden om aanvullingen
en
verbeteringen van het preventie- en hulpaanbod van de grond te
krijgen.
Hiervoor moet ambtelijk en bestuurlijk draagvlak worden
bewerkstelligd en is medewerking nodig van de uitvoerders van
het
beleid: politie en justitie, hulpverlening, onderwijs en
welzijnswerk.
Van daaruit zullen vervolgactiviteiten zich aandienen. Het is
nooit zo
dat de gemeente niets hoeft te doen omdat de uitvoerende
organisaties
het zo goed doen met elkaar. De inmiddels lopende projecten
dienen binnen het gemeentelijk beleidskader te passen en niet
als
‘losse’ initiatieven naast elkaar te fungeren. De typische
regietaken
kunnen namelijk niet uitgevoerd worden door de vrouwenopvang of
de politie. Die laatste twee zijn vaak de belangrijkste
aanjagers van
het beleid.
DE ROL VAN DE GEMEENTE 39
Hoe is de aanpak van huiselijk geweld opgezet in de gemeente
Delft?
De gemeente Delft is vanaf 2001 op basis van een bestuurlijke
opdracht bezig met de aanpak van huiselijk geweld. Bij de aanpak
is
het veld intensief betrokken. Er is eerst gekeken wat er al is
ontwikkeld
door de partners. Zo was de politie al bezig een justitiële
aanpak
te ontwikkelen en had zij de wens daar een hulpverleningstraject
op
aan te laten sluiten. De zorginstellingen vrouwenopvang en
maatschappelijk
werk waren inmiddels bezig een sluitende aanpak huiselijk
geweld op te zetten. Vanwege de complexiteit van de problematiek
en de veelheid aan partners hebben deze instellingen de
gemeente benaderd en gevraagd de regierol op zich te nemen.
In 2001 heeft de gemeente een actieplan ontwikkeld samen met de
belangrijkste instellingen (AMW, GGZ, GGD, vrouwenopvang en
politie). Het actieplan bevat vier punten:
• vroegtijdige signalering en hulp;
• voorlichtingsactiviteiten gericht op signaleren en
bespreekbaar
maken;
• het oprichten van een advies- en steunpunt;
• samenwerking en afstemming.
In oktober 2003 hebben de partijen een samenwerkingsovereenkomst
getekend, waarin afspraken zijn vastgelegd. De samenwerkende
instellingen en de gemeente participeren in een netwerkoverleg.
Het advies- en steunpunt in de gemeente draait inmiddels.
Momenteel werkt de gemeente aan uitbreiding van het steunpunt in
de regio en aan de invoering van casemanagement. Daarnaast
organiseert
de gemeente voorlichtingsbijeenkomsten voor een aantal
relevante beroepsgroepen die gegeven worden door voorlichters
die
zijn getraind door TransAct.28
Ook besteedt de gemeente speciale aandacht aan huiselijk geweld
onder allochtone groepen. Er worden bijvoorbeeld
voorlichtingsbijeenkomsten
georganiseerd voor allochtonen waarin het thema huiselijk
geweld aan de orde wordt gesteld. Er is een aparte werkgroep
allochtonen in het leven geroepen, waarin sleutelfiguren uit de
allochtone gemeenschappen zitting nemen.
40 HUISELIJK GEWELD
28 TransAct is het Landelijk Expertisecentrum voor
seksespecifieke zorg en aanpak
huiselijk en seksueel geweld.
Voor de aanpak huiselijk geweld is een coördinator aangesteld
voor
twee dagen in de week gedurende een periode van twee jaar. De coördinator
zit onder andere het overleg op uitvoeringsniveau voor. Dit
overleg is ingesteld om zicht te krijgen op de daadwerkelijke
effectiviteit
van het beleid en op de knelpunten in de praktijk. Uit dit
overleg
blijkt dat huiselijk geweld breed wordt gedragen door de
instellingen.
De coördinator zit ook in het overleg Integraal
Veiligheidsbeleid (IVB), waardoor de lijn met het IVB
gewaarborgd
blijft.
19 Hoe krijg ik ambtelijk draagvlak?
Een stevige basis voor commitment en samenwerking tussen
verschillende
ambtelijke afdelingen en diensten wordt alleen gelegd als
de betreffende ambtenaren de probleemanalyse en de doelen
onderschrijven.
Daarvoor is in de eerste plaats communicatie en overtuiging
nodig. In de tweede plaats zijn er de praktische randvoorwaarden
waaraan voldaan moet worden.
In de praktijk blijkt het niet zo moeilijk te zijn om
medeambtenaren
te overtuigen van de ernst van het probleem van huiselijk geweld
en
de noodzaak van een effectieve aanpak. Daarvoor zijn inmiddels
genoeg – zorgwekkende – cijfers en feiten voorhanden. Wat
moeilijker
is, is ambtenaren te overtuigen dat de
gemeente hierin een centrale
rol moet vervullen. Vooral kleine gemeenten die kampen met een
breed takenpakket voor een relatief smalle personeelsbezetting
en
gemeenten waarbinnen politie en hulpverlening al redelijk veel
ontwikkeld
hebben en dat goed uitvoeren (‘het loopt hier allemaal al
goed’), zien niet direct de noodzaak van een gemeentelijke
regierol.
In dat geval is het nodig om heel precies de lacunes in het
beleid aan
te geven. Bijvoorbeeld waar het gaat om preventie van huiselijk
geweld, bescherming en hulp aan kinderen uit gezinnen waar
relatiegeweld
voorkomt, mogelijkheden voor buren e.d. om huiselijk
geweld te melden en nazorg aan gezinnen die behandeld zijn.
Soms zorgen ook signalen uit het veld voor de ontwikkeling van
draagvlak bij de ambtelijke afdelingen. Als van verschillende
kanten
DE ROL VAN DE GEMEENTE 41
partijen aangeven dat huiselijk geweld een probleem is binnen
hun
eigen werkveld, dan zullen de betreffende beleidsafdelingen
eerder
overtuigd raken dat een aanpak huiselijk geweld noodzakelijk is.
20 Hoe krijg ik bestuurlijk draagvlak?
Net als voor ambtelijk draagvlak geldt voor bestuurlijk
draagvlak dat
de ernst van het probleem (cijfers en feiten over deze vorm van
criminaliteit,
maatschappelijke kosten van huiselijk geweld) een goede
ingang kan zijn tot bestuurlijk commitment. Ook een ernstig
incident
in de gemeente leidt in de praktijk nogal eens tot bestuurlijke
activiteit.29
Verder wordt er tussen nu en 2006 een landelijk dekkend netwerk
van advies- en steunpunten huiselijk geweld opgezet, waardoor de
druk op gemeenten om te zorgen voor een goede aanpak van
huiselijk
geweld zal toenemen. Daarnaast zijn argumenten in te brengen
als de toenemende publieke aandacht voor huiselijk geweld
(onderwerp
van publieke debatten, veel media-aandacht), de grote aandacht
en middelen van de landelijke overheid voor huiselijk geweld, de
vele, goede initiatieven van soortgelijke gemeenten en de
toenemende
aandacht voor huiselijk geweld binnen politieke partijen. Het is
ook mogelijk huiselijk geweld als speerpunt op te nemen in een
gezondheidsenquête30 onder burgers of in een peiling over
leefbaarheid
en veiligheid in de gemeente.31
Tips voor intern draagvlak
• Creëer een
opening bij een (betrokken) collega die affiniteit heeft met het
onderwerp. Als er geen
enkele belangstelling vanuit de interne
organisatie is of veel weerstanden zijn is het ontwikkelen van
draagvlak een pittig proces.
• Zoek
overeenkomsten in visie en werkwijze.
De terreinen zorg/welzijn
en veiligheid kijken verschillend tegen de inhoud van huiselijk
geweld aan. Zij krijgen andere input uit het veld en hebben
verschillende
visies op de problematiek. Ook kunnen beleidsmedewerkers
veiligheid een andere aanpak voor ogen hebben dan de
collega’s zorg/welzijn, wat voortkomt uit een andere manier
van
42 HUISELIJK GEWELD
29 In de gemeenten Haarlem en Zwijndrecht (voorlopers) vormden
incidenten
huiselijk geweld met een dodelijke afloop de aanleiding om
beleid te ontwikkelen.
30 Voorbeelden zijn gezondheidsenquêtes in Walcheren, Haarlem
en Drenthe.
31 Voorbeelden zijn leefbaarheid- en veiligheidspeilingen in
Rotterdam en Tilburg.
werken. Focus je op raakvlakken en overeenkomsten en probeer
tot een werkwijze te komen die aansluit bij de eigen werkwijze
en
bij de manier van werken van het veld.
• Werk aan
bewustwording. Zijn collega’s of het
bestuur bewust van
het belang van het onderwerp? En realiseren zij zich dat
huiselijk
geweld in iedere gemeente voorkomt, dus ook in de eigen
gemeente?
• Benut de juiste
momenten. De tijd moet rijp zijn om
sleutelfiguren
over de streep te trekken. Er kan een aanleiding zijn
(bijvoorbeeld
een tragisch incident), waardoor het snel gebeurt, maar soms is
het goed een geduldige weg te bewandelen. Houd daarbij wel de
voortgang in de gaten.
• Wees je bewust
van de randvoorwaarden. Het is
belangrijk te weten
welke afdeling probleemeigenaar is van een deel van de aanpak,
zodat een afdeling niet een probleem oplost dat bij een
collegaafdeling
hoort te liggen. De probleemeigenaar dient zich hiervan
bewust te zijn en dient hierop aangesproken te worden. Een
andere
randvoorwaarde is grip hebben op de sturing. Bij huiselijk
geweld gaat het om veel partijen en veelal om een ingewikkelde
organisatiestructuur. Bij een goede sturing kan de gemeente
onderdelen wegzetten bij de instellingen en erop toezien dat zij
hiervoor verantwoordelijkheid nemen.
• Leg
verbindingen tussen de draagvlakontwikkeling onder verschillende
geledingen. Het gaat
hierbij om het verbinden van de verschillende
vormen van draagvlak, zoals draagvlak onder het intern bestuur,
onder collega’s, onder directies van instellingen of onder
uitvoerende
medewerkers van instellingen.
21 Hoe krijg ik draagvlak bij ‘het veld’?
Over het algemeen zijn de instellingen die direct te maken
hebben
met (de gevolgen van) huiselijk geweld, zoals de vrouwenopvang,
algemeen maatschappelijk werk of de politie, overtuigd van de
noodzaak
voor een stevige aanpak. De bereidheid tot samenwerking is dan
ook in ruime mate aanwezig. In enkele gemeenten is zelfs een
instelling
initiatiefnemer die andere partijen, waaronder de gemeente,
DE ROL VAN DE GEMEENTE 43
erbij betrekt. Voor het betrekken van partners bij wie huiselijk
geweld minder duidelijk op het netvlies staat, zoals huisartsen
of het
onderwijs, is meer overtuigingskracht nodig. Het gaat dan niet
alleen
om het erkennen van het probleem, maar ook om het herkennen
ervan, wat voorafgaat aan erkenning. Wat over het algemeen goed
werkt is insteken op meerdere niveaus, namelijk op het
bestuurlijk,
directie-, beleids- of uitvoerend niveau. De portefeuillehouder
kan
huiselijk geweld in een overleg met bestuurders van potentiële
partners
aan de orde stellen, terwijl op beleidsniveau een
beleidsmedewerker
gezondheidsbeleid kan aanschuiven bij een ambtelijk overleg
van diezelfde partner. Zo landt het onderwerp op meerdere
niveaus
en is de kans groter dat huiselijk geweld een speerpunt wordt
binnen
het beleid van de partner.
Een andere mogelijkheid is het inschakelen van het netwerk van
collega’s
die contacten hebben met verschillende instellingen. Zo kan
bijvoorbeeld de beleidsmedewerker onderwijs zijn contacten bij
de
scholen gebruiken om huiselijk geweld onder de aandacht te
brengen.
De beleidsmedewerker jeugdbeleid heeft regelmatig contact
met het Bureau Jeugdzorg. Deze contacten kunnen functioneel zijn
en worden ingezet voor het ontwikkelen van draagvlak.
Tips voor het ontwikkelen van draagvlak bij het veld
• Bepaal als gemeente de strategie en denk aan de volgende
vragen:
- welke partners heb ik nodig?
- waarom heb ik deze partners nodig?
- welke bijdrage kunnen ze leveren?
- welke visie hebben zij op een aanpak huiselijk geweld?
- welke kansen en bedreigingen zijn er?
- wat zijn de (on)mogelijkheden als je de partijen bij elkaar
zet?
• Benader partners individueel en roep daarna een netwerk in
het
leven.
• Bewaak de continuïteit bij de partners. Vóóraf dient
helder te zijn
wie verantwoordelijkheid draagt voor welke organisatie. Door
personeelswisselingen
kan het draagvlak bij de betreffende partner
verminderen, vooral als een vertegenwoordiger van een instelling
44 HUISELIJK GEWELD
de enige is die zich met het onderwerp huiselijk geweld
bezighoudt.
Zowel de persoon als de functie is belangrijk voor het benaderen
van een partner. Maak de instelling verantwoordelijk voor
continuïteit en inbedding van de aanpak huiselijk geweld binnen
de eigen organisatie.
• Zorg ervoor dat de partner zich ervan bewust is dat zij de
gemeente
iets te bieden heeft en dat zij vanuit haar specifieke expertise
een
belangrijke bijdrage levert aan het beleid. Bij sommige partners
lijkt dat vanzelfsprekend (politie, AMW, GGD), bij andere
partners
is dat minder duidelijk (bijvoorbeeld huisartsen of
onderwijsinstellingen).
• Zet het bestuur in voor draagvlakontwikkeling bij het veld.
Het
werkt om de aftrap hoger in te zetten, bijvoorbeeld door een
wethouder
of burgemeester. Dan ontstaat er een kerngroep met strategische
mensen met bestuurlijke bevoegdheid en kan er een vervolg
komen met een uitvoeringstraject.
22 Hoe leg ik het gemeentelijke beleid vast?
Sommige gemeenten hebben huiselijk geweld vastgelegd in een
beleidsnota/-notitie en/of een plan van aanpak. De volgende
onderdelen
zijn in de nota’s terug te vinden:
• een definitie en omschrijving van het probleem ‘huiselijk
geweld’;
• gemeentelijke en regionale feiten en cijfers over huiselijk
geweld
(politiegegevens, gegevens van zorginstellingen, gegevens uit
bevolkingsonderzoek);
• (SMART-)doelstellingen,32 doelgroepen en beoogde resultaten
van
het gemeentelijke beleid huiselijk geweld;
• de verantwoordelijkheden en rolopvatting van de gemeente;
• de (beoogde) samenwerkingspartners (relevante afdelingen
binnen
de gemeenteorganisatie en externe organisaties) en de
taakverdeling
daartussen;
• de (beoogde) samenwerkingsrelaties (wat, met wie, hoe);
• de informatie- en communicatiemiddelen;
• de monitor- en evaluatiemiddelen;
• het stappenplan (wat, wanneer, hoe, door wie).
DE ROL VAN DE GEMEENTE 45
32 SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch
en
Tijdgebonden.
Het is overigens niet de enige optie om als gemeente een
beleidsnota
huiselijk geweld te schrijven. Het is ook mogelijk om de
bestaande
nota van de regio of de provincie tot uitgangspunt te nemen en
daar een specifiek gemeentelijk plan van aanpak van af te
leiden. Het
is ook mogelijk om samen met de regiogemeenten een nota of een
plan van aanpak te schrijven of om huiselijk geweld als
beleidsthema
op te nemen in de veiligheidsnota of in de gezondheidsnota.
23 Hoe bepaal ik prioriteiten?
Het bepalen van de prioriteiten hangt af van de
uitgangssituatie.
Sommige gemeenten of regio’s staan aan het begin van het
ontwikkelen
van beleid, andere gemeenten hebben inmiddels de
beleidsuitgangspunten
op papier en zitten in de uitvoeringsfase. Enkele aanbevelingen
voor het aanwijzen van prioriteiten zijn:
1 Kies (ook) voor een knelpunt dat binnen afzienbare tijd tot
een
merkbare verbetering kan leiden.
2 Kies (ook) voor prioriteiten op het terrein van de uitvoering
(preventie,
signalering en bescherming, hulpverlening en nazorg)
naast prioriteiten op het terrein van visie, afstemming,
communicatie
en samenwerking.
3 Zorg voor enig evenwicht in het lijstje van prioriteiten wat
betreft:
- gemakkelijk te realiseren doelstellingen naast belangrijke
maar
moeilijk te realiseren doelstellingen;
- financieel moeilijk liggende zaken zoals preventie naast
financieel
gemakkelijker te realiseren zaken zoals een advies- en
steunpunt huiselijk geweld, waar middelen voor beschikbaar
zijn;
- kortetermijndoelstellingen naast
middellangetermijndoelstellingen.
De keuze van de prioriteiten wordt doorgaans mede bepaald door
in
gesprek te gaan met betrokken partijen (politie, AMW,
vrouwenopvang)
en te horen wat de knelpunten in de praktijk zijn.
46 HUISELIJK GEWELD
24 Hoe monitor en evalueer ik het beleid?
Monitoring en evaluatie zijn vaste onderdelen van elke
beleidscyclus.
Om huiselijk geweld beleid te monitoren en te evalueren kunnen
bestaande ‘algemene’ instrumenten gebruikt worden en meer op
het
thema toegespitste instrumenten.
De twee mogelijkheden zijn:
1 De nul- en eindmetingsmethode: het uitvoeren van een nulmeting
van registratiegegevens van instellingen of gegevens uit
burgerpeilingen
bij de start van het beleid huiselijk geweld.33 De eindmeting
vindt plaats na afronding van het project of na een van tevoren
bepaalde beleidsperiode. Hierbij kan het gaan om kwantitatief
meten, zoals registratiegegevens van de politie en/of
zorginstellingen,
gegevens uit bevolkingsonderzoek of de scores van een
tevredenheidsonderzoek
onder cliënten. Voorbeelden van kwalitatief
meten zijn kwalitatieve gegevens over de behandeling van
plegers,
slachtoffers en getuigen van huiselijk geweld, kwalitatieve
gegevens
over de samenwerking tussen politie, justitie, zorg, welzijn,
onderwijs en gemeente of kwalitatieve gegevens over de mate
waarin sprake is van een optimale ketenaanpak.
2 Gebruikmaken van een bestaand monitor- en/of
evaluatie-instrument,
zoals de periodieke Gezondheidsenquête, de Politiemonitor,
de Jeugdmonitor of de GSB-monitor. Een specifiek op het
onderwerp toegespitst instrument is de Vrouwenveiligheidsindex.
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet op dit
moment (2004) in enkele gemeenten een proef met een lokale
Vrouwenveiligheidsindex (VVI). Met dit instrument krijgen
gemeenten meer inzicht in seksespecifiek geweld. Op basis
daarvan
kunnen zij beleid ontwikkelen, onderbouwen en meetbaar
maken. De VVI meet in eerste instantie alleen geweld tegen
vrouwen.
Voor de VVI wordt onderzoek gedaan onder de (lokale) bevolking
met behulp van speciaal ontwikkelde interviews en enquêtes.
Het is de bedoeling in een latere fase ook geweld tegen kinderen
en mannen te monitoren. De proef met de VVI loopt in Rotterdam,
Haarlem, Tilburg, de gemeentelijke cluster Middelburg,
DE ROL VAN DE GEMEENTE 47
33 Op de website www.aanpakhuiselijkgeweld.nl staat een
nulmeting huiselijk
geweld, ontwikkeld door SGBO. Deze nulmeting is bedoeld om de
beginsituatie
van de aanpak huiselijk geweld bij gemeenten in kaart te
brengen.
Vlissingen en Veere, en in 57 gemeenten in de provincie Limburg.
Daarnaast is een stedelijke monitor OGGZ in ontwikkeling die
ook bruikbare informatie kan opleveren voor de stand van zaken
met betrekking tot huiselijk geweld.34
Gezondheidsenquête in Walcheren (Middelburg, Vlissingen en
Veere)
In 1999 is de nota gezondheidsbeleid in Walcheren geschreven op
basis van het Lalonde-model. Voor het opstellen van de nota is
een
reeks gesprekken gevoerd. In deze gesprekken is aangegeven dat
huiselijk geweld een speerpunt zou moeten zijn in de nota. De
volgende
stap was het opnemen van vragen over huiselijk geweld in de
gezondheidsenquête voorafgaande aan de nieuwe nota. Uit deze
cijfers
blijkt dat 7% van de bevolking te maken heeft met huiselijk
geweld.
De regio Walcheren is pilotgemeente in de
Vrouwenveiligheidsindex.
Ten behoeve hiervan is in 2004 een uitgebreidere enquête
verstuurd.
Deze cijfers laten zien dat 8% van de inwoners op Walcheren
(= 9.000) te maken heeft met huiselijk geweld; waarvan 30%
eenmalig
en 600 mensen bijna dagelijks. 40% Van de slachtoffers zegt
geen behoefte te hebben aan hulp. Diegenen die daaraan wel
behoefte
hebben, noemen vooral deelname aan lotgenotengroepen. Dit zou
kunnen betekenen dat slachtoffers minder heil zien in
hulpverlening
dan in contacten met lotgenoten. Via een campagne zou dit beeld
kunnen worden omgevormd.
De gemeente is blij dat zij over deze cijfers beschikt. Om het
bestuur,
de collega ambtenaren en de partners van de noodzaak van een
aanpak
huiselijk geweld te overtuigen zijn landelijke cijfers veelal
niet
meer toereikend. Lokale en regionale cijfers zijn dan zeer
welkom.
48 HUISELIJK GEWELD
34 Het Trimbos-instituut is bezig met de Stedelijke Monitor OGGZ
waar tien centrumgemeenten
aan deelnemen.
3 De keuze en betrokkenheid van
relevante partners
25 Tot welke beleidsterreinen hoort huiselijk geweld?
Huiselijk geweld zit op een snijvlak van meerdere
beleidsterreinen
van de gemeente, te weten veiligheid, gezondheid en
welzijn/maatschappelijke
opvang (MO). Bij veiligheid is er het integraal
veiligheidsbeleid
(IVB), waarbinnen huiselijk geweld een belangrijk speerpunt
is. In verschillende gemeenten is op basis van het IVB een
goedwerkende structuur opgezet en zijn er voldoende
overlegsituaties.
De politie en het Openbaar Ministerie zitten al met de gemeente
om de tafel in het driehoeksoverleg. Daarnaast is veiligheid nu
een
belangrijk politiek thema, waarvoor ook extra financiële
middelen
beschikbaar worden gesteld.
Voor het gezondheidsbeleid is de openbare geestelijke
gezondheidszorg
(OGGZ) in het kader van de WCPV van belang. Een van de
verplichtingen
voor de OGGZ in de WCPV is het bereiken en begeleiden
van kwetsbare groepen. In verschillende regio’s zijn er
OGGZnetwerken
opgezet, al dan niet op basis van een convenant.
De raakvlakken van huiselijk geweld met het welzijnsbeleid
liggen
vooral in de uitvoering van de maatschappelijke opvang. De
centrumgemeenten
maatschappelijke opvang zijn verantwoordelijk voor
voldoende aanbod en stellen daarvoor een regiovisie
maatschappelijke
opvang op.
26 Vanuit welk beleidsterrein dient huiselijk geweld te
worden opgezet?
Omdat huiselijk geweld onder verschillende beleidsterreinen
valt, is
een intersectorale aanpak noodzakelijk. Het is dan ook
belangrijk om
een trekker (coördinator) aan te wijzen. Het maakt niet uit
welk
beleidsterrein de coördinatiefunctie krijgt toebedeeld; de
lokale
omstandigheden beïnvloeden vaak deze keuze. Het is hierbij van
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 49
belang dat het coördinerend beleidsterrein de andere terreinen
erbij
betrekt. Daarnaast is het van belang een projectondersteuner aan
te
stellen voor de uitvoering van taken en projectgebonden
activiteiten.
Het al ontwikkelde gemeentelijk beleid, de reeds bestaande
projecten
en de betrokkenheid van ambtenaren/bestuur zijn enkele factoren
die de keuze van de trekkersrol bepalen.
Een soms doorslaggevende factor voor de keuze is de inhoudelijke
betrokkenheid van een
ambtenaar of wethouder. Deze ambtenaar of
portefeuillehouder pakt de regierol op en brengt het thema
huiselijk
geweld onder binnen het ‘eigen’ beleidsterrein. Om tot een
goede
afstemming te komen tussen de verschillende beleidsterreinen, is
een betrokken trekker een groot voordeel. Let wel op een
evenwicht
tussen persoonlijke betrokkenheid en professionele afstand;
huiselijk
geweld is namelijk een emotioneel beladen onderwerp.
Bestaande projecten huiselijk
geweld kunnen tot een automatische
keuze leiden. In verschillende regio’s in Nederland zijn al
projecten
huiselijk geweld opgestart door bijvoorbeeld de politie of de
vrouwenopvang
(VO). Als de politie al een samenwerkingsverband heeft
opgezet, ligt het voor de hand dat dit samenwerkingsverband de
trekker
is. Als de VO reeds projecten over de aanpak huiselijk geweld
heeft opgestart, zal de afdeling welzijn binnen de gemeente vaak
het
aanspreekpunt zijn.
In enkele gemeenten wordt integraal beleid bevorderd door themagericht
werken. Huiselijk
geweld is een van de thema’s binnen het bredere
thema samenleving. Een andere mogelijkheid is om het onderwerp
eindverantwoordelijkheid te maken van de afdeling
Bestuurszaken en de uitvoering onder te brengen bij Veiligheid
en
Welzijn.
Het komt nogal eens voor dat gaandeweg het proces het coördinatorschap
wordt overgedragen aan een andere beleidsafdeling. De
aanwezigheid van voldoende personele capaciteit op een afdeling,
de
financieringsmogelijkheden van de betreffende afdeling, de
betrok-
50 HUISELIJK GEWELD
kenheid van de portefeuillehouder bij het onderwerp of de
mogelijkheden
voor structurele inbedding binnen bestaand beleid zijn factoren
die een overdracht beïnvloeden.
Het is echter niet zo dat als er een trekker is aangewezen, de
overige
betrokkenen geen taken meer hebben. Alle beleidsterreinen
blijven
hun verantwoordelijkheden op hun terrein behouden en blijven
probleemeigenaar
op deelgebieden van de aanpak huiselijk geweld.
De invalshoek jeugd in de gemeente Doetinchem en de regio
Achterhoek
Huiselijk geweld is een belangrijk speerpunt van het Integraal
Veiligheidsbeleid in de gemeente Doetinchem. Voordat de gemeente
zich is gaan bezighouden met dit onderwerp hadden verschillende
externe partijen (GGD, Raad voor de Kinderbescherming, GGNet,
politie etc.) al hiervoor initiatief genomen. Er draait al enige
tijd het
project Huiselijk Geweld Achterhoek waarbij de gemeente
Doetinchem één van de trekkers is. Het project richt zich op
slachtoffer
en dader. De positie van kinderen krijgt hierbij nadrukkelijke
en specifieke aandacht. Het kind is immers weer de ouder van de
toekomst. Huiselijk geweld heeft ook een plek gekregen in het
jeugdnetwerk
in de Achterhoek waarin provincie, gemeenten en de bij jongeren
betrokken partijen vertegenwoordigd zijn.
De gemeente werkt aan regionalisering van de aanpak huiselijk
geweld in de regio Achterhoek. Er is inmiddels een
intergemeentelijke
stuurgroep huiselijk geweld in het leven geroepen met de
burgemeester
van de gemeente Neede als voorzitter. Deze stuurgroep
bestaat verder uit wethouders, GGD, GGNet, Bureau Jeugdzorg,
Maatschappelijk Werk en de politie. Er wordt gewerkt met
deeltrajecten,
waarvoor coördinatoren zijn aangesteld. De stuurgroep ziet
toe op de inhoudelijke afstemming tussen de deeltrajecten.
De invalshoek veiligheid in Uden en Veghel
Huiselijk geweld is in deze twee gemeenten een van de
veiligheidsthema’s
en op de politieke agenda gebracht vanuit de Districtelijke
Driehoek. Aanvankelijk leefden bij deze gemeenten vragen over de
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 51
regierol van de gemeenten, maar sinds het verschijnen van de
nota
Privé geweld – publieke zaak,
is daar meer inzicht in verkregen. De
gemeente Uden heeft, met de drie andere gemeenten in hetzelfde
politiedistrict een plan van aanpak geschreven. Hierin staat
beschreven
dat de gemeenten zich onder andere zullen gaan richten op
registratie,
het advies- en steunpunt en op de daderaanpak. Op dit
moment worden voorkomende gevallen van huiselijk geweld in het
zogenoemde vierhoeksoverleg afgehandeld. In dit vierhoeksoverleg
hebben zitting: AMW, slachtofferhulp, politie en OM.
27 Hoe stimuleer ik de interne samenwerking?
Er zijn geen algemene richtlijnen voor het opzetten en
stimuleren
van interne samenwerking tussen de beleidsterreinen. Wel kunt u
rekening houden met de volgende aandachtspunten:
• Zorg voor draagvlak,
ga uit van een gedeelde problematiek.
Draagvlak is een kwestie van bereidheid, oordeelsvorming,
beeldvorming
én besluitvorming. Politieke bereidheid is idealiter
raadsbreed.
• Stel een coördinator
aan die aanspreekpunt is.
• Zet afspraken concreet
op papier. Met name ook de taak- en functieomschrijvingen
van functionarissen en werkgroepen en laat ze
ondertekenen door bestuurscommissies.
• Zorg gelijk voor financiële
afspraken. Ga bij budgetvorming in
principe
uit van de totale periode. Als dat niet lukt, probeer dan zo
concreet
mogelijk aan te geven welke resultaten nodig zijn voor
vervolgfinanciering.
• Bepaal wie geïnformeerd moet worden en ook welke informatie
voor wie interessant is. Zorg voor een goede communicatie,
bijvoorbeeld
door een e-mailcirkel op te zetten.
• Besteed aandacht aan procesmanagement
(mensen erbij houden) en
persoonlijke contacten.
• Bouw expliciete go/no
go-beslissingen of evaluaties
in. Dit onder
meer om het draagvlak te behouden.
52 HUISELIJK GEWELD
Communicatie in West-Brabant
In het project ‘STOP huiselijk geweld West-Brabant’ zijn
communicatie
en procesmanagement twee belangrijke onderdelen. Zo wordt
maandelijks een nieuwsbrief verspreid. De nieuwsbrief gaat naar
ongeveer 160 personen.
Verder heeft de projectleider aan de start van het project een
kennismakingsronde
gehouden bij de handtekeningzetters (van de
samenwerkingsovereenkomst
in juni 2003) van de organisaties en instellingen
die in het project participeren. Daarnaast is er een
werkconferentie
voor beleidsambtenaren georganiseerd, is de projectleider bij
de gemeenten langs geweest en zijn de wethouders geïnformeerd
in
het Portefeuillehoudersoverleg Volksgezondheid.
28 Waarom moet de gemeente samenwerking tussen en
met andere organisaties stimuleren?
Organisaties van binnen en buiten de overheid zijn zich gaan
realiseren
dat zij huiselijk geweld niet alléén kunnen bestrijden.
Politie,
OM, reclassering, vrouwenopvang en andere hulporganisaties
zullen
moeten samenwerken. De praktijk leert echter dat niet alle
spelers
rond de aanpak van huiselijk geweld op de hoogte zijn van de rol
van
andere spelers.
De gemeente kan samenwerking met en tussen instellingen initiëren,
omdat de samenwerking vooral lokaal tot stand moet komen. De
samenwerking heeft tot doel om situaties van huiselijk geweld zo
vroeg mogelijk te leren signaleren en daar vervolgens adequaat
mee
om te gaan. In steeds meer gemeenten is er daarom een
samenwerkingsoverleg
(netwerkoverleg) en worden samenwerkingsafspraken
vastgelegd.
Voor de samenwerking tussen de verschillende organisaties is het
van belang om uit te gaan van een gedeelde problematiek en eigen
verantwoordelijkheid. Het voorschrijven van zogenaamde
voorschriften
voor betrokken organisaties werkt in de praktijk meestal
niet. Toch zullen er geregeld visieverschillen blijven bestaan,
omdat
instellingen ook een eigen belang hebben. Let er dus goed op
vanuit
welk perspectief gesprekspartners kijken.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 53
29 Wie zijn de kernpartners in de aanpak van huiselijk
geweld en welke rol hebben zij?
Er zijn vele organisaties bij de aanpak van huiselijk geweld
betrokken.
De kernpartners zijn: de GGD, AMW, vrouwenopvang, politie,
OM, AMK en Bureau Jeugdzorg. Hieronder worden de belangrijkste
taken per organisatie beschreven.
GGD
De GGD (Gemeentelijke, Gemeenschappelijke of Gewestelijke
Gezondheidsdienst) is de belangrijkste uitvoerder van het lokale
gezondheidsbeleid. GGD Nederland is de landelijke
koepelorganisatie
van alle gemeentelijke en gewestelijke gezondheidsdiensten in
Nederland.
De GGD draagt bij aan de bevordering en bewaking van de
gezondheid
van de gehele bevolking en vervult een belangrijke rol in de
uitvoering
van preventieve gezondheidszorg, gericht op groepen met
specifieke risico’s. Naast preventie kan de GGD ook andere
taken uitvoeren,
bijvoorbeeld het organiseren van netwerken of de uitvoering
van een meldpunt.
De organisatie en de activiteiten van de GGD verschillen van
regio tot
regio. Enkele GGD’en zijn een stedelijke GGD, maar de meeste
GGD’en zijn regionaal georganiseerd. In de praktijk blijkt dat
er
grote verschillen zijn in de relaties tussen de gemeente en de
GGD.
In het algemeen hebben grotere gemeenten het idee dat ze meer
invloed hebben op de GGD dan de kleinere gemeenten. Maar ook de
regiogrootte van de GGD is van invloed: gemeenten die onder een
kleine GGD vallen (met een kleiner werkgebied), hebben vaak een
directere relatie met de GGD dan gemeenten die onder een grote
GGD met een groot werkgebied vallen.
In sommige regio’s is de regierol voor de aanpak huiselijk
geweld
gedelegeerd aan de GGD. De projectleider huiselijk geweld is dan
bijvoorbeeld
in dienst van de GGD. De regio’s die het projectleiderschap
hebben ondergebracht bij de GGD, dienen ervoor te waken dat
de aanpak huiselijk geweld verankerd is en binnen het
gemeentelijk
54 HUISELIJK GEWELD
beleid blijft. In regionaal verband komt het voor dat de GGD,
als
secretaris van het regionaal bestuurlijk overleg, huiselijk
geweld
rechtstreeks agendeert en daarmee de beleidsregie van de
gemeenten
overneemt. In dit kader is het voor gemeenten belangrijk zich
bewust te zijn van de lijnen tussen de GGD en het regionaal
bestuur.
Naast het coördinatorschap en alle taken die daarbij horen
(projectleiding,
opzetten netwerk, ontwikkelen van een visie, het formuleren
van doelen en aanwijzen van doelgroepen), heeft de GGD
preventietaken
op het gebied van huiselijk geweld, zoals signaleren,
doorverwijzen
en het bevorderen van deskundigheid van de uitvoerende
medewerkers. De rol en mogelijkheden van de GGD in de aanpak en
preventie van huiselijk geweld zijn beschreven in een
handreiking
die in 2004 is verschenen.35
De GGD in Arnhem
De gemeente Arnhem is in maart 2003 begonnen met de structurele
aanpak van huiselijk geweld. De aanpak is een prioriteit in het
OGGZ-convenant, dat samenwerkende partijen hebben afgesloten.
De aanpak is een voortzetting van het traject dat de politie in
gang
gezet heeft. De betrokken partijen hebben gekozen voor een
groeimodel.
Hulpverlening Gelderland Midden (GGD Arnhem) heeft een
coördinerende functie. Bij HGM zijn twee casemanagers
aangesteld
met een hulpverleningsachtergrond. De casemanagers hebben een
werkplek bij HGM en bij het Arnhemse Veiligheidshuis. Zij werken
nauw samen met de politie, omdat zij de meldingen van de politie
als
uitgangspunt nemen voor vervolgstappen in de
hulpverleningsketen.
Op deze manier houden de casemanagers zicht op de aard en
omvang van de meldingen. Daarnaast werken zij aan de sluitende
aanpak tussen de justitiële en zorgketen en signaleren lancunes
in de
aansluiting. Zij proberen hiervoor, in samenwerking met de
betrokken
organisaties, oplossingen te zoeken.
Het algemeen maatschappelijk werk
Door de brede maatschappelijke oriëntatie en de laagdrempelige
functie36 is het algemeen maatschappelijk werk (AMW) een kern-
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 55
35 Aanpak en
preventie van huiselijk geweld. Een handreiking voor GGD’en.
R. Vink,
Utrecht, 2004.
36 Het AMW is een eerstelijnsvoorziening.
partner in de aanpak van huiselijk geweld. Er zijn ruim 150
instellingen
voor het AMW met bijna 800 locaties. Maatschappelijk werk
biedt hulp bij problemen op drie gebieden: psychisch,
relationeel
en/of materieel. De hulp kan algemeen, voor iedereen zijn, maar
zich ook richten op een specifiek probleem van één of enkele
personen.
Het AMW biedt direct toegankelijke psychosociale en
sociaaljuridische
hulpverlening aan mensen die door uiteenlopende problemen
en gebeurtenissen in een situatie terechtkomen, die hun
draagkracht
te boven gaat en waarbij onvoldoende steun in hun omgeving
voorhanden is.
Het AMW helpt mensen zelf een methode te vinden om met de
problemen
om te gaan of ze op te lossen. Onder andere door individuele
gesprekken, maar ook door verwijzing naar andere hulpverlenende
instanties, crisishulp en groepswerk. Vaak is een periode van
drie
tot vijf maanden voldoende om de mensen zelfstandig verder te
laten
gaan.
Het AMW kenmerkt zich door:
• het bevorderen van psychosociale zelfredzaamheid, door
middel
van begeleiding en behandeling, op basis van de eigen
verantwoordelijkheid
van de cliënt;
• het verschaffen van toegang tot gespecialiseerde zorg- en
welzijnsvoorzieningen
en tot publieke informatie en voorzieningen;
• bemiddeling en belangenbehartiging naar personen en
instanties.
Bij het AMW waren de wachtlijsten behoorlijk hoog. Om daar wat
aan
te doen, heeft de overheid extra geld beschikbaar gesteld.
Daarvan zijn
onder meer extra maatschappelijk werkers aangenomen.
De rol van het AMW in Barendrecht
In het kader van het emancipatiebeleid is het projectplan
‘Aanpak
geweld binnen de huiselijk kring’ in Barendrecht uitgevoerd
gedurende
een periode van een jaar (2002-2003). Dat project hield o.a. in
een inventarisatie van de problematiek onder de partners, het om
de
tafel krijgen van de partners en een cursusaanbod aan de
betrokken
56 HUISELIJK GEWELD
organisatie ten behoeve van deskundigheidsbevordering. Er is een
projectgroep huiselijk geweld ingesteld en een plan van aanpak
opgesteld.
Het project Huiselijk Geweld wordt voortgezet gedurende twee
jaar,
waarvoor een externe projectleider wordt aangesteld. Het
praktische
coördinatorschap is bij de instelling voor Algemeen
Maatschappelijk
Werk ondergebracht en wordt gefinancierd vanuit
(reserve)middelen
van het AMW en vanuit gelden voor Openbare Veiligheid.
De gemeente wil een Centraal Meldpunt oprichten en deze
onderbrengen
bij de uitvoeringsorganisatie van het AMW. Deze organisatie
is 24 uur bereikbaar en beschikt over een crisisdienst. Het
meldpunt
heeft tot doel de meldingsmogelijkheden binnen Barendrecht
te verbeteren, het ontwikkelen en stroomlijnen van
hulpverleningsmogelijkheden
voor slachtoffers en plegers en de meldingsbereidheid
van slachtoffers, plegers, getuigen en hulpverleners te
vergroten.
Er zullen specifieke afspraken worden gemaakt voor de meldingen
van huiselijk geweld in de gemeente Barendrecht. Het is de
bedoeling op termijn aan te haken bij een regionaal advies- en
steunpunt.
Vrouwenopvang
Vrouwenopvang (VO) biedt opvang aan vrouwen en kinderen die
slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Naast hulpverlening is er
voor
de medewerkers een belangrijke rol weggelegd op het gebied van
signalering
en voorlichting. Vrouwenopvang kijkt ook naar andere
mogelijkheden om de veiligheid te vergroten. Daarbij kan gedacht
worden aan weerbaarheidstrainingen voor de vrouw en een
hulpverleningstraject
voor de kinderen. Daarnaast stelt de vrouwenopvang
haar expertise ter beschikking in de regio om te komen tot een
sluitende
regionale aanpak.
De vrouwenopvang doet of draagt zorg voor een samenhangend
aanbod
aan vrouwen die zich aanmelden. Dit aanbod is gericht op het
stoppen van het geweld. De vrouwenopvang biedt naast residentiële
opvang vormen van (ambulante) hulp en/of schakelt anderen in.
Het
aanbod van de VO kan bestaan uit:
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 57
a een specifiek hulpaanbod voor mishandelde vrouwen;
b een specifiek hulpaanbod voor kinderen die getuige zijn
geweest
van geweld;
c een specifiek hulpaanbod voor plegers van geweld.
De rol van de vrouwenopvang in Utrecht
Het advies- en steunpunt ‘een veilig huis in Utrecht’ is in
1998 in
gang gezet door de vrouwenopvang en de politie. De projectfase
heeft
4 jaar geduurd met als eindproduct het Zorgprogramma relationeel
geweld. In januari 2002 is het advies- en steunpunt gestart.
De kern van het advies- en steunpunt is:
• vroegtijdige signalering;
• stoppen van geweld en voorkomen van herhaling;
• normstellend handelen naar daders;
• gedegen opvang en verwijzing (sociale kaart inzichtelijk
maken
voor alle participanten);
• registratie en inzicht in de aard en omvang van huiselijk
geweld en
opvangmogelijkheden;
• laagdrempeligheid en 24-uurs bereikbaarheid.
Het advies- en steunpunt is aangehaakt bij de vrouwenopvang.
Voor
Utrecht was dit op dat moment de meest logische keuze, omdat het
initiatief voor een aanpak huiselijk geweld is genomen door de
vrouwenopvang
en de politie. De frontoffice wordt gevormd door een
team van hulpverleners die in dienst zijn van de vrouwenopvang.
De
backoffice wordt gevormd door de programmacoördinator, de
casemanager-
consulent, een medewerker registratie/documentatie, de
samenwerkende organisaties binnen de stuurgroep
(managementniveau)
en aandachtsfunctionarissen (middenkader).
Aanvankelijk waren de geldstromen voor de vrouwenopvang en het
advies- en steunpunt huiselijk geweld gebundeld. Dit bleek niet
handig,
omdat niet duidelijk was welke middelen waarvoor bestemd zijn.
Het geld voor het advies- en steunpunt huiselijk geweld komt nu
geoormerkt binnen.
58 HUISELIJK GEWELD
Politie
De politie wordt vaak als eerste aangesproken over een situatie
van
huiselijk geweld. De politie heeft niet alleen een
strafrechtelijke maar
ook een hulpverlenende taak. Deze laatste taak is heel
belangrijk
omdat de politie 24 uur per dag bereikbaar is.
De rol van de politie is:
• Bij melding van huiselijk geweld gaat de politie altijd naar
de
plaats van het delict.
• Bij een strafbaar feit wordt de pleger (verdachte)
aangehouden en
indien mogelijk vervolgd.
• Het slachtoffer wordt gemotiveerd aangifte te doen.
• Ook als er bij strafbare feiten geen aangifte wordt gedaan,
kan de
politie de dader ambtshalve vervolgen.
Sinds enige tijd is er een landelijk netwerk huiselijk geweld
binnen
de politieorganisatie actief. Hiervoor zijn in alle
politiedistricten portefeuillehouders
huiselijk geweld aangewezen. Zij zijn er onder
meer verantwoordelijk voor dat er een beleidsplan aanpak
huiselijk
geweld binnen de politie wordt opgesteld voor ‘de driehoek’.
Ook
moeten zij ervoor zorgen dat er afspraken worden gemaakt voor de
samenwerking met het OM en de gemeenten. Hiervoor zijn in veel
gevallen convenanten opgesteld. In 21 van de 25
politiedistricten is
de bestrijding van huiselijk geweld als prioriteit aangewezen.37
De
portefeuillehouders hebben ook taken op het gebied van
deskundigheidsbevordering
ten behoeve van verschillende doelgroepen binnen
het politieapparaat, zoals meldkamerpersoneel en wijkteams. Een
van de onderdelen van deskundigheidsbevordering is het herkennen
van huiselijk geweld.
Inmiddels is per 1 januari 2003 op initiatief van de Raad van
Hoofdcommissarissen
een landelijk project gestart. In dit project wordt de
voortgang van de politieaanpak van huiselijk geweld gemonitord,
een
aanbod voor deskundigheidsbevordering uitgewerkt en worden
stappen
gezet om binnen de politieorganisatie binnen enkele jaren te
komen tot een eenduidig registratiesysteem voor huiselijk geweld
zaken.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 59
37 Privé-geweld
– publieke zaak. Voortgangsbericht over de aanpak van huiselijk
geweld. Ministerie
van Justitie, Den Haag, 2003.
Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie (OM) zorgt voor opsporing en vervolging
van verdachten van strafbare feiten. De rechter kan bijvoorbeeld
een
taakstraf opleggen waarbij de pleger van huiselijk geweld
verplicht
een hulpverleningsprogramma volgt. Ook kan het opleggen van een
straatverbod een maatregel zijn die de rechter kan opleggen. Het
OM
speelt dus een belangrijke rol bij de vervolging van de pleger.
In elk arrondissement wordt een officier van justitie als
contactfunctionaris
aangewezen die werkafspraken vastlegt met politie en
reclassering.
Tevens ziet de contactfunctionaris toe op een voortvarende
aanpak van huiselijk geweld zaken door het parket. Samen met de
reclassering inventariseert hij de mogelijkheden voor
daderbehandeling.
De functionaris zorgt ook voor systematische registratie.
Het Openbaar Ministerie speelt bij huiselijk geweld pas een rol
op
het moment dat er aangifte is gedaan. Soms wordt het OM wel
betrokken bij meldingen van huiselijk geweld, bijvoorbeeld door
hulpverlenende instanties. Dit werkt in de praktijk vaak
positief. Bij
overleg in een vroeg stadium tussen de betrokken instanties
kunnen
de mogelijkheden van verdere aangifte en vervolging worden
bekeken
en kan voor de meest effectieve aanpak in dat concrete geval
worden
gekozen.
Op 1 april 2003 is de Aanwijzing
huiselijk geweld van het OM in werking
getreden. In deze aanwijzing wordt het beleid van OM en politie
beschreven ten aanzien van de opsporing en vervolging van
geweld dat wordt gepleegd in de huiselijke kring van het
slachtoffer.
De aanwijzing heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het
stoppen
van huiselijk geweld, onder meer door het vergroten van de
aangiftebereidheid
van slachtoffers. De notitie, opgesteld door het College
van Procureurs-Generaal, geeft aanwijzingen voor de samenwerking
tussen OM, politie en reclassering en voor dossieropbouw,
daderaanpak
en slachtofferhulp. De Aanwijzing
huiselijk geweld staat uitgebreider
beschreven onder vraag 10.
60 HUISELIJK GEWELD
Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)
Het AMK is de centrale instantie voor het vragen van advies over
of
het melden van kindermishandeling. Elke provincie en
grootstedelijke
regio heeft haar eigen Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.
Het AMK heeft (in tegenstelling tot het advies- en steunpunt
huiselijk
geweld) een bevoegdheid om actie te ondernemen op grond van
een melding.
Het AMK geeft (meestal telefonisch) advies aan iedereen, die
zich
zorgen maakt over een bepaald kind en daarbij denkt aan
kindermishandeling.
Meestal vertellen mishandelde kinderen of degene die
hen mishandelt niet uit zichzelf over de situatie. Voor hen is
het van
groot belang dat mensen in hun omgeving de mishandeling opmerken
en er iets aan doen.
Het AMK wijst mensen de weg naar de hulpverlening en zorgt
ervoor dat de hulp ook echt op gang komt. Het AMK verleent zelf
geen hulp. Het AMK ontvangt meldingen van vermoedens van
kindermishandeling.
Deze worden nader onderzocht. Lijkt er inderdaad
wat aan de hand te zijn, dan stuurt het AMK uiterlijk binnen 6
weken bericht aan de ouders. Zij worden uitgenodigd voor een
gesprek. Het doel van dit gesprek of van meerdere gesprekken is,
de
ouders te motiveren hulp te accepteren bij de problemen in de
opvoeding. Als dat lukt schakelt het AMK de hulpverlening in.
Lukt
het niet om de ouders daartoe te bewegen, dan sluit het AMK de
zaak
ook af, maar draagt deze over aan de Raad voor de
Kinderbescherming.
Die heeft mogelijkheden om ouders te dwingen tot
hulp of kan andere maatregelen treffen om het kind te
beschermen.
Nadat het AMK een zaak heeft afgesloten krijgt de melder bericht
over de afloop.
Bureau Jeugdzorg
Het Bureau Jeugdzorg verschaft toegang tot de jeugdzorg. Het is
een
indicatieorgaan voor de jeugdhulpverlening. Alle vragen en
aanmeldingen
betreffende jeugdhulpverlening verlopen via Bureau
Jeugdzorg. Het is een plaats waar kinderen, ouders, verzorgers,
opvoeders naartoe kunnen voor informatie, advies of hulpvragen.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 61
Ook alle mensen die beroepshalve werken met jeugd zoals het
maatschappelijk
werk, het welzijnswerk, het onderwijs, politie en justitie
kunnen voor informatie, advies en/of hulp bij Bureau Jeugdzorg
terecht.
De kerntaak van het Bureau Jeugdzorg is het beoordelen van het
verzoek
om hulp en indiceren voor de juiste zorg. Het bureau stelt vast
óf de cliënt in aanmerking komt voor zorg en zo ja voor welke
vorm
van hulpverlening. Bij de indicatie bekijkt het Bureau Jeugdzorg
ook
altijd of gezinscoaching nodig is. Jeugdzorg verleent in de
regel zelf
geen zorg.
Bureau Jeugdzorg stelt de indicatie voor de volgende vormen van
Jeugdzorg:
• zorg aangeboden door een zorgaanbieder die de provincie
betaalt;
• jeugd geestelijke gezondheidszorg (GGZ);
• een plaats in een justitiële inrichting;
• op termijn de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte
jeugdigen.
Er zijn 99 vestigingen van Bureau Jeugdzorg in Nederland.
30 Welke andere partners zijn betrokken bij de aanpak
huiselijk geweld?
De Raad voor de Kinderbescherming
De Raad voor de Kinderbescherming is onderdeel van het
ministerie
van Justitie en heeft als taak kinderen te beschermen als de
lichamelijke
en/of geestelijke ontwikkeling gevaar loopt. De Raad wil de
rechten zoals beschreven in het Verdrag van de rechten van het
Kind,
waarborgen. Het kind komt hierbij altijd op de eerste plaats.
De Raad is geen hulpverleningsinstantie. Hij onderzoekt de aard
van
de bedreiging en hoe deze kan worden weggenomen. Medewerkers
van de Raad gaan niet met het gezin aan de slag om problemen op
te
lossen. Wel zoeken zij uit welke vorm van hulp het beste is voor
ouders en kind, en zorgen zij ervoor dat die hulp op gang komt.
Verder kan de Raad de rechter vragen om een
kinderbeschermingsmaatregel.
62 HUISELIJK GEWELD
Reclassering Nederland
Reclassering Nederland38 is een zelfstandige stichting die bijna
volledig
wordt gesubsidieerd door het ministerie van Justitie. De
reclassering
heeft verschillende taken, waaronder voorlichting geven aan
bijvoorbeeld de rechterlijke macht, taakstraffen uitvoeren, maar
ook
vroeghulpbezoeken afleggen helemaal aan het begin van een
traject
(als een verdachte vastzit in de politiecel). Verder voert
Reclassering
Nederland ook een groot aantal zogenaamde reïntegratieprogramma’s
uit om mensen voor te bereiden op een bestaan zonder
criminaliteit.
Om alle taken goed uit te kunnen voeren onderhoudt de
reclassering goede contacten met al haar partners in de
strafrechtketen.
De reclassering kan de mogelijkheid van daderbehandeling
voorleggen.
De reclassering zal (zeker als de kans op recidive groot is) het
OM vragen om dat tijdens de rechtszitting in haar eis mee te
nemen.
De rechter beslist uiteindelijk of aan de eis gehoor wordt
gegeven.
Als daderbehandeling wordt toegewezen, houdt de reclassering
toezicht
op de naleving van de gestelde bijzondere voorwaarde(n).
Slachtofferhulp
Slachtoffers en mensen uit hun directe omgeving kunnen
ondersteuning
krijgen van de bureaus Slachtofferhulp. Deze bureaus bieden
naast emotionele steun ook juridische en praktische hulp. Bij
Slachtofferhulp werken voornamelijk getrainde vrijwilligers.
Daderbehandeling
De forensische psychiatrische zorg heeft een behandelaanbod
beschikbaar voor de plegers van huiselijk geweld. Daders kunnen
er
vrijwillig terecht, maar ook in het kader van een
strafrechtelijk traject,
toegewezen door het OM. Indien mogelijk en wenselijk worden
hun partners en kinderen bij de behandeling betrokken. De
behandeling
is vooral gericht op het voorkomen of reguleren van agressie
en op gedragsverandering.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 63
38 Verslavingsreclassering en reclassering Leger des Heils zijn
aparte organisaties.
Onderwijsinstellingen
Onderwijsinstellingen, met name het basis- en voortgezet
onderwijs,
krijgen vooral met huiselijk geweld te maken in de sfeer van
signalering
en verwijzing. Scholen worden meestal in een later stadium
betrokken bij het beleid huiselijk geweld en worden dan ook niet
aangemerkt
als kernpartners. Toch zijn zij een belangrijke schakel wanneer
het gaat om het signaleren van de gevolgen van huiselijk geweld
bij kinderen. Veel scholen hebben zorgteams. Dit is een netwerk
waarin doorgaans de schoolarts, schoolmaatschappelijk werker,
mentoren en de leerplichtambtenaar zitting nemen. De meeste
zorgteams
bespreken ook casuïstiek. Huiselijk geweld komt steeds vaker
op de agenda van de zorgteams.
Met betrekking tot de signalering van huiselijk geweld zijn ook
ziekenhuizen,
huisartsen (verenigd in de Districts Huisartsen
Vereniging (DHV)), consultatiebureaus en de Thuiszorg
belangrijke
partners. Daderhulpverlening wordt steeds vaker door
GGZ-instanties
opgezet (bijvoorbeeld de Waag). Andere mogelijke
samenwerkingspartners
zijn thuiszorg, FIOM, verslavingszorg (voormalig
consultatiebureau
voor alcohol en drugs (CAD), welzijnsorganisaties,
zelforganisaties minderheden, fysiotherapeuten, dierenartsen en
telefonische hulpdiensten.
31 Wat is de taakverdeling tussen politie en hulpverlening
bij huiselijk geweld?
De eerste opvang van slachtoffers (en plegers) is erg
belangrijk. De
politie zet vaak de eerste stap, maar het is van groot belang
dat de
hulpverlening in een vroeg stadium bij situaties van huiselijk
geweld
wordt betrokken. Kort na het geweldsdelict blijken betrokkenen
het
meest ontvankelijk voor hulp van buitenaf. Dat moment biedt
kansen
voor de hulpverlening aan het slachtoffer, voor het bereiken van
de pleger voor het aanbieden van daderbehandeling, maar ook voor
het eventueel starten van juridische procedures. De dwang en
drang
die uitgaat van de politie vergroot de mogelijkheden om vanuit
de
hulpverlening de dader te benaderen.
64 HUISELIJK GEWELD
Wat is de rol en inbreng van de politie en wat is de rol en
inbreng van
hulpverleners bij de aanpak van huiselijk geweld? Voor de
partners
in de hulpverlening staat buiten kijf dat naast
probleemsignalering
vooral de eerste (crisis)interventie tot de taak van de politie
behoort.
Dit vanwege het daarmee verbonden, lastig van tevoren exact in
te
schatten gevaarsaspect, waarvoor de politie nu eenmaal beter is
toegerust.
Feitelijke hulpverlening en nazorg zijn in principe de primaire
taken van de (reguliere) hulpverlening.
De praktijk blijkt echter weerbarstig. Hoewel de samenwerking
tussen
politie en (hulpverlenings)partners in toenemende mate wordt
neergelegd in convenanten en protocollen, wat de effectiviteit
ten
goede komt, houdt men zich daar niet (altijd) even consequent
aan.
Politiemensen zijn actiegericht, vaak zeer betrokken bij
sociaal-maatschappelijke
problemen en springen in waar gaten vallen. Soms zijn
dit gaten die hulpverleningsinstellingen zouden moeten opvullen
en
niet de politie. De hulpverleningsinstanties vinden dat de
politieinbreng
in principe beperkt moet blijven tot crisisinterventie of acute
hulpverlening.
32 Hoe breng ik verschillende partners met elkaar in
contact?
Een van de taken uit de WCPV is dat gemeenten de lokale partijen
dienen te stimuleren tot het maken van afspraken op het
OGGZ-terrein.
Een convenant OGGZ is een middel om met verschillende partijen
afspraken te maken over de zorg voor kwetsbare mensen. Maar
ook andere vormen van samenwerking zijn mogelijk, bijvoorbeeld
een (bestuurlijk) platform of intergemeentelijk
portefeuillehoudersoverleg.
Denk hierbij ook aan uw veiligheidspartners.
Er zijn enkele tips te geven voor het bij elkaar brengen van
partners:
• Inventariseer eerst de gewenste gesprekspartners en de reeds
bestaande overlegstructuren.
• Start met een gezamenlijke bijeenkomst. Zorg dat het
onderwerp
goed onder de aandacht wordt gebracht om zo het draagvlak te
vergroten.
In de startbijeenkomst kan bijvoorbeeld een bevlogen
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 65
spre(e)k(st)er een inleiding verzorgen of kan middels een
voorstelling
het onderwerp worden toegelicht.
• Benadruk de gezamenlijk gedeelde problemen en hoe daar
gezamenlijk
oplossingen voor kunnen worden gevonden.
• Blijf continu het draagvlak in de gaten houden (zie voor
draagvlak
ook de vragen 19, 20 en 21).
• Maak onderscheid tussen bestuurlijke overlegstructuren,
overleg
op beleidsniveau en overleg op uitvoerend niveau (bijvoorbeeld
casuïstiekbesprekingen).
• Mogelijk is het raadzaam om twee verschillende
overlegbijeenkomsten
te creëren: een klein overleg (met de kernpartners) en
een groot overleg (met alle partners). Het klein overleg kan
vaker
bij elkaar komen. Zorg wel dat de partners uit het groot overleg
op
de hoogte worden gehouden.
• Realiseer van tevoren dat samenwerking veel tijd kost.
• Zorg voor heldere communicatie en duidelijke afspraken.
66 HUISELIJK GEWELD
4 Samenwerken
33 Met welke overlegbijeenkomsten en netwerken dien ik
rekening te houden?
Regionaal college
Het regionaal college vormt het algemeen bestuur van het
politiekorps.
Het bestaat uit de burgemeesters van de gemeenten in de
regio en de hoofdofficier van justitie. De voorzitter is de
korpsbeheerder,
de burgemeester van de centrumgemeente in de regio. Het
regionaal college stelt jaarlijks de formatie, de begroting, de
jaarrekening,
de meerjarenraming en het beleidsplan voor het regiokorps
vast. De ‘regionale beheersdriehoek’ gaat primair over het
beheer en
het functioneren van het korps. Hierin hebben de korpsbeheerder,
de hoofdofficier van justitie en de korpschef zitting.
Regionaal bestuurlijk overleg van wethouders
Zowel op het terrein van veiligheid als van zorg en welzijn
vindt er
regionaal overleg plaats tussen de wethouders in de regio. In
beide
typen overleggen komt huiselijk geweld aan de orde en worden
afspraken gemaakt over de aanpak huiselijk geweld op regionaal
niveau.
Driehoeksoverleg
Per politieregio bestaat er een driehoeksoverleg, waarin de
korpsbeheerder
(vaak de burgermeester van de grootste gemeente), de
hoofdofficier
van justitie en de korpschef van de regiopolitie overleg voeren
over ontwikkelingen, beleid en resultaten. In dit
driehoeksoverleg,
maar ook in ander overleg met de politie en het OM, kunnen
afspraken worden gemaakt over de aanpak van huiselijk geweld.
Integraal Veiligheidsoverleg
Voor het uitwerken van het Integraal Veiligheidsbeleid hebben
verschillende
gemeenten een Integraal Veiligheidsoverleg (IVO) inge-
SAMENWERKEN 67
steld. Het IVO-overleg kan bestaan uit deelnemers met een
beleidsen
financiële verantwoordelijkheid op bestuurlijk niveau zoals de
burgemeester en de wethouders, uit deelnemers op directieniveau,
zoals brandweercommandant, politiechef en directeur van een
woningbouwcorporatie of andere (semi-)overheidsinstellingen en
deelnemers op beleidsniveau. Het doel van het integraal
veiligheidsoverleg
is problemen integraal aan te pakken en op het niveau waarop
besluiten worden genomen. Huiselijk geweld is regelmatig een
agendapunt binnen het IVO.
OGGZ-netwerken
In verschillende regio’s zijn er OGGZ-netwerken opgezet, al
dan niet
op basis van een OGGZ-convenant. In het landelijk convenant
OGGZ worden drie samenwerkingsverbanden onderscheiden:
• een politiek-bestuurlijk platform;
• een samenwerkingsverband dat gericht is op de uitvoering;
•