Hop

vraagt op 27 januari 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie

tegen de democratische rechtsstaat?"

CENSUUR

IN NEDERLAND ©

Lees eerst de uitgangsformule
Beveiliging & bescherming burger tegen een NIET-KLANTVRIENDELIJKE overheid

To whom it may concern!

Nederland politiestaat!

Commissie bezwaarschriften

Raad voor de Kinderbescherming

De school als informant van AMK, BJZ, RVDK zonder toestemming van de ouders belast met het gezag over een kind

Stemwijzer

 

 

 

271 Startpagina Huiselijk geweld. Gezocht door J. Hop Ermelo voor publicatie op internet"

VRAGENLIJST RISICOSCREENING AAN DE VOORDEUR". De korte vragenlijst biedt een handvat voor medewerkers van de vrouwenopvang als een vrouw zich bij hen meldt. Al bij de intake krijgt de medewerker een indicatie van de aard en ernst van het gevaar waarin de cliënt verkeert. Zo wordt ook duidelijk of een vrouw naar een geheime, gesloten opvang moet. Bovendien is informatie tussen de opvanginstellingen gemakkelijker uit te wisselen: "Ieder gebruikt dezelfde maatstaven om de veiligheidssituatie van de cliënt te beoordelen.

602 WAARSCHUWING!  Een valse melding kindermishandeling tegen ouders van een kind is NIET onrechtmatig!

632 Bezwaarschrift tegen BESLUIT AMK=Stichting achter jeugdzorg om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie

Bezwaarschrift 81 ouders tegen BESLUIT STICHTING om RvdK te verzoeken onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie

633 Bezwaarschrift tegen BESLUIT RvdK om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie

100 Jeugdzorg MOET transparant werken! Ouders vraag iedere maand om afschrift van het contactjournaal gezinsvoogd

Modelklacht 653

1. Klacht naar President rechtbank geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen van ingeleverde procedure bij rechtbank
2. Klacht naar President rechtbank geen NAMEN RECHTERS in oproep vermeld

 

 

 

 

Als een rechter zijn vriendin in elkaar slaat dan wordt zijn zaakje behandeld die een rechter die een baantje bij het Openbaar Ministerie (48) heeft, er wordt aan waarheidsvinding gedaan en er wordt rekening mee gehouden dat hij een ex-rechter is. Is dat geen klassenjustitie?

 

     

    WEDZINGA


W. 1157
NLRM 95 96 97 98
Rechterplaatsvervanger rechtbank Leeuwarden 80794-GOG221003
Universitair docent bij de vakgroep strafrecht en criminologie van de RUG
Leeuwarden Hof raadsheer 010400-ontslag genomen 010506
Bestuurslid sectie strafprocesrecht van de adviesraad beroepsopleiding advocatuur Nederlandse Orde van Advocaten
C1997-150504-GOG0506 Hop bijbanenregister Leeuwarden
Memo W. Wedzinga
174 De rechtbank (Zwolle Kleinrensink/Heeregrave/Schimmel) houdt er rekening mee dat het voor een voormalig lid van de rechterlijke macht extra pijnlijk is om publiekelijk te moeten terechtstaan en met het feit dat verdachte nooit meer als lid van de rechterlijke macht actief zal kunnen zijn.
Memo W. Wedzinga
NOVA ontdekte dat de Nederlandse ex-vrouw van de rechter al in 2001 aangifte deed van mishandeling en bedreiging met de dood. Het proces verbaal kunt u lezen op deze en deze pagina. Door op of naast het plaatje te klikken verschijnt een icoontje waarmee u op de pagina kunt inzoomen. De aangifte lag vijf jaar in een bureaula bij de politie en al die tijd werkte rechter Wedzinga gewoon door.
Memo W. Wedzinga
Wedzinga schreef een brief aan de politie om een aangifte tegen hem door een "bestelbruid" in de papierversnipperaar te laten verdwijnen
OM gaat hem toch vervolgen. Deze zaak wordt behandeld door rechtbank Zwolle.
De Wedzinga-norm. Interessante uitspraak van Wedzinga over waarheidsvinding door het OM tijdens zijn proces in Zwolle
Oud rechter Wicher Wedzinga beklaagde zich erover dat justitie onder meer om financiële redenen nooit heeft onderzocht of Tatiana’s bewering: „Alles was besmeurd met bloed”, wel op waarheid berustte. „Het gaat toch om waarheidsvinding? Als dit het openbaar ministerie is in Nederland, ben ik blij dat ik er niet werk…!”
De C.C.S. Bordenga-Koppes norm. Klassenjustitie OM kenmerk voor de rechtspraak in Nederland
Het OM eist geen celstraf voor een rechter na mishandeling, gewelddadigheden, zelfs poging tot doodslag omdat een rechter al hard wordt getroffen doordat een rechter nooit meer zijn rechtersvak kan uitoefenen en het voor een rechter extra zwaar is publiekelijk terecht te staan.
Uitspraak 6 juni 2006

 

 

LJN: AX6783, Rechtbank

Zwolle, 07.630043-05

Printbare versie

Datum

uitspraak:

06-06-2006

Datum

publicatie:

06-06-2006

Rechtsgebied:

Straf

Soort

procedure:

Eerste

aanleg - meervoudig

Inhoudsindicatie:

Voormalig

raadsheer Hof Leeuwarden veroordeeld wegens geweldpleging.

Uitspraak

RECHTBANK

ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07. 630043-05

Uitspraak: 6 juni 2006


  S T R A F V O N N I S


in de zaak van het openbaar ministerie tegen:


    [verdachte]


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006. De

verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Plasman, advocaat te

Amsterdam.


De officier van justitie, mr. Bordenga-Koppes, heeft ter terechtzitting

gevorderd de veroordeling van verdachte voor de hem onder 1 primair en 2

primair ten laste gelegde feiten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf

van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een werkstraf

voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.


TENLASTELEGGING


De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting gewijzigd)


BEWIJS


De verdachte dient van het onder 1 primair en 2 primair en subsidiair

ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet

wettig en overtuigend bewezen acht.


De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte het

slachtoffer meerdere malen heeft geslagen op verschillende plaatsen van

haar lichaam, waaronder meerdere keren met de vuist tegen het hoofd. Nu

de rechtbank het schoppen tegen het hoofd niet bewezen acht, zijn ten

aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde pogen het slachtoffer

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met name die vuistslagen tegen

het hoofd van belang. Het toedienen van vuistslagen strekt er in het

algemeen toe pijn en/of letsel toe te dienen aan het slachtoffer. De ene

vuistslag is echter de andere niet. Bijzonderheden met betrekking tot

een slag kunnen maken dat de kans op het optreden van zwaar lichamelijk

letsel aanmerkelijk is te achten. Arts-assistent Van der Laan heeft het

slachtoffer op de dag, volgend op de nacht waarin de geweldpleging

jegens haar heeft plaatsgevonden onderzocht, en heeft - voor zover het

betreft het hoofd van het slachtoffer – zwellingen en

bloeduitstortingen geconstateerd. Gelet op dit letsel is de rechtbank

van oordeel dat de vuistslagen niet van zodanig bijzondere aard zijn

geweest dat zij de kans op het optreden van zwaar lichamelijk letsel

aanmerkelijk maakten.

De rechtbank leidt eveneens uit de bewijsmiddelen af dat tijdens de

tweede ‘worstelpartij’, die in de slaapkamer plaatsvond, verdachte

het slachtoffer op zeker moment bij de keel heeft vastgepakt en die keel

ook even heeft dichtgeknepen. Het slachtoffer heeft zelf verklaard dat

zij een fractie van een seconde geen lucht kreeg. Uit het een fractie

van een seconde zodanig dichtknijpen van de keel kan niet volgen dat

verdachte het opzet heeft gehad op levensberoving dan wel op het

toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke

zin.


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte

onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste is gelegd, met dien

verstande dat:


hij in de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen

(in de woonkamer van de woning aan [adres]) opzettelijk mishandelend een

persoon te weten [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd en het lichaam

heeft geslagen en gestompt en op de grond heeft gegooid en aan de haren

heeft getrokken waardoor deze letsel en pijn heeft ondervonden


hij in de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen

(in de slaapkamer van de woning aan [adres]) opzettelijk mishandelend

een persoon te weten [slachtoffer] met kracht bij de keel heeft

vastgepakt en de keel heeft dichtgeknepen en meermalen met kracht tegen

het hoofd heeft geslagen waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn

heeft ondervonden


Van het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair meer of anders ten laste

gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank

dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.



STRAFBAARHEID


Het bewezene levert op:


1. subsidiair en 2 meer subsidiair:


telkens: mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 Wetboek van

Strafrecht


De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden

gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.


OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL


Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op

de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig

gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het

onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te

noemen beslissing passend.


Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende:


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige, langdurige

mishandelingen van zijn toenmalige vriendin. De feiten zijn gepleegd in

de woning waar het slachtoffer in Nederland verbleef, de plek bij

uitstek waar zij zich veilig had moeten kunnen voelen. De rechtbank

houdt er rekening mee dat het voor een voormalig lid van de rechterlijke

macht extra pijnlijk is om publiekelijk te moeten terechtstaan en met

het feit dat verdachte nooit meer als lid van de rechterlijke macht

actief zal kunnen zijn. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat gelet

op de hiervoor omschreven ernst van de feiten aan verdachte nog wel een

taakstraf van na te melden duur opgelegd dient te worden.

Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf passend

gelet op het feit dat verdachte – hoewel hij zeer veel te verliezen

had – toch tot het plegen van deze feiten is gekomen en teneinde hem

ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan relationeel geweld

schuldig te maken,


Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de

verdachte betreffend blanco uittreksel uit het algemeen

documentatieregister van de justitiële documentatiedienst

en de inhoud van het op 16 december 2005 door forensisch psychiater

Oppedijk opgemaakte rapport.


De oplegging van straf of maatregel is, behalve op het reeds aangehaalde

wetsartikel, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en

57 van het Wetboek van Strafrecht.


BESLISSING


Het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde is niet

bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.


Het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde is bewezen

zoals hiervoor aangegeven en levert telkens het strafbare feit op, zoals

hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.


Het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair meer of anders ten laste

gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.


De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de

duur van 3 maanden.


De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter

later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het

einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft

schuldig gemaakt.


De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf

het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 80 uren.


De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf

niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40

dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan

het niet verrichte aantal uren taakstraf .


De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde

taakstraf in mindering worden gebracht, zulks in de vorm van een aftrek

van 6 uren op vorengenoemd urenaantal.


Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.



Aldus gewezen door mr. Kleinrensink (31),

voorzitter, mrs. Heeregrave (28)

en Schimmel (39),

rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar als griffier en

uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2006.

 

 

Kamervragen van Oud-Tweede Kamerlid Th.J.M. Hendriks over de dubbelfuncties Officier van Justitie tevens rechterplaatsvervanger

 

De Voorzitter heeft heden de volgende vragen aan de regering doorgezonden

Vragen van het lid Hendriks (Fractie Hendriks) over een verbod op justitiële ambtenaren als rechter ingezonden 29 januari 1998.

  1. Is het u bekend dat in

    Nederland een veertigtal ambtenaren van het Openbaar Ministerie fungeert

    als rechter?

  2. Acht u het gewenst dat

    ambtenaren van het Openbaar Ministerie eveneens deel uitmaken van de

    zittende magistratuur?

  3. Zo ja, waarom? Zo neen, bent

    u bereid aan deze situatie een einde te maken door middel van een

    wettelijk verbod?

681236/898/ 16 februari 1998.

 

 

Antwoorden van de Minister van Justitie op Kamervragen van het Lid Hendriks, over een verbod op justitiële ambtenaren als rechter.


Antwoorden van de Minister van Justitie op Kamervragen van het Lid Hendriks, over een verbod op justitiële ambtenaren als rechter.
(Ingezonden 29 januari 1998, nr.2979806040)

Antwoord op vraag 1.
In Nederland functioneren officieren van justitie niet tevens als vaste rechter. Wel bestaat de mogelijkheid dat officieren van justitie als rechter-plaatsvervanger optreden. Het optreden als rechter-plaatsvervanger geschiedt op zeer kleine schaal, onder andere ter voorbereiding van een definitieve overstap naar de zittende magistratuur. Voorts wordt een beperkt aantal voormalige officieren van justitie, die op grond van leeftijd uit hun functie zijn ontslagen, als rechter-plaatsvervanger ingezet 

Antwoord op vraag 2.
Leden van het openbaar ministerie maken geen deel uit van de zittende magistratuur. Het is aan de rechtsprekende macht zelf om, binnen de wettelijke grenzen, te beslissen wie in een concreet geval als rechter-plaatsvervanger wordt ingezet. De minister van justitie kan, gezien de constitutionele positie van de zittende magistratuur, geen invloed op de toedeling van zaken uitoefenen.

Antwoord op vraag 3.
Het opnemen van een wettelijk verbod voor de officier van justitie om op te treden als rechter-plaatsvervanger is, mede gezien de huidige praktijk, overbodig. Het concept-wetsvoorstel tot aanvulling van de wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren met enige regels omtrent de uitoefening van het rechter-plaatsvervangerschap bevatte een landelijk verbod voor de officier van justitie om als rechter-plaatsvervanger in de strafsector op te treden. Dit concept-wetsvoorstel is, zoals uiteengezet in de brief van 3 november 1997 aan de Tweede Kamer (kamerstukken II, 25600 VI, nr 12), aangehouden. Tevens is in deze brief aangegeven dat de inzet van rechter-plaatsvervangers zal worden afgebouwd. De rechterlijke macht dient in zijn functioneren niet structureel afhankelijk te zijn van de inzet van rechter-plaatsvervangers. Wel blijft het mogelijk om rechter-plaatsvervangers in te zetten in het kader van opleiding, (exclusieve) specialismen en ziekte en verlof.

 

 

 

Definitie huiselijk geweld. ‘Geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer gepleegd is’ Geweld: aantasting van de persoonlijke integriteit, waarbij geestelijk en lichamelijk geweld (waaronder seksueel geweld) onderscheiden wordt. Huiselijke kring: (ex)partners, gezinsleden, familieleden en huisvrienden van het slachtoffer.  

 

Fysiek geweld is geweld waarbij iemand lichamelijk pijn wordt gedaan of waarbij deze dreiging bestaat.

Code ? Fysiek geweld waarbij kinderen mogelijk getuige zijn geweest van het slaan of schoppen, of de dreiging hiervan, van één van hun ouders.

Code ? Iemand dreigde u te slaan (RHGMvJ1997)

Code ?  Geslagen (RHGMvJ1997)

Code ? Zo hard vastgehouden dat het pijn deed (RHGMvJ1997)

Code ? Ergens hard tegenaan geduwd (RHGMvJ1997)

Code ? Geschopt (RHGMvJ1997)

Code ? Iemand dreigde mensen kwaad te doen (RHGMvJ1997)

Code ? Iemand dreigde u te verwonden (RHGMvJ1997)

Code ? Iemand sloot u op (RHGMvJ1997)

Code ? Iemand toonde u messen of vuurwapens (RHGMvJ1997)

Code ? Gesneden met een mes of ander scherp voorwerp (RHGMvJ1997)

Code ? Van de trap af gesmeten (RHGMvJ1997)

 

Geestelijk geweld:

Code ? Dreigen de relatie te verbreken

Code ? Geregeld bespot of gekleineerd worden

Code ?  Stalking

Code ? Steeds in de gaten gehouden worden

Code ? Niet mogen uitgaan

Code ? Op feestjes niet met anderen mogen praten

Code ? Het verbieden om een afspraak met iemand mogen maken

Code ? Het verbieden om op bezoek te gaan bij vrienden

Code ? Het verbieden met iemand te mogen bellen

Code ? Telefoonafschriften die gecontroleerd worden

Code ? Geen inzicht in de eigen financiële positie

Code ? De eigen post niet mogen inkijken

Code ? Geen eigen bankrekening mogen hebben

Seksueel geweld geweld waarbij iemand gedwongen seksuele handelingen moet ondergaan of waarbij deze dreiging bestaat:

Code ? Iemand maakt vervelende obscene gebaren

Code ? Iemand dreigde u seksueel te benaderen

Code ? Aangeraakt met ongewenste seksuele bedoelingen

Code ? Iemand stond dicht bij u met ongewenste seksuele bedoelingen

Code ? Gedwongen tot seksuele handelingen

Code ? Iemand kleedde zich in uw bijzijn uit

Code ? Verkracht

Code ? Gevraagd iemand anders aan te raken

Code ? Gedwongen zich te ontkleden

Code ? Gedwongen te kijken naar seksuele handelingen van een ander

Gevraagd voor deze website aanvulling met incidenten die gebruikt worden door de politie en de nummers achter de code bij ieder incident om het beeld zo compleet mogelijk te maken.

 

 

 

Gelders Nieuws

9 november 2002. Kinderrechter Cools: "Geen vervolging van kinderen na

valse aangifte in zedenzaken" 

ARNHEM-

Kinderen die een valse aangifte hebben gedaan van een zedenzaak moeten niet

strafrechtelijk worden vervolgd. Dat zei de Arnhemse kinderrechter Cools (23)

zaterdagmiddag voor Radio Gelderland.

Onlangs

biechtte een 14-jarig meisje uit Nijmegen op dat ze een groepsverkrachting

had verzonnen. Volgens deskundigen is 10 tot 20 procent van dit soort

aangiften vals. Maar volgens kinderrechter Cools is zo'n valse aangifte een

schreeuw om aandacht. Kinderen die dat doen, hebben vaak andere problemen

waarmee ze zo snel mogelijk moeten worden geholpen.

 

 

 

 

"Als

tegenreactie bij een beschuldiging/aangifte van seksuele intimidatie wordt

door de dader wel aangifte van smaad gedaan. Het advies is om daar niet te

veel aandacht aan te besteden. De politie doet er toch niets mee."

LANDELIJKE

WERKGROEP VROUW EN RECHT

Notulen

plenaire bijeenkomst d.d. 11 mei 1999

1. Opening

en mededelingen

Marlies Vegter,

beleidsmedewerkster bij het Clara Wichmann Instituut en de Werkgroep( Vrouw

en Recht, opent de bijeenkomst en heet de aanwezigen welk om. Zij deelt mee

dat er een vacature bestaat in het bestuur van de Werkgroep.

Belangstellenden kunnen zich bij haar melden.

2.

Rondvraag

Niemand heeft

een punt voor de rondvraag.

3. Vragen

en/of opmerkingen naar aanleiding van de lezing van Rikki Holtmaat

Rikki Holtmaat

introduceert zichzelf en het onderwerp seksuele intimidatie, welk onderwerp

circa 15 jaar geleden op de agenda is gezet naar aanleiding van de

resultaten van een enquête in de Viva. Uit deze enquête kwam naar voren

dat 1/3e van degenen die reageerden last had van seksuele intimidatie op het

werk.

Als eerste

opmerking wordt naar voren gebracht dat het bij het opstellen van een

klachtenregeling inzake seksuele intimidatie van groot belang is dat de

leiding van een onderneming/organisatie zich er achter stelt. Rikki Holtmaat

beaamt dit. Indien de leiding dit niet doet, dan is de kans dat een

klachtenregeling effect heeft, klein. Overigens kan ook de Arbo-commissie of

een OR het onderwerp seksuele intimidatie aankaarten. Het is zaak dan een

leidinggevende te vinden die hen steunt. Argumenten om de werkgever tot

actie te bewegen, zijn dat seksuele intimidatie schadelijk is voor een

organisatie omdat het tot een verpeste werksfeer en ziekteverzuim leidt en

reden is voor vrouwen om ontslag te nemen.

Gevraagd wordt

of, in plaats van een ontslagprocedure, een slachtoffer van seksuele

intimidatie wel eens in een procedure van een werkgever heeft geëst dat hij

maatregelen nam. Rikki Holtmaat antwoordt bevestigend en verwijst naar de

zaak over het Clara Ziekenhuis (RN 1998, 923, nr. 113 in boek Rikki Holtmaat)

waarin een werkgever aansprakelijk werd gehouden voor schade als gevolg van

seksuele intimidatie op de grond dat hij zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW

voor veilige werkomstandigheden had geschonden. Verder is actie op grond van

onrechtmatige daad mogelijk. In het verleden is dat echter wel eens mislukt

(nr. 108 in het boek). Mirjam Decoz heeft nu een zaak waarin zij op grond

van onrechtmatige daad schorsing van een pleger van seksuele intimidatie wil

vorderen.

Gevraagd wordt

of de grootte van een bedrijf invloed heeft op het voorkomen van seksuele

intimidatie. Volgens Rikki Holtmaat is dit niet zo. Bij kleine bedrijven is

het alleen meestal wel zo dat de geïntimideerde medewerkster uiteindelijk

weg moet.

Opgemerkt

wordt dat instelling van een klachtenregeling bij een klein bedrijf geen zin

heeft. Rikki Holtmaat merkt op dat dit opgelost kan worden door per branche

een klachtencommissie in te stellen. Een aantal jaren geleden was het de

bedoeling dat elke werkgever verplicht werd een klachtenregeling in te

stellen dan wel zich bij een branchecommissie aan te sluiten. Dat is toen

echter niet doorgegaan. Volgens geruchten overweegt de PvdA om een nieuw

wetsvoorstel inzake het individueel klachtrecht in te dienen. Met betrekking

tot de inhoud van een klachtenregeling kan de 4e tranche van de Algemene wet

bestuursrecht wellicht meer helderheid bieden.

Opgemerkt

wordt dat de wetgever meer zou moeten doen in de sfeer van een

mentaliteitsverandering. Rikki Holtmaat merkt op dat dit moeilijk af te

dwingen is. De wetgever kan natuurlijk wel de aandacht vragen voor seksuele

intimidatie, zoals ook gedaan is met het reclamespotje met het opdringerige

hondje. Daar zijn erg veel (boze) reacties op gekomen.

4. Vragen

en/of opmerkingen naar aanleiding van de lezing van Anne Legeland

Anne Legeland

geeft een overzicht van haar diverse activiteiten op het gebied van seksuele

intimidatie, waaronder het geven van cursussen en het optreden als

bemiddelaar.

Een

medewerkster van de luchtmacht vraagt of de daar werkzame

vertrouwenspersonen ook kunnen optreden als bemiddelaar, aangezien de

luchtmacht geen bemiddelaar heeft voor conflicten rondom seksuele

intimidatie. Anne Legeland is hier geen voorstander van. Het is beter om een

externe professionele bemiddelaar die is aangesloten bij het NMI aan te

zoeken, ook omdat er onverwerkte trauma's naar buiten kunnen komen. Wil de

organisatie dat niet, dan moet in elk geval een vertrouwenspersoon worden

ingeschakeld wiens positie op geen enkele wijze verbonden is aan die van het

slachtoffer en/of haar leidinggevenden en/of de dader.

Gevraagd wordt

in hoeverre het tegen een slachtoffer werkt indien zij ook uit zichzelf met

de dader is omgegaan, bijvoorbeeld met hem uit eten is gegaan. Anne Legeland

merkt op dat ondergeschikte verhouding, met heel belangrijk is of er sprake

is van een leidinggevende andere woorden van een ongelijke machtsverhouding.

Gevraagd wordt

of het mogelijk is om een werknemer te dwingen om voor een klachtencommissie

te verschijnen. Anne Legeland merkt op dat dit formeel niet kan, maar dat

een werkgever het wel in zijn beleid kan opnemen. Opgemerkt wordt dat een

werknemer bij indiensttreding gevraagd kan worden gedragsregels waar dit in

staat te onderschrijven. Dit is een mogelijkheid. Niet verschijnen is, aldus

Anne Legeland, echter ook in strijd met goed werknemerschap. Eventueel moet

met ontslag gedreigd worden. Er zal een keer helderheid moeten komen in deze

kwestie door een rechterlijke uitspraak.

Er ontstaat

een discussie over het nut van het doen van aangifte van aanranding/seksuele

intimidatie. De politie doet doorgaan niets met een dergelijke aangifte en

willen soms niet eens opnemen. In dat geval, zo wordt opgemerkt, is het ook

mogelijk om eenzijdig, bijvoorbeeld per fax, een aangifte in te dienen. Als

je daarbij stelt dat er schade is aan de zijde van het slachtoffer (Terwee-claim)

moet er wel iets mee gebeuren.

Voordeel van

het doen van aangifte is dat de feiten precies op een rij gezet worden. De

zaak wordt bovendien geloofwaardiger door de bereidheid aangifte te doen.

Een complicatie bij defensie is dat, indien de marechaussee een aangifte

terzijde legt, dit gezien kan worden als een bewijs dat er niets ernstigs

aan de hand is. Dit hoeft echter niet zo te zijn. Onderneemt de

politiemarechaussee wel actie, dan bestaat het risico dat de

strafrechtelijke en de klachtenprocedure door elkaar gaan lopen. Anne

Legeland raadt aan in dat geval het onderzoek naar de klacht te schorsen

totdat het onderzoek van de politie klaar is. Bij de luchtmacht zorgt men

dat alleen een kopie van de klacht naar buiten komt. Andere stukken mogen

worden ingezien, maar worden niet uit handen gegeven. Als

tegenreactie bij een beschuldiging/aangifte van seksuele intimidatie wordt

door de dader wel aangifte van smaad gedaan. Het advies is om daar niet te

veel aandacht aan te besteden. De politie doet er toch niets mee.

Gevraagd wordt

of een klachtencommissie klager en beklaagde achter elkaar hoort zonder dat

er stukken zijn? Anne Legeland doet dat vaak wel, uiteraard niet in elkaars

bijzijn. Na afloop krijgt elke partij dan alle stukken.

Een

medewerkster van de publieke omroep merkt op dat de klachtencommissie aldaar

niet goed werkt. Wellicht komt dit door de samenstelling van de commissie.

Anne Legeland merkt op dat dit inderdaad vaak een probleem is. Het is aan te

raden om als commissielid in elk geval een jurist met ervaring op dit gebied

aan te trekken.

Tot slot van

de avond deelt Rikki Holtmaat mee dat het de bedoeling is om over een paar

jaar een actualisering van haar boek te verzorgen. Een ieder wordt daarom

gevraagd om uitspraken over seksuele intimidatie toe te sturen aan het Clara

Wichmann Instituut!

AMBONPLEIN 73

1094 PW AMSTERDAM

POSTBUS 93929 1090 EC AMSTERDAM

 

 

 

Ministerie van Justitie

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Persbericht ministerraad

17 februari 2006

HUISVERBOD BIJ HUISELIJK GEWELD

De ministerraad heeft ingestemd met het voorstel van minister Donner van Justitie en minister Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om burgemeesters de bevoegdheid te geven een huisverbod op te leggen. Het verbod houdt in dat een pleger van huiselijk geweld in beginsel tien dagen zijn of haar woning niet meer in mag en in die periode ook geen contact mag opnemen met de partner of de kinderen. Het kabinet wil met de maatregel het huiselijk geweld verder terugdringen.

Het huisverbod biedt de mogelijkheid om in een noodsituatie te voorzien in een afkoelingsperiode waarbinnen de nodige hulpverlening op gang kan worden gebracht en escalatie kan worden voorkomen. Voor de uithuisgeplaatste kan corrigerende hulpverlening in gang worden gezet. Het huisverbod kan ook worden opgelegd bij kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan.

Het huisverbod wordt in de vorm van een beschikking uitgereikt, waartegen beroep mogelijk is bij de bestuursrechter. De burgemeester kan afhankelijk van de situatie het huisverbod verlengen tot maximaal vier weken. Een uithuisgeplaatste die zich niet aan het huisverbod houdt, kan maximaal twee jaar gevangenisstraf krijgen of een taakstraf.

Huiselijk geweld vormt een ernstig maatschappelijk probleem. Het kan de vorm aannemen van partner- of relatiegeweld, kindermishandeling en mishandeling van ouderen. Bij de politie worden jaarlijks meer dan 50.000 incidenten gemeld, het werkelijke aantal ligt vermoedelijk veel hoger. Vanaf 1 januari 2004 registreert de politie standaard gevallen van huiselijk geweld. Elke politieregio heeft inmiddels een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en specifiek beleid voor de aanpak van huiselijk geweld.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

RVD, 17.02.2006

 

 

 

Begrippenlijst huiselijk geweld

Centraal staat het bevorderen van een eenduidige registratie van gegevens over huiselijk geweld gratis op internet voor minderjarigen en hun ouders waardoor meer inzicht kan worden verkregen in de vragenlijsten/valkuilen die voor de gewone burgers zijn opgesteld. De effectiviteit van (gepubliceerd) weerwerk tegen individuele incidenten omschrijvingen steeds verder te vergroten.

Het gevaar! Om steeds meer subsidiegeld voor "huiselijk geweld" los te krijgen en gesubsidieerde hulpverleners baantjes te creëren is bij mij de indruk gaan ontstaan dat niet alleen valse aanklachten gewoon als huiselijk geweld meegeteld worden in allerlei onderzoeken en statistieken maar ook door de definitie van huiselijk geweld steeds ruimer te definiëren bijvoorbeeld door een burenruzie nu ook als huiselijk geweld in onderzoeken en statistieken mee te tellen wordt de indruk gewekt dat er sprake is van een toename van huiselijk geweld kritiekloos en klakkeloos overgenomen door handlangers bij de gesubsidieerde media om de rechtspositie van het gewone volk tegenover de Staat steeds verder uit te hollen. Ik onderbouw mijn bewering op basis van feiten bijvoorbeeld de indeling  naar soort geweld gebruikt zoals die gemaakt is in het rapport “Huiselijk geweld” van het Ministerie van Justitie (1997).De mogelijkheden van de Staat om vanaf 1997 het gezin binnen te dringen zonder rechtsproces maar met een formuliertje ondertekent door de burgemeester worden steeds groter!

Interessant begint de begrippenlijst "huiselijk geweld" te worden door de begrippenlijst omgekeerd op de jeugdzorg industrie zelf toe te passen om vervolgens aan de hand van de onderstaande begrippenlijst aangifte tegen medewerkers/instellingen werkzaam in de jeugdzorg te doen. Hoe gaat de politie reageren als u de methodes van de jeugdzorg en politie jegens burgers omgekeerd gaat toepassen op de jeugdzorg industrie? Ik heb altijd veel bereikt in mijn procedures door (in gedachte) de zaak eens om te draaien en te kijken wat er dan gebeurt.

Melding het op de hoogte brengen van de politie van een incident of strafbaar feit. Dit kan telefonisch of aan het bureau. Het kan een melding zijn die een persoon zelf betreft, maar het kan ook een melding zijn die anderen, bijvoorbeeld de buren, betreft. De politie maakt hiervan een mutatie in het bedrijfsprocessensysteem (BPS). Mutatie het beschrijven van een melding of aangifte van een incident in het BPS. Het bedrijfsprocessensysteem van de politie (BPS) is te onderscheiden in twee delen. Een deel met alle ‘harde’ informatie (variabelen) en een deel met alle tekstbestanden (waaronder meldingen en vrije mutaties). Met de bestaande hulpmiddelen binnen het BPS, blijkt het niet mogelijk om te zoeken naar bepaalde termen of woorden die aanduiden dat er sprake is van huiselijk geweld (zogenaamde ‘strings’) in de tekstbestanden. Daarbij is het onmogelijk huiselijk geweld uit het BPS te onttrekken op basis van alleen de ‘harde’ informatie. De onderstaande incident omschrijvingen zijn afkomstig uit verschillende bedrijfsprocessensysteem van de politie (BPS) en zijn/worden actueel bijgewerkt met informatie uit andere bronnen.

Aangever persoon die aangifte doet . Aangifte het officieel aangeven van een incident of strafbaar feit bij de politie. Dit betreft een extra handeling na het doen van een melding van een incident. Het slachtoffer dient hiervoor naar het politiebureau te komen en de aangifte wordt schriftelijk opgenomen. Bij een aangifte worden tevens de persoongegevens van de aangever opgenomen.

Bedrijfsprocessensysteem (BPS) het systeem van de politie waarin mutaties van alle soorten delicten worden geplaatst en bijgehouden. Zowel meldingen als aangiften worden in dit systeem beschreven.

Casusformulier. Formulier dat is ontwikkeld in het kader van het project ‘1e hulp bij huiselijk geweld tegen vrouwen’. Op dit formulier worden de kenmerken van de deelnemers aan het project bijgehouden. Daarnaast worden tevens de acties die de personen die zitting hebben in de werkteams ten aanzien van de deelnemers dienen te ondernemen of gaan ondernemen bijgehouden.

 

 

 

Page 1 of 1 Checklisten aanpak geweld in huiselijke kring – versie 09/03/2004 (Walter Klein Nienhuis)

Checklisten Aanpak Geweld in Huiselijke Kring

9 maart 2004

Regio Politie Gelderland-Midden

Werkgroep Aanpak Geweld in Huiselijke Kring

 

1. Telefonische melding bij politie

De telefonist van meldkamer of telefooncentrale stelt o.a. de volgende vragen:

• Wat is er aan de hand?

• Gegevens melder noteren (naam, telefoonnummer en hoedanigheid bijv. slachtoffer, buren, familie, vrienden)

• Wie is de verdachte?

• Is de verdachte nog in de woning aanwezig c.q. elders?

• Wat is de locatie?

• Hoeveel personen zijn er op dit moment in de woning?

• Zijn er kinderen in de woning aanwezig?

• Informatie over de mate en frequentie van het geweld.

• Achtergrondinformatie noteren (bijv. huilen, geschreeuw, ander lawaai enz.)

Wat doet de telefonist nog meer?

• Kijkt in het bedrijfsprocessen systeem (BPS) naar eerdere meldingen op locatie /op persoon;

• Geeft verkregen info door aan de surveillance-eenheid of chef van dienst /daco;

• Legt de gegevens uit het telefoongesprek zoals (spontane verklaring verdachte, (kinder)gehuil, verbale bedreigingen en achtergrond geluiden en aan wie de melding is overgedragen enz.) in de BPS mutatie vast.

2. Melding aan het bureau c.q. op straat:

• Hoor het verhaal kort aan en maak een inschatting van de problematiek;

• Zorg voor een rustige gespreksruimte;

• Bedenk dat een verdachte die u in het bureau vast heeft zitten ook slachtoffer kan zijn;

• Bij het inschatten van de problematiek moet u rekening houden met de volgende zaken:

− Wel /geen acuut gevaar

− Wel /geen kinderen aanwezig

− Wel /geen letsel

− Wel /geen heterdaad

− Wel /geen bereidheid tot het doen van aangifte

• Informeer over de mogelijkheden (melding, aangifte, hulpverlening, gesprek(ken) met slachtoffer en /of verdachte);

• Geef objectieve informatie: praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte maar zet het slachtoffer ook niet onder druk om wel aangifte te doen;

• Geef in het kort uw vervolgstappen aan;

• Registreer uw bevindingen in BPS.

3. Externen melden aan contactpersoon politie

• Hoor het verhaal kort aan en maak een inschatting van de problematiek;

• Informeer over de mogelijkheden (melding, aangifte, hulpverlening, gesprek(ken) met slachtoffer en /of verdachte);

• Overleg met de externe partner welke vervolgstappen noodzakelijk zijn;

• Geef in het kort uw vervolgstappen aan;

• Registreer uw bevindingen in BPS.

4. Politie gaat ter plaatse:

• Vraag de meldkamer om alle informatie omtrent locatie en personen.(eerdere meldingen);

• Bij melding van wapengebruik, denk aan eigen veiligheid!!

• Beschouw de woning als plaats delict. (denk daarbij aan sporen zoals bloed /vernielingen/zichtbaar letsel / drank of drugsgebruik enz.)

• Stop het geweld; neem stelling tegen het geweld

• Afhankelijk van de situatie prioriteiten stellen. (willekeurige volgorde):

− Laat slachtoffer vervoeren naar een ziekenhuis of;

− Arts ter plaatse laten komen.

− Als er kinderen aanwezig zijn let dan op hun veiligheid. Eventueel de kinderen elders onderbrengen (buren, familie, Raad voor de Kinderbescherming).

− Technische recherche laten komen (foto’s maken van slachtoffer en andere sporen in de woning).

− Scheid (indien aanwezig) de betrokken partijen en vraag wat er aan de hand is.

− Bij vermoeden van een verdachte deel direct mede dat hij /zij niet tot antwoorden verplicht is. (Zie verder heterdaad, punt 3 / buiten heterdaad, punt 4)

− Verdachte (eventueel) aanhouden.

− Slachtoffer (eventueel) verwijzen naar het bureau voor het doen van aangifte. Geef dus objectieve informatie: praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte maar zet het slachtoffer ook niet onder druk om wel aangifte te doen.

− Je moet zelf inschatten of het nodig is om informatie bij het kind in te winnen.

− Verzamel informatie bij eventuele getuigen (buren, vrienden, familie enz).

- Maak foto’s; indien de technische recherche niet ter plaatse kan komen/ komt is het van belang om foto’s te maken van eventueel aanwezige sporen. In elke noodhulp auto is hiervoor een digitale fotocamera aanwezig.

5. Heterdaad

Is er sprake van een heterdaad, denk dan aan het volgende:

• Wie is de verdachte?

• Is hij /zij ter plaatse of elders?

• Is verdachte gewapend?

• Houd de verdachte aan en deel mede dat hij /zij niet tot antwoorden verplicht is;

• Regel zo spoedig mogelijk transport voor de verdachte naar het bureau;

• Denk bij het transport van de verdachte aan het aanwezig zijn van sporen op /aan de verdachte c.q. kleding (bloed /sperma).

• Overweeg de technische recherche ter plaatse te laten komen (maken foto’s plaats delict en letsel bij slachtoffer en/of verdachte, veiligstellen en/of vastleggen sporen).

• Het in voorkomende gevallen veiligstellen van sporen (bloed/sperma) door arts GGD alleen na overleg vooraf met technische recherche;

• Onderzoek slachtoffer door arts van de GGD in geval sprake is van verkrachting;

• Verwijs het slachtoffer (indien mogelijk) naar het bureau voor het doen van aangifte of spreek af wanneer en bij wie hij/zij aangifte kan doen. Geef objectieve informatie: praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte maar zet het slachtoffer ook niet onder druk om wel aangifte te doen;

• Registreer uw bevindingen in BPS.

6. Buiten heterdaad

Als er geen sprake meer is van heterdaad, denk dan aan het volgende:

• Hoor het verhaal aan en maak een inschatting van de problematiek;

• In geval van een verkrachting moet het slachtoffer binnen maximaal 72 uur na het feit onderzocht zijn door de arts van de GGD.

• Geef het slachtoffer vervolgens informatie over de verdere procedure:

− Het verschil tussen heterdaad en buiten heterdaad.

− Welke bevoegdheden heeft de politie m.b.t. heterdaad en buiten heterdaad.

− Welke mogelijkheden de politie heeft, maar ook wat de politie niet kan.(Opstarten hulpverlening, zorgen voor veiligheid)

− Bespreek de mogelijkheden die het slachtoffer heeft om te zorgen voor haar eigen veiligheid

( b.v. vrouwenopvang, andere sloten op de deur (adviseer dit alleen als de verdachte niet in de woning woont), familie en / of buren informeren)

− Het doen van aangifte (Hoe gaat dat in zijn werk en wat is het doel daarvan?)

− De mogelijkheid van het ambtshalve vervolgen.

• Registreer uw bevindingen in BPS;

• Overleg de casus met de Officier van Justitie;

• Plannen aanhouding c.q. ontbieding van de verdachte;

• Indien mogelijk voor het verhoor van de verdachte afspraken maken met de daderhulpverlening over het tijdstip waarop de verdachte door hen eventueel bezocht kan worden. (Afhankelijk of verdachte gemotiveerd is voor daderhulpverlening)

• Een mogelijk gevolg van aanhouden buiten heterdaad (al dan niet ambtshalve) kan leiden tot een lagere bereidheid tot melden / aangifte doen bij het slachtoffer in de toekomst. Het is immers niet ondenkbaar dat het slachtoffer inmiddels de relatie met de verdachte (tijdelijk) heeft hersteld.

7. Aangifte

• Wil het slachtoffer na de eerste opvang aangifte doen, leg dan de procedure en de gevolgen van de aangifte uit. Vertel daarbij ook wat de gevolgen (kunnen) zijn als er geen aangifte gedaan wordt.

• Geef objectieve informatie. Praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte, maar zet het slachtoffer ook niet onder druk om het wel te doen. Neem duidelijk in de aangifte op dat het slachtoffer aangifte doet omdat hij/ zij wil dat de dader gestraft wordt.

• Neem een luisterende houding aan en geef aandacht aan het slachtoffer;

• Zorg voor een rustige ruimte;

• Leg het slachtoffer uit dat het doel van de aangifte is: het vervolgen van de dader en / of het laten doorlopen van een hulpverleningstraject.

• Dat het niet mogelijk is de aangifte in te trekken.

• Vul de brief “Slachtofferhulp” in als men dit wenst.

• Geef uitleg over de wet Terwee en het schadefonds Geweldsmisdrijven.

• Geef uitleg over hulpverlening (bijv. speciale hulp voor kinderen die getuige zijn geweest van geweld, vrouwenhulpverlening, daderhulpverlening).

• Geef het slachtoffer je naam en telefoonnummer zodat hij/zij na het doen van aangifte weer contact met je kan opnemen.

• Mocht het slachtoffer zich tijdens het doen van aangifte door iemand laten begeleiden informeer dan voor het opnemen van de aangifte of deze begeleider getuige geweest is. Dit om te voorkomen dat die getuige tijdens de aangifte beïnvloed wordt door het verhaal van het slachtoffer en daardoor “onbruikbaar” wordt als getuige.

• Omschrijf de elementen van het strafbare feit;

• Vraag of het slachtoffer eerdere ervaringen heeft met geweld;

• Begin met een algemene beschrijving van de relatie;

• Geef een beschrijving van de verandering in de relatie;

• Beschrijf het eerste geweldsincident;

• Beschrijf een typisch / markant geweldsincident;

• Beschrijf het ernstigste geweldsincident;

• Beschrijf het laatste geweldsincident;

• Beschrijf de frequentie van de geweldsincidenten;

• Vraag, indien het gesprek het toelaat, door naar eventueel seksueel geweld; (Mocht dit van toepassing zijn vraag dan ondersteuning van het Bureau Zeden. Er zijn namelijk richtlijnen m.b.t. het opnemen van aangiftes van seksueel geweld binnen afhankelijkheidsrelaties. Deze aangiftes dienen opgenomen te worden door zedenspecialisten.

• Is er bij een van de gezinsleden sprake van drugs- en/of alcoholgebruik of gokken?

• Zijn er financiële problemen in het gezin?

• Heeft iemand in het gezin mogelijk een psychische stoornis?

• Hoe ziet het slachtoffer de toekomst m.b.t. hun relatie, de veiligheid van het slachtoffer en eventuele kinderen.

• Zijn er kinderen binnen de relatie en zijn deze mogelijk betrokken, getuigen of zelf slachtoffer van geweld.

• Wie zijn er getuigen geweest van de geweldsincidenten?

• Met wie heeft het slachtoffer gesproken over het geweld en hoe reageerden deze personen?

• Als ouders aangifte doen namens hun kind vraag dan wie het gezag heeft.

• Als een kind verhoord kan worden in een studio (tussen 4 en 12 jaar en/of verstandelijk gehandicapten) vraag dan toestemming aan de ouder die het gezag heeft en laat de toestemmingsverklaring ondertekenen.

• Beschrijf in de aangifte het eventuele letsel. Mocht het zichtbaar letsel zijn laat dit dan vastleggen door de technische recherche. Vul de medische informatiestaat in en laat deze ondertekenen.

• Laat de aangifte op inhoud beoordelen door de chef van dienst.

• Beschrijf de wijze waarop de relatie is ontstaan en het moment waarop en de aanleiding waardoor geweld in de relatie ontstond.

• Is het slachtoffer bang voor herhaling?

• De eventuele wens van het slachtoffer tot het opleggen van een straat- of contact verbod aan de verdachte. Daarbij wordt met redenen omkleed wat de indicatoren zijn voor herhaling van het plegen van huiselijk geweld jegens het slachtoffer (bijvoorbeeld het aantal meldingen, levensgevaar, belaging of onberekenbaar gedrag).

8. Verhoor getuigen

Kinderen als getuigen:

• Kinderen kunnen uitstekende getuigen zijn, maar zijn meestal zeer loyaal naar hun ouders. Soms zeggen ze daarom geen belastende dingen over hun ouders.

• Het verhoren van kinderen is soms een delicate bezigheid en kan dan het beste worden overgelaten aan ervaren en deskundige collega’s;

• Het is verstandig om het verhoor op band op te nemen;

• Kinderen die getuige / slachtoffer zijn van een ernstig misdrijf en tussen de 4 en 12 jaar of verstandelijk gehandicapte kinderen die ouder zijn, moeten door speciaal daarvoor opgeleide politiemensen worden verhoord in een zogenaamde verhoorstudio. De Officier van justitie en een van de ouders die het gezag over de kinderen heeft dienen vooraf toestemming te geven voor het studioverhoor.

Overige getuigen:

• Leg uit wat de consequenties zijn van het afleggen van een verklaring;

• Hoor zo spoedig mogelijk eventuele getuige van het geweld in huiselijke kring;

• Leg de verklaring zo gedetailleerd mogelijk vast in een proces-verbaal.

9. Overleg met justitie

• Na de beoordeling van de aangifte door de lijnverantwoordelijke, overlegt u met de Officier van Justitie verder over de casus. De Officier van Justitie kan toestemming geven voor:

− Het eventuele studioverhoor van kinderen;

− De aanhouding buiten heterdaad van de verdachte;

− Hij kan ook beslissen dat de verdachte uitgenodigd wordt voor verhoor;

− Tevens kunt u al overleggen of een voorgeleiding gewenst is;

− In geval van twijfel omtrent de vraag of bij melding van geweld in gezinsverband wel of geen proces-verbaal moet worden opgemaakt pleegt de politie overleg met de officier van justitie of de parketsecretaris;

− Indien er proces-verbaal wordt opgemaakt wordt dit zo spoedig mogelijk ingezonden (in elk geval binnen een maand).

• Indien het proces-verbaal is ingezonden volgt een spoedige strafrechtelijke reactie (binnen drie maanden). In alle gevallen wordt een reclasseringsrapport gevraagd. Slechts om technische redenen zal geseponeerd worden. In het geval van een voorwaardelijk sepot vindt er altijd een gesprek op het parket plaats met de verdachte. Indien de verdachte wel in verzekering wordt gesteld maar niet zijn bewaring wordt gevorderd vindt er zo mogelijk toch een voorgeleiding bij de officier van justitie plaats met het oog op het persoonlijk onderhoud.

• In alle gevallen waarin inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden zal de behandelend officier van justitie het slachtoffer aanbieden een gesprek te hebben met hem/haar;

• Het openbaar ministerie zendt in alle zaken betreffende "geweld in huiselijke kring" een afloopbericht.

10. Verhoor verdachte

• Deel de verdachte mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is;

• Vertel de verdachte hoe de verdere procedure verloopt (de juridische afwikkeling);

• Omschrijf de elementen van het strafbare feit;

• Informeer naar het gezin waarin de verdachte is opgegroeid;

• Vraag of de verdachte eerdere ervaringen heeft met geweld (bijv. als slachtoffer);

• Begin met een algemene beschrijving van de relatie;

• Geef een beschrijving van de verandering in de relatie;

• Beschrijf het eerste geweldsincident;

• Beschrijf een typisch / markant geweldsincident;

• Beschrijf het ernstigste geweldsincident;

• Beschrijf het laatste geweldsincident;

• Beschrijf de frequentie van de geweldsincidenten;

• Vraag, indien het gesprek het toelaat, door naar eventueel seksueel geweld (mocht dit van toepassing dan kunt u ondersteuning vragen bij het bureau Zeden)?

• Is iemand in gezin verslaafd aan drugs of alcohol of gokken?

• Zijn er financiële problemen in het gezin?

• Heeft iemand in het gezin mogelijk een psychische stoornis?

• Hoe ziet de verdachte de toekomst m.b.t. hun relatie; de veiligheid van het slachtoffer en eventuele kinderen?

• Zijn er kinderen binnen de relatie en zijn deze mogelijk betrokken, getuigen of zelf slachtoffer van geweld?

• Wie zijn er getuigen geweest van de geweldsincidenten?

• Met wie heeft de verdachte gesproken over het geweld en hoe reageerden deze personen?

• Introduceer de mogelijkheid van daderhulpverlening.

11. Inverzekeringstelling en reclassering

• Indien nodig zal de verdachte in verzekering gesteld worden. Het is voor het verdere hulpverleningstraject (van de verdachte) van belang dat de reclassering zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld.

• Na het verhoor van de verdachte dient u de casus met de Officier van Justitie te bespreken.

• Hij / zij neemt meestal een van de volgende beslissingen:

• Nader verhoor verdachte / getuigen;

• Au afdoening;

• Normaal proces-verbaal opmaken;

• Voorgeleiding;

• Heenzenden verdachte.

12. Daderhulpverlening

Aanmeldingen door de politie

1 . Verdachten van geweld in huiselijke kring, die door de politie in verzekering worden gesteld worden automatisch gemeld aan de reclassering via de reguliere piketdienst. De politie vermeldt daarbij indien het gaat om "relationeel geweld";

2. In geval van aanhouding zonder in verzekeringstelling, zogenaamde 6-uurszaken overlegt de politie met de Officier van Justitie c.q. de parketsecretaris. Als uit dit overleg blijkt dat er voldoende materiaal is voor vervolging verzoekt de politie de reclassering een gesprek te hebben met de verdachte op het politiebureau waartoe betrokkene op het politiebureau wordt ontboden. Dit gesprek vindt plaats naast een "vermanend gesprek" met een rechercheur.

3. In zaken, waarbij niet tot aanhouding wordt overgegaan en/of waarbij niet voldoende belastend materiaal is om te kunnen vervolgen kan de politie de verdachte rechtstreeks verwijzen naar Kairos. Deze verwijzing vindt plaats op vrijwillige basis. In de eerste variant bezoekt de reclassering betrokkene op het politiebureau op de tijden die daarvoor gereserveerd zijn: maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 10.00 uur.

In de tweede variant ontbiedt de politie betrokkene in hetzelfde tijdsbestek dat gereserveerd is voor het vroeghulpgesprek met de Reclassering. Ze laat dag en tijd van ontbieding aan de reclassering schriftelijk weten.

In de derde variant verwijst de politie betrokkene rechtstreeks naar Kairos, dat een intakegesprek plant binnen twee weken na de verwijzing en dat de politie over de uitkomst daarvan informeert. In alle zaken betreffende relationeel geweld (ook bij melding of bij 6-uurszaken) overlegt de politie met de betreffende Officier van Justitie of de parketsecretaris.

Macht er voldoende materiaal zijn om betrokkene te vervolgen dan verzoekt de Officier van Justitie de reclassering om rapportage. Aanmeldingen en verzoek om rapportage door Openbaar Ministerie In gevallen betreffende "relationeel geweld" schakelt het Openbaar Ministerie de reclassering in middels een verzoek om rapportage, waarbij zij laat weten in hoeverre:

• Zij een transactiezitting overweegt, taakstraf of leerstraf.

• Of er sprake is van een AU procedure

• Op welke termijn de rapportage wordt verwacht.

In het geval van een transactiezitting of AU procedure is het van belang dat de reclassering snel op de hoogte is van het verzoek i.v.m. de korte termijn voor rapportage.

Onderzoek door de reclassering

1 . Na ontvangst van de melding door de politie bezoekt de reclassering betrokkene op het politiebureau. Dit gesprek is bedoeld om een inventarisatie te maken van de motivatie en de mogelijkheden tot begeleiding.

2. De reclassering schakelt Kairos in indien betrokkene in aanmerking komt voor daderbehandeling bij Kairos. Ze consulteert Kairos bij twijfel over de diagnose of de mogelijkheden tot behandeling.

3. Bij twijfel over verslavingsproblematiek of bij verkeerde verdeling naar De Grift of Reclassering Nederland nemen de aandachtsfunctionarissen van de pilot contact met elkaar op voor overleg of consultatie.

Rapportage aan het Openbaar Ministerie

1. Indien de reclassering de verdachte op het politiebureau gesproken heeft worden de bevindingen middels voorlichtingsrapportage teruggekoppeld aan de Officier van Justitie.

2. indien tot strafrechtelijke vervolging wordt overgegaan zal de reclassering (na aanvraag van het OM) rapporteren aan het Openbaar ministerie. Er kan slechts met instemming van betrokkene worden gerapporteerd. In de rapportage zal geadviseerd worden over mogelijkheden van begeleiding en hulpverlening. Initiëren en organiseren van begeleiding. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek naar de persoonlijke situatie van betrokkene zal de reclassering de wenselijk geachte begeleiding initiëren en organiseren, in eerste instantie bij Kairos en in geval er sprake is van verslaving mogelijk in combinatie met de Grift. De vorm waarin dit plaatsvindt zal mede afhankelijk zijn van de ernst van het relationeel geweld en de strafrechtelijke afdoening.

Dit kan betekenen:

1. Aanmelding en verwijzing naar Kairos en / of een hulpverleningsinstelling in de regio op basis van vrijwilligheid

2. Aanmelding en verwijzing naar Kairos in het kader van een leerstraf

3. Aanmelding en verwijzing naar Kairos of een andere instelling in de regio in het kader van een bijzondere voorwaarde. De eerste variant is alleen mogelijk met volledige instemming en medewerking van de betrokkenen; er zijn geen sanctiemogelijkheden indien betrokkene(n) geen medewerking verleent of de begeleiding verbreekt. De tweede variant kan vanaf 1 april 2001 opgelegd worden door de Officier van Justitie in het kader van een transactiezitting. De derde variant kan zijn opgelegd in het kader van een schorsing onder voorwaarden of bij een voorwaardelijke veroordeling. Deze juridische kaders bieden een sanctiemogelijkheid. In die gevallen zal bij afbreken van het begeleidingstraject door betrokkene het openbaar Ministerie worden geïnformeerd door de reclassering.

Daderbehandeling

Bij verwijzing naar Kairos door politie of reclassering, wordt er binnen twee weken een intake gepland. Als er met alle partijen overeenstemming is over de behandeling kan er binnen twee weken met de behandeling worden gestart. Over het resultaat en het verloop van de behandeling wordt de politie c.q. de reclassering geïnformeerd. Op dit moment is het niet mogelijk om de vormen van daderhulpverlening te beschrijven. Hierover zijn nog geen concrete afspraken gemaakt met instellingen. Op dit moment is de Reclassering de aangewezen instantie om hulpverlening op te starten.

13. Aandacht voor slachtoffers en kinderen

Inleiding

Op het moment dat de politie betrokken raakt bij een huiselijk conflict wordt aan het slachtoffer een gesprek aangeboden op het politiebureau met de betrokken behandelaar en een medewerker van Bureau Slachtofferhulp. Doel van dit eerste gesprek is om het slachtoffer te informeren, beperkte ruimte te bieden voor het slachtoffer om te vertellen over de situatie, problemen te inventariseren en zo nodig door te verwijzen naar hulpverleningsinstanties (het aanbod van hulpverleningsinstanties staat beschreven in bijlage l). Daarnaast worden er interventies gepleegd om het actuele geweld te kunnen stoppen. De mogelijkheid tot het voeren van een tweede gesprek met de medewerker van Bureau Slachtofferhulp is aanwezig. Waar nodig en gewenst wordt na doorverwijzing contact gehouden door de medewerker van Bureau Slachtofferhulp. De mogelijkheid bestaat om relatie- en gezinsgesprekken te voeren onder deskundige begeleiding. Vastgelegde afspraken garanderen dat het slachtoffer en eventuele kinderen op korte termijn hulp krijgen aangeboden.

Politie-interventie

Tijdens de politie-interventie wordt aan het slachtoffer een persoonlijk gesprek aangeboden op het politiebureau, met de behandelaar en met een medewerker van Bureau Slachtofferhulp, binnen twee werkdagen. De reden voor dit aanbod wordt aan het slachtoffer uitgelegd door de betrokken behandelaar. Indien het slachtoffer en eventuele kinderen acuut opvang nodig hebben, wordt door de betrokken behandelaar contact opgenomen met Hera, -vrouwenopvang Gelderland, die zorg draagt voor een beschikbare plaats in Hera of een andere opvangvoorziening in Nederland.

Eerste gesprek

Het eerste gesprek wordt gevoerd door de bij het conflict betrokken behandelaar en een medewerker van Bureau Slachtofferhulp. Dit gesprek vindt zo spoedig mogelijk plaats, maar uiterlijk binnen vijf werkdagen. De medewerkers van Bureau Slachtofferhulp zijn geselecteerd voor deze taak, zijn geïnformeerd over de aanpak van geweld in huiselijke kring en hebben hierin een training gevolgd. Voor advies en eventuele opname van het slachtoffer kan de medewerker contact opnemen met het intaketeam van Hera, vrouwenopvang Gelderland. Wanneer het slachtoffer niet verschijnt op de afspraak neemt de betrokken behandelaar contact op met het slachtoffer en probeert een nieuwe afspraak tot stand te laten komen. Wanneer het slachtoffer wel verschijnt wordt deze in dit gesprek door de behandelaar geïnformeerd over de rol van de politie, de procedure bij het doen van aangifte de gevolgen ervan, de eventuele toe te passen maatregelen naar de pleger van het geweld toe, de overige procedures van het stafrechtelijk onderzoek en eventuele andere juridische zaken.

Checklist algemeen

• Als er in een gezin sprake is van geweld in huiselijke kring dan zijn kinderen daar vaak getuige of (indirect) slachtoffer van.

• Mogelijk zijn de kinderen getraumatiseerd en hebben zij hulp nodig. Verwijzingsmogelijkheden zijn onder andere:

− Advies en Meldpunt Kindermishandeling;

− Bureau Jeugdzorg;

− Eventueel de Raad voor de Kinderbescherming (Alleen bij levensbedreigende situaties).

• U kunt altijd met de UJC overleggen welke instelling het beste aansluit bij uw casus.

• Kinderen die getuige / slachtoffer zijn van een ernstig misdrijf, tussen de 4 en 12 jaar oud, of verstandelijk gehandicapten, moeten door speciaal daarvoor opgeleide politiemensen worden verhoord in een verhoorstudio.

• De Officier van Justitie en een van de ouders die het gezag over de kinderen heeft, dienen vooraf toestemming te geven voor het studioverhoor. (Zie ook punt checklist getuigen).

Checklist informatiegesprek

• Zorg voor een rustige ruimte;

• Neem een luisterende houding aan;

• Geef aandacht (bijvoorbeeld koffie aanbieden) en geef bij het slachtoffer een gevoel van eigenwaarde;

• Het informatiegesprek is geen verhoorsituatie;

• Leg uit wie je bent en wat je taak is;

• Onderzoek wat het slachtoffer van de politie verwacht (soms is dat vooral hulp en (nog) geen aangifte);

• Geef zoveel mogelijk uitleg over wat we (gaan) doen en waarom (procedure bij het doen van aangifte en gevolgen daarvan);

• Introduceren van medewerker Bureau Slachtofferhulp en overdragen van de hulpverleningstaak;

• Vastleggen in een proces-verbaal van bevindingen (BPS formulier);

− Inhoud eerste spontane verhaal;

− (Emotionele) toestand van slachtoffer;

− inventarisatie van voorgeschiedenis (eerdere incidenten).

Gesprek bureau Slachtofferhulp

Hierna vervolgt de medewerker van Bureau Slachtofferhulp het gesprek (de behandelaar verlaat het gesprek). Deze gaat in op dringende -vragen die het slachtoffer heeft. Hierna volgt zo mogelijk:

• Het inschatten van de situatie. Hiertoe is er beperkte ruimte voor het slachtoffer om te vertellen over de situatie. De medewerker vraagt naar.

− de actuele leefsituatie;

− de religieuze/culturele achtergrond;

− mogelijke steun van de omgeving;

− het welzijn van de kinderen en de mate waarin zij getuige of medeslachtoffer zijn geweest van het geweld.

• Het inventariseren van problemen en het nagaan van wensen en verwachtingen van het slachtoffer t.a.v. mogelijke hulp.

• Het ondernemen van actie op acute problemen.

• Het zorgdragen voor de veiligheid en het maken van een veiligheidsplan.

• Het onderzoeken of verwijzing naar hulpverlening gewenst of geboden is.

• Het informeren over hulpmogelijkheden

• Het gericht verwijzen indien gewenst en geboden. Wanneer het slachtoffer alleen wil of kan vertellen over de situatie, kan een vervolgafspraak gemaakt worden. Er wordt afgesproken dat het slachtoffer de tijd krijgt om te besluiten of ze een vervolgafspraak wil. Dan vindt eventueel opnieuw een gesprek plaats tussen de politieagent de medewerker van Bureau Slachtofferhulp en het slachtoffer.

Doorverwijzing

Bij doorverwijzing wordt schriftelijk toestemming van het slachtoffer gevraagd om de gegeven informatie door te geven aan de verwijzende instantie. Zo mogelijk wordt een casemanager aangesteld (mogelijkheden worden momenteel bekeken). Wanneer dit niet mogelijk blijkt is de volgende afspraak van kracht: wanneer het slachtoffer verwezen wordt naar een hulpverleningsinstantie, is deze instantie verantwoordelijk voor het onderhouden van contacten met mogelijke andere betrokken instanties en voor het samenbrengen van deze instanties. Wanneer een slachtoffer wordt doorverwezen naar de NIM volgt binnen vijf werkdagen een gesprek met het slachtoffer en wordt de hulpverlening opgestart.

De rol van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)

• Wanneer kinderen aanwezig zijn in het gezin waar geweld heeft plaatsgevonden, geeft de behandelaar hiervan altijd bericht aan het AMK.

• Het AMK kan zo nodig onderzoek doen naar de kinderen en naar het effect van het getuige zijn van geweld tussen ouders voor de kinderen.

• Hiernaast kan het AMK een rol spelen wanneer het niet lukt om vrijwillig noodzakelijke hulp te accepteren.

• Ouders worden over de melding bij het AMK door de betrokken behandelaar geïnformeerd. Bij het opstellen van dit checklist nummer 12 is gebruik gemaakt van het protocol 'Aanpak Huiselijk Geweld Haarlem'.

Veiligheid / opvang slachtoffer:

• Overleg met het slachtoffer of het wenselijk dan wel noodzakelijk is, de verdachte elders te laten verblijven. Wanneer dit geen optie is dan moet de veiligheid van het slachtoffer zo goed mogelijk op een andere manier gewaarborgd worden.

• Bespreek daarom de mogelijkheden die het slachtoffer heeft om te zorgen voor haar eigen veiligheid:

− Vrouwenopvang;

− Opvang bij familie en / of vrienden;

− Als de vrouw in haar eigen woning wil blijven, denk dan aan het informeren van familie en / of buren;

− Eventueel andere sloten op de deuren. (dit kan alleen als de woning niet door de verdachte bewoond wordt).

• Zorg dat er duidelijke afspraken met het slachtoffer gemaakt worden en registreer deze in het BPS (zo nodig afspraak op locatie).

14. Belaging (stalking):

14.1 Het slachtoffer van stalking.

De meeste slachtoffers zullen, in eerste instantie, toch proberen het probleem zelf aan te pakken. Dit Doordat het slachtoffer steeds op haar hoede is voor de belager zal het slachtoffer haar gehele levensstijl gaan aanpassen. Voorbeelden hiervan zijn dat de slachtoffers de plekken vermijden waar zij de belager eventueel zouden kunnen tegenkomen. Dit zijn vaak winkelcentra en uitgaansgelegenheden, maar zelfs ook gelegenheden waar het slachtoffer of haar kinderen privéverplichtingen heeft, zoals de sportclub en de scholen. Het slachtoffer voelt zich ook niet veilig in haar eigen woning. De belager dringt zich ook op in de directe omgeving van de woning alwaar deze post vat op de woning. Ook als de belager niet in de buurt van de woning is voelt het slachtoffer toch de aanwezigheid van de belager. Zij zijn kortom zo gefixeerd op de belager dat dit het gehele leven beheerst. In en om de woning van het slachtoffer zijn vaak aanpassingen gedaan om ervoor te zorgen dat de belager niet in de woning kan kijken of de woning moeilijk kan betreden. Voorbeelden hiervan zijn: hoge schuttingen, ondoorzichtige gordijnen, meerdere sloten op de toegangsdeuren en extra verlichting om de woning. Het slachtoffer past zijn leven in de woning ook aan. Zij zal zich vaak zodanig in de woning gedragen dat er een kleine kans is dat iemand die buiten de woning staat de bewoner niet kan zien. De indeling van de woning is vaak dusdanig dat er niet voor een raam gezeten kan worden zodat de belager geen kans krijgt om te zien of er iemand thuis is. Als het donker wordt gaan de gordijnen dicht. Deze gordijnen zijn vaak van een dusdanige dikte dat er geen licht kan doorkomen. Het slachtoffer zal er alles aan doen om er voor te zorgen dat zij niet gezien kan worden in de woning. Vaak is een slachtoffer ook bang om zelf naar buiten te kijken. Het slachtoffer heeft vaak meerdere malen een ander telefoonnummer aangevraagd en is in sommige gevallen verhuisd. De stalking kan zo ver gaan dat het slachtoffer op het werk ook belaagd wordt. Het slachtoffer is dan vaak genoodzaakt om ander werk te zoeken. Zoals eerder beschreven beheerst de belager het gehele leven van het slachtoffer! Dit kan voor een slachtoffer dusdanige gevolgen hebben dat zij psychische problemen krijgt en het is zelfs niet ondenkbaar dat het slachtoffer zichzelf probeert van het leven te beroven.

14,2 De Stalker/Belager.

De personen die de stalking plegen kunnen in alle sociale treden van de samenleving voorkomen. Een stalker kan om verschillende redenen met het belagen van zijn slachtoffer beginnen. De gevallen waar de politie het meest mee in aanraking komt zijn: De meest voorkomende reden (82%) is het niet kunnen verkroppen van een relatie welke ten einde is. De stalker wil door zijn gedrag het slachtoffer bewegen om weer een relatie met hem aan te gaan. Ook kan in dit geval een rol spelen dat er uit de relatie kinderen zijn voortgekomen. De stalker wil ook graag zeggenschap over de kinderen om zodoende druk uit te kunnen oefenen op het slachtoffer. De relatie welke het slachtoffer met de stalker heeft gehad is vaak gepaard gegaan met fysiek en/of psychisch geweld. In de sociaal zwakkere families komt geweld vaker voor. Het slachtoffer is vaak erg bang geweest in de relatie. Het duurt dan ook vaak erg lang voordat het slachtoffer de beslissing heeft genomen om de relatie te beëindigen. Doordat het slachtoffer ondergeschikt is geweest aan de belager in de relatie wil de belager dit weer na de relatie. De belager wil deze machtspositie over het slachtoffer houden. De belager zal alles in het werk stellen om weer macht te krijgen. Vaak begint de belager eenvoudig met psychische dwang door steeds contact te zoeken (opbellen), maar als dat niet werkt zal de belager, zo leert de ervaring, naar steeds zwaardere middelen grijpen. We zien dat de belagers hun slachtoffers gaan achtervolgen, langsrijden en plegen van misdrijven (inbraak, vernieling, bedreiging en mishandeling.) Deze vorm komt veel voor bij een ex-partners of familieleden. De stalker wil een relatie met het slachtoffer. Hij heeft geen relatie met haar gehad maar is gewoonweg geobsedeerd door het slachtoffer. Dit soort stalkers kan bestempeld worden als een categorie die op den duur gevaarlijk gedrag gaat vertonen. Deze stalker zal niet stoppen voordat hij zijn doel heeft bereikt en zal geen middel schuwen. Vaak lopen dit soort gevallen op ernstige misdrijven uit. De stalker kan zijn doel niet bereiken en denkt dat als hij het slachtoffer niet krijgt niemand haar zal krijgen. Bij deze categorie stalkers komt deze gedachte relatief vaker voor dan bij andere categorieën. Bij deze gevallen is meestal haast geboden met het bieden van hulp. De stalker is een onbekende en maakt zich op geen enkele manier bekend. Deze vorm van stalking is een vorm waarbij de stalker geen direct contact heeft met het slachtoffer. De stalker maakt gebruik van brieven, e-mail en telefoon. Bij het telefonisch contact wordt vaak niets gezegd. Het slachtoffer weet niet wie haar belager is en kan hierdoor in ernstige psychische problemen raken, mede door het feit dat achter de belaging een onbekende zit. Het slachtoffer kan zich nergens op voorbereiden, de stalker kan namelijk iedereen zijn. De stalker weet daarentegen veel van het slachtoffer en dat maakt de situatie vaak benauwender. Het slachtoffer ziet na verloop van tijd in iedereen in haar omgeving een potentiële stalker. De stalker wil ook hier de macht uitoefenen over zijn slachtoffer en geniet van de opwinding die dat met zich mee brengt. In de voornoemde gevallen is de stalker vaak een persoon die een persoonlijkheidsstoornis heeft. De meeste stalkers neigen naar het schizofrene. De stalkers zijn onberekenbaar en deinzen nergens voor terug. Geen enkel middel laten zij ongemoeid om het doel te behalen. Hierin schuilt ook het gevaar voor het slachtoffer als deze niet op tijd hulp krijgt, of hierom zelf vraagt.

14.3 Omgaan met slachtoffers van stalking.

Het slachtoffer komt naar het bureau om aangifte te doen. Het slachtoffer ziet dit als laatste redmiddel

in de strijd tegen de stalker. Voordat het slachtoffer hulp komt zoeken bij de politie is er toch gauw een

periode van enkele maanden geweest waarin het slachtoffer zelf heeft geprobeerd om de stalking op

te lossen.

Als het slachtoffer bij de politie aanklopt is de tijd van bemiddelen reeds geweest. Er is in 90% van de

gevallen geen mogelijkheid meer om te bemiddelen.

In de gevallen dat bemiddelen nog wel mogelijk is, is de stalking nog niet zo lang aan de gang. In

deze gevallen is de kans echter ook klein dat door bemiddeling de stalking stopt.

Er moet rekening gehouden met het feit dat het slachtoffer zeer emotioneel is. Het slachtoffer zoekt

echt hulp. Dit wordt wel eens onderschat. Er zijn gevallen bekend dat een slachtoffer al negen jaar

vecht tegen haar stalker. Hierbij komt ook nog het feit dat zij constant tegen een juridische muur op

loopt. In de ogen van het slachtoffer neemt de politie haar zaak niet serieus en probeert de zaak af te

schuiven. De politie beschouwt het slachtoffer als een zeur die alweer aan het bureau komt met een

wazig verhaal. Het slachtoffer heeft al meerdere klachten tegen de politie ingediend omdat zij in haar

ogen niet serieus genomen wordt. Door deze klachten wordt zij bijna niet meer geholpen en krijgt zij

niet de hulp die zij nodig heeft. Zij wil haar gezin beschermen en is bezig met het treffen van

maatregelen tegen haar stalker. Deze maatregelen zijn dusdanig dat als zij dit gebruikt er slachtoffers

gaan vallen.

Het verhaal wat door het slachtoffer verteld wordt is vaak warrig en bestaat uit meerdere verhalen van

misdrijven die gepleegd zijn. Hierdoor is het moeilijk in te schatten om wat voor misdrijf het gaat.

Stalking bestaat uit meerdere misdrijven en vervelend gedrag. Het slachtoffer zal toch vaak met een

verhaal komen dat zij bedreigd wordt. Hiervan wordt dan een aangifte opgenomen en komen deze

zaken vaak onder op de stapel. Als er een lange tijd overheen gaat wordt de zaak vergeten, dit is

geheel niet wat het slachtoffer wil.

Het slachtoffer wil snel geholpen worden omdat zij niet meer normaal kan functioneren en hierdoor in

grote psychische problemen komt. Als de zaak dan in behandeling wordt genomen is in de tijd van

aangifte en in behandeling nemen vaak meer gebeurd. In sommige gevallen hebben de stalkers

daadwerkelijk toegeslagen en is er een ernstig misdrijf gepleegd. Dan komt hulp voor het slachtoffer te laat.

Bij het eerste contact met het slachtoffer door een politiemedewerker dient de zaak niet onderschat te moeten worden.

Laat het slachtoffer zijn verhaal doen en maak dan de inschatting of het om stalking gaat of om een

los staand feit.

Slachtoffers van stalking maken vaak wel duidelijk dat het over een lange periode speelt en dat er

toch een bepaalde systematiek in zit. De stalker moet wel een bepaald doel hebben met het gedrag

jegens het slachtoffer.

14.4 Intake gesprek

Voordat er een daadwerkelijke aangifte opgenomen gaat worden wordt er met het slachtoffer een

“intake gesprek” gehouden. Voordat iemand wordt uitgenodigd voor een intake gesprek moet er

voorwerk gedaan worden. Dit houdt in dat in het bedrijfsprocessensysteem gezocht moet worden naar

relevante gegevens omtrent stalker en slachtoffer, zoals vakere meldingen die de collegae op straat

hebben afgehandeld etc…)

Het doel van het intake gesprek is het uitwisselen van informatie om er voor te zorgen dat het

slachtoffer weloverwogen tot een beslissing kan komen met betrekking tot het wel of niet doen van

aangifte. Het opnemen van een aangifte is vaak een tijdrovende klus en er moet veel tijd voor

uitgetrokken worden. Als later blijkt dat het niet om een stalking gaat of het slachtoffer trekt alsnog de

aangifte in is het een verlies van tijd. Naast dit belang voor de verbalisant, wil men het ook een

onnodige belasting voor het slachtoffer voorkomen.

Bij dit intake gesprek wordt er uitvoerig gesproken met het slachtoffer.

De gehele situatie wordt doorgesproken. Aan het slachtoffer worden tips gegeven hoe zij goed kan

omgaan met de situatie. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een protocol voor slachtoffers. In dit

protocol is ook een voorbeeldbrief gevoegd. Deze brief kan gestuurd worden aan de stalker. Middels

deze brief wordt aan de stalker duidelijk gemaakt dat het slachtoffer in zijn geheel geen contact met

de stalker wil hebben. Deze brief wordt ook gebruikt als ondersteunend bewijs. (zie verder

bewijsvoering). N.b. het protocol en de brief zijn als bijlagen bijgevoegd.

Het slachtoffer wordt ook in contact gebracht met slachtofferhulp. Zij zijn voor verdere opvang van het

slachtoffer.

Tijdens het intake gesprek wordt ook aan het slachtoffer verteld dat de aangifte een tijdrovende klus is

en dat daar een aparte afspraak voor gemaakt moet worden. Ook wordt het slachtoffer duidelijk

gemaakt dat het traject wat gevolgd word een lange termijntraject is. De stalker zal niet gelijk de dag

na de aangifte in de cel zitten.

Tijdens het intake gesprek zal het slachtoffer duidelijk gemaakt worden dat de politie niet 24 uur per

dag voor de deur kan liggen om het slachtoffer te beschermen, maar dat er wel afspraken met een

politiemeldkamer gemaakt kunnen worden. Ook is er een mogelijkheid dat onder strenge voorwaarden

het slachtoffer en mobiel alarmeringssysteem kan krijgen.

Het slachtoffer wordt ook verteld dat in de klacht/aangifte veel persoonlijke dingen gevraagd gaan

worden.

Indien het slachtoffer emotioneel is of wordt dan dient hier uiteraard correct mee worden omgegaan.

Door het contact wat er vanaf dat moment met het slachtoffer is wordt aan het slachtoffer toch een

handreiking gedaan om hulp te bieden. Het slachtoffer weet dat haar zaak serieus genomen wordt en

begint weer hoop te krijgen.

De afspraak voor de daadwerkelijke aangifte volgt kort op het intake gesprek.

In die tussentijd kan het slachtoffer ook bewijsmateriaal vergaren, hierbij wordt gedacht aan brieven

en tijdstippen van bellen.

Na het intake gesprek blijft er, zo mogelijk, een intensief contact tussen slachtoffer en verbalisant. Dit

geeft het slachtoffer een bepaalde rust zodat zij de maatregelen kan treffen welke zijn besproken

tijdens het intake gesprek.

14.5 Aangifte/Klacht

Stalking is een klachtdelict. Stalking wordt alleen op klacht vervolgd. Hier dient terdege rekening mee

gehouden worden. Als er alleen een aangifte opgenomen wordt gaat de hele zaak niet door.

Voor het opnemen van de klacht moet, zoals geschreven, een lange tijd uitgetrokken worden. In de

klacht worden alle gebeurtenissen genoteerd welke voorgevallen zijn.

Stel het slachtoffer op haar gemak. Maak duidelijk dat wij er voor het slachtoffer zijn en dat wij willen

helpen. Laat eventueel een vertrouwenspersoon bij het verhoor toe, zoals bijvoorbeeld een kennis of

iemand van slachtofferhulp, waardoor het slachtoffer zich gesteund voelt. Bedenk wel dat deze

persoon onbruikbaar is als getuige!.

Bij de klacht wordt begonnen met de relatie die het slachtoffer heeft gehad met de stalker. Als er een

onbekende stalker is wordt begonnen met het tijdstip waarop het eerste contact was.

Hierna worden alle gebeurtenissen in chronologische volgorde genoteerd. Elke minimale vorm van

contact wordt beschreven. Bij de klacht moet immers aangetoond worden of het systematisch is en

moet het duidelijk worden wat de stalker wil van het slachtoffer.

Laat tijdens het opnemen van de klacht het slachtoffer zoveel mogelijk vertellen en begin pas met

schrijven als het gehele verhaal in vogelvlucht is gedaan en ook duidelijk is. Het is beter om een

slachtoffer iets meerdere malen te laten vertellen dan dat het slachtoffer iets een keer verteld en dat

het dan onduidelijk op papier komt. Zo wordt er voorkomen dat er dan wederom contact moet worden

gezocht met het slachtoffer om een aanvullende verklaring af te leggen.

Probeer in de klacht zoveel mogelijk namen van eventuele getuigen te noteren. Dit is erg belangrijk

voor het vervolg van het onderzoek.

Eventuele papieren die overhandigd worden dienen ook verwerkt te worden in de klacht.

Laat het slachtoffer duidelijk maken wanneer en op wat voor tijdstippen zij lastig gevallen wordt. Dit is

vooral van belang als de belaging vaak over de telefoon is. Vraag ook duidelijk de telefoonprovider en

het telefoonnummer van het slachtoffer.

Geef ook duidelijk aan hoe het slachtoffer zich onder de omstandigheden voelt.

In de klacht is het ook van belang dat de stalker op de hoogte is van het feit dat het slachtoffer geen

contact meer met de stalker wil. Dit kan middels de brief welke bij het protocol geleverd is.

Doe tijdens het opnemen van de klacht geen loze beloftes. Voor het slachtoffer is er niets erger dan

zich ergens op te richten terwijl dat achteraf niet waar blijkt te zijn.

14.6 Verder onderzoek.

Tijdens het verdere onderzoek is het te zeerste aanbevolen om het slachtoffer steeds op de hoogte te

houden van hetgeen er gebeurd. Door dit contact kan ook snel ingegrepen worden als er zich weer

iets voordoet. Alle gebeurtenissen naar het slachtoffer toe welke na het doen van de klacht voorvallen,

dienen in een relaas gezet te worden.

Hou bij het verdere onderzoek voor ogen dat het belang van het slachtoffer voor gaat. Mocht het in de

tijd van het onderzoek blijken dat de stalking al geruime tijd gestopt is dan kan in overleg met het

slachtoffer ervoor gekozen worden om de zaak nog even te laten rusten. Eventuele getuigen die nog

gehoord moeten worden zullen dan nog wel gehoord moeten worden. Spreek met het slachtoffer af

dat de zaak zover afgehandeld wordt dat als er zich weer iets voorvalt in korte tijd er gelijk ingegrepen kan worden. Zorg er dus voor dat het onderzoek bijna rond is op het aanhouden en het horen van de

verdachte na.

In het verdere onderzoek dienen zoveel mogelijk onafhankelijke getuigen gehoord te worden. Hierbij

word gedacht aan de directe buren en eventueel mensen uit de werkomgeving die ook iets gezien

hebben. Ook zullen de familieleden gehoord moeten worden. Laat in de verklaringen die afgelegd

worden ook blijken of het slachtoffer erg veranderd is in haar doen en laten. Dit is vooral belangrijk

voor het aantonen van de noodzaak van een onderzoek. Zorg dat de verklaringen goed op papier

komen.

Bij eventuele mishandelingen die gepleegd zijn door de stalker en waarbij het slachtoffer bij een

dokter is geweest, moet een medische verklaring worden aangevraagd. Dit dient als ondersteunend

bewijs.

Bij de belaging over de telefoon moet in overleg met de Officier van Justitie een bijzondere

bevoegdheid aangevraagd worden om de historische gegevens van de telefoon te kunnen opvragen.

Dit is meestal een kwestie van 3 á 4 weken voordat de gegevens door de telefoonmaatschappij

worden aangeleverd.

Alle handelingen dienen genoteerd te worden in een relaas.

Tijdens het onderzoek heeft het slachtoffer waarschijnlijk al contact gehad met slachtofferhulp. Stel

slachtofferhulp ook op de hoogte van het onderzoek. Zij kunnen hiermee ook hun voordeel doen ten

opzicht van het slachtoffer. Ook kan bepaalde informatie uit de hoek van slachtofferhulp nuttig zijn

voor het onderzoek.

LET OP: tijdens het gehele onderzoek staat het belang van het slachtoffer voorop.

Het slachtoffer moet niet het gevoel krijgen dat zij in de steek gelaten wordt door de hulpverlenende

instanties. Hier kan de verbalisant een grote rol in betekenen. Door het contact dat de verbalisant met

het slachtoffer heeft kan deze snel ingrijpen in bepaalde situaties. De verbalisant kan bepaalde

hulpverleners informeren hoe de zaken ervoor staan. Slachtoffers ervaren doodgewoon steun van een

verbalisant als deze alleen al wil luisteren.

14.7 Officier van Justitie

Bij het gehele onderzoek speelt de Officier van Justitie een grote rol. Hij zal moeten bepalen of een

bepaalde zaak sterk genoeg is om voor te laten komen. Hou dan ook goed contact met de Officier van

Justitie. Leg hem in eerste instantie het gehele verhaal uit. Vertel ook het te volgen traject. Mocht een

Officier van Justitie bij voorbaad al zeggen dat het geen haalbare zaak is omdat het verhaal niet

“sterk” genoeg is dan kan er gekeken worden wat voor traject er gevolgd moet worden om de zaak

wel sterk te krijgen. Uit het intake gesprek is gebleken dat er bij het slachtoffer inderdaad sprake is

van Stalking.

De Officier van Justitie zal uiteindelijk ook toestemming moeten geven voor een aanhouding buiten

heterdaad en moet ook toestemming geven voor een onderzoek na de historische gegevens van de

telefoon.

Zorg dat de Officier van Justitie goed wordt ingelicht over de feiten zodat hij/zij het ook als stalking zal

onderkennen.

De Officier van Justitie is een erg belangrijke factor in het onderzoek. Met hem staat of valt een

onderzoek. Geen medewerking betekent geen zaak.

14.8 Verdachte

In het belang van het onderzoek is het noodzakelijk dat de verdachte aangehouden wordt.

In het voortraject dient elk contact met de verdachte te worden vermeden. De verdachte zal soms op

het bureau verschijnen om informatie te vragen over de zaak. Dit is meestal een gevolg op de brief die

zij heeft ontvangen. Een slachtoffer kan ook bij de verdachte hebben aangegeven dat zij de politie

heeft ingeschakeld. Hierdoor is het contact met de verdachte onvermijdelijk. Dit contact kan het verder

onderzoek in de weg staan.

Als een verdachte wordt uitgenodigd middels een brief of telefonisch om een verklaring af te leggen

aan het bureau is het gedwongen karakter eraf en dit kan het verhoor in de weg staan.

Daar er op Stalking voorlopige hechtenis staat heeft de Officier van Justitie de bevoegdheid om

toestemming te geven voor een aanhouding buiten heterdaad. Als er voldoende verdenking is en de

zaak is goed doorgesproken met de Officier van Justitie moet een aanhouding buiten heterdaad geen

probleem zijn.

Met de Officier van Justitie dient ook de mogelijkheid tot voorgeleiding bij de Rechter Commissaris

besproken worden. Dit is een behoorlijk wapen in de strijd tegen de stalker.

Bij de voorgeleiding bestaat de mogelijkheid dat de RC een geschorste bewaring onder voorwaarden

oplegt. Deze voorwaarden houden vaak in dat de verdachte geen contact mag zoeken met het

slachtoffer. Vaak wordt ook een strafrechterlijk straat-, en contactverbod door de rechter opgelegd.

De voorlopige hechtenis geeft de mogelijkheid om de verdachte in verzekering te stellen. Daar de

aangiftes meestal bestaan uit een zeer groot verhaal is het vaak ondoenlijk of onmogelijk om de

verdachte binnen de 6 uren geheel te horen. In het belang van het onderzoek zal de verdachte in

verzekering gesteld moeten worden. Het is vaak niet goed mogelijk om een goede kloppende

verklaring te verkrijgen van een verdachte. Mocht de verdachte voorgeleid worden voor de RC dan is

inverzekeringstelling geen probleem.

De aanhouding dient dus tactisch gepland te worden. Dus niet op vrijdagmiddag.

Mocht het onverhoopt toch voorkomen dat de verdachte zich vervelend bij het slachtoffer gaat

gedragen en een strafbaar feit ten opzicht van het slachtoffer plegen dan dient de verdachte op

heterdaad aangehouden te worden. Indien de stalkingszaak voldoende te bewijzen valt kan dan de

eventuele voorgeleiding voor de RC later geregeld worden.

Indien de stalking niet voldoende hard te maken is dan kan eventueel artikel 540 van het wetboek van

strafvordering worden toegepast. Ook hiervoor geldt dat de verdachte aan de RC moet worden

voorgeleid. De politie heeft dan maximaal 2 dagen voor verder onderzoek en het maken van een

proces-verbaal. De OVJ ( en niet de HOVJ) stelt de verdachte te allen tijde gedurende het onderzoek

inverzekering.

In het voortraject dienen alle mogelijkheden en voorgeleidingen reeds besproken met de Officier van

Justitie.

De normale inverzekeringstelling zal door een Hulp Officier van Justitie bevolen dienen te worden.

Hier dienen binnen het district goede afspraken over gemaakt te worden. Daar het hier lange verhalen

en verklaringen betreft is, kan de HOVJ vaak overtuigd worden van de noodzaak van de

inverzekeringstelling.

Breng het slachtoffer in ieder geval op de hoogte van het feit dat de verdachte is aangehouden.

Spreek ook met het slachtoffer af dat wanneer de verdachte vrij komt zij gelijk op de hoogte gesteld

wordt. Dit geeft bij het slachtoffer ook een bepaalde rust.

14.9 Verhoor verdachte

Het verhoor van de verdachte kan op verschillende manieren. Een ieder hanteert een andere manier

van verhoren.

Hierbij echter wat tips geven waarmee je tijdens het verhoor rekening kan houden:.

De verdachte is meestal iemand die zelf ook met psychische problemen rondloopt. Vaak is er iets in

haar verleden gebeurd waardoor hij dit gedrag vertoont.

Probeer de verdachte op een zeer sociale manier te benaderen en gooi niet gelijk alle feiten op de

tafel.

Begin ook met de relatie die hij gehad heeft met het slachtoffer. Probeer uit te vinden waarom deze

relatie er niet meer is of waarom het slachtoffer volgens de verdachte niets met hem wil beginnen.

Probeer ook een zwakke plek te vinden bij de verdachte. Meestal is de zwakke plek van de verdachte

toch het onbegrip van het slachtoffer ten opzichte van hem.

Probeer de verdachte te laten merken dat je de situatie waarin hij/ zij verkeert begrijpt.

Probeer zo het vertrouwen van de verdachte te winnen. Hierdoor zal hij makkelijker gaan praten.

Laat de verdachte in het begin zijn visie geven van het verhaal en laat hem uitspreken.

Praat ook over andere dingen in het leven van de verdachte.

Begin na al deze dingen langzaam de verdachte te confronteren met de feiten zodat hij op een

gegeven moment geen kant meer uit kan.

Blijf steeds op je hoede tijdens het verhoor. De verdachte van stalking is meestal een onberekenbaar

persoon. Voordat je het door hebt kan hij omslaan en zichzelf of een ander wat aandoen.

Als je het gesprek op de vriendelijke toon houdt is de kans dat de verdachte “flipt” en daardoor

dichtslaat het kleinst.

De verdachte kan iemand zijn met een persoonlijkheidsstoornis, houdt hier rekening mee.

14.10 Nazorg.

Nazorg:

Als de verdachte wordt vrijgelaten of in bewaring gesteld wordt is de hulpverlening door

slachtofferhulp reeds in werking gesteld. Het slachtoffer wil nog graag op de hoogte gesteld worden

van het onderzoek. In het kader van de nazorg is het dus ook van belang dat het contact tussen de

verbalisant en het slachtoffer blijft. Dit contact is minder intensief dan in het begin van de zaak. Door

dit contact zal het slachtoffer sterker worden en meer vertrouwen krijgen en dit is weer een stap in de

richting van een normaal leven.

14.11 Civiele procedure

Maak het slachtoffer ook duidelijk dat zij via een advocaat een civiel straat-, contactverbod kunnen

aanvragen. Dit kan via een kort geding.

14.12 Problemen

Na het intake gesprek kan een slachtoffer van aangifte af willen zien.

Vaak is het slachtoffer te emotioneel en te ver in de psychische problemen dat zij de aangifte/klacht

niet (meer) durft te doen.

Ook zijn de slachtoffers vaak bang voor de gevolgen die kunnen ontstaan nadat zij aangifte/klacht

hebben gedaan.

Dwing een slachtoffer niet om aangifte te doen. Zij moet zelf de keuze maken.

De verbalisant moet wel een afspraak met het slachtoffer maken dat hij over een paar weken contact

zal opnemen en dan de situatie zal doorspreken. Misschien is er dan wel genoeg voor het slachtoffer

gebeurd dat zij toch wel een aangifte/klacht wil (durft) doen.

Denk aan de mogelijkheid om ambtshalve te vervolgen.

Het volgende probleem wat zich kan voordoen is dat de getuigen niet een verklaring durven af te leggen.

Maak de getuigen duidelijk dat zonder hun verklaringen de zaak nooit rond kan komen.

Veel getuigen zullen ook bang zijn voor de gevolgen. Maak wel duidelijk dat de politie niet 24 uur per

dag op de getuigen kan passen.

Probeer toch de getuigen zover te krijgen dat zij wel een verklaring willen afleggen.

Overigens kan het vastleggen van de getuigen die om redenen van veiligheid niet willen getuigen ook

meetellen in de bewijsvoering.

De officier van Justitie wil geen medewerking verlenen voor het aanhouden buiten heterdaad.

Zorg dat er voldoende concrete contacten zijn vastgelegd en zorg dat duidelijk is wat de gevolgen

voor het slachtoffer zijn en wat de bedoelingen van de stalker zijn.

Overtuig de officier van Justitie dat het van belang is dat de verdachte aangehouden moet worden

i.v.m. met de lange verhalen en het intensieve onderzoek.

Zeg daarbij ook dat de aanhouding in het belang van het slachtoffer is. Als de verdachte uitgenodigd

wordt voelt hij zich nog steeds machtig en kan hij dit na het verhoor reflecteren op het slachtoffer.

De hulpofficier wil de verdachte niet in verzekering stellen.

Goede afspraken in het district kunnen deze problemen oplossen.

Mocht de HOVJ dan nog de verdachte niet in verzekering willen stellen, probeer hem dan te

overtuigen dat het echt noodzakelijk is in het belang van het onderzoek, namelijk de duur van de

verhoren, de verklaring van de verdachte kan nader verhoor/onderzoek noodzakelijk maken, zoals

nader verhoor van getuigen of het slachtoffer of nader onderzoek telecommunicatie. Er dienen

mogelijk confrontaties te worden gehouden of foto’s te worden gemaakt voor confrontatie enz. Zelfs

het veiligstellen van strafvervolging of -oplegging kan het noodzakelijk maken in verzekering te stellen

bijvoorbeeld zodat er een foto kan worden gemaakt om later bij de uitvoering van de straf

persoonsverwisseling te voorkomen

14.13 De stalker gaat door.

De echte Die-Hard stalker zal nergens van terugschrikken. Ook al krijgt hij nog zoveel straf. Dit is dan

ook het grote gevaar van een stalker. Zoals eerder besproken zal een stalker pas stoppen als haar

doel bereikt is.

Hoe hier mee om te gaan?

Neem wederom een aangifte op en begin weer met het horen van getuigen.

Maak goede afspraken met de Officier van Justitie over het te volgen traject.

Alleen volhouden kan het slachtoffer eventueel redden.

Mocht dit allemaal niet helpen dan zal het slachtoffer moeten gaan kiezen om toch te gaan verhuizen

naar een onbekende bestemming waar zij het leven weer op kan pakken. Dit is een behoorlijke stap

voor het slachtoffer maar soms is het onvermijdelijk.

14.14 Eindgesprek.

Door langdurige en intensieve contacten, waaronder de bespreking van emoties en intieme

onderwerpen, ontstaat tussen het slachtoffer en de verbalisant vaak een band. Het op verantwoorde

wijze beëindigen van het contact met het slachtoffer komt beide partijen te goede.

Het voeren van een eindgesprek dient enerzijds te leiden tot verheldering door de verbalisant van

onduidelijkheden en/of beantwoording van (alsnog gerezen) vragen van het slachtoffer. Anderzijds

wordt het slachtoffer geïnformeerd over de gevolgde procedure in het onderzoek en het vervolg.

Het eindgesprek kan, afhankelijk van de ontwikkelingen in het onderzoek, op verschillende momenten

in het proces plaatsvinden. Indien er geen aangifte is gedaan, kan wel een verwijzing, al dan niet door

bemiddeling van de verbalisant, naar een hulpverleningsinstantie, een advocaat, et cetera aan de

orde komen. Ook na afsluiting van het onderzoek kan zo’n verwijzing nog tot stand worden gebracht

15. Informatie uitwisseling

• U mag niet altijd (aan iedereen) informatie verstrekken over slachtoffers en

verdachten.

• Dit heeft te maken met de wet op de privacy. Met toestemming van betrokkene mag

u derden (hulpverleners) informeren.

• Voor een overzicht van instellingen / instanties waarmee informatie uitgewisseld

mag worden wordt verwezen naar het “Privacy reglement” zoals vermeld op het

intranet.

16. Registratie geweld in huiselijke kring

• Gebruik in BPS zoveel mogelijk de code 343 en de projectcode huiselijk geweld.

Koppel de projectcode aan het proces.

• De verschillende vormen van geweld in huiselijke kring worden in het Wetboek van

Strafrecht niet in aparte artikelen omschreven, wel zijn er verschillende artikelen die

op vormen van geweld in huiselijke kring van toepassing kunnen zijn.

• Dit zijn de artikelen betrekking hebbend op verschillende vormen van mishandeling

(art 300-303 WvSr), seksuele misdrijven (art 240b e.v. W.v.Sr), misdrijven tegen de

persoonlijke vrijheid, waarbij gedacht moet worden aan dwang, bedreiging,

opzettelijke vrijheidsberoving, schaking (art 284, 385, 282, 281, W.v.Sr), vernieling,

(art 350 W.v.Sr), huisvredebreuk (art 138 W.v.Sr) en sinds juli 2000 ook

belaging/stalking (art 285 b W.v.Sr). Alleen kinderdoodslag (art 290 W.v.Sr) is een

misdrijf dat alleen door de moeder kan worden gepleegd.

• Andere gevallen zijn niet als vormen van geweld in huiselijke kring herkenbaar

wanneer ze niet apart worden geregistreerd, wat betekent dat er (nog) geen inzicht

is in het aantal en de aard van de door justitie afgehandelde zaken betreffende deze

vormen van geweld.

• Zonder aparte registratie komen deze zaken op de grote stapel terecht en worden

ze behandeld als -bijvoorbeeld- anderen gevallen van eenvoudige mishandeling,

met de kans dat ze door middel van een transactie worden afgedaan. Deze

afhandeling draagt er niet toe bij dat het geweld ophoud. Om een registratie bij het

Openbaar Ministerie tot stand te brengen is het om te beginnen noodzakelijk dat de

politie deze zaken geoormerkt aanmerkt.

• Het muteren van incidenten inzake geweld in relaties is uiterst belangrijk. Daarvoor

moet de projectcode huiselijk geweld worden ingevoerd aangevuld met een nadere

specificatie om welke vorm van huiselijk geweld het zich handelt.

• Wanneer een zaak is doorverwezen en wanneer een zaak is opgelegd (in verband

met het later kunnen voegen) wordt dit geregistreerd in een BPS-mutatie.

Bijlagen

1. Formulier 350 Meldingsformulier huiselijk geweld

2. Formulier 351 Aanzegging wederrechtelijke belaging

3. Formulier 352 Gespreksbevestiging

4. Stappenplan voor slachtoffers van belaging

9 maart 2004

Regio Gelderland-Midden

Werkgroep Aanpak geweld in Huiselijke Kring

BIJLAGE 1:

Politie Gelderland-Midden BPSFORM

350

District:

Unit:

Adres:

Behandelaar:

Rechtstreeks tel.nummer:

BPS-nr:

Dossier-nr:

Aan: HERA VROUWENOPVANG : Fax-nr 026-3525811

BURO JEUGDZORG ARNHEM / ZEVENAAR : Fax-nr 026-3644351

BURO JEUGDZORG EDE : Fax-nr 0318-691255

KAIROS ARNHEM : Fax.nr 026-3529779

MELDINGSFORMULIER HUISELIJK GEWELD

L.S.

Op (datum) werd bij de politieregio Gelderland-Midden melding/aangifte gedaan van

huiselijk geweld.

Korte omschrijving van gebeurde (oa aangewend geweld, bedreigingen, letsel, enz.)

Kinder(en) aanwezig in woning : ja/nee

De melding/aangifte werd gedaan door:

Naam:

Voornamen:

Geboorteplaats en –datum:

Adres:

Woonplaats:

Slachtoffer: J/N

( ) Hij/Zij verklaart mee te werken aan het hulpverleningstraject en heeft geen

bezwaar tegen verstrekking van de benodigde gegevens.

(handtekening)

Harri de Vries 01-07-2005

Dader(s)gegevens:

Naam:

Voornamen:

Geboorteplaats en –datum:

Adres:

Woonplaats:

Relatie tot melder/aangever:

( ) Hij/Zij verklaart mee te werken aan het hulpverleningstraject en heeft geen

bezwaar tegen verstrekking van de benodigde gegevens.

(handtekening)

Andere Slachtoffer(s)/Betrokkene(n):

Naam:

Voornamen:

Geboorteplaats en –datum:

Adres:

Woonplaats:

Relatie tot melder/aangever:

Naam:

Voornamen:

Geboorteplaats en –datum:

Adres:

Woonplaats:

Relatie tot melder/aangever:

Aankruisen indien van toepassing en eventueel aanvullen:

( ) Wie heeft/hebben het gezag over minderjarige(n): beiden / moeder / vader /

anders:

( ) Eerdere politie-interventies: J/N

( ) Bestaande contacten met hulpverleningsinstanties te weten:

Aanhouding verdachte: (datum en plaats)

Heenzending verdachte: (datum en plaats)

Voorgeleiding verdachte: (datum en plaats)

Huidige verblijfplaats verdachte:

1 ingevuld exemplaar faxen naar betreffende instantie

1 ingevuld exemplaar naar Jeugdcoördinator betreffende Unit

Harri de Vries 01-07-2005

Bijlage 2 P O L I T I E

Regio Gelderland Midden

District:……………………….

Afdeling:………………………

Formulier: 351

Aanzegging wederrechtelijkheid belaging

BPS mutatienummer:…………………………………..

Hierbij verklaar ik, als slachtoffer/ benadeelde,

Achternaam :

Voornamen :

Geboortedatum :

Geboorteplaats :

Adres :

Woonplaats :

van belaging (stalking) gepleegd door:

Achternaam :

Voornamen :

Geboortedatum :

Geboorteplaats :

Adres :

Woonplaats :

hierna aangeduid als “pleger”,

(X) dat ik vanaf (datum dagtekening van deze brief) op geen enkele wijze nog

contact met pleger wens te hebben

(X) dat ik daartoe zelf geen enkel initiatief zal nemen

( ) dat eventueel noodzakelijke contacten m.b.t. kinderen, huisvesting, goederen,

scheiding etc. alleen via een advocaat / andere bemiddelaar

(naam advocaat/ bemiddelaar: ……………………….……..) dienen plaats te vinden

Aard belaging

(X) dat de belaging tot op heden bestaan heeft uit:

Aard handeling Frequentie

( ) in of bij de woning komen ……………………………………..

( ) (achter)volgen ……………………………………..

( ) telefonisch lastigvallen ……………………………………..

( ) brieven of andere post versturen ……………………………………..

( ) voicemail/sms/e-mail versturen ……………………………………..

( ) lastigvallen van derden ……………………………………..

( ) anders, nl. ……………………... …………………………………….

( ) …………………………………… ……………………………………..

Kenbaar gemaakt aan pleger:

( ) dat ik hiervan op de volgende wijze(n) reeds kenbaar heb gemaakt aan pleger

dat dit gedrag voor mij ongewenst is:

( ) ik heb pleger persoonlijk op zijn gedrag aangesproken

( ) ik heb pleger middels voicemail/ sms/ e-mail op zijn gedrag aangesproken

( ) ik heb pleger door derden op zijn gedrag laten aanspreken, namelijk door:

…………………………………………………. (naam bemiddelaar)

( ) ik heb pleger op andere wijze op gedrag aangesproken, namelijk

………………………………………………….

( ) ik heb pleger niet eerder op zijn gedrag aangesproken

( ) ik heb reeds eerder aangifte bij de politie gedaan, namelijk op

(dag/ maand/ jaar)

( ) op andere wijze, namelijk ……………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………..

(X) dat elk contact van pleger op welke wijze dan ook direct of indirect, door mij zal

worden aangemerkt als belagingshandeling en zal worden gemeld bij de

plaatselijke politie

(X) dat bij voortduring van deze handelingen de belaging het karakter van

stelselmatigheid heeft en ik dit beschouw als een inbreuk op mijn persoonlijke

levenssfeer, waarvan aangifte/klacht zal volgen bij de politie

(X) dat daarbij de wederrechtelijkheid en onwenselijkheid van het gedrag van pleger

middels deze brief mijnerzijds reeds is benadrukt

Andere van belang zijnde opmerkingen:

(X) Deze brief zal in eventuele processtukken worden aangehaald als

“Brief aanzegging belaging”

( ) Deze brief is uitgereikt aan de pleger en door hem / haar voor gezien ondertekend

( ) Deze brief is NIET door de pleger ondertekend, omdat …………………………………

………………………………………………………………………………………………….

( ) De inhoud van deze brief is aan de pleger bekend gemaakt.

( ) De inhoud van deze brief is niet aan de pleger bekend gemaakt, omdat………………

.………………………………………………………………………………………………….

Afschrift

( ) ik heb een afschrift van deze brief ter kennisgeving verzonden aan de plaatselijke politie, waar deze brief zal worden bewaard en gevoegd bij een eventuele aangifte/klacht mijnerzijds bij voortduring van de belaging

( ) ik heb geen bezwaar dat (een afschrift van) deze brief gevoegd wordt bij

de processtukken, indien een strafrechtelijke procedure tegen de pleger

aanhangig wordt gemaakt

Informatie t.b.v. politie

Op (dag/ maand/ jaar) werd (de inhoud van) deze brief op de volgende wijze aan de

pleger

bekend gemaakt:

( ) deze brief is in het bijzijn van de volgende politieambtenaren van de politie regio

Gelderland-Midden, (namen en dienstnummers) aan de pleger uitgereikt

( ) de inhoud van deze brief werd in het bijzijn van de volgende politieambtenaren van de

politie regio Gelderland-Midden, (namen en dienstnummers) aan de pleger bekend

gemaakt

( ) deze brief werd persoonlijk door mij aan de pleger overhandigd, in bijzijn van

…………………………………………………………………………………………

( ) deze brief werd door mij aangetekend aan de pleger verzonden naar het adres:

……………………………………………………………………………………………

( ) deze brief werd door mij via e-mail aan de pleger verzonden naar het e-mailadres:

……………………………………………………………………………………………

( ) de inhoud van deze brief is door mij niet in het bijzijn van de politie bekend gemaakt

aan de pleger

Daar waar een ( ) voor de zinsnede is geplaatst, is deze van toepassing voorzover

het is aangekruist.

Datum:

Plaats :

…………………............... ………………………..

Benadeelde Pleger

Indien betrokken:

………………………………

Verbalisant

 

Bijlage 3 P O L I T I E

Regio Gelderland Midden

District:……………………..

Afdeling:……………………

Formulier: 352

Gespreksbevestiging

(belaging/ huiselijk geweld)

BPS mutatienummer :……………………………………….

Op (dag/ maand/ jaar) hebben wij:

Verbalisant :……………………………………….

Functie :……………………………………….

Werkzaam binnen het district:……………………………………….

en

Naam/ voornamen :……………………………………….

Geboorteplaats :……………………………………….

Huidige adres :……………………………………….

Huidige woonplaats :……………………………………….

Laatstgenoemde nader te noemen als betrokkene, een gesprek gevoerd in het

politiebureau

te……………………..

De aan leiding van dit gesprek was:

………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………

…………

In het gesprek is het navolgende besproken:

( ) Betrokkene zal zich nadrukkelijk onthouden van alle vormen van geweld of ander

strafbaar gedrag ten aanzien van het slachtoffer/ benadeelde:

Naam/ voornamen :

Geboortedatum :

Geboorteplaats :

Adres :

Woonplaats :

( ) Betrokkene zal zich nadrukkelijk onthouden van alle vormen van geweld of ander

strafbaar gedrag ten aanzien van kinderen, familieleden en/ of kennissen van het

slachtoffer/ benadeelde.

( ) Betrokkene zal zich voor (dag/ maand/ jaar) vrijwillig aanmelden bij Kairos.

( ) Betrokkene gaat akkoord met het vertrekken van politiegegevens aan Kairos.

( ) Betrokkene geeft toestemming voor consultatie met hulpverleningsinstellingen.

( ) Het is betrokkene bekend dat hem een straat/ contactverbod is opgelegd.

Betrokkenen zal zich aan dit straat/ contactverbod houden.

( ) Betrokkene zal zich houden aan de opgelegde/ overeengekomen bezoekregeling.

( ) Betrokkene is op de hoogte van het feit dat deze gespreksbevestiging kan worden

gevoegd bij processtukken, indien een strafrechtelijke procedure tegen hem/ haar

aanhangig is of wordt gemaakt.

( ) Betrokkene is op de hoogte van het feit dat er melding is gedaan bij het Advies- en

meldpunt kindermishandeling.

Daar waar een ( ) voor de zinsnede is geplaatst is deze van toepassing voorzover

het is aangekruist.

Datum:

Plaats:

………………………………. ………………………………

Betrokkene Verbalisant

 

Bijlage 4:

Stappenplan voor slachtoffers van belaging (stalking)

Stap 1 Onderken zelf uw probleem

U wordt belaagd en de belager zal daar, zo is de ervaring, uit eigen

Wil niet gauw mee stoppen!

Belaging kan in allerlei verschijningsvormen voorkomen, zoals telefonisch lastig

vallen, producten toesturen, achtervolgen, roddelen, maar ook geweldgebruik

waaronder bedreigen, mishandelen, huisvredebreuk en intimidatie enz. Vaak

bedient de

Belager zich van meerdere middelen!

Praat er met objectieve anderen over of hetgeen u gebeurd normaal is of dat er

kan worden gesproken van belaging!

Stap 2 Neem een besluit wat u hiertegen gaat doen: Negeren of bestrijden.

Opmerking: negeren heeft geen vaak geen enkele zin, omdat de belager ervan uit

gaat dat u het of niet erg vindt of dat u er niet tegenin durft te gaan. Hoe eerder u

dus uw grenzen aangeeft door actie te ondernemen, hoe beter.

Stap 3 Onderken dat actief bestrijden vaak geen korte termijn politiek is doch langdurig en

voortdurend inzet van u vraagt, (veel) geduld en incasseringsvermogen

Stap 4 Organiseer een goede achtervang (HULP)

Mensen in uw directe omgeving waarop u emotioneel en/of praktisch kunt

terugvallen als het nodig is en die u dan willen en kunnen steunen.

Stap 5 Organiseer een goede dossiervorming van elke actie (hoe miniem ook) die uw

belager neemt.

• Neem foto's of leg zaken vast op video

• Neem (telefonische) gesprekken op

• Noteer alle bijzonderheden in een journaal met dag en tijdstip

• Print E-mail berichten uit en schrijf SMS-berichten op

• Zorg bij (directe) contacten altijd voor eventuele getuigen (tenminste 1)

• Zorg bij al uw sociale contacten (school, club, crèche, enzovoort) dat u

tenminste op één vriend(in), collega of medewerker kunt terugvallen.

Vraag of deze wil getuigen van eventuele voorvallen.

• Vraag familie, kennissen, vrienden, huisarts, wijkagent en dergelijke te

beschrijven welke relatie u hebt met uw belager en hoe zij zijn/haar gedrag

inschatten. Ook een eventueel motief van uw belager is hierbij belangrijk!

Vraag ze vooral op te schrijven wat ze zelf gezien en gehoord hebben van

het gedrag van de belager

Stap 6a Stel uw belager exact op de hoogte van wat U wilt en VOORAL NIET WILT!

Benoem de punten die u niet wilt als zijnde dat de belager u daarmee lastig valt.

Doe dit altijd per aangetekende brief of schrijven van uw advocaat (Voorbeeldbrief)

Indien u in een beginfase verkeert, kunt u eerst proberen te laten bemiddelen door

een onpartijdig persoon die zowel uw vertrouwen als het vertrouwen van de

belager geniet. Ook een wijkagent kan hier diensten verlenen. Het best werkt het

als u een persoon vraagt te bemiddelen die in hoog aanzien staat bij de belager.

Tips om aan te denken bij bemiddeling of het schrijven van een brief.

• Stel regels voor contact op als er noodzakelijke contacten in stand moeten

blijven (in verband met een relatie). Denk bijvoorbeeld aan een apart

emailadres of mobiele telefoon (voicemail!) dan weet u wie er belt of mailt

of beter nog wie er heeft gebeld.

 

• Stel eventuele regels op voor bezoeken aan je woon- en werkadres.

Verbied de toegang (evt. onder voorwaarden) tot u woning met toepassing

van artikel 138 Wetboek van Strafrecht.

Vraag aan uw werkgever of hij/zij hetzelfde wil doen voor uw werkadres.

• Stel regels over de manier en de wijze van communiceren (met respect,

tijdstippen, plaatsen enz)

• Stel regels op voor het op straat of in openbare gelegenheden "tegen

komen" Laat dit bijvoorbeeld alleen toe als u niet alleen bent!!!

In combinatie met het laatste punt maakt u vervolging door achtervolgen

beter mogelijk!

• Stel eventueel aanvullende regels op al naar gelang uw omstandigheden.

• Benoem alle overige wijze van contact opnemen als

Ongewenst!

Uiteraard neemt u een geheim telefoonnummer en wijst u iedereen erop dit

absoluut geheim te houden. Uw belager kan immers contact opnemen via uw

aparte (prepaid) mobiele telefoon. Hier kunt u tijden voor instellen en bovendien

voicemail inschakelen. Hierdoor creëert u rust voor uzelf, omdat u niet iedere keer

in angst zit wie er belt.

Stap 6b Deel hem in uw schrijven mede wat de consequenties zijn als hij in strijd met uw

wil toch blijft lastig vallen.

Duidelijkheid verschaffen staat hier voorop !!

• Van elk strafbaar feit (hoe gering ook) zal aangifte bij de politie worden

gedaan!

Bijvoorbeeld: Hinderlijk volgen en hinderlijk ophouden op de openbare weg,

huisvredebreuk, bedreiging (ook mondeling en telefonisch), enz.

• Overige ongewenste acties en/of zaken worden vastgelegd en periodiek

gerapporteerd aan de politie en uw advocaat, zodat vervolging terzake

Belaging (artikel 285b Wetboek van Strafrecht) kan worden ingesteld.

• Daarnaast zal middels een civiele procedure een straatverbod en

schadevergoeding worden gevorderd.

• Indien strafbare feiten hiertoe aanleiding geven kunt u justitie vragen

rechterlijke bevelen op te leggen conform de regeling neergelegd in

artikel 540 van het Wetboek van Strafvordering.

Door deze handelwijze toont u uw belager dat u het ernstig neemt en dat u

vastbesloten bent niet toe te geven. U heeft hierdoor kans dat hij zijn acties staakt

of vermindert. Anders heeft u de voorwaarden geschapen voor het (later) nemen

van effectieve maatregelen tegen de belager.

Stap 7 Doe precies wat u in uw schrijven tegen uw belager hebt gezegd! Consequent

handelen is uw belangrijkste wapen in de strijd tegen de belager. Elke afwijking

van eerder handelen ziet uw belager als een handvat om verder te gaan!!!

Aanvullende regels handelt u altijd schriftelijk en aangetekend af.

 

Stap 8 Bel bij constateren van strafbare feiten DIRECT de politie via het alarmnummer 112.

Voorbeelden van strafbare feiten: belediging, bedreiging, mishandeling, huisvredebreuk, vernielingen, hinderlijk tegen uw wil blijven volgen/ opdringen, hinderlijk ophouden op de openbare weg, u de weg blokkeren, u klem rijden met een voertuig enz. Als u het ziet gebeuren of het overkomt u op dat moment, is het namelijk een zogenaamde heterdaad situatie en kan de politie de belager aanhouden en verbaliseren. Met bellen moet u dan ook niet lang wachten, want de heterdaad situatie verloopt na een bepaalde tijd en dan kan de politie bij geringe feiten minder goed optreden.

Stap 9 Vraag de politie en justitie bij stap 8 de procedure van artikel 540

Wetboek van Strafvordering toe te passen. Dit kan alleen als aan strikte voorwaarden wordt voldaan! Deze procedure kan echter sneller worden toegepast dan dat vervolging via het nieuwe wetsartikel Belaging mogelijk is. Het is verder Makkelijker als een civiele procedure.

Toepassing van de 540 procedure kan bij elk strafbaar feit, echter alleen als het op heterdaad ontdekt is en als u kunt aantonen dat

1. de belager door zal gaan met lastig vallen en

2. dat het strafbare feit veel angst/ onrust bij u en/ of de omgeving, zoals buren, familie en kennissen teweeg heeft gebracht, bijvoorbeeld door de brute wijze van uitvoeren of doordat er al veel aan vooraf is gegaan. Als u Stap 5 goed heeft uitgevoerd kan deze u hierbij helpen! Vraag de politie (anders) om (aanvullende) maatregelen te nemen ter bescherming van u en uw gezin. Ook kan de politie vaak speciale alarmeringsafspraken maken, zodat de politie:

a. snel begrijpt hoe ernstig de situatie is en

b. snel kan ingrijpen.

Eventueel kan men zelfs video- en/ of afluisterapparatuur plaatsen om zaken gemakkelijker te bewijzen. Heeft dit alles niet het gewenste resultaat vraag dan een advocaat of er een civiele procedure kan worden opgestart om een straat- en contactverbod af te dwingen. Probeer dit via een zogenaamd kort geding. Om een straat- en contactverbod te krijgen heeft u ook weer stap 5 nodig!

Vraag bijstand van slachtofferhulp. Zij kunnen u verder helpen en begeleiden bij

procedures.

Zeker als er strafzaken gaan spelen is de morele en praktische ondersteuning

van deze ervaren mensen heel nuttig en handig.

Stap 10 Herhaal stap 8 en 9 zo vaak als nodig is!

Stap 11 Neem zodra het kan (één) van de maatregelen van stap 6b

Stap 12 Blijf alert! Ook als een maatregel is of wordt opgelegd. Bedenk dat alleen volhouden u kan redden. Zorg dan ook voortdurend voor een goede achtervang.

 

 

SAMENWERKINGSPROTOCOL

Strafrechtelijke aanpak huiselijk geweld

Politieregio Gelderland-Midden

Regiopolitie Gelderland-Midden

Openbaar Ministerie Arnhem

Reclassering Nederland/Arnhem  

 

Maart 2004

Voorwoord

 

Uit de kabinetsnota “Privé geweld – publieke zaak” blijkt dat huiselijk geweld de meest voorkomende geweldsvorm in onze samenleving is.  

De feiten op een rij uit een onderzoek van het Ministerie van Justitie (1997):

·         In Nederland is meer dan een kwart van de bevolking (in een bepaalde periode of meerdere perioden van zijn of haar leven) wekelijks of dagelijks slachtoffer (geweest) van huiselijk geweld.

·         27% van de ondervraagden is ooit slachtoffer geweest van huiselijk geweld dat zich wekelijks of dagelijks manifesteerde.

·         Bij 21% van de ondervraagden duurde dat geweld  langer dan vijf jaar.

·         Slechts 12% van de slachtoffers had het geweld gemeld bij de politie. In de helft van die gevallen volgde uiteindelijk een aangifte.Daar komt bij dat zich reeds gemiddeld 27 incidenten hebben voorgedaan voordat huiselijk geweld gemeld wordt bij de politie.

 

Uit onderzoek van het WODC naar alle 225 moorden uit 1998, bleek dat in ruim 70 zaken dader en slachtoffer in een intieme relatie tot elkaar stonden.

Onderzoek onder TBS-patiënten in Nederland toont aan dat 80% van hen als kind verwaarloosd, mishandeld of seksueel misbruikt was.

Kinderen, die al dan niet rechtstreeks slachtoffer (bijv. als getuige) zijn geweest van huiselijk geweld, blijken op latere leeftijd drie maal zoveel kans te lopen om dader van geweld te worden. Kinderen die opgroeien in een sfeer van huiselijk geweld hebben aanmerkelijk vaker problemen of vertonen vaker probleemgedrag dan andere kinderen. Ook vertonen zij eerder crimineel en gewelddadig gedrag dan andere kinderen.

 

Gelet op de impact van het probleem voor betrokkenen en de samenleving, heeft het kabinet  zich op het standpunt gesteld dat huiselijk geweld gestopt moet worden en staat een integrale aanpak voor.  Door het kabinet wordt benadrukt dat de regierol voor de aanpak van huiselijk geweld bij de gemeenten ligt.

Als voorbeeld van een dergelijke aanpak binnen de politieregio Gelderland-Midden kan dienen het project Integrale aanpak van Huiselijk Geweld, waarin organisaties uit zowel de justitiële als de preventieve keten nauw samenwerken, onder regie van de gemeente Arnhem. Dit project heeft vooralsnog een lokale werking.

 

De plv. korpschef van de regiopolitie Gelderland-Midden/Districtschef AVZ, de wnd. hoofdofficier van justitie van het Arrondissementsparket Arnhem, alsmede de unitmanager van Reclassering Nederland te Arnhem, maken regiobrede afspraken om te komen tot een sluitende en effectieve repressieve aanpak van huiselijk geweld.

Deze afspraken richten zich op het stoppen van geweld en voorkomen van herhaling, het zorgdragen voor de veiligheid van betrokkenen, adequate opsporing en vervolging van de dader en het zorgdragen voor goede verwijzing naar (dader)hulpverlening.

 

Het bereiken van resultaten hangt direct samen met gelijktijdige hulpverlening aan zowel daders, slachtoffers (meest vrouwen) en kinderen. Effectief overheidsoptreden vraagt om een adequate afstemming van het strafrechtelijk traject met het hulpverleningsaanbod. Daarom worden gelijktijdig afspraken gemaakt met relevante hulpverleningsinstanties. Hiertoe is een afzonderlijk samenwerkingsprotocol opgesteld (zie bijlage).  

 

 

 

 

Partijen:

 

Partij 1                                               Regiopolitie Gelderland-Midden

Dhr. drs. J.M.J.M. van Deursen         Wnd. korpschef 

 

Partij 2                                               Openbaar Ministerie

Arrondissementsparket Arnhem

Dhr. mr. B.W.J.Steensma                 Wnd. Hoofdofficier van justitie

 

Partij 3                                               Reclassering Nederland, vestiging Arnhem

Dhr. Ch. Baltussen                            unitmanager

 

 

Partijen verklaren zich, voor wat betreft de door hun vertegenwoordigde organisatie, te verplichten tot:

-          het uitvoering (doen) geven aan de in de bijlage bij dit protocol genoemde samenwerkingsafspraken;

-          het verzorgen van afdoende interne communicatie binnen de organisaties aangaande de in dit verband gemaakte afspraken tussen de deelnemende partijen;

-          meewerken aan het realiseren van een integrale ketenaanpak van huiselijk geweld

 

Definities:

 

Huiselijk geweld:      Geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is/wordt gepleegd, ongeacht de plaats waar het geweld wordt gepleegd.

Geweld:                     Geestelijke of lichamelijke aantasting van iemands persoonlijke integriteit

Huiselijke kring:       De huiselijke kring bestaat uit (ex-)partners, gezinsleden, familieleden en huisvrienden

Huisvrienden:           Personen die een vriendschappelijke band onderhouden met het slachtoffer of met iemand uit de onmiddellijke omgeving van het slachtoffer en die het slachtoffer in huiselijke sfeer ontmoeten

 

 

Doelstelling van de samenwerking:

Partijen willen door middel van samenwerking het volgende bereiken:

1.      Het in individuele gevallen stoppen en voorkomen van herhaling van huiselijk geweld

2.      Het zorgdragen voor de veiligheid van betrokkenen

3.      Het opzetten van adequate opsporing en vervolging van de dader

4.      Het zorgdragen voor goede verwijzing naar (dader)hulpverlening.

 

 

Looptijd van de samenwerking:

-     De samenwerking start op 1 april 2004 en eindigt op 1 april 2006

-          Voor 1 april 2006 vindt gezamenlijke besluitvorming plaats met betrekking tot voortzetting van de samenwerking.

 

 

Evaluatie

-          De samenwerking tussen de partijen wordt tussentijds en aan het einde geëvalueerd.

-          De inhoud van de evaluatie zal zich richten op de onderlinge communicatie tussen de deelnemende partijen en ketenopvolging. Daarnaast zal aan de hand van een te houden nulmeting de effectiviteit van de aanpak gemeten worden door onder andere te meten of de recidive binnen de groep is afgenomen.

Ondertekening:

 

 

Plaats:  Arnhem                                                                                                       Datum:

                                                                                                                           maart 2004

 

Partij 1                                              Regiopolitie Gelderland-Midden

Dhr. drs. J.M.J.M. van Deursen         Wnd. korpschef

 

 

 

Partij 2                                               Openbaar Ministerie

Arrondissementsparket Arnhem

Dhr. mr. B.W.J. Steensma                Wnd. Hoofdofficier van justitie

 

 

 

Partij 3                                               Reclassering Nederland, vestiging Arnhem

Dhr. Ch. Baltussen                            unitmanager

 


BIJLAGE

AFSPRAKEN EN ROL PER ORGANISATIE

 

Regiopolitie Gelderland-Midden

 

1.      Alle meldingen en signalen omtrent huiselijk geweld worden serieus genomen en afgehandeld conform het Samenwerkingsprotocol Huiselijk geweld, Politieregio Gelderland-Midden.

 

2.      Alle meldingen/incidenten van huiselijk geweld worden op eenduidige wijze geregistreerd.

 

3.      Onverminderd artikel 2 worden zedenzaken, voor zover van toepassing, behandeld conform de daarvoor geldende afspraken binnen en tussen de politie en het OM en de aanwijzingen van het College van procureurs-generaal.

 

4.      Bij alle meldingen en signalen omtrent huiselijk geweld wordt als handvat voor de benadering van het slachtoffer het “ABCDEF-model” gehanteerd:  

A:            Ask                        Stel vragen, oordeel niet

B:            Believe                  Neem het verhaal serieus

C:            Call                         Bel voor ondersteuning voor het slachtoffer (familie, vrienden, medische hulp)

D:            Document             Leg het verhaal vast

E:             Ensure safety      Bespreek en waarborg zoveel mogelijk de veiligheid van het slachtoffer

F:             Follow-up             Informatie verstrekken, helpen bij het maken van afwegingen en nazorg verlenen

 

5.      Te allen tijde draagt de politie er zorg voor dat het geweld ter plaatse wordt gestopt.

 

6.      Indien nodig brengt de politie het slachtoffer naar een veilige plek. De hulpverlening heeft de verantwoordelijkheid te zorgen voor een veilige plek.

 

7.      Als uitgangspunt geldt dat de dader altijd aangehouden (zowel op als buiten heterdaad) en dat het justitiële traject ingezet wordt.

 

8.      Zo veel als mogelijk wordt bevorderd dat het slachtoffer aangifte doet. Bij het opnemen van de aangifte dienen minimaal de volgende elementen aan de orde te komen:

-          algemene beschrijving van de relatie

-          beschrijving van:

·         de verandering in de relatie (incl. afhankelijkheidspositie)

·         het eerste geweldsincident

·         een typisch/markant geweldsincident

·         het ergste geweldsincident

·         het laatste geweldsincident

·         indien mogelijk: bewijsmateriaal (foto’s)

-          de ideeën  van het slachtoffer over de toekomst

 

9.      Een eenmaal gedane aangifte kan niet meer worden ingetrokken en er zal in principe altijd vervolging worden ingesteld.  

 

10.  Indien de aangever/benadeelde niet meer achter de aangifte staat, dient dat door hem/haar schriftelijk en gemotiveerd kenbaar te worden gemaakt aan het OM. Dit kan geschieden door rechtstreekse toezending aan het OM, danwel door voeging in het proces-verbaal. 

 

11.  Indien een aangifte achterwege blijft, vindt overleg plaats met het Openbaar Ministerie over ambtshalve vervolging. De beslissing hangt af van de ernst en de stelselmatigheid van het geweld en de mate van afhankelijkheid die er is tussen slachtoffer en dader.

 

12.  Indien er geen aangifte is gedaan en ambtshalve vervolging is niet mogelijk, tracht de politie de dader en het slachtoffer zoveel mogelijk te motiveren voor vrijwillige hulpverlening.

 

13.  Alle (informatie m.b.t.) meldingen/incidenten van huiselijk geweld worden zorgvuldig gemuteerd. Zo nodig wordt een afspraak op persoon of locatie gemaakt.

Een mutatie bevat minimaal:

·         volledige omschrijving van de situatie

·         samenvatting relaas alle betrokkenen, eventuele aanwezigheid van kinderen

·         eventuele eerdere kontakten met hulpverlening of politie

·         door politie ondernomen actie

·         gemaakte afspraken

·         voorgestelde advies voor verwijzing

·         de door de politie geïnformeerde instanties

·         nazorg-activiteiten van de politie

 

14.  Alle processen-verbaal van huiselijk geweld worden schriftelijk gemeld bij het Openbaar Ministerie. Daarnaast worden:

·         slachtoffers doorverwezen naar Slachtofferhulp (conform standaardprocedure);

·         vrouwelijke slachtoffers doorverwezen naar Hera Vrouwenopvang (bij behoefte aan onderdak en/of zorg),

·         minderjarigen die als getuige of slachtoffer betrokken zijn, doorverwezen naar Bureau Jeugdzorg.

 

15.  In 6-uurszaken neemt de politie contact op met de parketsecretaris omtrent de vraag of een AU-dagvaarding en/of een leerstraftransactie dient te worden uitgereikt, danwel nader onderzoek gewenst is.

 

In het geval dat besloten wordt tot een sepot, blijft het dossier bij de politie en draagt de politie zorg voor registratie.

 

16.  In het geval van inverzekeringstelling overlegt de hulpofficier van justitie met de (piket-)officier van justitie over de vraag of de verdachte dient te worden voorgeleid of dat deze kan worden heengezonden.

 

17.  Zowel bij heenzending in 6-uurszaken, als in zaken waarin inverzekeringstelling is bevolen, verzoekt het OM aan de reclassering rapportage omtrent verdachte uit te brengen.  

 

18.  Termijn inzending proces-verbaal Huiselijk Geweld:

-          Indien sprake is van een AU-afdoening, zorgt de politie ervoor dat het proces-verbaal binnen 14 dagen na aanhouding van de verdachte aan het OM wordt toegezonden.

-          Indien geen sprake is van een AU-afdoening, zorgt de politie ervoor dat het proces-verbaal binnen 30 dagen na aanhouding van de verdachte aan het OM wordt toegezonden.

-          Indien sprake is van een voorgeleiding, zorgt de ploitie ervoor dat het proces-verbaal binnen 6 weken na voorgeleiding van de verdachte aan het OM wordt toegezonden.

 

 

19.  Alle processen-verbaal ter zake van huiselijk geweld worden als “Huiselijk geweld”-zaak gemerkt en als zodanig herkenbaar ingezonden naar het OM.

 

20.  De politie zorgt voor een kwalitatief goed dossier, indien relevant, voorzien van foto’s en medische verklaringen.

 

21.  De werkwijze van de Politie Gelderland-Midden is conform het opgestelde werkproces “opsporen verdachten geweld huiselijke kring” d.d. februari 2004.


 

        Openbaar Ministerie en Reclassering

 Werkafspraken strafrechtelijke aanpak huiselijk geweld

Arrondissement Arnhem

 

1.      De officier van justitie en/of parketsecretaris die door de politie wordt gebeld over een mogelijke huiselijk geweldzaak*, verifieert of er sprake is van huiselijk geweld zoals bedoeld in de Aanwijzing**.

 

2.      Indien de officier van justitie en/of secretaris, na beoordeling van het dossier op bewijsbaarheid en volledigheid, besluit tot vervolging wordt aan de Reclassering verzocht om te beoordelen of verdachte in aanmerking komt voor een daderhulpverleningstraject.

 

3.      De officier van justitie en/of secretaris beslist vervolgens over de afdoeningsmodaliteit.

      Er zijn drie modaliteiten:

·         Indien de verdachte door de Reclassering geschikt wordt bevonden voor een daderhulpverleningstraject zal de afdoening schriftelijk plaatsvinden door het aanbieden van een transactie-leerstraf  waarbij tevens een dagvaarding wordt  uitgereikt op het politiebureau voor een zitting binnen een termijn van drie maanden (het proces-verbaal wordt binnen 14 dagen ingezonden). Indien verdachte de leerstraf verricht zal deze dagvaarding worden ingetrokken.

·         Indien de verdachte door de Reclassering niet geschikt wordt bevonden voor een daderhulpverleningstraject zal een dagvaarding op het politiebureau worden uitgereikt voor een zitting binnen een termijn van drie maanden (het proces-verbaal wordt binnen 14 dagen ingezonden). Aan de Reclassering wordt verzocht een rapportage op te stellen vóór die zitting.

·         Het voorgeleiden van de verdachte bij de rechter-commissaris opdat verdachte in bewaring wordt gesteld. Aan de Reclassering wordt verzocht een rapportage op te stellen met een beschrijving van het eventuele hulpverleningsaanbod aan de verdachte en zo mogelijk tussentijds te rapporteren. Zowel de rechter-commissaris als de raadsman dienen ten tijde van de voorgeleiding te beschikken over een kopie van deze aanvraag.

 

4.      Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, beziet de officier van justitie – gelet op de ernst van de feiten – de mogelijkheid tot schorsing van de voorlopige hechtenis (met bijzondere voorwaarden) en voert daarover overleg met de Reclassering.

 

5.      De officier van justitie draagt er zorg voor dat alle betrokkenen (reclassering, slachtoffer en politie) onverwijld in kennis worden gesteld van een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis en de daarbij behorende voorwaarden.

 

6.      Na schorsing ziet de officier van justitie erop toe dat de zaak binnen zes maanden op zitting wordt aangebracht (de Processen-verbaal dienen binnen 6 weken te worden ingezonden).

 

7.      In die zaken waarin een dagvaarding is uitgereikt gaat de officier van justitie na of de (geringe) ernst van het feit en/of de inhoud van de reclasseringsrapportage aanleiding geven de zaak in te trekken en voorwaardelijk te seponeren met een proeftijd van één of twee jaar met bijzondere voorwaarden (bijvoorbeeld deelname aan een hulpverleningsvorm) binnen een te stellen termijn.

 

8.      Wanneer het slachtoffer geen aangifte wil doen, zal de officier van justitie overgaan tot ambtshalve vervolging indien sprake is van een bewijsbaar strafbaar feit, dat aan minimaal één van de volgende criteria voldoet.

-          de geestelijke en/of lichamelijke integriteit van het slachtoffer is/wordt ernstig bedreigd, gelet op de aard van het letsel en/of de frequentie van het geweld;

-          het slachtoffer bevindt zich evident in een afhankelijkheidspositie waardoor hij/zij zich niet kan – of meent te kunnen – onttrekken aan de invloedssfeer van verdachte (dit geldt altijd voor minderjarigen)

 

9.      Op zitting verwijst de officier van justitie naar dit protocol en hetgeen de reclassering omtrent de afdoening heeft geadviseerd. Indien de verdachte reeds is begonnen met een behandeling of bereid is daaraan mee te werken, wordt een – deels – voorwaardelijke straf geëist met een proeftijd van twee jaar met bijzondere voorwaarden (verdere deelname aan behandeling).  In huiselijk geweld zaken is het eisen van een geldboete ongewenst omdat een geldboete bij samenlevende partners tevens het slachtoffer treft. Wanneer is gebleken dat de verdachte niet in aanmerking komt voor daderhulpverlening is het vorderen van een zwaardere vrijheidsstraf geïndiceerd.

 

10.  Indien blijkt dat door de verdachte niet is voldaan aan de bijzondere voorwaarde(n) wordt de zaak onverwijld op zitting aangebracht voor de inhoudelijke behandeling ingeval van een voorwaardelijk sepot of op zitting aangebracht voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf.

 

11.  Het slachtoffer wordt door de officier van justitie op de hoogte gesteld van het verloop van de procedure.

 

*    Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het

     slachtoffer wordt gepleegd. Hieronder vallen lichamelijke en seksuele

     geweldpleging, belaging en bedreiging (al dan niet door middel van of gepaard

     gaand met beschadiging van goederen in en om het huis).

 

**  Dit betreffen de volgende zaken uit het Wetboek van Strafrecht:

1.      art. 300 mishandeling (inclusief verzwarende omstandigheden ex art. 304)

2.      art. 138 huisvredebreuk

3.      art. 350 beschadiging goederen

4.      art. 255 iemand tot wiens onderhoud verdachte is verplicht in hulpeloze toestand brengen of laten

5.      art. 284 dwang

6.      art. 287 jo 45 Sr poging doodslag

7.      art. 300 lid 2 Sr mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend

8.      art. 302 (jo 45) Sr (poging tot) zware mishandeling

9.      art. 303 zware mishandeling met voorbedachten rade

10.  art. 304 betrekking hebbend op 300 t/m 303 indien begaan jegens vader, moeder, echtgeno(o)t(e) of kind of door toediening van voor de gezondheid schadelijke stoffen

11.  art. 257 iemand tot wiens onderhoud verdachte verplicht is in hulpeloze toestand brengen of laten, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend

12.  art.282 wederrechtelijke vrijheidsberoving, al dan niet zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend

13.  art. 285 bedreiging

14.  art 285b belaging (klachtdelict)

15.  art.242 (jo 45) (poging tot) verkrachting (bij zedenzaken volgt altijd overleg met de zedenovj)

16.  art.243 gemeenschap met bewusteloze of onmachtige (bij zedenzaken volgt altijd overleg met de zedenovj)

17.  art.246 feitelijke aanranding der eerbaarheid (bij zedenzaken volgt altijd overleg met de zedenovj)

De onder 6 t/m 17 genoemde zaken betreffen de zware zaken uit het Wetboek van Strafrecht. Bij deze zaken is voorlopige hechtenis mogelijk, indien sprake is van ernstige bezwaren en er tevens gronden aanwezig zijn voor de in bewaringstelling.

 

 

 

Vanaf 1 januari 2007 gaat de *Wet Maatschappelijke Ondersteuning* in. Wat al direct opvalt is de financiële ondersteuning voor vrouwen opvang. Mannen opvang? Niet nodig zo meent deze discriminatoire wetgeving.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van;

Gelet op artikel 1, zesde lid, artikel 15, derde lid, artikel 19, tweede lid, artikel 20, eerste tot en met derde lid, en artikel 21, tweede lid, van de Wet maatschappelijke

ondersteuning en op de Kaderwet militaire pensioenen, de

Algemene Wet

Bijzondere Ziektekosten, de Tabakswet, de Wet op de

jeugdzorg, de

Wet tarieven gezondheidszorg, de Kwaliteitswet

zorginstellingen,

de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk

arbeidsongeschikte

werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening

oudere en

gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet op

de

omzetbelasting 1968, de Wet werk en bijstand, de Wet werk en inkomen

kunstenaars,

de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten,

de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet

arbeidsongeschiktheidsverzekering

zelfstandigen, Wet Invoering en

financiering

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet werk en

inkomen naar

arbeidsvermogen, de Ziektewet, de Wet inburgering

nieuwkomers,

de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Overgangswet

verzorgingshuizen;

De Raad van

State gehoord (advies van, nummer);

Gezien het

nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en

Sport van ;

Hebben

goedgevonden en verstaan:

Besluit van

houdende

regels met betrekking tot de

uitkeringen

ten behoeve van beleid op het

terrein van

openbare geestelijke

gezondheidszorg,

maatschappelijke

opvang,

vrouwenopvang en

verslavingsbeleid,

de

stimuleringsuitkeringen,

de eigen bijdrage

en de financiële

tegemoetkomingen op het

terrein van

maatschappelijke ondersteuning

en wijziging

van andere besluiten (Besluit

maatschappelijke

ondersteuning)

2

Hoofdstuk I

Definitiebepaling

Artikel 1

In dit besluit

en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de

Wet maatschappelijke ondersteuning;

b. project:

een activiteit op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning

met een

incidenteel karakter;

c. uitkering:

een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 20 van de wet;

d.

stimuleringsuitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 21

van

de wet;

e.

maatschappelijke opvang: maatschappelijk opvang, vrouwenopvang

daaronder niet

begrepen;

f. peiljaar:

het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin aan een

persoon

maatschappelijke ondersteuning is verleend.

Hoofdstuk II

Uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van

openbare

geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang,

vrouwenopvang

en verslavingsbeleid

Artikel 2.1

Aan de in de

bij dit besluit behorende bijlage, onder A, opgenomen

gemeenten,

wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het

terrein van de

openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke

opvang en

verslavingsbeleid.

Artikel 2.2

Aan de in de

bij dit besluit behorende bijlage, onder B, opgenomen

gemeenten,

wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het

terrein van

vrouwenopvang.

Artikel 2.3

Uitkeringen

aan gemeenten ten behoeve van door hun besturen te voeren

beleid op de

terreinen van openbare geestelijke gezondheidszorg,

maatschappelijke

opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid worden door

Onze Minister

toegekend met inachtneming van de artikelen 2.4 tot en met

2.10.

Artikel 2.4

1. Onze

Minister beslist voor 15 januari van het kalenderjaar omtrent de

verlening. De

beschikking bevat de wijze waarop het bedrag dat wordt

verleend, is

bepaald.

2. Op de

verleende uitkering wordt maandelijks een voorschot verleend van

één twaalfde

deel van de verleende uitkering.

3. De

artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van

overeenkomstige

toepassing.

Artikel 2.5

1. Bij de

verlening van een uitkering kan Onze Minister bepalen dat het

uitkeringsbedrag

door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de

ontwikkeling

van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de

arbeidsvoorwaarden.

3

2. Met het oog

op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de

verlening van

de uitkering tevens bepalen welk deel van het uitkeringsbedrag

in aanmerking

zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de

ontwikkeling

van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de

arbeidsvoorwaarden.

3. Indien een

uitkering met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan

de

bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

Artikel 2.6

1. Voor zover

na afloop van het kalenderjaar de uitkering niet is besteed aan

het doel van

de uitkering, kan het worden gereserveerd. De aldus

gereserveerde

bedragen kunnen uitsluitend worden besteed aan het doel

waarvoor de

uitkering werd verstrekt.

2. Het totaal

van de reservering, bedoeld in het eerste lid, gaat een

percentage van

30% van de verleende uitkering niet te boven.

Artikel 2.7

De bijlage bij

de jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin de

uitkeringsperiode

afloopt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in

artikel 58a

van het Besluit begroting en verantwoording provincies en

gemeenten.

Artikel 2.8

Het college

van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk

schriftelijk

mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van

belang kunnen

zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van een

uitkering.

Daarbij worden de relevante stukken overgelegd. Artikel 4:49

van de

Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.9

Voor zover uit

de jaarrekening en de daarbij gevoegde

accountantsverklaring

en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel

213, derde en

vierde lid, van de Gemeentewet, blijkt dat de uitkering niet,

niet geheel of

niet rechtmatig besteed is, kan met inachtneming van artikel

2.6 het

niet-bestede bedrag, onderscheidenlijk het onrechtmatige bedrag

of het bedrag

waarvan de rechtmatige besteding onzeker is,

teruggevorderd

worden.

Artikel 2.10

Onze Minister

geeft binnen zes maanden na ontvangst van de

verantwoordingsinformatie,

bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en

verantwoording

provincies en gemeenten, een beschikking tot vaststelling van

de uitkering.

Artikel 2.11

Onze Minister

kan, gelet op het belang dat dit hoofdstuk beoogt te

beschermen,

artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover

strikte

toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Hoofdstuk III

Stimuleringsuitkeringen

§ 1. Het

aanvragen van een stimuleringsuitkering

Artikel 3.1.1

4

1. De aanvraag

voor een stimuleringsuitkering, anders dan ten behoeve van

een project,

wordt uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van het

desbetreffende

kalenderjaar ingediend.

2. Bij de

aanvraag wordt aangegeven welke activiteiten met behulp van de

stimuleringsuitkering

zullen worden gesubsidieerd, welke doelen daarmee

worden

nagestreefd en welke kosten met de activiteiten zullen

zijn gemoeid.

3. Onze

Minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde

aanvraagtermijn.

Artikel 3.1.2

1. Onze

Minister kan voor projecten stimuleringsuitkeringen verlenen die zich

uitstrekken

over meer dan één kalenderjaar.

2. Een

aanvraag van een stimuleringsuitkering ten behoeve van een project

wordt

uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van de periode waarop deze

betrekking

heeft, ingediend. Artikel 3.1.1, tweede en derde lid, is van

overeenkomstige

toepassing.

§ 2. Het

verlenen van een stimuleringsuitkering en de bevoorschotting

Artikel 3.2.1

1. Onze

Minister geeft een beschikking op de aanvraag binnen dertien weken

na ontvangst

van de aanvraag. Met het oog op de onderlinge afweging van

aanvragen kan

bij ministeriële regeling worden bepaald dat op aanvragen

wordt beslist

op of na een of meer bepaalde data in een kalenderjaar.

2. Indien de

beslissing een verlening inhoudt, wordt het bedrag van de

stimuleringsuitkering

vermeld dan wel de wijze waarop dit wordt bepaald en

welk bedrag

ten hoogste zal worden verleend.

3. De

artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van

overeenkomstige

toepassing.

Artikel 3.2.2

1. Nadat een

aanvraag voor een stimuleringsuitkering is ingediend, kan Onze

Minister

voorschotten verlenen.

2. Bij

ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met

betrekking tot

de bevoorschotting.

3. Indien de

aanvraag te laat wordt ingediend en Onze Minister de aanvraag

desondanks in

behandeling neemt, kan hij het verlenen van voorschotten

evenredig

later doen plaatsvinden.

Artikel 3.2.3

1. Bij de

verlening van een stimuleringsuitkering kan Onze Minister bepalen

dat het

uitkeringsbedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de

ontwikkeling

van het prijspeil of de ontwikkeling in de

kosten van de

arbeidsvoorwaarden.

2. Met het oog

op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de

verlening van

de stimuleringsuitkering tevens bepalen welk deel van het

uitkeringsbedrag

in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in

verband met de

ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten

van de

arbeidsvoorwaarden.

3. Indien een

stimuleringsuitkering met toepassing van het eerste lid wordt

bijgesteld,

kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

5

§ 3. Aan de

verlening van een stimuleringsuitkering verbonden

verplichtingen

Artikel 3.3.1

Het college

van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk

schriftelijk

mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van

belang kunnen

zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of

vaststelling

van een stimuleringsuitkering. Daarbij worden de relevante

stukken

overgelegd. Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht is

van

overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.3.2

Binnen zes

maanden na afloop van het jaar waarin een stimuleringsuitkering

is verstrekt,

zendt het college van burgemeester en wethouders een schriftelijk

verslag aan

Onze Minister over de activiteiten waarvoor een

stimuleringsuitkering

is verstrekt.

Artikel 3.3.3

1. Het college

van burgemeester en wethouders verstrekt aan de door Onze

Minister

aangewezen ambtenaren of andere personen op diens verzoek alle

bescheiden en

inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van

hun taak. De

bescheiden worden op één adres getoond en de inlichtingen, op

verzoek,

schriftelijk verstrekt. Indien het college slechts kan voldoen aan deze

verplichting

door inbreuk te maken op het recht van enig persoon op

bescherming

van zijn persoonlijke levenssfeer, verstrekt het college de

verlangde

gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar

zijn.

2. Ook

anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de

door Onze

Minister aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te

stellen hun

taak op een juiste wijze te vervullen.

3. Het college

van burgemeester en wethouders werkt mee aan door of

namens Onze

Minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht Onze

Minister

inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het

beleid.

Artikel 3.3.4

Bij ministeriële

regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aan

de verlening

van bepaalde categorieën van stimuleringsuitkeringen te

verbinden

verplichtingen.

§ 4. De

vaststelling van een stimuleringsuitkering en betaling

Artikel 3.4.1

De bijlage bij

de jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin de

uitkeringsperiode

afloopt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in

artikel 58a

van het Besluit begroting en verantwoording provincies en

gemeenten.

Artikel 3.4.2

Voor zover uit

de jaarrekening en de daarbij gevoegde

accountantsverklaring

en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel

213, derde en

vierde lid, van de Gemeentewet, blijkt dat de

6

stimuleringsuitkering

niet, niet geheel of niet rechtmatig besteed is, kan het

niet-bestede

bedrag, onderscheidenlijk het onrechtmatige bedrag of het

bedrag waarvan

de rechtmatige besteding onzeker is, teruggevorderd

worden.

Artikel 3.4.3

Onze Minister

geeft binnen zes maanden na ontvangst van de

verantwoordingsinformatie,

bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en

verantwoording

provincies en gemeenten, een beschikking tot vaststelling van

de

stimuleringsuitkering.

§ 5. Overige

bepalingen

Artikel 3.5.1

1. Bij

ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de

wijze waarop

het bedrag van een stimuleringsuitkering wordt berekend.

2. Bij

ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien

van de

inrichting en de wijze van indiening van aanvragen, het activiteitenplan,

het

projectplan en het verslag.

Artikel 3.5.2

Artikel 2.11

is op dit hoofdstuk van toepassing.

Hoofdstuk IV

Eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen

Artikel 4.1

1. Indien de

gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid,

of artikel 19,

eerste lid, van de wet mag de in een kalenderjaar verschuldigde

eigen bijdrage

en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

waarvoor een financiële tegemoetkoming wordt verleend,

tezamen niet

meer bedragen dan:

a. voor de

ongehuwde persoon jonger dan 65 jaar € 16,40 per vier weken, met

dien verstande

dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 16 137 het

bedrag van €

16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het

verschil

tussen zijn inkomen en € 16 137;

b. voor de

ongehuwde persoon van 65 jaar of ouder € 16,40 per vier weken,

met dien

verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 14 162 het

bedrag van €

16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het

verschil

tussen zijn inkomen en € 14 162;

c. voor de

gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar

€ 23,40 per

vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke

inkomen meer

bedraagt dan € 20 810 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd

met een

dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke

inkomen en €

20 810;

d. voor de

gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn € 23,40 per vier

weken, met

dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer

bedraagt dan

€ 19 837 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd met een

dertiende deel

van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en

€ 19 837.

2. De

gemeenteraad kan voor alle groepen van personen, bedoeld in het

eerste lid,

het bedrag van € 16,40 en het bedrag van € 23,40 in gelijke mate

wijzigen, het

percentage van 15 in gelijke mate verlagen en de overige in het

eerste lid

genoemde bedragen in gelijke mate wijzigen.

7

3. Indien de

voorziening bestaat uit het verschaffen in eigendom van een

roerende zaak

dan wel een bouwkundige of woontechnische aanpassing van

een woning die

in eigendom is van de aanvrager, kan gedurende maximaal

vijfenzestig

perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening worden

gebracht dan

wel bij de vaststelling van de hoogte van de financiële

tegemoetkoming

gedurende maximaal die periode een met toepassing van de

daarvoor

geldende regels berekende bedrag in mindering worden gebracht.

Artikel 4.2

1. Het

inkomen, bedoeld in het artikel 4.1, tweede lid, bestaat uit het inkomen

over het

peiljaar van de ongehuwde persoon dan wel de gehuwden personen

tezamen, en

bedraagt:

a. indien met

betrekking tot het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of

wordt

vastgesteld: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet

inkomstenbelasting

2001, in het peiljaar;

b. in de

overige gevallen: het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet

op de

loonbelasting 1964, in het peiljaar.

2. Inkomen dat

in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van

belasting op

grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in

aanmerking

genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving

onderworpen.

3. In

afwijking van het eerste lid vindt op aanvraag van de persoon aan wie

maatschappelijke

ondersteuning is verleend een voorlopige vaststelling van

het

bijdrageplichtig inkomen plaats, indien redelijkerwijs te verwachten is dat

het inkomen in

het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het

inkomen,

bedoeld in het eerste lid.

4. Indien het

derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve

vaststelling

van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien

daarbij blijkt

dat het bijdrageplichtig inkomen minder dan € 1816 lager is

geweest dan

het inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve

vaststelling

plaats overeenkomstig het eerste lid.

Artikel 4.3

Voor de

toepassing van de artikelen 4.1 en 4.2 wordt een wijziging in de

burgerlijke

staat van de ongehuwde persoon of gehuwde personen en het

bereiken van

een van belang zijnde leeftijd van een van deze personen in

aanmerking

genomen met ingang van de datum waarop die wijziging

plaatsvindt.

Artikel 4.4

De eigen

bijdrage wordt niet opgelegd voor zover:

a. binnen twee

jaar na aanvang van de maatschappelijke ondersteuning voor

de te betalen

eigen bijdrage geen beschikking dan wel voorlopige beschikking

tot

vaststelling van deze bijdrage is verzonden;

b. binnen een

jaar nadat de aanbieder van de maatschappelijke ondersteuning

de naam, het

adres en de woonplaats alsmede de omvang van de

maatschappelijke

ondersteuning heeft aangeleverd bij de op grond van artikel

16 van de wet

aangewezen rechtspersoon, deze rechtspersoon de naam, het

adres en de

woonplaats niet heeft teruggevonden in de gemeentelijke

basisadministratie.

Artikel 4.5

8

1. Bij

ministeriële regeling worden de bedragen van € 16,40 en € 23,40,

genoemd in

artikel 4.1, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor

de

gezinsconsumptie.

2. De

berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud

van € 0,2.

3. Bij de

jaarlijkse toepassing van het eerste lid wordt de afronding, bedoeld in

het tweede

lid, buiten beschouwing gelaten.

4. In

afwijking van het eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in

artikel 4.1,

jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de

ontwikkelingen

van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid,

onderdeel a,

van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het

tweede en het

derde lid zijn niet van toepassing.

Hoofdstuk V

Wijziging van andere besluiten

Artikel 5.1

Het Besluit

aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 wordt als

volgt

gewijzigd:

A. Artikel 1,

onderdeel k, komt te luiden:

k. Wmo: Wet

maatschappelijke ondersteuning;

B. In artikel

2, onderdeel k, wordt “van de WVG” vervangen door: van de

Wmo.

C. Artikel 3,

eerste lid, onderdeel b, onder 11, komt te luiden:

11. de Wmo;

D. In artikel

4 wordt “van de WVG” vervangen door: van de Wmo.

Artikel 5.2

In artikel 21

van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en

invaliditeitsvoorzieningen

militairen wordt “Wet voorzieningen gehandicapten”

vervangen

door: Wet maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 5.3

In artikel 21

van het Besluit bijzondere militaire pensioenen wordt “Wet

voorzieningen

gehandicapten” vervangen door: Wet maatschappelijke

ondersteuning.

Artikel 5.4

Artikel 21 van

het Reïntegratiebesluit vervalt.

Artikel 5.5

In artikel 3,

tweede lid, onderdeel c, van het Besluit beperking verkoop en

gebruik

tabaksproducten wordt “het welzijnsbeleid die zijn vermeld in artikel 2

van de

Welzijnswet 1994” vervangen door: maatschappelijke ondersteuning

als bedoeld in

artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke

ondersteuning.

Artikel 5.6

9

Het Besluit

gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK wordt

als volgt

gewijzigd:

A. In het

eerste lid van artikel 1 vervalt “, de Wet voorzieningen

gehandicapten”.

B. In artikel

3 vervalt “, Wvg”.

Artikel 5.7

Het

Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 3,

derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder

verlettering van onderdeel c in b vervalt onderdeel b.

2. In

onderdeel b vervalt “of onderdeel b”.

B. In artikel

7, eerste lid, onderdeel d, vervalt “op grond van de Welzijnswet

1994 of”.

Artikel 5.8

Het

Bijdragebesluit zorg wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel

4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Op de

bijdrage worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke

ondersteuning

verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke

ondersteuning

en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

die bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming

ingevolge die

wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.

B. Aan artikel

14 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Op de

bijdrage worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke

ondersteuning

verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke

ondersteuning

en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

die bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming

ingevolge die

wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.

C. Het

opschrift van § 2 van hoofdstuk III komt te luiden:

§ 2.

Bijdragen voor persoonlijke verzorging en verpleging, indien er geen

sprake is van

verblijf.

D. Artikel 16d

wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede

lid, komt te luiden:

2. De

bijdrage, bedoeld in het tweede lid, bedraagt per kalenderjaar niet meer

dan:

a. voor de

ongehuwde verzekerde jonger dan 65 jaar € 16,40 per vier weken,

met dien

verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 16 137 het

bedrag van €

16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het

verschil

tussen zijn inkomen en € 16 137;

b. voor de

ongehuwde verzekerde van 65 jaar of ouder € 16,40 per vier

weken, met

dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 14

162 het bedrag

van € 16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15%

van het

verschil tussen zijn inkomen en € 14 162;

10

c. voor de

gehuwde verzekerden indien een van beiden jonger is dan 65 jaar €

23,40 per vier

weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke

inkomen meer

bedraagt dan € 20 810 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd

met een

dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke

inkomen en €

20 810;

d. voor de

gehuwde verzekerde die beiden 65 jaar of ouder zijn € 23, 40 per

vier weken,

met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer

bedraagt dan

€ 19 837 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd met een

dertiende deel

van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en

€ 19 837.

3. Onder

vernummering van het derde lid tot vierde lid, wordt een lid

ingevoegd,

luidende:

3. Op de

bijdrage worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke

ondersteuning

verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke

ondersteuning

en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

die bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming

ingevolge die

wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.

E. In artikel

16e, derde lid, vervalt: , dan wel indien het inkomen in het lopende

jaar algemene

bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand betreft.

F. Artikel 19

wordt gewijzigd als volgt:

1. In het

eerste lid wordt na 16d ingevoegd: , voor zover het betreft de

bedragen van

€ 16,40 en € 23,40,.

2. Er wordt

een lid toegevoegd, luidende:

4. In

afwijking van het eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in

artikel 16d,

jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de

ontwikkelingen

van het minimumloon, bedoeld in artikel 1, eerste lid,

onderdeel h.

Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing.

Artikel 5.9

Bijlage B,

onder b, onderdeel 15, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting

1968 komt als

volgt te luiden:

15.

a.

instellingen die werkzaam zijn op het terrein van op preventie gerichte

ondersteuning

van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders

met problemen

met opvoeden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,

onderdeel 2,

van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zover

werkzaam op

het gebied van het jeugd- en jongerenwerk;

b.

instellingen op het terrein van het bevorderen sociale samenhang in en

leefbaarheid

van dorpen, wijken en buurten als bedoeld in artikel 1, eerste lid,

onder b,

onderdeel 1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zover

werkzaam op

het gebied van het club- en buurthuiswerk.

Artikel 5.10

Het Besluit

brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid wordt als volgt

gewijzigd:

A. Artikel 13

van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en

veiligheid

wordt als volgt gewijzigd:

1. In het

eerste lid wordt “10a, vierde lid, van de Welzijnswet 1994” vervangen

door: 17,

vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

11

2. Het tweede

lid vervalt.

3. Het derde

en vierde lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

B. Artikel 30

vervalt.

Artikel 5.11

Artikel 11,

eerste lid, onderdeel a, van het Besluit WWB komt te luiden:

a. de

gemeenten opgenomen in de bijlage onder A van het Besluit

maatschappelijke

ondersteuning,

en.

Artikel 5.12

Het Besluit

zorgaanspraken AWBZ wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel

2, eerste lid, vervalt onderdeel a en worden de onderdelen b tot en

met o

verletterd tot a tot en met n.

B. Artikel 3

vervalt.

Artikel 5.13

In artikel 2

van het Zorgindicatiebesluit wordt “3” vervangen door: 4.

Artikel 5.14

In artikel 2

van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering

wordt “3 tot

en met 12” vervangen door: 4 tot en met 12.

Artikel 5.15

In artikel 9

van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg vervalt

“huishoudelijke

verzorging,”.

Artikel 5.16

Aan artikel 1

van het koninklijk besluit van 11 december 1996, houdende

uitvoering van

artikel 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen en

wijziging van

enige besluiten op grond van de Ziekenfondswet en de

Algemene Wet

Bijzondere Ziektekosten (Stb. 639) worden, onder vervanging

van de punt

aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, twee

onderdelen

toegevoegd, luidende:

e. openbare

geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid,

onder e, van

de Wet maatschappelijke ondersteuning;

f.

huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van

de

Wet

maatschappelijke ondersteuning.

Hoofdstuk VI

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1

1. Tot 1

januari 2008 is de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is

verleend geen

eigen bijdrage ingevolge de wet verschuldigd, indien deze

persoon of

zijn echtgenoot een bijdrage als bedoeld in artikel 4 of artikel 14

van het

Bijdragebesluit zorg verschuldigd is.

2. Tot 1

januari 2008 blijft op een financiële tegemoetkoming als bedoeld in

artikel 19 van

de wet geen eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

voor rekening van de persoon aan wie een zodanige

12

tegemoetkoming

is verleend, indien deze persoon of zijn echtgenoot een

bijdrage als

bedoeld in artikel 4 of artikel 14 van het Bijdragebesluit zorg

verschuldigd

is.

Artikel 6.2

1. De Regeling

experimenten Wmo en de Tijdelijke stimuleringsregeling lokale

opvoedondersteuning

en gezinsondersteuning worden geacht te zijn

vastgesteld op

grond van artikel 21 van de wet en vervallen met ingang van 1

januari 2008.

2. De

artikelen 3.1.1 en 3.1.2 zijn op de in het eerste lid genoemde regelingen

niet van

toepassing.

Artikel 6.3

Dit besluit

treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Artikel 6.4

Dit besluit

wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning.

Lasten en

bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van

toelichting in

het Staatsblad zal worden geplaatst.

De

Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en

Sport,

13

Bijlage bij

het Besluit maatschappelijke ondersteuning

A. Gemeenten

waaraan een uitkering openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke

opvang

en

verslavingsbeleid wordt verstrekt

Almere

Apeldoorn

Assen

Bergen op Zoom

Delft

Den Helder

Doetinchem

Ede

Gouda

Hilversum

Hoorn

Oss

Purmerend

Spijkenisse

Vlaardingen

Vlissingen

B. Gemeenten

waaraan een uitkering vrouwenopvang wordt verstrekt

Almere

Apeldoorn

Delft

Den Helder

Ede

Gouda

Hilversum

Spijkenisse

Vlaardingen

Vlissingen

14

Nota van

toelichting

1. Algemeen

1.1. Inleiding

Dit besluit

stelt nadere regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning

(Wmo).

De opbouw van

dit besluit is als volgt. In hoofdstuk 1 zijn de definitiebepalingen

opgenomen. Hoofdstuk

2 regelt de

uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke

gezondheidszorg,

maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en ambulante verslavingszorg.

Hoofdstuk 3

bevat bepalingen ten aanzien van de stimuleringsuitkeringen aan gemeenten.

In hoofdstuk

4 zijn de

bepalingen ten aanzien van eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen

neergelegd.

Hoofdstuk 5

regelt de wijziging van verschillende andere besluiten waarin naar de

Welzijnswet 1994 en

de Wet

voorzieningen gehandicapten( Wvg) wordt verwezen.

Hoofdstuk 6

bevat twee slotbepalingen.

Hier alvast de

opmerking dat de Wmo de Welzijnswet 1994 en de Wvg intrekt en dat daardoor

de

volgende

besluiten vervallen. Door het intrekken van de Welzijnswet 1994 vervallen

het

Bekostigingsbesluit

welzijnsbeleid, het Besluit afwijking verantwoordelijkheidstoedeling

welzijnsbeleid,

het Besluit

specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en

verslavingsbeleid en het

Tijdelijk

besluit kwaliteitsregels kinderopvang.

Door het

intrekken van de Wvg vervallen het Besluit rijksvergoeding

Wvg-woonvoorzieningen en het

Besluit

bijdrage AWBZ-gemeenten.

1.2 Openbare

geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwen opvang en

verslavingsbeleid

Op grond van

artikel 20 Wmo kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

specifieke

uitkeringen

verstrekken ten behoeve van gemeentelijk beleid op de terreinen van de

openbare

geestelijke

gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en

verslavingsbeleid.

Gemeenten die

een uitkering ontvangen worden daarmee door de Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en

Sport financieel gestimuleerd en gefaciliteerd bij de uitoefening van een

bij de Wmo

opgedragen

taak. In vergelijking met de Welzijnswet 1994 blijft het stelsel van

specifieke uitkeringen

ongewijzigd.

Het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en

verslavingsbeleid

is daarom in zijn geheel opgenomen in hoofdstuk II van onderhavig besluit en

uitgebreid met

de openbare geestelijke gezondheidszorg. Daarbij is rekening gehouden met

het feit dat

27

centrumgemeenten de middelen voor deze prestatievelden sinds 2005 krijgen

uit de Brede

doeluitkering

sociaal, integratie en veiligheid.

De middelen

voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ) zullen aan de specifieke

uitkering

maatschappelijke

opvang en het verslavingsbeleid worden toegevoegd. Deze middelen zijn

bestemd

voor de

toeleiding tot zorg, te weten het signaleren, opsporen, contact leggen en

contacthouden, het

toeleiden zelf

én de ongevraagde nazorg. De verdeelsystematiek wordt nog uitgewerkt.

Hoofdstuk II

van het onderhavige besluit regelt op basis van artikel 20 van de Wmo aan

welke

gemeenten de

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uitkeringen verstrekt.

Tevens stelt

dit besluit de regels vast ten aanzien van het bedrag van de uitkering dan

wel de wijze

waarop dit

bedrag wordt bepaald, de vaststelling van de uitkering, de intrekking of

wijziging van de

beschikking

tot verlening en vaststelling van de uitkering en de betaling, de

terugvordering van de

uitkering

evenals het verlenen van voorschotten op de uitkering.

1.3

Stimuleringsuitkeringen

15

Op grond van

artikel 21 van de Wmo kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

aan

gemeenten een

uitkering verstrekken ten behoeve van de stimulering van de maatschappelijke

ondersteuning.

Overeenkomstig het kabinetsstandpunt “Anders gestuurd, beter bestuurd”

naar

aanleiding van

de bevindingen en aanbevelingen van de Stuurgroep Brinkman (Kamerstukken II

2004/05, 29

800 B, nr. 16) wordt getracht nieuwe specifieke uitkeringen te voorkomen.

Slechts waar het

erom gaat de

totstandkoming van nieuwe voorzieningen te bevorderen of een nieuwe

samenhang

tussen

voorzieningen tot stand te brengen, zal naar dit middel worden gegrepen,

waarbij te allen tijde

het

beoordelingskader voor de specifieke uitkeringen zal worden gehanteerd.

Daarbij zal strikt de hand

worden

gehouden aan de voorwaarde dat een specifi eke uitkering wordt gehanteerd

wanneer er een

nationaal

politiek belang aan het doel wordt gehecht en er (nog) weinig vertrouwen is

dat de

medeoverheden

dit doel tot stand kunnen brengen.

De bepalingen

uit het onderhavige besluit komen zoveel mogelijk ove reen met die uit het

Besluit

volksgezondheidssubsidies

(Hoofdstuk VI. Uitkeringen aan provincies en gemeenten). De

desbetreffende

bepalingen uit het Besluit volksgezondheidssubsidies sloten overigens aan

bij die uit het

(inmiddels

vervallen) Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid.

Opgemerkt

dient te worden dat de bepalingen uit het Bekostigingsbesluit

volksgezondheidssubsidies

momenteel

worden geëvalueerd. Deze evaluatie zal er hoogstwaarschijnlijk toe leiden

dat de

uitvoeringsregels

voor subsidies en specifieke uitkeringen niet meer bij algemene maatregel

van bestuur

en ministeriële

regeling zullen worden gesteld, maar alleen nog maar bij ministeriële

regeling. Naar

verwachting

zullen de bepalingen omtrent specifieke uitkeringen inhoudelijk nagenoeg

ongewijzigd

blijven. De

wijzigingen zullen met name betrekking hebben op de bepalingen omtrent

subsidies.

Het is gewenst

de gemeenten in beginsel zoveel mogelijk vrijheid te geven ten aanzien van

de wijze

waarop zij de

betrokken activiteiten wensen uit te voeren. Dit uitgangspunt is de basis

voor de regeling

in hoofdstuk

III van het onderhavige besluit.

1.4 Eigen

bijdrage en financiële tegemoetkoming

In mijn brief

van 26 november 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 29 538, nr. 7) heb ik aan de

Tweede

Kamer kenbaar

gemaakt hoe met de invoering van de Wmo aan de eigen bijdrageregeling op

grond van

de Wmo en de

AWBZ vorm gegeven zal worden.

Bij de

behandeling van het wetvoorstel Wmo in de Tweede Kamer is een amendement van

het lid Van

Miltenburg c.s

aanvaard waardoor in artikel 4 van het wetsvoorstel een compensatiebeginsel

voor

gemeenten is

ingevoerd (Kamerstukken II 30 131, 2005/06, nr. 65). Dit compensatiebeginsel

geeft aan

college van

burgemeester en wethouders de opdracht om aan personen met bepaalde

beperkingen

voorzieningen

te verstrekken die deze personen in staat stellen een huishouden te voeren,

zich te

verplaatsen in

en om de woning alsmede medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale

verbanden aan

te gaan. Tevens is met het amendement geregeld dat het college van

burgemeester en

wethouders bij

het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken, de

behoefte en de

capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te

voorzien.

Dit betekent

dat als de aanvrager in staat is de voorziening zelf te regelen én de

financiële middelen

heeft deze

zelf te betalen, hij niet in aanmerking komt voor verstrekking van de

voorziening, of het geld

daarvoor, op

grond van de Wmo. Het is aan het college van burgemeester en wethouders zelf

om te

bepalen

wanneer het compensatiebeginsel tot deze uitkomst leidt. De Wmo geeft geen

bevoegdheid om

daarover

regels op te stellen.

De eerste

vraag is dus of de aanvrager in staat is zelf in de voorziening te voorzien.

Is dat niet het geval

en wordt de

voorziening toegewezen, dan komt pas het vraagstuk van de eigen bijdrage aan

de orde.

Ook dan kan

het, zoals ik in de brief van 26 november 2004 heb aangegeven, zijn dat de

aanvrager de

volledige

kostprijs zelf moet betalen. Gezien het compensatiebeginsel valt daarbij te

denken aan een

persoon die

wel de financiële middelen heeft, maar niet in staat is om de voorziening

zelf te regelen.

16

De

gemeenteraad is vrij om wel of niet in een verordening te bepalen of de

aanvrager voor de

voorziening

een eigen bijdrage moet betalen dan wel voor een persoonsgebonden budget of

een

financiële

tegemoetkoming te regelen dat een deel van de kosten voor rekening van de

aanvrager

komen. Ook is

de gemeenteraad vrij in de inrichting van het eigenbetalingssysteem. Aan de

vrijheid van

de

gemeenteraad met betrekking tot de inrichting van het eigenbijdragesysteem

Wmo zijn door de

wetgever twee

beperkingen gesteld. In de eerste plaats is in dit besluit geregeld welk

inkomensafhankelijke

maximum geldt en hoe dat berekend wordt. De gemeenteraad mag wel een

lagere

bijdrage opleggen, maar geen hogere. Daardoor heeft de gemeenteraad

voldoende armslag om

een eigen

bijdragebeleid te voeren, zonder dat sprake is van het voeren van

inkomensbeleid door de

gemeenteraad

in die zin dat er meer opgelegd wordt dan het bij wettelijk voorschrift

geregelde

maximum. Dat

is dus niet toegestaan.

In de tweede

plaats wijst de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van

artikel 16 van

de Wmo de

rechtspersoon aan die de eigen bijdrage vaststelt en int.

Zoals in de

memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wmo is aangegeven, acht de

regering het

gewenst om de

extramurale eigen bijdrageregeling AWBZ en de regeling voor de Wmo goed op

elkaar

te laten

aansluiten om een mogelijke stapeling van eigen bijdragen voor individuen te

beperken. Met de

extramurale

eigenbijdragen AWBZ worden bedoeld de eigen bijdragen die op grond van de

AWBZ zijn

verschuldigd

voor persoonlijke verzorging en verpleging, zonder dat er sprake is van

verblijf in een

AWBZ-instelling.

Er is voor

gekozen om de grenzen voor de eigenbijdrage Wmo te enten op grenzen van de

eigenbijdrage

die geldt voor de extramurale AWBZ. Behalve regels met betrekking tot de

eigen bijdrage

in het kader

van de Wmo, wijzigt het onderhavige besluit daarom ook de extramurale eigen

bijdrage

AWBZ.

De begrenzing

aan de stapeling is geregeld door het anticumulatiebeding zoals dat onder de

Wvg gold,

ook voor de

Wmo te regelen. Anders dan bij de Wvg gaat de Wmo-bijdrage thans voor op de

AWBZ. Dit

betekent dat

burgers die voor een bepaalde Wmo-voorziening reeds een eigen bijdrage

betalen, maar

daarvoor het

maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ slechts een eigen bijdrage

betalen tot

dat voor hen

geldende maximum. Dit geldt ook voor de eigen bijdrage die in mindering

wordt gebracht

op het

persoonsgebonden budget op grond van de AWBZ.

In de AWBZ is

een anticumulatie voor de eigen bijdrage voor extramurale zorg met de zorg

ingeval er

sprake is van

zorg met verblijf in een AWBZ-instelling. Een samenloop kan vooral aan de

orde zijn

indien een van

de partners verblijft in een AWBZ-instelling en de ander thuis AWBZ-zorg

ontvangt.

Hoewel de Wvg

een anticumulatie ingeval van verblijf in een AWBZ-instelling niet kende, is

een

dergelijke

anticumulatie met dit besluit ook geregeld voor de Wmo. Dat lag alleen al

voor de hand omdat

de

huishoudelijke verzorging per 1 januari 2007 is overgegaan naar de Wmo. Ook

hiervoor is geregeld

dat de Wmo

voorgaat.

Tot de

inwerkingtreding van dit besluit gold voor de extramurale eigen bijdragen

voor alleenstaanden

hetzelfde

maximum als voor meerpersoonshuishoudens. Huishoudens op het sociaal minimum

waren

procentueel

veel meer van hun huishoudinkomen kwijt aan eigen bijdragen dan een

alleenstaande op

sociaal

inkomen. Dit wordt nu gecorrigeerd door de bijdrage voor de

meerpersoonshuishoudens op het

relevant

sociaal minimum te verzachten. Deze verzachting geldt derhalve ook voor de

Wmo-bijdrage.

Omdat gekozen

is het percentage dat van het huishouden maximaal aan eigen bijdrage voor

extramurale

AWBZ-zorg gevraagd mag worden voor alle groepen op sociaal minimum gelijk te

laten

zijn, is

tevens een onderscheid gemaakt tussen mensen die 65 jaar en ouder zijn en

mensen die jonger

dan 65 jaar

zijn. Als gevolg hiervan zijn er vier groepen onderscheiden. De systematiek

is afgeleid van

de Regeling

inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG, waarin bepaald

was dat de

draagkracht

die in aanmerking genomen kon worden, toenam indien het inkomen ten minste

1,5 maal

het voor de

betreffende persoon geldende sociaal minimum bedroeg.

Tot nu toe was

het bedrag dat maximaal aan eigen bijdrage moest worden betaald gemaximeerd

tot een

bepaald

nominaal bedrag per vier weken. Dit bedrag bedroeg in 2006 € 544,20. Dit

maximum is komen

17

te vervallen.

Daarmee is op dit punt eveneens aangesloten bij de eigen bijdrageregeling op

grond van

de Wvg, die

een dergelijk maximum ook niet kende.

De

vaststelling en de inning van de extramurale eigen bijdragen AWBZ wordt

gedaan door het Centraal

Administratie

Kantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK). Het CAK heeft derhalve ervaring en

deskundigheid

ten aanzien

van het berekenen, vaststellen en innen van eigen bijdragen. De regering

heeft daarom

besloten het

CAK deze taak ook voor de eigen bijdragen Wmo te geven (Kamerstukken II

2005/05,

30 313, nr.

36). Het CAK is dan ook de rechtspersoon die hiervoor op grond van artikel

16 van de Wmo

wordt

aangewezen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat artikel 16 geen betrekking

op de financiële

tegemoetkomingen.

1.5

Administratieve lasten

Gemeenten

hebben een grote mate van vrijheid bij de uitvoering van de wmo. Dit geldt

onder andere

voor de eigen

bijdrage die kan worden gevraagd van inwoners aan wie maatschappelijke

ondersteuning

wordt

verleend. Gemeenten zijn bevoegd zelf te bepalen of er een eigen bijdrage

wordt gevraagd. Met

deze amvb

wordt het maximum van de eigen bijdrage geregeld dat per vier weken van de

burger

gevraagd mag

worden voor de Wmo-voorzieningen en AWBZ-zorg tezamen. Tevens wordt

aangegeven

welk

inkomensbegrip wordt gehanteerd bij het vaststellen van deze eigen bijdrage.

In de derde

nota van wijziging is reeds geregeld dat de vaststelling en inning van de

eigen bijdrage wmo

zal worden

verzorgd door een door onze Minister aan te wijzen rechtspersoon. De

regering heeft

besloten dat

dit het CAK zal zijn. Het CAK verzorgt op dit moment ook al de

vaststellingen en inning van

de

verschuldigde eigen bijdrage voor de AWBZ.

Doordat het in

deze amvb gedefinieerde inkomensbegrip gelijk is gesteld aan het inkomen dat

geldt

voor de

extramurale bijdrage AWBZ, wordt het mogelijk dat de eigen bijdrage voor

zowel AWBZ als

Wmo

gelijktijdig door het CAK wordt vastgesteld en geïnd.

Hiermee is

gekozen voor het minst belastende alternatief voor de burger. De burger die

gebruik maakt

van

voorzieningen uit de AWBZ, Wmo of een combinatie van beide regelingen

ontvangt in alle gevallen

nog slechts

één rekening voor de inning van de (gezamenlijke) eigen bijdrage. Ten

opzichte van de

huidige

situatie betekent dit een reductie van de administratieve lasten. Uit

onderzoek is gebleken dat

eind 2004 ca

360.000 mensen gebruik maakten van voorzieningen uit zowel de WVG als de

AWBZ.

Voor de inning

van de eigen bijdrage heeft deze groep momenteel dan ook te maken met twee

instanties,

gemeente en CAK. Door het CAK ook de inning van de eigen bijdrage uit hoofde

van de wmo

te laten

verzorgen wordt het aantal facturerende instanties voor deze groep terug

gebracht van 2 naar 1.

Alhoewel op

dit moment dus duidelijk is dat het centraal innen van de eigen bijdrage Wmo

en AWBZ

een reductie

van de administratieve lasten voor de burger oplevert, kan nog niet exact

worden becijferd

hoe groot de

totale reductie is. Hiervoor is het ook nodig te weten hoeveel van de

360.000 awbz en wvg

gebruikers

daadwerkelijk een eigen bijdrage voor de WVG betalen. Dit getal is op dit

moment niet

bekend

aangezien gemeenten vrij zijn in het al dan niet opleggen van een eigen

bijdrage. Bij de

kwantificering

van de lasten die de Wmo met zich mee brengt zal nader onderzoek rond dit

onderwerp

worden

uitgevoerd.

De keuze die

in deze amvb wordt gemaakt voor het belastbaar inkomen in combinatie met

centrale

vaststelling

en inning door het CAK heeft nog meer positieve gevolgen voor de

administratieve lasten

burgers. De

circa 800.000 mensen die een beroep zullen gaan doen op de Wmo worden

hiermee

ontheven van

de lasten die samenhangen met het achterhalen van de eigen inkomensgegevens

en

mogelijke

betalingen die al eerder zijn gedaan voor hetzij Wmo, hetzij AWBZ. Gemeenten

en CAK

kunnen deze

gegevens voortaan direct achterhalen via de belastingdienst. Ook de

lastenvermindering

die dit

oplevert zal bij uiteindelijke kwantificering nader worden onderzocht.

18

De Wmo zal in

de loop van dit jaar preciezer worden gekwantificeerd, als meer duidelijk is

over hoe

gemeenten

uitvoering gaan geven aan de wet. Hierbij zullen tevens de ervaringen met de

uitgevoerde

pilots worden

betrokken.

2.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk I

Definitiebepaling

Artikel 1

Is de

definitiebepaling en bevat definities van wet, project, uitkering,

stimuleringsuitkering,

maatschappelijke

opvang, en peiljaar.

Hoofdstuk II

Uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke

gezondheidszorg,

maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid

Artikel 2.1 en

2.2

Het aantal

gemeenten, opgenomen in bijlage A en bijlage B is in vergelijking met het

Besluit specifieke

uitkeringen

maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid niet gewijzigd.

In het kader

van het Grotestedenbeleid (GSB) ontvangen op basis van het Besluit brede

doeluitkering

sociaal,

integratie en veiligheid 27 van de 43 centrumgemeenten middelen ten behoeve

van activiteiten

op het terrein

van de openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en

verslavingsbeleid

en 25 van de 35 centrumgemeenten middelen ten behoeve van activiteiten op

het

terrein van

vrouwenopvang. In bijlage A en bijlage B zijn de centrumgemeenten opgenomen

die niet

onder het GSB

vallen.

Artikel 2.6

Om de

beleidsvrijheid van gemeenten bij de besteding van middelen ook in de tijd

gezien te vergroten is

een bijzondere

voorziening getroffen. Het wordt een gemeente mogelijk gemaakt een bepaald

deel van

de uitkering

te reserveren voor latere jaren. Daarmee worden gemeenten in staat gesteld

om, binnen

zekere

grenzen, ook flexibiliteit in de tijd te realiseren. Hiermee wordt de

doelmatige inzet van

overheidsmiddelen

bevorderd. Gemeenten hoeven immers aan het eind van het jaar niet op

geforceerde

wijze tot besteding van gelden over te gaan.

Omdat het

uiteraard niet de bedoeling is dat er jaarlijks grote sommen geld gespaard

worden, is in het

tweede lid van

dit artikel vastgelegd dat het totaal van de gereserveerde gelden niet

groter mag zijn dan

dertig procent

van de over het verslagjaar verleende uitkering. Er is afgezien van een

beperking in de

tijdsduur van

de spaarmogelijkheid, omdat met de limitering zoals die in vormgegeven in

het tweede lid

voorkomen kan

worden dat een gemeente onverhoopt te veel gelden in kas zou houden.

Artikel 2.7

Voor wat

betreft de door de gemeente in de bijlage bij de jaarrekening te geven

verantwoordingsinformatie

wordt verwezen naar artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording

provincies en

gemeenten (BBV). Artikel 58a is aan het BBV toegevoegd ter uitvoering van

het op 1 april

2005

vastgestelde kabinetsstandpunt over het rapport “Anders gestuurd, beter

bestuurd: De specifieke

uitkeringen

doorgelicht” van de stuurgroep Brinkman (Kamerstukken II 2004/05, 29800 B,

nr. 16).

Het gaat om

door de gemeente te verstrekken informatie die noodzakelijk is voor het

afleggen van

verantwoording

over het beheer van de uitkering en over het behalen van de

hoofddoelstellingen. Met

betrekking tot

het beheer van de uitkering is nog van belang hetgeen is bepaald in artikel

2.9.

Artikel 2.8

Dit is de

gebruikelijke bepaling waarbij de gemeente wordt verplicht de minister

schriftelijk mededeling

te doen van

omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging

of intrekking

19

van een

uitkering. In het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 4:49 van

de Algemene wet

bestuursrecht

wordt onder meer bepaald in welke gevallen de minister de uitkering kan

intrekken of ten

nadele van de

gemeente kan wijzigen.

Artikel 2.9

De uitkering

is bestemd voor een specifiek doel. Gelet op dit karakter van de uitkering

ligt het in de rede

dat, wanneer

uit de jaarrekening en de daarbij gevoegde accountantsverklaring en het

verslag van

bevindingen,

bedoeld in artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, blijkt dat

een uitkering

niet (geheel)

is besteed voor het doel waarvoor de uitkering was bestemd of niet

rechtmatig is besteed,

het

niet-bestede bedrag, onderscheidenlijk het onrechtmatige bedrag of het

bedrag waarvan de

rechtmatige

besteding onzeker is, teruggevorderd kan worden.

Artikel 2.10

Een

beschikking tot vaststelling van de uitkering wordt door de minister gegeven

binnen zes maanden

na ontvangst

van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het BBV.

Artikel 2.11

Het opnemen

van een anti-hardheidsclausule opent de mogelijkheid voor de Minister van

Volksgezondheid,

Welzijn en Sport om, in gevallen waarin toepassing van dit hoofdstuk -

gegeven de

doelstelling

en de strekking daarvan - een onbillijkheid van overwegende aard zou

opleveren, een artikel

van het

besluit buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Dit artikel komt

overeen met artikel 44

van het

Besluit volksgezondheidsubsidies en artikel 57 van het Bekostigingsbesluit

welzijnsbeleid.

Hoofdstuk III

Stimuleringsuitkeringen

§ 1. Het

aanvragen van een stimuleringsuitkering

Artikel 3.1

e.v.

Zoals in het

algemeen deel van de toelichting reeds is uiteengezet, heeft hoofdstuk III

betrekking op

stimuleringsuitkeringen

aan gemeenten. Het gaat hier om specifieke uitkeringen.

Het is gewenst

de gemeenten in beginsel zoveel mogelijk vrijheid te geven ten aanzien van

de wijze

waarop zij de

betrokken activiteiten wensen uit te voeren. Dit uitgangspunt is de basis

voor de regeling

in hoofdstuk

III van het onderhavige besluit.

Artikelen

3.1.1 en 3.1.2

Met deze

bepalingen wordt aangegeven waaraan een aanvraag voor een uitkering dient te

voldoen. Het

gaat hier om

voor specifieke uitkeringen gebruikelijke bepalingen. Zie de artikelen 33 en

34 van het

Besluit

volksgezondheidssubsidies.

§ 2. Het

verlenen van een stimuleringsuitkering en de bevoorschotting

Artikelen

3.2.1 tot en met 3.2.3

Deze

bepalingen betreffen het verlenen van een uitkering en de bevoorschotting en

komen overeen met

de artikelen

35 tot en met 37 van het Besluit volksgezondheidssubsidies.

Artikel 3.2.1

geeft regels onder andere over de termijn waarbinnen de Minister van VWS op

een

aanvraag voor

een uitkering dient te beslissen. Artikel 3.2.2 betreft het verlenen van

voorschotten door

de minister.

Artikel 3.2.3 maakt het mogelijk dat bij de verlening van een uitkering de

Minister van VWS

bepaalt dat

het uitkeringsbedrag kan worden bijgesteld, rekening houdend met de

ontwikkeling van het

prijspeil of

de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

§ 3. Aan de

verlening van een stimuleringsuitkering verbonden verplichtingen

20

Artikelen

3.3.1 tot en met 4.3.3

Deze

bepalingen hebben betrekking op de aan de verlening van een uitkering

verbonden verplichtingen

en komen

overeen met de artikelen 38 tot en met 40a van het Besluit

volksgezondheidssubsidies.

Artikel 3.3.1

bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk

de Minister

van VWS

schriftelijk op de hoogte stelt van omstandigheden die van belang kunnen

zijn voor een

beslissing tot

wijziging, intrekking of vaststelling van een uitkering en daarbij de

relevante stukken

overlegt.

Artikel 3.3.2

bevat regels over een door het college van burgemeester en wethouders aan de

minister te

zenden

schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor een uitkering is

verstrekt.

Artikel 3.3.3

bepaalt onder meer dat het college van burgemeester en wethouders aan door

de Minister

van VWS

aangewezen ambtenaren of andere personen op diens verzoek bescheiden en

inlichtingen

verstrekt die

noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. Voorts bevat

artikel 3.3.3

bepalingen

over het medewerken aan door of namens de Minister van VWS ingestelde

onderzoekingen

en over het

ook anderszins zoveel mogelijk medewerking verlenen aan de minister.

Artikel 3.3.4

maakt het mogelijk bij ministeriële regeling nadere regels te stellen

omtrent de aan de

verlening van

bepaalde categorieën van uitkeringen te verbinden verplichtingen.

§ 4. De

vaststelling van een stimuleringsuitkering en betaling

Artikelen

3.4.1 tot en met 3.4.3

Deze artikelen

en de artikelen 2.7 tot en met 2.10 zijn gelijkluidend. Voor de toelichting

wordt dan ook

verwezen naar

de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 2.7 tot en met 2.10.

§ 5. Overige

bepalingen

Artikelen

3.5.1 en 3.5.2

Overeenkomstig

hetgeen bepaald is in het Besluit volksgezondheidssubsidies (artikel 5

respectievelijk

artikel 43) is

in artikel 3.5.1 de mogelijkheid opgenomen dat bij ministeriële regeling

regels kunnen

worden gesteld

met betrekking tot de wijze waarop het bedrag van een uitkering wordt

berekend en

nadere regels

kunnen worden gesteld ten aanzien van de inrichting en de wijze van

indiening van

aanvragen, het

activiteitenplan, het projectplan en het verslag.

In artikel

3.5.2 wordt verwezen naar artikel 2.11 waarin een hardheidsclausule staat

opgenomen. Ook

voor de

toelichting wordt verwezen naar die van artikel 2.11.

Hoofdstuk IV

Eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen

Artikel 4.1

Artikel 15,

eerste lid, van de Wmo geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij

verordening te

bepalen dat

een persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend een eigen

bijdrage is

verschuldigd.

Ingevolge het tweede lid van artikel 15 van de Wmo kan de eigen bijdrage

inkomensafhankelijk

zijn. Artikel 19, eerste lid, van de Wmo regelt dat de hoogte van de financiële

tegemoetkoming

inkomensafhankelijk kan zijn. In artikel 15, derde lid, respectievelijk

artikel 19, derde

lid, van de

Wmo is geregeld dat bij of krachtens amvb regels kunnen worden gesteld met

betrekking tot

deze eigen

bijdrage respectievelijk de financiële tegemoetkoming.

Zoals in het

algemene deel van de toelichting is aangegeven, is de gemeenteraad vrij om

wel of niet

voor een

eigenbijdragesysteem te kiezen en om dat zelf vorm te geven. Met deze amvb

is slechts het

maximum

geregeld dat per vier weken van de burger gevraagd mag worden aan eigen

betalingen voor

de

Wmo-voorzieningen en AWBZ-zorg tezamen. Omdat de anticumulatie zowel de

eigen bijdrage als

21

het eigen

aandeel bij een financiële tegemoetkoming betreft, is er voor gekozen om de

anticumulatie net

als in de

Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG geregeld

was, in één

bepaling te

regelen.

Het eerste lid

van artikel 4.1 van het onderhavige besluit regelt wat de gemeenteraad

maximaal aan

eigen

betalingen voor de Wmo-voorzieningen per vier weken mag vragen of door het

CAK mag laten

opleggen. Het

tweede lid van artikel 4.2 regelt hoe de gemeenteraad dat maximum mag

verlagen.

In artikel

4.1, eerste lid, zijn vier groepen te onderscheiden, namelijk de groep

ongehuwd 65-, de groep

ongehuwd van

65 jaar en ouder, de groep gehuwd 65- en de groep gehuwd van 65 en ouder. De

in dit

lid opgenomen

inkomensgrenzen, beogen de eigen bijdrage mede afhankelijk te maken van het

voor de

betreffende

groepen geldende sociale minimum. De hoogte ervan komt overeen met 120% van

het

verzamelinkomen

op het sociaal minimum. Deze systematiek is afgeleid van de Regeling inzake

financiële

tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG, waarin bepaald was dat de

draagkracht die in

aanmerking

genomen kon worden, toenam indien het inkomen ten minste 1,5 maal het voor

de

betreffende

persoon geldende sociaal minimum bedroeg.

De aldus

geregelde maximale bijdrage kent derhalve de volgende variabelen:

a. de maximale

eigen bijdrage die minima moeten betalen (minimaal maximum, vorm: vast

bedrag);

b. de omvang

van het inkomensafhankelijk deel van de eigen bijdrage (vorm: percentage

marginale

druk);

c. het

startpunt van waar af de eigen bijdrage toeneemt met het inkomen (vorm: vast

bedrag of een

percentage van

het relevante sociaal minimum).

De gemeenten

zijn vrij om de maximaal verschuldigde eigen betaling beneden de in het

eerste lid

geregelde

maxima vast te stellen. Het is niet wenselijk dat gemeenten personen met

hogere inkomens

geheel of

gedeeltelijk van een dergelijke vermindering uitsluiten, omdat zodoende de

marginale druk die

voortvloeit

uit de regeling toeneemt. Daarom regelt het tweede lid dat de gemeenteraad

de in het eerste

lid genoemde

bedragen alleen in gelijke mate mag wijzigen. Dit betekent dat het

percentage van 15 wel

lager mag

worden vastgesteld, maar niet hoger worden. Datzelfde geldt voor het bedrag

van € 16,40,

respectievelijk

€ 23,40. Genoemde inkomensbedragen mogen zowel hoger als lager worden

vastgesteld.

De verlaging onderscheidenlijk wijziging mag alleen voor alle in het eerste

lid bedoelde

groepen van

personen in gelijke mate geschieden. Met andere woorden per groep geldt dat

er gekozen

mag worden

voor één lager percentage en één lager bedrag dan € 16,40,

respectievelijk € 23,40. Ook

voor genoemde

inkomensbedragen kan in de verordening telkens één afwijkend bedrag

vastgesteld

worden.

De in deze

bepaling genoemde bedragen zijn de bedragen 2006. Deze zullen nog per 1

januari 2007 bij

ministeriële

regeling aangepast worden.

In het derde

lid is geregeld dat voor bepaalde individuele voorzieningen gedurende

maximaal vijf jaar

een eigen

bijdrage in rekening kan worden gebracht dan wel op de hoogte van de financiële

tegemoetkoming

gedurende maximaal die periode een met toepassing van de daarvoor geldende

regels

berekende

bedrag in mindering worden gebracht. Hiermee is wat betreft de eigen

bijdrage afgeweken

van de

regeling op grond van de Wvg. In artikel 5, eerste lid, van de Regeling

inzake financiële

tegemoetkomingen

en eigen bijdrage WVG was immers geregeld dat de eigen bijdrage slechts was

verschuldigd

over het kalenderjaar waarin de voorziening werd toegekend.

Artikel 4.2

In het eerste

en tweede lid is geregeld welk inkomen relevant is voor de maximale bijdrage

die een

ongehuwde

persoon of gehuwde personen gezamenlijk in een kalenderjaar verschuldigd

zijn. Het gaat

om hetzelfde

inkomensbegrip als geldt voor de extramurale bijdrage AWBZ. Ook gaat het om

het

inkomen over

het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de maatschappelijke

ondersteuning,

het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming daarvoor, is

verleend.

22

Ook de

uitzondering van het derde lid komt overeen met de regeling daarvoor op

grond van de AWBZ.

Hetzelfde

geldt voor de defintieve vaststelling indien het derde lid is toegepast. De

regeling hiervan is

gelijk aan

artikel 16e, vierde lid, van het Bijdragebesluit zorg.

Artikel 4.3

Dit artikel

komt overeen met artikel 2, derde lid, van het Bijdragebesluit zorg.

Artikel 4.4

Dit artikel

komt overeen met artikel 16a, vierde lid, van het Bijdragebesluit zorg.

Artikel 16a is met het

koninklijk

besluit van 20 september 2005 tot wijziging van het Bijdragebesluit zorg

houdende invoering

van een

termijn waarbinnen de beschikking tot vaststelling van de eigen voor zorg

zonder verblijf wordt

genomen,

alsmede enkele technische wijzigingen (Stb. 471) in het Bijdragebesluit zorg

opgenomen. De

reden voor

invoering van artikel 16 was dat het CAK de eigen bijdrage niet kon opleggen

omdat de

verzekerde

niet in de gemeentelijke basis administratie (GBA) te vinden was of omdat er

nog een

gerechtelijke

procedure liep tegen de hoogte van de vaststelling van het verzamelinkomen.

Dezelfde

uitzondering

die voor de desbetreffende eigen bijdrage AWBZ geldt, is met artikel 4.4 ook

voor de eigen

bijdrage WMO

die door het CAK wordt vastgesteld en geïnd, geregeld. Deze bepaling heeft

geen

betrekking op

de door de gemeente vastgestelde financiële tegemoetkoming. Het is de

gemeente die de

hoogte daarvan

vaststelt, rekeninghoudend met het aandeel in de kosten die voor rekening

van de

aanvrager van

de maatschappelijke ondersteuning kunnen blijven. Indien betrokkene niet in

het GBA te

vinden is, kan

een financiële tegemoetkoming niet worden vastgesteld. Dat geldt ook indien

er nog

discussie is

over zijn verzamelinkomen. Een regeling als die van artikel 4.4 is bij de

financiële

tegemoetkoming

dan ook zinloos.

Omdat het CAK

de eigen bijdragen voor de Wmo en de AWBZ vaststelt en de gemeente de hoogte

van

de financiële

tegemoetkomingen, zullen het CAK en de gemeente goede afspraken moeten maken

over

de uitvoering

van de anticumulatie indien aan een persoon of zijn echtgenoot zowel een

financiële

tegemoetkoming

als een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget is verleend.

Artikel 4.5

Het

indexatiecijfer en de wijze van indexering zoals geregeld in het eerste tot

en met het derde lid is

gelijk aan de

regeling daarvoor op grond van de AWBZ (artikel 19, eerste tot en met het

derde lid, van

het

Bijdragebesluit zorg).

Voor de

overige in artikel 4.1 genoemde bedragen geldt dat deze worden aanpast aan

de hand van de

ontwikkelingen

van het minimumloon. Daarom is in het vierde lid een afwijkende regeling

getroffen. De

aanpassing aan

de hand van de ontwikkelingen van het minimumloon betekent niet een naadloze

aansluiting

aan de ontwikkelingen van het minimumloon, maar ook gevolgen met betrekking

sociale

premies, zoals

de premie voor de Zorgverzekeringswet kunnen van invloed zijn.

Hoofdstuk V

Wijziging van andere besluiten

Artikelen 5.1

tot en met 5.7

De Wmo trekt

de Welzijnswet 1994 en de Wvg in. Besluiten waarin verwezen wordt naar de

Welzijnswet

1994 of de Wvg

dienen te worden gewijzigd.

In sommige

gevallen kan worden volstaan met het wijzigen van Wvg in Wmo (artikelen 5.1

tot en met

5.3). In

andere gevallen komt door het intrekken van de Wvg de desbetreffende

bepaling te vervallen

(artikelen

5.4). In artikel 3 va n het Besluit beperking verkoop en gebruik

tabaksproducten wordt de

verwijzing

naar de Welzijnswet 1994 vervangen door een overeenkomstige verwijzing naar

de Wmo

(artikel 5.5).

In het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK

vervalt in de

artikelen 1 en

3 de verwijzing naar de Wvg (artikel 5.6). In het Bekostigingsbesluit

inburgering

nieuwkomers

vervalt de verwijzing in de artikelen 3 en 7 naar de Welzijnswet 1994

(artikel 5.7).

23

Artikel 5.8

A en B. Zoals

in het algemene deel van de toelichting is aangegeven, is met dit besluit,

anders dan bij

de Wvg het

geval was, ook een anticumulatie tussen de Wmo-bijdrage en de bijdrage

ingeval er sprake

is van

verblijf in een AWBZ-instelling geregeld. Omdat de Wmo-bijdrage voorgaat op

de AWBZ-bijdrage

is geregeld

dat de Wmo-bijdrage in mindering moet worden gebracht op de eigen bijdrage

die de

verzekerde of

zijn partner verschuldigd is bij verblijf in een AWBZ-instelling.

C. Het

opschrift van paragraaf 2 van hoofdstuk III was al niet meer actueel. Van

het voornemen om

eigen

bijdragen voor ondersteunende en activerende begeleiding te gaan heffen, is

al enige tijd geleden

afgezien. Met

ingang van 1 januari 2007 is, wat betreft de AWBZ, ook de eigen bijdrage

voor

huishoudelijke

verzorging vervallen.

D. Het tweede

lid van artikel 16d is aangepast aan artikel 4.1, tweede lid, van het

Besluit

maatschappelijke

ondersteuning.

In een nieuw

derde lid is de anticumulatie met de eigen bijdrage Wmo geregeld. Deze moet

in mindering

worden

gebracht op de extramurale bijdrage die de verzekerde voor de AWBZ

verschuldigd is.

E. De

uitzondering dat uitgegaan wordt van het actuele inkomen indien het inkomen

algemene bijstand

ingevolge de

Wet werk en bijstand betreft, is met de wijziging van artikel 16d, tweede

lid, van het

Bijdragebesluit

zorg achterhaald. Met die gewijzigde bepaling is de eigen bijdrage tot 120%

van het

(voor

betrokkene geldende) sociaal minimum inkomensonafhankelijk. Pas vanaf die

inkomensgrens

wordt het

nominale bedrag (€ 16,40 voor alleenstaanden, € 23,40 voor gehuwden)

verhoogd met 15%

van het

meerinkomen. Iemand die op het sociaal minimum zit, heeft er dus niets aan

als heel precies

gekeken wordt

wat zijn actuele inkomen is, want dat leidt toch niet tot een lagere eigen

bijdrage. De

verwijzing

naar de Wet werk en bijstand is daarom komen te vervallen.

F. Voor de in

artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg geregelde inkomensgrenzen geldt

niet dat die

geïndexeerd

worden aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. Deze worden

aangepast

aan de hand

van de ontwikkelingen van het minimumloon. Ook hier geldt, dat dat niet

betekent een

naadloze

aansluiting aan de ontwikkelingen van het minimumloon, maar ook gevolgen met

betrekking

sociale

premies, zoals de premie voor de Zorgverzekeringswet kunnen van invloed

zijn.

Artikel 5.9

Deze bepaling

regelt dat de huidige BTW -vrijstelling gehandhaafd blijft voor genoemde

instellingen op

het gebied van

jeugd en jongerenwerk en club- en buurthuiswerk.

Artikel 5.10

In verband met

de verwijzing naar de Welzijnswet 1994 dient artikel 13 van het Besluit

brede

doeluitkering

sociaal, integratie en veiligheid te worden gewijzigd.

Artikel 30 van

het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid bevat een

wijziging van

bijlagen van

het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en

verslavingsbeleid,

welk laatste besluit echter door het intrekken van de Welzijnswet 1994 komt

te

vervallen. De

inhoud van dit laatste besluit is opgenomen in het onderhavige Besluit Wmo.

De

desbetreffende

bijlagen zijn opnieuw vastgesteld. In verband hiermede kan artikel 30 komen

te

vervallen.

Artikel 5.12

tot en met 5.16

Deze besluiten

zijn aangepast omdat de huishoudelijke verzorging zoals die in artikel 3 van

het Besluit

zorgaanspraken

AWBZ is omschreven ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Wmo niet meer

onder de

aanspraken op

grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten valt. Het aldus aanpassen

van het

Besluit

zorgaanspraken AWBZ is in de toelichting op artikel 38 aangekondigd.

24

Hoofdstuk VI

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1

Zoals hiervoor

is aangegeven, geldt anders dan tot nu toe bij de Wvg gold, dat de

Wmo-bijdrage

voorgaat op de

AWBZ-bijdrage.

Dit betekent

bij de eigen bijdrage die verschuldigd is ingeval er sprake is bij verblijf

in een AWBZinstelling,

het bedrag dat

voor de Wmo-bijdrage verschuldigd is dan wel bij een Wmo-financiële

tegemoetkoming

in mindering wordt gebracht op die tegemoetkoming op de bijdrage voor

AWBZ-verblijf

in mindering

moet worden gebracht. Met ingang van 1 januari 2008 is dat geen probleem

omdat vanaf

die datum het

CAK ook deze AWBZ-bijdrage vaststelt en int. Tot die datum doen zorgkantoren

dat nog.

Om noch de

zorgkantoren, noch de burgers daarmee te belasten, is ervoor gekozen de

huidige wijze

van

anticumulatie een jaar te handhaven. Daartoe strekt deze overgangsbepaling.

Artikel 6.2

De Regeling

experimenten Wmo en de Tijdelijke stimuleringsregeling lokale

opvoedondersteuning en

gezinsondersteuning

zijn vastgesteld op grond van artikel 10 van de Welzijnswet 1994 en zouden

met

de

inwerkingtreding van de Wmo komen te vervallen, hetgeen niet de bedoeling

is. Met artikel 6.2

worden beide

regelingen geacht te zijn vastgesteld op grond van artikel 21 van de wet en

gelden tot 1

januari 2008.

Artikel 6.3

Dit artikel

bepaalt dat dit besluit in werking treedt met ingang van 1 januari 2007. Dit

is ook de datum

van

inwerkingtreding van de Wmo.

Artikel 6.4

Met deze

bepaling wordt de citeertitel van het onderhavige besluit vastgesteld,

namelijk Besluit

maatschappelijke

ondersteuning.

De

Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en

Sport,

drs. Clémence

Ross-van Dorp

 

 

 

 

 

Handreiking aanpak huiselijk geweld 55 vragen over de rol van de gemeente

Een veilige leefomgeving is een groot goed en bepalend voor het welzijn van de mens. Het is echter ook een onderdeel van de samenleving waar veel Nederlanders zich zorgen om maken. Het onderwerp veiligheid wordt vaak (nog) geassocieerd met (zichtbaar) geweld in het openbaar, zoals zinloos geweld, agressieve supporters, roofovervallen of geweld in het uitgaanscircuit. De laatste jaren staat geweld in de huiselijke leefomgeving ook volop in de belangstelling. Deze veelvoorkomende vorm van geweld is daarmee uit de taboesfeer gehaald. Zeker nu cijfers hebben aangetoond dat de omvang van huiselijk geweld verontrustend hoog is en grote maatschappelijke gevolgen heeft. De onzichtbaarheid van huiselijk geweld en de complexiteit van deze vorm van geweld vragen om een integrale aanpak en een duidelijke regisseursrol. Verschillende gemeenten, al dan niet in regioverband, hebben inmiddels initiatieven ontwikkeld om huiselijk geweld aan te pakken. Er zijn verschillende voorbeelden van een succesvolle aanpak. Deze handreiking helpt gemeenten te komen tot een aanpak huiselijk geweld. Veel aandacht gaat daarbij uit naar het vormgeven van de regierol en de samenwerking tussen betrokken partners. De gemeenten staan voor de uitdaging om beleid te ontwikkelen dat wordt gedragen door de partners en dat aansluit bij de wensen en behoeften van de burgers. Enkele voorbeelden illustreren (delen van) een mogelijke aanpak. Ook komen een overzicht van financieringsmogelijkheden en het opzetten van een advies- en steunpunt aan bod. Bij de totstandkoming van deze handreiking zijn verschillende gemeenten betrokken. Zij hebben meegelezen en de tekst van commentaar voorzien, waarvoor veel dank. Onze dank gaat eveneens uit naar het ministerie van Justitie dat heeft zorg gedragen voor de financiering.
Deze publicatie is een vervolg op de brochure Aanpak huiselijk gewelddie in november 2003 is uitgekomen. Beide publicaties maken deel uit van het ondersteuningsprogramma huiselijk geweld van de VNG. Dit programma ondersteunt gemeenten bij de ontwikkeling en implementatie van beleid inzake huiselijk geweld. Wij hopen dat deze handreiking bijdraagt aan de totstandkoming van een effectieve aanpak huiselijk geweld en wensen u in dit proces veel succes toe. Den Haag mr. R.J.J.M. Pans, Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Huiselijk geweld staat hoog op de politieke agenda. Dit is ook niet verwonderlijk, aangezien het de meest voorkomende vorm van geweld is. Doordat huiselijk geweld zich achter de voordeur afspeelt, is het voor bestuurders, beleidsambtenaren en hulpverleners moeilijk hier grip op te krijgen. De effecten van huiselijk geweld zijn echter niet onzichtbaar. Schoolartsen, politiefunctionarissen of hulpverleners in de vrouwenopvang hebben er allemaal in meer of mindere mate mee te maken. In de nota Privé-geweld – publieke zaak (2002) geeft het kabinet aan dat het bestrijden van huiselijk geweld een grondige aanpak vereist. Voor gemeenten is hierin een belangrijke taak weggelegd. De gemeente kan partijen bij elkaar brengen, verbanden leggen en aansturen. Zij kan een integrale aanpak stimuleren en afspraken tot stand brengen. Om gemeenten te helpen bij het ontwikkelen van een (regionale) aanpak verzorgt de VNG een ondersteuningsprogramma dat doorloopt tot en met 2006. Een belangrijk onderdeel van dit programma vormen de gemeentekringen. Deze kringen zijn bedoeld voor beleidsambtenaren veiligheid of volksgezondheid/welzijn die kennis kunnen delen en ervaringen kunnen uitwisselen. In 2004 zijn er vier kringen gestart, die gedurende dit jaar vijf bijeenkomsten hebben gehad. In de kringbijeenkomsten zijn veel vragen naar voren gebracht over de invulling van de regierol door de gemeente in de aanpak huiselijk geweld. Omdat bij veel gemeenten vergelijkbare vragen leven, hebben we besloten deze handreiking te schrijven in de vorm van vraag en antwoord. De discussies in de kringbijeenkomsten en de successen en obstakels die door de deelnemers naar voren zijn gebracht, hebben dan ook een belangrijke input geleverd voor deze publicatie.
De vragen en de concepttekst zijn aan een tiental gemeenten voorgelegd. Zij hebben, waar nodig, aanvullingen gegeven en de tekst van bruikbaar commentaar voorzien. Correcties en aanvullingen zijn opgenomen in de definitieve tekst. Sommige vragen in deze handreiking kunnen duidelijk beantwoord worden; het antwoord op andere vragen is minder eenduidig. Ook zullen niet alle vragen voor alle gemeenten van toepassing zijn, omdat niet iedere gemeente een aanpak ontwikkelt die bestaat uit alle onderdelen die in deze handreiking naar voren komen. Het doel van deze handreiking is dan ook niet om een beste aanpak voor alle gemeenten te presenteren. De lokale en regionale situatie vraagt immers om een (geheel) eigen aanpak. De handreiking geeft vooral handvatten voor de invulling van de regierol. Praktijkvoorbeelden illustreren de verschillende mogelijkheden. De publicatie is in eerste instantie geschreven voor gemeenteambtenaren, beleidsambtenaren welzijn, zorg of veiligheid. Voor bestuurders en gemeenteraadsleden kan het echter ook een goede informatiebron zijn.
De vragen zijn ingedeeld naar de volgende categorieën:
• algemeen kader;
• de rol van de gemeente;
• de keuze en betrokkenheid van relevante partners;
• samenwerken;
• financiering;
• advies- en steunpunten huiselijk geweld.
Wij hebben bij het beantwoorden van de vragen dankbaar gebruikgemaakt
van beleidsdocumenten van gemeenten of provincies en
van landelijke publicaties. Een lijst van geraadpleegde bronnen, links
naar websites en organisaties en een afkortingenlijst zijn opgenomen
in de bijlagen.
12 HUISELIJK GEWELD
1 Algemeen kader
1 Wat is huiselijk geweld?
De definitie van huiselijk geweld luidt als volgt:1
‘Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring
van het slachtoffer is gepleegd. Geweld is de aantasting van de persoonlijke
integriteit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geestelijk
en lichamelijk geweld (waaronder seksueel geweld). De huiselijke
kring bestaat uit (ex-)partners, gezins- of familieleden en huisvrienden.’
Het begrip 'huiselijk' wijst dus op de relatie tussen dader en slachtoffer
en niet zozeer op de plek waar het gebeurt (het eigen huis).
Bij huiselijk geweld gaat het om ernstig, aanhoudend en regelmatig
terugkerend geweld.
Huiselijk geweld kan de volgende kenmerken hebben:
• er is sprake van lichamelijk letsel;
• het heeft een langere periode geduurd, meestal langer dan één
jaar;
• het komt maandelijks, wekelijks of dagelijks voor;
• het heeft noemenswaardige gevolgen zoals eetproblemen, eetstoornissen
of een echtscheiding.
Het is belangrijk onderscheid te maken tussen het meemaken van
huiselijk geweld en het ondergaan van het geweld (slachtoffer).
Sommige mensen (vooral kinderen) maken huiselijk geweld mee als
getuige, maar ondervinden dit niet aan den lijve. De psychische
gevolgen voor deze groep kunnen echter groot zijn. Anderen zijn
zowel getuige (als kind) als slachtoffer.
ALGEMEEN KADER 13
1 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening, T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
2 Hoe vaak, bij wie en wanneer komt het voor?
De cijfers over huiselijk geweld zijn schrikbarend. Bijna de helft van
alle Nederlanders heeft ooit te maken gehad met huiselijk geweld en
een aanzienlijk deel ervaart zelfs dagelijks de gevolgen. Voor veel
slachtoffers heeft huiselijk geweld ingrijpende gevolgen.
De belangrijkste cijfers op een rij:2
• 45% van de Nederlandse bevolking heeft ooit te maken gehad met
aanhoudend geweld.
• Bij 11% van de Nederlanders leidt huiselijk geweld tot lichamelijk
letsel.
• 30% van de Nederlanders ervaart grote gevolgen van huiselijk
geweld, zoals een scheiding, angstgevoelens, neerslachtigheid, eetproblemen
of problemen met relaties en/of intimiteit.
• Bij 21% van de Nederlanders heeft huiselijk geweld langer dan vijf
jaar geduurd.
• 27% van de Nederlanders is slachtoffer of getuige van huiselijk
geweld waarbij de voorvallen wekelijks of dagelijks voorkomen.
• Geestelijke, lichamelijke en seksuele vormen van huiselijk geweld
komen vaak samen voor.
• Vrouwen worden vaker slachtoffer van geweld met een zeer hoge
intensiteit (hoge frequentie, lange duur, lichamelijk letsel en andere
gevolgen) dan mannen.
• Huiselijk geweld komt in alle lagen van de bevolking en binnen
alle culturele groeperingen voor.
• Huiselijk geweld vindt zowel in grote steden als op het platteland
plaats.
3 Welke vormen zijn er?
Huiselijk geweld kent verschillende vormen, zoals geestelijk geweld
(waaronder bedreiging en stalking, lichamelijk geweld, seksueel
geweld, financiële uitbuiting of verwaarlozing.
De gemeente Rotterdam heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de
aard, omvang en achtergronden van huiselijk geweld.3 Een van de
belangrijkste bevindingen van dit onderzoek is dat huiselijk geweld
14 HUISELIJK GEWELD
2 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening, T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
3 De vele gezichten van huiselijk geweld. Aard, omvang en achtergronden.
B.W.M.A. Beke & M. Bottenberg, Rotterdam, 2003.
zich afspeelt volgens drie karakteristieke geweldsscenario’s. Deze
worden bepaald op basis van het profiel van de dader en het slachtoffer,
op basis van de aanleiding en het verloop van het geweldsincident
en op basis van kenmerkende geweldspatronen.
Het eerste scenario is extreem huiselijk geweld. Er is sprake van
excessief, aanhoudend en onvoorspelbaar geweld. Een aanleiding
ontbreekt. De plegers zijn meestal ‘goede bekenden’ van de politie,
onder hen vinden we ook daders van geweld op straat.
Het tweede scenario is cyclisch huiselijk geweld. De geweldsexplosies
worden afgewisseld met periodes van ‘het weer goed maken’.
Vaak is er sprake van (obsessieve) jaloezie. Als daders al een strafblad
hebben, dan betreft het voornamelijk lichtere misdrijven.
Het derde scenario is plotseling huiselijk geweld. Hier zien we een
korte, hevige geweldsexplosie die ontstaat door een combinatie van
spanningen en gevoelens van machteloosheid en frustratie. Deze
daders hebben zelden een strafblad.
4 Wat zijn de aanleidingen?
De oorzaken van huiselijk geweld zijn niet eenduidig weer te geven.
Individuele, relationele en maatschappelijke factoren zijn van
invloed op de aard en omvang van het geweld. Uit onderzoek blijkt
dat kinderen die uit een gewelddadig gezin komen een verhoogde
kans hebben om zelf geweld te plegen.
Aanleidingen voor huiselijk geweld:4
• eigen aan het karakter van de dader;
• conflicten binnen het gezin;
• alcohol of drugs;
• psychische problemen;
• hij of zij dacht dat het normaal was.
In veel gevallen is er geen concrete aanleiding voor een geweldsuitbarsting
en kan een klein voorval uitmonden in geweld. Veel daders
kunnen dan ook geen reden voor hun geweldsuitbarsting noemen.
ALGEMEEN KADER 15
4 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening, T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
5 Wat zijn de individuele en maatschappelijke gevolgen?
De gevolgen van huiselijk geweld bij kinderen en volwassenen zijn
niet alleen merkbaar ten tijde van het geweld, maar ook daarna.
Slachtoffers van huiselijk geweld voelen zich aanmerkelijk vaker
onveilig dan niet-slachtoffers. Ook hebben zij vaker gezondheidsklachten,
meer last van gevoelens van minderwaardigheid en hebben
zij minder sociale contacten dan niet-slachtoffers.
Gevolgen van huiselijk geweld voor volwassenen:5
• ruim een kwart van de slachtoffers van huiselijk geweld heeft minder
zelfvertrouwen als gevolg van het geweld;
• een op de vijf slachtoffers heeft last van angstgevoelens gekregen;
• een op de tien slachtoffers heeft problemen gekregen met intimiteit
en/of seksualiteit;
• 11% van de slachtoffers van huiselijk geweld is gescheiden van de
dader.
De maatschappelijke kosten van huiselijk geweld zijn hoog. Uit een
onderzoek uit 19976 blijkt dat ernstig fysiek geweld van mannen
tegen hun vrouwelijke (ex-)partner de samenleving naar schatting
ruim € 350 miljoen per jaar kost. Dit zijn de totale kosten voor politie
en justitie, medische zorg, psychosociale zorg, arbeid (ziekteverzuim)
en sociale zekerheid (bijstand en huursubsidie) voorzover die
direct voortvloeien uit huiselijk geweld.
Kostenposten Kosten
Sociale zekerheid en ziekteverzuim € 75,3 miljoen
Politie en justitie € 33 miljoen
Opvang (Blijf-van-mijn-lijf- en andere opvanghuizen) € 27,2 miljoen
Psychosociale begeleiding € 8,3 miljoen
Medische zorg € 7 miljoen
6 Wie zijn de slachtoffers?
Uit onderzoek blijkt dat zowel mannen als vrouwen ongeveer in
gelijke mate te maken hebben (gehad) met geweld in de huiselijke
kring. Het geweld tegen vrouwen is echter doorgaans ernstiger en
16 HUISELIJK GEWELD
5 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening. T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
6 Economische kosten van thuisgeweld tegen vrouwen. D. Korf e.a.
Stichting Economisch Onderzoek Amsterdam, 1997.
vaker seksueel van aard dan het geweld tegen mannen. Bovendien
worden mannen meestal op jeugdige leeftijd slachtoffer van vooral
lichamelijk geweld, terwijl vrouwen in elke leeftijdscategorie huiselijk
geweld ondergaan. De volgende groepen slachtoffers hebben we
onderscheiden: vrouwen, allochtonen, kinderen en ouderen.
Vrouwen
Hoewel vrouwen én mannen geweld tegenkomen in de privé-sfeer,
vormen de vrouwen een belangrijke groep slachtoffers. Voor een
groot aantal vrouwen is de situatie onhoudbaar geworden. Zij ontvluchten
het huis en melden zich aan bij een Blijf-van-mijn-lijfhuis
of een vrouwenopvangcentrum. In 2001 verbleven 4.656 vrouwen
en 3.947 kinderen in vrouwenopvangcentra en Blijf-van-mijn-lijfhuizen.
7 De meldingen nemen jaarlijks toe. Uit een onderzoek van het
Trimbos-instituut blijkt dat zich jaarlijks 17.500 vrouwen bij de vrouwenopvang
melden.8 Door de toename in aanmeldingen zijn er capaciteitsproblemen
ontstaan bij de vrouwenopvang.
Allochtonen
Een andere groep die de laatste tijd aandacht krijgt, onder andere
door gevallen van eerwraak, zijn allochtonen. Veel van de vrouwen
uit de vrouwenopvang zijn afkomstig uit minderheidsgroepen (bijna
60% in 2004). Onderzoek naar huiselijk geweld in allochtone kring
biedt een verontrustend beeld:9 24% van de ondervraagden zegt ooit
in zijn/haar leven slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld.
Onderzoekers en allochtone organisaties vrezen dat het cijfer in werkelijkheid
hoger ligt, omdat het onderwerp huiselijk geweld moeilijk
bespreekbaar is onder allochtonen. De aanpak van het geweld bij
minderheden vraagt op onderdelen specifieke kennis van politie en
hulpverleners en om specifieke methoden en benaderingswijzen. Er
wordt gewerkt aan de ontwikkeling van methoden die tot doel hebben
huiselijk geweld bij minderheden bespreekbaar te maken en de
risico’s voor allochtone vrouwen te verkleinen.
ALGEMEEN KADER 17
7 Monitor Maatschappelijke Opvang Jaarbericht 2003. J. Wolf, e.a. Trimbosinstituut,
Utrecht, 2003.
8 Hierbij moet worden opgemerkt dat er sprake is van dubbeltellingen, omdat
vrouwen bij gebrek aan plaats bij meerdere instellingen worden aangemeld.
Hoe groot deze dubbelingen zijn, is niet bekend.
9 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening. T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
Kinderen
Kinderen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld hebben speciale
aandacht nodig. Ongeveer 80.000 kinderen houden blijvend lichamelijk
letsel over aan huiselijk geweld. Ongeveer 100.000 kinderen
zijn jaarlijks getuige van geweld in het gezin. Kinderen die slachtoffer
of getuige zijn van geweld kunnen problemen ontwikkelen op
meerdere gebieden tegelijk (spijbelen, delinquent gedrag, slapeloosheid,
depressiviteit, slechte schoolprestaties). Doorgaans wordt ervan
uitgegaan dat kinderen in gewelddadige gezinnen kampen met
meerdere problemen tegelijk: ruziënde ouders, blootstelling aan
geweld tussen de ouders, alcoholisme van de ouders, lage inkomens,
spanningen (stress), minder aandacht van de moeder, lichamelijke
mishandeling en verwaarlozing. Een voorbeeld van de vervlechting
van de problematiek is dat kinderen die getuige zijn van geweld tussen
hun ouders, volgens onderzoek een grote kans lopen om zélf
lichamelijk mishandeld te worden of later zelf geweld gaan plegen.
De meeste slachtoffers worden in hun jeugdjaren (tussen 10 en 25
jaar) slachtoffer van huiselijk geweld. Dit geldt met name voor lichamelijke
en geestelijke vormen van huiselijk geweld.
Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld kunnen lang onzichtbaar
blijven voor de hulpverlening. Om hen beter te beschermen is
het meldtraject ‘Kindspoor’ ontwikkeld. Het meldtraject ‘Kindspoor’
is in 2003 in Nederland geïntroduceerd in de politieregio Hollands
Midden.
Het kindspoor wordt gevormd door de politie, het Advies- en
Meldpunt Kindermishandeling (AMK), bureau Jeugdzorg, de Raad
voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie.
Het meldtraject begint bij de politiebemoeienis. Bij de afhandeling
van huiselijk geweld zaken, voert de politie voortaan ook de gegevens
van de woonachtige kinderen tot achttien jaar in het registratiesysteem
in. Op deze manier worden de kinderen zichtbaar.
De ketenpartners hebben met het kindspoor vijf doelen voor ogen.
Ten eerste proberen zij een veilige situatie voor het kind te creëren.
Daarnaast willen zij de kans op een verstoorde ontwikkeling terugdringen.
Ze proberen ontwikkelingsproblematiek te signaleren en
18 HUISELIJK GEWELD
het kind en de opvoeders een adequaat hulpaanbod te bieden. Ten
slotte willen de ketenpartners de opvoeders bevorderen om hun verantwoordelijkheid
te nemen en het geweld te stoppen.
Ouderen
Een belangrijke groep slachtoffers van huiselijk geweld zijn ouderen;
uit onderzoek is gebleken dat ruim 5% van de zelfstandig wonende
ouderen mishandeld wordt.
Bij oudermishandeling gaat het bijvoorbeeld om de mantelzorgers
die de situatie niet langer aankunnen of kinderen en kleinkinderen
die (groot)ouders financieel uitbuiten. Ook komt het voor dat professionele
hulpverleners die dagelijks voor de ouderen zorgen deze
ouderen mishandelen. Over de geweldsproblematiek bij deze groep
is weinig bekend.
De onzichtbaarheid en onbekendheid van de ouderenproblematiek
komen onder andere door de afhankelijkheidsrelatie die ouderen
hebben met hun pleger, degene die voor hen zorgt. Dit heeft tot
gevolg dat ze niet snel aangifte zullen doen. Daarnaast is wetgeving
ter bestrijding van huiselijk geweld niet specifiek gericht op ouderen,
maar meer op kinderen en volwassen partners. Er is nog geen duidelijke
structuur bij ouderenmishandeling, zoals bij kindermishandeling,
om aangifte door de buitenwereld te doen vergemakkelijken.
Ook de ketenaanpak rondom deze groep is nog in ontwikkeling. Her
en der zijn er wel aparte meldpunten ouderenmishandeling vanuit
de thuiszorg of de GGD opgezet, of wordt de aandacht voor ouderenmishandeling
integraal meegenomen in de activiteiten van een
advies- en steunpunt huiselijk geweld.
7 Wie zijn de daders?
Zoals eerder vermeld wordt huiselijk geweld voornamelijk gepleegd
door mannelijke daders. In het algemeen geldt: hoe nauwer de relatie
tussen dader en slachtoffer, des te intenser het huiselijk geweld.
Als huiselijk geweld wordt gepleegd door een ‘huisvriend’ van het
slachtoffer gaat het in veel gevallen om incidenteel geweld. Als huiselijk
geweld wordt gepleegd door een (ex-)partner van het slachtoffer,
dan gaat het in veel gevallen juist om geweld met een (zeer) hoge
intensiteit.
ALGEMEEN KADER 19
Typen daders10 Kenmerken
Overgeremde dader • kropt woede en emoties op;
• vermijdt conflicten;
• emotionele mishandeling van het slachtoffer;
• controledwang;
• goed te behandelen.
Cyclische dader • dader heeft traumatische voorgeschiedenis;
• gebrek aan eigenwaarde;
• behoefte aan macht over het slachtoffer;
• geweld herhaalt zich in een zelfde patroon;
• is te behandelen.
Psychopathische dader • zeer problematisch gedrag;
• biologisch-neurotische oorzaak;
• geen behandeling, wel medicatie.
8 Hoe vaak en wanneer doet het slachtoffer aangifte?
Huiselijk geweld wordt relatief weinig gemeld en aangegeven bij de
politie. In totaal wordt 12% gemeld bij de politie. In 6% van de gevallen
komt het ook tot een daadwerkelijke aangifte in de vorm van een
ondertekend proces-verbaal. Bij geweld met een zeer hoge intensiteit
valt op dat het wel vaker gemeld wordt dan bijvoorbeeld incidenteel
geweld, maar dat dit niet resulteert in meer aangiften.11 Deze cijfers
zullen gaan toenemen door een betere registratie van de politie, door
de toenemende aandacht (ook bij gemeenten) voor huiselijk geweld
als maatschappelijk probleem en door het doorbreken van de taboe.
9 Welke overheden en maatschappelijke organisaties
zijn betrokken bij de landelijke aanpak huiselijk
geweld?
Op 1 oktober 2000 gaf de toenmalige minister van Justitie het startsein
tot het project ‘Voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld’,
dat tot doel had een extra inzet voor de aanpak van huiselijk geweld
vanuit departementen en (landelijke) organisaties mogelijk te maken
en een effectieve benadering van de problematiek te ontwikkelen.
Aan het project hebben verschillende departementen en landelijke
20 HUISELIJK GEWELD
10 De partnermishandelaar, een psychologisch profiel. D.G. Dutton, S.K. Golant en
H. Pijnaker. Bohn Stafleu Van Loghum, 2000.
11 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening. T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intromart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
organisaties deelgenomen, zoals de VNG, het Korps landelijke politiediensten
(KLPD), het Parket-Generaal (PG), Reclassering
Nederland, Slachtofferhulp Nederland, de Federatie Opvang (FO),
Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ)-Nederland, GGD-Nederland en
diverse (landelijke) ondersteuningsorganisaties. De projectresultaten
vormen de basis voor de kabinetsnota Privé-geweld – publieke zaak
(2002).
De betrokken departementen bij het huidige landelijk beleid huiselijk
geweld zijn: Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Volksgezond, Welzijn en Sport, Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
10 Welke wet- en regelgeving is er rond huiselijk geweld?
Huiselijk geweld betreft verschillende beleidsterreinen en valt onder
meerdere wetten. De belangrijkste wet- en regelgeving op het welzijns-
en veiligheidsterrein komt in deze vraag aan bod.
Wetgeving op het Welzijnswet
gebied van Welzijn Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV)
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO)
Wet op de jeugdzorg
Stimuleringsmaatregel advies- en steunpunt
Wetgeving op het Wetboek van Strafrecht
gebied van veiligheid Aanwijzing procureur-generaal
Tijdelijk huisverbod voor pleger huiselijk geweld
Grotestedenbeleid
Welzijnswet
In de Welzijnswet staat dat gemeenten een vangnetfunctie hebben
op een aantal gebieden. De Welzijnswet is echter geen wet waaraan
burgers rechten kunnen ontlenen of waarop ze een beroep kunnen
doen. De gemeente kan dus zelf het (zorg)voorzieningenniveau
bepalen. Een belangrijke voorziening die onder de Welzijnswet valt,
is de maatschappelijke opvang (MO). De vangnetfunctie voor de
maatschappelijke opvang ligt primair bij centrumgemeenten.
Centrumgemeenten zijn verantwoordelijk voor de totstandkoming,
ALGEMEEN KADER 21
instandhouding en ontwikkeling van een landelijk dekkend geheel
van voorzieningen voor de maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid
en vrouwenopvang. De centrumgemeenten ontvangen daarvoor
twee specifieke doeluitkeringen: één voor de maatschappelijke
opvang en verslavingsbeleid en één voor de vrouwenopvang.12
Wet collectieve preventie volksgezondheid
De huidige Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV) is in
2003 gewijzigd en heeft het volgende tot doel: ‘bescherming en
bevordering van de gezondheid van de bevolking of van specifieke
groepen daaruit, evenals het voorkómen en vroegtijdig opsporen van
ziekten onder de bevolking’ (artikel 1, WCPV).
In het kader van gezondheid is de WCPV een belangrijke wet waarmee
alle gemeenten te maken hebben. Op basis van de WCPV dient
de gemeente elke vier jaar een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid
vast te stellen. De belangrijkste implicatie is dat op grond van de
WCPV alle gemeenten een algemeen preventieve taak voor de
gezondheidszorg hebben. Te denken valt aan voorlichting aan jongeren
of vroegsignalering.
Voor huiselijk geweld zijn de gemeentelijke verplichtingen in de
WCPV rond de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ)13 van
belang. In het basispakket (artikel 2.2f) is beschreven wat in elk geval
onder het bevorderen van de OGGZ wordt verstaan:
• het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van
de OGGZ;
• het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen;
• het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging
van crisis bij kwetsbare personen of risicogroepen;
• het bieden van psychosociale hulp bij rampen;
• het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken organisaties
over de uitvoering van de OGGZ. Hiertoe zijn OGGZ-platforms in
het leven geroepen waar huiselijk geweld onderdeel van kan uitmaken;
• preventie van huiselijk geweld (sinds 2002).
22 HUISELIJK GEWELD
12 Deze uitkeringen zullen in de toekomst deel uitmaken van de uitkering op basis
van de Wet maatschappelijke opvang (WMO).
13 OGGZ is de zorg voor mensen die daar zelf niet om vragen, maar die het wel
nodig hebben. Het kan daarbij gaan om preventie, opvang en zorg.
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Iedere Nederlander is via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) verzekerd voor zorg en ondersteuning bij langdurige ziekte,
handicap of ouderdom. Om in aanmerking te komen voor voorzieningen
uit de AWBZ is een indicatiebesluit van het Regionaal
Indicatieorgaan (RIO) nodig. De RIO’s worden per 1 mei 2005 vervangen
door het (vanuit het Rijk georganiseerde) Centrum
Indicatiestelling Zorg (CIZ). Mensen kunnen een indicatie krijgen
voor één of meerdere functies: huishoudelijke verzorging, persoonlijke
verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende
begeleiding, behandeling en verblijf. De functie ‘behandeling en
verblijf’ is van belang voor de aanpak huiselijk geweld. De vrouwenopvang
wordt bijvoorbeeld deels gefinancierd vanuit de AWBZ.
Vooruitblik op de Wet maatschappelijke ondersteuning
Het kabinet heeft besloten tot een nieuw stelsel voor langdurige zorg
en maatschappelijke ondersteuning. Het maakt met de geplande
invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in
2006 een strikt onderscheid tussen ‘zorg’ en ‘maatschappelijke
ondersteuning’. Zorg valt na invoering van de WMO onder de
AWBZ en behelst alleen nog de langdurige zorg voor chronisch zieken,
gehandicapten, chronisch psychiatrische patiënten en ouderen.
Maatschappelijke ondersteuning valt straks onder de nieuwe WMO
en gaat over de ondersteuning en begeleiding die het mensen mogelijk
moet maken om volwaardig aan de maatschappij deel te nemen.
Opvangvoorzieningen voor de slachtoffers van huiselijk geweld worden
bijvoorbeeld ondergebracht onder de WMO en bij centrumgemeenten
die hiertoe een doeluitkering ontvangen. Met de nieuwe
WMO kan de gemeente ondersteuning logischer, betaalbaar en
lokaal regelen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de
WMO komt bij de gemeenten te liggen. De structuur en rol van centrumgemeenten blijven gehandhaafd.
Wet op de jeugdzorg
De Wet op de jeugdzorg treedt in 2005 in werking. Deze wet vervangt de Wet op de jeugdhulpverlening. De centrale uitgangspunten
van de wet zijn:
ALGEMEEN KADER 23
• De jongere heeft recht op jeugdzorg op grond van een indicatiebesluit
van het Bureau Jeugdzorg.
• Het Bureau Jeugdzorg verschaft toegang tot de jeugdzorg. Het is
een indicatieorgaan voor de jeugdhulpverlening.
• De vraag staat centraal. Jeugdigen en hun ouders kunnen met alle
opgroei- en opvoedingsproblemen bij het Bureau Jeugdzorg
terecht.
• Afstemming tussen de algemene en preventieve voorzieningen
voor de jeugdigen en de jeugdzorg. Een belangrijk doel van de wet
is het verbeteren van de afstemming tussen de jeugdzorg en het
lokaal preventief jeugdbeleid.
Veel jongeren die slachtoffer zijn van huiselijk geweld doen een
beroep op de jeugdzorg. Het Bureau Jeugdzorg is dan ook een
belangrijke partner in de hulpverlening aan jonge slachtoffers van
geweld in de huiselijke kring. Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling
(AMK), een belangrijke partner in de bestrijding van
huiselijk geweld onder kinderen, valt onder de Wet op de jeugdzorg,
evenals de instellingen voor jeugdhulpverlening en justitiële instellingen
voor jongeren.
Stimuleringsmaatregel advies- en steunpunt
Voor het realiseren van een landelijk dekkend netwerk van advies- en
steunpunten huiselijk geweld heeft de Rijksoverheid een naar 2007
oplopend bedrag van € 3 miljoen beschikbaar gesteld. De uitkering is
bestemd voor de oprichting van een nieuw advies- en steunpunt dan
wel de uitbreiding van een bestaand punt. Uiterlijk in januari 2006
moeten de advies- en steunpunten functioneren. Voor een uitgebreidere
beschrijving van de stimuleringsmaatregel verwijzen wij u naar
hoofdstuk 6.
Wetboek van Strafrecht
In het strafrecht biedt artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht de
mogelijkheid tot strafverzwaring als een dader zijn moeder, vader,
partner of kind mishandelt. Strafverzwaring geldt ook als ouders seksuele
handelingen verrichten met hun kind. De maximumstraf voor
24 HUISELIJK GEWELD
eenvoudige mishandeling is verhoogd van twee naar drie jaar gevangenisstraf.
In combinatie met de al genoemde strafverzwaring heeft
dit als gevolg dat de dader ook ‘buiten heterdaad’ kan worden aangehouden
en in voorlopige hechtenis kan worden genomen. Dit biedt
de politie in de toekomst meer mogelijkheden om huiselijk geweld
aan te pakken.
Aanwijzing procureur-generaal14
Het Openbaar Ministerie (OM) beschikt over een bijzonder instrument
dat ingezet kan worden om vanuit het strafrecht zaken van
huiselijk geweld structureel aan te pakken, namelijk ‘de aanwijzing’.
De aanwijzing schrijft voor dat de politie de verdachte terstond aanhoudt
indien sprake is van een redelijk vermoeden van schuld bij een
heterdaadsituatie. Verder worden alle gegevens in een als ‘huiselijk
geweld’ geoormerkt dossier vastgelegd. Het OM zal bewijsbare
huiselijk geweld zaken in beginsel altijd vervolgen.
De aanwijzing schrijft voor hoe gehandeld moet worden in het
opsporen, vervolgen en opleggen van straffen aan daders en stelt
maatregelen voor. Daarmee richten de regels zich dus ook op de
opsporingstaak van de politie. Een landelijk geldende aanwijzing laat
geen ruimte voor afspraken op lokaal of regionaal niveau die afwijken
van de landelijke regels. Dit kan in de praktijk ertoe leiden dat
afspraken die in een regionaal samenwerkingsverband zijn gemaakt
waarbij het Openbaar Ministerie betrokken is, moeten worden bijgesteld.
Een belangrijk onderdeel van deze maatregel is deskundigheidsbevordering
van politie en justitie om de aanwijzing uit te kunnen
voeren.
Een ander belangrijk uitgangspunt van de aanwijzing is dat daderhulpverlening
in een zo vroeg mogelijk stadium wordt geïntegreerd
in de strafrechtelijke aanpak van huiselijk geweld. Hiermee kan een
langdurig effectieve aanpak worden gerealiseerd. Naast richtlijnen
voor OM en politie ten aanzien van de opsporing en vervolging,
bestaat de aanwijzing uit randvoorwaarden, zoals de benoeming van
contactfunctionarissen bij arrondissementen en lokale werkafspraken
met politie, reclassering en hulpverleningsinstellingen.
ALGEMEEN KADER 25
14 Informatie over de Aanwijzing is te vinden op de website
www.huiselijkgeweld.nl
Elementen van de aanwijzing zijn:
• Regels over de handelwijze van de politie, zoals het opmaken (en
inzenden) van processen-verbaal, arrestatie, voorgeleiding, voorlopige
hechtenis en de (on)mogelijkheden van vervolg.
• Regels over het vastleggen van feiten (dossieropbouw) over het
strafbaar feit, zodat in concrete gevallen maatregelen tot verbalisering
en vervolging kunnen worden genomen. Dit is bijvoorbeeld
informatie over de ernst van de verwondingen, de ernst, frequentie
en duur van de geweldpleging en de eventuele aanwezigheid
van kinderen.
• Regels over de handelwijze bij meldingen en aangiften die afkomstig
zijn van hulpverlenende instellingen.
• Regels over afspraken en communicatie met hulpverlenende
instellingen. Het kan gaan over de wensen en behoeften van het
slachtoffer en over de noodzaak tot en mogelijkheden van daderbegeleiding.
• Specifiek zal in de aanwijzing worden gekeken of het mogelijk is
een voorlopige voorziening te treffen zodat het slachtoffer direct
wordt beschermd tegen de dader (contactverbod).
Tijdelijk huisverbod voor pleger huiselijk geweld
Als zich geweld in de privé-sfeer voordoet, is het niet vanzelfsprekend
dat dader en slachtoffer uit elkaar gaan. Het stoppen van
geweld wordt steeds meer het uitgangspunt. Dat betekent dat niet
volstaan kan worden met maatregelen die erop gericht zijn slachtoffer
en pleger uit elkaar te halen. De realiteit leert immers dat veel
slachtoffers en plegers hun relatie niet willen of kunnen loslaten.
Investeren in het doen stoppen van geweld levert in zulke situaties
meer op dan uitsluitend het opvangen van slachtoffers.
De minister van Justitie stelt een huisverbod voor dat kan worden
opgelegd in crisissituaties waarbij huiselijk geweld dreigt plaats te
vinden, of gevaar dreigt voor leven, gezondheid of vrijheid. Het tijdelijke
huisverbod heeft tot doel de dreiging en onrust in het gezin
te doorbreken, de veiligheid van het slachtoffer en eventueel betrokken
gezinsleden te waarborgen, een adempauze in te lassen en hulp
26 HUISELIJK GEWELD
op gang te brengen voor slachtoffer(s) en pleger. Voor de nieuwe wettelijke
regeling wordt gedacht aan een huisverbod voor een periode
van tien dagen, op te leggen door een hulpofficier van justitie met
instemming van de burgemeester of de officier van justitie. Naar
schatting zal er in 1000 tot 2000 gevallen per jaar een huisverbod
worden opgelegd. De maatregel is nog in voorbereiding.
Grotestedenbeleid15
Sinds 1995 bestaat er grotestedenbeleid (GSB) voor dertig grote steden.
Daarmee wordt de ontstane concentratie van problemen in de
grote steden aangepakt. Tegelijkertijd beoogt het grotestedenbeleid
de steden een extra impuls te geven. Het grotestedenbeleid wordt
voortgezet met een derde periode, die loopt van 2005 tot 2009 (GSB
III).
Om het grotestedenbeleid uit te voeren zal het Rijk in januari 2005
met de steden gerichte resultaatsafspraken maken voor een periode
van vijf jaar. De steden formuleren meetbare resultaten op dertig
zogeheten outputindicatoren. Een van de basisindicatoren is de aanpak
huiselijk geweld. De grote steden hebben hiervoor de volgende
opdracht: het opstellen van een convenant (als zij deze nog niet hebben),
het bijhouden van het aantal meldingen en het opzetten van
een advies- en steunpunt.
11 Wat zijn de kernpunten van het landelijke beleid?
De problematiek van huiselijk geweld is niet nieuw. Wel nieuw is de
manier waarop de overheid ermee omgaat. Stelde zij zich lange tijd
heel terughoudend op, tegenwoordig vindt de overheid dat het probleem
niet meer kan worden afgedaan als een echtelijke ruzie waar
buitenstaanders niets mee te maken hebben. De overheid maakt
beleid dat moet helpen huiselijk geweld aan te pakken.
In de kabinetsnota Privé-geweld – publieke zaak (2002) wordt de
nadruk gelegd op het strafbare karakter van huiselijk geweld.
Huiselijk geweld is dus een gezondheidsprobleem én een veilig-
ALGEMEEN KADER 27
15 De dertig gemeenten zijn: Alkmaar, Almelo, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem,
Breda, Den Bosch, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Emmen,
Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo, Leeuwarden,
Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Tilburg,
Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zwolle.
heidsprobleem dat ligt op het snijvlak van zorg en veiligheid. Het
kabinet wil niet alleen werken aan het vergroten van de opvangmogelijkheden,
maar ook aan het bestrijden van het geweld, zoals het
voorkomen van escalaties, het aanpakken van daders in een vroeg
stadium en het terugdringen van recidive. Zij streeft hierbij naar een
intensieve samenwerking tussen overheden en met partijen uit het
veld. Daarnaast is het verspreiden van de boodschap dat huiselijk
geweld onacceptabel is een belangrijk speerpunt in het rijksbeleid.
Kernpunten uit de nota Privé-geweld – publieke zaak
Samenwerking
Toename van het aantal landelijke, regionale en vooral lokale samenwerkingsverbanden.
Gemeenten actief
Een actievere rol van de gemeente. Om dit te bevorderen is het VNGondersteuningsprogramma
ontwikkeld.
Normstelling
Verhogen van het aantal meldingen en aangiftes bij de politie, onder
andere op basis van publiekscampagnes.
Efficiency door effectiviteit
Door een effectiever optreden van politie en OM moet herhaling van
geweld worden teruggebracht. Een maatregel hiervoor is het huisverbod
voor plegers.
Hulp en opvang
De insteek is het verbeteren en uitbreiden van de vrouwenopvang en
uitbreiden van hulp aan daders en systeemgerichte hulpverlening.
Deskundigheid beroepsgroepen
Bevorderen van deskundigheid van beroepsgroepen die direct of
indirect te maken krijgen met huiselijk geweld. Te denken valt aan
huisartsen, leerkrachten in het basisonderwijs, politiefunctionarissen,
medewerkers in de vrouwenopvang of maatschappelijk werk.
28 HUISELIJK GEWELD
Specifieke risicogroepen
Allochtone vrouwen, kinderen en ouderen worden aangemerkt als
specifieke doelgroepen.
Registratie en monitoring
Een verbetering van de registratie bij politie en OM, waardoor beter
zicht ontstaat op de aantallen incidenten en ontwikkelingen in de
aard en omvang van huiselijk geweld.
Voor het realiseren van de maatregelen maakt het kabinet een bedrag
vrij van € 7 miljoen tot 2007. Voor het versterken van de capaciteit in
de vrouwenopvang zet het kabinet een bedrag in dat oploopt tot € 4
miljoen in 2007. Voor de ontwikkeling van een landelijk dekkend
netwerk van advies- en steunpunten trekt het kabinet een bedrag uit
dat oploopt tot € 3 miljoen in 2007.
12 Wat zijn de documenten die iedere beleidsmaker moet
kennen?
Een veilige gemeente (2000)16
Dit boekje beschrijft vuistregels voor gemeenten die beleid willen
maken over seksueel en huiselijk geweld. Achtereenvolgens komen
aan de orde: beschrijving van seksueel en huiselijk geweld, aanknopingspunten
voor gemeentelijk beleid, valkuilen en tips. Deze informatie
wordt afgewisseld met voorbeelden uit gemeenten die al beleid
hebben ontwikkeld op deze terreinen.
Privé-geweld – publieke zaak (2002)17
Deze nota schetst de stand van zaken van het beleid huiselijk geweld.
In de nota zijn vijftig nieuwe maatregelen aangekondigd om het huidige
beleid te verbeteren. Deze maatregelen richten zich op het verbeteren
van de samenwerking en op een andere aanpak van geweld,
waarbij niet alleen aandacht is voor bescherming van slachtoffers,
maar ook voor het stoppen van geweld.
ALGEMEEN KADER 29
16 De veilige gemeente. Vuistregels voor gemeenten die beleid willen maken over seksueel
en huiselijk geweld. L. van Gurp, Utrecht, TransAct, 2000.
17 Privé-geweld – publieke zaak. Een nota over de gezamenlijke aanpak van huiselijk
geweld. Ministerie van Justitie, Den Haag, 2002.
Voortgangsrapportage Privé-geweld – publieke zaak (2003)18
De voortgangsrapportage is een jaarlijkse update en beschrijft de
stand van zaken van de uitvoering van maatregelen die in de nota
Privé-geweld – publieke zaak zijn aangekondigd.
VNG-brochure Aanpak huiselijk geweld (2003)19
In deze pocket voor gemeenten wordt onder meer de relatie gelegd
tussen huiselijk geweld en andere maatschappelijke problemen, de
inbedding van een aanpak huiselijk geweld binnen de gemeentelijke
organisatie en voorbeelden van projecten huiselijk geweld in verschillende
gemeenten.
Inventarisatie stand van zaken aanpak huiselijk geweld (2003)20
Dit rapport geeft de stand van zaken weer van de aanpak huiselijk
geweld bij gemeenten, regiopolitie en Openbaar Ministerie. Er is een
inventarisatie gehouden op basis van de volgende thema’s: beleid,
samenwerking en deskundigheidsbevordering. Het geeft inzicht in
de samenwerkingsrelaties, in de aanwezigheid van deskundigheid
bij de drie actoren en de ontwikkeling van beleid. De inventarisatie
krijgt in 2005 een vervolg op basis van een monitor waarin naast
gemeenten, OM en politie ook de hulpverlening in beeld wordt
gebracht.
Ruimte voor regie. Handreiking voor ketenregie in het openbaar bestuur
(2003)21
Deze handreiking is in het kader van het project ‘Ketenregie’ van het
ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)
geschreven. De handreiking geeft handvatten voor de toepassing van
ketenregie in het sociale domein en inzicht in de activiteiten, rollen
en verantwoordelijkheden van partners in de keten.
30 HUISELIJK GEWELD
18 Privé-geweld – publieke zaak. Voortgangsbericht over de aanpak huiselijk geweld.
Ministerie van Justitie, Den Haag, 2002.
19 Aanpak Huiselijk geweld. Nathalie Assen en Else Kingma, Den Haag,
VNG-SGBO, 2003.
20 Inventarisatie stand van zaken aanpak huiselijk geweld 2003. L. van Lier e.a.,
ES&E in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag 2003.
21 Ruimte voor regie. Handreiking voor ketenregie in het openbaar bestuur.
A.H.E. van der Aa en P.J.T. Konijn. Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, Den Haag, 2003.
Quickscan advies- en steunpunten (2004)22
In deze rapportage worden de resultaten van zeven, inmiddels functionerende
advies- en steunpunten beschreven. Naast de beschrijving
van de advies- en steunpunten zijn ook ervaringen en ideeën
van de groep gebruikers zelf opgenomen. De quickscan dient als
basis voor de stimuleringsmaatregel advies- en steunpunten (zie
hoofdstuk 6).
Mozaïek handboek23
In september 2001 is het driejarig project Mozaïek gestart, gericht op
preventie van seksueel geweld en vrouwenmishandeling tegen
Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse vrouwen en de
opvang van deze groep vrouwen met hun kinderen. Het doel van het
project is om bestaande methodieken te beschrijven en te analyseren
en lacunes in kaart te brengen. De meest succesvolle opvang- en preventiemethodieken
zijn in een handboek beschreven. Het Mozaïek
handboek bevat meer dan 25 methodieken die in de praktijk zijn ontwikkeld
door preventiewerkers, vrouwen van zelforganisaties, maatschappelijk
werkers van de vrouwenopvang en andere betrokkenen.
Het handboek bestaat uit vijf delen:
1 basisinformatie;
2 voorlichtingsmethoden;
3 steungroepen;
4 weerbaarheidstrainingen;
5 eerste opvang.
De gegevens van deze documenten zijn opgenomen in de bijlage
Geraadpleegde bronnen. De publicaties zijn te vinden op de websites
www.aanpakhuiselijkgeweld.nl, www.huiselijkgeweld.nl en
www.minbzk.nl (handreiking voor ketenregie).
ALGEMEEN KADER 31
22 Zonder drempels. Quickscan advies- en steunpunten huiselijk geweld. Stichting
Alexander, Amsterdam, in opdracht van het ministerie voor VWS, 2004.
23 Mozaïek handboek, M. Cense, P. Nieuwenhuizen, T. Pauli, B. Steenbergen;
eindred. A. Gort, TransAct, Utrecht, 2004.
32 HUISELIJK GEWELD
2 De rol van de gemeente
13 Wat is regie voeren?
Regie is inmiddels een bekende term die in vele beleidsnota’s terug
te vinden is. Maar wat houdt regie voeren nu eigenlijk in?
Bij regie gaat het om het toekennen en oppakken van verantwoordelijkheden,
om aansturing en om het tot stand brengen van samenwerkingsrelaties.
Het gemeentebestuur is op grond van regelgeving
of op basis van een autonome politieke taakstelling verantwoordelijk
voor de totstandkoming van een bepaald beleid, maar is hiervoor
afhankelijk van de medewerking van een of meer andere actoren.24
Een belangrijk kenmerk van de regierol van gemeenten is dat er geen
sprake is van een hiërarchische relatie tussen de betrokken partijen.
Het is een proces waarin de gemeente probeert om diverse partijen
tot samenwerking te brengen en taken te laten uitvoeren. Centraal
uitgangspunt hierbij is het bereiken van gemeenschappelijk te formuleren
doelen en initiatieven. In de samenwerking zijn partijen
onderling van elkaar afhankelijk. Om een instelling tot uitvoerder
van een gemeentelijk beleid te bewegen, zal er meer nodig zijn dan
het onderstrepen van een gezamenlijke visie. Er moet vaak worden
onderhandeld en financiële middelen moeten worden ingezet om tot
afspraken te komen.
14 Wat zijn mijn activiteiten als regisseur binnen de aanpak
huiselijk geweld?
De kern van de gemeentelijke regisseursrol bestaat uit de volgende
onderdelen:
1 Bij elkaar brengen van partijen
Gemeenten hebben de taak alle betrokken uit te nodigen voor deelname
aan overleg en dragen de verantwoordelijkheid dit overleg op
te starten. Dit kunnen betrokkenen zijn binnen de gemeente en
DE ROL VAN DE GEMEENTE 33
24 De regiefunctie in gemeenten, preadvies Raad voor het Openbaar bestuur.
S.A.H. Denters e.a. Den Haag, 1999.
externe partners. Voor huiselijk geweld betekent dit dat de gemeente
een overleg initieert met ten minste de kernpartijen en dat zij het
probleem onder de aandacht brengt. Deze kernpartners kunnen
lokaal verschillen, maar over het algemeen zijn dit de politie, de
GGD, vrouwenopvang en het algemeen maatschappelijk werk
(AMW). Het bijeenbrengen van de relevante uitvoerende instellingen
leidt vervolgens tot het maken van samenwerkingsafspraken.
2 Stroomlijnen van communicatie en informatievoorziening
Goed en open overleg is pas mogelijk als alle betrokken partijen over
dezelfde informatie beschikken. Het is de taak van de gemeente zorg
te dragen voor actuele informatie en effectieve communicatie binnen
de samenwerkingsstructuur. Dit betekent niet alleen een goede
informatievoorziening van de gemeente naar de (interne en externe)
partners, maar ook een optimale communicatie tussen de partners
onderling. Bij huiselijk geweld zal de informatieverstrekking zowel
veiligheidsthema’s als gezondheidsthema’s betreffen.
3 Overeenstemming zoeken
Om een goed resultaat te bereiken is het belangrijk dat de betrokken
partijen elkaars belangen kennen. Bij de aanpak huiselijk geweld kan
het bijvoorbeeld voorkomen dat de gemeente, politie en de vrouwenopvang
(op onderdelen) tegenstrijdige belangen hebben. Het is verstandig
de tegenstrijdige belangen zo snel mogelijk te benoemen,
om vervolgens overeenstemming te zoeken op gedeelde belangen.
4 Afstemming realiseren
De gemeente brengt niet alleen partijen bij elkaar, zij richt zich ook
op afstemming van beleid en uitvoering tussen partijen. Het onderhouden
van contacten met regionale instellingen, zoals het
Openbaar Ministerie en instellingen voor de geestelijke gezondheidszorg,
is daar een onderdeel van. Evenals het afstemmen met
andere overlegstructuren en bestuurslagen.
5 Zorg dragen voor sturing
De gemeente legt afspraken vast en zorgt ervoor dat het ondubbel-
34 HUISELIJK GEWELD
zinnig duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is. Het is de verantwoordelijkheid
van de gemeente om te bewaken dat partijen uitvoeren
wat afgesproken is en in te grijpen als dat niet gebeurt. Bij
een terrein als huiselijk geweld, waar zoveel verschillende partners
bij betrokken zijn, vraagt de aansturing een sterke regisseursrol.
Daarnaast stuurt de gemeente de financiering aan om er voor te zorgen
dat de afgesproken acties kunnen worden bekostigd.
6 Evalueren en monitoren
De gemeente neemt het initiatief voor de evaluatie en de monitoring
van het beleid en de uitvoering. Het is daarom belangrijk om in de
afspraken met de uitvoeringsorganisaties een moment vast te leggen
waarop de gemeente en de uitvoeringsinstellingen de voortgang en
het resultaat van het beleid (laten) evalueren.
Op basis van de evaluatie kan de gemeente bepalen of er een nieuw
aanbod ontwikkeld dient te worden, bijvoorbeeld op het terrein van
preventie, opvang of deskundigheidsbevordering.
15 Hoe pak ik als gemeente de regierol op?
Hoe de regierol het best ingevuld kan worden, hangt onder meer af
van de grootte van de gemeente en van wat al ontwikkeld is en (goed)
uitgevoerd wordt op het terrein van huiselijk geweld.
De centrumgemeenten hebben de regietaak voor het beleid en de
instandhouding van de vrouwenopvang (inclusief financiering).25 De
centrumgemeenten krijgen ook steeds meer de regisseursrol toebedeeld
voor de aanpak huiselijk geweld. Het ligt daarbij voor de hand
dat de kleine regiogemeenten een groot deel van de taken rond de
uitvoering van het beleid inzake huiselijk geweld ‘delegeren’ aan de
centrumgemeente. Te denken valt aan de implementatie en monitoring
van projecten, het inrichten van het advies- en steunpunt en het
vormen en onderhouden van een netwerk huiselijk geweld. Zo kan
zij de eigen taken beperken tot het onderhouden van contact met
(met name) lokale instellingen, het financieel ondersteunen van de
centrumgemeente en het informeren van externe organisaties en de
eigen burgers over de gemeentelijke aanpak.
DE ROL VAN DE GEMEENTE 35
25 Er zijn 35 centrumgemeenten aangewezen voor de vrouwenopvang en
43 centrumgemeenten voor de maatschappelijke opvang en verslavingszorg.
Van grote gemeenten, en zeker van de centrumgemeenten, wordt
een totaalbeleid verwacht. Zoals het zorgdragen voor een goed functionerende
frontoffice (zie hoofdstuk 6) en een goed functionerende
backoffice (een sluitende aanpak van huiselijk geweld door politie en
justitie, hulpverlening, onderwijs en buurtwerk). Er is daarbij nog
veel variatie mogelijk in de mate waarin en de manier waarop de
onder vraag 14 geformuleerde onderdelen van de regierol praktisch
worden ingevuld.
Om de regie vorm te geven en uit te voeren wordt doorgaans een
‘regisseur’ aangesteld. Dit kan een ambtelijke of een externe projectleider
huiselijk geweld zijn. Deze kan zijn werk doen vanuit de
gemeente of vanuit een externe organisatie, zoals de GGD. Een
specifiek voor de aanpak huiselijk geweld aangestelde externe projectleider
die vanuit de GGD werkt, is de meest voorkomende invulling
van de regisseursrol. Er zijn vier redenen te noemen waarom de
GGD in aanmerking komt voor de regisseursrol:26
1 De GGD wordt over het algemeen gezien als onafhankelijke partij.
De GGD dient het algemeen belang en heeft minder te maken met
belangenverstrengeling dan andere partijen omdat zij niet de
hulpverlening biedt die de andere instellingen tot hun kerntaken
rekenen.
2 De GGD’en werken, behalve in de grote steden, regionaal, zodat
zij ook de regierol op regionaal niveau kunnen invullen.
3 Door de GGD als regisseur aan te wijzen wordt gebruikgemaakt
van de bestaande bestuursstructuren. De algemene en dagelijkse
besturen van de GGD’en bestaan uit het college van B en W. Via
deze structuur is de relatie met de politiek geregeld.
4 De GGD heeft op basis van de uitvoering van het OGGZ-beleid
belangrijke inhoudelijke aanknopingspunten met huiselijk
geweld.
De regierol van een grote gemeente: Almere27
De politie en de maatschappelijke opvang hebben de gemeente benaderd
voor het ontwikkelen van een integrale aanpak huiselijk geweld.
De gemeente heeft de regie over dit thema ondergebracht bij het
36 HUISELIJK GEWELD
26 Aanpak en preventie van huiselijk geweld, een handreiking voor GGD’en. R. Vink,
Utrecht, 2004.
27 Aanpak huiselijk geweld. Nathalie Assen en Else Kingma, VNG, Den Haag, 2003.
integraal veiligheidsbeleid. De gemeente Almere heeft vervolgens
een projectleider aangesteld die in dienst is van de Dienst
Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente. Deze projectleider
heeft tot taak een aanpak te ontwikkelen voor de hele provincie
Flevoland. De projectleider voert de volgende regietaken uit:
• bewaakt de doelstellingen uit het plan van aanpak;
• heeft de structuur opgezet, waaronder het instellen van werkgroepen;
• ziet toe op het functioneren van de werkgroepen en stuurt waar
nodig bij;
• geeft adviezen over het te voeren beleid;
• zorgt voor draagvlak door middel van het geven van presentaties
over het onderwerp bij zowel interne als externe partners;
• bewaakt de ontwikkeling van het beleid op regionaal niveau;
• is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie van
het project.
De start van een kleine gemeente in regionaal verband: gemeente
Mill en St. Hubert
Mill maakt deel uit van het district Land van Cuijk. Dit Noord-
Brabantse (politie)district bestaat uit vijf gemeenten. Binnen het
driehoeksoverleg van dit district is eind 2002 aandacht gevraagd voor
huiselijk geweld. Er is besloten dat de gemeente Mill c.a. voor deze 5
gemeenten als projectleider zal optreden. Begin 2003 is er gestart
met een brainstormbijeenkomst. Er is vervolgens een werkgroep
huiselijk geweld ingesteld waar, behalve de burgemeester van de
gemeente Mill met ambtelijke ondersteuning, onder andere de politie,
justitie, maatschappelijk werk, Stichting slachtofferhulp, reclassering,
de raad voor de Kinderbescherming, de GGD, geestelijke
gezondheidszorg (GGZ), Bureau Jeugdzorg bij zijn betrokken. Uit
de werkgroep is een aantal overlegvormen voortgekomen. Justitie,
politie en Stichting Slachtofferhulp zijn, onder andere door opgestelde
protocollen over hoe te handelen in diverse situaties, goed op
elkaar afgestemd. De werkgroep is inmiddels elf keer, op vrijwillige
basis, bij elkaar gekomen. Er is een korte startnotitie opgesteld, waarin
de samenstelling en de werkwijze van de werkgroep zijn beschre-
DE ROL VAN DE GEMEENTE 37
ven. De gemeente is voornemens een samenwerkingsconvenant op
te stellen en de samenwerking ook met nog niet aan het overleg deelnemende
partijen uit te breiden. Tevens dient de aandacht voor en de
voorlichting over de problematiek te worden vergroot en dienen de
hulpverleningsprogramma’s beter op elkaar te worden afgestemd.
16 Wat is de ‘ketenbenadering’?
‘Ketenbenadering’ of ‘ketenaanpak’ staat voor: een integrale aanpak
(van huiselijk geweld) met aandacht voor verschillende soorten van
maatregelen, interventies en hulp, voor verschillende doelgroepen,
die door verschillende typen organisaties gezamenlijk moet worden
uitgevoerd.
De ‘ketenregie’, regie op uitvoerend niveau, ligt bij voorkeur níét bij
de gemeente, maar bij een uitvoerende organisatie; het liefst bij een
organisatie die het vertrouwen van alle andere partijen heeft of krijgt.
Maar de gemeente heeft wel een rol ten aanzien van ‘de keten’,
namelijk de regie op beleidsniveau waarbij het erom gaat onderling
overeenstemming te bereiken over gezamenlijke doelen en over
ieders inzet en bijdragen aan het bereiken van het doel. Idealiter
vindt er precieze afstemming plaats tussen de regie op beleidsniveau
(gemeente) en de regie op uitvoerend niveau (een uitvoerende organisatie
zoals de GGD). Soms lopen beide soorten regie niet in hetzelfde
tempo of is er alleen sprake van regie op uitvoerend niveau.
Dan is het zaak ook gezamenlijke sturing op beleidsniveau te ontwikkelen
en een relatie te leggen tussen de sturing op doelen en de
sturing op uitvoering. Dat kan bijvoorbeeld via een stuurgroep die de
koers uitzet en die wordt voorgezeten door de gemeente en een projectgroep
voor de coördinatie van de uitvoerende activiteiten.
17 Uit welke onderdelen bestaat een sluitende aanpak?
Een samenhangende aanpak van huiselijk geweld omvat de functies
preventie, signalering en bescherming, justitiële aanpak, hulpverlening
en nazorg. Daarbij is er een specifiek hulpaanbod voor de verschillende
doelgroepen: de slachtoffers van huiselijk geweld, de plegers
van huiselijk geweld en de eventuele kinderen die getuige zijn
(geweest) van het geweld.
38 HUISELIJK GEWELD
Om zo’n sluitende aanpak te realiseren zijn veel verschillende organisaties
nodig: organisaties vanuit de zorgketen, de veiligheidsketen,
de jeugdketen, etc. Die komen niet zonder meer tot ketenafspraken.
Als de belangen verdeeld zijn is bijvoorbeeld doelvervlechting, het
combineren van uiteenlopende doelstellingen in de samenwerking,
een geschikte strategie. Daarbij wordt gekeken welke gemeenschappelijke
doelen er zijn, welke doelstellingen verschillen en op welke
wijze deze uiteenlopende doelstellingen op elkaar kunnen worden
afgestemd. De gemeenschappelijkheid vormt de basis voor het gezamenlijk
uitvoeren van projecten. Het is daarbij van belang dat de
partners niet blijven steken in deze verkennende fase op basis van
steeds diepgaander onderzoek en nog meer overleg. Ketenresultaten
moeten uiteindelijk worden geboekt op het operationele niveau.
18 Hoe geef ik de regierol vorm als er al veel ontwikkeld
is door instellingen als politie, vrouwenopvang of de
GGD?
Als er al beleid en projecten ontwikkeld zijn op het terrein van huiselijk
geweld, kan de gemeente daarop aansluiten. Vaak zijn dit initiatieven
die vanuit de praktijk zijn geïnitieerd en inmiddels vruchten
hebben afgeworpen. Als eerste activiteit kan de gemeente zorgvuldig
inventariseren wat er al ontwikkeld is, wat er nog ontbreekt en wat
ontwikkeld is maar (nog) niet optimaal wordt uitgevoerd. Op grond
van die analyse kan beleid uitgestippeld worden om aanvullingen en
verbeteringen van het preventie- en hulpaanbod van de grond te krijgen.
Hiervoor moet ambtelijk en bestuurlijk draagvlak worden
bewerkstelligd en is medewerking nodig van de uitvoerders van het
beleid: politie en justitie, hulpverlening, onderwijs en welzijnswerk.
Van daaruit zullen vervolgactiviteiten zich aandienen. Het is nooit zo
dat de gemeente niets hoeft te doen omdat de uitvoerende organisaties
het zo goed doen met elkaar. De inmiddels lopende projecten
dienen binnen het gemeentelijk beleidskader te passen en niet als
‘losse’ initiatieven naast elkaar te fungeren. De typische regietaken
kunnen namelijk niet uitgevoerd worden door de vrouwenopvang of
de politie. Die laatste twee zijn vaak de belangrijkste aanjagers van
het beleid.
DE ROL VAN DE GEMEENTE 39
Hoe is de aanpak van huiselijk geweld opgezet in de gemeente
Delft?
De gemeente Delft is vanaf 2001 op basis van een bestuurlijke
opdracht bezig met de aanpak van huiselijk geweld. Bij de aanpak is
het veld intensief betrokken. Er is eerst gekeken wat er al is ontwikkeld
door de partners. Zo was de politie al bezig een justitiële aanpak
te ontwikkelen en had zij de wens daar een hulpverleningstraject op
aan te laten sluiten. De zorginstellingen vrouwenopvang en maatschappelijk
werk waren inmiddels bezig een sluitende aanpak huiselijk
geweld op te zetten. Vanwege de complexiteit van de problematiek
en de veelheid aan partners hebben deze instellingen de
gemeente benaderd en gevraagd de regierol op zich te nemen.
In 2001 heeft de gemeente een actieplan ontwikkeld samen met de
belangrijkste instellingen (AMW, GGZ, GGD, vrouwenopvang en
politie). Het actieplan bevat vier punten:
• vroegtijdige signalering en hulp;
• voorlichtingsactiviteiten gericht op signaleren en bespreekbaar
maken;
• het oprichten van een advies- en steunpunt;
• samenwerking en afstemming.
In oktober 2003 hebben de partijen een samenwerkingsovereenkomst
getekend, waarin afspraken zijn vastgelegd. De samenwerkende
instellingen en de gemeente participeren in een netwerkoverleg.
Het advies- en steunpunt in de gemeente draait inmiddels.
Momenteel werkt de gemeente aan uitbreiding van het steunpunt in
de regio en aan de invoering van casemanagement. Daarnaast organiseert
de gemeente voorlichtingsbijeenkomsten voor een aantal
relevante beroepsgroepen die gegeven worden door voorlichters die
zijn getraind door TransAct.28
Ook besteedt de gemeente speciale aandacht aan huiselijk geweld
onder allochtone groepen. Er worden bijvoorbeeld voorlichtingsbijeenkomsten
georganiseerd voor allochtonen waarin het thema huiselijk
geweld aan de orde wordt gesteld. Er is een aparte werkgroep
allochtonen in het leven geroepen, waarin sleutelfiguren uit de
allochtone gemeenschappen zitting nemen.
40 HUISELIJK GEWELD
28 TransAct is het Landelijk Expertisecentrum voor seksespecifieke zorg en aanpak
huiselijk en seksueel geweld.
Voor de aanpak huiselijk geweld is een coördinator aangesteld voor
twee dagen in de week gedurende een periode van twee jaar. De coördinator
zit onder andere het overleg op uitvoeringsniveau voor. Dit
overleg is ingesteld om zicht te krijgen op de daadwerkelijke effectiviteit
van het beleid en op de knelpunten in de praktijk. Uit dit overleg
blijkt dat huiselijk geweld breed wordt gedragen door de instellingen.
De coördinator zit ook in het overleg Integraal
Veiligheidsbeleid (IVB), waardoor de lijn met het IVB gewaarborgd
blijft.
19 Hoe krijg ik ambtelijk draagvlak?
Een stevige basis voor commitment en samenwerking tussen verschillende
ambtelijke afdelingen en diensten wordt alleen gelegd als
de betreffende ambtenaren de probleemanalyse en de doelen onderschrijven.
Daarvoor is in de eerste plaats communicatie en overtuiging
nodig. In de tweede plaats zijn er de praktische randvoorwaarden
waaraan voldaan moet worden.
In de praktijk blijkt het niet zo moeilijk te zijn om medeambtenaren
te overtuigen van de ernst van het probleem van huiselijk geweld en
de noodzaak van een effectieve aanpak. Daarvoor zijn inmiddels
genoeg – zorgwekkende – cijfers en feiten voorhanden. Wat moeilijker
is, is ambtenaren te overtuigen dat de gemeente hierin een centrale
rol moet vervullen. Vooral kleine gemeenten die kampen met een
breed takenpakket voor een relatief smalle personeelsbezetting en
gemeenten waarbinnen politie en hulpverlening al redelijk veel ontwikkeld
hebben en dat goed uitvoeren (‘het loopt hier allemaal al
goed’), zien niet direct de noodzaak van een gemeentelijke regierol.
In dat geval is het nodig om heel precies de lacunes in het beleid aan
te geven. Bijvoorbeeld waar het gaat om preventie van huiselijk
geweld, bescherming en hulp aan kinderen uit gezinnen waar relatiegeweld
voorkomt, mogelijkheden voor buren e.d. om huiselijk
geweld te melden en nazorg aan gezinnen die behandeld zijn.
Soms zorgen ook signalen uit het veld voor de ontwikkeling van
draagvlak bij de ambtelijke afdelingen. Als van verschillende kanten
DE ROL VAN DE GEMEENTE 41
partijen aangeven dat huiselijk geweld een probleem is binnen hun
eigen werkveld, dan zullen de betreffende beleidsafdelingen eerder
overtuigd raken dat een aanpak huiselijk geweld noodzakelijk is.
20 Hoe krijg ik bestuurlijk draagvlak?
Net als voor ambtelijk draagvlak geldt voor bestuurlijk draagvlak dat
de ernst van het probleem (cijfers en feiten over deze vorm van criminaliteit,
maatschappelijke kosten van huiselijk geweld) een goede
ingang kan zijn tot bestuurlijk commitment. Ook een ernstig incident
in de gemeente leidt in de praktijk nogal eens tot bestuurlijke
activiteit.29
Verder wordt er tussen nu en 2006 een landelijk dekkend netwerk
van advies- en steunpunten huiselijk geweld opgezet, waardoor de
druk op gemeenten om te zorgen voor een goede aanpak van huiselijk
geweld zal toenemen. Daarnaast zijn argumenten in te brengen
als de toenemende publieke aandacht voor huiselijk geweld (onderwerp
van publieke debatten, veel media-aandacht), de grote aandacht
en middelen van de landelijke overheid voor huiselijk geweld, de
vele, goede initiatieven van soortgelijke gemeenten en de toenemende
aandacht voor huiselijk geweld binnen politieke partijen. Het is
ook mogelijk huiselijk geweld als speerpunt op te nemen in een
gezondheidsenquête30 onder burgers of in een peiling over leefbaarheid
en veiligheid in de gemeente.31
Tips voor intern draagvlak
• Creëer een opening bij een (betrokken) collega die affiniteit heeft met het
onderwerp. Als er geen enkele belangstelling vanuit de interne
organisatie is of veel weerstanden zijn is het ontwikkelen van
draagvlak een pittig proces.
• Zoek overeenkomsten in visie en werkwijze. De terreinen zorg/welzijn
en veiligheid kijken verschillend tegen de inhoud van huiselijk
geweld aan. Zij krijgen andere input uit het veld en hebben verschillende
visies op de problematiek. Ook kunnen beleidsmedewerkers
veiligheid een andere aanpak voor ogen hebben dan de
collega’s zorg/welzijn, wat voortkomt uit een andere manier van
42 HUISELIJK GEWELD
29 In de gemeenten Haarlem en Zwijndrecht (voorlopers) vormden incidenten
huiselijk geweld met een dodelijke afloop de aanleiding om beleid te ontwikkelen.
30 Voorbeelden zijn gezondheidsenquêtes in Walcheren, Haarlem en Drenthe.
31 Voorbeelden zijn leefbaarheid- en veiligheidspeilingen in Rotterdam en Tilburg.
werken. Focus je op raakvlakken en overeenkomsten en probeer
tot een werkwijze te komen die aansluit bij de eigen werkwijze en
bij de manier van werken van het veld.
• Werk aan bewustwording. Zijn collega’s of het bestuur bewust van
het belang van het onderwerp? En realiseren zij zich dat huiselijk
geweld in iedere gemeente voorkomt, dus ook in de eigen
gemeente?
• Benut de juiste momenten. De tijd moet rijp zijn om sleutelfiguren
over de streep te trekken. Er kan een aanleiding zijn (bijvoorbeeld
een tragisch incident), waardoor het snel gebeurt, maar soms is
het goed een geduldige weg te bewandelen. Houd daarbij wel de
voortgang in de gaten.
• Wees je bewust van de randvoorwaarden. Het is belangrijk te weten
welke afdeling probleemeigenaar is van een deel van de aanpak,
zodat een afdeling niet een probleem oplost dat bij een collegaafdeling
hoort te liggen. De probleemeigenaar dient zich hiervan
bewust te zijn en dient hierop aangesproken te worden. Een andere
randvoorwaarde is grip hebben op de sturing. Bij huiselijk
geweld gaat het om veel partijen en veelal om een ingewikkelde
organisatiestructuur. Bij een goede sturing kan de gemeente
onderdelen wegzetten bij de instellingen en erop toezien dat zij
hiervoor verantwoordelijkheid nemen.
• Leg verbindingen tussen de draagvlakontwikkeling onder verschillende
geledingen. Het gaat hierbij om het verbinden van de verschillende
vormen van draagvlak, zoals draagvlak onder het intern bestuur,
onder collega’s, onder directies van instellingen of onder uitvoerende
medewerkers van instellingen.
21 Hoe krijg ik draagvlak bij ‘het veld’?
Over het algemeen zijn de instellingen die direct te maken hebben
met (de gevolgen van) huiselijk geweld, zoals de vrouwenopvang,
algemeen maatschappelijk werk of de politie, overtuigd van de noodzaak
voor een stevige aanpak. De bereidheid tot samenwerking is dan
ook in ruime mate aanwezig. In enkele gemeenten is zelfs een instelling
initiatiefnemer die andere partijen, waaronder de gemeente,
DE ROL VAN DE GEMEENTE 43
erbij betrekt. Voor het betrekken van partners bij wie huiselijk
geweld minder duidelijk op het netvlies staat, zoals huisartsen of het
onderwijs, is meer overtuigingskracht nodig. Het gaat dan niet alleen
om het erkennen van het probleem, maar ook om het herkennen
ervan, wat voorafgaat aan erkenning. Wat over het algemeen goed
werkt is insteken op meerdere niveaus, namelijk op het bestuurlijk,
directie-, beleids- of uitvoerend niveau. De portefeuillehouder kan
huiselijk geweld in een overleg met bestuurders van potentiële partners
aan de orde stellen, terwijl op beleidsniveau een beleidsmedewerker
gezondheidsbeleid kan aanschuiven bij een ambtelijk overleg
van diezelfde partner. Zo landt het onderwerp op meerdere niveaus
en is de kans groter dat huiselijk geweld een speerpunt wordt binnen
het beleid van de partner.
Een andere mogelijkheid is het inschakelen van het netwerk van collega’s
die contacten hebben met verschillende instellingen. Zo kan
bijvoorbeeld de beleidsmedewerker onderwijs zijn contacten bij de
scholen gebruiken om huiselijk geweld onder de aandacht te brengen.
De beleidsmedewerker jeugdbeleid heeft regelmatig contact
met het Bureau Jeugdzorg. Deze contacten kunnen functioneel zijn
en worden ingezet voor het ontwikkelen van draagvlak.
Tips voor het ontwikkelen van draagvlak bij het veld
• Bepaal als gemeente de strategie en denk aan de volgende vragen:
- welke partners heb ik nodig?
- waarom heb ik deze partners nodig?
- welke bijdrage kunnen ze leveren?
- welke visie hebben zij op een aanpak huiselijk geweld?
- welke kansen en bedreigingen zijn er?
- wat zijn de (on)mogelijkheden als je de partijen bij elkaar zet?
• Benader partners individueel en roep daarna een netwerk in het
leven.
• Bewaak de continuïteit bij de partners. Vóóraf dient helder te zijn
wie verantwoordelijkheid draagt voor welke organisatie. Door personeelswisselingen
kan het draagvlak bij de betreffende partner
verminderen, vooral als een vertegenwoordiger van een instelling
44 HUISELIJK GEWELD
de enige is die zich met het onderwerp huiselijk geweld bezighoudt.
Zowel de persoon als de functie is belangrijk voor het benaderen
van een partner. Maak de instelling verantwoordelijk voor
continuïteit en inbedding van de aanpak huiselijk geweld binnen
de eigen organisatie.
• Zorg ervoor dat de partner zich ervan bewust is dat zij de gemeente
iets te bieden heeft en dat zij vanuit haar specifieke expertise een
belangrijke bijdrage levert aan het beleid. Bij sommige partners
lijkt dat vanzelfsprekend (politie, AMW, GGD), bij andere partners
is dat minder duidelijk (bijvoorbeeld huisartsen of onderwijsinstellingen).
• Zet het bestuur in voor draagvlakontwikkeling bij het veld. Het
werkt om de aftrap hoger in te zetten, bijvoorbeeld door een wethouder
of burgemeester. Dan ontstaat er een kerngroep met strategische
mensen met bestuurlijke bevoegdheid en kan er een vervolg
komen met een uitvoeringstraject.
22 Hoe leg ik het gemeentelijke beleid vast?
Sommige gemeenten hebben huiselijk geweld vastgelegd in een
beleidsnota/-notitie en/of een plan van aanpak. De volgende onderdelen
zijn in de nota’s terug te vinden:
• een definitie en omschrijving van het probleem ‘huiselijk geweld’;
• gemeentelijke en regionale feiten en cijfers over huiselijk geweld
(politiegegevens, gegevens van zorginstellingen, gegevens uit
bevolkingsonderzoek);
• (SMART-)doelstellingen,32 doelgroepen en beoogde resultaten van
het gemeentelijke beleid huiselijk geweld;
• de verantwoordelijkheden en rolopvatting van de gemeente;
• de (beoogde) samenwerkingspartners (relevante afdelingen binnen
de gemeenteorganisatie en externe organisaties) en de taakverdeling
daartussen;
• de (beoogde) samenwerkingsrelaties (wat, met wie, hoe);
• de informatie- en communicatiemiddelen;
• de monitor- en evaluatiemiddelen;
• het stappenplan (wat, wanneer, hoe, door wie).
DE ROL VAN DE GEMEENTE 45
32 SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en
Tijdgebonden.
Het is overigens niet de enige optie om als gemeente een beleidsnota
huiselijk geweld te schrijven. Het is ook mogelijk om de bestaande
nota van de regio of de provincie tot uitgangspunt te nemen en
daar een specifiek gemeentelijk plan van aanpak van af te leiden. Het
is ook mogelijk om samen met de regiogemeenten een nota of een
plan van aanpak te schrijven of om huiselijk geweld als beleidsthema
op te nemen in de veiligheidsnota of in de gezondheidsnota.
23 Hoe bepaal ik prioriteiten?
Het bepalen van de prioriteiten hangt af van de uitgangssituatie.
Sommige gemeenten of regio’s staan aan het begin van het ontwikkelen
van beleid, andere gemeenten hebben inmiddels de beleidsuitgangspunten
op papier en zitten in de uitvoeringsfase. Enkele aanbevelingen
voor het aanwijzen van prioriteiten zijn:
1 Kies (ook) voor een knelpunt dat binnen afzienbare tijd tot een
merkbare verbetering kan leiden.
2 Kies (ook) voor prioriteiten op het terrein van de uitvoering (preventie,
signalering en bescherming, hulpverlening en nazorg)
naast prioriteiten op het terrein van visie, afstemming, communicatie
en samenwerking.
3 Zorg voor enig evenwicht in het lijstje van prioriteiten wat betreft:
- gemakkelijk te realiseren doelstellingen naast belangrijke maar
moeilijk te realiseren doelstellingen;
- financieel moeilijk liggende zaken zoals preventie naast financieel
gemakkelijker te realiseren zaken zoals een advies- en
steunpunt huiselijk geweld, waar middelen voor beschikbaar
zijn;
- kortetermijndoelstellingen naast middellangetermijndoelstellingen.
De keuze van de prioriteiten wordt doorgaans mede bepaald door in
gesprek te gaan met betrokken partijen (politie, AMW, vrouwenopvang)
en te horen wat de knelpunten in de praktijk zijn.
46 HUISELIJK GEWELD
24 Hoe monitor en evalueer ik het beleid?
Monitoring en evaluatie zijn vaste onderdelen van elke beleidscyclus.
Om huiselijk geweld beleid te monitoren en te evalueren kunnen
bestaande ‘algemene’ instrumenten gebruikt worden en meer op het
thema toegespitste instrumenten.
De twee mogelijkheden zijn:
1 De nul- en eindmetingsmethode: het uitvoeren van een nulmeting
van registratiegegevens van instellingen of gegevens uit burgerpeilingen
bij de start van het beleid huiselijk geweld.33 De eindmeting
vindt plaats na afronding van het project of na een van tevoren
bepaalde beleidsperiode. Hierbij kan het gaan om kwantitatief
meten, zoals registratiegegevens van de politie en/of zorginstellingen,
gegevens uit bevolkingsonderzoek of de scores van een tevredenheidsonderzoek
onder cliënten. Voorbeelden van kwalitatief
meten zijn kwalitatieve gegevens over de behandeling van plegers,
slachtoffers en getuigen van huiselijk geweld, kwalitatieve gegevens
over de samenwerking tussen politie, justitie, zorg, welzijn,
onderwijs en gemeente of kwalitatieve gegevens over de mate
waarin sprake is van een optimale ketenaanpak.
2 Gebruikmaken van een bestaand monitor- en/of evaluatie-instrument,
zoals de periodieke Gezondheidsenquête, de Politiemonitor,
de Jeugdmonitor of de GSB-monitor. Een specifiek op het
onderwerp toegespitst instrument is de Vrouwenveiligheidsindex.
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet op dit
moment (2004) in enkele gemeenten een proef met een lokale
Vrouwenveiligheidsindex (VVI). Met dit instrument krijgen
gemeenten meer inzicht in seksespecifiek geweld. Op basis daarvan
kunnen zij beleid ontwikkelen, onderbouwen en meetbaar
maken. De VVI meet in eerste instantie alleen geweld tegen vrouwen.
Voor de VVI wordt onderzoek gedaan onder de (lokale) bevolking
met behulp van speciaal ontwikkelde interviews en enquêtes.
Het is de bedoeling in een latere fase ook geweld tegen kinderen
en mannen te monitoren. De proef met de VVI loopt in Rotterdam,
Haarlem, Tilburg, de gemeentelijke cluster Middelburg,
DE ROL VAN DE GEMEENTE 47
33 Op de website www.aanpakhuiselijkgeweld.nl staat een nulmeting huiselijk
geweld, ontwikkeld door SGBO. Deze nulmeting is bedoeld om de beginsituatie
van de aanpak huiselijk geweld bij gemeenten in kaart te brengen.
Vlissingen en Veere, en in 57 gemeenten in de provincie Limburg.
Daarnaast is een stedelijke monitor OGGZ in ontwikkeling die
ook bruikbare informatie kan opleveren voor de stand van zaken
met betrekking tot huiselijk geweld.34
Gezondheidsenquête in Walcheren (Middelburg, Vlissingen en
Veere)
In 1999 is de nota gezondheidsbeleid in Walcheren geschreven op
basis van het Lalonde-model. Voor het opstellen van de nota is een
reeks gesprekken gevoerd. In deze gesprekken is aangegeven dat
huiselijk geweld een speerpunt zou moeten zijn in de nota. De volgende
stap was het opnemen van vragen over huiselijk geweld in de
gezondheidsenquête voorafgaande aan de nieuwe nota. Uit deze cijfers
blijkt dat 7% van de bevolking te maken heeft met huiselijk
geweld.
De regio Walcheren is pilotgemeente in de Vrouwenveiligheidsindex.
Ten behoeve hiervan is in 2004 een uitgebreidere enquête verstuurd.
Deze cijfers laten zien dat 8% van de inwoners op Walcheren
(= 9.000) te maken heeft met huiselijk geweld; waarvan 30% eenmalig
en 600 mensen bijna dagelijks. 40% Van de slachtoffers zegt
geen behoefte te hebben aan hulp. Diegenen die daaraan wel behoefte
hebben, noemen vooral deelname aan lotgenotengroepen. Dit zou
kunnen betekenen dat slachtoffers minder heil zien in hulpverlening
dan in contacten met lotgenoten. Via een campagne zou dit beeld
kunnen worden omgevormd.
De gemeente is blij dat zij over deze cijfers beschikt. Om het bestuur,
de collega ambtenaren en de partners van de noodzaak van een aanpak
huiselijk geweld te overtuigen zijn landelijke cijfers veelal niet
meer toereikend. Lokale en regionale cijfers zijn dan zeer welkom.
48 HUISELIJK GEWELD
34 Het Trimbos-instituut is bezig met de Stedelijke Monitor OGGZ waar tien centrumgemeenten
aan deelnemen.
3 De keuze en betrokkenheid van
relevante partners
25 Tot welke beleidsterreinen hoort huiselijk geweld?
Huiselijk geweld zit op een snijvlak van meerdere beleidsterreinen
van de gemeente, te weten veiligheid, gezondheid en welzijn/maatschappelijke
opvang (MO). Bij veiligheid is er het integraal veiligheidsbeleid
(IVB), waarbinnen huiselijk geweld een belangrijk speerpunt
is. In verschillende gemeenten is op basis van het IVB een
goedwerkende structuur opgezet en zijn er voldoende overlegsituaties.
De politie en het Openbaar Ministerie zitten al met de gemeente
om de tafel in het driehoeksoverleg. Daarnaast is veiligheid nu een
belangrijk politiek thema, waarvoor ook extra financiële middelen
beschikbaar worden gesteld.
Voor het gezondheidsbeleid is de openbare geestelijke gezondheidszorg
(OGGZ) in het kader van de WCPV van belang. Een van de verplichtingen
voor de OGGZ in de WCPV is het bereiken en begeleiden
van kwetsbare groepen. In verschillende regio’s zijn er OGGZnetwerken
opgezet, al dan niet op basis van een convenant.
De raakvlakken van huiselijk geweld met het welzijnsbeleid liggen
vooral in de uitvoering van de maatschappelijke opvang. De centrumgemeenten
maatschappelijke opvang zijn verantwoordelijk voor
voldoende aanbod en stellen daarvoor een regiovisie maatschappelijke
opvang op.
26 Vanuit welk beleidsterrein dient huiselijk geweld te
worden opgezet?
Omdat huiselijk geweld onder verschillende beleidsterreinen valt, is
een intersectorale aanpak noodzakelijk. Het is dan ook belangrijk om
een trekker (coördinator) aan te wijzen. Het maakt niet uit welk
beleidsterrein de coördinatiefunctie krijgt toebedeeld; de lokale
omstandigheden beïnvloeden vaak deze keuze. Het is hierbij van
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 49
belang dat het coördinerend beleidsterrein de andere terreinen erbij
betrekt. Daarnaast is het van belang een projectondersteuner aan te
stellen voor de uitvoering van taken en projectgebonden activiteiten.
Het al ontwikkelde gemeentelijk beleid, de reeds bestaande projecten
en de betrokkenheid van ambtenaren/bestuur zijn enkele factoren
die de keuze van de trekkersrol bepalen.
Een soms doorslaggevende factor voor de keuze is de inhoudelijke
betrokkenheid van een ambtenaar of wethouder. Deze ambtenaar of
portefeuillehouder pakt de regierol op en brengt het thema huiselijk
geweld onder binnen het ‘eigen’ beleidsterrein. Om tot een goede
afstemming te komen tussen de verschillende beleidsterreinen, is
een betrokken trekker een groot voordeel. Let wel op een evenwicht
tussen persoonlijke betrokkenheid en professionele afstand; huiselijk
geweld is namelijk een emotioneel beladen onderwerp.
Bestaande projecten huiselijk geweld kunnen tot een automatische
keuze leiden. In verschillende regio’s in Nederland zijn al projecten
huiselijk geweld opgestart door bijvoorbeeld de politie of de vrouwenopvang
(VO). Als de politie al een samenwerkingsverband heeft
opgezet, ligt het voor de hand dat dit samenwerkingsverband de trekker
is. Als de VO reeds projecten over de aanpak huiselijk geweld
heeft opgestart, zal de afdeling welzijn binnen de gemeente vaak het
aanspreekpunt zijn.
In enkele gemeenten wordt integraal beleid bevorderd door themagericht
werken. Huiselijk geweld is een van de thema’s binnen het bredere
thema samenleving. Een andere mogelijkheid is om het onderwerp
eindverantwoordelijkheid te maken van de afdeling
Bestuurszaken en de uitvoering onder te brengen bij Veiligheid en
Welzijn.
Het komt nogal eens voor dat gaandeweg het proces het coördinatorschap
wordt overgedragen aan een andere beleidsafdeling. De
aanwezigheid van voldoende personele capaciteit op een afdeling, de
financieringsmogelijkheden van de betreffende afdeling, de betrok-
50 HUISELIJK GEWELD
kenheid van de portefeuillehouder bij het onderwerp of de mogelijkheden
voor structurele inbedding binnen bestaand beleid zijn factoren
die een overdracht beïnvloeden.
Het is echter niet zo dat als er een trekker is aangewezen, de overige
betrokkenen geen taken meer hebben. Alle beleidsterreinen blijven
hun verantwoordelijkheden op hun terrein behouden en blijven probleemeigenaar
op deelgebieden van de aanpak huiselijk geweld.
De invalshoek jeugd in de gemeente Doetinchem en de regio
Achterhoek
Huiselijk geweld is een belangrijk speerpunt van het Integraal
Veiligheidsbeleid in de gemeente Doetinchem. Voordat de gemeente
zich is gaan bezighouden met dit onderwerp hadden verschillende
externe partijen (GGD, Raad voor de Kinderbescherming, GGNet,
politie etc.) al hiervoor initiatief genomen. Er draait al enige tijd het
project Huiselijk Geweld Achterhoek waarbij de gemeente
Doetinchem één van de trekkers is. Het project richt zich op slachtoffer
en dader. De positie van kinderen krijgt hierbij nadrukkelijke
en specifieke aandacht. Het kind is immers weer de ouder van de
toekomst. Huiselijk geweld heeft ook een plek gekregen in het jeugdnetwerk
in de Achterhoek waarin provincie, gemeenten en de bij jongeren
betrokken partijen vertegenwoordigd zijn.
De gemeente werkt aan regionalisering van de aanpak huiselijk
geweld in de regio Achterhoek. Er is inmiddels een intergemeentelijke
stuurgroep huiselijk geweld in het leven geroepen met de burgemeester
van de gemeente Neede als voorzitter. Deze stuurgroep
bestaat verder uit wethouders, GGD, GGNet, Bureau Jeugdzorg,
Maatschappelijk Werk en de politie. Er wordt gewerkt met deeltrajecten,
waarvoor coördinatoren zijn aangesteld. De stuurgroep ziet
toe op de inhoudelijke afstemming tussen de deeltrajecten.
De invalshoek veiligheid in Uden en Veghel
Huiselijk geweld is in deze twee gemeenten een van de veiligheidsthema’s
en op de politieke agenda gebracht vanuit de Districtelijke
Driehoek. Aanvankelijk leefden bij deze gemeenten vragen over de
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 51
regierol van de gemeenten, maar sinds het verschijnen van de nota
Privé geweld – publieke zaak, is daar meer inzicht in verkregen. De
gemeente Uden heeft, met de drie andere gemeenten in hetzelfde
politiedistrict een plan van aanpak geschreven. Hierin staat beschreven
dat de gemeenten zich onder andere zullen gaan richten op registratie,
het advies- en steunpunt en op de daderaanpak. Op dit
moment worden voorkomende gevallen van huiselijk geweld in het
zogenoemde vierhoeksoverleg afgehandeld. In dit vierhoeksoverleg
hebben zitting: AMW, slachtofferhulp, politie en OM.
27 Hoe stimuleer ik de interne samenwerking?
Er zijn geen algemene richtlijnen voor het opzetten en stimuleren
van interne samenwerking tussen de beleidsterreinen. Wel kunt u
rekening houden met de volgende aandachtspunten:
• Zorg voor draagvlak, ga uit van een gedeelde problematiek.
Draagvlak is een kwestie van bereidheid, oordeelsvorming, beeldvorming
én besluitvorming. Politieke bereidheid is idealiter raadsbreed.
• Stel een coördinator aan die aanspreekpunt is.
• Zet afspraken concreet op papier. Met name ook de taak- en functieomschrijvingen
van functionarissen en werkgroepen en laat ze
ondertekenen door bestuurscommissies.
• Zorg gelijk voor financiële afspraken. Ga bij budgetvorming in principe
uit van de totale periode. Als dat niet lukt, probeer dan zo concreet
mogelijk aan te geven welke resultaten nodig zijn voor vervolgfinanciering.
• Bepaal wie geïnformeerd moet worden en ook welke informatie
voor wie interessant is. Zorg voor een goede communicatie, bijvoorbeeld
door een e-mailcirkel op te zetten.
• Besteed aandacht aan procesmanagement (mensen erbij houden) en
persoonlijke contacten.
• Bouw expliciete go/no go-beslissingen of evaluaties in. Dit onder
meer om het draagvlak te behouden.
52 HUISELIJK GEWELD
Communicatie in West-Brabant
In het project ‘STOP huiselijk geweld West-Brabant’ zijn communicatie
en procesmanagement twee belangrijke onderdelen. Zo wordt
maandelijks een nieuwsbrief verspreid. De nieuwsbrief gaat naar
ongeveer 160 personen.
Verder heeft de projectleider aan de start van het project een kennismakingsronde
gehouden bij de handtekeningzetters (van de samenwerkingsovereenkomst
in juni 2003) van de organisaties en instellingen
die in het project participeren. Daarnaast is er een werkconferentie
voor beleidsambtenaren georganiseerd, is de projectleider bij
de gemeenten langs geweest en zijn de wethouders geïnformeerd in
het Portefeuillehoudersoverleg Volksgezondheid.
28 Waarom moet de gemeente samenwerking tussen en
met andere organisaties stimuleren?
Organisaties van binnen en buiten de overheid zijn zich gaan realiseren
dat zij huiselijk geweld niet alléén kunnen bestrijden. Politie,
OM, reclassering, vrouwenopvang en andere hulporganisaties zullen
moeten samenwerken. De praktijk leert echter dat niet alle spelers
rond de aanpak van huiselijk geweld op de hoogte zijn van de rol van
andere spelers.
De gemeente kan samenwerking met en tussen instellingen initiëren,
omdat de samenwerking vooral lokaal tot stand moet komen. De
samenwerking heeft tot doel om situaties van huiselijk geweld zo
vroeg mogelijk te leren signaleren en daar vervolgens adequaat mee
om te gaan. In steeds meer gemeenten is er daarom een samenwerkingsoverleg
(netwerkoverleg) en worden samenwerkingsafspraken
vastgelegd.
Voor de samenwerking tussen de verschillende organisaties is het
van belang om uit te gaan van een gedeelde problematiek en eigen
verantwoordelijkheid. Het voorschrijven van zogenaamde voorschriften
voor betrokken organisaties werkt in de praktijk meestal
niet. Toch zullen er geregeld visieverschillen blijven bestaan, omdat
instellingen ook een eigen belang hebben. Let er dus goed op vanuit
welk perspectief gesprekspartners kijken.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 53
29 Wie zijn de kernpartners in de aanpak van huiselijk
geweld en welke rol hebben zij?
Er zijn vele organisaties bij de aanpak van huiselijk geweld betrokken.
De kernpartners zijn: de GGD, AMW, vrouwenopvang, politie,
OM, AMK en Bureau Jeugdzorg. Hieronder worden de belangrijkste
taken per organisatie beschreven.
GGD
De GGD (Gemeentelijke, Gemeenschappelijke of Gewestelijke
Gezondheidsdienst) is de belangrijkste uitvoerder van het lokale
gezondheidsbeleid. GGD Nederland is de landelijke koepelorganisatie
van alle gemeentelijke en gewestelijke gezondheidsdiensten in
Nederland.
De GGD draagt bij aan de bevordering en bewaking van de gezondheid
van de gehele bevolking en vervult een belangrijke rol in de uitvoering
van preventieve gezondheidszorg, gericht op groepen met
specifieke risico’s. Naast preventie kan de GGD ook andere taken uitvoeren,
bijvoorbeeld het organiseren van netwerken of de uitvoering
van een meldpunt.
De organisatie en de activiteiten van de GGD verschillen van regio tot
regio. Enkele GGD’en zijn een stedelijke GGD, maar de meeste
GGD’en zijn regionaal georganiseerd. In de praktijk blijkt dat er
grote verschillen zijn in de relaties tussen de gemeente en de GGD.
In het algemeen hebben grotere gemeenten het idee dat ze meer
invloed hebben op de GGD dan de kleinere gemeenten. Maar ook de
regiogrootte van de GGD is van invloed: gemeenten die onder een
kleine GGD vallen (met een kleiner werkgebied), hebben vaak een
directere relatie met de GGD dan gemeenten die onder een grote
GGD met een groot werkgebied vallen.
In sommige regio’s is de regierol voor de aanpak huiselijk geweld
gedelegeerd aan de GGD. De projectleider huiselijk geweld is dan bijvoorbeeld
in dienst van de GGD. De regio’s die het projectleiderschap
hebben ondergebracht bij de GGD, dienen ervoor te waken dat
de aanpak huiselijk geweld verankerd is en binnen het gemeentelijk
54 HUISELIJK GEWELD
beleid blijft. In regionaal verband komt het voor dat de GGD, als
secretaris van het regionaal bestuurlijk overleg, huiselijk geweld
rechtstreeks agendeert en daarmee de beleidsregie van de gemeenten
overneemt. In dit kader is het voor gemeenten belangrijk zich
bewust te zijn van de lijnen tussen de GGD en het regionaal bestuur.
Naast het coördinatorschap en alle taken die daarbij horen (projectleiding,
opzetten netwerk, ontwikkelen van een visie, het formuleren
van doelen en aanwijzen van doelgroepen), heeft de GGD preventietaken
op het gebied van huiselijk geweld, zoals signaleren, doorverwijzen
en het bevorderen van deskundigheid van de uitvoerende
medewerkers. De rol en mogelijkheden van de GGD in de aanpak en
preventie van huiselijk geweld zijn beschreven in een handreiking
die in 2004 is verschenen.35
De GGD in Arnhem
De gemeente Arnhem is in maart 2003 begonnen met de structurele
aanpak van huiselijk geweld. De aanpak is een prioriteit in het
OGGZ-convenant, dat samenwerkende partijen hebben afgesloten.
De aanpak is een voortzetting van het traject dat de politie in gang
gezet heeft. De betrokken partijen hebben gekozen voor een groeimodel.
Hulpverlening Gelderland Midden (GGD Arnhem) heeft een
coördinerende functie. Bij HGM zijn twee casemanagers aangesteld
met een hulpverleningsachtergrond. De casemanagers hebben een
werkplek bij HGM en bij het Arnhemse Veiligheidshuis. Zij werken
nauw samen met de politie, omdat zij de meldingen van de politie als
uitgangspunt nemen voor vervolgstappen in de hulpverleningsketen.
Op deze manier houden de casemanagers zicht op de aard en
omvang van de meldingen. Daarnaast werken zij aan de sluitende
aanpak tussen de justitiële en zorgketen en signaleren lancunes in de
aansluiting. Zij proberen hiervoor, in samenwerking met de betrokken
organisaties, oplossingen te zoeken.
Het algemeen maatschappelijk werk
Door de brede maatschappelijke oriëntatie en de laagdrempelige
functie36 is het algemeen maatschappelijk werk (AMW) een kern-
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 55
35 Aanpak en preventie van huiselijk geweld. Een handreiking voor GGD’en. R. Vink,
Utrecht, 2004.
36 Het AMW is een eerstelijnsvoorziening.
partner in de aanpak van huiselijk geweld. Er zijn ruim 150 instellingen
voor het AMW met bijna 800 locaties. Maatschappelijk werk
biedt hulp bij problemen op drie gebieden: psychisch, relationeel
en/of materieel. De hulp kan algemeen, voor iedereen zijn, maar
zich ook richten op een specifiek probleem van één of enkele personen.
Het AMW biedt direct toegankelijke psychosociale en sociaaljuridische
hulpverlening aan mensen die door uiteenlopende problemen
en gebeurtenissen in een situatie terechtkomen, die hun draagkracht
te boven gaat en waarbij onvoldoende steun in hun omgeving
voorhanden is.
Het AMW helpt mensen zelf een methode te vinden om met de problemen
om te gaan of ze op te lossen. Onder andere door individuele
gesprekken, maar ook door verwijzing naar andere hulpverlenende
instanties, crisishulp en groepswerk. Vaak is een periode van drie
tot vijf maanden voldoende om de mensen zelfstandig verder te laten
gaan.
Het AMW kenmerkt zich door:
• het bevorderen van psychosociale zelfredzaamheid, door middel
van begeleiding en behandeling, op basis van de eigen verantwoordelijkheid
van de cliënt;
• het verschaffen van toegang tot gespecialiseerde zorg- en welzijnsvoorzieningen
en tot publieke informatie en voorzieningen;
• bemiddeling en belangenbehartiging naar personen en instanties.
Bij het AMW waren de wachtlijsten behoorlijk hoog. Om daar wat aan
te doen, heeft de overheid extra geld beschikbaar gesteld. Daarvan zijn
onder meer extra maatschappelijk werkers aangenomen.
De rol van het AMW in Barendrecht
In het kader van het emancipatiebeleid is het projectplan ‘Aanpak
geweld binnen de huiselijk kring’ in Barendrecht uitgevoerd gedurende
een periode van een jaar (2002-2003). Dat project hield o.a. in
een inventarisatie van de problematiek onder de partners, het om de
tafel krijgen van de partners en een cursusaanbod aan de betrokken
56 HUISELIJK GEWELD
organisatie ten behoeve van deskundigheidsbevordering. Er is een
projectgroep huiselijk geweld ingesteld en een plan van aanpak opgesteld.
Het project Huiselijk Geweld wordt voortgezet gedurende twee jaar,
waarvoor een externe projectleider wordt aangesteld. Het praktische
coördinatorschap is bij de instelling voor Algemeen Maatschappelijk
Werk ondergebracht en wordt gefinancierd vanuit (reserve)middelen
van het AMW en vanuit gelden voor Openbare Veiligheid.
De gemeente wil een Centraal Meldpunt oprichten en deze onderbrengen
bij de uitvoeringsorganisatie van het AMW. Deze organisatie
is 24 uur bereikbaar en beschikt over een crisisdienst. Het meldpunt
heeft tot doel de meldingsmogelijkheden binnen Barendrecht
te verbeteren, het ontwikkelen en stroomlijnen van hulpverleningsmogelijkheden
voor slachtoffers en plegers en de meldingsbereidheid
van slachtoffers, plegers, getuigen en hulpverleners te vergroten.
Er zullen specifieke afspraken worden gemaakt voor de meldingen
van huiselijk geweld in de gemeente Barendrecht. Het is de
bedoeling op termijn aan te haken bij een regionaal advies- en steunpunt.
Vrouwenopvang
Vrouwenopvang (VO) biedt opvang aan vrouwen en kinderen die
slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Naast hulpverlening is er voor
de medewerkers een belangrijke rol weggelegd op het gebied van signalering
en voorlichting. Vrouwenopvang kijkt ook naar andere
mogelijkheden om de veiligheid te vergroten. Daarbij kan gedacht
worden aan weerbaarheidstrainingen voor de vrouw en een hulpverleningstraject
voor de kinderen. Daarnaast stelt de vrouwenopvang
haar expertise ter beschikking in de regio om te komen tot een sluitende
regionale aanpak.
De vrouwenopvang doet of draagt zorg voor een samenhangend aanbod
aan vrouwen die zich aanmelden. Dit aanbod is gericht op het
stoppen van het geweld. De vrouwenopvang biedt naast residentiële
opvang vormen van (ambulante) hulp en/of schakelt anderen in. Het
aanbod van de VO kan bestaan uit:
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 57
a een specifiek hulpaanbod voor mishandelde vrouwen;
b een specifiek hulpaanbod voor kinderen die getuige zijn geweest
van geweld;
c een specifiek hulpaanbod voor plegers van geweld.
De rol van de vrouwenopvang in Utrecht
Het advies- en steunpunt ‘een veilig huis in Utrecht’ is in 1998 in
gang gezet door de vrouwenopvang en de politie. De projectfase heeft
4 jaar geduurd met als eindproduct het Zorgprogramma relationeel
geweld. In januari 2002 is het advies- en steunpunt gestart.
De kern van het advies- en steunpunt is:
• vroegtijdige signalering;
• stoppen van geweld en voorkomen van herhaling;
• normstellend handelen naar daders;
• gedegen opvang en verwijzing (sociale kaart inzichtelijk maken
voor alle participanten);
• registratie en inzicht in de aard en omvang van huiselijk geweld en
opvangmogelijkheden;
• laagdrempeligheid en 24-uurs bereikbaarheid.
Het advies- en steunpunt is aangehaakt bij de vrouwenopvang. Voor
Utrecht was dit op dat moment de meest logische keuze, omdat het
initiatief voor een aanpak huiselijk geweld is genomen door de vrouwenopvang
en de politie. De frontoffice wordt gevormd door een
team van hulpverleners die in dienst zijn van de vrouwenopvang. De
backoffice wordt gevormd door de programmacoördinator, de casemanager-
consulent, een medewerker registratie/documentatie, de
samenwerkende organisaties binnen de stuurgroep (managementniveau)
en aandachtsfunctionarissen (middenkader).
Aanvankelijk waren de geldstromen voor de vrouwenopvang en het
advies- en steunpunt huiselijk geweld gebundeld. Dit bleek niet handig,
omdat niet duidelijk was welke middelen waarvoor bestemd zijn.
Het geld voor het advies- en steunpunt huiselijk geweld komt nu
geoormerkt binnen.
58 HUISELIJK GEWELD
Politie
De politie wordt vaak als eerste aangesproken over een situatie van
huiselijk geweld. De politie heeft niet alleen een strafrechtelijke maar
ook een hulpverlenende taak. Deze laatste taak is heel belangrijk
omdat de politie 24 uur per dag bereikbaar is.
De rol van de politie is:
• Bij melding van huiselijk geweld gaat de politie altijd naar de
plaats van het delict.
• Bij een strafbaar feit wordt de pleger (verdachte) aangehouden en
indien mogelijk vervolgd.
• Het slachtoffer wordt gemotiveerd aangifte te doen.
• Ook als er bij strafbare feiten geen aangifte wordt gedaan, kan de
politie de dader ambtshalve vervolgen.
Sinds enige tijd is er een landelijk netwerk huiselijk geweld binnen
de politieorganisatie actief. Hiervoor zijn in alle politiedistricten portefeuillehouders
huiselijk geweld aangewezen. Zij zijn er onder
meer verantwoordelijk voor dat er een beleidsplan aanpak huiselijk
geweld binnen de politie wordt opgesteld voor ‘de driehoek’. Ook
moeten zij ervoor zorgen dat er afspraken worden gemaakt voor de
samenwerking met het OM en de gemeenten. Hiervoor zijn in veel
gevallen convenanten opgesteld. In 21 van de 25 politiedistricten is
de bestrijding van huiselijk geweld als prioriteit aangewezen.37 De
portefeuillehouders hebben ook taken op het gebied van deskundigheidsbevordering
ten behoeve van verschillende doelgroepen binnen
het politieapparaat, zoals meldkamerpersoneel en wijkteams. Een
van de onderdelen van deskundigheidsbevordering is het herkennen
van huiselijk geweld.
Inmiddels is per 1 januari 2003 op initiatief van de Raad van Hoofdcommissarissen
een landelijk project gestart. In dit project wordt de
voortgang van de politieaanpak van huiselijk geweld gemonitord, een
aanbod voor deskundigheidsbevordering uitgewerkt en worden stappen
gezet om binnen de politieorganisatie binnen enkele jaren te
komen tot een eenduidig registratiesysteem voor huiselijk geweld
zaken.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 59
37 Privé-geweld – publieke zaak. Voortgangsbericht over de aanpak van huiselijk
geweld. Ministerie van Justitie, Den Haag, 2003.
Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie (OM) zorgt voor opsporing en vervolging
van verdachten van strafbare feiten. De rechter kan bijvoorbeeld een
taakstraf opleggen waarbij de pleger van huiselijk geweld verplicht
een hulpverleningsprogramma volgt. Ook kan het opleggen van een
straatverbod een maatregel zijn die de rechter kan opleggen. Het OM
speelt dus een belangrijke rol bij de vervolging van de pleger.
In elk arrondissement wordt een officier van justitie als contactfunctionaris
aangewezen die werkafspraken vastlegt met politie en reclassering.
Tevens ziet de contactfunctionaris toe op een voortvarende
aanpak van huiselijk geweld zaken door het parket. Samen met de
reclassering inventariseert hij de mogelijkheden voor daderbehandeling.
De functionaris zorgt ook voor systematische registratie.
Het Openbaar Ministerie speelt bij huiselijk geweld pas een rol op
het moment dat er aangifte is gedaan. Soms wordt het OM wel
betrokken bij meldingen van huiselijk geweld, bijvoorbeeld door
hulpverlenende instanties. Dit werkt in de praktijk vaak positief. Bij
overleg in een vroeg stadium tussen de betrokken instanties kunnen
de mogelijkheden van verdere aangifte en vervolging worden bekeken
en kan voor de meest effectieve aanpak in dat concrete geval worden
gekozen.
Op 1 april 2003 is de Aanwijzing huiselijk geweld van het OM in werking
getreden. In deze aanwijzing wordt het beleid van OM en politie
beschreven ten aanzien van de opsporing en vervolging van
geweld dat wordt gepleegd in de huiselijke kring van het slachtoffer.
De aanwijzing heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het stoppen
van huiselijk geweld, onder meer door het vergroten van de aangiftebereidheid
van slachtoffers. De notitie, opgesteld door het College
van Procureurs-Generaal, geeft aanwijzingen voor de samenwerking
tussen OM, politie en reclassering en voor dossieropbouw, daderaanpak
en slachtofferhulp. De Aanwijzing huiselijk geweld staat uitgebreider
beschreven onder vraag 10.
60 HUISELIJK GEWELD
Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)
Het AMK is de centrale instantie voor het vragen van advies over of
het melden van kindermishandeling. Elke provincie en grootstedelijke
regio heeft haar eigen Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.
Het AMK heeft (in tegenstelling tot het advies- en steunpunt huiselijk
geweld) een bevoegdheid om actie te ondernemen op grond van
een melding.
Het AMK geeft (meestal telefonisch) advies aan iedereen, die zich
zorgen maakt over een bepaald kind en daarbij denkt aan kindermishandeling.
Meestal vertellen mishandelde kinderen of degene die
hen mishandelt niet uit zichzelf over de situatie. Voor hen is het van
groot belang dat mensen in hun omgeving de mishandeling opmerken
en er iets aan doen.
Het AMK wijst mensen de weg naar de hulpverlening en zorgt
ervoor dat de hulp ook echt op gang komt. Het AMK verleent zelf
geen hulp. Het AMK ontvangt meldingen van vermoedens van kindermishandeling.
Deze worden nader onderzocht. Lijkt er inderdaad
wat aan de hand te zijn, dan stuurt het AMK uiterlijk binnen 6
weken bericht aan de ouders. Zij worden uitgenodigd voor een
gesprek. Het doel van dit gesprek of van meerdere gesprekken is, de
ouders te motiveren hulp te accepteren bij de problemen in de
opvoeding. Als dat lukt schakelt het AMK de hulpverlening in. Lukt
het niet om de ouders daartoe te bewegen, dan sluit het AMK de zaak
ook af, maar draagt deze over aan de Raad voor de Kinderbescherming.
Die heeft mogelijkheden om ouders te dwingen tot
hulp of kan andere maatregelen treffen om het kind te beschermen.
Nadat het AMK een zaak heeft afgesloten krijgt de melder bericht
over de afloop.
Bureau Jeugdzorg
Het Bureau Jeugdzorg verschaft toegang tot de jeugdzorg. Het is een
indicatieorgaan voor de jeugdhulpverlening. Alle vragen en aanmeldingen
betreffende jeugdhulpverlening verlopen via Bureau
Jeugdzorg. Het is een plaats waar kinderen, ouders, verzorgers,
opvoeders naartoe kunnen voor informatie, advies of hulpvragen.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 61
Ook alle mensen die beroepshalve werken met jeugd zoals het maatschappelijk
werk, het welzijnswerk, het onderwijs, politie en justitie
kunnen voor informatie, advies en/of hulp bij Bureau Jeugdzorg
terecht.
De kerntaak van het Bureau Jeugdzorg is het beoordelen van het verzoek
om hulp en indiceren voor de juiste zorg. Het bureau stelt vast
óf de cliënt in aanmerking komt voor zorg en zo ja voor welke vorm
van hulpverlening. Bij de indicatie bekijkt het Bureau Jeugdzorg ook
altijd of gezinscoaching nodig is. Jeugdzorg verleent in de regel zelf
geen zorg.
Bureau Jeugdzorg stelt de indicatie voor de volgende vormen van
Jeugdzorg:
• zorg aangeboden door een zorgaanbieder die de provincie betaalt;
• jeugd geestelijke gezondheidszorg (GGZ);
• een plaats in een justitiële inrichting;
• op termijn de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen.
Er zijn 99 vestigingen van Bureau Jeugdzorg in Nederland.
30 Welke andere partners zijn betrokken bij de aanpak
huiselijk geweld?
De Raad voor de Kinderbescherming
De Raad voor de Kinderbescherming is onderdeel van het ministerie
van Justitie en heeft als taak kinderen te beschermen als de lichamelijke
en/of geestelijke ontwikkeling gevaar loopt. De Raad wil de
rechten zoals beschreven in het Verdrag van de rechten van het Kind,
waarborgen. Het kind komt hierbij altijd op de eerste plaats.
De Raad is geen hulpverleningsinstantie. Hij onderzoekt de aard van
de bedreiging en hoe deze kan worden weggenomen. Medewerkers
van de Raad gaan niet met het gezin aan de slag om problemen op te
lossen. Wel zoeken zij uit welke vorm van hulp het beste is voor
ouders en kind, en zorgen zij ervoor dat die hulp op gang komt.
Verder kan de Raad de rechter vragen om een kinderbeschermingsmaatregel.
62 HUISELIJK GEWELD
Reclassering Nederland
Reclassering Nederland38 is een zelfstandige stichting die bijna volledig
wordt gesubsidieerd door het ministerie van Justitie. De reclassering
heeft verschillende taken, waaronder voorlichting geven aan
bijvoorbeeld de rechterlijke macht, taakstraffen uitvoeren, maar ook
vroeghulpbezoeken afleggen helemaal aan het begin van een traject
(als een verdachte vastzit in de politiecel). Verder voert Reclassering
Nederland ook een groot aantal zogenaamde reïntegratieprogramma’s
uit om mensen voor te bereiden op een bestaan zonder criminaliteit.
Om alle taken goed uit te kunnen voeren onderhoudt de
reclassering goede contacten met al haar partners in de strafrechtketen.
De reclassering kan de mogelijkheid van daderbehandeling voorleggen.
De reclassering zal (zeker als de kans op recidive groot is) het
OM vragen om dat tijdens de rechtszitting in haar eis mee te nemen.
De rechter beslist uiteindelijk of aan de eis gehoor wordt gegeven.
Als daderbehandeling wordt toegewezen, houdt de reclassering toezicht
op de naleving van de gestelde bijzondere voorwaarde(n).
Slachtofferhulp
Slachtoffers en mensen uit hun directe omgeving kunnen ondersteuning
krijgen van de bureaus Slachtofferhulp. Deze bureaus bieden
naast emotionele steun ook juridische en praktische hulp. Bij
Slachtofferhulp werken voornamelijk getrainde vrijwilligers.
Daderbehandeling
De forensische psychiatrische zorg heeft een behandelaanbod
beschikbaar voor de plegers van huiselijk geweld. Daders kunnen er
vrijwillig terecht, maar ook in het kader van een strafrechtelijk traject,
toegewezen door het OM. Indien mogelijk en wenselijk worden
hun partners en kinderen bij de behandeling betrokken. De behandeling
is vooral gericht op het voorkomen of reguleren van agressie
en op gedragsverandering.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 63
38 Verslavingsreclassering en reclassering Leger des Heils zijn aparte organisaties.
Onderwijsinstellingen
Onderwijsinstellingen, met name het basis- en voortgezet onderwijs,
krijgen vooral met huiselijk geweld te maken in de sfeer van signalering
en verwijzing. Scholen worden meestal in een later stadium
betrokken bij het beleid huiselijk geweld en worden dan ook niet aangemerkt
als kernpartners. Toch zijn zij een belangrijke schakel wanneer
het gaat om het signaleren van de gevolgen van huiselijk geweld
bij kinderen. Veel scholen hebben zorgteams. Dit is een netwerk
waarin doorgaans de schoolarts, schoolmaatschappelijk werker,
mentoren en de leerplichtambtenaar zitting nemen. De meeste zorgteams
bespreken ook casuïstiek. Huiselijk geweld komt steeds vaker
op de agenda van de zorgteams.
Met betrekking tot de signalering van huiselijk geweld zijn ook ziekenhuizen,
huisartsen (verenigd in de Districts Huisartsen
Vereniging (DHV)), consultatiebureaus en de Thuiszorg belangrijke
partners. Daderhulpverlening wordt steeds vaker door GGZ-instanties
opgezet (bijvoorbeeld de Waag). Andere mogelijke samenwerkingspartners
zijn thuiszorg, FIOM, verslavingszorg (voormalig consultatiebureau
voor alcohol en drugs (CAD), welzijnsorganisaties,
zelforganisaties minderheden, fysiotherapeuten, dierenartsen en
telefonische hulpdiensten.
31 Wat is de taakverdeling tussen politie en hulpverlening
bij huiselijk geweld?
De eerste opvang van slachtoffers (en plegers) is erg belangrijk. De
politie zet vaak de eerste stap, maar het is van groot belang dat de
hulpverlening in een vroeg stadium bij situaties van huiselijk geweld
wordt betrokken. Kort na het geweldsdelict blijken betrokkenen het
meest ontvankelijk voor hulp van buitenaf. Dat moment biedt kansen
voor de hulpverlening aan het slachtoffer, voor het bereiken van
de pleger voor het aanbieden van daderbehandeling, maar ook voor
het eventueel starten van juridische procedures. De dwang en drang
die uitgaat van de politie vergroot de mogelijkheden om vanuit de
hulpverlening de dader te benaderen.
64 HUISELIJK GEWELD
Wat is de rol en inbreng van de politie en wat is de rol en inbreng van
hulpverleners bij de aanpak van huiselijk geweld? Voor de partners
in de hulpverlening staat buiten kijf dat naast probleemsignalering
vooral de eerste (crisis)interventie tot de taak van de politie behoort.
Dit vanwege het daarmee verbonden, lastig van tevoren exact in te
schatten gevaarsaspect, waarvoor de politie nu eenmaal beter is toegerust.
Feitelijke hulpverlening en nazorg zijn in principe de primaire
taken van de (reguliere) hulpverlening.
De praktijk blijkt echter weerbarstig. Hoewel de samenwerking tussen
politie en (hulpverlenings)partners in toenemende mate wordt
neergelegd in convenanten en protocollen, wat de effectiviteit ten
goede komt, houdt men zich daar niet (altijd) even consequent aan.
Politiemensen zijn actiegericht, vaak zeer betrokken bij sociaal-maatschappelijke
problemen en springen in waar gaten vallen. Soms zijn
dit gaten die hulpverleningsinstellingen zouden moeten opvullen en
niet de politie. De hulpverleningsinstanties vinden dat de politieinbreng
in principe beperkt moet blijven tot crisisinterventie of acute
hulpverlening.
32 Hoe breng ik verschillende partners met elkaar in
contact?
Een van de taken uit de WCPV is dat gemeenten de lokale partijen
dienen te stimuleren tot het maken van afspraken op het OGGZ-terrein.
Een convenant OGGZ is een middel om met verschillende partijen
afspraken te maken over de zorg voor kwetsbare mensen. Maar
ook andere vormen van samenwerking zijn mogelijk, bijvoorbeeld
een (bestuurlijk) platform of intergemeentelijk portefeuillehoudersoverleg.
Denk hierbij ook aan uw veiligheidspartners.
Er zijn enkele tips te geven voor het bij elkaar brengen van partners:
• Inventariseer eerst de gewenste gesprekspartners en de reeds
bestaande overlegstructuren.
• Start met een gezamenlijke bijeenkomst. Zorg dat het onderwerp
goed onder de aandacht wordt gebracht om zo het draagvlak te vergroten.
In de startbijeenkomst kan bijvoorbeeld een bevlogen
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 65
spre(e)k(st)er een inleiding verzorgen of kan middels een voorstelling
het onderwerp worden toegelicht.
• Benadruk de gezamenlijk gedeelde problemen en hoe daar gezamenlijk
oplossingen voor kunnen worden gevonden.
• Blijf continu het draagvlak in de gaten houden (zie voor draagvlak
ook de vragen 19, 20 en 21).
• Maak onderscheid tussen bestuurlijke overlegstructuren, overleg
op beleidsniveau en overleg op uitvoerend niveau (bijvoorbeeld
casuïstiekbesprekingen).
• Mogelijk is het raadzaam om twee verschillende overlegbijeenkomsten
te creëren: een klein overleg (met de kernpartners) en
een groot overleg (met alle partners). Het klein overleg kan vaker
bij elkaar komen. Zorg wel dat de partners uit het groot overleg op
de hoogte worden gehouden.
• Realiseer van tevoren dat samenwerking veel tijd kost.
• Zorg voor heldere communicatie en duidelijke afspraken.
66 HUISELIJK GEWELD
4 Samenwerken
33 Met welke overlegbijeenkomsten en netwerken dien ik
rekening te houden?
Regionaal college
Het regionaal college vormt het algemeen bestuur van het politiekorps.
Het bestaat uit de burgemeesters van de gemeenten in de
regio en de hoofdofficier van justitie. De voorzitter is de korpsbeheerder,
de burgemeester van de centrumgemeente in de regio. Het
regionaal college stelt jaarlijks de formatie, de begroting, de jaarrekening,
de meerjarenraming en het beleidsplan voor het regiokorps
vast. De ‘regionale beheersdriehoek’ gaat primair over het beheer en
het functioneren van het korps. Hierin hebben de korpsbeheerder,
de hoofdofficier van justitie en de korpschef zitting.
Regionaal bestuurlijk overleg van wethouders
Zowel op het terrein van veiligheid als van zorg en welzijn vindt er
regionaal overleg plaats tussen de wethouders in de regio. In beide
typen overleggen komt huiselijk geweld aan de orde en worden
afspraken gemaakt over de aanpak huiselijk geweld op regionaal
niveau.
Driehoeksoverleg
Per politieregio bestaat er een driehoeksoverleg, waarin de korpsbeheerder
(vaak de burgermeester van de grootste gemeente), de hoofdofficier
van justitie en de korpschef van de regiopolitie overleg voeren
over ontwikkelingen, beleid en resultaten. In dit driehoeksoverleg,
maar ook in ander overleg met de politie en het OM, kunnen
afspraken worden gemaakt over de aanpak van huiselijk geweld.
Integraal Veiligheidsoverleg
Voor het uitwerken van het Integraal Veiligheidsbeleid hebben verschillende
gemeenten een Integraal Veiligheidsoverleg (IVO) inge-
SAMENWERKEN 67
steld. Het IVO-overleg kan bestaan uit deelnemers met een beleidsen
financiële verantwoordelijkheid op bestuurlijk niveau zoals de
burgemeester en de wethouders, uit deelnemers op directieniveau,
zoals brandweercommandant, politiechef en directeur van een
woningbouwcorporatie of andere (semi-)overheidsinstellingen en
deelnemers op beleidsniveau. Het doel van het integraal veiligheidsoverleg
is problemen integraal aan te pakken en op het niveau waarop
besluiten worden genomen. Huiselijk geweld is regelmatig een
agendapunt binnen het IVO.
OGGZ-netwerken
In verschillende regio’s zijn er OGGZ-netwerken opgezet, al dan niet
op basis van een OGGZ-convenant. In het landelijk convenant
OGGZ worden drie samenwerkingsverbanden onderscheiden:
• een politiek-bestuurlijk platform;
• een samenwerkingsverband dat gericht is op de uitvoering;