GROEP HOP ©

De politieke groepering Groep Hop wil in 2018 weer meedoen aan de verkiezingen gemeenteraad in zoveel mogelijk gemeenten met steeds grotere netwerken.

Informant mw. Jeanne Dijkstra eindredacteur Ermelo Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek: "Van alle kanten komen berichten dat Groep Hop moet worden doodgezwegen"

Groep Hop is ontstaan op de Veluwe en in de periode 2006 - 2018 is er nog niets veranderd en moet Groep Hop kost wat kost worden doodgezwegen. In 2006 deden we mee in Ermelo, in 2007 in de provincie Gelderland, in 2010 in Ermelo, Rheden, Zoetermeer en in 2014 in negen gemeenten, Dronten, Ermelo, Harderwijk, Putten, Lelystad, Zoetermeer, Oldambt, Rheden en Purmerend.

Bedankt alle kandidaten voor uw inzet.
Bedankt alle kiezers die op ons gestemd hebben en/of geholpen hebben met het verkrijgen van de benodigde ondersteuningsverklaringen.
Bedankt alle sponsors van Groep Hop.

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

271 Startpagina Huiselijk geweld.
G

 

 

Als een rechter zijn vriendin in elkaar slaat dan wordt zijn zaakje behandeld die een rechter die een baantje bij het Openbaar Ministerie (48) heeft, er wordt aan waarheidsvinding gedaan en er wordt rekening mee gehouden dat hij een ex-rechter is. Is dat geen klassenjustitie?


W. 1157
NLRM 95 96 97 98
Rechterplaatsvervanger rechtbank Leeuwarden 80794-GOG221003
Universitair docent bij de vakgroep strafrecht en criminologie van de RUG
Leeuwarden Hof raadsheer 010400-ontslag genomen 010506
Bestuurslid sectie strafprocesrecht van de adviesraad beroepsopleiding advocatuur Nederlandse Orde van Advocaten
C1997-150504-GOG0506 Hop bijbanenregister Leeuwarden
Memo W. Wedzinga
174 De rechtbank (Zwolle Kleinrensink/Heeregrave/Schimmel) houdt er rekening mee dat het voor een voormalig lid van de rechterlijke macht extra pijnlijk is om publiekelijk te moeten terechtstaan en met het feit dat verdachte nooit meer als lid van de rechterlijke macht actief zal kunnen zijn.
Memo W. Wedzinga
NOVA ontdekte dat de Nederlandse ex-vrouw van de rechter al in 2001 aangifte deed van mishandeling en bedreiging met de dood. Het proces verbaal kunt u lezen op deze en deze pagina. Door op of naast het plaatje te klikken verschijnt een icoontje waarmee u op de pagina kunt inzoomen. De aangifte lag vijf jaar in een bureaula bij de politie en al die tijd werkte rechter Wedzinga gewoon door.
Memo W. Wedzinga
Wedzinga schreef een brief aan de politie om een aangifte tegen hem door een "bestelbruid" in de papierversnipperaar te laten verdwijnen
OM gaat hem toch vervolgen. Deze zaak wordt behandeld door rechtbank Zwolle.
De Wedzinga-norm. Interessante uitspraak van Wedzinga over waarheidsvinding door het OM tijdens zijn proces in Zwolle
Oud rechter Wicher Wedzinga beklaagde zich erover dat justitie onder meer om financiŽle redenen nooit heeft onderzocht of Tatiana’s bewering: „Alles was besmeurd met bloed”, wel op waarheid berustte. „Het gaat toch om waarheidsvinding? Als dit het openbaar ministerie is in Nederland, ben ik blij dat ik er niet werk…!”
De C.C.S. Bordenga-Koppes norm. Klassenjustitie OM kenmerk voor de rechtspraak in Nederland
Het OM eist geen celstraf voor een rechter na mishandeling, gewelddadigheden, zelfs poging tot doodslag omdat een rechter al hard wordt getroffen doordat een rechter nooit meer zijn rechtersvak kan uitoefenen en het voor een rechter extra zwaar is publiekelijk terecht te staan.
Uitspraak 6 juni 2006

 

 

LJN: AX6783, Rechtbank

Zwolle, 07.630043-05

Printbare versie

Datum

uitspraak:

06-06-2006

Datum

publicatie:

06-06-2006

Rechtsgebied:

Straf

Soort

procedure:

Eerste

aanleg - meervoudig

Inhoudsindicatie:

Voormalig

raadsheer Hof Leeuwarden veroordeeld wegens geweldpleging.

Uitspraak

RECHTBANK

ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07. 630043-05

Uitspraak: 6 juni 2006


  S T R A F V O N N I S


in de zaak van het openbaar ministerie tegen:


    [verdachte]


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006. De

verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Plasman, advocaat te

Amsterdam.


De officier van justitie, mr. Bordenga-Koppes, heeft ter terechtzitting

gevorderd de veroordeling van verdachte voor de hem onder 1 primair en 2

primair ten laste gelegde feiten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf

van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een werkstraf

voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.


TENLASTELEGGING


De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting gewijzigd)


BEWIJS


De verdachte dient van het onder 1 primair en 2 primair en subsidiair

ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet

wettig en overtuigend bewezen acht.


De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte het

slachtoffer meerdere malen heeft geslagen op verschillende plaatsen van

haar lichaam, waaronder meerdere keren met de vuist tegen het hoofd. Nu

de rechtbank het schoppen tegen het hoofd niet bewezen acht, zijn ten

aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde pogen het slachtoffer

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met name die vuistslagen tegen

het hoofd van belang. Het toedienen van vuistslagen strekt er in het

algemeen toe pijn en/of letsel toe te dienen aan het slachtoffer. De ene

vuistslag is echter de andere niet. Bijzonderheden met betrekking tot

een slag kunnen maken dat de kans op het optreden van zwaar lichamelijk

letsel aanmerkelijk is te achten. Arts-assistent Van der Laan heeft het

slachtoffer op de dag, volgend op de nacht waarin de geweldpleging

jegens haar heeft plaatsgevonden onderzocht, en heeft - voor zover het

betreft het hoofd van het slachtoffer – zwellingen en

bloeduitstortingen geconstateerd. Gelet op dit letsel is de rechtbank

van oordeel dat de vuistslagen niet van zodanig bijzondere aard zijn

geweest dat zij de kans op het optreden van zwaar lichamelijk letsel

aanmerkelijk maakten.

De rechtbank leidt eveneens uit de bewijsmiddelen af dat tijdens de

tweede ‘worstelpartij’, die in de slaapkamer plaatsvond, verdachte

het slachtoffer op zeker moment bij de keel heeft vastgepakt en die keel

ook even heeft dichtgeknepen. Het slachtoffer heeft zelf verklaard dat

zij een fractie van een seconde geen lucht kreeg. Uit het een fractie

van een seconde zodanig dichtknijpen van de keel kan niet volgen dat

verdachte het opzet heeft gehad op levensberoving dan wel op het

toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke

zin.


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte

onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste is gelegd, met dien

verstande dat:


hij in de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen

(in de woonkamer van de woning aan [adres]) opzettelijk mishandelend een

persoon te weten [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd en het lichaam

heeft geslagen en gestompt en op de grond heeft gegooid en aan de haren

heeft getrokken waardoor deze letsel en pijn heeft ondervonden


hij in de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen

(in de slaapkamer van de woning aan [adres]) opzettelijk mishandelend

een persoon te weten [slachtoffer] met kracht bij de keel heeft

vastgepakt en de keel heeft dichtgeknepen en meermalen met kracht tegen

het hoofd heeft geslagen waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn

heeft ondervonden


Van het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair meer of anders ten laste

gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank

dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.



STRAFBAARHEID


Het bewezene levert op:


1. subsidiair en 2 meer subsidiair:


telkens: mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 Wetboek van

Strafrecht


De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden

gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.


OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL


Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op

de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig

gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het

onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te

noemen beslissing passend.


Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende:


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige, langdurige

mishandelingen van zijn toenmalige vriendin. De feiten zijn gepleegd in

de woning waar het slachtoffer in Nederland verbleef, de plek bij

uitstek waar zij zich veilig had moeten kunnen voelen. De rechtbank

houdt er rekening mee dat het voor een voormalig lid van de rechterlijke

macht extra pijnlijk is om publiekelijk te moeten terechtstaan en met

het feit dat verdachte nooit meer als lid van de rechterlijke macht

actief zal kunnen zijn. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat gelet

op de hiervoor omschreven ernst van de feiten aan verdachte nog wel een

taakstraf van na te melden duur opgelegd dient te worden.

Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf passend

gelet op het feit dat verdachte – hoewel hij zeer veel te verliezen

had – toch tot het plegen van deze feiten is gekomen en teneinde hem

ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan relationeel geweld

schuldig te maken,


Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de

verdachte betreffend blanco uittreksel uit het algemeen

documentatieregister van de justitiŽle documentatiedienst

en de inhoud van het op 16 december 2005 door forensisch psychiater

Oppedijk opgemaakte rapport.


De oplegging van straf of maatregel is, behalve op het reeds aangehaalde

wetsartikel, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en

57 van het Wetboek van Strafrecht.


BESLISSING


Het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde is niet

bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.


Het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde is bewezen

zoals hiervoor aangegeven en levert telkens het strafbare feit op, zoals

hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.


Het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair meer of anders ten laste

gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.


De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de

duur van 3 maanden.


De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter

later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het

einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft

schuldig gemaakt.


De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf

het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 80 uren.


De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf

niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40

dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan

het niet verrichte aantal uren taakstraf .


De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde

taakstraf in mindering worden gebracht, zulks in de vorm van een aftrek

van 6 uren op vorengenoemd urenaantal.


Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.



Aldus gewezen door mr. Kleinrensink (31),

voorzitter, mrs. Heeregrave (28)

en Schimmel (39),

rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar als griffier en

uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2006.

 

 

Kamervragen van Oud-Tweede Kamerlid Th.J.M. Hendriks over de dubbelfuncties Officier van Justitie tevens rechterplaatsvervanger

 

De Voorzitter heeft heden de volgende vragen aan de regering doorgezonden

Vragen van het lid Hendriks (Fractie Hendriks) over een verbod op justitiŽle ambtenaren als rechter ingezonden 29 januari 1998.

  1. Is het u bekend dat in

    Nederland een veertigtal ambtenaren van het Openbaar Ministerie fungeert

    als rechter?

  2. Acht u het gewenst dat

    ambtenaren van het Openbaar Ministerie eveneens deel uitmaken van de

    zittende magistratuur?

  3. Zo ja, waarom? Zo neen, bent

    u bereid aan deze situatie een einde te maken door middel van een

    wettelijk verbod?

681236/898/ 16 februari 1998.

 

 

Antwoorden van de Minister van Justitie op Kamervragen van het Lid Hendriks, over een verbod op justitiŽle ambtenaren als rechter.


Antwoorden van de Minister van Justitie op Kamervragen van het Lid Hendriks, over een verbod op justitiŽle ambtenaren als rechter.
(Ingezonden 29 januari 1998, nr.2979806040)

Antwoord op vraag 1.
In Nederland functioneren officieren van justitie niet tevens als vaste rechter. Wel bestaat de mogelijkheid dat officieren van justitie als rechter-plaatsvervanger optreden. Het optreden als rechter-plaatsvervanger geschiedt op zeer kleine schaal, onder andere ter voorbereiding van een definitieve overstap naar de zittende magistratuur. Voorts wordt een beperkt aantal voormalige officieren van justitie, die op grond van leeftijd uit hun functie zijn ontslagen, als rechter-plaatsvervanger ingezet 

Antwoord op vraag 2.
Leden van het openbaar ministerie maken geen deel uit van de zittende magistratuur. Het is aan de rechtsprekende macht zelf om, binnen de wettelijke grenzen, te beslissen wie in een concreet geval als rechter-plaatsvervanger wordt ingezet. De minister van justitie kan, gezien de constitutionele positie van de zittende magistratuur, geen invloed op de toedeling van zaken uitoefenen.

Antwoord op vraag 3.
Het opnemen van een wettelijk verbod voor de officier van justitie om op te treden als rechter-plaatsvervanger is, mede gezien de huidige praktijk, overbodig. Het concept-wetsvoorstel tot aanvulling van de wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren met enige regels omtrent de uitoefening van het rechter-plaatsvervangerschap bevatte een landelijk verbod voor de officier van justitie om als rechter-plaatsvervanger in de strafsector op te treden. Dit concept-wetsvoorstel is, zoals uiteengezet in de brief van 3 november 1997 aan de Tweede Kamer (kamerstukken II, 25600 VI, nr 12), aangehouden. Tevens is in deze brief aangegeven dat de inzet van rechter-plaatsvervangers zal worden afgebouwd. De rechterlijke macht dient in zijn functioneren niet structureel afhankelijk te zijn van de inzet van rechter-plaatsvervangers. Wel blijft het mogelijk om rechter-plaatsvervangers in te zetten in het kader van opleiding, (exclusieve) specialismen en ziekte en verlof.

 

 

 

Definitie huiselijk geweld. ‘Geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer gepleegd is’ Geweld: aantasting van de persoonlijke integriteit, waarbij geestelijk en lichamelijk geweld (waaronder seksueel geweld) onderscheiden wordt. Huiselijke kring: (ex)partners, gezinsleden, familieleden en huisvrienden van het slachtoffer.  

 

Fysiek geweld is geweld waarbij iemand lichamelijk pijn wordt gedaan of waarbij deze dreiging bestaat.

Code ? Fysiek geweld waarbij kinderen mogelijk getuige zijn geweest van het slaan of schoppen, of de dreiging hiervan, van ťťn van hun ouders.

Code ? Iemand dreigde u te slaan (RHGMvJ1997)

Code ?  Geslagen (RHGMvJ1997)

Code ? Zo hard vastgehouden dat het pijn deed (RHGMvJ1997)

Code ? Ergens hard tegenaan geduwd (RHGMvJ1997)

Code ? Geschopt (RHGMvJ1997)

Code ? Iemand dreigde mensen kwaad te doen (RHGMvJ1997)

Code ? Iemand dreigde u te verwonden (RHGMvJ1997)

Code ? Iemand sloot u op (RHGMvJ1997)

Code ? Iemand toonde u messen of vuurwapens (RHGMvJ1997)

Code ? Gesneden met een mes of ander scherp voorwerp (RHGMvJ1997)

Code ? Van de trap af gesmeten (RHGMvJ1997)

 

Geestelijk geweld:

Code ? Dreigen de relatie te verbreken

Code ? Geregeld bespot of gekleineerd worden

Code ?  Stalking

Code ? Steeds in de gaten gehouden worden

Code ? Niet mogen uitgaan

Code ? Op feestjes niet met anderen mogen praten

Code ? Het verbieden om een afspraak met iemand mogen maken

Code ? Het verbieden om op bezoek te gaan bij vrienden

Code ? Het verbieden met iemand te mogen bellen

Code ? Telefoonafschriften die gecontroleerd worden

Code ? Geen inzicht in de eigen financiŽle positie

Code ? De eigen post niet mogen inkijken

Code ? Geen eigen bankrekening mogen hebben

Seksueel geweld geweld waarbij iemand gedwongen seksuele handelingen moet ondergaan of waarbij deze dreiging bestaat:

Code ? Iemand maakt vervelende obscene gebaren

Code ? Iemand dreigde u seksueel te benaderen

Code ? Aangeraakt met ongewenste seksuele bedoelingen

Code ? Iemand stond dicht bij u met ongewenste seksuele bedoelingen

Code ? Gedwongen tot seksuele handelingen

Code ? Iemand kleedde zich in uw bijzijn uit

Code ? Verkracht

Code ? Gevraagd iemand anders aan te raken

Code ? Gedwongen zich te ontkleden

Code ? Gedwongen te kijken naar seksuele handelingen van een ander

Gevraagd voor deze website aanvulling met incidenten die gebruikt worden door de politie en de nummers achter de code bij ieder incident om het beeld zo compleet mogelijk te maken.

 

 

 

Gelders Nieuws

9 november 2002. Kinderrechter Cools: "Geen vervolging van kinderen na

valse aangifte in zedenzaken" 

ARNHEM-

Kinderen die een valse aangifte hebben gedaan van een zedenzaak moeten niet

strafrechtelijk worden vervolgd. Dat zei de Arnhemse kinderrechter Cools (23)

zaterdagmiddag voor Radio Gelderland.

Onlangs

biechtte een 14-jarig meisje uit Nijmegen op dat ze een groepsverkrachting

had verzonnen. Volgens deskundigen is 10 tot 20 procent van dit soort

aangiften vals. Maar volgens kinderrechter Cools is zo'n valse aangifte een

schreeuw om aandacht. Kinderen die dat doen, hebben vaak andere problemen

waarmee ze zo snel mogelijk moeten worden geholpen.

 

 

 

 

"Als

tegenreactie bij een beschuldiging/aangifte van seksuele intimidatie wordt

door de dader wel aangifte van smaad gedaan. Het advies is om daar niet te

veel aandacht aan te besteden. De politie doet er toch niets mee."

LANDELIJKE

WERKGROEP VROUW EN RECHT

Notulen

plenaire bijeenkomst d.d. 11 mei 1999

1. Opening

en mededelingen

Marlies Vegter,

beleidsmedewerkster bij het Clara Wichmann Instituut en de Werkgroep( Vrouw

en Recht, opent de bijeenkomst en heet de aanwezigen welk om. Zij deelt mee

dat er een vacature bestaat in het bestuur van de Werkgroep.

Belangstellenden kunnen zich bij haar melden.

2.

Rondvraag

Niemand heeft

een punt voor de rondvraag.

3. Vragen

en/of opmerkingen naar aanleiding van de lezing van Rikki Holtmaat

Rikki Holtmaat

introduceert zichzelf en het onderwerp seksuele intimidatie, welk onderwerp

circa 15 jaar geleden op de agenda is gezet naar aanleiding van de

resultaten van een enquÍte in de Viva. Uit deze enquÍte kwam naar voren

dat 1/3e van degenen die reageerden last had van seksuele intimidatie op het

werk.

Als eerste

opmerking wordt naar voren gebracht dat het bij het opstellen van een

klachtenregeling inzake seksuele intimidatie van groot belang is dat de

leiding van een onderneming/organisatie zich er achter stelt. Rikki Holtmaat

beaamt dit. Indien de leiding dit niet doet, dan is de kans dat een

klachtenregeling effect heeft, klein. Overigens kan ook de Arbo-commissie of

een OR het onderwerp seksuele intimidatie aankaarten. Het is zaak dan een

leidinggevende te vinden die hen steunt. Argumenten om de werkgever tot

actie te bewegen, zijn dat seksuele intimidatie schadelijk is voor een

organisatie omdat het tot een verpeste werksfeer en ziekteverzuim leidt en

reden is voor vrouwen om ontslag te nemen.

Gevraagd wordt

of, in plaats van een ontslagprocedure, een slachtoffer van seksuele

intimidatie wel eens in een procedure van een werkgever heeft geŽst dat hij

maatregelen nam. Rikki Holtmaat antwoordt bevestigend en verwijst naar de

zaak over het Clara Ziekenhuis (RN 1998, 923, nr. 113 in boek Rikki Holtmaat)

waarin een werkgever aansprakelijk werd gehouden voor schade als gevolg van

seksuele intimidatie op de grond dat hij zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW

voor veilige werkomstandigheden had geschonden. Verder is actie op grond van

onrechtmatige daad mogelijk. In het verleden is dat echter wel eens mislukt

(nr. 108 in het boek). Mirjam Decoz heeft nu een zaak waarin zij op grond

van onrechtmatige daad schorsing van een pleger van seksuele intimidatie wil

vorderen.

Gevraagd wordt

of de grootte van een bedrijf invloed heeft op het voorkomen van seksuele

intimidatie. Volgens Rikki Holtmaat is dit niet zo. Bij kleine bedrijven is

het alleen meestal wel zo dat de geÔntimideerde medewerkster uiteindelijk

weg moet.

Opgemerkt

wordt dat instelling van een klachtenregeling bij een klein bedrijf geen zin

heeft. Rikki Holtmaat merkt op dat dit opgelost kan worden door per branche

een klachtencommissie in te stellen. Een aantal jaren geleden was het de

bedoeling dat elke werkgever verplicht werd een klachtenregeling in te

stellen dan wel zich bij een branchecommissie aan te sluiten. Dat is toen

echter niet doorgegaan. Volgens geruchten overweegt de PvdA om een nieuw

wetsvoorstel inzake het individueel klachtrecht in te dienen. Met betrekking

tot de inhoud van een klachtenregeling kan de 4e tranche van de Algemene wet

bestuursrecht wellicht meer helderheid bieden.

Opgemerkt

wordt dat de wetgever meer zou moeten doen in de sfeer van een

mentaliteitsverandering. Rikki Holtmaat merkt op dat dit moeilijk af te

dwingen is. De wetgever kan natuurlijk wel de aandacht vragen voor seksuele

intimidatie, zoals ook gedaan is met het reclamespotje met het opdringerige

hondje. Daar zijn erg veel (boze) reacties op gekomen.

4. Vragen

en/of opmerkingen naar aanleiding van de lezing van Anne Legeland

Anne Legeland

geeft een overzicht van haar diverse activiteiten op het gebied van seksuele

intimidatie, waaronder het geven van cursussen en het optreden als

bemiddelaar.

Een

medewerkster van de luchtmacht vraagt of de daar werkzame

vertrouwenspersonen ook kunnen optreden als bemiddelaar, aangezien de

luchtmacht geen bemiddelaar heeft voor conflicten rondom seksuele

intimidatie. Anne Legeland is hier geen voorstander van. Het is beter om een

externe professionele bemiddelaar die is aangesloten bij het NMI aan te

zoeken, ook omdat er onverwerkte trauma's naar buiten kunnen komen. Wil de

organisatie dat niet, dan moet in elk geval een vertrouwenspersoon worden

ingeschakeld wiens positie op geen enkele wijze verbonden is aan die van het

slachtoffer en/of haar leidinggevenden en/of de dader.

Gevraagd wordt

in hoeverre het tegen een slachtoffer werkt indien zij ook uit zichzelf met

de dader is omgegaan, bijvoorbeeld met hem uit eten is gegaan. Anne Legeland

merkt op dat ondergeschikte verhouding, met heel belangrijk is of er sprake

is van een leidinggevende andere woorden van een ongelijke machtsverhouding.

Gevraagd wordt

of het mogelijk is om een werknemer te dwingen om voor een klachtencommissie

te verschijnen. Anne Legeland merkt op dat dit formeel niet kan, maar dat

een werkgever het wel in zijn beleid kan opnemen. Opgemerkt wordt dat een

werknemer bij indiensttreding gevraagd kan worden gedragsregels waar dit in

staat te onderschrijven. Dit is een mogelijkheid. Niet verschijnen is, aldus

Anne Legeland, echter ook in strijd met goed werknemerschap. Eventueel moet

met ontslag gedreigd worden. Er zal een keer helderheid moeten komen in deze

kwestie door een rechterlijke uitspraak.

Er ontstaat

een discussie over het nut van het doen van aangifte van aanranding/seksuele

intimidatie. De politie doet doorgaan niets met een dergelijke aangifte en

willen soms niet eens opnemen. In dat geval, zo wordt opgemerkt, is het ook

mogelijk om eenzijdig, bijvoorbeeld per fax, een aangifte in te dienen. Als

je daarbij stelt dat er schade is aan de zijde van het slachtoffer (Terwee-claim)

moet er wel iets mee gebeuren.

Voordeel van

het doen van aangifte is dat de feiten precies op een rij gezet worden. De

zaak wordt bovendien geloofwaardiger door de bereidheid aangifte te doen.

Een complicatie bij defensie is dat, indien de marechaussee een aangifte

terzijde legt, dit gezien kan worden als een bewijs dat er niets ernstigs

aan de hand is. Dit hoeft echter niet zo te zijn. Onderneemt de

politiemarechaussee wel actie, dan bestaat het risico dat de

strafrechtelijke en de klachtenprocedure door elkaar gaan lopen. Anne

Legeland raadt aan in dat geval het onderzoek naar de klacht te schorsen

totdat het onderzoek van de politie klaar is. Bij de luchtmacht zorgt men

dat alleen een kopie van de klacht naar buiten komt. Andere stukken mogen

worden ingezien, maar worden niet uit handen gegeven. Als

tegenreactie bij een beschuldiging/aangifte van seksuele intimidatie wordt

door de dader wel aangifte van smaad gedaan. Het advies is om daar niet te

veel aandacht aan te besteden. De politie doet er toch niets mee.

Gevraagd wordt

of een klachtencommissie klager en beklaagde achter elkaar hoort zonder dat

er stukken zijn? Anne Legeland doet dat vaak wel, uiteraard niet in elkaars

bijzijn. Na afloop krijgt elke partij dan alle stukken.

Een

medewerkster van de publieke omroep merkt op dat de klachtencommissie aldaar

niet goed werkt. Wellicht komt dit door de samenstelling van de commissie.

Anne Legeland merkt op dat dit inderdaad vaak een probleem is. Het is aan te

raden om als commissielid in elk geval een jurist met ervaring op dit gebied

aan te trekken.

Tot slot van

de avond deelt Rikki Holtmaat mee dat het de bedoeling is om over een paar

jaar een actualisering van haar boek te verzorgen. Een ieder wordt daarom

gevraagd om uitspraken over seksuele intimidatie toe te sturen aan het Clara

Wichmann Instituut!

AMBONPLEIN 73

1094 PW AMSTERDAM

POSTBUS 93929 1090 EC AMSTERDAM

 

 

 

Ministerie van Justitie

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Persbericht ministerraad

17 februari 2006

HUISVERBOD BIJ HUISELIJK GEWELD

De ministerraad heeft ingestemd met het voorstel van minister Donner van Justitie en minister Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om burgemeesters de bevoegdheid te geven een huisverbod op te leggen. Het verbod houdt in dat een pleger van huiselijk geweld in beginsel tien dagen zijn of haar woning niet meer in mag en in die periode ook geen contact mag opnemen met de partner of de kinderen. Het kabinet wil met de maatregel het huiselijk geweld verder terugdringen.

Het huisverbod biedt de mogelijkheid om in een noodsituatie te voorzien in een afkoelingsperiode waarbinnen de nodige hulpverlening op gang kan worden gebracht en escalatie kan worden voorkomen. Voor de uithuisgeplaatste kan corrigerende hulpverlening in gang worden gezet. Het huisverbod kan ook worden opgelegd bij kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan.

Het huisverbod wordt in de vorm van een beschikking uitgereikt, waartegen beroep mogelijk is bij de bestuursrechter. De burgemeester kan afhankelijk van de situatie het huisverbod verlengen tot maximaal vier weken. Een uithuisgeplaatste die zich niet aan het huisverbod houdt, kan maximaal twee jaar gevangenisstraf krijgen of een taakstraf.

Huiselijk geweld vormt een ernstig maatschappelijk probleem. Het kan de vorm aannemen van partner- of relatiegeweld, kindermishandeling en mishandeling van ouderen. Bij de politie worden jaarlijks meer dan 50.000 incidenten gemeld, het werkelijke aantal ligt vermoedelijk veel hoger. Vanaf 1 januari 2004 registreert de politie standaard gevallen van huiselijk geweld. Elke politieregio heeft inmiddels een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en specifiek beleid voor de aanpak van huiselijk geweld.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

RVD, 17.02.2006

 

 

 

Begrippenlijst huiselijk geweld

Centraal staat het bevorderen van een eenduidige registratie van gegevens over huiselijk geweld gratis op internet voor minderjarigen en hun ouders waardoor meer inzicht kan worden verkregen in de vragenlijsten/valkuilen die voor de gewone burgers zijn opgesteld. De effectiviteit van (gepubliceerd) weerwerk tegen individuele incidenten omschrijvingen steeds verder te vergroten.

Het gevaar! Om steeds meer subsidiegeld voor "huiselijk geweld" los te krijgen en gesubsidieerde hulpverleners baantjes te creŽren is bij mij de indruk gaan ontstaan dat niet alleen valse aanklachten gewoon als huiselijk geweld meegeteld worden in allerlei onderzoeken en statistieken maar ook door de definitie van huiselijk geweld steeds ruimer te definiŽren bijvoorbeeld door een burenruzie nu ook als huiselijk geweld in onderzoeken en statistieken mee te tellen wordt de indruk gewekt dat er sprake is van een toename van huiselijk geweld kritiekloos en klakkeloos overgenomen door handlangers bij de gesubsidieerde media om de rechtspositie van het gewone volk tegenover de Staat steeds verder uit te hollen. Ik onderbouw mijn bewering op basis van feiten bijvoorbeeld de indeling  naar soort geweld gebruikt zoals die gemaakt is in het rapport “Huiselijk geweld” van het Ministerie van Justitie (1997).De mogelijkheden van de Staat om vanaf 1997 het gezin binnen te dringen zonder rechtsproces maar met een formuliertje ondertekent door de burgemeester worden steeds groter!

Interessant begint de begrippenlijst "huiselijk geweld" te worden door de begrippenlijst omgekeerd op de jeugdzorg industrie zelf toe te passen om vervolgens aan de hand van de onderstaande begrippenlijst aangifte tegen medewerkers/instellingen werkzaam in de jeugdzorg te doen. Hoe gaat de politie reageren als u de methodes van de jeugdzorg en politie jegens burgers omgekeerd gaat toepassen op de jeugdzorg industrie? Ik heb altijd veel bereikt in mijn procedures door (in gedachte) de zaak eens om te draaien en te kijken wat er dan gebeurt.

Melding het op de hoogte brengen van de politie van een incident of strafbaar feit. Dit kan telefonisch of aan het bureau. Het kan een melding zijn die een persoon zelf betreft, maar het kan ook een melding zijn die anderen, bijvoorbeeld de buren, betreft. De politie maakt hiervan een mutatie in het bedrijfsprocessensysteem (BPS). Mutatie het beschrijven van een melding of aangifte van een incident in het BPS. Het bedrijfsprocessensysteem van de politie (BPS) is te onderscheiden in twee delen. Een deel met alle ‘harde’ informatie (variabelen) en een deel met alle tekstbestanden (waaronder meldingen en vrije mutaties). Met de bestaande hulpmiddelen binnen het BPS, blijkt het niet mogelijk om te zoeken naar bepaalde termen of woorden die aanduiden dat er sprake is van huiselijk geweld (zogenaamde ‘strings’) in de tekstbestanden. Daarbij is het onmogelijk huiselijk geweld uit het BPS te onttrekken op basis van alleen de ‘harde’ informatie. De onderstaande incident omschrijvingen zijn afkomstig uit verschillende bedrijfsprocessensysteem van de politie (BPS) en zijn/worden actueel bijgewerkt met informatie uit andere bronnen.

Aangever persoon die aangifte doet . Aangifte het officieel aangeven van een incident of strafbaar feit bij de politie. Dit betreft een extra handeling na het doen van een melding van een incident. Het slachtoffer dient hiervoor naar het politiebureau te komen en de aangifte wordt schriftelijk opgenomen. Bij een aangifte worden tevens de persoongegevens van de aangever opgenomen.

Bedrijfsprocessensysteem (BPS) het systeem van de politie waarin mutaties van alle soorten delicten worden geplaatst en bijgehouden. Zowel meldingen als aangiften worden in dit systeem beschreven.

Casusformulier. Formulier dat is ontwikkeld in het kader van het project ‘1e hulp bij huiselijk geweld tegen vrouwen’. Op dit formulier worden de kenmerken van de deelnemers aan het project bijgehouden. Daarnaast worden tevens de acties die de personen die zitting hebben in de werkteams ten aanzien van de deelnemers dienen te ondernemen of gaan ondernemen bijgehouden.

 

 

 

Page 1 of 1 Checklisten aanpak geweld in huiselijke kring – versie 09/03/2004 (Walter Klein Nienhuis)

Checklisten Aanpak Geweld in Huiselijke Kring

9 maart 2004

Regio Politie Gelderland-Midden

Werkgroep Aanpak Geweld in Huiselijke Kring

 

1. Telefonische melding bij politie

De telefonist van meldkamer of telefooncentrale stelt o.a. de volgende vragen:

• Wat is er aan de hand?

• Gegevens melder noteren (naam, telefoonnummer en hoedanigheid bijv. slachtoffer, buren, familie, vrienden)

• Wie is de verdachte?

• Is de verdachte nog in de woning aanwezig c.q. elders?

• Wat is de locatie?

• Hoeveel personen zijn er op dit moment in de woning?

• Zijn er kinderen in de woning aanwezig?

• Informatie over de mate en frequentie van het geweld.

• Achtergrondinformatie noteren (bijv. huilen, geschreeuw, ander lawaai enz.)

Wat doet de telefonist nog meer?

• Kijkt in het bedrijfsprocessen systeem (BPS) naar eerdere meldingen op locatie /op persoon;

• Geeft verkregen info door aan de surveillance-eenheid of chef van dienst /daco;

• Legt de gegevens uit het telefoongesprek zoals (spontane verklaring verdachte, (kinder)gehuil, verbale bedreigingen en achtergrond geluiden en aan wie de melding is overgedragen enz.) in de BPS mutatie vast.

2. Melding aan het bureau c.q. op straat:

• Hoor het verhaal kort aan en maak een inschatting van de problematiek;

• Zorg voor een rustige gespreksruimte;

• Bedenk dat een verdachte die u in het bureau vast heeft zitten ook slachtoffer kan zijn;

• Bij het inschatten van de problematiek moet u rekening houden met de volgende zaken:

− Wel /geen acuut gevaar

− Wel /geen kinderen aanwezig

− Wel /geen letsel

− Wel /geen heterdaad

− Wel /geen bereidheid tot het doen van aangifte

• Informeer over de mogelijkheden (melding, aangifte, hulpverlening, gesprek(ken) met slachtoffer en /of verdachte);

• Geef objectieve informatie: praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte maar zet het slachtoffer ook niet onder druk om wel aangifte te doen;

• Geef in het kort uw vervolgstappen aan;

• Registreer uw bevindingen in BPS.

3. Externen melden aan contactpersoon politie

• Hoor het verhaal kort aan en maak een inschatting van de problematiek;

• Informeer over de mogelijkheden (melding, aangifte, hulpverlening, gesprek(ken) met slachtoffer en /of verdachte);

• Overleg met de externe partner welke vervolgstappen noodzakelijk zijn;

• Geef in het kort uw vervolgstappen aan;

• Registreer uw bevindingen in BPS.

4. Politie gaat ter plaatse:

• Vraag de meldkamer om alle informatie omtrent locatie en personen.(eerdere meldingen);

• Bij melding van wapengebruik, denk aan eigen veiligheid!!

• Beschouw de woning als plaats delict. (denk daarbij aan sporen zoals bloed /vernielingen/zichtbaar letsel / drank of drugsgebruik enz.)

• Stop het geweld; neem stelling tegen het geweld

• Afhankelijk van de situatie prioriteiten stellen. (willekeurige volgorde):

− Laat slachtoffer vervoeren naar een ziekenhuis of;

− Arts ter plaatse laten komen.

− Als er kinderen aanwezig zijn let dan op hun veiligheid. Eventueel de kinderen elders onderbrengen (buren, familie, Raad voor de Kinderbescherming).

− Technische recherche laten komen (foto’s maken van slachtoffer en andere sporen in de woning).

− Scheid (indien aanwezig) de betrokken partijen en vraag wat er aan de hand is.

− Bij vermoeden van een verdachte deel direct mede dat hij /zij niet tot antwoorden verplicht is. (Zie verder heterdaad, punt 3 / buiten heterdaad, punt 4)

− Verdachte (eventueel) aanhouden.

− Slachtoffer (eventueel) verwijzen naar het bureau voor het doen van aangifte. Geef dus objectieve informatie: praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte maar zet het slachtoffer ook niet onder druk om wel aangifte te doen.

− Je moet zelf inschatten of het nodig is om informatie bij het kind in te winnen.

− Verzamel informatie bij eventuele getuigen (buren, vrienden, familie enz).

- Maak foto’s; indien de technische recherche niet ter plaatse kan komen/ komt is het van belang om foto’s te maken van eventueel aanwezige sporen. In elke noodhulp auto is hiervoor een digitale fotocamera aanwezig.

5. Heterdaad

Is er sprake van een heterdaad, denk dan aan het volgende:

• Wie is de verdachte?

• Is hij /zij ter plaatse of elders?

• Is verdachte gewapend?

• Houd de verdachte aan en deel mede dat hij /zij niet tot antwoorden verplicht is;

• Regel zo spoedig mogelijk transport voor de verdachte naar het bureau;

• Denk bij het transport van de verdachte aan het aanwezig zijn van sporen op /aan de verdachte c.q. kleding (bloed /sperma).

• Overweeg de technische recherche ter plaatse te laten komen (maken foto’s plaats delict en letsel bij slachtoffer en/of verdachte, veiligstellen en/of vastleggen sporen).

• Het in voorkomende gevallen veiligstellen van sporen (bloed/sperma) door arts GGD alleen na overleg vooraf met technische recherche;

• Onderzoek slachtoffer door arts van de GGD in geval sprake is van verkrachting;

• Verwijs het slachtoffer (indien mogelijk) naar het bureau voor het doen van aangifte of spreek af wanneer en bij wie hij/zij aangifte kan doen. Geef objectieve informatie: praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte maar zet het slachtoffer ook niet onder druk om wel aangifte te doen;

• Registreer uw bevindingen in BPS.

6. Buiten heterdaad

Als er geen sprake meer is van heterdaad, denk dan aan het volgende:

• Hoor het verhaal aan en maak een inschatting van de problematiek;

• In geval van een verkrachting moet het slachtoffer binnen maximaal 72 uur na het feit onderzocht zijn door de arts van de GGD.

• Geef het slachtoffer vervolgens informatie over de verdere procedure:

− Het verschil tussen heterdaad en buiten heterdaad.

− Welke bevoegdheden heeft de politie m.b.t. heterdaad en buiten heterdaad.

− Welke mogelijkheden de politie heeft, maar ook wat de politie niet kan.(Opstarten hulpverlening, zorgen voor veiligheid)

− Bespreek de mogelijkheden die het slachtoffer heeft om te zorgen voor haar eigen veiligheid

( b.v. vrouwenopvang, andere sloten op de deur (adviseer dit alleen als de verdachte niet in de woning woont), familie en / of buren informeren)

− Het doen van aangifte (Hoe gaat dat in zijn werk en wat is het doel daarvan?)

− De mogelijkheid van het ambtshalve vervolgen.

• Registreer uw bevindingen in BPS;

• Overleg de casus met de Officier van Justitie;

• Plannen aanhouding c.q. ontbieding van de verdachte;

• Indien mogelijk voor het verhoor van de verdachte afspraken maken met de daderhulpverlening over het tijdstip waarop de verdachte door hen eventueel bezocht kan worden. (Afhankelijk of verdachte gemotiveerd is voor daderhulpverlening)

• Een mogelijk gevolg van aanhouden buiten heterdaad (al dan niet ambtshalve) kan leiden tot een lagere bereidheid tot melden / aangifte doen bij het slachtoffer in de toekomst. Het is immers niet ondenkbaar dat het slachtoffer inmiddels de relatie met de verdachte (tijdelijk) heeft hersteld.

7. Aangifte

• Wil het slachtoffer na de eerste opvang aangifte doen, leg dan de procedure en de gevolgen van de aangifte uit. Vertel daarbij ook wat de gevolgen (kunnen) zijn als er geen aangifte gedaan wordt.

• Geef objectieve informatie. Praat het slachtoffer niet direct af van het doen van aangifte, maar zet het slachtoffer ook niet onder druk om het wel te doen. Neem duidelijk in de aangifte op dat het slachtoffer aangifte doet omdat hij/ zij wil dat de dader gestraft wordt.

• Neem een luisterende houding aan en geef aandacht aan het slachtoffer;

• Zorg voor een rustige ruimte;

• Leg het slachtoffer uit dat het doel van de aangifte is: het vervolgen van de dader en / of het laten doorlopen van een hulpverleningstraject.

• Dat het niet mogelijk is de aangifte in te trekken.

• Vul de brief “Slachtofferhulp” in als men dit wenst.

• Geef uitleg over de wet Terwee en het schadefonds Geweldsmisdrijven.

• Geef uitleg over hulpverlening (bijv. speciale hulp voor kinderen die getuige zijn geweest van geweld, vrouwenhulpverlening, daderhulpverlening).

• Geef het slachtoffer je naam en telefoonnummer zodat hij/zij na het doen van aangifte weer contact met je kan opnemen.

• Mocht het slachtoffer zich tijdens het doen van aangifte door iemand laten begeleiden informeer dan voor het opnemen van de aangifte of deze begeleider getuige geweest is. Dit om te voorkomen dat die getuige tijdens de aangifte beÔnvloed wordt door het verhaal van het slachtoffer en daardoor “onbruikbaar” wordt als getuige.

• Omschrijf de elementen van het strafbare feit;

• Vraag of het slachtoffer eerdere ervaringen heeft met geweld;

• Begin met een algemene beschrijving van de relatie;

• Geef een beschrijving van de verandering in de relatie;

• Beschrijf het eerste geweldsincident;

• Beschrijf een typisch / markant geweldsincident;

• Beschrijf het ernstigste geweldsincident;

• Beschrijf het laatste geweldsincident;

• Beschrijf de frequentie van de geweldsincidenten;

• Vraag, indien het gesprek het toelaat, door naar eventueel seksueel geweld; (Mocht dit van toepassing zijn vraag dan ondersteuning van het Bureau Zeden. Er zijn namelijk richtlijnen m.b.t. het opnemen van aangiftes van seksueel geweld binnen afhankelijkheidsrelaties. Deze aangiftes dienen opgenomen te worden door zedenspecialisten.

• Is er bij een van de gezinsleden sprake van drugs- en/of alcoholgebruik of gokken?

• Zijn er financiŽle problemen in het gezin?

• Heeft iemand in het gezin mogelijk een psychische stoornis?

• Hoe ziet het slachtoffer de toekomst m.b.t. hun relatie, de veiligheid van het slachtoffer en eventuele kinderen.

• Zijn er kinderen binnen de relatie en zijn deze mogelijk betrokken, getuigen of zelf slachtoffer van geweld.

• Wie zijn er getuigen geweest van de geweldsincidenten?

• Met wie heeft het slachtoffer gesproken over het geweld en hoe reageerden deze personen?

• Als ouders aangifte doen namens hun kind vraag dan wie het gezag heeft.

• Als een kind verhoord kan worden in een studio (tussen 4 en 12 jaar en/of verstandelijk gehandicapten) vraag dan toestemming aan de ouder die het gezag heeft en laat de toestemmingsverklaring ondertekenen.

• Beschrijf in de aangifte het eventuele letsel. Mocht het zichtbaar letsel zijn laat dit dan vastleggen door de technische recherche. Vul de medische informatiestaat in en laat deze ondertekenen.

• Laat de aangifte op inhoud beoordelen door de chef van dienst.

• Beschrijf de wijze waarop de relatie is ontstaan en het moment waarop en de aanleiding waardoor geweld in de relatie ontstond.

• Is het slachtoffer bang voor herhaling?

• De eventuele wens van het slachtoffer tot het opleggen van een straat- of contact verbod aan de verdachte. Daarbij wordt met redenen omkleed wat de indicatoren zijn voor herhaling van het plegen van huiselijk geweld jegens het slachtoffer (bijvoorbeeld het aantal meldingen, levensgevaar, belaging of onberekenbaar gedrag).

8. Verhoor getuigen

Kinderen als getuigen:

• Kinderen kunnen uitstekende getuigen zijn, maar zijn meestal zeer loyaal naar hun ouders. Soms zeggen ze daarom geen belastende dingen over hun ouders.

• Het verhoren van kinderen is soms een delicate bezigheid en kan dan het beste worden overgelaten aan ervaren en deskundige collega’s;

• Het is verstandig om het verhoor op band op te nemen;

• Kinderen die getuige / slachtoffer zijn van een ernstig misdrijf en tussen de 4 en 12 jaar of verstandelijk gehandicapte kinderen die ouder zijn, moeten door speciaal daarvoor opgeleide politiemensen worden verhoord in een zogenaamde verhoorstudio. De Officier van justitie en een van de ouders die het gezag over de kinderen heeft dienen vooraf toestemming te geven voor het studioverhoor.

Overige getuigen:

• Leg uit wat de consequenties zijn van het afleggen van een verklaring;

• Hoor zo spoedig mogelijk eventuele getuige van het geweld in huiselijke kring;

• Leg de verklaring zo gedetailleerd mogelijk vast in een proces-verbaal.

9. Overleg met justitie

• Na de beoordeling van de aangifte door de lijnverantwoordelijke, overlegt u met de Officier van Justitie verder over de casus. De Officier van Justitie kan toestemming geven voor:

− Het eventuele studioverhoor van kinderen;

− De aanhouding buiten heterdaad van de verdachte;

− Hij kan ook beslissen dat de verdachte uitgenodigd wordt voor verhoor;

− Tevens kunt u al overleggen of een voorgeleiding gewenst is;

− In geval van twijfel omtrent de vraag of bij melding van geweld in gezinsverband wel of geen proces-verbaal moet worden opgemaakt pleegt de politie overleg met de officier van justitie of de parketsecretaris;

− Indien er proces-verbaal wordt opgemaakt wordt dit zo spoedig mogelijk ingezonden (in elk geval binnen een maand).

• Indien het proces-verbaal is ingezonden volgt een spoedige strafrechtelijke reactie (binnen drie maanden). In alle gevallen wordt een reclasseringsrapport gevraagd. Slechts om technische redenen zal geseponeerd worden. In het geval van een voorwaardelijk sepot vindt er altijd een gesprek op het parket plaats met de verdachte. Indien de verdachte wel in verzekering wordt gesteld maar niet zijn bewaring wordt gevorderd vindt er zo mogelijk toch een voorgeleiding bij de officier van justitie plaats met het oog op het persoonlijk onderhoud.

• In alle gevallen waarin inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden zal de behandelend officier van justitie het slachtoffer aanbieden een gesprek te hebben met hem/haar;

• Het openbaar ministerie zendt in alle zaken betreffende "geweld in huiselijke kring" een afloopbericht.

10. Verhoor verdachte

• Deel de verdachte mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is;

• Vertel de verdachte hoe de verdere procedure verloopt (de juridische afwikkeling);

• Omschrijf de elementen van het strafbare feit;

• Informeer naar het gezin waarin de verdachte is opgegroeid;

• Vraag of de verdachte eerdere ervaringen heeft met geweld (bijv. als slachtoffer);

• Begin met een algemene beschrijving van de relatie;

• Geef een beschrijving van de verandering in de relatie;

• Beschrijf het eerste geweldsincident;

• Beschrijf een typisch / markant geweldsincident;

• Beschrijf het ernstigste geweldsincident;

• Beschrijf het laatste geweldsincident;

• Beschrijf de frequentie van de geweldsincidenten;

• Vraag, indien het gesprek het toelaat, door naar eventueel seksueel geweld (mocht dit van toepassing dan kunt u ondersteuning vragen bij het bureau Zeden)?

• Is iemand in gezin verslaafd aan drugs of alcohol of gokken?

• Zijn er financiŽle problemen in het gezin?

• Heeft iemand in het gezin mogelijk een psychische stoornis?

• Hoe ziet de verdachte de toekomst m.b.t. hun relatie; de veiligheid van het slachtoffer en eventuele kinderen?

• Zijn er kinderen binnen de relatie en zijn deze mogelijk betrokken, getuigen of zelf slachtoffer van geweld?

• Wie zijn er getuigen geweest van de geweldsincidenten?

• Met wie heeft de verdachte gesproken over het geweld en hoe reageerden deze personen?

• Introduceer de mogelijkheid van daderhulpverlening.

11. Inverzekeringstelling en reclassering

• Indien nodig zal de verdachte in verzekering gesteld worden. Het is voor het verdere hulpverleningstraject (van de verdachte) van belang dat de reclassering zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld.

• Na het verhoor van de verdachte dient u de casus met de Officier van Justitie te bespreken.

• Hij / zij neemt meestal een van de volgende beslissingen:

• Nader verhoor verdachte / getuigen;

• Au afdoening;

• Normaal proces-verbaal opmaken;

• Voorgeleiding;

• Heenzenden verdachte.

12. Daderhulpverlening

Aanmeldingen door de politie

1 . Verdachten van geweld in huiselijke kring, die door de politie in verzekering worden gesteld worden automatisch gemeld aan de reclassering via de reguliere piketdienst. De politie vermeldt daarbij indien het gaat om "relationeel geweld";

2. In geval van aanhouding zonder in verzekeringstelling, zogenaamde 6-uurszaken overlegt de politie met de Officier van Justitie c.q. de parketsecretaris. Als uit dit overleg blijkt dat er voldoende materiaal is voor vervolging verzoekt de politie de reclassering een gesprek te hebben met de verdachte op het politiebureau waartoe betrokkene op het politiebureau wordt ontboden. Dit gesprek vindt plaats naast een "vermanend gesprek" met een rechercheur.

3. In zaken, waarbij niet tot aanhouding wordt overgegaan en/of waarbij niet voldoende belastend materiaal is om te kunnen vervolgen kan de politie de verdachte rechtstreeks verwijzen naar Kairos. Deze verwijzing vindt plaats op vrijwillige basis. In de eerste variant bezoekt de reclassering betrokkene op het politiebureau op de tijden die daarvoor gereserveerd zijn: maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 10.00 uur.

In de tweede variant ontbiedt de politie betrokkene in hetzelfde tijdsbestek dat gereserveerd is voor het vroeghulpgesprek met de Reclassering. Ze laat dag en tijd van ontbieding aan de reclassering schriftelijk weten.

In de derde variant verwijst de politie betrokkene rechtstreeks naar Kairos, dat een intakegesprek plant binnen twee weken na de verwijzing en dat de politie over de uitkomst daarvan informeert. In alle zaken betreffende relationeel geweld (ook bij melding of bij 6-uurszaken) overlegt de politie met de betreffende Officier van Justitie of de parketsecretaris.

Macht er voldoende materiaal zijn om betrokkene te vervolgen dan verzoekt de Officier van Justitie de reclassering om rapportage. Aanmeldingen en verzoek om rapportage door Openbaar Ministerie In gevallen betreffende "relationeel geweld" schakelt het Openbaar Ministerie de reclassering in middels een verzoek om rapportage, waarbij zij laat weten in hoeverre:

• Zij een transactiezitting overweegt, taakstraf of leerstraf.

• Of er sprake is van een AU procedure

• Op welke termijn de rapportage wordt verwacht.

In het geval van een transactiezitting of AU procedure is het van belang dat de reclassering snel op de hoogte is van het verzoek i.v.m. de korte termijn voor rapportage.

Onderzoek door de reclassering

1 . Na ontvangst van de melding door de politie bezoekt de reclassering betrokkene op het politiebureau. Dit gesprek is bedoeld om een inventarisatie te maken van de motivatie en de mogelijkheden tot begeleiding.

2. De reclassering schakelt Kairos in indien betrokkene in aanmerking komt voor daderbehandeling bij Kairos. Ze consulteert Kairos bij twijfel over de diagnose of de mogelijkheden tot behandeling.

3. Bij twijfel over verslavingsproblematiek of bij verkeerde verdeling naar De Grift of Reclassering Nederland nemen de aandachtsfunctionarissen van de pilot contact met elkaar op voor overleg of consultatie.

Rapportage aan het Openbaar Ministerie

1. Indien de reclassering de verdachte op het politiebureau gesproken heeft worden de bevindingen middels voorlichtingsrapportage teruggekoppeld aan de Officier van Justitie.

2. indien tot strafrechtelijke vervolging wordt overgegaan zal de reclassering (na aanvraag van het OM) rapporteren aan het Openbaar ministerie. Er kan slechts met instemming van betrokkene worden gerapporteerd. In de rapportage zal geadviseerd worden over mogelijkheden van begeleiding en hulpverlening. InitiŽren en organiseren van begeleiding. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek naar de persoonlijke situatie van betrokkene zal de reclassering de wenselijk geachte begeleiding initiŽren en organiseren, in eerste instantie bij Kairos en in geval er sprake is van verslaving mogelijk in combinatie met de Grift. De vorm waarin dit plaatsvindt zal mede afhankelijk zijn van de ernst van het relationeel geweld en de strafrechtelijke afdoening.

Dit kan betekenen:

1. Aanmelding en verwijzing naar Kairos en / of een hulpverleningsinstelling in de regio op basis van vrijwilligheid

2. Aanmelding en verwijzing naar Kairos in het kader van een leerstraf

3. Aanmelding en verwijzing naar Kairos of een andere instelling in de regio in het kader van een bijzondere voorwaarde. De eerste variant is alleen mogelijk met volledige instemming en medewerking van de betrokkenen; er zijn geen sanctiemogelijkheden indien betrokkene(n) geen medewerking verleent of de begeleiding verbreekt. De tweede variant kan vanaf 1 april 2001 opgelegd worden door de Officier van Justitie in het kader van een transactiezitting. De derde variant kan zijn opgelegd in het kader van een schorsing onder voorwaarden of bij een voorwaardelijke veroordeling. Deze juridische kaders bieden een sanctiemogelijkheid. In die gevallen zal bij afbreken van het begeleidingstraject door betrokkene het openbaar Ministerie worden geÔnformeerd door de reclassering.

Daderbehandeling

Bij verwijzing naar Kairos door politie of reclassering, wordt er binnen twee weken een intake gepland. Als er met alle partijen overeenstemming is over de behandeling kan er binnen twee weken met de behandeling worden gestart. Over het resultaat en het verloop van de behandeling wordt de politie c.q. de reclassering geÔnformeerd. Op dit moment is het niet mogelijk om de vormen van daderhulpverlening te beschrijven. Hierover zijn nog geen concrete afspraken gemaakt met instellingen. Op dit moment is de Reclassering de aangewezen instantie om hulpverlening op te starten.

13. Aandacht voor slachtoffers en kinderen

Inleiding

Op het moment dat de politie betrokken raakt bij een huiselijk conflict wordt aan het slachtoffer een gesprek aangeboden op het politiebureau met de betrokken behandelaar en een medewerker van Bureau Slachtofferhulp. Doel van dit eerste gesprek is om het slachtoffer te informeren, beperkte ruimte te bieden voor het slachtoffer om te vertellen over de situatie, problemen te inventariseren en zo nodig door te verwijzen naar hulpverleningsinstanties (het aanbod van hulpverleningsinstanties staat beschreven in bijlage l). Daarnaast worden er interventies gepleegd om het actuele geweld te kunnen stoppen. De mogelijkheid tot het voeren van een tweede gesprek met de medewerker van Bureau Slachtofferhulp is aanwezig. Waar nodig en gewenst wordt na doorverwijzing contact gehouden door de medewerker van Bureau Slachtofferhulp. De mogelijkheid bestaat om relatie- en gezinsgesprekken te voeren onder deskundige begeleiding. Vastgelegde afspraken garanderen dat het slachtoffer en eventuele kinderen op korte termijn hulp krijgen aangeboden.

Politie-interventie

Tijdens de politie-interventie wordt aan het slachtoffer een persoonlijk gesprek aangeboden op het politiebureau, met de behandelaar en met een medewerker van Bureau Slachtofferhulp, binnen twee werkdagen. De reden voor dit aanbod wordt aan het slachtoffer uitgelegd door de betrokken behandelaar. Indien het slachtoffer en eventuele kinderen acuut opvang nodig hebben, wordt door de betrokken behandelaar contact opgenomen met Hera, -vrouwenopvang Gelderland, die zorg draagt voor een beschikbare plaats in Hera of een andere opvangvoorziening in Nederland.

Eerste gesprek

Het eerste gesprek wordt gevoerd door de bij het conflict betrokken behandelaar en een medewerker van Bureau Slachtofferhulp. Dit gesprek vindt zo spoedig mogelijk plaats, maar uiterlijk binnen vijf werkdagen. De medewerkers van Bureau Slachtofferhulp zijn geselecteerd voor deze taak, zijn geÔnformeerd over de aanpak van geweld in huiselijke kring en hebben hierin een training gevolgd. Voor advies en eventuele opname van het slachtoffer kan de medewerker contact opnemen met het intaketeam van Hera, vrouwenopvang Gelderland. Wanneer het slachtoffer niet verschijnt op de afspraak neemt de betrokken behandelaar contact op met het slachtoffer en probeert een nieuwe afspraak tot stand te laten komen. Wanneer het slachtoffer wel verschijnt wordt deze in dit gesprek door de behandelaar geÔnformeerd over de rol van de politie, de procedure bij het doen van aangifte de gevolgen ervan, de eventuele toe te passen maatregelen naar de pleger van het geweld toe, de overige procedures van het stafrechtelijk onderzoek en eventuele andere juridische zaken.

Checklist algemeen

• Als er in een gezin sprake is van geweld in huiselijke kring dan zijn kinderen daar vaak getuige of (indirect) slachtoffer van.

• Mogelijk zijn de kinderen getraumatiseerd en hebben zij hulp nodig. Verwijzingsmogelijkheden zijn onder andere:

− Advies en Meldpunt Kindermishandeling;

− Bureau Jeugdzorg;

− Eventueel de Raad voor de Kinderbescherming (Alleen bij levensbedreigende situaties).

• U kunt altijd met de UJC overleggen welke instelling het beste aansluit bij uw casus.

• Kinderen die getuige / slachtoffer zijn van een ernstig misdrijf, tussen de 4 en 12 jaar oud, of verstandelijk gehandicapten, moeten door speciaal daarvoor opgeleide politiemensen worden verhoord in een verhoorstudio.

• De Officier van Justitie en een van de ouders die het gezag over de kinderen heeft, dienen vooraf toestemming te geven voor het studioverhoor. (Zie ook punt checklist getuigen).

Checklist informatiegesprek

• Zorg voor een rustige ruimte;

• Neem een luisterende houding aan;

• Geef aandacht (bijvoorbeeld koffie aanbieden) en geef bij het slachtoffer een gevoel van eigenwaarde;

• Het informatiegesprek is geen verhoorsituatie;

• Leg uit wie je bent en wat je taak is;

• Onderzoek wat het slachtoffer van de politie verwacht (soms is dat vooral hulp en (nog) geen aangifte);

• Geef zoveel mogelijk uitleg over wat we (gaan) doen en waarom (procedure bij het doen van aangifte en gevolgen daarvan);

• Introduceren van medewerker Bureau Slachtofferhulp en overdragen van de hulpverleningstaak;

• Vastleggen in een proces-verbaal van bevindingen (BPS formulier);

− Inhoud eerste spontane verhaal;

− (Emotionele) toestand van slachtoffer;

− inventarisatie van voorgeschiedenis (eerdere incidenten).

Gesprek bureau Slachtofferhulp

Hierna vervolgt de medewerker van Bureau Slachtofferhulp het gesprek (de behandelaar verlaat het gesprek). Deze gaat in op dringende -vragen die het slachtoffer heeft. Hierna volgt zo mogelijk:

• Het inschatten van de situatie. Hiertoe is er beperkte ruimte voor het slachtoffer om te vertellen over de situatie. De medewerker vraagt naar.

− de actuele leefsituatie;

− de religieuze/culturele achtergrond;

− mogelijke steun van de omgeving;

− het welzijn van de kinderen en de mate waarin zij getuige of medeslachtoffer zijn geweest van het geweld.

• Het inventariseren van problemen en het nagaan van wensen en verwachtingen van het slachtoffer t.a.v. mogelijke hulp.

• Het ondernemen van actie op acute problemen.

• Het zorgdragen voor de veiligheid en het maken van een veiligheidsplan.

• Het onderzoeken of verwijzing naar hulpverlening gewenst of geboden is.

• Het informeren over hulpmogelijkheden

• Het gericht verwijzen indien gewenst en geboden. Wanneer het slachtoffer alleen wil of kan vertellen over de situatie, kan een vervolgafspraak gemaakt worden. Er wordt afgesproken dat het slachtoffer de tijd krijgt om te besluiten of ze een vervolgafspraak wil. Dan vindt eventueel opnieuw een gesprek plaats tussen de politieagent de medewerker van Bureau Slachtofferhulp en het slachtoffer.

Doorverwijzing

Bij doorverwijzing wordt schriftelijk toestemming van het slachtoffer gevraagd om de gegeven informatie door te geven aan de verwijzende instantie. Zo mogelijk wordt een casemanager aangesteld (mogelijkheden worden momenteel bekeken). Wanneer dit niet mogelijk blijkt is de volgende afspraak van kracht: wanneer het slachtoffer verwezen wordt naar een hulpverleningsinstantie, is deze instantie verantwoordelijk voor het onderhouden van contacten met mogelijke andere betrokken instanties en voor het samenbrengen van deze instanties. Wanneer een slachtoffer wordt doorverwezen naar de NIM volgt binnen vijf werkdagen een gesprek met het slachtoffer en wordt de hulpverlening opgestart.

De rol van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)

• Wanneer kinderen aanwezig zijn in het gezin waar geweld heeft plaatsgevonden, geeft de behandelaar hiervan altijd bericht aan het AMK.

• Het AMK kan zo nodig onderzoek doen naar de kinderen en naar het effect van het getuige zijn van geweld tussen ouders voor de kinderen.

• Hiernaast kan het AMK een rol spelen wanneer het niet lukt om vrijwillig noodzakelijke hulp te accepteren.

• Ouders worden over de melding bij het AMK door de betrokken behandelaar geÔnformeerd. Bij het opstellen van dit checklist nummer 12 is gebruik gemaakt van het protocol 'Aanpak Huiselijk Geweld Haarlem'.

Veiligheid / opvang slachtoffer:

• Overleg met het slachtoffer of het wenselijk dan wel noodzakelijk is, de verdachte elders te laten verblijven. Wanneer dit geen optie is dan moet de veiligheid van het slachtoffer zo goed mogelijk op een andere manier gewaarborgd worden.

• Bespreek daarom de mogelijkheden die het slachtoffer heeft om te zorgen voor haar eigen veiligheid:

− Vrouwenopvang;

− Opvang bij familie en / of vrienden;

− Als de vrouw in haar eigen woning wil blijven, denk dan aan het informeren van familie en / of buren;

− Eventueel andere sloten op de deuren. (dit kan alleen als de woning niet door de verdachte bewoond wordt).

• Zorg dat er duidelijke afspraken met het slachtoffer gemaakt worden en registreer deze in het BPS (zo nodig afspraak op locatie).

14. Belaging (stalking):

14.1 Het slachtoffer van stalking.

De meeste slachtoffers zullen, in eerste instantie, toch proberen het probleem zelf aan te pakken. Dit Doordat het slachtoffer steeds op haar hoede is voor de belager zal het slachtoffer haar gehele levensstijl gaan aanpassen. Voorbeelden hiervan zijn dat de slachtoffers de plekken vermijden waar zij de belager eventueel zouden kunnen tegenkomen. Dit zijn vaak winkelcentra en uitgaansgelegenheden, maar zelfs ook gelegenheden waar het slachtoffer of haar kinderen privťverplichtingen heeft, zoals de sportclub en de scholen. Het slachtoffer voelt zich ook niet veilig in haar eigen woning. De belager dringt zich ook op in de directe omgeving van de woning alwaar deze post vat op de woning. Ook als de belager niet in de buurt van de woning is voelt het slachtoffer toch de aanwezigheid van de belager. Zij zijn kortom zo gefixeerd op de belager dat dit het gehele leven beheerst. In en om de woning van het slachtoffer zijn vaak aanpassingen gedaan om ervoor te zorgen dat de belager niet in de woning kan kijken of de woning moeilijk kan betreden. Voorbeelden hiervan zijn: hoge schuttingen, ondoorzichtige gordijnen, meerdere sloten op de toegangsdeuren en extra verlichting om de woning. Het slachtoffer past zijn leven in de woning ook aan. Zij zal zich vaak zodanig in de woning gedragen dat er een kleine kans is dat iemand die buiten de woning staat de bewoner niet kan zien. De indeling van de woning is vaak dusdanig dat er niet voor een raam gezeten kan worden zodat de belager geen kans krijgt om te zien of er iemand thuis is. Als het donker wordt gaan de gordijnen dicht. Deze gordijnen zijn vaak van een dusdanige dikte dat er geen licht kan doorkomen. Het slachtoffer zal er alles aan doen om er voor te zorgen dat zij niet gezien kan worden in de woning. Vaak is een slachtoffer ook bang om zelf naar buiten te kijken. Het slachtoffer heeft vaak meerdere malen een ander telefoonnummer aangevraagd en is in sommige gevallen verhuisd. De stalking kan zo ver gaan dat het slachtoffer op het werk ook belaagd wordt. Het slachtoffer is dan vaak genoodzaakt om ander werk te zoeken. Zoals eerder beschreven beheerst de belager het gehele leven van het slachtoffer! Dit kan voor een slachtoffer dusdanige gevolgen hebben dat zij psychische problemen krijgt en het is zelfs niet ondenkbaar dat het slachtoffer zichzelf probeert van het leven te beroven.

14,2 De Stalker/Belager.

De personen die de stalking plegen kunnen in alle sociale treden van de samenleving voorkomen. Een stalker kan om verschillende redenen met het belagen van zijn slachtoffer beginnen. De gevallen waar de politie het meest mee in aanraking komt zijn: De meest voorkomende reden (82%) is het niet kunnen verkroppen van een relatie welke ten einde is. De stalker wil door zijn gedrag het slachtoffer bewegen om weer een relatie met hem aan te gaan. Ook kan in dit geval een rol spelen dat er uit de relatie kinderen zijn voortgekomen. De stalker wil ook graag zeggenschap over de kinderen om zodoende druk uit te kunnen oefenen op het slachtoffer. De relatie welke het slachtoffer met de stalker heeft gehad is vaak gepaard gegaan met fysiek en/of psychisch geweld. In de sociaal zwakkere families komt geweld vaker voor. Het slachtoffer is vaak erg bang geweest in de relatie. Het duurt dan ook vaak erg lang voordat het slachtoffer de beslissing heeft genomen om de relatie te beŽindigen. Doordat het slachtoffer ondergeschikt is geweest aan de belager in de relatie wil de belager dit weer na de relatie. De belager wil deze machtspositie over het slachtoffer houden. De belager zal alles in het werk stellen om weer macht te krijgen. Vaak begint de belager eenvoudig met psychische dwang door steeds contact te zoeken (opbellen), maar als dat niet werkt zal de belager, zo leert de ervaring, naar steeds zwaardere middelen grijpen. We zien dat de belagers hun slachtoffers gaan achtervolgen, langsrijden en plegen van misdrijven (inbraak, vernieling, bedreiging en mishandeling.) Deze vorm komt veel voor bij een ex-partners of familieleden. De stalker wil een relatie met het slachtoffer. Hij heeft geen relatie met haar gehad maar is gewoonweg geobsedeerd door het slachtoffer. Dit soort stalkers kan bestempeld worden als een categorie die op den duur gevaarlijk gedrag gaat vertonen. Deze stalker zal niet stoppen voordat hij zijn doel heeft bereikt en zal geen middel schuwen. Vaak lopen dit soort gevallen op ernstige misdrijven uit. De stalker kan zijn doel niet bereiken en denkt dat als hij het slachtoffer niet krijgt niemand haar zal krijgen. Bij deze categorie stalkers komt deze gedachte relatief vaker voor dan bij andere categorieŽn. Bij deze gevallen is meestal haast geboden met het bieden van hulp. De stalker is een onbekende en maakt zich op geen enkele manier bekend. Deze vorm van stalking is een vorm waarbij de stalker geen direct contact heeft met het slachtoffer. De stalker maakt gebruik van brieven, e-mail en telefoon. Bij het telefonisch contact wordt vaak niets gezegd. Het slachtoffer weet niet wie haar belager is en kan hierdoor in ernstige psychische problemen raken, mede door het feit dat achter de belaging een onbekende zit. Het slachtoffer kan zich nergens op voorbereiden, de stalker kan namelijk iedereen zijn. De stalker weet daarentegen veel van het slachtoffer en dat maakt de situatie vaak benauwender. Het slachtoffer ziet na verloop van tijd in iedereen in haar omgeving een potentiŽle stalker. De stalker wil ook hier de macht uitoefenen over zijn slachtoffer en geniet van de opwinding die dat met zich mee brengt. In de voornoemde gevallen is de stalker vaak een persoon die een persoonlijkheidsstoornis heeft. De meeste stalkers neigen naar het schizofrene. De stalkers zijn onberekenbaar en deinzen nergens voor terug. Geen enkel middel laten zij ongemoeid om het doel te behalen. Hierin schuilt ook het gevaar voor het slachtoffer als deze niet op tijd hulp krijgt, of hierom zelf vraagt.

14.3 Omgaan met slachtoffers van stalking.

Het slachtoffer komt naar het bureau om aangifte te doen. Het slachtoffer ziet dit als laatste redmiddel

in de strijd tegen de stalker. Voordat het slachtoffer hulp komt zoeken bij de politie is er toch gauw een

periode van enkele maanden geweest waarin het slachtoffer zelf heeft geprobeerd om de stalking op

te lossen.

Als het slachtoffer bij de politie aanklopt is de tijd van bemiddelen reeds geweest. Er is in 90% van de

gevallen geen mogelijkheid meer om te bemiddelen.

In de gevallen dat bemiddelen nog wel mogelijk is, is de stalking nog niet zo lang aan de gang. In

deze gevallen is de kans echter ook klein dat door bemiddeling de stalking stopt.

Er moet rekening gehouden met het feit dat het slachtoffer zeer emotioneel is. Het slachtoffer zoekt

echt hulp. Dit wordt wel eens onderschat. Er zijn gevallen bekend dat een slachtoffer al negen jaar

vecht tegen haar stalker. Hierbij komt ook nog het feit dat zij constant tegen een juridische muur op

loopt. In de ogen van het slachtoffer neemt de politie haar zaak niet serieus en probeert de zaak af te

schuiven. De politie beschouwt het slachtoffer als een zeur die alweer aan het bureau komt met een

wazig verhaal. Het slachtoffer heeft al meerdere klachten tegen de politie ingediend omdat zij in haar

ogen niet serieus genomen wordt. Door deze klachten wordt zij bijna niet meer geholpen en krijgt zij

niet de hulp die zij nodig heeft. Zij wil haar gezin beschermen en is bezig met het treffen van

maatregelen tegen haar stalker. Deze maatregelen zijn dusdanig dat als zij dit gebruikt er slachtoffers

gaan vallen.

Het verhaal wat door het slachtoffer verteld wordt is vaak warrig en bestaat uit meerdere verhalen van

misdrijven die gepleegd zijn. Hierdoor is het moeilijk in te schatten om wat voor misdrijf het gaat.

Stalking bestaat uit meerdere misdrijven en vervelend gedrag. Het slachtoffer zal toch vaak met een

verhaal komen dat zij bedreigd wordt. Hiervan wordt dan een aangifte opgenomen en komen deze

zaken vaak onder op de stapel. Als er een lange tijd overheen gaat wordt de zaak vergeten, dit is

geheel niet wat het slachtoffer wil.

Het slachtoffer wil snel geholpen worden omdat zij niet meer normaal kan functioneren en hierdoor in

grote psychische problemen komt. Als de zaak dan in behandeling wordt genomen is in de tijd van

aangifte en in behandeling nemen vaak meer gebeurd. In sommige gevallen hebben de stalkers

daadwerkelijk toegeslagen en is er een ernstig misdrijf gepleegd. Dan komt hulp voor het slachtoffer te laat.

Bij het eerste contact met het slachtoffer door een politiemedewerker dient de zaak niet onderschat te moeten worden.

Laat het slachtoffer zijn verhaal doen en maak dan de inschatting of het om stalking gaat of om een

los staand feit.

Slachtoffers van stalking maken vaak wel duidelijk dat het over een lange periode speelt en dat er

toch een bepaalde systematiek in zit. De stalker moet wel een bepaald doel hebben met het gedrag

jegens het slachtoffer.

14.4 Intake gesprek

Voordat er een daadwerkelijke aangifte opgenomen gaat worden wordt er met het slachtoffer een

“intake gesprek” gehouden. Voordat iemand wordt uitgenodigd voor een intake gesprek moet er

voorwerk gedaan worden. Dit houdt in dat in het bedrijfsprocessensysteem gezocht moet worden naar

relevante gegevens omtrent stalker en slachtoffer, zoals vakere meldingen die de collegae op straat

hebben afgehandeld etc…)

Het doel van het intake gesprek is het uitwisselen van informatie om er voor te zorgen dat het

slachtoffer weloverwogen tot een beslissing kan komen met betrekking tot het wel of niet doen van

aangifte. Het opnemen van een aangifte is vaak een tijdrovende klus en er moet veel tijd voor

uitgetrokken worden. Als later blijkt dat het niet om een stalking gaat of het slachtoffer trekt alsnog de

aangifte in is het een verlies van tijd. Naast dit belang voor de verbalisant, wil men het ook een

onnodige belasting voor het slachtoffer voorkomen.

Bij dit intake gesprek wordt er uitvoerig gesproken met het slachtoffer.

De gehele situatie wordt doorgesproken. Aan het slachtoffer worden tips gegeven hoe zij goed kan

omgaan met de situatie. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een protocol voor slachtoffers. In dit

protocol is ook een voorbeeldbrief gevoegd. Deze brief kan gestuurd worden aan de stalker. Middels

deze brief wordt aan de stalker duidelijk gemaakt dat het slachtoffer in zijn geheel geen contact met

de stalker wil hebben. Deze brief wordt ook gebruikt als ondersteunend bewijs. (zie verder

bewijsvoering). N.b. het protocol en de brief zijn als bijlagen bijgevoegd.

Het slachtoffer wordt ook in contact gebracht met slachtofferhulp. Zij zijn voor verdere opvang van het

slachtoffer.

Tijdens het intake gesprek wordt ook aan het slachtoffer verteld dat de aangifte een tijdrovende klus is

en dat daar een aparte afspraak voor gemaakt moet worden. Ook wordt het slachtoffer duidelijk

gemaakt dat het traject wat gevolgd word een lange termijntraject is. De stalker zal niet gelijk de dag

na de aangifte in de cel zitten.

Tijdens het intake gesprek zal het slachtoffer duidelijk gemaakt worden dat de politie niet 24 uur per

dag voor de deur kan liggen om het slachtoffer te beschermen, maar dat er wel afspraken met een

politiemeldkamer gemaakt kunnen worden. Ook is er een mogelijkheid dat onder strenge voorwaarden

het slachtoffer en mobiel alarmeringssysteem kan krijgen.

Het slachtoffer wordt ook verteld dat in de klacht/aangifte veel persoonlijke dingen gevraagd gaan

worden.

Indien het slachtoffer emotioneel is of wordt dan dient hier uiteraard correct mee worden omgegaan.

Door het contact wat er vanaf dat moment met het slachtoffer is wordt aan het slachtoffer toch een

handreiking gedaan om hulp te bieden. Het slachtoffer weet dat haar zaak serieus genomen wordt en

begint weer hoop te krijgen.

De afspraak voor de daadwerkelijke aangifte volgt kort op het intake gesprek.

In die tussentijd kan het slachtoffer ook bewijsmateriaal vergaren, hierbij wordt gedacht aan brieven

en tijdstippen van bellen.

Na het intake gesprek blijft er, zo mogelijk, een intensief contact tussen slachtoffer en verbalisant. Dit

geeft het slachtoffer een bepaalde rust zodat zij de maatregelen kan treffen welke zijn besproken

tijdens het intake gesprek.

14.5 Aangifte/Klacht

Stalking is een klachtdelict. Stalking wordt alleen op klacht vervolgd. Hier dient terdege rekening mee

gehouden worden. Als er alleen een aangifte opgenomen wordt gaat de hele zaak niet door.

Voor het opnemen van de klacht moet, zoals geschreven, een lange tijd uitgetrokken worden. In de

klacht worden alle gebeurtenissen genoteerd welke voorgevallen zijn.

Stel het slachtoffer op haar gemak. Maak duidelijk dat wij er voor het slachtoffer zijn en dat wij willen

helpen. Laat eventueel een vertrouwenspersoon bij het verhoor toe, zoals bijvoorbeeld een kennis of

iemand van slachtofferhulp, waardoor het slachtoffer zich gesteund voelt. Bedenk wel dat deze

persoon onbruikbaar is als getuige!.

Bij de klacht wordt begonnen met de relatie die het slachtoffer heeft gehad met de stalker. Als er een

onbekende stalker is wordt begonnen met het tijdstip waarop het eerste contact was.

Hierna worden alle gebeurtenissen in chronologische volgorde genoteerd. Elke minimale vorm van

contact wordt beschreven. Bij de klacht moet immers aangetoond worden of het systematisch is en

moet het duidelijk worden wat de stalker wil van het slachtoffer.

Laat tijdens het opnemen van de klacht het slachtoffer zoveel mogelijk vertellen en begin pas met

schrijven als het gehele verhaal in vogelvlucht is gedaan en ook duidelijk is. Het is beter om een

slachtoffer iets meerdere malen te laten vertellen dan dat het slachtoffer iets een keer verteld en dat

het dan onduidelijk op papier komt. Zo wordt er voorkomen dat er dan wederom contact moet worden

gezocht met het slachtoffer om een aanvullende verklaring af te leggen.

Probeer in de klacht zoveel mogelijk namen van eventuele getuigen te noteren. Dit is erg belangrijk

voor het vervolg van het onderzoek.

Eventuele papieren die overhandigd worden dienen ook verwerkt te worden in de klacht.

Laat het slachtoffer duidelijk maken wanneer en op wat voor tijdstippen zij lastig gevallen wordt. Dit is

vooral van belang als de belaging vaak over de telefoon is. Vraag ook duidelijk de telefoonprovider en

het telefoonnummer van het slachtoffer.

Geef ook duidelijk aan hoe het slachtoffer zich onder de omstandigheden voelt.

In de klacht is het ook van belang dat de stalker op de hoogte is van het feit dat het slachtoffer geen

contact meer met de stalker wil. Dit kan middels de brief welke bij het protocol geleverd is.

Doe tijdens het opnemen van de klacht geen loze beloftes. Voor het slachtoffer is er niets erger dan

zich ergens op te richten terwijl dat achteraf niet waar blijkt te zijn.

14.6 Verder onderzoek.

Tijdens het verdere onderzoek is het te zeerste aanbevolen om het slachtoffer steeds op de hoogte te

houden van hetgeen er gebeurd. Door dit contact kan ook snel ingegrepen worden als er zich weer

iets voordoet. Alle gebeurtenissen naar het slachtoffer toe welke na het doen van de klacht voorvallen,

dienen in een relaas gezet te worden.

Hou bij het verdere onderzoek voor ogen dat het belang van het slachtoffer voor gaat. Mocht het in de

tijd van het onderzoek blijken dat de stalking al geruime tijd gestopt is dan kan in overleg met het

slachtoffer ervoor gekozen worden om de zaak nog even te laten rusten. Eventuele getuigen die nog

gehoord moeten worden zullen dan nog wel gehoord moeten worden. Spreek met het slachtoffer af

dat de zaak zover afgehandeld wordt dat als er zich weer iets voorvalt in korte tijd er gelijk ingegrepen kan worden. Zorg er dus voor dat het onderzoek bijna rond is op het aanhouden en het horen van de

verdachte na.

In het verdere onderzoek dienen zoveel mogelijk onafhankelijke getuigen gehoord te worden. Hierbij

word gedacht aan de directe buren en eventueel mensen uit de werkomgeving die ook iets gezien

hebben. Ook zullen de familieleden gehoord moeten worden. Laat in de verklaringen die afgelegd

worden ook blijken of het slachtoffer erg veranderd is in haar doen en laten. Dit is vooral belangrijk

voor het aantonen van de noodzaak van een onderzoek. Zorg dat de verklaringen goed op papier

komen.

Bij eventuele mishandelingen die gepleegd zijn door de stalker en waarbij het slachtoffer bij een

dokter is geweest, moet een medische verklaring worden aangevraagd. Dit dient als ondersteunend

bewijs.

Bij de belaging over de telefoon moet in overleg met de Officier van Justitie een bijzondere

bevoegdheid aangevraagd worden om de historische gegevens van de telefoon te kunnen opvragen.

Dit is meestal een kwestie van 3 Š 4 weken voordat de gegevens door de telefoonmaatschappij

worden aangeleverd.

Alle handelingen dienen genoteerd te worden in een relaas.

Tijdens het onderzoek heeft het slachtoffer waarschijnlijk al contact gehad met slachtofferhulp. Stel

slachtofferhulp ook op de hoogte van het onderzoek. Zij kunnen hiermee ook hun voordeel doen ten

opzicht van het slachtoffer. Ook kan bepaalde informatie uit de hoek van slachtofferhulp nuttig zijn

voor het onderzoek.

LET OP: tijdens het gehele onderzoek staat het belang van het slachtoffer voorop.

Het slachtoffer moet niet het gevoel krijgen dat zij in de steek gelaten wordt door de hulpverlenende

instanties. Hier kan de verbalisant een grote rol in betekenen. Door het contact dat de verbalisant met

het slachtoffer heeft kan deze snel ingrijpen in bepaalde situaties. De verbalisant kan bepaalde

hulpverleners informeren hoe de zaken ervoor staan. Slachtoffers ervaren doodgewoon steun van een

verbalisant als deze alleen al wil luisteren.

14.7 Officier van Justitie

Bij het gehele onderzoek speelt de Officier van Justitie een grote rol. Hij zal moeten bepalen of een

bepaalde zaak sterk genoeg is om voor te laten komen. Hou dan ook goed contact met de Officier van

Justitie. Leg hem in eerste instantie het gehele verhaal uit. Vertel ook het te volgen traject. Mocht een

Officier van Justitie bij voorbaad al zeggen dat het geen haalbare zaak is omdat het verhaal niet

“sterk” genoeg is dan kan er gekeken worden wat voor traject er gevolgd moet worden om de zaak

wel sterk te krijgen. Uit het intake gesprek is gebleken dat er bij het slachtoffer inderdaad sprake is

van Stalking.

De Officier van Justitie zal uiteindelijk ook toestemming moeten geven voor een aanhouding buiten

heterdaad en moet ook toestemming geven voor een onderzoek na de historische gegevens van de

telefoon.

Zorg dat de Officier van Justitie goed wordt ingelicht over de feiten zodat hij/zij het ook als stalking zal

onderkennen.

De Officier van Justitie is een erg belangrijke factor in het onderzoek. Met hem staat of valt een

onderzoek. Geen medewerking betekent geen zaak.

14.8 Verdachte

In het belang van het onderzoek is het noodzakelijk dat de verdachte aangehouden wordt.

In het voortraject dient elk contact met de verdachte te worden vermeden. De verdachte zal soms op

het bureau verschijnen om informatie te vragen over de zaak. Dit is meestal een gevolg op de brief die

zij heeft ontvangen. Een slachtoffer kan ook bij de verdachte hebben aangegeven dat zij de politie

heeft ingeschakeld. Hierdoor is het contact met de verdachte onvermijdelijk. Dit contact kan het verder

onderzoek in de weg staan.

Als een verdachte wordt uitgenodigd middels een brief of telefonisch om een verklaring af te leggen

aan het bureau is het gedwongen karakter eraf en dit kan het verhoor in de weg staan.

Daar er op Stalking voorlopige hechtenis staat heeft de Officier van Justitie de bevoegdheid om

toestemming te geven voor een aanhouding buiten heterdaad. Als er voldoende verdenking is en de

zaak is goed doorgesproken met de Officier van Justitie moet een aanhouding buiten heterdaad geen

probleem zijn.

Met de Officier van Justitie dient ook de mogelijkheid tot voorgeleiding bij de Rechter Commissaris

besproken worden. Dit is een behoorlijk wapen in de strijd tegen de stalker.

Bij de voorgeleiding bestaat de mogelijkheid dat de RC een geschorste bewaring onder voorwaarden

oplegt. Deze voorwaarden houden vaak in dat de verdachte geen contact mag zoeken met het

slachtoffer. Vaak wordt ook een strafrechterlijk straat-, en contactverbod door de rechter opgelegd.

De voorlopige hechtenis geeft de mogelijkheid om de verdachte in verzekering te stellen. Daar de

aangiftes meestal bestaan uit een zeer groot verhaal is het vaak ondoenlijk of onmogelijk om de

verdachte binnen de 6 uren geheel te horen. In het belang van het onderzoek zal de verdachte in

verzekering gesteld moeten worden. Het is vaak niet goed mogelijk om een goede kloppende

verklaring te verkrijgen van een verdachte. Mocht de verdachte voorgeleid worden voor de RC dan is

inverzekeringstelling geen probleem.

De aanhouding dient dus tactisch gepland te worden. Dus niet op vrijdagmiddag.

Mocht het onverhoopt toch voorkomen dat de verdachte zich vervelend bij het slachtoffer gaat

gedragen en een strafbaar feit ten opzicht van het slachtoffer plegen dan dient de verdachte op

heterdaad aangehouden te worden. Indien de stalkingszaak voldoende te bewijzen valt kan dan de

eventuele voorgeleiding voor de RC later geregeld worden.

Indien de stalking niet voldoende hard te maken is dan kan eventueel artikel 540 van het wetboek van

strafvordering worden toegepast. Ook hiervoor geldt dat de verdachte aan de RC moet worden

voorgeleid. De politie heeft dan maximaal 2 dagen voor verder onderzoek en het maken van een

proces-verbaal. De OVJ ( en niet de HOVJ) stelt de verdachte te allen tijde gedurende het onderzoek

inverzekering.

In het voortraject dienen alle mogelijkheden en voorgeleidingen reeds besproken met de Officier van

Justitie.

De normale inverzekeringstelling zal door een Hulp Officier van Justitie bevolen dienen te worden.

Hier dienen binnen het district goede afspraken over gemaakt te worden. Daar het hier lange verhalen

en verklaringen betreft is, kan de HOVJ vaak overtuigd worden van de noodzaak van de

inverzekeringstelling.

Breng het slachtoffer in ieder geval op de hoogte van het feit dat de verdachte is aangehouden.

Spreek ook met het slachtoffer af dat wanneer de verdachte vrij komt zij gelijk op de hoogte gesteld

wordt. Dit geeft bij het slachtoffer ook een bepaalde rust.

14.9 Verhoor verdachte

Het verhoor van de verdachte kan op verschillende manieren. Een ieder hanteert een andere manier

van verhoren.

Hierbij echter wat tips geven waarmee je tijdens het verhoor rekening kan houden:.

De verdachte is meestal iemand die zelf ook met psychische problemen rondloopt. Vaak is er iets in

haar verleden gebeurd waardoor hij dit gedrag vertoont.

Probeer de verdachte op een zeer sociale manier te benaderen en gooi niet gelijk alle feiten op de

tafel.

Begin ook met de relatie die hij gehad heeft met het slachtoffer. Probeer uit te vinden waarom deze

relatie er niet meer is of waarom het slachtoffer volgens de verdachte niets met hem wil beginnen.

Probeer ook een zwakke plek te vinden bij de verdachte. Meestal is de zwakke plek van de verdachte

toch het onbegrip van het slachtoffer ten opzichte van hem.

Probeer de verdachte te laten merken dat je de situatie waarin hij/ zij verkeert begrijpt.

Probeer zo het vertrouwen van de verdachte te winnen. Hierdoor zal hij makkelijker gaan praten.

Laat de verdachte in het begin zijn visie geven van het verhaal en laat hem uitspreken.

Praat ook over andere dingen in het leven van de verdachte.

Begin na al deze dingen langzaam de verdachte te confronteren met de feiten zodat hij op een

gegeven moment geen kant meer uit kan.

Blijf steeds op je hoede tijdens het verhoor. De verdachte van stalking is meestal een onberekenbaar

persoon. Voordat je het door hebt kan hij omslaan en zichzelf of een ander wat aandoen.

Als je het gesprek op de vriendelijke toon houdt is de kans dat de verdachte “flipt” en daardoor

dichtslaat het kleinst.

De verdachte kan iemand zijn met een persoonlijkheidsstoornis, houdt hier rekening mee.

14.10 Nazorg.

Nazorg:

Als de verdachte wordt vrijgelaten of in bewaring gesteld wordt is de hulpverlening door

slachtofferhulp reeds in werking gesteld. Het slachtoffer wil nog graag op de hoogte gesteld worden

van het onderzoek. In het kader van de nazorg is het dus ook van belang dat het contact tussen de

verbalisant en het slachtoffer blijft. Dit contact is minder intensief dan in het begin van de zaak. Door

dit contact zal het slachtoffer sterker worden en meer vertrouwen krijgen en dit is weer een stap in de

richting van een normaal leven.

14.11 Civiele procedure

Maak het slachtoffer ook duidelijk dat zij via een advocaat een civiel straat-, contactverbod kunnen

aanvragen. Dit kan via een kort geding.

14.12 Problemen

Na het intake gesprek kan een slachtoffer van aangifte af willen zien.

Vaak is het slachtoffer te emotioneel en te ver in de psychische problemen dat zij de aangifte/klacht

niet (meer) durft te doen.

Ook zijn de slachtoffers vaak bang voor de gevolgen die kunnen ontstaan nadat zij aangifte/klacht

hebben gedaan.

Dwing een slachtoffer niet om aangifte te doen. Zij moet zelf de keuze maken.

De verbalisant moet wel een afspraak met het slachtoffer maken dat hij over een paar weken contact

zal opnemen en dan de situatie zal doorspreken. Misschien is er dan wel genoeg voor het slachtoffer

gebeurd dat zij toch wel een aangifte/klacht wil (durft) doen.

Denk aan de mogelijkheid om ambtshalve te vervolgen.

Het volgende probleem wat zich kan voordoen is dat de getuigen niet een verklaring durven af te leggen.

Maak de getuigen duidelijk dat zonder hun verklaringen de zaak nooit rond kan komen.

Veel getuigen zullen ook bang zijn voor de gevolgen. Maak wel duidelijk dat de politie niet 24 uur per

dag op de getuigen kan passen.

Probeer toch de getuigen zover te krijgen dat zij wel een verklaring willen afleggen.

Overigens kan het vastleggen van de getuigen die om redenen van veiligheid niet willen getuigen ook

meetellen in de bewijsvoering.

De officier van Justitie wil geen medewerking verlenen voor het aanhouden buiten heterdaad.

Zorg dat er voldoende concrete contacten zijn vastgelegd en zorg dat duidelijk is wat de gevolgen

voor het slachtoffer zijn en wat de bedoelingen van de stalker zijn.

Overtuig de officier van Justitie dat het van belang is dat de verdachte aangehouden moet worden

i.v.m. met de lange verhalen en het intensieve onderzoek.

Zeg daarbij ook dat de aanhouding in het belang van het slachtoffer is. Als de verdachte uitgenodigd

wordt voelt hij zich nog steeds machtig en kan hij dit na het verhoor reflecteren op het slachtoffer.

De hulpofficier wil de verdachte niet in verzekering stellen.

Goede afspraken in het district kunnen deze problemen oplossen.

Mocht de HOVJ dan nog de verdachte niet in verzekering willen stellen, probeer hem dan te

overtuigen dat het echt noodzakelijk is in het belang van het onderzoek, namelijk de duur van de

verhoren, de verklaring van de verdachte kan nader verhoor/onderzoek noodzakelijk maken, zoals

nader verhoor van getuigen of het slachtoffer of nader onderzoek telecommunicatie. Er dienen

mogelijk confrontaties te worden gehouden of foto’s te worden gemaakt voor confrontatie enz. Zelfs

het veiligstellen van strafvervolging of -oplegging kan het noodzakelijk maken in verzekering te stellen

bijvoorbeeld zodat er een foto kan worden gemaakt om later bij de uitvoering van de straf

persoonsverwisseling te voorkomen

14.13 De stalker gaat door.

De echte Die-Hard stalker zal nergens van terugschrikken. Ook al krijgt hij nog zoveel straf. Dit is dan

ook het grote gevaar van een stalker. Zoals eerder besproken zal een stalker pas stoppen als haar

doel bereikt is.

Hoe hier mee om te gaan?

Neem wederom een aangifte op en begin weer met het horen van getuigen.

Maak goede afspraken met de Officier van Justitie over het te volgen traject.

Alleen volhouden kan het slachtoffer eventueel redden.

Mocht dit allemaal niet helpen dan zal het slachtoffer moeten gaan kiezen om toch te gaan verhuizen

naar een onbekende bestemming waar zij het leven weer op kan pakken. Dit is een behoorlijke stap

voor het slachtoffer maar soms is het onvermijdelijk.

14.14 Eindgesprek.

Door langdurige en intensieve contacten, waaronder de bespreking van emoties en intieme

onderwerpen, ontstaat tussen het slachtoffer en de verbalisant vaak een band. Het op verantwoorde

wijze beŽindigen van het contact met het slachtoffer komt beide partijen te goede.

Het voeren van een eindgesprek dient enerzijds te leiden tot verheldering door de verbalisant van

onduidelijkheden en/of beantwoording van (alsnog gerezen) vragen van het slachtoffer. Anderzijds

wordt het slachtoffer geÔnformeerd over de gevolgde procedure in het onderzoek en het vervolg.

Het eindgesprek kan, afhankelijk van de ontwikkelingen in het onderzoek, op verschillende momenten

in het proces plaatsvinden. Indien er geen aangifte is gedaan, kan wel een verwijzing, al dan niet door

bemiddeling van de verbalisant, naar een hulpverleningsinstantie, een advocaat, et cetera aan de

orde komen. Ook na afsluiting van het onderzoek kan zo’n verwijzing nog tot stand worden gebracht

15. Informatie uitwisseling

• U mag niet altijd (aan iedereen) informatie verstrekken over slachtoffers en

verdachten.

• Dit heeft te maken met de wet op de privacy. Met toestemming van betrokkene mag

u derden (hulpverleners) informeren.

• Voor een overzicht van instellingen / instanties waarmee informatie uitgewisseld

mag worden wordt verwezen naar het “Privacy reglement” zoals vermeld op het

intranet.

16. Registratie geweld in huiselijke kring

• Gebruik in BPS zoveel mogelijk de code 343 en de projectcode huiselijk geweld.

Koppel de projectcode aan het proces.

• De verschillende vormen van geweld in huiselijke kring worden in het Wetboek van

Strafrecht niet in aparte artikelen omschreven, wel zijn er verschillende artikelen die

op vormen van geweld in huiselijke kring van toepassing kunnen zijn.

• Dit zijn de artikelen betrekking hebbend op verschillende vormen van mishandeling

(art 300-303 WvSr), seksuele misdrijven (art 240b e.v. W.v.Sr), misdrijven tegen de

persoonlijke vrijheid, waarbij gedacht moet worden aan dwang, bedreiging,

opzettelijke vrijheidsberoving, schaking (art 284, 385, 282, 281, W.v.Sr), vernieling,

(art 350 W.v.Sr), huisvredebreuk (art 138 W.v.Sr) en sinds juli 2000 ook

belaging/stalking (art 285 b W.v.Sr). Alleen kinderdoodslag (art 290 W.v.Sr) is een

misdrijf dat alleen door de moeder kan worden gepleegd.

• Andere gevallen zijn niet als vormen van geweld in huiselijke kring herkenbaar

wanneer ze niet apart worden geregistreerd, wat betekent dat er (nog) geen inzicht

is in het aantal en de aard van de door justitie afgehandelde zaken betreffende deze

vormen van geweld.

• Zonder aparte registratie komen deze zaken op de grote stapel terecht en worden

ze behandeld als -bijvoorbeeld- anderen gevallen van eenvoudige mishandeling,

met de kans dat ze door middel van een transactie worden afgedaan. Deze

afhandeling draagt er niet toe bij dat het geweld ophoud. Om een registratie bij het

Openbaar Ministerie tot stand te brengen is het om te beginnen noodzakelijk dat de

politie deze zaken geoormerkt aanmerkt.

• Het muteren van incidenten inzake geweld in relaties is uiterst belangrijk. Daarvoor

moet de projectcode huiselijk geweld worden ingevoerd aangevuld met een nadere

specificatie om welke vorm van huiselijk geweld het zich handelt.

• Wanneer een zaak is doorverwezen en wanneer een zaak is opgelegd (in verband

met het later kunnen voegen) wordt dit geregistreerd in een BPS-mutatie.

Bijlagen

1. Formulier 350 Meldingsformulier huiselijk geweld

2. Formulier 351 Aanzegging wederrechtelijke belaging

3. Formulier 352 Gespreksbevestiging

4. Stappenplan voor slachtoffers van belaging

9 maart 2004

Regio Gelderland-Midden

Werkgroep Aanpak geweld in Huiselijke Kring

BIJLAGE 1:

Politie Gelderland-Midden BPSFORM

350

District:

Unit:

Adres:

Behandelaar:

Rechtstreeks tel.nummer:

BPS-nr:

Dossier-nr:

Aan: HERA VROUWENOPVANG : Fax-nr 026-3525811

BURO JEUGDZORG ARNHEM / ZEVENAAR : Fax-nr 026-3644351

BURO JEUGDZORG EDE : Fax-nr 0318-691255

KAIROS ARNHEM : Fax.nr 026-3529779

MELDINGSFORMULIER HUISELIJK GEWELD

L.S.

Op (datum) werd bij de politieregio Gelderland-Midden melding/aangifte gedaan van

huiselijk geweld.

Korte omschrijving van gebeurde (oa aangewend geweld, bedreigingen, letsel, enz.)

Kinder(en) aanwezig in woning : ja/nee

De melding/aangifte werd gedaan door:

Naam:

Voornamen:

Geboorteplaats en –datum:

Adres:

Woonplaats:

Slachtoffer: J/N

( ) Hij/Zij verklaart mee te werken aan het hulpverleningstraject en heeft geen

bezwaar tegen verstrekking van de benodigde gegevens.

(handtekening)

Harri de Vries 01-07-2005

Dader(s)gegevens:

Naam:

Voornamen:

Geboorteplaats en –datum:

Adres:

Woonplaats:

Relatie tot melder/aangever:

( ) Hij/Zij verklaart mee te werken aan het hulpverleningstraject en heeft geen

bezwaar tegen verstrekking van de benodigde gegevens.

(handtekening)

Andere Slachtoffer(s)/Betrokkene(n):

Naam:

Voornamen:

Geboorteplaats en –datum:

Adres:

Woonplaats:

Relatie tot melder/aangever:

Naam:

Voornamen:

Geboorteplaats en –datum:

Adres:

Woonplaats:

Relatie tot melder/aangever:

Aankruisen indien van toepassing en eventueel aanvullen:

( ) Wie heeft/hebben het gezag over minderjarige(n): beiden / moeder / vader /

anders:

( ) Eerdere politie-interventies: J/N

( ) Bestaande contacten met hulpverleningsinstanties te weten:

Aanhouding verdachte: (datum en plaats)

Heenzending verdachte: (datum en plaats)

Voorgeleiding verdachte: (datum en plaats)

Huidige verblijfplaats verdachte:

1 ingevuld exemplaar faxen naar betreffende instantie

1 ingevuld exemplaar naar JeugdcoŲrdinator betreffende Unit

Harri de Vries 01-07-2005

Bijlage 2 P O L I T I E

Regio Gelderland Midden

District:……………………….

Afdeling:………………………

Formulier: 351

Aanzegging wederrechtelijkheid belaging

BPS mutatienummer:…………………………………..

Hierbij verklaar ik, als slachtoffer/ benadeelde,

Achternaam :

Voornamen :

Geboortedatum :

Geboorteplaats :

Adres :

Woonplaats :

van belaging (stalking) gepleegd door:

Achternaam :

Voornamen :

Geboortedatum :

Geboorteplaats :

Adres :

Woonplaats :

hierna aangeduid als “pleger”,

(X) dat ik vanaf (datum dagtekening van deze brief) op geen enkele wijze nog

contact met pleger wens te hebben

(X) dat ik daartoe zelf geen enkel initiatief zal nemen

( ) dat eventueel noodzakelijke contacten m.b.t. kinderen, huisvesting, goederen,

scheiding etc. alleen via een advocaat / andere bemiddelaar

(naam advocaat/ bemiddelaar: ……………………….……..) dienen plaats te vinden

Aard belaging

(X) dat de belaging tot op heden bestaan heeft uit:

Aard handeling Frequentie

( ) in of bij de woning komen ……………………………………..

( ) (achter)volgen ……………………………………..

( ) telefonisch lastigvallen ……………………………………..

( ) brieven of andere post versturen ……………………………………..

( ) voicemail/sms/e-mail versturen ……………………………………..

( ) lastigvallen van derden ……………………………………..

( ) anders, nl. ……………………... …………………………………….

( ) …………………………………… ……………………………………..

Kenbaar gemaakt aan pleger:

( ) dat ik hiervan op de volgende wijze(n) reeds kenbaar heb gemaakt aan pleger

dat dit gedrag voor mij ongewenst is:

( ) ik heb pleger persoonlijk op zijn gedrag aangesproken

( ) ik heb pleger middels voicemail/ sms/ e-mail op zijn gedrag aangesproken

( ) ik heb pleger door derden op zijn gedrag laten aanspreken, namelijk door:

…………………………………………………. (naam bemiddelaar)

( ) ik heb pleger op andere wijze op gedrag aangesproken, namelijk

………………………………………………….

( ) ik heb pleger niet eerder op zijn gedrag aangesproken

( ) ik heb reeds eerder aangifte bij de politie gedaan, namelijk op

(dag/ maand/ jaar)

( ) op andere wijze, namelijk ……………………………………………………………

…………………………………………………………………………………………..

(X) dat elk contact van pleger op welke wijze dan ook direct of indirect, door mij zal

worden aangemerkt als belagingshandeling en zal worden gemeld bij de

plaatselijke politie

(X) dat bij voortduring van deze handelingen de belaging het karakter van

stelselmatigheid heeft en ik dit beschouw als een inbreuk op mijn persoonlijke

levenssfeer, waarvan aangifte/klacht zal volgen bij de politie

(X) dat daarbij de wederrechtelijkheid en onwenselijkheid van het gedrag van pleger

middels deze brief mijnerzijds reeds is benadrukt

Andere van belang zijnde opmerkingen:

(X) Deze brief zal in eventuele processtukken worden aangehaald als

“Brief aanzegging belaging”

( ) Deze brief is uitgereikt aan de pleger en door hem / haar voor gezien ondertekend

( ) Deze brief is NIET door de pleger ondertekend, omdat …………………………………

………………………………………………………………………………………………….

( ) De inhoud van deze brief is aan de pleger bekend gemaakt.

( ) De inhoud van deze brief is niet aan de pleger bekend gemaakt, omdat………………

.………………………………………………………………………………………………….

Afschrift

( ) ik heb een afschrift van deze brief ter kennisgeving verzonden aan de plaatselijke politie, waar deze brief zal worden bewaard en gevoegd bij een eventuele aangifte/klacht mijnerzijds bij voortduring van de belaging

( ) ik heb geen bezwaar dat (een afschrift van) deze brief gevoegd wordt bij

de processtukken, indien een strafrechtelijke procedure tegen de pleger

aanhangig wordt gemaakt

Informatie t.b.v. politie

Op (dag/ maand/ jaar) werd (de inhoud van) deze brief op de volgende wijze aan de

pleger

bekend gemaakt:

( ) deze brief is in het bijzijn van de volgende politieambtenaren van de politie regio

Gelderland-Midden, (namen en dienstnummers) aan de pleger uitgereikt

( ) de inhoud van deze brief werd in het bijzijn van de volgende politieambtenaren van de

politie regio Gelderland-Midden, (namen en dienstnummers) aan de pleger bekend

gemaakt

( ) deze brief werd persoonlijk door mij aan de pleger overhandigd, in bijzijn van

…………………………………………………………………………………………

( ) deze brief werd door mij aangetekend aan de pleger verzonden naar het adres:

……………………………………………………………………………………………

( ) deze brief werd door mij via e-mail aan de pleger verzonden naar het e-mailadres:

……………………………………………………………………………………………

( ) de inhoud van deze brief is door mij niet in het bijzijn van de politie bekend gemaakt

aan de pleger

Daar waar een ( ) voor de zinsnede is geplaatst, is deze van toepassing voorzover

het is aangekruist.

Datum:

Plaats :

…………………............... ………………………..

Benadeelde Pleger

Indien betrokken:

………………………………

Verbalisant

 

Bijlage 3 P O L I T I E

Regio Gelderland Midden

District:……………………..

Afdeling:……………………

Formulier: 352

Gespreksbevestiging

(belaging/ huiselijk geweld)

BPS mutatienummer :……………………………………….

Op (dag/ maand/ jaar) hebben wij:

Verbalisant :……………………………………….

Functie :……………………………………….

Werkzaam binnen het district:……………………………………….

en

Naam/ voornamen :……………………………………….

Geboorteplaats :……………………………………….

Huidige adres :……………………………………….

Huidige woonplaats :……………………………………….

Laatstgenoemde nader te noemen als betrokkene, een gesprek gevoerd in het

politiebureau

te……………………..

De aan leiding van dit gesprek was:

………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………

…………

In het gesprek is het navolgende besproken:

( ) Betrokkene zal zich nadrukkelijk onthouden van alle vormen van geweld of ander

strafbaar gedrag ten aanzien van het slachtoffer/ benadeelde:

Naam/ voornamen :

Geboortedatum :

Geboorteplaats :

Adres :

Woonplaats :

( ) Betrokkene zal zich nadrukkelijk onthouden van alle vormen van geweld of ander

strafbaar gedrag ten aanzien van kinderen, familieleden en/ of kennissen van het

slachtoffer/ benadeelde.

( ) Betrokkene zal zich voor (dag/ maand/ jaar) vrijwillig aanmelden bij Kairos.

( ) Betrokkene gaat akkoord met het vertrekken van politiegegevens aan Kairos.

( ) Betrokkene geeft toestemming voor consultatie met hulpverleningsinstellingen.

( ) Het is betrokkene bekend dat hem een straat/ contactverbod is opgelegd.

Betrokkenen zal zich aan dit straat/ contactverbod houden.

( ) Betrokkene zal zich houden aan de opgelegde/ overeengekomen bezoekregeling.

( ) Betrokkene is op de hoogte van het feit dat deze gespreksbevestiging kan worden

gevoegd bij processtukken, indien een strafrechtelijke procedure tegen hem/ haar

aanhangig is of wordt gemaakt.

( ) Betrokkene is op de hoogte van het feit dat er melding is gedaan bij het Advies- en

meldpunt kindermishandeling.

Daar waar een ( ) voor de zinsnede is geplaatst is deze van toepassing voorzover

het is aangekruist.

Datum:

Plaats:

………………………………. ………………………………

Betrokkene Verbalisant

 

Bijlage 4:

Stappenplan voor slachtoffers van belaging (stalking)

Stap 1 Onderken zelf uw probleem

U wordt belaagd en de belager zal daar, zo is de ervaring, uit eigen

Wil niet gauw mee stoppen!

Belaging kan in allerlei verschijningsvormen voorkomen, zoals telefonisch lastig

vallen, producten toesturen, achtervolgen, roddelen, maar ook geweldgebruik

waaronder bedreigen, mishandelen, huisvredebreuk en intimidatie enz. Vaak

bedient de

Belager zich van meerdere middelen!

Praat er met objectieve anderen over of hetgeen u gebeurd normaal is of dat er

kan worden gesproken van belaging!

Stap 2 Neem een besluit wat u hiertegen gaat doen: Negeren of bestrijden.

Opmerking: negeren heeft geen vaak geen enkele zin, omdat de belager ervan uit

gaat dat u het of niet erg vindt of dat u er niet tegenin durft te gaan. Hoe eerder u

dus uw grenzen aangeeft door actie te ondernemen, hoe beter.

Stap 3 Onderken dat actief bestrijden vaak geen korte termijn politiek is doch langdurig en

voortdurend inzet van u vraagt, (veel) geduld en incasseringsvermogen

Stap 4 Organiseer een goede achtervang (HULP)

Mensen in uw directe omgeving waarop u emotioneel en/of praktisch kunt

terugvallen als het nodig is en die u dan willen en kunnen steunen.

Stap 5 Organiseer een goede dossiervorming van elke actie (hoe miniem ook) die uw

belager neemt.

• Neem foto's of leg zaken vast op video

• Neem (telefonische) gesprekken op

• Noteer alle bijzonderheden in een journaal met dag en tijdstip

• Print E-mail berichten uit en schrijf SMS-berichten op

• Zorg bij (directe) contacten altijd voor eventuele getuigen (tenminste 1)

• Zorg bij al uw sociale contacten (school, club, crŤche, enzovoort) dat u

tenminste op ťťn vriend(in), collega of medewerker kunt terugvallen.

Vraag of deze wil getuigen van eventuele voorvallen.

• Vraag familie, kennissen, vrienden, huisarts, wijkagent en dergelijke te

beschrijven welke relatie u hebt met uw belager en hoe zij zijn/haar gedrag

inschatten. Ook een eventueel motief van uw belager is hierbij belangrijk!

Vraag ze vooral op te schrijven wat ze zelf gezien en gehoord hebben van

het gedrag van de belager

Stap 6a Stel uw belager exact op de hoogte van wat U wilt en VOORAL NIET WILT!

Benoem de punten die u niet wilt als zijnde dat de belager u daarmee lastig valt.

Doe dit altijd per aangetekende brief of schrijven van uw advocaat (Voorbeeldbrief)

Indien u in een beginfase verkeert, kunt u eerst proberen te laten bemiddelen door

een onpartijdig persoon die zowel uw vertrouwen als het vertrouwen van de

belager geniet. Ook een wijkagent kan hier diensten verlenen. Het best werkt het

als u een persoon vraagt te bemiddelen die in hoog aanzien staat bij de belager.

Tips om aan te denken bij bemiddeling of het schrijven van een brief.

• Stel regels voor contact op als er noodzakelijke contacten in stand moeten

blijven (in verband met een relatie). Denk bijvoorbeeld aan een apart

emailadres of mobiele telefoon (voicemail!) dan weet u wie er belt of mailt

of beter nog wie er heeft gebeld.

 

• Stel eventuele regels op voor bezoeken aan je woon- en werkadres.

Verbied de toegang (evt. onder voorwaarden) tot u woning met toepassing

van artikel 138 Wetboek van Strafrecht.

Vraag aan uw werkgever of hij/zij hetzelfde wil doen voor uw werkadres.

• Stel regels over de manier en de wijze van communiceren (met respect,

tijdstippen, plaatsen enz)

• Stel regels op voor het op straat of in openbare gelegenheden "tegen

komen" Laat dit bijvoorbeeld alleen toe als u niet alleen bent!!!

In combinatie met het laatste punt maakt u vervolging door achtervolgen

beter mogelijk!

• Stel eventueel aanvullende regels op al naar gelang uw omstandigheden.

• Benoem alle overige wijze van contact opnemen als

Ongewenst!

Uiteraard neemt u een geheim telefoonnummer en wijst u iedereen erop dit

absoluut geheim te houden. Uw belager kan immers contact opnemen via uw

aparte (prepaid) mobiele telefoon. Hier kunt u tijden voor instellen en bovendien

voicemail inschakelen. Hierdoor creŽert u rust voor uzelf, omdat u niet iedere keer

in angst zit wie er belt.

Stap 6b Deel hem in uw schrijven mede wat de consequenties zijn als hij in strijd met uw

wil toch blijft lastig vallen.

Duidelijkheid verschaffen staat hier voorop !!

• Van elk strafbaar feit (hoe gering ook) zal aangifte bij de politie worden

gedaan!

Bijvoorbeeld: Hinderlijk volgen en hinderlijk ophouden op de openbare weg,

huisvredebreuk, bedreiging (ook mondeling en telefonisch), enz.

• Overige ongewenste acties en/of zaken worden vastgelegd en periodiek

gerapporteerd aan de politie en uw advocaat, zodat vervolging terzake

Belaging (artikel 285b Wetboek van Strafrecht) kan worden ingesteld.

• Daarnaast zal middels een civiele procedure een straatverbod en

schadevergoeding worden gevorderd.

• Indien strafbare feiten hiertoe aanleiding geven kunt u justitie vragen

rechterlijke bevelen op te leggen conform de regeling neergelegd in

artikel 540 van het Wetboek van Strafvordering.

Door deze handelwijze toont u uw belager dat u het ernstig neemt en dat u

vastbesloten bent niet toe te geven. U heeft hierdoor kans dat hij zijn acties staakt

of vermindert. Anders heeft u de voorwaarden geschapen voor het (later) nemen

van effectieve maatregelen tegen de belager.

Stap 7 Doe precies wat u in uw schrijven tegen uw belager hebt gezegd! Consequent

handelen is uw belangrijkste wapen in de strijd tegen de belager. Elke afwijking

van eerder handelen ziet uw belager als een handvat om verder te gaan!!!

Aanvullende regels handelt u altijd schriftelijk en aangetekend af.

 

Stap 8 Bel bij constateren van strafbare feiten DIRECT de politie via het alarmnummer 112.

Voorbeelden van strafbare feiten: belediging, bedreiging, mishandeling, huisvredebreuk, vernielingen, hinderlijk tegen uw wil blijven volgen/ opdringen, hinderlijk ophouden op de openbare weg, u de weg blokkeren, u klem rijden met een voertuig enz. Als u het ziet gebeuren of het overkomt u op dat moment, is het namelijk een zogenaamde heterdaad situatie en kan de politie de belager aanhouden en verbaliseren. Met bellen moet u dan ook niet lang wachten, want de heterdaad situatie verloopt na een bepaalde tijd en dan kan de politie bij geringe feiten minder goed optreden.

Stap 9 Vraag de politie en justitie bij stap 8 de procedure van artikel 540

Wetboek van Strafvordering toe te passen. Dit kan alleen als aan strikte voorwaarden wordt voldaan! Deze procedure kan echter sneller worden toegepast dan dat vervolging via het nieuwe wetsartikel Belaging mogelijk is. Het is verder Makkelijker als een civiele procedure.

Toepassing van de 540 procedure kan bij elk strafbaar feit, echter alleen als het op heterdaad ontdekt is en als u kunt aantonen dat

1. de belager door zal gaan met lastig vallen en

2. dat het strafbare feit veel angst/ onrust bij u en/ of de omgeving, zoals buren, familie en kennissen teweeg heeft gebracht, bijvoorbeeld door de brute wijze van uitvoeren of doordat er al veel aan vooraf is gegaan. Als u Stap 5 goed heeft uitgevoerd kan deze u hierbij helpen! Vraag de politie (anders) om (aanvullende) maatregelen te nemen ter bescherming van u en uw gezin. Ook kan de politie vaak speciale alarmeringsafspraken maken, zodat de politie:

a. snel begrijpt hoe ernstig de situatie is en

b. snel kan ingrijpen.

Eventueel kan men zelfs video- en/ of afluisterapparatuur plaatsen om zaken gemakkelijker te bewijzen. Heeft dit alles niet het gewenste resultaat vraag dan een advocaat of er een civiele procedure kan worden opgestart om een straat- en contactverbod af te dwingen. Probeer dit via een zogenaamd kort geding. Om een straat- en contactverbod te krijgen heeft u ook weer stap 5 nodig!

Vraag bijstand van slachtofferhulp. Zij kunnen u verder helpen en begeleiden bij

procedures.

Zeker als er strafzaken gaan spelen is de morele en praktische ondersteuning

van deze ervaren mensen heel nuttig en handig.

Stap 10 Herhaal stap 8 en 9 zo vaak als nodig is!

Stap 11 Neem zodra het kan (ťťn) van de maatregelen van stap 6b

Stap 12 Blijf alert! Ook als een maatregel is of wordt opgelegd. Bedenk dat alleen volhouden u kan redden. Zorg dan ook voortdurend voor een goede achtervang.

 

 

SAMENWERKINGSPROTOCOL

Strafrechtelijke aanpak huiselijk geweld

Politieregio Gelderland-Midden

Regiopolitie Gelderland-Midden

Openbaar Ministerie Arnhem

Reclassering Nederland/Arnhem  

 

Maart 2004

Voorwoord

 

Uit de kabinetsnota “Privť geweld – publieke zaak” blijkt dat huiselijk geweld de meest voorkomende geweldsvorm in onze samenleving is.  

De feiten op een rij uit een onderzoek van het Ministerie van Justitie (1997):

         In Nederland is meer dan een kwart van de bevolking (in een bepaalde periode of meerdere perioden van zijn of haar leven) wekelijks of dagelijks slachtoffer (geweest) van huiselijk geweld.

         27% van de ondervraagden is ooit slachtoffer geweest van huiselijk geweld dat zich wekelijks of dagelijks manifesteerde.

         Bij 21% van de ondervraagden duurde dat geweld  langer dan vijf jaar.

         Slechts 12% van de slachtoffers had het geweld gemeld bij de politie. In de helft van die gevallen volgde uiteindelijk een aangifte.Daar komt bij dat zich reeds gemiddeld 27 incidenten hebben voorgedaan voordat huiselijk geweld gemeld wordt bij de politie.

 

Uit onderzoek van het WODC naar alle 225 moorden uit 1998, bleek dat in ruim 70 zaken dader en slachtoffer in een intieme relatie tot elkaar stonden.

Onderzoek onder TBS-patiŽnten in Nederland toont aan dat 80% van hen als kind verwaarloosd, mishandeld of seksueel misbruikt was.

Kinderen, die al dan niet rechtstreeks slachtoffer (bijv. als getuige) zijn geweest van huiselijk geweld, blijken op latere leeftijd drie maal zoveel kans te lopen om dader van geweld te worden. Kinderen die opgroeien in een sfeer van huiselijk geweld hebben aanmerkelijk vaker problemen of vertonen vaker probleemgedrag dan andere kinderen. Ook vertonen zij eerder crimineel en gewelddadig gedrag dan andere kinderen.

 

Gelet op de impact van het probleem voor betrokkenen en de samenleving, heeft het kabinet  zich op het standpunt gesteld dat huiselijk geweld gestopt moet worden en staat een integrale aanpak voor.  Door het kabinet wordt benadrukt dat de regierol voor de aanpak van huiselijk geweld bij de gemeenten ligt.

Als voorbeeld van een dergelijke aanpak binnen de politieregio Gelderland-Midden kan dienen het project Integrale aanpak van Huiselijk Geweld, waarin organisaties uit zowel de justitiŽle als de preventieve keten nauw samenwerken, onder regie van de gemeente Arnhem. Dit project heeft vooralsnog een lokale werking.

 

De plv. korpschef van de regiopolitie Gelderland-Midden/Districtschef AVZ, de wnd. hoofdofficier van justitie van het Arrondissementsparket Arnhem, alsmede de unitmanager van Reclassering Nederland te Arnhem, maken regiobrede afspraken om te komen tot een sluitende en effectieve repressieve aanpak van huiselijk geweld.

Deze afspraken richten zich op het stoppen van geweld en voorkomen van herhaling, het zorgdragen voor de veiligheid van betrokkenen, adequate opsporing en vervolging van de dader en het zorgdragen voor goede verwijzing naar (dader)hulpverlening.

 

Het bereiken van resultaten hangt direct samen met gelijktijdige hulpverlening aan zowel daders, slachtoffers (meest vrouwen) en kinderen. Effectief overheidsoptreden vraagt om een adequate afstemming van het strafrechtelijk traject met het hulpverleningsaanbod. Daarom worden gelijktijdig afspraken gemaakt met relevante hulpverleningsinstanties. Hiertoe is een afzonderlijk samenwerkingsprotocol opgesteld (zie bijlage).  

 

 

 

 

Partijen:

 

Partij 1                                               Regiopolitie Gelderland-Midden

Dhr. drs. J.M.J.M. van Deursen         Wnd. korpschef 

 

Partij 2                                               Openbaar Ministerie

Arrondissementsparket Arnhem

Dhr. mr. B.W.J.Steensma                 Wnd. Hoofdofficier van justitie

 

Partij 3                                               Reclassering Nederland, vestiging Arnhem

Dhr. Ch. Baltussen                            unitmanager

 

 

Partijen verklaren zich, voor wat betreft de door hun vertegenwoordigde organisatie, te verplichten tot:

-          het uitvoering (doen) geven aan de in de bijlage bij dit protocol genoemde samenwerkingsafspraken;

-          het verzorgen van afdoende interne communicatie binnen de organisaties aangaande de in dit verband gemaakte afspraken tussen de deelnemende partijen;

-          meewerken aan het realiseren van een integrale ketenaanpak van huiselijk geweld

 

Definities:

 

Huiselijk geweld:      Geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is/wordt gepleegd, ongeacht de plaats waar het geweld wordt gepleegd.

Geweld:                     Geestelijke of lichamelijke aantasting van iemands persoonlijke integriteit

Huiselijke kring:       De huiselijke kring bestaat uit (ex-)partners, gezinsleden, familieleden en huisvrienden

Huisvrienden:           Personen die een vriendschappelijke band onderhouden met het slachtoffer of met iemand uit de onmiddellijke omgeving van het slachtoffer en die het slachtoffer in huiselijke sfeer ontmoeten

 

 

Doelstelling van de samenwerking:

Partijen willen door middel van samenwerking het volgende bereiken:

1.      Het in individuele gevallen stoppen en voorkomen van herhaling van huiselijk geweld

2.      Het zorgdragen voor de veiligheid van betrokkenen

3.      Het opzetten van adequate opsporing en vervolging van de dader

4.      Het zorgdragen voor goede verwijzing naar (dader)hulpverlening.

 

 

Looptijd van de samenwerking:

-     De samenwerking start op 1 april 2004 en eindigt op 1 april 2006

-          Voor 1 april 2006 vindt gezamenlijke besluitvorming plaats met betrekking tot voortzetting van de samenwerking.

 

 

Evaluatie

-          De samenwerking tussen de partijen wordt tussentijds en aan het einde geŽvalueerd.

-          De inhoud van de evaluatie zal zich richten op de onderlinge communicatie tussen de deelnemende partijen en ketenopvolging. Daarnaast zal aan de hand van een te houden nulmeting de effectiviteit van de aanpak gemeten worden door onder andere te meten of de recidive binnen de groep is afgenomen.

Ondertekening:

 

 

Plaats:  Arnhem                                                                                                       Datum:

                                                                                                                           maart 2004

 

Partij 1                                              Regiopolitie Gelderland-Midden

Dhr. drs. J.M.J.M. van Deursen         Wnd. korpschef

 

 

 

Partij 2                                               Openbaar Ministerie

Arrondissementsparket Arnhem

Dhr. mr. B.W.J. Steensma                Wnd. Hoofdofficier van justitie

 

 

 

Partij 3                                               Reclassering Nederland, vestiging Arnhem

Dhr. Ch. Baltussen                            unitmanager

 


BIJLAGE

AFSPRAKEN EN ROL PER ORGANISATIE

 

Regiopolitie Gelderland-Midden

 

1.      Alle meldingen en signalen omtrent huiselijk geweld worden serieus genomen en afgehandeld conform het Samenwerkingsprotocol Huiselijk geweld, Politieregio Gelderland-Midden.

 

2.      Alle meldingen/incidenten van huiselijk geweld worden op eenduidige wijze geregistreerd.

 

3.      Onverminderd artikel 2 worden zedenzaken, voor zover van toepassing, behandeld conform de daarvoor geldende afspraken binnen en tussen de politie en het OM en de aanwijzingen van het College van procureurs-generaal.

 

4.      Bij alle meldingen en signalen omtrent huiselijk geweld wordt als handvat voor de benadering van het slachtoffer het “ABCDEF-model” gehanteerd:  

A:            Ask                        Stel vragen, oordeel niet

B:            Believe                  Neem het verhaal serieus

C:            Call                         Bel voor ondersteuning voor het slachtoffer (familie, vrienden, medische hulp)

D:            Document             Leg het verhaal vast

E:             Ensure safety      Bespreek en waarborg zoveel mogelijk de veiligheid van het slachtoffer

F:             Follow-up             Informatie verstrekken, helpen bij het maken van afwegingen en nazorg verlenen

 

5.      Te allen tijde draagt de politie er zorg voor dat het geweld ter plaatse wordt gestopt.

 

6.      Indien nodig brengt de politie het slachtoffer naar een veilige plek. De hulpverlening heeft de verantwoordelijkheid te zorgen voor een veilige plek.

 

7.      Als uitgangspunt geldt dat de dader altijd aangehouden (zowel op als buiten heterdaad) en dat het justitiŽle traject ingezet wordt.

 

8.      Zo veel als mogelijk wordt bevorderd dat het slachtoffer aangifte doet. Bij het opnemen van de aangifte dienen minimaal de volgende elementen aan de orde te komen:

-          algemene beschrijving van de relatie

-          beschrijving van:

         de verandering in de relatie (incl. afhankelijkheidspositie)

         het eerste geweldsincident

         een typisch/markant geweldsincident

         het ergste geweldsincident

         het laatste geweldsincident

         indien mogelijk: bewijsmateriaal (foto’s)

-          de ideeŽn  van het slachtoffer over de toekomst

 

9.      Een eenmaal gedane aangifte kan niet meer worden ingetrokken en er zal in principe altijd vervolging worden ingesteld.  

 

10.  Indien de aangever/benadeelde niet meer achter de aangifte staat, dient dat door hem/haar schriftelijk en gemotiveerd kenbaar te worden gemaakt aan het OM. Dit kan geschieden door rechtstreekse toezending aan het OM, danwel door voeging in het proces-verbaal. 

 

11.  Indien een aangifte achterwege blijft, vindt overleg plaats met het Openbaar Ministerie over ambtshalve vervolging. De beslissing hangt af van de ernst en de stelselmatigheid van het geweld en de mate van afhankelijkheid die er is tussen slachtoffer en dader.

 

12.  Indien er geen aangifte is gedaan en ambtshalve vervolging is niet mogelijk, tracht de politie de dader en het slachtoffer zoveel mogelijk te motiveren voor vrijwillige hulpverlening.

 

13.  Alle (informatie m.b.t.) meldingen/incidenten van huiselijk geweld worden zorgvuldig gemuteerd. Zo nodig wordt een afspraak op persoon of locatie gemaakt.

Een mutatie bevat minimaal:

         volledige omschrijving van de situatie

         samenvatting relaas alle betrokkenen, eventuele aanwezigheid van kinderen

         eventuele eerdere kontakten met hulpverlening of politie

         door politie ondernomen actie

         gemaakte afspraken

         voorgestelde advies voor verwijzing

         de door de politie geÔnformeerde instanties

         nazorg-activiteiten van de politie

 

14.  Alle processen-verbaal van huiselijk geweld worden schriftelijk gemeld bij het Openbaar Ministerie. Daarnaast worden:

         slachtoffers doorverwezen naar Slachtofferhulp (conform standaardprocedure);

         vrouwelijke slachtoffers doorverwezen naar Hera Vrouwenopvang (bij behoefte aan onderdak en/of zorg),

         minderjarigen die als getuige of slachtoffer betrokken zijn, doorverwezen naar Bureau Jeugdzorg.

 

15.  In 6-uurszaken neemt de politie contact op met de parketsecretaris omtrent de vraag of een AU-dagvaarding en/of een leerstraftransactie dient te worden uitgereikt, danwel nader onderzoek gewenst is.

 

In het geval dat besloten wordt tot een sepot, blijft het dossier bij de politie en draagt de politie zorg voor registratie.

 

16.  In het geval van inverzekeringstelling overlegt de hulpofficier van justitie met de (piket-)officier van justitie over de vraag of de verdachte dient te worden voorgeleid of dat deze kan worden heengezonden.

 

17.  Zowel bij heenzending in 6-uurszaken, als in zaken waarin inverzekeringstelling is bevolen, verzoekt het OM aan de reclassering rapportage omtrent verdachte uit te brengen.  

 

18.  Termijn inzending proces-verbaal Huiselijk Geweld:

-          Indien sprake is van een AU-afdoening, zorgt de politie ervoor dat het proces-verbaal binnen 14 dagen na aanhouding van de verdachte aan het OM wordt toegezonden.

-          Indien geen sprake is van een AU-afdoening, zorgt de politie ervoor dat het proces-verbaal binnen 30 dagen na aanhouding van de verdachte aan het OM wordt toegezonden.

-          Indien sprake is van een voorgeleiding, zorgt de ploitie ervoor dat het proces-verbaal binnen 6 weken na voorgeleiding van de verdachte aan het OM wordt toegezonden.

 

 

19.  Alle processen-verbaal ter zake van huiselijk geweld worden als “Huiselijk geweld”-zaak gemerkt en als zodanig herkenbaar ingezonden naar het OM.

 

20.  De politie zorgt voor een kwalitatief goed dossier, indien relevant, voorzien van foto’s en medische verklaringen.

 

21.  De werkwijze van de Politie Gelderland-Midden is conform het opgestelde werkproces “opsporen verdachten geweld huiselijke kring” d.d. februari 2004.


 

        Openbaar Ministerie en Reclassering

 Werkafspraken strafrechtelijke aanpak huiselijk geweld

Arrondissement Arnhem

 

1.      De officier van justitie en/of parketsecretaris die door de politie wordt gebeld over een mogelijke huiselijk geweldzaak*, verifieert of er sprake is van huiselijk geweld zoals bedoeld in de Aanwijzing**.

 

2.      Indien de officier van justitie en/of secretaris, na beoordeling van het dossier op bewijsbaarheid en volledigheid, besluit tot vervolging wordt aan de Reclassering verzocht om te beoordelen of verdachte in aanmerking komt voor een daderhulpverleningstraject.

 

3.      De officier van justitie en/of secretaris beslist vervolgens over de afdoeningsmodaliteit.

      Er zijn drie modaliteiten:

         Indien de verdachte door de Reclassering geschikt wordt bevonden voor een daderhulpverleningstraject zal de afdoening schriftelijk plaatsvinden door het aanbieden van een transactie-leerstraf  waarbij tevens een dagvaarding wordt  uitgereikt op het politiebureau voor een zitting binnen een termijn van drie maanden (het proces-verbaal wordt binnen 14 dagen ingezonden). Indien verdachte de leerstraf verricht zal deze dagvaarding worden ingetrokken.

         Indien de verdachte door de Reclassering niet geschikt wordt bevonden voor een daderhulpverleningstraject zal een dagvaarding op het politiebureau worden uitgereikt voor een zitting binnen een termijn van drie maanden (het proces-verbaal wordt binnen 14 dagen ingezonden). Aan de Reclassering wordt verzocht een rapportage op te stellen vůůr die zitting.

         Het voorgeleiden van de verdachte bij de rechter-commissaris opdat verdachte in bewaring wordt gesteld. Aan de Reclassering wordt verzocht een rapportage op te stellen met een beschrijving van het eventuele hulpverleningsaanbod aan de verdachte en zo mogelijk tussentijds te rapporteren. Zowel de rechter-commissaris als de raadsman dienen ten tijde van de voorgeleiding te beschikken over een kopie van deze aanvraag.

 

4.      Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, beziet de officier van justitie – gelet op de ernst van de feiten – de mogelijkheid tot schorsing van de voorlopige hechtenis (met bijzondere voorwaarden) en voert daarover overleg met de Reclassering.

 

5.      De officier van justitie draagt er zorg voor dat alle betrokkenen (reclassering, slachtoffer en politie) onverwijld in kennis worden gesteld van een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis en de daarbij behorende voorwaarden.

 

6.      Na schorsing ziet de officier van justitie erop toe dat de zaak binnen zes maanden op zitting wordt aangebracht (de Processen-verbaal dienen binnen 6 weken te worden ingezonden).

 

7.      In die zaken waarin een dagvaarding is uitgereikt gaat de officier van justitie na of de (geringe) ernst van het feit en/of de inhoud van de reclasseringsrapportage aanleiding geven de zaak in te trekken en voorwaardelijk te seponeren met een proeftijd van ťťn of twee jaar met bijzondere voorwaarden (bijvoorbeeld deelname aan een hulpverleningsvorm) binnen een te stellen termijn.

 

8.      Wanneer het slachtoffer geen aangifte wil doen, zal de officier van justitie overgaan tot ambtshalve vervolging indien sprake is van een bewijsbaar strafbaar feit, dat aan minimaal ťťn van de volgende criteria voldoet.

-          de geestelijke en/of lichamelijke integriteit van het slachtoffer is/wordt ernstig bedreigd, gelet op de aard van het letsel en/of de frequentie van het geweld;

-          het slachtoffer bevindt zich evident in een afhankelijkheidspositie waardoor hij/zij zich niet kan – of meent te kunnen – onttrekken aan de invloedssfeer van verdachte (dit geldt altijd voor minderjarigen)

 

9.      Op zitting verwijst de officier van justitie naar dit protocol en hetgeen de reclassering omtrent de afdoening heeft geadviseerd. Indien de verdachte reeds is begonnen met een behandeling of bereid is daaraan mee te werken, wordt een – deels – voorwaardelijke straf geŽist met een proeftijd van twee jaar met bijzondere voorwaarden (verdere deelname aan behandeling).  In huiselijk geweld zaken is het eisen van een geldboete ongewenst omdat een geldboete bij samenlevende partners tevens het slachtoffer treft. Wanneer is gebleken dat de verdachte niet in aanmerking komt voor daderhulpverlening is het vorderen van een zwaardere vrijheidsstraf geÔndiceerd.

 

10.  Indien blijkt dat door de verdachte niet is voldaan aan de bijzondere voorwaarde(n) wordt de zaak onverwijld op zitting aangebracht voor de inhoudelijke behandeling ingeval van een voorwaardelijk sepot of op zitting aangebracht voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf.

 

11.  Het slachtoffer wordt door de officier van justitie op de hoogte gesteld van het verloop van de procedure.

 

*    Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het

     slachtoffer wordt gepleegd. Hieronder vallen lichamelijke en seksuele

     geweldpleging, belaging en bedreiging (al dan niet door middel van of gepaard

     gaand met beschadiging van goederen in en om het huis).

 

**  Dit betreffen de volgende zaken uit het Wetboek van Strafrecht:

1.      art. 300 mishandeling (inclusief verzwarende omstandigheden ex art. 304)

2.      art. 138 huisvredebreuk

3.      art. 350 beschadiging goederen

4.      art. 255 iemand tot wiens onderhoud verdachte is verplicht in hulpeloze toestand brengen of laten

5.      art. 284 dwang

6.      art. 287 jo 45 Sr poging doodslag

7.      art. 300 lid 2 Sr mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend

8.      art. 302 (jo 45) Sr (poging tot) zware mishandeling

9.      art. 303 zware mishandeling met voorbedachten rade

10.  art. 304 betrekking hebbend op 300 t/m 303 indien begaan jegens vader, moeder, echtgeno(o)t(e) of kind of door toediening van voor de gezondheid schadelijke stoffen

11.  art. 257 iemand tot wiens onderhoud verdachte verplicht is in hulpeloze toestand brengen of laten, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend

12.  art.282 wederrechtelijke vrijheidsberoving, al dan niet zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend

13.  art. 285 bedreiging

14.  art 285b belaging (klachtdelict)

15.  art.242 (jo 45) (poging tot) verkrachting (bij zedenzaken volgt altijd overleg met de zedenovj)

16.  art.243 gemeenschap met bewusteloze of onmachtige (bij zedenzaken volgt altijd overleg met de zedenovj)

17.  art.246 feitelijke aanranding der eerbaarheid (bij zedenzaken volgt altijd overleg met de zedenovj)

De onder 6 t/m 17 genoemde zaken betreffen de zware zaken uit het Wetboek van Strafrecht. Bij deze zaken is voorlopige hechtenis mogelijk, indien sprake is van ernstige bezwaren en er tevens gronden aanwezig zijn voor de in bewaringstelling.

 

 

 

Vanaf 1 januari 2007 gaat de *Wet Maatschappelijke Ondersteuning* in. Wat al direct opvalt is de financiŽle ondersteuning voor vrouwen opvang. Mannen opvang? Niet nodig zo meent deze discriminatoire wetgeving.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van;

Gelet op artikel 1, zesde lid, artikel 15, derde lid, artikel 19, tweede lid, artikel 20, eerste tot en met derde lid, en artikel 21, tweede lid, van de Wet maatschappelijke

ondersteuning en op de Kaderwet militaire pensioenen, de

Algemene Wet

Bijzondere Ziektekosten, de Tabakswet, de Wet op de

jeugdzorg, de

Wet tarieven gezondheidszorg, de Kwaliteitswet

zorginstellingen,

de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk

arbeidsongeschikte

werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening

oudere en

gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet op

de

omzetbelasting 1968, de Wet werk en bijstand, de Wet werk en inkomen

kunstenaars,

de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten,

de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet

arbeidsongeschiktheidsverzekering

zelfstandigen, Wet Invoering en

financiering

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet werk en

inkomen naar

arbeidsvermogen, de Ziektewet, de Wet inburgering

nieuwkomers,

de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Overgangswet

verzorgingshuizen;

De Raad van

State gehoord (advies van, nummer);

Gezien het

nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en

Sport van ;

Hebben

goedgevonden en verstaan:

Besluit van

houdende

regels met betrekking tot de

uitkeringen

ten behoeve van beleid op het

terrein van

openbare geestelijke

gezondheidszorg,

maatschappelijke

opvang,

vrouwenopvang en

verslavingsbeleid,

de

stimuleringsuitkeringen,

de eigen bijdrage

en de financiŽle

tegemoetkomingen op het

terrein van

maatschappelijke ondersteuning

en wijziging

van andere besluiten (Besluit

maatschappelijke

ondersteuning)

2

Hoofdstuk I

Definitiebepaling

Artikel 1

In dit besluit

en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de

Wet maatschappelijke ondersteuning;

b. project:

een activiteit op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning

met een

incidenteel karakter;

c. uitkering:

een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 20 van de wet;

d.

stimuleringsuitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 21

van

de wet;

e.

maatschappelijke opvang: maatschappelijk opvang, vrouwenopvang

daaronder niet

begrepen;

f. peiljaar:

het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin aan een

persoon

maatschappelijke ondersteuning is verleend.

Hoofdstuk II

Uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van

openbare

geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang,

vrouwenopvang

en verslavingsbeleid

Artikel 2.1

Aan de in de

bij dit besluit behorende bijlage, onder A, opgenomen

gemeenten,

wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het

terrein van de

openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke

opvang en

verslavingsbeleid.

Artikel 2.2

Aan de in de

bij dit besluit behorende bijlage, onder B, opgenomen

gemeenten,

wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het

terrein van

vrouwenopvang.

Artikel 2.3

Uitkeringen

aan gemeenten ten behoeve van door hun besturen te voeren

beleid op de

terreinen van openbare geestelijke gezondheidszorg,

maatschappelijke

opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid worden door

Onze Minister

toegekend met inachtneming van de artikelen 2.4 tot en met

2.10.

Artikel 2.4

1. Onze

Minister beslist voor 15 januari van het kalenderjaar omtrent de

verlening. De

beschikking bevat de wijze waarop het bedrag dat wordt

verleend, is

bepaald.

2. Op de

verleende uitkering wordt maandelijks een voorschot verleend van

ťťn twaalfde

deel van de verleende uitkering.

3. De

artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van

overeenkomstige

toepassing.

Artikel 2.5

1. Bij de

verlening van een uitkering kan Onze Minister bepalen dat het

uitkeringsbedrag

door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de

ontwikkeling

van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de

arbeidsvoorwaarden.

3

2. Met het oog

op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de

verlening van

de uitkering tevens bepalen welk deel van het uitkeringsbedrag

in aanmerking

zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de

ontwikkeling

van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de

arbeidsvoorwaarden.

3. Indien een

uitkering met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan

de

bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

Artikel 2.6

1. Voor zover

na afloop van het kalenderjaar de uitkering niet is besteed aan

het doel van

de uitkering, kan het worden gereserveerd. De aldus

gereserveerde

bedragen kunnen uitsluitend worden besteed aan het doel

waarvoor de

uitkering werd verstrekt.

2. Het totaal

van de reservering, bedoeld in het eerste lid, gaat een

percentage van

30% van de verleende uitkering niet te boven.

Artikel 2.7

De bijlage bij

de jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin de

uitkeringsperiode

afloopt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in

artikel 58a

van het Besluit begroting en verantwoording provincies en

gemeenten.

Artikel 2.8

Het college

van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk

schriftelijk

mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van

belang kunnen

zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van een

uitkering.

Daarbij worden de relevante stukken overgelegd. Artikel 4:49

van de

Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.9

Voor zover uit

de jaarrekening en de daarbij gevoegde

accountantsverklaring

en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel

213, derde en

vierde lid, van de Gemeentewet, blijkt dat de uitkering niet,

niet geheel of

niet rechtmatig besteed is, kan met inachtneming van artikel

2.6 het

niet-bestede bedrag, onderscheidenlijk het onrechtmatige bedrag

of het bedrag

waarvan de rechtmatige besteding onzeker is,

teruggevorderd

worden.

Artikel 2.10

Onze Minister

geeft binnen zes maanden na ontvangst van de

verantwoordingsinformatie,

bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en

verantwoording

provincies en gemeenten, een beschikking tot vaststelling van

de uitkering.

Artikel 2.11

Onze Minister

kan, gelet op het belang dat dit hoofdstuk beoogt te

beschermen,

artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover

strikte

toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Hoofdstuk III

Stimuleringsuitkeringen

ß 1. Het

aanvragen van een stimuleringsuitkering

Artikel 3.1.1

4

1. De aanvraag

voor een stimuleringsuitkering, anders dan ten behoeve van

een project,

wordt uiterlijk dertien weken vůůr de aanvang van het

desbetreffende

kalenderjaar ingediend.

2. Bij de

aanvraag wordt aangegeven welke activiteiten met behulp van de

stimuleringsuitkering

zullen worden gesubsidieerd, welke doelen daarmee

worden

nagestreefd en welke kosten met de activiteiten zullen

zijn gemoeid.

3. Onze

Minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde

aanvraagtermijn.

Artikel 3.1.2

1. Onze

Minister kan voor projecten stimuleringsuitkeringen verlenen die zich

uitstrekken

over meer dan ťťn kalenderjaar.

2. Een

aanvraag van een stimuleringsuitkering ten behoeve van een project

wordt

uiterlijk dertien weken vůůr de aanvang van de periode waarop deze

betrekking

heeft, ingediend. Artikel 3.1.1, tweede en derde lid, is van

overeenkomstige

toepassing.

ß 2. Het

verlenen van een stimuleringsuitkering en de bevoorschotting

Artikel 3.2.1

1. Onze

Minister geeft een beschikking op de aanvraag binnen dertien weken

na ontvangst

van de aanvraag. Met het oog op de onderlinge afweging van

aanvragen kan

bij ministeriŽle regeling worden bepaald dat op aanvragen

wordt beslist

op of na een of meer bepaalde data in een kalenderjaar.

2. Indien de

beslissing een verlening inhoudt, wordt het bedrag van de

stimuleringsuitkering

vermeld dan wel de wijze waarop dit wordt bepaald en

welk bedrag

ten hoogste zal worden verleend.

3. De

artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van

overeenkomstige

toepassing.

Artikel 3.2.2

1. Nadat een

aanvraag voor een stimuleringsuitkering is ingediend, kan Onze

Minister

voorschotten verlenen.

2. Bij

ministeriŽle regeling kunnen nadere regels worden gesteld met

betrekking tot

de bevoorschotting.

3. Indien de

aanvraag te laat wordt ingediend en Onze Minister de aanvraag

desondanks in

behandeling neemt, kan hij het verlenen van voorschotten

evenredig

later doen plaatsvinden.

Artikel 3.2.3

1. Bij de

verlening van een stimuleringsuitkering kan Onze Minister bepalen

dat het

uitkeringsbedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de

ontwikkeling

van het prijspeil of de ontwikkeling in de

kosten van de

arbeidsvoorwaarden.

2. Met het oog

op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de

verlening van

de stimuleringsuitkering tevens bepalen welk deel van het

uitkeringsbedrag

in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in

verband met de

ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten

van de

arbeidsvoorwaarden.

3. Indien een

stimuleringsuitkering met toepassing van het eerste lid wordt

bijgesteld,

kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

5

ß 3. Aan de

verlening van een stimuleringsuitkering verbonden

verplichtingen

Artikel 3.3.1

Het college

van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk

schriftelijk

mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van

belang kunnen

zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of

vaststelling

van een stimuleringsuitkering. Daarbij worden de relevante

stukken

overgelegd. Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht is

van

overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.3.2

Binnen zes

maanden na afloop van het jaar waarin een stimuleringsuitkering

is verstrekt,

zendt het college van burgemeester en wethouders een schriftelijk

verslag aan

Onze Minister over de activiteiten waarvoor een

stimuleringsuitkering

is verstrekt.

Artikel 3.3.3

1. Het college

van burgemeester en wethouders verstrekt aan de door Onze

Minister

aangewezen ambtenaren of andere personen op diens verzoek alle

bescheiden en

inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van

hun taak. De

bescheiden worden op ťťn adres getoond en de inlichtingen, op

verzoek,

schriftelijk verstrekt. Indien het college slechts kan voldoen aan deze

verplichting

door inbreuk te maken op het recht van enig persoon op

bescherming

van zijn persoonlijke levenssfeer, verstrekt het college de

verlangde

gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar

zijn.

2. Ook

anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de

door Onze

Minister aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te

stellen hun

taak op een juiste wijze te vervullen.

3. Het college

van burgemeester en wethouders werkt mee aan door of

namens Onze

Minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht Onze

Minister

inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het

beleid.

Artikel 3.3.4

Bij ministeriŽle

regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aan

de verlening

van bepaalde categorieŽn van stimuleringsuitkeringen te

verbinden

verplichtingen.

ß 4. De

vaststelling van een stimuleringsuitkering en betaling

Artikel 3.4.1

De bijlage bij

de jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin de

uitkeringsperiode

afloopt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in

artikel 58a

van het Besluit begroting en verantwoording provincies en

gemeenten.

Artikel 3.4.2

Voor zover uit

de jaarrekening en de daarbij gevoegde

accountantsverklaring

en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel

213, derde en

vierde lid, van de Gemeentewet, blijkt dat de

6

stimuleringsuitkering

niet, niet geheel of niet rechtmatig besteed is, kan het

niet-bestede

bedrag, onderscheidenlijk het onrechtmatige bedrag of het

bedrag waarvan

de rechtmatige besteding onzeker is, teruggevorderd

worden.

Artikel 3.4.3

Onze Minister

geeft binnen zes maanden na ontvangst van de

verantwoordingsinformatie,

bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en

verantwoording

provincies en gemeenten, een beschikking tot vaststelling van

de

stimuleringsuitkering.

ß 5. Overige

bepalingen

Artikel 3.5.1

1. Bij

ministeriŽle regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de

wijze waarop

het bedrag van een stimuleringsuitkering wordt berekend.

2. Bij

ministeriŽle regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien

van de

inrichting en de wijze van indiening van aanvragen, het activiteitenplan,

het

projectplan en het verslag.

Artikel 3.5.2

Artikel 2.11

is op dit hoofdstuk van toepassing.

Hoofdstuk IV

Eigen bijdrage en financiŽle tegemoetkomingen

Artikel 4.1

1. Indien de

gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid,

of artikel 19,

eerste lid, van de wet mag de in een kalenderjaar verschuldigde

eigen bijdrage

en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

waarvoor een financiŽle tegemoetkoming wordt verleend,

tezamen niet

meer bedragen dan:

a. voor de

ongehuwde persoon jonger dan 65 jaar € 16,40 per vier weken, met

dien verstande

dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 16 137 het

bedrag van €

16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het

verschil

tussen zijn inkomen en € 16 137;

b. voor de

ongehuwde persoon van 65 jaar of ouder € 16,40 per vier weken,

met dien

verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 14 162 het

bedrag van €

16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het

verschil

tussen zijn inkomen en € 14 162;

c. voor de

gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar

€ 23,40 per

vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke

inkomen meer

bedraagt dan € 20 810 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd

met een

dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke

inkomen en €

20 810;

d. voor de

gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn € 23,40 per vier

weken, met

dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer

bedraagt dan

€ 19 837 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd met een

dertiende deel

van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en

€ 19 837.

2. De

gemeenteraad kan voor alle groepen van personen, bedoeld in het

eerste lid,

het bedrag van € 16,40 en het bedrag van € 23,40 in gelijke mate

wijzigen, het

percentage van 15 in gelijke mate verlagen en de overige in het

eerste lid

genoemde bedragen in gelijke mate wijzigen.

7

3. Indien de

voorziening bestaat uit het verschaffen in eigendom van een

roerende zaak

dan wel een bouwkundige of woontechnische aanpassing van

een woning die

in eigendom is van de aanvrager, kan gedurende maximaal

vijfenzestig

perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening worden

gebracht dan

wel bij de vaststelling van de hoogte van de financiŽle

tegemoetkoming

gedurende maximaal die periode een met toepassing van de

daarvoor

geldende regels berekende bedrag in mindering worden gebracht.

Artikel 4.2

1. Het

inkomen, bedoeld in het artikel 4.1, tweede lid, bestaat uit het inkomen

over het

peiljaar van de ongehuwde persoon dan wel de gehuwden personen

tezamen, en

bedraagt:

a. indien met

betrekking tot het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of

wordt

vastgesteld: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet

inkomstenbelasting

2001, in het peiljaar;

b. in de

overige gevallen: het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet

op de

loonbelasting 1964, in het peiljaar.

2. Inkomen dat

in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van

belasting op

grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in

aanmerking

genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving

onderworpen.

3. In

afwijking van het eerste lid vindt op aanvraag van de persoon aan wie

maatschappelijke

ondersteuning is verleend een voorlopige vaststelling van

het

bijdrageplichtig inkomen plaats, indien redelijkerwijs te verwachten is dat

het inkomen in

het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het

inkomen,

bedoeld in het eerste lid.

4. Indien het

derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve

vaststelling

van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien

daarbij blijkt

dat het bijdrageplichtig inkomen minder dan € 1816 lager is

geweest dan

het inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve

vaststelling

plaats overeenkomstig het eerste lid.

Artikel 4.3

Voor de

toepassing van de artikelen 4.1 en 4.2 wordt een wijziging in de

burgerlijke

staat van de ongehuwde persoon of gehuwde personen en het

bereiken van

een van belang zijnde leeftijd van een van deze personen in

aanmerking

genomen met ingang van de datum waarop die wijziging

plaatsvindt.

Artikel 4.4

De eigen

bijdrage wordt niet opgelegd voor zover:

a. binnen twee

jaar na aanvang van de maatschappelijke ondersteuning voor

de te betalen

eigen bijdrage geen beschikking dan wel voorlopige beschikking

tot

vaststelling van deze bijdrage is verzonden;

b. binnen een

jaar nadat de aanbieder van de maatschappelijke ondersteuning

de naam, het

adres en de woonplaats alsmede de omvang van de

maatschappelijke

ondersteuning heeft aangeleverd bij de op grond van artikel

16 van de wet

aangewezen rechtspersoon, deze rechtspersoon de naam, het

adres en de

woonplaats niet heeft teruggevonden in de gemeentelijke

basisadministratie.

Artikel 4.5

8

1. Bij

ministeriŽle regeling worden de bedragen van € 16,40 en € 23,40,

genoemd in

artikel 4.1, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor

de

gezinsconsumptie.

2. De

berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud

van € 0,2.

3. Bij de

jaarlijkse toepassing van het eerste lid wordt de afronding, bedoeld in

het tweede

lid, buiten beschouwing gelaten.

4. In

afwijking van het eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in

artikel 4.1,

jaarlijks bij ministeriŽle regeling gewijzigd aan de hand van de

ontwikkelingen

van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid,

onderdeel a,

van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het

tweede en het

derde lid zijn niet van toepassing.

Hoofdstuk V

Wijziging van andere besluiten

Artikel 5.1

Het Besluit

aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 wordt als

volgt

gewijzigd:

A. Artikel 1,

onderdeel k, komt te luiden:

k. Wmo: Wet

maatschappelijke ondersteuning;

B. In artikel

2, onderdeel k, wordt “van de WVG” vervangen door: van de

Wmo.

C. Artikel 3,

eerste lid, onderdeel b, onder 11, komt te luiden:

11. de Wmo;

D. In artikel

4 wordt “van de WVG” vervangen door: van de Wmo.

Artikel 5.2

In artikel 21

van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en

invaliditeitsvoorzieningen

militairen wordt “Wet voorzieningen gehandicapten”

vervangen

door: Wet maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 5.3

In artikel 21

van het Besluit bijzondere militaire pensioenen wordt “Wet

voorzieningen

gehandicapten” vervangen door: Wet maatschappelijke

ondersteuning.

Artikel 5.4

Artikel 21 van

het ReÔntegratiebesluit vervalt.

Artikel 5.5

In artikel 3,

tweede lid, onderdeel c, van het Besluit beperking verkoop en

gebruik

tabaksproducten wordt “het welzijnsbeleid die zijn vermeld in artikel 2

van de

Welzijnswet 1994” vervangen door: maatschappelijke ondersteuning

als bedoeld in

artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke

ondersteuning.

Artikel 5.6

9

Het Besluit

gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK wordt

als volgt

gewijzigd:

A. In het

eerste lid van artikel 1 vervalt “, de Wet voorzieningen

gehandicapten”.

B. In artikel

3 vervalt “, Wvg”.

Artikel 5.7

Het

Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 3,

derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder

verlettering van onderdeel c in b vervalt onderdeel b.

2. In

onderdeel b vervalt “of onderdeel b”.

B. In artikel

7, eerste lid, onderdeel d, vervalt “op grond van de Welzijnswet

1994 of”.

Artikel 5.8

Het

Bijdragebesluit zorg wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel

4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Op de

bijdrage worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke

ondersteuning

verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke

ondersteuning

en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

die bij de toekenning van een financiŽle tegemoetkoming

ingevolge die

wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.

B. Aan artikel

14 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Op de

bijdrage worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke

ondersteuning

verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke

ondersteuning

en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

die bij de toekenning van een financiŽle tegemoetkoming

ingevolge die

wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.

C. Het

opschrift van ß 2 van hoofdstuk III komt te luiden:

ß 2.

Bijdragen voor persoonlijke verzorging en verpleging, indien er geen

sprake is van

verblijf.

D. Artikel 16d

wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede

lid, komt te luiden:

2. De

bijdrage, bedoeld in het tweede lid, bedraagt per kalenderjaar niet meer

dan:

a. voor de

ongehuwde verzekerde jonger dan 65 jaar € 16,40 per vier weken,

met dien

verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 16 137 het

bedrag van €

16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het

verschil

tussen zijn inkomen en € 16 137;

b. voor de

ongehuwde verzekerde van 65 jaar of ouder € 16,40 per vier

weken, met

dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 14

162 het bedrag

van € 16,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15%

van het

verschil tussen zijn inkomen en € 14 162;

10

c. voor de

gehuwde verzekerden indien een van beiden jonger is dan 65 jaar €

23,40 per vier

weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke

inkomen meer

bedraagt dan € 20 810 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd

met een

dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke

inkomen en €

20 810;

d. voor de

gehuwde verzekerde die beiden 65 jaar of ouder zijn € 23, 40 per

vier weken,

met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer

bedraagt dan

€ 19 837 het bedrag van € 23,40 wordt verhoogd met een

dertiende deel

van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en

€ 19 837.

3. Onder

vernummering van het derde lid tot vierde lid, wordt een lid

ingevoegd,

luidende:

3. Op de

bijdrage worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke

ondersteuning

verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke

ondersteuning

en het eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

die bij de toekenning van een financiŽle tegemoetkoming

ingevolge die

wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.

E. In artikel

16e, derde lid, vervalt: , dan wel indien het inkomen in het lopende

jaar algemene

bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand betreft.

F. Artikel 19

wordt gewijzigd als volgt:

1. In het

eerste lid wordt na 16d ingevoegd: , voor zover het betreft de

bedragen van

€ 16,40 en € 23,40,.

2. Er wordt

een lid toegevoegd, luidende:

4. In

afwijking van het eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in

artikel 16d,

jaarlijks bij ministeriŽle regeling gewijzigd aan de hand van de

ontwikkelingen

van het minimumloon, bedoeld in artikel 1, eerste lid,

onderdeel h.

Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing.

Artikel 5.9

Bijlage B,

onder b, onderdeel 15, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting

1968 komt als

volgt te luiden:

15.

a.

instellingen die werkzaam zijn op het terrein van op preventie gerichte

ondersteuning

van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders

met problemen

met opvoeden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,

onderdeel 2,

van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zover

werkzaam op

het gebied van het jeugd- en jongerenwerk;

b.

instellingen op het terrein van het bevorderen sociale samenhang in en

leefbaarheid

van dorpen, wijken en buurten als bedoeld in artikel 1, eerste lid,

onder b,

onderdeel 1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zover

werkzaam op

het gebied van het club- en buurthuiswerk.

Artikel 5.10

Het Besluit

brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid wordt als volgt

gewijzigd:

A. Artikel 13

van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en

veiligheid

wordt als volgt gewijzigd:

1. In het

eerste lid wordt “10a, vierde lid, van de Welzijnswet 1994” vervangen

door: 17,

vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

11

2. Het tweede

lid vervalt.

3. Het derde

en vierde lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

B. Artikel 30

vervalt.

Artikel 5.11

Artikel 11,

eerste lid, onderdeel a, van het Besluit WWB komt te luiden:

a. de

gemeenten opgenomen in de bijlage onder A van het Besluit

maatschappelijke

ondersteuning,

en.

Artikel 5.12

Het Besluit

zorgaanspraken AWBZ wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel

2, eerste lid, vervalt onderdeel a en worden de onderdelen b tot en

met o

verletterd tot a tot en met n.

B. Artikel 3

vervalt.

Artikel 5.13

In artikel 2

van het Zorgindicatiebesluit wordt “3” vervangen door: 4.

Artikel 5.14

In artikel 2

van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering

wordt “3 tot

en met 12” vervangen door: 4 tot en met 12.

Artikel 5.15

In artikel 9

van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg vervalt

“huishoudelijke

verzorging,”.

Artikel 5.16

Aan artikel 1

van het koninklijk besluit van 11 december 1996, houdende

uitvoering van

artikel 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen en

wijziging van

enige besluiten op grond van de Ziekenfondswet en de

Algemene Wet

Bijzondere Ziektekosten (Stb. 639) worden, onder vervanging

van de punt

aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, twee

onderdelen

toegevoegd, luidende:

e. openbare

geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid,

onder e, van

de Wet maatschappelijke ondersteuning;

f.

huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van

de

Wet

maatschappelijke ondersteuning.

Hoofdstuk VI

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1

1. Tot 1

januari 2008 is de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is

verleend geen

eigen bijdrage ingevolge de wet verschuldigd, indien deze

persoon of

zijn echtgenoot een bijdrage als bedoeld in artikel 4 of artikel 14

van het

Bijdragebesluit zorg verschuldigd is.

2. Tot 1

januari 2008 blijft op een financiŽle tegemoetkoming als bedoeld in

artikel 19 van

de wet geen eigen aandeel in de kosten van maatschappelijke

ondersteuning

voor rekening van de persoon aan wie een zodanige

12

tegemoetkoming

is verleend, indien deze persoon of zijn echtgenoot een

bijdrage als

bedoeld in artikel 4 of artikel 14 van het Bijdragebesluit zorg

verschuldigd

is.

Artikel 6.2

1. De Regeling

experimenten Wmo en de Tijdelijke stimuleringsregeling lokale

opvoedondersteuning

en gezinsondersteuning worden geacht te zijn

vastgesteld op

grond van artikel 21 van de wet en vervallen met ingang van 1

januari 2008.

2. De

artikelen 3.1.1 en 3.1.2 zijn op de in het eerste lid genoemde regelingen

niet van

toepassing.

Artikel 6.3

Dit besluit

treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Artikel 6.4

Dit besluit

wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning.

Lasten en

bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van

toelichting in

het Staatsblad zal worden geplaatst.

De

Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en

Sport,

13

Bijlage bij

het Besluit maatschappelijke ondersteuning

A. Gemeenten

waaraan een uitkering openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke

opvang

en

verslavingsbeleid wordt verstrekt

Almere

Apeldoorn

Assen

Bergen op Zoom

Delft

Den Helder

Doetinchem

Ede

Gouda

Hilversum

Hoorn

Oss

Purmerend

Spijkenisse

Vlaardingen

Vlissingen

B. Gemeenten

waaraan een uitkering vrouwenopvang wordt verstrekt

Almere

Apeldoorn

Delft

Den Helder

Ede

Gouda

Hilversum

Spijkenisse

Vlaardingen

Vlissingen

14

Nota van

toelichting

1. Algemeen

1.1. Inleiding

Dit besluit

stelt nadere regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning

(Wmo).

De opbouw van

dit besluit is als volgt. In hoofdstuk 1 zijn de definitiebepalingen

opgenomen. Hoofdstuk

2 regelt de

uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke

gezondheidszorg,

maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en ambulante verslavingszorg.

Hoofdstuk 3

bevat bepalingen ten aanzien van de stimuleringsuitkeringen aan gemeenten.

In hoofdstuk

4 zijn de

bepalingen ten aanzien van eigen bijdragen en financiŽle tegemoetkomingen

neergelegd.

Hoofdstuk 5

regelt de wijziging van verschillende andere besluiten waarin naar de

Welzijnswet 1994 en

de Wet

voorzieningen gehandicapten( Wvg) wordt verwezen.

Hoofdstuk 6

bevat twee slotbepalingen.

Hier alvast de

opmerking dat de Wmo de Welzijnswet 1994 en de Wvg intrekt en dat daardoor

de

volgende

besluiten vervallen. Door het intrekken van de Welzijnswet 1994 vervallen

het

Bekostigingsbesluit

welzijnsbeleid, het Besluit afwijking verantwoordelijkheidstoedeling

welzijnsbeleid,

het Besluit

specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en

verslavingsbeleid en het

Tijdelijk

besluit kwaliteitsregels kinderopvang.

Door het

intrekken van de Wvg vervallen het Besluit rijksvergoeding

Wvg-woonvoorzieningen en het

Besluit

bijdrage AWBZ-gemeenten.

1.2 Openbare

geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwen opvang en

verslavingsbeleid

Op grond van

artikel 20 Wmo kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

specifieke

uitkeringen

verstrekken ten behoeve van gemeentelijk beleid op de terreinen van de

openbare

geestelijke

gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en

verslavingsbeleid.

Gemeenten die

een uitkering ontvangen worden daarmee door de Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en

Sport financieel gestimuleerd en gefaciliteerd bij de uitoefening van een

bij de Wmo

opgedragen

taak. In vergelijking met de Welzijnswet 1994 blijft het stelsel van

specifieke uitkeringen

ongewijzigd.

Het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en

verslavingsbeleid

is daarom in zijn geheel opgenomen in hoofdstuk II van onderhavig besluit en

uitgebreid met

de openbare geestelijke gezondheidszorg. Daarbij is rekening gehouden met

het feit dat

27

centrumgemeenten de middelen voor deze prestatievelden sinds 2005 krijgen

uit de Brede

doeluitkering

sociaal, integratie en veiligheid.

De middelen

voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ) zullen aan de specifieke

uitkering

maatschappelijke

opvang en het verslavingsbeleid worden toegevoegd. Deze middelen zijn

bestemd

voor de

toeleiding tot zorg, te weten het signaleren, opsporen, contact leggen en

contacthouden, het

toeleiden zelf

ťn de ongevraagde nazorg. De verdeelsystematiek wordt nog uitgewerkt.

Hoofdstuk II

van het onderhavige besluit regelt op basis van artikel 20 van de Wmo aan

welke

gemeenten de

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uitkeringen verstrekt.

Tevens stelt

dit besluit de regels vast ten aanzien van het bedrag van de uitkering dan

wel de wijze

waarop dit

bedrag wordt bepaald, de vaststelling van de uitkering, de intrekking of

wijziging van de

beschikking

tot verlening en vaststelling van de uitkering en de betaling, de

terugvordering van de

uitkering

evenals het verlenen van voorschotten op de uitkering.

1.3

Stimuleringsuitkeringen

15

Op grond van

artikel 21 van de Wmo kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

aan

gemeenten een

uitkering verstrekken ten behoeve van de stimulering van de maatschappelijke

ondersteuning.

Overeenkomstig het kabinetsstandpunt “Anders gestuurd, beter bestuurd”

naar

aanleiding van

de bevindingen en aanbevelingen van de Stuurgroep Brinkman (Kamerstukken II

2004/05, 29

800 B, nr. 16) wordt getracht nieuwe specifieke uitkeringen te voorkomen.

Slechts waar het

erom gaat de

totstandkoming van nieuwe voorzieningen te bevorderen of een nieuwe

samenhang

tussen

voorzieningen tot stand te brengen, zal naar dit middel worden gegrepen,

waarbij te allen tijde

het

beoordelingskader voor de specifieke uitkeringen zal worden gehanteerd.

Daarbij zal strikt de hand

worden

gehouden aan de voorwaarde dat een specifi eke uitkering wordt gehanteerd

wanneer er een

nationaal

politiek belang aan het doel wordt gehecht en er (nog) weinig vertrouwen is

dat de

medeoverheden

dit doel tot stand kunnen brengen.

De bepalingen

uit het onderhavige besluit komen zoveel mogelijk ove reen met die uit het

Besluit

volksgezondheidssubsidies

(Hoofdstuk VI. Uitkeringen aan provincies en gemeenten). De

desbetreffende

bepalingen uit het Besluit volksgezondheidssubsidies sloten overigens aan

bij die uit het

(inmiddels

vervallen) Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid.

Opgemerkt

dient te worden dat de bepalingen uit het Bekostigingsbesluit

volksgezondheidssubsidies

momenteel

worden geŽvalueerd. Deze evaluatie zal er hoogstwaarschijnlijk toe leiden

dat de

uitvoeringsregels

voor subsidies en specifieke uitkeringen niet meer bij algemene maatregel

van bestuur

en ministeriŽle

regeling zullen worden gesteld, maar alleen nog maar bij ministeriŽle

regeling. Naar

verwachting

zullen de bepalingen omtrent specifieke uitkeringen inhoudelijk nagenoeg

ongewijzigd

blijven. De

wijzigingen zullen met name betrekking hebben op de bepalingen omtrent

subsidies.

Het is gewenst

de gemeenten in beginsel zoveel mogelijk vrijheid te geven ten aanzien van

de wijze

waarop zij de

betrokken activiteiten wensen uit te voeren. Dit uitgangspunt is de basis

voor de regeling

in hoofdstuk

III van het onderhavige besluit.

1.4 Eigen

bijdrage en financiŽle tegemoetkoming

In mijn brief

van 26 november 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 29 538, nr. 7) heb ik aan de

Tweede

Kamer kenbaar

gemaakt hoe met de invoering van de Wmo aan de eigen bijdrageregeling op

grond van

de Wmo en de

AWBZ vorm gegeven zal worden.

Bij de

behandeling van het wetvoorstel Wmo in de Tweede Kamer is een amendement van

het lid Van

Miltenburg c.s

aanvaard waardoor in artikel 4 van het wetsvoorstel een compensatiebeginsel

voor

gemeenten is

ingevoerd (Kamerstukken II 30 131, 2005/06, nr. 65). Dit compensatiebeginsel

geeft aan

college van

burgemeester en wethouders de opdracht om aan personen met bepaalde

beperkingen

voorzieningen

te verstrekken die deze personen in staat stellen een huishouden te voeren,

zich te

verplaatsen in

en om de woning alsmede medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale

verbanden aan

te gaan. Tevens is met het amendement geregeld dat het college van

burgemeester en

wethouders bij

het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken, de

behoefte en de

capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te

voorzien.

Dit betekent

dat als de aanvrager in staat is de voorziening zelf te regelen ťn de

financiŽle middelen

heeft deze

zelf te betalen, hij niet in aanmerking komt voor verstrekking van de

voorziening, of het geld

daarvoor, op

grond van de Wmo. Het is aan het college van burgemeester en wethouders zelf

om te

bepalen

wanneer het compensatiebeginsel tot deze uitkomst leidt. De Wmo geeft geen

bevoegdheid om

daarover

regels op te stellen.

De eerste

vraag is dus of de aanvrager in staat is zelf in de voorziening te voorzien.

Is dat niet het geval

en wordt de

voorziening toegewezen, dan komt pas het vraagstuk van de eigen bijdrage aan

de orde.

Ook dan kan

het, zoals ik in de brief van 26 november 2004 heb aangegeven, zijn dat de

aanvrager de

volledige

kostprijs zelf moet betalen. Gezien het compensatiebeginsel valt daarbij te

denken aan een

persoon die

wel de financiŽle middelen heeft, maar niet in staat is om de voorziening

zelf te regelen.

16

De

gemeenteraad is vrij om wel of niet in een verordening te bepalen of de

aanvrager voor de

voorziening

een eigen bijdrage moet betalen dan wel voor een persoonsgebonden budget of

een

financiŽle

tegemoetkoming te regelen dat een deel van de kosten voor rekening van de

aanvrager

komen. Ook is

de gemeenteraad vrij in de inrichting van het eigenbetalingssysteem. Aan de

vrijheid van

de

gemeenteraad met betrekking tot de inrichting van het eigenbijdragesysteem

Wmo zijn door de

wetgever twee

beperkingen gesteld. In de eerste plaats is in dit besluit geregeld welk

inkomensafhankelijke

maximum geldt en hoe dat berekend wordt. De gemeenteraad mag wel een

lagere

bijdrage opleggen, maar geen hogere. Daardoor heeft de gemeenteraad

voldoende armslag om

een eigen

bijdragebeleid te voeren, zonder dat sprake is van het voeren van

inkomensbeleid door de

gemeenteraad

in die zin dat er meer opgelegd wordt dan het bij wettelijk voorschrift

geregelde

maximum. Dat

is dus niet toegestaan.

In de tweede

plaats wijst de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van

artikel 16 van

de Wmo de

rechtspersoon aan die de eigen bijdrage vaststelt en int.

Zoals in de

memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wmo is aangegeven, acht de

regering het

gewenst om de

extramurale eigen bijdrageregeling AWBZ en de regeling voor de Wmo goed op

elkaar

te laten

aansluiten om een mogelijke stapeling van eigen bijdragen voor individuen te

beperken. Met de

extramurale

eigenbijdragen AWBZ worden bedoeld de eigen bijdragen die op grond van de

AWBZ zijn

verschuldigd

voor persoonlijke verzorging en verpleging, zonder dat er sprake is van

verblijf in een

AWBZ-instelling.

Er is voor

gekozen om de grenzen voor de eigenbijdrage Wmo te enten op grenzen van de

eigenbijdrage

die geldt voor de extramurale AWBZ. Behalve regels met betrekking tot de

eigen bijdrage

in het kader

van de Wmo, wijzigt het onderhavige besluit daarom ook de extramurale eigen

bijdrage

AWBZ.

De begrenzing

aan de stapeling is geregeld door het anticumulatiebeding zoals dat onder de

Wvg gold,

ook voor de

Wmo te regelen. Anders dan bij de Wvg gaat de Wmo-bijdrage thans voor op de

AWBZ. Dit

betekent dat

burgers die voor een bepaalde Wmo-voorziening reeds een eigen bijdrage

betalen, maar

daarvoor het

maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ slechts een eigen bijdrage

betalen tot

dat voor hen

geldende maximum. Dit geldt ook voor de eigen bijdrage die in mindering

wordt gebracht

op het

persoonsgebonden budget op grond van de AWBZ.

In de AWBZ is

een anticumulatie voor de eigen bijdrage voor extramurale zorg met de zorg

ingeval er

sprake is van

zorg met verblijf in een AWBZ-instelling. Een samenloop kan vooral aan de

orde zijn

indien een van

de partners verblijft in een AWBZ-instelling en de ander thuis AWBZ-zorg

ontvangt.

Hoewel de Wvg

een anticumulatie ingeval van verblijf in een AWBZ-instelling niet kende, is

een

dergelijke

anticumulatie met dit besluit ook geregeld voor de Wmo. Dat lag alleen al

voor de hand omdat

de

huishoudelijke verzorging per 1 januari 2007 is overgegaan naar de Wmo. Ook

hiervoor is geregeld

dat de Wmo

voorgaat.

Tot de

inwerkingtreding van dit besluit gold voor de extramurale eigen bijdragen

voor alleenstaanden

hetzelfde

maximum als voor meerpersoonshuishoudens. Huishoudens op het sociaal minimum

waren

procentueel

veel meer van hun huishoudinkomen kwijt aan eigen bijdragen dan een

alleenstaande op

sociaal

inkomen. Dit wordt nu gecorrigeerd door de bijdrage voor de

meerpersoonshuishoudens op het

relevant

sociaal minimum te verzachten. Deze verzachting geldt derhalve ook voor de

Wmo-bijdrage.

Omdat gekozen

is het percentage dat van het huishouden maximaal aan eigen bijdrage voor

extramurale

AWBZ-zorg gevraagd mag worden voor alle groepen op sociaal minimum gelijk te

laten

zijn, is

tevens een onderscheid gemaakt tussen mensen die 65 jaar en ouder zijn en

mensen die jonger

dan 65 jaar

zijn. Als gevolg hiervan zijn er vier groepen onderscheiden. De systematiek

is afgeleid van

de Regeling

inzake financiŽle tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG, waarin bepaald

was dat de

draagkracht

die in aanmerking genomen kon worden, toenam indien het inkomen ten minste

1,5 maal

het voor de

betreffende persoon geldende sociaal minimum bedroeg.

Tot nu toe was

het bedrag dat maximaal aan eigen bijdrage moest worden betaald gemaximeerd

tot een

bepaald

nominaal bedrag per vier weken. Dit bedrag bedroeg in 2006 € 544,20. Dit

maximum is komen

17

te vervallen.

Daarmee is op dit punt eveneens aangesloten bij de eigen bijdrageregeling op

grond van

de Wvg, die

een dergelijk maximum ook niet kende.

De

vaststelling en de inning van de extramurale eigen bijdragen AWBZ wordt

gedaan door het Centraal

Administratie

Kantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK). Het CAK heeft derhalve ervaring en

deskundigheid

ten aanzien

van het berekenen, vaststellen en innen van eigen bijdragen. De regering

heeft daarom

besloten het

CAK deze taak ook voor de eigen bijdragen Wmo te geven (Kamerstukken II

2005/05,

30 313, nr.

36). Het CAK is dan ook de rechtspersoon die hiervoor op grond van artikel

16 van de Wmo

wordt

aangewezen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat artikel 16 geen betrekking

op de financiŽle

tegemoetkomingen.

1.5

Administratieve lasten

Gemeenten

hebben een grote mate van vrijheid bij de uitvoering van de wmo. Dit geldt

onder andere

voor de eigen

bijdrage die kan worden gevraagd van inwoners aan wie maatschappelijke

ondersteuning

wordt

verleend. Gemeenten zijn bevoegd zelf te bepalen of er een eigen bijdrage

wordt gevraagd. Met

deze amvb

wordt het maximum van de eigen bijdrage geregeld dat per vier weken van de

burger

gevraagd mag

worden voor de Wmo-voorzieningen en AWBZ-zorg tezamen. Tevens wordt

aangegeven

welk

inkomensbegrip wordt gehanteerd bij het vaststellen van deze eigen bijdrage.

In de derde

nota van wijziging is reeds geregeld dat de vaststelling en inning van de

eigen bijdrage wmo

zal worden

verzorgd door een door onze Minister aan te wijzen rechtspersoon. De

regering heeft

besloten dat

dit het CAK zal zijn. Het CAK verzorgt op dit moment ook al de

vaststellingen en inning van

de

verschuldigde eigen bijdrage voor de AWBZ.

Doordat het in

deze amvb gedefinieerde inkomensbegrip gelijk is gesteld aan het inkomen dat

geldt

voor de

extramurale bijdrage AWBZ, wordt het mogelijk dat de eigen bijdrage voor

zowel AWBZ als

Wmo

gelijktijdig door het CAK wordt vastgesteld en geÔnd.

Hiermee is

gekozen voor het minst belastende alternatief voor de burger. De burger die

gebruik maakt

van

voorzieningen uit de AWBZ, Wmo of een combinatie van beide regelingen

ontvangt in alle gevallen

nog slechts

ťťn rekening voor de inning van de (gezamenlijke) eigen bijdrage. Ten

opzichte van de

huidige

situatie betekent dit een reductie van de administratieve lasten. Uit

onderzoek is gebleken dat

eind 2004 ca

360.000 mensen gebruik maakten van voorzieningen uit zowel de WVG als de

AWBZ.

Voor de inning

van de eigen bijdrage heeft deze groep momenteel dan ook te maken met twee

instanties,

gemeente en CAK. Door het CAK ook de inning van de eigen bijdrage uit hoofde

van de wmo

te laten

verzorgen wordt het aantal facturerende instanties voor deze groep terug

gebracht van 2 naar 1.

Alhoewel op

dit moment dus duidelijk is dat het centraal innen van de eigen bijdrage Wmo

en AWBZ

een reductie

van de administratieve lasten voor de burger oplevert, kan nog niet exact

worden becijferd

hoe groot de

totale reductie is. Hiervoor is het ook nodig te weten hoeveel van de

360.000 awbz en wvg

gebruikers

daadwerkelijk een eigen bijdrage voor de WVG betalen. Dit getal is op dit

moment niet

bekend

aangezien gemeenten vrij zijn in het al dan niet opleggen van een eigen

bijdrage. Bij de

kwantificering

van de lasten die de Wmo met zich mee brengt zal nader onderzoek rond dit

onderwerp

worden

uitgevoerd.

De keuze die

in deze amvb wordt gemaakt voor het belastbaar inkomen in combinatie met

centrale

vaststelling

en inning door het CAK heeft nog meer positieve gevolgen voor de

administratieve lasten

burgers. De

circa 800.000 mensen die een beroep zullen gaan doen op de Wmo worden

hiermee

ontheven van

de lasten die samenhangen met het achterhalen van de eigen inkomensgegevens

en

mogelijke

betalingen die al eerder zijn gedaan voor hetzij Wmo, hetzij AWBZ. Gemeenten

en CAK

kunnen deze

gegevens voortaan direct achterhalen via de belastingdienst. Ook de

lastenvermindering

die dit

oplevert zal bij uiteindelijke kwantificering nader worden onderzocht.

18

De Wmo zal in

de loop van dit jaar preciezer worden gekwantificeerd, als meer duidelijk is

over hoe

gemeenten

uitvoering gaan geven aan de wet. Hierbij zullen tevens de ervaringen met de

uitgevoerde

pilots worden

betrokken.

2.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk I

Definitiebepaling

Artikel 1

Is de

definitiebepaling en bevat definities van wet, project, uitkering,

stimuleringsuitkering,

maatschappelijke

opvang, en peiljaar.

Hoofdstuk II

Uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke

gezondheidszorg,

maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid

Artikel 2.1 en

2.2

Het aantal

gemeenten, opgenomen in bijlage A en bijlage B is in vergelijking met het

Besluit specifieke

uitkeringen

maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid niet gewijzigd.

In het kader

van het Grotestedenbeleid (GSB) ontvangen op basis van het Besluit brede

doeluitkering

sociaal,

integratie en veiligheid 27 van de 43 centrumgemeenten middelen ten behoeve

van activiteiten

op het terrein

van de openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en

verslavingsbeleid

en 25 van de 35 centrumgemeenten middelen ten behoeve van activiteiten op

het

terrein van

vrouwenopvang. In bijlage A en bijlage B zijn de centrumgemeenten opgenomen

die niet

onder het GSB

vallen.

Artikel 2.6

Om de

beleidsvrijheid van gemeenten bij de besteding van middelen ook in de tijd

gezien te vergroten is

een bijzondere

voorziening getroffen. Het wordt een gemeente mogelijk gemaakt een bepaald

deel van

de uitkering

te reserveren voor latere jaren. Daarmee worden gemeenten in staat gesteld

om, binnen

zekere

grenzen, ook flexibiliteit in de tijd te realiseren. Hiermee wordt de

doelmatige inzet van

overheidsmiddelen

bevorderd. Gemeenten hoeven immers aan het eind van het jaar niet op

geforceerde

wijze tot besteding van gelden over te gaan.

Omdat het

uiteraard niet de bedoeling is dat er jaarlijks grote sommen geld gespaard

worden, is in het

tweede lid van

dit artikel vastgelegd dat het totaal van de gereserveerde gelden niet

groter mag zijn dan

dertig procent

van de over het verslagjaar verleende uitkering. Er is afgezien van een

beperking in de

tijdsduur van

de spaarmogelijkheid, omdat met de limitering zoals die in vormgegeven in

het tweede lid

voorkomen kan

worden dat een gemeente onverhoopt te veel gelden in kas zou houden.

Artikel 2.7

Voor wat

betreft de door de gemeente in de bijlage bij de jaarrekening te geven

verantwoordingsinformatie

wordt verwezen naar artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording

provincies en

gemeenten (BBV). Artikel 58a is aan het BBV toegevoegd ter uitvoering van

het op 1 april

2005

vastgestelde kabinetsstandpunt over het rapport “Anders gestuurd, beter

bestuurd: De specifieke

uitkeringen

doorgelicht” van de stuurgroep Brinkman (Kamerstukken II 2004/05, 29800 B,

nr. 16).

Het gaat om

door de gemeente te verstrekken informatie die noodzakelijk is voor het

afleggen van

verantwoording

over het beheer van de uitkering en over het behalen van de

hoofddoelstellingen. Met

betrekking tot

het beheer van de uitkering is nog van belang hetgeen is bepaald in artikel

2.9.

Artikel 2.8

Dit is de

gebruikelijke bepaling waarbij de gemeente wordt verplicht de minister

schriftelijk mededeling

te doen van

omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging

of intrekking

19

van een

uitkering. In het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 4:49 van

de Algemene wet

bestuursrecht

wordt onder meer bepaald in welke gevallen de minister de uitkering kan

intrekken of ten

nadele van de

gemeente kan wijzigen.

Artikel 2.9

De uitkering

is bestemd voor een specifiek doel. Gelet op dit karakter van de uitkering

ligt het in de rede

dat, wanneer

uit de jaarrekening en de daarbij gevoegde accountantsverklaring en het

verslag van

bevindingen,

bedoeld in artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, blijkt dat

een uitkering

niet (geheel)

is besteed voor het doel waarvoor de uitkering was bestemd of niet

rechtmatig is besteed,

het

niet-bestede bedrag, onderscheidenlijk het onrechtmatige bedrag of het

bedrag waarvan de

rechtmatige

besteding onzeker is, teruggevorderd kan worden.

Artikel 2.10

Een

beschikking tot vaststelling van de uitkering wordt door de minister gegeven

binnen zes maanden

na ontvangst

van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het BBV.

Artikel 2.11

Het opnemen

van een anti-hardheidsclausule opent de mogelijkheid voor de Minister van

Volksgezondheid,

Welzijn en Sport om, in gevallen waarin toepassing van dit hoofdstuk -

gegeven de

doelstelling

en de strekking daarvan - een onbillijkheid van overwegende aard zou

opleveren, een artikel

van het

besluit buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Dit artikel komt

overeen met artikel 44

van het

Besluit volksgezondheidsubsidies en artikel 57 van het Bekostigingsbesluit

welzijnsbeleid.

Hoofdstuk III

Stimuleringsuitkeringen

ß 1. Het

aanvragen van een stimuleringsuitkering

Artikel 3.1

e.v.

Zoals in het

algemeen deel van de toelichting reeds is uiteengezet, heeft hoofdstuk III

betrekking op

stimuleringsuitkeringen

aan gemeenten. Het gaat hier om specifieke uitkeringen.

Het is gewenst

de gemeenten in beginsel zoveel mogelijk vrijheid te geven ten aanzien van

de wijze

waarop zij de

betrokken activiteiten wensen uit te voeren. Dit uitgangspunt is de basis

voor de regeling

in hoofdstuk

III van het onderhavige besluit.

Artikelen

3.1.1 en 3.1.2

Met deze

bepalingen wordt aangegeven waaraan een aanvraag voor een uitkering dient te

voldoen. Het

gaat hier om

voor specifieke uitkeringen gebruikelijke bepalingen. Zie de artikelen 33 en

34 van het

Besluit

volksgezondheidssubsidies.

ß 2. Het

verlenen van een stimuleringsuitkering en de bevoorschotting

Artikelen

3.2.1 tot en met 3.2.3

Deze

bepalingen betreffen het verlenen van een uitkering en de bevoorschotting en

komen overeen met

de artikelen

35 tot en met 37 van het Besluit volksgezondheidssubsidies.

Artikel 3.2.1

geeft regels onder andere over de termijn waarbinnen de Minister van VWS op

een

aanvraag voor

een uitkering dient te beslissen. Artikel 3.2.2 betreft het verlenen van

voorschotten door

de minister.

Artikel 3.2.3 maakt het mogelijk dat bij de verlening van een uitkering de

Minister van VWS

bepaalt dat

het uitkeringsbedrag kan worden bijgesteld, rekening houdend met de

ontwikkeling van het

prijspeil of

de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

ß 3. Aan de

verlening van een stimuleringsuitkering verbonden verplichtingen

20

Artikelen

3.3.1 tot en met 4.3.3

Deze

bepalingen hebben betrekking op de aan de verlening van een uitkering

verbonden verplichtingen

en komen

overeen met de artikelen 38 tot en met 40a van het Besluit

volksgezondheidssubsidies.

Artikel 3.3.1

bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk

de Minister

van VWS

schriftelijk op de hoogte stelt van omstandigheden die van belang kunnen

zijn voor een

beslissing tot

wijziging, intrekking of vaststelling van een uitkering en daarbij de

relevante stukken

overlegt.

Artikel 3.3.2

bevat regels over een door het college van burgemeester en wethouders aan de

minister te

zenden

schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor een uitkering is

verstrekt.

Artikel 3.3.3

bepaalt onder meer dat het college van burgemeester en wethouders aan door

de Minister

van VWS

aangewezen ambtenaren of andere personen op diens verzoek bescheiden en

inlichtingen

verstrekt die

noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. Voorts bevat

artikel 3.3.3

bepalingen

over het medewerken aan door of namens de Minister van VWS ingestelde

onderzoekingen

en over het

ook anderszins zoveel mogelijk medewerking verlenen aan de minister.

Artikel 3.3.4

maakt het mogelijk bij ministeriŽle regeling nadere regels te stellen

omtrent de aan de

verlening van

bepaalde categorieŽn van uitkeringen te verbinden verplichtingen.

ß 4. De

vaststelling van een stimuleringsuitkering en betaling

Artikelen

3.4.1 tot en met 3.4.3

Deze artikelen

en de artikelen 2.7 tot en met 2.10 zijn gelijkluidend. Voor de toelichting

wordt dan ook

verwezen naar

de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 2.7 tot en met 2.10.

ß 5. Overige

bepalingen

Artikelen

3.5.1 en 3.5.2

Overeenkomstig

hetgeen bepaald is in het Besluit volksgezondheidssubsidies (artikel 5

respectievelijk

artikel 43) is

in artikel 3.5.1 de mogelijkheid opgenomen dat bij ministeriŽle regeling

regels kunnen

worden gesteld

met betrekking tot de wijze waarop het bedrag van een uitkering wordt

berekend en

nadere regels

kunnen worden gesteld ten aanzien van de inrichting en de wijze van

indiening van

aanvragen, het

activiteitenplan, het projectplan en het verslag.

In artikel

3.5.2 wordt verwezen naar artikel 2.11 waarin een hardheidsclausule staat

opgenomen. Ook

voor de

toelichting wordt verwezen naar die van artikel 2.11.

Hoofdstuk IV

Eigen bijdrage en financiŽle tegemoetkomingen

Artikel 4.1

Artikel 15,

eerste lid, van de Wmo geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij

verordening te

bepalen dat

een persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend een eigen

bijdrage is

verschuldigd.

Ingevolge het tweede lid van artikel 15 van de Wmo kan de eigen bijdrage

inkomensafhankelijk

zijn. Artikel 19, eerste lid, van de Wmo regelt dat de hoogte van de financiŽle

tegemoetkoming

inkomensafhankelijk kan zijn. In artikel 15, derde lid, respectievelijk

artikel 19, derde

lid, van de

Wmo is geregeld dat bij of krachtens amvb regels kunnen worden gesteld met

betrekking tot

deze eigen

bijdrage respectievelijk de financiŽle tegemoetkoming.

Zoals in het

algemene deel van de toelichting is aangegeven, is de gemeenteraad vrij om

wel of niet

voor een

eigenbijdragesysteem te kiezen en om dat zelf vorm te geven. Met deze amvb

is slechts het

maximum

geregeld dat per vier weken van de burger gevraagd mag worden aan eigen

betalingen voor

de

Wmo-voorzieningen en AWBZ-zorg tezamen. Omdat de anticumulatie zowel de

eigen bijdrage als

21

het eigen

aandeel bij een financiŽle tegemoetkoming betreft, is er voor gekozen om de

anticumulatie net

als in de

Regeling inzake financiŽle tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG geregeld

was, in ťťn

bepaling te

regelen.

Het eerste lid

van artikel 4.1 van het onderhavige besluit regelt wat de gemeenteraad

maximaal aan

eigen

betalingen voor de Wmo-voorzieningen per vier weken mag vragen of door het

CAK mag laten

opleggen. Het

tweede lid van artikel 4.2 regelt hoe de gemeenteraad dat maximum mag

verlagen.

In artikel

4.1, eerste lid, zijn vier groepen te onderscheiden, namelijk de groep

ongehuwd 65-, de groep

ongehuwd van

65 jaar en ouder, de groep gehuwd 65- en de groep gehuwd van 65 en ouder. De

in dit

lid opgenomen

inkomensgrenzen, beogen de eigen bijdrage mede afhankelijk te maken van het

voor de

betreffende

groepen geldende sociale minimum. De hoogte ervan komt overeen met 120% van

het

verzamelinkomen

op het sociaal minimum. Deze systematiek is afgeleid van de Regeling inzake

financiŽle

tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG, waarin bepaald was dat de

draagkracht die in

aanmerking

genomen kon worden, toenam indien het inkomen ten minste 1,5 maal het voor

de

betreffende

persoon geldende sociaal minimum bedroeg.

De aldus

geregelde maximale bijdrage kent derhalve de volgende variabelen:

a. de maximale

eigen bijdrage die minima moeten betalen (minimaal maximum, vorm: vast

bedrag);

b. de omvang

van het inkomensafhankelijk deel van de eigen bijdrage (vorm: percentage

marginale

druk);

c. het

startpunt van waar af de eigen bijdrage toeneemt met het inkomen (vorm: vast

bedrag of een

percentage van

het relevante sociaal minimum).

De gemeenten

zijn vrij om de maximaal verschuldigde eigen betaling beneden de in het

eerste lid

geregelde

maxima vast te stellen. Het is niet wenselijk dat gemeenten personen met

hogere inkomens

geheel of

gedeeltelijk van een dergelijke vermindering uitsluiten, omdat zodoende de

marginale druk die

voortvloeit

uit de regeling toeneemt. Daarom regelt het tweede lid dat de gemeenteraad

de in het eerste

lid genoemde

bedragen alleen in gelijke mate mag wijzigen. Dit betekent dat het

percentage van 15 wel

lager mag

worden vastgesteld, maar niet hoger worden. Datzelfde geldt voor het bedrag

van € 16,40,

respectievelijk

€ 23,40. Genoemde inkomensbedragen mogen zowel hoger als lager worden

vastgesteld.

De verlaging onderscheidenlijk wijziging mag alleen voor alle in het eerste

lid bedoelde

groepen van

personen in gelijke mate geschieden. Met andere woorden per groep geldt dat

er gekozen

mag worden

voor ťťn lager percentage en ťťn lager bedrag dan € 16,40,

respectievelijk € 23,40. Ook

voor genoemde

inkomensbedragen kan in de verordening telkens ťťn afwijkend bedrag

vastgesteld

worden.

De in deze

bepaling genoemde bedragen zijn de bedragen 2006. Deze zullen nog per 1

januari 2007 bij

ministeriŽle

regeling aangepast worden.

In het derde

lid is geregeld dat voor bepaalde individuele voorzieningen gedurende

maximaal vijf jaar

een eigen

bijdrage in rekening kan worden gebracht dan wel op de hoogte van de financiŽle

tegemoetkoming

gedurende maximaal die periode een met toepassing van de daarvoor geldende

regels

berekende

bedrag in mindering worden gebracht. Hiermee is wat betreft de eigen

bijdrage afgeweken

van de

regeling op grond van de Wvg. In artikel 5, eerste lid, van de Regeling

inzake financiŽle

tegemoetkomingen

en eigen bijdrage WVG was immers geregeld dat de eigen bijdrage slechts was

verschuldigd

over het kalenderjaar waarin de voorziening werd toegekend.

Artikel 4.2

In het eerste

en tweede lid is geregeld welk inkomen relevant is voor de maximale bijdrage

die een

ongehuwde

persoon of gehuwde personen gezamenlijk in een kalenderjaar verschuldigd

zijn. Het gaat

om hetzelfde

inkomensbegrip als geldt voor de extramurale bijdrage AWBZ. Ook gaat het om

het

inkomen over

het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de maatschappelijke

ondersteuning,

het persoonsgebonden budget of de financiŽle tegemoetkoming daarvoor, is

verleend.

22

Ook de

uitzondering van het derde lid komt overeen met de regeling daarvoor op

grond van de AWBZ.

Hetzelfde

geldt voor de defintieve vaststelling indien het derde lid is toegepast. De

regeling hiervan is

gelijk aan

artikel 16e, vierde lid, van het Bijdragebesluit zorg.

Artikel 4.3

Dit artikel

komt overeen met artikel 2, derde lid, van het Bijdragebesluit zorg.

Artikel 4.4

Dit artikel

komt overeen met artikel 16a, vierde lid, van het Bijdragebesluit zorg.

Artikel 16a is met het

koninklijk

besluit van 20 september 2005 tot wijziging van het Bijdragebesluit zorg

houdende invoering

van een

termijn waarbinnen de beschikking tot vaststelling van de eigen voor zorg

zonder verblijf wordt

genomen,

alsmede enkele technische wijzigingen (Stb. 471) in het Bijdragebesluit zorg

opgenomen. De

reden voor

invoering van artikel 16 was dat het CAK de eigen bijdrage niet kon opleggen

omdat de

verzekerde

niet in de gemeentelijke basis administratie (GBA) te vinden was of omdat er

nog een

gerechtelijke

procedure liep tegen de hoogte van de vaststelling van het verzamelinkomen.

Dezelfde

uitzondering

die voor de desbetreffende eigen bijdrage AWBZ geldt, is met artikel 4.4 ook

voor de eigen

bijdrage WMO

die door het CAK wordt vastgesteld en geÔnd, geregeld. Deze bepaling heeft

geen

betrekking op

de door de gemeente vastgestelde financiŽle tegemoetkoming. Het is de

gemeente die de

hoogte daarvan

vaststelt, rekeninghoudend met het aandeel in de kosten die voor rekening

van de

aanvrager van

de maatschappelijke ondersteuning kunnen blijven. Indien betrokkene niet in

het GBA te

vinden is, kan

een financiŽle tegemoetkoming niet worden vastgesteld. Dat geldt ook indien

er nog

discussie is

over zijn verzamelinkomen. Een regeling als die van artikel 4.4 is bij de

financiŽle

tegemoetkoming

dan ook zinloos.

Omdat het CAK

de eigen bijdragen voor de Wmo en de AWBZ vaststelt en de gemeente de hoogte

van

de financiŽle

tegemoetkomingen, zullen het CAK en de gemeente goede afspraken moeten maken

over

de uitvoering

van de anticumulatie indien aan een persoon of zijn echtgenoot zowel een

financiŽle

tegemoetkoming

als een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget is verleend.

Artikel 4.5

Het

indexatiecijfer en de wijze van indexering zoals geregeld in het eerste tot

en met het derde lid is

gelijk aan de

regeling daarvoor op grond van de AWBZ (artikel 19, eerste tot en met het

derde lid, van

het

Bijdragebesluit zorg).

Voor de

overige in artikel 4.1 genoemde bedragen geldt dat deze worden aanpast aan

de hand van de

ontwikkelingen

van het minimumloon. Daarom is in het vierde lid een afwijkende regeling

getroffen. De

aanpassing aan

de hand van de ontwikkelingen van het minimumloon betekent niet een naadloze

aansluiting

aan de ontwikkelingen van het minimumloon, maar ook gevolgen met betrekking

sociale

premies, zoals

de premie voor de Zorgverzekeringswet kunnen van invloed zijn.

Hoofdstuk V

Wijziging van andere besluiten

Artikelen 5.1

tot en met 5.7

De Wmo trekt

de Welzijnswet 1994 en de Wvg in. Besluiten waarin verwezen wordt naar de

Welzijnswet

1994 of de Wvg

dienen te worden gewijzigd.

In sommige

gevallen kan worden volstaan met het wijzigen van Wvg in Wmo (artikelen 5.1

tot en met

5.3). In

andere gevallen komt door het intrekken van de Wvg de desbetreffende

bepaling te vervallen

(artikelen

5.4). In artikel 3 va n het Besluit beperking verkoop en gebruik

tabaksproducten wordt de

verwijzing

naar de Welzijnswet 1994 vervangen door een overeenkomstige verwijzing naar

de Wmo

(artikel 5.5).

In het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK

vervalt in de

artikelen 1 en

3 de verwijzing naar de Wvg (artikel 5.6). In het Bekostigingsbesluit

inburgering

nieuwkomers

vervalt de verwijzing in de artikelen 3 en 7 naar de Welzijnswet 1994

(artikel 5.7).

23

Artikel 5.8

A en B. Zoals

in het algemene deel van de toelichting is aangegeven, is met dit besluit,

anders dan bij

de Wvg het

geval was, ook een anticumulatie tussen de Wmo-bijdrage en de bijdrage

ingeval er sprake

is van

verblijf in een AWBZ-instelling geregeld. Omdat de Wmo-bijdrage voorgaat op

de AWBZ-bijdrage

is geregeld

dat de Wmo-bijdrage in mindering moet worden gebracht op de eigen bijdrage

die de

verzekerde of

zijn partner verschuldigd is bij verblijf in een AWBZ-instelling.

C. Het

opschrift van paragraaf 2 van hoofdstuk III was al niet meer actueel. Van

het voornemen om

eigen

bijdragen voor ondersteunende en activerende begeleiding te gaan heffen, is

al enige tijd geleden

afgezien. Met

ingang van 1 januari 2007 is, wat betreft de AWBZ, ook de eigen bijdrage

voor

huishoudelijke

verzorging vervallen.

D. Het tweede

lid van artikel 16d is aangepast aan artikel 4.1, tweede lid, van het

Besluit

maatschappelijke

ondersteuning.

In een nieuw

derde lid is de anticumulatie met de eigen bijdrage Wmo geregeld. Deze moet

in mindering

worden

gebracht op de extramurale bijdrage die de verzekerde voor de AWBZ

verschuldigd is.

E. De

uitzondering dat uitgegaan wordt van het actuele inkomen indien het inkomen

algemene bijstand

ingevolge de

Wet werk en bijstand betreft, is met de wijziging van artikel 16d, tweede

lid, van het

Bijdragebesluit

zorg achterhaald. Met die gewijzigde bepaling is de eigen bijdrage tot 120%

van het

(voor

betrokkene geldende) sociaal minimum inkomensonafhankelijk. Pas vanaf die

inkomensgrens

wordt het

nominale bedrag (€ 16,40 voor alleenstaanden, € 23,40 voor gehuwden)

verhoogd met 15%

van het

meerinkomen. Iemand die op het sociaal minimum zit, heeft er dus niets aan

als heel precies

gekeken wordt

wat zijn actuele inkomen is, want dat leidt toch niet tot een lagere eigen

bijdrage. De

verwijzing

naar de Wet werk en bijstand is daarom komen te vervallen.

F. Voor de in

artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg geregelde inkomensgrenzen geldt

niet dat die

geÔndexeerd

worden aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. Deze worden

aangepast

aan de hand

van de ontwikkelingen van het minimumloon. Ook hier geldt, dat dat niet

betekent een

naadloze

aansluiting aan de ontwikkelingen van het minimumloon, maar ook gevolgen met

betrekking

sociale

premies, zoals de premie voor de Zorgverzekeringswet kunnen van invloed

zijn.

Artikel 5.9

Deze bepaling

regelt dat de huidige BTW -vrijstelling gehandhaafd blijft voor genoemde

instellingen op

het gebied van

jeugd en jongerenwerk en club- en buurthuiswerk.

Artikel 5.10

In verband met

de verwijzing naar de Welzijnswet 1994 dient artikel 13 van het Besluit

brede

doeluitkering

sociaal, integratie en veiligheid te worden gewijzigd.

Artikel 30 van

het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid bevat een

wijziging van

bijlagen van

het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en

verslavingsbeleid,

welk laatste besluit echter door het intrekken van de Welzijnswet 1994 komt

te

vervallen. De

inhoud van dit laatste besluit is opgenomen in het onderhavige Besluit Wmo.

De

desbetreffende

bijlagen zijn opnieuw vastgesteld. In verband hiermede kan artikel 30 komen

te

vervallen.

Artikel 5.12

tot en met 5.16

Deze besluiten

zijn aangepast omdat de huishoudelijke verzorging zoals die in artikel 3 van

het Besluit

zorgaanspraken

AWBZ is omschreven ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Wmo niet meer

onder de

aanspraken op

grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten valt. Het aldus aanpassen

van het

Besluit

zorgaanspraken AWBZ is in de toelichting op artikel 38 aangekondigd.

24

Hoofdstuk VI

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1

Zoals hiervoor

is aangegeven, geldt anders dan tot nu toe bij de Wvg gold, dat de

Wmo-bijdrage

voorgaat op de

AWBZ-bijdrage.

Dit betekent

bij de eigen bijdrage die verschuldigd is ingeval er sprake is bij verblijf

in een AWBZinstelling,

het bedrag dat

voor de Wmo-bijdrage verschuldigd is dan wel bij een Wmo-financiŽle

tegemoetkoming

in mindering wordt gebracht op die tegemoetkoming op de bijdrage voor

AWBZ-verblijf

in mindering

moet worden gebracht. Met ingang van 1 januari 2008 is dat geen probleem

omdat vanaf

die datum het

CAK ook deze AWBZ-bijdrage vaststelt en int. Tot die datum doen zorgkantoren

dat nog.

Om noch de

zorgkantoren, noch de burgers daarmee te belasten, is ervoor gekozen de

huidige wijze

van

anticumulatie een jaar te handhaven. Daartoe strekt deze overgangsbepaling.

Artikel 6.2

De Regeling

experimenten Wmo en de Tijdelijke stimuleringsregeling lokale

opvoedondersteuning en

gezinsondersteuning

zijn vastgesteld op grond van artikel 10 van de Welzijnswet 1994 en zouden

met

de

inwerkingtreding van de Wmo komen te vervallen, hetgeen niet de bedoeling

is. Met artikel 6.2

worden beide

regelingen geacht te zijn vastgesteld op grond van artikel 21 van de wet en

gelden tot 1

januari 2008.

Artikel 6.3

Dit artikel

bepaalt dat dit besluit in werking treedt met ingang van 1 januari 2007. Dit

is ook de datum

van

inwerkingtreding van de Wmo.

Artikel 6.4

Met deze

bepaling wordt de citeertitel van het onderhavige besluit vastgesteld,

namelijk Besluit

maatschappelijke

ondersteuning.

De

Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en

Sport,

drs. Clťmence

Ross-van Dorp

 

 

 

 

 

Handreiking aanpak huiselijk geweld 55 vragen over de rol van de gemeente

Een veilige leefomgeving is een groot goed en bepalend voor het welzijn van de mens. Het is echter ook een onderdeel van de samenleving waar veel Nederlanders zich zorgen om maken. Het onderwerp veiligheid wordt vaak (nog) geassocieerd met (zichtbaar) geweld in het openbaar, zoals zinloos geweld, agressieve supporters, roofovervallen of geweld in het uitgaanscircuit. De laatste jaren staat geweld in de huiselijke leefomgeving ook volop in de belangstelling. Deze veelvoorkomende vorm van geweld is daarmee uit de taboesfeer gehaald. Zeker nu cijfers hebben aangetoond dat de omvang van huiselijk geweld verontrustend hoog is en grote maatschappelijke gevolgen heeft. De onzichtbaarheid van huiselijk geweld en de complexiteit van deze vorm van geweld vragen om een integrale aanpak en een duidelijke regisseursrol. Verschillende gemeenten, al dan niet in regioverband, hebben inmiddels initiatieven ontwikkeld om huiselijk geweld aan te pakken. Er zijn verschillende voorbeelden van een succesvolle aanpak. Deze handreiking helpt gemeenten te komen tot een aanpak huiselijk geweld. Veel aandacht gaat daarbij uit naar het vormgeven van de regierol en de samenwerking tussen betrokken partners. De gemeenten staan voor de uitdaging om beleid te ontwikkelen dat wordt gedragen door de partners en dat aansluit bij de wensen en behoeften van de burgers. Enkele voorbeelden illustreren (delen van) een mogelijke aanpak. Ook komen een overzicht van financieringsmogelijkheden en het opzetten van een advies- en steunpunt aan bod. Bij de totstandkoming van deze handreiking zijn verschillende gemeenten betrokken. Zij hebben meegelezen en de tekst van commentaar voorzien, waarvoor veel dank. Onze dank gaat eveneens uit naar het ministerie van Justitie dat heeft zorg gedragen voor de financiering.
Deze publicatie is een vervolg op de brochure Aanpak huiselijk gewelddie in november 2003 is uitgekomen. Beide publicaties maken deel uit van het ondersteuningsprogramma huiselijk geweld van de VNG. Dit programma ondersteunt gemeenten bij de ontwikkeling en implementatie van beleid inzake huiselijk geweld. Wij hopen dat deze handreiking bijdraagt aan de totstandkoming van een effectieve aanpak huiselijk geweld en wensen u in dit proces veel succes toe. Den Haag mr. R.J.J.M. Pans, Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Huiselijk geweld staat hoog op de politieke agenda. Dit is ook niet verwonderlijk, aangezien het de meest voorkomende vorm van geweld is. Doordat huiselijk geweld zich achter de voordeur afspeelt, is het voor bestuurders, beleidsambtenaren en hulpverleners moeilijk hier grip op te krijgen. De effecten van huiselijk geweld zijn echter niet onzichtbaar. Schoolartsen, politiefunctionarissen of hulpverleners in de vrouwenopvang hebben er allemaal in meer of mindere mate mee te maken. In de nota Privť-geweld – publieke zaak (2002) geeft het kabinet aan dat het bestrijden van huiselijk geweld een grondige aanpak vereist. Voor gemeenten is hierin een belangrijke taak weggelegd. De gemeente kan partijen bij elkaar brengen, verbanden leggen en aansturen. Zij kan een integrale aanpak stimuleren en afspraken tot stand brengen. Om gemeenten te helpen bij het ontwikkelen van een (regionale) aanpak verzorgt de VNG een ondersteuningsprogramma dat doorloopt tot en met 2006. Een belangrijk onderdeel van dit programma vormen de gemeentekringen. Deze kringen zijn bedoeld voor beleidsambtenaren veiligheid of volksgezondheid/welzijn die kennis kunnen delen en ervaringen kunnen uitwisselen. In 2004 zijn er vier kringen gestart, die gedurende dit jaar vijf bijeenkomsten hebben gehad. In de kringbijeenkomsten zijn veel vragen naar voren gebracht over de invulling van de regierol door de gemeente in de aanpak huiselijk geweld. Omdat bij veel gemeenten vergelijkbare vragen leven, hebben we besloten deze handreiking te schrijven in de vorm van vraag en antwoord. De discussies in de kringbijeenkomsten en de successen en obstakels die door de deelnemers naar voren zijn gebracht, hebben dan ook een belangrijke input geleverd voor deze publicatie.
De vragen en de concepttekst zijn aan een tiental gemeenten voorgelegd. Zij hebben, waar nodig, aanvullingen gegeven en de tekst van bruikbaar commentaar voorzien. Correcties en aanvullingen zijn opgenomen in de definitieve tekst. Sommige vragen in deze handreiking kunnen duidelijk beantwoord worden; het antwoord op andere vragen is minder eenduidig. Ook zullen niet alle vragen voor alle gemeenten van toepassing zijn, omdat niet iedere gemeente een aanpak ontwikkelt die bestaat uit alle onderdelen die in deze handreiking naar voren komen. Het doel van deze handreiking is dan ook niet om een beste aanpak voor alle gemeenten te presenteren. De lokale en regionale situatie vraagt immers om een (geheel) eigen aanpak. De handreiking geeft vooral handvatten voor de invulling van de regierol. Praktijkvoorbeelden illustreren de verschillende mogelijkheden. De publicatie is in eerste instantie geschreven voor gemeenteambtenaren, beleidsambtenaren welzijn, zorg of veiligheid. Voor bestuurders en gemeenteraadsleden kan het echter ook een goede informatiebron zijn.
De vragen zijn ingedeeld naar de volgende categorieŽn:
• algemeen kader;
• de rol van de gemeente;
• de keuze en betrokkenheid van relevante partners;
• samenwerken;
• financiering;
• advies- en steunpunten huiselijk geweld.
Wij hebben bij het beantwoorden van de vragen dankbaar gebruikgemaakt
van beleidsdocumenten van gemeenten of provincies en
van landelijke publicaties. Een lijst van geraadpleegde bronnen, links
naar websites en organisaties en een afkortingenlijst zijn opgenomen
in de bijlagen.
12 HUISELIJK GEWELD
1 Algemeen kader
1 Wat is huiselijk geweld?
De definitie van huiselijk geweld luidt als volgt:1
‘Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring
van het slachtoffer is gepleegd. Geweld is de aantasting van de persoonlijke
integriteit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geestelijk
en lichamelijk geweld (waaronder seksueel geweld). De huiselijke
kring bestaat uit (ex-)partners, gezins- of familieleden en huisvrienden.’
Het begrip 'huiselijk' wijst dus op de relatie tussen dader en slachtoffer
en niet zozeer op de plek waar het gebeurt (het eigen huis).
Bij huiselijk geweld gaat het om ernstig, aanhoudend en regelmatig
terugkerend geweld.
Huiselijk geweld kan de volgende kenmerken hebben:
• er is sprake van lichamelijk letsel;
• het heeft een langere periode geduurd, meestal langer dan ťťn
jaar;
• het komt maandelijks, wekelijks of dagelijks voor;
• het heeft noemenswaardige gevolgen zoals eetproblemen, eetstoornissen
of een echtscheiding.
Het is belangrijk onderscheid te maken tussen het meemaken van
huiselijk geweld en het ondergaan van het geweld (slachtoffer).
Sommige mensen (vooral kinderen) maken huiselijk geweld mee als
getuige, maar ondervinden dit niet aan den lijve. De psychische
gevolgen voor deze groep kunnen echter groot zijn. Anderen zijn
zowel getuige (als kind) als slachtoffer.
ALGEMEEN KADER 13
1 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening, T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
2 Hoe vaak, bij wie en wanneer komt het voor?
De cijfers over huiselijk geweld zijn schrikbarend. Bijna de helft van
alle Nederlanders heeft ooit te maken gehad met huiselijk geweld en
een aanzienlijk deel ervaart zelfs dagelijks de gevolgen. Voor veel
slachtoffers heeft huiselijk geweld ingrijpende gevolgen.
De belangrijkste cijfers op een rij:2
• 45% van de Nederlandse bevolking heeft ooit te maken gehad met
aanhoudend geweld.
• Bij 11% van de Nederlanders leidt huiselijk geweld tot lichamelijk
letsel.
• 30% van de Nederlanders ervaart grote gevolgen van huiselijk
geweld, zoals een scheiding, angstgevoelens, neerslachtigheid, eetproblemen
of problemen met relaties en/of intimiteit.
• Bij 21% van de Nederlanders heeft huiselijk geweld langer dan vijf
jaar geduurd.
• 27% van de Nederlanders is slachtoffer of getuige van huiselijk
geweld waarbij de voorvallen wekelijks of dagelijks voorkomen.
• Geestelijke, lichamelijke en seksuele vormen van huiselijk geweld
komen vaak samen voor.
• Vrouwen worden vaker slachtoffer van geweld met een zeer hoge
intensiteit (hoge frequentie, lange duur, lichamelijk letsel en andere
gevolgen) dan mannen.
• Huiselijk geweld komt in alle lagen van de bevolking en binnen
alle culturele groeperingen voor.
• Huiselijk geweld vindt zowel in grote steden als op het platteland
plaats.
3 Welke vormen zijn er?
Huiselijk geweld kent verschillende vormen, zoals geestelijk geweld
(waaronder bedreiging en stalking, lichamelijk geweld, seksueel
geweld, financiŽle uitbuiting of verwaarlozing.
De gemeente Rotterdam heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de
aard, omvang en achtergronden van huiselijk geweld.3 Een van de
belangrijkste bevindingen van dit onderzoek is dat huiselijk geweld
14 HUISELIJK GEWELD
2 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening, T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
3 De vele gezichten van huiselijk geweld. Aard, omvang en achtergronden.
B.W.M.A. Beke & M. Bottenberg, Rotterdam, 2003.
zich afspeelt volgens drie karakteristieke geweldsscenario’s. Deze
worden bepaald op basis van het profiel van de dader en het slachtoffer,
op basis van de aanleiding en het verloop van het geweldsincident
en op basis van kenmerkende geweldspatronen.
Het eerste scenario is extreem huiselijk geweld. Er is sprake van
excessief, aanhoudend en onvoorspelbaar geweld. Een aanleiding
ontbreekt. De plegers zijn meestal ‘goede bekenden’ van de politie,
onder hen vinden we ook daders van geweld op straat.
Het tweede scenario is cyclisch huiselijk geweld. De geweldsexplosies
worden afgewisseld met periodes van ‘het weer goed maken’.
Vaak is er sprake van (obsessieve) jaloezie. Als daders al een strafblad
hebben, dan betreft het voornamelijk lichtere misdrijven.
Het derde scenario is plotseling huiselijk geweld. Hier zien we een
korte, hevige geweldsexplosie die ontstaat door een combinatie van
spanningen en gevoelens van machteloosheid en frustratie. Deze
daders hebben zelden een strafblad.
4 Wat zijn de aanleidingen?
De oorzaken van huiselijk geweld zijn niet eenduidig weer te geven.
Individuele, relationele en maatschappelijke factoren zijn van
invloed op de aard en omvang van het geweld. Uit onderzoek blijkt
dat kinderen die uit een gewelddadig gezin komen een verhoogde
kans hebben om zelf geweld te plegen.
Aanleidingen voor huiselijk geweld:4
• eigen aan het karakter van de dader;
• conflicten binnen het gezin;
• alcohol of drugs;
• psychische problemen;
• hij of zij dacht dat het normaal was.
In veel gevallen is er geen concrete aanleiding voor een geweldsuitbarsting
en kan een klein voorval uitmonden in geweld. Veel daders
kunnen dan ook geen reden voor hun geweldsuitbarsting noemen.
ALGEMEEN KADER 15
4 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening, T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
5 Wat zijn de individuele en maatschappelijke gevolgen?
De gevolgen van huiselijk geweld bij kinderen en volwassenen zijn
niet alleen merkbaar ten tijde van het geweld, maar ook daarna.
Slachtoffers van huiselijk geweld voelen zich aanmerkelijk vaker
onveilig dan niet-slachtoffers. Ook hebben zij vaker gezondheidsklachten,
meer last van gevoelens van minderwaardigheid en hebben
zij minder sociale contacten dan niet-slachtoffers.
Gevolgen van huiselijk geweld voor volwassenen:5
• ruim een kwart van de slachtoffers van huiselijk geweld heeft minder
zelfvertrouwen als gevolg van het geweld;
• een op de vijf slachtoffers heeft last van angstgevoelens gekregen;
• een op de tien slachtoffers heeft problemen gekregen met intimiteit
en/of seksualiteit;
• 11% van de slachtoffers van huiselijk geweld is gescheiden van de
dader.
De maatschappelijke kosten van huiselijk geweld zijn hoog. Uit een
onderzoek uit 19976 blijkt dat ernstig fysiek geweld van mannen
tegen hun vrouwelijke (ex-)partner de samenleving naar schatting
ruim € 350 miljoen per jaar kost. Dit zijn de totale kosten voor politie
en justitie, medische zorg, psychosociale zorg, arbeid (ziekteverzuim)
en sociale zekerheid (bijstand en huursubsidie) voorzover die
direct voortvloeien uit huiselijk geweld.
Kostenposten Kosten
Sociale zekerheid en ziekteverzuim € 75,3 miljoen
Politie en justitie € 33 miljoen
Opvang (Blijf-van-mijn-lijf- en andere opvanghuizen) € 27,2 miljoen
Psychosociale begeleiding € 8,3 miljoen
Medische zorg € 7 miljoen
6 Wie zijn de slachtoffers?
Uit onderzoek blijkt dat zowel mannen als vrouwen ongeveer in
gelijke mate te maken hebben (gehad) met geweld in de huiselijke
kring. Het geweld tegen vrouwen is echter doorgaans ernstiger en
16 HUISELIJK GEWELD
5 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening. T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
6 Economische kosten van thuisgeweld tegen vrouwen. D. Korf e.a.
Stichting Economisch Onderzoek Amsterdam, 1997.
vaker seksueel van aard dan het geweld tegen mannen. Bovendien
worden mannen meestal op jeugdige leeftijd slachtoffer van vooral
lichamelijk geweld, terwijl vrouwen in elke leeftijdscategorie huiselijk
geweld ondergaan. De volgende groepen slachtoffers hebben we
onderscheiden: vrouwen, allochtonen, kinderen en ouderen.
Vrouwen
Hoewel vrouwen ťn mannen geweld tegenkomen in de privť-sfeer,
vormen de vrouwen een belangrijke groep slachtoffers. Voor een
groot aantal vrouwen is de situatie onhoudbaar geworden. Zij ontvluchten
het huis en melden zich aan bij een Blijf-van-mijn-lijfhuis
of een vrouwenopvangcentrum. In 2001 verbleven 4.656 vrouwen
en 3.947 kinderen in vrouwenopvangcentra en Blijf-van-mijn-lijfhuizen.
7 De meldingen nemen jaarlijks toe. Uit een onderzoek van het
Trimbos-instituut blijkt dat zich jaarlijks 17.500 vrouwen bij de vrouwenopvang
melden.8 Door de toename in aanmeldingen zijn er capaciteitsproblemen
ontstaan bij de vrouwenopvang.
Allochtonen
Een andere groep die de laatste tijd aandacht krijgt, onder andere
door gevallen van eerwraak, zijn allochtonen. Veel van de vrouwen
uit de vrouwenopvang zijn afkomstig uit minderheidsgroepen (bijna
60% in 2004). Onderzoek naar huiselijk geweld in allochtone kring
biedt een verontrustend beeld:9 24% van de ondervraagden zegt ooit
in zijn/haar leven slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld.
Onderzoekers en allochtone organisaties vrezen dat het cijfer in werkelijkheid
hoger ligt, omdat het onderwerp huiselijk geweld moeilijk
bespreekbaar is onder allochtonen. De aanpak van het geweld bij
minderheden vraagt op onderdelen specifieke kennis van politie en
hulpverleners en om specifieke methoden en benaderingswijzen. Er
wordt gewerkt aan de ontwikkeling van methoden die tot doel hebben
huiselijk geweld bij minderheden bespreekbaar te maken en de
risico’s voor allochtone vrouwen te verkleinen.
ALGEMEEN KADER 17
7 Monitor Maatschappelijke Opvang Jaarbericht 2003. J. Wolf, e.a. Trimbosinstituut,
Utrecht, 2003.
8 Hierbij moet worden opgemerkt dat er sprake is van dubbeltellingen, omdat
vrouwen bij gebrek aan plaats bij meerdere instellingen worden aangemeld.
Hoe groot deze dubbelingen zijn, is niet bekend.
9 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening. T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intomart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
Kinderen
Kinderen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld hebben speciale
aandacht nodig. Ongeveer 80.000 kinderen houden blijvend lichamelijk
letsel over aan huiselijk geweld. Ongeveer 100.000 kinderen
zijn jaarlijks getuige van geweld in het gezin. Kinderen die slachtoffer
of getuige zijn van geweld kunnen problemen ontwikkelen op
meerdere gebieden tegelijk (spijbelen, delinquent gedrag, slapeloosheid,
depressiviteit, slechte schoolprestaties). Doorgaans wordt ervan
uitgegaan dat kinderen in gewelddadige gezinnen kampen met
meerdere problemen tegelijk: ruziŽnde ouders, blootstelling aan
geweld tussen de ouders, alcoholisme van de ouders, lage inkomens,
spanningen (stress), minder aandacht van de moeder, lichamelijke
mishandeling en verwaarlozing. Een voorbeeld van de vervlechting
van de problematiek is dat kinderen die getuige zijn van geweld tussen
hun ouders, volgens onderzoek een grote kans lopen om zťlf
lichamelijk mishandeld te worden of later zelf geweld gaan plegen.
De meeste slachtoffers worden in hun jeugdjaren (tussen 10 en 25
jaar) slachtoffer van huiselijk geweld. Dit geldt met name voor lichamelijke
en geestelijke vormen van huiselijk geweld.
Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld kunnen lang onzichtbaar
blijven voor de hulpverlening. Om hen beter te beschermen is
het meldtraject ‘Kindspoor’ ontwikkeld. Het meldtraject ‘Kindspoor’
is in 2003 in Nederland geÔntroduceerd in de politieregio Hollands
Midden.
Het kindspoor wordt gevormd door de politie, het Advies- en
Meldpunt Kindermishandeling (AMK), bureau Jeugdzorg, de Raad
voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie.
Het meldtraject begint bij de politiebemoeienis. Bij de afhandeling
van huiselijk geweld zaken, voert de politie voortaan ook de gegevens
van de woonachtige kinderen tot achttien jaar in het registratiesysteem
in. Op deze manier worden de kinderen zichtbaar.
De ketenpartners hebben met het kindspoor vijf doelen voor ogen.
Ten eerste proberen zij een veilige situatie voor het kind te creŽren.
Daarnaast willen zij de kans op een verstoorde ontwikkeling terugdringen.
Ze proberen ontwikkelingsproblematiek te signaleren en
18 HUISELIJK GEWELD
het kind en de opvoeders een adequaat hulpaanbod te bieden. Ten
slotte willen de ketenpartners de opvoeders bevorderen om hun verantwoordelijkheid
te nemen en het geweld te stoppen.
Ouderen
Een belangrijke groep slachtoffers van huiselijk geweld zijn ouderen;
uit onderzoek is gebleken dat ruim 5% van de zelfstandig wonende
ouderen mishandeld wordt.
Bij oudermishandeling gaat het bijvoorbeeld om de mantelzorgers
die de situatie niet langer aankunnen of kinderen en kleinkinderen
die (groot)ouders financieel uitbuiten. Ook komt het voor dat professionele
hulpverleners die dagelijks voor de ouderen zorgen deze
ouderen mishandelen. Over de geweldsproblematiek bij deze groep
is weinig bekend.
De onzichtbaarheid en onbekendheid van de ouderenproblematiek
komen onder andere door de afhankelijkheidsrelatie die ouderen
hebben met hun pleger, degene die voor hen zorgt. Dit heeft tot
gevolg dat ze niet snel aangifte zullen doen. Daarnaast is wetgeving
ter bestrijding van huiselijk geweld niet specifiek gericht op ouderen,
maar meer op kinderen en volwassen partners. Er is nog geen duidelijke
structuur bij ouderenmishandeling, zoals bij kindermishandeling,
om aangifte door de buitenwereld te doen vergemakkelijken.
Ook de ketenaanpak rondom deze groep is nog in ontwikkeling. Her
en der zijn er wel aparte meldpunten ouderenmishandeling vanuit
de thuiszorg of de GGD opgezet, of wordt de aandacht voor ouderenmishandeling
integraal meegenomen in de activiteiten van een
advies- en steunpunt huiselijk geweld.
7 Wie zijn de daders?
Zoals eerder vermeld wordt huiselijk geweld voornamelijk gepleegd
door mannelijke daders. In het algemeen geldt: hoe nauwer de relatie
tussen dader en slachtoffer, des te intenser het huiselijk geweld.
Als huiselijk geweld wordt gepleegd door een ‘huisvriend’ van het
slachtoffer gaat het in veel gevallen om incidenteel geweld. Als huiselijk
geweld wordt gepleegd door een (ex-)partner van het slachtoffer,
dan gaat het in veel gevallen juist om geweld met een (zeer) hoge
intensiteit.
ALGEMEEN KADER 19
Typen daders10 Kenmerken
Overgeremde dader • kropt woede en emoties op;
• vermijdt conflicten;
• emotionele mishandeling van het slachtoffer;
• controledwang;
• goed te behandelen.
Cyclische dader • dader heeft traumatische voorgeschiedenis;
• gebrek aan eigenwaarde;
• behoefte aan macht over het slachtoffer;
• geweld herhaalt zich in een zelfde patroon;
• is te behandelen.
Psychopathische dader • zeer problematisch gedrag;
• biologisch-neurotische oorzaak;
• geen behandeling, wel medicatie.
8 Hoe vaak en wanneer doet het slachtoffer aangifte?
Huiselijk geweld wordt relatief weinig gemeld en aangegeven bij de
politie. In totaal wordt 12% gemeld bij de politie. In 6% van de gevallen
komt het ook tot een daadwerkelijke aangifte in de vorm van een
ondertekend proces-verbaal. Bij geweld met een zeer hoge intensiteit
valt op dat het wel vaker gemeld wordt dan bijvoorbeeld incidenteel
geweld, maar dat dit niet resulteert in meer aangiften.11 Deze cijfers
zullen gaan toenemen door een betere registratie van de politie, door
de toenemende aandacht (ook bij gemeenten) voor huiselijk geweld
als maatschappelijk probleem en door het doorbreken van de taboe.
9 Welke overheden en maatschappelijke organisaties
zijn betrokken bij de landelijke aanpak huiselijk
geweld?
Op 1 oktober 2000 gaf de toenmalige minister van Justitie het startsein
tot het project ‘Voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld’,
dat tot doel had een extra inzet voor de aanpak van huiselijk geweld
vanuit departementen en (landelijke) organisaties mogelijk te maken
en een effectieve benadering van de problematiek te ontwikkelen.
Aan het project hebben verschillende departementen en landelijke
20 HUISELIJK GEWELD
10 De partnermishandelaar, een psychologisch profiel. D.G. Dutton, S.K. Golant en
H. Pijnaker. Bohn Stafleu Van Loghum, 2000.
11 Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening. T. van Dijk, S. Flight,
E. Oppenhuis en B. Duesmann (Intromart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek),
in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, oktober 1997.
organisaties deelgenomen, zoals de VNG, het Korps landelijke politiediensten
(KLPD), het Parket-Generaal (PG), Reclassering
Nederland, Slachtofferhulp Nederland, de Federatie Opvang (FO),
Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ)-Nederland, GGD-Nederland en
diverse (landelijke) ondersteuningsorganisaties. De projectresultaten
vormen de basis voor de kabinetsnota Privť-geweld – publieke zaak
(2002).
De betrokken departementen bij het huidige landelijk beleid huiselijk
geweld zijn: Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Volksgezond, Welzijn en Sport, Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
10 Welke wet- en regelgeving is er rond huiselijk geweld?
Huiselijk geweld betreft verschillende beleidsterreinen en valt onder
meerdere wetten. De belangrijkste wet- en regelgeving op het welzijns-
en veiligheidsterrein komt in deze vraag aan bod.
Wetgeving op het Welzijnswet
gebied van Welzijn Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV)
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO)
Wet op de jeugdzorg
Stimuleringsmaatregel advies- en steunpunt
Wetgeving op het Wetboek van Strafrecht
gebied van veiligheid Aanwijzing procureur-generaal
Tijdelijk huisverbod voor pleger huiselijk geweld
Grotestedenbeleid
Welzijnswet
In de Welzijnswet staat dat gemeenten een vangnetfunctie hebben
op een aantal gebieden. De Welzijnswet is echter geen wet waaraan
burgers rechten kunnen ontlenen of waarop ze een beroep kunnen
doen. De gemeente kan dus zelf het (zorg)voorzieningenniveau
bepalen. Een belangrijke voorziening die onder de Welzijnswet valt,
is de maatschappelijke opvang (MO). De vangnetfunctie voor de
maatschappelijke opvang ligt primair bij centrumgemeenten.
Centrumgemeenten zijn verantwoordelijk voor de totstandkoming,
ALGEMEEN KADER 21
instandhouding en ontwikkeling van een landelijk dekkend geheel
van voorzieningen voor de maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid
en vrouwenopvang. De centrumgemeenten ontvangen daarvoor
twee specifieke doeluitkeringen: ťťn voor de maatschappelijke
opvang en verslavingsbeleid en ťťn voor de vrouwenopvang.12
Wet collectieve preventie volksgezondheid
De huidige Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV) is in
2003 gewijzigd en heeft het volgende tot doel: ‘bescherming en
bevordering van de gezondheid van de bevolking of van specifieke
groepen daaruit, evenals het voorkůmen en vroegtijdig opsporen van
ziekten onder de bevolking’ (artikel 1, WCPV).
In het kader van gezondheid is de WCPV een belangrijke wet waarmee
alle gemeenten te maken hebben. Op basis van de WCPV dient
de gemeente elke vier jaar een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid
vast te stellen. De belangrijkste implicatie is dat op grond van de
WCPV alle gemeenten een algemeen preventieve taak voor de
gezondheidszorg hebben. Te denken valt aan voorlichting aan jongeren
of vroegsignalering.
Voor huiselijk geweld zijn de gemeentelijke verplichtingen in de
WCPV rond de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ)13 van
belang. In het basispakket (artikel 2.2f) is beschreven wat in elk geval
onder het bevorderen van de OGGZ wordt verstaan:
• het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van
de OGGZ;
• het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen;
• het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging
van crisis bij kwetsbare personen of risicogroepen;
• het bieden van psychosociale hulp bij rampen;
• het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken organisaties
over de uitvoering van de OGGZ. Hiertoe zijn OGGZ-platforms in
het leven geroepen waar huiselijk geweld onderdeel van kan uitmaken;
• preventie van huiselijk geweld (sinds 2002).
22 HUISELIJK GEWELD
12 Deze uitkeringen zullen in de toekomst deel uitmaken van de uitkering op basis
van de Wet maatschappelijke opvang (WMO).
13 OGGZ is de zorg voor mensen die daar zelf niet om vragen, maar die het wel
nodig hebben. Het kan daarbij gaan om preventie, opvang en zorg.
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Iedere Nederlander is via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) verzekerd voor zorg en ondersteuning bij langdurige ziekte,
handicap of ouderdom. Om in aanmerking te komen voor voorzieningen
uit de AWBZ is een indicatiebesluit van het Regionaal
Indicatieorgaan (RIO) nodig. De RIO’s worden per 1 mei 2005 vervangen
door het (vanuit het Rijk georganiseerde) Centrum
Indicatiestelling Zorg (CIZ). Mensen kunnen een indicatie krijgen
voor ťťn of meerdere functies: huishoudelijke verzorging, persoonlijke
verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende
begeleiding, behandeling en verblijf. De functie ‘behandeling en
verblijf’ is van belang voor de aanpak huiselijk geweld. De vrouwenopvang
wordt bijvoorbeeld deels gefinancierd vanuit de AWBZ.
Vooruitblik op de Wet maatschappelijke ondersteuning
Het kabinet heeft besloten tot een nieuw stelsel voor langdurige zorg
en maatschappelijke ondersteuning. Het maakt met de geplande
invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in
2006 een strikt onderscheid tussen ‘zorg’ en ‘maatschappelijke
ondersteuning’. Zorg valt na invoering van de WMO onder de
AWBZ en behelst alleen nog de langdurige zorg voor chronisch zieken,
gehandicapten, chronisch psychiatrische patiŽnten en ouderen.
Maatschappelijke ondersteuning valt straks onder de nieuwe WMO
en gaat over de ondersteuning en begeleiding die het mensen mogelijk
moet maken om volwaardig aan de maatschappij deel te nemen.
Opvangvoorzieningen voor de slachtoffers van huiselijk geweld worden
bijvoorbeeld ondergebracht onder de WMO en bij centrumgemeenten
die hiertoe een doeluitkering ontvangen. Met de nieuwe
WMO kan de gemeente ondersteuning logischer, betaalbaar en
lokaal regelen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de
WMO komt bij de gemeenten te liggen. De structuur en rol van centrumgemeenten blijven gehandhaafd.
Wet op de jeugdzorg
De Wet op de jeugdzorg treedt in 2005 in werking. Deze wet vervangt de Wet op de jeugdhulpverlening. De centrale uitgangspunten
van de wet zijn:
ALGEMEEN KADER 23
• De jongere heeft recht op jeugdzorg op grond van een indicatiebesluit
van het Bureau Jeugdzorg.
• Het Bureau Jeugdzorg verschaft toegang tot de jeugdzorg. Het is
een indicatieorgaan voor de jeugdhulpverlening.
• De vraag staat centraal. Jeugdigen en hun ouders kunnen met alle
opgroei- en opvoedingsproblemen bij het Bureau Jeugdzorg
terecht.
• Afstemming tussen de algemene en preventieve voorzieningen
voor de jeugdigen en de jeugdzorg. Een belangrijk doel van de wet
is het verbeteren van de afstemming tussen de jeugdzorg en het
lokaal preventief jeugdbeleid.
Veel jongeren die slachtoffer zijn van huiselijk geweld doen een
beroep op de jeugdzorg. Het Bureau Jeugdzorg is dan ook een
belangrijke partner in de hulpverlening aan jonge slachtoffers van
geweld in de huiselijke kring. Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling
(AMK), een belangrijke partner in de bestrijding van
huiselijk geweld onder kinderen, valt onder de Wet op de jeugdzorg,
evenals de instellingen voor jeugdhulpverlening en justitiŽle instellingen
voor jongeren.
Stimuleringsmaatregel advies- en steunpunt
Voor het realiseren van een landelijk dekkend netwerk van advies- en
steunpunten huiselijk geweld heeft de Rijksoverheid een naar 2007
oplopend bedrag van € 3 miljoen beschikbaar gesteld. De uitkering is
bestemd voor de oprichting van een nieuw advies- en steunpunt dan
wel de uitbreiding van een bestaand punt. Uiterlijk in januari 2006
moeten de advies- en steunpunten functioneren. Voor een uitgebreidere
beschrijving van de stimuleringsmaatregel verwijzen wij u naar
hoofdstuk 6.
Wetboek van Strafrecht
In het strafrecht biedt artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht de
mogelijkheid tot strafverzwaring als een dader zijn moeder, vader,
partner of kind mishandelt. Strafverzwaring geldt ook als ouders seksuele
handelingen verrichten met hun kind. De maximumstraf voor
24 HUISELIJK GEWELD
eenvoudige mishandeling is verhoogd van twee naar drie jaar gevangenisstraf.
In combinatie met de al genoemde strafverzwaring heeft
dit als gevolg dat de dader ook ‘buiten heterdaad’ kan worden aangehouden
en in voorlopige hechtenis kan worden genomen. Dit biedt
de politie in de toekomst meer mogelijkheden om huiselijk geweld
aan te pakken.
Aanwijzing procureur-generaal14
Het Openbaar Ministerie (OM) beschikt over een bijzonder instrument
dat ingezet kan worden om vanuit het strafrecht zaken van
huiselijk geweld structureel aan te pakken, namelijk ‘de aanwijzing’.
De aanwijzing schrijft voor dat de politie de verdachte terstond aanhoudt
indien sprake is van een redelijk vermoeden van schuld bij een
heterdaadsituatie. Verder worden alle gegevens in een als ‘huiselijk
geweld’ geoormerkt dossier vastgelegd. Het OM zal bewijsbare
huiselijk geweld zaken in beginsel altijd vervolgen.
De aanwijzing schrijft voor hoe gehandeld moet worden in het
opsporen, vervolgen en opleggen van straffen aan daders en stelt
maatregelen voor. Daarmee richten de regels zich dus ook op de
opsporingstaak van de politie. Een landelijk geldende aanwijzing laat
geen ruimte voor afspraken op lokaal of regionaal niveau die afwijken
van de landelijke regels. Dit kan in de praktijk ertoe leiden dat
afspraken die in een regionaal samenwerkingsverband zijn gemaakt
waarbij het Openbaar Ministerie betrokken is, moeten worden bijgesteld.
Een belangrijk onderdeel van deze maatregel is deskundigheidsbevordering
van politie en justitie om de aanwijzing uit te kunnen
voeren.
Een ander belangrijk uitgangspunt van de aanwijzing is dat daderhulpverlening
in een zo vroeg mogelijk stadium wordt geÔntegreerd
in de strafrechtelijke aanpak van huiselijk geweld. Hiermee kan een
langdurig effectieve aanpak worden gerealiseerd. Naast richtlijnen
voor OM en politie ten aanzien van de opsporing en vervolging,
bestaat de aanwijzing uit randvoorwaarden, zoals de benoeming van
contactfunctionarissen bij arrondissementen en lokale werkafspraken
met politie, reclassering en hulpverleningsinstellingen.
ALGEMEEN KADER 25
14 Informatie over de Aanwijzing is te vinden op de website
www.huiselijkgeweld.nl
Elementen van de aanwijzing zijn:
• Regels over de handelwijze van de politie, zoals het opmaken (en
inzenden) van processen-verbaal, arrestatie, voorgeleiding, voorlopige
hechtenis en de (on)mogelijkheden van vervolg.
• Regels over het vastleggen van feiten (dossieropbouw) over het
strafbaar feit, zodat in concrete gevallen maatregelen tot verbalisering
en vervolging kunnen worden genomen. Dit is bijvoorbeeld
informatie over de ernst van de verwondingen, de ernst, frequentie
en duur van de geweldpleging en de eventuele aanwezigheid
van kinderen.
• Regels over de handelwijze bij meldingen en aangiften die afkomstig
zijn van hulpverlenende instellingen.
• Regels over afspraken en communicatie met hulpverlenende
instellingen. Het kan gaan over de wensen en behoeften van het
slachtoffer en over de noodzaak tot en mogelijkheden van daderbegeleiding.
• Specifiek zal in de aanwijzing worden gekeken of het mogelijk is
een voorlopige voorziening te treffen zodat het slachtoffer direct
wordt beschermd tegen de dader (contactverbod).
Tijdelijk huisverbod voor pleger huiselijk geweld
Als zich geweld in de privť-sfeer voordoet, is het niet vanzelfsprekend
dat dader en slachtoffer uit elkaar gaan. Het stoppen van
geweld wordt steeds meer het uitgangspunt. Dat betekent dat niet
volstaan kan worden met maatregelen die erop gericht zijn slachtoffer
en pleger uit elkaar te halen. De realiteit leert immers dat veel
slachtoffers en plegers hun relatie niet willen of kunnen loslaten.
Investeren in het doen stoppen van geweld levert in zulke situaties
meer op dan uitsluitend het opvangen van slachtoffers.
De minister van Justitie stelt een huisverbod voor dat kan worden
opgelegd in crisissituaties waarbij huiselijk geweld dreigt plaats te
vinden, of gevaar dreigt voor leven, gezondheid of vrijheid. Het tijdelijke
huisverbod heeft tot doel de dreiging en onrust in het gezin
te doorbreken, de veiligheid van het slachtoffer en eventueel betrokken
gezinsleden te waarborgen, een adempauze in te lassen en hulp
26 HUISELIJK GEWELD
op gang te brengen voor slachtoffer(s) en pleger. Voor de nieuwe wettelijke
regeling wordt gedacht aan een huisverbod voor een periode
van tien dagen, op te leggen door een hulpofficier van justitie met
instemming van de burgemeester of de officier van justitie. Naar
schatting zal er in 1000 tot 2000 gevallen per jaar een huisverbod
worden opgelegd. De maatregel is nog in voorbereiding.
Grotestedenbeleid15
Sinds 1995 bestaat er grotestedenbeleid (GSB) voor dertig grote steden.
Daarmee wordt de ontstane concentratie van problemen in de
grote steden aangepakt. Tegelijkertijd beoogt het grotestedenbeleid
de steden een extra impuls te geven. Het grotestedenbeleid wordt
voortgezet met een derde periode, die loopt van 2005 tot 2009 (GSB
III).
Om het grotestedenbeleid uit te voeren zal het Rijk in januari 2005
met de steden gerichte resultaatsafspraken maken voor een periode
van vijf jaar. De steden formuleren meetbare resultaten op dertig
zogeheten outputindicatoren. Een van de basisindicatoren is de aanpak
huiselijk geweld. De grote steden hebben hiervoor de volgende
opdracht: het opstellen van een convenant (als zij deze nog niet hebben),
het bijhouden van het aantal meldingen en het opzetten van
een advies- en steunpunt.
11 Wat zijn de kernpunten van het landelijke beleid?
De problematiek van huiselijk geweld is niet nieuw. Wel nieuw is de
manier waarop de overheid ermee omgaat. Stelde zij zich lange tijd
heel terughoudend op, tegenwoordig vindt de overheid dat het probleem
niet meer kan worden afgedaan als een echtelijke ruzie waar
buitenstaanders niets mee te maken hebben. De overheid maakt
beleid dat moet helpen huiselijk geweld aan te pakken.
In de kabinetsnota Privť-geweld – publieke zaak (2002) wordt de
nadruk gelegd op het strafbare karakter van huiselijk geweld.
Huiselijk geweld is dus een gezondheidsprobleem ťn een veilig-
ALGEMEEN KADER 27
15 De dertig gemeenten zijn: Alkmaar, Almelo, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem,
Breda, Den Bosch, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Emmen,
Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo, Leeuwarden,
Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Tilburg,
Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zwolle.
heidsprobleem dat ligt op het snijvlak van zorg en veiligheid. Het
kabinet wil niet alleen werken aan het vergroten van de opvangmogelijkheden,
maar ook aan het bestrijden van het geweld, zoals het
voorkomen van escalaties, het aanpakken van daders in een vroeg
stadium en het terugdringen van recidive. Zij streeft hierbij naar een
intensieve samenwerking tussen overheden en met partijen uit het
veld. Daarnaast is het verspreiden van de boodschap dat huiselijk
geweld onacceptabel is een belangrijk speerpunt in het rijksbeleid.
Kernpunten uit de nota Privť-geweld – publieke zaak
Samenwerking
Toename van het aantal landelijke, regionale en vooral lokale samenwerkingsverbanden.
Gemeenten actief
Een actievere rol van de gemeente. Om dit te bevorderen is het VNGondersteuningsprogramma
ontwikkeld.
Normstelling
Verhogen van het aantal meldingen en aangiftes bij de politie, onder
andere op basis van publiekscampagnes.
Efficiency door effectiviteit
Door een effectiever optreden van politie en OM moet herhaling van
geweld worden teruggebracht. Een maatregel hiervoor is het huisverbod
voor plegers.
Hulp en opvang
De insteek is het verbeteren en uitbreiden van de vrouwenopvang en
uitbreiden van hulp aan daders en systeemgerichte hulpverlening.
Deskundigheid beroepsgroepen
Bevorderen van deskundigheid van beroepsgroepen die direct of
indirect te maken krijgen met huiselijk geweld. Te denken valt aan
huisartsen, leerkrachten in het basisonderwijs, politiefunctionarissen,
medewerkers in de vrouwenopvang of maatschappelijk werk.
28 HUISELIJK GEWELD
Specifieke risicogroepen
Allochtone vrouwen, kinderen en ouderen worden aangemerkt als
specifieke doelgroepen.
Registratie en monitoring
Een verbetering van de registratie bij politie en OM, waardoor beter
zicht ontstaat op de aantallen incidenten en ontwikkelingen in de
aard en omvang van huiselijk geweld.
Voor het realiseren van de maatregelen maakt het kabinet een bedrag
vrij van € 7 miljoen tot 2007. Voor het versterken van de capaciteit in
de vrouwenopvang zet het kabinet een bedrag in dat oploopt tot € 4
miljoen in 2007. Voor de ontwikkeling van een landelijk dekkend
netwerk van advies- en steunpunten trekt het kabinet een bedrag uit
dat oploopt tot € 3 miljoen in 2007.
12 Wat zijn de documenten die iedere beleidsmaker moet
kennen?
Een veilige gemeente (2000)16
Dit boekje beschrijft vuistregels voor gemeenten die beleid willen
maken over seksueel en huiselijk geweld. Achtereenvolgens komen
aan de orde: beschrijving van seksueel en huiselijk geweld, aanknopingspunten
voor gemeentelijk beleid, valkuilen en tips. Deze informatie
wordt afgewisseld met voorbeelden uit gemeenten die al beleid
hebben ontwikkeld op deze terreinen.
Privť-geweld – publieke zaak (2002)17
Deze nota schetst de stand van zaken van het beleid huiselijk geweld.
In de nota zijn vijftig nieuwe maatregelen aangekondigd om het huidige
beleid te verbeteren. Deze maatregelen richten zich op het verbeteren
van de samenwerking en op een andere aanpak van geweld,
waarbij niet alleen aandacht is voor bescherming van slachtoffers,
maar ook voor het stoppen van geweld.
ALGEMEEN KADER 29
16 De veilige gemeente. Vuistregels voor gemeenten die beleid willen maken over seksueel
en huiselijk geweld. L. van Gurp, Utrecht, TransAct, 2000.
17 Privť-geweld – publieke zaak. Een nota over de gezamenlijke aanpak van huiselijk
geweld. Ministerie van Justitie, Den Haag, 2002.
Voortgangsrapportage Privť-geweld – publieke zaak (2003)18
De voortgangsrapportage is een jaarlijkse update en beschrijft de
stand van zaken van de uitvoering van maatregelen die in de nota
Privť-geweld – publieke zaak zijn aangekondigd.
VNG-brochure Aanpak huiselijk geweld (2003)19
In deze pocket voor gemeenten wordt onder meer de relatie gelegd
tussen huiselijk geweld en andere maatschappelijke problemen, de
inbedding van een aanpak huiselijk geweld binnen de gemeentelijke
organisatie en voorbeelden van projecten huiselijk geweld in verschillende
gemeenten.
Inventarisatie stand van zaken aanpak huiselijk geweld (2003)20
Dit rapport geeft de stand van zaken weer van de aanpak huiselijk
geweld bij gemeenten, regiopolitie en Openbaar Ministerie. Er is een
inventarisatie gehouden op basis van de volgende thema’s: beleid,
samenwerking en deskundigheidsbevordering. Het geeft inzicht in
de samenwerkingsrelaties, in de aanwezigheid van deskundigheid
bij de drie actoren en de ontwikkeling van beleid. De inventarisatie
krijgt in 2005 een vervolg op basis van een monitor waarin naast
gemeenten, OM en politie ook de hulpverlening in beeld wordt
gebracht.
Ruimte voor regie. Handreiking voor ketenregie in het openbaar bestuur
(2003)21
Deze handreiking is in het kader van het project ‘Ketenregie’ van het
ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)
geschreven. De handreiking geeft handvatten voor de toepassing van
ketenregie in het sociale domein en inzicht in de activiteiten, rollen
en verantwoordelijkheden van partners in de keten.
30 HUISELIJK GEWELD
18 Privť-geweld – publieke zaak. Voortgangsbericht over de aanpak huiselijk geweld.
Ministerie van Justitie, Den Haag, 2002.
19 Aanpak Huiselijk geweld. Nathalie Assen en Else Kingma, Den Haag,
VNG-SGBO, 2003.
20 Inventarisatie stand van zaken aanpak huiselijk geweld 2003. L. van Lier e.a.,
ES&E in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag 2003.
21 Ruimte voor regie. Handreiking voor ketenregie in het openbaar bestuur.
A.H.E. van der Aa en P.J.T. Konijn. Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, Den Haag, 2003.
Quickscan advies- en steunpunten (2004)22
In deze rapportage worden de resultaten van zeven, inmiddels functionerende
advies- en steunpunten beschreven. Naast de beschrijving
van de advies- en steunpunten zijn ook ervaringen en ideeŽn
van de groep gebruikers zelf opgenomen. De quickscan dient als
basis voor de stimuleringsmaatregel advies- en steunpunten (zie
hoofdstuk 6).
MozaÔek handboek23
In september 2001 is het driejarig project MozaÔek gestart, gericht op
preventie van seksueel geweld en vrouwenmishandeling tegen
Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse vrouwen en de
opvang van deze groep vrouwen met hun kinderen. Het doel van het
project is om bestaande methodieken te beschrijven en te analyseren
en lacunes in kaart te brengen. De meest succesvolle opvang- en preventiemethodieken
zijn in een handboek beschreven. Het MozaÔek
handboek bevat meer dan 25 methodieken die in de praktijk zijn ontwikkeld
door preventiewerkers, vrouwen van zelforganisaties, maatschappelijk
werkers van de vrouwenopvang en andere betrokkenen.
Het handboek bestaat uit vijf delen:
1 basisinformatie;
2 voorlichtingsmethoden;
3 steungroepen;
4 weerbaarheidstrainingen;
5 eerste opvang.
De gegevens van deze documenten zijn opgenomen in de bijlage
Geraadpleegde bronnen. De publicaties zijn te vinden op de websites
www.aanpakhuiselijkgeweld.nl, www.huiselijkgeweld.nl en
www.minbzk.nl (handreiking voor ketenregie).
ALGEMEEN KADER 31
22 Zonder drempels. Quickscan advies- en steunpunten huiselijk geweld. Stichting
Alexander, Amsterdam, in opdracht van het ministerie voor VWS, 2004.
23 MozaÔek handboek, M. Cense, P. Nieuwenhuizen, T. Pauli, B. Steenbergen;
eindred. A. Gort, TransAct, Utrecht, 2004.
32 HUISELIJK GEWELD
2 De rol van de gemeente
13 Wat is regie voeren?
Regie is inmiddels een bekende term die in vele beleidsnota’s terug
te vinden is. Maar wat houdt regie voeren nu eigenlijk in?
Bij regie gaat het om het toekennen en oppakken van verantwoordelijkheden,
om aansturing en om het tot stand brengen van samenwerkingsrelaties.
Het gemeentebestuur is op grond van regelgeving
of op basis van een autonome politieke taakstelling verantwoordelijk
voor de totstandkoming van een bepaald beleid, maar is hiervoor
afhankelijk van de medewerking van een of meer andere actoren.24
Een belangrijk kenmerk van de regierol van gemeenten is dat er geen
sprake is van een hiŽrarchische relatie tussen de betrokken partijen.
Het is een proces waarin de gemeente probeert om diverse partijen
tot samenwerking te brengen en taken te laten uitvoeren. Centraal
uitgangspunt hierbij is het bereiken van gemeenschappelijk te formuleren
doelen en initiatieven. In de samenwerking zijn partijen
onderling van elkaar afhankelijk. Om een instelling tot uitvoerder
van een gemeentelijk beleid te bewegen, zal er meer nodig zijn dan
het onderstrepen van een gezamenlijke visie. Er moet vaak worden
onderhandeld en financiŽle middelen moeten worden ingezet om tot
afspraken te komen.
14 Wat zijn mijn activiteiten als regisseur binnen de aanpak
huiselijk geweld?
De kern van de gemeentelijke regisseursrol bestaat uit de volgende
onderdelen:
1 Bij elkaar brengen van partijen
Gemeenten hebben de taak alle betrokken uit te nodigen voor deelname
aan overleg en dragen de verantwoordelijkheid dit overleg op
te starten. Dit kunnen betrokkenen zijn binnen de gemeente en
DE ROL VAN DE GEMEENTE 33
24 De regiefunctie in gemeenten, preadvies Raad voor het Openbaar bestuur.
S.A.H. Denters e.a. Den Haag, 1999.
externe partners. Voor huiselijk geweld betekent dit dat de gemeente
een overleg initieert met ten minste de kernpartijen en dat zij het
probleem onder de aandacht brengt. Deze kernpartners kunnen
lokaal verschillen, maar over het algemeen zijn dit de politie, de
GGD, vrouwenopvang en het algemeen maatschappelijk werk
(AMW). Het bijeenbrengen van de relevante uitvoerende instellingen
leidt vervolgens tot het maken van samenwerkingsafspraken.
2 Stroomlijnen van communicatie en informatievoorziening
Goed en open overleg is pas mogelijk als alle betrokken partijen over
dezelfde informatie beschikken. Het is de taak van de gemeente zorg
te dragen voor actuele informatie en effectieve communicatie binnen
de samenwerkingsstructuur. Dit betekent niet alleen een goede
informatievoorziening van de gemeente naar de (interne en externe)
partners, maar ook een optimale communicatie tussen de partners
onderling. Bij huiselijk geweld zal de informatieverstrekking zowel
veiligheidsthema’s als gezondheidsthema’s betreffen.
3 Overeenstemming zoeken
Om een goed resultaat te bereiken is het belangrijk dat de betrokken
partijen elkaars belangen kennen. Bij de aanpak huiselijk geweld kan
het bijvoorbeeld voorkomen dat de gemeente, politie en de vrouwenopvang
(op onderdelen) tegenstrijdige belangen hebben. Het is verstandig
de tegenstrijdige belangen zo snel mogelijk te benoemen,
om vervolgens overeenstemming te zoeken op gedeelde belangen.
4 Afstemming realiseren
De gemeente brengt niet alleen partijen bij elkaar, zij richt zich ook
op afstemming van beleid en uitvoering tussen partijen. Het onderhouden
van contacten met regionale instellingen, zoals het
Openbaar Ministerie en instellingen voor de geestelijke gezondheidszorg,
is daar een onderdeel van. Evenals het afstemmen met
andere overlegstructuren en bestuurslagen.
5 Zorg dragen voor sturing
De gemeente legt afspraken vast en zorgt ervoor dat het ondubbel-
34 HUISELIJK GEWELD
zinnig duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is. Het is de verantwoordelijkheid
van de gemeente om te bewaken dat partijen uitvoeren
wat afgesproken is en in te grijpen als dat niet gebeurt. Bij
een terrein als huiselijk geweld, waar zoveel verschillende partners
bij betrokken zijn, vraagt de aansturing een sterke regisseursrol.
Daarnaast stuurt de gemeente de financiering aan om er voor te zorgen
dat de afgesproken acties kunnen worden bekostigd.
6 Evalueren en monitoren
De gemeente neemt het initiatief voor de evaluatie en de monitoring
van het beleid en de uitvoering. Het is daarom belangrijk om in de
afspraken met de uitvoeringsorganisaties een moment vast te leggen
waarop de gemeente en de uitvoeringsinstellingen de voortgang en
het resultaat van het beleid (laten) evalueren.
Op basis van de evaluatie kan de gemeente bepalen of er een nieuw
aanbod ontwikkeld dient te worden, bijvoorbeeld op het terrein van
preventie, opvang of deskundigheidsbevordering.
15 Hoe pak ik als gemeente de regierol op?
Hoe de regierol het best ingevuld kan worden, hangt onder meer af
van de grootte van de gemeente en van wat al ontwikkeld is en (goed)
uitgevoerd wordt op het terrein van huiselijk geweld.
De centrumgemeenten hebben de regietaak voor het beleid en de
instandhouding van de vrouwenopvang (inclusief financiering).25 De
centrumgemeenten krijgen ook steeds meer de regisseursrol toebedeeld
voor de aanpak huiselijk geweld. Het ligt daarbij voor de hand
dat de kleine regiogemeenten een groot deel van de taken rond de
uitvoering van het beleid inzake huiselijk geweld ‘delegeren’ aan de
centrumgemeente. Te denken valt aan de implementatie en monitoring
van projecten, het inrichten van het advies- en steunpunt en het
vormen en onderhouden van een netwerk huiselijk geweld. Zo kan
zij de eigen taken beperken tot het onderhouden van contact met
(met name) lokale instellingen, het financieel ondersteunen van de
centrumgemeente en het informeren van externe organisaties en de
eigen burgers over de gemeentelijke aanpak.
DE ROL VAN DE GEMEENTE 35
25 Er zijn 35 centrumgemeenten aangewezen voor de vrouwenopvang en
43 centrumgemeenten voor de maatschappelijke opvang en verslavingszorg.
Van grote gemeenten, en zeker van de centrumgemeenten, wordt
een totaalbeleid verwacht. Zoals het zorgdragen voor een goed functionerende
frontoffice (zie hoofdstuk 6) en een goed functionerende
backoffice (een sluitende aanpak van huiselijk geweld door politie en
justitie, hulpverlening, onderwijs en buurtwerk). Er is daarbij nog
veel variatie mogelijk in de mate waarin en de manier waarop de
onder vraag 14 geformuleerde onderdelen van de regierol praktisch
worden ingevuld.
Om de regie vorm te geven en uit te voeren wordt doorgaans een
‘regisseur’ aangesteld. Dit kan een ambtelijke of een externe projectleider
huiselijk geweld zijn. Deze kan zijn werk doen vanuit de
gemeente of vanuit een externe organisatie, zoals de GGD. Een
specifiek voor de aanpak huiselijk geweld aangestelde externe projectleider
die vanuit de GGD werkt, is de meest voorkomende invulling
van de regisseursrol. Er zijn vier redenen te noemen waarom de
GGD in aanmerking komt voor de regisseursrol:26
1 De GGD wordt over het algemeen gezien als onafhankelijke partij.
De GGD dient het algemeen belang en heeft minder te maken met
belangenverstrengeling dan andere partijen omdat zij niet de
hulpverlening biedt die de andere instellingen tot hun kerntaken
rekenen.
2 De GGD’en werken, behalve in de grote steden, regionaal, zodat
zij ook de regierol op regionaal niveau kunnen invullen.
3 Door de GGD als regisseur aan te wijzen wordt gebruikgemaakt
van de bestaande bestuursstructuren. De algemene en dagelijkse
besturen van de GGD’en bestaan uit het college van B en W. Via
deze structuur is de relatie met de politiek geregeld.
4 De GGD heeft op basis van de uitvoering van het OGGZ-beleid
belangrijke inhoudelijke aanknopingspunten met huiselijk
geweld.
De regierol van een grote gemeente: Almere27
De politie en de maatschappelijke opvang hebben de gemeente benaderd
voor het ontwikkelen van een integrale aanpak huiselijk geweld.
De gemeente heeft de regie over dit thema ondergebracht bij het
36 HUISELIJK GEWELD
26 Aanpak en preventie van huiselijk geweld, een handreiking voor GGD’en. R. Vink,
Utrecht, 2004.
27 Aanpak huiselijk geweld. Nathalie Assen en Else Kingma, VNG, Den Haag, 2003.
integraal veiligheidsbeleid. De gemeente Almere heeft vervolgens
een projectleider aangesteld die in dienst is van de Dienst
Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente. Deze projectleider
heeft tot taak een aanpak te ontwikkelen voor de hele provincie
Flevoland. De projectleider voert de volgende regietaken uit:
• bewaakt de doelstellingen uit het plan van aanpak;
• heeft de structuur opgezet, waaronder het instellen van werkgroepen;
• ziet toe op het functioneren van de werkgroepen en stuurt waar
nodig bij;
• geeft adviezen over het te voeren beleid;
• zorgt voor draagvlak door middel van het geven van presentaties
over het onderwerp bij zowel interne als externe partners;
• bewaakt de ontwikkeling van het beleid op regionaal niveau;
• is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie van
het project.
De start van een kleine gemeente in regionaal verband: gemeente
Mill en St. Hubert
Mill maakt deel uit van het district Land van Cuijk. Dit Noord-
Brabantse (politie)district bestaat uit vijf gemeenten. Binnen het
driehoeksoverleg van dit district is eind 2002 aandacht gevraagd voor
huiselijk geweld. Er is besloten dat de gemeente Mill c.a. voor deze 5
gemeenten als projectleider zal optreden. Begin 2003 is er gestart
met een brainstormbijeenkomst. Er is vervolgens een werkgroep
huiselijk geweld ingesteld waar, behalve de burgemeester van de
gemeente Mill met ambtelijke ondersteuning, onder andere de politie,
justitie, maatschappelijk werk, Stichting slachtofferhulp, reclassering,
de raad voor de Kinderbescherming, de GGD, geestelijke
gezondheidszorg (GGZ), Bureau Jeugdzorg bij zijn betrokken. Uit
de werkgroep is een aantal overlegvormen voortgekomen. Justitie,
politie en Stichting Slachtofferhulp zijn, onder andere door opgestelde
protocollen over hoe te handelen in diverse situaties, goed op
elkaar afgestemd. De werkgroep is inmiddels elf keer, op vrijwillige
basis, bij elkaar gekomen. Er is een korte startnotitie opgesteld, waarin
de samenstelling en de werkwijze van de werkgroep zijn beschre-
DE ROL VAN DE GEMEENTE 37
ven. De gemeente is voornemens een samenwerkingsconvenant op
te stellen en de samenwerking ook met nog niet aan het overleg deelnemende
partijen uit te breiden. Tevens dient de aandacht voor en de
voorlichting over de problematiek te worden vergroot en dienen de
hulpverleningsprogramma’s beter op elkaar te worden afgestemd.
16 Wat is de ‘ketenbenadering’?
‘Ketenbenadering’ of ‘ketenaanpak’ staat voor: een integrale aanpak
(van huiselijk geweld) met aandacht voor verschillende soorten van
maatregelen, interventies en hulp, voor verschillende doelgroepen,
die door verschillende typen organisaties gezamenlijk moet worden
uitgevoerd.
De ‘ketenregie’, regie op uitvoerend niveau, ligt bij voorkeur nŪťt bij
de gemeente, maar bij een uitvoerende organisatie; het liefst bij een
organisatie die het vertrouwen van alle andere partijen heeft of krijgt.
Maar de gemeente heeft wel een rol ten aanzien van ‘de keten’,
namelijk de regie op beleidsniveau waarbij het erom gaat onderling
overeenstemming te bereiken over gezamenlijke doelen en over
ieders inzet en bijdragen aan het bereiken van het doel. Idealiter
vindt er precieze afstemming plaats tussen de regie op beleidsniveau
(gemeente) en de regie op uitvoerend niveau (een uitvoerende organisatie
zoals de GGD). Soms lopen beide soorten regie niet in hetzelfde
tempo of is er alleen sprake van regie op uitvoerend niveau.
Dan is het zaak ook gezamenlijke sturing op beleidsniveau te ontwikkelen
en een relatie te leggen tussen de sturing op doelen en de
sturing op uitvoering. Dat kan bijvoorbeeld via een stuurgroep die de
koers uitzet en die wordt voorgezeten door de gemeente en een projectgroep
voor de coŲrdinatie van de uitvoerende activiteiten.
17 Uit welke onderdelen bestaat een sluitende aanpak?
Een samenhangende aanpak van huiselijk geweld omvat de functies
preventie, signalering en bescherming, justitiŽle aanpak, hulpverlening
en nazorg. Daarbij is er een specifiek hulpaanbod voor de verschillende
doelgroepen: de slachtoffers van huiselijk geweld, de plegers
van huiselijk geweld en de eventuele kinderen die getuige zijn
(geweest) van het geweld.
38 HUISELIJK GEWELD
Om zo’n sluitende aanpak te realiseren zijn veel verschillende organisaties
nodig: organisaties vanuit de zorgketen, de veiligheidsketen,
de jeugdketen, etc. Die komen niet zonder meer tot ketenafspraken.
Als de belangen verdeeld zijn is bijvoorbeeld doelvervlechting, het
combineren van uiteenlopende doelstellingen in de samenwerking,
een geschikte strategie. Daarbij wordt gekeken welke gemeenschappelijke
doelen er zijn, welke doelstellingen verschillen en op welke
wijze deze uiteenlopende doelstellingen op elkaar kunnen worden
afgestemd. De gemeenschappelijkheid vormt de basis voor het gezamenlijk
uitvoeren van projecten. Het is daarbij van belang dat de
partners niet blijven steken in deze verkennende fase op basis van
steeds diepgaander onderzoek en nog meer overleg. Ketenresultaten
moeten uiteindelijk worden geboekt op het operationele niveau.
18 Hoe geef ik de regierol vorm als er al veel ontwikkeld
is door instellingen als politie, vrouwenopvang of de
GGD?
Als er al beleid en projecten ontwikkeld zijn op het terrein van huiselijk
geweld, kan de gemeente daarop aansluiten. Vaak zijn dit initiatieven
die vanuit de praktijk zijn geÔnitieerd en inmiddels vruchten
hebben afgeworpen. Als eerste activiteit kan de gemeente zorgvuldig
inventariseren wat er al ontwikkeld is, wat er nog ontbreekt en wat
ontwikkeld is maar (nog) niet optimaal wordt uitgevoerd. Op grond
van die analyse kan beleid uitgestippeld worden om aanvullingen en
verbeteringen van het preventie- en hulpaanbod van de grond te krijgen.
Hiervoor moet ambtelijk en bestuurlijk draagvlak worden
bewerkstelligd en is medewerking nodig van de uitvoerders van het
beleid: politie en justitie, hulpverlening, onderwijs en welzijnswerk.
Van daaruit zullen vervolgactiviteiten zich aandienen. Het is nooit zo
dat de gemeente niets hoeft te doen omdat de uitvoerende organisaties
het zo goed doen met elkaar. De inmiddels lopende projecten
dienen binnen het gemeentelijk beleidskader te passen en niet als
‘losse’ initiatieven naast elkaar te fungeren. De typische regietaken
kunnen namelijk niet uitgevoerd worden door de vrouwenopvang of
de politie. Die laatste twee zijn vaak de belangrijkste aanjagers van
het beleid.
DE ROL VAN DE GEMEENTE 39
Hoe is de aanpak van huiselijk geweld opgezet in de gemeente
Delft?
De gemeente Delft is vanaf 2001 op basis van een bestuurlijke
opdracht bezig met de aanpak van huiselijk geweld. Bij de aanpak is
het veld intensief betrokken. Er is eerst gekeken wat er al is ontwikkeld
door de partners. Zo was de politie al bezig een justitiŽle aanpak
te ontwikkelen en had zij de wens daar een hulpverleningstraject op
aan te laten sluiten. De zorginstellingen vrouwenopvang en maatschappelijk
werk waren inmiddels bezig een sluitende aanpak huiselijk
geweld op te zetten. Vanwege de complexiteit van de problematiek
en de veelheid aan partners hebben deze instellingen de
gemeente benaderd en gevraagd de regierol op zich te nemen.
In 2001 heeft de gemeente een actieplan ontwikkeld samen met de
belangrijkste instellingen (AMW, GGZ, GGD, vrouwenopvang en
politie). Het actieplan bevat vier punten:
• vroegtijdige signalering en hulp;
• voorlichtingsactiviteiten gericht op signaleren en bespreekbaar
maken;
• het oprichten van een advies- en steunpunt;
• samenwerking en afstemming.
In oktober 2003 hebben de partijen een samenwerkingsovereenkomst
getekend, waarin afspraken zijn vastgelegd. De samenwerkende
instellingen en de gemeente participeren in een netwerkoverleg.
Het advies- en steunpunt in de gemeente draait inmiddels.
Momenteel werkt de gemeente aan uitbreiding van het steunpunt in
de regio en aan de invoering van casemanagement. Daarnaast organiseert
de gemeente voorlichtingsbijeenkomsten voor een aantal
relevante beroepsgroepen die gegeven worden door voorlichters die
zijn getraind door TransAct.28
Ook besteedt de gemeente speciale aandacht aan huiselijk geweld
onder allochtone groepen. Er worden bijvoorbeeld voorlichtingsbijeenkomsten
georganiseerd voor allochtonen waarin het thema huiselijk
geweld aan de orde wordt gesteld. Er is een aparte werkgroep
allochtonen in het leven geroepen, waarin sleutelfiguren uit de
allochtone gemeenschappen zitting nemen.
40 HUISELIJK GEWELD
28 TransAct is het Landelijk Expertisecentrum voor seksespecifieke zorg en aanpak
huiselijk en seksueel geweld.
Voor de aanpak huiselijk geweld is een coŲrdinator aangesteld voor
twee dagen in de week gedurende een periode van twee jaar. De coŲrdinator
zit onder andere het overleg op uitvoeringsniveau voor. Dit
overleg is ingesteld om zicht te krijgen op de daadwerkelijke effectiviteit
van het beleid en op de knelpunten in de praktijk. Uit dit overleg
blijkt dat huiselijk geweld breed wordt gedragen door de instellingen.
De coŲrdinator zit ook in het overleg Integraal
Veiligheidsbeleid (IVB), waardoor de lijn met het IVB gewaarborgd
blijft.
19 Hoe krijg ik ambtelijk draagvlak?
Een stevige basis voor commitment en samenwerking tussen verschillende
ambtelijke afdelingen en diensten wordt alleen gelegd als
de betreffende ambtenaren de probleemanalyse en de doelen onderschrijven.
Daarvoor is in de eerste plaats communicatie en overtuiging
nodig. In de tweede plaats zijn er de praktische randvoorwaarden
waaraan voldaan moet worden.
In de praktijk blijkt het niet zo moeilijk te zijn om medeambtenaren
te overtuigen van de ernst van het probleem van huiselijk geweld en
de noodzaak van een effectieve aanpak. Daarvoor zijn inmiddels
genoeg – zorgwekkende – cijfers en feiten voorhanden. Wat moeilijker
is, is ambtenaren te overtuigen dat de gemeente hierin een centrale
rol moet vervullen. Vooral kleine gemeenten die kampen met een
breed takenpakket voor een relatief smalle personeelsbezetting en
gemeenten waarbinnen politie en hulpverlening al redelijk veel ontwikkeld
hebben en dat goed uitvoeren (‘het loopt hier allemaal al
goed’), zien niet direct de noodzaak van een gemeentelijke regierol.
In dat geval is het nodig om heel precies de lacunes in het beleid aan
te geven. Bijvoorbeeld waar het gaat om preventie van huiselijk
geweld, bescherming en hulp aan kinderen uit gezinnen waar relatiegeweld
voorkomt, mogelijkheden voor buren e.d. om huiselijk
geweld te melden en nazorg aan gezinnen die behandeld zijn.
Soms zorgen ook signalen uit het veld voor de ontwikkeling van
draagvlak bij de ambtelijke afdelingen. Als van verschillende kanten
DE ROL VAN DE GEMEENTE 41
partijen aangeven dat huiselijk geweld een probleem is binnen hun
eigen werkveld, dan zullen de betreffende beleidsafdelingen eerder
overtuigd raken dat een aanpak huiselijk geweld noodzakelijk is.
20 Hoe krijg ik bestuurlijk draagvlak?
Net als voor ambtelijk draagvlak geldt voor bestuurlijk draagvlak dat
de ernst van het probleem (cijfers en feiten over deze vorm van criminaliteit,
maatschappelijke kosten van huiselijk geweld) een goede
ingang kan zijn tot bestuurlijk commitment. Ook een ernstig incident
in de gemeente leidt in de praktijk nogal eens tot bestuurlijke
activiteit.29
Verder wordt er tussen nu en 2006 een landelijk dekkend netwerk
van advies- en steunpunten huiselijk geweld opgezet, waardoor de
druk op gemeenten om te zorgen voor een goede aanpak van huiselijk
geweld zal toenemen. Daarnaast zijn argumenten in te brengen
als de toenemende publieke aandacht voor huiselijk geweld (onderwerp
van publieke debatten, veel media-aandacht), de grote aandacht
en middelen van de landelijke overheid voor huiselijk geweld, de
vele, goede initiatieven van soortgelijke gemeenten en de toenemende
aandacht voor huiselijk geweld binnen politieke partijen. Het is
ook mogelijk huiselijk geweld als speerpunt op te nemen in een
gezondheidsenquÍte30 onder burgers of in een peiling over leefbaarheid
en veiligheid in de gemeente.31
Tips voor intern draagvlak
• CreŽer een opening bij een (betrokken) collega die affiniteit heeft met het
onderwerp. Als er geen enkele belangstelling vanuit de interne
organisatie is of veel weerstanden zijn is het ontwikkelen van
draagvlak een pittig proces.
• Zoek overeenkomsten in visie en werkwijze. De terreinen zorg/welzijn
en veiligheid kijken verschillend tegen de inhoud van huiselijk
geweld aan. Zij krijgen andere input uit het veld en hebben verschillende
visies op de problematiek. Ook kunnen beleidsmedewerkers
veiligheid een andere aanpak voor ogen hebben dan de
collega’s zorg/welzijn, wat voortkomt uit een andere manier van
42 HUISELIJK GEWELD
29 In de gemeenten Haarlem en Zwijndrecht (voorlopers) vormden incidenten
huiselijk geweld met een dodelijke afloop de aanleiding om beleid te ontwikkelen.
30 Voorbeelden zijn gezondheidsenquÍtes in Walcheren, Haarlem en Drenthe.
31 Voorbeelden zijn leefbaarheid- en veiligheidspeilingen in Rotterdam en Tilburg.
werken. Focus je op raakvlakken en overeenkomsten en probeer
tot een werkwijze te komen die aansluit bij de eigen werkwijze en
bij de manier van werken van het veld.
• Werk aan bewustwording. Zijn collega’s of het bestuur bewust van
het belang van het onderwerp? En realiseren zij zich dat huiselijk
geweld in iedere gemeente voorkomt, dus ook in de eigen
gemeente?
• Benut de juiste momenten. De tijd moet rijp zijn om sleutelfiguren
over de streep te trekken. Er kan een aanleiding zijn (bijvoorbeeld
een tragisch incident), waardoor het snel gebeurt, maar soms is
het goed een geduldige weg te bewandelen. Houd daarbij wel de
voortgang in de gaten.
• Wees je bewust van de randvoorwaarden. Het is belangrijk te weten
welke afdeling probleemeigenaar is van een deel van de aanpak,
zodat een afdeling niet een probleem oplost dat bij een collegaafdeling
hoort te liggen. De probleemeigenaar dient zich hiervan
bewust te zijn en dient hierop aangesproken te worden. Een andere
randvoorwaarde is grip hebben op de sturing. Bij huiselijk
geweld gaat het om veel partijen en veelal om een ingewikkelde
organisatiestructuur. Bij een goede sturing kan de gemeente
onderdelen wegzetten bij de instellingen en erop toezien dat zij
hiervoor verantwoordelijkheid nemen.
• Leg verbindingen tussen de draagvlakontwikkeling onder verschillende
geledingen. Het gaat hierbij om het verbinden van de verschillende
vormen van draagvlak, zoals draagvlak onder het intern bestuur,
onder collega’s, onder directies van instellingen of onder uitvoerende
medewerkers van instellingen.
21 Hoe krijg ik draagvlak bij ‘het veld’?
Over het algemeen zijn de instellingen die direct te maken hebben
met (de gevolgen van) huiselijk geweld, zoals de vrouwenopvang,
algemeen maatschappelijk werk of de politie, overtuigd van de noodzaak
voor een stevige aanpak. De bereidheid tot samenwerking is dan
ook in ruime mate aanwezig. In enkele gemeenten is zelfs een instelling
initiatiefnemer die andere partijen, waaronder de gemeente,
DE ROL VAN DE GEMEENTE 43
erbij betrekt. Voor het betrekken van partners bij wie huiselijk
geweld minder duidelijk op het netvlies staat, zoals huisartsen of het
onderwijs, is meer overtuigingskracht nodig. Het gaat dan niet alleen
om het erkennen van het probleem, maar ook om het herkennen
ervan, wat voorafgaat aan erkenning. Wat over het algemeen goed
werkt is insteken op meerdere niveaus, namelijk op het bestuurlijk,
directie-, beleids- of uitvoerend niveau. De portefeuillehouder kan
huiselijk geweld in een overleg met bestuurders van potentiŽle partners
aan de orde stellen, terwijl op beleidsniveau een beleidsmedewerker
gezondheidsbeleid kan aanschuiven bij een ambtelijk overleg
van diezelfde partner. Zo landt het onderwerp op meerdere niveaus
en is de kans groter dat huiselijk geweld een speerpunt wordt binnen
het beleid van de partner.
Een andere mogelijkheid is het inschakelen van het netwerk van collega’s
die contacten hebben met verschillende instellingen. Zo kan
bijvoorbeeld de beleidsmedewerker onderwijs zijn contacten bij de
scholen gebruiken om huiselijk geweld onder de aandacht te brengen.
De beleidsmedewerker jeugdbeleid heeft regelmatig contact
met het Bureau Jeugdzorg. Deze contacten kunnen functioneel zijn
en worden ingezet voor het ontwikkelen van draagvlak.
Tips voor het ontwikkelen van draagvlak bij het veld
• Bepaal als gemeente de strategie en denk aan de volgende vragen:
- welke partners heb ik nodig?
- waarom heb ik deze partners nodig?
- welke bijdrage kunnen ze leveren?
- welke visie hebben zij op een aanpak huiselijk geweld?
- welke kansen en bedreigingen zijn er?
- wat zijn de (on)mogelijkheden als je de partijen bij elkaar zet?
• Benader partners individueel en roep daarna een netwerk in het
leven.
• Bewaak de continuÔteit bij de partners. Vůůraf dient helder te zijn
wie verantwoordelijkheid draagt voor welke organisatie. Door personeelswisselingen
kan het draagvlak bij de betreffende partner
verminderen, vooral als een vertegenwoordiger van een instelling
44 HUISELIJK GEWELD
de enige is die zich met het onderwerp huiselijk geweld bezighoudt.
Zowel de persoon als de functie is belangrijk voor het benaderen
van een partner. Maak de instelling verantwoordelijk voor
continuÔteit en inbedding van de aanpak huiselijk geweld binnen
de eigen organisatie.
• Zorg ervoor dat de partner zich ervan bewust is dat zij de gemeente
iets te bieden heeft en dat zij vanuit haar specifieke expertise een
belangrijke bijdrage levert aan het beleid. Bij sommige partners
lijkt dat vanzelfsprekend (politie, AMW, GGD), bij andere partners
is dat minder duidelijk (bijvoorbeeld huisartsen of onderwijsinstellingen).
• Zet het bestuur in voor draagvlakontwikkeling bij het veld. Het
werkt om de aftrap hoger in te zetten, bijvoorbeeld door een wethouder
of burgemeester. Dan ontstaat er een kerngroep met strategische
mensen met bestuurlijke bevoegdheid en kan er een vervolg
komen met een uitvoeringstraject.
22 Hoe leg ik het gemeentelijke beleid vast?
Sommige gemeenten hebben huiselijk geweld vastgelegd in een
beleidsnota/-notitie en/of een plan van aanpak. De volgende onderdelen
zijn in de nota’s terug te vinden:
• een definitie en omschrijving van het probleem ‘huiselijk geweld’;
• gemeentelijke en regionale feiten en cijfers over huiselijk geweld
(politiegegevens, gegevens van zorginstellingen, gegevens uit
bevolkingsonderzoek);
• (SMART-)doelstellingen,32 doelgroepen en beoogde resultaten van
het gemeentelijke beleid huiselijk geweld;
• de verantwoordelijkheden en rolopvatting van de gemeente;
• de (beoogde) samenwerkingspartners (relevante afdelingen binnen
de gemeenteorganisatie en externe organisaties) en de taakverdeling
daartussen;
• de (beoogde) samenwerkingsrelaties (wat, met wie, hoe);
• de informatie- en communicatiemiddelen;
• de monitor- en evaluatiemiddelen;
• het stappenplan (wat, wanneer, hoe, door wie).
DE ROL VAN DE GEMEENTE 45
32 SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en
Tijdgebonden.
Het is overigens niet de enige optie om als gemeente een beleidsnota
huiselijk geweld te schrijven. Het is ook mogelijk om de bestaande
nota van de regio of de provincie tot uitgangspunt te nemen en
daar een specifiek gemeentelijk plan van aanpak van af te leiden. Het
is ook mogelijk om samen met de regiogemeenten een nota of een
plan van aanpak te schrijven of om huiselijk geweld als beleidsthema
op te nemen in de veiligheidsnota of in de gezondheidsnota.
23 Hoe bepaal ik prioriteiten?
Het bepalen van de prioriteiten hangt af van de uitgangssituatie.
Sommige gemeenten of regio’s staan aan het begin van het ontwikkelen
van beleid, andere gemeenten hebben inmiddels de beleidsuitgangspunten
op papier en zitten in de uitvoeringsfase. Enkele aanbevelingen
voor het aanwijzen van prioriteiten zijn:
1 Kies (ook) voor een knelpunt dat binnen afzienbare tijd tot een
merkbare verbetering kan leiden.
2 Kies (ook) voor prioriteiten op het terrein van de uitvoering (preventie,
signalering en bescherming, hulpverlening en nazorg)
naast prioriteiten op het terrein van visie, afstemming, communicatie
en samenwerking.
3 Zorg voor enig evenwicht in het lijstje van prioriteiten wat betreft:
- gemakkelijk te realiseren doelstellingen naast belangrijke maar
moeilijk te realiseren doelstellingen;
- financieel moeilijk liggende zaken zoals preventie naast financieel
gemakkelijker te realiseren zaken zoals een advies- en
steunpunt huiselijk geweld, waar middelen voor beschikbaar
zijn;
- kortetermijndoelstellingen naast middellangetermijndoelstellingen.
De keuze van de prioriteiten wordt doorgaans mede bepaald door in
gesprek te gaan met betrokken partijen (politie, AMW, vrouwenopvang)
en te horen wat de knelpunten in de praktijk zijn.
46 HUISELIJK GEWELD
24 Hoe monitor en evalueer ik het beleid?
Monitoring en evaluatie zijn vaste onderdelen van elke beleidscyclus.
Om huiselijk geweld beleid te monitoren en te evalueren kunnen
bestaande ‘algemene’ instrumenten gebruikt worden en meer op het
thema toegespitste instrumenten.
De twee mogelijkheden zijn:
1 De nul- en eindmetingsmethode: het uitvoeren van een nulmeting
van registratiegegevens van instellingen of gegevens uit burgerpeilingen
bij de start van het beleid huiselijk geweld.33 De eindmeting
vindt plaats na afronding van het project of na een van tevoren
bepaalde beleidsperiode. Hierbij kan het gaan om kwantitatief
meten, zoals registratiegegevens van de politie en/of zorginstellingen,
gegevens uit bevolkingsonderzoek of de scores van een tevredenheidsonderzoek
onder cliŽnten. Voorbeelden van kwalitatief
meten zijn kwalitatieve gegevens over de behandeling van plegers,
slachtoffers en getuigen van huiselijk geweld, kwalitatieve gegevens
over de samenwerking tussen politie, justitie, zorg, welzijn,
onderwijs en gemeente of kwalitatieve gegevens over de mate
waarin sprake is van een optimale ketenaanpak.
2 Gebruikmaken van een bestaand monitor- en/of evaluatie-instrument,
zoals de periodieke GezondheidsenquÍte, de Politiemonitor,
de Jeugdmonitor of de GSB-monitor. Een specifiek op het
onderwerp toegespitst instrument is de Vrouwenveiligheidsindex.
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet op dit
moment (2004) in enkele gemeenten een proef met een lokale
Vrouwenveiligheidsindex (VVI). Met dit instrument krijgen
gemeenten meer inzicht in seksespecifiek geweld. Op basis daarvan
kunnen zij beleid ontwikkelen, onderbouwen en meetbaar
maken. De VVI meet in eerste instantie alleen geweld tegen vrouwen.
Voor de VVI wordt onderzoek gedaan onder de (lokale) bevolking
met behulp van speciaal ontwikkelde interviews en enquÍtes.
Het is de bedoeling in een latere fase ook geweld tegen kinderen
en mannen te monitoren. De proef met de VVI loopt in Rotterdam,
Haarlem, Tilburg, de gemeentelijke cluster Middelburg,
DE ROL VAN DE GEMEENTE 47
33 Op de website www.aanpakhuiselijkgeweld.nl staat een nulmeting huiselijk
geweld, ontwikkeld door SGBO. Deze nulmeting is bedoeld om de beginsituatie
van de aanpak huiselijk geweld bij gemeenten in kaart te brengen.
Vlissingen en Veere, en in 57 gemeenten in de provincie Limburg.
Daarnaast is een stedelijke monitor OGGZ in ontwikkeling die
ook bruikbare informatie kan opleveren voor de stand van zaken
met betrekking tot huiselijk geweld.34
GezondheidsenquÍte in Walcheren (Middelburg, Vlissingen en
Veere)
In 1999 is de nota gezondheidsbeleid in Walcheren geschreven op
basis van het Lalonde-model. Voor het opstellen van de nota is een
reeks gesprekken gevoerd. In deze gesprekken is aangegeven dat
huiselijk geweld een speerpunt zou moeten zijn in de nota. De volgende
stap was het opnemen van vragen over huiselijk geweld in de
gezondheidsenquÍte voorafgaande aan de nieuwe nota. Uit deze cijfers
blijkt dat 7% van de bevolking te maken heeft met huiselijk
geweld.
De regio Walcheren is pilotgemeente in de Vrouwenveiligheidsindex.
Ten behoeve hiervan is in 2004 een uitgebreidere enquÍte verstuurd.
Deze cijfers laten zien dat 8% van de inwoners op Walcheren
(= 9.000) te maken heeft met huiselijk geweld; waarvan 30% eenmalig
en 600 mensen bijna dagelijks. 40% Van de slachtoffers zegt
geen behoefte te hebben aan hulp. Diegenen die daaraan wel behoefte
hebben, noemen vooral deelname aan lotgenotengroepen. Dit zou
kunnen betekenen dat slachtoffers minder heil zien in hulpverlening
dan in contacten met lotgenoten. Via een campagne zou dit beeld
kunnen worden omgevormd.
De gemeente is blij dat zij over deze cijfers beschikt. Om het bestuur,
de collega ambtenaren en de partners van de noodzaak van een aanpak
huiselijk geweld te overtuigen zijn landelijke cijfers veelal niet
meer toereikend. Lokale en regionale cijfers zijn dan zeer welkom.
48 HUISELIJK GEWELD
34 Het Trimbos-instituut is bezig met de Stedelijke Monitor OGGZ waar tien centrumgemeenten
aan deelnemen.
3 De keuze en betrokkenheid van
relevante partners
25 Tot welke beleidsterreinen hoort huiselijk geweld?
Huiselijk geweld zit op een snijvlak van meerdere beleidsterreinen
van de gemeente, te weten veiligheid, gezondheid en welzijn/maatschappelijke
opvang (MO). Bij veiligheid is er het integraal veiligheidsbeleid
(IVB), waarbinnen huiselijk geweld een belangrijk speerpunt
is. In verschillende gemeenten is op basis van het IVB een
goedwerkende structuur opgezet en zijn er voldoende overlegsituaties.
De politie en het Openbaar Ministerie zitten al met de gemeente
om de tafel in het driehoeksoverleg. Daarnaast is veiligheid nu een
belangrijk politiek thema, waarvoor ook extra financiŽle middelen
beschikbaar worden gesteld.
Voor het gezondheidsbeleid is de openbare geestelijke gezondheidszorg
(OGGZ) in het kader van de WCPV van belang. Een van de verplichtingen
voor de OGGZ in de WCPV is het bereiken en begeleiden
van kwetsbare groepen. In verschillende regio’s zijn er OGGZnetwerken
opgezet, al dan niet op basis van een convenant.
De raakvlakken van huiselijk geweld met het welzijnsbeleid liggen
vooral in de uitvoering van de maatschappelijke opvang. De centrumgemeenten
maatschappelijke opvang zijn verantwoordelijk voor
voldoende aanbod en stellen daarvoor een regiovisie maatschappelijke
opvang op.
26 Vanuit welk beleidsterrein dient huiselijk geweld te
worden opgezet?
Omdat huiselijk geweld onder verschillende beleidsterreinen valt, is
een intersectorale aanpak noodzakelijk. Het is dan ook belangrijk om
een trekker (coŲrdinator) aan te wijzen. Het maakt niet uit welk
beleidsterrein de coŲrdinatiefunctie krijgt toebedeeld; de lokale
omstandigheden beÔnvloeden vaak deze keuze. Het is hierbij van
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 49
belang dat het coŲrdinerend beleidsterrein de andere terreinen erbij
betrekt. Daarnaast is het van belang een projectondersteuner aan te
stellen voor de uitvoering van taken en projectgebonden activiteiten.
Het al ontwikkelde gemeentelijk beleid, de reeds bestaande projecten
en de betrokkenheid van ambtenaren/bestuur zijn enkele factoren
die de keuze van de trekkersrol bepalen.
Een soms doorslaggevende factor voor de keuze is de inhoudelijke
betrokkenheid van een ambtenaar of wethouder. Deze ambtenaar of
portefeuillehouder pakt de regierol op en brengt het thema huiselijk
geweld onder binnen het ‘eigen’ beleidsterrein. Om tot een goede
afstemming te komen tussen de verschillende beleidsterreinen, is
een betrokken trekker een groot voordeel. Let wel op een evenwicht
tussen persoonlijke betrokkenheid en professionele afstand; huiselijk
geweld is namelijk een emotioneel beladen onderwerp.
Bestaande projecten huiselijk geweld kunnen tot een automatische
keuze leiden. In verschillende regio’s in Nederland zijn al projecten
huiselijk geweld opgestart door bijvoorbeeld de politie of de vrouwenopvang
(VO). Als de politie al een samenwerkingsverband heeft
opgezet, ligt het voor de hand dat dit samenwerkingsverband de trekker
is. Als de VO reeds projecten over de aanpak huiselijk geweld
heeft opgestart, zal de afdeling welzijn binnen de gemeente vaak het
aanspreekpunt zijn.
In enkele gemeenten wordt integraal beleid bevorderd door themagericht
werken. Huiselijk geweld is een van de thema’s binnen het bredere
thema samenleving. Een andere mogelijkheid is om het onderwerp
eindverantwoordelijkheid te maken van de afdeling
Bestuurszaken en de uitvoering onder te brengen bij Veiligheid en
Welzijn.
Het komt nogal eens voor dat gaandeweg het proces het coŲrdinatorschap
wordt overgedragen aan een andere beleidsafdeling. De
aanwezigheid van voldoende personele capaciteit op een afdeling, de
financieringsmogelijkheden van de betreffende afdeling, de betrok-
50 HUISELIJK GEWELD
kenheid van de portefeuillehouder bij het onderwerp of de mogelijkheden
voor structurele inbedding binnen bestaand beleid zijn factoren
die een overdracht beÔnvloeden.
Het is echter niet zo dat als er een trekker is aangewezen, de overige
betrokkenen geen taken meer hebben. Alle beleidsterreinen blijven
hun verantwoordelijkheden op hun terrein behouden en blijven probleemeigenaar
op deelgebieden van de aanpak huiselijk geweld.
De invalshoek jeugd in de gemeente Doetinchem en de regio
Achterhoek
Huiselijk geweld is een belangrijk speerpunt van het Integraal
Veiligheidsbeleid in de gemeente Doetinchem. Voordat de gemeente
zich is gaan bezighouden met dit onderwerp hadden verschillende
externe partijen (GGD, Raad voor de Kinderbescherming, GGNet,
politie etc.) al hiervoor initiatief genomen. Er draait al enige tijd het
project Huiselijk Geweld Achterhoek waarbij de gemeente
Doetinchem ťťn van de trekkers is. Het project richt zich op slachtoffer
en dader. De positie van kinderen krijgt hierbij nadrukkelijke
en specifieke aandacht. Het kind is immers weer de ouder van de
toekomst. Huiselijk geweld heeft ook een plek gekregen in het jeugdnetwerk
in de Achterhoek waarin provincie, gemeenten en de bij jongeren
betrokken partijen vertegenwoordigd zijn.
De gemeente werkt aan regionalisering van de aanpak huiselijk
geweld in de regio Achterhoek. Er is inmiddels een intergemeentelijke
stuurgroep huiselijk geweld in het leven geroepen met de burgemeester
van de gemeente Neede als voorzitter. Deze stuurgroep
bestaat verder uit wethouders, GGD, GGNet, Bureau Jeugdzorg,
Maatschappelijk Werk en de politie. Er wordt gewerkt met deeltrajecten,
waarvoor coŲrdinatoren zijn aangesteld. De stuurgroep ziet
toe op de inhoudelijke afstemming tussen de deeltrajecten.
De invalshoek veiligheid in Uden en Veghel
Huiselijk geweld is in deze twee gemeenten een van de veiligheidsthema’s
en op de politieke agenda gebracht vanuit de Districtelijke
Driehoek. Aanvankelijk leefden bij deze gemeenten vragen over de
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 51
regierol van de gemeenten, maar sinds het verschijnen van de nota
Privť geweld – publieke zaak, is daar meer inzicht in verkregen. De
gemeente Uden heeft, met de drie andere gemeenten in hetzelfde
politiedistrict een plan van aanpak geschreven. Hierin staat beschreven
dat de gemeenten zich onder andere zullen gaan richten op registratie,
het advies- en steunpunt en op de daderaanpak. Op dit
moment worden voorkomende gevallen van huiselijk geweld in het
zogenoemde vierhoeksoverleg afgehandeld. In dit vierhoeksoverleg
hebben zitting: AMW, slachtofferhulp, politie en OM.
27 Hoe stimuleer ik de interne samenwerking?
Er zijn geen algemene richtlijnen voor het opzetten en stimuleren
van interne samenwerking tussen de beleidsterreinen. Wel kunt u
rekening houden met de volgende aandachtspunten:
• Zorg voor draagvlak, ga uit van een gedeelde problematiek.
Draagvlak is een kwestie van bereidheid, oordeelsvorming, beeldvorming
ťn besluitvorming. Politieke bereidheid is idealiter raadsbreed.
• Stel een coŲrdinator aan die aanspreekpunt is.
• Zet afspraken concreet op papier. Met name ook de taak- en functieomschrijvingen
van functionarissen en werkgroepen en laat ze
ondertekenen door bestuurscommissies.
• Zorg gelijk voor financiŽle afspraken. Ga bij budgetvorming in principe
uit van de totale periode. Als dat niet lukt, probeer dan zo concreet
mogelijk aan te geven welke resultaten nodig zijn voor vervolgfinanciering.
• Bepaal wie geÔnformeerd moet worden en ook welke informatie
voor wie interessant is. Zorg voor een goede communicatie, bijvoorbeeld
door een e-mailcirkel op te zetten.
• Besteed aandacht aan procesmanagement (mensen erbij houden) en
persoonlijke contacten.
• Bouw expliciete go/no go-beslissingen of evaluaties in. Dit onder
meer om het draagvlak te behouden.
52 HUISELIJK GEWELD
Communicatie in West-Brabant
In het project ‘STOP huiselijk geweld West-Brabant’ zijn communicatie
en procesmanagement twee belangrijke onderdelen. Zo wordt
maandelijks een nieuwsbrief verspreid. De nieuwsbrief gaat naar
ongeveer 160 personen.
Verder heeft de projectleider aan de start van het project een kennismakingsronde
gehouden bij de handtekeningzetters (van de samenwerkingsovereenkomst
in juni 2003) van de organisaties en instellingen
die in het project participeren. Daarnaast is er een werkconferentie
voor beleidsambtenaren georganiseerd, is de projectleider bij
de gemeenten langs geweest en zijn de wethouders geÔnformeerd in
het Portefeuillehoudersoverleg Volksgezondheid.
28 Waarom moet de gemeente samenwerking tussen en
met andere organisaties stimuleren?
Organisaties van binnen en buiten de overheid zijn zich gaan realiseren
dat zij huiselijk geweld niet allťťn kunnen bestrijden. Politie,
OM, reclassering, vrouwenopvang en andere hulporganisaties zullen
moeten samenwerken. De praktijk leert echter dat niet alle spelers
rond de aanpak van huiselijk geweld op de hoogte zijn van de rol van
andere spelers.
De gemeente kan samenwerking met en tussen instellingen initiŽren,
omdat de samenwerking vooral lokaal tot stand moet komen. De
samenwerking heeft tot doel om situaties van huiselijk geweld zo
vroeg mogelijk te leren signaleren en daar vervolgens adequaat mee
om te gaan. In steeds meer gemeenten is er daarom een samenwerkingsoverleg
(netwerkoverleg) en worden samenwerkingsafspraken
vastgelegd.
Voor de samenwerking tussen de verschillende organisaties is het
van belang om uit te gaan van een gedeelde problematiek en eigen
verantwoordelijkheid. Het voorschrijven van zogenaamde voorschriften
voor betrokken organisaties werkt in de praktijk meestal
niet. Toch zullen er geregeld visieverschillen blijven bestaan, omdat
instellingen ook een eigen belang hebben. Let er dus goed op vanuit
welk perspectief gesprekspartners kijken.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 53
29 Wie zijn de kernpartners in de aanpak van huiselijk
geweld en welke rol hebben zij?
Er zijn vele organisaties bij de aanpak van huiselijk geweld betrokken.
De kernpartners zijn: de GGD, AMW, vrouwenopvang, politie,
OM, AMK en Bureau Jeugdzorg. Hieronder worden de belangrijkste
taken per organisatie beschreven.
GGD
De GGD (Gemeentelijke, Gemeenschappelijke of Gewestelijke
Gezondheidsdienst) is de belangrijkste uitvoerder van het lokale
gezondheidsbeleid. GGD Nederland is de landelijke koepelorganisatie
van alle gemeentelijke en gewestelijke gezondheidsdiensten in
Nederland.
De GGD draagt bij aan de bevordering en bewaking van de gezondheid
van de gehele bevolking en vervult een belangrijke rol in de uitvoering
van preventieve gezondheidszorg, gericht op groepen met
specifieke risico’s. Naast preventie kan de GGD ook andere taken uitvoeren,
bijvoorbeeld het organiseren van netwerken of de uitvoering
van een meldpunt.
De organisatie en de activiteiten van de GGD verschillen van regio tot
regio. Enkele GGD’en zijn een stedelijke GGD, maar de meeste
GGD’en zijn regionaal georganiseerd. In de praktijk blijkt dat er
grote verschillen zijn in de relaties tussen de gemeente en de GGD.
In het algemeen hebben grotere gemeenten het idee dat ze meer
invloed hebben op de GGD dan de kleinere gemeenten. Maar ook de
regiogrootte van de GGD is van invloed: gemeenten die onder een
kleine GGD vallen (met een kleiner werkgebied), hebben vaak een
directere relatie met de GGD dan gemeenten die onder een grote
GGD met een groot werkgebied vallen.
In sommige regio’s is de regierol voor de aanpak huiselijk geweld
gedelegeerd aan de GGD. De projectleider huiselijk geweld is dan bijvoorbeeld
in dienst van de GGD. De regio’s die het projectleiderschap
hebben ondergebracht bij de GGD, dienen ervoor te waken dat
de aanpak huiselijk geweld verankerd is en binnen het gemeentelijk
54 HUISELIJK GEWELD
beleid blijft. In regionaal verband komt het voor dat de GGD, als
secretaris van het regionaal bestuurlijk overleg, huiselijk geweld
rechtstreeks agendeert en daarmee de beleidsregie van de gemeenten
overneemt. In dit kader is het voor gemeenten belangrijk zich
bewust te zijn van de lijnen tussen de GGD en het regionaal bestuur.
Naast het coŲrdinatorschap en alle taken die daarbij horen (projectleiding,
opzetten netwerk, ontwikkelen van een visie, het formuleren
van doelen en aanwijzen van doelgroepen), heeft de GGD preventietaken
op het gebied van huiselijk geweld, zoals signaleren, doorverwijzen
en het bevorderen van deskundigheid van de uitvoerende
medewerkers. De rol en mogelijkheden van de GGD in de aanpak en
preventie van huiselijk geweld zijn beschreven in een handreiking
die in 2004 is verschenen.35
De GGD in Arnhem
De gemeente Arnhem is in maart 2003 begonnen met de structurele
aanpak van huiselijk geweld. De aanpak is een prioriteit in het
OGGZ-convenant, dat samenwerkende partijen hebben afgesloten.
De aanpak is een voortzetting van het traject dat de politie in gang
gezet heeft. De betrokken partijen hebben gekozen voor een groeimodel.
Hulpverlening Gelderland Midden (GGD Arnhem) heeft een
coŲrdinerende functie. Bij HGM zijn twee casemanagers aangesteld
met een hulpverleningsachtergrond. De casemanagers hebben een
werkplek bij HGM en bij het Arnhemse Veiligheidshuis. Zij werken
nauw samen met de politie, omdat zij de meldingen van de politie als
uitgangspunt nemen voor vervolgstappen in de hulpverleningsketen.
Op deze manier houden de casemanagers zicht op de aard en
omvang van de meldingen. Daarnaast werken zij aan de sluitende
aanpak tussen de justitiŽle en zorgketen en signaleren lancunes in de
aansluiting. Zij proberen hiervoor, in samenwerking met de betrokken
organisaties, oplossingen te zoeken.
Het algemeen maatschappelijk werk
Door de brede maatschappelijke oriŽntatie en de laagdrempelige
functie36 is het algemeen maatschappelijk werk (AMW) een kern-
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 55
35 Aanpak en preventie van huiselijk geweld. Een handreiking voor GGD’en. R. Vink,
Utrecht, 2004.
36 Het AMW is een eerstelijnsvoorziening.
partner in de aanpak van huiselijk geweld. Er zijn ruim 150 instellingen
voor het AMW met bijna 800 locaties. Maatschappelijk werk
biedt hulp bij problemen op drie gebieden: psychisch, relationeel
en/of materieel. De hulp kan algemeen, voor iedereen zijn, maar
zich ook richten op een specifiek probleem van ťťn of enkele personen.
Het AMW biedt direct toegankelijke psychosociale en sociaaljuridische
hulpverlening aan mensen die door uiteenlopende problemen
en gebeurtenissen in een situatie terechtkomen, die hun draagkracht
te boven gaat en waarbij onvoldoende steun in hun omgeving
voorhanden is.
Het AMW helpt mensen zelf een methode te vinden om met de problemen
om te gaan of ze op te lossen. Onder andere door individuele
gesprekken, maar ook door verwijzing naar andere hulpverlenende
instanties, crisishulp en groepswerk. Vaak is een periode van drie
tot vijf maanden voldoende om de mensen zelfstandig verder te laten
gaan.
Het AMW kenmerkt zich door:
• het bevorderen van psychosociale zelfredzaamheid, door middel
van begeleiding en behandeling, op basis van de eigen verantwoordelijkheid
van de cliŽnt;
• het verschaffen van toegang tot gespecialiseerde zorg- en welzijnsvoorzieningen
en tot publieke informatie en voorzieningen;
• bemiddeling en belangenbehartiging naar personen en instanties.
Bij het AMW waren de wachtlijsten behoorlijk hoog. Om daar wat aan
te doen, heeft de overheid extra geld beschikbaar gesteld. Daarvan zijn
onder meer extra maatschappelijk werkers aangenomen.
De rol van het AMW in Barendrecht
In het kader van het emancipatiebeleid is het projectplan ‘Aanpak
geweld binnen de huiselijk kring’ in Barendrecht uitgevoerd gedurende
een periode van een jaar (2002-2003). Dat project hield o.a. in
een inventarisatie van de problematiek onder de partners, het om de
tafel krijgen van de partners en een cursusaanbod aan de betrokken
56 HUISELIJK GEWELD
organisatie ten behoeve van deskundigheidsbevordering. Er is een
projectgroep huiselijk geweld ingesteld en een plan van aanpak opgesteld.
Het project Huiselijk Geweld wordt voortgezet gedurende twee jaar,
waarvoor een externe projectleider wordt aangesteld. Het praktische
coŲrdinatorschap is bij de instelling voor Algemeen Maatschappelijk
Werk ondergebracht en wordt gefinancierd vanuit (reserve)middelen
van het AMW en vanuit gelden voor Openbare Veiligheid.
De gemeente wil een Centraal Meldpunt oprichten en deze onderbrengen
bij de uitvoeringsorganisatie van het AMW. Deze organisatie
is 24 uur bereikbaar en beschikt over een crisisdienst. Het meldpunt
heeft tot doel de meldingsmogelijkheden binnen Barendrecht
te verbeteren, het ontwikkelen en stroomlijnen van hulpverleningsmogelijkheden
voor slachtoffers en plegers en de meldingsbereidheid
van slachtoffers, plegers, getuigen en hulpverleners te vergroten.
Er zullen specifieke afspraken worden gemaakt voor de meldingen
van huiselijk geweld in de gemeente Barendrecht. Het is de
bedoeling op termijn aan te haken bij een regionaal advies- en steunpunt.
Vrouwenopvang
Vrouwenopvang (VO) biedt opvang aan vrouwen en kinderen die
slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Naast hulpverlening is er voor
de medewerkers een belangrijke rol weggelegd op het gebied van signalering
en voorlichting. Vrouwenopvang kijkt ook naar andere
mogelijkheden om de veiligheid te vergroten. Daarbij kan gedacht
worden aan weerbaarheidstrainingen voor de vrouw en een hulpverleningstraject
voor de kinderen. Daarnaast stelt de vrouwenopvang
haar expertise ter beschikking in de regio om te komen tot een sluitende
regionale aanpak.
De vrouwenopvang doet of draagt zorg voor een samenhangend aanbod
aan vrouwen die zich aanmelden. Dit aanbod is gericht op het
stoppen van het geweld. De vrouwenopvang biedt naast residentiŽle
opvang vormen van (ambulante) hulp en/of schakelt anderen in. Het
aanbod van de VO kan bestaan uit:
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 57
a een specifiek hulpaanbod voor mishandelde vrouwen;
b een specifiek hulpaanbod voor kinderen die getuige zijn geweest
van geweld;
c een specifiek hulpaanbod voor plegers van geweld.
De rol van de vrouwenopvang in Utrecht
Het advies- en steunpunt ‘een veilig huis in Utrecht’ is in 1998 in
gang gezet door de vrouwenopvang en de politie. De projectfase heeft
4 jaar geduurd met als eindproduct het Zorgprogramma relationeel
geweld. In januari 2002 is het advies- en steunpunt gestart.
De kern van het advies- en steunpunt is:
• vroegtijdige signalering;
• stoppen van geweld en voorkomen van herhaling;
• normstellend handelen naar daders;
• gedegen opvang en verwijzing (sociale kaart inzichtelijk maken
voor alle participanten);
• registratie en inzicht in de aard en omvang van huiselijk geweld en
opvangmogelijkheden;
• laagdrempeligheid en 24-uurs bereikbaarheid.
Het advies- en steunpunt is aangehaakt bij de vrouwenopvang. Voor
Utrecht was dit op dat moment de meest logische keuze, omdat het
initiatief voor een aanpak huiselijk geweld is genomen door de vrouwenopvang
en de politie. De frontoffice wordt gevormd door een
team van hulpverleners die in dienst zijn van de vrouwenopvang. De
backoffice wordt gevormd door de programmacoŲrdinator, de casemanager-
consulent, een medewerker registratie/documentatie, de
samenwerkende organisaties binnen de stuurgroep (managementniveau)
en aandachtsfunctionarissen (middenkader).
Aanvankelijk waren de geldstromen voor de vrouwenopvang en het
advies- en steunpunt huiselijk geweld gebundeld. Dit bleek niet handig,
omdat niet duidelijk was welke middelen waarvoor bestemd zijn.
Het geld voor het advies- en steunpunt huiselijk geweld komt nu
geoormerkt binnen.
58 HUISELIJK GEWELD
Politie
De politie wordt vaak als eerste aangesproken over een situatie van
huiselijk geweld. De politie heeft niet alleen een strafrechtelijke maar
ook een hulpverlenende taak. Deze laatste taak is heel belangrijk
omdat de politie 24 uur per dag bereikbaar is.
De rol van de politie is:
• Bij melding van huiselijk geweld gaat de politie altijd naar de
plaats van het delict.
• Bij een strafbaar feit wordt de pleger (verdachte) aangehouden en
indien mogelijk vervolgd.
• Het slachtoffer wordt gemotiveerd aangifte te doen.
• Ook als er bij strafbare feiten geen aangifte wordt gedaan, kan de
politie de dader ambtshalve vervolgen.
Sinds enige tijd is er een landelijk netwerk huiselijk geweld binnen
de politieorganisatie actief. Hiervoor zijn in alle politiedistricten portefeuillehouders
huiselijk geweld aangewezen. Zij zijn er onder
meer verantwoordelijk voor dat er een beleidsplan aanpak huiselijk
geweld binnen de politie wordt opgesteld voor ‘de driehoek’. Ook
moeten zij ervoor zorgen dat er afspraken worden gemaakt voor de
samenwerking met het OM en de gemeenten. Hiervoor zijn in veel
gevallen convenanten opgesteld. In 21 van de 25 politiedistricten is
de bestrijding van huiselijk geweld als prioriteit aangewezen.37 De
portefeuillehouders hebben ook taken op het gebied van deskundigheidsbevordering
ten behoeve van verschillende doelgroepen binnen
het politieapparaat, zoals meldkamerpersoneel en wijkteams. Een
van de onderdelen van deskundigheidsbevordering is het herkennen
van huiselijk geweld.
Inmiddels is per 1 januari 2003 op initiatief van de Raad van Hoofdcommissarissen
een landelijk project gestart. In dit project wordt de
voortgang van de politieaanpak van huiselijk geweld gemonitord, een
aanbod voor deskundigheidsbevordering uitgewerkt en worden stappen
gezet om binnen de politieorganisatie binnen enkele jaren te
komen tot een eenduidig registratiesysteem voor huiselijk geweld
zaken.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 59
37 Privť-geweld – publieke zaak. Voortgangsbericht over de aanpak van huiselijk
geweld. Ministerie van Justitie, Den Haag, 2003.
Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie (OM) zorgt voor opsporing en vervolging
van verdachten van strafbare feiten. De rechter kan bijvoorbeeld een
taakstraf opleggen waarbij de pleger van huiselijk geweld verplicht
een hulpverleningsprogramma volgt. Ook kan het opleggen van een
straatverbod een maatregel zijn die de rechter kan opleggen. Het OM
speelt dus een belangrijke rol bij de vervolging van de pleger.
In elk arrondissement wordt een officier van justitie als contactfunctionaris
aangewezen die werkafspraken vastlegt met politie en reclassering.
Tevens ziet de contactfunctionaris toe op een voortvarende
aanpak van huiselijk geweld zaken door het parket. Samen met de
reclassering inventariseert hij de mogelijkheden voor daderbehandeling.
De functionaris zorgt ook voor systematische registratie.
Het Openbaar Ministerie speelt bij huiselijk geweld pas een rol op
het moment dat er aangifte is gedaan. Soms wordt het OM wel
betrokken bij meldingen van huiselijk geweld, bijvoorbeeld door
hulpverlenende instanties. Dit werkt in de praktijk vaak positief. Bij
overleg in een vroeg stadium tussen de betrokken instanties kunnen
de mogelijkheden van verdere aangifte en vervolging worden bekeken
en kan voor de meest effectieve aanpak in dat concrete geval worden
gekozen.
Op 1 april 2003 is de Aanwijzing huiselijk geweld van het OM in werking
getreden. In deze aanwijzing wordt het beleid van OM en politie
beschreven ten aanzien van de opsporing en vervolging van
geweld dat wordt gepleegd in de huiselijke kring van het slachtoffer.
De aanwijzing heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het stoppen
van huiselijk geweld, onder meer door het vergroten van de aangiftebereidheid
van slachtoffers. De notitie, opgesteld door het College
van Procureurs-Generaal, geeft aanwijzingen voor de samenwerking
tussen OM, politie en reclassering en voor dossieropbouw, daderaanpak
en slachtofferhulp. De Aanwijzing huiselijk geweld staat uitgebreider
beschreven onder vraag 10.
60 HUISELIJK GEWELD
Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)
Het AMK is de centrale instantie voor het vragen van advies over of
het melden van kindermishandeling. Elke provincie en grootstedelijke
regio heeft haar eigen Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.
Het AMK heeft (in tegenstelling tot het advies- en steunpunt huiselijk
geweld) een bevoegdheid om actie te ondernemen op grond van
een melding.
Het AMK geeft (meestal telefonisch) advies aan iedereen, die zich
zorgen maakt over een bepaald kind en daarbij denkt aan kindermishandeling.
Meestal vertellen mishandelde kinderen of degene die
hen mishandelt niet uit zichzelf over de situatie. Voor hen is het van
groot belang dat mensen in hun omgeving de mishandeling opmerken
en er iets aan doen.
Het AMK wijst mensen de weg naar de hulpverlening en zorgt
ervoor dat de hulp ook echt op gang komt. Het AMK verleent zelf
geen hulp. Het AMK ontvangt meldingen van vermoedens van kindermishandeling.
Deze worden nader onderzocht. Lijkt er inderdaad
wat aan de hand te zijn, dan stuurt het AMK uiterlijk binnen 6
weken bericht aan de ouders. Zij worden uitgenodigd voor een
gesprek. Het doel van dit gesprek of van meerdere gesprekken is, de
ouders te motiveren hulp te accepteren bij de problemen in de
opvoeding. Als dat lukt schakelt het AMK de hulpverlening in. Lukt
het niet om de ouders daartoe te bewegen, dan sluit het AMK de zaak
ook af, maar draagt deze over aan de Raad voor de Kinderbescherming.
Die heeft mogelijkheden om ouders te dwingen tot
hulp of kan andere maatregelen treffen om het kind te beschermen.
Nadat het AMK een zaak heeft afgesloten krijgt de melder bericht
over de afloop.
Bureau Jeugdzorg
Het Bureau Jeugdzorg verschaft toegang tot de jeugdzorg. Het is een
indicatieorgaan voor de jeugdhulpverlening. Alle vragen en aanmeldingen
betreffende jeugdhulpverlening verlopen via Bureau
Jeugdzorg. Het is een plaats waar kinderen, ouders, verzorgers,
opvoeders naartoe kunnen voor informatie, advies of hulpvragen.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 61
Ook alle mensen die beroepshalve werken met jeugd zoals het maatschappelijk
werk, het welzijnswerk, het onderwijs, politie en justitie
kunnen voor informatie, advies en/of hulp bij Bureau Jeugdzorg
terecht.
De kerntaak van het Bureau Jeugdzorg is het beoordelen van het verzoek
om hulp en indiceren voor de juiste zorg. Het bureau stelt vast
ůf de cliŽnt in aanmerking komt voor zorg en zo ja voor welke vorm
van hulpverlening. Bij de indicatie bekijkt het Bureau Jeugdzorg ook
altijd of gezinscoaching nodig is. Jeugdzorg verleent in de regel zelf
geen zorg.
Bureau Jeugdzorg stelt de indicatie voor de volgende vormen van
Jeugdzorg:
• zorg aangeboden door een zorgaanbieder die de provincie betaalt;
• jeugd geestelijke gezondheidszorg (GGZ);
• een plaats in een justitiŽle inrichting;
• op termijn de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen.
Er zijn 99 vestigingen van Bureau Jeugdzorg in Nederland.
30 Welke andere partners zijn betrokken bij de aanpak
huiselijk geweld?
De Raad voor de Kinderbescherming
De Raad voor de Kinderbescherming is onderdeel van het ministerie
van Justitie en heeft als taak kinderen te beschermen als de lichamelijke
en/of geestelijke ontwikkeling gevaar loopt. De Raad wil de
rechten zoals beschreven in het Verdrag van de rechten van het Kind,
waarborgen. Het kind komt hierbij altijd op de eerste plaats.
De Raad is geen hulpverleningsinstantie. Hij onderzoekt de aard van
de bedreiging en hoe deze kan worden weggenomen. Medewerkers
van de Raad gaan niet met het gezin aan de slag om problemen op te
lossen. Wel zoeken zij uit welke vorm van hulp het beste is voor
ouders en kind, en zorgen zij ervoor dat die hulp op gang komt.
Verder kan de Raad de rechter vragen om een kinderbeschermingsmaatregel.
62 HUISELIJK GEWELD
Reclassering Nederland
Reclassering Nederland38 is een zelfstandige stichting die bijna volledig
wordt gesubsidieerd door het ministerie van Justitie. De reclassering
heeft verschillende taken, waaronder voorlichting geven aan
bijvoorbeeld de rechterlijke macht, taakstraffen uitvoeren, maar ook
vroeghulpbezoeken afleggen helemaal aan het begin van een traject
(als een verdachte vastzit in de politiecel). Verder voert Reclassering
Nederland ook een groot aantal zogenaamde reÔntegratieprogramma’s
uit om mensen voor te bereiden op een bestaan zonder criminaliteit.
Om alle taken goed uit te kunnen voeren onderhoudt de
reclassering goede contacten met al haar partners in de strafrechtketen.
De reclassering kan de mogelijkheid van daderbehandeling voorleggen.
De reclassering zal (zeker als de kans op recidive groot is) het
OM vragen om dat tijdens de rechtszitting in haar eis mee te nemen.
De rechter beslist uiteindelijk of aan de eis gehoor wordt gegeven.
Als daderbehandeling wordt toegewezen, houdt de reclassering toezicht
op de naleving van de gestelde bijzondere voorwaarde(n).
Slachtofferhulp
Slachtoffers en mensen uit hun directe omgeving kunnen ondersteuning
krijgen van de bureaus Slachtofferhulp. Deze bureaus bieden
naast emotionele steun ook juridische en praktische hulp. Bij
Slachtofferhulp werken voornamelijk getrainde vrijwilligers.
Daderbehandeling
De forensische psychiatrische zorg heeft een behandelaanbod
beschikbaar voor de plegers van huiselijk geweld. Daders kunnen er
vrijwillig terecht, maar ook in het kader van een strafrechtelijk traject,
toegewezen door het OM. Indien mogelijk en wenselijk worden
hun partners en kinderen bij de behandeling betrokken. De behandeling
is vooral gericht op het voorkomen of reguleren van agressie
en op gedragsverandering.
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 63
38 Verslavingsreclassering en reclassering Leger des Heils zijn aparte organisaties.
Onderwijsinstellingen
Onderwijsinstellingen, met name het basis- en voortgezet onderwijs,
krijgen vooral met huiselijk geweld te maken in de sfeer van signalering
en verwijzing. Scholen worden meestal in een later stadium
betrokken bij het beleid huiselijk geweld en worden dan ook niet aangemerkt
als kernpartners. Toch zijn zij een belangrijke schakel wanneer
het gaat om het signaleren van de gevolgen van huiselijk geweld
bij kinderen. Veel scholen hebben zorgteams. Dit is een netwerk
waarin doorgaans de schoolarts, schoolmaatschappelijk werker,
mentoren en de leerplichtambtenaar zitting nemen. De meeste zorgteams
bespreken ook casuÔstiek. Huiselijk geweld komt steeds vaker
op de agenda van de zorgteams.
Met betrekking tot de signalering van huiselijk geweld zijn ook ziekenhuizen,
huisartsen (verenigd in de Districts Huisartsen
Vereniging (DHV)), consultatiebureaus en de Thuiszorg belangrijke
partners. Daderhulpverlening wordt steeds vaker door GGZ-instanties
opgezet (bijvoorbeeld de Waag). Andere mogelijke samenwerkingspartners
zijn thuiszorg, FIOM, verslavingszorg (voormalig consultatiebureau
voor alcohol en drugs (CAD), welzijnsorganisaties,
zelforganisaties minderheden, fysiotherapeuten, dierenartsen en
telefonische hulpdiensten.
31 Wat is de taakverdeling tussen politie en hulpverlening
bij huiselijk geweld?
De eerste opvang van slachtoffers (en plegers) is erg belangrijk. De
politie zet vaak de eerste stap, maar het is van groot belang dat de
hulpverlening in een vroeg stadium bij situaties van huiselijk geweld
wordt betrokken. Kort na het geweldsdelict blijken betrokkenen het
meest ontvankelijk voor hulp van buitenaf. Dat moment biedt kansen
voor de hulpverlening aan het slachtoffer, voor het bereiken van
de pleger voor het aanbieden van daderbehandeling, maar ook voor
het eventueel starten van juridische procedures. De dwang en drang
die uitgaat van de politie vergroot de mogelijkheden om vanuit de
hulpverlening de dader te benaderen.
64 HUISELIJK GEWELD
Wat is de rol en inbreng van de politie en wat is de rol en inbreng van
hulpverleners bij de aanpak van huiselijk geweld? Voor de partners
in de hulpverlening staat buiten kijf dat naast probleemsignalering
vooral de eerste (crisis)interventie tot de taak van de politie behoort.
Dit vanwege het daarmee verbonden, lastig van tevoren exact in te
schatten gevaarsaspect, waarvoor de politie nu eenmaal beter is toegerust.
Feitelijke hulpverlening en nazorg zijn in principe de primaire
taken van de (reguliere) hulpverlening.
De praktijk blijkt echter weerbarstig. Hoewel de samenwerking tussen
politie en (hulpverlenings)partners in toenemende mate wordt
neergelegd in convenanten en protocollen, wat de effectiviteit ten
goede komt, houdt men zich daar niet (altijd) even consequent aan.
Politiemensen zijn actiegericht, vaak zeer betrokken bij sociaal-maatschappelijke
problemen en springen in waar gaten vallen. Soms zijn
dit gaten die hulpverleningsinstellingen zouden moeten opvullen en
niet de politie. De hulpverleningsinstanties vinden dat de politieinbreng
in principe beperkt moet blijven tot crisisinterventie of acute
hulpverlening.
32 Hoe breng ik verschillende partners met elkaar in
contact?
Een van de taken uit de WCPV is dat gemeenten de lokale partijen
dienen te stimuleren tot het maken van afspraken op het OGGZ-terrein.
Een convenant OGGZ is een middel om met verschillende partijen
afspraken te maken over de zorg voor kwetsbare mensen. Maar
ook andere vormen van samenwerking zijn mogelijk, bijvoorbeeld
een (bestuurlijk) platform of intergemeentelijk portefeuillehoudersoverleg.
Denk hierbij ook aan uw veiligheidspartners.
Er zijn enkele tips te geven voor het bij elkaar brengen van partners:
• Inventariseer eerst de gewenste gesprekspartners en de reeds
bestaande overlegstructuren.
• Start met een gezamenlijke bijeenkomst. Zorg dat het onderwerp
goed onder de aandacht wordt gebracht om zo het draagvlak te vergroten.
In de startbijeenkomst kan bijvoorbeeld een bevlogen
DE KEUZE EN BETROKKENHEIDVAN RELEVANTE PARTNERS 65
spre(e)k(st)er een inleiding verzorgen of kan middels een voorstelling
het onderwerp worden toegelicht.
• Benadruk de gezamenlijk gedeelde problemen en hoe daar gezamenlijk
oplossingen voor kunnen worden gevonden.
• Blijf continu het draagvlak in de gaten houden (zie voor draagvlak
ook de vragen 19, 20 en 21).
• Maak onderscheid tussen bestuurlijke overlegstructuren, overleg
op beleidsniveau en overleg op uitvoerend niveau (bijvoorbeeld
casuÔstiekbesprekingen).
• Mogelijk is het raadzaam om twee verschillende overlegbijeenkomsten
te creŽren: een klein overleg (met de kernpartners) en
een groot overleg (met alle partners). Het klein overleg kan vaker
bij elkaar komen. Zorg wel dat de partners uit het groot overleg op
de hoogte worden gehouden.
• Realiseer van tevoren dat samenwerking veel tijd kost.
• Zorg voor heldere communicatie en duidelijke afspraken.
66 HUISELIJK GEWELD
4 Samenwerken
33 Met welke overlegbijeenkomsten en netwerken dien ik
rekening te houden?
Regionaal college
Het regionaal college vormt het algemeen bestuur van het politiekorps.
Het bestaat uit de burgemeesters van de gemeenten in de
regio en de hoofdofficier van justitie. De voorzitter is de korpsbeheerder,
de burgemeester van de centrumgemeente in de regio. Het
regionaal college stelt jaarlijks de formatie, de begroting, de jaarrekening,
de meerjarenraming en het beleidsplan voor het regiokorps
vast. De ‘regionale beheersdriehoek’ gaat primair over het beheer en
het functioneren van het korps. Hierin hebben de korpsbeheerder,
de hoofdofficier van justitie en de korpschef zitting.
Regionaal bestuurlijk overleg van wethouders
Zowel op het terrein van veiligheid als van zorg en welzijn vindt er
regionaal overleg plaats tussen de wethouders in de regio. In beide
typen overleggen komt huiselijk geweld aan de orde en worden
afspraken gemaakt over de aanpak huiselijk geweld op regionaal
niveau.
Driehoeksoverleg
Per politieregio bestaat er een driehoeksoverleg, waarin de korpsbeheerder
(vaak de burgermeester van de grootste gemeente), de hoofdofficier
van justitie en de korpschef van de regiopolitie overleg voeren
over ontwikkelingen, beleid en resultaten. In dit driehoeksoverleg,
maar ook in ander overleg met de politie en het OM, kunnen
afspraken worden gemaakt over de aanpak van huiselijk geweld.
Integraal Veiligheidsoverleg
Voor het uitwerken van het Integraal Veiligheidsbeleid hebben verschillende
gemeenten een Integraal Veiligheidsoverleg (IVO) inge-
SAMENWERKEN 67
steld. Het IVO-overleg kan bestaan uit deelnemers met een beleidsen
financiŽle verantwoordelijkheid op bestuurlijk niveau zoals de
burgemeester en de wethouders, uit deelnemers op directieniveau,
zoals brandweercommandant, politiechef en directeur van een
woningbouwcorporatie of andere (semi-)overheidsinstellingen en
deelnemers op beleidsniveau. Het doel van het integraal veiligheidsoverleg
is problemen integraal aan te pakken en op het niveau waarop
besluiten worden genomen. Huiselijk geweld is regelmatig een
agendapunt binnen het IVO.
OGGZ-netwerken
In verschillende regio’s zijn er OGGZ-netwerken opgezet, al dan niet
op basis van een OGGZ-convenant. In het landelijk convenant
OGGZ worden drie samenwerkingsverbanden onderscheiden:
• een politiek-bestuurlijk platform;
• een samenwerkingsverband dat gericht is op de uitvoering;
• een samenwerkingsverband dat gericht is op de financiering.
In een politiek-bestuurlijk platform geven overheid, ziektekostenverzekeraars,
uitvoerders en signaleerders rekenschap van de OGGZproblematiek
(vangnet- en preventiefunctie). Een samenwerkingsverband
dat gericht is op de uitvoering is verantwoordelijk voor een
gecoŲrdineerd optreden bij acute situaties en voor het uitvoeren van
projecten. Ten minste de GGD en GGZ maken deel uit van dit type
samenwerkingsverband. Huiselijk geweld kan onderwerp van
gesprek zijn in dit samenwerkingsverband. Het derde type samenwerkingsverband
is tussen de gemeente (of samenwerkende
gemeenten) en zorgverzekeraars over de financiering van de inzet
van de OGGZ-taken. Financiering van projecten huiselijk geweld
kan daarbij ook onderwerp van overleg zijn.
OGGZ/MO en aanpak huiselijk geweld in Tiel en omstreken
De stuurgroep OGGZ/MO is de initiator geweest voor het op de
agenda zetten van huiselijk geweld. Om zicht te krijgen op de stand
van zaken van de aanpak huiselijk geweld in Tiel heeft de gemeente
een onderzoek laten uitvoeren. Uit dit onderzoek kwam naar voren
68 HUISELIJK GEWELD
dat een regionale aanpak nodig is. Op basis hiervan is in maart 2004
een bestuurlijke conferentie georganiseerd door de stuurgroep
OGGZ/MO en de gemeente Tiel met als doel het creŽren van politiek
en bestuurlijk draagvlak op regionaal niveau. Deze conferentie was
bedoeld voor wethouders Volksgezondheid en Zorg, burgemeesters,
raadsleden en ambtenaren Volksgezondheid, ambtenaren Integrale
Veiligheid en de diverse bij huiselijk geweld betrokken partners. Op
deze conferentie is er een vervolgopdracht geformuleerd, waarin
regionalisering van de aanpak een belangrijke rol speelt.
Een gevolg van de conferentie is dat er al enige tijd een casuÔstisch
overleg plaatsvindt tussen de verschillende partners. Daarnaast is de
stuurgroep samen met de gemeente Nijmegen aan het bekijken hoe
een advies- en steunpunt huiselijk geweld opgezet kan worden. In
samenspraak met de gemeente Nijmegen is de stuurgroep zich ook
aan het oriŽnteren op een functie van een projectleider.
De gemeente Tiel heeft huiselijk geweld als volgt ingebed:
Stuurgroep OGGZ/MO (9 gemeenten)
Projectgroep
Werkgroepen (waaronder huiselijk geweld)
Jeugdnetwerken
In verschillende gemeenten zijn in het kader van lokaal jeugdbeleid
jeugdnetwerken actief. In deze netwerken participeren instellingen
die veel met jongeren te maken hebben, zoals het AMK, scholen,
leerplichtambtenaar, Bureau Jeugdzorg, politie en de GGD. In dit
overleg kunnen afspraken worden gemaakt over hoe gehandeld dient
te worden bij jongeren die slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Dit
overleg is veelal casusgericht.
SAMENWERKEN 69
34 Kan ik aansluiten bij bestaande samenwerkingsverbanden?
Het opnemen van huiselijk geweld in bestaande samenwerkingsverbanden
gebeurt al in verschillende regio’s. Soms maakt huiselijk
geweld deel uit van meerdere netwerken op het terrein van veiligheid
en zorg. Het voordeel is dat deze netwerken al draaien, dat de partners
elkaar kennen en weten wat ze van elkaar kunnen verwachten.
Een traject van aftasten en afstemmen is dan niet meer nodig. Het
nadeel van deze constructie is dat het onderwerp huiselijk geweld te
versnipperd raakt over verschillende netwerken en daarbij wordt
ondergesneeuwd. Het is dan een van de vele onderwerpen die op de
agenda staan van het betreffende netwerk en krijgt daarom misschien
weinig prioriteit.
Het oprichten van een speciaal netwerk huiselijk geweld heeft als
voordeel dat u alleen met partners om de tafel zit die te maken krijgen
met huiselijk geweld. De deelnemers hebben dit onderwerp in
hun takenpakket en hebben een zekere kennis en deskundigheid
opgebouwd, waardoor zo gericht mogelijk overleg kan worden
gevoerd. Ook kan een verdieping plaatsvinden in de afstemming en
werkwijze. Het nadeel is dat er weer een nieuw netwerk wordt opgericht,
wat extra tijd en capaciteit kost van de instelling. De aanwezigheid
van veel netwerken in een regio kan ertoe leiden dat de partners
keuzes moeten maken. Sommige gemeenten kiezen ervoor om in de
(intensieve) fase van beleidsontwikkeling een apart netwerk in het
leven te roepen om deze later in te bedden in een bestaand netwerk.
Huiselijk geweld als onderdeel van bestaande netwerken in Zuid-
Oost Friesland
In Zuid-Oost Friesland (Friese Wouden) zijn in het verleden zorgnetwerken
ontwikkeld, waarin de preventieve insteek centraal staat.
Deze netwerken zijn een aantal jaren geleden geÔnitieerd door de
samenwerkende gemeenten in die regio vanuit de beleidsvelden MO,
verslavingsbeleid en VO. In deze netwerken worden meldingen
huiselijk geweld, ook vanuit andere instellingen, zoals politie,
besproken.
70 HUISELIJK GEWELD
In de regio Zuid-Oost Friesland is ervoor gekozen gezinsproblematiek
als insteek te nemen en huiselijk geweld daarin te integreren.
Huiselijk geweld is daardoor geÔntegreerd in de regionale zorgnetwerken
(social teams) die recent zijn opgezet. De gemeente
Leeuwarden is sinds 2003 voor de gehele provincie centrumgemeente.
Daarnaast is in Noord-Nederland het project Thuisfront opgezet
rond huiselijk geweld. In Thuisfront werken Groningse, Friese en
Drentse instellingen samen om geweld tussen ex-partners te stoppen
en te voorkomen. De werkwijze heet: eerste hulp bij huiselijk geweld
tussen ex-partners. De projectleiding van Thuisfront heeft de ideeŽn
uitgedragen binnen alle gemeenten op basis van voorlichting. Het
project Thuisfront is nu beŽindigd en zal structureel ingebouwd worden
in bestaande netwerken. De ontwikkelde methodiek is overgenomen
en fungeert vervolgens als ‘backoffice’ voor het binnenkort in
te richten advies- en steunpunt huiselijk geweld.
35 Op welk niveau is samenwerking gewenst?
Dit hangt af van de lokale en regionale situatie. Vaak hebben de
betrokken partijen allemaal een andere regio-indeling. De vrouwenopvang
bedient meerdere gemeenten; de GGD gaat soms over provinciegrenzen
heen; de politie werkt regionaal, maar is ook weer
onderverdeeld in districten; en de GGZ-instellingen worden door
fusies steeds groter.
In sommige regio’s wordt op provinciaal niveau samengewerkt, bijvoorbeeld
om een regiovisie te ontwikkelen. In andere regio’s is de
indeling van de GGD bepalend voor samenwerkingsverbanden. In
weer andere situaties wordt de samenwerking bepaald door de
regiogrootte van de politie. Grotere steden of centrumgemeenten
hebben vaak een lokaal samenwerkingsverband. In de regel is de
regio-indeling van de trekker van de aanpak huiselijk geweld bepalend
voor de schaalgrootte van de samenwerking.
SAMENWERKEN 71
Voor sommige (kleine) gemeenten is het niet duidelijk bij welk
samenwerkingsverband zij moeten aansluiten. Kiezen zij voor de
GGD-regio, voor het OGGZ-verband of sluiten zij zich aan bij het
samenwerkingsverband van de politie? Om niet tussen wal en schip
te raken, is het voor deze gemeenten belangrijk allereerst te bepalen
vanuit welk beleidsterrein zij huiselijk geweld een plaats willen
geven. Wordt de beleidsmedewerker openbare orde en veiligheid
contactpersoon of de ambtenaar zorg- of gezondheidsbeleid? Waneer
hierover duidelijkheid is verkregen, is het ook makkelijker aansluiting
te zoeken binnen de juiste regio-indeling.
Het omgaan met verschillende regio-indelingen kan worden vereenvoudigd
als er intern sprake is van nauwe samenwerking en goede
communicatie tussen de afdelingen Openbare Orde en Veiligheid en
Zorg/Welzijn. Als de gemeente intern voor goede afstemming zorgt,
is het ook makkelijker om zicht te hebben op de werkvelden en regioindelingen
van de uiteenlopende partners en om afstemming te
realiseren. Interne afstemming begint op bestuurlijk niveau bij de
portefeuillehouders Openbare Orde en Veiligheid en Welzijn/
Gezondheidsbeleid. Bij veel gemeenten zijn dit twee verschillende
portefeuillehouders die in verschillende overlegbijeenkomsten zitten
waarin huiselijk geweld een thema is. Het aanstellen van een coŲrdinerende
wethouder voor de beleidsterreinen die huiselijk geweld
betreffen zal de interne afstemming vergroten.
36 Wat regel ik lokaal en wat regionaal?
Voor zowel grote als kleine gemeenten bestaat onduidelijkheid over
wat lokaal en regionaal moet worden georganiseerd. De veelal regionaal
georganiseerde samenwerkingspartners vinden het doorgaans
niet prettig om met iedere gemeente op lokaal niveau afspraken te
maken. Aan de andere kant willen gemeenten graag de lokale autonomie
behouden. Hierin bestaat een spanningsveld.
Om te bepalen welke onderdelen van de aanpak huiselijk geweld u
lokaal en regionaal dient te organiseren doet u er goed aan op een rij
te zetten welke activiteiten alleen lokaal kunnen worden uitgevoerd
en waarvoor u lokale afspraken dient te maken. Daarnaast kunt u op
72 HUISELIJK GEWELD
een rij zetten welke instellingen waarmee u inmiddels een samenwerkingsrelatie
hebt – al dan niet in de vorm van een netwerk –
lokaal opereren.
Om deze partners te betrekken bij huiselijk geweld, kunt u het beste
afspraken maken op lokaal niveau. Te denken valt aan huisartsenpraktijken,
consultatiebureaus of basisscholen. Veel regionaal georganiseerde
instellingen hebben meerdere locaties met eigen
(autonoom) locatiemanagement in verschillende gemeenten. Het is
zinvol om te kijken of het praktischer is voor bepaalde onderdelen
van de aanpak lokaal afspraken te maken met een nevenlocatie of om
een samenwerking aan te gaan op regionaal niveau (in samenwerking
met gemeenten in de regio) met de centrale hoofdvestiging. De
regionaal georganiseerde instellingen zullen aan dit laatste de voorkeur
geven.
37 Op welke manier kunnen centrumgemeenten en (kleinere)
regiogemeenten gaan samenwerken?
Centrumgemeenten hebben andere taken en verantwoordelijkheden
dan regiogemeenten en krijgen daarvoor middelen, zoals de doeluitkering
maatschappelijke opvang, middelen voor het opzetten van een
advies- en steunpunt huiselijk geweld en GSB-middelen.39 Vaak is er
een spanningsveld tussen de centrumgemeente en de regiogemeente
als gevolg van de verschillen in taken en verantwoordelijkheden
van de centrum- en regiogemeenten (zie vraag 15). Regiogemeenten
vinden soms dat centrumgemeenten te weinig aandacht voor de
regiogemeenten hebben en te veel het beleid en de uitvoering willen
bepalen. Centrumgemeenten verwachten op hun beurt soms een
actievere rol van regiogemeenten. Het komt ook voor dat regiogemeenten
aan de slag gaan zonder afstemming te zoeken met centrumgemeenten.
Dit maakt het voor centrumgemeenten lastig om
een regionale aanpak te ontwikkelen.
Er zijn voldoende voorbeelden van regio’s waar de centrumgemeenten
en regiogemeenten in de aanpak huiselijk geweld gezamenlijk
optrekken. Een voorwaarde daarvoor is goed overleg. Hoewel centrumgemeenten
verantwoordelijk zijn, wil dat niet zeggen dat regio-
SAMENWERKEN 73
39 De inzet van GSB-middelen voor huiselijk geweld is beperkt, omdat de meeste
middelen zijn bestemd voor lokale doeleinden. De uitkeringen maatschappelijke
opvang en vrouwenopvang zijn regionaal bestemd.
gemeenten geen rol spelen in beleid en uitvoering. Het is belangrijk
dat centrumgemeenten aandacht hebben voor de problematiek in de
regio die soms heel anders kan zijn dan in de centrumgemeente. De
centrumgemeente dient in de voorbereiding van het beleid de regiogemeenten
te informeren en te consulteren op zowel bestuurlijk als
ambtelijk niveau. Een gezamenlijk gedeelde visie leidt tot meer tevredenheid
en heeft dan een grotere kans van slagen.
Voor veel kleine gemeenten is huiselijk geweld nog een betrekkelijk
nieuw en vooral confronterend onderwerp. Ontkenning van het probleem
komt nog steeds voor. Vooral omdat er weinig cijfers voorhanden
zijn, waardoor het moeilijk is lokaal grip te krijgen op de
ernst en omvang van het probleem. De regionale projectleider kan
een belangrijke rol vervullen in het betrekken van kleine gemeenten
die nog in de beginfase zitten van de beleidsontwikkeling huiselijk
geweld. Investeren in individuele contacten met deze gemeenten, de
tijd nemen om het probleem in een lokaal bestuurlijk en/of ambtelijk
overleg ter sprake te brengen, loont.
Een mogelijke structuur om de regiogemeenten te betrekken bij de
aanpak huiselijk geweld is het instellen van een klein bestuurlijk
en/of ambtelijk overleg dat per kwartaal de stand van zaken doorneemt
en beleidsvoorstellen doet. De uitkomsten van deze overleggen
kunnen een keer per jaar worden teruggekoppeld in breder verband
met alle gemeenten in de regio.
De samenwerking in de provincie Drenthe
In de provincie Drenthe draait het project Thuisfront. In dit project
werken Groningse, Friese en Drentse instellingen samen om geweld
tussen ex-partners te stoppen en te voorkomen. Het gaat om een
integrale aanpak, waarbij een strafrechtelijke vervolging en een hulpverleningstraject
worden geÔntegreerd. In Drenthe is ervoor gekozen
de werkwijze ‘eerste hulp bij huiselijk geweld’ onder te brengen bij de
GGD. De gemeente Emmen is centrumgemeente en financiert
Thuisfront tot 1 januari 2005 uit de middelen voor de vrouwenopvang.
Het is de bedoeling dat de Drentse gemeenten na beŽindiging
74 HUISELIJK GEWELD
van het project Thuisfront de regierol oppakken. Vanuit de
Bestuurlijke Begeleidingsgroep huiselijk geweld Drenthe, waarin
ook Thuisfront Drenthe vertegenwoordigd is, is een notitie geschreven
hoe onderdelen van het project Thuisfront (met daaraan gekoppeld
een aantal werkgroepen) een definitieve plek kunnen krijgen
binnen het gemeentelijk beleid. Er zijn inmiddels in 2004 bijeenkomsten
gehouden waarbij meerdere organisaties aanwezig waren,
zoals gemeenten (burgemeesters, wethouders en ambtenaren), politie,
openbaar ministerie, GGD, provincie en Thuisfront. Zowel de
sector veiligheid (netwerk Veilig Drenthe) als de sectoren zorg/welzijn
(OGGZ en VO) waren hierbij vertegenwoordigd.
38 Hoe kan ik als kleine gemeente invloed uitoefenen op
regionaal beleid?
Met name kleinere gemeenten geven aan dat zij soms te weinig als
gelijkwaardige gesprekspartner worden beschouwd, bijvoorbeeld in
contacten met de centrumgemeente of met regionale instellingen als
de GGD of het RIAGG. Toch gaat het bij de aanpak huiselijk geweld
om het ontwikkelen van beleid en het uitvoeren van projecten die
zijn bedoeld voor alle burgers in een regio. Kleine gemeenten willen
graag dat de aanpak huiselijk geweld is afgestemd op de specifieke
problematiek in hun gemeenten.
Wat kunt u doen?
U kunt op lokaal niveau starten met een oriŽnterend overleg met de
politie, GGD en AMW over knelpunten en ervaringen. U zou het
onderwerp ook in een breder overleg, bijvoorbeeld het lokale zorgoverleg,
ter sprake kunnen brengen.
Daarnaast kunt u actief samenwerken met andere (kleinere) regiogemeenten
om zo uw stem te laten horen. Intergemeentelijke samenwerking
bij de inrichting van het beleid inzake huiselijk geweld is
zelfs gewenst, aangezien er vaak weinig ambtelijke capaciteit is. Om
alle gemeenten te betrekken bij het beleid kunnen beleidsterreinen
of deelaspecten aan verschillende gemeenten worden toegewezen.
Zo worden de zaken onderling verdeeld en krijgen alle deelnemers
gelijke kennis over en vaardigheden in de beleidsterreinen, zodat zij
SAMENWERKEN 75
gelijkwaardige gesprekspartners zijn. Op deze manier worden alle
gemeenten deelgenoot in de gezamenlijke problematiek van huiselijk
geweld, wat herkenning en motivatie geeft om de verdere aanpak
samen te ontwikkelen.40
39 Hoe zet ik een organisatiestructuur op?
Bij een intensieve en uitgebreide aanpak huiselijk geweld kiezen
(grote) gemeenten voor een aparte organisatiestructuur. De gemeenten
die niet een apart project in het leven roepen, kiezen ervoor
huiselijk geweld onder te brengen in een bestaand netwerk zoals het
Integraal Veiligheidsoverleg of het OGGZ-netwerk. Er zijn verschillende
lokale of regionale factoren die van invloed zijn op de keuze
van een organisatiestructuur huiselijk geweld, zoals: de grootte van
de regio, het aantal deelnemende gemeenten, de regio-indelingen en
schaalgrootte van de kernpartners en het aantal betrokken partners.
In grote lijnen bestaat de regionale organisatiestructuur uit de volgende
onderdelen:
• stuurgroep op bestuurlijk niveau met portefeuillehouders en
besturen of directies van instellingen;
• begeleidingsgroep met beleidsmedewerkers of management van
deelnemende gemeenten en kernpartners;
• bredere klankbordgroep;
• projectleider;
• werkgroepen/projectgroepen.
Omdat er in veel regio’s sprake is van een veelheid aan partners en
gemeenten wordt er soms gekozen voor een afbakening van de
stuurgroep en de begeleidingsgroep. De centrumgemeente, ťťn of
twee regiogemeenten en de kernpartners nemen hieraan deel. Voor
een goede stroomlijning van informatie uit het project naar alle
betrokkenen kan een bredere klankbordgroep worden ingesteld. De
werkgroepen houden zich bezig met het uitwerken van deelprojecten,
zoals hulpverlening, deskundigheidsbevordering, advies- en
steunpunt, publiekscampagnes of een speciale aanpak gericht op
allochtonen.
76 HUISELIJK GEWELD
40 De Friese gemeenten hebben inmiddels ervaring met deze organisatiestructuur.
De structuur in de regio Zaanstreek-Waterland
Op 2 september 2004 is het Netwerk huiselijk geweld in de Zaanstreek/
Waterland een nieuwe fase ingegaan. De uitvoerders van het
project zijn erin geslaagd om de gemeenten uit de regio structureel
bij het project te betrekken. Er is een nieuwe organisatiestructuur
voor het samenwerkingsverband ontwikkeld. Tevens is per 1 augustus
2004 een coŲrdinator aangesteld bij de GGD Zaanstreek/
Waterland voor 28 uur per week. Door een toename van het aantal
deelnemende organisaties en de structurele status van het project is
de organisatiestructuur gewijzigd. Hierbij wordt het management
van de deelnemende organisaties nadrukkelijker bij de aanpak
betrokken.
In de nieuwe opzet functioneert een Stuurgroep van vertegenwoordigers
op managementniveau van 9 organisaties, onder voorzitterschap
van de Wethouder van Volksgezondheid, Welzijn en Kunst
van de gemeente Zaanstad. Aan deze vergaderingen, die 3 maal per
jaar plaatsvinden, wordt ook deelgenomen door de coŲrdinator van
het Netwerk. De Stuurgroep stuurt de coŲrdinator aan en stelt het
beleid van het Netwerk vast, hierin geadviseerd door de coŲrdinator
die op haar beurt weer gevoed wordt door de deelnemende organisaties
en relevante ontwikkelingen. Ook zorgt de Stuurgroep voor de
financiŽle borging.
Zes weken vůůr de vergaderingen van de Stuurgroep komt het
Platform van Uitwisseling bijeen, een bijeenkomst van en voor alle
deelnemende organisaties. Hier worden de activiteiten van de werkgroepen
en deelnemende organisaties op het gebied van huiselijk
geweld met elkaar uitgewisseld. Ook aanbevelingen aan de coŲrdinator
en de Stuurgroep kunnen hier gedaan worden. De deelnemende
organisaties, deels in de vorm van werkgroepen, doen beleidsvoorstellen
om de aanpak van huiselijk geweld te verbeteren. De grote
betrokkenheid en inzet van de deelnemende organisaties in de afgelopen
jaren kan en moet hiermee gecontinueerd worden.
SAMENWERKEN 77
Tegelijk zijn er diverse werkgroepen actief. Een aantal hiervan, zoals
de werkgroep Publiciteit en het CasuÔstiekoverleg is structureel.
Andere krijgen een specifieke opdracht van de Stuurgroep, formeren
zich met relevante organisaties en presenteren na afloop de resultaten
aan zowel het Platform van Uitwisseling als aan de Stuurgroep.
De volgende werkgroepen zijn actief:
• de werkgroep afstemming hulpverlening;
• het casuÔstiekoverleg, ook beschikbaar voor consultatie;
• de werkgroep PR, voorlichting en training;
• werkgroep allochtonen is in oprichting;
• ter voorbereiding van studiedagen worden werkgroepen samengesteld
(voor doelgroepen zoals ouderen, jongeren of kinderen).
40 Wat is de rol van de provincie?
Provincies willen bijdragen aan de versterking van de sociale infrastructuur41
in de regio.
Zij streven de volgende doelstellingen na:42
• het versterken van de maatschappelijke integratie en participatie;
• het verhogen van de sociale veiligheid;
• het organiseren van een sluitend aanbod van wonen, zorg en welzijn
voor hen die ondanks ouderdom, handicap of ziekte zo lang
mogelijk thuis willen wonen.
De provincie is verantwoordelijk voor tweedelijnsactiviteiten op het
sociaal-maatschappelijk vlak. Het gaat daarbij om ondersteuning van
maatschappelijke organisaties en gemeenten, methodiekontwikkeling,
verspreiding en begeleiding bij de implementatie van goede
praktijkvoorbeelden en succesvolle methodieken, het initiŽren en
implementeren van voorbeeldprojecten en het bij elkaar brengen van
partijen.
Maatschappelijk effect van de provinciale inzet is te halen door verbindingen
te leggen tussen de sectoren en tussen Rijk en gemeenten.
78 HUISELIJK GEWELD
41 Voor het definiŽren van de sociale infrastructuur wordt aangesloten bij de definitie
van de commissie-Simons: ‘Het geheel van voorzieningen en betrekkingen
die het mogelijk maken dat mensen in redelijkheid in sociale verbanden kunnen
leven en deelnemen aan de samenleving’.
42 De Zuid-Hollandse gemeenten en huiselijk geweld. K. Jonker, C. Heijkoop en C. van
Egten, SGBO, Den Haag, 2004.
De regionale samenwerking rondom de bestrijding van huiselijk
geweld zou een vast onderdeel van de regionale agenda’s samenlevingszaken
kunnen gaan vormen. De provincie kan inventariseren
en monitoren wat de stand van zaken is met betrekking tot beleid
huiselijk geweld binnen alle regio’s in de provincie. Op deze manier
kan zij witte vlekken in kaart brengen.
Wat kan de provincie nog meer doen?
• gemeenten stimuleren beleid te ontwikkelen;
• partijen bij elkaar brengen op regionaal niveau;
• methodieken of projecten ontwikkelen; hiervoor kunnen de provinciale
ondersteuningsinstituten worden ingezet;
• werken aan deskundigheidsbevordering;
• regionale instellingen ondersteunen en stimuleren lacunes op te
vullen;
• subsidies verstrekken voor lokale of regionale projecten om beleid
te starten (zie vraag 43).
Voorbeelden van beleid en activiteiten van vier provincies43
Overijssel
Bij de provincie Overijssel is huiselijk geweld een van de drie speerpunten
in het emancipatiebeleid van de provincie. Recent is er
onderzoek uitgevoerd naar huiselijk geweld in drie plattelandsgemeenten.
Op grond daarvan zijn er projecten opgezet die zijn gericht
op de verbetering van de samenwerking tussen hulpverleners en
dienstverleners op het gebied van preventie en voorlichting. Deze
werkwijze is voortgezet in West-Overijssel (Zwolle en omgeving).
Verder ondersteunt de provincie een project dat is gericht op de
bestrijding van huiselijk geweld in allochtone kring.
Groningen
De provincie Groningen heeft huiselijk geweld opgenomen als
speerpunt in het Beleidsplan Welzijn en Zorg 2000-2004. De uitgangspunten
voor een aanpak huiselijk geweld staan beschreven in
de beleidsnotitie Voorkomen en bestrijden van huiselijk Geweld in de pro-
SAMENWERKEN 79
43 De informatie is afkomstig van de websites van de vier betreffende provincies.
vincie Groningen. In deze notitie staan de beleidsmatige uitgangspunten
en doelstellingen, de organisatiestructuur, een omschrijving
van de deelprojecten en de financiŽle vertaling beschreven. De provincie
heeft de volgende projecten geÔnitieerd:
• weerbaarheid voor kinderen in het basisonderwijs;
• eerste hulp bij huiselijk geweld in de provincie (waaronder het project
Thuisfront);
• onderzoek naar huiselijk geweld in de provincie;
• ouderenmishandeling;
• publiciteitscampagne;
• Ondersteuning Samenwerkingsverband tegen Seksueel geweld
Groningen (STGG).
In het voorlopige beleidsplan Welzijn 2005-2008 is ‘voorkomen en
bestrijden van huiselijk geweld’ opnieuw een speerpunt.
Zeeland
De provincie heeft een sturende rol op zich genomen. Voordat de
provincie beleid heeft ontwikkeld heeft zij het vierjarig project integratie
seksespecifieke hulpverlening (1994-1997) gesubsidieerd. De
resultaten van dit project vormden de aanleiding om de startnotitie
de vrijblijvendheid voorbij op te stellen. Deze startnotitie vormt de
basis voor het beleidskader preventie en hulpverlening aan slachtoffers
van (seksueel) geweld in Zeeland. In dit beleidskader staan
twee onderwerpen centraal:
• de verbetering van preventie en hulpverlening aan slachtoffers van
seksueel en/of relationeel geweld in Zeeland;
• de integratie van het beleidskader in de regiovisie zorg en jeugdzorg.
Dit is van belang om de integratie van seksespecifieke hulpverlening
in de reguliere regionale zorg- en hulpverlening in
Zeeland in te bedden.
Zuid-Holland
Huiselijk geweld is een van de drie speerpunten van de programmalijn
veiligheid van de provincie Zuid-Holland. De provincie Zuid-
Holland neemt deel aan regionale projecten met het doel een slui-
80 HUISELIJK GEWELD
tende aanpak tussen betrokken instanties (waaronder gemeenten) te
realiseren. Daarnaast subsidieert de provincie projecten die zijn
gericht op het ondersteunen van regionale veiligheidsnetwerken en
het verspreiden van kennis en goede voorbeelden. Voorbeelden van
projecten die (mede) zijn gefinancierd door de provincie:
• preventie kindermishandeling bij allochtonen;
• conferentie voor hulpverleners die te maken hebben met allochtone
cliŽnten;
• terugdringen van huiselijk geweld bij allochtone vrouwen;
• ontwikkelen van een methodiek voor kinderen die getuige zijn van
huiselijk geweld;
• deskundigheidsbevordering voor het signaleren van huiselijk
geweld;
• voorlichting in kinderopvanginstellingen;
• het ontwikkelen van een werkwijze voor het benaderen van conservatieve
protestantse kerken.
Jeugdzorg
De provincie is een belangrijke partner voor de gemeente, vanwege
haar verantwoordelijkheden op het terrein van de jeugdzorg. De taak
van de provincie is te zorgen dat er overal in de provincie voorzieningen
aanwezig zijn en jongeren met problemen zo vroeg, zo licht
en zo snel mogelijk kunnen worden geholpen. De provincies zijn
ook verantwoordelijk voor de toegang tot de jeugdhulpverlening via
de Bureaus Jeugdzorg. Per 1 januari 2005 treedt de nieuwe Wet op
de jeugdzorg in werking. Deze vervangt de Wet op de jeugdhulpverlening
(zie vraag 10). Een van de uitgangspunten van deze nieuwe
wet is een betere afstemming tussen de algemene welzijnsvoorzieningen
voor jeugdigen (lokaal) en de jeugdzorg (provinciaal).
41 Hoe leg ik samenwerkingsafspraken vast?
Bij het vastleggen van afspraken gaat het niet alleen om samenwerkingsafspraken
met instellingen, maar ook om het vastleggen van
interne afspraken. Deze laatste kunnen worden ingebed in het lokale
veiligheidsbeleid of zorgbeleid. In sommige situaties is de effectiviteit
van informele afspraken groter dan een formele benadering.
SAMENWERKEN 81
Het is dan ook aan te raden om als gemeente meerzijdige sturingsinstrumenten
te gebruiken, waarbij overeenstemming met de actoren
is bereikt over het doel en het middel. Voorbeelden van dit soort
sturingsinstrumenten zijn convenanten, contracten, outputafspraken
en samenwerkingsafspraken en deskundigheidsbevordering in
subsidiebeschikkingen. Er is geen voorgeschreven manier om dit te
doen, maar in de praktijk wordt tot nu toe in de meeste gevallen het
convenant gebruikt om commitment en samenwerking vast te leggen.
Ook wordt er vaak een samenwerkingsovereenkomst gebruikt.
Daarin worden zaken vastgelegd als:
• de deelnemende partijen;
• het uitgangspunt of de probleemstelling;
• het beoogde resultaat of de doelstelling;
• de taken en verantwoordelijkheden.
82 HUISELIJK GEWELD
5 Financiering
42 Welke gemeentelijke financieringsmogelijkheden zijn
er?
Voor de aanpak huiselijk geweld is het van belang om gemeentelijk
budget te creŽren. Er zijn verschillende financieringsbronnen voor
de projecten huiselijk geweld mogelijk, zoals budgetten voor het
integraal veiligheidsbeleid en de doeluitkering maatschappelijke
opvang. Onderdelen van de aanpak kunnen uit verschillende ‘potjes’
worden gefinancierd. Dit nodigt uit creatief te zijn en op zoek te gaan
naar interne financieringsmogelijkheden bij andere afdelingen.
Middelen integraal veiligheidsbeleid
Sommige gemeenten zetten voor de bestrijding van huiselijk geweld
gemeentelijke middelen in op basis van het integraal veiligheidsbeleid.
Huiselijk geweld is een van de speerpunten van het lokaal veiligheidsbeleid.
Bij deze gemeenten is de projectleider veiligheid veelal
trekker van het beleid en wordt de aanpak huiselijk geweld vanuit
het veiligheidsbeleid geÔnitieerd en ontwikkeld. Soms worden naast
de financiering van de onderdelen van het integraal veiligheidsplan
extra middelen beschikbaar gesteld voor het beleid huiselijk geweld.
Het zwaartepunt van het beleid huiselijk geweld ligt dan veelal bij de
afdeling Veiligheid.
GSB-middelen
De bestrijding van huiselijk geweld valt onder de sociale pijler van
het grotestedenbeleid (GSB). Voor de periode 2005-2009 zal het Rijk
aan de dertig steden middelen beschikbaar stellen via drie brede
doeluitkeringen (sociaal, fysiek en economisch). Huiselijk geweld is
benoemd tot een van de speerpunten van de sociale pijler. Een groot
deel van de dertig grote steden (voor het grootste deel ook centrumgemeenten
vrouwenopvang) financiert onderdelen van de aanpak
huiselijk geweld uit de GSB-middelen.
FINANCIERING 83
Doeluitkering maatschappelijke opvang
Maatschappelijke opvang is een vangnet voor mensen die tijdelijk
onderdak, begeleiding of advies nodig hebben. Het bestaat uit een
basisvoorziening waarop in geval van nood, 24 uur per dag, een
beroep kan worden gedaan. De 43 centrumgemeenten maatschappelijke
opvang krijgen een aparte uitkering van het Rijk voor het
instandhouden en creŽren van goede, uiteenlopende voorzieningen.
De inzet van de doeluitkering dient in overleg met de regiogemeenten
te gebeuren. De doeluitkering kan worden aangewend voor de
uitvoering van projecten huiselijk geweld.
Middelen gezondheidsbeleid (OGGZ en GGD)
Een aantal gemeenten heeft huiselijk geweld opgenomen in hun
gezondheidsnota. Zij hebben dan vaak in het kader van de uitvoering
van OGGZ-projecten middelen gereserveerd voor de bestrijding van
huiselijk geweld. Het project ‘Kindspoor’ (zie vraag 6) wordt bijvoorbeeld
door enkele gemeenten gefinancierd uit OGGZ-middelen.
In veel gemeenten is de GGD een actieve partner. De GGD kan trekker
zijn of onderdelen van het project uitvoeren. Deze activiteiten
worden betaald uit de OGGZ-middelen in het kader van het lokaal
gezondheidsbeleid en uit de GGD-uitkering van de gemeenten die in
het kader van de gemeenschappelijke regeling bij een GGD zijn aangesloten.
Projecten huiselijk geweld kunnen worden betaald uit de
reguliere bijdrage en/of uit het pluspakket van de GGD.
Algemeen maatschappelijk werk
De middelen voor het algemeen maatschappelijk werk zijn onder de
noemer ‘middelen welzijnsbeleid’ aan het gemeentefonds toegevoegd.
Om de geestelijke gezondheidszorg te versterken heeft het
Rijk extra middelen beschikbaar gesteld in de Tijdelijke stimuleringsregeling
AMW 2000-2003. Veel gemeenten hebben deze regeling
aangevraagd. Vanaf 2004 zullen deze middelen niet meer geoormerkt
zijn en opgaan in de algemene welzijnsmiddelen in het
gemeentefonds.
84 HUISELIJK GEWELD
Financiering in Leiden44
De regio Zuid-Holland-Noord bestaat uit 22 gemeenten, waaronder
de gemeenten Leiden en Alphen aan den Rijn. In Leiden bestaat
sinds 12 jaar een coŲrdinatiepunt seksueel geweld, ondergebracht bij
de GGD en bekostigd door de gemeente Leiden. Het Leidse coŲrdinatiepunt
is inmiddels een regionale voorziening geworden, voor
twee jaar bekostigd vanuit zorgvernieuwingsmiddelen. Met behulp
van middelen uit het grotestedenbeleid is de deskundigheid over
huiselijk geweld bij de instellingen vergroot. Samengevat heeft de
gemeente Leiden de volgende financieringsbronnen ingezet:
• financiering door het ministerie van Justitie;
• OGGZ-gelden, onder andere voor een preventiefunctionaris
OGGZ met het thema huiselijk geweld in het takenpakket;
• zorgvernieuwingsmiddelen van het zorgkantoor voor de periode
van twee jaar;
• middelen uit het grotestedenbeleid.
43 Welke externe financieringsmogelijkheden zijn er?
Provincies
Aanpak huiselijk geweld wordt in veel regio’s in Nederland op regionaal
of provinciaal niveau opgezet. Een aantal provincies ziet hierin
een rol voor henzelf weggelegd. De provincies zijn niet alleen betrokken
bij, of soms initiatiefnemer van projecten, maar zij stellen ook
middelen beschikbaar voor de coŲrdinatie van een aanpak of voor
projecten. Dit zijn over het algemeen geen structurele middelen,
maar stimuleringsbijdragen voor een bepaalde periode. Ook zijn het
middelen die veelal worden toegekend aan een centrumgemeente en
bestemd zijn voor de ontwikkeling van een aanpak in een bepaalde
regio.
Naast financiering van projecten leveren de provincies een bijdrage
aan de aanpak huiselijk geweld in de vorm van het beschikbaar stellen
van personele capaciteit. Provinciale steunfuncties worden dan
ingezet om regio’s te ondersteunen of beleid te implementeren.
FINANCIERING 85
44 De Zuid-Hollandse gemeenten en huiselijk geweld. K. Jonker e.a., Den Haag,
SGBO, 2004
Fonds OGZ
De Stichting Stimuleringsfonds Openbare Gezondheidszorg (Fonds
OGZ) geeft financiŽle ondersteuning aan gemeenten, GGD’en en
andere organisaties werkzaam binnen de OGZ. Vernieuwende en
creatieve projecten die bijdragen aan het versterken van de openbare
gezondheidszorg komen voor bekostiging in aanmerking. Onder de
tot nu toe gehonoreerde projecten zijn ook enkele projecten huiselijk
geweld.
De einddatum van het Fonds is 1 juli 2006. Het grootste deel van de
beschikbare gelden is inmiddels toegekend. Het Fonds subsidieert
op het moment alleen nog kleine projecten die maximaal € 30.000
kosten en minimaal zes maanden duren. Het Fonds hanteert bij de
toetsing van projectvoorstellen een aantal criteria. U vindt de criteria
terug op de website van het Fonds OGZ, www.fondsogz.nl.
Subsidieregeling OGGZ van het zorgkantoor
Het zorgkantoor voert namens alle zorgverzekeraars in een regio de
AWBZ uit. Het zorgkantoor tracht de zorgvraag en het zorgaanbod
in een specifieke regio zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.
Taken van het zorgkantoor zijn:
• het contracteren van zorginstellingen;
• het innen van eigen bijdragen van verzekerden (AWBZ-regeling);
• het deelnemen aan overleg (onder meer met zorggebruikers en
zorgaanbieders) over het gewenste zorgaanbod in de regio.
Daarnaast is het zorgkantoor verantwoordelijk voor diverse subsidieregelingen,
zorgtoewijzing en wachtlijstbeheer, het persoonsgebonden
budget (PGB) en hulpmiddelen op grond van de AWBZ.
Het zorgkantoor kan optreden als financier voor projecten. Sinds een
aantal jaren heeft het zorgkantoor een subsidieregeling voor OGGZprojecten.
De subsidie OGGZ is bestemd voor initiatieven in de ontwikkelingsfase
die meerdere werkvelden betreffen, zoals maatschappelijke
opvang, verslavingszorg, politie, gemeenten en huisvestingsorganisaties.
De subsidieregeling is bedoeld als een start- en stimu-
86 HUISELIJK GEWELD
leringsregeling en geldt voor maximaal twee jaar. Samenwerking
tussen meerdere instellingen is verplicht, omdat OGGZ zich vaak op
het grensvlak van meerdere werkvelden bevindt.
Partijen kunnen een aanvraag voor een subsidie indienen bij het
zorgkantoor. Er moet een projectvoorstel worden opgesteld, waarin
de schriftelijke instemming van de lokale overheid en andere rechtspersonen
die deelnemen aan het project, is opgenomen.
Europees programma
Maatschappelijke organisaties in steden kunnen tot 2008 subsidies
aanvragen voor projecten tegen huiselijk geweld. Belangrijke voorwaarde
is internationale samenwerking en kennisuitwisseling. Het
programma heet het Daphne II-programma.
Het Daphne II-programma van de Europese Unie loopt van 2004 tot
2008 en heeft een budget van € 50 miljoen. Het programma richt
zich op de ondersteuning van organisaties die maatregelen ontwikkelen
of actie ondernemen om geweld tegen kinderen, jongeren en
vrouwen te voorkomen en/of te bestrijden.
Er worden jaarlijks twee subsidierondes gehouden, ťťn voor specifieke
projecten en ťťn voor projecten gericht op de verspreiding en
het gebruik van bestaande resultaten. De eerste ronde start in
november 2004.
Financiering van pilots door ministeries
De betrokken ministeries (Justitie, Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap) honoreren soms subsidieverzoeken van gemeenten of
samenwerkende gemeenten binnen een regio. Dit zijn vooral vernieuwende
(pilot)projecten die in aanmerking komen voor verdere
verspreiding in Nederland en bijdragen aan de ontwikkeling van landelijk
beleid.
Oranje Fonds
Het Oranje Fonds steunt sinds jaren projecten die te maken hebben
met huiselijk geweld zoals begeleide terugkeer en vrouwenopvanghuizen.
Vanwege de overbelasting van de opvanginstellingen wil het
FINANCIERING 87
Oranje Fonds de middelen gaan inzetten voor de ondersteuning van
projecten huiselijk geweld die in de preventieve sfeer liggen. Met de
inzet op preventie hoopt het Fonds de overbelasting van de opvanginstellingen
enigszins te verminderen en meer aandacht te besteden
aan relaties binnen gezinnen. Het Oranje Fonds heeft besloten om
bijna een miljoen euro extra ter beschikking te stellen voor projecten
die bijdragen aan de preventie van huiselijk geweld. Om in aanmerking
te komen voor een bijdrage uit dit speciale budget moet het
gaan om:
• projecten die gericht zijn op preventie;
• projecten waarbij samenwerking met andere instellingen en hulpverleners
een grote rol speelt.
Subsidie kan worden aangevraagd door middel van het invullen van
het algemene aanvraagformulier. Dit formulier kunt u downloaden
van de website www.oranjefonds.nl.
44 Hoe kom ik tot cofinanciering met derden en hoe
krijg ik afstemming hierin?
Beleid huiselijk geweld komt tot stand door samenwerking tussen
verschillende partners. Deze partners kunnen ook (direct of indirect)
financieel participeren. Direct door eigen budget beschikbaar te stellen.
Indirect doordat partners mogelijk toegang hebben tot geldbronnen
van externen. Sommige projecten of activiteiten die worden
uitgevoerd onder de noemer ‘aanpak huiselijk geweld’ kunnen deel
uitmaken van de reguliere taken van een partner die daarvoor al
inkomsten ontvangt. Het kan zijn dat de gemeente deze taken financiert
op basis van subsidies, dat het Rijk bijdraagt of dat het zorgkantoor
een deel van de kosten op zich neemt. De gemeente kan met
de partners afspraken maken welk deel van de aanpak huiselijk
geweld de betreffende partner financiert. De instellingen kunnen op
basis van eigen beleid op het gebied van huiselijk geweld aangeven
hoe zij eigen middelen en menskracht zullen inzetten. Bij integrale
projecten kan de gemeente op basis van een verdeelsleutel afspraken
maken over wie welk deel betaalt. Het is hierbij van belang dat de
instellingen zien dat bepaalde projecten of activiteiten bijdragen aan
88 HUISELIJK GEWELD
de ontwikkeling van expertise binnen de eigen organisatie en de uitvoering
van (reguliere) taken kunnen verlichten. Voor de gemeente
betekent dit dat zij regelmatig aan de onderhandelingstafel zit en
probeert tot financiŽle samenwerkingsafspraken te komen.
45 Hoe regel ik gezamenlijke gemeentelijke financiering
in een regio?
In veel regio’s wordt een aanpak huiselijk geweld opgezet vanuit een
centrumgemeente. Dit zijn of de centrumgemeenten vrouwenopvang
en/of gemeenten die onder het grotestedenbeleid vallen. Een
van de voorwaarden van de tijdelijke stimuleringsmaatregel adviesen
steunpunten huiselijk geweld is dat die gericht is op alle gemeenten
in de regio (zie vraag 50). Dit betekent dat de centrumgemeente
en de regiogemeenten hierin gezamenlijk dienen op te trekken.
Voor het maken van financieringsafspraken is draagvlak nodig. Een
aanpak huiselijk geweld krijgt nog niet bij alle gemeenten prioriteit.
De centrumgemeenten dienen eerst draagvlak te creŽren; pas dan zal
gezamenlijke financiering van de grond komen. Een van de mogelijkheden
om uiteindelijk tot gezamenlijke financiering in een regio
te komen is het toepassen van de verdeelsleutel. Dit kan vorm krijgen
door middel van het heffen van een vast bedrag per inwoner.
46 Hoe kan ik een aanpak huiselijk geweld opnemen in
subsidieafspraken met betrokken instellingen?
Gemeenten gaan steeds meer over tot het doelgericht inzetten van
subsidies. Subsidies vormen een belangrijk sturingsinstrument voor
het vertalen van beleid in uitvoering van activiteiten. Dit betekent dat
zij gerichter letten op de bijdrage die de instellingen leveren aan de
uitvoering van het beleid en de resultaten die met de gesubsidieerde
activiteiten worden bereikt.
U kunt ervoor kiezen om het gemeentelijk beleid huiselijk geweld als
uitgangspunt te nemen en de daaruit voortvloeiende activiteiten en
eventueel te behalen resultaten vast te leggen in de subsidiebeschikking.
U kunt als voorwaarde opnemen dat aanpak huiselijk geweld
FINANCIERING 89
een speerpunt is binnen de beleidsplannen van de instellingen. Dit
kan betekenen dat een instelling nieuwe taken gaat uitvoeren die
aansluiten bij het lokaal of regionaal beleid aanpak huiselijk geweld.
De betreffende instelling draagt verantwoordelijkheid voor de projecten
en maakt jaarlijks inzichtelijk welke resultaten zij heeft
behaald (bijvoorbeeld het bereik van de doelgroep of de effecten van
de inspanningen). Dit betekent dat de instelling moet registreren.
Uit het bijhouden van de resultaten zal blijken dat niet alle activiteiten
kunnen worden vertaald in duidelijke resultaten. U dient hiermee
rekening te houden.
U kunt ook het aanbod en de expertise van een instelling als uitgangspunt
nemen en in de subsidiebeschikking opnemen dat de
betreffende instelling de reguliere taken uitbreidt of meer toespitst
op de bestrijding van huiselijk geweld. U kunt bijvoorbeeld in de
beschikking van de GGD vastleggen dat zij huiselijk geweld opneemt
in de periodieke gezondheidsenquÍte. Het integreren van huiselijk
geweld kan ook betekenen dat de instelling veranderingen dient aan
te brengen in de bestaande werkwijze (bijvoorbeeld meer outreachend
gaan werken). Het kost vaak tijd om deze veranderingen te
realiseren.
De gemeente Den Bosch
De gemeente Den Bosch is al enkele jaren bezig met de ontwikkeling
van beleid op het gebied van huiselijk geweld. De Bossche aanpak
sluit nauw aan bij het beleid op dit terrein van de provincie Noord-
Brabant (jeugdbeleid / kindermishandeling / ouderenbeleid / veiligheid).
In 2002 heeft de gemeente een projectleider aangesteld voor
drie jaren. Voor de periode 2002-2003 heeft Den Bosch subsidie van
het ministerie van Justitie ontvangen om de aanpak huiselijk geweld
te ontwikkelen. Verder heeft zij subsidie aangevraagd via de
Stimuleringsregeling van VWS om met de provincie ťn de 21
gemeenten in de regio Noord van Noord-Brabant gezamenlijk een
advies- en steunpunt huiselijk geweld op te zetten. Voor de periode
2005-2009 ontvangen de vijf grote steden in Noord-Brabant middelen
van de provincie voor de verdere ontwikkeling van een aanpak
huiselijk geweld in de verschillende regio’s.
90 HUISELIJK GEWELD
Na de projectperiode werkt de gemeente aan de verankering van een
aanpak huiselijk geweld in bestaand beleid. Zij is bezig in de subsidiebeschikkingen
voor 2005 een aanpak huiselijk geweld op te
nemen in subsidieafspraken met de betrokken instellingen zoals de
GGD, MOVO, AMW, welzijnsinstellingen en allochtone organisaties.
Daarnaast richt de gemeente zich op een brede financiering van
deelprojecten van het plan van aanpak uit bijvoorbeeld GSB-middelen,
OGGZ-gelden en budget van de afdeling Jeugd en Onderwijs
(bijvoorbeeld financiering van weerbaarheidstrainingen).
In de subsidieafspraken legt de gemeente outputafspraken vast. Zij
spreekt bijvoorbeeld af hoeveel cliŽnten per jaar minimaal door het
AMW worden behandeld volgens systeemaanpak, wat het bereik is
van de deelprojecten (in aantallen) en op welke wijze de betreffende
instelling huiselijk geweld registreert. In het tweejaarlijkse
Veiligheidsonderzoek heeft de gemeente in 2002 en 2004 enkele
vragen over huiselijk geweld opgenomen en haar beleid aangepast in
de verschillende wijken op basis van de onderzoeksresultaten.
47 Hoe zorg ik ervoor dat projectfinanciering wordt
omgezet in structurele financiering?
Indien er een project gestart wordt met een tijdelijke regeling, moet
in de ontwikkeling van het project gelijk rekening worden gehouden
met de financiering na de projectperiode. In dit stadium kunnen
afspraken worden gemaakt met de betrokken partijen, bijvoorbeeld:
wanneer is het project succesvol en dient het verlengd te worden, en
wie gaat wat betalen na de subsidie (verdeling van de kosten)? Hoe
kan het project worden ingebed? Het kost misschien wel extra tijd in
het ontwikkelingstraject om de kosten na de subsidietermijn mee te
nemen, maar het scheelt later veel tijd (anders moeten er aparte
onderhandelingen worden geregeld voor de financiering). Ook is het
goed voor het voortbestaan van succesvolle projecten. De mogelijkheid
bestaat anders dat een goed project wordt stopgezet omdat er
niet op tijd geld geregeld is.
FINANCIERING 91
Als er een project met een tijdelijke subsidie is gestart en het project
is succesvol, probeer dan zo snel mogelijk financieringsbronnen te
vinden voor continuering. Een goede voorbereiding voor het overleg
met partijen is dan essentieel. Geef helder aan wat de resultaten zijn
van het project en wat de te verwachten kosten zijn.
92 HUISELIJK GEWELD
6 Advies- en steunpunten huiselijk geweld
48 Wat is een advies- en steunpunt huiselijk geweld?
Een advies- en steunpunt huiselijk geweld is een soort loket of helpdesk
waar slachtoffers, plegers, omstanders en getuigen van huiselijk
geweld terecht kunnen voor informatie en ondersteuning. Ook professionals,
zoals huisartsen en leerkrachten, moeten er gebruik van
kunnen maken. Een advies- en steunpunt moet laagdrempelig en
goed toegankelijk zijn.
Burgers kunnen bellen en e-mailen voor informatie, maar ook persoonlijk
terecht voor ťťn of een paar gesprekken. De medewerkers
moeten advies kunnen geven over hoe om te gaan met een situatie
van feitelijk of dreigend huiselijk geweld en welke stappen ondernomen
kunnen worden om het geweld te stoppen of te voorkůmen. De
medewerkers verwijzen zo nodig gericht door. Daarvoor moet achter
dit loket (frontoffice) een goed functionerend samenwerkingsverband
van politie, OM, opvang en hulpverlening geregeld zijn (backoffice).
49 Voor wie is het advies- en steunpunt bedoeld?
Dat zijn in de eerste plaats de directe gebruikers: slachtoffers, plegers,
professionals en andere omstanders en getuigen van huiselijk
geweld. Ook gemeenten kunnen profijt hebben van de kennis en
ervaring die bij een steunpunt wordt opgedaan in het directe contact
met burgers. Hetzelfde geldt voor organisaties als politie, maatschappelijk
werk, vrouwenopvang, GGZ, GGD, onderwijs en
woningbouwcorporaties.
50 Wat houdt de landelijke stimuleringsregeling in?
Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft
landelijk een naar 2007 oplopend bedrag van € 3 miljoen beschikbaar
gesteld voor het opzetten van advies- en steunpunten. Een
ADVIES- EN STEUNPUNTEN HUISELIJK GEWELD 93
belangrijke voorwaarde die gesteld wordt aan de centrumgemeenten
die een aanvraag indienen, is dat zij zelf ten minste veertig procent
van de kosten financieren uit eigen middelen. Eventuele bijdragen
van regiogemeenten tellen ook mee als ‘eigen middelen’. De sluitingstermijn
voor de eerste ronde van aanvragen was 1 oktober 2004.
Voor meer informatie kunt u terecht op www.minvws.nl,
www.vng.nl of www.aanpakhuiselijkgeweld.nl.
Na 2007 wordt het geld in principe toegevoegd aan de brede doeluitkering
voor GSB-gemeenten en aan de specifieke uitkering vrouwenopvang
voor niet-GSB-gemeenten.
De advies- en steunpunten die al draaien voordat deze regeling in het
leven is geroepen kunnen ook een stimuleringssubsidie ontvangen.
Als dit geld tenminste gebruikt wordt voor het uitbreiden, verbeteren
of ombouwen van het bestaande meldpunt tot een door het Rijk
beoogd advies- en steunpunt huiselijk geweld.
Het advies-en steunpunt moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
• bestemd voor alle doelgroepen, ongeacht leeftijd, sekse en etniciteit.
Ook hulpzoekende plegers kunnen er terecht voor doorgeleiding
naar professionele hulp. Mensen die zijdelings of beroepsmatig
bij huiselijk geweld zijn betrokken, zoals buren, familie en
artsen kunnen eveneens terecht voor advies;
• gericht op de hele regio van de centrumgemeente;
• samenwerkings- en doorverwijsafspraken zijn op schrift vastgelegd;
• registratie van contacten en doorverwijzingen.
Er zijn inmiddels zeven functionerende advies- en steunpunten voor
huiselijk geweld in Amsterdam en omstreken (Amstelveen, Diemen
en Flevoland), Delft, Dordrecht (regio Zuid-Holland-Zuid), Haarlem
(regio Zuid-Midden Kennemmerland), Zuid-Limburg (Westelijke
Mijnstreek, Maastricht en Parkstad Limburg), Utrecht en de
Provincie Zeeland.45
94 HUISELIJK GEWELD
45 Zonder Drempels. Quickscan naar de advies- en steunpunten huiselijk geweld.
Stichting Alexander. Rotterdam, 2004.
51 Wat zijn succes- en faalfactoren van de bestaande
advies- en steunpunten?
In het onderzoek naar de bestaande advies- en steunpunten wordt
een aantal succes- en faalfactoren beschreven.
Succesfactoren zijn:
Laagdrempeligheid. Met name slachtoffers van huiselijk geweld worden
alleen bereikt als het adviespunt goed bekend is, eenvoudig te
benaderen is en ook anoniem benaderd kan worden voor hulp.
Brede doelgroep. Door het adviespunt open te stellen voor slachtoffers,
plegers, omstanders en professionals kan het een centrale functie
vervullen in de aanpak van huiselijk geweld.
Breed aanbod. Zoals telefonisch en face-to-face contact, informatie,
advies, steun ťn doorverwijzing.
Garantieafspraken wat betreft vervolghulpverlening. Een cliŽnt die bij
een adviespunt aanklopt en vervolghulpverlening nodig heeft, moet
die ook op een redelijke termijn kunnen krijgen.
Afgestemd zijn op eigen regio/werkgebied. Zoals op de bevolkingsopbouw,
op kenmerken van de regio en op structuur en cultuur van de
hulpverlening in de regio.
De centrale functies – informeren, adviseren en verwijzen – goed
vormgeven.
Meertaligheid. Indien nodig (naast bijvoorbeeld Nederlands, Turks en
Arabisch).
Faalfactoren zijn:
Ontbreken van een – goed functionerende – backoffice. Men mag geen
‘voordeur’ openen als daarachter niet een goed ingerichte en functionerende
backoffice opereert.
Gebrek aan structurele middelen. Het hebben van slechts tijdelijke
financiering of van onvoldoende structurele middelen, hindert of
vertraagt het primaire proces van het adviespunt.
Meerdere intakes. De ‘intakes’ van het adviespunt gelden tot dusverre
alleen voor de adviespunten, in het geval van vervolghulpverlening
moeten cliŽnten opnieuw hun verhaal vertellen. In samenwerkingsafspraken
tussen adviespunten en hulpverleningsinstellingen moet
ADVIES- EN STEUNPUNTEN HUISELIJK GEWELD 95
bekeken worden of intakeprocedures beter op elkaar afgestemd kunnen
worden dan nu het geval is.
Wisselende adviseurs. De 24-uurs bereikbaarheid van een adviespunt
vereist een grote pool van medewerkers. Dat betekent dat cliŽnten die
een tweede keer bellen zelden of nooit dezelfde persoon als de eerste
keer krijgen, wat minder plezierig is voor de cliŽnt. Ook maakt een
grote pool van medewerkers het snel opbouwen van specifieke deskundigheid
moeilijker.
Antwoordapparaat. Het werken met een antwoordapparaat vermindert
de laagdrempeligheid van het adviespunt. Een aantal cliŽnten zal
in het geval van een antwoordapparaat het contact met het adviespunt
verbreken.
52 Wie kan of moet zo’n advies- en steunpunt opzetten?46
De gemeente is de aangewezen partij om een advies- en steunpunt
op te zetten, als een regionale voorziening. Voor een kleine gemeente
is het echter niet haalbaar en nodig om een eigen advies- en steunpunt
op te zetten. Eťn steunpunt per regio is voldoende47 en de logische
plaats van vestiging is de centrumgemeente die een specifieke
uitkering vrouwenopvang krijgt. Het is nadrukkelijk de bedoeling
van het Rijk dat alle gemeenten in de betreffende regio betrokken
zijn bij het opzetten, gebruikmaken en instandhouden van het
(regionale) advies- en steunpunt. Voor de financiering van advies- en
steunpunten huiselijk geweld is een landelijke stimuleringsregeling
ingesteld.
De (centrum)gemeente kan kiezen voor een zelfstandig, nieuw
advies- en steunpunt huiselijk geweld of kiezen voor aanhaking bij
een bestaande organisatie. Dit kan zijn een bestaand advies- en
steunpunt kindermishandeling, een meldpunt vrouwenopvang, de
GGD, de vrouwenopvang, of het maatschappelijk werk. Het heeft
voor- en nadelen om een nieuw advies- en steunpunt huiselijk
geweld aan te haken bij een bestaand advies- en steunpunt, bijvoorbeeld
bij de vrouwenopvang. Een belangrijk voordeel is efficiŽntie.
96 HUISELIJK GEWELD
46 Het ministerie voor VWS zal begin 2005 een stappenplan ‘Hoe zet ik een
advies- en steunpunt op?’ uitbrengen.
47 De praktijk wijst uit dat een steunpunt met 24-uur bereikbaarheid op regionaal
niveau onbetaalbaar is. Daarom wordt bovenregionale samenwerking gezocht,
bijvoorbeeld op provinciaal niveau
Bepaalde diensten kunnen gedeeld worden en afstemming/samenwerking
gaat gemakkelijker als men bij elkaar gehuisvest is. Een
nadeel is dat huiselijk geweld onevenredig sterk geassocieerd zal
worden met het werkveld en/of de doelgroep van de organisatie
waarbij het adviespunt wordt aangehaakt. Ook bestaat het risico dat
het ’nieuwe’ thema huiselijk geweld blijvend ondergesneeuwd raakt
of dat de samenwerking tussen de verschillende bij huiselijk geweld
betrokken partners gefrustreerd raakt omdat er meer partners waren
die het advies- en steunpunt huiselijk geweld aangehaakt wilden krijgen.
Dit nadeel kan gedeeltelijk teniet worden gedaan door extra te
investeren in de communicatie en samenwerking tussen alle ketenpartners
en veel aandacht te besteden aan het informeren van het
publiek. Er moet op een goede manier duidelijk worden gemaakt dat
voortaan het bestaande steunpunt of de bestaande GGD ook het loket
is waar informatie, een eerste gesprek en verwijzing in verband met
huiselijk geweld, geboden wordt.
Waar zijn de 7 advies- en steunpunten ondergebracht?
De vrouwenopvang is de meest gekozen organisatie waar het adviesen
steunpunt huiselijk geweld is aangehaakt. Zo zijn de advies- en
steunpunten in de regio’s Amsterdam, Utrecht en Dordrecht (Zuid-
Holland-Zuid) en Zeeland (Blijf-van-mijn-lijf) ondergebracht bij de
vrouwenopvang. De gemeenten Delft en Haarlem hebben gekozen
voor aanhaking bij het algemeen maatschappelijk werk. De Stichting
Telefonische Hulpverlening Limburg is de uitvoerende organisatie
voor het advies- en steunpunt huiselijk geweld in Zuid-Limburg.
De keuze voor het onderbrengen van het advies- en steunpunt bij de
vrouwenopvang, het AMW of de Telefonische Hulpdienst is onder
andere bepaald door de volgende factoren:
• de initiatiefnemer voor de aanpak huiselijk geweld. In een aantal
gemeenten is dit de vrouwenopvang, vaak in samenwerking met
de politie;
• de reeds bestaande samenwerkingsrelaties tussen AMW, politie
en de vrouwenopvang;
• de inzet van het personeel, de mate van telefonische bereikbaar-
ADVIES- EN STEUNPUNTEN HUISELIJK GEWELD 97
heid van het steunpunt, het gebruik van spreekuren of inloopspreekuren
in de wijk;
• het aanbod in de vorm van telefonische dienstverlening, face-toface
gesprekken of doorverwijzing naar verdere hulpverlening;
• financiering.
53 Hoe zien de frontoffice en de backoffice eruit?
Voordat kan worden overgegaan tot het organiseren van de backoffice
is er al een lange weg van voorbereiding aan voorafgegaan. Het
inrichten van de backoffice hangt af van de wijze waarop de frontoffice
is georganiseerd en van de instellingen die de backoffice zullen
vormen. Het gestructureerde eigen beleid van de instellingen is
noodzakelijk voor een goede uitvoering van het steunpunt.
Instellingen werken graag binnen hun eigen kaders en zij moeten er
klaar voor zijn om een goede backoffice te vormen.
De frontoffice wordt over het algemeen gevormd door een team van
hulpverleners die in dienst zijn van de instelling waar het advies- en
steunpunt is ondergebracht. Dit kan de vrouwenopvang, het algemeen
maatschappelijk werk of de GGD zijn. De taken van de frontofficemedewerkers
zijn: het aannemen van telefoontjes, luisteren
naar het verhaal van de beller, het maken van afspraken voor een
persoonlijk gesprek of, indien nodig, het doorverwijzen van de beller
naar een hulpverlenende instantie. De telefonische hulpverleners
fungeren als eerste contact van de beller met het advies- en steunpunt.
De backoffice bestaat uit de samenwerkende instellingen in de regio,
die afspraken maken over de afstemming in het aanbod. De backoffice
kan bestaan uit een coŲrdinator die de partijen aanstuurt, uit
medewerkers registratie/documentatie bij de betrokken instellingen,
uit hulpverleners op uitvoerend niveau en uit aandachtsfunctionarissen
(managers op beleidsniveau). Een coŲrdinator is verantwoordelijk
voor de algehele leiding van het steunpunt, onderhoudt de contacten
met en tussen de instellingen en fungeert als gezicht naar bui-
98 HUISELIJK GEWELD
ten toe. De hulpverleners op uitvoerend niveau voeren face-to-face
gesprekken of telefonische gesprekken in crisissituaties. De aandachtsfunctionarissen
zijn verantwoordelijk voor de continuÔteit en
inbedding van het hulpaanbod binnen de eigen organisatie. Zij fungeren
op beleidsniveau.
De samenwerkingsafspraken op uitvoerend niveau worden meestal
vastgelegd in verwijsprotocollen. In deze samenwerkingsovereenkomst
staan de verantwoordelijkheden van instellingen bij verwijzing
vastgelegd. Het verwijsprotocol kan deel uitmaken van een breder
convenant.
De volgende afspraken kunnen in een convenant worden opgenomen:
• het toezien op de samenwerking en op het functioneren van het
advies- en steunpunt door middel van een projectgroep op beleidsniveau;
• het aanwijzen van een aandachtsfunctionaris die deelneemt in de
projectgroep. Elke instelling legt vast hoeveel tijd de aandachtsfunctionaris
beschikbaar heeft;
• de samenwerkende instelling legt binnen een week het eerste contact
met de cliŽnt die is doorverwezen vanuit het advies- en steunpunt;
• de participerende instelling ontwikkelt een intern protocol met
betrekking tot huiselijk geweld.
54 Hoe breng ik het advies- en steunpunt onder de aandacht
van burgers en professionals?
Het advies- en steunpunt kan op veel manieren onder de aandacht
van burgers en professionals worden gebracht. Een zorgvuldig opgezette
(regionale) voorlichtingscampagne over huiselijk geweld, waar
informatie over het (nieuwe) steunpunt onderdeel van uitmaakt, is
natuurlijk een prima aanpak. Maar het kan ook door een mix van niet
al te dure middelen: folders die breed verspreid worden, een spotje
op de lokale tv of radio, affiches om aan te plakken in buurthuizen,
scholen, politiebureaus, hulpinstellingen, consultatiebureaus of op
ADVIES- EN STEUNPUNTEN HUISELIJK GEWELD 99
straat. Een belangrijke voorwaarde voor succes is dat de capaciteit bij
het steunpunt voldoende is, zowel kwantitatief als kwalitatief, en dat
de backoffice op orde is. Publieke voorlichting over het advies- en
steunpunt zal leiden tot een grote(re) vraag naar informatie en advies
(frontoffice), maar ook tot een groter beroep op politie en hulpverlening.
In november 2004 is de ‘Toolkit campagne huiselijk geweld’
beschikbaar gesteld voor centrumgemeenten. De Toolkit is op cdrom
uitgebracht en bevat basismateriaal voor het voeren van een
(regionale) publiekscampagne.48
55 Hoe ga ik om met registratie?
Registratie is een belangrijk onderdeel van het advies- en steunpunt.
Het dient twee doelen:
• Registratie geeft informatie over een cliŽnt die nodig is voor adequate
doorverwijzing.
• Registratie houdt de activiteiten van het steunpunt bij en geeft
informatie over de aard en omvang van huiselijk geweld binnen de
regio.
Uit de Quickscan Advies- en Steunpunten huiselijk geweld blijkt dat de
inmiddels draaiende advies- en steunpunten registratie een lastig
onderdeel vinden. Er is geen passend registratiesysteem voorhanden
en de privacywetgeving komt ook regelmatig om de hoek kijken. In
principe worden gegevens anoniem geregistreerd, waardoor deze
niet kunnen worden uitgewisseld met de instellingen in de backoffice.
Het ontwikkelen van een apart registratieformulier huiselijk geweld
(dus niet als onderdeel van een bredere registratie) werkt het beste.
Het is daarbij zinvol om bij partners die inmiddels ervaring hebben
met de registratie van huiselijk geweld, zoals de politie, te rade te
gaan. Daarnaast is het van belang afspraken te maken met instellingen
over een eenduidige vorm van registratie. Zij hebben een eigen,
soms uniek registratiesysteem, waarin de registratie van huiselijk
100 HUISELIJK GEWELD
48 De Toolkit is vanaf januari voor alle gemeenten beschikbaar via www.vng.nl.
geweld een plek zal moeten krijgen. Het eventueel aanpassen van het
huidige systeem kost tijd en geld. Wilt u dat eenduidige registratie
echt goed van de grond komt, dan is facilitering in geld of menskracht
wenselijk.
De privacywetgeving en de verschillende beroepscodes die hierin een
rol spelen vormen een belemmerende factor in de ketenaanpak.
Regelmatig komen beroepsgroepen daarbij voor de vraag te staan
hoe zij moeten omgaan met het verstrekken van patiŽnt- of cliŽntgegevens
aan hun samenwerkingspartners. Om daarin helderheid te
verschaffen is een rapport geschreven: Samenwerking en beroepsgeheim.
Juridische mogelijkheden voor het uitwisselen van gegevens bij de
aanpak van huiselijk geweld.49 Deze publicatie biedt een antwoord op
de vraag onder welke voorwaarden het toegestaan is gegevens te verstrekken
aan samenwerkingspartners. Naast een aantal algemeen
geldende regels komen de specifieke regels aan de orde die gelden
voor de verschillende beroepsgroepen en sectoren die bij de aanpak
van huiselijk geweld zijn betrokken.
ADVIES- EN STEUNPUNTEN HUISELIJK GEWELD 101
49 Samenwerking en beroepsgeheim, Juridische mogelijkheden voor het uitwisselen van
gegevens bij de aanpak van huiselijk geweld. P. Baeten en L. Janssen. Utrecht,
juli 2002.
102 HUISELIJK GEWELD
7 Tot slot
Woord van dank
Bij de totstandkoming van deze publicatie is samengewerkt met verschillende
organisaties en personen waaronder gemeenten, het
ministerie van Justitie, SGBO en TransAct.
Bijzondere dank gaat uit naar Jorijn Scholten (projectleider huiselijk
geweld, Flevoland), Annet Rugenbrink (gemeente Hof van Twente),
Remko Paus (gemeente Zwolle), Han-Willem Groeneveld (gemeente
Capelle aan den IJssel), Dineke Engelenburg (gemeente Ede), Jan-
Willem Breukelman (gemeente Buren), Ina Veld (gemeente
Pijnacker-Nootdorp), Yvon Noordman (gemeente Doetinchem), Ko
Serier (gemeente Achtkarspelen), Karin Woltering (VNG), Lisette
van Gurp (TransAct), Nathalie Assen (SGBO) en Bram Serrťe
(SGBO).
Informatie en contact
Voor informatie over de aanpak huiselijk geweld door gemeenten of
over het ondersteuningstraject van de VNG kunt u terecht bij:
• Ministerie van Justitie: www.huiselijkgeweld.nl
• Frontoffice BJZ van de VNG: 070-3738020
• TransAct: 030-2326500, www.transact.nl
• SGBO: 070-3738357, www.sgbo.nl
• www.aanpakhuiselijkgeweld.nl
SGBO, Onderzoeks- en Adviesbureau van de VNG, en TransAct hebben
een actieve rol gespeeld bij de totstandkoming van deze publicatie.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Cora
Heijkoop (cora.heijkoop@sgbo.nl), Karin Jonker
(karin.jonker@sgbo.nl) van SGBO of Nonja Meintser
(nm@transact.nl) van TransAct.
TOT SLOT 103
104 HUISELIJK GEWELD
Bijlagen
Bijlage 1 Geraadpleegde bronnen
• Aa, van der, A.H.E. en P.J.T. Konijn. Ruimte voor regie. Handreiking
voor ketenregie in het openbaar bestuur. Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijkrelaties, Den Haag, 2003.
• Alexander, Stichting. Zonder drempels. Quickscan Advies- en steunpunten
huiselijk geweld. Amsterdam, in opdracht van het ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2004.
• Assen, N en E. Kingma. Aanpak huiselijk geweld. Den Haag, VNGSGBO,
2003.
• Baeten, P. en L. Janssen, Spelregels voor samenwerkingsverbanden
huiselijk geweld. Utrecht, NIZW, 2003.
• Beke, B.M.W.A. en M. Bottenberg. De vele gezichten van huiselijk
geweld. Aard, omvang en achtergronden. Amsterdam, in opdracht
van de gemeente Rotterdam, 2003.
• Denters, S.A.H. e.a. De regiefunctie in gemeenten. Preadvies Raad
voor het Openbaar Bestuur. Den Haag, 1999.
• Dijkstra, S. Kinderen die getuige zijn (geweest) van geweld tussen hun
ouders, een basisverkenning van korte- en langetermijneffecten.
Bilthoven, 2001.
• Dijk, van, T. e.a. Aard, omvang en hulpverlening van huiselijk geweld.
Rijswijk, Intomart, in opdracht van het ministerie van Justitie,
1997.
• Dutton, D.G. e.a. De Partnermishandelaar, een psychologisch profiel.
Bohn Stafleu Van Loghum, 2000.
• Gaalen, van J. Kernbeleid veiligheid, handreiking voor gemeenten. Den
Haag, VNG, 2003.
• Gurp, van, L. De Veilige gemeente. Vuistregels voor gemeenten die
beleid willen maken over seksueel en huiselijk geweld. Utrecht,
TransAct, 2000.
• Jaarsma, R.A. en Tierolf, B. Monitor huiselijk geweld in beeld.
Provincie Groningen, juli 2004.
BIJLAGEN 105
• Jonker, K. en F. Mulder. 57 vragen over de OGGZ. VNG, Den Haag,
2003.
• Jonker, K. e.a. De Zuid-Hollandse gemeenten en huiselijk geweld.
Inventarisatie van de aanpak Huiselijk Geweld van gemeenten in Zuid-
Holland. Den Haag, SGBO, 2004.
• Keus, R. en M.S. Kruijff. Draaiboek, Aware, instrument tegen belaging.
Een handreiking voor gemeenten. Den Haag, VNG, 2003.
• Korf, D. e.a. Economische kosten van thuisgeweld tegen vrouwen.
Utrecht/Amsterdam, St. Economisch Onderzoek Amsterdam,
1997.
• Kuijpers, M, N. Erten en M. van Relker. Huiselijk geweld en allochtone
gezinnen. Equivalent in samenwerking met provincie
Overijssel, juni 2004.
• Lier, L. van e.a. Inventarisatie van de aanpak huiselijk geweld 2003.
ES&E in opdracht van het ministerie van Justitie, Den Haag, 2003.
• Ministerie van Justitie. Privť-geweld – publieke zaak. Een nota over de
gezamenlijke aanpak van huiselijk geweld, Den Haag, 2002.
• Ministerie van Justitie. Privť-geweld – publieke zaak. Voortgangsbericht
over de aanpak huiselijk geweld. Den Haag, 2002.
• Rijksvoorlichtingsdienst. Ondersteuning gemeenten bij publiekscommunicatie
Huiselijk Geweld. Den Haag, 2004.
• Schoenmakers, C. en K. Smeets. Afstemming lokaal jeugdbeleidjeugdzorg.
VNG, Den Haag, maart 2003.
• Serrťe, B. en F. Mulder. 42 vragen over de jeugdgezondheidszorg,
VNG, Den Haag, 2003.
• Vink, R. Aanpak en preventie van huiselijk geweld. Een handreiking
voor GGD’en. In opdracht van GGD Nederland. Utrecht, 2004.
• Wolf, J. e.a. Monitor Maatschappelijke Opvang, jaarbericht 2003.
Trimbos-instituut, september 2003.
106 HUISELIJK GEWELD
Bijlage 2 Websites
Zorg/welzijn
www.fondsogz.nl Fonds Openbare Gezondheidszorg
www.ggdkennisnet.nl Informatie over preventie en de
activiteiten van GGD’en
www.ggznederland.nl Geestelijke Gezondheidszorg
Nederland
www.nigz.nl Nederlands Instituut voor
Gezondheidsbevordering en
Ziektepreventie
www.nizw.nl Nederlands Instituut voor Zorg en
Welzijn
www.opvang.nl Website van de Federatie Opvang
www.opkopzorg.nl Website van het ministerie van
VWS met onder andere informatie
over de modernisering van de
AWBZ
www.trimbos.nl Landelijk kennisinstituut voor
geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg
en maatschappelijke
zorg
www.vogz.nl Website van het Netwerk Gezonde
Gemeenten
Veiligheid
www.aanpakhuiselijkgeweld.nl Website van het VNG-ondersteuningsproject
aanpak huiselijk
geweld
www.amk-nederland.nl Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling
www.huiselijkgeweld.nl Website van het Netwerk huiselijk
geweld van het ministerie van
Justitie
BIJLAGEN 107
www.ilv.nl Informatiepunt Lokale Veiligheid
www.kindermishandeling.nl Deze website is in beheer van het
Expertisecentrum
Kindermishandeling van het
NIZW Jeugd.
www. politie.nl Landelijke website van de politie
www.seksueelgeweld.nl
Overheid
www.justitie.nl Ministerie van Justitie
www.minbzk.nl Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties
www.minszw.nl Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
www.minvws.nl Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport
www.minocw.nl Ministerie van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap
www.vng.nl Vereniging van Nederlandse
Gemeenten
www.europadecentraal.nl Informatiepunt Europa decentraal
Overig
www.transact.nl Landelijk expertisecentrum voor
seksespecifieke zorg en aanpak
huiselijk en seksueel geweld
www.sgbo.nl Sociaal Geografisch en Bestuurlijk
Onderzoeksbureau van de
Vereniging van Nederlandse
Gemeenten
www.forum.nl Instituut voor multiculturele
ontwikkeling
www.verenigingvanfondsen.nl Informatie over fondsen en het
Fondsenboek
108 HUISELIJK GEWELD
Bijlage 3 Afkortingen
AMK Advies- en Meldpunt Kindermishandeling
AMW Algemeen maatschappelijk werk
AWBZ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
BDU Brede doeluitkering
BZK Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
CADConsultatiebureau voor Alcohol en Drugs
DHV District Huisartsenvereniging
FIN Vereniging van fondsen in Nederland
FIOM Federatie van instellingen voor ongehuwde moeders
FO Federatie Opvang
G(G&)GDGemeentelijke/gemeenschappelijke/gewestelijke
(Geneeskundige) Gezondheidsdienst
GGZ Geestelijke gezondheidszorg
GSB Grotestedenbeleid
IVB Integraal Veiligheidsbeleid
JGZ Jeugd Gezondheidszorg
KLPDKorps Landelijke Politiediensten
MO Maatschappelijke opvang
NIZW Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn
OC&W Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OGGZ Openbare geestelijke gezondheidszorg
OGZ Openbare gezondheidszorg
OM Openbaar ministerie
PG Procureur-generaal
PGB Persoonsgebonden budget
RIAGG Regionale instelling voor ambulante geestelijke gezondheidszorg
RIO Regionaal Indicatieorgaan
SMART Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden
VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten
BIJLAGEN 109
VO Vrouwenopvang
VVI Vrouwenveiligheidsindex
VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WCPV Wet collectieve preventie volksgezondheid
WMO Wet maatschappelijke ondersteuning
ZN Zorgverzekeraars Nederland
110 HUISELIJK GEWELD

 

 

 

Hoe schrijft het Ministerie van Justitie een factsheet over "huiselijk geweld"?
De auteur van de website Censuur in Nederland is altijd op zoek naar publicaties van overheden en rechterlijke macht waaruit blijkt dat vrouwen bevoordeeld worden en mannen onderdrukt worden! Dat is niet zo moeilijk want de partijdigheid en vooringenomenheid van rechters en overheden voor vrouwen druipt meestal van hun publicaties en beslissingen van rechtbanken af om vaders maar te kunnen onderdrukken en financieel uit te kunnen kleden.
Tenzij de man een rechter is natuurlijk zoals in de Wedzinga zaakje.
 
Ik vond weer zo'n document: "de factsheet van het Ministerie van Justitie over huiselijk geweld". Let met name op de volgende passages:
Citaat: "Vrouwen en mannen worden ongeveer in gelijke mate het slachtoffer van huiselijk geweld. Het geweld tegen vrouwen is echter doorgaans ernstiger en vaker seksueel van aard dan het geweld tegen mannen. Bovendien worden mannen meestal op jeugdige leeftijd slachtoffer terwijl vrouwen in elke leeftijdscategorie slachtoffer kunnen worden van huiselijk geweld. De daders zijn over het algemeen mannen (ongeveer 80%)."
Citaat: "Bij huiselijk geweld is vaak sprake van een crisissituatie waarbij het gevaar van escalatie dreigt. Veel slachtoffers ontvluchten het huis en melden zich bij de vrouwenopvang of een Blijf van m’n Lijf-huis. De politie heeft de mogelijkheid om de dader aan te houden als er strafbare feiten zijn vastgesteld, maar is niet bevoegd de pleger uit huis te plaatsen."

Bedankt CDA oud CDA-rechter en nu Minister van Justtitie Donner voor weer zo'n prachtig bewijsstuk van uw Ministerie hoe u redeneert en rekent:

" Vrouwen en mannen worden ongeveer in gelijke mate het slachtoffer van huiselijk geweld.

De daders zijn over het algemeen mannen (ongeveer 80%)."

Rekenen kunnen ze ook heel goed bij het Ministerie van Justitie om hun maatjes bij de rechtbanken te helpen bij het uitvoeren van norm 259

J. Hop, auteur website Censuur in Nederland

Ministerie van Justitie: "Aanpak van huiselijk geweld - een kwestie die iedereen aangaat" Juli 2003

Deze factsheet geeft informatie over de aanpak van de overheid bij het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. Geweld in het privťdomein is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer wordt gepleegd. Het gaat daarbij om strafbare feiten. Huiselijk geweld komt voor in alle maatschappelijke milieus en binnen alle culturen. Geweld achter de voordeur is een maatschappelijk probleem. Wat wordt met de term ‘huiselijk geweld’ bedoeld? Huiselijk geweld kan bestaan uit fysiek geweld, seksueel geweld en psychisch geweld zoals bedreiging en belaging. Het kan de vorm aannemen van partnergeweld, kindermishandeling en geweld tegen ouderen. Plegers kunnen familieleden zijn - (groot)ouders, kinderen, ooms en tantes - of directe naasten zoals huisvrienden en (ex)partners. Slachtoffers kunnen mannen en vrouwen, jongens en meisjes zijn.
Aard en omvang van de problematiek Geweld in de privťsfeer is de omvangrijkste geweldsvorm in Nederland. Bij de aanpak van geweld in onze samenleving is het logisch deze geweldsvorm extra aandacht te geven. De maatschappelijke gevolgen zijn immers groot. Zo kunnen geweldservaringen in de privťsfeer leiden tot psychische problemen waarvoor een beroep wordt gedaan op de hulpverlening.Vooral bij kinderen zijn de gevolgen van huiselijk geweld groot. Zij kunnen last krijgen van slaapstoornissen, presteren vaak minder op school, isoleren zich van andere kinderen of gaan zelf over tot geweldgebruik. Er is onderzoek (1) verricht naar de gevolgen voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld. Daaruit is naar voren gekomen dat jaarlijks 100.000 kinderen getuige zijn van huiselijk geweld en dat 40.000 van deze kinderen een verhoogd risico lopen op (gedrags)problemen.
Uit onderzoek (2) is duidelijk geworden dat ruim 40% van de Nederlandse mannen en vrouwen ooit in hun leven te maken heeft gehad met huiselijk geweld. Bij meer dan 10% heeft dat tot lichamelijk letsel geleid. Een kwart van de Nederlandse bevolking heeft huiselijk geweld ervaren dat zich over een langere periode wekelijks of dagelijks voordoet. Bijna een derde van de Nederlandse bevolking ziet zijn of haar leven als gevolg van huiselijk geweld ingrijpend veranderen (o.a. echtscheiding, angstgevoelens, problemen met intimiteit).

Vrouwen en mannen worden ongeveer in gelijke mate het slachtoffer van huiselijk geweld. Het geweld tegen vrouwen is echter doorgaans ernstiger en vaker seksueel van aard dan het geweld tegen mannen. Bovendien worden mannen meestal op jeugdige leeftijd slachtoffer terwijl vrouwen in elke leeftijdscategorie slachtoffer kunnen worden van huiselijk geweld. De daders zijn over het algemeen mannen (ongeveer 80%).
Bijzondere aandacht is er ook voor huiselijk geweld bij etnische minderheden. Onderzoek (3) hiernaar in allochtone kring biedt een verontrustend beeld: 24% van de ondervraagden zegt ooit in zijn/haar leven slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld. Onderzoekers en allochtone organisaties vrezen dat het cijfer in werkelijkheid hoger ligt, omdat het onderwerp huiselijk geweld moeilijk bespreekbaar is onder allochtonen.
Stand van zaken landelijke aanpak huiselijk geweld
De kabinetsnota (4) Privť Geweld – Publieke Zaak die over dit onderwerp is verschenen, beschrijft lopend beleid en meer dan 50 nieuwe maatregelen om de aanpak van huiselijk geweld te verbeteren. Die maatregelen worden nu uitgevoerd. Aan de nota hebben veel organisaties en experts meegewerkt.
Het samenstellen van de nota heeft al veel op gang gebracht. Organisaties van binnen en buiten de overheid zijn zich gaan realiseren dat zij huiselijk geweld niet allťťn kunnen bestrijden. Politie, Openbaar Ministerie, reclassering, vrouwenopvang en andere hulporganisaties zullen moeten samenwerken. Daarbij spelen de gemeenten een belangrijke rol want de samenwerking moet vooral lokaal tot stand komen. In steeds meer gemeenten worden nu samenwerkingsafspraken vastgelegd. Er wordt gestreefd naar betere hulpverlening aan slachtoffers en behandeling van plegers van huiselijk geweld. Ook wordt er gewerkt aan  eskundigheidsbevordering van verschillende beroepsgroepen. Bestrijding van huiselijk geweld is speerpunt geworden in het beleid van organisaties zoals de politie, het Openbaar Ministerie en een toenemend aantal gemeenten.
Concrete resultaten en voorgenomen activiteiten Hieronder volgt een selectie van een aantal resultaten die de afgelopen jaren bij de bestrijding van huiselijk geweld tot stand zijn gekomen en van nieuwe, voorgenomen activiteiten.

Gemeenten Gemeenten hebben een regierol bij de aanpak van huiselijk geweld en het bevorderen van de samenwerking op lokaal niveau. Vorig jaar bleek (5) dat slechts 11% van de middelgrote gemeenten een beleid heeft voor de bestrijding van huiselijk geweld. Het is de bedoeling dat meer gemeenten actief worden. Zij moeten bewerkstelligen dat lokale organisaties sluitende afspraken maken, dat samenwerkingsconvenanten worden opgesteld en dat er gewerkt wordt met heldere handelingsprotocollen. Om gemeenten hierin te ondersteunen ontwikkelt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) met steun van het ministerie van Justitie een programma waarbij het accent zal liggen op uitwisseling van goede voorbeelden van de aanpak van huiselijk geweld en deskundigheidsbevordering van lokale bestuurders en beleidsmakers.

Politie De politie ziet, als het om huiselijk geweld gaat, maar het ‘topje van de ijsberg’. In 12% van de gevallen wordt de politie ingeschakeld, slechts 6% van de slachtoffers doet aangifte. Met ingang van 2003 is op initiatief van de Raad van Hoofdcommissarissen een project bij de politie gestart waarin landelijk de voortgang bij de politieaanpak van huiselijk geweld wordt gevolgd, een aanbod voor deskundigheidsbevordering wordt uitgewerkt, en stappen worden gezet om binnen de politieorganisatie binnen enkele jaren te komen tot een eenduidig registratiesysteem voor huiselijk geweldzaken. Daarnaast heeft elke politieregio een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld, die permanent aandacht aan dit onderwerp geeft.

In het strafrecht biedt artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht (misdrijf begaan in familierechtelijke betrekking) de mogelijkheid tot strafverzwaring als een dader zijn moeder, vader, partner of kind mishandelt. Strafverzwaring geldt ook als ouders seksuele handelingen verrichten met hun kind. Ook het verlaten van hulpbehoevende kinderen door ouders wordt zwaarder gestraft.
Op dit moment is een wetsvoorstel in voorbereiding waarbij de maximumstraf voor eenvoudige mishandeling wordt verhoogd van twee naar drie jaar gevangenisstraf. In combinatie met de al genoemde strafverzwaring brengt dit mee dat de dader onder omstandigheden ook ‘buiten heterdaad’ kan worden aangehouden en in voorlopige hechtenis kan worden genomen. Dit biedt de politie in de toekomst meer mogelijkheden om huiselijk geweld aan te pakken. Het wetsvoorstel waarin deze aanpassing is opgenomen is in juli 2002 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Openbaar Ministerie Het openbaar ministerie (OM) wil er aan meewerken dat huiselijk geweld stopt. Daartoe is onder meer aan het begin van dit jaar een notitie opgesteld door het college van Procureursgeneraal, waarin aanwijzingen worden gegeven voor de samenwerking OM-politie-reclassering, dossieropbouw, daderaanpak en slachtofferhulp. In elk arrondissement moet een officier van justitie als contactfunctionaris worden aangewezen die werkafspraken vastlegt met politie en reclassering, toeziet op een voortvarende aanpak van huiselijk geweldzaken door het parket en samen met de reclassering de mogelijkheden voor daderbehandeling inventariseert. Deze functionaris zorgt ook voor systematische registratie.

Hulpverleningsorganisaties Vroeger werd huiselijk geweld door de hulpverlening op de eerste plaats als een relationeel probleem gezien. Nu beseft men dat huiselijk geweld ook een veiligheidsprobleem is. De eerste opvang van slachtoffers (en behandeling van plegers) is erg belangrijk. Kort na het geweldsdelict blijken betrokkenen het meest ontvankelijk voor hulp van buitenaf. Dat moment biedt kansen voor hulpverlening aan het slachtoffer, het bereiken van de pleger voor aanbieding van daderbehandeling, maar ook voor het eventueel starten van juridische procedures.
Begin dit jaar is een onderzoek verschenen naar de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld, waaronder slachtoffers van geweld in partnerrelaties. Geconcludeerd wordt dat naar schatting 20 tot 30% van de cliŽnten in de eerste- en tweedelijns hulpverlening (seksuele) geweldservaringen achter de rug heeft. Uit het onderzoek blijkt dat de deskundigheid van de hulpverleners, de protocollering van de hulpverlening en de aandacht van het management voor deze problematiek, verbetering behoeven, met name in de sector van de geestelijke gezondheidszorg. Er zal in overleg met deze sector gekeken worden welke acties genomen gaan worden om verbetering in deze situatie te brengen.

Uit ervaringen in binnen- en buitenland blijkt dat bepaalde behandelingen van plegers van huiselijk geweld effectief zijn. Binnen de forensische psychiatrie wordt inmiddels daderbehandeling geboden.
Het ministerie van Justitie verricht op dit moment onderzoek naar de behoefte aan verandering bij gedetineerden (welk gedrag willen zij zelf veranderen), het aanbod (welke effectieve behandelingen zijn beschikbaar) en ‘witte vlekken’ (welke behandelmethoden moeten nog ontwikkeld worden). Binnen het gevangeniswezen is een aanvang gemaakt met het aanbieden van (pre-) behandeling van gedetineerden met agressieregulatiestoornissen. Plegers van huiselijk geweld kunnen van deze mogelijkheid gebruik maken.

Wet- en regelgeving Bij huiselijk geweld is vaak sprake van een crisissituatie waarbij het gevaar van escalatie dreigt. Veel slachtoffers ontvluchten het huis en melden zich bij de vrouwenopvang of een Blijf van m’n Lijf-huis. De politie heeft de mogelijkheid om de dader aan te houden als er strafbare feiten zijn vastgesteld, maar is niet bevoegd de pleger uit huis te plaatsen.
Uit onderzoek (6) is inmiddels gebleken dat een maatregel tot uithuisplaatsing van de pleger een belangrijke aanvulling kan zijn op bestaande regelingen, vooral als de pleger van het gezinsgeweld aanspreekbaar is op zijn gewelddadige gedrag. Er is ook gebleken dat er een breed draagvlak is voor een dergelijke crisismaatregel.
De minister van Justitie staat in beginsel positief tegenover het voorstel om het wettelijk mogelijk te maken de pleger tijdelijk uit huis te plaatsen. Een uitgewerkt kabinetsstandpunt, waarbij verschillende departementen betrokken zijn, zal naar verwachting dit najaar naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Communicatie Overheid en beroepsbeoefenaren moeten eensluidend de boodschap afgeven dat huiselijk geweld niet te accepteren en te rechtvaardigen is. Het lijkt logisch om deze boodschap via een grote publiekscampagne te communiceren. Echter, omdat een dergelijke campagne veel bij betrokkenen zou oproepen en de hulpverlening niet landelijk is georganiseerd, is hiervan afgeweken. In plaats van een dergelijke landelijke campagne wordt nagegaan of het mogelijk is regionale campagnes te ondersteunen.

Internationaal De Raad van Europa is een groot project gestart onder de noemer ‘Violence in every day life’ en heeft aanbevelingen voor alle lidstaten voor de aanpak van huiselijk geweld opgesteld. Daarmee hoopt men te bereiken dat de Europese lidstaten tot een sluitende aanpak van huiselijk geweld komen. Volgend jaar is Nederland voorzitter van de Raad van Europa. Bij gelegenheid van dit voorzitterschap zal Nederland een conferentie organiseren met het doel: uitwisseling van succesvolle Europese projecten op het gebied van criminaliteitspreventie. Huiselijk geweld is ťťn van de belangrijke onderwerpen op deze conferentie.
Meer informatie
De website www.huiselijkgeweld.nl biedt zowel organisaties die actief zijn in de aanpak van huiselijk geweld als slachtoffers concrete informatie. De website bevat nieuws en recente publicaties over huiselijk geweld. Ook wordt informatie gegeven over de verschillende organisaties en projecten die zich in Nederland bezighouden met de aanpak van huiselijk geweld. Via de site kunt u doorlinken naar de sites van verschillende organisaties.
Voorts biedt de kwartaalkrant huiselijk geweld.nl, die bij deze internetsite hoort, ook informatie over huiselijk geweld. De krant is bedoeld voor instanties en personen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de aanpak van huiselijk geweld. Via de website is het mogelijk een gratis abonnement aan te vragen.
 
(1) ‘Kinderen die getuige zijn geweest van geweld tussen hun ouders, een basisverkenning van korte en lange termijn effecten’, Sietske Dijkstra, Bilthoven, 2001
(2) ‘Huiselijk geweld – aard, omvang en hulpverlening’, Intomart, 1997
(3) ‘Huiselijk geweld onder Surinamers, Antillianen en Arubanen,Marokkanen en Turken in Nederland - aard, omvang en hulpverlening’, Intomart, 2002
(4) ‘Privť geweld - Publieke zaak’,Ministerie van Justitie, 2002
(5) ‘Inventarisatie projecten huiselijk geweld en aanpak huiselijk geweld op instellingsniveau – een verkennend onderzoek’,Verwey-Jonker Instituut, 2002
(6) ‘De pleger het huis uit. Knelpunten bij crisisinterventie en juridische mogelijkheden tot uithuisplaatsing van geweld binnenshuis’,Verwey-Jonker Instituut, 2003

 

 

Huiselijk geweld. Omdat in crisissituaties over huiselijk geweld veelal zowel rekening moet worden gehouden met verdenking van strafbare feiten als met de mogelijkheid van een uithuisplaatsing, ligt het voor de hand dat de hulpofficier van justitie steeds contact opneemt met de officier van justitie

 

Basis internettraining voor vaders die te maken krijgen met een valse aanklacht huiselijk geweld
1. Accepteer dat het rechtssysteem in Nederland partijdig is voor de moeder om moeder de kinderen toe te kunnen wijzen en vaders financieel uit te kunnen kleden en lees onderstaande documenten en publicaties over huiselijk geweld zodat u inzicht krijgt in de denk- en werkwijze van overheid en rechtersleger.
Onderbouwing.
Bron Ministerraad: " Het kabinet trekt daarnaast 8 miljoen euro uit voor het verbeteren van maatschappelijke opvang, de meldingsmogelijkheden van huiselijk geweld en de instroom in de vrouwenopvang"
Bron Ministerie VROM! Vrouwen die in een opvangtehuis verblijven en zijn mishandeld door hun (ex-)partner, krijgen met voorrang recht op een huurwoning. De wetswijziging moet een eind maken aan de overvolle opvanghuizen.
Bron Ministerie VROM! Mishandelde buitenlandse vrouwen komen nog niet in alle gevallen in aanmerking voor een huisvestingsvergunning, omdat zij voor hun verblijf afhankelijk zijn van hun (ex-)partner. Om deze buitenlandse vrouwen te kunnen helpen, moet de Huisvestingswet worden aangepast.
2. Als de politie bij u aan de deur komt om u na een valse aanklacht huiselijk geweld uit huis te zetten diskwalificeer de moeder niet! Verzet u niet tegen de politie en verlaat het huis zonder problemen en houdt uw mond dicht te maken. Met deze handelwijze bevestigt u in geen geval een aanklacht huiselijk geweld tegen u.
Uitlokken is een bekende methode. Het beeld dat de vader hiermee bereikt is dat de vader rustig en kalm is, de vader bevestigt op geen enkele manier de "diagnose" agressor inzake huiselijk geweld, de vader dient er bedacht op te zijn dat overheden en hun handlangers de vader zullen proberen te provoceren en uitlokken om het beeld de vader als agressor te kunnen bevestigen.
3. Als een vader het huis wordt uitgezet zullen alle instanties vervolgens gaan samenwerken om de vader als dader veroordeeld te krijgen, status quo van kinderen bij moeder te bevestigen en u waar mogelijk financieel uit te kleden. Leg dus geen verklaringen af en teken helemaal niets ook al wordt u een nachtje opgesloten in een politiebureau. 
4. Accepteer dat u alles kwijt bent, u heeft dus niets meer te verliezen.
5. Keer in geen geval terug naar huis en houdt allerlei gesubsidieerde hulpverleners bij u uit de buurt. Blijf uit de buurt van de moeder en neem geen contact met haar op. Als zij contact met u opneemt laat u zich dan niet verleiden tot allerlei uitspraken. De telefoongesprekken worden opgenomen om bewijs tegen u te verzamelen.
6. Het eerste wat u doet is naar de gemeente gaan en daar laat u uw woonadres wijzigen omdat u verhuist bent en vast staat dat u in geen geval naar het oude woonadres gaat terugkeren. Belangrijk is dat u geen vaste woon- en verblijfplaats meer heeft om met voorrang in een nieuwe woning te kunnen komen. Ook hiermee bevestigt u direct dat u slachtoffer bent en dus bij de dader uit de buurt wil blijven. U geeft op dat u nu een zwerver bent. Als ze op het gemeentehuis blijven vragen waar u woont en u heeft een auto die geparkeerd staat voor het gemeentehuis dan geeft u als woonadres straat en huisnummer van het gemeentehuis op waar uw auto op de parkeerplaats staat. De ambtenaar is verplicht dit adres in de basisadministratie op te nemen. Tot op dat moment heeft u netjes aan de regeltjes van de overheid voldaan en u bevestigt met deze werkwijze dat u slachtoffer van huiselijk geweld bent.
Het gegeven dat een ambtenaar van een gemeente verplicht is straat en huisnummer van het gemeentehuis in hun administratie op te nemen omdat u daar in uw auto woont betekent natuurlijk niet dat Bouw en Woningtoezicht het daar mee eens zal zijn. Zij zullen zo snel mogelijk proberen u uit uw auto als woonruimte te zetten en het kan zijn dat u uw tijdelijk woonruimte (auto) naar een andere straat moet verplaatsen als u daarvoor een bevel krijgt. Probleemloos opvolgen is mijn advies. Duidelijk is wel dat de overheid u ten onrechte uit huis heeft gezet en dus verantwoordelijk gesteld kan worden voor het razendsnel vinden van woonruimte om de schade die de overheid bij u heeft aangericht zoveel mogelijk te beperken. Nadat u zich op het nieuwe adres bij het gemeentehuis heeft ingeschreven gaat u naar sociale zaken. U heeft immers een adres en daar kunt u razendsnel gebruik van maken door te informeren welke uitkeringen u allemaal kunt aanvragen en gelijk hiervoor ter plaatse met hulp van de ambtenaar aanvraagformulieren invullen.
7. Als slachtoffer van huiselijk geweld heeft u met voorrang recht op een huurwoning. Besteed dus geen aandacht meer aan het verleden maar kijk in de toekomst probeer zo snel mogelijk een woning te krijgen en begin opnieuw. Als de moeder u tegen u wil blijft benaderen dient u onverwijld een straatverbod en contactverbod te vragen waarmee u direct kunt bevestigen dat de moeder de agressor in de onderhavige zaak is. U noteert systematisch wanneer zij tegen u wil op welke datum en tijd en op welke manier zij u heeft lastig gevallen of nog erger.
8. Omdat u de moeder niet diskwalificeert, u aantoonbaar uit de buurt blijft en geen contact met haar opneemt wordt direct aantoonbaar duidelijk dat de moeder de agressor is en maakt u in theorie de meeste kans de kinderen toegewezen te krijgen. U bent immers het slachtoffer van huiselijk geweld. Of dat in de praktijk gebeurt is de vraag omdat bekend is geworden dat vaders geen omgang krijgen met hun kinderen krijgen als moeder de kinderen bont en blauw slaat en vader daar kritiek op heeft. Het is in Nederland praktijk dat een moeder die de kinderen bont en blauw slaat met een bende hulpverleners erom heen de meeste kans maakt om de kinderen op te mogen voeden om toekomstige gesubsidieerde hulpverlening te kunnen blijven verkopen. Zo werkt dat in Nederland dus accepteer dat gewoon. Misschien hebben uw kinderen geluk dat er in de toekomst misschien een rechter is die deze praktijk niet meer gaat accepteren maar voorlopig is dat dus niet het geval.
9. Van groot belang in zulke zaken is dus dat een vader zijn emoties onder controle kan blijven houden in staat is samen met een of meer vertrouwenspersonen zakelijk, procedureel en systematisch weerwerk te leveren tegen het feit dat hij na een valse aanklacht door de overheid zijn huis is uitgezet.
10. Terugkeren naar de dader is nimmer een optie omdat u hiermee de (valse) aanklacht huiselijk geweld alleen maar bevestigd en hiermee het Justitiesysteem in de kaart speelt. Het is dus veel verstandiger om gelijk maar door de zure appel heen te bijten en ongeacht de consequenties bij de dader uit de buurt te blijven. Er wordt expliciet op gewezen dat ze daar bij het Openbaar Ministerie niet blij mee zullen zijn want die probeert bewijsbaar huiselijk geweld altijd te vervolgen en als u bewijsbaar bij de dader uit de buurt blijft, in geen geval contact met de dader wil en u kunt vervolgens bewijzen dat de dader u lastig valt dan zou je verwachten dat het OM de moeder als dader van huiselijk geweld gaat vervolgen. Maar zo werkt het ook weer niet in Nederland want het OM maakt geen fouten en zal dus ook zeker niet toegeven dat u ten onrechte het huis bent uitgezet en dus alles inzetten om u als dader aan te kunnen pakken.
Met het begrijpend lezen van deze gratis basistraining begrijpt u dus hoe het systeem werkt en hoe belangrijk het is bij de dader uit de buurt te blijven en in geen geval contact met de dader te zoeken.
 

De Roeterdink-norm. Code 271 UITZONDERINGEN!

 

--- Voorlichting <voorlichting@minjus.nl> wrote:

Geachte mevrouw X,

Indien er sprake is van een strafbaar feit, dan dient u aangifte te doen bij de politie. Het  Openbaar Ministerie (ook wel Justitie genoemd) is verantwoordelijk voor opsporing en vervolging. Hier is de Officier van Justitie werkzaam die belast is met de door u genoemde werkzaamheden. Het Openbaar Ministerie valt onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie, maar het is niet mogelijk om aangifte te doen via het ministerie.

Helaas kan ik verder niets voor u betekenen in deze.

Met vriendelijke groet,

Bennie Roeterdink

Publieksvoorlichter

Ministerie van Justitie

 

Ook vrouwen/moeders kunnen het slachtoffer worden van huiselijk en/of ander geweld. Zij kunnen het bovenstaande dus ook toepassen door het woordje man/vader te vervangen door vrouw/moeder.
Het gevaar! Stel nu dat een vrouw het slachtoffer is van huiselijk en/of ander geweld maar dat het Justitie-apparaat bang is voor de dader. Wat kan die vrouw hiertegen doen. 
Mijn eerste antwoord is verhuizen of emigreren! Accepteren dat je alles dus ook je kinderen kwijt bent en probeer ergens anders opnieuw te beginnen.
Onderbouwing. Als in Nederland politie en Justitie bang zijn voor de dader en/of belang hebben bij het ongemoeid laten van een dader dan gebeurt er niets om de vrouw tegen huiselijk en/of ander geweld te beschermen. Integendeel de werkwijze van de overheid is er dan op gericht het hele zaakje in de doofpot te stoppen op de manier zoals klokkenluiders worden aangepakt door de Nederlandse overheid. De zaak wordt niet behandeld maar afgestopt en dat is een van de bekendste trucs van de overheid in Nederland om een zaak in de doofpot te stoppen.
Een vrouw dient er dus terdege rekening mee te houden dat de overheid wel roept dat huiselijk en/of ander geweld tegen vrouwen moet worden aangepakt maar dat kan in de praktijk totaal anders uitpakken. Zulke zaken kenmerken zich onmiddellijk door de gebruikte methode van de overheid te analyseren en te herkennen.
1. De vrouw probeert aangifte te doen. De politie ambtenaar weigert een aangifte op te nemen.
2. De politie zegt de vrouw toe mutaties te maken. Bij navraag krijgt de vrouw geen kopie van die mutaties en bij nog meer navraag bestaan er geen mutaties.
3. Het doel van de politie (overheid) is niets te noteren en geen gegevens in hun systeem op te nemen. Er zijn dus geen gegevens over de zaak bekend.
4. De Roeterdink-norm. Het toepassen van het kastje naar de muur systeem. De politie stuurt de vrouw naar een advocaat en/of naar de jeugdzorg. De advocaat en/of de jeugdzorg sturen de vrouw weer naar de politie toe om aangifte te doen. Het doel hiervan is om de vrouw laat ik het netjes zeggen "wanhopig" te maken zodat de vrouw wordt uitgelokt om een wetje of regeltje te overtreden. Dit is gewoon een bekende truc van de overheid om van een slachtoffer een dader te maken en een slachtoffer als dader te gaan achtervolgen om op die manier ook de dader in eerste aanleg verder te kunnen beschermen en de hand boven het hoofd te kunnen houden.
Mijn tweede antwoord is: of systematisch werken en procedureel procederen. Accepteren dat je alles dus ook je kinderen kwijt bent en dus niets meer te verliezen hebt. Het systeem kan u dan veel moeilijker onder druk zetten. Het systeem heeft veel meer moeite met systematisch werken en procedureel procederen.
Stap 1 Als de politie geen aangifte wil opnemen noteer de naam van de politie-ambtenaar en dien tegen hem/haar gelijk een klacht in tegen de weigering om de aangifte op te nemen bij de politieklachtencommissie en bij de burgemeester en bij de Nationale Ombudsman. Het zijn dus drie procedurele zaken die deze politie-ambtenaar als klacht tegen hem ingediend krijgt en omdat de klacht bij drie instellingen is terechtgekomen lukt het de politie niet meer zo makkelijk om de zaak in de doofpot te stoppen omdat u van al deze drie klachtzaken kopietjes stuurt naar het Tweede Kamerlid van D66 de heer Boris Dittrich en de Justitiecommissie van de Tweede Kamer. Procedureel heeft u daarmee gedaan wat u op dat moment legaal het beste kunt doen om de aandacht op uw zaak te vestigen en de politie in beweging te krijgen uw aangifte op te nemen. Ik motiveer hier het kiezen voor Dittrich omdat ik met hem heb gesproken toen ik folders aan het uitdelen was voor de deur van het Parlement in de strijd om het contactjournaal en hij tijdens ons gesprek op mij een positieve indruk maakte en hij zit niet bij het CDA en de VVD welke partijen gelinkt kunnen worden aan het niet doorsturen van mijn bezwaarschrift naar de bezwaarschriftencommissie tegen de beslissing van Balkende/Zalm om mij geen bescherming te geven.
Stap 2. U maakt telefonisch een afspraak met een arrondissementsparket voor inzage in een bijbanenregister. Als ze vragen waarom u dat wilt dan zegt u dat u inzage wilt in dat register omdat het een openbaar register is dat u wilt inzien. U zegt verder niets. U hoeft dat ook niet te zeggen want het is een openbaar register en u hoeft zich ook niet te legitimeren. U schrijft alle gegevens uit het register over, stuurt die OM-bijbanengegevens naar de auteur van deze site zodat de gegevens van dat parket bijgewerkt kunnen worden en andere burgers uw werk niet steeds opnieuw over hoeven te doen. U vraagt de auteur de gegevens bij te werken met de code 271 uitzonderingen. Dit betekent dat iedere volgende burger direct weet dat er tenminste ťťn zaak is bij dat parket waar de code 271 uitzonderingen van toepassing is.
Wanneer u afschrift van de drie klachtzaken naar Dittrich en de Justitiecommissie gaat sturen maakt u melding van de code 271 uitzonderingen en het bijwerken van het OM bijbanenregister van dat parket op internet. De kracht hiervan is dat andere burgers die hetzelfde overkomt op dezelfde manier systematisch en procedureel gaan werken en er bij dat parket dus steeds meer code 271 uitzonderingen verschijnen zodat u niet meer in uw eentje bent maar kennelijk meer burgers hetzelfde probleem bij dat parket hebben. Er is dan niet meer sprake van een incident maar van een structureel probleem bij dat parket en u heeft de Tweede Kamer netjes geÔnformeerd.
Als dat allemaal niet helpt neem dan opnieuw contact met mij op met afschrift van de klachtzaken en alle namen van alle leden van die politieklachtencommissie die uw klacht niet gegrond hebben verklaard voor advies op maat.
J. Hop, auteur website Censuur in Nederland.

 

Het Openbaar Ministerie zal bewijsbare huiselijk geweld zaken in beginsel altijd vervolgen. 

Openbaar Ministerie presenteert Aanwijzing Huiselijk Geweld. Op 1 april a.s. treedt de Aanwijzing Huiselijk Geweld van het Openbaar Ministerie in werking. In deze aanwijzing wordt het beleid van OM en politie beschreven ten aanzien van de opsporing en vervolging van geweld dat wordt gepleegd in de huiselijke kring van het slachtoffer. Met de nieuwe aanpak wil het OM een bijdrage leveren aan het acuut stoppen van huiselijk geweld, het voorkomen van recidive, het herstellen van de geschonden norm en het vergroten van de aangiftebereidheid van het slachtoffer.  Huiselijk geweld betreft (ernstige) strafbare feiten, zoals lichamelijke en seksuele geweldpleging, belaging en bedreiging (soms gepaard gaand met beschadiging van goederen in en om het huis). Uit diverse landelijke onderzoeken blijkt dat huiselijk geweld op grote schaal voorkomt. Slechts in een gering aantal gevallen wordt aangifte gedaan. Een deel van de slachtoffers durft geen aangifte te doen, of verkeert in de veronderstelling dat politie en justitie daar geen gevolg aan zullen geven. Als verdachten van huiselijk geweld kunnen worden aangemerkt: (ex-)partners, gezins- en familieleden en huisvrienden. Verdachten en slachtoffers kunnen mannen, vrouwen, kinderen of volwassenen (waaronder ouderen) zijn. Een kenmerk van huiselijk geweld is de omstandigheid dat dader en slachtoffer (waaronder het minderjarige slachtoffer) vaak desondanks - en soms noodgedwongen - deel blijven uitmaken van elkaars leefomgeving. Hiermee hangt samen dat huiselijk geweld vaak een stelselmatig karakter heeft en er een hoog recidiverisico is. Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld ondervinden daarvan veelal schadelijke gevolgen. Deze aspecten vragen om een specifieke strafrechtelijke aanpak. Voor een effectief optreden van OM en politie is – gelet op het recidiverisico - een voortvarende aanpak van belang. Zo schrijft de aanwijzing voor dat de politie de verdachte terstond aanhoudt indien sprake is van een redelijk vermoeden van schuld bij een heterdaadsituatie. Verder worden alle gegevens in een als ‘huiselijk geweld’ geoormerkt dossier vastgelegd. Het OM zal bewijsbare huiselijk geweld zaken in beginsel altijd vervolgen. Een ander belangrijk uitgangspunt van de aanwijzing is dat daderhulpverlening in een zo vroeg mogelijk stadium wordt geÔntegreerd in de strafrechtelijke aanpak van huiselijk geweld. Hiermee kan een langdurig effectieve aanpak worden gerealiseerd. Naast richtlijnen voor OM en politie ten aanzien van de opsporing en vervolging, bestaat de aanwijzing uit randvoorwaarden, zoals benoeming van arrondissementale contactfunctionarissen, lokale werkafspraken met politie, reclassering en hulpverleningsinstellingen en deskundigheidsbevordering. In de kabinetsnota ‘Privť geweld, publieke zaak’ van april 2002 wordt een integrale aanpak onder regie van de gemeente bepleit om huiselijk geweld beter te kunnen bestrijden. De aanwijzing Huiselijk geweld van het Openbaar Ministerie vloeit mede voort uit de beleidslijn die met de kabinetsnota is ingezet.

 


 

Advies Nederlandse Vereniging voor Rechtsspraak inzake uithuisplaatsing plegers huiselijk geweld

257

ADVIES
inzake
Uithuisplaatsing plegers huiselijk geweld

1. Inleiding
Bij brief van 7 november 2003 heeft de minister van Justitie aan de NVvR verzocht advies uit te brengen over de notitie “Uithuisplaatsing van plegers van huiselijk geweld; aanzet voor een kabinetsstandpunt” van 6 augustus 2003.
Het advies is voorbereid door een bijzondere werkgroep, samengesteld uit leden van de vereniging werkzaam in de strafsector en de familiesector, en is vastgesteld door de wetenschappelijke commissie van de NVvR.

De genoemde notitie schetst de achtergronden van huiselijk geweld, geeft de resultaten weer van (door het Verwey-Jonker Instituut) verricht onderzoek naar het uithuisplaatsen van plegers van huiselijk geweld, geeft een analyse van het huidige instrumentarium om crisissituaties aan te pakken en doet een voorstel voor de mogelijke vormgeving van de maatregel van uithuisplaatsing in Nederland. Tot slot worden de voorwaarden voor invoering en de financiŽle consequenties besproken.

2. Bespreking van de notitie

2.1. Algemene opmerkingen
In de begeleidende brief van de minister is gevraagd om de visie van de NVvR op de in de notitie geschetste vorm en werkwijze bij uithuisplaatsing. In het bijzonder is verzocht aan te geven of de NVvR deze vorm en werkwijze ziet als een effectieve oplossing voor de in de notitie gesignaleerde knelpunten bij crisisinterventies. De NVvR zal zich beperken tot de beantwoording van deze vragen en mengt zich niet in de politieke besluitvorming over de vraag of invoering van een dergelijke maatregel gewenst is.

Op grond van de beschrijving in de notitie van de aard en omvang van huiselijk geweld (punt 1 van de notitie), de veranderde visie en praktijk (punt 2), de studies van het Verweij-Jonker Instituut (punt 3) en het huidige instrumentarium voor crisisinterventie (punt 4) zijn de achtergronden van het voorstel voor de NVvR voldoende toegelicht. Uit eerdere publicaties en trouwens ook uit de Aanwijzing van het College van procureurs-generaal over dit onderwerp was reeds bekend dat de aanpak van huiselijk geweld in toenemende mate de aandacht van Justitie krijgt.

De NVvR kan instemmen met de definitie van huiselijk geweld, zoals opgenomen in de notitie onder punt 1. Uit de notitie kan worden opgemaakt dat de minister vooralsnog slechts een regeling wenst te treffen voor partnerrelatiegeweld. Hoewel de redenen daarvoor in punt 8 van de notitie uiteen zijn gezet, is de NVvR van mening dat het de helderheid voor de praktijk ten goede zou komen wanneer de regeling van meet af aan breed toepasbaar zou zijn en tevens zou kunnen worden gebruikt voor geweldplegers tegen andere huisgenoten dan partners, zoals tegen minderjarigen en ouderen. Naar aanleiding van punt 1 kan terzijde worden opgemerkt dat een recente publicatie (NOVA 12-01-2004) melding maakt van onderzoek waaruit zou zijn gebleken dat vrouwen even frequent als mannen pleger van huiselijk geweld zijn.

De keuze voor de naam “Uithuisplaatsing meerderjarigen” wordt als minder gelukkig ervaren, omdat deze naam teveel associaties oproept met de uithuisplaatsing van minderjarigen, welke laatste maatregel een heel andere strekking en inhoud heeft. De NVvR doet de suggestie om de maatregel “huisverbod” te noemen, wat aansluit bij ingeburgerde uitdrukkingen als “straatverbod” of “stadionverbod”.

Voor de praktijk is de belangrijkste zorg dat een voorziening wordt getroffen voor de opvang van de plegers ten aanzien van wie de maatregel wordt toegepast. Er kan niet van worden uitgegaan dat de pleger steeds op zeer korte termijn bij familie of derden onderdak kan vinden. De effectiviteit van de voorgestelde maatregel is in hoge mate afhankelijk van de mogelijkheid tot het verlenen van onderdak aan de pleger door de overheid.

Omdat de notitie zich tot de hoofdlijnen beperkt, blijft thans onduidelijk wie het geweld kan melden en bij wie het geweld gemeld kan worden. In de notitie wordt terecht gesteld dat een snel en adequaat vervolgtraject na het ingrijpen door de politie essentieel is. Uit het Voortgangsbericht over aanpak van huiselijk geweld (notitie oktober 2003) blijkt dat de hulpverlening zowel kwantitatief als kwalitatief nog onvoldoende is. Het op orde zijn van het vervolgtraject is een conditio sine qua non voor de invoering van de maatregel van uithuisplaatsing.

2.2. Opmerkingen bij paragraaf 5 van de notitie.
De notitie schetst situaties waarin het strafrecht, gelet op de daarvoor geldende wettelijke vereisten, niet kan worden toegepast en waarin de bestaande civielrechtelijke regelingen evenmin voorzien. Er kunnen zich situaties voordoen die nog geen strafbaar feit opleveren, maar die wel dermate risicovol zijn dat preventief ingrijpen aangewezen is. Tijdens de duur van de uithuisplaatsing (“time out”) kan worden gewerkt aan het wegnemen van het gevaar. Ook in situaties waarin wťl verdenking van een strafbaar feit bestaat, doch geen voorlopige hechtenis wordt of kan worden toegepast, zou de voorgestelde maatregel kunnen worden ingezet.

2.3. Opmerkingen bij paragraaf 6.

2.3.1. Met de in paragraaf 6.1 beschreven uitgangspunten en de in paragraaf 6.2 beschreven doelstellingen van de maatregel kan de NVvR zich verenigen.

2.3.2. De notitie is niet duidelijk over de termijn gedurende welke een maatregel van uithuisplaatsing kan worden opgelegd. In de notitie (punt 7) wordt ervan uitgegaan dat de duur van de maatregel wordt bepaald door de hulpofficier van justitie in het bevel tot uithuisplaatsing. Het gaat om een ingrijpende overheidsmaatregel, zodat duidelijkheid over de maximumduur rechtsstatelijk geboden is. De NVvR stelt voor om, indien de maatregel in Nederland voor langere tijd mogelijk zou worden gemaakt – het Oostenrijkse voorbeeld gaat klaarblijkelijk uit van tien dagen (zie punt 3 van de notitie) –, de maatregel in twee fasen te onderscheiden. Ter vergelijking: ook in bijv. de Wet Bopz wordt onderscheid gemaakt tussen een kortdurende inbewaringstelling voor crisissituaties en rechterlijke machtigingen die voor een langere tijd gelden). Van deze veronderstelling uitgaande, zou een fasering kunnen zijn:
- Fase I: een ordemaatregel die bij het voldoen aan de criteria voor de duur van 10 dagen wordt opgelegd, met als doel het onverwijld beŽindigen van een acuut dreigende situatie;
- Fase II: na die 10 dagen kan tot uiterlijk zes maanden na de ordemaatregel, de maatregel van uithuisplaatsing meerderjarigen worden voortgezet indien de dreigende gevaarsituatie latent aanwezig blijft, waardoor voortzetting van de maatregel noodzakelijk is.

Daarbij passende cumulatieve criteria zijn in fase I:
a. de politie stelt op grond van feiten vast dat er sprake is van een acuut dreigende situatie met gevaar voor het slachtoffer en/of huisgenoten welk gevaar zo ernstig is dat moet worden gevreesd voor lijf, leven, gezondheid of vrijheid van het slachtoffer en/of huisgenoten, en;
b. de veiligheid van slachtoffer en/of huisgenoten vergt de toepassing van de maatregel dringend en onverwijld.

Bij fase II gelden soortgelijke criteria, met dien verstande dat alsdan geen sprake meer behoeft te zijn van een acute dreiging. De aanwezigheid van een latente dreigende situatie is voldoende. De maatregel moet wel redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de veiligheid van het slachtoffer en/of huisgenoten.

Doel van ingrijpen in fase I is crisisinterventie en het op gang brengen van hulpverlening. Doel van fase II is het scheppen van een situatie waarin tot meer permanente oplossingen kan worden gekomen.

2.4. Opmerkingen bij paragraaf 7

2.4.1. De NVvR acht het, met de opsteller van de notitie, niet wenselijk om de voorgestelde maatregel van uithuisplaatsing te plaatsen in het kader van het strafrecht: volgens de notitie is het de bedoeling een maatregel te scheppen die ook kan worden ingezet wanneer geen verdenking bestaat van een strafbaar feit. Indien de maatregel wordt ingevoerd, onderschrijft de NVvR de in de notitie uitgesproken voorkeur voor vastlegging hiervan in een afzonderlijke wettelijke regeling.

De vergelijking met een straatverbod doet de NVvR het volgende opmerken. Wil de maatregel het beoogde effect bereiken, dan kan het soms nodig zijn dat aan de pleger van huiselijk geweld niet alleen wordt verboden gedurende een bepaalde tijd in het huis te komen, maar ook wordt bevolen dat hij of zij zich gedurende de maatregel onthoudt van pogingen om contact op te nemen met de in het huis wonende persoon of personen.

2.4.2. In de notitie wordt voorgesteld dat standaard een rechterlijke toetsing plaatsvindt uiterlijk drie dagen na de uithuisplaatsing. In de begeleidende brief van de minister wordt uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor het alternatief dat niet de hulpofficier van justitie (een politiefunctionaris) de maatregel oplegt, maar de officier van justitie zelf aan de politie last geeft tot uithuisplaatsing, waarna aan de pleger de gelegenheid wordt geboden tot toetsing van de maatregel door de rechter. Speciaal op dit punt is om advies gevraagd.

De NVvR signaleert het praktische probleem dat een termijn van drie dagen wel heel erg kort is om opvang (vervangende huisvesting) en hulpverlening te organiseren, in het bijzonder wanneer binnen die drie dagen een weekend valt. Op het tijdstip waarop door de rechter getoetst moet worden, zal in veel gevallen weinig relevante informatie voorhanden zijn. Er bestaat dan ook een voorkeur voor het model waarbij de officier van justitie aan de politie last geeft tot uithuisplaatsing, waarna aan de pleger de gelegenheid wordt geboden tot toetsing van de maatregel door de rechter. Uitgangspunt is dat naarmate overheidsingrijpen een grotere inbreuk maakt op iemands rechten, de toepassing met meer waarborgen moet zijn omkleed. Waarborgen kunnen worden gevonden in de criteria waaraan moet zijn voldaan, de duur van de maatregel en in de autoriteit die de maatregel kan bevelen. De officier van justitie kan met een grotere afstand en mate van objectiviteit dan een plaatselijke politiefunctionaris de noodzaak tot oplegging van de maatregel beoordelen. Anderzijds is de voorgestelde maatregel beperkter van aard dan een vrijheidsbeneming: de betrokkene mag op ťťn plaats niet komen, maar is door de maatregel overigens niet in zijn bewegingsvrijheid beperkt.

Een termijn van tien dagen heeft als bijkomend voordeel dat aan de betrokken hulpverleners substantiŽle tijd wordt gegund om de acute dreiging weg te nemen en dat het gerechtelijk apparaat minder wordt belast. Aan de pleger jegens wie de maatregel is getrokken moet wel de gelegenheid worden geboden om zelf tussentijds aan de rechter de opheffing/schorsing van de maatregel te verzoeken. Ambtshalve zou in dat geval een advocaat moeten worden toegevoegd.

2.4.3. Ten aanzien van de uitvoeringsstappen, genoemd in de notitie:

ad stap 1 (signalering en risicotaxatie door de politie)
In de notitie, punt 6.1, wordt terecht aangegeven dat uithuisplaatsing niet in de plaats van het strafrecht komt. Gevallen waarin zowel verdenking bestaat van een strafbaar feit als reden is om een uithuisplaatsing te bevelen, zullen zich regelmatig voordoen. Het is gewenst dat hiervoor duidelijke criteria worden ontwikkeld.

ad stap 2: (Besluit door de hulpofficier van justitie)
De voorgestelde uithuisplaatsing is weliswaar een ordemaatregel en daarom een taak voor de politie, maar hangt nauw samen met de bevoegdheden van de officier van justitie op strafrechtelijk terrein. Omdat in crisissituaties over huiselijk geweld veelal zowel rekening moet worden gehouden met verdenking van strafbare feiten als met de mogelijkheid van een uithuisplaatsing, ligt het voor de hand dat de hulpofficier van justitie steeds contact opneemt met de officier van justitie. Naar de mening van de NVvR is het daarom praktisch, de beslissing over de opsporing van huiselijk geweld en die over de maatregel van uithuisplaatsing in ťťn hand te leggen en wel in die van de officier van justitie. Daarnaast acht de NVvR de voorgestelde maatregel van uithuisplaatsing zodanig ingrijpend dat de beslissing daarover op het niveau van de officier van justitie behoort te liggen.

ad stap 3: (Effectuering)
In de notitie, die zich tot hoofdlijnen beperkt, is nog niet duidelijk welke mogelijkheden er zijn om de nakoming van een opgelegde maatregel van uithuisplaatsing af te dwingen. Wat te doen, als de pleger zijn of haar sleutels niet wenst af te geven, weigert de woning te verlaten of later weer naar de woning terugkeert? Artikel 184 Wetboek van Strafrecht (niet voldoen aan een ambtelijk bevel) biedt niet steeds voldoende soulaas. Gedacht kan worden aan opneming van een aparte strafbepaling in het Wetboek van Strafrecht waaraan de mogelijkheid van voorlopige hechtenis is verbonden of aan een regeling die aansluit bij de rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde (artikelen 540 e.v. Wetboek van Strafvordering). De NVvR vreest dat het beoogde effect van de ordemaatregel niet zal worden bereikt ingeval niet een noodopvang aanwezig is. Immers als de pleger geen plek heeft waar hij/zij gedurende de duur van de maatregel kan verblijven, is de kans dat de pleger terugkeert naar zijn/haar huis groot. Dit kan negatief uitwerken, bijvoorbeeld wanneer het slachtoffer zich genoopt voelt om de pleger weer in huis te nemen wanneer deze geen geschikte verblijfplaats heeft, de politie wederom ter plaatse moet verschijnen en de verhoudingen tussen pleger en slachtoffer zo ernstig verstoord raken dat hulpverlening geen kans van slagen meer heeft of zelfs niet meer wordt geaccepteerd.

ad stap 4. (Rechterlijke toets)
Deze kwam hiervoor reeds ter sprake. Voor de vraag of van de beslissingen van de rechter hoger beroep en beroep in cassatie mogelijk moet zijn, kan aansluiting worden gezocht bij het systeem van de Wet Bopz.

2.5. Opmerkingen bij paragraaf 8
Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is de NVvR van oordeel dat het de helderheid voor de praktijk ten goede komt wanneer de maatregel van uithuisplaatsing niet beperkt is tot partnerrelatiegeweld maar geldt voor alle vormen van huiselijk geweld.

2.6. Opmerkingen bij paragraaf 9
De NVvR herhaalt hier hetgeen zij in de inleiding heeft opgemerkt, namelijk dat het op orde zijn van het vervolgtraject een conditio sine qua non is voor de invoering van de maatregel van uithuisplaatsing.

2.7. Opmerkingen bij paragraaf 10
Een zorgvuldig implementatietraject alsmede een evaluatie van de maatregel na uiterlijk 5 jaar wordt door de NVvR onderschreven.


3. Conclusie
Op de vragen, haar gesteld in de begeleidende brief van de minister, antwoordt de NVvR dat de in de notitie geschetste vorm en werkwijze een effectieve oplossing kan zijn voor de aldaar gesignaleerde knelpunten bij crisisinterventies. Met betrekking tot de vraag of de voorgestelde regeling voldoende helder en werkbaar is en of de NVvR wellicht nieuwe knelpunten voorziet bij invoering van een dergelijke maatregel, wordt verwezen naar hetgeen in hoofdstuk 2 van deze reactie is opgemerkt.

Op de vraag over de verschillende alternatieven, antwoordt de NVvR dat de variant waarin de officier van justitie (en niet de hulpofficier van justitie) de last tot uithuisplaatsing geeft, haar voorkeur heeft.


Namens het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak,
de wetenschappelijke commissie.

 

In de toekomst moet bij dreiging van huiselijk geweld of kindermishandeling preventief kunnen worden opgetreden met een tijdelijk huisverbod voor de pleger(s). Dat blijkt uit een voorstel van minister Donner (Justitie).

Bron: Ministerie van Justitie 9 juli 2004.

Uit onderzoek blijkt dat de huidige wetgeving onvoldoende mogelijkheden biedt om in crisissituaties preventief en effectief op te treden. Uitgangspunt blijft dat strafrechtelijk wordt opgetreden bij huiselijk geweld of kindermishandeling. Momenteel zijn echter geen maatregelen mogelijk als nog geen sprake is van strafbare feiten. Donner stelt daarom een huisverbod voor dat kan worden opgelegd in crisissituaties waarbij huiselijk geweld dreigt plaats te vinden, of gevaar dreigt voor leven, gezondheid of vrijheid. Het tijdelijk huisverbod heeft ook tot doel de dreiging en onrust in het gezin te doorbreken, een adempauze in te lassen en hulp op gang te brengen voor slachtoffer(s) en pleger. De details van de nieuwe wettelijke regeling moeten nog worden uitgewerkt. Gedacht wordt aan een huisverbod voor een periode van tien dagen, op te leggen door een hulpofficier van justitie (met instemming van de burgemeester). Binnen enkele dagen wordt dit huisverbod door een rechter getoetst en kan het verbod worden bevestigd, vernietigd of verlengd tot maximaal vier weken. Naar schatting vinden jaarlijks 800.000 tot 900.000 gevallen van huiselijk geweld plaats. 12% daarvan komt onder de aandacht van de politie. Het ministerie van Justitie verwacht dat er in 1000 tot 2000 gevallen per jaar een huisverbod zal worden opgelegd.

 

VOORTGANGSRAPPORTAGE AANPAK HUISELIJK GEWELD 

Bron: Ministerraad 24 oktober 2003. 

Het kabinet stelt een bedrag beschikbaar oplopend tot 7 miljoen euro in 2007 om gemeenten te ondersteunen bij de aanpak van huiselijk geweld. Dat staat in de voortgangsrapportage huiselijk geweld. Het kabinet trekt daarnaast 8 miljoen euro uit voor het verbeteren van maatschappelijke opvang, de meldingsmogelijkheden van huiselijk geweld en de instroom in de vrouwenopvang. Voortgang plan van aanpak De rapportage beschrijft de voortgang van de uitvoering van het plan van aanpak Privť Geweld - Publieke Zaak (2002). Ruim een kwart van de bevolking heeft dagelijks of wekelijks met huiselijk geweld te maken. In het plan van aanpak krijgen gemeenten een belangrijke regierol toebedeeld bij de lokale samenwerking tussen politie, openbaar ministerie, reclassering en hulpverlening. Om gemeenten hierbij te ondersteunen start de Vereniging Nederlandse Gemeenten met een speciaal project. Verder is er in de aanpak bijzondere aandacht voor huiselijk geweld onder allochtonen en wordt de deskundigheid van betrokken functionarissen bevorderd. Volgens het kabinet is de 'aanwijzing huiselijk geweld', die het college van procureurs-generaal in maart 2003 heeft uitgedaan, een belangrijke mijlpaal in de aanpak van huiselijk geweld. Deze aanwijzing dient als leidraad voor openbaar ministerie en politie bij meldingen van huiselijk geweld. Ook de uitgebreidere mogelijkheden van daderbehandeling heeft de aanpak in een aantal regio's effectiever gemaakt. Het kabinet overweegt daarnaast tijdelijke uithuisplaatsing van plegers mogelijk te maken. Een kabinetsstandpunt hierover gaat waarschijnlijk in december naar de Tweede Kamer.

SNELLER EEN HUURHUIS VOOR MISHANDELDE VROUWEN

Bron: Persbericht ministerie van VROM 30 juli 2003

Vrouwen die in een opvangtehuis verblijven en zijn mishandeld door hun (ex-)partner, krijgen met voorrang recht op een huurwoning. De wetswijziging moet een eind maken aan de overvolle opvanghuizen. De wijziging treedt naar verwachting eind september 2003 in werking. Daarna hebben gemeenten nog drie maanden de tijd om de eigen toewijzingsregels aan te passen. Mishandelde buitenlandse vrouwen komen nog niet in alle gevallen in aanmerking voor een huisvestingsvergunning, omdat zij voor hun verblijf afhankelijk zijn van hun (ex-)partner. Om deze buitenlandse vrouwen te kunnen helpen, moet de Huisvestingswet worden aangepast.

 

DRAAGVLAK VOOR MAATREGEL TEGEN HUISELIJK GEWELD

Bron: Ministerie van Justitie 7 april 2003

Minister Donner (Justitie) staat in beginsel positief tegenover het voorstel om het wettelijk mogelijk te maken een pleger van huiselijk geweld tijdelijk uit huis te plaatsen. Donner stelt dit in reactie op het rapport 'De pleger het huis uit' van het Verwey-Jonker Instituut. De minister heeft het onderzoek laten uitvoeren om inzicht te krijgen in de knelpunten bij de aanpak van huiselijk geweld. Het rapport is naar de Tweede Kamer gestuurd. Het kabinet komt naar verwachting komend najaar met een uitgewerkt standpunt. Voldoende draagvlak. Het Verwey-Jonker Instituut concludeert dat er in Nederland voldoende draagvlak is voor een maatregel tot uithuisplaatsing. Politie, openbaar ministerie, rechterlijke macht, reclassering en andere partners die betrokken zijn bij huiselijk geweld, geloven dat zo'n maatregel effectief kan zijn. Voorwaarde is wel dat tegelijk goede hulpverlening aan zowel het slachtoffer als de dader wordt geboden en dat de ketenpartners goed samenwerken. Huiselijk geweld. Huiselijk geweld, zoals mishandeling, bedreiging, seksueel geweld of psychische terreur, kan zowel tegen de partner of een kind zijn gericht. Steeds meer mensen vinden het onrechtvaardig dat een slachtoffer van geweld het huis uit moet vluchten. In plaats daarvan zou de geweldpleger (tijdelijk) het huis moeten verlaten, zodat het slachtoffer in de vertrouwde woonomgeving kan blijven. Andere Europese landen. Vorig jaar onderzocht het Verwey-Jonker Instituut hoe in landen als Oostenrijk en Duitsland de uithuisplaatsing is geregeld. Uit dat onderzoek bleek dat twaalf Europese landen al de mogelijkheid hebben om daders van huiselijk geweld uit huis te plaatsen

 

 

 
Dr. Katinka LŁnnemann
Mr. Annuska Overgaag
Januari 2003
De pleger het huis uit
Knelpunten bij crisisinterventie en juridische
mogelijkheden tot uithuisplaatsing
van plegers van geweld binnenshuis
2
Verwey-Jonker Instituut
3
Verwey-Jonker Instituut
Inhoudsopgave
1 Inleiding 5
Leeswijzer 8
2 Probleemstelling en opzet van het onderzoek 9
2.1 Probleemstelling en vraagstelling 9
2.2 Verantwoording van de methode 13
3 De strafrechtelijke aanpak van partnergeweld 17
3.1 Inleiding 17
3.2 De aanpak bij de politie 18
3.3 Een veranderende aanpak bij het openbaar ministerie 21
3.4 Een veranderende aanpak bij de reclassering 22
3.5 Ter afsluiting 24
4. Knelpunten bij de strafrechtelijke aanpak 25
4.1 Knelpunten bij de politie 25
4.2 Knelpunten bij het openbaar ministerie en de r-c 30
4.3 Knelpunten bij de reclassering 34
4.4 Handhaving van een straatverbod 38
4.5 Wetswijziging van artikel 300 en 304 Sr als oplossing? 39
4.6 Algemene knelpunten 40
4.7 Ter afsluiting 42
5 Civiele mogelijkheden en knelpunten 43
5.1 Kort geding 43
5.2 Voorlopige voorziening bij echtscheiding 47
5.3 Woningtoewijzing via de kantonrechter 49
5.4 Ter afsluiting 50
4
Verwey-Jonker Instituut
6 Draagvlak voor crisisinterventie 53
6.1 Draagvlak onder agenten 53
6.2 Draagvlak onder deskundigen 55
6.3 Uithuisplaatsing en specifieke groepen 58
6.4 Een breed draagvlak 62
7 Randvoorwaarden 63
7.1 Ondersteuning van het slachtoffer 63
7.2 Daderhulp 66
7.3 Een experiment uithuisplaatsing 68
8 Juridische vormgeving van uithuisplaatsing 71
8.1 Inleiding 71
8.2 Een strafrechtelijke maatregel 72
8.3 Een bestuursrechtelijke ordemaatregel 75
8.4 Een civiele maatregel 77
8.5 Verschillende mogelijkheden; geen voorkeur 80
9 Uithuisplaatsing: een aanvullend instrument? 83
9.1 De strafrechtelijke aanpak in beweging 83
9.2 Grenzen aan een strafrechtelijke aanpak 85
9.3 Draagvlak voor een crisismaatregel 86
9.4 Juridische vormgeving van uithuisplaatsing 88
Literatuur 93
Gebruikte afkortingen 95
Bijlage 1 97
Bijlage 2 107
5
Verwey-Jonker Instituut
1 Inleiding
Dinie en Lex zijn getrouwd en hebben twee kinderen. Als er spanningen zijn, leidt dit regelmatig
tot geweld. Dinie kan op die momenten aan de ogen van Lex zien dat wat zij ook doet, er een
uitbarsting zal komen. Naast deze momenten van dreiging en geweld zijn er ook goede momenten
en daar put Dinie hoop uit. In de loop der jaren eindigen ruzies steeds vaker in vernielingen
en mishandeling van Dinie. Dinie is naar het maatschappelijk werk gegaan, maar Lex
wilde niet met Dinie in ‘partnertherapie’. Het zoontje van zeven jaar vertoont veel agressief gedrag
op school. Het dochtertje is een teruggetrokken kleuter.
Op een dag, als Dinie zegt dat ze een boodschap moet doen bij de slager, wordt Lex razend;
hij bedreigt haar en grijpt haar bij de keel. De zoon van zeven rent naar de buren en deze
bellen de politie. De politie arriveert als de rust enigszins is weergekeerd. Het is niet de eerste
keer dat ze op dit adres langskomen. Ze zien een rustige Lex, die op hun vraag wat er aan de
hand is, uitlegt dat er onenigheid was, maar dat dit is opgelost. Ze zien een woedende Dinie,
die bij elke vraag woorden uitspuwt van razernij. Er zijn lichte striemen in de hals van Dinie. Het
meubilair is verschoven. Het meisje zit in een hoekje en kijkt met een naar binnen gekeerde
blik. De jongen staat achter zijn zusje.
Dit is een van de situaties van geweld binnenshuis waar de politie regelmatig mee wordt geconfronteerd.
Wat is wijsheid? Is de juiste aanpak de vrouw en kinderen te begeleiden naar een
opvangadres, of de vrouw te verwijzen maar een hulpverleningsinstelling? Of is het beter de
man aan te houden en mee te nemen naar het politiebureau om voorgeleid te worden voor de
(hulp)officier, zodat eventueel daarna de man, als verdachte van een poging tot zware mishandeling,
in verzekering kan worden gesteld in het belang van het onderzoek? Of zou in deze
situatie een uithuisplaatsing van de man gewenst zijn, dat wil zeggen dat de man het huis moet
verlaten en voor korte tijd, bijvoorbeeld tien dagen, niet terug mag keren?
Dit rapport gaat in op de vraag of een bevoegdheid tot uithuisplaatsing van de pleger van huiselijk
geweld is gewenst. De discussie of een mogelijkheid tot uithuisplaatsing in situaties van
geweld in de privť-sfeer in Nederland wettelijk geregeld moet worden is niet nieuw. In de jaren
tachtig zijn bijvoorbeeld Kamervragen hierover gesteld naar aanleiding van de nota Beleid ter
bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes (1984). De minister van Justitie
6
Verwey-Jonker Instituut
achtte het toen niet noodzakelijk.1 We zijn inmiddels ruim 15 jaar verder en er lijkt een ommekeer
gaande te zijn. Geweld binnenshuis wordt niet meer alleen als een privť-probleem beschouwd,
maar ook als een veiligheidsprobleem. Door deze verandering in definitie wordt het
logischer de verantwoordelijkheid voor het gepleegde geweld bij de pleger te leggen. Daarnaast
wordt het vanzelfsprekender dat de pleger van het geweld het huis moet verlaten, in plaats van
dat het slachtoffer, vaak de vrouw met kinderen, de vertrouwde omgeving moet ontvluchten
naar familie, vrienden of opvanghuis.
Dat geweld binnenshuis tegenwoordig niet meer alleen wordt beschouwd als een privťprobleem,
komt ook tot uitdrukking in de titel van de kabinetsnota over de aanpak van huiselijk
geweld Privť geweld – Publieke zaak.2 Geweld binnenshuis is een privť-probleem, maar eveneens
een publieke zaak; de overheid heeft hierin een taak. In deze nota wordt erkend dat met
de bestaande juridische mogelijkheden niet in alle gevallen een uithuisplaatsing van plegers
van huiselijk geweld kan worden gerealiseerd en voorgesteld wordt de mogelijkheid tot crisisinterventie
door uithuisplaatsing van plegers van geweld binnenshuis een wettelijke basis te geven.
Dit voorstel is mede gebaseerd op onderzoek naar mogelijkheden tot uithuisplaatsing in
Oostenrijk en Duitsland, waar eveneens een paradigmaverschuiving is te constateren.43 In
Oostenrijk en Duitsland kan de politie het bevel geven dat de pleger van geweld de woning
moet verlaten en niet mag terugkeren binnen tien dagen. Als het slachtoffer voor langere tijd
een contactverbod wil, moet een civiele vordering hiertoe worden ingesteld. De bevoegdheid tot
huisuitzetting (gekoppeld aan een betredingsverbod) door de politie blijkt in Oostenrijk een effectief
middel om het geweld binnenshuis tijdelijk te doorbreken. Naast de bevoegdheid tot crisisinterventie
door de politie en de civiele huisuitzetting en contactverboden, is de strafrechtelijke
route van groot belang in geval van ernstig geweld: ernstige mishandeling en poging tot
doodslag. Tegelijkertijd met het wetgevingstraject is in Oostenrijk een infrastructuur van de
grond gekomen: slachtoffers krijgen sociale en juridische ondersteuning via de Interventionstellen,
plegers van geweld binnenshuis hebben de mogelijkheid een zogeheten dadertraject
te volgen via de Mšnnerberatungsstellen en er zijn adviescentra voor het gezin, Familienberatungsstellen.
Deze infrastructuur, met name de ondersteuning van het slachtoffer, lijkt een belangrijke
voorwaarde voor een effectieve wet.
1 Kamerstukken II (1984) Nota Beleid ter bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes
19209, nr. 3 Zie ook: Medusa (1993) Kijkduin 2: stand van zaken en toekomstig beleid seksueel geweld,
congresverslag van gelijknamig congres op 12 november 1992. Utrecht: Medusapublicaties.
2 Ministerie van Justitie (2002) Privť geweld – publieke zaak, een nota over de gezamenlijke aanpak van
huiselijk geweld Den Haag: Ministerie van Justitie.
3 K.D. LŁnnemann, P.J.P. Tak en D.J.G. Piechocki (2002) Interventie door uithuisplaatsing Utrecht:
Verwey-Jonker Instituut.
7
Verwey-Jonker Instituut
De Minister van Justitie heeft in de nota Privť geweld - Publieke zaak aangegeven in beginsel
positief te staan tegenover het voorstel om in Nederland tot een regeling van huisuitzetting van
plegers van huiselijk geweld te komen.4
Het Ministerie van Justitie heeft het Verwey-Jonker Instituut de opdracht gegeven een verkennend
onderzoek te verrichten naar de knelpunten die de politie en andere beroepsgroepen ervaren
als zij worden geconfronteerd met een acuut geval van geweld binnenshuis en naar de
oplossingen die mogelijk zijn binnen het huidige juridische instrumentarium. Daarnaast is opdracht
gegeven tot het peilen van het draagvlak bij de betrokken uitvoerders voor een crisismaatregel
tot uithuisplaatsing van de pleger van geweld. Ook de knelpunten in de huidige civiele
regeling is onderwerp van dit onderzoek. Bovendien is gevraagd naar de wijze waarop een
regeling tot uithuisplaatsing vorm gegeven zou kunnen worden.
Dit onderzoek dient ter ondersteuning van het besluitvormingsproces omtrent de vraag of er
een wettelijke regeling ‘uithuisplaatsing plegers’ tot stand moet komen en zo ja, hoe een bevoegdheid
tot uithuisplaatsing van plegers van geweld kan worden geregeld.
4 Privť geweld - Publieke zaak (2002) p. 23. In het Algemeen Overleg Aanpak huiselijk geweld van 5
december 2002 heeft de Minister van Justitie toegezegd in februari 2003 zijn standpunt te bepalen. Zie
Kamerstukken II (2002-2003) Aanpak huiselijk geweld Verslag van een algemeen overleg 28345, nr. 3.
8
Verwey-Jonker Instituut
Leeswijzer
Het rapport is als volgt opgebouwd:
Na een inleiding in hoofdstuk 1 wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de probleemstelling en de opzet
van het onderzoek..
In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de strafrechtelijke aanpak van geweld binnenshuis door politie,
openbaar ministerie en reclassering, waarbij aandacht is voor de aanpak van partnergeweld
in allochtone kring.
In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan de knelpunten in de strafrechtelijke aanpak van
partnergeweld. Naast knelpunten die naar voren worden gebracht door de politie als het gaat
om de aanpak tijdens de crisissituatie, wordt ook ingegaan op de knelpunten die naar voren
worden gebracht door het openbaar ministerie en de rechter-commissaris als het gaat om het
vervolgtraject en in het bijzonder de problematiek van het opleggen van een inbewaringstelling.
Ook de knelpunten bij de reclassering rond de daderhulpverlening komt aan bod. Bijzondere
aandacht wordt besteed aan de handhaving van het straatverbod en de op handen zijnde wetswijziging
van mishandeling van echtgenoot, kind of ouder (art. 304 Sr).
In hoofdstuk 5 komen de civiele mogelijkheden en knelpunten aan bod met aandacht voor het
kort geding, de voorlopige voorziening bij echtscheiding en woningtoewijzing door de kantonrechter.
In hoofdstuk 6 wordt het draagvlak voor een crisismaatregel ‘uithuisplaatsing van plegers’ verkend
onder de politie en deskundigen in het veld. Eveneens wordt ingegaan op de vraag of
uithuisplaatsing geschikt is voor alle vormen van huiselijk geweld.
In hoofdstuk 7 wordt aangegeven welke randvoorwaarden noodzakelijk worden geacht ter ondersteuning
van een wettelijke regeling ‘uithuisplaatsing van plegers’, waarbij de nadruk wordt
gelegd op ondersteuning van het slachtoffer en daderhulp.
In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de wijze waarop een crisismaatregel juridisch vorm kan worden
gegeven en hoe de civiele maatregel kan worden gewijzigd zodat slachtoffers van partnergeweld
voor langere tijd het alleenrecht hebben om in het huis te wonen.
Ten slotte wordt in hoofdstuk 9 antwoord gegeven op de vraagstelling.
9
Verwey-Jonker Instituut
2 Probleemstelling en opzet van het onderzoek
Geweld binnenshuis omvat verschillende vormen van geweld, zoals mishandelen, bedreigen of
verkrachten, gepleegd door intimi. Een onderscheid kan worden gemaakt naar geweld tegen de
partner, geweld gepleegd tegen het kind of het kind dat zijn ouder mishandelt. De overheid, die
de term huiselijk geweld gebruikt, vat ook geweld gepleegd door de huisvriend eronder. Het
geweld kan bestaan uit bedreiging, mishandeling, seksueel geweld of psychische terreur.
In dit onderzoek staat de strafrechtelijke aanpak van partnergeweld centraal. Wat zijn de knelpunten
in de huidige strafrechtelijke aanpak van partnergeweld en is een bevoegdheid tot uithuisplaatsing
van plegers gewenst? Daarnaast wordt aandacht besteed aan de vraag of een
regeling ‘uithuisplaatsing van plegers van geweld in de woning’ geschikt is voor alle vormen van
huiselijk geweld.
2.1 Probleemstelling en vraagstelling
Als sprake is van een geweldssituatie in het gezin, zoals geschetst in de inleiding, kan de politie
in geval van heterdaad de verdachte van een strafbaar feit aanhouden en meenemen naar het
bureau (art. 53 Sv). Buiten heterdaad kan de verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige
hechtenis is toegelaten worden aangehouden (art. 54 Sv). Als sprake is van een feit waarvoor
voorlopige hechtenis mogelijk is, kan inverzekeringstelling volgen in het belang van het
onderzoek (art. 57 Sv). In bewaringstelling of gevangenhouding is mogelijk als ook aan de
gronden voor voorlopige hechtenis wordt voldaan (art. 67 en 67a Sv). Bij geweld binnenshuis
dat is te kwalificeren als mishandeling, vernieling of huisvredebreuk kan buiten heterdaad geen
inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis worden bevolen, noch kan de verdachte worden
aangehouden, gezien het lage strafmaximum (minder dan vier jaar) op deze delicten. Wel kan
de strafmaat met een derde worden verhoogd in geval van mishandeling van de echtgenoot,5
kind of ouder (art. 304 Sr). Er ligt een wetswijziging in het verschiet om deze strafverzwarende
bepaling te wijzigen door ‘levensgezel’ aan de bepaling toe te voegen en het strafmaximum van
mishandeling (art. 300 Sr) te verhogen tot drie jaar. Dit betekent dat in geval van geweld tegen
5 Ook geregistreerde partners vallen hieronder op grond van art. 90 octies Sr.
10
Verwey-Jonker Instituut
de echtgenoot, levensgezel, kind of ouder binnenkort een maximumstraf van vier jaar zal gaan
gelden, waardoor voorlopige hechtenis mogelijk wordt.6
Naast deze strafvorderlijke bevoegdheden, bestaat de mogelijkheid om op grond van een
rechterlijk bevel tot handhaven van de openbare orde (artikel 540 Sv) de pleger van huiselijk
geweld in geval van ontdekking op heterdaad, zonder dat sprake is van een feit waarvoor voorlopige
hechtenis mogelijk is, in verzekering te stellen. Voorwaarde is dat de openbare orde ernstig
is aangerand en groot gevaar voor herhaling bestaat. Geweld binnenshuis kan als een inbreuk
op de openbare orde worden beschouwd.
Gebleken is dat in geval van huiselijk geweld doorgaans geen vrijheidsberoving plaatsvindt
en, als dit het geval is, de vrijheidsberoving bij hoge uitzondering langer dan drie dagen duurt.
De ernst van het gepleegde geweld, vaak is het incident een vorm van mishandeling en vernieling,
laat een langere vrijheidsberoving niet toe. De weg van het rechterlijk bevel lijkt in de praktijk
niet te worden toegepast. De politie lijkt het als knelpunt te ervaren dat er een beperkte mogelijkheid
is de verdachte voor langere tijd vast te houden. Een langere periode is nodig om een
traject uit te stippelen met het slachtoffer en de pleger van geweld om de veiligheid van het
slachtoffer te kunnen waarborgen, bijvoorbeeld door het regelen van huisvesting en hulpverlening
aan slachtoffer en pleger.7 De wetswijziging van artikel 300 en 304 Sr zal het de politie
gemakkelijker maken verdachten van geweld gepleegd tegen de partner, dat is te kwalificeren
als mishandeling, in verzekering te stellen.
In het kader van een echtscheidingsprocedure kan het slachtoffer, doorgaans de vrouw (al dan
niet met kinderen) het huis worden toegewezen, ook als de pleger eigenaar is van het huis (art.
821 Rv). Voorwaarde is dat de echtscheiding wordt aangevraagd. Ook kan worden geprobeerd
via een kort geding het huurderschap van een gezamenlijk gehuurde woning toegewezen te
krijgen of de pleger direct uit huis geplaatst te krijgen. Tevens kan een contactverbod worden
gevorderd (art. 3:296 BW). Een kort geding kan worden aangespannen als een spoedeisend
belang een voorlopige voorziening vereist (art. 289 Rv) en de gedaagde een onrechtmatige
daad heeft gepleegd. Als in strijd wordt gehandeld met een wettelijke plicht, of een inbreuk
wordt gemaakt op een subjectief recht of ongeschreven fatsoensnormen worden overschreden,
is sprake van een onrechtmatige daad. Doorgaans zal het geweld in huiselijke sfeer een on-
6 Kamerstukken II (2002-2003) Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994
ivm herijking wettelijke strafmaxima 28484, nrs. 1-4.
7 Ministerie van Justitie (2001) Project Voorkomen en bestrijden ‘huiselijk geweld’, plan van aanpak Den
Haag p. 8.
11
Verwey-Jonker Instituut
rechtmatige daad opleveren.8 De rechter kan een machtiging verlenen dat naleving van een
verbod met behulp van de sterke arm kan worden afgedwongen. Het overtreden van een contactverbod
is geen strafbaar feit, zodat strafvorderlijke bevoegdheden niet kunnen worden toegepast.
9
In situaties van geweld in de woning zijn strafvorderlijke mogelijkheden alleen toepasbaar in het
kader van de waarheidsvinding in een strafrechtelijke procedure. De civiele mogelijkheden zijn
niet bedoeld om direct soelaas te bieden ten tijde van een geweldscrisis binnenshuis. Tegen
deze achtergrond lijkt het zinvol te onderzoeken of een crisismaatregel tot uithuisplaatsing van
plegers van geweld binnenshuis een adequate aanvulling is op het huidige instrumentarium en
of de civielrechtelijke mogelijkheden tot uithuisplaatsing en contactverboden tegen deze achtergrond
aanvulling behoeven.
Gelet op het voorgaande luidt de probleemstelling:
Is in Nederland een regeling ‘uithuisplaatsing van plegers van geweld binnenshuis’ gewenst?
Doel van het onderzoek is tweeŽrlei: ten eerste het in kaart brengen van de huidige knelpunten
die worden ervaren door actoren in het veld, betrokken bij de problematiek van geweld binnenshuis,
en ten tweede een peiling van het draagvlak dat aanwezig is voor het creŽren van
een nieuw crisisinterventie-instrument en voor het aanpassen van de huidige civiele mogelijkheden.
Als het gaat om interventiemogelijkheden tijdens een crisissituatie spelen de politie, en in
het verlengde daarvan het openbaar ministerie, een belangrijke rol. Ook de rechter-commissaris
of de reclassering kunnen een rol spelen, evenals de strafrechter als er is gedagvaard. In geval
het slachtoffer een civiele vordering instelt, zijn advocaten en rechters in de civiele sector de
eerst betrokkenen. Andere belangrijke actoren in het veld die van belang kunnen zijn als het
gaat om de mogelijkheden van uithuisplaatsing: de vrouwenopvang, maatschappelijke opvang
en Raad voor de Kinderbescherming.
8 K.D. LŁnnemann en D.J.G. Piechocki (2001) Seksueel geweld betaald gezet, juridische gids civiel- en
strafrechtelijke schadevergoedingsmogelijkheden Nijmegen: Ars Aqui Libri.
9 Dit wordt als een van de knelpunten in het AWARE-project beschouwd. Zie: RŲmkens, R. en S. Mastenbroek
(1999) Dan hoor je de vissen ademen. Over belaging en bedreiging van vrouwen door hun
ex-partner en de beveiliging door het AWARE-systeem. Utrecht: Universiteit Utrecht.
12
Verwey-Jonker Instituut
De vraagstelling, zoals door het Ministerie van Justitie geformuleerd, luidt:
a. welke knelpunten ervaren politie, openbaar ministerie, reclassering, advocaten, rechters en
vrouwenopvang thans in de aanpak van crisissituaties bij meldingen van huiselijk geweld en
in de civiele mogelijkheden van huisuitzetting van de pleger van geweld binnenshuis;
b. welke oplossingen worden aangedragen door politie, openbaar ministerie, reclassering,
advocaten, rechters, en vrouwenopvang;
c. welke verwachtingen en voorstellen heeft men ten aanzien van eventuele wetswijzigingen
met betrekking tot de uithuisplaatsing van plegers in crisissituaties en met betrekking tot de
civiele mogelijkheden tot huisuitzetting.
In de uitwerking van de vraagstelling is aandacht besteed aan crisisinterventie door het verwijderen
van de pleger van geweld uit de woning, civiele mogelijkheden tot woningtoewijzing aan
het slachtoffer van geweld in samenhang met contactverboden, en de huidige strafrechtelijke
aanpak van geweld binnenshuis.
De discussie over uithuisplaatsing speelt met name in situaties van partnergeweld, dat wil zeggen
als sprake is van geweld binnen een zelfgekozen (huwelijkse) relatie. De mogelijkheden tot
uithuisplaatsing betreffen echter alle situaties van geweld binnenshuis, dus ook in geval van
kindermishandeling. In Oostenrijk kunnen plegers van kindermishandeling uit huis worden verwijderd,
zowel in situaties van crisis op grond van een bevel van de politie, als door het instellen
van een civiele vordering met het verzoek de pleger de toegang tot het huis te ontzeggen. In
Duitsland geldt de regeling tot uithuisplaatsing van de pleger van kindermishandeling alleen
voor de crisisinterventie. In Nederland kan in geval van kindermishandeling momenteel de pleger
niet het huis uit worden gezet. Wel kan het kind onder toezicht of uit huis worden geplaatst
als sprake is van ernstige bedreiging van de geestelijke gezondheid of zedelijke belangen van
het kind (art. 1:254 e.v. BW). In de discussie over uithuisplaatsing van plegers van huiselijk
geweld zal de vraag moeten worden beantwoord voor welke groep plegers de regeling moet
gelden.
Terminologie
De term uithuisplaatsing wordt gebruikt voor de situatie dat de pleger van het geweld in de woning
de toegang tot de woning wordt ontzegd. Uithuisplaatsing dekt niet helemaal de lading,
omdat de pleger wordt bevolen het huis te verlaten en voor een beperkte periode niet terug te
keren; de pleger wordt niet geplaatst in bijvoorbeeld een opvanghuis. Bovendien wekt de term
uithuisplaatsing verwarring met de uithuisplaatsing van kinderen. Daarom wordt zoveel mogelijk
13
Verwey-Jonker Instituut
de term omzeild door een andere omschrijving, maar wegens het ontbreken van een goed alternatief,
blijft de term uithuisplaatsing gehandhaafd.
Er is onderzoek gedaan onder agenten van de basispolitiezorg. Deze groep wordt aangeduid
met agenten. Daarnaast is onderzoek gedaan onder sleutelfiguren van verschillende organisaties.
Deze worden aangeduid als deskundigen. Voor beide groepen wordt ook de term respondent
gebruikt.
2.2 Verantwoording van de methode
Het onderzoek heeft een verkennend karakter en dient ter ondersteuning van het besluitvormingsproces
omtrent de vraag of een wetgevingstraject zal worden gestart. Het onderzoek bevat
twee fasen: semi-gestructureerde interviews onder politiemensen (basispolitiezorg) en interviews
met sleutelfiguren.
Fase 1
In fase 1 is materiaal verzameld door in vijf politieregio’s semi-gestructureerde interviews af te
nemen bij mensen werkzaam bij de basispolitie. Er zijn in totaal 41 respondenten geÔnterviewd
op het politiebureau. In vier regio’s is een district bezocht en in een regio zijn twee districten
bezocht. In alle regio’s zijn rond de acht personen geÔnterviewd.
In drie van de vijf regio’s wordt enige of langere tijd gewerkt volgens een protocol ten aanzien
van de aanpak van huiselijk geweld. In een regio wordt gewerkt volgens een protocol ten
aanzien van vrouwenmishandeling en in een regio wordt niet volgens een standaard protocol
gewerkt. In de drie regio’s waar een protocol huiselijk geweld is, is men tevens begonnen met
het opleiden van het personeel. In de regio met een (oud) protocol vrouwenmishandeling, moet
men nog beginnen met het opleiden en in de regio zonder protocol weet men niet of men nog
wordt opgeleid.
Er is door ons een onderscheid gemaakt tussen regio’s die al een specifieke aanpak huiselijk
geweld hebben en bezig zijn met het opleiden van personeel en regio’s die nog niet bezig
zijn met het opleiden van het personeel. De eerste groep wordt aangeduid met een regio met
een specifiek beleid, afgekort tot regio-sb, en de tweede groep als een regio zonder specifiek
beleid, afgekort regio-zsb. Tot de eerste groep behoren drie regio’s (25 respondenten) en tot de
tweede groep behoren twee regio’s (16 respondenten).
14
Verwey-Jonker Instituut
De functies van de geÔnterviewde agenten lopen uiteen van floormanager tot plaatsvervangend
districtchef. De meerderheid van de agenten is werkzaam in de noodhulp (27) en tien agenten
zijn wijkagent.
De agenten zijn onverwacht geÔnterviewd. De interviewer sprak met de districtchef af op
welke dag er interviews zouden worden afgenomen op het politiebureau, en ter plaatse werden
aanwezige agenten benaderd of zij mee wilden werken aan een gestructureerd interview. Een
aantal vragen werd eerst open gevraagd, en vervolgens werd een aantal keuzemogelijkheden
voorgelegd. Dit leverde ‘spontane’ antwoorden op en ‘geholpen’ antwoorden. Deze spontane
antwoorden zijn later gecodeerd (postcodering).
Fase 2
Fase 2 omvat interviews met sleutelfiguren over de huidige knelpunten en het draagvlak voor
een crisisinterventiemaatregel. Voorafgaand aan het interview is hoofdstuk 4 (samenvatting en
conclusie) van het onderzoek naar de wetgeving omtrent uithuisplaatsing in Oostenrijk en
Duitsland opgestuurd aan deze sleutelfiguren. De meeste respondenten hebben dit voorafgaande
aan het interview gelezen. De regeling van Oostenrijk is als globale richtlijn genomen
voor het peilen van het draagvlak voor een dergelijk crisisinstrument en civiele vervolgmogelijkheden.
Het waren open interviews aan de hand van itemlijsten.
Er zijn 28 interviews afgenomen, zes personen zijn face tot face geÔnterviewd en 22 personen
zijn telefonisch geÔnterviewd. De sleutelfiguren komen uit de volgende sectoren:
• Politie (4)
- (plv.) districtchef en regionaal portefeuillehouder huiselijk geweld (3)
- trainer en oud-rechercheur
• Openbaar Ministerie (3)
- officier van justitie, taakaccenthouder seksueel en huiselijk geweld
- hoofdofficier van justitie, voorzitter werkgroep Seksueel en huiselijk geweld
- advocaat-generaal, deskundig op het terrein van seksueel en huiselijk geweld
• Reclassering (2)
- iemand op beleidsniveau betrokken bij huiselijk geweld (Veilig Huis)
- iemand op uitvoerend niveau betrokken bij huiselijk geweld (Veilig Huis)
• Forensisch-psychiatrische polikliniek (1),
- psychotherapeut van de Waag Den Haag over daderhulp
15
Verwey-Jonker Instituut
• Rechterlijke macht (7)
- kort geding rechter (1)
- kinderrechter (2)
- rechter in civiele sector, waaronder de familiekamer (1)
- strafrechter (2)
- rechter-commissaris in strafzaken (1)
• Advocatuur (5)
- specifiek deskundig op het terrein van seksueel en huiselijk geweld (4)
- gespecialiseerd in familiezaken (1)
• Vrouwenopvang (1)
• Maatschappelijke opvang (1)
• Gemeente (2)
- projectleider huiselijk geweld Haarlem (1)
- burgemeester kleine gemeente (1)
• Raad voor de Kinderbescherming (1)
- beleidsmedewerker
• Stichting hulp en advies aan allochtone vrouwen (1)
- voorzitter van de stichting
16
Verwey-Jonker Instituut
17
Verwey-Jonker Instituut
3 De strafrechtelijke aanpak van partnergeweld
3.1 Inleiding
Hoe wordt door de politie, het openbaar ministerie en de reclassering opgetreden in geval van
partnergeweld? Uit de inventarisatie van de aanpak van huiselijk geweld op instellingsniveau10
komt naar voren dat in 2002 in de verschillende politieregio’s gewerkt wordt aan een verandering
in de aanpak van geweld binnenshuis.11 Er zijn grote lokale verschillen, ook binnen politieregio’s.
Toch lijkt er binnen de politieorganisatie als geheel tegenwoordig meer aandacht te zijn
voor de problematiek van geweld binnenshuis dan een aantal jaren geleden. Bijna alle regio’s
hebben een protocol ‘Aanpak huiselijk geweld’ of zijn bezig zo’n protocol vorm te geven. In verschillende
regio’s krijgt de politie een training in de aanpak van geweld binnenshuis waarbij het
uitgangspunt is dat geweld gepleegd in de privť-sfeer een veiligheidsprobleem is. Het openbaar
ministerie heeft eveneens huiselijk geweld op de agenda staan. Bijna alle arrondissementen
vermelden iets over huiselijk geweld in hun jaarplannen en er worden aanspreekpunten huiselijk
geweld ingesteld. De reclassering is soms betrokken bij een samenwerkingsverband ‘huiselijk
geweld’.12
Wat vinden de mensen in het veld van de aanpak van huiselijk geweld? Aan agenten in de
basispolitiezorg is gevraagd hoe ze reageren op een melding van geweld binnenshuis. Daarnaast
is met deskundigen van de verschillende beroepsgroepen gepraat over de huidige aanpak
van huiselijk geweld. Deze deskundigen gaan allen in op de nieuwe aanpak van huiselijk
geweld, terwijl de agenten in de basispolitiezorg zowel werkzaam zijn in een politieregio zonder
specifiek beleid als met specifiek beleid. In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van veranderende
aanpak van partnergeweld bij de politie, het openbaar ministerie en reclassering.
10 K.D. LŁnnemann en A.M. Overgaag (2002) Inventarisatie projecten huiselijk geweld en aanpak huiselijk
geweld op instellingsniveau, een verkennend onderzoek Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
11 In 2000 heeft de minister van BZK hiertoe de opdracht gegeven en in mei 2001 heeft de minister van
BZK aangedrongen op een verbeterslag in de aanpak van geweld binnenshuis. Zie: Kamerstukken II
(2000-2001) Vaststelling begroting van uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van BZK (VII) voor
het jaar 2001 27400, nr. 3.
12 LŁnnemann en Overgaag (2002).
18
Verwey-Jonker Instituut
3.2 De aanpak bij de politie
Er lijkt een verschuiving plaats te vinden in het denken over geweld binnenshuis bij de politie:
geweld tegen de partner wordt niet meer alleen beschouwd als een relatieprobleem en hulpverleningsprobleem,
maar ook als een strafbaar feit waar strafrechtelijk optreden is geboden.
De nieuwe aanpak van partnergeweld houdt in dat het stoppen van het geweld centraal staat.
Deze verandering in aandacht wordt door verschillende sleutelfiguren verwoord. Een advocaat:
“Er heeft een omslag bij de politie plaatsgevonden; de politie heeft het onderwerp serieus op de
agenda, men wil niet alleen graag informatie, maar men wil ook aan de slag.” Iemand van het
openbaar ministerie: “De afgelopen tijd zijn er in veel regio’s convenanten afgesloten tussen
politie, openbaar ministerie en hulpverlening over de aanpak van geweld binnenshuis. Er zijn nu
convenanten in zeker negen arrondissementen.”
Onder huiselijk geweld wordt door de agenten, die bevraagd zijn via een gestructureerde vragenlijst,
verstaan: ‘alles wat binnenshuis plaatsvindt’ of ‘alles wat binnen het gezin plaatsvindt’
(n=41). Hier wordt doorgaans alleen partnergeweld onder geschaard.13 Ook kindermishandeling
vindt men onder huiselijk geweld vallen, maar in de praktijk worden agenten hier nauwelijks
mee geconfronteerd; dit zijn gevallen voor de jeugdpolitie. Ouderenmishandeling is geen item
voor de agenten; sommigen hebben er nog nooit van gehoord. De aanpak van huiselijk geweld
is in feite de aanpak van partnergeweld, hoewel de mogelijkheid bestaat de aanpak ook toe te
passen op situaties van kindermishandeling of ouderenmishandeling.
Uit de gestructureerde interviews met politiemensen komt naar voren dat agenten werkzaam in
regio’s-sb vaker zeggen te worden geconfronteerd met een geval van partnergeweld dan
agenten werkzaam in een regio-zsb.14 Dit wordt bevestigd door de geÔnterviewde deskundigen;
huiselijk geweld wordt eerder herkend door politiemensen en er is vaker een bewustzijn aanwezig
dat een snelle reactie moet plaatsvinden als er een specifiek beleid is.15 Die snelle reactie
bestaat niet alleen uit bemiddelen of doorverwijzen; er is bovendien meer oog voor aanhouden
en inverzekeringstelling als sprake is van een heterdaad situatie of verdenking van een ernstig
13 Er waren drie respondenten die opmerkten dat bij hun de nadruk ligt op vrouwenmishandeling en dat
dit ook zo staat verwoord in het protocol.
14 De helft van de agenten werkzaam in een regio-sb zegt dat zij een keer per week of vaker wordt geconfronteerd
met een geval van huiselijk geweld, terwijl 20% van de agenten werkzaam in een regiozsb
dit zegt (zie: Bijlage, Tabel 1).
15 Uit de semi-gestructureerde interviews komt naar voren dat er geen training van de politie plaatsvindt
als er geen protocol ‘huiselijk geweld’ aanwezig is.
19
Verwey-Jonker Instituut
strafbaar feit. Een respondent van het openbaar ministerie: “De politie houdt nu sneller een
verdachte van strafbare feiten in het gezin aan als sprake is van een heterdaadsituatie: huilende
vrouw, kinderen, verschoven meubilair. Als er daarnaast een verklaring van het slachtoffer is
die wijst in de richting van mishandeling en bedreiging, dan wordt aangehouden. Maar als de
vrouw zegt dat er niets aan de hand is, dan moeten er andere feiten zijn, zoals letsel, vernielingen
of verklaringen van buren, die geschreeuw hebben gehoord en geweldplegingen hebben
gezien. Momenteel kan in geval van een verdenking van mishandeling of vernieling niet langer
worden vastgehouden dan zes uur, omdat dit geen feiten zijn waar voorlopige hechtenis voor
kan worden opgelegd. Echter, vaak is sprake van feiten (poging tot zware mishandeling of bedreiging)
waarvoor wel voorlopige hechtenis mogelijk is.”
Op de vraag ‘wat doet u nu als u het gevoel heeft dat het slachtoffer gevaar loopt?’ antwoordt
76% van de agenten werkzaam in een regio-sb (n=25) dat de verdachte wordt aangehouden
tegenover 43% van de agenten werkzaam in regio’s-zsb (n=16).16 Een politieagent: “Indien er
acuut gevaar is of sprake is van heterdaad houd ik de pleger aan, eventueel ambtshalve. Wel
luister ik altijd naar wat het slachtoffer wil. Dus als die niet wil dat ik de pleger aanhoud, doe ik
dat niet.” En een andere politieagent: “Ik houd alleen aan, indien aangifte is gedaan. Ambtshalve
gebeurt bijna nooit; dan moet je toch op heterdaad getuige zijn van een strafbaar feit. Ik adviseer
de pleger altijd om weg te gaan, nooit het slachtoffer.’”
Naast aanhouding van de verdachte wordt het slachtoffer geadviseerd om weg te gaan en
dit lijkt iets vaker te gebeuren als geen sprake is van een specifiek beleid: 44% regio-sb tegenover
62% regio-zsb. De pleger krijgt in het algemeen minder vaak het advies om weg te gaan
(24% regio-sb en 19% regio-zsb). Een agent: “Eigenlijk stuur ik het slachtoffer altijd weg, soms
adviseer ik de pleger om weg te gaan, maar meestal lukt dat niet. Ik houd niet vaak aan, alleen
in echt ernstige gevallen."
Een klein aantal agenten, zowel in de regio’s met als zonder een specifiek beleid, geeft aan
hulpverlening te bieden (respectievelijk 16% en 12%). Er is een aantal regio’s waar de pleger
van huiselijk geweld een aanbod tot hulpverlening krijgt in het zogenaamde vrijwillige traject;
zonder dat aangifte is gedaan, wordt de man, en soms de vrouw, daderhulp aangeboden. Nadat
de politie op de hoogte is van geweld binnenshuis, vaak doordat is opgetreden na een melding
bij de politie, krijgt de pleger als hij niet is aangehouden, een oproep om op het politiebureau
te komen. Als de pleger vrijwillig verschijnt, vindt een gesprek plaats met iemand van de
politie (of het maatschappelijk werk van de politie) en iemand van de forensisch-psychiatrische
polikliniek, de Waag, die het aanbod doet tot daderhulp.
16 Zie: Bijlage 1, Tabel 2A.
20
Verwey-Jonker Instituut
Als de vier manieren van optreden als mogelijkheid worden voorgelegd aan agenten, antwoorden
de agenten dat zij alle interventies toepassen. Dit geldt in zowel regio’s met en zonder
specifiek beleid. Er is een opvallend verschil: als het gaat om het wegsturen van de pleger,
wordt dit door 25% van de agenten in een regio-zsb genoemd tegenover 92% van de agenten
in regio’s-Sb (zie Bijlage 1, Tabel 2B).
Als sprake is van een specifiek beleid wordt vaker spontaan gezegd dat de verdachte wordt
aangehouden dan dat het slachtoffer wordt geadviseerd om weg te gaan (76% regio-sb versus
44% regio-zsb). Als er geen sprake is van een specifiek beleid is dit omgekeerd, dan wordt juist
vaker spontaan gezegd dat het slachtoffer wordt geadviseerd om weg te gaan (regio-zsb 62%
versus regio-sb 43%). Deels vindt er een overlap plaats; er wordt zowel gezegd dat wordt aangehouden
als dat het slachtoffer wordt geadviseerd het huis te verlaten. Een mogelijke verklaring
zou kunnen zijn dat de verdachte nadat hij is aangehouden, doorgaans niet lang vast zal
zitten en het voor de veiligheid van het slachtoffer beter kan zijn dat zij in de tussentijd persoonlijke
spullen pakt en een opvangadres zoekt. De verklaring voor de overlapping kan ook zijn dat
de vraag algemeen is gesteld, en niet aan de hand van een casusbeschrijving, waardoor meerdere
antwoorden mogelijk zijn. Een agent: “Het is belangrijk om de partijen te scheiden, dat is
de enige manier om het geweld te stoppen. Op welke manier je de partijen scheidt is afhankelijk
van het geval. Eerst probeer je de pleger weg te halen, maar als dat niet lukt, adviseer ik toch
het slachtoffer om weg te gaan. Zeker als er gevaar dreigt.”
Een opvallend verschil tussen regio’s met en zonder specifiek beleid is dat agenten in een
regio-sb vaker aangeven de pleger te adviseren het huis te verlaten dan agenten uit een regiozsb
(92% versus 25%).
Er zijn geen pasklare antwoorden voor een adequate aanpak van partnergeweld; het is afhankelijk
van het individuele geval wat de meest adequate aanpak is. Een deskundige van de politie
verwoordt de nieuwe aanpak als volgt: “De aanpak, gericht op het stoppen van geweld,
houdt enerzijds in dat gekeken wordt hoe een goed hulpaanbod aan slachtoffer en pleger van
de grond kan komen en anderzijds dat er zoveel mogelijk moet worden aangehouden. In de
zogenaamde plegerfase staat hulpverlening voorop en in de verdachtenfase het aanhouden en
in verzekering stellen. Als sprake is van mishandeling en van kans op herhaling is het beleid dat
verdachte wordt aangehouden en in verzekering wordt gesteld. Als sprake is van mishandeling
zonder letsel en er is geen sprake van recidive, dan wordt niet aangehouden. Na aanhouden
wordt gebeld met de officier van justitie en komt de hulpofficier erbij. Het nieuwe van de aanpak
is dat de voorgeschiedenis erbij wordt getrokken; er wordt niet alleen naar het incident gekeken.
Het is de bedoeling dat er meer outreachend wordt gewerkt. Het openbaar ministerie staat
achter deze nieuwe aanpak en zal bij voldoende bewijs ambtshalve vervolgen.”
21
Verwey-Jonker Instituut
Verschillen tussen de aanpak van partnergeweld door autochtonen en allochtonen
Verschillende respondenten geven aan dat de politie eenzelfde aanpak heeft voor autochtone
en allochtone plegers van geweld tegen de partner. Wel lijkt het strafrechtelijke optreden een
grotere impact te hebben op plegers van allochtone afkomst.17 Een politiefunctionaris: “Als huiselijk
geweld plaatsvindt in allochtone kring wordt niet anders opgetreden. Laatst was een
vrouw een kaakfractuur geslagen door haar echtgenoot omdat ze niet snel genoeg de trap afkwam.
De man was verbaasd dat hij werd aangehouden en zonder aangifte van de vrouw
ambtshalve is vervolgd. Dit werkt normstellend. Bij allochtonen heeft ingrijpen een grote impact,
het wordt als grote schande ervaren als hij wordt aangehouden. Er wordt vaker door de buren
gebeld bij geweld in allochtone kring, terwijl Nederlandse slachtoffers vaker zelf bellen, denk ik
althans gevoelsmatig. Autochtone slachtoffers hebben meer opvangmogelijkheden, en daarom
zitten ze minder in de vrouwenopvang.” Verschillende respondenten wijzen op de grotere invloed
van de familie bij Turken en Marokkanen, waardoor interventie door de politie vaak als
een grote schande wordt ervaren, zeker als de man wordt aangehouden en vastgezet. De voorzitter
van een stichting die opkomt voor de belangen van allochtone vrouwen en meisjes verwoordt
het als volgt: "Een Turkse of Marokkaanse vrouw moet niet alleen verantwoording afleggen
aan haar man, maar ook aan de dorpsgenoot, familie en goede buur in de straat. Deze
gemeenschappen zijn hecht en wonen vaak vlak bij elkaar. Iedereen houdt elkaar in de gaten.
Dit staat vrij bewegen in de weg. Ook bij conflicten in de relatie-sfeer speelt de gemeenschap
een rol. Als een vrouw is weggelopen, is daar weer de sociale omgeving. De man verliest zijn
gezicht. Iedereen vindt hem zielig of lacht hem uit. Het is een eerkwestie. Soms vindt de omgeving
dat hij ongelijk heeft en dat hij haar terug moet nemen. Ook al wil hij dat helemaal niet! Als
hij van binnen voelt dat zijn eer is aangetast, dan moet hij iets doen".
3.3 Een veranderende aanpak bij het openbaar ministerie
Er zijn regio’s waar het openbaar ministerie betrokken is bij een protocol “Aanpak huiselijk geweld’.
In die regio’s lijkt vaker voorgeleiding voor de rechter-commissaris plaats te vinden om
inbewaringstelling te vorderen, of schorsing van de voorlopige hechtenis met als voorwaarde
daderhulp of een straatverbod. Over de nieuwe aanpak bij het openbaar ministerie: “Binnen het
OM wordt nu vaker de zaak hoog opgenomen. Laatst was er een Turkse man die zijn echtgenoot
een dubbele neusbreuk had geslagen. De officier van justitie ging voor het met voorbedachten
rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en vorderde verlenging van de in bewa-
17 Dit wordt overigens ook gezegd als het gaat om civiele maatregelen die worden opgelegd.
22
Verwey-Jonker Instituut
ringstelling (de man zat al 30 dagen vast en bleef nogmaals 30 dagen vast). De verdediging
deed een beroep op de cultuur, en zei dat de vrouw wilde dat de man weer vrij kwam. Om dit te
staven werd een brief in keurig Nederlands overlegd, terwijl de vrouw geen Nederlands sprak.
De advocaat-generaal ging niet mee met het betoog van de advocaat en gaf uitleg aan de
rechters over de geweldsdynamiek binnen relaties. Dit is een voorbeeld dat het openbaar ministerie
zwaar inzet, namelijk op een strafbaar feit waar 12 jaar op staat, in plaats van, zoals
voorheen gebruikelijk was, een sepot beperkte kring.”
In sommige regio’s is het beleid om na het aanhouden een dagvaarding uit te reiken als er
geen grond voor inverzekeringstelling is, de zogenaamde AU-procedure (aanhouden en uitreiken
van dagvaarding). Binnen drie maanden komt de zaak dan op de zitting. Een respondent
van het openbaar ministerie: “Van groot belang is dat er een ijkpunt bij de politierechter ligt als
er een Damoclesdagvaarding18 is uitgegaan. Na ongeveer drie maanden komt de zaak op de
zitting. De politierechter heeft een rapportage van de reclassering, want er is direct na het uitgaan
van de dagvaarding een aanvraag tot rapportage uitgegaan vergezeld van het procesverbaal
van de politie. De verdachte heeft ondertussen een daderhulp aanbod gekregen en is
soms al vrijwillig ingestroomd. Op de zitting wordt vervolgens een forse voorwaardelijke straf
geŽist met als voorwaarde daderhulp (of het voortzetten ervan). Er worden geen transacties
meer aangeboden als sprake is van een huiselijk geweld zaak.”
In verschillende regio’s is daderhulp mogelijk binnen een justitieel traject. Als de verdachte in
verzekering is gesteld, kan de officier van justitie een rapport aanvragen bij de reclassering met
de vraag of de verdachte gemotiveerd is voor daderhulp. De reclasseringsmedewerker: “De
officier van justitie kan vrij lang de beslissing aan zich houden of tot vervolging wordt overgegaan.
De officier van justitie geeft bijvoorbeeld toestemming aan ons dat we kunnen zeggen
tegen de klant dat geen vervolging zal plaatsvinden als het volgen van een daderhulpproject
een goed resultaat heeft, of de officier van justitie houdt de zitting een tijdje aan om te zien hoe
het een en ander zich ontwikkelt tijdens de daderhulp.”
3.4 Een veranderende aanpak bij de reclassering
In een klein aantal regio’s is daderhulp mogelijk binnen een justitieel traject als aangifte is gedaan
of ambtshalve tot vervolging is overgegaan. De reclassering speelt hierin een belangrijke
18 Een Damoclesdagvaarding komt overeen met de eerder genoemde AU-procedure.
23
Verwey-Jonker Instituut
rol. Doorgaans is huiselijk geweld geen speerpunt bij de reclassering, maar in een aantal arrondissementen
is de reclassering betrokken bij daderhulp aan plegers van huiselijk geweld.19
Als de verdachte in verzekering is gesteld, kan de reclassering op het politiebureau de verdachte
bezoeken en een aanbod tot hulpverlening doen (tijdens de zogenaamde vroeghulp).
Ook als verdachte niet meer vastzit, kan de reclassering de verdachte oproepen om op kantoor
te komen voor een of twee gesprekken, de zogenaamde voorlichtingsfase. De reclassering
screent de verdachten op motivatie voor een dadertraject, dat wordt uitgevoerd door forensischpsychiatrische
polikliniek de Waag. Deze screening is breed: er wordt gekeken naar de achtergrond
van het gepleegde feit en welke aanpak gewenst is ter voorkoming van recidive, bijvoorbeeld
of hulpverlening door de Waag geschikt is, maar ook of geholpen moet worden bij een
schuldsanering. Een reclasseringsmedewerker: “Er wordt uitgebreid gesproken over de consequenties
van dit soort gedrag voor de relatie, voor het slachtoffer en voor de kinderen, en voor
het persoonlijke levensgeluk. Door de reclasseringsmedewerkers wordt veel tijd en energie
gestopt in het bijbrengen van probleembesef bij deze klanten. Het is niet altijd makkelijk om dit
soort gesprekken te voeren. Plegers bagatelliseren hun gedrag dikwijls, en het slachtoffer doet
daar vaak aan mee. Dit soort zaken kost veel energie. Je moet door een ontkenningsfase heen.
Het is vaak ook emotioneel aangrijpend voor de reclasseringsmedewerker; er zit veel spanning
omheen, het zijn trieste verhalen en het komt heel dichtbij. Bij andere ‘boeven’ ligt dit anders.”
Als na de screening de klant geschikt wordt geacht voor daderhulp, vindt er een intakegesprek
plaats met de Waag, die de uiteindelijke beslissing neemt. De reclassering is aanspreekpunt
voor zowel de klant als de Waag. Een reclasseringsmedewerkster: “Er is contact met de
Waag, die laat weten of mensen vaak verzuimen, of hij goed meedoet en of hij er wat van opsteekt;
of er sprake is van ontwikkeling.”
De begeleiding vanuit de reclassering is permanent; zowel tijdens de intake, als tijdens de
behandeling door de Waag als in het natraject. Volgens het protocol Veilig Huis heeft de reclassering
de regie. Een reclasseringsmedewerkster: “Na het daderhulptraject bij de Waag kan
bijvoorbeeld een vervolgafspraak worden gemaakt met het Algemeen Maatschappelijk Werk of
een andere hulpverlenende instantie in de buurt van de woonplaats van de klant. Vaak betreft
het een of andere vorm van relatie- of systeemtherapie.”
19 Dat binnen de reclassering huiselijk geweld geen prioriteit heeft, blijkt uit een inventarisatie gehouden
door het Verwey-Jonker Instituut in 2002 (zie: LŁnnemann en Overgaag 2002) en blijkt ook uit de interviews
met de deskundigen.
24
Verwey-Jonker Instituut
3.5 Ter afsluiting
In de strafrechtsketen is een verandering in de aanpak van huiselijk geweld waar te nemen bij
de politie, het openbaar ministerie en de reclassering; er wordt vaker strafrechtelijk opgetreden.
Hoe wijdverspreid deze verandering is, en in welk tempo deze verandering voortschrijdt, is niet
onderzocht.
Verschillende respondenten benadrukken dat partnergeweld in wezen een relatieprobleem
betreft waar beide partijen een rol in spelen. Het is een goede ontwikkeling dat de verantwoordelijkheid
voor het gewelddadige gedrag bij de pleger wordt gelegd, maar ook slachtoffers
moeten bepaald gedrag aanleren of afleren. “Als een man bijvoorbeeld op dadertherapie leert
een time-out te nemen als een ruzie dreigt te escaleren, en de vrouw roept hem achterna: ‘wat
ben je toch een lafaard’, of ze gaat aan hem trekken of rukken omdat zij in paniek raakt als de
man vertrekt, dan ligt de geweldsuitbarsting gecompliceerder dan dat de man de verantwoordelijkheid
moet nemen voor zijn eigen agressieve gedrag”, aldus de psychotherapeut. Een advocaat
benoemt de ambivalentie van vrouwelijke slachtoffers in termen van macht: “Er is vaak
sprake van ambivalentie bij het slachtoffer. Deze ambivalentie heeft ook te maken met macht
die de dader nog over het slachtoffer heeft.”
Juist omdat de man en vrouw een relatie met elkaar hebben en de banden niet willen of
kunnen doorsnijden, wordt het in hechtenis nemen van de verdachte vaak niet gewenst door de
vrouw. Het openbaar ministerie krijgt bijvoorbeeld regelmatig brieven van slachtoffers waarin
staat dat ze willen dat de man weer terugkomt. De officier van justitie: “Zij schrijven een brief om
aan te geven hoe aardig de man is, dat de kinderen hem missen, of dat de omgeving het een
schande vindt dat hij vastzit, waar de vrouw en de kinderen onder lijden. Vrouwen uit allochtone
kring lijken het nog meer als een schande te ervaren als de man vastzit. Ongeveer de helft van
de zaken ‘huiselijk geweld’ in het arrondissement betreft allochtone verdachten.”
Slachtoffers willen doorgaans dat het geweld stopt, maar niet dat de relatie wordt beŽindigd.
Een afkoelingsperiode is in zulke gevallen wel gewenst, maar eigenlijk moet er een soort
hulp voor de relatie of het gezin plaatsvinden.
25
Verwey-Jonker Instituut
4. Knelpunten bij de strafrechtelijke aanpak
Er zijn veranderingen te constateren in de aanpak van partnergeweld bij de politie. Bij de andere
strafrechtelijke actoren lijkt eveneens een veranderingsproces op gang gekomen. Welke
knelpunten worden ervaren door de politie en welke knelpunten worden geconstateerd door
deskundigen werkzaam bij het openbaar ministerie, de reclassering en de rechterlijke macht?
De door de politie genoemde knelpunten betreffen de aanpak tijdens de crisissituatie. De
genoemde knelpunten zijn zeer gevarieerd en betreffen aspecten die de politie als organisatie
betreffen, maar ook aspecten waar politieagenten tegenaan lopen en die van buiten komen: het
gedrag van het slachtoffer, het handelen van het openbaar ministerie of de mogelijkheden tot
hulp en opvang. De knelpunten die naar voren worden gebracht door het openbaar ministerie
en de rechter-commissaris betreffen het strafrechtelijke vervolg en in het bijzonder de problematiek
van het opleggen van een inbewaringstelling. De door de reclassering genoemde knelpunten
hangen samen met de daderhulpverlening. Naast de specifieke knelpunten voor elke
beroepsgroep, zijn er overkoepelende thema’s, zoals: bewustwordingsproces, registratie, samenwerking
tussen verschillende instanties en juridische belemmeringen. Apart wordt aandacht
besteed aan het handhaven van bijzondere voorwaarden, met name als een straatverbod is
opgelegd. Daarnaast wordt apart ingegaan op de vraag of het aanpassen van artikel 300 en
304 Sr een oplossing biedt voor de huidige knelpunten. Of kunnen de naar voren gebrachte
knelpunten worden opgelost door het invoeren van een crisismaatregel met als doel dat de
pleger van het geweld de woning moet verlaten?
4.1 Knelpunten bij de politie
Eťn agent, uit een regio-sb, geeft aan niet te weten of er knelpunten zijn (non-respons).20 Vijf
agenten vinden dat er geen knelpunten zijn in de aanpak van huiselijk geweld, waarvan vier
agenten uit een regio-sb, en ťťn agent uit een regio-zsb. Er zijn agenten die geen knelpunten
meer ervaren nu er een nieuwe aanpak is.
20 Dit betekent dat voor deze vraag er een missing–value is, waardoor het aantal respondenten voor deze
vraag is teruggebracht tot veertig en voor de regio-sb tot 24.
26
Verwey-Jonker Instituut
Een agent: “Er zijn niet echt knelpunten, door de nieuwe aanpak met GRIP21 heb je meer mogelijkheden.
Het is de laatste tijd echt wel beter geworden.”
Door 35 agenten worden 22 verschillende knelpunten genoemd, die zijn te rubriceren als knelpunten
bij het slachtoffer, de politie, het openbaar ministerie en knelpunten rond de infrastructuur
(zie Bijlage 1, Tabel 3A). Doorgaans wordt een knelpunt een of twee keer genoemd, soms
drie of vier keer en slechts vier knelpunten worden vaker genoemd. In de regio's-sb worden 48
knelpunten genoemd door 20 agenten, dat wil zeggen gemiddeld 2,4 per agent, terwijl in regio's
–zsb 22 knelpunten worden genoemd door 15 agenten, dus gemiddeld 1,4 per agent. Als
agenten in een regio-sb knelpunten naar voren brengen, dan worden meer knelpunten genoemd,
vergeleken met agenten in regio's-zsb. Dit betekent niet dat er in de regio's-sb meer
knelpunten zijn; het geeft eerder aan dat men zich daar meer bewust is van de knelpunten (zie
Bijlage 1, Tabel 3C). Eťn van de vaker genoemde knelpunten betreft de politie, namelijk dat de
politie niet adequaat kan optreden (14), en drie knelpunten betreffen het slachtoffer, namelijk
dat het slachtoffer weer teruggaat naar de pleger nadat de politie heeft geÔntervenieerd (8), er
vaak problemen zijn rond de aangifte (7) en een knelpunt van een andere orde, die wel betrekking
heeft op het slachtoffer: slachtoffers moeten nu altijd het huis verlaten in plaats van de
pleger (5).
Geen adequaat instrumentarium
Het knelpunt dat de politie niet adequaat kan optreden, wordt het meest spontaan genoemd
(38% regio-sb versus 31% regio-zsb). Een agent: ”Het is echt frustrerend dat je als politie niets
kunt doen, je kan het niet oplossen, je gaat weer weg met een onbevredigend gevoel.” Of: “We
hebben te weinig bevoegdheden en te weinig mogelijkheden om huiselijk geweld aan te pakken;
na de aangifte en de aanhouding begint alles weer opnieuw.” Een ruime meerderheid van
de agenten bevestigt dat de politie niet adequaat kan reageren op huiselijk geweld als dit als
knelpunt wordt voorgelegd (67% regio-sb versus 81% regio-zsb).22
Deze bevindingen geven geen duidelijke aanwijzing voor een verschil tussen de regio’s-sb
en regio’s-zsb; spontaan noemt ruim 30% dat de politie niet adequaat kan optreden in beide
21 GRIP staat voor Geweld in Relaties Interventie Project Amsterdam. Het is een sociaal-educatief behandelprogramma
voor plegers van partnergeweld in een justitiŽle setting.
22 Zie: Bijlage 1, Tabel 3B. Op de vraag naar de importantie van de verschillende knelpunten wordt dit
knelpunt de hoogste prioriteit gegeven (33% regio-sb versus 6% regio-zsb).
27
Verwey-Jonker Instituut
regio’s. Als dit knelpunt wordt voorgelegd, lijken de regio’s-zsb dit iets vaker als knelpunt te
ervaren (81% versus 67%). Je zou op grond van deze bevindingen kunnen veronderstellen dat
als een specifieke aanpak van de grond komt, agenten beter op de hoogte zijn van de mogelijkheden
die ze kunnen gebruiken, waardoor de kans dat ze adequaat kunnen optreden, wordt
vergroot. Deze veronderstelling wordt bevestigd door het feit dat binnen de onderzochte populatie
er vier agenten (17%) zijn uit een regio-sb, die geen enkel knelpunt ervaren tegen ťťn
agent (6%) in de regio’s-zsb. Ook nadat een aantal mogelijke knelpunten zijn voorgelegd, wordt
gezegd dat er geen knelpunten zijn.
Problemen bij aangifte en ambivalent gedrag van slachtoffers
In regio's-zsb worden vaker knelpunten naar voren gebracht die betrekking hebben op het
slachtoffer, dan in regio's-sb; 41% van de naar voren gebrachte knelpunten betrof het slachtoffer
in een regio-zsb, tegenover 29% in een regio-sb.
Agenten kunnen het bijvoorbeeld onbevredigend vinden dat slachtoffers geen aangifte
willen doen of de aangifte weer willen intrekken; het geweld wordt na de crisis ontkend. Een
agent: “Het slachtoffer doet geen aangifte, je kletst een beetje, het slachtoffer wil het toch samen
met de pleger oplossen en een paar dagen later staan we er weer.”
Daarnaast vinden politieagenten het vaak moeilijk dat het slachtoffer na wat er is gebeurd
weer teruggaat zonder dat het probleem werkelijk is opgelost. Een agent: “Het grootste probleem
vind ik dat het slachtoffer vaak weer terug gaat naar de pleger. Dan ben je geweest, heb
je het gesust en dan zie je ze een dag later weer arm in arm lopen en een week later sta ik
weer op de stoep!” Een andere agent geeft een verklaring voor het weer teruggaan van de
vrouw naar haar partner: “De vrouw gaat snel weer terug naar haar man omdat de psychische
en sociale druk heel erg groot is.”
Cultuuromslag gewenst
Uit de interviews met deskundigen komt naar voren dat een cultuuromslag nodig is. Veel agenten
zien geweld in de relatie vaak als een incident, niet als een probleem met structurele kenmerken.
Een politiefunctionaris: “Dat geweld in relaties voorkomt, daar moeten veel agenten
aan wennen; voor hen is de combinatie van geweld en relaties iets wat ze onbegrijpelijk vinden.
Bovendien vinden agenten het moeilijk om plegers aan te houden en de volgende dag te zien
dat slachtoffer en pleger weer gearmd over straat lopen. Daarom is het zo belangrijk dat er na
de aanhouding een vervolgtraject op gang komt.”
28
Verwey-Jonker Instituut
Door een van de politiedeskundigen wordt naar voren gebracht dat er weliswaar de afgelopen
jaren oplossingen zijn gevonden voor situaties van partnergeweld, maar dat agenten de
problematiek verschillend benaderen. “Wat er na een melding van huiselijk geweld gebeurt,
hangt af van de creativiteit van meestal een wijkagent. Maar veelal zal er sprake geweest zijn
van sussen.”
Dit betekent dat er enerzijds scholing nodig is omtrent de geweldsdynamiek in relaties,
zodat bijvoorbeeld begrip ontstaat voor het weggaan en weer terugkomen bij de pleger door het
slachtoffer. Anderzijds moeten politiemensen opgeleid worden in het adequaat leren omgaan
met deze geweldsproblematiek. Een politiefunctionaris: “Politiemensen zullen opgeleid moeten
worden: leren doorvragen, de geweldsgeschiedenis achterhalen en opschrijven, en dergelijke.
Iedereen in de eerste opvang zou zo’n training moeten krijgen zodat men weet wanneer ze wel
en niet kunnen aanhouden en zo ja, wat hen vervolgens te doen staat.”
Een andere politiefunctionaris stelt dat nog veel zaken door de hulpofficier worden geseponeerd,
de zogenaamde politie-sepotzaken; een droge klap wordt niet gezien als een zaak. “Het
proces-verbaal gaat nog niet eens naar de parketsecretaris.” Een cultuuromslag is volgens haar
overigens niet alleen binnen de politie, maar ook binnen de hulpverlening nodig; het stoppen
van het geweld moet voorop staat. Samenwerking en afstemming tussen de politie en hulpverleningsinstanties
is hierbij noodzakelijk. Binnen haar regio wordt de politie samen met de andere
partners die betrokken zijn bij de aanpak van huiselijk geweld, zoals de hulpverlening, getraind
door een extern bureau dat hierin is gespecialiseerd. Door deze meerdaagse training
ontstaat meer begrip voor elkaars taak en werkwijze. De hulpverlening krijgt bijvoorbeeld meer
inzicht in de wijze waarop de politie drang kan uitoefenen om iemand de hulpverlening in te
krijgen.
Een ander probleem dat naar voren wordt gebracht door een politiefunctionaris is dat veel crisis
zich buiten de kantooruren afspelen en dan zijn de gespecialiseerde agenten niet aanwezig:
“Verder spelen crises zich meestal ’s avonds, ’s nachts en/of in het weekend af, buiten kantoortijden
dus. De politie is weliswaar 24 uur bereikbaar, maar op die momenten zijn de wijkagenten
en jzz-ers23 niet aanwezig.” Bovendien acht hij de nieuwe aanpak nog niet geÔmplementeerd:
“Waarschijnlijk zal er als de melding wel bij hen terechtkwam (te) vaak een veilig opvangadres
gezocht zijn voor de vrouw, uithuisplaatsing van het slachtoffer eigenlijk.”
23 Rechercheurs werkzaam bij de jeugd- en zedenpolitie.
29
Verwey-Jonker Instituut
Dossiervorming en registratie
Dossiervorming en registratie worden als knelpunt naar voren gehaald. Bij zaken van partnergeweld
is dossiervorming van belang omdat het incident vaak geen ernstig strafbaar feit betreft;
er is doorgaans geen sprake van ernstig letsel. De ernst van het geweld wordt vaak bepaald
doordat sprake is van herhaald geweld in een context van dreiging en isolement. Momenteel
wordt partnergeweld onder verschillende noemers geregistreerd, ook als er een code ‘vrouwenmishandeling’
is, kan geweld tegen de vrouw door haar partner onder andere codes zijn
weggeschreven, zoals echtelijke ruzie, bedreiging, of vernieling.24
Inmiddels wordt landelijk het probleem van de registratie van huiselijk geweld bij de politie
aangepakt. In sommige regio’s lijkt de registratie het afgelopen jaar verbeterd. Door een aparte
registratie kan onderzoek naar de afhandeling van dit soort zaken worden vergemakkelijkt. Als
er geen aparte registratie is, kan bijvoorbeeld niet worden onderzocht hoe in geval van geweld
binnenshuis wordt opgetreden; er is geen beleidsmatige kennis aanwezig omdat een totaalbeeld
niet voorhanden is.
Meer stroomlijning van de keten
Meer stroomlijning tussen de verschillende actoren binnen de strafrechtsketen is van belang.
Als de politie haar aanpak verbetert, maar de reclassering is niet op orde, of het openbaar ministerie
laat de zaak liggen, dan werkt dat contraproductief. Uit de semi-gestructureerde interviews
komt naar voren dat agenten uit de regio’s-sb vaker knelpunten noemen die te maken
hebben met de vervolgreactie door het openbaar ministerie dan agenten uit de regio’s-zsb (Zie
Bijlage 1, Tabel 3A).25
Uit de interviews komt naar voren dat als de aanpak van de politie zich wijzigt door vaker
strafrechtelijk op te treden in plaats van te sussen en bemiddelen, het van belang wordt geacht
dat het openbaar ministerie ambtshalve vervolgt bij voldoende bewijs. Als vervolgens wordt
getransigeerd door het openbaar ministerie of een geldboete wordt opgelegd door de rechter,
wordt dit als contra-productief beschouwd. “De transactie of geldboete wordt betaald uit het
huishoudpotje, daar krijgen de partners dan weer ruzie over en het begint weer van voor af aan,
24 A.C. Spapens, C.E. Hoogeveen en C.A.M. Pardoel (2000) De reactie van de politie op huiselijk geweld:
stand van zaken Tilburg: IVA.
25 Van de naar voren gebrachte knelpunten betrof 13% knelpunten bij het openbaar ministerie in regio'ssb
tegenover 5% in de regio's-zsb.
30
Verwey-Jonker Instituut
terwijl het juist de bedoeling is om die spiraal van geweld te doorbreken”, aldus een politiefunctionaris.
De politie is bovendien aangewezen op het hulpaanbod door andere instellingen voor hulpverlening
aan slachtoffers en plegers van geweld binnenshuis. Door verschillende respondenten
wordt erop gewezen dat tegenwoordig de politie terug moet naar de kerntaken, waardoor minder
tijd gestoken mag worden in bemiddelen. In beide regio's heeft ongeveer een vijfde van de
genoemde knelpunten betrekking op problemen in de infrastructuur.
De politie constateert dat als zij niet meer sussen en bemiddelen in geval van partnergeweld,
en een snelle reactie willen waarbij hulp moet worden geboden door andere hulpverleningsinstellingen,
deze hulp lang niet altijd gegeven kan worden. Bij hulpverleningsinstellingen
zijn wachtlijsten, waardoor het hulpaanbod te lang op zich laat wachten. Bovendien ligt de prioriteit
lang niet altijd bij huiselijk geweld of ontbreekt de deskundigheid. De sleutelfiguur uit allochtone
kring wijst erop dat de politie wel goed is in de doorverwijzing naar een opvangtehuis,
maar dat doorverwijzing naar andere hulpinstellingen, waaronder Bureau Slachtofferhulp, niet
zo goed gaat. Bovendien verwijst de politie door het slachtoffer een briefje mee te geven, maar
dit is voor vrouwen die de Nederlandse taal niet beheersen niet voldoende; er is meer begeleiding
van deze vrouwen nodig.
Verschillende respondenten wijzen erop dat er enorme tekorten zijn in de hulpverlening,
zeker als het gaat om een systeemaanpak van geweld binnenshuis. De respondent uit de
vrouwenopvang: “Omdat er geen systeemgericht aanbod (hulpverlening aan het hele gezin) is
en er hele lange wachtlijsten zijn bij andere hulpverlening, kunnen we niet doorverwijzen.” Er is
geen garantie dat er een veiligheidsnetwerk kan worden gelegd om het slachtoffer heen als zij
met haar geweldservaringen naar buiten komt. Dit kan een negatieve invloed hebben op de
motivatie van de politie om geweld binnenshuis prioriteit te maken.
4.2 Knelpunten bij het openbaar ministerie en de r-c
Het openbaar ministerie heeft het vervolgingsmonopolie (art. 167 Sv) en beslist of een verdachte
wordt vervolgd. De kans is groter dat de zaak lang blijft liggen of dat een transactie
wordt aangeboden in geval van eenvoudige mishandeling of vernieling, als er geen bewustzijn
is van de achtergronden van geweld tussen partners. “Het zit niet tussen de oren als probleemgebied,
dat is een probleem. Maar het bewustwordingsproces is op gang gekomen,” aldus iemand
van het openbaar ministerie.
De officier van justitie brengt naar voren dat ondanks de nieuwe aanpak in haar arrondissement,
een strafrechtelijke aanpak ook nadelen heeft. Vaak is de man na korte tijd - drie da31
Verwey-Jonker Instituut
gen hoogstens, maar vaker korter - weer terug, en krijgt de vrouw de schuld dat hij die nachten
in een politiecel heeft gezeten. De vrouw neemt ook vaak de schuld op zich. Bovendien heeft
het strafrecht zijn eigen dynamiek, en door geweld achter de voordeur als even ernstig te beschouwen
als elk ander geweld, kan de aanpak te weinig aansluiten op de problematiek van de
relatie. Een daadwerkelijke bescherming aan het slachtoffer kan niet worden geboden. De officier
van justitie: “De verdachte kan onder toezicht van de reclassering staan of daderhulp krijgen
en het slachtoffer kan zich wenden tot slachtofferhulp of een civiele procedure starten,
maar daadwerkelijke bescherming wordt niet geboden.”
Problemen rond voorlopige hechtenis en schorsen onder voorwaarden
Er speelt een aantal problemen rond de mogelijkheid tot het vorderen van inbewaringstelling
(art. 63 Sv) en het schorsen van de voorlopige hechtenis onder het stellen van bijzondere voorwaarden,
bijvoorbeeld de voorwaarde dat de verdachte een daderhulpprogramma volgt.
De problemen hangen deels samen met de nauw omschreven gronden voor voorlopige
hechtenis (art. 67a Sv). In geval van strafbare feiten gepleegd in relationele sfeer is doorgaans
niet direct sprake van een grond tot voorlopige hechtenis. Er moet sprake zijn van een ernstig
strafbaar feit en er moeten gronden aanwezig zijn, bijvoorbeeld vrees voor herhaling van een
feit waar zes jaar of meer op staat en/of omdat de gezondheid of de veiligheid van personen
gevaar loopt. Het vergt van officieren van justitie denkwerk om de goede gronden te vinden,
zoals bijvoorbeeld het gevaar voor herhaling. Doorgaans wordt de aanwezigheid van dit gevaar
gebaseerd op eerdere veroordelingen van de verdachte, maar in geval van verdachten van
geweld gepleegd in de privť-sfeer is hier zelden sprake van. Dit betekent dat een grond voor
voorlopige hechtenis moet worden gevonden in het dossier en dat vereist pluizen en zoeken in
het dossier.
Een rechter merkt op dat in haar arrondissement vaak te hoge eisen worden gesteld aan
de grond ‘gevaar voor herhaling’ door als eis te stellen dat er eerder een veroordeling is geweest.
Dit is echter niet noodzakelijk: “Als het slachtoffer een verklaring geeft waaruit de ernst
van het gevaar blijkt, als de verdachte erkent dat hij hulp nodig heeft en als de omstandigheden
ongewijzigd zijn, dan is er sprake van gevaar voor herhaling. Het moet dan wel gaan om een
ernstig feit dat in een proces-verbaal is vastgelegd. Het gevaar van herhaling kan je opmaken
uit de verklaring van de verdachte dat hij niet weet hoe het is gebeurd of als hij zegt ‘ik heb gedronken’;
er is dan sprake van een geweldsuitbarsting zonder een verklaarbare aanleiding. Het
uiten van ernstige bedreigingen kan worden beschouwd als een gevaar voor het opnieuw gebeuren
van geweld. Er hoeft geen sprake te zijn van een delict waar zes jaar op staat, de veiligheid
van personen is ook een grond.”
32
Verwey-Jonker Instituut
Het is aan het openbaar ministerie of het strafrecht wordt ingezet en als de officier van justitie
een in bewaringstelling vordert, is het de rechter-commissaris die moet beslissen of een bevel
tot in bewaringstelling wordt verleend. Er vindt dan een belangenafweging plaats, waarbij de
ernst van het feit, de inschatting van het gevaar voor herhaling en de persoonlijke omstandigheden
van de verdachte een rol spelen. “Vaak wordt de voorlopige hechtenis geschorst omdat
de verdachte te veel te verliezen heeft, bijvoorbeeld zijn baan,” aldus de officier van justitie.
De rechter-commissaris kan voor het dilemma komen te staan of de vordering wordt afgewezen
omdat er formeel geen grond voor bestaat, of dat de vordering wordt toegewezen en
direct wordt geschorst om zo de verdachte het daderhulptraject in te sluizen. De rechtercommissaris
geeft een voorbeeld: “Stel er liggen in het dossier twee aangiften, waarvan er een
deels is ingetrokken door het slachtoffer. Er ligt een rapport van de reclassering waaruit de
ernst van het geweld blijkt. De verdachte erkent het geweld en de indruk bestaat dat het geweld
zich zal herhalen. Dan kan voorlopige hechtenis worden toegewezen en onder de voorwaarde
dat een daderhulptraject wordt gevolgd, worden geschorst. Maar als de indruk bestaat dat de
verdachte zo geschrokken is dat er geen vrees voor herhaling is het komende jaar, dan is er
formeel geen grond om iemand in voorlopige hechtenis te nemen en dan moet de vordering tot
in bewaringstelling worden afgewezen. Dit is juridisch een moeilijk moment: neem ik de formele
weg en dan is de verdachte vrij of wijs ik de vordering toch toe en schors ik onder voorwaarden
om zo iemand de hulpverlening in te krijgen.”
Overigens is de indruk van de rechter-commissaris dat voorgeleiding soms iets doorbreekt
in de geweldspiraal. “Als iemand de man bij de vrouw kan weghalen zal dit voor bepaalde
slachtoffers een doorbraak zijn. De vraag is echter of dit resultaat opweegt tegen de inbreuk die
wordt gemaakt op het grondrecht van de man.”
Er speelt nog een ander probleem rond het wel of niet schorsen van de voorlopige hechtenis,
dat door het openbaar ministerie als knelpunt naar voren is gebracht. Het openbaar ministerie
ervaart dat de rechter-commissaris nogal eens de voorlopige hechtenis schorst zonder het opleggen
van de bijzondere voorwaarde dat een daderhulptraject moet worden gevolgd als er
geen rapportage van de reclassering aanwezig is. Er is in dat geval geen duidelijk strafrechtelijk
vervolg na de schorsing; de verdachte heeft geen dagvaarding in de hand zoals in de Damocles
gevallen en er zijn meestal geen voorwaarden gesteld omdat er geen rapport van de reclassering
ligt waarin de noodzaak van voorwaarden staat aangegeven. De reden dat er niet altijd een
rapport ligt is dat bij de reclassering onvoldoende menskracht voor een adequate vroeghulp
aanwezig is. De officier van justitie: “En als iemand is vrijgelaten en er ligt geen zittingsdatum
op korte termijn vast, dan ligt er geen druk op het maken van een voorlichtingsrapport, dus blijft
de rapportage liggen.” Een rechter die in het verleden rechter-commissaris was, vertelt dat in
haar arrondissement de vroeghulp wel plaatsvond, maar dat het rapport niet op tijd aanwezig
33
Verwey-Jonker Instituut
was. Er ontbreekt in dat geval een plan van aanpak waardoor niet snel onder voorwaarden
wordt geschorst.
Informatieverstrekking
De rechter-commissaris wijst erop dat hij nooit voorafgaand aan de voorgeleiding door de officier
van justitie wordt ingelicht over een zaak van huiselijk geweld. Uit de vordering tot voorlopige
hechtenis komt eveneens niet naar voren dat het een zaak van huiselijk geweld betreft; dit
blijkt pas bij het lezen van het proces-verbaal en uit het rapport van de reclassering (als dit
aanwezig is). Het is de gewoonte dat de officier van justitie niet aanwezig is tijdens de voorgeleiding;
alleen de advocaat van de verdachte is aanwezig. Toch zou het in dit soort zaken het
overwegen waard zijn om van de gewoonte af te wijken; de officier van justitie kan dan toelichten
waarom een voorlopige hechtenis is gewenst en onder welke voorwaarden een schorsing
gewenst is.
Een ander knelpunt rond informatieverstrekking betreft de informatie aan het slachtoffer; slachtoffers
zijn vaak niet op de hoogte van de schorsing van de voorlopige hechtenis of het afwijzen
van de vordering tot voorlopige hechtenis. Dit knelpunt is door advocaten en openbaar ministerie
naar voren gebracht. De officier van justitie: “Zij (het slachtoffer) gaat ervan uit dat hij nog
vast zit en dan staat hij opeens op de stoep. Het slachtoffer verliest hierdoor het vertrouwen in
justitie, juist ook omdat het erop leek dat de zaak nu streng zou worden aangepakt. Er is ook
geen duidelijk strafrechtelijk vervolg na de schorsing.”
Registratie
Het knelpunt van de registratie speelt zowel bij de politie als bij het openbaar ministerie. In navolging
van de ontwikkelingen bij de politie wordt ook bij het openbaar ministerie gezocht naar
oplossingen. Iemand van het openbaar ministerie: “Een van de knelpunten was een slechte
registratie; allerl ei zaken werden onder verschillende delicten weggeschreven en dit leverde
weer problemen op bij dossiervorming. Je kunt wel iets vinden op naam van de verdachte, maar
met een oormerk werkt het beter. Als er geen stikker op het dossier staat, gaat het op de grote
hoop en blijft de zaak lang liggen, zeker als er geen voorgeleiding is geweest. In mijn ressort
worden nu huiselijk geweld zaken apart geregistreerd, maar dat is nog niet overal zo.”
34
Verwey-Jonker Instituut
4.3 Knelpunten bij de reclassering
Huiselijk geweld is geen speerpunt bij de reclassering Nederland, maar op lokaal niveau vinden
initiatieven plaats en is de reclassering soms betrokken bij een protocol ‘huiselijk geweld’. Deze
nieuwe aanpak (zie paragraaf 3.4) brengt een aantal knelpunten met zich mee, zoals capaciteitstekort
en wachtlijstenproblematiek, tijdgebrek, secundaire traumatisering, en sanctie op het
niet naleven van de voorwaarde ‘daderhulp’. Ook kan daderhulp voor allochtone klanten problemen
geven.
Capaciteitsproblemen
Als de politie adequater ingaat op gevallen van geweld binnenshuis, komen steeds meer gevallen
aan het licht en worden verdachten van ernstige strafbare feiten steeds vaker in verzekering
gesteld. In de praktijk blijkt dat er onvoldoende personeel is bij de reclassering om aan alle
in verzekering gestelde verdachten van geweld in de privť-sfeer vroeghulp te verlenen en een
rapport op te stellen. Hier wordt op gewezen door respondenten uit het openbaar ministerie, de
vrouwenopvang en de reclassering. De respondent van de vrouwenopvang geeft een voorbeeld:
“In de maand juni zijn in Amsterdam 70 plegers in verzekering gesteld, dit zijn dus echt
de zware gevallen. Bij een klein deel van deze plegers komt het tot een aanbod of motiveren
van daderbehandeling en een nog kleiner deel gaat dan ook daadwerkelijk over tot daderbehandeling.
Dit knelpunt ligt echt bij de reclassering, die heeft veel te weinig capaciteit.”26
Een medewerkster bij de reclassering ziet het tekort aan vroeghulp en de wachtlijstproblematiek
als belangrijkste interne probleem. Zij stelt: “Niet iedereen krijgt een aanbod tot vroeghulp,
omdat er gewoonweg niet voldoende personeel is om iedereen te bezoeken. Je bent ook
veel reistijd kwijt in de regio en je kunt niet op twee plekken tegelijk zijn: ‘als er in B. een verdachte
is van geweld tegen de partner en in V een verdachte van seksueel misbruik van het
buurmeisje en in S. een verdachte van brandstichting, dan moet ik kiezen. Het is beleid dat
veelplegers in de leeftijd van 18 tot 23 jaar, verdachten van brandstichting en zedendelicten en
psychisch gestoorde verdachten voorrang hebben in het krijgen van vroeghulp. Daarna komen
pas de gevallen van geweld binnenshuis. Als ik hoor dat er in V. een ontkennende verdachte
van huiselijk geweld op het politiebureau zit, en een bekennende verdachte van seksueel misbruik
van een kind in B, dan ga ik naar B. Soms zijn er zes mensen in verzekering gesteld, en
kan ik maar naar ťťn persoon toe.”
26 Deze respondent merkte op dat elk jaar het aantal verdachten dat in verzekering wordt gesteld wegens
het mishandelen van de partner is verdubbeld. In 2000 was dit aantal 146. In 2001 was dit aantal 339.
35
Verwey-Jonker Instituut
De andere medewerker ziet het capaciteitsprobleem in samenhang met de complexiteit van de
problematiek als belangrijkste knelpunt: “Het werk is vaak liefdewerk oud papier, dat wil zeggen
het werk past niet goed in de reguliere werkpatronen. Daarnaast neemt dit soort zaken een
enorme vlucht; er zijn voor 2002 al ruim honderd klanten, terwijl er twee of drie mensen parttime
voor zijn aangesteld. Dit is te weinig. Daarom moeten mensen bijspringen die niet altijd de expertise
ervoor hebben.”
In een van de arrondissementen heeft het capaciteitsprobleem ertoe geleid dat er organisatorische
maatregelen zijn genomen om met name de gesprekken in de voorlichtingsfase beter
te plannen. Het administratieve personeel is betrokken bij het plannen van de gesprekken en
het maken van de rapporten. De reclasseringsmedewerker: “Er worden dan vijf tot tien gesprekken
op een dag gepland, waardoor het werkproces efficiŽnter is georganiseerd. Als er
bijvoorbeeld 22 zaken op de plank liggen en de zittingsdatum komt dichtbij voor een aantal zaken,
dan wordt een dag geprikt waarop twee medewerkers met ondersteuning van het administratieve
personeel proberen zoveel mogelijk gesprekken te hebben. Voor de Waag is dit ook
prettig, want dan kunnen zij weer een groep starten.”
De wachtlijstproblematiek is daardoor niet opgelost, maar de voorlichtingsfase is wel beter
georganiseerd. De reclasseringsmedewerkster oppert nog een drietal ideeŽn om de wachtlijstproblematiek
te verminderen: investeren in vroeghulp, ‘vliegende intakers’ bij de Waag organiseren
en in een eerder stadium de mensen eruit zeven die niet zijn gemotiveerd voor daderhulp.
Het idee van de ‘vliegende intakers’ houdt in dat iemand van de Waag al in een vroeg
stadium samen met de reclasseringsmedewerker naar de verdachte kan gaan, of zelfs alleen.
Op die manier kan sneller duidelijk worden of het schorsen onder voorwaarde dat een daderhulptraject
wordt gevolgd, zinvol is. Het eerder uitzeven van niet gemotiveerde verdachten of
mensen die niet aan de criteria voldoen, kan de wachtlijst verkorten. De reclasseringsmedewerkster:
“Er zou in een eerder stadium al gescreend moeten worden om mensen die niet aan
de criteria voldoen eruit te halen, bijvoorbeeld mensen die geen Nederlands spreken, maar
alleen Bengaals of Lingalisch. Het proces-verbaal zou in dit soort gevallen geen stempel Veilig
Huis moeten krijgen. Nu spreek je mensen een of twee maal terwijl je niets voor ze kunt doen.”
De reclasseringsmedewerkster denkt dat bijvoorbeeld de officier van justitie of parketsecretaris
of recherche eerder zouden moeten screenen.
De respondent uit de vrouwenopvang benadrukt het belang van het oplossen van het capaciteitstekort
bij de reclassering: ”Het capaciteitsknelpunt moet eerst worden weggenomen.
Indien dat is opgelost dan zou ik willen dat alle plegers van huiselijk geweld gestimuleerd worden
om daderbehandeling te volgen. Maar in de huidige situatie is dat nog niet mogelijk. Dit
knelpunt moet zo snel mogelijk worden opgelost, want anders neemt de motivatie bij de politie
weer af; zij zullen zo iets hebben van: wij houden aan en sturen door en er gebeurt niets mee.”
36
Verwey-Jonker Instituut
Tijdgebrek
Verdachten van geweld tegen hun partner zitten doorgaans niet lang vast, meestal niet langer
dan twee dagen. Als na het gesprek in het kader van de vroeghulp duidelijk wordt dat de verdachte
wel hulp wil van de Waag, moet er een intakegesprek plaatsvinden met de Waag. Dit
kan niet binnen die korte periode. De reclasseringsmedewerkster: “Het rapport moet binnen
twee dagen klaar, en dit kan een probleem zijn. Als al wordt langsgegaan, is het rapport soms
niet klaar, omdat bijvoorbeeld om 16.00 uur de vroeghulp heeft plaatsgevonden en om 10.00
uur de volgende ochtend het rapport bij de rechter-commissaris moet liggen. Dit lukt niet.”
Gevaar voor secundaire traumatisering
Naast een capaciteitsprobleem bestaat het gevaar voor secundaire traumatisering van de medewerkers;
doordat het om een ernstige en complexe problematiek gaat, waar de reclasseringsmedewerkers
emotioneel door geraakt worden, kunnen zij in hun geestelijke gezondheid
schade oplopen als er onvoldoende ruimte is voor de verwerking ervan. Bovendien moeten de
mensen vaak werken onder enorme tijdsdruk, die mede wordt veroorzaakt door het feit dat de
gevallen van huiselijk geweld met pieken en dalen binnenkomen; het valt niet te plannen. De
reclasseringsmedewerker: “Er vindt een slijtageslag plaats omdat er veel over de medewerkers
heen komt; er is een gevaar voor secundaire traumatisering. Er is weliswaar werkbegeleiding
en intervisie, maar dit kan nog beter.”
Ontbreken sanctie op het niet naleven van de voorwaarde ‘daderhulp’
De reclassering houdt toezicht op het naleven van de voorwaarden die zijn verbonden aan het
schorsen van de voorlopige hechtenis of voorwaarden die zijn verbonden aan een (deels)
voorwaardelijke straf. In die gevallen wordt de cliŽnt verzocht naar het bureau te komen om het
toezicht te starten. Als de cliŽnt zich niet aan de voorwaarde houdt, wordt dit doorgegeven aan
het openbaar ministerie. Het niet naleven van een voorwaarde opgelegd bij een straf betekent
dat de tenuitvoerlegging van de straf moet worden gevorderd op een zitting. Voordat er een
zittingsdatum is, is er een lange periode verstreken na het moment van overtreden van de
voorwaarde. Als een voorwaarde opgelegd bij schorsing van de voorlopige hechtenis wordt
overtreden, kan de verdachte direct worden vastgezet.
De reclasseringsmedewerkers weten niet wat er gebeurt als er een negatief afloopbericht
naar het openbaar ministerie wordt gestuurd dat de daderhulp niet wordt gecontinueerd. De
37
Verwey-Jonker Instituut
reclasseringsmedewerkster denkt dat de verdachte doorgaans niet in voorlopige hechtenis zal
worden gezet, want: “er moet plaats zijn en het vastzetten moet in verhouding staan tot de gepleegde
feiten en de straf die naar verwachting zal worden opgelegd.” Ook de rechtercommissaris
geeft aan dat als de voorwaarde niet wordt nageleefd, dit niet hoeft te betekenen
dat de verdachte vervolgens van zijn vrijheid wordt beroofd. “Als de voorwaarde niet is nageleefd,
vindt er een afweging plaats tussen de inhoud van de voorwaarde, welke feiten zijn gesteld
en of de feiten worden weersproken (heeft de verdachte een plausibel verhaal) en is er
grond om iemand voor langere tijd vast te houden? Stel dat de man ruzie heeft gekregen met
de GRIP therapeut, kan je dan wel verwachten dat hij teruggaat, en wil het GRIP hem nog wel
terug? En als je dit niet kunt verwachten, mag je iemand dan wel van zijn vrijheid beroven? Is
de overtreding van de voorwaarde wel ernstig genoeg om iemand vervolgens in bewaring te
stellen?”
Het ligt meer voor de hand dat de officier van justitie na het negatieve afloopbericht tot dagvaarden
overgaat. De reclasseringsmedewerker: “Als het goed is brengt de officier van justitie
het op de zitting en wordt een taakstraf of een gevangenisstraf gevorderd. Als een taakstraf
wordt gevorderd, ziet de reclassering de klant weer terug. Deze gegevens worden geregistreerd;
Het is uit te draaien of na een negatief afloopbericht een dagvaarding is uitgegaan.”
Specifieke problemen allochtone klanten
Volgens de reclasseringsmedewerker zijn er specifieke problemen als het gaat om allochtone
klanten. Allereerst kan de taal een probleem zijn. Daarnaast is het abstractieniveau en de mate
waarin iemand op zijn eigen gedrag kan reflecteren vaak wat lager dan bij autochtone klanten.
Om in een groep te kunnen draaien is een zekere taalvaardigheid, reflectievermogen en abstractievermogen
noodzakelijk. “Je ziet ook dat er sprake is van andere denkpatronen over
familie en wat je wel en niet mag doen. De Waag gaat hier goed mee om. Ik maak me wel eens
zorgen om het niveau van de groepen, die bestaan uit 12 tot 14 mannen. Je moet wel bedenken
dat er veel verschillen zijn tussen allochtonen, en tussen de generaties. Mannen van de
oudere generatie zijn moeilijker bereikbaar.” De reclasseringsmedewerkster heeft het idee dat
allochtonen vaker ontkennen en bagatelliseren dan witte autochtone mannen. Maar het kan ook
komen doordat de doorgaans witte reclasseringsmedewerkers niet de juiste toon kunnen vinden
om de mannen te motiveren. “Binnen de reclassering komt nu meer aandacht voor interculturalisatie
omdat de organisatie een relatief witte organisatie is, terwijl een groot deel van de cliŽnten
een stuk minder wit is. Dit is interculturalisatie in het algemeen, dus niet specifiek voor huiselijk
geweld.”
38
Verwey-Jonker Instituut
4.4 Handhaving van een straatverbod
Binnen de strafrechtelijke aanpak kan een straatverbod of een contactverbod als bijzondere
voorwaarde worden gesteld bij een voorwaardelijke straf of als voorwaarde bij een schorsing
van de voorlopige hechtenis. Daarnaast kan het slachtoffer in kort geding een straatverbod
vorderen en als dit wordt toegewezen kan als sanctie worden opgelegd dat bij overtreding de
sterke arm kan worden ingeroepen. Als de overtreder van het verbod niet voldoet aan het bevel
dat hij zich moet verwijderen, is sprake van een strafbaar feit, namelijk het niet voldoen aan een
ambtelijk bevel (art.184 Sr).
In geval van schorsing van de voorlopige hechtenis wordt soms als bijzondere voorwaarde
een straatverbod opgelegd. Dit kan naast daderhulp als bijzondere voorwaarde. Volgens de
respondenten wordt een straatverbod niet regelmatig opgelegd. De rechter-commissaris geeft
aan waarom hij zelden een straatverbod als bijzondere voorwaarde oplegt bij een schorsing: “Ik
schors zelden de voorlopige hechtenis onder voorwaarde van een straatverbod, omdat ik daar
weinig van verwacht. Als verdachte wordt voorgeleid zie je een momentopname. Mijn ervaring
is dat het om ambivalente relaties gaat. De ene dag wordt aangifte gedaan en de andere dag
wordt deze weer ingetrokken. De man zegt dat de vrouw hem na een paar dagen weer wil zien.
Moet ik het slachtoffer in bescherming nemen en een maatregel nemen die het slachtoffer zelf
niet wil? Of moet ik me beperken tot de strafzaak; als er weer klappen vallen dan zie ik de zaak
wel weer terug. Als rechter commissaris zie je alleen de verdachte en heb je weinig informatie.
In kort geding zie je beide partijen als straatverbod wordt betwist. Je kunt dan een betere afweging
maken.” Een advocaat geeft aan dat zij probeert door overleg met de officier van justitie
voor elkaar te krijgen dat een straatverbod als schorsingsvoorwaarde wordt opgelegd, of dat
een straatverbod als voorwaarde bij een straf wordt gevorderd: “Officieren van justitie waren tot
nog toe daar niet voor te vinden, maar vandaag heb ik voor het eerst meegemaakt dat de officier
van justitie dit vorderde als bijzondere voorwaarde bij een straf.”
Als een straatverbod als schorsingsvoorwaarde is opgelegd, wordt dit door het openbaar
ministerie aan de politie doorgegeven. Volgens een politiefunctionaris wordt voornamelijk in
stalkingszaken een straatverbod opgelegd: “We komen het weinig tegen.”
De handhaving van het straatverbod kan een probleem zijn, zoals in de vorige paragraaf al ter
sprake kwam bij het handhaven van de voorwaarde dat een daderhulptraject wordt gevolgd.
Niemand van de respondenten weet of het overtreden van het straatverbod tot sancties leidt.
Een advocaat: “Als het straatverbod als voorwaarde bij een schorsing is opgelegd, en het verbod
wordt overtreden, zegt de politie dat de overtreder wordt aangehouden. Ik heb er geen zicht
op of dit gebeurt en hoe vaak het voorkomt.”
39
Verwey-Jonker Instituut
Als het slachtoffer een straatverbod heeft gevorderd en deze vordering is toegewezen, moet zij
zelf naar de politie stappen en dit bij de politie melden. De politie is daardoor lang niet altijd op
de hoogte van het feit dat er een straatverbod is opgelegd. Een politiefunctionaris: “Van een
civiel straatverbod horen wij in principe natuurlijk niet, maar soms hoor je dit wel in schrijnende
gevallen, als er reeds contact is geweest met de politie. Dit komt niet vaak voor, tenminste voor
zovee wij het kunnen beoordelen.” De meldkamer heeft een vlaggetje bij de adressen waar een
straatverbod geldt. Een politiefunctionaris: “Als het civiele straatverbod wordt overtreden, hebben
wij formeel geen rol, maar materieel treden wij wel op. We verwijderen de overtreder van
het straatverbod. Dit doen we dan onder het mom van het overtreden van een ambtelijk bevel.
Hoe vaak dit gebeurt weet ik niet, daar heb ik geen zicht op.” Volgens een andere politiefunctionaris
wordt door de politie nauwelijks opgetreden in dit soort gevallen: “Als de politie na een
melding langskomt, is de vogel meestal gevlogen. Soms wordt rondgekeken of gaat men langs
de verblijfplaats van de overtreder. Het komt niet vaak voor.” De respondent uit de vrouwenopvang
wijst erop dat de handhaving van de civiele straatverboden vaak een probleem oplevert.
“Mannen lappen het verbod vaak aan hun laars en blijven het overtreden. Dan bellen die vrouwen
vaak weer de politie, maar dan is die man alweer gevlogen. Daarom vindt de politie die
vrouwen vaak lastig. De bewijslast van de overtreding van het verbod ligt bij het slachtoffer en
het is een heel gedoe om dit te bewijzen, vrouwen moeten bijvoorbeeld telefoongesprekken op
gaan nemen en zo. Bij die verboden ligt ook een constante druk op het slachtoffer: zou hij me
nog lastigvallen of niet.”
Er speelt nog een probleem als de voorwaarde bij een straf is opgelegd. Als de veroordeelde in
hoger beroep gaat tegen het vonnis, dan is de straf niet executeerbaar. Dit betekent dat ook de
voorwaarde dat de veroordeelde geen contact zoekt met het slachtoffer en in een bepaald gebied
niet mag komen, niet executeerbaar is; de pleger hoeft de voorwaarde niet na te leven. In
dat geval zal het slachtoffer zelf een kort geding moeten aanspannen en een straatverbod vorderen.
4.5 Wetswijziging van artikel 300 en 304 Sr als oplossing?
Alle respondenten deskundig op het terrein van het strafrecht zijn van mening dat de voorgestelde
wijzigingen om het aanhouden van de verdachte van mishandeling van de partner of
kinderen te vergemakkelijken, wenselijk is.27 Door het verhogen van de strafmaat en het invoe-
27 Aan artikel 304 Sr zal levensgezel worden toegevoegd. Zie: Kamerstukken II (2002-2003) Aanpak
huiselijk geweld Verslag van een algemeen overleg 28345, nr. 3
40
Verwey-Jonker Instituut
ren van levensgezel als bestanddeel ontstaat er meer ruimte om een verdachte aan te houden.
“Nu moet de politie vaker creatief omgaan met het zoeken naar een juist artikel, dan kan het op
mishandeling”, aldus iemand van het openbaar ministerie. Of er ook daadwerkelijk meer zal
worden aangehouden is volgens haar echter de vraag. “Het hangt ook van de politiek af, en
welke prioriteiten worden gesteld; nu ligt de prioriteit bij de bolletjesslikkers, niet bij huiselijk
geweld. Eerst moet huiselijk geweld prioriteit zijn, wil het aantal aanhoudingen stijgen.” Een
advocaat geeft aan dat zij niet verwacht dat door de wetswijziging vaker zal worden aangehouden:
“In de praktijk zal het denk ik niet veel worden toegepast, het zal geen standaardprocedure
worden. Dit om de volgende redenen: het is een heel gedoe voor de politie, want je moet zo
iemand weer een nacht op het bureau houden; het is heel ingrijpend voor het slachtoffer; en in
verzekeringstellen moet ook een doel dienen, het moet in het belang van het onderzoek zijn of
er moet sprake zijn van angst voor herhaling. Je kunt het vergelijken met een cafť ruzie, daar
nemen ze ook niet iedereen mee, terwijl ze wel weten wie het gedaan hebben. Ook als er nog
helemaal geen dossier is, zal de politie niet snel buiten heterdaad aanhouden.”
Daarnaast wordt door respondenten opgemerkt dat ook geweld tegen de ex-levensgezel
onder artikel 304 Sr zou moeten vallen, nu geldt het artikel alleen voor mishandeling binnen
relaties. Weliswaar is tegenwoordig belaging strafbaar gesteld (art. 285b Sr), maar dit artikel
biedt niet altijd voldoende mogelijkheden, mede omdat het een klachtdelict is.
Alle respondenten geven aan dat deze wetswijziging niet voldoende is. De hiervoor aangegeven
knelpunten geven aan dat deze op een breder terrein liggen dan de beperkte mogelijkheden
tot het aanhouden buiten heterdaad en het in verzekering stellen van plegers van huiselijk
geweld. Een politiefunctionaris: “Het zou ons wel helpen, maar het is niet de oplossing; de
oplossing is een goede samenwerking en een goede regiefunctie.” En een andere politiefunctionaris:
“Ja, dat biedt meer ruimte, maar er moet nog meer gebeuren. Het zit ook vast op de
kwaliteit van de aangifte en op de ketensamenwerking die nog niet op orde is.” Een officier van
justitie zegt: “Als de strafmaat van 300 Sr omhoog gaat en 304 Sr wordt uitgebreid met ‘levensgezel’
is het aanhouden en in voorlopige hechtenis nemen makkelijker, maar dit neemt niet weg
dat een ‘voorlopige hechtenis traject’ niet altijd geschikt is.” Iemand van het openbaar ministerie:
“Aanhouden is belangrijk als begin van een proces. Daarna moet er hulp komen, of relatietherapie.
De vraag is of er voldoende hulpaanbod is.”
4.6 Algemene knelpunten
Er is een aantal thema’s te onderscheiden die in het algemeen gelden voor de verschillende
beroepsgroepen, namelijk: bewustwording van de geweldsdynamiek, registratie van huiselijk
41
Verwey-Jonker Instituut
geweld, en samenwerking en afstemming tussen de verschillende instanties. Daarnaast kunnen
juridische belemmeringen spelen.
Een cultuuromslag in het denken over geweld binnen relaties is niet alleen bij de politie
nodig, dit geld evenzeer voor het openbaar ministerie, de rechterlijke macht en de hulpverlening.
Scholing over enerzijds de geweldsdynamiek in relaties en de invloed van geweld tussen
partners op de kinderen, en anderzijds over een adequate aanpak van deze problematiek lijkt
voor alle beroepsgroepen gewenst. In veel politieregio’s vinden trainingen plaats van de politie,
soms samen met andere ketenpartners. De scholing van de rechterlijke macht staat in de kinderschoenen.
Op het gebied van de registratie is eveneens nog veel te winnen. Bij de politie wordt het
probleem van de registratie landelijk opgepakt en het openbaar ministerie sluit hierbij aan. De
problemen rond de registratie lijken echter voorlopig nog niet opgelost. Bij de hulpverlening is
partnergeweld of huiselijk geweld doorgaans geen term waarop wordt geregistreerd.28
Samenwerking en afstemming tussen de verschillende instanties is van groot belang voor
een adequate aanpak. Als de ene organisatie de aanpak verbetert, ontstaat stagnatie als de
andere instantie hier niet op aansluit. Dit kan weer negatieve consequenties hebben voor
slachtoffers; als zij met hun geweldservaringen naar buiten komen, terwijl de politie geen mogelijkheden
heeft om door te verwijzen, worden er verwachtingen gewekt naar slachtoffers toe, die
niet kunnen worden waargemaakt, wat voor slachtoffers weer extra nadelig is (secundaire victimisatie).
Er kunnen, tot slot, een aantal belemmeringen van juridische aard worden genoemd: de
mogelijkheden tot aanhouden en in verzekering stellen, de mogelijkheden tot voorlopige hechtenis
en het opleggen van bijzondere voorwaarden. De juridische vereisten kunnen een belemmering
zijn om een bepaalde maatregel te nemen. Met de huidige wetswijziging van artikel 304
Sr in combinatie met een verhoging van het strafmaximum van artikel 300 Sr wordt het eenvoudiger
om verdachten van mishandeling van gezinsleden aan te houden en in verzekering te
stellen. Door scholing van officieren van justitie in het interpreteren van de gronden voor voorlopige
hechtenis in geval van geweld binnenshuis kunnen de mogelijkheden om een verdachte
van een ernstig strafbaar feit in voorlopige hechtenis te nemen of deze te schorsen onder voorwaarden,
beter worden benut. Juridische belemmeringen kunnen door wetaanpassing of beter
gebruik van de juridische mogelijkheden worden weggenomen. Er speelt echter ook een principiŽle
discussie; in hoeverre mag het strafrecht worden ingezet als stok achter de deur, als interventierecht.
Meer concreet gesteld, mag het schorsen van de voorlopige hechtenis gebruikt
28 Hier speelt bovendien het probleem dat slachtoffers van huiselijk geweld vaak niet met die klacht de
hulpverlening benaderen, maar op een andere noemer hulp zoeken, bijvoorbeeld depressieve klachten
of fysieke klachten. Zie: LŁnnemann en Overgaag (2002).
42
Verwey-Jonker Instituut
worden om plegers van geweld tegen de partner de daderhulpverlening in te krijgen? Hierover
verschillen de meningen binnen de rechterlijke macht en het is afhankelijk van de opvattingen
hierover of de mogelijkheden die er zijn, worden benut.
4.7 Ter afsluiting
Er worden veel verschillende knelpunten naar voren gebracht, die betrekking hebben op verscheidenheid
aan situaties; knelpunten bij het optreden tijdens een crisissituatie, maar ook
knelpunten in het vervolgtraject.
De politie is de organisatie die direct moet optreden tijdens een crisissituatie. Het knelpunt
dat het vaakst spontaan naar voren wordt gebracht door de agenten is dat er niet adequaat kan
worden opgetreden; dit geldt voor zowel agenten in de regio-sb als regio-zsb. Als dit knelpunt
wordt voorgelegd aan de agenten, wordt dit door een ruime meerderheid bevestigd; agenten in
de regio-zsb melden dit iets vaker dan agenten in een regio-sb. Dit kan erop duiden dat als
sprake is van een specifiek beleid agenten beter op de hoogte zijn van hun mogelijkheden en
daar meer adequaat gebruik van kunnen maken. Het feit dat agenten in de regio-sb vaker vinden
dat er geen knelpunten aanwezig zijn in de aanpak van partnergeweld dan agenten in de
regio-zsb, bevestigt deze veronderstelling. Als agenten zich inzetten voor een strafrechtelijke
aanpak gericht op het stoppen van het geweld kunnen zij eerder tegen beperkingen aanlopen,
die deels zijn gelegen in aspecten die de politie betreffen. Het zijn bijvoorbeeld alleen agenten
in een regio-sb die spontaan aangeven dat de dossiervorming, die nodig is om de ernst van het
geweld duidelijk te kunnen maken, veel tijd en energie kost, zonder dat dit veel resultaat oplevert.
Het niet adequaat kunnen optreden kan ook worden veroorzaakt door externe factoren,
zoals het gedrag van het slachtoffer, het ontbreken van een goede vervolgreactie door het
openbaar ministerie en het ontbreken van een goede opvang en hulpverlening aan het slachtoffer
en de pleger. In regio's-zsb worden vaker knelpunten naar voren gebracht die betrekking
heben op het slachtoffer dan in regio's-sb. Daarentegen worden in regio's-sb vaker knelpunten
genoemd die betrekking hebben op het openbaar ministerie, vergeleken met regio's-zsb. Knelpunten
rond de infrastructuur worden in beide regio's even vaak genoemd.
De knelpunten die gelden voor het openbaar ministerie en de reclassering hebben niet
zozeer te maken met de crisisinterventie, maar met het vervolgtraject, waarbij de mogelijkheden
tot daderhulp een belangrijk aspect vormt.
43
Verwey-Jonker Instituut
5 Civiele mogelijkheden en knelpunten
Het civiele recht biedt een aantal mogelijkheden om het huis voorlopig aan het slachtoffer toe te
wijzen en de toegang tot het huis te ontzeggen aan de pleger van geweld binnenshuis. In
spoedeisende gevallen kan een kort geding worden aangespannen. Bij echtscheiding kan een
voorlopige voorziening worden gevraagd, bijvoorbeeld dat het huis aan het slachtoffer wordt
toegewezen. Bij de kantonrechter kan het alleengebruik van de woning worden gevorderd als
de partners op ťťn adres samenwonen in een huurhuis.
5.1 Kort geding
Een kort geding kan worden aangespannen als een spoedeisend belang een voorlopige voorziening
vereist (art. 289 Rv). Er kan een verbod om bepaalde handelingen te verrichten worden
gevorderd als een onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden, maar ook om te voorkomen dat
een onrechtmatige daad zal plaatsvinden, dus als er vrees voor herhaling is. Het spoedeisend
belang kan zijn gelegen in het creŽren van rust voor het slachtoffer zodat zij kan herstellen van
het geweld. Om een kort geding aan te spannen heeft het slachtoffer een procureur nodig. Het
betreft een voorlopige voorziening en de voorziening geldt daarom voor een beperkte tijd. Een
straatverbod wordt regelmatig voor een half jaar of een jaar opgelegd.29 De termijn die doorgaans
wordt opgelegd in geval van een woningtoewijzing is niet bekend. Een rechter acht een
voorlopige toewijzing van de woning voor zes weken, zoals dit in Oostenrijk gebruikelijk is,30 erg
kort. “In Nederland heb je niet binnen zes weken een andere woning.”
Het inzetten van het kort geding
Volgens de kort geding rechter wordt regelmatig een uithuisplaatsing verzocht door niet gehuwde
partners, maar het is ook mogelijk in geval de partners zijn getrouwd. Ook dan kan het
slachtoffer het huis toegewezen krijgen, omdat het om een voorlopige voorziening gaat. “Je
kunt dus op heel korte termijn uithuisplaatsing vorderen en vervolgens of tegelijkertijd een echtscheiding
aanvragen.”
29 LŁnnemann en Piechocki (2001) p. 107-110.
30 LŁnnemann, Tak en Piechocki (2002) p. 60.
44
Verwey-Jonker Instituut
Het behoort tot de mogelijkheden dat binnen drie uur na dagvaarding de zitting is. De kort geding
rechter: “Een kort geding kan heel snel, ’s morgens om 9 uur gevraagd en om 12 uur is de
zitting. Het kan ook op zaterdag en zondag ergens in een zaaltje of bij de rechter thuis. Voorwaarde
is dat de advocaat een dagvaarding instelt en er een spoedeisend belang is. Er kan
zelfs telefonisch een ordemaatregel worden bevolen. Dit komt wel voor als een kind dreigt ontvoerd
te worden. Laatst stond een vader met het kind op schiphol, terwijl de moeder niet wilde
dat het kind het land uitging. In zo’n geval kan via het kort geding snel worden ingegrepen.” Dit
betreft echter uitzonderingen. Doorgaans duurt het minimaal twee weken voor de zaak op de
zitting wordt behandeld. Een advocaat: “Binnen 24 uur zou wel kunnen, maar dan moet je aantonen
dat er sprake is van een heel erg spoedeisend belang met onherstelbare gevolgen. Ik
denk niet dat het snel zal lukken in situaties van geweld binnenshuis. Hoe snel het gaat hangt,
behalve van de rechtbank, ook af van de advocaat; hoeveel werk erin wordt gestoken en hoeveel
tijd de advocaat heeft.” Een andere advocaat: “ Momenteel duurt het lang voor je via een
kort geding een straatverbod hebt gekregen. Eerst moet er een conceptdagvaarding naar de
president en de tegenpartij moet op de hoogte worden gebracht. Het duurt dan nog ongeveer
twee weken voor er een zittingsdatum is.”
De kort geding rechter acht het kort geding een goed instrument om in geval van een geweldscrisis
in de relatie tot een ordemaatregel over te gaan, zoals een uithuisplaatsing en een straatverbod
of contactverbod. “Als er wordt mishandeld en een gezin dreigt eraan onderdoor te
gaan, dan kan een kort geding worden aangespannen. Er moet dan wel al langer sprake zijn
van geweld. Niet bij een incidentele emotionele uitbarsting waar klappen vallen en met borden
wordt gegooid.”
Formeel is het mogelijk dat op zeer korte termijn via het kort geding een straatverbod of
woningtoewijzing aan het slachtoffer kan plaatsvinden, maar in de praktijk blijkt dit erg lastig. De
advocatuur is een stuk voorzichtiger als het gaat om het inzetten van het kort geding, om verschillende
redenen. Allereerst moet het slachtoffer enige weerbaarheid hebben om een kort
geding te kunnen aanspannen. Daarnaast lijkt het kort geding niet geschikt als crisisinstrument
omdat doorgaans de termijn waarbinnen de zitting plaatsvindt minimaal 10 tot 14 dagen is. Bovendien
wordt een huis niet makkelijk toegewezen aan het slachtoffer noch wordt snel een
straatverbod opgelegd. Er rust een zware bewijslast op het slachtoffer, zo wordt door verschillende
respondenten naar voren gebracht. Iemand van de vrouwenopvang brengt naar voren dat
het slachtoffer eerst een heel dossier moet hebben opgebouwd waaruit de ernst van het geweld
en de kans op herhaling blijkt. Ook een rechter wijst erop dat hoge eisen aan het bewijsmateriaal
worden gesteld. Telefoongesprekken moeten worden opgenomen, geweldsincidenten
moeten bij de politie gemeld worden en bij letsel moet een rapport hierover door de arts worden
opgesteld. Tevens zijn verklaringen van getuigen van belang voor het aannemelijk maken van
45
Verwey-Jonker Instituut
de onrechtmatige daad of de vrees voor herhaling. En een advocaat: “Er is gewoon een hele
zware bewijslast voor het slachtoffer.”
Criteria voor toewijzen van de woning of opleggen van een straatverbod
Een advocaat wijst erop dat het erg van de rechter afhangt of een straatverbod wordt toegewezen.
“Er zijn geen criteria voor de interpretatie van ‘gegronde vrees voor herhaling’. Zeker als de
tegenpartij aardig overkomt en de rechter geen inzicht heeft in de geweldsdynamiek in dit soort
relaties, is de kans groot dat de vordering wordt afgewezen.”
De kort geding rechter geeft aan welke criteria hij langsloopt als een vordering tot woningtoewijzing
en/of een straatverbod wordt gevorderd. Deze criteria staan niet op papier, maar
zitten in zijn hoofd. Wie heeft de woning echt nodig is een belangrijke afweging. Een ander belangrijk
criterium is wie de verzorging van de kinderen als hoofdtaak heeft. Daarnaast spelen
criteria een rol als: wie is de schuldige aan het geschil; wie is eigenaar van het huis; wie kan er
makkelijker aan vervangende woonruimte komen. De kort geding rechter: “Is de woning bijvoorbeeld
nodig voor het werk, zoals een huisarts met praktijk aan huis of een architect met bureau
aan huis. Soms is een schikking mogelijk dat werkzaamheden overdag kunnen plaatsvinden en
er ’s avonds ergens anders wordt geslapen. Als de pleger het gezinsinkomen inbrengt en het
werk is aan huis gebonden, dan is het beter dat de vrouw met de kinderen het huis verlaat. In
het geval dat er een vonnis ligt, kan de vrouw sneller via de gemeente aan een woning komen.
Als er kinderen zijn en die gaan daar naar school en hebben hun vriendjes en clubjes, dan is
het in het belang van de kinderen dat ze er mogen blijven wonen samen met de persoon die
hoofdverantwoordelijk is voor de verzorging.”
Meerdere advocaten wijzen erop dat als de vrouw het huis uit is gevlucht de kans sterk
wordt verkleind om alsnog het huis toegewezen te krijgen in een kort geding procedure. Een
advocaat zegt: “Laatst had ik een zaak waarbij de vrouw zelf de woning was ontvlucht, voor de
rest had ik een hele goede zaak, maar dat de vrouw al weg was liet de rechter zwaar meewegen.“
Een andere advocaat: “Een kort geding over de toewijzing van het gebruik van de woning
werd verloren omdat ze vrijwillig het huis had verlaten, de vrouw moest maar teruggaan naar
Letland.”
Daarnaast wordt door verschillende respondenten geconstateerd dat geweld gepleegd
tegen de partner niet wordt beschouwd als een grond voor toewijzing van het huis aan het
slachtoffer. Een advocaat: “Vaak wordt mishandeling niet als grond gezien om toewijzing van
het huis te krijgen.” Dit blijkt ook uit de opsomming die de kort geding rechter geeft; daar zit het
criterium ‘wie pleegt geweld’ niet bij. Dit punt speelt overigens ook als het gaat om woningtoewijzing
in het kader van een voorlopige voorziening bij echtscheiding (zie paragraaf 5.3).
46
Verwey-Jonker Instituut
Een rechter geeft aan dat het lastig is om het geweld af te wegen tegen andere aspecten: “Wat
te denken van de situatie dat degene die lange tijd in een huis woont, verliefd wordt en gaat
samenwonen met iemand die geen vaste verblijfplaats heeft, en vervolgens mishandelt deze
oorspronkelijke bewoner zijn of haar geliefde en dit escaleert. Moet dan degene die er langer
woont het huis uit? Of stel dat mensen trouwen om de vrouw een verblijfstitel te geven. Er is
geen sprake van affectie. De man mishandelt en bedreigt de vrouw. De man woont 30 jaar in
het huis, de vrouw 30 maanden als de vrouw het geweld niet meer pikt en via het kort geding
het huurrecht vordert. Als sprake is van eenzijdig geweld en er zijn kinderen, zal de vrouw
sneller slagen in haar vordering. Het is een ingewikkelde belangenafweging.”
Effectiviteit van het opleggen van een straatverbod
De meningen over de effectiviteit van het opleggen van een straatverbod zijn wisselend. De
sancties op het overtreden van een straatverbod zijn dwangsom, gijzeling en inzet van de sterke
arm (de politie). Volgens verschillende respondenten zijn deze sancties niet erg effectief,
maar kan er wel een preventieve werking vanuit gaan, zeker bij bepaalde typen plegers. Een
advocaat: “De sancties op het overtreden van een straatverbod zijn dwangsom en gijzeling,
maar hier heb je weinig aan. De dwangsom werkt alleen als de tegenpartij geld heeft; van een
kale kip kun je niet plukken. En de gijzeling moet de eiseres zelf betalen. Wat wel blijft is de
preventieve werking die er van uitgaat.”
De kort geding rechter is overtuigd van de effectiviteit: “Als een straatverbod is opgelegd,
wordt als sanctie soms opgelegd dat het verbod met de sterke arm kan worden afgedwongen,
zeker als een dwangsom weinig zin heeft in verband met de financiŽle situatie van de gedaagde.
De eiseres kan dan de politie bellen als het verbod wordt overtreden. De politie kan de gedaagde
dan verwijderen. Als de gedaagde in gebreke blijft, wordt weer een kort geding aangespannen.
Dit gebeurt zelden. Hieruit leid ik af dat de straatverboden en contactverboden worden
nageleefd.” Ook een advocaat geeft aan dat gedaagden die zijn veroordeeld zich er
meestal aan houden: “Meestal houden de plegers zich er wel aan. Als het vonnis is uitgesproken
door een rechter, dan is vaak wel duidelijk dat de gedaagde moet stoppen met zijn gedrag
en houden ze zich wel koest. Rechters benoemen het ook goed op de zitting; ‘ze wil u gewoon
niet meer, hou er nu maar mee op’. Je hebt uitzonderingen. Nu heb ik er bijvoorbeeld een en
dat is een jaar aan de gang, die krijgt dwangsom op dwangsom; dan laat hij zijn zus voorbij
rijden, zodat hij het niet zelf doet maar wel eenzelfde effect creŽert.”
De respondent uit de vrouwenopvang heeft vooral te maken met mannen die ook na het
opleggen van een straatverbod doorgaan met lastig vallen, bedreigingen en geweldpleging: “De
handhaving is een probleem. Mannen lappen het verbod vaak aan hun laars en blijven het
47
Verwey-Jonker Instituut
overtreden. De vrouwen bellen dikwijls de politie, maar als de politie komt is die man alweer
gevlogen. Daarom vindt de politie die vrouwen vaak lastig.”
Respondenten uit de advocatuur geven aan dat ze altijd eerst een inschatting maken over
de kans dat het straatverbod zal worden toegewezen. Als ze inschatten dat de vordering zal
worden afgewezen, wordt niet snel een procedure gestart. Daarnaast maken ze een inschatting
van de effectiviteit van de maatregel. Als ze inschatten dat pleger van het geweld niet van een
straatverbod zal schrikken, wordt dit meegenomen in de afweging en is de kans kleiner dat naar
de kort geding rechter wordt gestapt. Een advocaat: “Voordat je een kort geding aanspant schat
je in of het aanspannen van het kort geding zin heeft; of de man ervan zal schrikken.” Advocaten
lijken niet snel over te gaan tot het aanspannen van een kort geding om een straatverbod te
vorderen en het vorderen van een woningtoewijzing komt nog minder vaak voor.
Een advocaat brengt naar voren dat als de pleger van geweld door de politie wordt aangehouden
en in verzekeringstelling plaatsvindt, een kort geding minder snel noodzakelijk is: “Het
komt volgens mij niet vaak voor dat een straatverbod wordt gevorderd. Ik heb het afgelopen half
jaar geen kort geding aangespannen, het is niet nodig als er een strafzaak loopt. Als de vrouw
aangifte heeft gedaan en de man is in verzekering gesteld, dan vindt schorsing plaats onder
voorwaarden. Het gaat dan wel vaak om een ernstige geweldszaak, vaak is dan ook sprake van
verkrachting. Ik maak regelmatig mee dat een vrouw een aantal jaren is mishandeld, dan de
relatie verbreekt en dat in die scheidingsperiode vrijheidsberoving en verkrachting plaatsvindt.”
5.2 Voorlopige voorziening bij echtscheiding
Als een echtscheiding wordt aangevraagd kan bij voorlopige voorziening het huis worden toegewezen
aan een van de partners. Indien geen gezamenlijk verzoek tot echtscheiding wordt
gedaan, is procureurstelling verplicht. De advocaat kan dezelfde dag een verzoek tot een voorlopige
voorziening indienen. Een voorlopige voorziening kan binnen twee weken worden afgegeven,
soms wat sneller. Een rechter: “De zaak komt dan binnen een week tot tien dagen op de
zitting. De beslissing wordt op de zitting of binnen een week gegeven.”
De voorlopige voorziening is gekoppeld aan de aanvraag tot echtscheiding. De grond voor
een echtscheiding is dat het huwelijk (of geregistreerd partnerschap) duurzaam is ontwricht (art.
1:150 BW en art. 814 Rv). Als niet tot het aanvragen van de echtscheiding wordt overgegaan,
vervalt de voorlopige voorziening.
48
Verwey-Jonker Instituut
Belangenafweging woningtoewijzing
De belangenafweging die wordt gemaakt in een echtscheidingsprocedure is een andere belangenafweging
dan in een kort geding procedure. In het kort geding gaat het om het bewijs van de
onrechtmatige daad en het aannemelijk maken dat sprake is van vrees voor herhaling. De
grond voor echtscheiding is gelegen in ‘duurzame ontwrichting van het huwelijk (of geregistreerd
partnerschap)’. Het criterium is breder dan ‘onrechtmatige daad’. Als het slachtoffer
aannemelijk kan maken dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, vindt een belangenafweging
plaats.
Een rechter: “Voor het onderbouwen van een duurzame ontwrichting kan bijvoorbeeld worden
aangedragen dat de spanningen hoog zijn opgelopen en dat er sprake is van treiterijen en
ruzies. Als de vrouw dit aannemelijk kan maken, vindt belangenafweging plaats bij wie de kinderen
zullen blijven en wie de woning toegewezen krijgt. De ouder die de kinderen toegewezen
krijgt, blijft doorgaans ook in de woning. Maar als de vrouw met kinderen makkelijker elders
onderdak kunnen vinden dan de man, kan de woning aan de man worden toegewezen. Dit kan
per direct of binnen een gegeven termijn.”
De belangrijkste criteria zijn: wie is de meest geschikte ouder om de verzorging van de
kinderen op zich te nemen en aan wie moet de woning (voorlopig) worden toegewezen. Wie
geweld heeft gepleegd en wie niet, speelt in die afweging geen rol. De rechter-commissaris zegt
hierover: “In de familiekamer gaat het niet om schuld of onschuld, het gaat om een Salomonsoordeel
wie de woning (tijdelijk) krijgt toegewezen. Er wordt een belangenafweging gemaakt,
waarbij de verzorging van de kinderen richtinggevend is. In de familiekamer is het geweld niet
de grond waarop de beslissing rust, maar dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat geweldsaspect
is niet duidelijk en ook oncontroleerbaar. Vaak is er alleen de verklaring van de vrouw.
Daarom wordt daar niet op ingegaan.”
Een advocaat geeft aan dat er in een echtscheidingsprocedure meestal geen problemen
zijn om de woning toegewezen te krijgen aan de vrouw die slachtoffer is van geweld: “De echtscheidingsprocedure
vind ik goed werken, meestal is de vrouw in het voordeel en blijft met de
kinderen in het huis, ook al is de pleger eigenaar of hoofdhuurder. Dit is dan een voorziening
voor zes maanden. Voor gehuwden is de regeling heel goed en zie ik geen knelpunten.”
Voordelen en knelpunt van de echtscheidingsprocedure
Een belangrijk voordeel van de voorlopige voorziening tijdens een echtscheidingsprocedure is
dat er minder hoge eisen worden gesteld aan het aannemelijk maken dat het huwelijk is ontwricht
en dat er een voorlopige beslissing moet komen over het toewijzen van de kinderen en
49
Verwey-Jonker Instituut
de woning. Een rechter: “De bewijslat ligt hoger bij een kort geding. De procedure van een
voorlopige voorziening bij echtscheiding gaat daarom sneller. “
Het belangrijkste knelpunt in deze procedure is dat de procedure niet geldt voor niet gehuwden.
Een advocaat: “Door niet gehuwden kan geen beroep worden gedaan op de voorlopige voorzieningen
van het echtscheidingsrecht en is dit echt een probleem.“ En een rechter: “Knelpunt
is dat het alleen geldt voor gehuwden en geregistreerde partners. Je zou het moeten uitbreiden
voor alle samenwonenden. De criteria zouden ruimer moeten worden geformuleerd, dus niet
meer echtscheiding als voorwaarde en de voorziening zou moeten gelden voor alle huisgenoten.”
Of zoals een advocaat het verwoordde: “Ik zou heel graag een wettelijke regeling willen
voor niet getrouwden die aansluit bij de voorlopige voorziening bij echtscheiding. Dan zijn we
volgens mij van al het gezeur af.”
Een ander knelpunt is het feit dat het geweld nauwelijks in de echtscheidingsprocedure
naar voren komt, zoals blijkt uit de belangenafweging die wordt gemaakt; het geweld is geen
grond waarop de beslissing rust. Een rechter: “Momenteel komt in echtscheidingsprocedures
het geweld nauwelijks ter sprake.”
5.3 Woningtoewijzing via de kantonrechter
Als partners niet zijn gehuwd, is een gang naar de kantonrechter soms noodzakelijk om het
huurrecht toegewezen te krijgen. Een kort geding procedure kan alleen een tijdelijk woningtoewijzing
tot gevolg hebben; het huurrecht kan niet aan het slachtoffer worden toegekend. Een
advocaat: “Een bodemprocedure is noodzakelijk als de pleger hoofdhuurder is. Indien het
slachtoffer de hoofdhuurder is, is er geen probleem en indien beide partners op het huurcontract
staan, volgt er een procedure tot alleengebruik van de woning. Je schat altijd eerst de kans
in of het gaat lukken.”
De bodemprocedure kan plaatsvinden nadat een kort geding is aangespannen. Een advocaat
geeft aan dat zij in kort geding had gevorderd dat de pleger van het geweld het huis moest
verlaten en dat het slachtoffer de woning toegewezen zou krijgen. De vordering werd niet toegewezen.
In een bodemprocedure bij het kantongerecht is het huurrecht wel aan het slachtoffer
toegewezen, ook al woonde het slachtoffer al langere tijd niet meer op dat adres. De advocaat:
“Uiteindelijk heeft de vrouw in de bodemprocedure bij de kantonrechter wel het huurrecht toegewezen
gekregen, omdat ze met een afhankelijke verblijfstitel niet zelf een nieuwe woonvergunning
zou kunnen krijgen.”
50
Verwey-Jonker Instituut
Belangenafweging
De kantonrechter kijkt niet wiens schuld de breuk is, hij weegt belangen af en kijkt wie in de
toekomst het makkelijkst een ander huis kan vinden. Ook hier geldt dat het gepleegde geweld
geen criterium is voor de afweging aan wie het huis wordt toegewezen. Een advocaat: “Voor de
rechter is huiselijk geweld geen argument om het slachtoffer het huis toe te wijzen. Er wordt
alleen naar de toekomst gekeken.” Evenals bij de afweging in kort geding geldt hier dat als het
slachtoffer het huis is ontvlucht, de kans dat het huis vervolgens wordt toegewezen aan het
slachtoffer erg klein is. Een advocaat: “Als het slachtoffer bijvoorbeeld naar de opvang is gevlucht,
zal ze nooit meer aanspraak op het huis kunnen maken, want dan is er volgens de
rechter een oplossing gevonden.”
Knelpunten
Advocaten brengen een aantal knelpunten naar voren. In deze procedure is, evenals in de
voorgaande procedures, het geweld geen grond voor de beslissing en daarnaast is de kans
klein dat het huis wordt toegewezen aan het slachtoffer als zij het huis is uitgevlucht. Bovendien
duurt een bodemprocedure lang, zodat in tijden van crises deze procedure geen oplossing
biedt. Ook wordt erop gewezen dat als het slachtoffer het huis toegewezen heeft gekregen, dit
vonnis niet voldoende is om het huurcontract op haar naam te krijgen; zij is afhankelijk van de
medewerking van de (mede)huurder. Een advocaat: “Het slachtoffer zou een soort overname
van een huurcontract moeten kunnen vorderen, zodat zij de hoofdhuurder wordt.”
5.4 Ter afsluiting
Er zijn verschillende civiele mogelijkheden in situaties van geweld binnenshuis die kunnen worden
ingezet om de woning tijdelijk aan het slachtoffer toe te wijzen: het kort geding, de voorlopige
voorziening bij echtscheiding, en de kantonrechterprocedure. Het civiele recht zal worden
ingezet in situaties waar slachtoffers van geweld binnenshuis voor langere tijd het alleenrecht
op de woning willen hebben en/of tijdelijk geen contact willen met de pleger van het geweld. Uit
de interviews komt een aantal knelpunten naar voren met betrekking tot de huidige civiele mogelijkheden.
De kort geding procedure wordt niet ingezet om de pleger van geweld binnenshuis het huis
uit te zetten in situaties waarin nog sprake is van samenwoning. De kort geding rechter benadrukt
dat dit wel mogelijk is. Advocaten geven aan dat door de kort geding rechter niet snel tot
51
Verwey-Jonker Instituut
woningtoewijzing aan het slachtoffer wordt besloten als het slachtoffer het huis is uitgevlucht.
Daarnaast wordt de bewijslast voor het slachtoffer die als eiser optreedt door verschillende respondenten
als zwaar beoordeeld. Het opleggen van een straatverbod door de rechter wordt als
redelijk effectief beschouwd in situaties van belaging. Dit lijkt mede te worden veroorzaakt door
het feit dat advocaten vooral tot het inzetten van een kort geding overgaan als wordt ingeschat
dat de gedaagde zal schrikken van een rechterlijke uitspraak.
Woningtoewijzing aan het slachtoffer kan via de voorlopige voorziening bij echtscheiding
worden vastgesteld. De termijn waarbinnen dit is geregeld is twee weken. Doorgaans wordt de
woning aan de vrouw en kinderen toegewezen. De knelpunten die naar voren worden gebracht
zijn tweeŽrlei; het gepleegde geweld is geen grond waarop de beslissing tot woningtoewijzing
berust en de voorlopige voorziening kan alleen worden aangevraagd door gehuwden en geregistreerde
partners in samenhang met een verzoek tot echtscheiding. Voor niet gehuwden bestaat
de mogelijkheid de woning toegewezen te krijgen via een procedure bij de kantonrechter.
Er wordt naar voren gebracht dat een bodemprocedure lang duurt en dat daarom deze procedure
doorgaans geen oplossing biedt. Bovendien geldt ook voor deze procedure dat het geweld
geen grond is voor de beslissing tot woningtoewijzing.
52
Verwey-Jonker Instituut
53
Verwey-Jonker Instituut
6 Draagvlak voor crisisinterventie
Uit voorgaande hoofdstukken komt naar voren dat ten tijde van een crisis de mogelijkheid om
de pleger van het geweld de woning uit te zetten beperkt zijn. Aan de respondenten is de vraag
voorgelegd of zij een crisismaatregel met als doel het tijdelijk uit huis verwijderen van de pleger
wenselijk vinden. Het draagvlak onder agenten van de basispolitie is gepeild, waarbij aandacht
is geschonken positieve en negatieve kanten die aan zo’n maatregel kunnen kleven. Met sleutelfiguren
uit het veld is eveneens gepraat over de wenselijkheid en de voor- en nadelen van
zo’n crisismaatregel.
6.1 Draagvlak onder agenten
Aan de agenten is voorgelegd of ze een soortgelijke maatregel zoals deze in Oostenrijk geldt,
ook in Nederland wenselijk zouden vinden. De volgende samenvatting van het onderzoek naar
de Oostenrijkse regeling tot uithuisplaatsing is aan hen voorgelegd:
In Oostenrijk heeft de politie de bevoegdheid de maatregel van uithuisplaatsing toe te passen.
Wanneer blijkt dat gevaar dreigt voor leven, gezondheid of vrijheid van het slachtoffer
van huiselijk geweld, kan de pleger worden opgedragen de woning te verlaten. Als basis
voor dit artikel dient de algemene taak van de politie tot conflictoplossing. Het bevel wordt
mondeling gegeven, moet daarna op schrift worden gesteld en de politieleiding toetst dit op
rechtmatigheid. De maatregel duurt maximaal tien dagen en dient ter bescherming van iedereen
die in het huis verkeert. Instemming van het slachtoffer bij het toepassen van de
maatregel is niet vereist. De pleger gaat doorgaans naar vrienden of familie. Indien nodig
bemiddelt de politie in het vinden van onderdak.
De agenten staan positief tegenover een maatregel tot uithuisplaatsing van plegers. Een ruime
meerderheid acht zo’n maatregel wenselijk. Er zijn slechts drie agenten die het geen goed idee
vinden en twee mensen weten het niet. Deze agenten zijn allen werkzaam in een regio met een
specifiek beleid huiselijk geweld (zie Bijlage 1, Tabel 4). Hieruit kan je voorzichtig veronderstellen
dat agenten werkzaam in een regio-sb minder behoefte hebben aan een dergelijke crisismaatregel.
54
Verwey-Jonker Instituut
Positieve aspecten
Er worden spontaan verschillende positieve punten van zo’n crisismaatregel naar voren gehaald
waarbij opvalt dat in regio's-sb meer positieve gevolgen spontaan worden genoemd dan
in regio's-zsb. Hoewel alleen in regio's-sb een kleine minderheid een crisismaatregel geen goed
idee vindt of het niet weet, blijkt dat de grote meerderheid in regio's-sb veel positieve punten
naar voren brengt (zie Bijlage 1, Tabel 5). De belangrijkste positieve aspecten hebben betrekking
op het slachtoffer en de politie.
Allereerst heeft uithuisplaatsing positieve consequenties voor het slachtoffer. Een vaak
genoemd positief aspect is dat uithuisplaatsing van de pleger direct rust en veiligheid biedt aan
het slachtoffer en de kinderen (n=10) en het biedt pleger en slachtoffer de gelegenheid om een
effectieve oplossing voor hun problemen te zoeken (n=5). Het wordt rechtvaardiger geacht dat
de pleger van het geweld het huis moet verlaten dan dat het slachtoffer met de kinderen het
huis uit moet (n=6) en het is goed dat kinderen niet weg hoeven (3). Ook vinden agenten het
goed dat de maatregel in het belang van het slachtoffer is (6).
Ten tweede heeft zo’n maatregel positieve gevolgen voor de politie. De politie heeft door
deze mogelijkheid het gevoel iets positiefs te kunnen doen; het acute probleem kan met een
noodmaatregel worden opgelost (n=16). Ook vindt men het positief dat sneller kan worden ingegrepen
(n=6).
Na het voorleggen van een aantal positieve gevolgen van zo’n maatregel wordt door bijna
alle agenten (n=38) aangegeven dat zo’n maatregel slachtoffers direct rust en veiligheid biedt.
Dit wordt tevens het belangrijkste positieve aspect van uithuisplaatsing genoemd.
Knelpunten
Naast de vele positieve aspecten, worden spontaan ook veel verschillende knelpunten naar
voren gebracht (zie Bijlage 1 Tabel 6). Het belangrijkste knelpunt dat naar voren wordt gebracht
betreft de infrastructuur. Veel agenten vinden de maatregel een prachtig idee, maar zijn erg
bang dat de hulpverlening en de opvang eromheen niet voldoende op orde zijn en dan is het
uiteindelijk weer de taak van de politie om dit op te lossen. Men heeft het dan over zaken als:
geen opvang voor de pleger, de pleger gaat steeds weer terug naar het slachtoffer, binnen tien
dagen is geen hulpverlening gestart en het begint weer van voren af aan. Het knelpunt dat
spontaan dan ook het meest wordt genoemd is “Er zijn nog geen sluitende afspraken tussen de
politie en de hulpverlening, en daardoor is de kans groot dat de politie met het probleem blijft
zitten.” Een agent: “Er is nu niet voldoende hulpverlening. Daar moet echt wat veranderen, anders
gaat het echt mis. Dan blijft de politie weer met het probleem zitten.” Ook als verschillende
55
Verwey-Jonker Instituut
mogelijke knelpunten worden voorgelegd, worden door de meeste agenten knelpunten in de
opvang van plegers en het ontbreken van sluitende afspraken tussen politie en hulpverlening
genoemd. Dit laatste wordt ook als belangrijkste knelpunt beschouwd.
Naast problemen rond de infrastructuur brengen relatief veel agenten (9) spontaan naar voren
dat de maatregel moeilijk is te handhaven als er geen sanctie staat op het overtreden ervan.
Daarnaast wordt naar voren gebracht dat de politie intensiever moet optreden om naleving van
de maatregel te bewaken, vijf agenten noemden dit spontaan als knelpunt en na voorlegging
van dit knelpunt, antwoordden twintig agenten bevestigend hierop. Op de vraag of het als knelpunt
wordt beschouwd dat de politie in crisissituaties niet altijd kan beoordelen wie de pleger en
het slachtoffer is, wordt eveneens door twintig agenten positief gereageerd. Tot slot bestaat er
angst voor misbruik door het slachtoffer; drie agenten brengen als knelpunt naar voren dat de
kans bestaat dat slachtoffers misbruik maken van deze maatregel.
De agenten verwachten dat de maatregel in de toekomst zeker gebruikt zal worden (n=38). De
bevoegdheid om een pleger van huiselijk geweld direct uit huis te plaatsen wordt door hen als
een welkome aanvulling op hun bevoegdheden beschouwd. Zij hebben het idee met die maatregel
echt iets te kunnen doen als het gaat om partnergeweld. Dit wordt door de agenten in
zowel de regio’s-sb als in de regio’s-zsb zo verwoord.
6.2 Draagvlak onder deskundigen
Alle deskundigen staan in principe positief tegenover een maatregel tot huisuitzetting van plegers
van huiselijk geweld. Het belangrijkste argument om voor een crisismaatregel tot huisuitzetting
te kiezen is dat men het onrechtvaardig vindt dat nu meestal de vrouw en de kinderen
het huis moeten verlaten, of dat het kind uit huis wordt geplaatst, terwijl de pleger in het huis
kan blijven wonen. ”Het is niet rechtvaardig dat de vrouw en de kinderen weg moeten uit de
vertrouwde omgeving, weg uit de stad waar ze wonen, de kinderen weg van hun school. Het is
niet rechtvaardig dat zij in het dak- en thuislozencircuit terechtkomen,” aldus de respondent
werkzaam bij de gemeente. De bescherming van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer
moet in bepaalde gevallen zwaarder wegen dan de bescherming van het huisrecht en de bewegingsvrijheid
van de pleger.
Daarnaast wordt als groot voordeel van huisuitzetting beschouwd dat daardoor rust wordt
gecreŽerd voor het slachtoffer; een periode van rust is nodig voor het slachtoffer om te kunnen
beslissen wat ze wil. Er is behoefte aan een afkoelingsperiode, waarin de dader op de onjuistheden
van zijn gedrag kan worden gewezen, daderhulp kan worden aangeboden en het slacht56
Verwey-Jonker Instituut
offer kan worden ondersteund. Dit kan alleen als de maatregel onderdeel vormt van een breder
hulpaanbod. Tevens wordt gewezen op het preventieve effect dat van zo’n maatregel kan uitgaan.
De respondent uit de vrouwenopvang: “Een positief punt van de maatregel is dat je achter het
slachtoffer staat met deze maatregel. De maatregel is echt in het belang van het slachtoffer;
vrouwen krijgen een sterkere positie door deze maatregel. Positief is ook de preventieve werking
die ervan uitgaat.”
Een ander positief punt dat naar voren wordt gebracht, is dat de politie dan minder vaak het
gevoel zal hebben met lege handen te staan, want inverzekeringstelling is niet altijd mogelijk.
Huisuitzetting heeft bovendien als voordeel boven inverzekeringstelling dat het minder ingrijpend
is; het is milder voor de pleger en grijpt minder in de rechten van de verdachte in. De respondent
van de gemeente vat haar voorkeur voor een mogelijkheid tot huisuitzetting als volgt
samen: “Het is een knelpunt dat in een situatie van crisis er geen goede mogelijkheid tot crisisinterventie
is. Als de situatie hoog is opgelopen gaat er soms een dag overheen voor er iets
gebeurt. Het is belangrijk dat er in zo’n crisissituatie direct wordt opgetreden, dat het gevaar
wijkt en de rust weerkeert en dat iemand moeder en kinderen ondersteunt. Het gaat er in de
eerste plaats niet om dat de pleger wordt vastgezet en een strafblad krijgt, het gaat er in de
eerste plaats om dat het geweld stopt. Doel is dat het geweld stopt. Een instrument tot crisisinterventie,
al is het maar voor tien dagen, is daarbij belangrijk.”
Er is overigens ook zorg te horen over deze nieuwe maatregel. Wordt hierdoor de nieuwe aanpak
door de politie niet doorkruist en is huisuitzetting niet een weg terug naar bemiddelen? Ook
wordt naar voren gebracht dat eerst landelijk een afweging moet worden gemaakt of het niet
beter is eerst de nieuwe aanpak goed op de rails te krijgen voordat weer een nieuwe maatregel
wordt ingevoerd.
Verschillende respondenten benadrukken dat de maatregel slechts geschikt is voor een
beperkte groep, namelijk de groep die niet heel ernstig geweld pleegt en nog aanspreekbaar is
op zijn gedrag. Er zou een veiligheidsprofiel van de pleger moeten worden gemaakt en alleen
als wordt ingeschat dat de vrouw en de kinderen veilig zijn als de pleger uit het huis wordt verwijderd,
is uithuisplaatsing gewenst. Daarnaast moet het slachtoffer voldoende weerbaar zijn en
moet het belang van de kinderen worden afgewogen. De respondent uit de maatschappelijke
opvang geeft aan dat vrouwen die naar de vrouwenopvang gaan, doorgaans slachtoffer zijn van
ernstig geweld en ernstig zijn getraumatiseerd. In die gevallen zal het opleggen van zo’n maatregel
olie op het vuur zijn: “Wanneer de geweldpleger de maatregel opgelegd heeft gekregen
en het slachtoffer in het huis kan blijven, zal dat nogal eens een schijnveiligheid opleveren. De
verblijfplaats van de vrouw is namelijk bekend bij de dader. In deze ernstige gevallen zal zo’n
57
Verwey-Jonker Instituut
maatregel veelal escalerend werken en heel veel boosheid bij de man tot gevolg hebben. Zijn
agressiviteit zal juist door de uithuisplaatsing versterkt worden. Ik denk niet dat de controle op
hem door andere instanties sluitend te maken is; de politie, de reclassering en de hulpverlening
kunnen nooit de bescherming van de vrouw sluitend maken. Bovendien zijn vrouwen er soms
zo beroerd aan toe dat het beter is dat zij naar een vorm van opvang gaan. Het idee is weliswaar
positief, maar de maatregel is slechts zinvol voor een beperkte groep.”
De respondent van de vrouwenopvang geeft aan voor welke groep vrouwen zo’n crisismaatregel
geschikt is: “Je hebt nu een hele grote groep die niet naar de opvang gaat, maar die
wel wil dat het geweld stopt. Voor deze groep slachtoffers is een maatregel van uithuisplaatsing
goed. Vooral zo vroeg mogelijk, als het geweld nog niet zo vaak heeft plaatsgevonden, dan kan
het effectief zijn. Juist als het geweld lang doorgaat en ernstig is, is de kans dat de pleger gaat
stalken groter en komt de veiligheid van het slachtoffer in geding. Dan zal misschien een ingrijpender
maatregel moeten plaatsvinden, voor het slachtoffer betekent dit naar de opvang en
voor de pleger het strafrechtelijk traject in.” Ook de reclasseringsmedewerkster geeft aan dat er
bij narcistische mannen problemen zullen ontstaan.
De reclasseringsmedewerkster wijst bovendien op het probleem van de controle. Haar
ervaring is dat mannen die gemotiveerd zijn voor daderhulp, vaak vrijwillig tijdelijk ergens anders
gaan wonen als het nodig is. “Goede controle is nodig bij de ontkenners, want die gaan
stalken omdat zij zich ernstig gekrenkt voelen. Daar is controle heel belangrijk.”
De medewerker van de raad voor de Kinderbescherming wijst op het belang van de kinderen.
Als er in geval van partnergeweld kinderen bij betrokken zijn, moet het belang van het kind
bij uithuisplaatsing van de pleger expliciet en systematisch aan de orde komen. Hij vraagt zich
af of de politie daartoe voldoende is geŽquipeerd. “Misschien moet het via teamvergaderingen,
waar kinderen in problematische opvoedingssituaties worden besproken. Daar zou de Raad
een rol in kunnen spelen.”
Sommige respondenten achten een adequate hulpverlening belangrijker dan nieuwe wetgeving.
“Een knelpunt binnen de huidige werkwijze is het ontbreken van een goed hulpsysteem, van
voldoende begeleiding van slachtoffer en pleger of het hele gezin. Dit is nog belangrijker dan
nieuwe wetgeving.”
Door enkele respondenten wordt naar voren gebracht dat een periode van tien dagen, zoals dit
in Oostenrijk en Duitsland geldt voor de crisismaatregel, te kort is om hulp te verlenen en de
geweldsspiraal te doorbreken. Zij achten minimaal zes weken of enkele maanden noodzakelijk
om echt iets te kunnen doen. De psychotherapeut van de Waag geeft aan dat bij een uithuisplaatsing
van zes weken daderhulp goed mogelijk is.
58
Verwey-Jonker Instituut
Verschillende respondenten uiten de twijfel of de maatregel op grote schaal zal worden toegepast,
maar dat neemt het belang van de maatregel niet weg; elke maatregel die een bijdrage
kan leveren aan het stoppen van het geweld moet worden ingezet.
6.3 Uithuisplaatsing en specifieke groepen
De mogelijkheid tot uithuisplaatsing moet algemeen worden geformuleerd en gelden voor alle
vormen van huiselijk geweld. Dat neemt niet weg dat de crisismaatregel niet voor alle plegers
geschikt lijkt. Men acht deze maatregel vooral wenselijk in geval van partnergeweld en dan met
name voor de gevallen van niet zeer ernstig geweld, waarbij de pleger niet psychiatrisch gestoord
of drugsverslaafd is. Hieronder wordt stilgestaan bij uithuisplaatsing van allochtone plegers
en uithuisplaatsing van de pleger als ouder.
Allochtone plegers van huiselijk geweld
De vraag is gesteld of het uit de woning verwijderen van de pleger in allochtone kring een specifieke
aanpak behoeft. Iedereen is het erover eens dat de wet voor iedereen gelijk is, maar dat
de impact van de maatregel voor bepaalde groepen allochtone plegers groter kan zijn. Een
politiefunctionaris: “Bij allochtonen heeft ingrijpen een grote impact, het wordt als grote schande
ervaren als hij bijvoorbeeld uit huis zou worden geplaatst. Je hebt niet de garantie dat uithuisplaatsing
niet leidt tot escalatie, maar je mag niet buigen voor chantage.“ De medewerker van
de Raad voor de Kinderbescherming merkt op: “In allochtone culturen heeft uithuisplaatsing
door de rechter een andere impact, een culturele impact van nog verdere uitstoting van hetzij
de man, hetzij de vrouw die toch maar aangifte gaat doen. Wat het voor de kinderen betekent,
dat weet ik niet. Ik kan me wel voorstellen dat dit belang een extra weging moet zijn. Als deze
wet er komt, is het zeker belangrijk dat dit meertalig wordt gecommuniceerd.”
Een advocaat merkt op dat een uithuisplaatsing misschien minder gezichtsverlies oplevert
dan een inverzekeringstelling: “Je kan zeggen dat binnen bepaalde culturen men erg naar binnen
is gericht en het lastiger is hen te bereiken. Wellicht dat daar uithuisplaatsing beter is dan
een inverzekeringstelling, omdat uithuisplaatsing minder gezichtsverlies met zich meebrengt.”
De respondent uit allochtone kring geeft aan dat het uit de woning verwijderen van de pleger
van geweld goed is: “het is een radicale verandering ten opzichte van de huidige situatie." Maar
ook in dat geval verliest de man zijn gezicht: “De dader heeft zijn gezicht verloren, is de zondebok.
Zulke mannen hebben twee identiteiten, naar buiten toe aardig maar thuis een monster.
Nu weet iedereen het! Als ze er ook nog op zijn werk achter komen…” Daarnaast benadrukt ze
dat uithuisplaatsing alleen zinvol is als gegarandeerd kan worden dat de vrouw ook daadwerke59
Verwey-Jonker Instituut
lijk kan worden beschermd: “het slachtoffer moet zich veilig voelen en weten dat als zij belt, de
politie direct komt.”
Er speelt nog een ander punt. Marokkaanse en Turkse vrouwen maken veel sterker dan
autochtone vrouwen deel uit van een gemeenschap. Deze gemeenschappen zijn hecht en familieleden
wonen vaak vlak bij elkaar. Iedereen houdt elkaar in de gaten. Als de man uit het
huis wordt verwijderd heeft dit als voordeel dat het slachtoffer in de vertrouwde omgeving blijft;
de vrouw hoeft niet opnieuw de weg te zoeken naar bijvoorbeeld de apotheek of de school van
haar kinderen. Maar er is ook een groot nadeel: de buren en de familie van de man blijven om
haar heen wonen en hun invloed uitoefenen, waardoor het slachtoffer niet los kan komen van
de familie en niet zelfstandig haar keuzes kan maken. Allochtone slachtoffers hebben wellicht
meer baat bij een korte opvang in een opvanghuis en vervolgens een eigen woning, terwijl een
vertrouwenspersoon aanwezig blijft ter ondersteuning. De respondent van de stichting Kezban:
“Het slachtoffer moet niet aan haar lot worden overgelaten na de opvang. Deze vrouwen hebben
constant begeleiding nodig; omdat ze niet weerbaar zijn en geen zelfvertrouwen hebben
stopt het geweld niet. Je kunt die ene man weghalen, maar als de vrouw niet weerbaar is en
niet begeleid wordt, gaat zij naar de volgende die haar mishandelt.”
Daarnaast speelt het punt van de afhankelijke verblijfsvergunning; de afhankelijke verblijfsvergunning
is een drempel om met de geweldservaring naar buiten te komen en weg te gaan bij
de partner, zo melden verschillende respondenten. Een uithuisplaatsing mag de verblijfsvergunning
niet in gevaar brengen.
De ouder als pleger
Er zijn twee situaties te onderscheiden: de ouder is pleger van geweld tegen het kind en de
ouder pleegt geweld tegen de partner. In de eerste situatie speelt de vraag of plegers van kindermishandeling
uit huis geplaatst moeten worden en in de tweede situatie speelt de vraag wat
de uithuisplaatsing betekent voor het contact met de kinderen.
Situaties van kindermishandeling
In situaties van kindermishandeling is het lastiger om de pleger uit het huis te verwijderen, omdat
de zorg voor het kind gewaarborgd moet zijn, is de algemene opvatting van alle respondenten.
Een rechter wijst erop dat het ook nu al voorkomt dat de ouder die het kind mishandelt het
huis verlaat, bijvoorbeeld door tussenkomst van familie die ervoor zorgt dat de pleger ergens
anders naar toe gaat, of in geval de moeder een echtscheiding aanvraagt en als voorlopige
60
Verwey-Jonker Instituut
voorziening het huis aan haar en de kinderen wordt toegewezen. Soms wordt met tussenkomst
van de rechter gezocht naar een andere manier dan het uit huis plaatsen van het kind als sprake
is van een bedreigende situatie voor het kind. Een wettelijke mogelijkheid is een aanvulling:
“Ik denk dat het uit huis plaatsen van de pleger een extra aanvulling kan zijn in die gevallen dat
de niet plegende ouder voldoende veerkracht heeft en geen echtscheiding wil.”
Een advocaat benadrukt dat het juist ook goed is in geval van kindermishandeling: “Ja, het zou
juist heel goed zijn dat het kind in de vertrouwde omgeving blijft. Zelfs indien sprake is van een
eenoudergezin moet dit mogelijk zijn. Wel moet je kijken wie er dan in huis komt om voor het
kind te zorgen, bijvoorbeeld een oma.”
De respondent van de Raad voor de Kinderbescherming vindt dat de mogelijkheid moet
bestaan in geval het kind wordt mishandeld, maar dit is niet de eerste optie: “De mate waarin
veiligheid is te garanderen van het kind moet het criterium zijn of tot het verwijderen van de
pleger wordt overgegaan. Als de niet-mishandelende ouder dit kan waarborgen, ook als de
pleger in huis blijft, dan hoeft niemand weg. Staat de moeder bijvoorbeeld toe dat het kind een
slot op de deur krijgt waar alleen het kind de sleutel van heeft en is hier controle op? Uithuisplaatsing
van de pleger hoeft niet de eerste optie te zijn, maar wel een van mogelijkheden, bijvoorbeeld
als de pleger zich niet voldoende kan beheersen (hij gaat bijvoorbeeld toch naar haar
kamer). Dan zou ook de mogelijkheid om de pleger uit huis te plaatsen moeten bestaan.”
De agenten zijn er huiverig voor om in geval van kindermishandeling zo’n maatregel op te
leggen. Veel agenten hebben ook geen ervaring met interventie in het gezin in geval van geweld
tegen het kind, omdat dit soort zaken direct worden overgedragen aan de afdeling Jeugden
zedenzaken.
Omgangsregeling
Daarnaast speelt de vraag of tijdens de crisismaatregel de omgang tussen de ouder als pleger
en het kind opgeschort moet worden en of dit ook moet gelden als de ouder voor langere tijd
wordt verboden het huis te betreden.
Ten tijde van de crisismaatregel lijken er minder bezwaren tegen een tijdelijk contactverbod
met het kind om op die manier rust te creŽren. In de praktijk vormt omgang tussen het kind en
de niet-verzorgende ouder vaak een bron van conflicten. Door naast uithuisplaatsing de omgang
tussen het kind en de pleger stop te zetten, wordt het doel van de maatregel, het creŽren
van rust, ondersteund. Hiermee wordt bovendien aangegeven dat het geweld, ook als kinderen
alleen oog- of oorgetuigen zijn, voor kinderen ernstige (geestelijke) gevolgen kan hebben. De
medewerker van de Raad van de Kinderbescherming: “Als sprake is van partnergeweld, gaat
het erom dat er een time-out wordt gecreŽerd. Het gaat er vrouwen vaak om dat het geweld
stopt en daar is tijd voor nodig; er moet rust komen. Als de pleger 10 tot 14 dagen geen toe61
Verwey-Jonker Instituut
gang tot het huis heeft, betekent dit rust en dat zou ook moeten betekenen dat soms het omgangsrecht
even moet worden geparkeerd. In die periode moet worden gekeken of a) de relatie
wordt voortgezet, b) hoe pakt de pleger zijn (of haar) ouderrol op en c) wat betekent dit hele
gebeuren voor de kinderen. Als het kind getuige is van geweld tussen ouders, dan lijkt mij het
uit huis plaatsen van pleger in belang van het kind. Aan de pleger moet worden gecommuniceerd:
u kunt niet thuis wonen omdat u uw vrouw mishandelt en omdat dit slecht is voor de kinderen.
Als er sprake is van partnermishandeling moet er een kwalitatieve weging plaatsvinden
tussen het recht op omgang en het waarborgen van de veiligheid van het kind. Daarbij moet
gekeken worden naar de partnerrelatie, de ouderrol en het belang van het kind.”
Uit de interviews komt naar voren dat het vooral van belang is dat een goede afweging
wordt gemaakt tussen het belang van het kind om contact met de niet-verzorgende ouder te
hebben, het recht op contact van de niet-verzorgende ouder en een veilige leefsituatie. Er wordt
op gewezen dat de huidige regelgeving rondom het omgangsrecht voldoende handvatten biedt
voor een goede afweging. Niemand is ervoor de omgang in principe voor lange tijd te verbieden
en alleen onder bepaalde voorwaarden toe te staan. Een advocaat: “Eerlijk gezegd vind ik dat
er gekeken moet worden naar het individuele geval, naar wat de situatie is. Dus noch de regel:
omgang tenzij, noch gťťn omgang tenzij. In het algemeen is het zo dat het in het belang van
het kind is dat deze contact heeft met beide ouders. Als sprake is van een geweldssituatie moet
het kind beschermd worden tegen een loyaliteitsconflict in zichzelf. Soms is het daarom beter
om te zeggen dat er geen contact mag worden gezocht met de vader, omdat dit rust geeft ook
voor het kind. Maar het kan ook heel goed dat de man weg is na jarenlang geweld tegen de
partner, en dat het contact tussen kinderen en de vader heel goed is. Ik had laatst een geval
waar de man was geschorst en niet terugging naar het gezin, en waar de kinderen hem altijd
konden bellen en bij hem langs konden gaan als zij wilden. De omgang loopt daar heel soepel.
Kortom, ik wil geen hoofdregel, je moet naar de situatie kijken en er niet voor terugschrikken om
contact tussen kind en andere ouder te verbieden.” De reclasseringsmedewerkster wijst erop
dat het mannen heel erg raakt als zij voor lange tijd geen omgang met hun kinderen mogen
hebben. Zeker als mannen gemotiveerd zijn tot het volgen van dadertherapie, acht zij omgang
tussen vader en kind in principe gewenst.
Daarnaast wordt erop gewezen dat een omgangsregeling alleen moet gelden als de veiligheid
van niet alleen de kinderen, maar ook de vrouw is gewaarborgd. Gewezen wordt op de
mogelijkheid van omgangsbegeleiding door de Raad voor de Kinderbescherming of andere
instanties. Deze mogelijkheden zouden verder moeten worden uitgebreid. Iedereen is het erover
eens dat als de uithuisplaatsing van plegers van huiselijk geweld wettelijk wordt geregeld,
tevens iets dient te worden vermeld over het omgangsrecht waar de rechter zich over dient uit
te spreken.
62
Verwey-Jonker Instituut
6.4 Een breed draagvlak
Uit het onderzoek komt een breed draagvlak naar voren voor een crisismaatregel om plegers
van geweld binnenshuis uit het huis te verwijderen. Dit blijkt zowel uit de gestructureerde interviews
met de politieagenten als uit de interviews met sleutelfiguren. Als zo’n maatregel bij wet
wordt geregeld, verwacht de politie dat zij vooral gebruik zal maken van de crisismaatregel in
situaties van partnergeweld. De agenten vinden dat de maatregel moet worden opgelegd als
sprake is van fysiek structureel geweld tussen partners en als het duidelijk is wie de pleger is.
Alle sleutelfiguren vinden dat de maatregel breed toepasbaar moet zijn; voor alle geweld binnenshuis,
dus ook in situaties van kindermishandeling. In die gevallen is het echter lastiger om
de pleger de toegang tot het huis te ontzeggen, omdat de zorg voor het kind gewaarborgd moet
zijn. Als het geweld binnenshuis plaatsvindt in Turkse en Marokkaanse kring kan de uithuisplaatsing
een andere impact hebben, omdat de slachtoffers en plegers doorgaans deel uitmaken
van een hechte gemeenschap, waardoor het voor slachtoffers bijvoorbeeld moeilijk kan zijn
los van (schoon)familie keuzes te maken. Deze slachtoffers hebben wellicht meer baat bij een
korte opvang elders en daarna een eigen woning, terwijl zij langdurig worden ondersteund door
een vertrouwenspersoon.
Alle respondenten beschouwen crisisinterventie als een instrument in een totaalpakket van
instrumenten. Het uit huis zetten van plegers alleen lost niets op. Sommigen stellen het nog
sterker: “als de mogelijkheid tot huisuitzetting van plegers wettelijk wordt geregeld zonder dat
aan randvoorwaarden is voldaan, zal dit een contra-productieve werking hebben.” Iedereen
benadrukt dat in die korte periode van huisuitzetting hulp en ondersteuning van de grond moet
komen. Dit wordt in het volgende hoofdstuk behandeld.
63
Verwey-Jonker Instituut
7 Randvoorwaarden
Wetgeving alleen biedt geen oplossing in situaties van geweld binnenshuis, hierover zijn alle
respondenten het eens. Als een man uit het huis wordt verwijderd en bijvoorbeeld tien dagen
geen contact mag zoeken met het slachtoffer, is het noodzakelijk dat in die periode een hulpverleningstraject
op gang komt, anders heeft uithuisplaatsing geen zin. Een onderscheid moet
worden gemaakt tussen hulpverlening aan het slachtoffer, hulpverlening aan de pleger of hulpverlening
aan het systeem (de relatie of het gezin). Bovendien is het voor de veiligheid van het
slachtoffer en de kinderen van belang dat de reclassering of een andere instantie toezicht houdt
op het naleven van de maatregel.
Als belangrijkste randvoorwaarden worden ondersteuning van het slachtoffer en daderhulp
genoemd (zie hieronder). Daarnaast wordt gewezen op het belang van samenwerking en afstemming
tussen de verschillende instellingen. De regie zou bij de gemeente moeten liggen. De
respondent van de gemeente: “De gemeente is goed in staat om een regierol te hebben, want
de gemeente kan zowel de politie als de hulpverlening aansturen. Het driehoeksoverleg kan
directieven geven. Dit is overigens nog nooit gebeurd, er vindt alleen rapportage plaats over het
project huiselijk geweld.” Een politiefunctionaris benadrukt dat de regie bij de gemeente hoort te
liggen en niet bij de politie: “Soms heeft de politie wel een voortrekkersrol en is bijvoorbeeld
voorzitter van een stuurgroep huiselijk geweld, maar de regiefunctie hoort uiteindelijk bij de
gemeente.” Tot slot wordt groot belang gehecht aan scholing van de verschillende beroepsgroepen.
7.1 Ondersteuning van het slachtoffer
Als de pleger van het geweld uit het huis is verwijderd, moet het slachtoffer hulp worden aangeboden
en ondersteund worden in het beslissingsproces. Dit wordt als een zeer belangrijke
randvoorwaarde beschouwd. Het slachtoffer heeft minimaal een week nodig om een aantal
beslissingen te kunnen nemen. Een advocaat: “Het slachtoffer moet orde op zaken kunnen
stellen, moet beslissen of ze aangifte wil doen of niet, of ze in het huis wil blijven wonen of niet,
of ze met de man door wil gaan of een scheiding wil, ze moet de mogelijkheid hebben om met
vrienden en familie te overleggen en om juridisch advies in te winnen. Het lijkt mij erg belangrijk
dat het slachtoffer in dit beslissingsproces wordt ondersteund. Vaak zijn slachtoffers in de war,
terwijl er veel moet worden geregeld en beslist. Het is dan prettig als een hulpverlener als vorm
van eerste opvang een sturend gesprek kan voeren met het slachtoffer, op een rijtje kan zetten
64
Verwey-Jonker Instituut
welke praktische zaken moeten worden geregeld, bijvoorbeeld het aanvragen van een uitkering,
een afspraak met de advocaat, een afspraak met een hulpverleningsinstelling, of opvang voor
de kinderen.” Voor korte termijn is ondersteuning nodig en op langere termijn is hulp bij de verwerking
en hulpverlening gericht op het weerbaar maken van het slachtoffer belangrijk.
Ook na afloop van de crisismaatregel is het belangrijk dat contact wordt gehouden met het
slachtoffer. Dit geldt zeker ook voor slachtoffers uit allochtone kring. De respondent van de
stichting Kezban: "Bij de allochtone gemeenschap werkt het heel goed als er steeds iemand
van een officiŽle instantie langskomt. Dan zien de mensen: daar komt iemand langs. Dat maakt
de kans op dreigementen aan het adres van het slachtoffer kleiner, want men ziet: zij heeft een
lijn met de Nederlandse overheid, er wordt op haar gelet. Wij Turken en Marokkanen zijn bang
voor de officiŽle instellingen. De spullen gaan halen met de politie zou heel goed zijn."
De ondersteuning van het slachtoffer kan op verschillende manieren worden geregeld. De
vraag is of er een landelijke structuur moet komen, of dat aangesloten moet worden bij lokale
mogelijkheden. De respondent van de gemeente: “Ik weet ook niet of je moet zoeken naar een
landelijke structuur, een uniforme structuur, of dat je het aan de lokale omstandigheden moet
overlaten. Een uniforme structuur is sterker, maar de vraag is of dit haalbaar is. “
Een aantal respondenten denkt dat misschien de organisaties voor de vrouwenopvang deze
steunfunctie op zich kunnen nemen, niet de Blijf-van-mijn-Lijfhuizen, maar de regionale organisaties.
In Amsterdam zijn op deelraadniveau Steunpunten relationeel geweld, deze zouden
de functie van de adviescentra in Oostenrijk31 kunnen krijgen.
Meerdere respondenten achten het maatschappelijk werk een geschikte instantie. Binnen
het maatschappelijk werk zou een afdeling kunnen komen die tot doel heeft slachtoffers van
huiselijk geweld te begeleiden. Een advocaat: “Ik ben voor ťťn instituut, zoals in Oostenrijk, van
waaruit de hulp aan slachtoffers wordt georganiseerd, en van waaruit de doorverwijzing plaatsvindt.
In elk geval voorlopig, want momenteel is er nog niet binnen alle instellingen deskundigheid
op het terrein van geweld binnenshuis. Ik kan me voorstellen dat binnen het Algemeen
Maatschappelijk Werk er een afdeling komt, of een unit, die specifiek met deze taak wordt belast.”
Deze afdeling zou kunnen bestaan uit consulenten huiselijk geweld, die gemakkelijk bereikbaar
moeten zijn voor slachtoffers van huiselijk geweld. De respondent van de gemeente:
“Wij hebben in onze gemeente huiselijk geweld consulenten. Zij werken toe naar een outreachende
aanpak, dus zoeken de slachtoffers zelf ook op, ook als mensen niet zelf om hulp vra-
31 In Oostenrijk bestaan Interventionstellen die het slachtoffer ondersteunen nadat de pleger door de
politie uit het huis is verwijderd en de pleger een terugkeerverbod opgelegd heeft gekregen. Zie: LŁnnemann,
Tak en Piechocki (2002).
65
Verwey-Jonker Instituut
gen. De nadruk ligt meer op procesbegeleiding. Bij huiselijk geweld gaat het vaak om gezinnen
met meerdere problemen; er is bijvoorbeeld ook een voogd, of er spelen schuldproblemen. Er is
vaak veel te regelen. Als er een maatregel tot uithuisplaatsing komt, zou je de ondersteuning
van het slachtoffer direct moeten regelen.”
Deze huiselijk geweld consulenten behoren inzicht te hebben in de specifieke achtergrond
van bepaalde (islamitische) allochtone vrouwen. Deze groep vrouwen moet actiever worden
begeleid dan autochtone vrouwen; er is ook praktische begeleiding nodig zoals het samen met
de vrouw naar de huisarts gaan. Er zou een persoon specifiek ter ondersteuning van allochtone
slachtoffers moeten worden aangesteld, bijvoorbeeld een ‘allochtone maatschappelijk begeleidster’
bij het sociaal-cultureel werk, volgens de respondent van de stichting Kezban. "Dit moet
iemand zijn waarbij iedereen terecht kan met allerlei vragen. Je zet deze persoon op een activiteit
die voor iedereen aantrekkelijk is. Hierdoor is ze neutraal en herkenbaar voor velen. Daarnaast
moet zij aanspreekbaar zijn voor vele soorten problemen. Het moet laagdrempelig zijn om
naar deze vertrouwenspersoon toe te stappen. Haar taak is: mensen begeleiden en praktisch
ondersteunen. Een maatschappelijk werker kan dit niet doen, want die heeft zoveel taken; er
ontbreekt de tijd om dit voor iedere cliŽnt te doen. Er is een vertrouwenspersoon nodig die dit
soort dingen doet." Turkse en Marokkaanse vrouwen hebben bijvoorbeeld extra begeleiding
nodig bij het doen van aangifte. Deze vrouwen gaan vaak pas naar de politie als het probleem
bijna niet meer oplosbaar is. Er is ook een groep vrouwen die niet ernstig zijn mishandeld, maar
wel van hun vrijheid worden beroofd en zo boos zijn, dat ze naar de politie toestappen en hun
verhaal aandikken. De politie kan naar haar mening niet goed het onderscheid maken wanneer
een verhaal aangedikt is en wanneer dit niet zo is, en daarom is een intermediair tussen politie
en slachtoffer gewenst: "Soms geldt: hoe waar is het verhaal? Soms is ze zo boos dat er fantasie
bij komt. Het is niet altijd zo dat ze in de praktijk mishandeld is. Dit type slachtoffer grijpt
huiselijk geweld aan om de situatie aan te kaarten. Maar in zulke gevallen mag je de man niet
oppakken als dader. Als een vrouw echt mishandeld is, dan moet ze in het ziekenhuis zijn geweest,
of moet je het kunnen zien. In sommige culturen is het ook gebruikelijker dan in andere
om problemen dik aan te zetten en met veel drama te presenteren. De politie heeft een intermediair
nodig om dit te kunnen interpreteren.”
De mogelijkheid dat Bureau Slachtofferhulp deze slachtofferondersteunende taak krijgt wordt
wel geopperd, maar niemand is daar sterk voorstander van. Het belangrijkste bezwaar is dat
Bureau Slachtofferhulp een vrijwilligersinstelling is, terwijl in deze problematiek professionele
hulp nodig is. De officier van justitie: “De vraag is of dit bij slachtofferhulp kan. De ervaring is dat
deze vrijwilligers niet altijd het strafrechtelijk systeem begrijpen, en er is veel verloop. De kwaliteit
van het aanbod door slachtofferhulp is daarom wisselend.”
66
Verwey-Jonker Instituut
De reclassering lijkt evenmin geschikt voor deze rol. In het protocol van Veilig Huis stond oorspronkelijk
dat de reclassering zowel de verdachte als het slachtoffer zou moeten ondersteunen,
maar dit blijkt in de praktijk lastig, omdat de reclassering niet kan overzien of dit contact
met het slachtoffer bijdraagt aan het stoppen van het geweld. De reclasseringsmedewerkster:
“Als ik met het slachtoffer bel, en het slachtoffer zegt dat alles goed gaat, kan ik niet zien of de
vrouw onder de blauwe plekken zit, of dat de man aanwezig is waardoor de vrouw niet open
durft te praten. Het is dus lastig in te schatten of het slachtoffer naar waarheid kan vertellen. Dit
betekent dat de betrouwbaarheid van de informatie van het slachtoffer moeilijk is in te schatten.
Daarnaast wordt het rapport dat de reclassering opstelt door de verdachte die het betreft gelezen.
Als de man dan leest dat er contact is geweest met het slachtoffer en wat het slachtoffer
heeft gezegd, dan kan dit ertoe leiden dat het slachtoffer weer wordt mishandeld.”
Naast specifieke ondersteuning van het slachtoffer, wordt ook gedacht aan instanties die het
gezin of de relatie als doelgroep hebben. Er wordt bijvoorbeeld gedacht aan multidisciplinaire
crisisinterventieteams die de veiligheid moeten waarborgen en in het bijzonder bescherming
moeten bieden aan kinderen. Zij moeten opvang, hulp en (juridische) bijstand bieden. De respondent
van de Raad voor de Kinderbescherming: “Er zouden per gemeente of regio een of
meerdere van dit soort crisisinterventieteams moeten bestaan. In een dergelijk team moet deskundigheid
zijn op het gebied van crisisinterventie, systeemtherapie, kind-deskundigheid en
recht.” Een rechter oppert eenzelfde idee: “Ik zou het goed vinden als er een soort Raad voor
Gezinsbescherming zou komen. Een instituut naast de Raad voor de Kinderbescherming. Laatste
hebben het belang van het kind als uitgangspunt, deze raad heeft een hulpverlenende en
beschermende taak voor het hele gezin. Deze raad biedt bijvoorbeeld hulp aan slachtoffers en
daders, daderbehandeling heeft er een plaats, begeleiden in geval van een omgangsregeling,
spelen een rol in de crisisinterventie, etc. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de jeugdbescherming
als invalshoek en de Raad voor Gezinsbescherming heeft ook de belangen van
de volwassenen als invalshoek. In het recht zie je de kinderrechter en familierechter. Dit hoeft
elkaar niet te bijten, maar kan elkaar goed aanvullen.”
7.2 Daderhulp
Naast ondersteuning van het slachtoffer, wordt daderhulp eveneens door de respondenten als
een noodzakelijke randvoorwaarde beschouwd. De respondent uit de vrouwenopvang: “Ik ga
ervan uit dat de hulp aan het slachtoffer en de pleger acuut kan worden gegeven na het opleggen
van een dergelijke maatregel.” De therapeut van de Waag: “Alleen uit huis verwijderen
geeft rust, maar verder niks, dus daarom is daarnaast begeleiding en therapie noodzakelijk.
67
Verwey-Jonker Instituut
Een crisismaatregel kan belangrijk zijn om iets in gang te zetten.” Verschillende respondenten
geven aan dat tegelijkertijd met de maatregel tot uithuisplaatsing een hulpaanbod moet worden
gedaan aan de pleger. De respondent van de gemeente: “Er is een cultuuromslag nodig zodat
meer wordt gekeken naar wat mannen kunnen doen. Tot voor kort werd alleen gekeken naar
vrouwen, moeders en meiden en wat zij aan hun situatie kunnen doen, hoe zij weerbaarder
kunnen worden.”
Daderhulp wordt breed opgevat, niet alleen daderhulp in een justitieel kader, maar allerlei vormen
van daderhulp en een aanpak gericht op het systeem waarin de pleger van geweld leeft.
“De hulp aan plegers vind ik niet alleen thuishoren bij de forensische psychiatrie, maar ook de
GGZ zou hierin een rol moeten vervullen. Dit zou VWS moeten bevorderen.”
De therapeut van de Waag wijst op de positieve aspecten van de therapie: “Het conflict en
het geweld komt in het daglicht te staan; de mannen kunnen niet ongestoord doorgaan. Het
betreft vaak complexe zaken, het gaat om veel meer dan alleen dat geweld, er zijn ook problemen
door zaken van buitenaf. Het is heel belangrijk dat cliŽnten serieus worden genomen. Feit
dat er aandacht voor hen is zorgt ervoor dat er geen zichtbare herhaling is en dat ze bij hun
eigen gedrag moeten stilstaan. Er moet zo’n sfeer zijn dat als er weer geweld is geweest, zij het
melden. Meestal gebeurt dit ook. Als de relatie niet wordt verbroken, - het merendeel betreft
verbroken relaties -, dan is het beter als de partner erbij wordt betrokken; er is vaak slechte
samenwerking en slechte communicatie tussen de partners.”
Hij ziet wel mogelijkheden om een daderhulpprogramma aan te bieden aan plegers die zes
weken uit huis zijn gezet. “Ik heb met mijn collega’s besproken wat zij van een maatregel tot
uithuisplaatsing vinden. Wij staan er positief tegenover en achten het goed mogelijk om een
daderprogramma aan te bieden. Bij het opleggen van de maatregel tot uithuisplaatsing zou als
voorwaarde kunnen worden gesteld dat een daderhulptraject wordt gevolgd. Dit zouden dan
doorlopende groepen moeten zijn, waar wekelijks mensen kunnen instromen. De onderwerpen
die aan bod kunnen komen zijn: vormen van geweld, rolpatronen tussen mannen en vrouwen,
oplossen van conflicten, en verschillende communicatievormen. ”
Verschillende respondenten opperen dat er een mannenopvanghuis gestart zou kunnen worden,
waar mannen met hun problemen kunnen aankloppen. De respondent van de vrouwenopvang
vindt dit geen goed idee: “Ik denk ook niet dat er een apart opvanghuis voor mannen moet
komen. Voor hen geldt het veiligheidsaspect niet en de schaamte is groot. Je ziet ook niet dat
er meer mannen in de maatschappelijke opvang terecht komen. Het gebeurt wel eens dat een
man helemaal aan het einde van de rit in de maatschappelijke opvang terechtkomt, maar dit
gebeurt niet vaak en dan spelen er ook andere problemen.” De respondent van de maatschappelijke
opvang zegt dat in de crisisopvang ook de plegers van geweld terecht komen. Zij ziet als
68
Verwey-Jonker Instituut
knelpunt dat de instelling niet weet hoe het toezicht op deze mannen vorm moet worden gegeven.
Bovendien zijn de instellingen daar momenteel helemaal niet voor geŽquipeerd. Ze zegt
desgevraagd geen principiŽle bezwaren te hebben tegen zo’n rol voor haar instelling.
Er wordt door de respondent uit de vrouwenopvang op gewezen dat de kosten van de begeleiding
van het slachtoffer en de pleger niet onderschat moet worden. “Indien de maatregel wordt
ingevoerd zullen deze kosten op korte termijn erg hoog zijn, op lange termijn zullen de kosten
weer dalen. Wie dit moet betalen weet ik niet, het zal iets tussen de ministeries van VWS, BZK
en justitie worden.”
7.3 Een experiment uithuisplaatsing
De respondent van de gemeente bracht naar voren dat de bevoegdheid tot uithuisplaatsing
eerst in een experimenteerfase uitgeprobeerd zou moeten worden in samenhang met een hulpaanbod.
Zij bood spontaan aan dat dit in haar gemeente zou kunnen, waar aangesloten kan
worden bij de bestaande aanpak van huiselijk geweld.
Zij schetste het volgende beeld van het experiment:
De politie zou de bevoegdheid moeten hebben de pleger van geweld een bevel te geven dat hij
ergens anders onderdak moet zoeken. Van dit bevel moet een proces-verbaal worden opgemaakt
en dit moet worden doorgestuurd naar enerzijds een instelling die de pleger hulp biedt,
zoals de Waag en anderzijds naar het meldpunt of een andere instelling die het slachtoffer ondersteunt.
Het is belangrijk dat een officiŽle instantie contact heeft met de pleger om de veiligheid
van het slachtoffer te kunnen garanderen. De rol van de politie is beŽindigd na het geven
van het bevel en het melden van de uithuisplaatsing aan de hulpinstelling voor plegers en het
slachtoffersteunpunt.
De hulpverlening is vervolgens verantwoordelijk voor het verdere verloop. Hiertoe behoort
ook het erbij betrekken van andere instellingen. Er moet een hulpprogramma gestart zijn voor
het gezin voordat de pleger weer terugkomt. Je zou kunnen werken met gezinsmentoren of
huiselijk geweld consulenten. Dit zou georganiseerd kunnen worden vanuit een instelling.
Hulp aan plegers van geweld binnenshuis is noodzakelijk. Er is een cultuuromslag nodig
doordat meer wordt gekeken naar wat mannen kunnen doen. Tot voor kort werd alleen gekeken
naar vrouwen, moeders en meiden en wat zij aan hun situatie kunnen doen. Daarnaast zou een
mannenopvanghuis gestart kunnen worden, waar mannen met hun problemen kunnen aankloppen.
69
Verwey-Jonker Instituut
Voor het slachtoffer is ook hulp en steun nodig. Dit zou kunnen worden gegeven door de huiselijk
geweld consulenten werkzaam bij het maatschappelijk werk of via het Advies- en Meldpunt
waar consulenten aan verbonden zijn. Het meldpunt kan ook voor doorverwijzing zorgen. Als
naar een projectpartner wordt doorverwezen, moet er binnen een week een afspraak zijn. Dit
zou in geval van een crisis versneld kunnen worden. Als er kinderen als oog- of oorgetuigen
aanwezig zijn, moet altijd hulp worden aangeboden en zou het AMK of de Raad voor de Kinderbescherming
erbij moeten worden betrokken.
Als er uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden, en er wordt ingeschat dat het geweld zich zal
herhalen, moet het slachtoffer in aanmerking komen voor AWARE.32 De eisen van het AWAREproject
moeten laagdrempelig zijn; de partners hoeven niet wettelijk te zijn gescheiden, er hoeft
geen straatverbod te zijn gevorderd en er hoeft geen aangifte te zijn gedaan. Wel moet er een
dreiging van geweld zijn en het slachtoffer moet bereid zijn aangifte te doen als een strafbaar
feit wordt gepleegd. De meldkamer van de politie behoort te weten of sprake is van een
AWARE-adres, zodat de politie direct komt als er wordt gebeld.
Dit experiment sluit aan bij de aanpak van geweld binnenshuis in een aantal gemeenten. Door
uithuisplaatsing eerst in een experimenteerfase uit te proberen, kunnen knelpunten die ontstaan
tussen politie en hulpverlening die worden veroorzaakt door wetgeving of regelgeving, of problemen
op gemeentelijk niveau rond financiering, tijdig en eenvoudig worden aangepast. Dit
kan analoog aan de invoering van de wet Terwee, die aanvankelijk in vier arrondissementen is
ingevoerd en na evaluatie landelijk is ingevoerd.
32 AWARE staat voor Abused Women’s Active Response Emergency. Canada heeft het DVERTS: Domestic
Violence Emergency Response System. Met behulp van elektronische beveiligingsapparatuur
kan het slachtoffer van belaging snel de politie waarschuwen en vindt een geÔntegreerd hulpaanbod
plaats gericht op snelle interventie door de politie. Zie: RŲmkens en Mastenbroek (1999) p. 10.
70
Verwey-Jonker Instituut
71
Verwey-Jonker Instituut
8 Juridische vormgeving van uithuisplaatsing
8.1 Inleiding
In Oostenrijk en Duitsland zijn de civiele mogelijkheden geregeld in aansluiting op de crisismaatregel
die de politie kan opleggen. In dit onderzoek staat de vraag centraal of een crisismaatregel,
zoals in Oostenrijk en Duitsland in wetgeving is vastgelegd, ook voor Nederland zou
moeten gelden.
Door de respondenten wordt aan verschillende modellen gedacht. De deskundigen van
politie en openbaar ministerie denken aan een mogelijkheid binnen het strafrechtelijke systeem,
terwijl rechters (en ook advocaten) meer denken aan een ordemaatregel, gesitueerd in het administratieve
recht of het civiele recht. Grofweg zijn drie denkrichtingen te onderscheiden: een
strafrechtelijke maatregel, een bestuursrechtelijke ordemaatregel en een civiele mogelijkheden
al dan niet binnen het familierecht. De civiele mogelijkheden betreffen een maatregel die voor
langere tijd kan worden opgelegd dan de tien dagen van een crisismaatregel.
Bijna alle respondenten zijn van mening dat de grond voor het opleggen van een maatregel tot
uithuisplaatsing of woningtoewijzing breed moet worden geformuleerd. “Het zou ruimer moeten
zijn dan ‘strafbaar feit’. Vaak is er nog niet direct sprake van een strafbaar feit, maar van een
zeer dreigende situatie, waarin toch behoefte is om op te kunnen treden.” Het criterium kan
worden geformuleerd in de trant van ‘gevaar voor eigen of andermans veiligheid’33 of ‘gevaar
voor leven, gezondheid of vrijheid’ of ‘dreiging van een strafbaar feit’. Ook wordt gedacht aan
het criterium: ‘een inbreuk op de lichamelijke integriteit van een huisgenoot van dien aard dat
onmiddellijk ingrijpen is geboden’.
Als wordt gekozen voor een strafrechtelijke maatregel, dan zijn er enkele respondenten die
voor een eng criterium zijn, namelijk de verdenking van een strafbaar feit.
33 Vroeger kon de politie op grond van dit criterium mensen meenemen naar het politiebureau en korte
tijd in een politiecel opsluiten. Dit is afgeschaft omdat deze algemene bevoegdheid tot vrijheidsberoving
van de politie een te grote inbreuk op de privacy vormt.
72
Verwey-Jonker Instituut
8.2 Een strafrechtelijke maatregel
In Oostenrijk en Duitsland heeft de politie de bevoegdheid de pleger van geweld binnenshuis te
bevelen het huis te verlaten en te verbieden binnen tien dagen terug te komen. Over het algemeen
vinden de agenten en de sleutelfiguren dat de politie hierin bij uitstek een taak heeft. Een
rechter: “Het is lastig om een ander orgaan dan de politie te bedenken dat in een crisissituatie
deze maatregel kan opleggen. De politie kan snel ter plaatse zijn en als de politie ter plaatse is
moet de politie het gevaar beoordelen.”
Dit betekent niet dat de bevoegdheid bij de politie moet liggen. Het bevel het huis te verlaten
is een te grote inbreuk op de privacy en daarom moet de bevoegdheid bij een hoger orgaan
liggen. Deze maatregel mag niet worden opgelegd zonder dat direct daarna toetsing plaatsvindt.
De agenten vinden dat zij het bevel tot het verlaten van het huis kunnen geven, en dat dit
vervolgens moet worden getoetst. Er is weinig verschil tussen de regio’s met en de regio’s zonder
een specifiek beleid ‘aanpak huiselijk geweld’.
De sleutelfiguren zijn huiverig om de bevoegdheid bij de politie te leggen; de politie heeft
bevoegdheden uit hoofde van een ander orgaan (het openbaar ministerie of de burgemeester).
Wel is de constructie mogelijk dat de bevoegdheid bij het openbaar ministerie ligt en de politie
gemandateerd wordt. Het zijn vooral de rechters die benadrukken dat de politie niet is geŽquipeerd
voor het uit huis zetten van plegers; de politie heeft tot taak conflicten te sussen en te
zorgen dat conflicten niet escaleren en daarnaast moet de politie onderzoek doen naar de toedracht
van strafbare feiten. In die zin hebben zij belangen en zijn zij niet onafhankelijk. Of, zoals
een rechter zei: “Zij zijn er niet voor opgeleid om twee partijen te horen en een afgewogen beslissing
te nemen.” Het hoor en wederhoor is een belangrijk beginsel en dat is voor sommige
rechters een argument om de politie in het opleggen van de maatregel geen rol te geven.
Degenen die kiezen voor een maatregel binnen het strafrecht vinden dat de bevoegdheid in elk
geval op het niveau van de officier van justitie of hulpofficier moet liggen, analoog aan de inverzekeringstelling
(art. 57 Sv). In dat geval vindt na aanhouding voorgeleiding plaats en beslist de
hulpofficier over de uithuisplaatsing. Een ander idee dat wordt geopperd is om ter plaatse de
hulpofficier te bellen zodat ter plekke het bevel kan worden gegeven. In beide gevallen acht
men toetsing achteraf gewenst, namelijk binnen drie dagen door de rechter-commissaris (vergelijk
art. 59a Sv).
Anderen vinden de hulpofficier niet geschikt. De bevoegdheid hoort bij de officier van justitie
te liggen of beter nog, bij de rechter-commissaris. Vanuit rechtswaarborgen geredeneerd, is het
beter dat de rechter-commissaris bevoegd is. Dit acht men zuiverder omdat de rechtercommissaris
geen partij is. Het betekent een taakverzwaring van de rechter-commissaris. Na73
Verwey-Jonker Instituut
deel is dat de rechter-commissaris niet in het weekend werkt. Het meest praktische en met de
minste rechtswaarborgen omgeven is een regeling waarbij de politie moet bellen met de piketofficier
en na overleg wordt besloten of een maatregel wordt opgelegd. Dit gaat het snelst.
Een respondent van het openbaar ministerie stelt: “Het gaat om een ingrijpende maatregel
en daarom moet de bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel bij de officier van justitie of
de rechter-commissaris liggen. De politie kan wel praktisch de pleger op verdenking van een
strafbaar feit of ander criterium meenemen naar het bureau, maar daar moet dan getoetst worden
of aan de criteria wordt voldaan door de officier van justitie of de rechter-commissaris. De
officier van justitie kan dit doen op grond van zijn functie als hoofd van het opsporingsonderzoek.”
Een andere respondent van het openbaar ministerie vroeg zich af of huisuitzetting niet simpel
binnen het huidige systeem mogelijk is, namelijk door meer gebruik te maken van de mogelijkheid
tot het opleggen van bijzondere voorwaarden door de rechter-commissaris. Huisuitzetting
kan dan als bijzondere voorwaarde onder het schorsen van de voorlopige hechtenis worden
opgelegd door de rechter-commissaris. Daar tegenover staat de mening dat huisuitzetting niet
als bijzondere voorwaarde opgelegd moet worden; het moet een aparte regeling zijn. Een contactverbod
kan wel als voorwaarde worden opgelegd, maar iemand uit zijn huis verwijderen is
ernstiger, omdat het een inbreuk vormt op het woonrecht. Bovendien is het belangrijk dat de
maatregel tot het uit huis zetten van de pleger los kan staan van de beslissing om te vervolgen
of te seponeren.
Gronden voor uithuisplaatsing
In eerste instantie wordt gedacht aan de verdenking van een strafbaar feit als grond voor de
maatregel tot huisuitzetting. Doorgaans is sprake van een strafbaar feit in geval van een crisissituatie.
Echter, in een klein aantal gevallen is geen sprake van een strafbaar feit, maar van een
dreigende situatie. De meeste agenten houden liever vast aan de verdenking van een strafbaar
feit als grond voor het opleggen van de crisismaatregel. “Er moet volgens mij wel altijd sprake
zijn van een strafbaar feit, dat kan ik echt niet verantwoorden zonder strafbaar feit.” Of: “Er moet
echt een strafbaar feit hebben plaatsgevonden, al is het bedreiging, anders moet de maatregel
tot uithuisplaatsing niet worden opgelegd.”
De meeste sleutelfiguren kiezen, in tegenstelling tot de agenten, voor een ruimer criterium, omdat
er situaties zijn waar ernstig gevaar voor het slachtoffer bestaat, zonder dat een strafbaar
feit heeft plaatsgevonden. Zij kiezen bijvoorbeeld voor het criterium ‘gevaar voor vrijheid, ge74
Verwey-Jonker Instituut
zondheid of leven’. Op die manier wordt meer recht gedaan aan het gevaar dat voor het slachtoffer
dreigt.
Een bezwaar tegen een ruim criterium bestaat als de bevoegdheid tot aanhouden (art. 53
en 54 Sv) voorafgaat aan het kunnen opleggen van de maatregel tot uithuisplaatsing. In dat
geval ontstaat er een probleem, omdat de bevoegdheid tot aanhouden is gebaseerd op de verdenking
van een strafbaar feit. Daarnaast speelt het probleem dat aanhouden buiten heterdaad
beperkt is tot de gevallen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Vernielingen gepleegd
door de bewoner kunnen bijvoorbeeld heel bedreigend zijn voor de huisgenoten, terwijl dit geen
strafbaar feit is op grond waarvan een verdachte buiten heterdaad kan worden aangehouden,
ook niet na de wetswijziging van artikel 304 Sr.
Drie trajecten na aanhouding
Als het bevel tot verwijdering uit de woning als strafrechtelijke crisismaatregel geregeld zou
worden, kunnen drie trajecten ontstaan na de aanhouding: 1. uithuisplaatsing op grond van
gevaar voor het leven, de gezondheid of de vrijheid van een huisgenoot, 2. inverzekeringstelling
in het belang van het onderzoek of 3. dagvaarden via een AU-traject.
Of gekozen wordt voor een strafrechtelijk bevel of inverzekeringstelling, of het uitreiken van
een dagvaarding, hangt van verschillende criteria af. Uit de interviews komen de volgende aspecten
naar voren:
- ernst van het feit. Als iemand wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit lijkt inverzekeringstelling
voor de hand te liggen. Als sprake is van een droge klap of vernieling, kan
huisuitzetting meer voor de hand liggen. Dit hangt mede af van de ernst van het gevaar,
dat wil zeggen de ernst van de dreiging dat er ernstig geweld zal plaatsvinden, de mate
van agressief gedrag en de geschiedenis van de relatie (of al vaker geweld heeft
plaatsgevonden). Als sprake is van ‘stalkerachtig’ gedrag ligt een strafrechtelijke aanpak
voor de hand.
- de inschatting of de dreiging zal worden opgeheven door de huisuitzetting. Dit hangt af
van de inschatting of de betrokkene zich zal houden aan de huisuitzetting en het contactverbod,
of betrokkene zich aan andere gemaakte afspraken zal houden en of er
motivatie tot daderhulp bestaat. Als ingeschat wordt dat de dreiging niet wordt opgeheven
door de pleger uit het huis te zetten, dan ligt inverzekeringstelling meer voor de
hand. Als daarentegen ingeschat wordt dat de pleger gemotiveerd is voor een of andere
vorm van hulp, ligt het meer voor de hand de pleger een verbod op te leggen het huis te
betreden.
75
Verwey-Jonker Instituut
- eerdere veroordeling wegens geweld binnenshuis. Als eerder een veroordeling of uithuisplaatsing
wegens geweld tegen de partner heeft plaatsgevonden, ligt het minder
voor de hand om de pleger opnieuw uit het huis te verwijderen.
- gevaar voor kinderen. Als kinderen gevaar lopen is de afweging van dreiging anders
dan wanneer het alleen geweld tussen volwassenen betreft. Het gevaar kan eruit bestaan
dat het kind (opnieuw) slachtoffer dreigt te worden van geweld, maar ook het getuige
zijn van geweld is bedreigend voor de ontwikkeling van het kind; het tast de basisveiligheid
en het basisvertrouwen in primaire verzorgers aan. De aanwezigheid van kinderen
in geval van partnergeweld maakt het geweld ernstiger.
- kostwinnerschap; de pleger verdient het inkomen waar het hele gezin van afhankelijk is.
Is dit het geval dan ligt het uit huis zetten van de pleger meer voor de hand dan de inverzekeringstelling,
tenzij er sprake is van een ernstige dreiging.
Op de vraag aan de agenten wanneer ze zullen aanhouden en wanneer ze het bevel zullen
geven dat de pleger zijn woning moet verlaten, worden twee antwoorden gegeven. Sommige
van de ondervraagden gaven aan dat het onderscheid ligt bij wel of geen strafbaar feit: als er
een strafbaar feit is gepleegd, wordt de verdachte aangehouden, indien er geen strafbaar feit is
gepleegd, maar er wel gevaar dreigt, wordt de maatregel tot uithuisplaatsing opgelegd. Andere
agenten geven aan in eerste instantie de maatregel tot uithuisplaatsing op te zullen leggen en
daarbij aanhouding en inverzekeringstelling als een soort stok achter de deur te gebruiken; de
pleger wordt gewaarschuwd dat wanneer er nogmaals sprake is van een strafbaar feit, de man
zal worden aangehouden. Een aantal agenten wijst erop dat eerst zal worden aangehouden en
dat op het politiebureau wordt besloten of een bevel tot uithuisplaatsing zal worden opgelegd, of
dat de verdachte in verzekering zal worden gesteld.
8.3 Een bestuursrechtelijke ordemaatregel
Het zijn met name rechters, maar ook advocaten, die een voorkeur hebben voor een ordemaatregel,
waarbij de bevoegdheid tot het uit huis verwijderen van de pleger via het bestuursrecht
wordt geregeld. Nadat de maatregel tot uithuisplaatsing is opgelegd, kan beroep hiertegen worden
ingesteld op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er kan schorsing van het
bevel tot uithuisplaatsing bij de kort geding bestuursrechter worden gevraagd, zoals bijvoorbeeld
een bouwonderneming naar de kort geding bestuursrechter stapt als de bouw wordt stilgelegd.
Zij kiezen voor het bestuursrecht boven strafvordering, omdat zij van mening zijn dat
uithuisplaatsing een ordemaatregel moet zijn. Uithuisplaatsing wordt beschouwd als een noodmaatregel.
Strafrechtelijke vervolging kan dan achterwege blijven. Dit model komt overeen met
76
Verwey-Jonker Instituut
het Oostenrijkse en Duitse model, waar de bevoegdheid tot uithuisplaatsing (Wegweisung),
waarbij de toegang tot een bepaald gebied kan worden ontzegd (Betretungsverbot), in de politiewet
is geregeld.34
Een ander argument om voor het bestuursrecht te kiezen is dat de administratieve rechter
minder lijdelijk is; er zijn meer mogelijkheden om invulling te geven aan de open normen van
het bestuursrecht, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De open termen als
‘gevaar voor leven, gezondheid of vrijheid’ of ‘een inbreuk op de integriteit van een huisgenoot
van dien aard dat onmiddellijk ingrijpen is geboden’ passen beter in het bestuursrecht. Door
uithuisplaatsing te beschouwen als een ordemaatregel wordt de grond voor deze maatregel
minder snel strafrechtelijk ingevuld: er ontstaat eigen interpretatieruimte. Zoals een rechter zei:
“Gekeken moet dan worden naar de ernst van de inbreuk en de duur van de inbreuk. Als sprake
is van enig letsel, is dit een aanwijzing om tot uithuisplaatsing over te gaan. Als er geen sprake
is van fysiek letsel, kan de duur van de inbreuk toch reden zijn om hiertoe over te gaan, bijvoorbeeld
in de gevallen dat iemand herhaaldelijk wordt gekleineerd, vernederd of geterroriseerd. Er
zijn kinderen die flink in de kreukels liggen door jarenlange vernedering door bijvoorbeeld de
stiefouder.”
Het sjabloon van de BOPZ
Een aantal respondenten vraagt zich af of het sjabloon van de BOPZ geschikt is om bij aan te
sluiten, maar geen van de respondenten heeft voldoende kennis van de BOPZ om hier een
nadere invulling van te geven. De BOPZ kent een tweetraps bevoegdheid; de burgemeester
voor spoedgevallen (art. 20 BOPZ) en in de andere gevallen de officier van justitie die een
voorlopige machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis bij de rechter kan vorderen
(art. 2 BOPZ). Voorwaarde is dat sprake is van een stoornis en dat deze stoornis gevaar veroorzaakt
dat niet kan worden afgewend door tussenkomst van familie of een instelling buiten
het psychiatrische ziekenhuis. Alleen als sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar is de
burgemeester bevoegd tot het afgeven van een last tot inbewaringstelling (art. 20 BOPZ). Er
wordt naar voren gebracht dat de burgemeester de bevoegdheid tot een huisuitzetting voor
korte duur zou kunnen hebben in geval ‘een inbreuk op de integriteit van een huisgenoot van
dien aard dat onmiddellijk ingrijpen is geboden’, terwijl voor de zwaardere gevallen de officier
van justitie huisuitzetting bij de rechter kan vorderen. “Een voordeel van het BOPZ sjabloon is
dat de toetsing door de rechter plaatsvindt”, aldus een rechter.
34 Dit is uitgebreid beschreven in LŁnnemann, Tak en Piechocki (2002).
77
Verwey-Jonker Instituut
In de BOPZ is geregeld dat naast de burgemeester of de officier van justitie ook een derde (de
niet-behandelend psychiater of arts) een oordeel moet hebben over de aanwezigheid van een
geestelijke stoornis en of sprake is van een onmiddellijke dreiging van gevaar en dat dit gevaar
niet kan worden afgewend op een andere manier. In geval van geweld binnenshuis zou dat
betekenen dat voorafgaand aan de huisuitzetting gesproken moet worden met verschillende
personen die van de situatie op de hoogte zijn. De vraag is of er een soort crisisdienst zou
moeten zijn die elk moment oproepbaar is om te kijken of er sprake is van een gevaar voor
anderen. Gedacht kan worden aan een multidisciplinair crisisinterventieteam privť-geweld (zie
hoofdstuk 7, paragraaf 7.1) dat op een professionele wijze aan crisisinterventie doet. Als dit
team inschat dat voor de veiligheid van het slachtoffer en/of de kinderen huisuitzetting noodzakelijk
is, moet dit worden gemeld aan de officier van justitie en de burgemeester.
8.4 Een civiele maatregel
Het zijn met name de rechters die, ook als het gaat om een crisismaatregel, een oplossing zoeken
in het civiele recht. Rechters benadrukken doorgaans dat slachtoffers van partnergeweld
zelf naar de rechter kunnen stappen en bijvoorbeeld bij de kort geding rechter kunnen vorderen
dat het huis aan hen wordt toegewezen. Dit moet dan op korte termijn mogelijk zijn. De rechtercommissaris:
“Als sprake is van een ernstige crisis, moet de vrouw het huis verlaten. Zelfs met
12 kinderen kan je voor korte tijd onderdak vinden. Hier zit een zekere onrechtvaardigheid in,
maar dat zit in het hele leven.”
In een model waar het slachtoffer naar de rechter stapt, kan direct voor langere tijd om woningtoewijzing
aan het slachtoffer en een straatverbod worden verzocht.
Er worden verschillende mogelijkheden geopperd. Er wordt gedacht aan een model dat lijkt op
de regeling van de ondertoezichtstelling (OTS), of aan het uitbreiden van de huidige mogelijkheden
tot voorlopige voorzieningen in geval van echtscheiding. Beide sluiten aan bij regelingen
in het familierecht. Daarnaast wordt gedacht aan het verstevigen van de kort geding procedure
voor dit soort gevallen. Ook wordt aansluiting gezocht bij een regeling van domestic violence in
Zuid Afrika waar een waarschuwingsbevel van de rechter als grond voor huisuitzetting door de
politie bestaat.
78
Verwey-Jonker Instituut
Een civiele maatregel aansluitend bij de OTS-regeling
Uithuisplaatsing kan analoog aan de regeling van de OTS worden vormgegeven. De kinderrechter
kan een minderjarige voorlopig voor maximaal drie maanden onder toezicht stellen indien
dit dringend en onverwijld noodzakelijk is (art. 1: 255 BW). Een ouder, verzorger of de raad
voor de kinderbescherming kan hierom verzoeken en het openbaar ministerie kan dit vorderen
(1:254 BW). In geval van geweld binnenshuis zou het openbaar ministerie of het slachtoffer
huisuitzetting van de pleger kunnen vorderen bij de kinderrechter of familierechter. “Te denken
valt aan een spoed huisuitzetting zonder dat partijen worden gehoord, maar dit moet dan binnen
14 dagen gebeuren. De rechter zou dan rechtstreeks benaderd moeten kunnen worden,
dat wil zeggen zonder dat procureurstelling nodig is. Als geen procureurstelling nodig is, zou
een ander orgaan ertussen moeten worden geschoven om te voorkomen dat er te gemakkelijk
toegang is tot de rechter; een zekere schifting en controle voorafgaand lijkt gewenst. Bovendien
lijkt ondersteuning van betrokkenen gewenst om de juridische gang van zaken te kunnen begrijpen.”
Kinderrechters en familierechters zijn eraan gewend te zoeken naar oplossingen in crisissituaties.
In die gevallen is het belangrijk om los van wettelijke structuren te kunnen denken en
handelen in het zoeken naar een passende oplossing.
Voorlopige voorzieningen bij echtscheiding veralgemeniseren
Een rechter stelt voor om de regeling van de voorlopige voorzieningen bij echtscheiding te veralgemeniseren
naar een voorlopige voorziening voor mensen die samenwonen. De civiele vordering
tot woningtoewijzing kan worden opgezet als een soort voorlopige voorziening met als
criterium dat samenwonen niet langer kan worden gevergd. Deze regeling moet dan worden
losgekoppeld van de echtscheidingsregeling.
De belangenafweging die moet plaatsvinden kan de volgende aspecten betreffen:
- Bij wie verblijven de kinderen.
- Heeft een van beide een bijzonder belang bij de woning, bijvoorbeeld uit hoofde van het
werk (bedrijf aan huis).
- Is sprake van een koop- of huurwoning. Als de vrouw het huis niet kan betalen ligt het
meer voor de hand dat de eigenaar de woning uiteindelijk krijgt toegewezen., maar afhankelijk
van de situatie kan de toewijzing voorlopig aan het slachtoffer en de kinderen
zijn. Als de niet-eigenaar andere woonruimte kan krijgen, wordt het huis aan de eigenaar
toegewezen, eventueel op termijn.
79
Verwey-Jonker Instituut
- Wie heeft schuld. Als sprake is van geweld, zal de pleger van geweld minder snel het
huis toegewezen krijgen.
De vraag is of deze regeling in aansluiting op een strafrechtelijke of bestuursrechtelijke maatregel
moet worden geregeld, of dat er een aparte kamer komt binnen de familiesector waar dit
soort voorzieningen kunnen worden aangevraagd.
Beter gebruik van de kort geding procedure
De kort geding rechter pleit voor het vaker inzetten van het kort geding. Het civiele recht ligt
meer voor de hand dan het bestuursrecht omdat het een conflict is tussen twee civiele partijen.
Door het aanspannen van een kort geding wordt een signaal afgegeven: zo kan het niet langer.
Ook getrouwde vrouwen kunnen een kort geding aanspannen als sprake is van een ernstige
situatie met een spoedeisend belang.
Om het kort geding in crisissituaties te kunnen inzetten, zou de politie het slachtoffer moeten
kunnen doorverwijzen naar piketadvocaten ‘huiselijk geweld’ die direct een kort geding kunnen
aanspannen om woningtoewijzing en een straatverbod te vorderen. Deze piketadvocaten moeten
dag en nacht gebeld kunnen worden, en ervoor zorgen dat een dagvaarding uitgaat en de
kort geding rechter wordt gebeld voor een zittingsdatum. De woningtoewijzing gekoppeld aan
een contactverbod kan direct voor langere tijd worden opgelegd. Bovendien is op deze manier
ook geregeld dat aan het beginsel van hoor en wederhoor wordt voldaan.
De kort geding rechter acht het geen bezwaar als er een toename komt aan kort geding zaken.
Het zijn soms wel complexe zaken, maar niet zo complex als bijvoorbeeld handelszaken.
Een waarschuwingsbevel als grond voor huisuitzetting
Een strafrechter brengt naar voren dat hij het systeem zoals dit in Zuid-Afrika is geregeld, een
te overdenken oplossing vindt. In Zuid-Afrika kan het slachtoffer van partnergeweld een waarschuwingsbevel
vorderen bij de rechter als aannemelijk kan worden gemaakt dat sprake is van
geweld. Als de politie een melding krijgt van geweld binnenshuis wordt hiervan een mutatie of
proces-verbaal opgemaakt. Er wordt een dossier samengesteld. Met dit dossier kan het slachtoffer
naar de rechtbank stappen en een waarschuwingsbevel vorderen. Dit houdt in dat de gedaagde
een waarschuwing krijgt dat als er weer geweld wordt gebruikt, de politie de bevoegdheid
heeft om de pleger uit huis te zetten. Deze variant ligt niet veraf van het opleggen van een
contactverbod. De politie zou in geval van melding van partnergeweld de vrouw kunnen wijzen
op de mogelijkheid een verklaring voor recht bij de kort geding rechter te vragen. De rechter zou
80
Verwey-Jonker Instituut
dan op korte termijn de beide partijen moeten horen en vervolgens een beschikking afgeven.
Deze beschikking levert een titel voor de politie op om in geval van gevaar voor een ernstige
inbreuk op de lichamelijke integriteit de gedaagde uit huis te zetten.35
Groot voordeel van deze regeling is dat de beslissing om iemand het huis uit te zetten door
de rechter wordt genomen; omdat sprake is van een inbreuk op een grondrecht, het huisrecht,
moet een toetsing door de rechter plaatsvinden. Doordat een verklaring voor recht wordt gegeven
kan de politie direct ingrijpen als er weer een crisissituatie is. Bezwaar tegen de regeling is
dat het slachtoffer een advocaat in de hand moet nemen. Onderzocht zou kunnen worden of
ook het openbaar ministerie zo’n vordering zou kunnen instellen.
Het is overigens de vraag of bij de kort geding rechter kan worden dat iemand zich onthoudt
van mishandeling. In het verleden heeft een advocaat dit via het kort geding gevorderd, en deze
vordering is afgewezen omdat het verbod iemand te mishandelen in het wetboek van strafrecht
is geregeld. We zijn inmiddels tien jaar verder, dus wellicht wordt hier tegenwoordig anders over
gedacht.
8.5 Verschillende mogelijkheden; geen voorkeur
Er tekent zich geen duidelijke voorkeur af voor een bepaalde juridische vormgeving van de crisismaatregel.
Voor zowel een strafrechtelijke crisismaatregel als voor een bestuursrechtelijke
ordemaatregel zijn meer dan enkele voorstanders te vinden, en ook overtuigende argumenten
te geven. Maar tevens valt te denken aan een civiele maatregel, bijvoorbeeld op vordering van
het openbaar ministerie, of het vergemakkelijken en versnellen van het kort geding voor situaties
van geweld binnenshuis.36
De politie en het openbaar ministerie hebben een voorkeur voor een strafrechtelijke crisismaatregel,
waarbij de bevoegdheid ligt op het niveau van de officier van justitie of hulpofficier, en de
maatregel analoog aan de inverzekeringstelling wordt geregeld in het wetboek van strafvordering.
Na het opleggen van de maatregel moet binnen drie dagen toetsing door de rechtercommissaris
plaatsvinden. Uithuisplaatsing moet los van de vervolgingsbeslissing kunnen worden
opgelegd en dit heeft als doel het gevaar voor leven of gezondheid van het slachtoffer te
keren.
Hier tegenover staat de mening dat het verwijderen van de pleger van geweld uit de woning
door de politie een ordemaatregel is en daarom moet worden geregeld in het bestuursrecht.
35 Dit lijkt op het Angelsaksische systeem met safety orders en barring orders.
36 Dit onderzoek is gericht op het achterhalen van argumenten, en niet op het achterhalen van het aantal
voor- en tegenstanders.
81
Verwey-Jonker Instituut
Bovendien acht men het belangrijk dat er binnen het bestuursrecht meer ruimte is voor interpretatie
van open normen, zoals ‘gevaar voor gezondheid, lichaam en leven’, los van de strafrechtelijke
interpretatie. Als de maatregel is opgelegd, is beroep mogelijk op grond van de Algemene
Wet Bestuursrecht en kan schorsing van het bevel worden gevraagd bij de kort geding
bestuursrechter. De crisismaatregel kan in de politiewet worden geregeld, maar ook wordt een
variant op de BOPZ voorgesteld.
Tot slot wordt gedacht aan een civiele maatregel opgelegd door de familierechter of kinderrechter
nadat de officier van justitie dit heeft gevorderd. Dit heeft als voordeel dat de afweging
door de rechter wordt gemaakt, terwijl een autoriteit van buiten het initiatief neemt als gevaar
dreigt voor het slachtoffer. Een variant waarbij het initiatief bij het slachtoffer ligt, is het gebruik
van het kort geding binnen enkele dagen, waarbij de politie het slachtoffer wijst op deze mogelijkheid
en piketadvocaten zorgen voor een snelle dagvaarding van de gedaagde. Het idee om
een verklaring voor recht te vragen bij de rechter sluit hierbij aan. Het nadeel van deze civiele
variant is dat slachtoffers doorgaans aan weerbaarheid hebben verloren door het gepleegde
geweld en dat zij door de stress en paniek niet makkelijk kunnen beslissen wat goed is om te
doen. Een voordeel van deze mogelijkheid is dat er voor langere tijd uithuisplaatsing en een
contactverbod kan worden opgelegd.
In aansluiting op een crisismaatregel die van beperkte duur is (uitgegaan wordt van maximaal
tien dagen), kan een voorlopige toewijzing van de woning aan het slachtoffer voor langere tijd
zijn gewenst. Er lijken twee varianten mogelijk: de voorlopige voorziening bij echtscheiding
wordt uitgebreid voor alle samenwoningsituaties, of de civiele mogelijkheid van het kort geding
wordt vergemakkelijkt. Deze varianten worden nauwelijks nader uitgewerkt door de respondenten.
Voor de uitwerking van de civiele maatregel kan te rade worden gegaan bij de wetgeving
hieromtrent in Oostenrijk en Duitsland, waar het slachtoffer een woningtoewijzing en een
contactverbod bij de familiekamer kan aanvragen.37
37 Zie: LŁnnemann, Tak en Piechocki (2002) paragraaf 2.1.2 (Oostenrijk) en paragraaf 3.1.2 (Duitsland).
82
Verwey-Jonker Instituut
83
Verwey-Jonker Instituut
9 Uithuisplaatsing: een aanvullend instrument?
9.1 De strafrechtelijke aanpak in beweging
Bij de politie vindt een omslag plaats in de aanpak van geweld tegen de partner die is te typeren
als een ontwikkeling van sussen en bemiddelen naar bemiddelen en strafrechtelijk aanpakken
gericht op het stoppen van het geweld. Dit houdt in dat de verdachte van geweld gepleegd tegen
de partner vaker wordt aangehouden en daderhulp krijgt aangeboden. Daarnaast wordt niet
alleen naar het incident gekeken, maar dit incident wordt geplaatst in de voorgeschiedenis.
Dit kwalitatieve onderzoek levert geen kennis op over de schaal waarop de verandering in
aanpak plaatsvindt. Wel is duidelijk dat de politie in veel regio’s een protocol ‘huiselijk geweld’
heeft en huiselijk geweld specifieke aandacht krijgt. Uit het onderzoek naar de basispolitie (fase
1) komt naar voren dat in de regio’s met een specifiek beleid agenten vaker spontaan aangeven
de verdachte van partnergeweld aan te houden en dat zij minder vaak het slachtoffer adviseren
het huis te verlaten (76% versus 44%), terwijl dit voor de basispolitie in de regio’s zonder specifiek
beleid andersom ligt (43% versus 62%). Bovendien zegt 88% van de agenten, als de mogelijkheden
tot interventie worden voorgelegd, dat zij de pleger adviseren het huis te verlaten,
terwijl slechts 25% van de agenten in de regio’s-zsb dit meldt. Hieruit blijkt een meer strafrechtelijke
of op de pleger van geweld gerichte aanpak in regio’s-sb.
De knelpunten die spontaan door de agenten naar voren worden gebracht, verschillen
enigszins tussen de regio’s met en zonder specifiek beleid. In regio’s-sb worden meer knelpunten
naar voren gebracht dan in regio's-zsb, wat erop kan duiden dat als er een specifiek
beleid is, de knelpunten meer op de voorgrond treden door een groter bewustzijn. In beide regio’s
wordt het meest spontaan genoemd dat de politie niet adequaat kan optreden (38% regiosb
versus 31% regio-zsb), en als dit knelpunt wordt voorgelegd, wordt dit percentage 67 versus
81. Dit knelpunt wordt tevens als het meest belangrijke knelpunt ervaren. De agenten werkzaam
in een regio-sb noemen meer knelpunten, dan agenten in een regio-zsb. Dit kan erop
duiden dat als de politie zich inzet voor een aanpak gericht op het stoppen van het geweld, zij
vaker aanloopt tegen haar beperkingen, bijvoorbeeld dat pleger en slachtoffer samen met elkaar
door willen, en niet in staat zijn zonder hulp van buitenaf de geweldsspiraal te doorbreken.
Agenten werkzaam in een regio-sb brengen iets vaker spontaan als knelpunt naar voren dat het
slachtoffer weer teruggaat naar de pleger na interventie door de politie, terwijl agenten werkzaam
in een regio-zsb vaker als knelpunt naar voren brengen dat het slachtoffer geen aangifte
wil doen. Dit kan erop duiden dat in regio's met een specifiek beleid men vaker ambtshalve een
proces-verbaal opmaakt en mishandeling van de partner niet beschouwt als een klachtdelict,
84
Verwey-Jonker Instituut
maar in de aanpak stuiten op de (gewelds)dynamiek in een relatie die niet eenvoudig is te
doorbreken. In de regio's-sb worden vaker knelpunten die liggen bij het openbaar ministerie
naar voren gebracht, dan in regio's-zsb. Dit kan erop duiden dat de verandering bij de politie
niet altijd goed aansluit bij het beleid van het openbaar ministerie. Daarnaast worden knelpunten
genoemd die betrekking hebben op de infrastructuur; dit is voor beide regio's hetzelfde.
In de regio’s waar het openbaar ministerie is betrokken bij een protocol ‘huiselijk geweld’ lijkt
eveneens een verandering van beleid plaats te vinden: er wordt in principe niet meer getransigeerd
in zaken van huiselijk geweld, bij voldoende bewijs wordt in principe vervolgd, en in
overleg zal de politie na aanhouding direct een dagvaarding meegeven (zogenaamde AUprocedure).
Bij ernstig geweld lijkt de verdachte vaker in verzekering te worden gesteld, en zo
nodig wordt in bewaringstelling gevorderd bij de rechter-commissaris of wordt een schorsing
van de voorlopige hechtenis gevorderd met als bijzondere voorwaarde daderhulp. De op handen
zijnde wetswijziging om de strafmaat van artikel 300 Sr te verhogen en het bestanddeel
‘levensgezel’ toe te voegen aan artikel 304 Sr, zal de mogelijkheid om verdachten van mishandeling
gepleegd tegen de partner aan te houden en in verzekering te stellen, verruimen.
Door scholing van officieren van justitie in het interpreteren van de gronden voor voorlopige
hechtenis in geval van geweld binnenshuis kunnen de mogelijkheden om een verdachte van
een ernstig strafbaar feit in voorlopige hechtenis te nemen of deze te schorsen onder voorwaarden,
beter worden benut.
In een beperkt aantal regio’s is de reclassering betrokken bij daderhulp in een justitieel kader.
Als de verdachte van een ernstig strafbaar feit, gepleegd tegen de partner, in verzekering is
gesteld, kan de reclassering contact opnemen in het kader van de vroeghulp, of als de verdachte
weer op vrije voeten is, in de zogenaamde voorlichtingsfase. Er vindt dan een screening
plaats of de verdachte geschikt en gemotiveerd is voor daderhulp. Als dit positief wordt beoordeeld,
vindt de intake plaats door de instelling die de therapeutische hulp biedt. De reclassering
behoudt tijdens de daderhulp en nadat de therapie is afgerond het toezicht. Het belangrijkste
knelpunt bij de reclassering, betrokken bij het aanbieden van daderhulp, is een capaciteitsgebrek
om aan iedereen vroeghulp te kunnen bieden. Daarnaast bestaat het gevaar voor secundaire
traumatisering van de reclasseringsmedewerkers doordat het om gevallen gaat die emotioneel
zeer aangrijpend kunnen zijn en er vaak onder enorme tijdsdruk moet worden gewerkt.
Duidelijk komt naar voren dat stroomlijning tussen de verschillende actoren in de strafrechtsketen
noodzakelijk is voor een adequate aanpak: als de politie haar aanpak wijzigt door vaker de
verdachte van geweld binnenshuis aan te houden en meer energie stopt in het rond krijgen van
het bewijs, werkt het demotiverend voor de politie als het openbaar ministerie de zaak transi85
Verwey-Jonker Instituut
geert of seponeert. Als de verdachte in verzekering wordt gesteld, maar bij de reclassering zijn
grote capaciteitsproblemen, zodat geen aanbod tot daderhulp kan worden gedaan, zal de inverzekeringstelling
eerder contra-productief werken; de kans is groot dat de verdachte na vrijlating
de schuld voor de vrijheidsberoving bij het slachtoffer legt met kans op herhaling van geweld.
Dit betekent dat de strafrechtelijke aanpak van geweld binnenshuis door de ketenpartners gezamenlijk
moet worden vastgelegd in een protocol en dat afspraken moeten worden gemaakt
over de afstemming. Dit is een langdurig proces. Hiervoor is een cultuuromslag nodig in het
denken over geweld in relaties. Scholing van beroepsgroepen in de geweldsdynamiek in relaties,
de invloed van dit geweld op kinderen en de wijze waarop hulp of een strafrechtelijke aanpak
kan plaatsvinden, is noodzakelijk om zo’n cultuuromslag te bereiken.
9.2 Grenzen aan een strafrechtelijke aanpak
De strafrechtelijke aanpak van geweld binnenshuis kent een keerzijde. Juist in die gevallen
waar het geweld wordt gepleegd in intieme relaties, willen slachtoffers wel dat het geweld stopt,
maar niet dat de partner wordt vastgezet, zeker niet voor langere tijd. Als het openbaar ministerie
streng optreedt en voorlopige hechtenis vordert, ontvangt het regelmatig brieven van slachtoffers
die willen dat de partner weer op vrije voeten wordt gesteld. Veel respondenten wijzen
erop dat een afkoelingsperiode wel is gewenst, maar dat vormen van hulp aan het slachtoffer
en de pleger of relatietherapie meer gewenst is dan een harde strafrechtelijke aanpak. Voldoende
aanbod door hulpverleningsinstellingen is essentieel, zowel in geval de verdachte van
strafbare feiten, gepleegd in het gezin, is aangehouden en in verzekering is gesteld, als in de
gevallen waarin geen vrijheidsberoving plaatsvindt. Door het ontbreken van voldoende hulpaanbod,
wegens personeels te kort of ontbreken van deskundigheid, kan een strafrechtelijke
aanpak gericht op het stoppen van het geweld gefrustreerd worden; een vervolg ontbreekt in
het vrijwillige hulpverleningscircuit, waardoor de kans op herhaling groot is.
Naast praktische argumenten om wel of niet over te gaan tot een strafrechtelijke aanpak van
geweld binnenshuis, speelt een principieel argument een rol. In hoeverre mag inverzekeringstelling
of voorlopige hechtenis gebruikt worden om de verdachte van strafbare feiten, gepleegd
binnen een relatie, tot het volgen van therapie aan te zetten? Of nog algemener gesteld, in hoeverre
mag het strafrecht worden ingezet als interventierecht, als stok achter de deur? Hierover
verschillen de meningen onder de respondenten.
Er zijn juristen, met name rechters, die vinden dat in geval van geweld in een relatie,
slachtoffers weg moeten gaan bij de partner, en als de partner dit niet accepteert, via het civiele
86
Verwey-Jonker Instituut
recht de woning aan het slachtoffer moet worden toegewezen en een contactverbod moet worden
opgelegd.
Daarnaast wordt erop gewezen dat het schorsen van de voorlopige hechtenis met als
voorwaarde dat een verdachte een daderhulptraject in moet, alleen gebruikt mag worden als
aan de voorwaarden van voorlopige hechtenis wordt voldaan. Als ingeschat wordt dat de verdachte
is geschrokken van de inverzekeringstelling en het komend jaar niet in herhaling zal
vallen, is er geen grond om iemand in voorlopige hechtenis te nemen. Dan kan de verdachte
dus niet in voorlopige hechtenis worden genomen om deze vervolgens te schorsen, ook al betekent
dit materieel dat de verdachte weer op vrije voeten is. Er worden strenge eisen aan de
toepassing van dwangmiddelen gesteld, om te voorkomen dat de overheid gebruikmaakt van
deze bevoegdheden voor een ander doel dan waarvoor het dwangmiddel in het leven is geroepen.
Dat is ook de reden waarom inverzekeringstelling van verdachten van strafbare feiten
waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, alleen kan plaatsvinden in het belang van het onderzoek,
en niet om het slachtoffer rust te bieden.
Hoewel binnen de bestaande criteria de strafrechtelijke mogelijkheden beter kunnen worden
benut, en door de aankomende wetswijziging van artikel 300 en 304 Sr de mogelijkheid tot
inverzekeringstelling worden uitgebreid, zijn tevens de grenzen van strafrechtelijk optreden
aangegeven. Het strafrecht biedt beperkte mogelijkheden om in een crisissituatie op te kunnen
treden met als doel dat de veiligheid van het slachtoffer wordt gewaarborgd. Onderzocht is of
een nieuwe vorm van interventie door uithuisplaatsing van plegers van geweld binnenshuis als
een zinvolle aanvulling wordt beschouwd.
9.3 Draagvlak voor een crisismaatregel
Het invoeren van een crisismaatregel met als doel dat de pleger van het geweld het huis verlaat,
wordt door bijna alle respondenten in principe positief ontvangen. Van de agenten in de
basispolitiezorg waren slechts drie agenten, allen uit een regio-sb, die een crisismaatregel geen
goed idee vonden.
Men acht het rechtvaardiger als de pleger van het geweld het huis moet verlaten in plaats
van dat het slachtoffer (al dan niet met kinderen) het huis uit moet vluchten. Door de pleger van
het geweld direct uit het huis te verwijderen als sprake is van een geweldscrisis in huis, wordt
op korte termijn rust gecreŽerd. Een periode van rust is noodzakelijk als een afkoelingsperiode,
waarin ondersteuning kan plaatsvinden aan het slachtoffer, eventueel de kinderen en de pleger
van geweld. Daarnaast wordt als positief punt omschreven dat de politie met de mogelijkheid tot
uithuisplaatsing ook buiten aanhouden en inverzekeringstelling het slachtoffer veiligheid kan
bieden. Bovendien is een verbod het huis te betreden minder ingrijpend dan een vrijheidsbero87
Verwey-Jonker Instituut
ving; de pleger van geweld kan zich buiten de omgeving van zijn woning vrij bewegen, naar zijn
werk gaan en vrienden bezoeken.
Een crisismaatregel wordt beschouwd als een aanvulling, door sommigen als een zeer belangrijke
aanvulling, maar niet als de oplossing voor alle gevallen van geweld binnenshuis. Een
maatregel tot uithuisplaatsing van plegers zal vooral geschikt zijn voor gevallen van geweld
tegen de partner, waarbij de pleger van het geweld nog enigszins aanspreekbaar is op zijn gewelddadige
gedrag. Als sprake is van ernstige strafbare feiten of van zeer langdurig geweld
tegen de partner, is de kans groot dat de pleger van het geweld zich niet aan het contactverbod
zal houden en de maatregel eerder averechts werkt dan dat de veiligheid van de vrouw en kinderen
erdoor wordt vergroot. Gewezen wordt op het belang van een sanctie op overtreding van
het verbod de woning te betreden. In geval van mishandeling van het kind kan uithuisplaatsing
van de pleger zinvol zijn als de niet-mishandelende ouder voldoende veerkracht heeft om de
zorg en de veiligheid van het kind te kunnen waarborgen. Bovendien wordt erop gewezen dat
uithuisplaatsing problematisch kan zijn in Turkse en Marokkaanse gemeenschappen, waar het
slachtoffer en de pleger deel uitmaken van een hechte gemeenschap. In die situaties kan het
slachtoffer soms meer gebaat zijn bij een korte opvangperiode in een opvanghuis met aansluitend
een nieuwe woning, terwijl ze wordt begeleid in het opbouwen van een zelfstandig bestaan.
Uithuisplaatsing van de pleger zou schadelijk voor haar kunnen zijn omdat de gemeenschap
haar dit kwalijk neemt en omdat dit voorkomt dat zij zich zelfstandig kan ontwikkelen.
Een wettelijke regeling ‘uithuisplaatsing van plegers’ wordt alleen zinvol geacht als tegelijkertijd
in die periode van uithuisplaatsing het slachtoffer wordt ondersteund en de pleger hulp krijgt
aangeboden. Het slachtoffer is vaak in de war en haar weerbaarheid is mede door het geweld
afgenomen, terwijl een aantal belangrijke beslissingen moet worden genomen, bijvoorbeeld of
ze haar relatie wil beŽindigen, zo ja, waar ze dan wil wonen en welke juridische stappen dan
moeten worden ondernomen. Daarnaast moet worden nagedacht over hoe de veiligheid van
het slachtoffer en eventueel de kinderen gewaarborgd kan worden. Hoe deze ondersteuning het
beste kan worden georganiseerd zal nader moeten worden uitgezocht, waarbij aangesloten kan
worden bij de verschillende lokale projecten die de afgelopen jaren zijn ontwikkeld.38
Niet alleen het slachtoffer behoeft ondersteuning, ook de pleger. Allereerst moet duidelijk
zijn waar de pleger tijdelijk kan verblijven. Als de pleger niet zelf onderdak kan vinden, zal geregeld
moeten worden of de politie of een andere instantie hierbij behulpzaam moet zijn. Een
opvanghuis voor plegers van geweld wordt niet door veel respondenten als serieuze optie beschouwd.
Wel wordt naar voren gebracht dat zo nodig de maatschappelijke opvang hierin een
taak kan krijgen. Naast opvang is therapeutische hulp noodzakelijk om de agressie te leren
38 LŁnnemann en Overgaag (2002).
88
Verwey-Jonker Instituut
beheersen. Deze daderhulp moet niet alleen vanuit de forensische psychiatrie, maar ook vanuit
de GGZ-instellingen worden georganiseerd, zodat aangesloten kan worden bij de verscheidenheid
aan geweldsproblematiek en gedragsproblemen. Daarnaast moet ook de mogelijkheid
bestaan om aan relatie- of gezinstherapie deel te nemen.39 Ook op het terrein van daderhulp
kan worden aangesloten bij lokale ontwikkelingen.
9.4 Juridische vormgeving van uithuisplaatsing
Hoe de uithuisplaatsing juridisch vorm moet worden gegeven is niet eenvoudig aan te geven.
De respondenten van de vrouwenopvang, de maatschappelijke opvang en de gemeente hebben
hier geen mening over. Wel achten zij het van belang dat niet het slachtoffer verantwoordelijk
is voor het verwijderen van de pleger uit de woning, maar een autoriteit van buiten. Het ligt
het meest voor de hand dat de politie bij een melding van geweld binnenshuis de maatregel tot
uithuisplaatsing kan opleggen. Tien dagen wordt erg kort geacht om werkelijk veiligheid voor
het slachtoffer te kunnen waarborgen, maar een week tot tien dagen wordt voldoende geacht
om het een en ander aan hulp en ondersteuning van de grond te krijgen.
Er worden verschillende juridische mogelijkheden naar voren gebracht door de andere sleutelfiguren.
Respondenten werkzaam in de strafrechtsketen, politie, openbaar ministerie, en reclassering
denken aan een strafrechtelijke maatregel, terwijl rechters en ook de advocaten de voorkeur
geven aan een bestuursrechtelijk model als het om crisisinterventie gaat. In beide gevallen
moet de crisismaatregel worden aangevuld met een vereenvoudiging binnen het civiele recht
om voor langere tijd een woningtoewijzing met een contactverbod te krijgen. Een strafrechtelijke
crisismaatregel sluit aan bij ontwikkelingen in Zweden en Noorwegen, waar gekozen wordt voor
een strafrechtelijke maatregel die kan worden opgelegd door de officier van justitie. Als gekozen
wordt voor een bestuursrechtelijke variant kan worden aangesloten bij de wetgeving in Oostenrijk
en Duitsland.
Tot slot kan worden gedacht aan een civiele maatregel die kan worden gevorderd door de
officier van justitie of aan het aanpassen van het kort geding voor specifiek situaties van geweld
binnenshuis. Voor het uitwerken van deze laatste variant kan gekeken worden naar Angelsaksische
wetgeving. De wetgeving in Ierland kan als voorbeeld dienen. Hier bestaat de mogelijkheid
voor het slachtoffer om binnen enkele uren een interimbarring order te verzoeken bij de rechtbank
in situaties dat sprake is van onmiddellijk gevaar voor het slachtoffer. Daarnaast kan om
39 Flikweert, M. en K.D. LŁnnemann (2003) Hulp verlenen aan het gezin Literatuurstudie naar systeemaanpak
in geval van huiselijk geweld. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut (interne publicatie).
89
Verwey-Jonker Instituut
safety en barring orders worden verzocht door slachtoffers als sprake is van geweld of dreiging
met geweld en kan een instantie, in Ierland de gezondheidsdienst (Health Board), een verzoek
tot een barring order bij de rechtbank indienen, wanneer de gezondheidsdienst reden heeft om
aan te nemen dat er sprake is van geweldgebruik, dreiging met geweld, of anderszins situaties
die de veiligheid of het welzijn van personen in gevaar brengen.40
Uit dit verkennende onderzoek komt geen duidelijke voorkeur voor een van de varianten naar
voren. De crisismaatregel als civiele variant lijkt het minst aan te sluiten bij de Nederlandse
situatie. Hoewel het kort geding zich de afgelopen decennia heeft ontwikkeld tot een zelfstandig
rechtsinstrument voor situaties met een spoedeisend belang, lijkt het in de huidige vorm niet
geschikt als crisismaatregel in situaties van geweld binnenshuis. Een kort geding kan formeel
binnen enkele uren plaatsvinden, maar in de praktijk gaan er doorgaans twee weken overheen.
De vraag is of de civiele mogelijkheden kunnen worden omgebouwd tot crisisinterventiemaatregel
in situaties van geweld binnenshuis en of dit wenselijk is. Deze laatste mogelijkheid gaat
voorbij aan het feit dat slachtoffers doorgaans aan weerbaarheid hebben verloren door het gepleegde
geweld en dat het slachtoffer eerst enigszins tot rust moet zijn gekomen voordat het tot
een civiele procedure kan besluiten. Dit zou ondervangen kunnen worden door de officier van
justitie de bevoegdheid te geven een civiele maatregel tot uithuisplaatsing van de pleger te vorderen
bij de rechtbank. De vraag is of deze constructie, waarin de officier van justitie via het
civiele recht direct een maatregel kan vorderen, een praktische oplossing biedt voor situaties
van geweld in de privť-sfeer.
De afweging welke juridische vormgeving het beste aansluit bij de Nederlandse situatie lijkt
zich te concentreren op een keuze tussen een strafrechtelijke en bestuursrechtelijke variant,
waarbij de politie als overheidsinstantie, die bij de geweldscrisis wordt betrokken, het bevel kan
geven dat de pleger het huis dient te verlaten en voor korte tijd niet mag terugkeren.
De strafrechtelijke variant betekent een nieuwe bevoegdheid binnen het Wetboek van
Strafvordering; er bestaat geen soortgelijke bevoegdheid waarbij kan worden aangesloten, zoals
in bijvoorbeeld Noorwegen waar de bevoegdheid tot het opleggen van een bezoekverbod
door de officier van justitie bestaat. De actoren werkzaam in de strafrechtsketen vinden een
crisismaatregel passen binnen het strafrechtelijke systeem. De bevoegdheid moet liggen op het
niveau van de officier van justitie (of hulpofficier) met binnen drie dagen een toetsing door de
rechter-commissaris; gedacht wordt aan een regeling analoog aan de inverzekeringstelling. De
grond voor uithuisplaatsing kan de verdenking van een strafbaar feit zijn, maar ook wordt gedacht
aan een breder criterium, bijvoorbeeld gevaar voor leven, gezondheid of vrijheid. De
40 P.J.P. Tak, K.D. LŁnnemann en D.J.G. Piechocki (2001) Interim-rapport uithuisplaatsing Nijmegen/
Utrecht: KUN/Verwey-Jonker Instituut (interne publicatie).
90
Verwey-Jonker Instituut
vraag is of dit ruime criterium binnen de dogmatiek van het strafrecht past. Een crisismaatregel
specifiek voor situaties van geweld in de woning met als grond gevaar voor leven, gezondheid
of vrijheid en met als doel het voorkomen van geweld, past in het huidige denken waarin een
strafrechtelijke reactie niet alleen of in de eerste plaats vergelding tot doel heeft, maar het strafrecht
ook interventierecht is met als doel het voorkomen van strafbare feiten.
De vraag is echter of het voor korte tijd uit huis verwijderen van de pleger van geweld niet
in de eerste plaats een ordemaatregel is, en vanuit dat oogpunt beter geregeld kan worden in
het bestuursrecht. Een bestuursrechtelijke variant heeft als voordeel dat deze los staat van de
strafrechtelijke reactie en een eigen normering kent. Een ruim criterium als ‘gevaar voor leven,
gezondheid en vrijheid’ past goed in de bestuursrechtelijke dogmatiek. Binnen het bestuursrecht
zijn meer mogelijkheden om invulling te geven aan open normen; de invulling van de
gronden voor uithuisplaatsing zullen minder strafrechtelijk worden ingevuld als de crisismaatregel
bestuursrechtelijk wordt geregeld. Ook past een bestuursrechtelijke ordemaatregel specifiek
voor situaties van geweld in de privť-sfeer in het huidige tijdsgewricht waarin bestuursrechtelijke
maatregelen aan belang winnen. Als de politie bevoegd is tot het geven van het bevel het
huis te verlaten gekoppeld aan een terugkeerverbod, staat beroep tegen deze beslissing open
bij de administratieve rechter, en kan om schorsing van de maatregel worden verzocht bij de
kort geding bestuursrechter.
Naast de grond voor uithuisplaatsing en het doel van de regeling, is ook de sanctie op nietnaleving
ervan belangrijk. Uit het onderzoek komt niet naar voren of het strafrecht of het bestuursrecht
betere sanctiemogelijkheden biedt. Onderzocht zou moeten worden of het mogelijk
is om de overtreding van het bevel als strafbaar feit te formuleren, zodat strafvorderlijke bevoegdheden
kunnen worden ingezet. Daarnaast moet worden uitgezocht of het mogelijk is om
de veroorzaker van het gevaar in hechtenis te nemen als het bevel niet wordt nageleefd.41
Naast een regeling van de crisismaatregel is het belangrijk de civiele mogelijkheden tot uithuisplaatsing
en contactverboden aan te passen, zodat slachtoffers in aansluiting op de crisismaatregel
of los van de crisismaatregel op eenvoudige wijze kunnen verzoeken om een contactverbod
of tijdelijke woningtoewijzing. Er zijn hier twee varianten die nader uitgewerkt kunnen worden:
de voorlopige voorziening tot echtscheiding wordt veralgemeniseerd of de kort geding procedure
krijgt een nadere regeling voor de problematiek van geweld in de privť-sfeer. De gedegen
wetgeving in Duitsland hieromtrent biedt een goede basis voor een civiele regeling.
Als besloten wordt tot het formuleren van een crisismaatregel ‘uithuisplaatsing van plegers van
geweld binnenshuis’ en daarop aansluitend een wijziging van de civiele mogelijkheden, zal een
41 De Duitse wetgeving kan als voorbeeld dienen. Zie: Tak, LŁnnemann en Piechocki (2002) p. 92.
91
Verwey-Jonker Instituut
diepgaande discussie noodzakelijk zijn wat de meest adequate juridische vormgeving is; dat wil
zeggen een regeling die aansluit bij de huidige systematiek, die slachtoffers veiligheid biedt en
die omgeven is met voldoende rechtswaarborgen. Naast wetgeving zal tegelijkertijd de organisatie
rond de ondersteuning van slachtoffer, kinderen en pleger van geweld moeten worden
uitgewerkt. Er zijn voldoende Europese voorbeelden waarbij aangesloten kan worden, zodat
een goed doordachte wet binnen een redelijke termijn haalbaar lijkt.
92
Verwey-Jonker Instituut
93
Verwey-Jonker Instituut
Literatuur
Flikweert, M. en K.D. LŁnnemann (2003) Hulp verlenen aan het gezin Literatuurstudie naar
systeemgerichte benadering in geval van huiselijk geweld. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut
(interne publicatie).
Kamerstukken II (1984) Nota Beleid ter bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en
meisjes 19209, nr. 3.
Kamerstukken II (2000-2001) Vaststelling begroting van uitgaven en ontvangsten van het Ministerie
van BZK (VII) voor het jaar 2001 27400, nr. 3.
Kamerstukken II (2002-2003) Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet
1994 ivm herijking wettelijke strafmaxima 28484, nrs. 1-4 .
Kamerstukken II (2002-2003) Aanpak huiselijk geweld Verslag van een algemeen overleg
28345, nr. 3.
LŁnnemann, K.D., P.J.P. Tak en D.J.G. Piechocki (2002) Interventie door uithuisplaatsing
Utrecht: Verwey-Jonker Instituut .
LŁnnemann, K.D. en A.M. Overgaag (2002) Inventarisatie projecten huiselijk geweld en aanpak
huiselijk geweld op instellingsniveau, een verkennend onderzoek Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
LŁnnemann, K.D. en D.J.G. Piechocki (2001) Seksueel geweld betaald gezet, juridische gids
civiel- en strafrechtelijke schadevergoedingsmogelijkheden Nijmegen: Ars Aqui Libri.
Medusa (1993) Kijkduin 2: stand van zaken en toekomstig beleid seksueel geweld, congresverslag
van gelijknamig congres op 12 november 1992. Utrecht: Medusapublicaties.
Ministerie van Justitie (2001) Project Voorkomen en bestrijden ‘huiselijk geweld’, plan van aanpak
Den Haag: Ministerie van Justitie.
94
Verwey-Jonker Instituut
Ministerie van Justitie (2002) Privť geweld – publieke zaak, een nota over de gezamenlijke
aanpak van huiselijk geweld Den Haag: Ministerie van Justitie.
RŲmkens, R. en S. Mastenbroek (1999) Dan hoor je de vissen ademen. Over belaging en bedreiging
van vrouwen door hun ex-partner en de beveiliging door het AWARE-systeem. Utrecht:
Universiteit Utrecht.
Spapens, A.C., C.E. Hoogeveen en C.A.M. Pardoel (2000) De reactie van de politie op huiselijk
geweld: stand van zaken Tilburg: IVA.
Tak, P.J.P., K.D. LŁnnemann en D.J.G. Piechocki (2001) Interim-rapport uithuisplaatsing
Nijmegen/Utrecht: KUN/Verwey-Jonker Instituut (interne publicatie).
95
Verwey-Jonker Instituut
Gebruikte afkortingen
AMK Advies- en Meldpunten Kindermishandeling
art. artikel
AU-procedure Aanhouden en uitreiken dagvaarding-procedure
AWARE Abused Women’s Active Response Emergency
Awb Algemene wet bestuursrecht
BOPZ Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen
BW Burgerlijk Wetboek
BZK Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties
GGZ Geestelijke Gezondheidszorg
GRIP Geweld in Relaties Interventie Project
Jzz Jeugd- en zeden zaken
OM Openbaar Ministerie
OTS ondertoezichtstelling
r-c rechter-commissaris
Regio-sb Regio met een specifiek beleid
Regio-zsb Regio zonder een specifiek beleid
Rv Rechtsvordering
Sr Wetboek van strafrecht
Sv Wetboek van strafvordering
VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
96
Verwey-Jonker Instituut
97
Verwey-Jonker Instituut
Bijlage 1
Tabellen
Tabel 1
Frequentie ingeschatte meldingen van geweld binnenshuis, naar regio’s met een specifiek
beleid (regio-sb) en zonder specifiek beleid (regio-zsb)
Hoe vaak heeft u te maken met
een geval van huiselijk geweld? Specifiek beleid Geen specifiek beleid Totaal
Een keer per week of meer dan
een keer per week
13 3 16
Tussen de een keer per week en
een keer per twee weken
1 3 4
Tussen een keer per twee weken
en een keer per maand
7 6 13
Tussen de een keer per maand en
een keer per half jaar
3 4 7
Tussen de een keer per half jaar
en een keer per jaar
1 - 1
Totaal aantal respondenten 25 16 41
98
Verwey-Jonker Instituut
Tabel 2A
Soort interventie, via open vraag, naar regio-sb en regio-zsb (meerdere antwoorden mogelijk)
Soort interventie (spontaan) Specifiek beleid Geen specifiek beleid Totaal
Aanhouding 19 (76%) 7 (43%) 26
Advies slachtoffer om weg te gaan 11(44%) 10 (62%) 21
Advies pleger om weg te gaan 6 (24%) 3 (19%) 9
Hulpverlening bieden 4 (16%) 2 (12%) 6
Totaal aantal respondenten 25 16 41
Tabel 2B
Soort interventie, gesloten vraag, naar regio-sb en regio-zsb (meerdere antwoorden mogelijk)
Soort interventie (geholpen) Specifiek beleid Geen specifiek beleid Totaal
Aanhouding 25 15 40
Advies slachtoffer om weg te gaan 22 15 37
Advies pleger om weg te gaan 22 4 26
Hulpverlening bieden 23 15 38
Totaal aantal respondenten 25 16 41
99
Verwey-Jonker Instituut
Tabel 3A
Knelpunten in de huidige aanpak via post-codering van open vraag, naar regio-sb en regio-zsb
(meerdere antwoorden mogelijk)
Knelpunten in de huidige aanpak bij huiselijk geweld
(spontaan)
Specifiek
beleid
Geen
specifiek
beleid
Totaal
Belangrijkste
knelpunt
KNELPUNTEN BIJ HET SLACHTOFFER
Slachtoffers moeten nu altijd het huis verlaten in plaats van
plegers. 4 1 5 1
Het is vaak een probleem voor het slachtoffer om aangifte
te doen. Ook wordt aangifte vaak weer ingetrokken. Ontkenning
van het slachtoffer van het gebeurde.
3 4 7 3
Geweldsspiraal: Door psychische en sociale druk gaat het
slachtoffer na interventie van de politie vaak weer terug
naar de pleger. Het gaat om een bepaald patroon, slachtoffer
kan niet zonder geweld. Vaak staan wij een week later
weer op de stoep.
6 2 8 3
Bij een melding van iemand anders dan het slachtoffer,
komt de politie moeilijk binnen, omdat het slachtoffer de
politie niet binnenlaat.
0 1 1 1
Het slachtoffer wil niet weg. 1 1 2 -
KNELPUNTEN BIJ DE POLITIE
Politie kan niet adequaat optreden bij huiselijk geweld. 9 5 14 9
De drempel voor ambtshalve vervolging is groot. 2 0 2 -
Het kost ontzettend veel tijd en energie zonder duidelijk
resultaat. (dossiervorming) 4 0 4 -
Het is moeilijk in te schatten wat aan de hand is, bijvoorbeeld
wie de pleger is. 1 2 3 2
Coderingsprobleem, iedereen codeert weer anders. (mishandeling,
bedreiging, vernieling etc. 1 0 1 -
Het bewijs is niet goed rond te krijgen. 0 1 1 1
KNELPUNTEN BIJ HET OPENBAAR MINISTERIE
Het openbaar ministerie kan niet adequaat reageren. 1 1 2 1
Afspraken van justitie worden niet nagekomen, bijvoorbeeld
plegerbehandeling (GRIP). 1 0 1 -
Pleger komt na aanhouding weer snel vrij. 3 0 3 -
Lage straf voor pleger. 1 0 1 2
100
Verwey-Jonker Instituut
vervolg Tabel 3A
Knelpunten in de huidige aanpak bij huiselijk geweld
(spontaan)
Specifiek
beleid
Geen
specifiek
beleid
Totaal
Belangrijkste
knelpunt
KNELPUNTEN ROND DE INFRASTRUCTUUR
Samenwerking tussen de verschillende organisaties betrokken
bij huiselijk geweld loopt niet goed. 3 1 4 4
Meldingen komen vaak buiten kantooruren en dan is hulpverlening
niet te bereiken. 1 0 1 -
Het traject met de hulpverlening komt moeilijk op gang.
Informatieverschaffing tussen politie en hulpverlening.
Gegevens kunnen vaak niet worden uitgewisseld vanwege
privacy wet- geving.
1 1 2 3
Pleger kan nergens naar toe. 1 0 1 1
Er is weinig opvang voor slachtoffers en de eventuele
kinderen. 1 2 3 3
Plegerhulpverlening is vrijwillig. 2 0 2 -
OVERIG
Moeilijk om straat- en contactverbod te realiseren, lange
procedures. 2 0 2 -
Weet niet. 1 0 1 -
Er zijn geen knelpunten. 4 1 5 -
Totaal aantal respondenten 25 16 41
101
Verwey-Jonker Instituut
Tabel 3B
Knelpunten aanpak huiselijk geweld, gesloten vragen, naar regio-sb en regio-zsb (meerdere
antwoorden mogelijk)
Knelpunten in de huidige
aanpak bij huiselijk geweld
(geholpen)
Specifiek beleid Geen specifiek beleid Totaal
Slachtoffers moeten nu altijd
het huis verlaten in plaats
van plegers
20 (83%) 13 (81%) 33 (83%)
Politie kan niet adequaat
optreden bij huiselijk geweld
16 (67%) 13 (81%) 29 (73%)
Het openbaar ministerie kan
niet adequaat reageren
12 (50%) 10 (63%) 22 (55%)
Samenwerking tussen de
verschillende organisaties
die betrokken zijn bij huiselijk
geweld loopt niet goed
15 ((63%) 9 (56%) 24 ((60%)
Geen knelpunten 4 (17%) 1 (6%) 5 (13%)
Totaal aantal respondenten 24 16 40
102
Verwey-Jonker Instituut
Tabel 3C
Aantal genoemde knelpunten verdeeld naar categorie knelpunt, uitgesplitst naar regio-sb en
regio-zsb
Specifiek
beleid
% Geen
specifiek
beleid
% Totaal
bij het slachtoffer 14 29 9 41 23
bij de politie 17 35 8 36 25
bij het OM 6 13 1 5 7
rond infrastructuur 9 18 4 18 13
Knelpunten
overig 2 4 0 0 2
Totaal 48 22 70
Tabel 4
Draagvlak voor crisismaatregel, naar regio-sb en regio-zsb.
Maatregel goed idee? Specifiek beleid Geen specifiek beleid Totaal
Goed idee 20 16 36
Geen goed idee 3 3
Weet niet 2 2
Totaal 25 16 41
103
Verwey-Jonker Instituut
Tabel 5
Positieve aspecten van de maatregel, via post codering van open vraag, naar regio-sb en
regio-zsb (meerdere antwoorden mogelijk)
Positieve gevolgen die de respondenten
verwachten van de maatregel
(spontaan)
Specifiek
beleid
Geen
specifiek
beleid
Totaal
Het biedt slachtoffers en eventuele kinderen
direct rust en veiligheid.
8 1 9
De verantwoordelijkheid wordt niet bij het
slachtoffer gelaten, maar wordt bij de politie
gelegd.
- 1 1
Er wordt sneller ingegrepen in situaties van
huiselijk geweld.
5 1 6
Door specifieke bevoegdheid heeft politie
het gevoel dat ze iets positiefs kan doen
(en niet machteloos hoeft toe te kijken).
4 3 7
Het biedt pleger en slachtoffer de gelegenheid
om een effectieve oplossing voor hun
probleem te zoeken.
3 1 4
Het helpt daarmee de hoeveelheid werk
van de politie in de hand te houden.
- - -
Het is rechtvaardiger: als het slachtoffer het
huis moet verlaten is er sprake van dubbel
slachtofferschap.
2 2 4
Het dwingt de politie en hulpverlening om
sluitende afspraken te maken.
- - -
Aantal naar voren gebrachte
knelpunten
22 9 31
104
Verwey-Jonker Instituut
Tabel 6
Knelpunten van een crisismaatregel, via post codering van open vraag (S), gesloten vragen (G)
en belangrijkste knelpunt (B) (meerdere antwoorden mogelijk)
Genoemde knelpunten van de maatregel S G B
KNELPUNTEN ROND DE INFRASTRUCTUUR
Opvangvoorzieningen van plegers zijn onvoldoende aanwezig. 6 36 8
Er zijn nog geen sluitende afspraken tussen politie en hulpverlening, daardoor is de kans groot dat
de politie met het probleem blijft zitten. 8 33 11
Tijdelijke maatregel, hoe gaat het erna? Ik vrees voor het vervolgtraject, dit zal wel niet goed van
de grond komen. 5 2
Geen verplichte daderbehandeling, moet wel. 1
Termijn is te kort om hulpverlening van de grond te krijgen. 1
KNELPUNTEN BIJ HET SLACHTOFFER
Het veroorzaakt een onherstelbare breuk in het gezin. 4
Uithuisplaatsing zal leiden tot escalatie van het probleem. 7
Kans op misbruik door slachtoffers. 3 2
KNELPUNTEN BIJ DE POLITIE
De politie kan in crisissituaties nauwelijks een goede inschatting maken van de risico's. 1 12 2
De politie kan in crisissituaties niet altijd beoordelen wie de pleger van het slachtoffer is. 20
De politie moet intensiever optreden om naleving van de maatregel te bewaken. 5 27 3
De politie zal te weinig bevoegdheden krijgen om maatregel effectief uit te voeren. 17 8
Het begrip gevaar voor leven, gezondheid en vrijheid is te onbepaald. 1 8 3
Criteria van de maatregel, er moet geen willekeur optreden. 1 1
Er is nog geen goede voorlichting aan de politieagenten. 1 1
Taakverzwaring van de politietaak. 3
Waaraan wordt getoetst, er moet wel getoetst worden, van te voren, achteraf? 3 3
Agressiviteit van de pleger bij de uithuisplaatsing. 2 1
Uitvoering maatregel. 1 1
Opwekken extra woede, kans op wraakacties. 1 1
Bemiddelen voor woonruimte door politie. 2
HANDHAVING VAN DE MAATREGEL
Handhaven van de maatregel, sanctie? 9 2
Pleger zal zich niet aan het verbod houden. 3 2
Maatregel werkt stalken in de hand. 2
105
Verwey-Jonker Instituut
vervolg Tabel 6
Genoemde knelpunten van de maatregel S G B
INBREUK OP GRONDRECHTEN
Uithuisplaatsing is een ernstige inbreuk op bewegingsvrijheid, daarom mag politie deze bevoegdheid
niet krijgen. 7 12 7
Plegers hebben in die periode geen omgangsrecht met hun kinderen. 1
Eigendomsrecht, koopwoning. 3
Grondrechten pleger. 3 2
ALLOCHTONEN
Probleem met allochtonen, dit wordt helemaal niet geaccepteerd, denk ik. 1 1
KOSTEN
Kosten, moet belastingbetaler opdraaien voor het misdrijf dat een ander pleegt. 1
OVERIG
Weet niet 4 1
106
Verwey-Jonker Instituut
107
Verwey-Jonker Instituut
Bijlage 2
Leden van de begeleidingscommissie
• Prof. dr. mr. P.J.P. Tak (voorzitter), Katholieke Universiteit Nijmegen
• Dhr. J. Gortworst, Federatie opvang
• Mw. mr. drs. J. Kok, Directie wetgeving Ministerie van Justitie
• Mw. drs. O.M.H. Knoet-Vrehen, politie Haaglanden, projectleider Geweld binnenshuis
• Dhr. H.C.M. Janssen, Directie jeugd en criminaliteitspreventie, Ministerie van Justitie
• Dhr. mr. F. Lauwaars, Raad voor de Rechtspraak
• Mw. drs. A.S. Koks, Directie GVM Ministerie van VWS
• Dhr. M.M. Paats, Directie Veiligheid, Informatiebeleid en Projecten, Ministerie van BZK.
108
Verwey-Jonker Instituut
030203,
D2813295kl/jd

 

 

top
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop I
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop II
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop III
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop IV
Stem wijzer! Stem Groep Hop ©
Referenties J. Hop
Activiteiten