SLAVERNIJ IN NEDERLAND ©


(216) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de CDA/CDA-PR en Communicatie
(90) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Buurtvereniging Speuld en Omstreken
(215) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de ErmeloNieuws.nl
(103) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Ermelose Jongerenraad
(75) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Ermelo's Weekblad
(199) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Christelijk College Groevenbeek
(128) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Bedrijvenkring Ermelo (BKE)

 

Kent u iemand in Ermelo? Vraag of hij/zij Groep Hop wil stemmen...

Contact: lees verder

Bedrijvenkring Ermelo. Op 17 november 2005 12:20 uur schreef Johan Roseboom (SGPer)=SGJ namens Navobi onderdeel van Drie Groep aan Hop Citaat: Ik vertrouw de Ermelo's samenleving zo , dat ik er 100 % van uit ga, dat je (Hop) geen enkele zetel krijg. Navobi is een producent van kalvermelk, kalverhouderij, voedselproductie, kalverslachterij, vleesverwerking en kalfsvellen

 

 

(178) Pim Fortuyn : "Als mij wat gebeurd, dan zijn zij, politici van Paars, medeverantwoordelijk. Zij hebben het klimaat gecreëerd en dat moet stoppen" 

Pim Fortuyn: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"

 

Volkert van der G. haalt conclusie Commissie onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn met commissielid rechter en CDA informateur Rein Jan Hoekstra onderuit

Vragen over de benoeming van de leden van de Commissie van den Haak
Vuile zaakjes.
Het falen, als het niet erger is, van Klaas de Vries met betrekking tot de beveiliging van Fortuyn is dermate evident, dat eenieder die zitting neemt in een commissie die moet onderzoeken of de minister al dan niet iets te verwijten valt, daardoor al bewijst dat hij niet integer kan zijn. (178)
De overheid heeft er belang bij burgers geen inzicht te geven hoe de benoeming van de leden van de Commissie van den Haak in zijn werk is gegaan.
Wie heeft welke naam voorgedragen?
Wat was de norm om iemand als lid van deze commissie voor te dragen?
Samenstelling van de commissie
mr.H.F.van den Haak (voorzitter) (28)
K.J.H.H.Sietsma lid/secretaris) (39)
prof.dr.C.J.C.F.Fijnaut lid/rapporteur) (26)
mr.S.J.E.Horstink-von Meyenfeldt lid) (28)
mr.R.J.Hoekstra lid (28)
Staf van de commissie
drs.M.Bruinsma
mr.N.J.P.Coenen
I.Haije
drs.Y.Huizing
M.Overwater
A.Pol
drs.J.J.M.Wassenberg

Commissie Van den Haak: "De moord was niet te voorkomen"
Door Ruud van Heese 181202

Nederland is geen politieke moorden gewend en was op het ondenkbare niet ingesteld. Dat is volgens de commissie-Van den Haak een voorname verklaring voor het feit dat diverse overheidsdiensten het bij de beveiliging van Pim Fortuyn hebben laten afweten. Maar die beveiliging had waarschijnlijk ook niet geholpen. De moordenaar duikt doorgaans op uit het niets. Colombia, neem bijvoorbeeld Colombia. Daar lopen politici dagelijks het risico te worden vermoord. ,,De waarschijnlijkheid dat iemand het slachtoffer wordt van een aanslag is dan groter en daar hou je bij de beveiliging natuurlijk rekening mee'', aldus Cees Sietsma, beveiligingsexpert en lid van de commissie-Van den Haak. Maar Nederland is geen Colombia. De laatste gerichte politieke moord vóór die van 6 mei op Pim Fortuyn is te vinden in de geschiedenisboeken, waar wordt beschreven hoe in 1584 Balthazar Gerards in Delft de dodelijk schoten afvuurde op Willem van Oranje. 
Een ontwikkeling van vier eeuwen in de richting van de relatieve politieke stabiliteit die Nederland tot dit jaar kenmerkte, heeft Nederland een beetje in slaap doen sukkelen. Politieke moorden hadden altijd elders plaats. De persoonsbeveiliging richtte zich op activiteiten als het gooien met taarten en bierblikjes, op het veilig wegloodsen van iemand als rond zijn aanwezigheid een opstootje ontstond. De moord op Fortuyn was iets geheel nieuws. Nederland was op dit ondenkbare niet ingesteld. Dat is volgens de commissie-Van den Haak een voorname verklaring voor het feit dat diverse overheidsdiensten het hebben laten afweten. Want dat de overheidsorganisatie heeft gefaald, staat voor de commissie wel vast. Op de avond van de moord verklaarde minister De Vries van binnenlandse zaken nog dat ,,BVD, justitie, politie, diepgaand hebben nagegaan of er aanleiding was om tot zo'n persoonlijke bedreiging van de veiligheid van de heer Fortuyn te besluiten. Daarvoor waren de aanwijzingen niet aanwezig.''
Van den Haak stelt nu vast dat diverse politiekorpsen verzuimden informatie over bedreigingen aan het adres van Fortuyn door te spelen naar Den Haag. De Binnenlandse Veiligheidsdienst (die tegenwoordig Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heet) en het Korps Landelijke Politiediensten lieten na deugdelijke analyses te maken van de dreigingen jegens de charismatische LPF-lijsttrekker. Ambtelijke commissies verzuimden om met enige spoed beveiliging voor Fortuyn te regelen. De toenmalige minister van binnenlandse zaken -de PvdA'er Klaas de Vries- had daar twee keer op aangedrongen. Maar volgens de commissie heeft hij er onvoldoende bovenop gezeten of zijn opdracht ook werkelijk in daden werd omgezet.Niet dat alle incidenten waarmee de LPF-voorman werd geconfronteerd op zichzelf nu zo vreselijk ernstig waren. ,,Zijn leven heeft daarbij geen moment op het spel gestaan'', zegt commissievoorzitter Van den Haak. ,,Dat is pas aan de orde als er sprake is van geloofwaardige aanwijzingen voor een plan tot moord, voorbereidingen daartoe en een aanwijzing dat iemand daar ook de middelen toe heeft. Maar die aanwijzing hebben wij niet kunnen vinden.''
Zo bleek dat een afgeluisterd telefoongesprek tussen twee dierenrechtenacitivisten, waarin was te horen 'hij moet dood', helemaal niet serieus moest worden genomen. Minpunt was wel dat dat pas bleek na de moord. Het betreffende politiekorps (IJsselland) had verzuimd de informatie door te spelen naar Den Haag. Ook een e-mail waarin werd gedreigd met een aanslag op het leven van Fortuyn, te plegen op 11 mei, bleek volkomen verzonnen.
Toch was beveiliging in de maanden februari tot en met april wel op haar plaats geweest, stelt de commissie aan het slot van haar vierhonderd pagina's tellende rapport. Want de losse incidenten regen zich inmiddels aaneen tot een trend. ,,Er was reden voor een vorm van beveiliging, afgestemd op de relatieve ernst van de incidenten, en in de context van een vrij felle verkiezingsstrijd'', aldus Van den Haak. Dat Fortuyn die toch niet kreeg van de overheid, ligt niet alleen aan falen van en een gebrekkige organisatie bij de overheid. Volgens Van den Haak heeft iedereen, dus ook Fortuyn, die te maken krijgt met bedreigingen en hulp verlangt van de overheid de plicht om gegevens daarover aan de overheid door te spelen en vervolgens met die overheid mee te werken. Maar Fortuyn, zo heeft het onderzoek de commissie geleerd, wilde eigenlijk helemaal niet aan permanente beveiliging. Van den Haak: ,,Hij wist meer dan wie ook van de bedreigingen, maar hij stond een effectieve aanpak van zijn beveiliging in de weg.'' Bovendien heeft volgens Van den Haak ook de organisatie waartoe iemand behoort nog een verantwoordelijkheid. Leefbaar Nederland had het prima voor elkaar. De LPF, die Fortuyn oprichtte na de breuk met Leefbaar Nederland, liet het volgens de commissie echter deels afweten bij de beveiliging van haar lijsttrekker.
De vraag is echter of de moord op Fortuyn te voorkomen was geweest door de politicus beveiliging te geven. Hoe zou bijvoorbeeld de schutter op 6 mei in Hilversum hebben gereageerd, als Fortuyn veiligheidsmensen bij zich had gehad? Sietsma: ,,Zelfs Volkert van der G. (aangeklaagd wegens de moord,red.) is niet meer in staat om dat te reconstrueren. Misschien zou hij hebben geschoten en ook de beveiligers hebben neergeschoten. Misschien zou hij hebben besloten af te wachten en een beter moment te kiezen. Dat blijft allemaal speculeren.''
De commissie heeft niettemin de stellige overtuiging dat beveiliging de moord niet had kunnen voorkomen. Ze heeft bij haar onderzoek ook gebruik gemaakt van een tamelijk recente studie uit de Verenigde Staten over een lange reeks van mislukte en succesvolle moordaanslagen. De hoofdconclusie daaruit: de moordenaar duikt doorgaans op uit het niets.
Fortuyn had beveiliging moeten krijgen
'Pim Fortuyn had vanaf februari dit jaar persoonsbeveiliging moeten krijgen. De fysieke bedreigingen en de dreigbrieven die hij ontving, gaven daartoe genoeg aanleiding.'  Dat meldt de commissie-Van den Haak bij de presentatie van het rapport naar de beveiliging van Fortuyn door de overheid. In maart en april liet het kabinet onderzoeken of Pim Fortuyn bewaking nodig had. Dit onderzoek was volgens de commissie 'niet grondig genoeg'. Het toezicht op dit onderzoek schoot ook tekort. Fortuyn weigerde overigens aangifte te doen van de bedreigingen. De gedachte dat beveiliging de moord had kunnen voorkomen noemt de commissie -nogal stellig- 'een illusie'.
Het bestaande stelsel van persoonsbeveiliging in Nederland
Het bestaande stelsel van persoonsbeveiliging is tamelijk gecompliceerd. Het bestaat eigenlijk uit
twee deelstelsels: een algemeen stelsel en een bijzonder stelsel. Uit de samenvatting van het rapport van de commissie-Van den Haak getiteld 'De veiligheid en de beveiliging van Pim Fortuyn'. Na een algemene inleiding over de taakstelling (h1) komt de commissie tot de volgende kern en aanbevelingen(h2).
2.1 het algemene stelsel
Het algemene stelsel is het stelsel dat geldt voor iedereen. Dit stelsel rust op een aantal uitgangspunten:
-ten eerste op de gedachte dat persoonsbeveiliging primair een verantwoordelijkheid is voor de individuele burger en de organisaties om hem/haar heen: ondernemingen evengoed als overheden of politieke partijen;
-ten tweede op de gedachte dat de burger zich kan wenden tot de overheid als een doeltreffende
beveiliging tegen concrete, mogelijk gewelddadige, bedreigingen vraagt om bevoegdheden en
middelen waarover alléén zij krachtens haar geweldsmonopolie beschikt;persoonsbeveiliging
door de overheid in Nederland berust in beginsel dus niet op de inschatting van abstracte veiligheidsrisico ’s voor individuele burgers;
-ten derde op de gedachte dat op grond van de Politiewet primair het “bevoegde gezag ”–in de persoon van de burgemeester en de hoofdofficier van justitie –de verantwoordelijke overheid is; het bedient zich in dit verband bij voorrang van de regionale politie;
-en ten vierde op de gedachte dat de burger die de hulp van de overheid inroept ertoe gehouden is
om met haar samen te werken en haar met name behoorlijk te informeren over hetgeen zijn of
haar veiligheid bedreigt; anders is een adequate beveiliging per definitie uitgesloten.
2.2 het bijzondere stelsel
Het bijzondere stelsel wordt geregeld in de vertrouwelijke Circulaire Bewakings-en Beveiligings-
aangelegenheden 1999. Het is in de loop van de voorbije decennia met name afgestemd op het toe-
nemende terrorisme en in dit verband uitgewerkt ten behoeve van personen waarvoor de rijksoverheid een bijzondere verantwoordelijkheid draagt:
-bij de effectuering van deze verantwoordelijkheid van de rijksoverheid moet in eerste orde wor-
den gedacht aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en in tweede
orde aan de minister van Justitie;
-en bij “bijzondere personen ”gaat het enerzijds om personen ten aanzien waarvan Nederland in
het raam van haar internationale verplichtingen en relaties een bijzondere verantwoordelijkheid
draagt, en anderzijds om bewindslieden en Kamerleden; de circulaire biedt evenwel de mogelijk-
heid om ook andere personen binnen het bereik van dit stelsel te brengen.
De organisatie van het bijzondere stelsel draait om twee commissies:
-enerzijds de Technische Evaluatiecommissie TEC) die wordt voorgezeten door een ambtenaar van
het ministerie van BZK die verbonden is aan het Nationaal Coördinatiecentrum (NCC)van dit
departement,en die verder bestaat uit vertegenwoordigers van de ministeries van Justitie en van
Defensie,de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD)–tot eind mei 2002 Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD)geheten – ,,het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD)en de Militaire Inlichtingen-en Veiligheidsdienst (MIVD);
-en anderzijds de Grote Evaluatiedriehoek GED) die wordt voorgezeten door de directeur-generaal Openbare Orde en Veiligheid van het ministerie van BZK,en die verder als leden telt: de directeur-generaal Rechtshandhaving van het ministerie van Justitie en een directeur van de AIVD;vertegenwoordigers van het KLPD en van de ministeries van Algemene Zaken en van Buitenlandse
Zaken wonen de vergaderingen bij.
De verdeling van taken tussen de betrokken diensten en commissies in het bijzondere stelsel is de volgende:
-de AIVD en het KLPD verzamelen informatie en maken dreigingsanalyses; zij kunnen hierbij een
beroep doen op de regionale politiekorpsen,in het bijzonder de Regionale Inlichtingendiensten (RID ’en);
-de TEC evalueert deze informatie en (de uitkomsten van)deze analyses en brengt op grond van
haar evaluaties advies uit aan de GED;
-de GED brengt beveiligingsadviezen uit aan zowel de betrokken ministers als, zo nodig,aan de lokale overheden;
-en de uitvoering van besluiten tot persoonsbeveiliging geschiedt onder verantwoordelijkheid van
de minister van Justitie door de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB); de
objectbewaking is in dit geval een taak van de regionale korpsen onder de verantwoordelijkheid van het bevoegde gezag.
Het feit dat personen zogezegd binnen het domein van de Circulaire 1999 vallen:
-wil niet zeggen dat zij automatisch “recht ”hebben op persoonsbeveiliging;
-ook voor hen geldt in beginsel dat er sprake moet zijn van concrete bedreigingen aan hun adres
voordat zij in aanmerking kunnen komen voor beveiliging;
-het is echter wel zo dat hier met bedreiging niet louter wordt gedoeld op (daadwerkelijke of moge-
lijke)aantasting van hun fysieke veiligheid maar ook rekening kan worden gehouden met de
ongewenste gevolgen van incidenten voor hun “functioneren in de Nederlandse democratische verhoudingen ”;
-dit laatste verklaart waarom sedert enkele jaren de minister-president –en alléén hij –op grond
van een inschatting van de risico ’s verbonden aan zijn ambt en de plaats waar dit moet worden uit-
geoefend,permanent een vorm van persoonsbeveiliging heeft;
-en ten slotte geldt ook voor hen dat zij gehouden zijn tot samenwerking met de overheid als zij
beveiliging wensen respectievelijk krijgen.

2.3 enkele zwakke punten in het algehele stelsel
Op grond van de analyse van deze regeling –zoals die ook werd becommentarieerd door personen
die nauw zijn betrokken bij haar toepassing – heeft de commissie een aantal zwakke punten in deze regeling aangetroffen. 
De voornaamste zijn:
-het gebrek aan duidelijke criteria om in aanmerking te komen voor persoonsbeveiliging binnen
één van de beide stelsels;
-de onduidelijke definities van “dreiging ”en “dreigingsanalyse ”en de uiteenlopende en verwar-
rende manier waarop door de AIVD en het KLPD dreigingsanalyses worden gemaakt;
-de onbestemde verhouding tussen de ministers van BZK en van Justitie,de TEC en de GED,ener-
zijds en de plaatselijke politieoverheden anderzijds waar het gaat om de aanwijzing van een persoon tot “bijzonder persoon ”en de eventuele uitvoering van zijn beveiliging;
-en de niet-geregelde verhouding tussen de AIVD en het KLPD aan de ene kant en tussen deze nationale diensten en de regionale korpsen aan de andere kant met betrekking tot de uitwisseling van informatie.
De bevindingen en conclusies aan de commissie (h3)
Conform de taakstelling van de commissie kan een onderscheid worden gemaakt tussen de bevin-
dingen en conclusies van de commissie betreffende de veiligheid van Fortuyn enerzijds en die inza-
ke zijn beveiliging anderzijds.In haar reconstructie van de gebeurtenissen van 20 augustus 2001 tot
en met 6 mei 2002 heeft de commissie dit onderscheid ook voortdurend aangehouden en daarenbo-
ven deze beide kwesties steeds gesitueerd in de context van de verkiezingsstrijd.Het zou te ver voe-
ren om in deze samenvatting per onderscheiden periode (20/8-23/10,23/10-9/2,9/2-14/3,14/3-15/4,
15/4-6/5)te willen uiteenzetten welke de ontwikkelingen op deze drie punten telkenmale zijn
geweest.Hier moet worden volstaan met een kenschets van de veiligheidssituatie van Fortuyn en
met een beoordeling van de verantwoordelijkheden voor zijn beveiliging.In het verlengde hiervan
wordt tevens de vraag beantwoord of de beveiliging van Fortuyn de moordaanslag had kunnen voor-
komen.
3.1 de veiligheidssituatie van fortuyn: werkelijkheden en mogelijkheden
De commissie heeft zich veel moeite gegeven om aan de hand van alle beschikbare primaire bronnen
zo precies mogelijk de veiligheidssituatie van Fortuyn te reconstrueren.In de loop van dit onder-
zoek heeft zij gaandeweg een aantal onderscheiden ontwikkeld die zeer belangrijk zijn voor een hel-
der beeld van deze situatie.
In de eerste plaats heeft zij onderscheid gemaakt tussen:
-gevallen van daadwerkelijke aantasting van zijn fysieke veiligheid;
-en gevallen van mogelijke aantasting van zijn fysieke veiligheid.
Bij de laatste soort gevallen gaat het om gevallen waarvan slechts na nader onderzoek zou kunnen
zijn vastgesteld dat zij mogelijk een aantasting van zijn fysieke veiligheid hadden kunnen vormen.
In de tweede plaats heeft zij onderscheid gemaakt tussen:
-gevallen die bij de overheid bekend waren;
-en gevallen die niet bij de overheid bekend waren.
Dit laatste onderscheid is vanzelfsprekend erg belangrijk met het oog op de vaststelling van verantwoordelijkheden voor de beveiliging van Fortuyn.Hoe kan men overheidsinstanties verantwoordelijk stellen voor zijn beveiliging als zij geen weet hadden van bepaalde) voorvallen?
13.In de derde plaats heeft zij onderscheid gemaakt tussen:
-gevallen die zich voordeden vóór 20 augustus 2001 maar wel gevolgen zouden kunnen hebben
gehad voor Fortuyn na deze datum;
-en gevallen die dateren uit de periode ná 20 augustus 2001.

Neemt men alle gevallen samen dan komt men uit op 25 voorvallen die in dit verband relevant
genoemd kunnen worden. De overheid –in de ruime zin van het woord –wist, of had in elk geval
kunnen weten,van 14 van deze voorvallen:5 gevallen van daadwerkelijke aantasting van zijn fysieke veiligheid en dus 9 voorvallen waarin de aantasting hiervan mogelijk was en die dan ook hadden
moeten worden meegenomen in dreigingsanalyses met betrekking tot Fortuyn.
Wanneer de 25 voorvallen naar hun aard worden ingedeeld in categorieën dan kan worden gezegd
dat er sprake was van:
-13 gevallen van dreigpost (vooral e-mails en brieven en een fax);
-8 gevallen van daadwerkelijke aantasting van zijn fysieke veiligheid hier gaat het van incidenten
als het gooien met een blikje bier tot opstootjes op plaatsen waar Fortuyn zich vertoonde;de meest
bekende voorbeelden in deze categorie zijn het incident bij de Maashaven op 26 februari 2002 en
de “taarting ”op 14 maart 2002 in Nieuwspoort);
-een onderschept telefoongesprek op 7 januari 2002 tussen 2 dierenrechtenactivisten naar aanlei-
ding van de column van Fortuyn in Business Class in welk gesprek één van hen zegt dat Fortuyn
dood moet;
-één geval van (2) civiele vorderingen die in december 2000 uitmondden in chantage;
-en ten slotte zijn er 2 berichten uit 2002 van de RID Rotterdam aan de BVD –ook wel MEPIA-
berichten genoemd naar het Meldpunt Integriteitsaantasting bij de BVD/AIVD, bedoeld voor ver-
trouwelijke mededelingen omtrent gedragingen die (risico ’s voor)de integriteit van het openbaar
bestuur aantasten; het eerste bericht had met name betrekking op gevallen van afpersing en drei-
ging met geweld uit de periode 1993-2000 in verband met het privé-leven van Fortuyn in een risi-
covolle omgeving; het tweede bericht handelde mede over personen in zijn politieke omgeving.
De commissie wil bij deze gevallen graag de volgende kanttekeningen plaatsen.
Ten eerste moet worden onderstreept dat het niet zo is dat Fortuyn in de laatste maanden respectie-
velijk weken van zijn leven werd overspoeld met dreigpost zoals wel wordt beweerd. Voor deze stel-
ling is geen enkel bewijs.Het tegendeel is eerder het geval: al met al kreeg hij niet zoveel dreigpost
en die post nam –in de tijd gezien –eerder áf dan toe.Het grootste deel van de betrokken brieven en
mails dateert van vóór 14 maart 2002. Fortuyn heeft dit trouwens ook zélf publiekelijk gezegd.
Ten tweede dient te worden gezegd dat enkele brieven en e-mails weliswaar heel bedreigend over-
komen maar dat de geloofwaardigheid van de berichten in het algemeen niet erg groot was;geen
ervan bevat een indicatie dat de inhoud ervan deel uitmaakte van een plan dat nog moest worden
uitgevoerd;ze blijven steken op het niveau van “dreigen om te dreigen ”. Het meest bizarre bericht
dateert van 29 april 2002. Hierin werd aangekondigd dat er ter gelegenheid van de anti-Fortuyn-
betoging op 11 mei 2002 te Rotterdam een aanslag op hem zou worden gepleegd door Marokkaanse
jongeren. Na onderzoek bleek echter dat deze waarschuwing was verzonnen door een van de meest
trouwe aanhangers van Fortuyn. Wat niet wegneemt dat Fortuyn er erg van onder de indruk raakte
en De Booij zich gedwongen zag verregaande veiligheidsmaatregelen te treffen.De cumulatie van
incidenten en dreigementen speelde Fortuyn trouwens in het algemeen parten in zijn gemoedsrust,
ook al deed hij er naar buiten toe soms wat luchtigjes over.
Ten derde kan worden gesteld dat de daadwerkelijke incidenten in het algemeen op zichzelf niet zo
ernstig waren;het ging voor het merendeel om ongevaarlijke feitelijkheden;zijn leven heeft nooit
op het spel gestaan.Zijn veiligheid kwam in het gedrang in het eerder genoemde Maashaven-inci-
dent (op 26 februari 2002)–toen Fortuyn en zijn medestanders van LR (Leefbaar Rotterdam)zich uit
de voeten moesten maken na dreigementen van allochtone jongeren –en bij het al genoemde “taart-
incident ”op 14 maart 2002 in Nieuwspoort.Op 2 mei 2002 werd Fortuyn belaagd bij restaurant Saur
te Den Haag door een aantal Marokkaanse jongeren.
Ten vierde moet worden aangehaald dat het genoemde telefoontje tussen twee dierenrechtenacti-
visten na 6 mei 2002 zowel door het betrokken rechercheteam bij de politie IJsselland als door erva-
ren analisten van de BVD als “niet serieus ”werd beoordeeld.
En ten vijfde blijkt uit het eerste MEPIA-bericht van de Rotterdamse RID dat Fortuyn in de periode
van 1993-2000 tot twee keer toe werd afgeperst,bestolen en met de dood werd bedreigd in verband
met zijn privé-leven dat zich afspeelde in een risicovolle omgeving.De realiteit van dit gevaar werd
in 2000 nog weer eens duidelijk toen Fortuyn twee civiele vorderingen bij de rechtbank van de rol
liet halen omdat de betrokken schuldenaren hem chanteerden met publiciteit over zijn privé-leven.
Het tweede MEPIA-bericht van deze RID over personen in zijn politieke omgeving signaleerde even grote risico ’s.
De commissie heeft deze laatste gevallen overigens niet alleen meegenomen in haar analyse omdat
zij zouden hebben kunnen leiden tot aantasting van Fortuyns fysieke integriteit en van invloed zou-
den kunnen)zijn geweest op zijn gevoelens van onveiligheid maar ook omdat de betrokken feitelijkheden een gevaar zouden hebben kunnen vormen voor het vreedzaam verloop van de verkiezingsstrijd en voor de integriteit van het openbaar bestuur in het algemeen.Zoals eerder al werd uitgelegd:ook binnen het bestaande stelsel van persoonsbeveiliging vormt een concrete bedreiging wel de belangrijkste reden om iemand te beveiligen maar niet de enige reden.Ook andere belangen,
zoals morele integriteit, die mogelijk indirect iemands fysieke veiligheid kunnen aantasten, behoren bij de toewijzing van beveiliging een rol te spelen.
De commissie heeft zich in haar conclusies ten slotte op het standpunt gesteld dat zowel de genoemde incidenten zelf als de context waarin zij zich afspeelden op zichzelf voldoende reden waren om Fortuyn in de loop van februari-april 2002 te voorzien van een vorm van persoonsbeveiliging die naar aard en omvang hoofdzakelijk was afgestemd op de relatieve ernst van de betrokken incidenten en de context waarin zij zich voordeden.
3.2 de verantwoordelijkheden voor de beveiliging van fortuyn
Deze laatste slotconclusie –dat Fortuyn vanaf februari 2002 in aanmerking kwam voor de een of
andere vorm van persoonsbeveiliging –roept als vanzelf de vraag op waarom hij die niet heeft gekregen.De commissie beantwoordt deze vraag in haar tweede belangrijke slotconclusie:dit is hoofdzakelijk niet gebeurd:
-als gevolg van enerzijds de weinig coöperatieve instelling van Fortuyn zélf op dit punt;
-en anderzijds als gevolg van de gebrekkige organisatie van de overheid inzake de beveiliging van personen.
Zij kan deze slotconclusie gemakkelijk met een aantal bevindingen onderbouwen. In de geest van
het bestaande stelsel van persoonsbeveiliging zal hierbij eerst worden ingegaan op zowel de opstelling van Fortuyn zelf ten aanzien van zijn veiligheid en beveiliging als op de rol die zijn politieke formaties in dit verband hebben gespeeld. Vervolgens zullen de activiteiten van de diverse betrokken overheidsinstanties en de ministers van BZK en Justitie de revue passeren.
3.2.1 De opstelling van Fortuyn en zijn politieke formaties
De opstelling van Fortuyn zélf betreffende zijn veiligheid en beveiliging wordt gekenmerkt door
tegenspraak.De eerste tegenspraak is dat Fortuyn wel diverse keren en plein public van zijn veiligheid een probleem heeft gemaakt maar dat hij noch in het publiek noch onder vier ogen heeft verteld wat zijn veiligheidsprobleem dan eigenlijk was:
-nooit heeft hij de politie geďnformeerd over de dreigpost die hij had ontvangen of geattendeerd op
de problematiek in verband met zijn privé-leven;ook Opstelten,de burgemeester van Rotterdam,
heeft hij op dit punt nooit in vertrouwen genomen;
-hij is niet ingegaan op het verzoek van de politie om aangifte te doen van het Maashaven-incident;
-frappant is dat wanneer commissaris De Jong begin april 2002 met hem contact zoekt om te praten over zijn veiligheidsproblemen,hij deze commissaris verwijst naar zijn vriend De Booij, en als
hij zich op 15 april 2002 dan toch even mengt in de discussie tussen De Booij en De Jong, hij alsnog
geen volledige opening van zaken geeft en ook niet spreekt over (zijn behoefte aan) persoonsbeveiliging.
De tweede tegenspraak is dat Fortuyn enerzijds publiek maakte dat zijn persoonlijke veiligheid
gevaar liep maar dat hij anderzijds bijzonder afkerig stond tegenover beveiligingsmaatregelen:
-als voorzitter van de LPF (Lijst Pim Fortuyn)en als lijsttrekker van LR hield hij zich in het geheel
niet bezig met de kwestie van zijn beveiliging;
-wat evenwel nog meer in het oog springt is zijn directe en indirecte afwijzing van (persoons)beveiliging,zelfs als die hem gratis werd aangeboden.
Het heeft er veel van dat zijn afkeer van persoonsbeveiliging groter was dan de vrees voor zijn persoonlijke veiligheid.Hij aanvaardde pas professionele beveiliging op het moment dat hij naar aanleiding van de mail van 29 april 2002 werkelijk meende dat zijn leven op het spel stond.

Gecombineerd leiden deze twee tegenspraken tot de slotsom dat Fortuyn, die meer dan wie ook wist
over de daadwerkelijke en mogelijke aantastingen van zijn fysieke veiligheid, tezelfdertijd een doeltreffende aanpak van dit probleem verhinderde door er zich niet over uit te spreken. Om welke reden dan ook: vond hij het toch niet zo ernstig? Vreesde hij voor zijn reputatie? We zullen het nooit meer echt kunnen weten.
Wat zijn politieke formaties betreft leidt het geen twijfel dat LN (Leefbaar Nederland)de partij is
geweest die –op het moment dat zij hem op het schild hees –meteen werk heeft gemaakt van zijn
beveiliging met behulp van een professionele beveiligingsorganisatie:er werd met het oog op de
laatste maanden van de verkiezingsstrijd een tamelijk ingrijpend plan ontwikkeld om het optreden
van Fortuyn in den lande goed te beveiligen.De uitvoering van dit plan werd stilgelegd op het
moment –9 februari 2002 –dat het tot een breuk kwam tussen LN en Fortuyn.Ook in de tijd van LN
was Fortuyn overigens al gekant tegen een grondiger beveiliging van zijn woonhuis en had hij veel
moeite met een strikte beveiliging van zijn persoon.
Van de LPF kan moeilijk worden gezegd dat deze formatie haar verantwoordelijkheid heeft genomen voor de beveiliging van Fortuyn.In tegenstelling tot LN ontwikkelde de LPF –weliswaar een partij in oprichting en daarmee onder grote druk staande –geen coherent en professioneel beveiligingsbeleid rond haar lijsttrekker. Er werden bij gelegenheid zonodig wel voorzieningen getroffen
op de locaties van zijn directe medestanders (de Kubus en de Speakers Academy), maar de beveiliging
van Fortuyn bij verplaatsingen door het land was niet professioneel georganiseerd. Hierbij komt dat
slechts een enkele keer vanuit de LPF contact werd gezocht met de politie om haar te informeren
over een welbepaald voorval,zoals de e-mail van 29 april 2002. Van enig streven om samen met de
politie te Rotterdam een beveiligingsplan rond Fortuyn op te zetten was evenwel geen sprake. Wat
niet wegneemt dat zowel de leiding van de LPF als de betrokken politiemensen erg te spreken waren
over hun samenwerking bij de beveiliging van de stembusgang van Fortuyn op 6 maart 2002 bij de
gemeenteraadsverkiezingen.
De commissie kan kort zijn over LR.Deze formatie heeft zich op het punt van de beveiliging van Fortuyn vrijwel geheel afzijdig gehouden.De commissie heeft overigens geen spoor kunnen ontdekken van de dreigpost die door LR voor 6 mei 2002 aan de politie zou zijn overhandigd.De verhalen hieromtrent zijn ongeloofwaardig.
3.2.2 De activiteiten van de overheidsinstanties en de ministers van BZK en Justitie
Het volgt uit het stelsel van persoonsbeveiliging dat er in de periode 20 augustus 2001-6 mei 2002
allerlei instanties op enig tijdstip enigerlei bemoeienis hebben gehad met de veiligheid en beveiliging van Fortuyn:regionale politiekorpsen,de BVD en het KLPD,de TEC en de GED, en de verantwoordelijke ministers. Het ligt voor de hand om hun rol in dit verband één voor één te bespreken.
3.2.2.1 De rol van de regionale korpsen:Rotterdam-Rijnmond,Gooi en Vechtstreek,Haaglanden en IJsselland
Alvorens in te gaan op de rol van de afzonderlijke korpsen wil de commissie de aandacht vestigen op een probleem dat zij bij alle korpsen heeft aangetroffen:zij zijn allemaal op de een of andere manier tekortgeschoten in hun informatieplicht ten aanzien van de centrale overheid.Het Nederlandse politiebestel is een verdeeld bestel en dus vormt de politiële informatiehuishouding geen geďntegreerd geheel.Deze fragmentatie kan echter geen reden zijn om informatie die belangrijk is voor het
goed functioneren van het landsbestuur niet op eigen initiatief uit te wisselen met de nationale politie- en inlichtendiensten, de voormalige BVD en het KLPD. Integendeel: deze fragmentatie is juist een reden temeer om dit wel te doen. Zeker als het gaat,zoals in dit geval,om informatie met betrekking tot zo ’n belangrijke kwestie als de veiligheid en beveiliging van lijsttrekkers in een vrij geladen verkiezingsstrijd.Dan dienen de regionale korpsen ook zonder signaal van bovenaf relevante informatie door te sturen naar de bedoelde diensten.
De politie Rotterdam-Rijnmond
Gegeven het feit dat Fortuyn in Rotterdam woonde rustte er op de schouders van dit korps een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van zijn veiligheid en beveiliging.Het heeft onder het gezag van burgemeester Opstelten deze verantwoordelijkheid ook bij herhaling genomen:
-naar aanleiding van het Maashaven-incident zette Opstelten onmiddellijk de beleidslijn neer dat er vanwege het korps actief moest worden gelet op de veiligheid van de lijsttrekkers, Fortuyn voorop;
-conform deze richtlijn werd Fortuyn – zij het ook tevergeefs – schriftelijk uitgenodigd om aangifte te doen i.v.m.het Maashaven-incident;
-de politiebegeleiding bij de gang naar de stembus van Fortuyn op 6 maart 2002 werd in samenspraak met de LPF-leiding vakkundig georganiseerd;
-het gesprek van De Jong met De Booij en Fortuyn op 15 april 2002 verliep tot hun aller tevredenheid; dat dit gesprek –van de kant van De Jong –eigenlijk niet indringend genoeg was, moet worden geweten aan het feit dat deze commissaris onvoldoende informatief was voorbereid op dit
gesprek; zo was hij in het geheel niet op de hoogte van de discussie op het ministerie van BZK omtrent de veiligheid en beveiliging van Fortuyn;
-de RID deed goed werk met de onmiddellijke evaluatie van het e-mailbericht van 29 april 2002 en met het opmaken van de beide MEPIA-berichten.
Als men kritische kanttekeningen wil plaatsen dan gelden die vooral de volgende punten:
-de niet-terugkoppeling van de evaluatie van het zojuist genoemde e-mailbericht naar De Booij of
Fortuyn zelf;
-een zeker gebrek aan coördinatie binnen het korps waar het gaat om uitwisseling van informaties tussen diverse onderdelen en met Fortuyn;
-en het niet melden bij de BVD respectievelijk het KLPD van feitelijkheden als het Maashaven-incident en de protestactie op 6 maart 2002.
18.De politie Gooi en Vechtstreek
Dit korps kreeg als eerste met het probleem van de veiligheid van Fortuyn te maken omdat het hoofdkwartier van LN toentertijd in Hilversum was gevestigd.Dit korps werd twee keer op de hoogte gesteld van de binnenkomst van dreigmail en een keer van een dreigfax.De commissie is van oordeel:
-dat het heeft ontbroken aan passende analyse en evaluatie van deze dreigpost en aan terugkoppeling van de evaluatie naar de leiding van LN;
-dat het korps het KLPD en/of de BVD had moeten informeren over de dreigpost;
-en dat het korps in overleg met LN passende maatregelen had moeten treffen om de eventuele escalatie in het dreigingsbeeld tijdig te onderkennen en de daarmee gepaard gaande forensische sporen veilig te stellen. Dit korps heeft zijn taak bij de beveiliging van de verkiezingsmeeting in Gooiland op 25 november 2001 naar behoren vervuld. Anders dan de verhalen willen werd die feestelijke bijeenkomst in het geheel niet overschaduwd door bommeldingen, laat staan bomdreigingen.De eigenaar van Gooiland heeft dit de commissie schriftelijk bevestigd.
Er was op 6 mei 2002 geen sprake van welke politiële actie op Fortuyn respectievelijk Van der G. dan ook. De snelheid waarmee het korps in actie kwam na de eerste melding van de moordaanslag was het gevolg van een goede coördinatie en een adequate inzet van beschikbaar politiepersoneel. Hier is niets mysterieus aan.
De politie Haaglanden
De aangifte van Fortuyn tegen degenen die hem op 14 maart 2002 hadden “getaart ”confronteerde ook dit korps met het probleem van zijn veiligheid.Het onderzoek dat de recherche instelde naar de taartgooiers werd op professionele manier uitgevoerd.Enige tijd geleden werden de betrokkenen door de rechtbank Den Haag veroordeeld.Strafrechtelijk gesproken trof de aangifte dan ook doel.
Het andere doel van de aangifte –de aandacht van de overheid vestigen op het probleem van de veiligheid van Fortuyn –is echter niet doorgekomen bij de politie Haaglanden.De voornaamste reden hiervan was dat dit probleem niet duidelijk genoeg werd aangegeven bij de betrokken politieman. Er werden hem – afgezien van het taartincident zelf natuurlijk –geen (andere)feiten of omstandigheden medegedeeld die de ernst van deze kwestie markeerden.Dreigbrieven en/of dreigmails werden bijvoorbeeld niet overgelegd en er werd niet om politiebescherming gevraagd. Het detachement dat op 2 mei 2002 toezicht hield op de kermis aan het Lange Voorhout heeft het opstootje bij restaurant Saur naar behoren afgehandeld. Ook hier moet evenwel worden opgemerkt
dat dit incident had moeten worden gemeld op een centraal punt in het land, bij de BVD respectievelijk het KLPD. Dit is ten onrechte niet gebeurd.
De politie IJsselland
Met reden startte dit korps in 2001 –onder de naam Escape –een strafrechtelijk onderzoek naar de plegers van gewelddadige vormen van dierenrechtenactivisme in Midden-Nederland. Mét de leiding van het korps is de commissie van mening dat het gesprek dat op 7 januari 2002 werd opgevangen tussen twee van de betrokken activisten toen niet alleen had moeten worden beoordeeld op
zijn strafrechtelijke merites maar ook op zijn mogelijk gevaar voor aantasting van de fysieke veilig heid van Fortuyn en in die zin had moeten worden doorgemeld aan de BVD dan wel het KLPD. Nu is dit pas gebeurd ná 6 mei 2002.
De evaluatie van het betrokken gesprek –zowel door de teamleiding als door zeer ervaren analisten
van de BVD –heeft geleid tot de conclusie dat de betrokken uitspraak –dat Fortuyn dood moet –niet
serieus moet worden genomen, hoe hard zij ook klinkt in de oren van buitenstaanders. Zij kan in
geen geval worden gezien als het begin van een plan tot uitvoering van een moord op Fortuyn.
3.2.2.2 De rol van de BVD en het KLPD
Om de rol van de BVD en het KLPD in dit verband goed te kunnen begrijpen is het nodig om te weten
dat de TEC –naar aanleiding van een verzoek van de GED d.d.21 maart 2002 – op 26 maart 2002 oor-
deelde dat de lijsttrekkers,en met name ook Fortuyn,konden worden gerekend tot het domein van
de Circulaire 1999 en dat zij dus als “bijzondere personen ”in de zin van deze circulaire moesten wor-
den aangemerkt.De GED nam dit advies stilzwijgend over.Vooruitlopend op de toekenning van
deze status werd al op 20 maart 2002 op verzoek van minister De Vries besloten om in het verband
van de TEC een dreigingsanalyse van Fortuyn te laten uitvoeren.Om zulk een analyse werd op 22
april 2002 een tweede maal gevraagd door De Vries.
De BVD
Advisering met betrekking tot persoonsbeveiliging is geen kernactiviteit van de BVD.De dienst
speelt evenwel zowel op het niveau van de TEC als op dat van de GED een belangrijke rol in de
besluitvorming over de toekenning van persoonsbeveiliging aan personen die vallen binnen het
domein van de Circulaire 1999.En dit ligt ook voor de hand:
-de BVD is de enige civiele inlichtingendienst waarover Nederland beschikt;
-en persoonsbeveiliging kan heel direct te maken hebben met de uitvoering van de kerntaken die
deze dienst wettelijk zijn opgedragen.
In het geval van Fortuyn staat in elk geval buiten kijf dat de vraag of hij al dan niet persoonsbeveili-
ging moest krijgen rechtstreeks te maken had met een centrale component van de werking van de
democratische rechtsorde in Nederland:het vreedzaam verloop van de verkiezingen.Om deze reden
was het dan ook terecht dat in de verkiezingsanalyse die door de BVD op eigen initiatief in de loop
van maart ter hand werd genomen de veiligheid van Fortuyn een belangrijk aandachtspunt vormde.
De dienst kreeg tot twee keer toe –op de eerder genoemde data:20 maart 2002 en 22 april 2002 –het
verzoek van de TEC om een dreigingsanalyse te maken met betrekking tot Fortuyn en beide keren
liet hij weten dat er van concrete dreiging(en)aan zijn adres geen sprake was.De commissie heeft
echter tot twee keer toe vastgesteld dat er in dit verband geen echte dreigingsanalyse van Fortuyn
werd gemaakt.Er werd alleen nagegaan respectievelijk afgewacht of er bij één van zijn afdelingen
informatie over een be)dreiging tegen Fortuyn voorhanden was.
Dit verklaart waarom bij het maken van deze dreigingsanalyses onder meer:
-de daadwerkelijke en mogelijke aantastingen van Fortuyns fysieke veiligheid buiten beschouwing
bleven;
-geen gerichte actie werd ondernomen naar de RID ’en om te bezien of daar mogelijk relevante
informatie voorhanden was;
-niet onder ogen werd gezien of Fortuyn te maken zou kunnen krijgen met wat bijvoorbeeld de
voorman van het Vlaams Blok,Dewinter,overkwam toen hij op 24 september 2000 in het pro-
gramma Buitenhof optrad:zijn auto werd in elkaar geramd en hij zelf werd met een bruin goedje
besmeurd;
-ook de MEPIA-berichten niet in de overwegingen werden betrokken;
-geen mediaoverzicht werd gemaakt van de controversiële uitspraken van Fortuyn en de reacties
die zij uitlokten en zulk een overzicht werd niet gerelateerd aan de uitkomsten van een analyse die
de BVD al in het verleden had gemaakt van de veiligheidsrisico ’s die dergelijke personen lopen
naar aanleiding van hun omstreden publieke optreden;
-niet werd voorgesteld om met Fortuyn te gaan praten over zijn veiligheidsperikelen.
De zwakte van deze dreigingsanalyses kan ook worden afgelezen uit de eerder genoemde “verkiezingsanalyse ”.Hoewel die toch speciaal werd toegespitst op de veiligheidssituatie van Fortuyn werd ook in deze analyse voorbijgegaan aan al de factoren die zo-even werden opgesomd.Er werd alleen melding gemaakt van het taartincident op 14 maart 2002 en van de protestdemonstratie op 11 mei 2002. Ten slotte moet worden onderstreept dat het verhaal dat de BVD Fortuyn zou hebben afgeluisterd niet waar is.

Het KLPD
Het KLPD is via de UTBT (Unit Terreurbestrijding en Bijzondere Taken)vertegenwoordigd in de TEC en – in een adviserende hoedanigheid – in de GED..Evenals voor de BVD is persoonsbeveiliging voor het KLPD/de UTBT geen hoofdtaak.
De UTBT was door omstandigheden enkel betrokken bij de eerste dreigingsanalyse waarom de TEC op 20 maart 2002 vroeg.Evenals de BVD maakte ook deze dienst in feite niet een dreigingsanalyse maar deed slechts een korte check op zijn dagrapport en consulteerde enkele collega ’s.Van diepgaand onderzoek was dus ook hier geen sprake.Er werden bijvoorbeeld:
-geen nationale politiedatabanken geraadpleegd;
-en er werd ook geen zoekvraag uitgezet bij de regionale korpsen.

3.2.2.3 De rol van de TEC en de GED
Ook deze beide adviescommissies gingen een belangrijke rol spelen in de besluitvorming over de
veiligheid en beveiliging van Fortuyn nadat de minister van BZK op 20 maart 2002 had gevraagd om
een dreigingsanalyse van Fortuyn en de TEC op 26 maart 2002 had geoordeeld dat de lijsttrekkers en
met name ook Fortuyn behoorden tot het domein van de Circulaire 1999.
De TEC
Wat de TEC betreft is het verwonderlijk dat er in deze commissie –volgens de notulen van haar ver-
gaderingen –geen kritische discussie plaatsvond omtrent de adviezen die haar door de BVD en het
KLPD werden verstrekt:de bronnen die werden geraadpleegd,de oordelen die werden geveld.Dit is
temeer opmerkelijk omdat het gebrek aan diepgang van de uitkomsten van de dreigingsanalyses
(“geen dreiging ”en “geen informatie ”):
-niet alleen haaks stond op de wens van de departementsleiding dat er door de TEC weliswaar met
een zekere urgentie maar ook grondig moest worden gekeken naar de veiligheidssituatie van Fortuyn;
-maar ook moeilijk te verzoenen was met de uitlatingen van Fortuyn na de “taarting ”in Nieuws-
poort in het programma van Jensen en bij Barend &Van Dorp.
Deze onverenigbaarheden hadden moeten leiden:
-tot een grondige evaluatie van de berichten van de BVD en het KLPD;
-en tot een serieuze bezinning op maatregelen om de informatiekloof die er kennelijk bestond tussen Fortuyn,deze diensten en de minister van BZK met de nodige spoed en met meer initiatief te overbruggen.
Waarom werd er niet vanuit de TEC het initiatief genomen om in het kader van een dreigingsanalyse met Fortuyn te laten)praten?Waarom werd niet beslist om de regionale korpsen te benaderen met een verzoek om informatie over Fortuyn?
De GED
Deze laatste vragen brengen ons bij de GED.Naar het oordeel van de commissie heeft deze commissie niet de nodige leiding gegeven aan de besluitvorming omtrent de veiligheid en de beveiliging van Fortuyn.Zij accordeerde wel het advies van de TEC om ook hem te beschouwen als een “bijzonder persoon ”en stelde op 15 april 2002 nog dat er alert moest worden gereageerd op mogelijke dreigingen tegen lijsttrekkers,maar zij deed twee belangrijke dingen niet:
-zij verbond geen operationele consequenties aan deze besluiten en ging bijvoorbeeld niet over tot
de organisatie van een informatiecircuit rondom de lijsttrekkers bij de (nationale en regionale) politie-en inlichtingendiensten;
-en zij liet ook na om de adviezen van de BVD,het KLPD en ook die van de TEC kritisch te evalueren.
Zowel het een als het ander was niet teveel gevraagd in een situatie waarin de minister van BZK zelf
tot twee keer toe had aangedrongen op een diepgaande analyse van de veiligheidssituatie van Fortuyn.

3.2.2.4 De rol van de ministers De Vries en Korthals en minister-president Kok
Minister De Vries is inderdaad degene geweest die tot twee keer toe de TEC en hiermee ook de GED aan het werk heeft gezet om de veiligheidssituatie van Fortuyn grondig te laten evalueren.Bovendien heeft hij gevraagd een gesprek te initiëren tussen de Rotterdamse politie en Fortuyn.Tot op zekere hoogte is hij evenwel te afwachtend geweest met betrekking tot het resultaat van zijn interventies.Het tempo waarin zijn verzoeken werden gehonoreerd lag laag.Pas op 7 mei 2002 werd hij schriftelijk geďnformeerd over het gesprek tussen De Jong,De Booij en Fortuyn dat op 15 april plaatsvond,terwijl hij er al op 25 maart 2002 om had gevraagd.Er verstreek dus ongeveer 1,5 maand voor dat er een behoorlijke terugkoppeling plaatsvond.
Deze bevinding roept de vraag op of De Vries en/of de ambtelijke top van BZK er niet beter aan
had(den)gedaan om zelf rechtstreeks contact te zoeken met Fortuyn en hem uit te nodigen voor een
gesprek op het departement.Een dergelijk gesprek –anders dan sommigen beweren –heeft niet
plaatsgevonden.De Vries heeft deze stap niet gezet omdat hij tot twee keer toe voor zichzelf tot het
besluit kwam dat er goed werd gekeken naar de veiligheidssituatie van Fortuyn en dat er geen reden
was om te spreken van concrete bedreigingen in zijn richting.
Hiervoor werd echter al aangegeven dat de commissie heeft moeten constateren dat er in de zaak van
Fortuyn in feite nimmer een grondige dreigingsanalyse werd gemaakt en dat deze zaak ook niet op
de voet werd gevolgd door de bevoegde diensten en instanties.Dit is wat de feiten zeggen in de inte-
grale en diepgaande reconstructie van de gebeurtenissen waarom het kabinet de commissie onmid-
dellijk na 6 mei 2002 heeft gevraagd.
Minister Korthals heeft in de besluitvorming rond de kwestie Fortuyn geen actieve rol gespeeld.Hij
heeft zich beperkt tot het houden van voeling hieromtrent met de vertegenwoordiger van het minis-
terie van Justitie in de GED en met zijn collega De Vries.Enerzijds wordt een dergelijke passieve rol
wel ingegeven door de positie die de minister van Justitie inneemt in het stelsel van persoonsbevei-
liging.Anderzijds zou het niet hebben misstaan wanneer hij bijvoorbeeld het initiatief zou hebben
genomen om de herhaalde oproep van Fortuyn om beveiliging grondig te bespreken met De Vries.
Ook zou hij in overleg hebben kunnen treden met het college van procureurs-generaal om te onder-
zoeken of er in de justitiële lijn geen mogelijkheden waren om contact te zoeken met Fortuyn en
samen met hem te bekijken wat er naar zijn mening dreigde mis te gaan.Bedreiging van personen
vormt immers een strafbaar feit.
Minister-president Kok heeft tweemaal publiekelijk zijn positie gemarkeerd waar het ging om de
veiligheid en beveiliging van Fortuyn.Voor het overige heeft hij deze kwestie overgelaten aan de
betrokken ministers.De verantwoordelijkheid voor de eventuele beveiliging van Fortuyn door de overheid lag uiteindelijk bij hen.

3.3 de beveiliging van fortuyn en het voorkomen van de moordaanslag
Na 6 mei 2002 rees bij tijd en wijle de vraag of beveiliging van Fortuyn de moordaanslag had kunnen
voorkomen of niet.De beantwoording van deze vraag maakt geen deel uit van de taakstelling van de
commissie.Zij heeft er in haar onderzoek en haar rapport niettemin de nodige aandacht aan geschonken.
Met nadruk wil de commissie erop wijzen dat het beveiligen van iemand iets anders is dan het
voorkómen van zijn moord en dat uit het één niet als vanzelf het ander voortvloeit.Het tegengaan
van een moord vraagt namelijk om meer dan om (de hierna bedoelde vorm van)persoonsbeveiliging:
-ten eerste vraagt het om een geloofwaardige aanwijzing uit een betrouwbare bron dat iemand van
plan is een persoon,in dit geval Fortuyn,te vermoorden en dat hij daartoe voorbereidingen treft;
welnu,de commissie is in haar onderzoek geen aanwijzing tegengekomen die hierop wees;ook de
uitlating over de dood van Fortuyn in het gesprek tussen de twee dierenrechtenactivisten vormt
niet zulk een aanwijzing;bovendien is gebleken uit onderzoek door het rechercheteam in de zaak
Van der G.dat de dreigpost die de commissie heeft verzameld geen aanknopingspunten bevat met het onderzoeksdossier;
-ten tweede mag niet uit het oog worden verloren dat het stelsel van persoonsbeveiliging in Neder land naar eigen burgers toe in het geheel niet is afgestemd op de beveiliging van personen tegen een moorddadige aanslag van iemand die het vaste voornemen heeft ontwikkeld die daad te plegen en zich de middelen heeft verschaft om haar daadwerkelijk uit te voeren;dit stelsel is daar niet
op ingericht omdat in ons land een moord als die op Fortuyn sinds lang een volstrekt onbekend
verschijnsel was;wie dus denkt dat deze persoonsbeveiliging tot doel zou hebben gehad om de
moord op Fortuyn te voorkomen koestert een illusie;misschien zou zij een probaat middel zijn
geweest tegen die vormen van aantasting van zijn fysieke veiligheid waarmee hij af en toe werd
geconfronteerd:opstootjes en “taarting ”;een dergelijke vorm van persoonsbeveiliging kan alleen
maar kansen verminderen dat een moordaanslag wordt doorgezet of doeltreffend wordt uitgevoerd.
In aansluiting op het vorenstaande wil de commissie erop wijzen dat uit recent Amerikaans onder-
zoek blijkt dat het overgrote deel (69)van de 74 (dodelijke en bijna-dodelijke)aanslagen die tussen
1949 en 1996 werden gepleegd op presidenten en andere vooraanstaande politici,hoge functionaris-
sen en rechters e.a.,werd begaan door op zichzelf staande individuen;geen van de 43 moordenaars
had van tevoren op welke manier dan ook een signaal afgegeven omtrent hetgeen hij/zij van plan
was;de daders kwamen met andere woorden haast allemaal uit het niets.

Een hervorming van het bestaande stelsel van persoonsbeveiliging onontkoombaar.
De aanbevelingen van de commissie 
In hoofdstuk 12 van haar rapport heeft de commissie op de grondslag van haar onderzoek een aantal
aanbevelingen voor deze hervorming ontwikkeld.
De voornaamste zijn:
-juist ook in een democratische rechtsstaat past het dat individuele burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor hun veiligheid;loslaten van dit standpunt leidt tot de ontwikkeling van een veiligheidsstaat; zij mogen evenwel van de overheid verwachten dat die hen te hulp komt op het moment dat de aantasting van hun veiligheid zulke gewelddadige vormen dreigt aan te
nemen dat zij daar op eigen kracht geen weerstand meer tegen kunnen bieden;
-dit betekent dat de overheid zich zodanig moet organiseren dat zij die hulp, kwantitatief en kwalitatief, op een passende manier kan leveren; praktisch gesproken komt dit erop neer dat via de Politiewet persoonsbeveiliging op een duidelijke manier wordt ingebed in de taak en organisatie van de politie, de AIVD en de KMAR en dat er via een ministeriële richtlijn in de regionale korpsen
en nationale diensten professionele voorzieningen worden geschapen voor de vervulling van deze
belangrijke taak in een democratische rechtsstaat;
-maar het is niet voldoende om her en der in het politiewezen professionele voorzieningen te
scheppen; het is nodig dat deze voorzieningen zowel beleidsmatig als –in concrete gevallen –ope-
rationeel vanuit één centraal punt worden gecoördineerd zodat de verantwoordelijkheid voor
advisering en uitvoering in één hand ligt; om zowel het een als het ander te bereiken is het nodig
dat er bij het ministerie van Justitie een landelijke beveiligingscoördinator wordt aangesteld die
kan rekenen op de ondersteuning van een kleine maar gekwalificeerde staf; bij voorkeur bij dit
departement,enerzijds omdat de beveiliging van personen tegen dreigende aantasting van hun
veiligheid een voorfase vormt in de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, anderzijds
omdat door zijn positionering op dit departement de beveiligingscoördinator als het moet direct
overal in het land via (de hiërarchie van) het openbaar ministerie de maatregelen kan laten) tref-
fen die nodig zijn om die beveiliging optimaal te laten verlopen;
-de invoering van de functie van landelijk beveiligingscoördinator moet gepaard gaan met de
afschaffing van de TEC; de GED moet echter worden gehandhaafd; de (categorieën van) personen
waar de rijksoverheid via de GED een bijzondere verantwoordelijkheid voor draagt zijn:repre-
sentanten van buitenlandse overheden en medewerkers van internationale instellingen; ambts-
dragers die de democratische rechtsstaat belichamen leden van de Staten-generaal en regering,
leden van het openbaar ministerie en de rechterlijke macht,en wellicht ook bepaalde (categorieën
van) ambtenaren van de departementen en de rijksdiensten), en personen die de regionale korp-
sen om wat voor reden dan ook zelf niet afdoende kunnen beveiligen;
-ten slotte moet worden gestreefd naar een verdere professionalisering van de persoonsbeveiliging
bij de overheid; in het bijzonder dient de vervaardiging van dreigingsanalyses te worden verbe-
terd;verder verdient het aanbeveling dat met het oog op de ontwikkeling van een passend bevei-
ligingsbeleid voor “bijzondere personen ”– collectief en, zo nodig, individueel –risico-analyse
wordt geďntroduceerd; voor een kleine kring van ambtsdragers die reeds beveiligd worden zou
eventueel ook een systeem van “protective intelligence ”kunnen worden opgezet,  bedoeld om con-
stant alle informatie te bundelen en te evalueren die relevant kan zijn voor hun veiligheid.
De commissie houdt dus op een aantal wezenlijke punten vast aan wat bestaat maar zij is ervan door-
drongen dat het bestaande stelsel van persoonsbeveiliging –om het met drie woorden te zeggen –
moet worden geďntegreerd, geprofessionaliseerd en gemoderniseerd. Dit is de kern van haar –realis-
tische en dus realiseerbare –boodschap.
Samenstelling van de commissie
mr.H.F.van den Haak (voorzitter) (28)
K.J.H.H.Sietsma lid/secretaris) (39)
prof.dr.C.J.C.F.Fijnaut lid/rapporteur) (26)
mr.S.J.E.Horstink-von Meyenfeldt lid) (28)
mr.R.J.Hoekstra lid (28)
Staf van de commissie
drs.M.Bruinsma
mr.N.J.P.Coenen
I.Haije
drs.Y.Huizing
M.Overwater
A.Pol
drs.J.J.M.Wassenberg 
Er komt op korte termijn een nationale coördinator veiligheid. Dat is een van de maatregelen, die het kabinet neemt naar aanleiding van het rapport over de beveiliging van LPF-lijsttrekker Fortuyn. Dat hebben de ministers Remkes (Binnenlandse Zaken) en Donner (Justitie) gezegd na afloop van een extra ministerraad, waarin het rapport van de commissie-Van den Haak is besproken. Volgens Remkes heeft de moord op Fortuyn een 'schokgolf in de samenleving teweeggebracht, die tot op de dag van vandaag voelbaar is'. De minister noemde het rapport van de commissie 'gedegen en evenwichtig'. Het kabinet heeft het standpunt over het rapport aan de Tweede Kamer gestuurd.
Maatregelen
Het kabinet neemt op basis van het rapport op korte termijn een aantal maatregelen. Naast de nationale coördinator veiligheid, die op landelijk niveau verantwoordelijk wordt voor de beveiliging van personen en objecten, moet ook de informatievoorziening tussen de verschillende overheidsdiensten worden verbeterd. Hiervoor wordt onder meer een landelijk informatieknooppunt ingericht. Eerder nam het kabinet al maatregelen om de beveiliging van alle lijsttrekkers in de komende campagne te waarborgen.
Volgens minister Donner moet na de maatregelen op korte termijn, grondig gekeken worden naar de aanbeveling van de commissie om te komen tot een wijziging van het stelsel van persoonsbeveiliging in Nederland. Uitgangspunt daarbij is dat niet meer de concrete bedreigingen aanleiding vormen voor een veiligheidsanalyse, maar dat het risico voor de veiligheid van personen als uitgangspunt gaat gelden. Volgens Donner moet in het debat met de Kamer worden aangegeven hoever de samenleving daarin wil gaan.
AIVD
Minister Remkes plaatste wel een kanttekening bij het beeld, dat uit het rapport naar boven komt over de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Volgens de minister heeft de AIVD gehandeld op basis van de geldende wet- en regelgeving. Daarbij kon de dienst niet anders dan uitgaan van de bestaande bedreiging

 

 

 

Opstand Openbaar Ministerie tegen de rechtstaat! De moord op Pim kost Nederlanders veel vrijheid (van meningsuiting) en een Fortuyn

1. Pim Fortuyn over Openbaar Ministerie: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"

2. Ministerie van Justitie: Toch wist justitie zo ongeveer een uur na de moord al te melden, dat Folkert van der G. in zijn eentje opereerde.

3. Openbaar Ministerie: Politie en de voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) hebben een zeer vergevorderd onderzoek naar links-radicale dierenactivisten moeten staken omdat het openbaar ministerie de geldkraan vorig jaar pardoes dichtdraaide.

332 POM & Fortuyn Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"
193 POM & Fortuyn Toeschrijven naar conclusie bekende truc overheid om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat
482 POM & Fortuyn Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
487 POM & Fortuyn Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden"
183 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers
182 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd
288 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor kamerleden/onderhandelaars LPF
178 POM & Fortuyn De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak 
281 POM & Fortuyn Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers
280 POM & Fortuyn Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn
282 POM & Fortuyn Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat 
275 POM & Fortuyn Demmink zou LPF-minister Nawijn hebben gewaarschuwd geen lijsttrekker te worden omdat LPF uit criminelen zou bestaan
485 POM & Fortuyn Rene Diekstra op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn
486 POM & Fortuyn Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy 
286 POM & Fortuyn Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond
391 POM & Fortuyn Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" 
105 POM & Fortuyn Toelichting officier ter terechtzitting Amsterdam in strafzaak verdachte moord Fortuyn
483 POM & Fortuyn Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuyn

Eerbetoon aan openbare kritiek op de rechtspraak in Nederland van Moszkowics advocaten
285 Mr. Moszkowicz: Hijheeft als enige mij correct behandeld en was naar eigen zeggen niet thuis in het gezondheidsrecht
160 Mr. Moszkowicz: Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest
212 Mr. Moszkowicz: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft in handen van de gesubsidieerde voogdij
089 Mr. Moszkowicz: "Onbegrijpelijk dat zoveel advocaten dubbelfunctie rechter-plaatsvervanger vervullen
332 Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk Coördinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.