SLAVERNIJ IN NEDERLAND EN UW PRIVACY ©

CDA, VVD, Christen-Unie, D66 en de PvdA, willen dat Nederlandse burgers ongecontroleerd kan worden afgeluisterd als praktijkvoorbeeld van de respectloze bejegening van iedere politicus en medewerker van deze vijf politieke partijen jegens gewone burgers en hun privacy.

CDA, VVD, Christen-Unie en D66 willen het referendum voor gewone Nederlanders afschaffen als praktijkvoorbeeld van de respectloze bejegening van iedere politicus en medewerker van deze vier politieke partijen jegens gewone burgers.

CDA, VVD, Christen-Unie en D66 willen het lage BTW tarief voor groenten en fruit flink verhogen zodat gewone Nederlanders nog meer geld voor hun voedsel moeten betalen.

Referendum Sleepwet? Stem wijzer! Stem Groep Hop! Stem TEGEN de Sleepwet!

 

Kent u iemand in Ermelo? Vraag of hij/zij Groep Hop wil stemmen...

Contact: lees verder

Stem Wijzer! Stem Groep Hop.Kent u iemand in Ermelo vraag of hij/zij in 2018 Groep Hop wil stemmen om een frisse wind door het gemeentehuis te laten waaien en/of wil helpen met het snel verkrijgen van het wettelijk aantal benodigde ondersteuningsverklaringen om mee te mogen doen met de verkiezingen in Ermelo?

 

 

Iemand die 'foute' denkbeelden of activiteiten heeft of 'foute' mensen kent, loopt de grootste kans om door de overheid afgeluisterd te worden. Afhankelijk van de overheid kan 'fout' crimineel, te sociaal, te kritisch, te nieuwsgierig, buitenlands of simpelweg 'politiek anders georiŽnteerd' betekenen,

 

door Paul Wouters, 17 mei 2001 in CT Magazine.

Op 3 april verscheen op internet een anonieme posting met daarin de aftapspecificaties voor Nederlandse providers. De posting bevatte tevens de antwoorden van de overheid op vragen van het Nationale Aftap Overleg (NAO over de juridische en technische aspecten van de op 15 april ingetreden aftapverplichting voor ISPs.

Eind 1998 is de nieuwe Telecommunicatiewet in werking getreden, met in dat artikel 13 de aftapverplichting voor alle aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten. Zulke aanbieders dienen zich te registeren bij de OPTA en moeten al hun netwerken en diensten aftapbaar maken voor de overheid. De specificaties voor het aftappen van telefoongesprekken, zowel op het vaste net als via ISDN of GSM waren wel duidelijk. Het aanstormende probleem was echter het internet. Providers werd tot 15 augustus 2000 uitstel verleend, omdat de overheid zelf nog niet wist hoe het internet te tappen. Het NLIP (de branche organisatie van internet providers) en de overheid (GOVtech) vormden samen de Werkgroep Aftappen Internet (WAI). Die trachtte de specificaties te schrijven voor het aftappen. De klus bleek al gauw te moeilijk. De overheid verleende wederom uitstel, ditmaal tot 15 april 2001. De NLIP leden zagen een groot gemeenschappelijk probleem, namelijk dat niemand op tijd aan de aftapverplichting zou kunnen voldoen. Daarom richtten zij in december 2000 het NAO op ter coŲrdinatie tussen de afnemers en leveranciers van aftapmachines en de overheid.

Ondertussen leefde de rest van de internetwereld in de waan dat de aftapregeling slechts voor Access Providers zou gelden. De staatscourant [5] meldde immers op 19 januari 2001 nog dat een OPTA registratie vereist was om de specificaties van de aftap protocollen te krijgen. Tot dan toe hadden echter alleen de grote Telecommunicatiebedrijven, backbone ISPs en Access Providers zo'n registratie.

Tussen de anoniem geposte documenten zat ook een brief met een aantal antwoorden van het ITO, de hofleverancier van ICT diensten voor Justitie. Daarin werd bevestigd dat iedereen die openbare internetdiensten aanbiedt, dus ook webhosters, aftapbaar dienen te zijn. Deze mening had ook de Staatssecretaris, die in een brief op 28 maart aan het NAO te kennen gaf dat alle mondelinge overeenkomsten die ze met het NAO had gemaakt, van tafel waren geveegd. Het NAO schreef een woedende reactie maar bleef gek genoeg de illusie houden dat er met de overheid nog onderhandeld kon worden - hoewel de overheid toch onomstotelijk te kennen had gegeven direct alles en iedereen te willen kunnen tappen.

En dat, op kosten van de providers; kosten waarvan eerder beloofd was dat ze niet boven 1% van de omzet van een ISP zou komen. Dit bleek echter volstrekt irreŽel. Op de door de NAO georganiseerde vendordag op 1 maart boden de leveranciers slechts vapourware aan. Alleen ťťn bedrijf, Comverse Infosys, heeft inmiddels een werkende aftapmachine (zij zijn ook de leverancier van het ontvangende deel in de tapkamer). De kosten hiervan variŽren echter van 100.000 tot enkele miljoenen guldens, afhankelijk van de grootte van de ISP.

Slechte overheidsvoorschriften

Niemand kon zijn product af hebben omdat de overheid pas in februari 2001 over de technische specificaties beschikte. Deze Transport of Intercepted IP Traffic(TIIT) , was duidelijk een haastklus. De specificatie mist namelijk essentiŽle onderdelen, en is duidelijk niet door crypto-analisten bekeken. Ian Goldberg, het crypto meesterbrein van de universiteit van Berkeley, heeft op verzoek de specificatie doorgenomen. Onveilig gebruik van NTP, onbekende MD5 hashes met zeer waarschijnlijk te lage entropie, 64 bits van RC4 encryptie weggooien, onmogelijk fake packets met pseudorandom waren zijn eerste opmerkingen. Maar het meest kwetsbare vond Goldberg de digitale handtekening van de rechter-commissaris, die de tap moet autoriseren. Ook Niels Provos van de universiteit van Michigan, programmeur van onder meer OpenBSD, OpenSSH, en IPsec verklaarde dat de gebruikte protocollen van de TIIT, te weten SSL/TLS en IPsec, nooit op basis van een blackbox idee zouden mogen werken. Het is te makkelijk om met deze protocollen in plaats van de randomdata (die op sommige punten in deze protocollen vereist is) extra informatie te versleutelen, zoals de cryptografische sleutels van diezelfde versleutelde verbinding! De producent (of overheid van deze producent) zou dan namelijk simpelweg alle versleutelde informatie van deze aftapdozen kunnen ontsleutelen.

Webhosters niet uitgesloten

Door de brief van de Staatssecretaris van 28 maart vertegenwoordigde het NAO plots echter nog maar heel een klein deel van de betrokken partijen. Toch bleef ze, achter min of meer gesloten deuren, met de overheid onderhandelen als 'vertegenwoordiger' van alle partijen die aan de aftapverplichting dienden te voldoen. Met als klap op de vuurpijl de aankondiging op 18 april dat zij een exclusieve overeenkomst met de overheid afgesloten heeft. Een deel van de overeenkomst houdt in dat er al weer een andere organisatie wordt opgezet, de Nationale Interceptie Organisatie (NIO). Deze organisatie zal gezamenlijk te gebruiken aftapdozen kopen en providers ondersteunen bij het beoordelen en uitvoeren van internet taps. Zij denkt daar 9 tot 12 maanden voor nodig te hebben. Totdat er werkende aftapapparatuur is krijgen NIO leden, alweer volgens de overeenkomst, uitstel van de tapverplichting. Niet vreemd dus dat opeens webhosters massaal lid wilden worden van het NAO (de enige manier om uitstel te krijgen, en onder de f 100.000 kosten uit te komen). Een enkeling lukte dit op het moment dat zijn bedrijfsnaam 'providerachtig' genoeg bleek. Op de NAO mailinglist werden deze, en vele andere relevante vragen door webhosters ter discussie gesteld. Er kwamen van het NAO geen duidelijke uitspraken, want uitspraken doen betekent verantwoordelijkheid nemen en dus richting kiezen. Het NAO prefereert alle partijen te vriend te houden, en probeert een zo neutraal mogelijk standpunt in te nemen. Het NAO beslist via een mandaat van het NLIP, en werd door een van zijn leden zelfs omschreven als een theekransje dat geen statuten of regels nodig heeft. Uitstel van de tapverplichting is echter alleen te verkrijgen door deelname in het NIO, dat op zijn beurt weer deelname in het NAO (en eigenlijk in het NLIP) veronderstelt. Het NLIP beslist dus uiteindelijk feitelijk over tapbevelen voor organisaties die het zelf expliciet niet vertegenwoordigt.

Ondertussen moet de webhoster echter aftapbaar zijn volgens de wet. Een tapmachine kost minimaal 100.000 gulden. Zelf bouwen kunnen ze officieel niet, want de TIIT specificatie (alsmede feitelijk lidmaatschap in het NAO/NIO) kan alleen opgevraagd worden door bedrijven met een OPTA registratie. Zo'n registratie kost voor een webhoster echter minimaal HFL 6000 per jaar, omdat volgens de OPTA een webhoster in de categorie aanbieder van openbare telecommunicatie dienst met 1 datanetwerk valt. De OPTA zelf lijkt nog geen officieel standpunt te hebben ingenomen: afhankelijk van wie er belt en hoe de vraag geformuleerd wordt, krijgt je een verschillend antwoord.

Opentap

Langzaam worden webhosters en programmeurs wakker. De uitgelekte TIIT specificatie is weliswaar officieel geheim, maar is volgens het document zelf vrij verspreidbaar. Daarom wordt de tapsoftware nu door een stel programmeurs als OpenSource geÔmplementeerd. Men verwacht al binnen enkele weken een prototype af te hebben. Hou dus de website van Opentap goed in de gaten. Je vindt er de laatste ontwikkelingen op zowel juridisch als technisch vlak. Hopelijk zal Opentap in staat zijn om ervoor te zorgen dat binnenkort iedereen dus gewoon zijn eigen machine kan bouwen die aan de specificatie voldoet.

 

 

 

Een algemene bewaarplicht voor telecommunicatieverkeersgegevens van een jaar of meer is naar het oordeel van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) onevenredig en in geen geval toelaatbaar

COLLEGE BESCHERMING PERSOONSGEGEVENS 

Persbericht, 3 september 2002

Grote terughoudendheid wenselijk bij opslag verkeersgegevens

Een algemene bewaarplicht voor telecommunicatieverkeersgegevens van een jaar of meer is naar het oordeel van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) onevenredig en in geen geval toelaatbaar. Dit schrijft het CBP in een brief aan de Minister van Justitie als reactie op diverse signalen dat binnen de EU overleg plaatsvindt over de mogelijkheid van een systematische bewaarplicht voor telecommunicatieverkeersgegevens. Doel is deze gegevens te bewaren ten behoeve van politie, justitie en veiligheidsdiensten.

Telecommunicatieverkeersgegevens bevatten onder meer informatie over tijdstip, duur en plaats van waaruit wordt gecommuniceerd, alsmede over de hierbij gebruikte aansluitingen. De bewaarplicht zou gelden voor alle telefoongesprekken, faxverkeer, e-mails en overig gebruik van internet.

De Europese toezichthouders hebben zich meermalen uitgesproken over het feit dat een bewaarplicht van een jaar of meer een onrechtmatige inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dit recht is omschreven in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De bescherming van verkeersgegevens is inmiddels vastgelegd in Richtlijn 2002/58/EG van het Europese Parlement en de Raad inzake privacy en elektronische communicatie. In deze Richtlijn is beschreven dat een bewaarplicht alleen toegestaan is voor een beperkte periode en wanneer dat in een democratische samenleving noodzakelijk, passend en evenredig is. Een algemene bewaarplicht van een jaar of meer is naar het oordeel van het CBP onevenredig en in geen geval toelaatbaar.

Eerder al heeft de Nederlandse regering zich uitgesproken voor grote terughoudendheid op dit terrein. Het CBP adviseert de Minister met klem vast te houden aan deze lijn. Naast principiŽle aspecten van een bewaarplicht wijst het CBP ook op de buitensporige kosten voor de telecom- en internetsector. Deze hebben er toe geleid dat tot dusver zelfs in de VS van dergelijke maatregelen is afgezien.

Over het CBP
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) houdt - onder de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) - toezicht op de naleving van wetten die het gebruik van persoonsgegevens regelen. Bij het CBP moet het gebruik van persoonsgegevens worden gemeld, tenzij hiervoor een vrijstelling geldt.

Het CBP adviseert de regering en organisaties over de bescherming van persoonsgegevens en onderwerpen die daarmee samenhangen. Het CBP toetst gedragscodes en bemiddelt in geschillen tussen burgers en gebruikers van persoonsgegevens. Op eigen initiatief of op verzoek van een belanghebbende kan het CBP onderzoeken of de manier waarop persoonsgegevens in een bepaalde situatie zijn gebruikt, in overeenstemming is met de wet en daaraan zonodig gevolgen verbinden. Voor in gebreke blijven bij de melding kan een boete worden opgelegd. Bij overtreding van de wet of daarop gebaseerde regelingen kan het CBP overgaan tot bestuursdwang of een dwangsom opleggen.

Overheid moet meer duidelijkheid verschaffen over het aftappen van telefoons in Nederland, het gebruik van opsporingsmethoden moet gewoon transparant zijn", aldus Jouke Osinga van GroenLinks

 

Woensdag, 16 april 2003 

Overheid moet meer duidelijkheid verschaffen over het aftappen van telefoons in Nederland, vindt GroenLinks. Tweede-Kamerlid Marijke Vos (GroenLinks) is ontevreden met de antwoorden die de minister van Justitie begin april gaf op kamervragen over het bijhouden van het aantal telefoontaps. De minister liet weten er niets voor te voelen om bij te houden hoe vaak er in Nederland getapt wordt. Onbegrijpelijk, vindt GroenLinks.

"Meent de minister nu werkelijk dat hij geen meerwaarde ziet in een afzonderlijke landelijke registratie van de inzet van opsporingsmethoden", vraagt Vos in nieuwe kamervragen aan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken.

"Het optellen van alle tapbevelen is wel een werkje, maar het gebruik van opsporingsmethoden moet gewoon transparant zijn", aldus Jouke Osinga, beleidsmedewerker Justitie van de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks, in een toelichting.

"De les van de commissie-Van Traa was juist dat de politie in het verleden gebruikmaakte van opsporingsmethoden waarvan de rechter, de politiek en soms zelfs het openbaar ministerie niet op de hoogte waren. De overheid moet weten wat er gebeurt, zeker als er inbreuk wordt gemaakt op de privacy, zoals bij het aftappen van telefoons."

Ook maakt GroenLinks zich zorgen over de zogeheten notificatieplicht. De overheid moet mensen die worden afgetapt, daarvan op de hoogte brengen - als het belang van het onderzoek dat toestaat. Als mensen onterecht zijn afgeluisterd, kunnen ze daar dan over klagen.

Osinga: "De minister zegt dat de rechter gaat over de vraag of het gebruik van een telefoontap terecht is geweest. Maar als een telefoontap niet als bewijsmateriaal in een rechtszaak wordt gebruikt, kan de rechter zich daar niet over buigen en moet de overheid betrokkenen op de hoogte brengen."

De regering zegt echter geen centrale registratie bij te houden van deze notificaties. "Hoe weet de minister dan of het openbaar ministerie deze notificatieplicht consequent naleeft", vraagt GroenLinks zich af.

Maurice Wessling van de digitale-burgerrechtenorganisatie Bits of Freedom valt GroenLinks bij. "In principe is het op de hoogte brengen van mensen die worden afgetapt, een wettelijke plicht, maar er bestaan allerlei uitzonderingen. Als je niet bijhoudt hoe vaak er wordt genotificeerd, heb je dus ook geen idee hoe vaak er sprake is van zo'n uitzondering en hoe effectief die notificatieplicht is."

 

De Europese fractie van GroenLinks wil duidelijkheid over de plannen om internetsporen (zoals informatie over verstuurde e-mails) op te slaan en hekelt de geheimzinnigheid waarmee het voorstel omgeven is. "Dit soort zaken dient in alle openheid bediscussieerd te worden en niet alleen in de Europese achterkamertjes in Brussel, Straatsburg of Kopenhagen.

Woensdag, 28 augustus 2002.

De Europese fractie van GroenLinks wil duidelijkheid over de plannen om internetsporen (zoals informatie over verstuurde e-mails) op te slaan.

Daartoe heeft EuroparlementariŽr Kathalijne Buitenweg vragen gesteld aan de Raad van Ministers. Zij wil weten wat de Europese regeringen van plan zijn.

Vorige week lekte via de site Statewatch een voorstel uit van EU-voorzitter Denemarken om meer zogeheten verkeersgegevens van burgers te verzamelen. Verkeersgegevens zijn bijvoorbeeld de telefoonnummers die iemand belt, de plaatsgegevens van de eigenaar van een gsm-toestel of de adressen van internetpagina's die iemand bezoekt.

Denemarken ontkent dat het verantwoordelijk is voor het voorstel. Statewatch schrijft nu dat het voorstel is opgesteld door de vorige EU-voorzitter BelgiŽ. BelgiŽ bereidde het voorstel al voor voordat het Europees Parlement een beslissing had genomen over de opslag van verkeersgegevens.

Buitenweg wil nu weten wat er precies aan de hand is. De GroenLinks-EuroparlementariŽr wil onder meer weten of en wanneer de Raad het voorstel heeft besproken. Ze maakt zich grote zorgen over de plannen die in het voorstel ontvouwd worden. "We hebben het hier over besluiten die diep ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van burgers. Wijzigingen in de wetgeving die privacy regelt, kunnen tot grote onrust leiden."

Buitenweg hekelt de geheimzinnigheid waarmee het voorstel omgeven is. "Dit soort zaken dient in alle openheid bediscussieerd te worden en niet alleen in de Europese achterkamertjes in Brussel, Straatsburg of Kopenhagen."

 

 

 

De Wet Bescherming Persoonsgegevens (2001)en de selectie en bewaring van persoonsdossiers

Amsterdam/Den Haag, mei 2002

A.C.M. Kappelhof

D. Rigter

Het rapport "De Wet Bescherming Persoonsgegevens (2001)" belicht de cruciale waarde die deze dossiers hebben voor het wetenschappelijk historisch onderzoek. Aangetoond wordt dat de geldende wetgeving geen beletsel vormt om deze dossiers te bewaren en te zijner tijd beschikbaar te stellen aan onderzoekers. Bij grote bestanden verdient het aanbeveling een bij voorkeur a-selecte steekproef te nemen. Dit rapport is een vervolg op een in 2001 gepubliceerd rapport getiteld "Het zwarte gat" en geschreven in opdracht van: het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap, het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, DIVA Erfgoedkoepel voor de documentaire informatievoorziening en het archiefwezen en het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis. In het voorjaar van 2003 zal er een studiedag plaatsvinden over de wijze waarop archivarissen en andere informatiebeheerders dit probleem het beste aan kunnen pakken.

Inhoud

1. Inleiding

2. Opdracht

3. Een zwart gat

4. Achtergrond

4.1 Wetten

4.2 Actoren

4.3 Belangen

5. Selectie van archieven

6. Persoonsdossiers

6.1 Selectie van persoonsdossiers

6.2 De effecten van de WBP

6.3 Ervaringen met de steekproefmethode

7. De rol van historici

8. Conclusie

Verantwoording

Bijlage 1

Bijlage 2

1. Inleiding

Met de invoering van de Wet Bescherming Persoonsgegevens per 1 september 2001 zijn aan de verwerking van persoonsgegevens (en niet alleen meer de registratie ervan) voorwaarden verbonden. Dit heeft ook consequenties voor de selectie en bewaring van persoonsdossiers en het gebruik daarvan voor historisch wetenschappelijk onderzoek. In februari 2001 verscheen als reactie op de toen aanstaande invoering van de wet, ‘Een zwart gat in ons collectieve geheugen? Het belang van persoonsdossiers voor het wetenschappelijk onderzoek’. Een van de suggesties in dit rapport is de steekproefmethode te gebruiken om persoonsdossiers voor toekomstig onderzoek te behouden. Dit rapport, geschreven in opdracht van de vereniging voor de Documentaire Informatievoorziening en het Archiefwezen (DIVA), het Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis (IISG), het Instituut Nederlandse Geschiedenis (ING) en het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG), wil een antwoord geven op de vraag of de steekproef juridisch mogelijk en praktisch haalbaar is, en zo ja, hoe dit onderdeel van de bewerking van een archief het beste in de selectieprocedure kan worden ingepast.

Het rapport begint met een samenvatting van het eerdere rapport ‘Een zwart gat’, gevolgd door een overzicht van actoren en hun belangen bij de problematiek rond persoonsdossiers. Daarop volgen de gang van zaken rond de selectie van archieven, de effecten van de invoering van de Wet Bescherming Persoonsgegevens en tot nu opgedane ervaringen met de steekproefmethode.

Uit de conclusie blijkt dat er juridisch geen bezwaren zijn tegen het gebruik van de steekproefmethode bij het selecteren en bewaren van persoonsdossiers en worden aanbevelingen gedaan hoe in de praktijk te werk te gaan.

Dit rapport handelt voornamelijk over persoonsdossiers. Het begrip persoonsgegevens heeft een veel ruimere strekking.

2. Opdracht

Dit rapport moet antwoord geven op de volgende vragen:

In hoeverre staat geldende regelgeving, onder andere de Wet Bescherming Persoonsgegevens (2001), toe dat een steekproef wordt genomen uit bestanden van persoonsdossiers en dat de steekproef vervolgens, al of niet onder beperkende voorwaarden, ter beschikking wordt gesteld aan wetenschappelijk onderzoekers?

Op welke wijze zou een dergelijke steekproef getrokken moeten worden?

Bij het laatste dienen de belangen van het wetenschappelijk onderzoek en de uitvoerbaarheid bezien vanuit het oogpunt van de archiefbeheerder met elkaar in balans te zijn.

3. Een zwart gat

‘Een zwart gat’ gaat uit van de volgende stellingen:

De huidige regelgeving leidt er in de praktijk toe dat de meeste persoonsdossiers betrekkelijk kort na hun afsluiting en masse worden vernietigd. Deze dossiers bevatten echter vaak unieke informatie en zijn dus onmisbaar voor het wetenschappelijk onderzoek.

Openbaarheid van bestuur, nadruk op het historisch erfgoed en bescherming van de privacy staan op gespannen voet met elkaar.

Met betrekking tot de vernietiging van persoonsdossiers wordt in ‘Een zwart gat’ de volgende situatie geschetst:

‘Op grond van vigerende wet- en regelgeving (Archiefwet 1995, Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst) worden de persoonsdossiers 10 jaar na overlijden of laatste contact verplicht vernietigd. Dossiers van sociale diensten moeten volgens de Wet-Boeten sinds 1997 20 jaar worden bewaard, teneinde fraude op te kunnen sporen. De per 1 september 2000 [werd 1 september 2001, DR] van kracht geworden Wet Bescherming Persoonsgegevens, die in overeenstemming is met een Europese richtlijn, gaat in bepaalde opzichten verder dan de oudere voorschriften en zal de archiefbeheerders dwingen diverse aanvullende maatregelen te nemen. Deze wet verbiedt elke verwerking van zogenaamde bijzondere gegevens op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor zij zijn verkregen (het z.g. doelbindings-criterium).

[...] Om het onderzoek niet te zeer te belemmeren bepaalt een uitzonderingsartikel (art. 23) dat de persoonsgegevens voor wetenschappelijk onderzoek mogen worden gebruikt, als dit onderzoek een "algemeen belang" dient. Historisch onderzoek en de publicatie daarvan is volgens de memorie van toelichting op de wet en een zeer recent vonnis van de president van de Rechtbank te Arnhem in het algemeen belang. Op deze uitzondering gelden wel enkele beperkingen waarbij het al langer gehanteerde criterium van de evenredigheid van toepassing is. De persoonlijke levenssfeer van betrokkene mag niet onevenredig worden geschaad. De archiefbeheerder moet het onderzoek toetsen en bepaalt ook welke schade onevenredig is. We mogen aannemen dat de procedure om toegang te krijgen tot persoonsgegevens nog tijdrovender zal worden en dat deze door onderzoekers vaak als een extra barriŤre ervaren zal worden. Vooral voor de in Nederland talrijke kleine archiefdiensten betekent de toepassing van deze wet (toetsen, nagaan of personen nog in leven zijn etc.) veel extra werk, waarvan het maar de vraag is of zij dit aankunnen.

[...] Persoonsdossiers zijn vaak zeer omvangrijk en vreten kilometers archiefruimte. Banken en verzekeraars weten daarvan mee te praten. De kosten van archiefruimten en zeker die van archiefbewaarplaatsen (ruimten bestemd voor permanente bewaring van archiefbescheiden) zijn hoog en de bouw of uitbreiding van archiefruimten is voor een politiek ambtsdrager, een wethouder of gedeputeerde, niet aantrekkelijk omdat de media in dergelijke zaken doorgaans niet geÔnteresseerd zijn en de politiek er dus niet mee kan 'scoren'. Veel archiefdiensten zitten dan ook thans met een depotprobleem. Een onlangs verschenen institutioneel onderzoek naar het gevoerde beleid rond persoonsregistraties signaleert een paradox: enerzijds komen er steeds stringentere regels, anderzijds moet het privacybelang soms wijken voor andere belangen en lijkt er sprake te zijn van een kentering in de waardering van het privacybelang.

[...] Onderzoek naar nog levende personen (geadviseerd wordt een grens van 100 jaar na de geboortedatum aan te houden) zal veel lastiger zijn dan dat naar overleden personen. De WBP verbiedt het vernietigen van persoonsgegevens die bestemd zijn voor wetenschappelijk onderzoek, maar de beheerder moet er dan wel voor zorgen dat deze gegevens alleen voor dat specifieke doel worden gebruikt. Opmerkelijk is het advies van Ketelaar aan archiefinspecteurs en relatiebeheerders om aan beheerders van dynamische en semi-statische archieven duidelijk te maken dat de nieuwe wet niet verplicht tot vernietiging van persoonsgegevens.

[...] De tot de jaren 1930-1940 gevormde dossiers zijn tot nu toe vaak in archieven bewaard gebleven. De dossiers van na die tijd daarentegen worden of zijn meestal en masse vernietigd. De tien jaar geleden in gang gezette operatie-PIVOT met haar nadruk op het beleid en de veel lagere waardering van de uitvoering verschafte het al bestaande beleid een theoretische door velen aanvaarde ondergrond. Het beleid van de regering, zoals dit onlangs werd verwoord in de nota "Archieven in de etalage", is erop gericht de archieven als een onderdeel van het cultuurhistorisch erfgoed meer naar het grote publiek te brengen. De per 1 september 2000 van kracht geworden Wet Bescherming Persoonsgegevens verhoogt echter de drempel voor hen die persoonsgegevens, waaronder ook persoonsdossiers, willen raadplegen en doorkruist dus dit nieuwe beleid. Openbaarheid van bestuur, nadruk op het historisch erfgoed en bescherming van de privacy blijken op gespannen voet met elkaar te staan.’

Samenvattend gaat het volgens ‘Een zwart gat’ om dossiers die door zowel de overheid als particuliere instanties worden gevormd. In toenemende mate betreft het zowel papieren als digitale gegevens. De toegankelijkheid voor historisch onderzoek van dit materiaal lijkt onvoldoende geregeld. De wetten geven de archiefbeheerders een grote verantwoordelijkheid bij de bepaling of onderzoek in deze dossiers mag worden verricht. In de huidige situatie is de kans groot dat essentiŽle gegevens voor het wetenschappelijk onderzoek verloren gaan.

4. Achtergrond

4.1 Wetten

Archiefwet (1995), Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (1995), Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (1996), Wet Bescherming Persoonsgegevens (2001).

4.2 Actoren

1. Personen

2. Archiefvormers

3. Archiefbeheerders in de dynamische fase

4. Archiefbeheerders in de statische fase

5. Onderzoekers

6. Overheden

7. De maatschappij

 

4.3 Belangen

Ad 1. Personen van wie gegevens zich in dossiers bevinden, hebben er belang bij dat met de grootst mogelijke zorgvuldigheid met hun gegevens wordt omgegaan. Zij zijn er enerzijds bij gebaat dat hun gegevens bewaard blijven omdat er redenen kunnen zijn die dat in de toekomst nodig maken, anderzijds dienen hun gegevens niet ongevraagd in de handen van derden te belanden.

Ad 2. Archiefvormers hebben persoonsgegevens nodig voor hun werk, maar zij hebben ook te maken met kosten die de zorgvuldige bewaring van deze gegevens met zich meebrengen.

Ad 3. Meestal wordt het beheer van een archief intern geregeld. Soms wordt het beheer geheel in handen gegeven van externe archiefbeheerders.

Ad 4. Archiefbeheerders kunnen zowel overheids- als niet-overheidsorganisaties zijn. Bij de overheidsarchiefbewaarplaatsen is het toezicht goed geregeld en vastgelegd in wet- en regelgeving. Dit toezicht wordt uitgeoefend door rijks-, provinciale en gemeentelijke inspecteurs. Zij hebben belang bij het bewaren van persoonsgegevens wanneer daar gebruikersgroepen daar om vragen, anderzijds hebben zij te maken met kosten die de zorgvuldige bewaring van deze gegevens met zich meebrengen. Wanneer particuliere archieven in bruikleen worden gegeven aan archiefdiensten, worden vaak afspraken gemaakt over selectie en openbaarheid.

Volgens de Archiefwet 1995 bepaalt de minister van Cultuur bij wet de regels voor het creŽren, bewaren en beschikbaar maken van overheidsarchieven. Hierbij wordt hij geadviseerd de Raad voor Cultuur die daarvoor een eigen Commissie Archieven heeft ingesteld.

Ad 5. Onderzoekers hebben belang bij de bewaring van bepaalde persoonsdossiers, mits dit materiaal toegankelijk is. Zij zijn ook gebaat bij duidelijkheid over welke dossiers vernietigd zijn of worden en onder welke voorwaarde het bewaarde materiaal voor hen toegankelijk is.

Ad 6. Overheden zijn belanghebbende onder ad 2. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor de bescherming van persoonsgegevens, de bewaring van het cultureel erfgoed en een goede naleving van de wet- en regelgeving.

Ad 7. De maatschappij heeft belang bij een goede regelgeving rond de bescherming van persoonsgegevens. Zij heeft echter ook belang bij historisch onderzoek.

5. Selectie van archieven

Over het selecteren en bewaren van overheidsarchieven schrijft F.C.J. Ketelaar: ‘Records must be transferred after twenty years to a repository of the State, a municipality or a water-board. There the archives are accessible for everyone, subject to restrictions imposed by the transferring agency, having heard the advice of the keeper of the repository. Restrictions are allowed only to protect privacy, in the interests of the State or its allies or to prevent in some other way disproportionate advantage or disadvantage to the natural or legal persons concerned or to third parties. No restriction can be imposed on the accessibility of archives of more than 75 years old, unless the Minister of Culture decides otherwise (or, in the case of records for which a repository other than a State repository is the designated place of custody, the Provincial Executive) decides otherwise. The authority responsible for a repository may lift restrictions or set them aside in respect of a particular applicant if the latters interest in consulting the records outweighs the interests served by the restrictions.’

In een toelichting op de site van de Rijksarchiefdienst staat over het bewaren, selecteren en toegankelijk maken van archieven: ‘De Rijksarchiefdienst verwerft tal van overheidsarchieven. Niet alle archieven die bij de overheid geproduceerd worden, worden echter bewaard. Alleen archieven die een cultuurhistorische waarde bezitten of van blijvend belang zijn voor recht- en bewijszoekenden of voor het historisch onderzoek worden verworven door de Rijksarchiefdienst. Het selecteren van archieven, dat wil zeggen het vernietigen van een gedeelte ervan, wordt verplicht gesteld door de Archiefwet en gebeurt op basis van een zorgvuldige en openbare procedure. Archiefselectie vindt plaats aan de hand van selectielijsten, waarop wordt aangegeven welke (categorieŽn) archiefbescheiden bewaard en welke vernietigd zullen worden. Dat vernietigen mag natuurlijk pas, als de gegevens niet meer van belang zijn voor de overheidsorganen of voor de recht- en bewijszoekende burger. De selectielijst geeft dan ook aan, hoe lang de te vernietigen archiefbescheiden minimaal bewaard moeten worden (vernietigingstermijn).’

Over de procedure staat in de toelichting: ‘De selectielijsten worden opgesteld door het overheidsorgaan dat zorg draagt voor de archieven, de zorgdrager [door mij archiefvormers genoemd, DR]. In ons land zijn er honderden zorgdragers. Voorbeelden zijn de ministeries, provincies en gemeenten maar ook de Hoge Colleges van Staat (b.v. Tweede Kamer, Raad van State) en de zelfstandige bestuursorganen (b.v. Staatsbosbeheer, Kadaster). Alle lijsten worden meermaals en door verschillende personen en instanties getoetst.’ Het KNHG zorgt voor deskundigen die de selectielijsten doorlichten. De bevindingen van deze deskundigen komen ter beschikking van de Rijksarchiefdienst. Bij de rijksarchieven hebben de selectielijsten de vorm van Basisselectiedocumenten (BSD’s) waarbij handelingen het uitgangspunt vormen en alnaargelang hun betekenis voor de reconstructie van het beleid in hoofdlijnen gewaardeerd worden.

De tekst van de ARAsite vervolgt met: ‘In de eerste plaats vindt er een "driehoeksoverleg" plaats. Hieraan nemen een vertegenwoordiger van de Algemene Rijksarchivaris en - van de kant van de zorgdrager - beleidsdeskundigen en deskundigen op het gebied van het archiefbeheer deel. Verder wordt de mening van een externe deskundige gevraagd over de waarde van de archiefbescheiden als onderdeel van het cultureel erfgoed.

Ook het publiek wordt betrokken bij de totstandkoming van de selectielijsten. Gedurende acht weken kan iedereen de lijsten inzien bij het Algemeen Rijksarchief, de rijksarchieven in de provincie, het ministerie van OCenW en de zorgdragers en hier op deze website. Deze terinzagelegging wordt aangekondigd in de Staatscourant, het Archievenblad, het Gele Katern van het OCenWeekblad en op deze website. Belangstellenden kunnen hun mening over de lijst schriftelijk kenbaar maken bij het Algemeen Rijksarchief.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen beschikt over een onafhankelijk adviesorgaan, de Raad voor Cultuur, aan wie hij - na de ter inzagelegging - elke selectielijst voorlegt. De ingekomen reacties van burgers worden samen met de lijsten naar de Raad Voor Cultuur [de RVC beschikt voor dit doel over een Commissie Archieven, DR] gestuurd.

Nadat de Raad Voor Cultuur zijn advies heeft uitgebracht, stelt de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen samen met de betrokken zorgdrager de lijst formeel vast. Het vaststellingsbesluit en de bijbehorende selectielijst worden in de Staatscourant gepubliceerd. Pas vanaf dat moment mag de archiefselectie daadwerkelijk uitgevoerd worden. Dit kan in eigen beheer geschieden of worden uitbesteed bijvoorbeeld bij Centrale Archiefselectie Dienst (CAS) in Winschoten. Deze Dienst is gespecialiseerd in het bewerken van archieven van de rijksoverheid. Een overzicht van de lijsten die in 2000 zijn gepubliceerd, vindt u op deze website.’ Naast de CAS bestaan er ook particuliere archiefselectiebureaus, zoals Doxis.

De Archiefwet van 1995 kent, anders dan zijn voorganger, een verplichting tot vernietiging. Deze maatregel is genomen om te bevorderen dat zorgdragers hun taak serieus nemen en periodiek en op tijd tot schoning overgaan, zodat onnodig ruimtebeslag wordt vermeden, maar gewaakt moet worden voor een te strakke interpretatie van deze regel. Deze wetsbepaling betekent niet dat altijd alles, wat vernietigbaar is, ook daadwerkelijk moet worden vernietigd. De nog te bespreken uitzonderingsbepaling van art. 23 van de WBP duidt al in een andere richting.

6. Persoonsdossiers

6.1 Selectie van persoonsdossiers

Er zijn verschillende momenten waarop over het vernietigen van persoonsdossiers wordt beslist. Voor alle organisaties gelden de op persoonsdossiers van toepassing zijn de wetten als de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (1995), Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (1996) en de Wet Bescherming Persoonsgegevens (2001). Deze zijn in principe maatgevend voor de vraag of dossiers bewaard kunnen blijven. Een organisatie kan met toestemming van de betrokkenen dossiers bewaren voor wetenschappelijk onderzoek. Als het gaat om niet meer levende personen bepaalt de organisatie of deze dossiers worden bewaard. Hoewel tegenwoordig alleen bewerkte archieven voor overbrenging in aanmerking komen, kunnen zich in archiefbewaarplaatsen nog niet of ten dele geordende archieven bevinden met daarin persoonsdossiers. Het is aan de organisaties of persoonsdossiers langer bewaard worden dan voor het directe belang van de organisatie noodzakelijk is. Er kunnen zich in de archiefbewaarplaatsen ook dossiers bevinden waarover nog besloten moet worden of ze vernietigd worden. Dit gebeurt in principe bij de overdracht. Daarnaast zijn er in de archiefbewaarplaatsen reeds niet-overheidsarchieven waarin zich persoonsdossiers bevinden.

 

6.2 De effecten van de WBP

De invoering van de WBP heeft gevolgen voor iedereen die te maken heeft met persoonsgegevens. In ‘Elke handeling telt’ schrijft Ketelaar ‘Waarschijnlijk per 1 september 2001 treedt de Wet bescherming persoonsgegevens in werking en wordt de Archiefwet 1995 met een nieuw artikel 2a aangevuld. De Wbp regelt niet, zoals de oude Wet persoonsregistraties, de registratie van persoonsgegevens, maar veel ruimer de verwerking ervan: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens. De wet geldt zowel voor de overheid als voor particulieren die persoonsgegevens verwerken. Een persoonsgegeven is elk gegeven dat een geÔdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreft; gegevens over overleden personen zijn geen persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De meeste persoonsgegevens in een archiefbewaarplaats zullen dan ook niet onder de Wbp vallen.’

‘Een zwart gat’ wijst op het gevaar dat archiefvormers en -beheerders uit de WBP opmaken dat alle persoonsgegevens vernietigd moeten worden zodra ze niet meer nodig zijn waarvoor ze zijn aangelegd (doelbinding). Ketelaar heeft in ‘Elke handeling telt’ uiteengezet wat de gevolgen zijn voor archiefbeheerders:

‘De Wbp vormt dus een inbreuk op het archiefwettelijke recht om archiefbescheiden voor n’importe welk doel te gebruiken. De archiefdienst moet de nodige voorzieningen treffen om te verzekeren dat de verwerking van persoonsgegevens uitsluitend geschiedt ten behoeve van historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. Bij die voorzieningen kan men aan een minimum- en een maximumoptie denken.

De maximum-optie is dat voor onderzoekers die persoonsgegevens aangaande levende personen willen raadplegen, een verklaring wordt opgesteld, waarin o.a. (zoals in de gebruikelijke onderzoekersverklaring inzake beperkt-openbare archieven) het doel van de raadpleging wordt opgenomen en de verplichting de verkregen gegevens slechts voor dat doel te gebruiken. Dat onderzoeksdoel komt niet in de plaats van het doel waarvoor de persoonsgegevens oorspronkelijk werden verkregen: bij iedere verdere verwerking is het nodig na te gaan of deze verenigbaar is met de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens oorspronkelijk zijn verkregen.

[…]Men kan, als minimum-optie, ook denken aan een uitdrukkelijke bepaling in het bezoekersreglement dat bezoekers eventuele gegevens betreffende nog levende personen uitsluitend mogen verwerken voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. Bij de registratie van de onderzoeker (of bij de afgifte van de bezoekerspas) laat men deze nadrukkelijk met zijn/haar handtekening bevestigen dat hij/zij eventuele gegevens betreffende nog levende personen uitsluitend zal verwerken voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden.’

Ketelaar wijst op de gevolgen van de WBP voor bijzondere persoonsgegevens: ‘de nieuwe aanduiding voor wat vroeger gevoelige gegevens heette […]. Het gaat hierbij om persoonsgegevens die iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven betreffen, evenals strafrechtelijke persoonsgegevens en die met betrekking tot het lidmaatschap van een vakvereniging’. ‘De verwerking van deze bijzondere persoonsgegevens is verboden behoudens de in de wet geregelde uitzonderingen. Zoals gezegd, ook het bewaren enz. valt onder verwerking. Ook beheer van dergelijke gegevens door een archiefdienst is dus niet geoorloofd; de wettelijke uitzondering is vervat in een nieuw artikel 2a van de Archiefwet 1995 […]. Het verbod tot verwerking van bijzondere persoonsgegevens wordt in de Wbp zelf genuanceerd. In de eerste plaats laat art. 23, eerste lid, verwerking van bijzondere gegevens toe indien de betrokkene uitdrukkelijke toestemming geeft. Dat wil zeggen: elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting – mondeling of schriftelijk - waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De bewijslast hiervan rust op degene die het doel van en de middelen voor de verwerking vaststelt.

Het tweede lid van art. 23 bepaalt dat verwerking van bijzondere gegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek is toegestaan voorzover:

  1. het onderzoek een algemeen belang dient. Mede omdat de memorie van toelichting bij de WBP een goed functionerend ‘geheugen van de overheid’ als een erkend publiek belang aanmerkt, zal veel archiefonderzoek worden geacht een algemeen belang te dienen. Kort geleden nog kwalificeerde de rechter "het algemeen belang van de samenleving bij kennisneming van de geschiedenis en dus bij de openbaarmaking van de resultaten van historisch onderzoek";

  2. de verwerking voor het betreffende onderzoek of de betreffende statistiek noodzakelijk is,

  3. het vragen van uitdrukkelijke toestemming onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost en

  4. bij de uitvoering is voorzien in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad. De MvT (blz. 127) stelt dat van het concrete geval afhangt, wat passende waarborgen zijn. "Te denken valt aan voorschriften met betrekking tot de toegang tot de gegevens, geheimhouding en de presentatie van de uitkomst van het onderzoek. Slechts bij historisch onderzoek zullen persoonsgegevens ook in de uitkomsten openbaar kunnen worden gemaakt. Toetsingsmaatstaf is steeds dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig mag worden geschaad."

Wil een archiefdienst de bijzondere persoonsgegevens die zij ingevolge art. 2a van de Archiefwet 1995 beheert, aan een onderzoeker ter beschikking stellen, dan is een toetsing van het onderzoek op de criteria a, b en c nodig en moet de dienst voorzien in de onder d bedoelde waarborgen (of moet zich ervan vergewist hebben dat de onderzoeker die waarborgen verschaft).’

DIVA heeft onderzoek gedaan naar de effecten van de invoering van de WBP voor de archiefbeheerders. Uit een enquÍte is duidelijk geworden dat ruim 70% van de archiefbeheerders aan het begin van 2002 de maatregelen die uit deze wet zouden moeten voortvloeien, nog niet hebben genomen. Er is grote behoefte aan landelijke coŲrdinatie met betrekking tot bestanden die onder de WBP vallen en er is behoefte aan een uniforme passage voor het bezoekersreglement. Op www.divakoepel.nl wordt aandacht besteed aan de effecten van de invoering van de WBP. Daarnaast zijn er zaken die in de praktijk pas naar voren komen. Het achterhalen van de vraag of iemand is overleden is bijvoorbeeld lastig, het achterhalen van de woonplaats van nog levende personen teneinde hun toestemming tot inzage te kunnen verkrijgen is nog lastiger.

Reeds overgebrachte, geheel openbare archieven kunnen persoonsgegevens bevatten, waarvan de openbaarheid alsnog beperkt moet gaan worden. Alle na ca. 1900 gevormde archieven zullen moeten worden doorzocht om te zien of zich hierin persoonsgegevens bevinden. De bestaande toegangen geven dit lang niet altijd aan. Als voorbeeld moge dienen de notulen van de Centrale Commissie Zelfstandigen over de jaren 1957-1971 die zijn opgenomen in de toegang tot het beleidsterrein Sociale zekerheid ten aanzien van de sociale voorzieningen 1940-1996. Deze notulen bestaan voornamelijk uit de bespreking van individuele gevallen waarin een verzoek om steun door een gemeente werd afgewezen. De Centrale Commissie die bestond uit vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en enkele departementen fungeerde als revisie-instantie. Met naam en toenaam passeren hier honderden ondernemers de revue en worden mededelingen gedaan over hun capaciteiten als ondernemer en hun persoonlijke situatie die verlening van steun al of niet rechtvaardigden. Het screenen van archieven op dit soort gegevens zal veel extra kosten voor de archiefdiensten met zich meebrengen.

 

6.3 Ervaringen met de steekproefmethode

Het vormen van steekproefbestanden, waarna het overige materiaal kan worden vernietigd, is een bruikbare methode waarover reeds eerder werd gesproken. In 1995 namen de Archiefcommissie van het KNHG en de Rijksarchiefdienst het initiatief om hierover een symposium te organiseren. Dit vond op 4 juni 1996 op de Katholieke Universiteit Nijmegen plaats. De toen gehouden voordrachten werden in 1997 onder de titel van "Steekproeven uit massale archiefbestanden ter wille van het historisch belang" gepubliceerd. In de inleiding van deze door prof. P.M.M. Klep geredigeerde bundel wordt gesteld dat er in Nederland tot dan toe niet veel ervaring bestond met steekproeven en dat in de opleiding van archivarissen weinig aandacht besteed werd aan de theoretische en methodische training met betrekking tot steekproeven. In de bundel worden de volgende voorbeelden van steekproeven uit massale archiefbestanden gegeven:

‘a. het cliŽntenarchief van de afdeling Geestelijke Gezondheidszorg van de GG&GD Amsterdam (J. van Oss m.m.v. R. Rutgers);

b. de steundossiers van de gemeentelijke sociale dienst te Amsterdam (1870 - 1995) (A. Knotter);

c. bouwvergunningen, meer in het bijzonder van dossiers betreffende gevallen van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Ch. Jeurgens en A. van der Valk);

d. dossiers van strafzaken (S. Faber en S. Buytendijk);

e. vreemdelingendossiers (L. Lucassen).’

De artikelen in de bundel geven een antwoord op de volgende vragen:

‘Hoe kan de steekproef het beste worden toegepast op dossierbestanden? Welke opties voor reductie zijn vanuit het oogpunt van het analytisch historisch onderzoeksbelang denkbaar en toepasbaar en vooral: welk onderzoeksperspectief ziet men dan?’ Uit de voorbeelden en de beschrijving van de gehanteerde methode blijkt welke methode bij welk soort bestand het beste kan worden toegepast. De bundel geeft in dat opzicht een praktisch handvat.

In het artikel over de gemeentelijke sociale dienst te Amsterdam worden mogelijke steekproefmethodes op een rij gezet. ‘Een steekproef dient een representatieve weergave van het oorspronkelijke bestand, de populatie, te vormen. De trekkingsmethode dient zodanig te zijn dat elk dossier evenveel kans heeft om getrokken te worden. Op basis van een steekproef kunnen statistische analyses gemaakt worden, die voor de gehele populatie gelden. Andere vormen van reductie noemen we - al of niet subjectieve - selectie. Deze hebben geen statistische geldigheid. Hieronder worden de meest gangbare reductiemethoden kort beschreven en beoordeeld op hun toepasbaarheid voor het GG&GD dossierbestand en het geschetste onderzoeksperspectief. Daarbij hoeft men niet voor ťťn methode te kiezen. Kluge adviseert om een mix van uiteenlopende selecties en steekproeven toe te passen.

a.

Volgens de zogenaamde 'fat file'-methode worden alleen dossiers boven een bepaalde dikte bewaard, met het idee dat hiermee de interessantste gevallen geselecteerd worden. Cook toont aan dat dit lang niet altijd het geval is. Los daarvan heeft een selectie op basis van deze methode geen enkele statistische waarde. Zij is daarom ongeschikt voor het geschetste onderzoeksperspectief.

b.

Met een individuele, subjectieve selectie is het mogelijk om dossiers van spraakmakende gevallen, karakteristieke personen of bijzondere objecten van vernietiging uit te zonderen. Deze methode zou heel geschikt zijn om een zuiver kwalitatieve analyse van de werkwijze van de GG&GD te maken. Een kwantitatieve onderbouwing is echter niet mogelijk. In het geschetste onderzoeksperspectief is een individuele benadering niet waarschijnlijk.

c.

Kluge pleit in zijn artikel voor het bewaren van zogenaamde 'klumpen' van dossiers: cohorten van ťťn regio, ťťn periode of ťťn categorie. Bijvoorbeeld een compleet jaar om de vijf kalenderjaren. Hiermee zijn geen statistisch verantwoorde uitspraken over het bestand als geheel te doen, maar wel over de gekozen regio, periode of categorie. Deze aanpak maakt comparatieve studies in de tijd, de ruimte en/of naar aspect mogelijk: dat zijn belangrijke vormen van wetenschappelijk onderzoek. Deze dwars- en langsdoorsneden en subselecties zijn - en dat is niet onbelangrijk - gemakkelijk en statistisch betrouwbaar te maken. Het dossierbestand moet dan wel eenvoudig in dergelijke cohorten op te splitsen zijn. Uit een alfabetisch geordend bestand bijvoorbeeld, kan men slechts met veel moeite chronologische of regionale cohorten selecteren. Met het GG&GD bestand zijn er categorieŽn (volwassenen, jeugd, geriatrie) en periodes af te scheiden.

d.

De validiteit van een steekproef waarbij alleen bepaalde beginletters bewaard worden (bijvoorbeeld de 'F'), wordt door Cook terecht betwijfeld. Wanneer het om personen gaat is de kans groot dat bepaalde etnische groeperingen, waarin namen met de gekozen beginletter nauwelijks voorkomen, niet in de steekproef zullen voorkomen.

e.

Een steekproef waarbij alleen dossiers waarvan de nummers op bepaalde cijfers eindigen getrokken worden, is voor het GG&GD-bestand niet bruikbaar . De nummering van de dossiers is namelijk niet doorlopend en bevat de nodige doublures en lacunes.

f.

Bij de random steekproefmethode is het doel een selectie te maken die statistisch representatief is voor een 'afgesloten' bestand van dossiers met een duidelijk begin- en eindpunt in de tijd. Hiertoe worden eerst alle dossiers genummerd. Daarna worden, bijvoorbeeld met behulp van een computer, willekeurige dossiernummers gegenereerd en getrokken. Dit is een vrij betrouwbare, maar tevens bewerkelijke methode. Nadeel

is dat er kans bestaat dat een bepaalde periode zeer veel getrokken dossiers bevat en een andere vrijwel geen (de zogenaamde 'missing pockets'). Chronologische langs- of dwarsdoorsneden zijn daardoor niet mogelijk. Om die redenen is deze methode voor het GG&GD bestand, in relatie met het geschetste onderzoeksperspectief, niet geschikt.

g.

Volgens de 'systematic random' steekproef wordt ieder Xte dossier uit de serie getrokken en bewaard. Het eerste cijfer wordt 'at random' gekozen. Afhankelijk van de ordening van het bestand is dit nagenoeg even betrouwbaar als de zuivere random steekproef. Het onderhavige dossierbestand is grotendeels chronologisch geordend. Dit betekent dat chronologische langs- of dwarsdoorsneden met een dergelijke steekproef goed te maken zijn. Zogenaamde 'missing pockets' (slecht gevulde jaren bijvoorbeeld) worden vermeden.

h.

Wanneer een bestand, zoals het onderhavige dossierbestand, uit gescheiden subbestanden bestaat, is een 'stratified systematic random' steekproef op zijn plaats. Van ieder subbestand wordt een aparte steekproef getrokken. Dit is noodzakelijk om te zorgen dat alle subbestanden vertegenwoordigd zijn. Daarnaast is het mogelijk om zelf categorieŽn (strata) te creŽren en van elk apart een steekproef te trekken. Dit laatste is met het GG&GD bestand niet aan te bevelen, omdat het onderscheiden van categorieŽn cliŽnten arbitrair en zeer tijdrovend is.’

Een vroeg, tot nu toe nauwelijks opgemerkt voorbeeld van steekproefbestanden zijn enkele categorieŽn van medische patiŽntendossiers in het archief van het Groot Ziekengasthuis te 's Hertogenbosch. Hier werden in de jaren 1985-1987 enkele steekproefbestanden gevormd, onder meer uit de dossiers van de afdeling Interne Geneeskunde van patiŽnten geboren voor 1900 (een aselecte steekproef, personen waarvan de achternaam begon met de letter B werden gelicht, de rest werd vernietigd) en uit de dossiers van de afdeling Chirurgie (periode 1950-1967, dossiers waren gebonden, vier van de 28 jaren werden bewaard). Deze selectie had de goedkeuring van de medische staf en de geneesheer-directeur van dit ziekenhuis. Het trekken van de steekproef bleek een tijdrovende zaak, omdat de vanaf 1924 aangelegde dossiers door elkaar waren geraakt en zij dus eerst geordend moesten worden. Achteraf bezien had men beter een ‘at random’ 1 op 10 of 1 op 20 steekproef kunnen nemen. De dossiers kunnen alleen geraadpleegd worden voor wetenschappelijk medisch of historisch onderzoek na toestemming van de medisch-verantwoordelijke in de Raad van Bestuur . Bij de overdracht van het ziekenhuisarchief aan het Stadsarchief 's Hertogenbosch in 1991 werd in de overeenkomst van inbruikleengeving een afzonderlijk artikel opgenomen dat de sterk beperkte openbaarheid van deze bestanden nogmaals vastlegde.

Volgens Klep blijkt uit de artikelen in de bundel dat de statistische steekproef ‘een zeer bruikbaar middel is om massale archiefbestanden te bewaren ter wille van bepaalde aspecten van historisch belang’.

De Historische Steekproef Nederlandse Bevolking (geleid door C.A. Mandemakers) is een project van het IISG dat door NWO wordt gefinancierd. Binnen dit project maakt men gebruik van de steekproefmethode, en heeft men kennis over de wetenschappelijke waarde en zaken als toegankelijkheid en privacybescherming. De door dit project gehanteerde methode is een a-selecte enkelvoudige steekproef met een verschillend percentage voor verschillende tijdvakken. ‘Dit komt neer op een totaalbestand van 77.000 personen. Dit aantal voldoet om statistisch verantwoorde uitspraken te kunnen doen voor subpopulaties van minimaal twee procent van de gedurende deze periode [1812-1922, DR] in Nederland geboren bevolking (in totaal ongeveer 14,5 miljoen personen). De opzet van dit project wordt thans aangepast aan de eisen die de WBP stelt.

In een rondvraag via e-mail is in het kader van dit rapport aan een aantal mensen gevraagd wat hun ervaring met Steekproeven anno 2002 is. Bij het selecteren van de archieven van organisaties van geestelijke volksgezondheid wordt bijvoorbeeld gebruikgemaakt van de Steekproef. Op grond van een voorstel van de Commissie Geschiedenis van de Psychiatrie en de GGZ van het Nederlands Centrum Geestelijke volksgezondheid, wordt daarbij de ‘1 op 10’ methode aanbevolen. Archivaris-coŲrdinator P. BŲschen van de Provincie Noord-Holland deelde mee dat ‘Speciaal voor de Provincie Noord-Holland in de bij KB vastgestelde Selectielijst voor archiefbescheiden van Provinciale Organen 2000 onder code 87 [is] bepaald dat de dossiers van psychiatrische patiŽnten bewaard blijven tot 110 jaar na de geboortedatum van een cliŽnt, met uitzondering van een statistisch valide steekproef van tien procent. Deze steekproefsgewijs te bewaren dossiers komen voor blijvende bewaring in aanmerking en zullen worden overgedragen aan het Rijksarchief in Noord-Holland’. De Provincie Noord-Holland is op dit moment bezig met het houden van een Steekproef in de archieven van de Psychiatrische Ziekenhuizen Santpoort en Duin en Bosch (ruim 50.000 dossiers). Bij dit project zijn ook niet-ambtelijke medewerkers betrokken die een verklaring van geheimhouding hebben ondertekend opgesteld op basis van de WBP 2001.

Voor het houden van de Steekproef is het in sommige gevallen noodzakelijk het archief opnieuw te ordenen. De gegevens worden veelal geanonimiseerd of er wordt toestemming aan de betrokkene gevraagd. Wat betreft de toegankelijkheid van de door middel van een Steekproef bewaarde archieven wordt de Archiefwet toegepast en na 110 jaar na de geboorte in principe toegang verleend. De onderzoeker tekent een verklaring omtrent anonimiteit van de persoonsgegevens.

Bij het vaststellen van BSD’s en andere selectielijsten wordt het van belang geacht om rekening te houden met de mogelijkheid van de steekproef. Historici zouden in dit kader kunnen worden betrokken bij het vooronderzoek om zo vast te stellen of zich in de archieven dossiers bevinden met uniek materiaal.

7. De rol van historici

De huidige procedure rond de vaststelling van BSD's wordt door de direct betrokkenen als omslachtig en tijdrovend ervaren. Er wordt dan ook gewerkt aan een nieuwe, vlottere procedure, waarbij men de historicus-deskundige een eigen plaats wil geven. Deze maakt, voordat het driehoeksoverleg van start gaat, op uitnodiging van de archiefdienst, waarnaar het betreffende archief moet worden overgebracht, een rapport over de geschiedenis van de archiefvormer. Aan de hand van de ontwikkeling in hoofdlijnen en de voornaamste gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan, moet deze analyse een koppeling leggen naar de archivalia die daar een neerslag van zijn en die derhalve in principe voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Dit rapport vormt de grondslag van het driehoeksoverleg en wordt als een bijlage toegevoegd aan het ter visie te leggen concept-BSD. Een groot voordeel van deze procedure is dat commentaar achteraf, wanneer het archief reeds is bewerkt, of interventies in een laat stadium, die vertragend werken en gemakkelijk voor irritatie zorgen, worden voorkomen. De archiefdienst maakt gebruik van al aanwezige expertise. Wij zouden ervoor willen pleiten dat de historicus-deskundige de expliciete opdracht krijgt om na te gaan of zich bestanden met persoonsdosssiers in het archief bevinden en zo ja, of deze bestanden dan ook informatie bevatten die voor de geschiedenis van de organisatie van cruciaal belang zijn. Het gaat daarbij vooral om dossiers van personen die een doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het beleid en om dossiers van personen voor wie de organisatie werkzaam was of op wie de dienstverlening zich richtte.

Alleen historici die veel ervaring hebben met onderzoek in twintigste-eeuwse archieven en die uitstekend thuis zijn in de geschiedenis van het domein waarbinnen de archiefvormer zich bewoog, zijn voor dit werk geschikt. Artikel 3 van het Archiefbesluit (1995) verzet zich niet tegen het op deze wijze inschakelen van een historicus-deskundige.

BSD's maken onderdeel uit van de PIVOT-methode en worden dus alleen gemaakt voor archieven van departementen en rijksdiensten. Deze methode kan echter evengoed worden toegepast bij andere selectielijsten en zelfs bij archieven van particuliere instellingen zoals ziekenhuizen.

Bij lagere overheden doet zich nog een ander probleem voor. Niet iedere gemeente hoeft een steekproef uit de cliŽntendossiers van sociale diensten te bewaren, een selectie van gemeenten die als representatief kan gelden voor het land is daarbij voldoende. Wie maakt echter uit welke gemeente daarvoor in aanmerking komt en wie vergoedt de extra kosten waarmee dit kleine aantal gemeenten wordt opgezadeld? Het meest voor de hand ligt het om deze taak toe te vertrouwen aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, een tweede keus is de Commissie Archieven van de Raad voor Cultuur. De VNG is een organisatie van de gemeenten zelf, de gemeentelijke autonomie is dus bij haar in goede handen, maar tot nu toe heeft zij zich maar weinig actief betoond op het terrein van het beheer van historische archieven. Wanneer coŲrdinatie uitblijft, ontstaat een onoverzichtelijke lappendeken of, erger nog, handelen straks alle historische studies over de wijze waarop sociale diensten in de twintigste eeuw hun taak uitvoerden over Amsterdam, waar de cliŽntendossiers bewaard zijn. Deze stad was (en is) echter niet representatief voor Nederland. Dit probleem is reeds in 1996 aan de orde gesteld door Ch. Jeurgens en A. van der Valk, maar sedertdien is het stil gebleven.

Tenslotte zouden wij er nog op willen wijzen dat er in de opleiding van historici meer aandacht moet komen voor kwesties rond het selecteren van archieven. Deze kunnen dan met meer kennis van zaken reageren op de selectiepraktijk, zodat vraag naar en aanbod van archieven in de toekomst beter op elkaar zullen zijn afgestemd.

 

 

8. Conclusies

  1. Persoonsdossiers kunnen voor wetenschappelijk onderzoek behouden blijven.

 

  1. De archiefbeherende instellingen en de wetenschappelijk onderzoekers moeten gezamenlijk een beleid vaststellen voor het bewaren van persoonsdossiers voor onderzoeksdoeleinden. De volgende elementen zouden daartoe kunnen bijdragen.

    • Een inventarisatie van de grote bestanden persoonsdossiers die zich in archiefbeherende instellingen bevinden. Vaststellen welke steekproefmethoden kunnen worden toegepast om tot een verantwoorde bewaring te komen.

    •  

      • Bij het opstellen van selectielijsten van nieuw overgebrachte archieven dienen historici in een vroeg stadium betrokken te worden. Zij dienen daarbij het belang van de persoonsdossiers in het oog te houden en te adviseren over een eventueel te gebruiken steekproefmethode.

  2.  

  3.  

  4.  

    •  

      • Het opstellen van een modelverklaring voor onderzoekers die gebruik willen maken van persoonsdossiers in archiefbeherende instellingen.

    •  

      • De ontwikkeling van de jurisprudentie rond de effecten van de WBP dient gevolgd te worden. Zo kan het beleid eensluidend en up-to-date gehouden worden.

    •  

      • Niet-overheidsorganisaties moeten overtuigd worden van het maatschappelijk belang van het bewaren van persoonsdossiers.

    •  

      • In opleidingen van historici dient meer aandacht te komen voor kwesties rond het selecteren van archieven. In de archiefopleidingen dient meer aandacht te komen voor steekproefmethodes.

    Verantwoording

    Literatuur:

    Archieven in de etalage, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, maart 2000

    DIVA Nieuwsbrief 31 (7 februari 2002)

    Faber, Sj. en G. Donker, Bijzonder gewoon. Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (1944-2000) en de ‘lichte gevallen’, (z.p. 2000)

    Kappelhof, A.C.M. e.a., ‘Een zwart gat in ons collectieve geheugen? Het belang van persoonsdossiers voor het wetenschappelijk onderzoek’ (interne notitie Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, 2001; zie de website: www.inghist.nl)

    Kappelhof, A.C.M. en J.P. de Valk, ‘Sociale verzekeringen en particuliere zorg (1901-1967)’

    (intern rapport Instituut voor Nederlandse Geschiedenis)

    Ketelaar, F.C.J., ‘Elke handeling telt. Archiefdiensten en de Wet Bescherming persoonsgegevens’, 6 aug. 2001

    Ketelaar, E., The Archival Image, (Hilversum 1997)

    Klep, Paul M.M. (red.), Steekproeven uit massale archiefbestanden ter wille van het historisch belang, (Den Haag, 1997)

    Prins, J.E.J.,‘De juridische implicaties van digitale informatievoorziening. Overheidsinformatisering en recht.’, Nederlands Archievenblad, april 2001, p. 14-17

    ‘Selectie en vernietiging van archiefmateriaal. Een discussie tussen archivarissen en historici’, in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 108 (1993), p. 722-785.

    Stichting Historische Steekproef Nederlandse Bevolking, Jaarverslag 1999

    Vries, H.H. de en D.J. Rutgers, Wet Bescherming Persoonsgegevens. Toepassing in arbeidsverhoudingen, (Deventer 2001)

    Tekst op de website van de Rijksarchiefdienst, d.d. 19-12-2001, http://www.archief.nl/rad/archiefselectie/selectie_onderzoek.htm

    Gesprekken gevoerd met:

    P. BŲschen, Archivaris-coŲrdinator Project Oud Archief Provincie Noord-Holland

    F.C.J. Ketelaar, Hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam in de leerstoel Boek-, Archief- en Informatiewetenschap en Algemeen Rijksarchivaris (1989-1997)

    Bas de Melker, Hoofd afd. Archief- en Collectiebeheer Gemeentearchief Amsterdam

    Richard van den Belt, medewerker inspectie Gemeentearchief Amsterdam

    Email-enquÍte:

    P. BŲschen, Archivaris-coŲrdinator Project Oud Archief Provincie Noord-Holland

    J. van Oss, Werkzaam bij het Utrechts Archief

    J. Vijselaar, Adviseur behoud patiŽntendossiers en onderzoeker naar patiŽntendossiers uit de periode 1890-1990

    Overige bronnen:

    Discussielijst DIVA, vraag van Hans Zwaanswijk d.d. 19 nov. 2001, de antwoorden daarop en zijn samenvatting daarvan.

    Telefonisch contact met Frans Hoving van DIVA.

    Telefonisch contact mw. C. Hillebrand van het College Bescherming Persoonsgegevens. Het College geeft voorlichting en controleert de naleving van de Wet Bescherming Persoonsgegevens.

    Bijlage 1

    Teksten van wettelijke bepalingen over privacybescherming versus wetenschappelijk onderzoek

    A. Wet Bescherming Persoonsgegevens (Staatsblad 2000, 302)

    Artikel 9

    1. Persoonsgegevens worden niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen.

    2. Bij de beoordeling of een verwerking onverenigbaar is als bedoeld in het eerste lid, houdt de verantwoordelijke in elk geval rekening met:

    a. de verwantschap tussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen;

    b. de aard van de betreffende gegevens;

    c. de gevolgen van de beoogde verwerking voor de betrokkene;

    d. de wijze waarop de gegevens zijn verkregen en

    e. de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen.

    3. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, wordt niet als onverenigbaar beschouwd, indien de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen teneinde te verzekeren dat de verdere verwerking uitsluitend geschiedt ten behoeve van deze specifieke doeleinden.

    [toelichting: dit is het z.g. doelbindingscriterium; zie ook de Europese richtlijn, art. 6]

    Artikel 10

    1. Persoonsgegevens worden niet langer bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren, dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt.

    2. Persoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan bepaald in het eerste lid voorzover ze voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard, en de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de desbetreffende gegevens uitsluitend voor deze specifieke doeleinden worden gebruikt.

    Artikel 16

    De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.

    artikel 17: over persoonsgegevens betreffende godsdienst of levensovertuiging

    artikel 18: over persoonsgegevens betreffende ras

    artikel 19: over persoonsgegevens betreffende politieke gezindheid

    artikel 20: over persoonsgegevens betreffende lidmaatschap van een vakbond

    artikel 21: over persoonsgegevens betreffende gezondheid

    artikel 22: over persoonsgegevens in relatie tot de toepassing van het strafrecht

    Artikel 23

    1. Onverminderd de artikelen 17 tot en met 22 is het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16, te verwerken niet van toepassing voorzover:

    ….

    e. dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij wet wordt bepaald dan wel het College ontheffing heeft verleend. Het College kan bij de verlening van ontheffing beperkingen en voorschriften opleggen.

    2. Het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 te verwerken ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek is niet van toepassing voorzover:

    a. het onderzoek een algemeen belang dient,

    b. de verwerking voor het betreffende onderzoek of de betreffende statistiek noodzakelijk is,

    c. het vragen van uitdrukkelijke toestemming onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost en

    d. bij de uitvoering is voorzien in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad.

    [toelichting: het College is het College Bescherming Persoonsgegevens. Dit is tegelijk met de inwerkingtreding van deze wet met zijn werkzaamheden begonnen en gevestigd in Den Haag. Het komt in de plaats van de oude Registratiekamer. Zie voor dit College de artikelen 51-64]]

    Artikel 27

    1. Een geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden bestemd is, wordt alvorens met de verwerking wordt aangevangen, gemeld bij het College of de functionaris.

    2. Een niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden bestemd is, wordt gemeld indien deze is onderworpen aan voorafgaand onderzoek.

    [toelichting: dit is de z.g. meldingsplicht]

    Artikel 29

    1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat daarbij aan te geven verwerkingen van gegevens waarbij de inbreuk op de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene onwaarschijnlijk is, zijn vrijgesteld van de melding, bedoeld in artikel 27

    [toelichting: deze AMvB is het z.g. Vrijstellingsbesluit; zie hierna]

    B. Vrijstellingsbesluit (Staatsblad 2001, 250)

    Paragraaf 7. Archieven en onderzoek

    Artikel 29 Archiefbestemming

    1. Artikel 27 [meldingsplicht] van de wet is niet van toepassing op verwerkingen die uitsluitend een archiefbestemming hebben, voorzover deze verwerkingen voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen.

    2. De verwerking geschiedt slechts voor:

    a. het archiefbeheer;

    b. het behandelen van geschillen;

    c. het verrichten van wetenschappelijk, statistisch of historisch onderzoek.

    ….

    5. De persoonsgegevens worden verwijderd zodra zij hun belang voor de archiefbestemming hebben verloren.

    Artikel 30 Wetenschappelijk onderzoek en statistiek

    1. Artikel 27 [meldingsplicht] van de wet is niet van toepassing op verwerkingen van organisaties voor wetenschappelijk onderzoek of statistiek die uitsluitend ten dienste staan van door hen te verrichten of verricht onderzoek, voorzover deze verwerkingen voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen.

    2. De verwerking geschiedt slechts voor het verzamelen, verwerken en controleren van de gegevens ten behoeve van een bepaald onderzoek of een bepaalde statistiek.

    3. Geen andere persoonsgegevens worden verwerkt dan:

    a. naam, voornaam, voorletters, titulatuur, geslacht, geboortedatum, adres, postcode, woonplaats, telefoonnummer en soortgelijke voor communicatie benodigde gegevens, alsmede bank- en girorekeningnummer van de betrokkene;

    ….

    5. De in het derde lid onder a. bedoelde persoonsgegevens, met uitzondering van geslacht, woonplaats en geboortejaar, worden verwijderd uiterlijk zes maanden nadat de in dat lid onder c. bedoelde gegevens omtrent de betrokkene zijn verkregen.

    C. Richtlijn 95/46 van EP en- Raad van 24 oktober 1995

    [toelichting uit: Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, nr. L 281 (Nederlandse tekst); de richtlijn vangt aan met 72 overwegingen, waarna de eigenlijke richtlijn volgt]

    Overweging 29

    Overwegende dat de latere verwerking van persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden in het algemeen niet wordt beschouwd als onverenigbaar met de doeleinden waarvoor zij eerder werden verzameld, mits de Lid-staten passende garanties bieden; dat deze garanties met name moeten voorkomen dat de gegevens worden gebruikt voor het nemen van maatregelen of besluiten die tegen een bepaalde persoon gericht zijn;

    Artikel 6, lid 1

    De Lid-Staten bepalen dat de persoonsgegevens:

    a) …

    b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verkregen en vervolgens niet worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wordt niet als onverenigbaar beschouwd, mits de Lid-Staten passende garanties bieden;

    ..

    e) in een vorm die het mogelijk maakt betrokkenen te identificeren, niet langer mogen worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is. De Lid-Staten voorzien in passende waarborgen voor persoonsgegevens die langer dan hiervoor bepaald voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard.

    Artikel 7

    [toelichting: dit artikel geeft aan in welke gevallen verwerking van persoonsgegevens mag geschieden]

    Artikel 8

    Verwerkingen die bijzondere categorieŽn gegevens betreffen

    1. De Lid-Staten …

    4. Mits passende waarborgen worden geboden, mogen de Lid-Staten om redenen van zwaarwegend algemeen belang bij nationale wet of bij een besluit van de toezichthoudende autoriteit nog andere afwijkingen naast die bedoeld in lid 2 vaststellen.

    Artikel 13

    Uitzonderingen en beperkingen

    1. De Lid-Staten …

    2. Mits er passende wettelijke garanties worden geboden, met name dat de gegevens niet zullen worden gebruikt om maatregelen of besluiten te treffen ten aanzien van een individuele betrokkene, mogen de Lid-Staten ingeval er duidelijk geen gevaar bestaat dat inbreuk wordt gepleegd op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, de in artikel 12 bedoelde rechten beperken [bedoeld zijn de rechten op toegang tot de persoonsgegevens] wanneer de gegevens uitsluitend met het oog op wetenschappelijk onderzoek worden verwerkt of slechts gedurende de periode die nodig is voor het opstellen van statistieken in de vorm van persoonlijke gegevens worden bewaard.

    Artikel 32 [onder de slotbepalingen]

    1. De Lid-Staten…

    2. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat verwerking die reeds bezig is op de datum waarop de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen in werking treden, binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf die datum wordt aangepast aan die bepalingen.

    3. In afwijking van lid 2 kunnen de Lid-Staten, behoudens passende waarborgen, bepalen dat gegevens die alleen voor historisch onderzoek worden opgeslagen, niet worden aangepast aan de artikelen 6, 7 en 8 van deze richtlijn.

    Bijlage 2

    Een voorbeeld van het toepassen van historisch onderzoek als argument voor het bewaren van persoonsdossiers in een brief aan de Staatssecretaris van Cultuur, van de Raad voor Cultuur, betreffende Actualisering selectielijst archiefbescheiden Beleidsterrein "Wetenschappelijk Onderwijs, openbare en bijzondere universiteiten":

    ‘Toepassing van de selectiedoelstelling en -criteria.

    Uit het verslag van het driehoeksoverleg blijkt, dat de selectiedoelstelling is toegepast in de versie, waarin ook rekening wordt gehouden met het aspect van het veiligstellen van de bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur. Met betrekking tot de aan die doelstelling gerelateerde selectiecriteria moet hij [= de Raad voor Cultuur] echter constateren, dat als zodanig de criteria zijn gebruikt, welke sedertdien zijn gewijzigd en omgezet in zes criteria. Hoewel deze criteria nog steeds niet formeel zijn vastgesteld, geldt in de praktijk de afspraak dat in het vervolg bij nieuwe handelingen of bij nieuw te waarderen handelingen alleen de nieuw geformuleerde selectiecriteria zullen worden toegepast. Gelet op de aard van het ontwerp in kwestie, te weten een actualisatie van een reeds eerder vastgestelde lijst, is de Raad echter bereid het hanteren van de oude selectiecriteria te billijken.

    Teneinde te voorkomen dat deze criteria ten aanzien van deze lijst nog verder zullen worden toegepast, volstaat hij thans met er op aan te dringen dat bij volgende actualisatie de gehele lijst aan de dan geldende criteria zal worden getoetst.

    De waardering van de in artikel 2 , eerste lid, onder d, van het Archiefbesluit 1995 bedoelde belangen.

    Ten aanzien van de feitelijke toepassing van de selectiedoelstelling en de daaraan gerelateerde selectiecriteria gaat de Raad er van uit, dat het administratieve belang, omvattende de aspecten 'verantwoording en bedrijfsvoering', in het driehoeksoverleg, waaraan ook door representanten van de zorgdrager is deelgenomen, genoegzaam is gewaardeerd. In gelijke zin neemt hij aan, dat ook met het belang van de recht- en bewijszoekenden voldoende rekening is gehouden.

    Voor wat betreft de waardering van het historisch belang conformeert de Raad zich aan de inbreng van de externe deskundige tijdens de totstandkoming van het ontwerp en de daarover bereikte overeenstemming. Verder ondersteunt de Raad diens verzoek om zo spoedig mogelijk te bezien hoe steekproefsgewijs bewaren van bepaalde typen bestanden in het belang van het historisch inzicht mogelijk is.

    Nadere beoordeling van de ontwerp-lijst

    In aansluiting op bovenstaande overwegingen en bevindingen heeft de Raad de verschillende onderdelen van de ontwerp-lijst bezien. In algemene zin kan de Raad instemmen met de lijst; deze geeft hem slechts aanleiding tot de navolgende opmerkingen.

    Handeling 20c

    Deze handeling heeft betrekking op het goedkeuren van universitaire jaarverslagen (inclusief de jaarrekeningen) en vanaf 1997 begrotingen. De neerslag van deze handeling wordt voor vernietiging voorgedragen. Bij deze waardering is afgeweken van het advies van de Werkgroep Universiteitsgeschiedenis met als argument dat de besluiten van deze handeling worden bewaard bij het College van Bestuur. De Raad veronderstelt dat de neerslag van bovengenoemde handeling uitgebreider informatie bevat over discussies binnen de Universiteitsraad, welke relevant kunnen zijn voor historisch onderzoek. Derhalve wil de Raad deze neerslag voor bewaring in aanmerking laten komen.

    Handeling 346

    Deze handeling heeft betrekking op het afgeven van verklaringen betreffende met goed gevolg afgelegde tentamens (OU). De externe deskundige heeft tijdens het driehoeksoverleg voorgesteld om, vanwege het belang van historisch onderzoek, de neerslag van deze handeling voor bewaring in aanmerking te laten komen. De andere betrokkenen vonden een termijn van honderd jaar ruimschoots voldoende voor onderzoek. De Raad constateert dat het belang van deze neerslag voor historisch onderzoek niet ter discussie staat. Hij ziet geen argument om de neerslag van deze handeling voor vernietiging aan te merken.

    Handeling 447-477

    Deze handelingen hebben betrekking op het uitvoeren van het vastgestelde arbeidsvoorwaarden- en personeelsbeleid (personeelsbeheer). Voorgesteld wordt om de neerslag van deze handelingen voor vernietiging in aanmerking te brengen. De Raad merkt op dat vanuit het belang van historisch onderzoek in ieder geval inzicht moet blijven bestaan in het verlenen van toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden (handeling 450) en, het vaststellen van opleidings- en begeleidingsplannen voor assistenten in opleiding (handeling 474). De neerslag van deze handelingen dient voor bewaring in aanmerking te komen omdat de eerste genoemde handeling veel inzicht kan verschaffen over de relatie tussen de universiteit en haar omgeving en de tweede over een kernfunctie, namelijk het opleiden van promovendi. Voor de neerslag van de overige handelingen dringt de Raad er op aan om nader te bezien of deze - geheel of gedeeltelijk - bewaard kunnen blijven vanuit het belang voor historisch onderzoek naar arbeidsvoorwaarden en personeelsbeleid. De ingebrachte argumenten om deze neerslag voor vernietiging in aanmerking te brengen: "de neerslag levert slechts een fragment van het beoogd inzicht op" en "het betreft geen kerntaak van de universiteiten", zijn voor de Raad niet overtuigend en bieden geen grondslag voor de uitgebrachte waardering.’

 

Project 292 Complot tegen de rechtstaat
Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie

389 De P.C.E. van Wijmen-norm. Wantrouwen past bij rechtspraak waar de Officier van Justitie, Advocaat-generaal of een rechter met twee petten opzit in de zittingzaal als voorbeeld van "onafhankelijke polderrechtspraak" in strijd met de Trias politica

Toelichting en onderbouwing. Het gevaar! Een Officier van Justitie met ook nog eens een politiepet op.
Wantrouwen past niet alleen bij de Officier van Justitie die met twee petten opzit in de zittingzaal maar ook bij Officieren van Justitie die zich als zogenaamde "crimefighters" proberen te profileren. Dit zijn de gevaarlijkste omdat zij proberen ook een (politie)pet erbij te krijgen. Opgerot met zulke figuren omdat zij met hun academische opleiding kennelijk niet meer in staat zijn om nog met gezond verstand te denken en het belang er niet meer van inzien om de opsporing aan de politie over te laten. Als de politie klaar is gaat de zaak naar het OM om daar een Officier van Justitie, zijnde een daarvoor door de belastingbetaler opgeleide jurist, de zaak te laten beoordelen zonder dat de vrijheid van meningsuiting van een Officier van Justitie in gevaar komt, omdat die zijn mening al gegeven heeft tijdens het politieonderzoek. Ik onderbouwing mijn stelling dus met een verwijzing naar de Trias politica (389) en het belang om machten te scheiden dus ook bij OM en politie.

Auteur: J. Hop

Bijgewerkt: 3 februari 2005.

Project 440  kan door kinderen en (groot)ouders gratis van internet gehaald en gebruikt worden als basis rechtbanktraining en als leidraad voor gesprekken met elkaar, de politie, advocaat en rechters. Kan als productie worden ingeleverd in iedere procedure waarin zij partij zijn.

Kennis(netwerk).

Via netwerken, systematisch en procedureel te werken feiten verzamelen om de kwaliteit van de informatie te verbeteren door kennis in ervaring om te zetten om die ervaringen weer in kennis om te zetten. Kennis en ervaring gratis op internet op een systematische manier registreren zodat deze informatie in onderlinge samenhang meer betekenis krijgt en gemakkelijk beschikbaar is voor alle andere burgers.

Het gevaar! De gebruikelijke manier van werken van wetenschappers die allerlei gesubsidieerde (deskundigen)rapporten produceren is werken op een onderdeel uit een vakgebied om vervolgens roem te vergaren. Het is een dodelijke manier van werken maar wel de gebruikelijke academische manier. Je specialiseert je op dat gebiedje, houdt rekening met de opdrachtgever en op den duur ben je de enige die daar op scoort. Deze manier van werken kenmerkt zich door werken vanuit een ivoren toren.

Het gevaar! De gebruikelijke manier van opleiden van studenten bij hogescholen en universiteiten is dat zij een studiebegeleider krijgen toegewezen. De student heeft rekening te houden met de mening van zijn/haar studiebegeleider. Een probleem kan zijn dat een student gedurende zijn opleiding met meerdere studiebegeleiders te maken kan krijgen, maanden moet wachten op een gesprek met zijn studiebegeleider(s), het mogelijk is dat de student de uitkomst van zijn opdracht gaat/moet wijzigen en zijn opdracht gaat toeschrijven naar de mening van zijn nieuwste studiebegeleider om zijn studie met een bul af te kunnen ronden.

De norm. De auteur van project 440 heeft zich vanaf 1994 niet alleen met het onderwerp omgang en gezag na scheiding bezig gehouden maar ook met allerlei andere onderwerpen. Gesprekken gevoerd met rechtbankpresidenten, advocatuur, Parlementsleden, media en gewone burgers. Bijeenkomsten bezocht van cliŽntenorganisaties. Acties gevoerd met andere burgers bij Raden van de Kinderbeschermingen en rechtbanken. Meegelopen in demonstraties en voor de deur van het Parlement een foldertje uitgedeeld om het Parlement te informeren wat er in Nederland gebeurt. Overal in Nederland klachtzaken gevoerd (als belangenbehartiger van klagende burgers) gevoerd tegen Raden voor de Kinderbescherming, jeugdzorg, rechtbanken, gemeentes, RIAGG's enz. omdat hij het inzicht had dat je systemen van binnenuit moet veranderen. Meegekeken met procedures die ouders aan het voeren waren en overleg gevoerd met die ouders. Veel gesprekken gevoerd met ouders en als geen ander weet hij wat het ook emotioneel betekent als ouders te maken hebben gekregen met advocatuur, jeugdzorg, kinderbescherming en rechterlijke macht. De auteur is niet op de gebruikelijke academische manier opgeleid en hoeft geen rekening te houden met een opdrachtgever. Integendeel hij wil niet gedwongen worden rekening te houden met de mening van bijvoorbeeld overheden en deze werkwijze is niet overal goed gevallen. Een hetze tegen de auteur waarbij de meest smerige praktijken toegepast werden kon dan ook niet uitblijven om hem als belangenbehartiger van gewone burgers uit te schakelen. Dit deskundigenrapport kan dus onafhankelijk worden genoemd omdat geen rekening is gehouden met opdrachtgevers en subsidies. Integendeel de auteur bewijsbaar tegen allerlei beroepsverboden en censuur is aangelopen omdat hij zijn onafhankelijkheid als belangenbehartiger van gewone burgers belangrijker vond dan centjes verdienen door geen klachten meer tegen overheden en hun handlangers in te dienen en niet meer procedureel en systematisch te werken.

Inzage. Dit rapport is gratis en voor iedereen op internet ter inzage zodat een ieder in staat wordt gesteld met zijn/haar reactie dit deskundigenrapport verder te ontwikkelen en te verbeteren. Dit rapport wordt dus regelmatig bijgewerkt.

Kritiek. Systematisch was er dezelfde kritiek op Hop "dat hij veel te negatief was". Hop kon daar goed tegen, pareerde kritiek steeds met een glimlach met norm 291, norm 251, norm 300,  norm 450, norm 51. Het bleef dan veelzeggend doodstil aan de overkant. Kennelijk schamen ze zich kapot in hun ivoren torens.

Rechtszaken en beroepsverboden tegen de auteur van project 440. Het kon dan ook niet uitblijven dat hij met zijn publicaties op internet steeds gevaarlijker werd voor de gesubsidieerde gevestigde orde die de dienst in Nederland probeert uit te maken en de elite steeds verder probeert te verrijken. Er zijn twee kort gedingen tegen hem gevoerd om hem te censureren. Overal in het land liep hij tegen beroepsverboden op omdat gewonnen zaken pijnlijk problemen bij overheden aan het bloot leggen waren. Al die tijd hadden veel van zijn tegenstanders niet in de gaten dat de manier waarop zij Hop probeerden aan te pakken alleen maar pijnlijk duidelijk maken hoe verrot het familierecht in Nederland eigenlijk is en hoe de overheid werkt om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat. 

Verzoek om bescherming. Op 11 september 2003 verzocht Hop expliciet om bescherming tegen de overheid en de rechterlijke macht bij de Minister-President. Op 10 november 2004 diende Hop een bezwaarschrift in tegen een beslissing van de Minister-President. Het is aan Hop nog niet bekend gemaakt op welke datum het bezwaarschrift van Hop is doorgestuurd naar de bezwaarschriftencommissie, wie er lid zijn van de commissie die dit bezwaarschrift van Hop gaat behandelen en op het bezwaarschrift gaat beslissen. Of hebben Balkenende c.s. al beslist dat dit bezwaarschrift in de doofpot gaat als voorbeeld van CDA normen en waarden?

Informanten. De auteur heeft nog steeds contact met (anonieme) informanten die hem attent maken op bepaalde zaken en documenten blijven toesturen en er wordt nog steeds meegekeken hoe bepaalde zaken ook in 2005 door de advocatuur, overheid, jeugdzorg, kinderbescherming en rechterlijke macht worden afgehandeld om project 440 wanneer en waar nodig actueel bij te werken.

Samengevat kan vastgesteld worden dat het project 440 is opgesteld door iemand die onafhankelijk is (niet gesubsidieerd) en een rijke ervaring heeft op dit gebied omdat hij van alles heeft meegemaakt. Het rapport is dus aantoonbaar niet geschreven door iemand vanuit een ivoren toren op de gebruikelijke academische manier.

Het onafhankelijke niet gesubsidieerde project 440 wordt u gratis aangeboden en zou niet tot stand zijn gekomen indien ik niet door veel medeburgers in mijn werk zou zijn gesteund. Ik hoop dan ook dat dit rapport een belangrijk naslagwerk en een leidraad gaat worden voor burgers die met het Openbaar Ministerie te maken krijgen. Een tegenwicht gaat vormen voor alle rapporten die op de gebruikelijke academische gesubsidieerde manier worden geproduceerd.

Visie.

Via netwerken, systematisch en procedureel te werken feiten verzamelen om de kwaliteit van de informatie te verbeteren en in ervaring om te zetten. Innovatief nadenken en hierover op internet publiceren zodat de beroepsgroep rechterlijke macht en advocatuur uitgenodigd worden om over de behandeling van burgers door het rechtersleger en de advocatuur na te denken. Deze professionele beroepsgroepen de aansluiting op nieuwe innovatieve ontwikkelingen niet missen door tunnelvisie. 

Gevaren en krachtenveldanalyse op basis van maatschappelijke realiteit

Het gevaar! Alleen als je zelf te maken hebt gekregen met de werkwijze van het rechtssysteem in Nederland dan begrijp je pas hoe je genaaid wordt door het rechtersleger. Het kan volgens mij dan ook niet anders dat het wantrouwen tegen de overheid en het rechtersleger blijft toenemen omdat het inmiddels zo erg is dat zelfs een kind begrijpt (185) (291) dat je door het rechtersleger genaaid wordt (450) en daar dus in ieder geval uit de buurt moet blijven. 

450 De G.P.M. van den Dungen norm. De rechtbank Zwolle heeft in een kort geding tegen J. Hop te Ermelo bepaald dat personen waartegen een klacht is ingediend WEL ZITTING KUNNEN HEBBEN IN DE KLACHTENCOMMISSIE DIE OVER DE TEGEN HEN INGEDIENDE KLACHTEN GAAT BESLISSEN en de heer Hop een dwangsom opgelegd van Dfl. 150.000,-- om te voorkomen dat hij opnieuw klachten gaat indienen op grond van artikel 48 Wet op de jeugdhulpverlening. Het mooie van zulke enorme dwangsommen is dat de beroepsgroep zelf actief meehelpt het wantrouwen van burgers tegen jeugdzorg en het rechtersleger alleen maar verder te vergroten omdat zelf een kind begrijpt dat hier een burger door de rechtspraak wordt genaaid. Direct begrijpt dat hij deze beroepsgroepen moet mijden als de pest. Het aantal zwerfjongeren zal daarom alleen maar blijven toenemen omdat het alternatief zwerven op straat nog altijd beter is dan in de klauwen van jeugdzorg en rechtersleger terechtkomen om opgesloten te worden in allerlei inrichtingen.

Het gevaar! In Nederland worden onafhankelijke producerende bedrijven en personen financieel uitgekleed en kapot gemaakt om de gesubsidieerde hulpverlening en de elite steeds verder te verrijken. Er worden dus steeds meer onafhankelijke producerende personen en bedrijven financieel uitgekleed en kapot gemaakt omdat burgers geld dat hen via het OM, rechtersleger en advocatuur afhandig wordt gemaakt niet meer bij deze onafhankelijke producerende personen en bedrijven kunnen besteden. Dit gevaar kenmerkt en etaleert zichzelf omdat steeds meer onafhankelijke producerende werknemers worden ontslagen en onafhankelijke producerende bedrijven worden gesloten. De auteur nodigt u uit na te denken over wat er om u heen gebeurt aan de hand van project 440 en rapport 185.

26 januari 2005. In Weert worden nu zelfs particuliere bewakingsdiensten ingezet om boetes uit te delen waarbij ik mij afvraag hoe ver de overheid met het innen van allerlei boetes kan gaan voordat burgers in Nederland eindelijk wakker worden en de uitgangsformule van de website Censuur in Nederland gaan begrijpen.

389 De P.C.E. van Wijmen-norm. Wantrouwen past bij rechtspraak waar de Officier van Justitie, Advocaat-generaal of een rechter met twee petten opzit in de zittingzaal als voorbeeld van "onafhankelijke polderrechtspraak" in strijd met de Trias politica

440 De Kuiper-norm. Ook worden er momenteel opnamen gemaakt op de snelwegen naar Amsterdam om te zien wie de hoofdstad binnenrijden. En daar is opmerkelijk veel mis mee zegt Kuiper. De hoofdcommissaris is zich er bewust van, dat zijn plan tegen de wet ingaat. 

Beleidsdoel

Een selectie maken uit feiten en inzichten waardoor de kwaliteit van dit deskundigenrapport verder vergroot wordt waardoor andere burgers betere informatie in meer ervaring en beter weerwerk tegen overheid, rechterlijke macht en advocatuur kunnen omzetten om hervormingen te bewerkstelligen.

Het gevaar komt uit het Parlement! 

 

Voorbeeld van het monitoren van (tele)communicatie in het Parlement

Informant Tweede Kamerlid Th.J.M. Hendriks: "Voorzitter W. Deetman heeft een bedenkelijke rol gespeeld, de griffie en het praesidium hebben alle fatsoensnormen overtreden"

Oorkonde voor open democratie voor oud Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal Th. J.M. Hendriks. Ruim drie jaar mochten wij ervaren hoe een onafhankelijk Kamerlid invulling gaf aan de functie van volksvertegenwoordiger zoals de grondwet die stelt. Wij danken danken hem voor zijn openheid en inzet.

Drs. M.C. Burhoven Jaspers    -    Ing. A.M.L. van Rooy    -    R.M. Brockhus    -    J. Hop

017 Oorkonde voor open democratie voor oud Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal Th. J.M. Hendriks
337 Hendriks: " voorzitter W. Deetman heeft een bedenkelijke rol gespeeld, de griffie en het praesidium hebben alle fatsoensnormen overtreden"
008 Kamervragen over (mogelijke) belangenverstrengeling bij de Raad voor de Kinderbescherming in de zaak Hop
048 Kamervragen van Hendriks over de dubbelfunctie Officier van Justitie tevens rechter-plaatsvervanger
268 Kamervragen van Hendriks over onderzoek Raad voor de Kinderbescherming in de zaak Gerben Rorije
328 Vragen Kamerlid Th.J.M. Hendriks aan Minister van Justitie over tegenwerking Hop bij inzage bijbanenregisters
329 Antwoord Minister van Justitie op kamervragen Hendriks inzake tegenwerking van Hop bij inzage bijbanenregisters

 

"De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen"
Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X van de overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304 

 

Project 389 OM-bijbanen met KB-informatie op internet

Geachte bezoeker van de website Censuur in Nederland. Beleefd verzoek ik u mij mee te helpen met het publiceren van OM-bijbanenregisters met KB-informatie op internet door ook een verzoek in te dienen om afschrift van een bijbanenregister of afschrift van Koninklijke Besluiten. Ik heb zo'n verzoek al voor u uitgewerkt en u hoeft alleen maar uw naam en e-mailadres in te vullen en op verzenden te klikken en uw verzoek ligt dan bij het OM. Zodra u de gevraagde gegevens heeft ontvangen kunt u ze misschien naar mij toesturen om mijn sites bij te werken. Ik stel mij zeer positief op en ga er op dit moment, 3 februari 2005,  nog steeds vanuit dat het OM uw verzoek keurig netjes zal afhandelen door uw verzoek door te sturen naar de persoon die over deze zaken gaat beslissen en dat u de naam en het emailadres van die persoon krijgt zodat een volgende burger direct zijn/haar verzoek bij die persoon per e-mail kan indienen. Communicatie tussen burger en overheid wordt verbeterd.

205 Tweede reactie Hop op E-mail 3 februari 2005 van de heer Zuilhof publieksvoorlichting Openbaar Ministerie inzake verzoeken van Hop
389 Eerste reactie Hop op E-mail 2 februari 2005 van de heer Zuilhof publieksvoorlichting Openbaar Ministerie inzake verzoeken van Hop

 

Politieke stellingname

Een verbod op de dubbelfunctie Officier van Justitie/rechter-plaatsvervanger.  

389 De P.C.E. van Wijmen-norm. Wantrouwen past bij rechtspraak waar de Officier van Justitie, Advocaat-generaal of een rechter met twee petten opzit in de zittingzaal als voorbeeld van "onafhankelijke polderrechtspraak" in strijd met de Trias politica

Toelichting en onderbouwing. Het gevaar! Een Officier van Justitie met ook nog eens een politiepet op.
Wantrouwen past niet alleen bij de Officier van Justitie die met twee petten opzit in de zittingzaal maar ook bij Officieren van Justitie die zich als zogenaamde "crimefighters" proberen te profileren. Deze figuren zijn bijzonder gevaarlijk omdat zij proberen nog een (politie)pet extra erbij te krijgen. Opgerot met zulke figuren omdat zij met hun academische opleiding kennelijk niet meer in staat zijn om nog met gezond verstand te denken en het belang er niet meer van inzien om de opsporing aan de politie over te laten. Als de politie klaar is gaat de zaak naar het OM om daar een Officier van Justitie, zijnde een daarvoor door de belastingbetaler opgeleide jurist, de zaak te laten beoordelen zonder dat de vrijheid van meningsuiting van een Officier van Justitie in gevaar komt, omdat die zijn mening al gegeven heeft tijdens het politieonderzoek. Ik onderbouwing mijn stelling dus met een verwijzing naar de Trias politica (389) en het belang om machten te scheiden dus ook bij OM en politie.

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 1

Het onder elkaar verdelen van baantjes door de elite.

Onderbouwing.

292 Minister van Justitie Mr. J.P.H. Donner  is een representatief voorbeeld van het verdelen van belangrijke baantjes door de elite als  zoon van A.M. Donner (24) lid Europees Hof van Justitie en als kleinzoon van J. Donner (24) minister en president Hoge Raad.

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 2

De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.
In Nederland worden onafhankelijke producerende bedrijven en personen financieel uitgekleed en kapot gemaakt om de gesubsidieerde hulpverlening en de elite steeds verder te verrijken". Met  een verborgen agenda kan een kleine groep van voorname mensen (elite) burgers in dit land hun wil opleggen. Zij  maken door het onder elkaar verdelen van vrijwel alle belangrijke posities bij overheden, bedrijfsleven, media en politiek hier feitelijk de dienst uit.

In Nederland worden onafhankelijke producerende bedrijven en personen financieel uitgekleed en kapot gemaakt om de gesubsidieerde hulpverlening en de elite steeds verder te verrijken".

Onderbouwing.

Project 383 Is Novacap tulpenfonds een voorbeeld van de startformule van de website Censuur in Nederland?
Novacap Floralis Termijnfonds 2004 cv, Novacap Termijnfonds Beheer B.V., Novacap Agricola B.V.

Soms is een zaak zo simpel maar maakt de rechtspraak er een bende van om de oplossing zo duur mogelijk te kunnen blijven verkopen door onafhankelijke producerende personen en bedrijven kapot te maken om de gesubsidieerde hulpverlening en de elite steeds verder te verrijken conform de startformule van de website Censuur in Nederland. Ik denk dan ook dat alle aandacht gericht moet worden op mijn startvraag en dit onderdeel tot op de bodem moet worden uitgezocht. J. Hop.

421 Het gevaar. Leo van Duijn, voormalig kweker uit Rijnsburg die een fortuin verdiende met zijn bollen, werd eerder dit jaar benaderd om te beleggen in het tulpenfonds. "Het rendement van ruim dertig procent deed me direct vermoeden dat het daar niet pluis zat. Daarom heb ik ze voorgesteld om mij slechts tien procent te geven en de rest van de opbrengst zelf te houden. In ruil daarvoor wilde ik echter wel een bankgarantie van ze hebben. Vervolgens heb ik er nooit meer iets van gehoord."
383 Het gevaar! Sassenheimse kweker en narcissenveredelaar W. Leenen. Nog geen dubbeltje zou hij steken in het tulpenfonds Novacap Floralis. ''Maar als bij mij iemand op de stoep staat en een miljoen voor een nieuwe narcis biedt, dan zeg ik natuurlijk ook geen nee.''

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 3

De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.
In Nederland worden onafhankelijke producerende bedrijven en personen financieel uitgekleed en kapot gemaakt om de gesubsidieerde hulpverlening en de elite steeds verder te verrijken". Met  een verborgen agenda kan een kleine groep van voorname mensen (elite) burgers in dit land hun wil opleggen. Zij  maken door het onder elkaar verdelen van vrijwel alle belangrijke posities bij overheden, bedrijfsleven, media en politiek hier feitelijk de dienst uit.

Met  een verborgen agenda kan een kleine groep van voorname mensen (elite) burgers in dit land hun wil opleggen. Zij  maken door het onder elkaar verdelen van vrijwel alle belangrijke posities bij overheden, bedrijfsleven, media en politiek hier feitelijk de dienst uit.

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 5

De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.
In Nederland worden onafhankelijke producerende bedrijven en personen financieel uitgekleed en kapot gemaakt om de gesubsidieerde hulpverlening en de elite steeds verder te verrijken". Met  een verborgen agenda kan een kleine groep van voorname mensen (elite) burgers in dit land hun wil opleggen. Zij  maken door het onder elkaar verdelen van vrijwel alle belangrijke posities bij overheden, bedrijfsleven, media en politiek hier feitelijk de dienst uitInzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 6

Trajectcontroles.

Het gevaar! Het doel van trajectcontrole is om burgers steeds beter en continu in de gaten te kunnen houden waarbij de privacy van burgers steeds verder wordt uitgehold. De staat zal steeds repressiever tegen burgers te keer gaan om burgers via boetes steeds verder uit te kleden om de oplossing trajectcontrole en allerlei andere systemen om burgers beter in de gaten te kunnen houden te financieren.

Het gevaar! In Nederland worden onafhankelijke producerende bedrijven en personen financieel uitgekleed en kapot gemaakt om de OM gesubsidieerde hulpverlening en de elite steeds verder te verrijken. Er worden dus steeds meer onafhankelijke producerende personen en bedrijven financieel uitgekleed en kapot gemaakt omdat burgers geld dat hen via het OM, rechtersleger en advocatuur afhandig wordt gemaakt niet meer bij deze onafhankelijke producerende personen en bedrijven kunnen besteden. Dit gevaar kenmerkt en etaleert zichzelf omdat steeds meer onafhankelijke producerende werknemers worden ontslagen en onafhankelijke producerende bedrijven worden gesloten. De auteur nodigt u uit na te denken over wat er om u heen gebeurt aan de hand van project 440 en rapport 185.

440 De Kuiper-norm. Trajectcontrole. Van iedereen worden opnamen gemaakt op snelwegen naar Amsterdam om te zien wie de hoofdstad binnenrijden. Amsterdamse hoofdcommissaris J. Kuiper: "De privacywetgeving is een schuilplaats voor het kwaad aan het worden. Als mensen zich onbekend en onbespied wanen, halen ze boevenstreken uit" ]Bron: Algemeen dagblad 221203. Amsterdamse hoofdcommissaris J. Kuiper wil burgerrechten afnemen. Van een onzer verslaggevers. Rotterdam. De Amsterdamse hoofdcommissaris J. Kuiper wil zware criminelen aanpakken door hun burgerrechten in te trekken. Criminelen die voortdurend ernstige misdrijven plegen, zouden hun paspoort en rijbewijs moeten inleveren. Criminelen willen in het donker opereren. Wij doen het licht aan. We moeten duidelijk maken wie het zijn, zodat bijvoorbeeld makelaars en notarissen weten dat ze geen zaken met deze personen kunnen doen zegt kuiper zaterdag in NRC Handelsblad. Volgens Kuiper moet de politie daders van misdrijven niet alleen opsporen, maar moet ze ook proberen om criminelen vooraf tegen te houden. Vorige maand gebruikte de politie deze aanpak al bij voetbalsupporters door herkenbare foto's van relschoppers op het internet te plaatsen. Daarmee wilde het korps duidelijk maken om wie het draait en hoopte het de daders sneller op te sporen. Ook worden er momenteel opnamen gemaakt op de snelwegen naar Amsterdam om te zien wie de hoofdstad binnenrijden. En daar is opmerkelijk veel mis mee zegt Kuiper. De vertrekkend hoofdcommissaris, hij houdt er volgend jaar mee op, is zich er bewust van, dat zijn plan tegen wet ingaat. De privacywetgeving is een schuilplaats voor het kwaad aan het worden. Als mensen zich onbekend en onbespied wanen, halen ze boevenstreken uit" De hoofdcommissaris zegt niet bang te zijn dat criminelen nog dieper in het illegale circuit terechtkomen als ze hun burgerrechten verliezen. Ze zitten al in die wereld. Het Ministerie van Justitie wil niet reageren op de plannen van Kuiper.

 

Als je je aan de snelheidslimiet houdt, is je privacy so wie so niet in het geding: de computer bewaart alleen de opnames van voertuigen die te hard hebben gereden

Het gevaar! Straling bij trajectcontroles.  Nederland is voor zover bekend wel het eerste land, waar tegelijkertijd zes verschillende systemen in gebruik worden genomen. Is de straling van de apparatuur van trajectcontrole gevaarlijk? Er wordt onderzocht of en in welke mate er sprake is van straling bij trajectcontrole. Als er al straling vrijkomt, dan moeten de bouwers ervoor zorgen dat die eventuele straling onder de wettelijk toegestane hoeveelheid ligt en niet schadelijk is voor de volksgezondheid.

Het Bureau Verkeershandhaving OM heeft vandaag haar handtekening gezet onder de contracten voor de bouw van zes nieuwe trajectcontrolesystemen. 29-07-2003 Het Bureau Verkeershandhaving OM heeft vandaag haar handtekening gezet onder de contracten voor de bouw van zes nieuwe trajectcontrolesystemen. Naar verwachting kunnen de nieuwe systemen in de loop van 2004 in gebruik worden genomen. Met de aanschaf van deze zes systemen is een bedrag gemoeid van zo’n drie miljoen euro. Via een Europese aanbestedingsprocedure zijn verschillende leveranciers uitgekozen om de nieuwe trajectcontrolesystemen te gaan bouwen. Hoe de systemen er precies uit gaan zien, is op dit moment nog niet bekend. De technische details en de planning worden dit najaar verder uitgewerkt.

Locaties. Het merendeel van de nieuwe trajectcontrolesystemen komt op vaste locaties te hangen. Daarbij is gekozen voor trajecten waar veel snelheidsgerelateerde ongevallen gebeuren en waar de uitstoot van schadelijke stoffen door verlaging van de snelheid aanzienlijk kan worden verminderd. Het gaat om de volgende trajecten:
- A2 tussen Maarssen en Breukelen, A4 tussen Hoofddorp en Nieuw Vennep, A12 tussen De Meern en Woerden,  N919 ter hoogte van Veenhuizen, Zeelandbrug in beide richtingen. Naast deze vaste trajectcontroles komt er ook een verplaatsbaar trajectcontrolesysteem. Die primeur is voor de politieregio Flevoland, waar op de lange, rechte polderwegen relatief veel eenzijdige letselongevallen gebeuren die door te hoge snelheid ernstig kunnen aflopen. 29/07/2003 - Vandaag is de eerste stap gezet om trajectcontrole op grotere schaal te gebruiken op de Nederlandse wegen: het Bureau Verkeershandhaving OM heeft de contracten ondertekend voor de bouw van zes nieuwe trajectcontrolesystemen. Naar verwachting kunnen ze in de loop van 2004 in gebruik worden genomen. Hoe de systemen er precies uit gaan zien, is op dit moment nog niet bekend. De technische details en de planning worden dit najaar verder uitgewerkt. Zodra er meer bekend is, lees je het in dit dossier.

Kenmerken trajectcontrole. Trajectcontrole is een relatief nieuwe manier om snelheden te meten en overtreders te bekeuren. Kenmerkend is dat de snelheid niet op ťťn punt wordt gemeten, maar dat het om de gemiddelde snelheid over een langere afstand gaat. Trajectcontrole werkt in principe zeven dagen per week en 24 uur per dag. De pakkans is 100%. Weggebruikers blijken zich met trajectcontrole goed aan de snelheidslimiet te houden: bij de trajectcontroles op de A13 (Overschie) en A1 (Deventer) blijkt dat hooguit zo’n 2 Š 3% van de passanten te hard rijdt. Door trajectcontrole worden de snelheidsverschillen tussen de weggebruikers kleiner. Het komt de verkeersveiligheid, de doorstroming van het verkeer en het milieu ten goede.

Techniek. Bij trajectcontrole hangen camera’s op verschillende punten langs de weg, die opnames maken van ieder passerend voertuig. Met deze beelden berekent een computer de gemiddelde snelheid. Ligt die hoger dan de maximumsnelheid, dan krijgt de weggebruiker een bekeuring thuis gestuurd. Als het systeem is ingeschakeld, is de pakkans 100%. Trajectcontrole is niet bedoeld als vervanging van de flitspalen, maar is een aanvulling op de bestaande controlemethoden (flitspalen, lasergun, mobiele radarapparatuur, videosurveillance etc.).

Najaar meer duidelijkheid. Met de aanschaf van de zes systemen is een bedrag gemoeid van zo’n drie miljoen euro. Via een Europese aanbestedingsprocedure zijn verschillende leveranciers uitgekozen om de nieuwe trajectcontrolesystemen te gaan bouwen. Hoe de systemen er precies uit gaan zien, is op dit moment nog niet bekend. De technische details en de planning worden dit najaar verder uitgewerkt. Waarom trajectcontrole? Waarom wordt trajectcontrole ingezet? Het voordeel van trajectcontrole is dat de snelheid niet op ťťn punt wordt gemeten, maar dat het om de gemiddelde snelheid over een langere afstand gaat. Daarnaast is het systeem efficiŽnt: het kost geen mankracht, er hoeven geen rolletjes verwisseld te worden en de pakkans is 100%. Met trajectcontrole kan zeven dagen per week en 24 uur per dag gecontroleerd worden. Overigens is trajectcontrole geen vervanging van de bestaande controles, maar een aanvulling. De politie blijft dus onverminderd controles houden met flitspalen, lasergun, mobiele radarapparatuur, videosurveillance etc.  Trajectcontrole levert zeker het nodige op aan boetes? Het gaat niet om de boetes. We zijn blij als iedereen zich aan de snelheid houdt, want dan is het systeem geslaagd in haar opzet: veiliger verkeer en betere doorstroming door kleinere snelheidsverschillen tussen de weggebruikers, en minder milieuschade. Overigens blijkt uit eerdere toepassing van trajectcontrole op de A13 (Overschie) en A1 (Deventer) dat het wel meevalt met de boetes: slechts 2 Š 3 % van de passanten rijdt te hard, de overige weggebruikers houden zich wel aan de maximumsnelheid. Wanneer verdwijnen de flitspalen? Trajectcontrole is geen vervanging van de flitspalen, het is een aanvullend instrument voor snelheidshandhaving. Wellicht dat op termijn op sommige plaatsen de flitspaal plaatsmaakt voor een trajectcontrolesysteem. Niet elke weg leent zich voor trajectcontrole (kruisend verkeer, veel bochten) en sommige verkeersonveilige situaties worden ter plaatse met een paal beveiligt (bijvoorbeeld een roodlichtcamera op kruispunten).  
 
Wordt Nederland uiteindelijk vol gezet met trajectcontroles? Nee, die kans is uitermate klein – de ‘gewone’ snelheidscontroles blijven gewoon bestaan. Maar het is wel waarschijnlijk dat het aantal trajectcontroles in de toekomst verder wordt uitgebreid. Wat zijn de voor- en nadelen van trajectcontrole? Een belangrijk voordeel is dat de snelheid niet op ťťn punt wordt gemeten, maar dat het om de gemiddelde snelheid over een langere afstand gaat. Veel mensen vinden trajectcontrole om die reden eerlijker dan bijvoorbeeld meting met behulp van een flitspaal. Daarnaast profiteren weggebruikers van een rustiger verkeersbeeld, doordat de onderlinge snelheidsverschillen kleiner worden. Dat moet leiden tot grotere verkeersveiligheid en een betere snelheid. Nadelen zijn er alleen voor de kleine groep hardrijders: als het systeem aanstaat, is de pakkans zeven dagen per week, 24 uur per dag 100%. Bij trajectcontrole valt de bekeuring vrij snel op de mat. Wordt trajectcontrole in het buitenland toegepast? Ja, in verschillende landen gebruikt men diverse trajectcontrolesystemen om snelheden te meten. Nederland is voor zover bekend wel het eerste land, waar tegelijkertijd zes verschillende systemen in gebruik worden genomen. Wat kost trajectcontrole? De aanschaf van de eerste zes trajectcontrolesystemen kost ongeveer drie miljoen euro. De opbrengsten van trajectcontrole zijn echter navenant: een bijdrage aan de verkeersveiligheid, een schoner milieu en een betere doorstroming.  Hoe werkt trajectcontrole? Trajectcontrole is een relatief nieuwe manier om snelheden te meten en overtreders te bekeuren. Kenmerkend is dat de snelheid niet op ťťn punt wordt gemeten, maar dat het om de gemiddelde snelheid over een langere afstand gaat. Op verschillende punten boven de weg hangen camera’s, die opnames maken van ieder passerend voertuig. Met deze beelden berekent een computer de gemiddelde snelheid. Ligt die hoger dan de maximumsnelheid, dan krijgt de weggebruiker een bekeuring thuis gestuurd. Werkt trajectcontrole altijd? Nee. Bij (vermoedens van) storingen wordt het systeem direct uitgeschakeld. Ook in de introductiefase staat de apparatuur niet altijd aan. Maar normaal gesproken is het de bedoeling om de apparatuur 24 uur per dag en 7 dagen per week operationeel te hebben. Wanneer het systeem aanstaat, is de pakkans 100%.  Staat trajectcontrole ook ’s nachts aan? Ja. Hoewel het ’s nachts en in de vroege ochtend rustig is op de weg, vinden juist tijdens de kleine uurtjes de ernstigste ongelukken plaats. Snelheid speelt daarbij een cruciale rol: elke kilometer harder betekent een langere remweg, een hogere botssnelheid en ernstiger letsel. Een andere reden voor nachtelijke snelheidscontroles is het milieu. Voor de uitstoot van schadelijke gassen maakt het nogal wat verschil of een auto 120 of 140 km/uur rijdt – en dat geldt ook ’s nachts. Verder is geluidsoverlast voor omwonenden een motivatie om ook op rustige tijden te controleren.  Hoe weet ik of het systeem aanstaat? Op dit moment worden verschillende systemen naast elkaar ontwikkeld. Bij sommige systemen zijn kleine “flitsjes” te zien wanneer een voertuig onder een portaal doorrijdt, bij andere systemen niet. Ook wanneer het systeem niet aanstaat, zijn deze flitsjes in voorkomende gevallen te zien. Je weet dus niet of het systeem aanstaat of niet – ook niet met een radardetector (verboden vanaf 1 oktober 2003). Werkt trajectcontrole ook als ik onderweg van rijstrook wissel? Ja, trajectcontrole herkent ook kentekens als ze van rijstrook zijn veranderd. Werkt trajectcontrole ook op de vluchtstrook? Ja, trajectcontrole werkt op alle rijstroken.  Werkt trajectcontrole ook voor motorrijders/bussen/vrachtwagens/auto’s met aanhanger? Ja. De meting van motorrijders verloopt hetzelfde als die van personenauto’s. Bij vrachtwagens, bussen en auto’s met aanhanger signaleert het systeem aan de hand van de afmetingen en/of het kenteken dat er een andere maximumsnelheid van toepassing is (max. 80 km/uur).  Ik ben weleens geflitst door trajectcontrole terwijl ik niet te hard reed (geen bon, trouwens). Hoe zit dat?
Bij trajectcontrole wordt op verschillende plekken van ieder passerend voertuig een opname gemaakt. Met deze beelden berekent een computer de gemiddelde snelheid. Als je je aan de maximumsnelheid hebt gehouden, worden de opnames direct gewist. Heb je te hard gereden, dan wordt de opname doorgestuurd en krijg je een bekeuring op de mat. Zorgt trajectcontrole voor extra reistijd? Nee. Wanneer alle weggebruikers zich aan de maximumsnelheid houden, zijn de onderlinge snelheidsverschillen kleiner. Daardoor is de doorstroming beter en is er minder kans op ongevallen. Hoe zit het met mijn privacy? Als je je aan de snelheidslimiet houdt, is je privacy so wie so niet in het geding: de computer bewaart alleen de opnames van voertuigen die te hard hebben gereden. De volgende stappen zijn precies hetzelfde als bij bijvoorbeeld flitspaalbekeuringen: je gegevens worden automatisch doorgestuurd en de kentekenhouder krijgt een bekeuring van het CJIB. Je privacy is dus niet meer of minder in het geding dan bij andere snelheidscontroles.
 
Het gaat niet om de boetes. Is het wel rechtmatig om mensen te beboeten op basis van gemiddelde snelheid? Ja, de Hoge Raad heeft bepaald dat trajectcontrole een wettig meetmiddel is (HR 26/01/1999, nr.108591).  Gelden de correctiemarges ook bij trajectcontrole? Ja. Net als bij alle andere vormen van snelheidscontroles, krijg je bij trajectcontrole een bekeuring als je meer dan 7 km/uur (limieten tot 100 km/uur) of 8 km/uur (limieten boven 100 km/uur) te hard rijdt. Bij het vaststellen van de boete wordt standaard een meetcorrectie aangebracht. Bij een gemeten snelheid van minder dan 100 km/uur bedraagt de correctie 3 kilometer; bij een snelheid van meer dan 100 km/uur is het 3% van de gemeten snelheid. Als je 57 km/uur hebt gereden, ontvang je dus een bekeuring voor 54 km/uur. Heb je 128 km/uur gereden, dan word je bekeurd voor 124 km/uur. Op de acceptgiro staat zowel de gemeten als de gecorrigeerde snelheid vermeld. Wie wordt er bekeurd bij trajectcontrole: de bestuurder of de kentekenhouder? Bij snelheidsoverschrijdingen van minder dan 30 km/uur (40 km/uur op autosnelwegen) moet de kentekenhouder de bekeuring betalen (Wet Mulder). Is de snelheidsoverschrijding nog groter, dan geldt het strafrecht en kan de kentekenhouder binnen 14 dagen bekendmaken wie de bestuurder was. Trajectcontrole levert zeker het nodige op aan boetes? Het gaat niet om de boetes. We zijn blij als iedereen zich aan de snelheid houdt, want dan is het systeem geslaagd in haar opzet: veiliger verkeer en betere doorstroming door kleinere snelheidsverschillen tussen de weggebruikers, en minder milieuschade. Overigens blijkt uit eerdere toepassing van trajectcontrole op de A13 (Overschie) en A1 (Deventer) dat het wel meevalt met de boetes: slechts 2 Š 3 % van de passanten rijdt te hard, de overige weggebruikers houden zich wel aan de maximumsnelheid.
 
Milieu & leefomgeving. Leiden de werkzaamheden die samenhangen met de invoering van trajectcontrole tot files? Nee, in principe niet. De werkzaamheden die nodig zijn, zullen in overleg met de wegbeheerder op rustige momenten worden uitgevoerd. Deze werkzaamheden zijn redelijk snel uit te voeren. Wat voor milieu-effecten heeft trajectcontrole? Trajectcontrole draagt bij aan een daling van de gemiddelde snelheid, waardoor de uitstoot van schadelijke stoffen afneemt en de geluidsoverlast wordt verminderd. Op de A13 heeft het tot goede resultaten geleid: in de woonwijk Overschie is de lucht vijf tot tien procent schoner geworden (overigens niet alleen dankzij trajectcontrole, ook is de snelheidslimiet verlaagd naar 80 km/uur). Is de straling van de apparatuur van trajectcontrole gevaarlijk? Er wordt onderzocht of en in welke mate er sprake is van straling bij trajectcontrole. Als er al straling vrijkomt, dan moeten de bouwers ervoor zorgen dat die eventuele straling onder de wettelijk toegestane hoeveelheid ligt en niet schadelijk is voor de volksgezondheid. Heeft de invoering van trajectcontrole op de A2 te maken met de discussie over geluidsoverlast in Maarssenbroek? Nee, dat is niet de hoofdreden. Het Bureau Verkeershandhaving OM heeft trajecten geselecteerd waar veel snelheidsgerelateerde ongevallen gebeuren en waar de uitstoot van schadelijke stoffen door verlaging van de snelheid aanzienlijk kan worden verminderd. Maar als het verkeer door trajectcontrole gemiddeld langzamer gaat rijden, wordt er ook minder geluid geproduceerd voor de bewoners van Maarssenbroek is dat een belangrijk voordeel.

 

Uitnodiging om na te denken

440 De Kuiper-norm. Trajectcontrole. Van iedereen worden opnamen gemaakt op snelwegen naar Amsterdam om te zien wie de hoofdstad binnenrijden.

tegen

440 Als je je aan de snelheidslimiet houdt, is je privacy sowieso niet in het geding: de computer bewaart alleen de opnames van voertuigen die te hard hebben gereden.

tegen

Het gevaar! Straling bij trajectcontroles.  Nederland is voor zover bekend wel het eerste land, waar tegelijkertijd zes verschillende systemen in gebruik worden genomen. Is de straling van de apparatuur van trajectcontrole gevaarlijk? Er wordt onderzocht of en in welke mate er sprake is van straling bij trajectcontrole. Als er al straling vrijkomt, dan moeten de bouwers ervoor zorgen dat die eventuele straling onder de wettelijk toegestane hoeveelheid ligt en niet schadelijk is voor de volksgezondheid.

 

Uitnodiging om na te denken

Trajectcontrole draagt bij aan een daling van de gemiddelde snelheid, waardoor de uitstoot van schadelijke stoffen afneemt

tegen

Hoeveel vuile lucht met schadelijke stoffen komt er vanuit het buitenland Nederland binnen drijven?

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 7

Het gevaar! Straling bij trajectcontroles.  Nederland is voor zover bekend wel het eerste land, waar tegelijkertijd zes verschillende systemen in gebruik worden genomen. Is de straling van de apparatuur van trajectcontrole gevaarlijk? Er wordt onderzocht of en in welke mate er sprake is van straling bij trajectcontrole. Als er al straling vrijkomt, dan moeten de bouwers ervoor zorgen dat die eventuele straling onder de wettelijk toegestane hoeveelheid ligt en niet schadelijk is voor de volksgezondheid.

Denkt u dat Donner c.s. ooit zullen toegeven indien straling afkomstig uit apparatuur van traject- en snelheidscontroles gevaarlijk is (geweest) en al die straling uit al die apparatuur bij elkaar is dat niet gevaarlijk?

Wat is straling, wat zijn de (verborgen) gevaren van straling?
Kunnen de economische belangen van de (elite achter de) overheid bij straling zo groot zijn dat inzicht in de gevaren van straling en kritiek op straling wordt onderdrukt? Heeft de (elite achter de) overheid een economisch belang om stralenontvangers die burgers waarschuwen voor straling te verbieden?

400 Is de straling uit magnetrons gevaarlijk? Indien neen, waarom mag je moedermelk dan niet opwarmen in een magnetron?

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 8

271 Omdat in crisissituaties over huiselijk geweld veelal zowel rekening moet worden gehouden met verdenking van strafbare feiten als met de mogelijkheid van een uithuisplaatsing, ligt het voor de hand dat de hulpofficier van justitie steeds contact opneemt met de officier van justitie.

Huiselijk geweld. ad stap 1 (signalering en risicotaxatie door de politie)
In de notitie, punt 6.1, wordt terecht aangegeven dat uithuisplaatsing niet in de plaats van het strafrecht komt. Gevallen waarin zowel verdenking bestaat van een strafbaar feit als reden is om een uithuisplaatsing te bevelen, zullen zich regelmatig voordoen. Het is gewenst dat hiervoor duidelijke criteria worden ontwikkeld.

Huiselijk geweld. ad stap 2: (Besluit door de hulpofficier van justitie)
De voorgestelde uithuisplaatsing is weliswaar een ordemaatregel en daarom een taak voor de politie, maar hangt nauw samen met de bevoegdheden van de officier van justitie op strafrechtelijk terrein. Omdat in crisissituaties over huiselijk geweld veelal zowel rekening moet worden gehouden met verdenking van strafbare feiten als met de mogelijkheid van een uithuisplaatsing, ligt het voor de hand dat de hulpofficier van justitie steeds contact opneemt met de officier van justitie. Naar de mening van de NVvR is het daarom praktisch, de beslissing over de opsporing van huiselijk geweld en die over de maatregel van uithuisplaatsing in ťťn hand te leggen en wel in die van de officier van justitie. Daarnaast acht de NVvR de voorgestelde maatregel van uithuisplaatsing zodanig ingrijpend dat de beslissing daarover op het niveau van de officier van justitie behoort te liggen.

Zie deskundigenrapport 185 Gratis onafhankelijk deskundigenrapport op internet over de positie van een vader in de Nederlandse rechtspraak inzake gezag, omgang en kinderontvoering na een scheiding.

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 9

Kinderontvoering.

Zie deskundigenrapport 185 Gratis onafhankelijk deskundigenrapport op internet over de positie van een vader in de Nederlandse rechtspraak inzake gezag, omgang en kinderontvoering na een scheiding.

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 10

Trucs van het Openbaar Ministerie om kritiek van buitenaf te onderdrukken.

Het gevaar! De overheid zet haar medewerkers aan om te sjoemelen en valsheid in geschrifte te plegen door met voorbedachte rade tegen medewerkers die als klokkenluider durven te fungeren een ontslagprocedure te starten wegens verstoorde verhoudingen

Onderbouwing.

109 De norm! "Voor iedere topcrimineel is het van 't grootste belang dat hij in de publiciteit niet in zijn ware gedaante wordt geportretteerd"
104 Het gevaar! De overheid zet haar medewerkers aan om te sjoemelen en valsheid in geschrifte te plegen door met voorbedachte rade tegen medewerkers die als klokkenluider durven te fungeren een ontslagprocedure te starten wegens verstoorde verhoudingen

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 11

Trucs van het Openbaar Ministerie om bewijsmateriaal te laten verdwijnen.

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 12

Trucs van het Openbaar Ministerie om toe te schrijven naar de conclusie

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 13

De (symbiotische) relatie tussen rechters en het Openbaar Ministerie I

Onderbouwing.

389 De P.C.E. van Wijmen-norm. Wantrouwen past bij rechtspraak waar de Officier van Justitie, Advocaat-generaal of een rechter met twee petten opzit in de zittingzaal als voorbeeld van "onafhankelijke polderrechtspraak" in strijd met de Trias politica

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 14

De (symbiotische) relatie tussen rechters en het Openbaar Ministerie II

Onderbouwing.

242 De relatie tussen het OM en de zittende magistratuur is best vertrouwelijk, bijna symbiotisch soms

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 15

De (symbiotische) relatie tussen de jeugdzorg en het Openbaar Ministerie

Onderbouwing.

450 De G.P.M. van den Dungen norm. De rechtbank Zwolle heeft in een kort geding tegen J. Hop te Ermelo bepaald dat personen waartegen een klacht is ingediend WEL ZITTING KUNNEN HEBBEN IN DE KLACHTENCOMMISSIE DIE OVER DE TEGEN HEN INGEDIENDE KLACHTEN GAAT BESLISSEN en de heer Hop een dwangsom opgelegd van Dfl. 150.000,-- om te voorkomen dat hij opnieuw klachten gaat indienen op grond van artikel 48 Wet op de jeugdhulpverlening. Het mooie van zulke enorme dwangsommen is dat de beroepsgroep zelf actief meehelpt het wantrouwen van burgers tegen jeugdzorg en het rechtersleger alleen maar verder te vergroten omdat zelf een kind begrijpt dat hier een burger door de rechtspraak wordt genaaid. Direct begrijpt dat hij deze beroepsgroepen moet mijden als de pest. Het aantal zwerfjongeren zal daarom alleen maar blijven toenemen omdat het alternatief zwerven op straat nog altijd beter is dan in de klauwen van jeugdzorg en rechtersleger terechtkomen om opgesloten te worden in allerlei inrichtingen.

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 16

De (symbiotische) relatie tussen de Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie

Onderbouwing 1.

156 proces-verbaal van aanhouding Politie IJsselland District Midden/Zwolle
Dossier paragraaf 012., Mutatienr: PL048/97-024675 

0p maandag 1003-97 16:40 uur werd door ons te Zwolle op/in de Groot Wezenland 29a, politiebureau, een persoon aangehouden, die opgaf te zijn: Zander, Joep, geboren op wonende Schoutenstraat 41. 7413 XA Deventer. De aanhouding werd verricht op grond van artikel 139 1 Wetboek van Strafrecht en vond plaats naar aanleiding van het volgende:

Citaten uit de PV:
Bij de dienstoverdracht vandaag maandag 10 maart 1997, te 15.00 uur, was ons reeds ambtshalve meegedeeld dat de verdachte vermoedelijk het politiebureau niet wenste te verlaten. Dit in verband met het doen van een aangifte tegen de Raad voor de Kinderbescherming. Hierover had inspecteur H. Oost, als zodanig hulpofficier van Justitie, reeds contact met hem gehad en hem gewezen op de onmogelijkheid daarvan.

Onderbouwing 2.

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 17

De (symbiotische) relatie tussen de Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie

Onderbouwing.

402 Rechtbank Alkmaar 211103. De rechterlijke macht is onpartijdig ZM en OM Alkmaar sluiten convenant af voor 2004

De Rechtbank en het Parket Alkmaar hebben in een convenant de productieafspraken voor 2004 vastgelegd. De rechtbank biedt het OM voor het komende jaar 159 zittingen van de meervoudige kamer, 196 zittingen van de enkelvoudige kamer en 42 zittingen van de kantonrechter aan. Rechtbank en parket hebben het volle vertrouwen in de afspraken in het convenant. Vorig jaar lukte het niet om tot overeenstemming te komen. Destijds waren er minder goede berekeningen beschikbaar. Veel tijd is nu gestoken in een grondige berekening van de behoefte aan strafzittingen die het OM voor 2004 verwacht en de capaciteit die de Rechtbank Alkmaar beschikbaar heeft. Nadere informatie Rechtbank Alkmaar, Sandre Douma, (072) 527 48 33.

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 18

DNA en tunnelvisie. Hoe betrouwbaar is DNA-bewijs?

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 19

DNA en tunnelvisie. De Puttense moordzaak

Kamervragen over vooringenomenheid bij (politie) onderzoek! Puttense moordzaak en paskamermoord 

Bron: Website Boris Dittrich. Wie kent de Puttense moordzaak niet? Twee zwagers die werden veroordeeld tot een lange gevangenisstraf wegens de moord op de stewardess Chrystel Lambrosius. Na vele juridische procedures werden ze uiteindelijk door de rechter vrijgesproken. Er was veel kritiek op het politie-onderzoek. De politie, onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie, had naar een bepaalde oplossing van de zaak toegeredeneerd. De zogenaamde tunnelvisie. Daar waren de beide zwagers de dupe van. Hetzelfde is gebeurd bij de man die wegens moord veroordeeld werd in de zaak van de Zaanse paskamer. Ook deze man werd later alsnog vrijgesproken. Ook hier is kritiek op de vooringenomenheid van het onderzoek.Je mag verwachten dat politie en justitie na deze twee gevoelige tikken op de vingers leren van gemaakte fouten. Dat besef lijkt niet te zijn doorgedrongen bij de baas van het Openbaar Ministerie. In een artikel schrijft hij onder de titel: Hoezo blunders? dat politie en justitie niets te verwijten valt. In zijn artikel geen woord over de vooringenomenheid tijdens het politie-onderzoek. Reden voor mij om de volgende schriftelijke vragen te stellen. Schriftelijke vragen van het lid Dittrich (D66) aan de minister van Justitie over het onderzoek van politie en justitie in de Puttense moordzaak en de zaak van de Zaanse paskamermoord. Datum : 12 juni 2002

Kent u het artikel “Hoezo blunders in de Puttense moordzaak?” van de voorzitter van het College van procureurs-generaal ? (* Opportuun van mei 2002) Onderschrijft u hetgeen daarin naar voren wordt gebracht? Waarom wordt er in het artikel met geen woord gerept over het gehanteerde opsporingsonderzoek?

Hoe beoordeelt u de wijze, waarop het opsporingsonderzoek in de Puttense moordzaak en in dat van de Zaanse paskamermoord heeft plaatsgevonden?

Deelt u de kritiek van o.a. oud-politiecommissaris Jan Blaauw dat de verhorende rechercheurs in beide zaken te veel naar een bepaald resultaat toe hebben geredeneerd en dat daardoor de waarheidsvinding in het gedrang is gekomen? Zo nee, waarom niet?

Op welke wijze wordt er door politie en justitie lering getrokken uit de vrijspraak die in beide zaken uiteindelijk heeft plaatsgevonden? Wordt er in de opleiding aandacht aan besteed?

Zijn u nog andere moordzaken bekend, waarin het tot een onherroepelijke veroordeling is gekomen en waarin de veroordeelde zich op het standpunt stelt dat het opsporingsonderzoek ernstige manco’s kent omdat er naar een bepaald resultaat is toegeredeneerd? Zo ja, is er aanleiding om in die zaken een second opinion te laten uitvoeren of door de procureur-generaal bij de Hoge Raad een herziening van de veroordeling te verzoeken?

In de Puttense moordzaak werd geen DNA geÔdentificeerd van Wilco Viets en Herman du Bois.

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 20

DNA en tunnelvisie in de zaak Rob van Zaane in de Zaanse Paskamermoordzaak.

De echte dader wordt later via DNA geÔdentificeerd.

 

Inzicht in de denk- en werkwijze van het Openbaar Ministerie 21

DNA en tunnelvisie in de zaak Ernest Louwes.

Het mes waarmee de moord zou zijn gepleegd en waaraan de geur van Louwes zou zitten blijkt het moordwapen niet te zijn.

Louwes werd toch veroordeeld omdat er aan het eind van de zaak ineens DNA van hem aangetroffen wordt op kleding van het slachtoffer.

Wordt vervolgd.

 

Informanten

292 Afluisteren, aftappen en monitoren van telecommunicatie

 

 

 

Auteur:  prof. dr. L.W.J.C. Huberts 
Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Sociaal-Culturele Wetenschappen, Vakgroep Politicologie en Bestuurskunde

Betrokkenen:  mr. D. Pijl (Directeur Rijksrecherche) en mr. P.M. Frielink (Officier van Justitie)

Inleiding
Corrupt zijn ambtenaren die iets doen of nalaten om vanwege het daarmee voor zichzelf verworven voordeel. Die omschrijving sluit aan bij de inhoud van de corruptieartikelen uit het Wetboek van Strafrecht (Art. 177, 362, 363 en 364 Sr). Daarin staat centraal dat een ambtenaar een gift, dienst of belofte aanneemt of vraagt om in zijn bediening iets te doen of na te laten. 
Strafbaar is zowel de ambtenaar die vraagt of aanneemt (Art. 362, 363 en 364 Sr) als de aanbieder van de gift, belofte of dienst (Art. 177 Sr). 
Een ambtenaar is "degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd teneinde een deel van de taak van de Staat of zijn organen te verrichten" (Hoge Raad, laatstelijk HR 30 mei 1995, NJ 1995, 620).
Ambtelijke corruptie is een vorm van integriteitsschending. Integriteit verwijst naar handelen overeenkomstig de daarvoor geldende morele normen en waarden, plichten en spelregels. Ethiek is het samenstel van waarden dat daaraan ten grondslag ligt.

 

Rijksrecherche:
De goede zaken beter doen

De instelling van de CoŲrdinatiecommissie Rijksrecherche (CCR) heeft binnen een jaar geleid tot een sterke daling van het aantal onderzoeken door de Rijksrecherche. De centrale sturing viel samen met een reorganisatie van de Rijksrecherche tot een slagvaardige en hoogwaardige opsporingsinstantie. Wanneer de regiopolitie evengoed in staat is een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek in te stellen zal de Rijksrecherche zich er niet mee bezighouden.

Sinds 1 februari 2001 worden Rijksrecherche-zaken scherper geselecteerd. Op een centraal punt besluit de CoŲrdinatiecommissie Rijksrecherche (CCR) aan de hand van strakke criteria over de inzet van de Rijksrecherche. Voordien deed de Rijksrecherche onderzoek in opdracht van het College van procureurs-generaal en op verzoek van hoofdofficieren van justitie. In de praktijk namen toen de vijf unithoofden de onderzoeken in. De CCR bestaat uit de portefeuillehouder Rijksrecherche binnen het College van procureurs-generaal (Joan de Wijkerslooth), de hoofdofficier van het Landelijk Parket (Marc van Erve) en de directeur Rijksrecherche (Dick Pijl). De CCR wordt bijgestaan door de coŲrdinerend officier van justitie Rijksrecherchezaken (Paul Frielink), die op het Landelijk Parket werkt. Hij is ook het dagelijks aanspreekpunt van de CCR.

Kritiek
Het jaar 2000 werd voor de Rijksrecherche gekenmerkt door scherpe kritiek. De Rijksrecherche wilde zich profileren als een hoogwaardige en onpartijdige onderzoek- en adviesorganisatie. De inzet richtte zich vooral op de exclusieve bestrijding van ernstige vormen van corruptie. Vanaf 1997 stond de Rijksrecherche voor de grote uitdaging aan haar tweede eeuw te beginnen. Niet-integer gedrag beschouwde de Rijksrecherche in haar missie als een minachting van de rechtsstaat en van degenen die daardoor beschermd worden.
De organisatie wilde essentieel en exclusief bijdragen aan het waarborgen van de integriteit van en het vertrouwen in de overheid. Onafhankelijk onderzoek moest de waarheid aan het licht brengen over (vermeend) strafbaar gedrag van ambtenaren.
De kritiek in 2000 was even lastig als nuttig, zegt Pijl in een terugblik. Een rapport over het functioneren van de Rijksrecherche legde in dat jaar de vinger op zere plekken. De pijn werd verzacht door de mededeling van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer dat 'vele en vaak gecompliceerde zaken, mede dankzij de hoge inzet door de medewerkers van de Rijksrecherche, tot een behoorlijk goede afronding worden gebracht'. Er was volgens de minister geen sprake van een zorgwekkende situatie. De kern van de kritiek richtte zich op onaanvaardbaar lange doorlooptijden van de onderzoeken, soms gebrek aan diepgang en gebrek aan doortastendheid. Een belangrijke oorzaak moest worden gezocht in een gebrek aan aansturing en een gebrek aan selectieve criteria om de Rijksrecherche in te zetten. De belangrijkste aanbeveling luidde: verbeter serieus de wijze waarop de Rijksrecherche door het Openbaar Ministerie wordt aangestuurd. Zo moest het Openbaar Ministerie volgens de kritische rapportage zorg dragen voor heldere onderzoeksopdrachten.

'Core business'
De sturing van het OM is tegenwoordig onmiskenbaar, zegt Pijl in de directiekamer van de Rijksrecherche in Tiel. Het is vrijdag, de vaste kantoordag van coŲrdinerend officier Frielink bij de Rijksrecherche. Wekelijks overleggen de officier van justitie, de directeur en het hoofd operationele zaken over het verloop van de onderzoeken. De centrale intake door de CCR heeft vorig jaar geleid tot een aanzienlijke daling van het aantal nieuwe onderzoeken. Werden in 2000 nog 180 nieuwe onderzoeken ingenomen, vorig jaar was dat aantal met ruim een derde verminderd tot 116.
'Onze 'core business' blijft het doen van onderzoeken', benadrukt Pijl. De versnipperde inzet van de Rijksrecherche in de tweede helft van de jaren negentig leidde volgens hem tot 'veel te veel onderzoeken, die wel eens te oppervlakkig werden gedaan'. De inname van onderzoeken door de CCR geeft de mogelijkheid de 'goede zaken' uit het aanbod te pikken. Pijl: 'Ons motto is nu: we doen de goede onderzoeken beter.'
Keerzijde van de scherpe selectie is volgens de directeur Rijksrecherche dat zijn organisatie weliswaar efficiŽnter wordt ingezet, maar niet meer kan pretenderen een echte anti-corruptiedienst te zijn. 'Waar het gaat om integriteit en corruptie is de 'marktpositie' van de Rijksrecherche afgenomen. De bestrijding van corruptie is met het van kracht worden van de Aanwijzing taken en inzet Rijksrecherche van februari 2002 niet langer exclusief het domein van de Rijksrecherche', stelt hij met lichte teleurstelling vast. 'Nu zijn we een van de spelers op het veld.' Wanneer de regiopolitie of een andere opsporingsdienst een onderzoek evengoed onafhankelijk en onpartijdig kan doen dan houdt de Rijksrecherche zich er niet meer mee bezig. 'Typische' Rijksrecherche-zaken zijn: strafbaar gedrag van (semi)ambtenaren dat echt de integriteit van de overheid raakt. Daarin is met de nieuwe aanwijzing geen verandering gekomen. Het gaat om opsporingsambtenaren, medewerkers van het Openbaar Ministerie, rechters en ook politiek en bestuurlijke ambtsdragers, zoals burgemeesters, gedeputeerden en kamerleden. Tegen hen moet dan de verdenking bestaan van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien moet de verdenking te maken hebben met de functie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan corruptie, het opmaken van een vals proces-verbaal of het verduisteren van in beslag genomen goederen. Verder is een typische zaak: vuurwapengebruik door opsporingsambtenaren met dodelijke afloop of lichamelijk letsel tot gevolg en andere confrontaties met opsporingsambtenaren, bijvoorbeeld dodelijke verkeersongelukken met dienstvoertuigen. Ook wanneer een aangehouden verdachte tijdens het vervoer naar het politiebureau overlijdt of zwaar lichamelijk letsel oploopt, stelt de Rijksrecherche een onderzoek in.
Behalve deze 'moet'-zaken is er een categorie 'kan'-zaken, bijvoorbeeld een 'kale'- schending van het ambtsgeheim of de mishandeling van een vreemdeling op de vliegtuigtrap tijdens een uitzettingsprocedure.
Het is denkbaar dat het door een hoofdagent doorgeven van informatie uit BPS niet wordt onderzocht door de Rijksrecherche, maar door het bureau interne onderzoeken van een regiokorps. Maar wanneer de gelekte informatie actueel en gevoelig is en een lopend onderzoek frustreert, ligt inzet van de Rijksrecherche weer wel voor de hand. Winkeldiefstal en mishandeling in de privť-sfeer door ambtenaren zijn voorbeelden van zaken die in principe niet door de Rijksrecherche worden onderzocht.

Overzicht
Om ervoor te zorgen dat de CCR een goed overzicht heeft van het potentiŽle werkaanbod van de Rijksrecherche, geldt binnen het OM een meldplicht. Dat werkt nog niet echt goed, zeggen Frielink en Pijl. Directeur Pijl: 'De ingevoerde meldplicht van de arrondissementsparketten aan de CRR van functioneel door ambtenaren gepleegde misdrijven wordt onvoldoende nageleefd.' Frielink vult ontstemd aan: 'Er zijn arrondissementsparketten die vrijwel niets melden. Je voelt op je klompen aan dat niet kan kloppen. Door naleving van de meldplicht kun je op eenvoudige wijze op een centraal punt inzicht verkrijgen in de integriteit van ambtelijk Nederland. En dat is pure winst.'
Het moet Pijl van het hart dat hem het verlies van een eigen competentie van de Rijksrecherche niet lekker zit. Want nu zowel de regiopolitie als de Rijksrecherche onderzoek doen naar corruptie heeft volgens hem niemand nog een betrouwbaar beeld van schendingen van de integriteit van de overheid in Nederland. Frielink reageert daarop laconiek. Tussen de officier van justitie en de directeur van de Rijksrecherche ontstaat een prettig uitgesponnen verschil van mening. 'Vroeger', zegt Pijl hadden wij meer onze voelhorens in het land. Nu zijn we afhankelijk van het lokale OM of iets via de CCR wel of niet bij ons komt. Het lokaal bestuur, zo is de ervaring, wil nog wel eens een particulier onderzoeksbureau inschakelen om als werkgever een vermeende schending van integriteit af te doen. Het enthousiasme om de Rijksrecherche op te zoeken is wisselend. Voor de instelling van de CCR gingen wij zelf op zoek naar corruptie. Zo ontstond een beeld en verkregen wij inzicht, ook omdat we onze voelhorens bij de regiopolitie hadden.'
De reactie van Frielink is wat schouderophalend: 'Denk je nu echt dat je toen een beter beeld had van corruptie? Ook toen was het beeld bedroevend. Er waren weliswaar meer zaken, maar ook die gaven geen betrouwbaar beeld van de corruptie in Nederland.' Pijl geeft zich niet gewonnen: 'We zetten nu mensen op onderzoeken, die we zo goed en zo efficiŽnt mogelijk willen doen, maar het antwoord op het beeld dat we van corruptie hebben wordt steeds bleker. Niemand weet hoe erg het is gesteld met de corruptie in Nederland.'

 

OP BEZOEK BIJ MR. HANS VOS DIE CRIMINELEN UIT DE CEL HOUDT

Eddy de Kroes, de voormalige topman van de slagerijketen ‘De Vleeschmeesters’, zal het worst wezen hoe vaak hij nog wegens fraude wordt veroordeeld. Hij beschikt immers over een persoonlijk door officier van Justitie mr. H.M. Vos ondertekend ‘vrijwaringsbewijs’, op grond waarvan hij de gevangenisstraf waartoe hij tot drie keer toe veroordeeld is niet hoeft uit te zitten. Vos is momenteel directeur van de Dienst Prisma van het ministerie van Justitie dat als kerntaak heeft ‘Het effectief prikkelen van rechterlijke organisaties tot continue verbeteringen’. De internetsite www.prismaweb.nl spreekt in dit verband over ‘prismaproducten’ en over ‘klantwaarderingsonderzoeken’.

Merkwaardig genoeg is het nog niet bekend of ook het product ‘vrijwaringsbewijs voor detentie’ bij Prisma te koop is. Laat staan dat Justitie een duidelijk prijsbeleid voert met betrekking tot dit commercieel zeer interessante product dat vooral kapitaalkrachtige doelgroepen zal aanspreken en zeker tot een verhoogde klantenwaardering zal leiden. Dat het bewuste stuk nergens in ons wetboek van Strafvordering voorkomt en een fantasieproduct is dat is ontsproten aan het brein van een waarschijnlijk corrupte officier, ach, wat zou dat?

Media die contact opnamen met de Dienst Prisma kregen maandenlang te horen, dat de heer Vos ‘met vakantie is’. Klokkenluideronline liet het er niet bij zitten en toog naar Prismagebouw aan de Regentesselaan 2 te Amersfoort voor nader onderzoek, iets wat de reguliere media niet kunnen of niet durven, spreekbuis als ze zijn geworden van Justitie en overheid. Als vermeende sollicitant wist onze verslaggever het zwaar beveiligde gebouw binnen te dringen. Dat was relatief eenvoudig, want er melden zich de laatste tijd nogal wat sollicitanten bij Prisma. Vermoedelijk heeft dat te maken het genereuze vakantiebeleid van de dienst. De simpele vraag of directeur Vos toevallig al terug is van vakantie, bleek voldoende om iedere Prisma medewerker volledig op tilt te laten springen. Laat staan dat men de vraag wilde beantwoorden of de ‘vrijwaringsbewijzen’ tegen gevangenisstraf onder een legesbesluit vallen of dat de prijsvorming aan individuele officieren van Justitie wordt overgelaten. Weinig verassend: het complete Prisma- personeel blijkt een spreekverbod opgelegd te hebben gekregen in de affaire Vos-Eddy de Kroes. …ťn medewerker verklaart buiten op de parkeerplaats, dat Hans Vos niet eens is geschorst en zijn werk -het bedrijfsmatiger laten werken van rechterlijke organisaties- inmiddels heeft hervat. “Ik schaam me helemaal kapot” aldus de medewerker, die er vervolgens vandoor ging alsof het complete cliŽntenbestand van Justitie achter hem aan zat. Namens het OM bevestigt woordvoerder A. van het Erve dat Vos weer aan het werk is. "De Rijksrecherche doet thans onderzoek naar de hele gang van zaken rond de executie van de srtaf van De Kroes. Vos is in dat onderzoek geen verdachte." Het onderzoek wordt geleid door Paul Frielink, OvJ Rijksrecherche.

 

 

Opportuun september 2004 door Auteur: Miek Smilde

'De relatie tussen het OM en de zittende magistratuur is best vertrouwelijk, bijna symbiotisch soms.

Rechters houden zich meer dan vroeger aan hun toetsende taak, constateert jeugdrechter Romke de Vries. 'Ook al levert dat soms uitspraken op die de samenleving, en het Openbaar Ministerie niet zinnen.' Het is daarom goed dat de kinderrechter meer op afstand is komen te staan. 'Iedereen, maar zeker jeugdigen die nog gevormd moeten worden, moeten erop kunnen vertrouwen dat de rechter onafhankelijk recht spreekt.'

Grauwe wolken pakken zich samen boven de Parnassusweg. De vaal witte torens van de Amsterdamse rechtbank steken fel af tegen de lucht. Voor toren A klit een groep verregende antiglobalisten samen, camera's draaien, twee journalisten interviewen een advocate in de hal. Niemand kijkt er meer van op.
Romke de Vries stapt de lift uit, zijn hond Orly leidt hem naar zijn kamer op de negende etage die uitkijkt op de A10 richting Den Haag. Metersdikke rijen stilstaand blik op wielen. De Vries heeft er geen last van. Hij woont lekker buiten de stad.
Sinds een paar jaar is De Vries - voor de tweede keer in zijn carriŤre - werkzaam als kinderrechter in de hoofdstad. Die liefde voor het jeugdrecht stamt al uit zijn opleidingstijd als raio. Niet dat hij altijd rechter wilde worden. Economie, wiskunde en psychologie waren de vakken die hem aanvankelijk boeiden. Maar zijn visuele handicap dwong hem tot het maken van keuzes. 'Ik voorzag dat ik met economie en psychologie problemen zou krijgen met het cijferwerk. Bovendien moet een psycholoog kunnen observeren, en dat was voor mij toch moeilijk. Wiskunde vond ik boeiend, spannend, ik kon het ook wel aardig. Maar ik was bang dat ik snel geÔsoleerd zou raken. Rechten leek een goed alternatief.' Hij studeerde in Utrecht tussen 1967 en 1973. Daarna wilde hij eigenlijk Europa helpen hervormen. 'Mijn toenmalige verloofde, thans echtgenote, en ik gingen daarom een keer naar Brussel om te kijken of het iets was. Maar het bleek daar zo ambtelijk te werken, dat ik al snel weer wegwilde.' Iemand in zijn omgeving opperde een baan in de rechterlijke macht, bijvoorbeeld als griffier. 'Dan kon ik alles horen en opschrijven, dat leek een haalbare kaart.' Maar eigenlijk wilde hij net iets meer, en solliciteerde als raio. 'Dat was nog niet zo eenvoudig', herinnert de rechter zich.
'Computers waren er nog niet, en al het materiaal moest dus worden voorgelezen.' Tijdens zijn verplichte stage bij het Openbaar Ministerie werd zijn interesse voor de jeugd gewekt. De Vries zag in hoe belangrijk het is om jonge delinquenten niet alleen te straffen, maar ook te proberen hun gedrag te beÔnvloeden. 'Veel van de jongens die voor mij verschijnen, staan nog niet eens in de grondverf. Ze moeten nog helemaal afgelakt en gepolijst worden. Hun gezin en de omgeving waarin zij opgroeien, zijn wezenlijke factoren waar je niet omheen kan. Om hen een positief toekomstperspectief te geven moet je meer bieden dan straf alleen.'

Gewelddadig
Het klinkt idealistisch uit de mond van een rechter die dagelijks te maken heeft met jonge daders die de meest vreselijke rottigheid uithalen. De tijd dat jongens die een beetje met een scooter hadden gerommeld aan hem werden voorgeleid, is voorbij. Nu krijgt hij plegers en voorbereiders van roofovervallen te zien, pubers die met vuurwapens, messen en veel geweld stelen en bedreigen. Het percentage allochtone jongeren dat crimineel gedrag vertoont is enorm toegenomen. 'Helaas.' De sfeer is grimmiger, vindt De Vries, en dat keiharde ontkennen is ook iets dat duidelijk is veranderd ten opzichte van twintig jaar geleden. 'Maar dat is cultureel bepaald, ik kan daar niet eens meer boos over worden. De criminele jongeren van tegenwoordig weten heel goed wat hun rechten zijn, ze kennen de beperkingen van het recht en de instituties en doen daar zo veel mogelijk hun voordeel mee. Veel internaten zijn dichtgegaan, het is moeilijk om jongeren ergens te plaatsen.' Toch wil hij niet meehuilen met de wolven in het bos. Ja, de samenleving is gewelddadiger geworden, de sfeer is verre van gemoedelijk, en het zijn ook vaak rotjongens die hij moet berechten. 'Maar ik trek mij op aan de meerderheid van de gevallen met wie het uiteindelijk goed gaat. Dat handjevol jongens dat blijft recidiveren en bewust kiest voor een criminele carriŤre is niet exemplarisch voor de grote groep. Gevoelsmatig weet ik dat de harde kern niet meer is dan een kern.' Zelfs het relatief hoge percentage allochtone jongeren dat crimineel is, wil hij graag nuanceren. 'Op namen moet je je niet verkijken. De meeste jongens zijn hier geboren, en hun ouders ook al. Het zijn gewoon Amsterdammers. Zo allochtoon als wij de mensen vinden, zijn ze vaak niet.'

Buurtrechercheurs
Toen De Vries voor het eerst als kinderrechter werkte, van 1987 tot 1992, was de functie anders ingericht dan tegenwoordig. De kinderrechter van het oude stempel had meer bevoegdheden en zat als een spin in het web bij vrijwel alles en iedereen die iets met jeugd deed. Hij nam deel aan een driehoeksoverleg samen met de jeugdofficier, adviseerde en maakte soms zelfs beleid en was betrokken bij de uitvoering daarvan door de gezinsvoogdij-instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming. 'We waren net een soort buurtrechercheurs. Gezinsvoogden en zelfs agenten van de toen nog bestaande jeugd- en zedenpolitie belden ons rechtstreeks op, vaak buiten het OM om.' Het grote voordeel daarvan was dat de rechters snel actie konden ondernemen als de situatie daarom vroeg. Toch gelooft de Vries dat het goed is dat de kinderrechter meer op afstand is komen te staan. 'In die tijd moesten we soms recht spreken over beleid dat we zelf hadden bedacht. Dat was niet geloofwaardig meer. Bovendien bemoeiden rechters zich soms met zaken waar ze niks over te zeggen hadden. Ik heb wel eens een oude kinderrechter tegen een advocaat horen zeggen dat hij weliswaar vrijspraak bepleitte, maar dat dat toch helemaal niet in het belang was van zijn cliŽnt. Voor een kind kan zo'n opmerking heel slecht uitpakken. Als hij erachter komt dat voor hem een ander recht geldt dan voor een volwassene, dan kan hem dat heel cynisch maken. Iedereen, maar zeker jeugdigen die nog gevormd moeten worden, moeten erop kunnen vertrouwen dat de rechter onafhankelijk recht spreekt.'
Tegenwoordig is daarvan zeker sprake, vindt De Vries. Meer dan vroeger houden rechters zich aan hun toetsende taak, ook al levert dat soms uitspraken op die de samenleving, en het Openbaar Ministerie, niet zinnen. De Vries verwijst in dit kader naar de zaak-Joos waarin een van de hoofdverdachten een lagere straf kreeg, omdat de officier zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende subsidiair ten laste had gelegd. De primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging kon in deze zaak worden bewezen, waardoor de rechtbank aan het subsidiair telaste gelegde feit niet toekwam. 'Dat zijn harde noten die wij moeten kraken en ik begrijp dat het OM het niet altijd leuk vindt dat wij zo'n pietje precies zijn.' Toch is het noodzakelijk dat rechters op die manier werken, ook al om geloofwaardig te blijven ten opzichte van de advocatuur. 'De relatie tussen het OM en de zittende magistratuur is best vertrouwelijk, bijna symbiotisch soms. Hoewel we in principe niet meer dat intensieve contact van vroeger met elkaar hebben over individuele zaken, werken we organisatorisch nog veel samen, we bedenken plannen, we zitten samen in allerlei overleg. Advocaten staan daar toch een beetje buiten, en daar balen ze wel eens van. Zij leggen de lat strak langs de strafrechtelijke lijn, en terecht. Daar moeten wij als rechters rekening mee houden bij het bedenken van al die mooie plannetjes, het moet wel juridisch juist blijven. Ik betrap me wel eens op de vertrouwelijke band die ik heb met leden van het OM. In de rechtszaal moet ik die vertrouwelijkheid toch onderdrukken en het evenwicht tussen partijen bewaren. Dat betekent iets meer polarisatie op de zitting, en dat moet dan maar.'

Sprankje hoop
Dat alles laat onverlet dat de kinderrechters in Amsterdam de wettelijke grenzen wel eens proberen op te rekken. Zo is het in de hoofdstad mogelijk dat jongeren al tijdens hun preventieve hechtenis aan de uitvoering van een werk- of leerstraf beginnen. Hun bewaring of gevangenhouding wordt dan geschorst, mits de jongere bereid is om als voorschot op de later op te leggen straf alvast met die taakstraf te beginnen. 'Het grote voordeel is dat de daad en de straf op die manier dicht bij elkaar komen te liggen', zegt De Vries. 'Wettelijk wringt het natuurlijk behoorlijk, want die jongens voeren hun straf al uit terwijl ze nog niet zijn berecht. Er zijn rechtbanken die legalistischer denken en er per se niet aan willen. Maar het werkt.' De Vries geeft het voorbeeld van drie jongens die vast zaten wegens straatroven met een nepvuurwapen. Tijdens hun bewaring gedroegen ze zich voorbeeldig, en deden ze met goed gevolg examens. Gezien de lange wachttijden bij de rechtbank zou het nog wel even duren, voordat ze moesten voorkomen. 'We hebben hen toen meteen een sanctie laten uitvoeren, 150 uur werken en leren. Anders zou dat positieve sprankje hoop misschien worden gesmoord. Als we moeten wachten tot er een vonnis ligt, zijn we zo anderhalf jaar verder. Voor die jongens kan dan alles anders zijn, misschien hebben ze een vriendin of een baan, en dan wordt het veel moeilijker om gemotiveerd een straf te ondergaan.'

Magistratelijk hart
Begin jaren negentig introduceerde het OM het idee van de teamorganisatie op het Amsterdamse parket. Vanaf die tijd werken OM-ers in regionaal georganiseerde units die in principe alle zaken behandelen die in een bepaalde regio plaatsvinden. De Vries en zijn collega's betreuren het dat het OM daardoor zijn speciale jeugdunit is kwijtgeraakt. 'Tot die tijd behandelde een gespecialiseerde jeugdofficier met eigen ondersteuning alle zaken die speelden met verdachten en daders tot 23 jaar', herinnert de kinderrechter zich nog. 'Nu is die kennis versnipperd. Ik zou graag iets van dat oude specialisme terug willen zien. Het zou goed zijn als ergens op het parket een soort expertisecentrum over de jeugd zou komen waar mensen dan snel hun kennis up to date kunnen krijgen. Nu zie ik wel eens een officier worstelen met afkortingen van nieuwe behandelingen of trajecten waaruit blijkt dat hij eigenlijk niet helemaal weet waar het over gaat. En al hadden we maar een vast (administratief) aanspreekpunt dat hiŽrarchisch buiten de teamstructuur staat!' Voordeel van de teamorganisatie is wel dat het OM dichter bij de burgers is komen te staan, vindt De Vries. Fenomenen als Justitie in de Buurt (JIB)-kantoren en buurtregisseurs juicht hij toe. 'Veel van het werk dat wij vroeger deden, zoals het opleggen van geldboetes en lichte taakstraffen, ligt nu in handen van het OM, en daar zijn we blij om.' Nee, hij heeft geen moeite met het feit dat een officier - en niet uitsluitend de rechter - zaken kan afdoen. 'Als het OM een zuiver bestuursrechtelijke organisatie zou zijn, zonder de kleuring van de magistratuur, dan zou het geen recht mogen spreken. Maar de meeste officieren kunnen beslissingen nemen die in onze lijn liggen. Natuurlijk kan het soms verleidelijk zijn een taakstraf op te leggen, ook als je niet helemaal zeker weet of iemand het wel echt heeft gedaan. In die gevallen moet het magistratelijke hart van een officier gaan kloppen. Bij twijfel, niet doen.' Er hebben in Den Haag geluiden geklonken dat de JIB-kantoren worden gesloten. Dat zou volgens De Vries 'het domste zijn dat men hij kan doen'. 'Pennywise, niets minder dan dat. Het zijn enorme kennisbronnen van wat in buurten speelt, en bovendien maken zij justitie zichtbaar voor de samenleving. Ik zou daarin zelfs verder willen gaan. Waarom organiseren we geen rechtspraak in de buurt? Waarom geen zittingen houden in de Bijlmer of de Baarsjes? Ja, jeugdzittingen vinden achter gesloten deuren plaats, dat heeft dus niet zo veel zin. Maar jongvolwassenen zouden we heel goed op locatie kunnen berechten, zodat de omgeving precies kan zien wat er gebeurt. En dat we crimineel gedrag niet ongestraft laten.'

 

"Spyware: "Spion in de PC", Big Brother in uw eigen PC

Metro, woensdag 28 augustus 2002, Saskia Bruyn

Big Brother op uw eigen pc: helaas geen toekomstmuziek maar alledaagse werkelijkheid. Spionerende software nestelt zich op uw harde schijf en verzamelt informatie over u en uw gedrag online. Als u dat toelaat tenminste. In 2000 trokken voor het eerst beveiligingsexpers aan de bel over spyware: software die op onze computer aanwezig is zonder dat wij dat weten en via het internet informatie verstuurt aan de thuisbasis. Deze informatie verstuurt kan betrekking hebben op onszelf, onze persoonsgegevens, en wat wij doen op het Web: welke sites er bezoeken en wat we daar uitvoeren. Waardevolle data voor bedrijven die zo gericht reclame kunnen maken. Maar ook een inbreuk op uw privacy, zeker als u zich er niet van bewust bent. Spyware komt vaak mee met populaire gratis software die u van het internet ophaalt. Een goed voorbeeld is het muziekuitwisselprogramma KaZaA, dat dit jaar wegens schendingen van de privacy voor een Big Brother-Award werd genomineerd. Bij het installeren van KaZaA liften er maar liefst vijf andere programma's mee, waar u niet om gevraagd heeft. In de gebruikersovereenkomst is wel degelijk terug te vinden dat KaZaA niet alleen komt; waarom klikken we dan toch massaal op 'I accept'? Ten eerste worden de gebruikersovereenkomsten, die niet voor niets vaak meters kleine letertjes bevatten in een pietepeuterig venstertje door de meeste computeraars helemaal niet gelezen. Ten tweede is KaZaA zeer gewild, en leveren veel mensen daar blijkbaar graag wat privacy voor in. Het is een feit dat voor niet de zon opgaat. Ook de maker en exploitanten van zogenaamde 'freeware' willen graag betaald worden voor hun werk, en omdat gebruikers juist tuk zijn op gratis spulletjes is dit gewoon een andere manier om toch iets te verdienen. Tot zover niets aan de hand, en verbieden kun je 'spyware' niet: de gebruiker heeft immers toestemming gegeven? Ja en nee. Zoals gezegd klikt vrijwel iedereen de gebruikersovereenkomst ongelezen weg. De informatie over eventuele spyware zit daarin verstopt, en dat is wel laakbaar. Als de softwaremakers die op deze manier aan hun geld komende moed en het fatsoen hebben om eerlijk en duidelijk te vertellen wat ze met hun programma's meesturen, dan kunnen wij kiezen of we dat er voor over hebben.

 

De rol van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de gesubsidieerde vereniging van rechters en Officieren van Justitie bij het monitoren van (tele)communicatie (114)

Nederlandse Vereniging van rechters en Officieren van Justitie akkoord met de directe doorgeleiding van afgetapte gesprekken naar het buitenland

 

Artikel 552ob SV

7. Nederland dient ingevolge artikel 18, eerste lid, van het EU-rechtshulpverdrag, aan buitenlandse verzoeken tot het aftappen en rechtstreeks doorgeleiden van de afgetapte telecommunicatie naar de verzoekende autoriteiten te kunnen voldoen.

In artikel 552ob SV komt de wetgever deze verplichting na. De wetenschappelijke commissie kan zich geheel verenigen met de directe doorgeleiding van afgetapte gesprekken naar het buitenland. Het openbaar ministerie zal in de toekomst niet meer gebonden hoeven te zijn aan de vertragende raadkamersprocedure ex artikel 552oa SV, hetgeen het opsporingsonderzoek in het buitenland ten goede zal komen.

Ook kan door het direct doorgeleiden observatie van de verdachte en/of medeverdachten (of eventueel andere bijzondere opsporingsbevoegdheden) in binnen of buitenland direct samen gaan met het afluisteren van de afgetapte gesprekken.

Daarnaast ziet de wetenschappelijke commissie het grote voordeel dat tolken niet de in Nederland afgetapte gesprekken eerst moeten vertalen voordat deze aan de buitenlandse autoriteit worden overgedragen. Dat scheelt veel werk en kan daarnaast voor de buitenlandse autoriteit zo z’n voordeel hebben. De wetenschappelijke commissie denkt bijvoorbeeld aan de stemherkenning door een doorgewinterde rechercheur.

In het derde lid van het voorgestelde artikel wordt artikel 126bb SV van overeenkomstige toepassing verklaard. De wetenschappelijke commissie constateert dat artikel 126bb SV in principe voldoende ruimte biedt om eventueel met notificeren te wachten totdat het buitenlandse onderzoek is afgerond, maar wenst wel het volgende op te merken. Of en in hoeverre het Nederlandse artikel 126 bb SV wordt geschonden en wat daarvan de consequenties moeten zijn is een zorg voor de buitenlandse autoriteiten, niet voor Nederland. Indien in het buitenland en/of door een gemeenschappelijk onderzoeksteam bewijsmateriaal wordt verzameld voor een in Nederland te berechten zaak, zal het openbaar ministerie ervoor moeten zorgen dat aan de Nederlandse standaard wordt voldaan.

De wetenschappelijke commissie is om deze reden minder gelukkig met hetgeen hieromtrent in de concept memorie van toelichting wordt gesteld op pagina 33. De wetenschappelijke commissie adviseert de memorie van toelichting in hier aan te passen.

 

Nederland breidt afluistercapaciteit flink uit

Uitgegeven: 7 april 2004 20:42

DEN HAAG - Het kabinet streeft er naar de capaciteit van het afluistercentrum in het Noord-Groningse Zoutkamp fors uit te breiden. Waar nu twee satellietschotels staan, moeten het er uiteindelijk 22 worden. Met de schotels kunnen onder andere telefoongesprekken worden afgeluisterd.

Het kabinet besloot al snel na 11 september 2001 dat de inlichtingendiensten van Defensie (MIVD) en van Binnenlandse Zaken (AIVD) hun afluistercapaciteit moesten uitbreiden. Een woordvoerder van het ministerie van Defensie bevestigde woensdag naar aanleiding van een televisieuitzending van Twee Vandaag dat het streven is te komen tot 22 schotels en dat de locatie Zoutkamp daarbij "voor de hand ligt".

Verrassend

De Britse onderzoeker Duncan Campbell, ontdekker van het Echelon-netwerk, noemt de uitbreiding zeer verrassend voor een klein land als Nederland: "Van een van de kleinste op het gebied van afluisteren wordt Nederland een van de grootste." Het grote aantal schotels is volgens Defensie nodig, omdat er in de ruimte inmiddels veel meer satellieten hangen. Een schotel kan maar een satelliet tegelijkertijd bestrijken.

Het is volgens Defensie uitdrukkelijk niet de bedoeling dat telefoonverkeer in Nederland wordt afgeluisterd. De inlichtingenverzameling is bedoeld voor terrorismebestrijding en voor de veiligheid van Nederlandse militairen op buitenlandse missies in landen als Irak, BosniŽ of Afghanistan.

 

Commissie Mevis 

Strafrechtelijke advocatuur opvallende afwezige bij Commissie Mevis inzake vergaande voorstellen tot aanpassing van de wetgeving die het Openbaar Ministerie straks zeer ruime bevoegdheden moeten geven om te komen vissen in de elektronische gegevensbestanden van onder meer Internet Service Providers

In mei van dit jaar werd een rapport openbaar gemaakt onder de naam 'Gegevensvergaring in strafvordering' met als ondertitel 'Nieuwe bevoegdheden tot het vorderen van gegevens ten behoeve van strafvorderlijk onderzoek'. Het rapport doet vergaande voorstellen tot aanpassing van de wetgeving die het Openbaar Ministerie straks zeer ruime bevoegdheden moeten geven om te komen vissen in de elektronische gegevensbestanden van onder meer Internet Service Providers. Maar daar niet alleen: het rapport gaat het gehele bedrijfsleven aan.

De Commissie bestond uit twee hoogleraren in het strafrecht (Mevis en Kaspersen, de laatste ook in vergaande mate betrokken bij Cyber crime verdrag), een Officier van Justitie van het landelijke parket (Stein), de directeur van de Recherche Landelijke Politiediensten (Van Gemert), een rechter-commissaris en een vertegenwoordiger van het bedrijfsleven (Katus). De strafrechtelijke advocatuur is de opvallende afwezige, ook in de lijst van personen die zijn gehoord.

Het rapport is ingewikkeld en technisch en heeft misschien daarom nog te weinig aandacht getrokken in de publiekspers. Toch verscheen er in de vakpers al een kritische publicatie die tot groot alarm had moeten leiden (1). De voorstellen beogen het OM en de opsporingsambtenaren bevoegdheden te geven om uit vissen te gaan naar gegevens die een houder van gegevens op enigerlei wijze op schrift of elektronisch heeft vastgelegd. Het gaat niet om vissen met een gerichte werphengel in een organisatie, maar om het uitwerpen van een sleepnet in de samenleving. Hoe dat volgens de Commissie in zijn werk moet gaan zal ik proberen hieronder uit te leggen.

De Commissie onderscheidt 'identificerende gegevens' (namen, adressen, geboortedata en gegevens met betrekking tot de verleende dienst). Een opsporingsambtenaar kan deze in geval van de verdenking van een strafbaar feit vorderen van degene die redelijkerwijs in aanmerking komt dat deze toegang heeft tot deze gegevens. Hiermee wordt een algemene inlichtingenplicht in het leven geroepen die wij tot op heden niet kennen, omdat wij die principieel afwijzen. Wanneer iemand een verkeersovertreding pleegt kan Justitie bij alle banken in Nederland informeren of de betrokkene daar een bankrekening heeft. Het feit dat een instelling ook gedwongen wordt inlichtingen te geven over de diensten die zij aan anderen leveren slaat ook al een bres in de vertrouwelijkheid. Het is een nog altijd in het maatschappelijk verkeer gerespecteerde vorm van vertrouwelijkheid dat je niet vertelt wie je klanten zijn, tenzij die zo bekend zijn dat je daar reclame mee wilt maken.

De tweede categorie 'gegevens' die de Commissie onderscheidt zijn de 'andere gegevens'. Dit zijn alle gegevens met betrekking tot de inhoud van de dienstverlening (aard, plaats en tijd, duur, betalingen enzovoort). Deze moeten op vordering van de Officier van Justitie worden verstrekt in geval van verdenking van een misdrijf door degene die vermoed wordt toegang tot die gegevens te hebben. Wanneer de eerste expeditie dus de plaats van de identificerende gegevens heeft opgeleverd, kan de Officier van Justitie meteen een vordering van deze strekking laten uitgaan waarbij alles over de aard van de dienstverlening moet worden prijsgegeven, hetgeen een nog veel verder gaande inbreuk op de vertrouwelijkheid van het handelsverkeer is.

Pas als het gaat om 'gevoelige' gegevens is er een last van de rechter-commissaris nodig. 'Gevoelige' gegevens zijn volgens de Commissie de gegevens die als zodanig door de Wet Bescherming Persoonsgegevens worden aangeduid en gegevens die onder het telefoongeheim vallen(2). Maar wat dit laatste betreft schuilt er een flinke adder onder het gras. In een bijlage bij het rapport is een apart advies van de Commissie aan de Minister van Justitie te vinden naar aanleiding van het rapport van de Commissie Digitale Grondrechten, waarin de Commissie Mevis betoogt dat de verkeersgegevens niet onder het telefoongeheim vallen. Deze verhuizen in de visie van de Commissie dus naar de tweede categorie 'andere gegevens' en, aangezien zij ook 'identificerend' kunnen zijn, meestal ook naar de eerste categorie.

Niet alleen de opvorderbevoegdheden zijn aanzienlijk, de officier van Justitie krijgt ook de bevoegdheid in geval van een ernstige inbreuk op de rechtsorde te vorderen dat gegevens worden ontsleuteld, bewaard en bewerkt en dat ook toekomstige gegevens daaronder zullen vallen. De instelling waarbij de vis wordt gevangen kan dus ook nog de plicht hebben de vis op ijs te zetten, te fileren en op bestelling te blijven leveren. Zo kan een ISP-er gedwongen worden alle hem bekende communicatiepatronen van een klant bij te houden, te analyseren en aan Justitie aan te leveren.

Een vertegenwoordiger van het bedrijfsleven die ik over het rapport aansprak, riep 'Mevis is ons laatste reddingsanker' en daarmee bedoelde hij dat het rapport aanbeveelt dat de extra kosten die het bedrijfsleven bij uitvoering van de voorstellen van de Commissie moet maken voor rekening van de overheid komen. Bestudering van het rapport leert dat dat anker aan dun touwtje zit. De Commissie verwijst immers naar een algemeen artikel in het Wetboek van Strafvordering waarin staat dat de kosten van de strafvordering kunnen worden vergoed, een artikel waarvan de praktijk maar mondjesmaat gebruik van wordt gemaakt.

Er is nog veel meer over deze voorstellen te zeggen. Het meest fundamentele bezwaar dat ik er tegen heb is dat het ons denken over de rechtsstaat corrumpeert. De redenering lijkt te zijn dat ICT het steeds beter mogelijk maakt om de gedragingen van individuen te registreren en te volgen en dat dus de overheid het recht heeft om van deze technische vooruitgang te profiteren door individuele vrijheden verdergaand te beperken dan in de papieren wereld mogelijk was. Verplichtingen waarover wij niet zouden piekeren om die in het papieren tijdperk in te voeren, worden nu als noodzakelijke technische aanpassingen aan de ICT wereld zonder principiŽle discussie door een zijdeur naar binnen gefietst.

Egbert Dommering, 1 november 2001

 

 

Commissie Mevis

Rechter van de rechtbank Zwolle is lid van Commissie strafvorderlijke gegevensvergadering in de informatiemaatschappij (Commissie Mevis)

 

Leden Commissie strafvorderlijke gegevensvergadering in de informatiemaatschappij (Commissie Mevis): 

 

BINS-VAN WAEGENINGH, S.E.0943 Mw. rechter-commissaris

MEVIS ? Hoogleraar strafrecht

KASPERSEN ? Hoogleraar strafrecht, ook in vergaande mate betrokken bij Cyber crime verdrag

STEIN Officier van Justitie van het landelijke parket

GEMERT VAN Directeur van de Recherche Landelijke Politiediensten 

KATUS vertegenwoordiger van het bedrijfsleven.

 

Samenvatting artikel 96a Wetboek van Strafvordering

"Op ruime schaal wordt deze algemene inbeslagnemingsbevoegdheid toegepast. Dagelijks vinden een veelheid aan dit soort bevragingen bij met name het bedrijfsleven plaats. De gevorderde informatie varieert van bijvoorbeeld dagafschriften van cliŽnten van bankinstellingen tot de bonuskaartgegevens van klanten van Albert Heijn. Deze bevragingen vinden niet conform tekst en strekking van de wet plaats. Dit brengt doorgaans mee dat ook de daarop volgende verstrekking onrechtmatig is."

Achtergrond
De Registratiekamer ontvangt regelmatig signalen van houders van persoonsregistraties dat de politie en ook het openbaar ministerie op grond van het onlangs in werking getreden artikel 96a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houders van persoonsregistraties bevelen persoonsgegevens uit computerbestanden op te vragen en deze op schrift uit te leveren ter inbeslagneming. Op ruime schaal wordt deze algemene inbeslagnemingsbevoegdheid toegepast. Dagelijks vinden een veelheid aan dit soort bevragingen bij met name het bedrijfsleven plaats. De gevorderde informatie varieert van bijvoorbeeld dagafschriften van cliŽnten van bankinstellingen tot de bonuskaartgegevens van klanten van Albert Heijn. Deze bevragingen vinden niet conform tekst en strekking van de wet plaats. Dit brengt doorgaans mee dat ook de daarop volgende verstrekking onrechtmatig is.

De Registratiekamer
Ingevolge artikel 94 Sv worden onder voorwerpen verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. Gegevens die in bestanden zijn opgeslagen zijn geen voorwerpen in de zin van dit artikel. Voor het onderzoeken en verkrijgen van gegevens uit computerbestanden geeft artikel 125i Sv de rechter-commissaris een specifieke en exclusieve bevoegdheid. Het gevolg hiervan is dat gegevens als zodanig niet op rechtmatige wijze door de politie kunnen worden gevorderd ter inbeslagneming. Deze uitdrukkelijke verdeling van bevoegdheden wordt omzeild, indien de politie op de voet van artikel 96a Sv een houder beveelt gegevens op een diskette op te slaan en ter inbeslagneming uit te leveren. Deze handelwijze brengt het bevraagde bedrijf in een lastige positie. Een houder van een persoonsregistratie die niet onverwijld tot de verzochte uitlevering overgaat, zal immers door politie en/of justitie doorgaans te kennen worden gegeven dat weigering niet alleen een strafbaar feit oplevert, maar ook zal leiden tot toepassing van een zwaarder in de persoonlijke levenssfeer ingrijpend dwangmiddel.

Na ontvangst van klachten uit het bedrijfsleven heeft de Registratiekamer de minister van justitie aangeschreven. De Registratiekamer verzocht de minister om een standpuntbepaling in deze kwestie en het kenbaar maken hiervan aan instanties die met het opsporen van strafbare feiten zijn belast. Nadat het College van procureurs-generaal de minister desgevraagd had bericht dat artikel 96a Sv inderdaad geen deugdelijke basis biedt voor dit soort gegevensverstrekkingen, heeft ook de minister van justitie zich uitgesproken tegen de bovenbeschreven informatie-inwinning. Voor zover er geen specifieke wettelijke regeling is voor het vorderen van persoonsgegevens, dient de houder van een persoonsregistratie op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wet persoonsregistraties (Wpr) te worden verzocht de betreffende gegevens te verstrekken, aldus de minister. De brief van de Registratiekamer is voor de minister tevens aanleiding geweest om het College van procureurs-generaal te verzoeken een nieuwe gedragslijn nader uit te werken. Deze gedragslijn dient te bepalen dat registratiehouders op grond van artikel 11 lid 2 Wpr worden verzocht de betreffende gegevens te verstrekken.

 

Brief Registratiekamer aan Minister van Justitie

Ministerie van Justitie
T.a.v de heer mr. A.H. Korthals
Postbus 20301
2500 EH DEN HAAG

Den Haag, 30 mei 2000
Ons kenmerk z2000-0395
Onderwerp artikel 96a Wetboek van Strafvordering

Geachte heer Korthals,

De Registratiekamer ontvangt regelmatig signalen van houders van persoonsregistraties dat de politie en ook het openbaar ministerie op grond van het onlangs in werking getreden artikel 96a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houders van persoonsregistraties bevelen persoonsgegevens uit computerbestanden op te vragen en deze op schrift uit te leveren ter inbeslagneming (een voorbeeld is bijgevoegd). Deze praktijk roept vragen op. Het komt de Registratiekamer voor dat deze bevragingen niet conform tekst en strekking van de wet plaatsvinden. Dit zal doorgaans meebrengen dat ook de daarop volgende verstrekking onrechtmatig is.

De politie heeft een algemene bevoegdheid tot het vorderen en inbeslagnemen van voorwerpen. Als zodanig zijn ingevolge tekst en toelichting op artikel 96a Sv niet aan te merken gegevensbestanden die in een computer zijn opgeslagen. Voor het onderzoeken en verkrijgen van gegevens uit computerbestanden geeft artikel 126i Sv de rechter-commissaris een specifieke bevoegdheid. Het gevolg hiervan is dat gegevens als zodanig niet vatbaar zijn voor "inbeslagneming" door de politie.

Deze uitdrukkelijke verdeling van bevoegdheid wordt omzeild, indien de politie op de voet van artikel 96a Sv een houder beveelt gegevens op een diskette op te slaan en ter inbeslagneming uit te leveren. Een dergelijke handelwijze brengt de houders van persoonsregistraties in een klempositie.

Een houder van een persoonsregistraties die niet onverwijld tot de verzochte uitlevering overgaat, zal immers doorgaans door de politie en/of justitie te kennen worden gegeven dat weigering niet alleen een strafbaar feit oplevert maar ook zal leiden tot toepassing van een zwaarder in de persoonlijke levenssfeer ingrijpend dwangmiddel. Anderzijds dient verstrekking van persoonsgegevens zonder dat een wettelijk voorschrift daartoe verplicht, een dwingende of gewichtige reden aanwezig is of een andere verstrekkingsgrond ingevolge artikel 11 Wet persoonsregistraties aanwezig is, als onrechtmatig te worden aangemerkt.

De Registratiekamer kan zich verplaatsen in het standpunt van de politie dat politiefunctionarissen over toereikende opsporingsmiddelen dienen te beschikken teneinde op adequate wijze de politietaak te kunnen vervullen. De grenzen van de bevoegdheden van de politie om (persoons) gegevens te verzamelen zijn onderzocht in het rapport "Als de politie iets wil weten…." dat in opdracht van het WODC is opgesteld. Mede dat rapport is voor u aanleiding geweest om de commissie Strafvorderlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij onder voorzitterschap van prof. X. deze materie nader te laten onderzoeken. Op de uitkomsten van dit onderzoek loopt de groeiende praktijk van de politie vooruit.

De Registratiekamer verzoekt u om een standpuntbepaling in deze kwestie en het kenbaar maken hiervan aan de met de opsporing van strafbare feiten belaste instanties.

Deze brief zal in afschrift aan het College van procureurs-generaal, aan het Korpsbeheerdersberaad en aan de Raad van Hoofdcommissarissen worden verstrekt.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende geÔnformeerd te hebben.

Hoogachtend, 

 

 

Postadres: Postbus 20301, 2500 EH  Den Haag

 

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

 

Bezoekadres

Schedeldoekshaven 100

2511 EX  Den Haag

Telefoon (070) 3 70 69 73

Fax (070) 3 70 79 75

www.justitie.nl

Onderdeel

afdeling Besturing

 

Doorkiesnummer(s)

070 - 370 45 86

 

Datum

11 april 2005

 

Ons kenmerk

5345227/05/DJJ

 

Onderwerp

Reactie op moties en toezeggingen inzake Jeugdzorg

 

 

 

 

Inleiding

Tijdens het debat op 10 maart jl. met uw Kamer over het rapport van de Inspectie Jeugdzorg “Onderzoek naar de kwaliteit van hulpverleningsproces aan S”, heb ik toegezegd u binnen 4 weken te zullen berichten. In deze brief, die ik u mede namens de Staatssecretaris van VWS doe toekomen, zal ik ingaan op de navolgende moties:

<!--[if !supportLists]-->-          <!--[endif]-->de motie van het lid CŲrŁz (TK 2004-2005, 29 815, nr. 16);

<!--[if !supportLists]-->-          <!--[endif]-->de motie van de leden Tonkens en Kant (TK 2004-2005, 29 815, nr. 18);

<!--[if !supportLists]-->-          <!--[endif]-->de motie van het lid Kalsbeek c.s. (TK 2004-2005, 29 815, nr. 14) en

<!--[if !supportLists]-->-          <!--[endif]-->de motie van het lid Kalsbeek c.s. (TK 2004-2005, 29 815, nr. 15).

Tevens zal ik ingaan op de door ons tijdens dit debat gedane toezeggingen en aanvullend op een enkel punt uit het notaoverleg over de Jeugdzorg op 31 januari jl. dat nog beantwoord moest worden.

 

Motie CŲrŁz en de motie van de leden Tonkens en Kant

In de motie CŲrŁz vraagt de Tweede Kamer de regering om in samenwerking met de besturen van de provincies in het licht van de aanbevelingen van het rapport van de IJZ-onderzoek te doen naar de werkwijze van de bureaus jeugdzorg en concrete aanbevelingen voor verbetering van de werkwijze te doen en de Kamer voor de zomer over de uitkomsten daarvan te informeren.

 

 

Op korte termijn zullen in overleg tussen de betrokken partijen - VWS, Justitie, IPO, MOgroep en Inspectie Jeugdzorg - de punten worden vastgesteld waarover de bureaus jeugdzorg moeten rapporteren. De provincies worden verzocht toe te zien op een tijdige rapportage. Gebleken is dat veel bureaus al een eigen onderzoek zijn gestart naar de werkwijze naar aanleiding van het inspectierapport. Deze onderzoeken worden aan elkaar verbonden. In de zomer zal ik de Kamer dan kunnen berichten over de uitkomsten van dit onderzoek.

 

Met betrokkenen zullen wij bezien of de aanbevelingen die door de inspectie zijn gedaan, leiden tot extra kwaliteitseisen voor het werk van de bureaus jeugdzorg en in hoeverre daaraan kosten verbonden zijn. De motie van de leden Tonkens en Kant, die ziet op de kwalitatieve vormen van controle en sturing binnen de bureaus jeugdzorg zoals supervisie, intervisie en intercollegiale toetsing, zullen wij daarbij betrekken. Mogelijk zal dit leiden tot aanpassing van de kwaliteitssystemen of certificeringsschema’s van de instellingen zelf en mogelijk tot aanpassing van regelgeving.

 

Tenslotte meld ik u dat in een overleg tussen het Rijk met o.a. IPO en MOgroep extra aandacht is gevraagd voor het feit dat de jeugdzorg op tijd en op maat dient te zijn. Dit betekent o.a. dat niet lichte hulp moet worden ingezet als bij voorbaat duidelijk is dat zware hulp nodig is. Ook het punt dat AMK’s contact moeten opnemen met de leiding van het bureau jeugdzorg, wanneer zij signalen hebben dat gezinsvoogdijwerkers onvoldoende actie ondernemen, is hierbij aan de orde gesteld. Ik heb de provincies gevraagd op de uitvoering van de aanbevelingen toe te zien.

 

Ik meen dat met het vorenstaande recht wordt gedaan aan de wensen van de Kamer zoals neergelegd in de twee hiervoor genoemde moties en toezeggingen.

 

Wachtlijsten Raad voor de Kinderbescherming

In de motie Kalsbeek c.s. (TK 2004-2005, 29 815, nr. 14), wordt het kabinet verzocht er zorg voor te dragen dat aan het eind van 2005 de wachtlijsten bij de Raad voor de Kinderbescherming zijn verdwenen. Vooropgesteld moet worden dat in het geval van spoedeisende zaken, de Raad op zeer korte termijn kan adviseren en dat ook daadwerkelijk doet. In die gevallen is er dus geen sprake van een wachtlijst. Bij de overige beschermingszaken is inderdaad sprake van een ontstaan van wachtlijsten. Het wegwerken van deze wachtlijsten bij de Raad heeft nadrukkelijk hoge prioriteit en ik ben ook bereid daar eenmalig middelen voor vrij te maken door herprioritering van onderdelen van Jeugd terecht. Maar nu reeds is duidelijk dat daar meer tijd mee gemoeid is dan de motie voorstelt. Voorts is van belang dat naast de financiŽle implicaties van deze motie, rekening moet worden gehouden met de keteneffecten. Zowel aan de voorkant (wegwerken van de voorraden die bij het BJZ liggen) als aan de achterkant (kinderrechters en jeugdzorg) zijn er factoren die van invloed zijn op de haalbaarheid van een scenario om met behoud van kwaliteit binnen een redelijke termijn de wachtlijstproblematiek aan te pakken. Het is derhalve van belang dat de betrokken ketenpartners hier gezamenlijk in optrekken.

Een belangrijk aspect bij de aanpak van de wachtlijsten is dat de Raad in beginsel moet kunnen voortbouwen op de gegevens die Bureau Jeugdzorg al heeft verzameld. Indien sprake is van volledige en kwalitatief goede informatie-voorziening kan de Raad zijn onderzoeksinspanningen beperken en tijdwinst boeken. Ik acht deze lijn om de doorlooptijden terug te brengen en langs die weg mede de wachtlijsten aan te pakken dan ook een meer noodzakelijke voorwaarde om de ontwikkeling die met de Wet op de jeugdzorg in gang is gezet door te zetten, dan een structurele uitbreiding van het Raadspersoneel.

 

Toetsende taak Raad voor de Kinderbescherming

In mijn brief van 10 maart jl. (TK 2004-2005, 29 815, nr. 23) heb ik u toegezegd dat de Raad voor de Kinderbescherming de toetsende taak zo snel mogelijk zowel kwalitatief als kwantitatief weer volledig gaat uitoefenen. Voor de wijze waarop dat gaat gebeuren wordt thans door de Raad een plan van aanpak opgesteld. Ook hier geldt overigens dat de Raad zich daarbij moet kunnen baseren op de rapportages van het Bureau Jeugdzorg. De Raad moet betrekkelijk eenvoudig kunnen vaststellen of nader onderzoek van de kant van de Raad noodzakelijk is.

 

Ondertoezichtstelling (ots) voor meerdere kinderen binnen ťťn gezin

Tijdens het notaoverleg over de jeugdzorg van 31 januari jl. heb ik u toegezegd nader toe te lichten dat in het merendeel van de gevallen alle kinderen in ťťn gezin tegelijk onder toezicht worden gesteld. Ik heb mij bij mijn eerdere mededelingen moeten baseren op voorlopige informatie van de zijde van de Raad. Een registratie van het aantal OTS-ers per gezin ontbreekt. Uit nadere informatie blijkt dat het beeld enigszins genuanceerd moet worden.

Volgens de Raad voor de Kinderbescherming wordt in ongeveer de helft van de gevallen voor alle kinderen in een gezin tegelijk een maatregel gevraagd. Het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming richt zich in eerste instantie op het gemelde kind cq. de gemelde kinderen. Tijdens het onderzoek wordt het opvoedingsklimaat en het functioneren van het gezin in kaart gebracht. Indien de ontwikkelingsbedreiging van het kind vooral te verklaren is vanuit het disfunctioneren van het gezin, respectievelijk het pedagogisch handelen van de opvoeders worden de andere kinderen ook bij het onderzoek betrokken. De Raad zal nader onderzoeken of uniformering van de werkwijze terzake aangewezen is. Richtsnoer daarbij is dat het onderzoek zich op alle kinderen zal moeten richten, tenzij er duidelijk sprake is van individuele problematiek bij een specifiek kind. Ik zal bewerkstelligen dat in het belang van de kinderen in voorkomende gevallen een “gezins-OTS” wordt uitgesproken.

 

Ten aanzien van de motie Kalsbeek waarin wordt verzocht om al het nodige te doen om de norm dat de bescherming van het kind als primaire doelstelling in de jeugdzorg en kinderbescherming te verankeren geldt het volgende. Voor wat betreft verankering in de jeugdbescherming en met name in het Burgerlijk Wetboek is dit punt reeds opgenomen in het programma Beter Beschermd. Zoals ik uw Kamer al eerder heb bericht (TK 2005-2005, 29815, nr, 12) verwacht ik medio 2006 het wetsvoorstel voor advies voor te kunnen leggen aan diverse organisaties. Daarnaast zal ik samen met VWS bezien of het nodig is de Wet op de Jeugdzorg aan te passen. 

 

Landelijke invoering Deltaplan

De in het project Deltaplan Gezinsvoogdij ontwikkelde methode voor de uitvoering van ondertoezichtstellingen is succesvol gebleken, vooral vanwege de doelgerichte en planmatige aanpak van de problemen van de jeugdigen en hun ouders. Ik heb reeds op 23 maart aangegeven dat ik een landelijke invoering inclusief een verlaging van de caseload wenselijk acht en daartoe ook stappen zal zetten. Ten behoeve van de afronding van de methode en de beschrijving van het scholingsaanbod zal ik de MOgroep verzoeken hiervoor zo spoedig mogelijk plannen in te dienen.

 

De nieuwe methode zal op zo kort mogelijke termijn bij alle bureaus jeugdzorg worden geÔmplementeerd. Ik heb het IPO verzocht te inventariseren wanneer de diverse bureaus jeugdzorg hiermee een aanvang kunnen maken, en wat de kosten zijn om de bestaande gezinsvoogdijwerkers van die organisaties in de nieuwe methode te scholen. (Voor toekomstige gezinsvoogdijwerkers geldt dat deze scholing in de bestaande scholingstrajecten voor (gezins)voogdijwerkers zal worden ingebed.)

Op basis van deze inventarisatie zal ik samen met het IPO een plan opstellen voor de landelijke implementatie van de nieuwe methode. Tevens zal daarin worden aangeven op welke wijze de reeds beschikbare en daaraan als noodzakelijk geachte extra toegevoegde rijksmiddelen zullen worden ingezet. Via herprioritering binnen de Justitiebegroting is hiervoor een bedrag beschikbaar dat oploopt tot 14 miljoen in 2008. Ik meen dat voor dit bedrag de uitvoering van de nieuwe methode structureel mogelijk is. Er zullen echter nog een aantal stappen moeten worden gezet om de kosten definitief te kunnen bepalen. In de eerste plaats zal er een nieuwe kostprijs moeten worden vastgesteld.

 

Het bedrag van 25 miljoen euro, dat onlangs door het veld als noodzakelijk is aangegeven, is gebaseerd op het bedrag dat ik ter beschikking heb gesteld van de pilots. In de doorrekening voor een landelijke uitrol is echter geen rekening gehouden een aantal kostenverlagende factoren zoals:

<!--[if !supportLists]-->-          <!--[endif]-->de verlaging van de caseload van de sector als geheel tijdens de looptijd van de pilots door toevoeging van structurele gelden;

<!--[if !supportLists]-->-          <!--[endif]-->grote verschillen in inzet in het primaire proces, o.a. tot uitdrukking komend in de verschillende hoogten van de caseload, zelfs binnen de pilots van het Deltaplan, ondanks een gelijke wijze van financiering van de bureaus jeugdzorg;

<!--[if !supportLists]-->-          <!--[endif]-->uit verschillende onderzoeken is gebleken dat de processen binnen de bureaus jeugdzorg nog niet optimaal zijn ingericht;

<!--[if !supportLists]-->-          <!--[endif]-->de mogelijke inverdieneffecten van het Deltaplan door de effectievere werkwijze die naar alle partijen vermoeden, kan leiden tot een verkorting van de looptijd van de OTS en een vermindering van de uithuisplaatsing.

 

Gelet op het vorenstaande kan in de loop van 2005 met de uitrol worden begonnen en acht ik het mogelijk om binnen twee jaar de nieuwe methode bij alle bureaus jeugdzorg te hebben geÔmplementeerd. Mocht het op basis van de nadere kostprijsberekening blijken dat een ophoging van het beschikbare budget noodzakelijk is, dan ben ik bereid om hiervoor in 2006 de noodzakelijke stappen te zetten.

 

Uit het verslag van het evaluatie-onderzoek ‘Bescherming in ontwikkeling’ blijkt dat er weliswaar meer kind- en doelgericht wordt gewerkt, maar dat nog altijd niet duidelijk is of en in hoeverre deze doelen zijn afgeleid uit de bedreigingen in de opvoedingssituatie van de OTS-pupil. Om die reden zal ik het in mijn brief van 30 juni 2004 (TK 2003-2004 28 606 en 29 200 VI, nr. 19) aangekondigde plan om een instrument te ontwikkelen voor effectiviteitmeting in jeugdbescherming, met voorrang ter hand nemen in goed overleg met provincies.

Door gebruik van dat instrument worden gezinsvoogdijwerkers aangemoedigd in iedere afzonderlijke zaak de feitelijke bedreigingen van de belangen van de OTS-pupil te benoemen en deze te verbinden met concrete doelen voor de uitvoering van de OTS.

 

Ik hoop u met deze brief voldoende te hebben geÔnformeerd.

 

 

De Minister van Justitie p> 

 

 

 

Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!


PAR POM Met groot materieel en politie wordt op 19 maart 2014 in Ermelo uitgerukt om een paar Groep Hop verkiezingsborden weg te halen
(562) POM Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!
(224) POM Groep Hop is tegen De Sleepwet om iedere burger ongecontroleerd af te kunnen luisteren
(114) POM De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is de beroepsvereniging van rechters en officieren van Justitie in Nederland
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(305) POM Hoofdofficier van Justitie van Gend weigert strafvervolging in te stellen tegen het feit dat 200 rechters van de rechtbank Den Haag nevenfuncties niet hebben opgegeven
(306) POM Op 27 januari 1998 stelt Hop de vraag in een persbericht: Is er een complot van het Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen de democratische rechtsstaat?
(323) POM Bolkenstein: "Het ziet er echter naar uit dat het OM, gesteund door de rechters, verenigd in de belangenvereniging NVvR (Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak), zich en bloc tegen de minister en de Tweede Kamer keren"
(307) POM Persverklaring College van Procureurs-generaal: Reorganisatie Openbaar Ministerie is een onomkeerbaar proces dat hoe langer hoe meer op de parketten gestalte krijgt
(188) POM Opslaan internetsporen 'erger dan de Stasi, Met EU richtlijn om op grote schaal verkeersgegevens op te slaan is Europa een grote politiestaat geworden
(273) POM Mobiele telefoon. Wetsvoorstel en besluit vorderen gegevens telecommunicatie
(292) POM Iemand die 'foute' denkbeelden of activiteiten heeft of 'foute' mensen kent, loopt de grootste kans om door de overheid afgeluisterd te worden. Afhankelijk van de overheid kan 'fout' crimineel, te sociaal, te kritisch, te nieuwsgierig, buitenlands of simpelweg 'politiek anders georiŽnteerd' betekenen,
(334) POM Misbruik van bevoegdheden door de overheid en Justitie is van alle tijden. Wie zich niet coŲperatief opstelt, kan door een overheid als geestesziek worden aangemerkt
(370) POM Het Openbaar Ministerie, de politie en de veiligheidsdiensten willen wetten aanpassen en oprekken om het opslaan en uitwisselen van gegevens, die op geen enkele manier op onjuistheid getoetst zullen worden, over niet-verdachte burgers mogelijk te maken
(414) POM Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 27 mei 1997 geeft inzicht in werkwijze openbaar ministerie en politie en het opslaan van gegevens over burgers in allerlei geheime dossiers
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
(475) POM Politie en camera's: Verkeerscamera's kunnen ook mooi gebruikt worden om te bepalen welke voertuigen zich waar in het land bevinden
(508) POM & Sleepwet VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(622) POM VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(623) POM Van alle elektronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar JustitiŽle Informatiedienst (JustID) Almelo
(624) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil de vrijheid om het doen en laten van de hele bevolking vast te leggen"
(626) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil dat de politie gegevens opslaat over alle burgers ook die niet worden verdacht worden van strafbaar feit
(627) POM Nederlanders worden massaal afgeluisterd met keur aan middelen voor politie en Justitie om mobiele telefoons af te tappen
(628) POM De 'geheime' internet tapkamer van de overheid. Hoe weet je als burger dat je internetverkeer afgetapt wordt?
(629) POM Verdrag Draft Convention on Cybercrime voor betere wetgeving vooral goed voor politie en justitie maar niet voor de industrie en de samenleving
(630) POM Nieuwe ontwikkelingen in Amerika tonen aan hoe burgers nog verder in de gaten gehouden gaan worden door overheden
(631) POM Echelon, Amerika luistert mee ook met de meest geheime bedrijfseconomische informatie.
(688) POM Hop: Koopkracht burgers daalt opnieuw bij invoering kilometerheffing voor vrachtverkeer! De Staat wil burgers nog beter de gaten houden door invoering van kilometerheffing
(239) POM De staat mag complete woonwijk afluisteren, communicatie gegevens van alle bewoners opslaan en uitwisselen met buitenlandse veiligheidsdiensten.
(203) POM Politie wil identificatieplicht op anoniem communiceren De politie wil dat anoniem internetten en het anoniem kopen van prepaid telefoonkaarten verboden wordt
(609) POM Transparant Openbaar Ministerie: "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(216) Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de CDA/CDA-PR en Communicatie
(90) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Buurtvereniging Speuld en Omstreken
(215) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de ErmeloNieuws.nl
(103) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Ermelose Jongerenraad
(75) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Ermelo's Weekblad
(199) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Christelijk College Groevenbeek
(128) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Bedrijvenkring Ermelo (BKE)
(332) Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk CoŲrdinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.