CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 


Eindrapport Commissie Traa

HOOFDSTUK 4 OBSERVATIE

4.1 Inleiding

De commissie heeft systematisch onderzoek gedaan naar het gebruik van opsporingsmethoden. De basis van dit onderzoek ligt in de vragen die de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden hierover gesteld heeft. In de volgende hoofdstukken wordt weergegeven hoe opsporingsmethoden in Nederland worden ingezet. De commissie hanteert daarbij het onderscheid tussen observatie, informanten runnen, infiltratie en overige opsporingsmethoden. De commissie besteedt per methode aandacht aan de regelgeving en de jurisprudentie, het feitelijk gebruik, de sturing en controle van het gebruik door het OM en de verslaglegging. Afsluitend wordt bij een aantal methoden aandacht besteed aan de corruptiegevoeligheid hiervan. Noot De inzet van methoden waarbij veelvuldig contact wordt onderhouden met criminele derden levert corruptierisico's op. Dit is het geval bij het runnen van informanten, infiltratie, gecontroleerde aflevering en het doorlaten van drugs. In de hoofdstukken over informanten en infiltranten wordt hierop nader ingegaan. De commissie heeft veel onderzoeken naar criminele organisaties aangetroffen waarbij sprake was van de inzet van een combinatie van methoden. Een omvangrijk onderzoek naar een criminele organisatie betekent al snel de inzet van verschillende methoden tegelijkertijd. Naast een tactisch onderzoek met specifieke methoden ten aanzien van verdachten loopt dan ook een zogenaamd pro-actief onderzoek dat zich concentreert op andere personen. Zo gaat een methode als politie-infiltratie vrijwel altijd gepaard met observatie. Ook bestaat gecontroleerde aflevering niet zonder observatie. Inkijkoperaties gaan vaak samen met gecontroleerde afleveringen. Het plaatsen van peilzenders zonder volgen heeft geen zin. De commissie realiseert zich derhalve terdege dat een aparte bespreking van methoden, zoals hier voor gekozen is, vaak geweld doet aan de praktijk. Gezien het feit dat het hier gaat om duidelijk te onderscheiden opsporingsmethoden, is gekozen voor een aparte bespreking en beoordeling.

Om een beeld te krijgen van de inzet van opsporingsmethoden heeft de commissie in alle politieregio's en arrondissementen gesprekken gevoerd en documenten opgevraagd. Het onderzoek door de commissie en haar staf leverde veel nieuwe gegevens over het gebruik op. Noot Hiernaast is ook gebruik gemaakt van de inventarisatie van gehanteerde opsporingsmethoden (de doorlichting) die op last van de minister van Justitie begin 1995 door de parketten is opgesteld (zie hoofdstuk 9). Op straffe van het stopzetten van de zaak dienden politie en justitie een overzicht te leveren van de gebruikte methoden. Deze doorlichting heeft veel (ongestructureerde) gegevens opgeleverd. Het ministerie van Justitie heeft geen samenvattend overzicht van deze gegevens gemaakt. De commissie heeft gemeend in haar rapportages de gegevens die voortkomen uit deze doorlichting te moeten verwerken. Daarnaast geven de beslissingen van de Centrale toetsingscommissie ( CTC) een beeld van opsporingsmethoden in Nederland. Ook deze gegevens zijn verwerkt in de rapportages. De commissie heeft casusonderzoek gedaan naar enkele bijzondere zaken en methoden naast het onderzoek naar de Delta-methode. Het gaat om een casus of voorbeelden van opsporing en vervolging waarin de vraagpunten van de commissie expliciet naar voren komen. De commissie besteedt specifieke aandacht aan een aantal omvangrijke casussen, te weten de zaken Charles Z., Henk R., TCR/TCA, Laundry, Ramola en AH Oosterbeek, alsmede het Copa-onderzoek. Tenslotte is de informatie die uit de openbare verhoren kwam verwerkt in deze rapportage. In deze verhoren zijn de verschillende opsporingsmethoden uitgebreid aan de orde geweest. De commissie moest daarbij steeds laveren tussen de wens om lopende onderzoeken niet te openbaren of personen niet in gevaar te brengen en de noodzaak om in de openbaarheid de gebruikte opsporingsmethoden te kunnen duiden. De commissie heeft getracht steeds een evenwicht te vinden tussen deze potentieel conflicterende belangen. Het volgende citaat toont het dilemma waarmee zowel de commissie als de getuigen worstelden:

 

 

De voorzitter:

Maar op dit moment? Weet u of er bij u wordt doorgeleverd of niet?

De heer Wilzing:

Ik sta onder ede en u vraagt mij heel concreet over een zaak.

De voorzitter:

Neen, niet over een zaak.

De heer Wilzing:

Maar ik denk aan een zaak; laat ik het zo zeggen. Daar ben ik buitengewoon terughoudend in. Maar ik sta onder ede.

De voorzitter:

U staat onder ede, zeker.

De heer Wilzing:

Dat betekent dat zaken kunnen lopen. Die zijn tot op het hoogste bevoegde niveau
afgeregeld en afgespijkerd, zeer zorgvuldig. Daar is dan ook een driehoek van op de hoogte: die kent het, weet het en weet wat ze wil.

De voorzitter:

Het lijkt u niet verstandig om daarover verder indicaties te geven op dit moment?

De heer Wilzing:

Neen.

De voorzitter:

Goed, dat begrijp ik. Noot Deze onderzoeksmethoden hebben de commissie een goed beeld gegeven van de diversiteit van opsporingsmethoden. Echter, de commissie heeft niet de illusie dat zij door haar onderzoek een volledig beeld heeft. Elk onderzoek levert andere feiten op. In dit onderzoek worden de varianten beschreven waarin opsporingsmethoden worden ingezet, alsmede worden gegevens genoemd over de omvang.


4.2 Vormen van observatie

Onder observatie verstaat de commissie het gadeslaan van bepaalde personen, objecten en situaties ten einde informatie te verzamelen, al dan niet op de openbare weg of al dan niet in voor het publiek toegankelijke ruimten. In haar onderzoek heeft de commissie aandacht besteed aan verschillende vormen van observatie: a. aftappen van telecommunicatie;

b. scannen van mobiele telefoons en van semafoons;
c. direct afluisteren m.b.v. technische middelen (w.o. richtmicrofoons);
d. observeren en volgen;
e. gebruik van plaatsbepalingsapparatuur;
f. fotograferen en maken van video-opnamen;
h. inkijkoperaties.
Een indicatie van het gebruik van deze methoden geeft de volgende tabel. Dit zijn slechts de verzoeken aan de Dienst technische ondersteuning in de afgelopen twee jaren.

Assistentieaanvragen in recherchezaken van alle regio's aan de DTOO in 1995 en 1994

Tabel
Uit deze tabel blijkt een toename van assistentieverzoeken aan de DTOO. Over 1994 zijn de cijfers over daadwerkelijke inzetten niet paraat, maar de gegevens hierover uit 1995 geven een indicatie. Vijftien procent van het totaal aantal verzoeken wordt niet ingewilligd. Hieraan kunnen redenen van recherche-tactische, juridische of technische aard ten grondslag liggen. Om het gebruik van het videolaboratorium, sema-kloon en het plaatsen van peilbakens blijkt het meest verzocht te worden.

Over 1992 en 1993 kunnen de gegevens over aantallen assistentieverzoeken, respectievelijk 485 en 806, gesplitst worden naar politieregio, het KLPD en overigen. Hieronder vallen de bijzondere opsporingsdiensten, de Koninklijke marechaussee en de kernteams. De meeste verzoeken komen van de politieregio's Utrecht en Amsterdam-Amstelland en het KLPD.

In bijlage 5 Methoden is een apart hoofdstuk 3 observatie opgenomen waarin uitgebreid op de elementen van deze observatiemethoden wordt ingegaan. In deze paragraaf zal de commissie zich beperken tot de belangrijkste bevindingen en haar beoordelingen.


4.3 Juridische structuur en organisatie

Observeren als zodanig is niet wettelijk geregeld. Wel is een aantal observatiemiddelen zoals het afluisteren van telecommunicatie en inzage in computerbestanden in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Deze methoden hebben daarmee een expliciete wettelijke basis. De juridische basis voor andere vormen van observatie door de politie wordt in de jurisprudentie gevonden in de algemene taakuitoefening door de politie (art. 2 Politiewet 1993) en de uitoefening van de opsporingsbevoegdheid (art. 141 en 142 Sv). Noot Observatie vindt bij grootschalige onderzoeken plaats door observatieteams (OT), eventueel ondersteund door de secties technische ondersteuning (STO) en de Dienst technische operationele ondersteuning (DTOO). In een aantal gevallen heeft een arrestatieteam (AT) specifieke observaties verricht. Het gaat daarbij dan voornamelijk om inkijkoperaties. In enkele gevallen observeren tactische rechercheurs of CID-rechercheurs zelfstandig. Het OT beschikt standaard over foto- en video-camera's, verrekijkers, camouflage-middelen en veelal een kolibrie.
Dit is een middel om communicatie via mobiele telefoons te kunnen onderscheppen.


4.4 Bevindingen

 

4.4.1 Aftappen telecommunicatie

Het aftappen van telecommunicatie (telefoon, mobiele telefoon, semafoon, fax, dataverkeer) moet plaatsvinden in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek met machtiging van de rechter-commissaris (artt. 125g e.v. WvSv). De commissie heeft slechts één keer geconstateerd dat aftappen van telecommunicatie zonder machtiging van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden.

Het gebruik van taps van (auto)telefoons, semafoons en faxen vindt frequent en nagenoeg automatisch plaats in grote strafzaken. Het aantal taps loopt jaarlijks in de duizenden. Het gebruik van dit opsporingsmiddel is routine geworden voor zowel politie als justitie. De waarde van het middel voor bewijsrechtelijk gebruik is afgenomen omdat leden van criminele organisaties slechts zelden via de telefoon belastende uitspraken doen. Dit neemt niet weg dat dit middel veel informatie kan opleveren. Door middel van de tap worden contacten tussen bepaalde personen, afspraken en ontmoetingsplaatsen vastgesteld. Van de tapverslagen wordt soms kennis genomen door de criminele inlichtingendienst.

 

Aantal geplaatste taps in Nederland, aandelen per arrondissement (bron, rapport WODC).

Tabel
Tappen is een tijdelijk geheim dwangmiddel. De tapverslagen en beschikkingen vormen onderdeel van het strafdossier. In de loop van het gerechtelijk vooronderzoek (na het beëindigen van de tap) komen de gegevens beschikbaar voor de verdachte. Andere getapte personen (niet-zijnde de verdachte) worden niet op de hoogte gebracht. Van een niet later op naam gesteld gerechtelijk vooronderzoek tegen NN raakt de getapte persoon niet (vanwege justitie) op de hoogte.

Het is inmiddels (sinds 1 januari 1996) technisch mogelijk om mobiele GSM-telefoons af te luisteren via de infrastructuur van PTT-Telecom. Afluisteren van GSM geschiedt op grond van artikel 125g Sv. In 1995 is voor het eerst met gebruik van speciale kostbare apparatuur GSM getapt in een kernteamonderzoek. In verschillende deelonderzoeken van een opsporingsteam is veelvuldig gebruik gemaakt van aftapmogelijkheden. Zo worden in Turkije GSM aansluitingen getapt teneinde de onderlinge relaties tussen de verdachten te kunnen vaststellen en gesprekken te kunnen afluisteren. Het aftappen gebeurt door Turkse politiemensen met een machtiging van een Turkse rechter. Eerder zijn ook ATF gesprekken afgeluisterd. Dit keer zonder kennisgeving aan de Turkse autoriteiten.

Zodra het berichtenverkeer gericht wordt afgeluisterd is een machtiging van de rechter-commissaris noodzakelijk. Deze machtigingen worden nagenoeg automatisch verleend en verlengd, met name in opsporingsonderzoeken naar georganiseerde criminaliteit. Zelden wijst een rechter-commissaris een vordering tot aftappen af. Wel komt het voor dat er eerst informeel overleg plaats vindt tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris. Rechters-commissarissen benadrukken echter dat zij steeds weer een nieuwe afweging maken van de proportionaliteit en subsidiariteit van het tappen van bepaalde personen. Het aftappen van gegevensverkeer vindt plaats in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Daarmee is het een onderdeel van het tactische onderzoek. In veel gevallen krijgt de CID toegang tot de inhoud van het gegevensverkeer. Dit is dan het geval omdat de CID, die parallel aan het tactisch traject opereert, op de hoogte moet zijn van hetgeen in het tactische traject gebeurt. Gegevens uit de tap worden ook opgeslagen in CID-registers. Op het moment dat de rechter-commissaris opdracht geeft tot vernietiging van de tapverslagen is niet gegarandeerd dat daarmee ook de door de CID opgeslagen gegevens worden vernietigd. In de praktijk blijft de bij de CID opgeslagen informatie gewoon bestaan. Een wettelijke grondslag voor het opslaan van tapinformatie in CID-registers ontbreekt. In het ontwerp Herziening gerechtelijk vooronderzoek wordt een voorziening getroffen om tapinformatie in andere zaken te kunnen gebruiken. Het printen van telefoonnummers (printers/call tracers) en het registreren van semafoonoproepen vindt veelvuldig plaats. Op die manier tracht de politie in kaart te brengen wie met wie telefonisch contact legt. Het gaat daarbij niet om de boodschap, maar om de vaststelling van contacten. Wanneer de semafoon wordt gebruikt voor gegevensverkeer valt deze onder het regime van artikel 125g Sv. Als er nog geen gerechtelijk vooronderzoek loopt, ligt de bevoegdheid tot printen bij de officier van justitie. In een dergelijk geval dient de officier van justitie binnen een maand na het verkrijgen van de gegevens een gerechtelijk vooronderzoek te
vorderen indien hij van deze gegevens gebruik wil maken. In de praktijk wordt deze wettelijke termijn, die volgt uit artikel 125h, lid 4 Sv wel eens overschreden.

 

De heer Maan:

De wet zegt dat als je gebruikt wilt maken van de gegevens die uit een printerlijst naar voren zijn gekomen een gerechtelijk vooronderzoek moet worden gevorderd binnen een maand na ontvangst, na kennisneming van de desbetreffende gegevens.

De voorzitter: Dus u zegt:

ik mag er een tijd over doen voordat ik er kennis van neem en zo kan ik het oprekken?

De heer Maan:

Het is geen kwestie van oprekken. Het gaat niet om de datum waarop de beschikking door mij is gegeven. Het gaat om de datum waarop ik kennis neem van de desbetreffende gegevens, die voor mij relevant zijn om te gebruiken. Naar aanleiding daarvan beslis ik om een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen. Noot

De commissie heeft vastgesteld dat het in een paar gevallen voorgekomen is dat informatie is opgevangen omdat de hoorn van de haak van een telefoontoestel lag. De commissie is van mening dat in dit verband geen sprake is van een aparte opsporingsmethode.

 

4.4.2 Scannen

Het scannen van mobiele telefoons en semafoons is niet apart wettelijk geregeld. De jurisprudentie staat het toe om deze middelen in te zetten voorzover zij niet gericht, stelselmatig of langdurig worden ingezet. Het gericht gebruiken van scanners om daarmee telefoongesprekken af te luisteren wordt opgevat als het aftappen van gegevensverkeer en moet dan ook aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen. Het scannen van mobiele telefoons door de politie heeft verschillende doelen. Met behulp van een zogenoemde kolibrie kan worden vastgesteld of van deze communicatiemiddelen gebruik wordt gemaakt. Dit wordt door de jurisprudentie toegelaten. Het middel scannen werd op die manier gebruikt ter ondersteuning van het volgen en observeren van personen.

Het is echter tevens mogelijk met behulp van de kolibrie gesprekken, gevoerd over mobiele telefoons af te luisteren. Dit kan enerzijds gebeuren met het doel de inhoud van de gesprekken in het verdere verloop van de strafzaak te gebruiken en anderzijds om vast te stellen waar een bepaalde persoon naar toe gaat. De commissie heeft vastgesteld dat observatieteams voor laatstgenoemd doel, frequent mobiele telefoons afluisteren. Er is dan sprake van het beluisteren van de inhoud van het gesprek, die bovendien soms zakelijk wordt weergegeven in OT-verslagen. Voor dit beluisteren is vaak geen machtiging gegeven.

 

 

De voorzitter:

Twintig jaar geleden bestonden er nog geen Kolibries.

De heer Jansen:

Nee, maar toen had je wel een tap. Je had een indicatie. Het is maar heel kort in zwang geweest om open over de telefoon te praten, want na de eerste rechtszaken was dat mooi afgelopen. Je had dus wel indicaties. Je kon aan een stemverheffing, aan het nerveus worden van mensen die over de telefoon praatten, merken dat er met een bepaalde lading iets niet goed moest zitten. Men was alerter, nerveuzer. Men belde elkaar vaker. Een ogenschijnlijk onbelangrijke lading bleek ineens ontzettend belangrijk te zijn. Het ging een keer om 20 ton elastiekjes waar niemand in Nederland op zat te wachten, maar men had daar geweldig veel haast mee. Dan is daar iets fout. Dan ga je daarnaar kijken. Noot

De heer De Graaf:

Met die Kolibrie kon u eigenlijk twee dingen doen: bepalen dat iemand aan de telefoon zat en rechtstreeks afluisteren als u erachter zat en een frequentie opving.

De heer Mosterd:

Dan konden wij gewoon afluisteren, ja.

De heer De Graaf:

Dat deed u dan zonder machtiging van de rechter-commissaris?

De heer Mosterd:

Voor alle duidelijkheid: de informatie die wij via de Kolibrie hoorden, gebruikten wij alleen als er een machtiging van de rechter-commissaris was. Nog steeds gaat de schakelaar van het apparaat gewoon om als wij zien dat er iemand belt met ATF3, alhoewel je die vandaag de dag niet veel meer tegenkomt.

De heer De Graaf:

Wat bedoelt u met «de schakelaar gaat om»?

De heer Mosterd:

Dat het apparaat aangaat. Dan maakt het observatieteam er gebruik van om te anticiperen op de bewegingen van de verdachte.

De heer De Graaf:

Is dat een grijs gebied of een grensgebied?

De heer Mosterd:

Ik wil er niet schijnheilig over doen: wij beroepen ons er natuurlijk op dat het eigenlijk nergens wettelijk verboden is om een scanner te gebruiken. Er zijn ook uitspraken, richtlijnen, over dat je hem wel mag gebruiken voor operationele werkinformatie ten behoeve van je observatieteam, maar dat je de informatie die zonder machtiging is verkregen, niet mag gebruiken ten behoeve van het onderzoek. Noot


Het is nu bijna algemeen gebruikelijk om voor het scannen een machtiging van de rechter-commissaris te vragen, indien het in feite het afluisteren van telefoonverkeer betreft en om het OM om toestemming te vragen als het gaat om het scannen ter ondersteuning van de observatie. Het middel wordt ook ingezet als er geen verdenking bestaat. Veelal betreft het in de praktijk onderzoeken naar criminele organisaties. Het middel wordt dus enerzijds ingezet om telefoongesprekken af te luisteren en anderzijds als hulpmiddel bij andere vormen van observatie. Terwijl de artikelen 125f en 125g Sv van toepassing worden geacht voor het scannen om af te luisteren, is er geen expliciete wettelijke grondslag voor het scannen ter ondersteuning van de observatie.

4.4.3 Direct afluisteren

Onder direct afluisteren verstaat de commissie het afluisteren en/of opnemen van gesprekken met gebruikmaking van verborgen microfoons en/of recorders. Als men geen deelnemer aan het gesprek is of als men niet handelt in opdracht van een gespreksdeelnemer, is het verboden gesprekken met een technisch middel af te luisteren of op te nemen (artt. 139a en 139b Sr). Evenzo is het verboden afluisterapparatuur te plaatsen (art. 139d Sr). Alleen voor de Binnenlandse veiligheidsdienst is een uitzondering opgenomen. Aangezien voor opsporingsambtenaren geen uitzondering is gemaakt, mag een gesprek door politie en justitie alleen direct afgeluisterd worden als men zelf aan het gesprek deelneemt of als een gespreksdeelnemer hiertoe opdracht heeft gegeven. Infiltranten nemen geregeld gesprekken op.

 

 

De voorzitter:

Was het afluisteren van de safe houses - de infiltrant heeft gesprekken met de criminele groepering - of het afluisteren van auto's rechtmatig?

De heer Naeyé:

De wetgeving op dat punt is zodanig, dat het in het algemeen niet strafbaar is, wanneer iemand een gesprek opneemt en afluistert, waarbij hij zelf is betrokken.

De voorzitter:

Dat is ook geen inbreuk op de privacy?

De heer Naeyé:

Het is niet strafbaar. Als ik van de eerdere gesprekken van de parlementaire enquêtecommissie opnames had gemaakt, dan zoudt u onaangenaam verrast zijn geweest, als ik dat had uitgezonden of gepubliceerd. Dat is niet strafbaar. Dat wil niet zeggen dat het onder omstandigheden geen inbreuk is op de privacy. Het zijn twee verschillende zaken. Noot

De commissie heeft vastgesteld dat verschillende vormen van direct afluisteren zich hebben voorgedaan. Veelvuldig werden gesprekken afgeluisterd met toestemming van één van de deelnemers. Dat gebeurde vooral bij ontmoetingen met informanten, pseudo-koop en infiltratie-acties. Daarnaast hebben politie en justitie gebruik gemaakt van afluisterapparatuur in openbare ruimten en is meegeluisterd met gesprekken die gevoerd zijn in een openbare gelegenheid. Ter illustratie:

 

 

De heer Vos:

Heeft direct afluisteren enige malen plaatsgevonden?

De heer Koers:

Dat heeft een paar keer plaatsgevonden. Wij hebben een keer geprobeerd op een terras met geluidsboxen een gesprek af te luisteren. Daarbij is de redenering toegepast, dat de wet verbiedt in een gesloten ruimte met technische hulpmiddelen een gesprek op te nemen; dit is niet een gesloten ruimte; wij kunnen eens kijken of het lukt. Dat was voordat het nieuwe wetsvoorstel direct afluisteren in de Kamer aanhangig is gemaakt. (...) Ik herinner mij nog een zaak waarin het in overleg met een gevangenisdirecteur gebeurd is, omdat de dreiging bestond dat iemand zou ontsnappen. Dat heeft echter absoluut niets opgeleverd.(...)

De heer Vos:

Mag in een woning ook direct afgeluisterd worden of gelden daar weer andere normen voor?

De heer Koers:

Ik vind dat er in een woning niet direct afgeluisterd mag worden.

De heer Vos:

Is dat ooit gebeurd?

De heer Koers:

In één zaak weet ik dat een collega dat gedaan heeft om - ook daar liep het onderzoek vast - uit te sluiten dat bepaalde mensen wel of niet bij een moord betrokken waren. Daar is het gebeurd.

De heer Vos:

Is daar verslag van gedaan?

De heer Koers:

Daar is verslag van gedaan Noot

De voorzitter:

Wij willen het met u nog hebben over twee kleine puntjes. In de doorlichting van uw regio komt ook nog voor dat u wel eens ging afluisteren met, geloof ik, uw eigen koffer.

De heer Paulissen:

Ja. Wij zagen dat criminelen niet meer via de telefoon met elkaar praatten, maar stad en land afreden om ontmoetingen met elkaar te hebben. Wij hebben zelfs een geval gehad waarin iemand naar Luxemburg reed om daar tien minuten op de hoek met iemand te praten en vervolgens terugging. Wij hebben gezegd: we kunnen achter ze aan blijven rijden tot we een ons wegen, maar wij zullen toch een beetje zicht moeten krijgen op datgene wat daar gebeurt. Wij hebben toen gezegd: in openbare ruimten vangt iedereen gesprekken op. Als je daar bent, vang je flarden van een gesprek op van een naastliggend tafeltje. Waarom


zou je als politie ook niet mogen proberen, die flarden op te vangen? Misschien vang je flarden op die je in het totaal van de onderzoeksgegevens uiteindelijk weer wat wijzer maken.

 

De heer Paulissen:

Wij hebben toen gezegd dat datgene wat een normale burger in de openbare ruimte doet, ook voor de politie toelaatbaar is. Zij kan dus flarden van gesprekken en mededelingen oppakken. Nogmaals, Daarvan kan achteraf worden gezegd: dat is heel stout, dat had je niet moeten doen. Daar heb ik ook wel vrede mee. Maar ik wil maar aangeven dat wij dit soort afwegingen gemaakt hebben. Uiteindelijk hebben wij in die afweging gezegd: wij vinden dit te verantwoorden.

De voorzitter:

Heeft het overigens gewerkt?

De heer Paulissen:

Neen, op dat punt schaam ik mij nog het meest. Als je daarop terugkijkt, ziet het er allemaal wel amateuristisch uit. Het heeft dus niet gewerkt. Wij zijn er op een gegeven moment ook mee gestopt. Noot

De commissie heeft enkele voorbeelden aangetroffen van het plaatsen van bugs en andere afluisterapparatuur zonder dat één van de deelnemers toestemming had gegeven. Ook is enkele malen gebruik gemaakt van richtmicrofoons. Dat deed zich vooral voor bij ernstige noodsituaties.

 

 

De heer Koekkoek:

(...) Werkt u met afluisterapparatuur?

De heer Broere:

Ja.

De heer Koekkoek:

Bij welke gelegenheden?

De heer Broere:

Gijzelingen, ontvoeringen. Wij maken daarbij ook gebruik van camera's om zicht te krijgen op wat zich binnen afspeelt. Noot

De indruk bestaat dat inzet van deze methoden alleen wordt overwogen in zaken die OM en politie zeer ernstig vinden. Dit valt ook te concluderen uit de doorlichting. Daarin wordt 15 maal melding gemaakt van direct afluisteren, waarvan in zes gevallen met medeweten van één der gespreksdeelnemers. Het afluisteren vond plaats in gevallen van moord/doodslag, gijzeling, een schietpartij, kinderporno, een zedenzaak, fraude en handel in verdovende middelen. Een paar uitgewerkte voorbeelden:

Moordzaak
Tijdens het onderzoek naar de gewelddadige moord op een bejaarde vrouw is direct afgeluisterd. Dit gebeurde door de plaatsing van afluisterapparatuur in een woning teneinde de gesprekken van de vermoedelijke dader in de aangrenzende woning af te luisteren. Dit betrof een zwaar verslaafde jongen die bij zijn moeder woonde. Uit de bandjes die gedurende twee dagen van gesprekken tussen moeder en zoon zijn opgenomen bleek dat de jongen niet betrokken was bij de moord. Deze afluisteroperatie gebeurde onder de regie van de CID en met toestemming van de officier van justitie.

Gijzelingszaak
In het geval van een gijzelingszaak is direct afgeluisterd door het aanbrengen van afluisterapparatuur in een hotelkamer. Het ging om de gijzeling van een uit Duitsland afkomstige Turk. Het zag ernaar uit dat de onderhandelingen tussen de familie en de gijzelnemers in een nader bepaalde lokatie zouden plaatsvinden. Op voorhand heeft de politie toen een hotelkamer gehuurd waarin video- en geluidsapparatuur is geplaatst. Naderhand liep de zaak anders en is deze afluisteractie niet nodig gebleken. Hiervoor was toestemming gegeven door de officier.

Afluisteren in het huis van bewaring
In het huis van bewaring zat een verdachte die vermoedelijk betrokken was bij de invoer van verdovende middelen van Frankrijk naar Nederland. Een medeverdachte kwam op bezoek en er zou wellicht over de handel gepraat worden. Besloten werd om direct af te luisteren, hetgeen echter geen succes had. Het direct afluisteren leverde vaak slechte kwaliteit van het opgenomen geluid. Dat vormt volgens politie- en justitiefunctionarissen de belangrijkste reden waarom nog weinig gebruik wordt gemaakt van deze methoden.

 

De heer Kloosterman:

Ik heb nog nooit gezien dat zoiets werkt. Ze hebben mij nog nooit kunnen bewijzen dat dit te doen is voor ons soort werk. Het is mooi in het bos, als het heel stil is, voor de vogeltjes, maar ik denk niet dat je in een stad als Amsterdam een richtmicrofoon kan gebruiken. Noot

De toestemming en controle van direct afluisteren varieerde. De criteria op basis waarvan tot gebruik werd besloten, zijn onduidelijk. De toestemming werd, zover kon worden nagegaan, door een officier van justitie gegeven. In het verleden (voor 1992) werd zelden toestemming gevraagd aan het OM. De laatste jaren is daar verandering in gekomen. De commissie heeft geconstateerd dat officieren van justitie toestemming hebben
gegeven voor vormen van direct afluisteren waarvoor geen juridische basis bestond. Daar komt bij dat de vastlegging van het direct afluisteren varieert van uitgebreid (bij de DTOO) tot summier (bij de afzonderlijke STO's bij de regio's). Het wetsontwerp Direct afluisteren waarvan de behandeling voor de duur van de enquête is opgeschort, voorziet in een exclusieve rol voor de DTOO bij het aanbrengen van afluisterapparatuur.

4.4.4 Observeren en volgen

Onder observeren en volgen verstaat de commissie het direct, fysiek heimelijk gadeslaan en heimelijk volgen van een persoon of een object, al of niet met gebruikmaking van hulpmiddelen. Het observeren en volgen is het klassieke schaduwen. Dit schaduwen wordt meestal aangeduid als dynamische observatie. Noot Daarnaast kent men de statische observatie. Dat is het vanuit een vast punt in de gaten houden van een object (woning, loods, dealpand). Het gebeurt door het subject op enige afstand te volgen, zowel op de openbare weg als in voor het publiek toegankelijke ruimten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van optische hulpmiddelen, zoals verrekijkers en van beeldregistratie-apparatuur, zoals foto-en videoapparatuur. Ook worden wel detectoren ingezet:

Wanneer men een vermoeden heeft dat er ingebroken gaat worden in een pand, dit kan zijn op basis van CID-informatie, kan men ertoe overgaan om een postkoffer te plaatsen. Dit werkt als volgt. In een ruimte wordt op een strategische plaats een klein kastje met een of andere detector geplaatst. Dit kan bijvoorbeeld een warmtemeter zijn of een bewegingsmelder. Dit kastje is draadloos dan wel met een draad verbonden aan een koffer. Wanneer de detector een signaal uitzendt wordt de apparatuur in de koffer geactiveerd om een van te voren geprogrammeerd nummer van bijvoorbeeld de meldkamer of een semafoon te bellen. Een ingesproken bandje meldt vervolgens welke postkoffer gemeld heeft, waarna een poging tot betrappen op heterdaad kan worden gedaan. Dit gebeurt veelal met toestemming van de eigenaar van het pand. Deze postkoffer wordt ook wel gebruikt bij een huiszoeking die meerdere dagen bestrijkt. Hiermee kan worden voorkomen dat goederen 's nachts ontvreemd worden. Van tevoren wordt over de inzet geen officier gekend. Dynamische observatie wordt zeer veelvuldig ingezet. De duur varieert van enkele uren tot enkele weken. De totale duur van een observatie van een criminele groep kan maanden duren.

 

De heer Koekkoek:

Wat is de langste observatie die u ooit heeft gedaan op dezelfde zaak?

De heer Kloosterman:

Enkele jaren.

De heer Koekkoek:

En dat betekende dat u steeds maar weer...

De heer Kloosterman:

U moet het niet zo zien dat wij 's ochtends vroeg opstaan en dan direct op die zaak gaan en dat wij dat twee jaar lang doen.

De heer Koekkoek:

Ik bedoel dat u er regelmatig mee bezig bent.

De heer Kloosterman:

Enkele malen in de week wordt er gekeken wat hij doet. Noot Langdurige observatie, zeker in combinatie met andere opsporingsmethoden, is een ingrijpende zaak.

De voorzitter:

Wij zien nu constant, en dat hebben wij ook in ons onderzoek gezien, dat de politie langdurig observeert, ook zonder dat er sprake is van een specifiek strafbaar feit. Men kijkt ook naar de achtergrond van mensen. Gisteren en vanochtend hebben wij dat ook gehoord en hebben wij ook de noodzaak gehoord die daarbij door justitie en politie wordt aangegeven om dat te doen. Nu die wettelijke regeling er nog niet is, is dat dan allemaal onrechtmatig?

De heer Corstens:

Ik zou beweren dat het onrechtmatig is. Als je de redenering aanhangt dat het onderdeel is van de opsporingstaak of in het algemeen van de politietaak en je zegt dat er daarmee voldoende legitimatie is, misken je het systeem van de Grondwet en het systeem van het Verdrag. Mijn conclusie zou zijn dat het onrechtmatig is. Een ding is naar mijn idee nodig, in elk geval, naast allerlei andere zaken die straks nodig zullen blijken te zijn, zo schat ik althans, en dat is een wettelijke regeling van dit type langdurige, stelselmatige, systematische observatie. Op dit moment zou ik dus zeggen dat het onrechtmatig is. Noot

Ook de omstandigheden waaronder en de plaats alwaar de observatie plaatsvindt kunnen deze zeer ingrijpend maken. Zo bleek uit de doorlichting dat een rechercheur zich tijdens een tactisch onderzoek in een verdovende middelenzaak heeft laten opnemen in het ziekenhuis op de kamer van de verdachte. Op deze wijze kon observatie plaatsvinden.

Deze observatie-activiteiten worden doorgaans verricht door een observatieteam. De beslissing tot inzet van een OT wordt genomen door de tactische chef of de CID-chef. Soms wordt toestemming gevraagd aan de officier van justitie. De verkregen informatie wordt vastgelegd in een volgrapport
en verstrekt aan de tactische recherche of de CID. De resultaten van de observatie worden veelal als CID-informatie behandeld. Dat betekent dat aangegeven wordt wat is waargenomen, maar niet hoe is waargenomen. De gegevens worden veelal verwerkt in de CID-bestanden.

 

4.4.5 Plaatsbepalingsapparatuur

Het gebruik van plaatsbepalingsapparatuur is het inzetten van een heimelijk geplaatste zender die een signaal uitzendt dat bij ontvangst de plaats van het object aangeeft. De ontvanger kan zowel op een centrale plaats zijn ondergebracht, als mobiel worden ingezet. Juridisch wordt het gebruik van plaatsbepalingsapparatuur opgevat als ondersteuning bij de observatie. Plaatsbepalingsapparatuur kan tevens worden gebruikt om bewegingen in kaart te brengen. De jurisprudentie lijkt deze methode te aanvaarden en acht deze onderworpen aan de algemene criteria voor observatie. Noot

 

 

De heer Vos:

In de notitie die u ons stuurde, meldde u het geval van een peilzender die in een fiets werd ingebouwd van twee jongens die van brandstichting verdacht werden.

De heer Van der Spoel:

Dat betreft een geval van een collega van mij. Je kunt je daarbij de vraag stellen of ze het allemaal wel goed hebben bekeken, of het allemaal wel evenwichtig is. Ik denk dat dergelijke middelen alleen in bepaalde gevallen moeten worden gebruikt. Dat geldt ook voor de telefoontap en andere dwangmiddelen die wij kennen uit het Wetboek van Strafvordering. Noot

Plaatsbepalingsapparatuur wordt vooral ingezet in verband met doelmatigheidsoverwegingen. De inzet bespaart mankracht en maakt onopgemerkte observatie mogelijk. Peilapparatuur wordt vooral gebruikt ter ondersteuning van het OT indien een verdachte moeilijk te volgen is. Een voorbeeld, gegeven tijdens het verhoor van een observant:

 

 

De heer Koekkoek:

Dat ging met hoge snelheid over de autobaan?

De heer Kloosterman:

Nee, dit ging met heel lage snelheid. Ja, ik kan het eigenlijk wel vertellen, maar... Wij maakten toen gebruik van peilapparatuur. Eh, de man reed nogal langzaam.

De heer Koekkoek:

Wat is langzaam op de autobaan?

De heer Kloosterman:

80 km/u. (...) meestal word je dan voorbij gereden door de vrachtwagens. Dus dan valt 80 km/u erg op, als er een hele sliert OT-auto's rijdt. (Gelach) Het schijnt grappig te zijn, maar voor ons zijn zulk soort situaties heel moeilijk. Dus toen is er besloten om peilapparatuur in te zetten. (...) Ik denk dat ook meegenomen is dat een sliert Nederlandse auto's in een buitenland heel moeilijk te verbergen is. Dus vandaar dat er ook peilapparatuur ingezet is. Noot

De feitelijke aanbrenging vindt veelal plaats door de DTOO. De wijze waarop de DTOO dat doet blijft voor de aanvrager geheim. De verzoeken om technische ondersteuning aan de DTOO zijn vanaf 1992 verdrievoudigd. Noot In 1995 worden 212 verzoeken om plaatsing van peilbakens uitgevoerd. Noot De meningen over de kwaliteit van de peilbakens verschilt.

 

 

De voorzitter:

Gisteren heeft onze laatste getuige (Kloosterman) gezegd dat hetgeen voorhanden is, eigenlijk niet goed werkt.

De heer Hellemons:

Dat heb ik gehoord, maar ik ben het in het geheel niet met hem eens.

De voorzitter:

Maar hij rijdt ermee rond; u stuurt de mensen eruit.

De heer Hellemons:

De vraag is waar hij mee rondrijdt. Ik wil hier graag bij aantekenen dat er, zoals ik al aangegeven heb, een enorme variëteit aan plaatsbepalingssystemen is. Ik neem aan dat de getuige van gisteren doelt op een standaardmethodiek van een observatieteam.

De voorzitter:

Het plakken van een...

De heer Hellemons:

Van een peilbaken, zoals u waarschijnlijk wilde opmerken. Ik teken hierbij aan dat er op dit moment heel andere systemen bij onze dienst in gebruik zijn. Ongetwijfeld zullen er vanavond rijen deskundigen op de televisie komen en in de krant staan, die allemaal laten zien dat een peilbaken piept en dat je met een apparaat, waarvan zij driftig verkondigen dat het echt maar f.120 ex BTW kost, die peilzender onmiddellijk te pakken hebt aan de andere kant van de kamer. Ik durf hier echter absoluut te beweren dat wij goede systemen in gebruik hebben. Ik daag elke crimineel uit om die te vinden. Ik denk dat dat niet lukt. Noot

De inzet van plaatsbepalingsapparatuur gebeurt frequent, in sommige regio's meer dan 30 keer per jaar. De duur van de inzet kan variëren van enkele dagen tot meer dan een half jaar. Van een eenduidige (eerste) maximumduur met de mogelijkheid tot verlenging is in de praktijk geen sprake. Dat betekent dat niet tevoren
wordt bepaald hoelang het middel mag worden ingezet. In de meeste gevallen wordt het middel pas in de verdenkingsfase ingezet, maar het wordt ook ingezet in de hieraan voorafgaande periode. Veelal betreft het in de praktijk onderzoeken naar criminele organisaties die verdacht worden van de handel in verdovende middelen, maar het vindt ook toepassing bij andere criminaliteit, zoals inbraken en autokraken. Tot 1992 besloot de politie zelfstandig over de inzet van deze middelen. Toestemming voor het gebruik van deze middelen wordt nu veelal schriftelijk gegeven door een officier van justitie. Sinds 1 januari 1995 moet de inzet van een technisch middel aan de Centrale toetsingscommissie worden gemeld. In een aanzienlijk aantal gevallen is er inmiddels melding gedaan. Tot nadere normering heeft dit nog niet geleid. De inzet van plaatsbepalingsapparatuur is geheim. Er is een tendens om in het zogenoemde stamproces-verbaal zakelijk mee te delen dat van plaatsbepalingsapparatuur is gebruik gemaakt en eventueel ook voor welke termijn. Het is geen vaste regel dat hetgeen door middel van de plaatsbepalingsapparatuur wordt waargenomen in de vorm van een proces-verbaal wordt vastgelegd.

 

4.4.6 Foto- en video-apparatuur

Het gebruik van foto- en video-apparatuur is niet wettelijk geregeld. De jurisprudentie laat het fotograferen en het maken van video-opnamen toe, zolang de privacy niet geschonden wordt. Van belang is dat niet meer wordt waargenomen dan een lijfelijk aanwezige politiefunctionaris had kunnen waarnemen.

 

De heer De Graaf:

Een camera op het raam, is dat in uw arrondissement wel of niet gebeurd?

De heer Koers:

Ik weet dat er in één zaak een video geplaatst is op een woning waarmee door de woning heen gekeken kon worden. Het betrof een zaak waarin een moord gepleegd werd. Noot

Foto- en video-observatie wordt zeer veel gehanteerd. Het gaat daarbij primair om het observeren van de buitenkant van een gebouw, lokaliteit of woning. Het gaat daarbij veelal om videocamera's die op de openbare weg zijn geplaatst of met toestemming van betrokkenen in een huis of loods. Een enkele maal werd via een inkijkoperatie een camera geplaatst in een loods zonder toestemming van de rechthebbende. Sommige camera's waren gekoppeld aan een bewegingsdetectiesysteem. Bij nagenoeg elk omvangrijk strafrechtelijk onderzoek wordt wel gebruik gemaakt van deze methode. In de doorlichting wordt honderden malen melding gemaakt van de inzet van deze methode.

 

 

De heer Koers:

Van alle bezoeken in de caravan, waar onze infiltrant toen woonde, en in het appartement waar hij later woonde, zijn video-opnames met geluidopnames gemaakt om dit risico, deze discussie (of er wel of niet een verhoorsituatie was, red.) uit te sluiten. Noot

De mate van controle varieert. Soms geeft een officier van justitie toestemming, soms is hij alleen op de hoogte en soms doet de politie het zelfstandig.

 

De voorzitter:

Nee, ik bedoel de slimmigheidjes. Ik vind het een vervelend woord, maar u hebt het zelf geïntroduceerd. Ik zou het niet bedacht hebben. Laten wij zeggen: methodieken waarover u zelf besliste en die verder niet terug te vinden waren.

De heer Mosterd:

Ja, er is nog de statische observatie, het plaatsen van videocamera's. Dat passen wij in Hollands-midden regelmatig toe teneinde zicht te krijgen op lokale dealers. Hoe is hun handel en wandel, wanneer komen de klanten en wanneer de spullen? Dat plaatsen bepaal ik gewoon zelf. Nu is het overleg gelukkig inmiddels zodanig dat wij deze zaken ook ter kennisgeving bespreken met de officier, maar dat was een stukje niemandsland. Pas sinds het begin van dit jaar moeten wij dat doorgeven aan de Centrale

toetsingscommissie, zodat zij er zicht op krijgt hoe vaak dit middel wordt toegepast.

 

De voorzitter:

Gebruikt u ook video met geluid in verhoorkamers van politiebureaus?

De heer Mosterd:

Die wordt ook gebruikt, maar die is dan altijd openlijk geplaatst. De verdachte die gehoord wordt, ziet gewoon dat er video staat. In zwaardere zaken kan een koppel in een kamer ernaast zich dan ook inleven in de verhoorsituatie.

De voorzitter:

Dat is zichtbaar, niet heimelijk?

De heer Mosterd:

Dat is gewoon zichtbaar. Het is aan iedereen bekend.

De voorzitter:

En videocamera's met geluid?

De heer Mosterd:

Nee, die gebruiken wij niet. Ik herinner mij die discussie, maar wij werken alleen met beelden. Op geen enkele manier proberen wij via dergelijke methodieken geluid op te nemen, te registreren.

De voorzitter:

Wordt er bij het maken van de processen-verbaal goed op gelet dat het zien van gebeurtenissen zowel met het blote oog als met video gebeurd kan zijn? Staat er bijvoorbeeld in het proces-verbaal: ik zag om 9.32 uur dat mijnheer Jansen zijn pand verliet? Of staat erin: ik zag dat mijnheer Jansen om 9.32 uur zijn pand


verliet?

 

De heer Mosterd:

In het begin hebben wij het zodanig op papier geformuleerd dat het niet duidelijk werd of het via een videocamera was geregistreerd of rechtstreeks met de ogen van de betrokkenen. Ook daarin zie je een ontwikkeling. Wij geven nu gewoon aan of er wel of niet gebruik is gemaakt van een videocamera. Noot

Dit middel wordt - ook bij statisch gebruik - niet alleen ingezet na een redelijk vermoeden van schuld, maar ook pro-actief en (zelfs) in het kader van de openbare ordehandhaving. Het middel wordt bij alle soorten misdrijven toegepast. De inzet geschiedt in hoofdzaak om doelmatigheidsredenen. Er wordt mankracht bespaard en soms is andere observatie onmogelijk.

De duur van de inzet varieert sterk: van enkele uren tijdens het volgen tot (statisch) enkele maanden (bijvoorbeeld een loods). Relevante waarnemingen worden met het oog op de interne communicatie binnen het onderzoeksteam in het journaal vermeld.

De inzet van het middel is doorgaans geheim. Tot voor kort geraakte de verdachte als regel in het geheel niet op de hoogte van de inzet van het middel. Er is een tendens om in het stamproces-verbaal zakelijk mededeling te doen van de inzet van het middel. Het is nog niet gebruikelijk daarbij de duur van de inzet en hetgeen is waargenomen aan te geven. Probleem bij de openbaarmaking is dat daardoor mogelijk gevaar ontstaat voor derden die hun medewerking verleenden.

 

4.4.7 Inkijkoperaties

Inkijkoperaties is de verzamelnaam voor de activiteiten waarbij men heimelijk en zonder toestemming van de rechthebbende een (afgesloten) gebouw of erf betreedt, eventueel door middel van braak of verbreking, om binnen de situatie in ogenschouw te nemen en/of apparatuur aan te brengen in de ruimte zelf of aan een in die ruimte aanwezig object. Er bestaat in de praktijk onduidelijkheid over de definitie van inkijkoperaties. Sommigen beschouwen het over een hek kijken of door een kier in de schutting kijken al als een inkijkoperatie. Noot

De reden voor een inkijkoperatie is veelal het verder sturen van het onderzoek. Een inkijkoperatie bevestigt een bestaande aanwijzing of een bestaand vermoeden. Een inkijkoperatie kan er toe leiden dat een vordering tot huiszoeking (beter) kan worden gemotiveerd. Er worden eveneens (zij het minder frequent) inkijkoperaties uitgevoerd om plaatsbepalingsapparatuur op een voertuig te plaatsen of een videocamera te installeren. De jurisprudentie laat een inkijkoperatie op basis van de Opiumwet (art..9) toe. Noot Ook kan dit plaatsvinden op basis van bijzondere wetten. De rechtbank Den Bosch achtte de schouw (art. 150 Sv) een wettelijke basis voor inkijkoperaties. Het met gebruikmaking van een hulpmiddel in een ruimte naar binnen gluren, zonder die ruimte te betreden (bv. met een endoscoop in een loods of vrachtwagen kijken), wordt in de zaak Charles Z. toelaatbaar geacht.

 

 

De heer Koekkoek:

Biedt de Opiumwet een basis?

De heer Corstens:

Ja, artikel 9, Opiumwet. In de eerste plaats eist de Opiumwet, net als Strafvordering, dat er sprake moet zijn van een redelijk vermoeden. Het mag alleen maar als er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit en dus niet in de voorfase, de fase van pro-actief optreden. Dat heeft een van de kamers van het Amsterdamse Hof naar mijn gevoel terecht uitgemaakt. In de tweede plaats heb ik het idee dat je binnen de Opiumwet het binnengaan van plaatsen mag doen om daar andere, geregelde handelingen te stellen, namelijk in beslag nemen, huiszoeking of iemand aanhouden. Het gaat niet op voor deze wijze van opereren. Naar mijn gevoel heeft de wetgever daar niet aan gedacht.

De heer Koekkoek:

U ziet het niet als een zelfstandige bevoegdheid?

De heer Corstens:

Nee, ik zie het niet als een zelfstandige bevoegdheid. Noot De Handleiding kijkoperaties 1995, die is uitgevaardigd door het College van procureurs-generaal Noot , stelt uitdrukkelijk dat, buiten gevallen die onder de Opiumwet plaatsvinden, de schouw de grondslag van een inkijkoperatie is. Volgens de handleiding is inkijken in woningen niet toegestaan. De commissie heeft verschillende vormen van inkijkoperaties aangetroffen: een politieman die met een controlerend ambtenaar mee naar binnen gaat om rond te kijken, het kijken door een door de politie geboord gat in de zijkant van een loods, het oplichten van een dakplaat van een loods, het binnentreden om plaatsbepalingsapparatuur te plaatsen of te vernieuwen, het plaatsen van bewegingsmelders, het binnentreden in loodsen en schuren om de situatie te bezien en de aanwezige goederen te controleren.

De voorzitter:

Inkijkoperaties? De heer Welten had er maar één. En wij hebben toen doorgevraagd: hoeveel inkijkoperaties heeft u in de afgelopen jaren gehad.

De heer Van Amerongen:

Ik zit pas twee jaar bij deze afdeling. Ik denk dat er in ieder geval iets van tien waren
en die zijn allemaal keurig netjes benoemd in het proces-verbaal en door de rechter getoetst.

De voorzitter:

Heeft bij u niet gespeeld dat van bepaalde inkijkoperaties geen proces-verbaal was gemaakt? Wij weten dat daarop in Den Bosch een zaak stukging.

De heer Van Amerongen:

Ik ken dat voorbeeld ook, ja.

De voorzitter:

En bij u niet? Is dat nooit voorgekomen?

De heer Van Amerongen:

Jawel. Ik heb één keer toestemming gegeven - dat was in de eerste fase dat ik er zat gebruikelijke wijze was waarop wij dat drie à vier jaar terug deden. Wij hebben pas de ommezwaai gemaakt na - om een inkijkoperatie te doen onder de CID-vlag, zoals wij dat dan noemen. Ik denk dat dat ook de de notitie van de twee heren Revers en Pieters van het Bossche parket, omdat zij hem onder 9 Opiumwet en dan onder 150 Wetboek van Strafvordering lieten vallen. Wij hebben achteraf gemeend, die zaak alsnog te moeten melden en daarvan 9 Opiumwet te maken. Maar voorheen - ik heb dat gisteren nog een keer nagevraagd omdat ik het verhoor van de heer Welten heb gehoord - vond dat naar mijn mening gewoon plaats onder de CID-vlag. Ik denk dat dit als reden had dat men eigenlijk vond dat wel de zorgvuldigheid er was, dat dus de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit werden ingevuld, maar dat het wat de wetmatigheid betreft, niet kon. Noot

De heer De Graaf:

Heeft u toestemming gegeven voor een inkijkoperatie?

Mevrouw Gonzales:

Ja, dat heb ik gedaan.

De heer De Graaf:

Op grond van 9 Opiumwet?

Mevrouw Gonzales:

Ja.

De heer De Graaf:

Volgens de richtlijnen Gonsalves?

Mevrouw Gonzales:

Exact. Klopt.

De heer De Graaf:

Eén keer?

Mevrouw Gonzales:

Dat is één keer gebeurd en ik moet erbij zeggen dat het nog mislukt is ook, dus het had niet veel resultaat.

De heer De Graaf:

Het is dus bij een poging gebleven?

Mevrouw Gonzales:

Ja, en het is geverbaliseerd, inderdaad op basis van 9 Opiumwet. Noot Van inkijken in woningen of kantoren Noot is nauwelijks gebleken. Men zou kunnen spreken van enkele - zeer zeldzame - semi-inkijkoperaties in woningen/kantoren, waarbij een opsporingsambtenaar andere ambtenaren tijdens een reguliere controle begeleidde. Inkijken is een methode die binnen politie en justitie met enige regelmaat is gehanteerd. Inmiddels lijkt het aantal sterk terug te lopen. Inkijkoperaties werden vaak uitgevoerd zonder enige verdere vastlegging en zonder vermelding in het proces-verbaal. Verschillende arrestatieteams (bijvoorbeeld Rijkspolitie West II, Utrecht en Rotterdam) voerden dergelijke operaties uit, ook ten behoeve van het IRT.

De voorzitter:

Het lijstje van de heer Zöllner betrof allerlei inkijkoperaties waar verder geen verslaglegging van terug te vinden was. Uit een zakboek kwam naar voren: «klusje voor Lith». En wij vragen ons nu af wat dat was.

De heer Lith:

Mijn opvatting daarover is dat de registratie niet thuishoort bij het arrestatieteam maar bij degene die de verantwoordelijkheid had. Die lag bij mij en daar is het geregistreerd. Ik heb er ook over gesproken met de heer Zöllner. Ik heb ook geconstateerd dat een aantal malen bij hem op z'n lijstje stond: «klusje». Ik zal u een voorbeeld geven. Als ik hem vroeg om met zijn team bij wijze van spreken morgen zo'n inkijkactie te verrichten, dan ging hij vanavond voorverkennen. Daar besteedde hij twee uur aan. En dat bleek er ook op te staan als «klusje». In die zin kan ik precies bij de administratie van het IRT terugvinden welke inkijkacties, overigens met toestemming van het openbaar ministerie, wij hebben gedaan. Noot

De inkijkoperaties werden veelal ook uitgevoerd door de Dienst technische operationele ondersteuning van het Korps landelijke politiediensten. Over de omvang van de inzet van deze methode is weinig te zeggen aangezien slechts zelden zaken werden vastgelegd.

Een aantal voorbeelden is bekend uit de doorlichting.
Inkijkoperatie in een kas
In een verdovende middelenzaak is door de politie zonder toestemming van de officier een inkijkoperatie uitgevoerd in een kas. Het vermoeden was er dat er hennepplanten zouden worden gekweekt. In de grote kas bleken inderdaad enige honderden hennepplanten te staan. Hierna is er nog een tweede keer gekeken o.a. door CRI-medewerkers die bevestigden dat het inderdaad ging om verboden planten. Vervolgens zijn bij huiszoeking de planten in beslag genomen.
Meeliften
De politie heeft onder bijzondere omstandigheden een voor-inkijkoperatie gedaan in een loods. In het kader van een onderzoek werd geïnformeerd bij het GEB naar het energieverbruik in een bepaalde loods. Door het GEB werd gemeld dat de gasinstallatie was afgesloten en dat er een aanvraag was om de levering te hervatten. Het GEB moest echter de aanwezige gasinstallatie nog keuren. Vervolgens heeft een politieman de GEB-controleur vergezeld bij de controle van de gasinstallatie in de loods. Hierbij was de eigenaar aanwezig. De politieman heeft de situatie in de loods en de afsluiting hiervan bekeken. Het doel van dit «meeliften» was om de opportuniteit van een eventuele latere inkijkoperatie danwel een huiszoeking te beoordelen. Dit vervolgtraject is echter niet doorgegaan.


Milieuambtenaar controleert op verzoek
In een onderzoek heeft een ambtenaar van milieuzaken op verzoek van de politie een bedrijf gecontroleerd. Hij werd hierbij vergezeld door een politieambtenaar die met een verborgen camera opnamen maakte in het pand. De politieman heeft zichzelf niet als zodanig kenbaar gemaakt maar deed zich voor als een collega van de milieu-ambtenaar. Later is dit in een andere situatie nogmaals gebeurd, maar dan zonder camera. In sommige gevallen was er sprake van toestemming van het OM, in andere gevallen was het OM niet op de hoogte. Soms vond de inzet plaats op initiatief van de CID, soms van de tactische recherche. Tot voor kort besloot de politie zelfstandig over het gebruik van dit middel. De Handleiding kijkoperaties verplicht de politie tot toestemming van het OM. De registratie van de inkijkoperaties liet veel te wensen over. Het bleek in verschillende gevallen niet mogelijk achteraf te reconstrueren wie waarvoor inkijkoperaties had verricht. De gebeurtenissen rond de strafzaak Henk R. tonen dit duidelijk aan.

 

4.4.8 Andere observatiemethoden

In verschillende interviews komen vuilnissnuffel en postvang, in de zin van hengelen in brievenbussen, aan de orde. Postvang in deze zin is in strijd met het grondwettelijk gewaarborgde briefgeheim. Het Wetboek van Strafvordering kent een aparte regeling voor het onderscheppen van poststukken (zie artt. 100-102 en 114 Sv). Postvang buiten deze regeling om is onrechtmatig. In de zaak Charles Z. heeft de Hoge Raad beslist dat het in die zaak toegepaste onderzoek van huisvuil geen schending van het recht op de persoonlijke levenssfeer opleverde.

Slechts weinigen zien vuilnissnuffel en postvang als bijzondere methoden waarvoor aparte regelgeving zou moeten worden geformuleerd. Deze methoden worden volgens betrokkenen al gebruikt zolang de politie bestaat.


4.5 Casusonderzoek

 

4.5.1 De zaak Charles Z.

 

Een casus ter illustratie van de rechterlijke beoordeling van bijzondere opsporingsmethoden

 

Feiten en omstandigheden

De zaak Charles Z. betreft een onderzoek naar een criminele organisatie met als belangrijke hoofdactiviteit het importeren van grote hoeveelheden hasj uit Marokko. De hasj is bestemd voor zowel de Nederlandse markt als voor de doorvoer naar het buitenland. Verder houdt de criminele organisatie zich bezig met het witwassen van met die handel verkregen gelden.

Voor het transport van de hasj vanuit Marokko naar Nederland wordt gebruik gemaakt van koelwagens van reguliere transportondernemingen. Daarnaast beschikt de organisatie over een groep die zich bezighoudt met zowel het inpakken van de hasj in Marokko als het uitpakken en doorvoeren naar decentrale opslagplaatsen in Nederland. De leden van deze groep zijn eveneens betrokken bij het ophalen van crimineel verkregen geld in het buitenland, het wisselen en tellen ervan. Het tellen van het geld speelt zich af in de kelder van de villa van Charles Z. De criminele gelden worden onder meer witgewassen via de autohandel (Ferrari's, Porsches, Maserati's, Rolls Royces en dergelijke) door het aan Z. toebehorende bedrijf Investment Cars BV. Binnen de organisatie wordt verscheidene malen geweld toegepast of gedreigd met geweld om leden van de organisatie te dwingen zich te schikken naar de opdrachten die Charles Z. geeft.

Politieel en justitieel onderzoek

De zaak Charles Z. betreft een onderzoek dat wordt uitgevoerd door een multidisciplinair team dat voor langere tijd speciaal is vrijgesteld. De Amsterdamse politie begint omstreeks eind mei 1991 met het verzamelen en in kaart brengen van her en der liggende processen-verbaal en CID-informatie rondom de «groep Z.». Dit betreft een uitsluitend administratief onderzoek waarvan de resultaten zijn verwerkt in een zogenoemde misdaadanalyse.

De resultaten van dit onderzoek worden in augustus 1991 gepresenteerd aan de Amsterdamse driehoek, waarop besloten wordt tot de oprichting van een multidisciplinair onderzoeksteam. Het team wordt geleid door een volledig voor die taken vrijgestelde officier van justitie. Begin 1992 wordt het rechercheteam uitgebreid met personeel van de FIOD, afdeling douanerecherche.

In september 1991 begint het rechercheteam met een zogeheten proactief onderzoek.

 

De heer De Graaf:

Mijnheer Woelders, mag ik nog twee punten met u doornemen? Beide hebben betrekking op de zaak-Z. Wij hebben van de heer Van Gemert informatie gehad over de wijze waarop cliëntgegevens bij een bank zijn opgevraagd. Ik neem aan dat u kunt bevestigen, dat dat is gebeurd.

De heer Woelders:

Dat klopt.

De heer De Graaf:

Het gebeurde in een fase waarin nog sprake was van pro-actief onderzoek?

De heer Woelders:

Ja, die term is in die periode gebruikt. Ik vind de term wat ongelukkig. Ik kan, los van de terminologie, beter omschrijven wat de situatie was. Er is een maand of drie informatie in het land verzameld over de groepering rondom Z. Dat is in juni 1991 gebeurd. Dat heeft geleid tot een presentatie in augustus 1991 van de doelgroep-Z. Daarin stond wie erin zaten en wat de strafbare feiten waren. Op dat moment zijn het allemaal CID-subjecten. Er lag ook voldoende informatie om op dat moment een onderzoek op te starten. Wij hebben de maanden daarna gebruikt om die informatie te veredelen, te controleren en verder uit te bouwen. Daar hebben wij vanaf september 1991 tot mei 1992, uit mijn hoofd gezegd, aan gewerkt. Toen was pas het eerste GVO in dat onderzoek. In die tussenfase is er dus gewoon sprake van tactisch onderzoek. Dat hebben wij in de zaak-Z. pro-actief genoemd, maar ondertussen heb ik daar ook wel weer tien definities over gehoord. Dus ik laat die term nu maar los. Wij hebben er toen tactisch onderzoek naar verricht. De vraag was ook: is hij op dat moment verdachte of zitten er verdachten in. Er lag zoveel CID-informatie, dat hij in ieder geval verdachte was ter zake van art. 2 en 3 Opiumwet. Wij bekeken met name in hoeverre er sprake was van een criminele organisatie en hij daar dus van kon worden verdacht. Noot

In de periode van september 1991 tot mei 1992 controleert en actualiseert het team de eerder binnengekomen informatie door middel van het observeren van bewegingen van personen en voertuigen en van contacten tussen personen. Tevens worden gegevens omtrent adressen en telefoonnummers van die personen achterhaald en geverifieerd.

Zo is bijvoorbeeld in de periode van februari 1992 tot en met juli 1992 de woning van Charles Z. met een camera geobserveerd en is bijgehouden welke auto's en bezoekers de oprit van de villa opgingen of verlieten. Op 23 maart 1992 wordt het eerste gerechtelijk vooronderzoek in deze zaak geopend en wel tegen een lid van de transportgroep, W. Zelf wordt Charles Z. op 29 juni 1992 door de Algemene Verkeersdienst van de Rijkspolitie aangehouden. Hij heeft dan nog 690 dagen gevangenisstraf openstaan in verband met een hasjzaak waarvoor hij in 1985 is opgepakt en door de rechtbank en later het hof en de Hoge Raad tot 2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Op 3 juli 1992 wordt Charles Z. overgebracht naar de penitentiaire inrichting De Berg in Arnhem, van waaruit hij op 13 januari 1993 wordt overgeplaatst naar De Marwei in Leeuwarden. Op 9 juli 1992 wordt een gerechtelijk vooronderzoek geopend tegen Charles Z. en verleent de rechter-commissaris een machtiging voor het opnemen en afluisteren van telefoongesprekken die Charles Z. vanuit de gevangenis voert. Bijgehouden wordt welke personen hem in detentie bezoeken. Het blijkt dat de detentie niet leidt tot het onderbreken van de criminele activiteiten.

Z. pleegt tijdens zijn detentie 14.300 telefoontjes en geeft opdrachten via briefjes die zijn vriendin voor hem verspreidt.
In het voorjaar van 1993 vindt een groot aantal aanhoudingen plaats van personen die betrokken zijn bij de organisatie van Charles Z. De volgende golf van aanhoudingen en huiszoekingen vindt medio september 1993 plaats. Charles Z. zelf wordt op 12 september 1993 aangehouden (op 17 september 1993 zou hij zijn 690 dagen uitgezeten hebben).

Door de verschillende verdachten zijn veel belastende verklaringen tegen Charles Z. afgelegd. De
bewijsvoering tegen hem is grotendeels opgebouwd uit deze verklaringen. Naar verluidt heeft de grote «verklaringsbereidheid» te maken met het feit dat Charles Z. een slechte werkgever is. Hij zou zijn medewerkers slecht of niet betalen en zou ze ook fysiek laten bedreigen.

Het onderzoek heeft geresulteerd in de aanhouding van 40 verdachten waartegen proces-verbaal is opgemaakt dat 79 ordners beslaat. Hiervan zijn ongeveer 10 ordners interessant voor het bewijs tegen Charles Z. zelf.

Opsporingsmethoden

 

Observatie

Tijdens het onderzoek is veelvuldig geobserveerd, zowel op vaste posten als dynamisch met verschillende vervoermiddelen. De observaties vonden plaats op openbare plaatsen of in gebouwen dan wel op niet-openbare lokaties met toestemming van de rechthebbenden. Tijdens de observatie-acties zijn foto's en video-opnamen gemaakt. Tijdens verschillende dynamische observatie-acties zijn bij moeilijk te volgen verdachten (in verband met de rijstijl of contra-observatie) peilzenders aan voertuigen aangebracht. Voor het plaatsen van de zenders zijn geen lokaties betreden en is niet ingebroken in voertuigen.

Scannen

Tijdens de proactieve fase van het onderzoek heeft het team gebruik gemaakt van scanners, zowel in voertuigen als op vaste lokaties. De inhoud van de gescande gesprekken is niet verwerkt of vastgelegd in processen-verbaal of anderszins in het onderzoek gebruikt. Evenmin zijn over de inhoud van de gesprekken mededelingen gedaan aan anderen. Later in het onderzoek heeft het team met machtiging van de rechter-commissaris diverse mobiele telefoons afgeluisterd.

 

Vuilnissnuffel

Het team heeft meerdere keren 's nachts vuilniszakken weggehaald voor de deur van onder meer verdachte W. De inhoud van de zakken is bekeken op de aanwezigheid van informatie die van belang zou kunnen zijn voor het onderzoek, zoals vliegtickets, plaatsbewijzen en dergelijke. De gevonden informatie is ter beschikking gesteld aan de CID. Vervolgens is de CID-informatie weer neergelegd in processen-verbaal in de strafzaak tegen W.

 

Informanten

Tijdens het onderzoek zijn informanten gerund door zowel de CID-rechercheurs die deel uitmaakten van het rechercheteam als door personeel van de CID Amsterdam. Informanten in het onderzoek naar Charles Z. hebben volgens de teamleider geen strafbare feiten gepleegd met toestemming van politie of justitie. Uit door de CID Amsterdam toegezonden informatie blijkt dat de CID tot het einde van het onderzoek heeft beschikt over een informant die voor zijn diensten is beloond met een bedrag van enkele tienduizenden guldens. Noot Door de informanten werd onder andere informatie verschaft over betrokken personen en transporten. In het onderzoek is geen gebruik gemaakt van infiltratie. Noot

 

Inkijkoperaties

Gedurende het onderzoek heeft het team een aantal parkeergarages, loodsen en vrachtauto's bekeken. Dat gebeurde doorgaans door van buiten naar binnen te kijken, bijvoorbeeld door een ventilatieopening, door een raam, middels een stok met een spiegel waarbij een schroef van een plank is losgedraaid, door openstaande deuren. Eén keer zijn rechercheurs meegelopen met een makelaar die een loods inspecteerde. In een loods in Purmerend is een inkijkoperatie uitgevoerd door het AT. Dit gebeurde op grond van artikel 9 Opiumwet. Bij de inkijkoperatie is sprake geweest van braak. Het rechercheteam heeft de informatie, die uit de inkijkoperatie was verkregen, ontvangen van de CID Purmerend zonder te weten dat het hier een inkijkoperatie betrof. Er waren overigens geen verdovende middelen aangetroffen.

In het onderzoek is één keer in een woning binnengekeken. Hier is de politie zonder dat de hoofdbewoonster daarvan wist, meegelopen met de woningbouwvereniging die de woning inspecteerde. Niet alleen de politie heeft gebruik gemaakt van bijzondere methoden, ook de criminele organisatie heeft zich
niet onbetuigd gelaten op dit vlak. Zo zou Charles Z. telefoongesprekken van de teamleider heimelijk hebben doen opnemen. Noot Tevens wordt in augustus 1994 ingebroken in de woning van de zaaksofficier waarbij onder andere diskettes worden meegenomen. Ook andere politie- en justitiemedewerkers worden op deze manier met een bezoek vereerd. Bovendien worden in het najaar 1994 delen van dagrapporten van het opsporingsteam getoond in een tweetal televisieprogramma's.

 

Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank Amsterdam heeft Charles Z. op 9 maart 1994 veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Charles Z. tekende appèl aan waarna het hof Amsterdam op 8 september 1995 begon met de zitting die in totaal veertien zittingsdagen zou kosten. Het hof Amsterdam deed op 10 januari 1995 uitspraak. Noot Bij aanvang van de zitting heeft de raadsman verzocht een 36-tal getuigen op de getuigenlijst te plaatsen. Charles Z. bestrijdt namelijk de tegen hem afgelegde verklaringen: «Er is geen hasj, er zijn geen vrachtauto's en geen chauffeurs.» Er zijn naar zijn mening beloften, giften, betalingen en toezeggingen aan vele getuigen gedaan. Voorts zegt hij sterk de indruk te hebben dat in zijn zaak de veelbesproken «gewraakte onderzoeksmethoden» uit de IRT-affaire zijn gebruikt.

Het hof besluit uiteindelijk 18 getuigen op de lijst te plaatsen, alsmede «de illegale bandjes» Noot en de transcripten daarvan aan het dossier toe te voegen, aangezien naast het onderzoek naar de vraag of de verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan, ook dient te worden onderzocht of het in het dossier gepresenteerde bewijsmateriaal op rechtmatige wijze is verkregen.

De als getuige opgeroepen politiemensen worden met name gevraagd over de gebruikte methoden. Dit gebeurt mede aan de hand van de illegale bandjes. De getuigen/medeverdachten leggen veelal verklaringen af waarin zij hun eerdere verklaringen met betrekking tot de rol van Charles Z. intrekken, dan wel melden dat zij hebben gehoord dat anderen een deal met de politie hebben gesloten in ruil voor hun verklaring. Getuige K. verklaart ter zitting dat zijn verklaring bij de politie klopt, behoudens de passages over Z. Hij heeft niets tegen de politie over Charles Z. verklaard. Tegen hem is een proces-verbaal terzake meineed opgemaakt. Noot

Getuige S. verklaart dat getuige A. hem had verteld dat hij in ruil voor strafvermindering, een andere woning voor zijn vrouw en 1 miljoen gulden een extra zware verklaring tegen Z. wilde afleggen. Als blijkt dat getuige A. moeilijk traceerbaar is doet de verdediging afstand van het horen van A. Het hof echter wil A. toch horen. A. verklaart dat het allemaal kletskoek is en dat hij op geen enkele wijze met de politie aan de gang is geweest en ook geen deal met het OM heeft gesloten. Noot

Op 24 oktober 1994 verzoekt de raadsman, in verband met het door hem gevoerde verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van de opsporing, een «plan van aanpak» van de politie aan het dossier toe te voegen, zoals dat is bekend gemaakt in het televisieprogramma Eerst zien van 20 oktober 1994. Het betreft een «plan van aanpak» tot september 1992, dat op kennelijk onrechtmatige wijze bij politie of justitie weggenomen is. Het hof wijst dit verzoek af, omdat het niet rechtstreeks betrekking heeft op het aan het licht brengen van eventuele onrechtmatigheden in de opsporing, maar op de besprekingen die binnen het opsporingsteam plaatsvonden over de onderzoeksmogelijkheden in deze zaak. Dit laat natuurlijk de mogelijkheid onverlet de teamleider over het stuk te horen. Noot

Op 3 december 1994 deelt de raadsman mee dat hem de avond ervoor door een journalist van het NRC Handelsblad telefonisch informatie is verschaft, afkomstig uit dagrapporten van de politie. Hieruit zou onder andere blijken dat er is ingekeken in een loods. De raadsman verzoekt vervolgens alle in de dagrapporten genoemde verbalisanten als getuige ter zitting op te roepen.

Het hof acht het bedenkelijk dat het strafproces onder druk komt te staan van gegevens die de verdediging gedoseerd presenteert en die verkregen zijn door gedrag dat niet anders dan als crimineel kan worden beschouwd. Het hof overweegt verder dat de advocatuur zich dient te realiseren dat zij onderdeel van de rechtsstaat uitmaakt. In aanmerking nemend dat het de taak van de rechter is om de materiële waarheid te vinden, heeft het hof behoefte aan controle over de activiteiten van het team in de zogenoemde «proactieve fase». In plaats van het horen van alle verbalisanten als getuige, zoals door de raadsman verzocht, hoort het hof de teamleider ter terechtzitting nader als getuige en vraagt hem een «loop»-proces-verbaal op te maken waarin een samenvattend relaas wordt gedaan van de gang van zaken in de proactieve fase. Noot

 

De voorzitter:

(refererend naar een andere strafzaak, namelijk de hierna besproken zaak Henk R., red.) Nu het verschil met de zaak-Z, het wezenlijke verschil waarom u niet tot dezelfde conclusie bent gekomen. Het ontbreken van het proces-verbaal van de heer Woelders leidde namelijk niet tot niet-ontvankelijkheid. Wat is


het springende verschil, want voor veel mensen buiten de sfeer van het Hof leek het namelijk om bijna vergelijkbare zaken te gaan?

 

De heer Willems:

Dat begrijp ik, maar toch is het niet zo. De vaststelling in de Zwolsman-zaak is dat het niet melden in het proces-verbaal, zoals dat werd aangeleverd, van met name inkijkoperaties en andere activiteiten, zoals het scannen, niet de achtergrond had om de rechter een verkeerde voorstelling van zaken te geven. Wat je daar altijd van hoorde - de heer Woelders zei het ook op de zitting - is dat de politie destijds van mening was - die mening is intussen achterhaald - dat dit niet in processen-verbaal moest komen, om te voorkomen dat degenen die werden onderzocht, zouden kunnen weten van dat soort systemen. Op den duur is het overigens onvermijdelijk dat dit wel bekend wordt, want vroeg of laat komt dat soort dingen op tafel. Dat is de leidende gedachte geweest. Ik had al eens eerder gehoord, buiten die concrete zaak om, dat de politie het idee had een zekere voorsprong te hebben op de verdachte in het kader van haar mogelijkheden en dat men dit om die reden niet wilde melden. Het is door iemand als volgt gezegd: als wij dat in het PV zetten, dan schuift het door naar de rechter-commissaris, dan schuift het door naar de verdediging en als het naar de verdediging doorschuift, dan schuift het door naar de verdachte en dat willen wij niet. Dat is de drijfveer geweest. Daar kun je verder van denken wat je wilt. De vraag is of dat standpunt juist is en of... Noot (en verder)

Dit proces-verbaal is gebaseerd op twee soorten «bronnen». De eerste bron is het geheugen van de teamleider alsook het herinneringsvermogen van de overige leden van het onderzoeksteam en van de officier van justitie. Daarnaast zijn de dagrapporten van de tactische recherche, de journaals van het OT en de CID-rapporten doorgenomen. Het proces-verbaal geeft antwoord op de vragen, die de verdediging naar aanleiding van gegevens uit de dagrapporten had opgeworpen.

De raadsman stelt bijvoorbeeld aan de hand van de hem bereikte informatie sterke indicaties te hebben dat inkijkoperaties hebben plaatsgevonden. Hij wijst onder andere op het feit dat in het dagrapport van 6 november 1991 sprake is van een fax aan de FIOD met een verzoek de villa van Charles Z. nader te bekijken. In het proces-verbaal wordt uitgelegd dat deze fax het verzoek inhield een onderzoek in te stellen binnen het kadaster met betrekking tot de beschikbare gegevens over de eigenaar van en de hypotheek op het pand. Op 26 november 1991 is daarover een fax terug ontvangen, die als bijlage bij het pv is gevoegd. Verder geeft het proces-verbaal een overzicht van de gebruikte werkmethoden in het algemeen en een overzicht van specifieke onderzoeken, zoals onderzoek in een bepaalde garage of loods. De voorzitter van het hof, mr Willems, zegt desgevraagd hierover het volgende:

 

 

De heer Koekkoek:

Is mijn classificatie van het vragen van een volledig proces-verbaal aan de heer W. als reddingsboei een juiste typering?

De heer Willems:

Ik vind dat geen juiste typering, omdat de rechtsopvatting van het Hof in die samenstelling is, voor wat het waard is, dat het Nederlandse recht niet de regel inhoudt, in het zicht van de achtergrond van het niet eerder vermelden, dat het niet vrij zou staan om dat op de zitting te doen. Dat hadden wij al eens eerder zo beslist. Ik herhaal nog eens dat de zaak-Zwolsman wat dat betreft niets bijzonders is, want er is slechts sprake van het doortrekken van reeds bestaande jurisprudentie. Ik weet wel dat het veelal wordt begrepen als reddingsboei, maar zo hebben wij het niet gekwalificeerd. Noot Het hof acht zich daarmee alsnog voldoende ingelicht over het opsporingsonderzoek (inclusief de proactieve

fase) om een voldoende gefundeerd oordeel te kunnen geven.
Of een rechterlijk college zich genoegzaam acht voorgelicht is aan dat college voorbehouden. Het oordeel daarover is in cassatie slechts op begrijpelijkheid te toetsen. Voorzover daarop in feitelijke aanleg verweer is gevoerd en in cassatie over is geklaagd doorstaat het die toets.

 

Observatie

Een groot deel van het onderzoek berust op observatie en het aan elkaar koppelen van de stukjes informatie die daaruit gedestilleerd konden worden.

 

De heer De Graaf:

Leidt uw stelling, zoals ook blijkt uit het arrest in de zaak-Z, ertoe dat de politie alle keukengeheimen gewoon op tafel moet leggen?

De heer Willems:

Dat is iets anders. Er zijn meerdere belangen in het spel. Het enige dat ik zeg, is dat het uiteindelijk aan de zittingsrechter is om dat te bepalen. Een concreet voorbeeld. De politie heeft met camera's geobserveerd. Het liet voor mij geen twijfel dat dit in dit land rechtmatig is.

De voorzitter:

Vanwege de arresten van de Hoge Raad.


De heer Willems:

Er is een zeer recent arrest van de Hoge Raad, waarin dat nog eens met zoveel woorden wordt...

De voorzitter:

Op basis van artikel 2 van de Politiewet.

De heer Willems:

Neen, er wordt gewoon zeer in het algemeen gezegd dat er een bevoegdheid is. Ik heb het niet over eerdere arresten, maar over het arrest van de Hoge Raad van dit jaar over die zaak, waarbij is geobserveerd met camera's bij garageboxen.

De voorzitter:

Op basis toch van de bevoegdheid ex artikel 2?

De heer Willems:

Neen, op grond van de opsporingsbevoegdheid, als opsporingsmethode.

De heer Willems:

De Hoge Raad heeft dat arrest een paar maanden geleden gewezen. De vraag is of aan de zittingsrechter moet worden gemeld waar die camera precies heeft gedraaid. Het antwoord van de getuigen, of bijvoorbeeld het OM, kan luiden dat het onverstandig is als die vraag beantwoord zou moeten worden, omdat slechts sprake is van één locatie waar dat had gekund. Als die bekend wordt, dan is sprake van een probleem aan die kant. Dat mag op tafel worden gelegd. Dat zou aanleiding kunnen zijn dat dit gegeven niet vermeld hoeft te worden. De Hoge Raad heeft intussen ook geaccepteerd dat het opsporingsbelang een rol speelt bij het specifieke van de beantwoording. Dat blijft wel een oordeel van de zittingsrechter Noot

Informanten

De politie beschikte over een goede informant en heeft duidelijk via zijn medewerkers naar Charles Z. toegewerkt. Ondanks alle pogingen van de verdediging om deals met deze medewerkers aan te tonen, blijkt volgens het OM hier geen sprake van te zijn geweest. Het bewijs in het onderzoek is grotendeels opgebouwd uit verklaringen van medeverdachten.

 

Scannen

In het onderzoek tegen Charles Z. heeft de politie 3 weken gescand in de proactieve fase zonder machtiging van de rechter-commissaris. De gesprekken zijn eenzijdig opgenomen op een taperecorder. Het hof beschouwt het scannen van mobiele telefoons als een feit van algemene bekendheid. Scannen is eenvoudig door iedereen te doen en daarom in deze zaak toelaatbaar voor de politie mits het gedaan is binnen de grenzen. In de zaak tegen Charles Z. heeft het scannen zich beperkt tot een duur van 3 weken. De gesprekken zijn «slechts» eenzijdig beluisterd en met het doel «slechts» vast te stellen òf gebruik werd gemaakt van de autotelefoon (ATF). Het scannen heeft in dit geval geen resultaat gehad. Het gebruik van de taperecorder doet hieraan niets af. De taperecorder is slechts gebruikt om een permanente aanwezigheid van teamleden te voorkomen. De opnamen voegen niets toe aan de verkregen gegevens. Het gebruik van de taperecorder doet niets af aan de beperkte strekking «vaststellen òf ...». Tevens zijn de banden gewist. Het hof gaat er kennelijk vanuit dat het scannen behoort tot een algemene opsporingstaak van de politie (art. 141 Sv; art. 2 Politiewet 1993). Het hof acht het gebruik van mobiele scanners met beperkt bereik ten behoeve van observatie-activiteiten in dit geval toegestaan.

 

Inkijkoperaties

Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt het onderzoeksteam toch inkijkoperaties te hebben uitgevoerd. Het hof acht het betreden van loodsen teneinde daar te kijken rechtmatig. Bij een redelijk vermoeden van een overtreding van de Opiumwet in een loods, mag een opsporingsambtenaar die loods (heimelijk) betreden, teneinde te kijken wat zich daarin bevindt. De basis voor deze conclusie vindt het hof in artikel 9, eerste lid sub b van de Opiumwet, dat een suppletoir karakter heeft (ruimere bevoegdheid ten opzichte van het Wetboek van Strafvordering) en een zelfstandige bevoegdheid voor het betreden van plaatsen verleent aan opsporingsambtenaren. Noot Met betrekking tot het vereiste van een «redelijk vermoeden» vindt het hof, conform de jurisprudentie, dat CID-informatie een voldoende basis kan zijn. De suggestie dat meer inkijkoperaties plaatsgevonden zouden hebben dan vermeld staat in het aanvullend proces-verbaal, is volgens het hof niet waar gebleken of anderszins aannemelijk geworden. Het hof is van mening dat de politie op grond van artikel 9 Opiumwet bevoegd was een loods te betreden tijdens een makelaar-inspectie waarbij er toestemming was van de huurder. Het hof acht artikel 9 Opiumwet daarvoor een voldoende basis. Het is in dit geval niet van belang of de huurder toestemming geeft. Met betrekking tot het betreden door de politie van de woning tijdens een renovatie-inspectie, redeneert het hof als volgt. De toestemming van de hoofdbewoonster was gegeven aan de woningbouwvereniging en niet gericht op een strafrechtelijk onderzoek. In dit geval vormt artikel 9, eerste lid sub b alleen niet voldoende basis. Daarnaast gaf het toenmalig derde lid als vereisten voor het betreden van een woning de vergezelling
c.q. last èn proces-verbaal/rapportageplicht. Noot
Het hof verklaart het OM ontvankelijk en veroordeelt Charles Z. voor zijn leidinggevende rol in een criminele organisatie. Noot Die rol wordt als bestuurder in de zin van artikel 140, derde lid Sr beschouwd. Verder heeft het hof bewezen verklaard dat Charles Z. zelf ook de invoer van een aantal partijen hasj heeft medegepleegd. Hij wordt door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren. Charles Z. tekent cassatie aan bij de Hoge Raad.

Bij arrest van 19 december 1995 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van Z. verworpen. Het cassatieberoep richtte zich vooral op de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. De Hoge Raad overweegt dat:

r.o. 5.2 ...moet worden vooropgesteld, dat indien de rechter die over de feiten oordeelt vaststelt dat opsporingsambtenaren in het opsporingsonderzoek of in het onderzoek dat heeft plaatsgevonden in de daaraan voorafgaande fase onrechtmatig hebben gehandeld, hij zal behoren af te wegen of die onrechtmatigheid van dien aard is dat daarop een processuele sanctie past. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag zal als sanctie in aanmerking kunnen komen de uitsluiting van bewijsmateriaal dat tengevolge van dat onrechtmatig handelen is verkregen, indien het de verdachte is geweest die door dat handelen is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Voorts kan niet worden uitgesloten dat onrechtmatig optreden van opsporingsambtenaren onder omstandigheden een dusdanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat zulks - ook in een geval waarin overigens voldoende op rechtmatige wijze verkregen bewijsmateriaal voorhanden is tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dient te leiden. Een zo ver gaande sanctie kan in dat geval echter slechts volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove verontachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Van geval tot geval zal dit moeten worden beoordeeld, zodat een algemene regel daarvoor bezwaarlijk kan worden gegeven.

De Hoge Raad stipuleert andermaal dat inbreuken op fundamentele rechten van burgers, waaronder ook het in ontwikkeling voortgeschreden recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tijdens het opsporingsonderzoek of het daaraan voorafgaande onderzoek slechts gelegitimeerd kan zijn door of krachtens een wet in formele zin.

 

Observatie en het gebruik van informanten

Ingevolge artikel 2 Politiewet 1993 is de politie bevoegd in de proactieve fase handelingen te verrichten welke de haar opgedragen taak meebrengt, zoals het ter handhaving van de openbare orde geven van een bevel zich te verwijderen of onder zich nemen van voorwerpen, observatie en schaduwen, alsmede in het openbaar fotograferen van personen, en dat ook indien door zulke verrichtingen een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou worden gemaakt.

 

Scannen

Volgens de Hoge Raad ligt in de overweging van het hof ter zake besloten dat door het gebruik van de scanner geen inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Een ieder die dat wenst kan met behulp van eenvoudige en gemakkelijk verkrijgbare technische middelen gesprekken gevoerd door middel van een mobiele telefoon afluisteren. Binnen zekere grenzen zal de gespreksdeelnemer moeten accepteren dat de gesprekken worden opgevangen en beluisterd. Daarmee gaat niet de gehele bescherming verloren. Immers indien, zoals in casu, opsporingsambtenaren gedurende een langere periode met behulp van daarvoor speciaal geplaatste apparatuur doelbewust en stelselmatig gesprekken afluisteren en opnemen, die vanuit of in de omgeving van de woning van een bepaalde persoon met een mobiele telefoon worden gevoerd, worden die grenzen overschreden. Artikel 2 Politiewet 1993 biedt voor een dergelijke inbreuk geen legitimatie. De door het hof genoemde omstandigheden betreffende de duur, het doel, het slechts eenzijdig kunnen horen van de gesprekken, alsmede het ontbreken van resultaat doen niet af aan de schending van de verdragsbepaling. Deze omstandigheden zijn wel van belang voor de beoordeling van de ernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De inbreuk is niet zodanig ernstig geweest dat dit - ook niet in samenhang met de beoordeling van de andere middelen - tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn tegen de verdachte ingestelde strafvervolging zou kunnen leiden.

Inkijkoperaties

Anders dan in de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering het geval is, bindt artikel 9, eerste lid aanhef en onder b Opiumwet de aanwending van de bevoegdheid tot het betreden van plaatsen door opsporingsambtenaren niet aan de uitoefening van een specifieke opsporingshandeling. Gelet op de reikwijdte van deze bepaling moet worden aangenomen dat deze mede omvat het - ten behoeve van de taakvervulling - bekijken van die plaatsen, mits is voldaan aan de voorwaarde dat in de te betreden plaats een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd dan wel redelijkerwijs vermoed kan worden dat aldaar zodanige overtreding wordt gepleegd. De bepaling laat echter geen ruimte voor stelselmatig en gericht onderzoek op de aanwezigheid van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen (huiszoeking). Het afnemen van dactyloscopische sporen, alsmede het nemen van foto's zijn aan te merken als krachtens de opsporingstaak bevoegd verrichte activiteiten.

 

Vuilnissnuffel

's Hofs oordeel dat degene die vuilniszakken ter inzameling aanbiedt geacht moet worden de eigendom van die zakken en de inhoud daarvan te hebben prijsgegeven is juist. Van inbreuk op het eigendomsrecht is geen sprake. Ook het onderzoek naar de inhoud van die zakken levert geen schending op van het recht op persoonlijke levenssfeer. Van degene die vuilniszakken ter inzameling op straat heeft geplaatst kan immers niet worden gezegd dat hij voor wat betreft de inhoud daarvan objectief gezien een redelijke verwachting heeft omtrent de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

 

4.5.2 De zaak Henk R.

 

Een casus ter illustratie van de problemen die zich kunnen voordoen bij het geheim houden

 

van opsporingsmethoden.

 

Feiten en omstandigheden

De zaak Henk R. betreft een onderzoek naar import en export van soft- en harddrugs, alsmede de produktie van XTC, met als hoofdverdachte Henk R. en twee belangrijke medeverdachten.
Bij de politie Utrecht alsook bij verschillende andere opsporingsdiensten in zowel Nederland als in het buitenland is bekend dat deze organisatie zich al vele jaren bezig houdt met de handel in grote hoeveelheden hasj. De gelden die de organisatie uit de opbrengst daarvan verkrijgt, investeert zij in onroerend goed en bedrijven.

De organisatie van Henk R. maakt bij de handel in verdovende middelen en het investeren van de financiële opbrengsten hiervan gebruik van tientallen personen zowel in Nederland als in andere landen, zoals Marokko, Canada, Engeland, België, Denemarken, Duitsland, Polen, Ierland, Suriname, Zwitserland en Liechtenstein. De organisatie heeft een eigen aanvoerlijn voor het importeren van grote hoeveelheden hasj uit Marokko. De hasj wordt veelal vervoerd in (koel)trailers van zowel reeds bestaande als speciaal hiervoor opgerichte Nederlandse en Belgische transportondernemingen. De (koel)trailers worden door leden van de organisatie voorzien van geheime bergplaatsen - een extra plafond in de trailer ingebouwd- om daarin de verdovende middelen te vervoeren. De bergplaatsen zijn geschikt voor het verbergen van enkele tonnen hasj per transport. De organisatie beschikt in Nederland over verscheidene loodsen en schuren waarin de verdovende middelen worden op- en overgeslagen en waarin de (koel)trailers worden voorzien van geheime bergplaatsen. Vanuit Nederland wordt doorgaans met lege vrachtauto's naar Marokko gereden. Als legale lading worden vaak groenten en/of fruit uit Marokko naar Nederland vervoerd. De kosten van deze fruit- en/of groenteladingen zijn veelal hoger dan de opbrengsten.

Uit het politie-onderzoek bij enkele gerenommeerde in Nederland gevestigde transportondernemingen zal blijken dat het volstrekt ongebruikelijk en onrendabel is om met lege vrachtwagens naar Marokko te rijden. Daarnaast is het niet rendabel om deze produkten vanuit Marokko naar Nederland te importeren per vrachtauto. Vervoer per schip is veel efficiënter en goedkoper.

In Spanje wisselen de chauffeurs elkaar regelmatig af. Op kosten van de organisatie van Henk R. reizen zij per vliegtuig heen of terug. Ook dit is in de reguliere transportwereld een bijzonder ongebruikelijke manier om beschikbare chauffeurs in te zetten.
In Marokko beschikt de organisatie over een eigen netwerk van personen die kunnen zorgen voor zowel de legale ladingen als de hasj. Tevens beschikt de organisatie in Marokko over de nodige corrumptieve contacten in de havens.

Eind 1991 en in de eerste helft van 1992 worden verschillende transporten vanuit Marokko uitgevoerd. Zowel in België als in Nederland wordt de hasj uitgeladen, opgeslagen in loodsen en voor verder vervoer gereed gemaakt. De afzetgebieden liggen in Nederland, Engeland en Ierland. Met name in Engeland heeft de organisatie contacten met een groot aantal afnemers voor de soft- en harddrugs, met name XTC-tabletten. De afnemers zijn bekenden bij de Engelse politie, die ieder voor zich in Engeland beschikken over eigen criminele organisaties voor de aankoop, vervoer, opslag en distributie in Engeland en Ierland. Door verscherpte controles in de havens van Marokko en problemen in het transport van de organisatie loopt de aanvoer van hasj uit Marokko medio 1992 sterk terug. Mogelijk als gevolg van de problemen in Marokko gaat de organisatie in de loop van 1992 over op de aanvoer van hasj uit onder andere Pakistan en het vervoer per schip. In de loop van 1992 onderneemt Henk R. met hulp van leden uit zijn organisatie meerdere pogingen om te komen tot een eigen produktielijn voor de vervaardiging van XTC-tabletten. Met name in Denemarken, Polen en Rusland laat hij daarvoor de nodige voorbereidingshandelingen plegen.

De organisatie van Henk R. beschikt in Abcoude over een soort «hoofdkwartier». Dit betreft een woonboerderij, die hij heeft gekocht via één van zijn Liechtensteinse contacten. Aan de zuidkust van Spanje beschikken verschillende leden van de organisatie over huizen en/of appartementen. Deze gelegenheden worden vaak gebruikt als uitvalsbases voor de interne controle op hasjtransporten vanuit Marokko. De organisatie maakt gebruik van moderne communicatie-apparatuur zoals semafoons, mobiele- en autotelefoons en telefaxapparatuur. De organisatie vreest dat de politie haar telefoongesprekken afluistert en maakt daarom geen gebruik van huistelefoonaansluitingen. Henk R. zorgt ervoor dat al zijn mensen doorlopend bereikbaar zijn via mobiele- en/of autotelefoons.

Verder heeft Henk R. belangen in een telecommunicatiebedrijf in Amsterdam. Dit stelt hem en de leden van zijn organisatie in staat om op elk willekeurig moment van mobiele- cq autotelefoon of geheel van nummer te wisselen. Dit gebeurt ook diverse keren, met name als een partij verdovende middelen in beslag genomen is en/of leden uit de organisatie aangehouden zijn. Ook is de organisatie in staat om over telefoons te beschikken, die niet bij PTT-Telecom zijn geregistreerd. Daarnaast worden telefoons aangeschaft met vervalste papieren en worden telefoons op naam gesteld van niet bij de organisatie betrokken personen of zelfs op naam van personen die absoluut van niets weten.

 

Politieel en justitieel onderzoek

Januari 1991 start de Utrechtse recherche het onderzoek tegen Henk R. Deze zaak is gekozen uit de «Top-tien» van criminele organisaties, die gemaakt is door het bureau misdaadanalyse van de Utrechtse politie. Dit bureau heeft in de periode oktober-december 1990 een analyse gemaakt op basis van informatie die gedurende 10 jaren is verzameld. De keuze is formeel gemaakt door de procureur-generaal. Hij heeft hierover overlegd met de hoofdofficier van justitie, omdat het onderzoek aanvankelijk een embargo-karakter had. Dit omdat er sprake zou zijn van corruptie. De Rijksrecherche beschikte over informatie in die richting. Het onderzoek naar mogelijke corruptie was niet het primaire doel. Het was slechts een extra facet in het onderzoek. Het politieel en justitieel onderzoek zou tot eind 1993 duren.

Gedurende dit onderzoek worden tegen meerdere deelnemers van de criminele organisatie gerechtelijke vooronderzoeken geopend en worden (mobiele cq auto)telefoongesprekken afgeluisterd, opgenomen en op schrift gesteld. Het afluisteren van de mobieleen autotelefoongesprekken vindt plaats door middel van scanners .

Met name aan de hand van deze afgeluisterde telefoongesprekken, alsook aan de hand van ingestelde onderzoeken en observatiewaarnemingen wordt duidelijk dat Henk R. en twee medeverdachten leiding geven aan een organisatie die zich bezig houdt met de internationale handel in hard- en softdrugs. Tijdens het onderzoek werkt de recherche in Utrecht nauw samen met opsporingsdiensten in binnen- en buitenland. Dat leidt ertoe dat meermalen transporten verdovende middelen, die bestemd zijn voor of afkomstig zijn van deze criminele organisatie, in beslag kunnen worden genomen. Ook worden de financiële geldstromen zichtbaar.

Vanaf 9 mei 1993 worden op vele tientallen plaatsen in Nederland, Zwitserland, Liechtenstein en Duitsland huiszoekingen en inbeslagnemingen verricht en diverse verdachten aangehouden. In oktober 1993 wordt een scala aan verdovende middelen in beslag genomen , waaronder 24.556 kg hasj, 3395 kg marihuana, 4,7 kg heroïne, 1 kg cocaïne en 85 kg XTC. Verder worden nog 12 schietwapens, 158 patronen en een aantal opleggers met geheime bergplaatsen, een omvangrijke hoeveelheid administratie, voertuigen, transportmiddelen, contanten, munten, kunst en sieraden in beslag genomen. Op dat moment zijn
164 personen verhoord. In totaal betreft dit 43 verdachten en 121 getuigen. In totaal zijn 36 verdachten aangehouden, van wie 27 in verzekering zijn gesteld en 6 personen in bewaring. In oktober 1993 bevinden de drie hoofdverdachten zich nog in voorlopige hechtenis.

Het financiële deel van het onderzoek voert het bureau financiële ondersteuning (BFO) van de politie Utrecht uit in samenwerking met de Belastingdienst/FIOD/Fiscale recherche Utrecht. Het financiële onderzoek richt zich met name op de bij de huiszoeking in beslag genomen administraties. Tevens wordt hierbij gebruikt gemaakt van de afgeluisterde telefoongesprekken. In de loop van het financiële onderzoek worden diverse personen gehoord. Voorzover mogelijk zijn in kaart gebracht: de geldstromen van de gehele organisatie over de periode van begin 1990 tot en met mei 1993 (totaal ca 240 miljoen gulden), de door Henk R. gedane uitgaven tijdens de periode van begin 1989 tot en met 10 mei 1993 (totaal circa 13 miljoen gulden) en de door een medeverdachte gedane uitgaven over de periode van begin 1991 tot en met 10 mei 1993 (totaal circa 2,6 miljoen gulden). Het geld uit de verdovende-middelenhandel is vermoedelijk gebruikt voor investeringen in nieuwe verdovende middelen-transporten, de aankoop van onroerend goed, luxueus levensgedrag, luxe goederen en voertuigen. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van rechtspersonen in Liechtenstein en Curaçao.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft de politie een aantal bijzondere opsporingsmethoden gebruikt. De crux van het verhaal is dat de politie van deze methoden geen proces-verbaal heeft opgemaakt en/of gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. In deze casus worden behandeld: inkijkoperaties, scannen van mobiele telefoons en video-observatie.

 

Inkijkoperaties, betreden van een loods en een vrachtauto om een peilzender aan te brengen

Tijdens het opsporingsonderzoek naar de organisatie van Henk R. zijn verschillende inkijkoperaties uitgevoerd. De politie heeft de inkijkoperaties niet vermeld in de processen-verbaal, die zij aan het openbaar ministerie heeft aangeboden.

Op 21 februari 1994 meldt een artikel in De Telegraaf dat de Utrechtse recherche in een IRT-zaak in een loods te Landsmeer heeft ingebroken en daar camera's en microfoons heeft geplaatst. De officier van justitie stelt vervolgens hierover vragen aan de rechercheleiding en de CID-officier. De leiding van de tactische recherche maakt op 23 februari 1994 een proces-verbaal op waarin wordt aangegeven dat er in de loods te Landsmeer geen camera's zijn geplaatst en dat nooit opdracht is gegeven tot het plegen van een inbraak. Nadrukkelijk wordt erbij gemeld «zoals vermeld in het artikel in De Telegraaf». Op grond van dit proces-verbaal neemt de zaaksofficier het standpunt in dat de politie niet heeft ingebroken in de loods te Landsmeer en daartoe evenmin opdracht heeft gegeven. De CID-officier belt de teamleider van de CID. Deze zegt dat er geen camera's of microfoons in een loods zijn geplaatst, maar zegt bewust niet dat er wel was ingekeken op verzoek van de CID, zonder dat daarvoor toestemming was gevraagd aan de CID-officier. Dit in het kader dat het in die tijd niet de gewoonte was inkijkoperaties met de officier van justitie te bespreken.

 

De voorzitter:

Toen mevrouw Van der Molen u belde, wist u wel waarover het ging, maar u zei dat niet.

De heer Van Steeg:

Dat is het spel dat ik toen met mevrouw Van der Molen heb gespeeld. Ik zat op cursus en moest mevrouw Van de Molen bellen. Dat deed ik en zij zei: «Mijnheer Van Steeg, er staat in de krant dat er camera's geplaatst zijn en dat er in een loods in Landsmeer is afgeluisterd.»

De voorzitter:

En toen vroeg zij vervolgens: «Wat is daar aan de hand?»

De heer Van Steeg:

Nee, zij vroeg: «Is dat gebeurd.» Ik zei: «Nee.»

Devoorzitter:

Maar u wist wel dat er inkijkoperaties gepleegd waren.

De heer Van Steeg:

Dat is juist.

De voorzitter:

En waarom heeft u dat toen niet gezegd?

De heer Van Steeg:

Omdat wij niet op de 16de februari, maar lang van tevoren het standpunt ingenomen hadden, dat wij deze inkijkoperaties niet bekend zouden maken en de gegevens binnen de CID zouden houden. Als je dat dan eenmaal besloten hebt en je wordt plotseling geconfronteerd met het feit dat die operaties wel in de openbaarheid zijn gekomen, wil je tijd inbouwen om na te gaan hoe je vervolgens met de situatie om moet gaan. Die tijd wilde ik althans graag voor mij zelf hebben. Noot

De heer Vos:

Wat is dan de reden? [om het niet aan de officier van justitie te vertellen, red.]

De heer Van Steeg:

De reden was dat ik het niet bekend wil laten worden bij de criminelen.

De heer Vos:

Ja, maar u praat toch met de officier?

De heer Van Steeg:

Dat weet ik, maar toen hadden wij het standpunt - ik praat over 1992 en niet over 1995 - dat hoe kleiner de groep is waarbinnen je dat weet, hoe beter het is. En dan houd je het binnenskamers, binnen die ene CID-kamer en de andere kamer van Dros. Noot


De CID treedt vervolgens in overleg met de chef recherche om te bepalen hoe zij de inkijkoperatie in de loods te Landsmeer aan de korpsleiding en het OM bekend zullen maken. Afgesproken wordt dat het zo snel mogelijk aan justitie bekend gemaakt zal moeten worden. De afspraak van de CID met de CID-officier wordt een paar keer uitgesteld vanwege agendaproblemen bij beide partijen. Uiteindelijk vindt de afspraak pas op 16 maart 1994 plaats. Dat is één dag na de rechtbankzitting, want die sluit op 15 maart 1994 haar onderzoek. De rechtbank wijst dan evenwel nog geen vonnis; de uitspraak zal op 29 maart 1994 volgen. Op 16 maart 1994, daags na het rechtbank-onderzoek meldt de CID aan de CID-officier één inkijkoperatie, uitgevoerd door het AT West II in opdracht van de CID.

Vervolgens heeft de CID-officier bewust nagelaten de ruimte tussen 16 maart 1995 en 29 maart 1995 (uitspraak) te gebruiken om de zaaksofficier vroegtijdig van de inkijkoperatie in kennis te stellen en de zaak te repareren.

 

 

De voorzitter:

Met uw goedvinden ga ik even terug naar het voorgesprek dat wij met u hadden. Daar zegt u: «Voor mij was het toen duidelijk. De zaak ligt er. De rechtbank heeft waarschijnlijk het vonnis al gemaakt. Ik maak de zaaksofficier alleen nog maar zenuwachtiger. Hij was toch al zenuwachtig over de afloop van de zaak. Het was zijn eerste grote zaak. Aangezien het inkijken al zo lang geleden was en ze het me nu pas vertelden, ben ik niet acuut naar hem toegegaan.» Dat was de eerste inkijk. Dan gaat het verhaal door.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ja, maar het klopt.

De voorzitter:

Het klopt toch.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ja.

De voorzitter: Maar u zegt:

Ik maak die man maar zenuwachtiger.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ja.

De voorzitter:

Dat dacht u ook.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ja. Er waren twee dingen, maar ik zei al dat ik later, na het besloten verhoor, nog een keer heb nagedacht. Toen was ik van mening dat er meer moest zijn geweest waarom ik het toen niet heb gedaan. Al nadenkende, kwam ik tot de conclusie dat het dat tussenvonnis moet zijn geweest.

Noot
Uiteindelijk informeert de CID-officier de zaaksofficier op 28 maart 1995. Dat is één dag voorafgaande aan de uitspraak. Vervolgens verwijt de zaaksofficier zichzelf dat hij niet alsnog de rechtbank van tevoren geïnformeerd heeft.

 

 

De voorzitter:

Hebt u toen niet gezegd: dan maken wij daar nu stante pede proces-verbaal van en daarmee ga ik nog naar de rechtbank?

De heer Maan:

Ik heb dat inderdaad niet gezegd. Ik had dat moeten doen. Dat meen ik oprecht. Op dat moment was ik kwaad, om het kort aan te duiden, over hetgeen ik hoorde. Ik heb de rest van de dag eigenlijk besteed aan overleg met de CID-officier en de hoofdofficier, om te achterhalen wat er nu precies gebeurd was, welke

inkijkoperatie had plaatsgevonden onder wat voor omstandigheden. Ik ben verder bezig geweest om ten behoeve van de hoofdofficier, die er uiteraard inmiddels in gemengd was, een rapportage te maken omtrent mijn ervaringen van wat er gebeurd was. Het is toen niet in mij opgekomen op dat moment, op het allerlaatste moment, de rechtbank nog te informeren. Dat had ik moeten doen. Noot

 

De heer Rouvoet:

Kunt u zich voorstellen dat het wat lastig is om dit in te voelen? U zegt: ik had het wel moeten doen. Maar het was een heel hectische dag. U was boos, u was overdonderd. Maar u had een dag de tijd. De hele dag moet toch bij u het gevoel zijn geweest: morgen doet de rechtbank uitspraak. Dat betekent toch dat u met uw gedachten bij die uitspraak was. Is het geen moment bij u opgekomen om dat toch te melden, ongeacht waar u verder mee bezig was, om het toch te melden, ongeacht de vraag of u het daarmee kon repareren? Is dat helemaal niet bij u opgekomen?

De heer Maan:

Zoals ik zei, het is iets wat ik had moeten doen. Het is op dat moment niet bij mij opgekomen. De besprekingen die wij op dat moment hadden, richtten zich met name op de vraag hoe het had kunnen gebeuren. De contacten die ik op dat moment met het team had, waren zodanig dat het mij verbijsterde dat dit gebeurd was, ondanks de verzoeken die er waren ten aanzien van aanvullende processen-verbaal. Ik ben bezig geweest, zoals ik zei, met het rapporteren hoe dat gegaan is in de richting van de hoofdofficier. Uiteraard heb ik in mijn hoofd gehad «morgen is die uitspraak», maar ik heb op dat moment niet in mijn hoofd gehad dat ik dat heel snel aan de president, aan de advocaten moest melden. En dat is iets wat ik wel had moeten doen. Daar ben ik de fout in gegaan.

De voorzitter:

U heeft daarna de ongebruikelijke stap genomen om ook de president van de rechtbank nog een brief te schrijven na het vonnis.

De heer Maan:

Ja.


De voorzitter:

Wat behelsde die brief?

De heer Maan:

Ik was van mening, gelet op hetgeen uiteindelijk op de zitting was gebeurd, namelijk dat ik daar een proces-verbaal had overgelegd waarin gezegd werd dat geen inkijkoperatie had plaatsgevonden... Ik heb mij op de zitting ook achter dat proces-verbaal gesteld en gezegd: dit is een verbaal van het team. Er heeft dus geen inkijkoperatie plaatsgevonden. Als dan ineens boven tafel komt dat er wel is ingekeken, kan ik mij zeer goed voorstellen dat de rechtbank ook zijn vraagtekens krijgt in de richting van mij en mijn opstelling op de zitting. Ik heb daarom besloten de voorzitter van de strafkamer, de president van de kamer, een brief te sturen waarin ik hem heb uitgelegd hoe het gegaan is en waarin ik hem in feite heb gevraagd, mijn integriteit niet in twijfel te trekken. Noot

De officier verzoekt de politie van deze inkijkoperatie een proces-verbaal op te maken. Dat proces-verbaal wordt op 16 september 1994 opgemaakt waarin de inhoud van een proces-verbaal van een lid van het AT bevestigd wordt. Deze deelt in zijn proces-verbaal van 16 september 1994 namelijk mee dat hij in de nacht van 13 op 14 juni 1992 op verzoek van de teamleider CID een loods te Landsmeer heeft betreden om vast te stellen of er in die loods verdovende middelen aanwezig waren. Van Steeg zegt dat hij de inkijkoperatie heeft laten uitvoeren naar aanleiding van mededelingen van de tactische recherche dat er verhoogde activiteiten rond de loods werden ontwikkeld.

Enkele politie-ambtenaren worden op grond van de verwikkelingen rond de inkijkoperaties als getuige bij het hof gedagvaard. Wanneer zij het proces-verbaal begin november met elkaar bespreken, blijkt steeds meer boven te komen. Vlak voor de verhoren bij het hof, meldt de politie nog drie inkijkoperaties. Deze rapportage vindt plaats in de vorm van later opgemaakte processen-verbaal voor het hof. Zo maakt het lid van het AT West II op 31 oktober 1994 een proces-verbaal, dat inhoudt dat hij op verzoek van de CID in de nacht van 20 op 21 juni 1992 de loods te Landsmeer heeft betreden om daar een vrachtauto van een peilzender te voorzien. De chef CID en de chef Recherche-ondersteuning hebben deze actie bij proces-verbaal van 2 november 1994 bevestigd. Wederom maakt de AT-er op 2 november 1994 een proces-verbaal. Hierin staat dat hij op verzoek van de CID in de nacht van 2 op 3 september 1992 een loods te Muiden heeft betreden om daar een onderzoek in te stellen. Ook dit wordt bevestigd in een proces-verbaal van de beide chefs van dezelfde datum. In dit proces-verbaal van de AT-er meldt hij tevens dat hij de loods te Muiden eerder -in april 1992- op verzoek van de tactische recherche heeft betreden met als doel het plaatsen van een peilzender op een voertuig. Die plaatsing heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. Vervolgens maakt de verantwoordelijke chef van de tactische recherche op 3 november 1994 een proces-verbaal op waarin hij meedeelt dat hij de AT-er op 23 april 1992 heeft verzocht in de nacht van 23 op 24 april 1992 peilapparatuur aan te brengen op, aan of in een trailer in de loods te Muiden. Vervolgens werd hem echter op 24 april 1992 door de AT-er medegedeeld dat plaatsing van de peilapparatuur op dat moment praktisch niet haalbaar was.

De politie heeft dus tijdens het onderzoek vier inkijkoperaties uitgevoerd en daarvan geen proces-verbaal opgemaakt; de processen-verbaal zijn pas achteraf opgemaakt. Ook heeft de politie geen intern verslag gemaakt van de inkijkoperaties. Bovendien heeft de politie geen overleg gepleegd met, noch toestemming gevraagd aan het OM voor het gebruik van de opsporingsmethode inkijkoperaties. De politie stelt zich op het standpunt dat de Opiumwet haar daartoe een eigen bevoegdheid verleent.

Er is sprake van het witwassen van informatie uit inkijkoperaties. De teamleiderCID zegt ter terechtzitting de informatie uit de inkijkoperaties als CID-informatie aan de tactische recherche te hebben verstrekt. Dit achtte hij noodzakelijk ter bescherming van personen alsmede voor het afschermen van opsporingsmethoden. De wijze waarop met informatie uit inkijkoperaties is omgegaan, illustreert het breder gehanteerde need-to-know-principe dat geldt tussen de CID en de tactische recherche.

 

Scannen van mobiele telefoons

Het OT luisterde de autotelefoons van Henk R. af met behulp van mobiele scanners. Voor de autotelefoonnummers die de politie kende, werd door de zaaksofficier machtiging gevraagd aan de rechter-commissaris. Bij scannen worden de gesprekken opgevangen die de verdachte via een gescande autotelefoon voert, ongeacht het nummer dat de telefoon heeft. Aangezien Henk R. veelvuldig van telefoon wisselde, bestond in feite geen verband tussen het autotelefoonnummer waarvoor machtiging werd verleend en het nummer dat werd afgeluisterd. Aanvankelijk was wel een algemene machtiging verleend, vervat in een clausule, «voor het afluisteren van alle autotelefoongesprekken waaraan de verdachte deelnam», maar na vier weken stond die clausule niet meer in de vordering en daarmee ook niet in de machtiging.

 

De voorzitter:

Nu is het probleem dat die machtiging elke vier weken moet worden vernieuwd en dat die
klaarblijkelijk vier weken daarna niet voor alle nummers vernieuwd wordt.

De heer Maan:

De machtiging is daarna elke vier weken vernieuwd. In de machtiging stond een bepaald nummer van een toestel genoemd. Geprobeerd is ook om steeds zo concreet mogelijk aan te geven van welke toestellen de verdachte gebruik maakte. In die beschikking stond eveneens vermeld: handhaaft de bepaling van de voorgaande beschikking voor wat betreft het overige. Dat is door mij opgevat als betrekking hebbend op het mogen afluisteren van de hoofdverdachte ten aanzien van elk toestel waar hij gebruik van maakte. Later is gebleken dat er kennelijk een communicatiestoornis is geweest met de rechter-commissaris, die bij het gerechtshof, als getuige gehoord, verklaard heeft dat dat niet de bedoeling was.

De voorzitter:

Wij hebben ook die heel dikke map, met al die machtigingen erin. In feite is het zo dat u daar één keer ten gronde over praat met de rechter-commissaris en dat er daarna al een stempel op wordt gezet van «machtiging toegestaan zoals geëist» of zo.

De heer Maan:

Bij mijn weten is er niet elke keer gebruik gemaakt van een stempel. Ik weet dat het rechter-commissariaat in Utrecht dat soms doet. Er worden ook heel vaak beschikkingen zelf opgemaakt door het rechter-commissariaat waarin die zinsnede staat. Noot

Video-observatie

Tijdens het onderzoek is op vier lokaties (drie loodsen en een woonhuis) geobserveerd met behulp van videocamera's. De zaaksofficier had hiervoor toestemming verleend.
Op één lokatie werd de camera in opdracht van de CID geplaatst en door de CID beheerd. De tactische teamleiding kreeg de videobanden, voorzien van datum en plaats, via de CID aangeleverd. Een tactisch-teamlid werkte deze banden vervolgens uit.

Op de andere drie lokaties draaide 24 uren per dag een videocamera waarvan de band (met datum en tijdstip) door de tactische recherche werd beheerd. Het onderzoeksteam heeft de videobanden elke 24 uur bekeken. De waarnemingen zijn niet direct in een proces-verbaal vermeld, maar in een journaal verwerkt. Aan de hand van deze journaals zijn later de processen-verbaal opgemaakt. Het was beleid dat het gebruik van de camera niet openbaar werd gemaakt. Het moest niet te herleiden zijn waar de videocamera was opgesteld. De videobanden, die in getal toenamen, werden daarop op een gegeven moment ook gewist. De zaaksofficier wist daar niet van. Uit de processen-verbaal die van de observaties zijn opgemaakt, valt niet op te maken dat het om video-observatie ging. Gesuggereerd wordt namelijk dat de waarnemingen met het blote oog door de rechercheurs zelf zijn gedaan.

 

 

De voorzitter:

Misschien moeten wij even uitleggen waar het over gaat. Het gaat erom dat in het proces-verbaal staat: Ik, opsporingsambtenaar, heb gezien dat op zo en zoveel januari negentien zoveel, om 9.32 uur de mij bekende A. het pand in de Kalverstraat verliet. Het was niet de Kalverstraat, maar dat doet er nu niet toe.

De heer Maan:

Dat stond in het proces-verbaal. Dat gaf mij ook aanleiding om ervan uit te gaan dat er sprake was van een observatie door de bewuste opsporingsambtenaar, die dat gezien heeft. Later bleek dat de desbetreffende ambtenaar de videoband bekeken had waarna die scène, hetgeen er gebeurd is, door hem beschreven is. Dat betekent dat hij dus niet op die dag, dat tijdstip, dat gezien heeft, maar dat hij later aan de hand van een videoband geconstateerd heeft dat op die dag dat gebeurd is.

De voorzitter:

Daar zit dus verschil in. Vond u dat een belangrijk verschil?

De heer Maan:

Ik vind dat een politieman in zijn verbaal moet vermelden wat hij gedaan heeft. Dus vind ik dat een belangrijk verschil. Hij heeft een videoband bekeken; hij heeft niet daar op die dag dat gezien. Noot

Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank Utrecht veroordeelde Henk R. op 28 maart 1994 tot vijf jaar gevangenisstraf en een boete van anderhalf miljoen gulden. Beide partijen gingen in beroep. De zaak diende bij het hof Amsterdam in oktober 1994. De commissie concentreert zich hier op het arrest van het hof te Amsterdam. Noot Het hof spreekt zich ondermeer uit over de vier inkijkoperaties, het plaatsen van een peilzender en het scannen .

 

Inkijkoperaties

De advocaat heeft met betrekking tot de inkijkoperaties een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het OM. Daartoe voerde hij aan dat door de politie vier inkijkoperaties in twee loodsen zijn uitgevoerd, waarvoor geen wettelijke grondslag bestond en die daarom onrechtmatig waren. Verder stelde hij dat twee van de
bedoelde inkijkoperaties tot doel hadden een peilzender in of op een vrachtauto te plaatsen. Voor het plaatsen van deze peilzender ontbrak een wettelijke grondslag, terwijl daardoor een inbreuk werd gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Van dit alles was naar het oordeel van de verdediging ten onrechte geen proces-verbaal opgemaakt.

Het hof Amsterdam achtte het betreden van de loodsen teneinde daar een inkijkoperatie uit te voeren rechtmatig. Bij een redelijk vermoeden van een overtreding van de Opiumwet in een loods, mag een opsporingsambtenaar die loods (heimelijk) betreden, teneinde te kijken wat zich daarin bevindt. De basis voor deze conclusie vindt het hof in artikel 9, eerste lid sub b van de Opiumwet, dat een suppletoir karakter heeft (ruimere bevoegdheid ten opzichte van het Wetboek van Strafvordering) en een zelfstandige bevoegdheid voor het betreden van plaatsen verleent aan opsporingsambtenaren.

Het hof Amsterdam heeft echter met een verwijzing naar de artikelen 152 en 153 Sv (verbaliseringsplicht) bezwaar geuit tegen het ontbreken van processen-verbaal en het verzwijgen ter terechtzitting van de vier inkijkoperaties. Het hof stelt dat uit de gang van zaken en de verklaring van de CID-teamleider blijkt dat de inkijkoperaties bewust door de politie -ook ten opzichte van het OM- zijn verzwegen met als doel de rechterlijke toetsing te ontlopen. Het hof oordeelde in casu dat de toetsing op onaanvaardbare wijze is gefrustreerd. Dit achtte het hof zozeer in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde dat het OM niet ontvankelijk werd verklaard in zijn vervolging.

 

Betreden van een loods om peilzender te plaatsen

Het hof Amsterdam acht het plaatsen van een peilzender (bij een redelijk vermoeden van een drugsdelict) toegestaan. Voor het hiervoor betreden van de loods acht het hof de betredingstitel van artikel 9 Opiumwet noodzakelijk.

Een peilzender wordt als hulpmiddel bij de observatie gebruikt. Het hof vindt observatie die bestaat uit het volgen van een vrachtauto geen inbreuk op artikel 8 EVRM. Het gebruik van het hulpmiddel peilzender wordt daarbij geoorloofd geacht. In dit geval (drugszaak) werd de bevoegdheid tot het betreden van de loods ontleend aan artikel 9 lid 1 sub 1 Opiumwet.

 

Scannen mobiele telefoon (ATF)

Het hof Amsterdam zegt met betrekking tot de vereiste machtiging van de rechter-commissaris dat in de praktijk geen telefoonnummers, maar bepaalde frequenties worden gescand. Het hof vindt dat er in feite geen verband is tussen praktijk en concrete telefoonnummers in de machtiging van de rechter-commissaris. Het hof acht een algemene machtiging -inclusief de clausule- een voldoende legitimatie. In deze zaak is bijna twee jaren met machtiging van de rechter-commissaris gescand. Daarvan is vier weken gescand met een machtiging op telefoonnummers èn de genoemde clausule. Voor het overige heeft de politie gescand op basis van een machtiging met alleen de concrete telefoonnummers. De rechter-commissaris verklaart ter terechtzitting dat de algemene machtiging slechts bedoeld was voor de periode van vier weken. Het hof oordeelt dat de gegevens uit telefoongesprekken gevoerd via telefoons, waarvan de nummers niet in de scanmachtiging waren vermeld, over de periode van ongeveer 20 maanden onrechtmatig zijn verkregen en niet voor de bewijsvoering gebruikt mogen worden.

Het hof heeft op 1 december 1994 uitspraak gedaan. Slechts voor verboden wapenbezit en het bezit van een plak hasj van 997,1 gram heeft het hof Henk R. kunnen veroordelen. Dit resulteerde in een straf van twee maanden hechtenis en een geldboete van duizend gulden.

 

4.5.3 Tanker Cleaning Amsterdam en Rotterdam (TCA/TCR)

 

Een casus ter illustratie van de inzet van technische observatiemiddelen in een recent

 

milieu-onderzoek.

 

Feiten en omstandigheden

In 1985 voeren de drie gebroeders Tom, Ron en Jan L. het bewind over twee grote afvalverwerkingsbedrijven in de haven van Amsterdam en Rotterdam (TCA en TCR). Noot Er is sprake van collectief leiderschap waarbij een ieder aandachtspunten heeft. Zo richt Tom zich voornamelijk op TCA en Jan en Ron op TCR. De gebroeders houden er een ruime levensstijl op na. Zo heeft een van de broers een geldverslindende hobby aan de autoracerij. De gebroeders worden ondersteund door een paar naaste medewerkers van TCA en TCR die
samen «De Groep» vormen. De zaaksofficier van justitie zegt ter terechtzitting hierover: De echte beslissingen werden buiten de overlegstructuur om genomen, door de broers, als er na een ruzie een wolkje de deur uit kwam; (..) in de auto tussen Ron en Rob E.; tijdens een lunch met saté en frites en ga zo maar door!(..) De andere drie hier aanwezige verdachten hadden een zeer cruciale rol binnen TCR. Hans E. was de directeur, zonder zijn goedvinden konden de broers niet handelen. Wim de R. was plantmanager: hij was de onmisbare schakel naar de werknemers toe. (..) Daarnaast was Rob E. (hoofd waterhuishouding, red.) de bedenker van vele illegale handelingen, de chef List en Bedrog, ook wel genaamd Dirty Harry. Noot In het begin loopt de bedrijfsvoering aardig. De milieubranche is groeiende en wordt financieel ondersteund door de overheid. Verschillende subsidies worden verstrekt, waaronder een aanzienlijk bedrag voor de aanleg van Haven Ontvangst Installaties (HOI) waartoe Nederland zich verplicht heeft door de ondertekening van het Marpolverdrag Noot .

Echter in de loop der tijd zien de gebroeders zich gedwongen de bedrijfsvoering aan te passen. De olieprijs daalt drastisch zodat de opbrengst uit de verkoop van de gewonnen olie uit de afvalstromen terugloopt. Bovendien beschikken zeeschepen zelf over steeds betere schoonmaakinstallaties zodat de scheepsafvalstromen afnemen. Zowel TCA als TCR zien zich genoodzaakt zich mede toe te leggen op het inzamelen van landafvalstromen. Dit betreft afvalstoffen die afkomstig zijn van calamiteiten en reinigings- en restprodukten van industriële activiteiten, waarvoor echter de aanwezige installaties niet altijd geschikt zijn. Daarom wordt een deel van de giftige stoffen illegaal afgevoerd naar het buitenland waaronder België en Engeland, en naar later blijkt verdwijnt een deel rechtstreeks in het havenwater. Vanaf 1989 beginnen de diverse controle-instanties, de provincies, VROM, de milieudiensten, Rijkswaterstaat en de havenbedrijven misstanden te constateren bij TCA en TCR. Noot Veelvuldig blijken de milieunormen te worden overschreden, met name bij TCR. Dit resulteert in vele processen-verbaal voor beide bedrijven waaronder 43 voor TCR. De subsidie wordt stopgezet en er wordt een handhavingsteam ingesteld voor TCR om te zien of er verbetering optreedt. De zaaksofficier van justitie maakt deel uit van dit team en memoreert ter zitting een voorval:

Er was een (door TCR geplaatste, red.) camera die op de lozingspijp gericht stond waardoor het onmogelijk was het afvalwater vanaf de waterkant ongezien te bemonsteren. Het handhavingsteam vond dat de camera weg moest. Dat is ook gebeurd. Noot

Echter, in plaats van de camera verschijnt er een uitkijkhokje bij de lozingspijp. Personeel van TCR houdt hierin de wacht als er illegaal geloosd wordt. Zo kan tijdig gestopt worden met lozen als controle-instanties in de buurt komen. Ook wordt er 's nachts geloosd zodat lozingen, die niet aan de controle-instanties worden gemeld zoals voorgeschreven is, niet snel zullen worden ontdekt.

Inmiddels wordt door de directie ingezien dat controle-instanties vasthoudend worden en dat toedekking van de malversaties moeilijker wordt. Het besluit wordt genomen om de boekhouding te vervalsen. Op papier lijkt de zaak dan aardig te kloppen. Tevens wordt een aangebrachte monsternamecarrousel van Rijkswaterstaat gemanipuleerd door gebruik te maken van een jerrycan die half gevuld is met havenwater. Bovendien begint men met «processen».

Dit is het gedeeltelijk direct lozen van giftige afvalstoffen op oppervlaktewater waarna de tank wordt bijgevuld met havenwater. Vervolgens wordt de lozing gemeld aan Rijkswaterstaat, die dan na controle wel moet constateren dat de lozing binnen de vergunningseisen blijft. Noot De directe lozingen op het oppervlaktewater worden verhuld door het tankstandenboek te vervalsen. Het geweten van de medewerkers die de illegale lozingen moeten uitvoeren wordt afgekocht met zwart geld. Verder hangt er een sfeer van angst binnen de bedrijvengroep. De officier van justitie zegt hierover: De algemene mening is dat het hem (Jan, red.), maar ook Ron, niet kon schelen wat er gebeurde en hoe, als er maar geld verdiend werd. Hier op de zitting kreeg ik ook sterk de indruk dat Jan ook nu nog in staat is door een schrikbewind de anderen te bedreigen en bang te maken. Noot Als een controleur komt, na de gebruikelijke melding van zijn komst, moet het bedrijfsterrein netjes worden opgeruimd. Vervuilingen worden afgegraven en zeiltjes worden over containers getrokken. Noot Herhaaldelijk wordt duidelijk gemaakt dat iemands baan op de tocht staat als hij niet meewerkt. Alles lijkt in orde. Zelfs zo in orde dat de bedrijven in aanmerking komen voor milieukeurmerken. De Nederlandse vereniging van verwerkers van chemische afvalstoffen (NVCA), waarin broer Jan een prominente rol speelt, verleent een milieucertificaat
in september 1992 aan TCA en in januari 1993 aan TCR. Ook wordt door TCR in september 1993 het ISO-9001 certificaat in de wacht gesleept. Dit certificaat wil zoveel zeggen als dat er een toetsbaar en geordend managementsysteem is. Noot De officier van justitie zegt hierover: Dit certificaat is met veel feestelijk vertoon uitgereikt in kasteel Rhoon. Voor de uitreiking was het gehele netwerk in brede zin uitgenodigd, waaronder zelfs de milieu-officier, die daarbij om begrijpelijke redenen verstek heeft laten gaan. Noot

Dit wekt zoveel vertrouwen dat bepaalde grote bedrijven als Shell en de Hoogovensgroep in zee gaan met de gebroeders L. Dit vertrouwen wordt nog eens versterkt door het feit dat TCR/TCA een gerenommeerd accountantskantoor en een Rotterdamse advocaat in de arm neemt, die vertrouwen geniet als voormalig Eerste Kamerlid. Ook de twee commissarissen R. en Van S. genieten binnen de overheid waardering en respect. Noot Bovendien stelt de bedrijvengroep zich altijd zeer coöperatief op richting overheid. Uiteindelijk mag dit niet baten. Een opsporingsonderzoek wordt gestart, de gebroeders gaan bankroet en de bedrijvengroep gaat failliet.

 

Het politieel en justitieel onderzoek

De aanleiding tot het uiteindelijke onderzoek naar TCA/TCR is gelegen in eerder verrichte onderzoeken die op niets zijn uitgelopen. Er is door de tijd heen regelmatig geverbaliseerd. Hieruit zijn onderzoeken gestart in 1983/1985 en 1989/1989, die beide voortijdig gesloten werden. Het eerste mislukte omdat uitlekte dat telefoons werden afgeluisterd nadat op hoog politiek niveau over dit onderzoek was gesproken. Het tweede onderzoek werd gestaakt door het OM. Er zouden niet voldoende aanwijzingen van strafbare feiten zijn. Volgens Van Zeben, hoofd milieubijstandsteam, betekende een gesprek van de secretarissen-generaal van de departementen van Verkeer en Waterstaat, VROM en Justitie het definitieve einde van de tweede poging. Een aantal jaren worden TCA en TCR dan strafrechtelijk met rust gelaten.

Tot 1993, dan wordt in Rotterdams kernteamverband besloten een grote milieuzaak te gaan doen. Er is een aantal beperkte proactieve onderzoeken verricht naar afvalverwerkingsbedrijven waaruit TCA en TCR duidelijk naar voren springen. Dan wordt besloten weer een opsporingsonderzoek in te stellen naar deze bedrijven, maar nu onder strikt embargo op een aparte lokatie. Alvorens een gerechtelijk vooronderzoek te openen wordt er proactief onderzoek verricht van maart tot november 1993.

Een belangrijk onderdeel van het vooronderzoek vormt het verzamelen van reeds bestaande gegevens over de betrokken bedrijven. Het meldingensysteem van VROM wordt bestudeerd, de vergunningen, de personeelsgegevens en de fiscale gegevens. Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden tot observatie en monsternemingen, zowel te water als over de weg. Noot Er is een on line verbinding met de Kamers van Koophandel om het bedrijvennetwerk in kaart te brengen. Dit blijkt 120 bedrijven te omvatten. Tevens worden alle toezichtgegevens van de controle-instanties opgevraagd en geanalyseerd. Dit betreft bestuurlijke informatie betreffende de achtergrond en omstandigheden van de vergunningverlening, de onderhandelingen tussen bedrijf en provincie, de reden voor ontheffing etc. Een medewerker van Rijkswaterstaat wordt aan het team toegevoegd om dit proces van bestuurlijke informatievertrekking te vergemakkelijken. Dit uitgebreide informatieve onderzoek is onder andere nodig door de slechte informatiepositie van de CID op milieugebied. Er blijkt hier nauwelijks informatie aanwezig over het onderzoekssubject. Er worden verschillende bijzondere opsporingsmethoden ingezet in deze voorfase. In juni en september/oktober 1993 wordt het bedrijf TCR geobserveerd door camera's en thermische camera's die zijn opgesteld in een leegstaand fabriekspand. Deze worden ook bij TCA gebruikt. De opnamen worden op videoband vastgelegd. Ook worden observaties verricht vanaf een door het team gehuurde boot. Tijdens deze observatieacties wordt een scanner gebruikt om het portofoonverkeer tussen personeel onderling af te luisteren. De observaties en de scanner dienen ondermeer om te ontdekken wanneer er geloosd wordt. Dit is onder andere van belang voor de duikers van de marine die een nieuw ontwikkeld monsternemingsapparaat in de lozingspijp aanbrengen. Dit apparaat bestaat uit een opblaasbare band met daarin datalogapparatuur en vier glazen buizen die dienen als monsterkamers. Twee monsterkamers worden handmatig bediend vanaf de walkant door middel van een zender en twee worden automatisch in werking gesteld. Noot De monsterkamers worden verwisseld door de duikers, vaak onder het spiedend oog van de op wacht staande medewerker op de kant. In oktober 1993 wordt het monsternemingsapparaat ontdekt door werknemers en verwijderd. Dit gebeurt onder het lijdelijk toeziend oog der observanten op de walkant. Noot Een probleem bij heimelijke monsterneming is de contra-analyse. Het bedrijf kan immers later de analyse van de monsters in twijfel trekken en vragen om contra-monsters. Hierin wordt voorzien door inschakeling van een notaris die de monsters naar het laboratorium stuurt en de analyse-gegevens bewaart in de kluis. In februari 1994 worden deze vrijgegeven aan de betrokken bedrijven. Noot
Tijdens dit vooronderzoek wordt ook aandacht besteed aan grensoverschrijdende transporten van afvalstoffen. Zes transporten worden door het observatieteam van de AID geobserveerd en later stilgehouden en bemonsterd op grond van de Wet op de economische delicten of de Wegenverkeerswet. Noot Naast statisch en dynamisch observeren, scannen en bemonsteren wordt in de voorfase ook gebruik gemaakt van een informant. In maart 1993 meldt een anonieme beller dat bij TCR illegaal geloosd gaat worden. Later blijkt dit een werknemer van TCR te zijn. Hij legt vervolgens verklaringen af bij een koppel runners van de CID, aangevuld met een medewerker van het milieubijstandsteam voor de milieutechnische kennis. Eind april 1993 besluit de werknemer om ontslag te nemen en als getuige te gaan optreden. Dit vooronderzoek levert genoeg vermoedens op van het structureel plegen van milieudelicten om een gerechtelijk vooronderzoek te starten. Een multidisciplinair team wordt geformeerd waarin naast de recherche Rotterdam ook de CRI, het MBT en de FIOD participeren. Ook een medewerker van Rijkswaterstaat wordt aangetrokken. De betrokken medewerkers werken onder strikte geheimhouding. De reguliere controles vinden gewoon plaats, zonder dat de controleurs wetenschap hebben van het feit dat dit onderzoek loopt. Bijna gaat het dan ook mis. Niets vermoedende toezichthouders van Rijkswaterstaat ontdekken het monsternemingsapparaat. De officier legt hen geheimhouding op wat mogelijk is door het feit dat zij tevens opsporingsambtenaren zijn. Noot

Gedurende in totaal zes weken worden de telefoons van de hoofdverdachten getapt alsmede de faxen van de bedrijven. De CRI heeft een schatting gemaakt van de illegale verdiensten. Ook worden informanten als getuigen gehoord. Hierna worden huiszoekingen gedaan in december 1993 en worden aanhoudingen verricht.

Het onderzoek ter terechtzitting

In het voorjaar van 1995 wordt dit grote milieuonderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg behandeld. De rechtbank Rotterdam heeft een aantal strafbare feiten bewezen verklaard. Dit zijn deelname aan een criminele organisatie, het illegaal lozen van afvalwater op oppervlaktewater, EG-fraude, valsheid in geschrifte en belastingfraude. Noot De illegale lozingen, die zijn vastgesteld door het nieuwe monsternemingsapparaat, worden niet bewezen verklaard. Niet omdat het apparaat niet zou deugen of de contra-monster procedure wordt afgekeurd maar,

het ten laste gelegde met betrekking tot de lozingen 8,9,10 is niet wettig en overtuigend bewezen omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze lozingen effluent van straat 1 of straat 2 betreffen, terwijl de in de tenlastelegging genoemde vergunningvoorschriften uitsluitend betrekking hebben op het effluent van deze zuiveringsstraten. Noot

De rechtbank veroordeelt de oudste broer Jan L. tot zes jaar gevangenisstraf en oordeelt: In plaats van zijn macht in de L.groep en in het bijzonder in Tankcleaning Rotterdam aan te wenden om aan de milieu-eisen te voldoen, heeft hij met kennelijke minachting voor het milieu gehandeld ten behoeve van persoonlijk financieel gewin. (..) Hij heeft ertoe bijgedragen dat controlerende instanties om de tuin werden geleid, dat subsidiegelden een andere dan beoogde bestemming kregen, en dat fiscale afdrachten niet in voldoende mate werden gedaan. Noot

Dit is tot nu toe de hoogste straf in een milieuzaak. Ron L. wordt veroordeeld tot drie jaar en zes maanden, en Tom L. tot twaalf maanden gevangenisstraf. De handlangers Hans E., Willem de R. en Rob R. worden veroordeeld respectievelijk tot drie jaar, twee jaar en eveneens twee jaar cel, waarvan acht maanden voorwaardelijk. Jan L. is de enige die hoger beroep heeft ingesteld.

De broers en de bedrijvengroep zijn failliet. Duidelijk wordt dat de ruim 40 miljoen gulden aan verstrekte subsidie niet terug te vorderen zal zijn. De installaties blijken slechts 5 miljoen gulden waard bij verkoop. Ook de fiscus heeft het nakijken. De miljoenenaanslagen zijn waarschijnlijk niet inbaar. Deze grote milieuzaak blijft de gemoederen bezighouden. Vooral de vragen hoe het zover heeft kunnen komen ondanks de controles, alsmede de besteding van de rijkssubsidies staan centraal. Inmiddels is een onderzoekscommissie ingesteld die zich over deze vraag zal buigen. Mede wordt gekeken wat de bestuurlijke lessen zijn die uit deze zaak kunnen worden getrokken. Noot

4.6 Beoordeling


De commissie heeft geconstateerd dat verschillende observatiemethoden geen uitdrukkelijke wettelijke basis hebben. Dwangmiddelen als het tappen van gegevensverkeer, het onderzoek in geautomatiseerde werken en de postvang zijn wel in de wet geregeld. Gelet op de nauwkeurige wettelijke normering van bepaalde dwangmiddelen en het ontbreken van normering van andere opsporingsmethoden is het beeld onevenwichtig. Voor het gebruik van bepaalde niet wettelijk geregelde opsporingsmethoden is in de rechtspraak een aanzet tot nadere normering gegeven. De jurisprudentie heeft voorwaarden gesteld aan het gebruik van de verschillende observatiemethoden. Noot In een enkel geval, zoals het inkijken, bestaat een interne richtlijn die als juridische basis wordt gehanteerd voor de inzet van de observatiemethode.

Naar de stand van het huidig recht is naar het oordeel van de commissie te veel discussie mogelijk over de vraag of de inzet van bepaalde observatiemethoden rechtmatig is. Het punt is waar bij observatie sprake kan zijn van een inbreuk op de fundamentele rechten van de burger zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke basis bestaat. Bij langdurige observatie is dat volgens de commissie het geval. Zonneklaar is dat het in de praktijk geconstateerde direct afluisteren en de semi-inkijkoperatie (meeliften) in een woning onrechtmatig zijn, tenzij sprake is van een noodtoestand. Het gebruik van niet in het strafdossier opgenomen tapgegevens door de CID is begrijpelijk, maar naar het huidige recht evenzeer onrechtmatig. Politie en justitie zijn van oordeel dat deze observatiemethoden noodzakelijk zijn voor een effectieve opsporing.

Er bestaan geen eenduidige criteria wanneer welke observatiemethode door wie mag worden gehanteerd. De commissie is van oordeel dat nadere normering gewenst is, mede omdat door het verrichten van observatiewerkzaamheden grondrechten (en vooral het grondrecht op privacy) kunnen worden aangetast. Bij direct afluisteren en inkijken is naar het oordeel van de commissie sprake van een ernstige inbreuk op het privacyrecht van burgers of van de vrijheid die in het verlengde daarvan ligt. Bij de andere vormen van observatie is het mogelijk dat inbreuk gemaakt wordt op privacy van burgers. Normering biedt politie en justitie expliciet omschreven mogelijkheden om deze methoden te hanteren.

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van betrokken politie- en justitiefunctionarissen zijn onduidelijk. De inzet van observatiemethoden was tot voor kort het monopolie van de politie. Daar kwam meestal geen officier van justitie aan te pas. Recent is wijziging gekomen in de bemoeienis van het OM. Ook waren de criteria op basis waarvan een beslissing werd genomen zeer diffuus. Het gebrek aan sturing van de politie door het OM acht de commissie onwenselijk. Het OM dient in ieder geval op de hoogte te zijn van het gebruik van deze methoden. Voor bepaalde vormen van observeren is naar het oordeel van de commissie expliciete voorafgaande toestemming van een officier van justitie noodzakelijk.

Van enige controle achteraf door het OM op het gebruik van deze observatiemethoden was nauwelijks sprake. De politie vertelde het OM weinig over de gehanteerde observatiemethoden. Of er informatie werd gegeven, was vooral afhankelijk van de voorkeur van de betrokken politiefunctionaris. Officieren van justitie vroegen sporadisch naar het gebruik van deze methoden. De commissie meent dat een meer intensieve toetsing van het gebruik van deze methoden door het OM noodzakelijk is. De rechter moet tevens achteraf kunnen controleren welke methoden zijn gebruikt en op welke wijze zij zijn ingezet. De verslaglegging van de inzet van het merendeel van de observatiemethoden is zeer gebrekkig. Slechts met veel moeite kan gereconstrueerd worden welke observatiewerkzaamheden zijn verricht. In enkele gevallen had dat negatieve gevolgen voor de effectiviteit van de opsporing. Een adequate registratie is naar het oordeel van de commissie een essentiële voorwaarde voor een verantwoorde opsporing. Te vaak is naar het oordeel van de commissie het gebruik van observatiemethoden zoals inkijkoperaties, videocamera's, scanners, geheim gehouden. De rechter, de verdediging en soms het OM hadden te weinig inzicht in het gebruik van deze observatiemethoden.

Over het verantwoord zijn van de observatiemethoden valt moeilijk in algemene zin uitspraken te doen. Dat is sterk afhankelijk van de concrete gevallen. De inzet van niet wettelijk geregelde opsporingsmethoden is niet beperkt tot de onderzoeken naar zware, georganiseerde criminaliteit. Zo vindt met name de inzet van foto- en videoapparatuur plaats bij allerlei criminaliteit, variërend van burenruzies tot autokraken en woninginbraken. In iets mindere mate geldt dit ook voor plaatsbepalingsapparatuur.

In gevallen van georganiseerde criminaliteit wordt inzet van observatiemethoden al gauw proportioneel geacht. Als het bij een inbraak qua ernst van het delict is toegelaten, dan toch zeker ook bij zware, georganiseerde criminaliteit, zo wordt geredeneerd. Wat voor proportionaliteit geldt, geldt ook voor de subsidiariteitstoets. Gelet op de problemen die gebruikelijk zijn bij onderzoek naar criminele organisaties wordt niet snel gezegd dat eerst andere middelen moeten worden ingezet. De combinatie van de verschillende observatiemiddelen maakt dat er zicht op de organisatie ontstaat. Het voorgaande brengt met zich mee dat de toepassing van deze methoden bij georganiseerde criminaliteit min of meer standaard is. De effectiviteit van de observatiemethoden is moeilijk te bepalen. Sommigen stellen dat de wettelijke dwangmiddelen voldoende mogelijkheden bieden, anderen menen dat het voor een effectieve opsporing noodzakelijk is om steeds nieuwe observatiemethoden te hanteren. De commissie meent dat het gebruik van verschillende observatiemiddelen noodzakelijk is voor een effectieve opsporing. De recente geschiedenis heeft
getoond dat het gebruik van onvoldoende genormeerde observatiemethoden de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit kan schaden (zie de zaak Henk R.). Een voldoende normering is niet alleen een noodzakelijke voorwaarde voor de bescherming van de rechten van burgers, maar ook voor een effectieve opsporing. In hoofdstuk 10 geeft de commissie haar oordeel over welke observatiemethoden nader genormeerd moeten worden en welke observatiemethoden zij onwenselijk acht.

Observatie is een noodzakelijke methode bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat politie en justitie voldoende mogelijkheden moeten hebben om met behulp van observatiemiddelen gegevens te verzamelen. De commissie is echter tevens van oordeel dat de observatiemethoden zowel inhoudelijk als procedureel goed genormeerd moeten worden.

 

HOOFDSTUK 5 INFORMANTEN

 

5.1 Omschrijving

Zolang er politie bestaat wordt er gewerkt met informanten, personen die op basis van vertrouwelijkheid informatie aan de politie verstrekken. Zij zijn de belangrijkste bron van informatie voor de criminele inlichtingendiensten (CID-en). Noot

 

 

De heer Paulissen:

... Ik bedoel, informantenwerk is in mijn ogen één van de belangrijkste manieren om boeven te vangen.

De voorzitter:

Is het de belangrijkste opsporingsmethode die wij hebben?

De heer Paulissen:

Ik zet die bovenaan mijn lijstje. Als ik kijk naar de mogelijkheden om uiteindelijk informatie te krijgen, zet ik het werken met informanten bovenaan het lijstje.

Op basis van informatie van informanten wordt menig opsporingsonderzoek gestart. Het runnen van informanten is de kerntaak van de CID in Nederland. Kenmerkend is het vertrouwelijke karakter: niemand dient te weten wie de informant is. Een informant verstrekt inlichtingen aan de CID over criminele activiteiten. In de huidige praktijk zijn informanten vaak personen met een criminele achtergrond, maar ook niet-criminele burgers en politiefunctionarissen treden op als informant. Een informant kan tegen beloning, maar ook zonder beloning informatie verstrekken.

 

 

De voorzitter:

Hoe heet een informant in het milieu?

De heer Mosterd:

Verklikker, verraaier, matennaaier. Dat zijn de kreten die gebruikt worden.

De voorzitter:

Het woord «informant» is daar niet ingeburgerd?

De heer Mosterd:

Nee, dat is duidelijk de wat neutralere benaming die wij met elkaar verzonnen hebben. Noot Het onderscheid tussen informanten, gestuurde informanten en infiltranten is vaak onduidelijk. Verschillende termen worden gehanteerd voor dezelfde informatiegevers. Moet een informant die uitdrukkelijk gevraagd wordt een bepaald café te bezoeken, al aangemerkt worden als infiltrant? Nog subtieler ligt het als de informant niet uitdrukkelijk gevraagd wordt naar een bepaald café te gaan, maar als hij als het ware zelf, in een suggestief gesprek, op die gedachte komt. De commissie komt tot het volgende onderscheid tussen de informant, de gestuurde informant en de infiltrant. Een informant verstrekt zonder daarvoor speciale activiteiten te hebben ontplooid criminele informatie. Een gestuurde informant wordt daarenboven gevraagd om onder regie van de politie bepaalde activiteiten te ontplooien met uitzondering van strafbare feiten. Wordt een informant door de politie of justitie gevraagd onder regie strafbare feiten te plegen of de criminele organisatie steun te bieden, dan spreekt de commissie van een burgerinfiltrant. De grens tussen informanten en burgerinfiltranten ligt dus bij de regie van politie en justitie. In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de informanten. In het volgende hoofdstuk worden naast de politiële infiltranten de burgerinfiltranten besproken. De commissie is zich ervan bewust dat met deze definiëring de schimmige scheiding tussen informanten, gestuurde informanten en infiltranten slechts gedeeltelijk is opgelost. De commissie meent echter wel dat op deze wijze een onderscheid mogelijk is.

5.2 Juridische basis en omvang

Een eigen, afzonderlijke wettelijke basis voor het runnen van informanten ontbreekt. Het gebruik van informanten is echter een cruciaal onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek geworden. Politie, staande en zittende magistratuur hebben dat volledig aanvaard.

Voor het runnen van informanten bestaan weinig regels. Het ontbreken hiervan wordt door menigeen als problematisch ervaren. De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden (1985) biedt enige basis, maar geeft weinig sturing aan activiteiten van de CID. In de CID-regeling (1995) wordt noch gesproken over informanten, noch over het runnen hiervan.

In Nederland staan enige duizenden informanten ingeschreven bij de verschillende politieregio's. Bij de
landelijke CID, cumulatief tot eind mei 1995 staan 2.936 informanten in het Informanten Coderings Systeem geregistreerd, afkomstig van 17 CID-en. Medio december 1995 is dit aantal inmiddels aanzienlijk gegroeid tot 5.259 informanten. Dit keer hebben alle 25 RCID-en, de Koninklijke Marechaussee, de Divisie mobiliteit van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) (in verband met het gedetineerdenvervoer) en een aantal bijzondere opsporingsdiensten, waaronder de FIOD, informanten aangemeld. Het overgrote deel van deze informanten beschikt over informatie over de handel in verdovende middelen. Van al die duizenden informanten wordt slechts een klein deel, een paar honderd, gerund. Slechts dit kleine aantal informanten heeft frequent contact met de runners. De andere informanten geven incidenteel informatie. Het aantal informanten varieert sterk per CID. Zo staan bij de CID Twente volgens een zegsman aldaar 64 informanten ingeschreven, waarvan er 29 daadwerkelijk worden gerund. Amsterdam/Amstelland heeft 330 structureel gerunde informanten. Daarnaast is er een lijst van incidentele tipgevers van enkele honderden per jaar. De meeste kernteams concentreren zich op enkele informanten die hoogwaardige informatie kunnen geven over criminele organisaties. Zo heeft het kernteam Randstad Noord en Midden slechts enkele informanten.

5.3 Bevindingen

 

5.3.1 Werving en registratie

Informanten worden vaak geworven als zij als verdachten met de politie in aanraking zijn geweest. In andere gevallen melden zij zich spontaan aan. Ook zijn er informanten die benaderd worden door de CID. Het komt voor dat er ook buitenlandse informanten worden gerund. Deze worden meestal geworven door Nederlandse liaison officers in het buitenland en indien zij interessant zijn Nederlandse zaken worden zij bij een RCID geïntroduceerd .

Van elke informant wordt bij de CID een informantendossier aangelegd. De inhoud van deze informantendossiers varieert sterk. Soms bevatten ze uitgebreide informatie over de informant zoals de achtergronden, activiteiten, verschafte inlichtingen en betalingen, soms slechts enkele kerngegevens zoals naam, adres en telefoonnummer. Er zijn geen richtlijnen die bepalen welke informatie over informanten moet worden opgeslagen.

Niet iedereen die informatie aan de CID geeft wordt geregistreerd als informant. Bij de beslissing of iemand al dan niet als informant wordt ingeschreven is cruciaal het antwoord op de vraag of de identiteit van de informant beschermd moet worden. Als dat het geval is, volgt inschrijving als informant, ook als het een incidentele tipgever betreft.

Het is onduidelijk wie de bevoegdheid heeft om te beslissen of iemand als informant wordt ingeschreven. Feitelijk is de CID-chef degene die informanten inschrijft, op voorspraak van de CID-rechercheurs. Schoning van de informantendossiers vindt in de praktijk weinig plaats. Hierover is ook geen regeling getroffen. Ingeschreven informanten zijn bijna altijd afkomstig uit het criminele milieu. De veronderstelling is dat criminelen over betere informatie omtrent strafbare feiten beschikken dan anderen. Informanten die onbetrouwbaar zijn gebleken voor de politie, worden op een zwarte lijst geplaatst die door de CRI wordt bijgehouden.

 

 

De heer Paulissen:

Toen ik in 1987 in dat wereldje terecht kwam, was 90% van de informanten crimineel. Zij pleegden nauwelijks strafbare feiten en hadden niet ergens echt actief in deel. Toch wisten zij redelijk veel van datgene wat zich afspeelde. Je ziet in die jaren een verandering. Er ontstaat zoiets van, omdat men natuurlijk ook weet dat er met informanten wordt gewerkt: als je iets wilt weten, doe je dus mee. Dat betekent bijna per definitie dat de informanten vervolgens in een rol kwamen waarin zij actief in bepaalde constructies of actief in bepaalde handelingen, ook strafbare handelingen, betrokken werden. Dus dan ga je een informant een zaak in sturen. Je maakt goede afspraken. Hoe zwaarder zijn zaak, hoe meer vertrouwen je moet hebben in de informant.

De voorzitter:

Dus hoe meer strafbare feiten hij pleegt, hoe meer vertrouwen je in hem moet hebben?

De heer Paulissen:

Absoluut. Stel dat een informant een wat actievere rol gaat spelen binnen zo'n organisatie. Dat doet ik niet met een informant die ik niet ken, die ik nooit heb kunnen controleren.

Informanten zijn in mijn ogen nooit 100% stuurbaar. Het is een illusie om mensen voor te schilderen: luister, dit is het scenario en dit gebeurt er. Wat je moet doen, is duidelijke afspraken met die man maken: dit zijn de kaders waarbinnen jij opereert met dekking van politie en justitie, als jij daarbuiten gaat, zijn de problemen en de effecten daarvan ook voor jezelf, als wij je buiten die kaders op een strafbaar feit betrappen waarover wij vooraf met jou geen afspraken hebben gemaakt, dan ga je daarmee gewoon het strafrechtelijke circuit in. Dus je probeert de stuurbaarheid wel te vergroten, maar op 100% moet je nooit rekenen. Je moet altijd wantrouwend
blijven ten opzichte van hetgeen zo'n informant voor je doet. Dat is het spel. En die onzekerheid moet je meenemen. Noot
In enkele gevallen staan ook niet-criminele burgers als informant ingeschreven: omwonenden, familieleden en vriendinnen van criminelen, bewakingspersoneel, journalisten, advocaten, accountants, garagehouders, autoverhuurders. Het streven om informanten uit de «bovenwereld» te werven staat echter nog in de kinderschoenen.

 

 

De voorzitter:

U heeft ons eerder verteld dat u heeft overwogen om journalisten als informant te gaan gebruiken.

De heer Paulissen:

Ja.

De voorzitter:

Zijn zij uiteindelijk ook ingeschreven?

De heer Paulissen:

Neen, zij zijn uiteindelijk niet ingeschreven, omdat onze korpsbeheerder vond dat wij hierin toch een beetje te ver gingen. Noot

Bij enkele RCID-en is geconstateerd dat politiemensen uit andere regio's als informant waren ingeschreven. Dat had tot doel de bron af te schermen. Met het inschrijven van politiemensen als informant wordt voorkomen dat zij in het openbaar getuigenis moeten afleggen. Het bergt echter het risico in zich dat informatie op deze wijze opgewaardeerd kan worden. Inmiddels zou het nauwelijks meer voorkomen dat politiemensen ingeschreven worden als informant.

 

 

De voorzitter:

Hebt u politiemensen als informant ingeschreven?

De heer Mosterd:

Niet meer. Dat «niet meer» geldt vanaf het moment dat ik er kwam. Daarvoor was er al het een en ander gepasseerd. Toen was het allemaal net geschoond. Voor die tijd stonden er PS'ers...

De voorzitter:

Pseudo-kopers.

De heer Mosterd:

...of mensen van het arrestatieteam als informant ingeschreven.

De voorzitter:

Tot wanneer is dat gebeurd?

De heer Mosterd:

Dat was voor mijn tijd. Ik heb bij wijze van spreken de laatste zelf eruit gehaald. Ik ben wat dat betreft met een schone lei begonnen. Noot

De voorzitter:

Noemt u eens een voorbeeld van wat u bij de hand hebt gehad, op zo'n manier dat het geen schade kan doen.

De heer Van Steeg:

Nu, een informant die gezien heeft dat er in een bepaald pand vuurwapens liggen; wij weten alleen maar dat die informant het gezien heeft. De informant weet het en de verdachte weet het, die twee, en daarbij komt dat de informant in Utrecht of in de omgeving van de verdachte woont. Op het moment dat de informant deze informatie ter beschikking stelt aan Utrecht en de informatie in de openbaarheid komt, zal het heel gauw duidelijk zijn voor de betrokken verdachte dat deze informatie van die informant af komt. Bij het toepassen van deze constructie zoek je naar mogelijkheden en vraag je je af: waar heeft de verdachte bijvoorbeeld nog meer contacten? Als dan blijkt dat hij veelvuldig in Amsterdam komt, zou je gebruik kunnen maken van die wetenschap en zeggen: we gaan wat zand in de ogen van de verdachte strooien en wij gaan de U-bochtconstructie toepassen.

De voorzitter:

Heeft u het ook wel eens zo gedaan, dat u het uit meerdere steden liet terugkomen?

De heer Van Steeg:

Nee.

De voorzitter:

Ik vraag dit, omdat er ook een voorbeeld is waarbij de CID-informatie vanuit één bron, uit verschillende korpsen bleek terug te komen. Want dat kan natuurlijk niemand controleren: u kunt het aan Amsterdam vragen, u kunt het aan Rotterdam vragen en als zij het allebei doen, heb je twee bronnen.

De heer Van Steeg:

Ja, wie gaat er dan met zijn vingers omhoog staan? Ik niet, in ieder geval.

De heer Vos:

Ik zou nog iets over de U-bocht willen vragen: vindt er dan geen opwaardering van de informatie plaats? Ik heb begrepen dat de U-bocht ook wel eens gebruikt wordt om informatie als het ware een zwaarder kaliber te geven.

De heer Van Steeg:

Ik doe dat niet. Wij doen dat, zo durf ik te zeggen, in Utrecht zeker niet. Gebruikelijk is dat wij in Utrecht de informatie opmaken en dat deze de (waarderings)codering meekrijgt die wij in kunnen vullen. Die kunnen wij ook alleen maar invullen, want wij hebben contact met de informant. Die krijgt die en die waardering en wij geven dat door aan het andere korps, aan de andere regio. De andere regio neemt die waardering over - ik vind in ieder geval dat dit zo moet; dat spreken wij ook af - en deze waardering komt uiteindelijk bij de tactische recherche terecht.

De voorzitter:

Heeft u er kennis van dat er wel eens opwaardering heeft plaatsgevonden?

De heer Van Steeg:

Nee.

De voorzitter:

Dit, omdat wij daar ook van gehoord hebben.


De heer Van Steeg:

Ja, u heeft mij dit bij een vorige gelegenheid ook gevraagd: opwaardering via het CRI of zo, of via het buitenland. Nu, dat is voor mij echt waanzin. Noot

Het is de bedoeling dat alle informanten worden aangemeld bij de landelijke CID. Tot voor kort meldde een groot aantal CID-en informanten niet aan. Inmiddels hebben alle CID-en hun informanten gemeld. Melding vond niet altijd plaats omdat CID-en met het oog op de vertrouwelijkheid en de kwetsbaarheid de kring van personen die bekend zijn met de informant zo beperkt mogelijk willen houden.

5.3.2 Anonimiteit en bescherming

De CID houdt ten koste van nagenoeg alles de identiteit van de informant geheim. De CID doet een informant dan ook de toezegging van anonimiteit. Dit uitgangspunt beheerst al het handelen van de CID-rechercheurs. Ook als dat betekent dat een bepaald opsporingsonderzoek zal mislukken; de identiteit blijft geheim. Een voorbeeld daarvan is de behandeling van de Ramola-zaak bij de rechtbank Rotterdam. Bij de politie bestaat de vrees dat zij in de toekomst geen informatie meer krijgt als zij de identiteit van informanten bekend maakt.

In augustus 1995 werden de namen van drie informanten die een rol hadden gespeeld in de zogenaamde ABN-AMRO-zaak bekend. De advocaat van de verdachte bleek over zeer vertrouwelijke stukken te beschikken waaruit duidelijk werd dat deze informanten voor de Haarlemse CID werkzaam waren. Tevens had de advocaat de beschikking over een proces-verbaal waarin Haarlemse CID-rechercheurs bevestigen dat het drietal als informant ingeschreven was.

Als bekend raakt wie aan de politie de informatie over de criminele organisatie heeft verschaft, loopt de betrokken informant grote risico's wat betreft zijn veiligheid.
De commissie heeft niet daadwerkelijk kunnen vaststellen dat er personen zijn geliquideerd vanwege hun optreden als informant, al valt dit in een aantal gevallen niet uit te sluiten. Slechts zelden worden informanten als getuige op de zitting gehoord. Incidenteel worden informanten gehoord als anonieme getuige. Echter deze procedure wordt door veel politiefunctionarissen over het algemeen nog niet als voldoende beschouwd. De zaaksofficier in de Ramola-zaak zegt hierover:

 

De voorzitter:

Maar het probleem is toch dat u een groot risico hebt gelopen, blijkbaar, door met een informant te werken die u om begrijpelijke redenen uiteindelijk niet als getuige wilt laten optreden. Daar zit toch de kern van het probleem, dat wij hier in verschillende dimensies al vaak gezien hebben?

De heer De Groot:

Dat risico hebben wij gelopen, ja. (...)

De voorzitter:

Had u het niet kunnen voorkomen door toch nog te proberen, in de vorm van anonieme getuigen etc., dat het niet hierop zou uitlopen, te weten dat uw zaak stuk gaat?

De heer De Groot:

Daar hebben wij van tevoren over gedacht en uiteindelijk de beslissing genomen om dat niet te doen - het is nu makkelijk achteraf praten - omdat er op dat moment niet voldoende concrete aanwijzingen waren dat wie dan ook uit die Ramola-groepering zich bedreigend ten opzichte van de

informant had uitgelaten. En als je iemand als anonieme getuige bij de rechter-commissaris wilt laten horen, dan zal de rechter-commissaris en in het verlengde daarvan, bij een mogelijk hoger beroep, de raadkamer van de rechtbank, zich ervan moeten vergewissen dat er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven om tot de conclusie te komen, dat betrokkene inderdaad op enigerlei wijze wordt bedreigd. Noot In ruil voor een getuigenis kunnen politie en justitie eventueel bescherming aanbieden. In Nederland bestaat formeel geen getuigenbeschermingsprogramma. Desondanks zijn enkele malen getuigen voor langere tijd beschermd door politie en justitie en een enkeling heeft een andere identiteit gekregen. Het ontbreken van een regeling voor getuigenbescherming weerhield politie en justitie niet van deze beslissingen. Het ging hierbij om getuigen die in levensgevaar verkeerden omdat zij belastende verklaringen ten overstaan van de politie hadden afgelegd.

 

5.3.3 Runnen van informanten

Het runnen van een informant vindt plaats door een koppel van CID-rechercheurs, de «runners». In het verleden runde ook de tactische recherche informanten. Tegenwoordig is dat uitzondering. De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden (1985) geeft enkele algemene regels voor de relatie tussen runner en informant. In juni 1995 is door de Werkgroep ethische aspecten van CID-werkzaamheden onder leiding van officier van justitie Veurink
een rapport geschreven dat moest voorzien in het gemis van algemeen aanvaardbare regels voor de wijze waarop de CID informatie vergaart en in de daarmee samenhangende behoefte in de praktijk aan een toetsingskader waarbinnen een antwoord kan worden gevonden op ethische vragen die zich in de praktijk van het CID werk voordoen. Noot Deze werkgroep heeft een enquête gehouden onder CID-medewerkers. Uit de enquête-resultaten trok de Werkgroep ethische aspecten van CID-werkzaamheden de conclusie dat eenduidigheid van opvatting over ethische normen in het CID werk ontbreekt.

 

De belangrijkste enquêteresultaten:

* Een selectie van de handelingen waarover men het vrijwel eens is dat zij acceptabel zijn: (U-bochtconstructie), toegestaan 92%. - Informatie via een andere CID exploitabel maken om zodoende een informant af te schermen (bijvoorbeeld informatie over een verstoorde relatie), toegestaan 86%. - Informatie uit een telefoon tap (in het kader van een GVO) gebruiken om actief informanten te winnen * Een selectie van handelingen waarvan vrijwel iedereen vindt dat ze onacceptabel zijn: (bijvoorbeeld noodzakelijk voor zijn geloofwaardigheid), toegestaan 3%. - Een informant pleegt zonder overleg met het OM strafbare feiten ten behoeve van de informatie inwinning

  • Aan een collega tipgeld verstrekken, toegestaan 5%.

  • In voorkomende gevallen bij een informant erop aandringen bij een relatie te blijven (bijvoorbeeld de concubine van iemand die kennis draagt van zeer zware delicten), toegestaan 16%.

  • Tegen de te werven informant zeggen: «zolang we door jouw informatie met anderen bezig zijn, hebben we geen tijd om aandacht aan jou te besteden», toegestaan 14%.

  • Een informant een verkregen monster verdovende middelen laten behouden, toegestaan 13%.

  • De naam van een verdachte verstrekken aan een medewerker van een expertise-bureau, toegestaan 15%. * Een selectie van de handelingen waarover men meer van mening verschilde:

  • Een informant blijft ongestraft terwijl hij u confronteert met een helingsituatie, toegestaan: 44%.

  • Een informant blijft ongestraft terwijl hij u ongevraagd confronteert met het bezit van een vuurwapen, toegestaan 45%.

  • Het achterhouden van het schuiladres van een informant waarvan de opsporing, de aanhouding en de voorgeleiding is gevraagd in verband met een kleine zaak in een andere regio, toegestaan 73%.

  • Het verstrekken van informatie aan een medewerker van een expertisebureau waarmee regelmatig wordt samengewerkt: een tenaamstelling van een kenteken, 31% acceptabel; verstrekken van de naam van een verdachte, 15% acceptabel; de antecedenten van een verdachte verstrekken, 9% acceptabel.

  • Het afdekken van vergaande inlichtingenmethoden, 61% acceptabel.

  • Het afdekken van illegale opsporingsmethoden, 11% acceptabel.

Vervolgens is door de werkgroep getracht richtlijnen te formuleren voor de contacten tussen runners en informanten. De belangrijkste regel bij het runnen van informanten is dat de politie er te allen tijde voor moet zorgen het initiatief te houden. De politie moet de informant sturen en niet andersom. In een ethische code, opgesteld door de Werkgroep ethiek worden 41 stellingen geponeerd, waarvan een aantal hieronder wordt weergegeven:

1. Onder alle omstandigheden worden informanten door twee CID-rechercheurs gerund. 2 Met informanten worden geen privé-contacten onderhouden.
3 Informanten worden niet uitgelokt tot het plegen van strafbare handelingen. 4 Tussen runners en informant wordt geen «ruilhandel» bedreven.
5 Informantenrunners (en andere politiefunctionarissen) nemen geen enkel geschenk aan. 6 Tussen informantenrunners en informant bestaat een relatie, waarbij door eerstgenoemden steeds de nodige afstand wordt bewaard.

7 De politie voert de regie over het optreden van de informant.
8 Bij het regisseren van de informant staan controleerbaarheid en beheersbaarheid voorop. 9 Op basis van het aangaan van een contract met de informant wordt uitgegaan van diens «zakelijke» betrouwbaarheid. Met de informant dienen zakelijke afspraken te worden gemaakt die, liefst tweezijdig, maar in ieder geval door de politie, moeten worden vastgelegd.

10 Binnen een CID wordt alle informatie en worden alle (ambts)handelingen schriftelijk vastgelegd. Datzelfde geldt voor gemaakte werkafspraken.
11 De directe chef van informanten-runners is tevens hun «controller». Dit houdt ondermeer in een directe
controle op het werk (het invulling geven aan het recht op controle van de runners), het begeleiden van het werk en het beschermen van en bieden van veiligheid aan de runners. Begrippen als «steun» en «betrokkenheid» staan hierbij centraal.

12 De directe chef van informanten-runners runt zelf geen informanten. 13 De directe chef van informanten-runners let op het «richtig» aanwerven van informanten. Per regio gelden verschillende afspraken tussen runners en informanten. Deze afspraken worden niet steeds vastgelegd. In een dagjournaal moeten de runners alle activiteiten met de informanten beschrijven. In de praktijk bestaat er veel variatie in wat in de journaals wordt weergegeven. In enkele regio's wordt geëxperimenteerd met convenanten of contracten tussen runner en informant. In deze convenanten wordt aangegeven welke activiteiten de informant wel en niet mag verrichten en welke beloning hij bij succes tegemoet kan zien. Het volgende citaat betreft een convenant met een informant die wellicht burgerinfiltrant wordt:

 

 

De heer Rabbae:

Begrijp ik het goed dat u een convenant sluit met een informant?

De heer Mosterd:

De laatste tijd proberen wij, zeker als het gaat om trajecten waarin de informant een infiltrant aan het worden is, afspraken op papier te zetten. Dat hebben wij inmiddels één keer heel expliciet gedaan. Aan die afspraken dient in dat geval de infiltrant zich precies te houden. Die worden uiteraard in samenspraak met de CID-officier opgesteld en door de infiltrant ondertekend en die houden wij dan onder ons. Waarom doen wij dat? Wij worden er de laatste tijd mee geconfronteerd dat een infiltrant de opdracht, bewust natuurlijk, ruimer interpreteert dan wij die in werkelijkheid gegeven hebben. Als hij ergens voor wordt gepakt, zegt hij dan: wacht even, dat deed ik in opdracht van de CID Hollands-midden. Daarom is het goed, de afspraken zo goed mogelijk te concretiseren.

De heer De Graaf:

Hoeveel convenanten, respectievelijk infiltranten hebt u?

De heer Mosterd:

Wij hebben drie trajecten van burgerinfiltratie gehad. Die zijn door allerlei omstandigheden allemaal afgelopen. Ik haal even mijn papieren erbij, want ik heb het nog opgezocht. Wij hebben ook nog diverse besprekingen gehad over mogelijke infiltratieacties, maar die gingen over het algemeen niet door, niet zozeer omdat er juridische problemen mee waren, maar veel meer omdat wij niet konden garanderen dat de infiltrant later, als de zaak zou klappen, buiten schot zou blijven. Dan werd er gewoon geen uitvoering gegeven aan het bedachte traject. Noot

Soms worden informanten bij de RCID «meegerund» door buitengewone opsporingsambtenaren, zoals een douane- of milieurechercheur, omdat een bepaalde expertise nodig is. Niet altijd is duidelijk welke dienst dan de verantwoordelijkheid draagt.

 

5.3.4 Activiteiten informanten

Informanten leveren criminele informatie. Informanten moeten derhalve in de positie zijn om informatie te verkrijgen over (toekomstige) strafbare feiten en het functioneren van criminele organisaties. Zij participeren derhalve vaak in activiteiten van criminele organisaties, ook in die van strafbare aard. De commissie stuitte op een aantal van zulke gevallen. Benadrukt moet worden dat het hierbij niet gaat om criminele activiteiten zoals afgesproken met politie en justitie, maar om hand- en spandiensten voor de criminele organisatie op eigen titel.

Zo verzorgen informanten vervoersdocumenten voor de legale vracht waarin verdovende middelen worden verstopt. Ook vervoeren ze verdovende middelen of stellen voertuigen ter beschikking. Tevens worden grondstoffen en onderdelen geleverd voor de vervaardiging van verdovende middelen en bieden informanten leden van criminele organisaties onderdak aan of verzorgen voor hen verblijfsdocumenten. De commissie heeft een CID-traject aangetroffen waarbij sprake was van een nieuwe vorm van informatievergaring door een informant.


Via de CRI-liaison te Bogota is een Colombiaan in zicht gekomen. Hij heeft via zijn bedrijf legale contacten met het Calikartel. Nu biedt hij zijn diensten aan. Er blijkt echter van de kant van de politie niet veel belangstelling te zijn voor weer een informant die informatie heeft over de invoer van concrete partijen drugs of over de Colombiaanse kartels. De RCID lijkt het wel nuttig dat hij inzicht verschaft in de in Nederland werkzame Colombiaanse criminele organisaties. Hij zou een soort scan kunnen maken van de Colombiaanse organisaties die zich met de handel in verdovende middelen bezig houden. De Centrale toetsingscommissie (CTC) is van oordeel dat er eerst een kennismakingsgesprek plaats moet vinden, bij voorkeur buiten Nederland, teneinde de betrouwbaarheid te toetsen. Hierna kan de scan beginnen. Dit is gebeurd en de «scanner» wordt goed
bevonden. Hij is ongeveer twee maanden actief geweest in Nederland, waarna de CID besluit dat zij niet veel verder komen en dat hij terug kan.
Geregeld laat de CID door observatie vaststellen in hoeverre een informant daadwerkelijk doet wat hij zegt te doen. Deze observatie vindt veelal plaats door een observatieteam (OT). Deze controle wordt noodzakelijk geacht. Veel CID-rechercheurs gaan ervan uit dat informanten per definitie onbetrouwbaar zijn. Dat neemt niet weg dat zij juiste informatie kunnen leveren.

Veel verzamelde CID-informatie wordt in het geheel niet gebruikt.

5.3.5 Strafbare feiten

Informanten mogen geen strafbare feiten plegen. Deze standaardformule wordt aan elke informant uitdrukkelijk meegedeeld. De CID is er echter bij gebaat dat informanten op enigerlei wijze weet hebben van het plegen van strafbare feiten aangezien de informant dan over de meeste informatie beschikt. De informantenrunners willen dan ook het liefst niet op de hoogte zijn van de strafbare feiten van informanten. De individuele informantenrunner bepaalt of de strafbare feiten die een informant pleegt, worden doorgegeven. De commissie heeft geconstateerd dat informanten veelvuldig participeren in het plegen van lichte strafbare feiten rond criminele organisaties. Zij waren veelvuldig toeschouwer bij het plegen van zwaardere strafbare feiten. Enkele malen is geconstateerd dat informanten strafbare feiten plegen met medeweten van de CID. De reactie van de politie op het plegen van strafbare feiten door informanten loopt in de praktijk nogal uiteen. Die reactie varieert van het negeren, het in beslag nemen van een verboden voorwerp al dan niet in combinatie met het opmaken van een proces-verbaal ter zake van het strafbare feit en het opmaken van proces-verbaal al dan niet gecombineerd met het verbreken van de relatie met de informant. De reactie is vaak afhankelijk van de afweging van de individuele runners.

 

5.3.6 Informatie en bewijs

De informatie van informanten wordt over het algemeen niet rechtstreeks gebruikt voor het bewijs. De verstrekte inlichtingen worden veelal als basis voor de aanvang van een opsporingsonderzoek gebruikt. Dat opsporingsonderzoek moet vervolgens het bewijs leveren waarover de rechter ter terechtzitting moet oordelen. Het is echter niet uitgesloten dat CID-informatie gebruikt wordt als (ondersteunend) bewijs. De rechter is vrij in de selectie en waardering van bewijsmiddelen. CID-informatie kan bijdragen aan de veroordeling van een verdachte.

 

 

De heer Vos:

Mevrouw Rutten, is het mogelijk dat u een verdachte veroordeelt op uitsluitend CID-informatie en welke rol, meer in het algemeen, speelt CID-informatie als bewijsmiddel?

Mevrouw Rutten-Roos:

Die vraag is in haar algemeenheid niet te beantwoorden. CID-informatie kan een rol spelen bij het bewijs.

De heer Vos:

Op welke manier?

Mevrouw Rutten-Roos:

Als bewijsmiddel. Maar niet als enig bewijsmiddel. Ik zie u al verschrikt kijken. Maar ook CID-informatie op zichzelf kan worden gehanteerd...

De voorzitter:

...als een van de bewijsmiddelen...

Mevrouw Rutten-Roos:

...als een van de bewijsmiddelen. (...)

De voorzitter:

Ik herinner mij uit mijn eigen studie, dat er tenminste twee bewijsmiddelen moeten zijn.

Mevrouw Rutten-Roos:

Ja. Ja, zeker als... u schrikt net bij de gedachte, dat iemand uitsluitend op één CID-bericht veroordeeld kan worden...

De voorzitter:

Maar kan het wel op CID-plus, dat wil zeggen op CID als belangrijkste bewijsmiddel plus nog een extra verklaring?

Mevrouw Rutten-Roos:

Ik vind het moeilijk om dat in het algemeen te zeggen. Iedere zaak is op zichzelf. Het gaat natuurlijk ook eigenlijk niet alleen om de wettige bewijsmiddelen maar om de overtuiging. Dat is de combinatie van de twee factoren die een rol spelen. Noot

Desondanks heeft de commissie weinig tot geen voorbeelden gezien van rechtszaken waarbij CID-informatie van informanten een doorslaggevende rol speelde in de bewijsvoering. In de huidige praktijk wordt CID-informatie ten behoeve van de bewijsvoering gegoten in de vorm van een proces-verbaal van de chef CID, die in algemene termen meedeelt welke feiten en omstandigheden bekend zijn. Dat zegt niets over de vraag hoe informanten hebben geopereerd en hoe de inlichtingen van informanten zijn verwerkt. Informatie wordt
ook verwerkt in de zogenaamde 4.x.4 formulieren die ter beschikking kunnen worden gesteld van andere CID-en en, indien van belang aan de landelijke CID. In de gevallen waarin op basis van door de CID verstrekte informatie bevoegdheden zijn uitgeoefend, zal de informatie in samenvatting door middel van een proces-verbaal van de CID-chef aan de rechter ter kennis worden gebracht. In het proces-verbaal staat slechts de inhoud van de 4x4-formulieren vermeld zonder enige aanduiding van de bron, wat onder omstandigheden zelfs leidt tot achterwege laten van plaats en tijdstip van de gebeurtenis, waar de informatie betrekking op heeft. De wijze van inwinning of de toegepaste opsporingsmethode is daarin niet opgenomen. De achterliggende 4x4-tjes worden niet aan het proces-verbaal gehecht en komen niet op tafel bij de rechter. In de praktijk nam de rechter genoegen met dit proces-verbaal of volstond hij ermee de chef CID als getuige te horen. De tijd dat het proces-verbaal, waarmee het opsporingsonderzoek aanving met de mededeling dat «uit CID-informatie was gebleken», en dat de rechter daar genoegen mee nam lijkt voorbij. De rechter stelt vaker een onderzoek in naar de wijze van informatie-inwinning.

 

5.3.7 Beloningen

Informanten kunnen op verschillende wijze beloond worden voor hun informatie. Financiële beloningen vormen een van de mogelijkheden. In bepaalde gevallen zijn andere vormen van belonen mogelijk, zoals het niet vervolgen voor het plegen van bepaalde strafbare feiten.

De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden (1985) geeft een procedure voor het aanvragen van beloningen ( tipgelden) voor informanten. Op voordracht van de CID en de CID-officier van justitie van de regio waar de informant actief is, kan het ministerie van Justitie een beloning uitloven. Deze beloning kan oplopen tot vele tienduizenden guldens en in incidentele gevallen zelfs honderdduizenden guldens.

Uitbetaalde tipgelden 1995-1990

Tabel
Zoals blijkt uit de tabel is in 1995 in totaal bijna twee miljoen gulden aan tipgeld betaald door het ministerie van Justitie. In de loop van de afgelopen vijf jaren is een gestage stijging te zien in zowel dit totaalbedrag als in het aantal zaken die hiervoor in aanmerking kwamen. Het gemiddeld bedrag per zaak is redelijk constant gebleven. Over het algemeen wordt het meeste tipgeld betaald voor verdovende middelenzaken. Over tipgelden is tijdens de openbare verhoren onder meer het volgende opgemerkt:

 

De heer De Graaf:

Is het geld dat beschikbaar wordt gesteld voor uitkeringen in het kader van de tip-, toon- en voorkoopgeldenregeling onderdeel van de post geheime uitgaven?

De heer Wooldrik:

Dat klopt. Ik heb hier de rijksbegroting voor 1996 en daar staat die in.

De heer Wooldrik:

Voor 1996 is een post van 2 mln. aan uw Kamer voorgesteld. De post was tot voor kort 1,5 mln. Noot

De heer Zwanenburg:

In de praktijk wordt het maximum van een tipgeld vastgesteld door het departement. Als de officier van mening is dat een lager bedrag noodzakelijk is, stelt hij een minimum vast.

De heer De Graaf:

Zo gaat het in de praktijk toch niet? De officier dient toch een aanvraag in en vermeldt dan het bedrag van de uitkering aan een informant?

De heer Zwanenburg:

Ja, maar in het vooroverleg, waarin er alleen nog sprake is van de informatie die de informant mogelijk zal leveren, wordt een indicatie gegeven van het bedrag van het tipgeld. Soms blijkt achteraf dat de informatie veel minder is dan de informant heeft toegezegd. Dan wordt het bedrag bijgesteld en dat kan mede door de betrokken officier worden gedaan (...).

De heer Zwanenburg:

Het zijn incidenten, dus dat er echt verschil van mening is over de hoogte van het tipgeld. Noot

De uitkering van beloningen is gebonden aan enkele voorwaarden. De belangrijkste voorwaarde is dat de verstrekte inlichtingen leiden tot aanhouding van de daders, of althans de vaststelling van hun identiteit. Deze «no cure, no pay» regel kent enkele uitzonderingen. Indien een officier van justitie meent dat een informant ondanks het niet voldoen aan deze voorwaarde toch voor de opsporing waardevolle inlichtingen heeft verzameld, kan de officier van justitie voorstellen aan de informant een beloning toe te kennen. De hoogte van de tipgelden wordt berekend aan de hand van een aantal wegingsfactoren, waarbij de belangrijkste factoren zijn het risico van de informant, de moeite die de informant zich heeft moeten getroosten, de schade die wordt aangebracht aan de criminele organisatie door aanhouding van verdachten, het kaliber of de organisatiegraad van de verdachten en het maatschappelijk belang van de zaak. Het aantal in
beslag genomen kilo's drugs speelt bij de bepaling van de hoogte van de beloning volgens het ministerie van Justitie geen rol. In de CID-praktijk blijkt de gewoonteregel: f.1.000,- per kilo harddrugs en f.1,- per kilo per softdrugs, een hardnekkig bestaan te leiden. De betrokken ambtenaar op het ministerie van Justitie maakt mede aan de hand van het advies van de CRI een inschatting van de waarde van de aanvraag en de hoogte van de beloning. De beleidsvrijheid met betrekking tot de toekenning en de hoogte van de beloning is groot.

 

De heer De Graaf:

Maar als niet wordt neergelegd hoe zwaar die wegingsfactoren uiteindelijk zijn, dan kan toch licht de indruk ontstaan dat betrekkelijk incidenteel tot besluitvorming wordt overgegaan?

De heer Wooldrik:

Nou incidenteel, het zijn steeds dezelfde mensen die het doen. Dat is de garantie dat het zoveel mogelijk eenvormig is, naar mijn idee. Dat is ook de reden waarom het centraal is gehouden in 1985. Ik kan u wel vertellen dat de secretaris-generaal bij die keer dat het bedrag van f. 275.000 werd uitgekeerd, zich afvroeg of de begroting niet uit de hand zou lopen, of er geen andere maatregelen zouden moeten worden genomen en of het niet overgeheveld zou moeten worden naar het reguliere politiebudget. Moeten de regio's dat niet zelf gaan doen? Wij hebben toen geadviseerd om dat niet te doen maar om het in één hand te houden, juist om de verschijnselen die u nu beschrijft zoveel mogelijk te voorkomen. Wij hebben nu 26 regio's en die zouden het dan 26 keer verschillend kunnen toepassen. Wij vonden dat niet verstandig. Noot

Het ministerie van Justitie heeft in het verleden enkele malen zeer hoge beloningen aan informanten ter beschikking gesteld. Het gaat daarbij om bedragen van enkele honderdduizenden guldens die aan informanten zijn verstrekt. In de nasleep van de opheffing van het IRT is aan een informant 2 miljoen gulden uitgekeerd. Uit het budget voor geheime uitgaven van een CID, ongeveer 25 à 35 duizend gulden per regio, wordt ook een soort tipgelden betaald. Dit betreft enkele honderden tot enkele duizenden guldens, wat geldt als een soort onkostenvergoeding of aanmoedigingspremie. Van deze mogelijkheid wordt zeer frequent gebruik gemaakt. Van deze post moeten ook de onkosten van de runners betaald worden.

Naast politie en justitie loven ook verzekeringsmaatschappijen, banken, PTT en andere instanties beloningen uit. Het gaat dan vooral om het opsporen van ontvreemde goederen en geld. Daarbij wordt de regel gehanteerd dat informanten 10% van de waarde van de ontvreemde goederen als tipgeld kunnen krijgen. Deze bedragen zijn in de praktijk vaak veel hoger dan de tipgelden van politie en justitie.

5.3.8 Afspraken met informanten

Naast financiële beloningen worden met informanten ook andere afspraken gemaakt. Daarvoor bestaan geen algemene regels. Voor deals met informanten in geval van zaken van leven en dood of vergelijkbaar ernstige zaken geldt de Richtlijn deals met criminelen van de procureurs-generaal van 1 juli 1983. In deze regeling wordt gemeld dat een deal mogelijk is, ook buiten het gebruikelijke strafrechtelijke beleid. Welke vorm deze deals kunnen aannemen staat niet vermeld. Volgens deze regeling moet de procureur-generaal op de hoogte worden gebracht door de hoofdofficier van justitie indien gebruik gemaakt gaat worden van deze regeling. Deze regeling wordt vaak niet toegepast indien het gaat om deals met informanten. Het is voorgekomen dat noch de hoofdofficier, noch de procureur-generaal op de hoogte werden gesteld van deals met informanten. De commissie heeft tijdens haar onderzoek vastgesteld dat politie en justitie verschillende deals met informanten hebben gesloten. Hierbij belooft het OM onder meer niet tot actieve opsporing over te gaan, sepot, de toezegging van een lagere strafeis, een milder regime, wegzenden of strafonderbreking. Deze deals geschiedden niet altijd na tussenkomst van een officier van justitie. Op dit terrein zijn ook contacten tussen CID-en en andere ambtenaren van het OM geweest:


 

De heer Van Steeg:

In, ik meen, 1991, kon de CID op het openbaar ministerie nog een ambtenaar aantreffen die ons bijvoorbeeld met de opschorting van een straf van dienst kon zijn. Hiervan heb ik u verslag gedaan.

De voorzitter:

Zonder de officier te raadplegen. Hoe vaak heeft u van die mogelijkheid gebruik gemaakt?

De heer Van Steeg:

Ik denk heel weinig. In een bepaalde tijd is het misschien twee keer voorgekomen. Noot De commissie kwam in één geval ter ore dat politie en justitie voornemens waren om een informant, die tevens als verdachte in een zaak was aangehouden, vrij te krijgen door bewust een vormfout te plegen. Hierover waren met de informant reeds afspraken gemaakt. De verdachte had waardevolle informatie over een drugbende verstrekt. De commissie heeft gemeend de minister van Justitie van dit geval op de hoogte te moeten stellen. De minister van Justitie heeft daarop maatregelen genomen die ertoe hebben geleid dat de vormfout niet heeft plaatsgevonden. De deal moest vervolgens worden aangepast: anonimiteit kon gewaarborgd blijven maar afzien van strafvervolging zat er niet meer in. Noot


De heer Jansen:

Dat was een geval waarin het probleem zat - het is al even aan de orde geweest - van de vrijwaring van de infiltrant. Men had gezegd: natuurlijk, wij moeten jou op een bepaald ogenblik ook wel aanhouden samen met de andere verdachten, want je speelt een rol in die zaak, maar wij halen je er wel uit. Men kwam daarmee in de problemen en stuurde toen aan op het maken van een vormfout.

De voorzitter:

Een welbewuste vormfout?

De heer Jansen:

Ja. Wij hebben gezegd dat wij dat volstrekt onaanvaardbaar vinden.

De voorzitter:

Heeft men toen naar u geluisterd?

De heer Jansen:

Toen heeft men naar ons geluisterd in die zin dat men zei: wij zijn het niet met je eens. Maar dat is ook de zaak waarin het beroep op de portefeuillehouder heeft plaatsgevonden. Noot

Tijdens het Laundry-onderzoek in Rotterdam waren politie en justitie begonnen met het sluiten van een deal met een verdachte die was aangehouden tijdens dit onderzoek. Overeengekomen was dat de informant informatie zou leveren over de criminele organisatie en zou getuigen op de zitting en dat het OM op haar beurt dan zou afzien van verdere vervolging van deze verdachte, met uitzondering van eventuele betrokkenheid bij geweldsdelicten. Echter voordat de informant al zijn verklaringen had kunnen afleggen werd hij geliquideerd. Noot

Niet alleen met verdachten, maar ook met afgestraften worden deals gesloten. In de volgende casus worden deals met gedetineerden overwogen:
In het kader van het Copa-onderzoek is een voorstel gedaan aan een aantal personen, die aanzienlijke vrijheidsstraf was opgelegd, voor door hen te leveren informatie strafvermindering te verlenen. Uit het voorstel is niet zonder meer in elk geval duidelijk om hoeveel strafvermindering het gaat. Er wordt eenmaal uitdrukkelijk de periode van zes maanden genoemd. Ook wordt gesproken van strafvermindering van substantiële duur. Een andere informant wilde dat bewerkstelligd werd dat via een voortvarende toepassing van de WOTS-procedure hij zijn straf in Nederland kon ondergaan (soepeler regime). Met dit voorstel verklaarde de Centrale Toetsingscommissie zich in beginsel accoord. Belangrijk is de volgende overweging in het oordeel van de Toetsingscommissie : «De commissie heeft zich bij haar oordeel voornamelijk gebaseerd op het feit dat dat indien bedoelde verklaringen door betrokkenen zouden zijn afgelegd bij de behandeling van hun zaak ter zitting, het aannemelijk is dat dit zou hebben geleid tot een lagere eis van de officier van justitie dan wel tot een lagere strafoplegging door de rechtbank dan wel in hoger beroep door het gerechtshof.»

 

De heer Van der Voort:

Deals met criminelen kunnen conform de richtlijnen van de PG's als een ultimum remedium worden gezien, als een laatste poging om een belangrijke zaak, een zaak van leven of dood, daarmee rond te krijgen, wat op een andere manier niet zou lukken. Wij stonden voor de volgende keuze. Er was een zaak rond te krijgen, maar daarvoor was een deal noodzakelijk. Men vond dat, alles in aanmerking genomen, een te zwakke basis om die zaak daarmee uiteindelijk voor de rechter te brengen. Toen is gezegd: dan is het ook zinloos om de deal met de crimineel te sluiten.

De heer De Graaf:

Om wat voor soort deals ging het?

De heer Van der Voort:

U moet denken aan strafvermindering, strafonderbreking.

De heer De Graaf:

Criminelen die reeds zitten, kunnen strafverlichting krijgen.

De heer Van der Voort:

Als u vraagt of vooraf wel eens deals met criminelen zijn of worden gesloten, in die zin dat ze daarmee strafvervolging kunnen ontlopen, dan is mijn antwoord heel duidelijk: neen. Noot

Ook Blok, hoofdofficier te 's-Gravenhage wordt gevraagd naar dit afgestraftentraject:

 

De heer Koekkoek:

Maar het ligt anders ten aanzien van afgestraften?

De heer Blok:

Dat traject zijn wij ingegaan, ja. Het is er overigens nooit van gekomen, maar wij hebben daar wel voorstellen over gedaan. Het voordeel was misschien ook dat de beslissing uiteindelijk bij de minister ligt of dat al dan niet doorgaat. Dat kunnen wij zelfs wettelijk niet eens. Noot Heden ten dage wordt overwogen om met één van de zeven een concrete deal te sluiten.

In de volgende casus is het wel gekomen tot een deal met een informant/tipgever: Een verdachte van een moord uit 1986 zit vast voor de uitlokking van brandstichting op het café van zijn ex-vriendin. De ex-vriendin zou kunnen verklaren over zijn betrokkenheid bij de moord in kwestie. In ruil voor haar verklaring op naam wordt haar door het plaatselijk OM bescherming beloofd. Voor deze toezegging was geen goedkeuring gevraagd van het ministerie van Justitie dat echter wel geacht werd de kosten voor dit getuigenbeschermingsprogramma te voldoen. Enigszins voor het blok gezet, stemde het ministerie in en
verzorgde voor de ex-vriendin een verblijf elders in het land onder een andere identiteit. Het betreffende parket OM gaf toe dat getuigenbescherming gecompliceerder is dan men had gedacht. De commissie heeft ook in een lopend onderzoek een deal met een criminele informant aangetroffen die sterk vergelijkbaar is met het principe van een kroongetuige. Noot In ruil voor informatie over een criminele organisatie hebben een hoofdofficier van justitie, de Centrale toetsingscommissie en de minister van Justitie ingestemd met de vrijwaring van strafvervolging en het gedurende langere tijd beschermen van de getuige en zijn familie. De getuige en zijn familie wordt tevens de mogelijkheid geboden elders een nieuw leven op te bouwen. De betrokken officieren van justitie hebben toegezegd te zijner tijd de gehele deal bij proces-verbaal voor te leggen aan de rechter. Noot

 

5.3.9 Sturing en controle

De controle op de CID bij het runnen van de informanten is gering. Vanwege de bescherming van de identiteit van de informanten heeft niemand buiten de CID een volledig zicht op diens activiteiten. De tactische recherchechef heeft slechts invloed op de CID voor zover hij de CID vraagt informatie te verzamelen. Maar ook dan is het niet vanzelfsprekend dat de CID-chef de recherchechef inlicht over de wijze waarop de informatie wordt verzameld. De korpsleiding heeft nauwelijks enige bemoeienis met de inhoud van het werk van de CID. De bemoeienis van de korpsleiding beperkt zich veelal tot organisatorische beslissingen. De onderlinge verhoudingen tussen de CID-en laten te wensen over. Mede vanwege het vertrouwelijke karakter van de informatie is er weinig intensieve samenwerking. Bij de overdracht van informanten doen zich nogal eens problemen voor. Regelmatig worden informanten gerund voor een andere regio. De CID-officier van justitie heeft de mogelijkheid tot sturing en controle van de CID. Noot Dat neemt niet weg dat veel CID-officieren van justitie slecht op de hoogte zijn van de activiteiten van de CID. Tot voor kort bestond er een grote afstand tussen de CID-officier van justitie en de CID. De identiteit van de informanten is in het merendeel van de gevallen niet bekend bij de CID-officieren van justitie. Slechts zelden hebben de officieren daadwerkelijk weleens de informantendossiers en/of CID-registers ingekeken. Er lijkt een verandering te komen in de houding van de CID-officieren van justitie ten opzichte van de CID. Tegenwoordig wordt een veel actievere houding aangetroffen, waarbij CID-officieren van justitie op eigen initiatief vragen stellen en informatie eisen over de activiteiten van de CID.

Een rechter-commissaris heeft tot op heden geen vastgelegde taak ten opzichte van informanten. Slechts een enkele rechter-commissaris is op de hoogte van de activiteiten en de identiteit van een informant. Hoewel de rechter-commissaris soms een beslissing moet nemen tot het inzetten van dwangmiddelen (mede) op basis van informatie van een informant zal een rechter-commissaris zelden beslissen een informant zelf te horen. Het proces-verbaal van de CID-chef wordt voldoende geacht.

 

5.3.10 Corruptiegevoeligheid

Verschillende opsporingsmethoden dragen risico's van corrumptief gedrag in zich. Er is een aantal gevallen bekend van rechercheurs die in hun werkuitoefening bezweken zijn voor ongewenste beïnvloeding door onder meer informanten. Deze beïnvloeding zou ook een directe link hebben met de georganiseerde misdaad. Noot Kuijper zegt hierover tijdens zijn openbaar verhoor:

 

 

De heer Rabbae:

In het kader van ons onderzoek is het interessant om van u te weten welke invloed, structureel of incidenteel, de georganiseerde criminaliteit heeft op de politie.

De heer Kuijper:

Uit eigen ervaring kan ik daar betrekkelijk weinig over zeggen. Ik kan alleen maar een gevoel vertalen. Erg veel zaken zijn er nog niet geweest, maar de zaken die er zijn geweest laten wel zien dat er sprake was van regelrechte omkoping voor het verkrijgen van diensten van de betrokken politieman. In het onderhavige geval ging het over informatie. Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat de georganiseerde criminaliteit het erop toelegt punten binnen de politie te krijgen waar men gebruik van kan maken. In een bepaalde zaak, die speelde in het gokhuizencircuit, was iemand gewoon «platgelegd» door de organisatie.

De voorzitter:

Platgelegd?

De heer Kuijper:

Corrupt gemaakt. Hij kreeg wekelijks een uitkering, variërend tussen de f.300 en f.500. Daar hoefde hij eigenlijk niets voor te doen. In het gokhuizencircuit was de verwachting dat de geldgever de intentie had om deze politieman in voorkomende gevallen te gebruiken, als dat nodig was. Dat is ook naar voren gekomen. Er is ook een veroordeling van de betrokken geldgever gekomen. Noot

In dit hoofdstuk en het hoofdstuk over infiltratie wordt aandacht besteed aan deze en andere vormen van
politieel corrumptief gedrag. Gezien de onenigheid die bestaat over de juiste definitie van het begrip corruptie heeft de commissie besloten een aantal verschijningsvormen te onderscheiden. Een onderscheid wordt gemaakt in normafwijkend gedrag (naggen), het lekken van politie-informatie, het behalen van (financieel of ander) voordeel aan criminele activiteiten, omkoping in de zin van het Wetboek van Strafrecht (of het Algemeen rijksambtenarenreglement) of anderzins het plegen van strafbare feiten. Dit ongewenste gedrag wordt bekeken in relatie tot bijzondere opsporingsmethoden die een directie relatie met het criminele milieu veronderstellen. Kuijper zegt desgevraagd hierover:

 

 

De heer Rabbae:

Kunt u ons aangeven welke opsporingsmethoden en -technieken van de politie corruptiegevoelig zijn?

De heer Kuijper:

Dat is het direct omgaan met het criminele milieu, in de breedste zin van het woord, variërend dus van het runnen van informanten tot het ondernemen van infiltratie-acties: ik denk dat dat zeer sterke corruptogene factoren zijn. Noot

Contacten tussen informanten en runners

Tijdens het onderzoek is gebleken dat de contacten tussen de informant en zijn runner(s) enkele jaren kunnen duren, in een enkel geval zelfs wel twintig jaar. Binnen een dergelijk tijdsbestek komt het voor dat de verhouding tussen de politieambtenaar en de informant uitgroeit tot meer dan een werkrelatie. Uit onderzoek is ondermeer gebleken dat een (voormalig) runner aan het ziekbed van één van zijn informanten heeft gezeten en dat een runner de begrafenis van zijn informant heeft bijgewoond.

De volgende twee casussen laten zien hoe een vriendschappelijke relatie tussen een rechercheur en een informant zich kan ontwikkelen en op welke manier dat op gespannen voet kan komen te staan met het op een integere wijze uitvoeren van politiewerkzaamheden. Bij het runnen van informanten bestaat het risico dat er (onbedoeld) politie-informatie terug het criminele milieu ingaat. In de gevallen die hieronder worden beschreven ontstaat de verdenking dat de betrokken politiemensen al of niet bewust politie-informatie doorgeven aan hun informant.

Casus 1. Een (tactisch) districtsrechercheur is in het midden van de jaren zeventig betrokken bij een aantal drugsonderzoeken naar een plaatselijk bekende crimineel. Vanaf die tijd hebben beiden regelmatig contact, waarbij de rechercheur met goedvinden van zijn superieuren de crimineel feitelijk als informant runt. Wanneer in het midden van de jaren tachtig in het district een CID wordt ingesteld, draagt de rechercheur zijn informant over aan twee CID-runners. De informant en de rechercheur hebben hierna echter nog steeds regelmatig contact. Mede naar aanleiding van een belastende verklaring van een gedetineerde, onderzoekt de Rijksrecherche de relatie tussen beiden. Uit het onderzoek blijkt dat ze in de loop der jaren een vrij hechte band hebben opgebouwd. De rechercheur heeft verschillende malen wanneer de informant in de gevangenis zat, bescherming geboden aan de echtgenote van de informant als deze zich bedreigd voelde. De rechercheur en de informant zijn tot twee keer toe samen met hun beider echtgenotes uiteten gegaan. De rekening werd beide keren door de informant voldaan. Een van die twee etentjes was kort nadat de informant op vrije voeten was gesteld. Bij een huiszoeking bleek de rechercheur op de verjaardagskalender van de informant te staan. Bovendien is gebleken dat de rechercheur en de informant er een gewoonte van hadden gemaakt om elkaar verjaardagskaarten en vakantiegroeten te sturen. Tijdens het Rijksrecherche onderzoek is van het wegtippen van informatie aan de informant over een op stapel staande huiszoeking, zoals de gedetineerde in zijn verklaring beweerde, niets gebleken.

Casus 2. Een wachtmeester van de Rijkspolitie heeft op verzoek - en onder begeleiding van - de CID een aantal jaren een informant gerund. Hun relatie is in verschillende opzichten opmerkelijk te noemen. De wachtmeester was eerder bijvoorbeeld nauw betrokken bij het in verzekering stellen van de informant, wegens diens betrokkenheid in een zaak van uitkerings-fraude. Hij heeft naar aanleiding van die zaak bovendien een reprimande van zijn chef gekregen omdat hij daags na de aanhouding de verdachte weer in vrijheid heeft gesteld, zonder enige vorm van overleg vooraf met bijvoorbeeld de hulpofficier van justitie. De wachtmeester werd er in de tijd dat hij de informant runde - die hij ten opzichte van anderen aanduidde als «mijn man» - door collega's regelmatig voor gewaarschuwd hun relatie niet te vertrouwelijk te laten worden. Desondanks bleek uit verschillende verklaringen in het kader van een Rijksrecherche-onderzoek onder meer, dat de wachtmeester een gemeenteambtenaar en zelfs de burgemeester persoonlijk heeft benaderd met het verzoek om de korting op de bijstandsuitkering van zijn informant - vanwege diens betrokkenheid in de fraude-zaak - op te heffen. Op verzoek van de wachtmeester heeft diens chef, voorafgaand aan de zitting in de fraude-zaak - met de officier van justitie overlegd over het eventueel seponeren van de zaak. De officier van justitie heeft toen geen toezeggingen hierover gedaan en nadrukkelijk gevraagd hun overleg «kabinet» (vertrouwelijk) te houden.
Later blijkt dat de wachtmeester zijn informant toch hiervan op de hoogte heeft gesteld. De informant verschijnt uiteindelijk niet op de zitting, maar hij meldt zich ziek. Gevraagd naar de (werkelijke) weigering van de informant om te verschijnen, antwoordt de wachtmeester desgevraagd: «Als hij naar de zitting zou gaan wordt hij veroordeeld en kan de gemeente het totale bedrag op hem terugvorderen en dat zou toch te gek zijn.» Een nauwe relatie tussen de informant en zijn runner kan er toe leiden dat het voor de politie-ambtenaar steeds moeilijker wordt om bijvoorbeeld cadeaus van zijn criminele kennis te weigeren of ze zelfs als zodanig te herkennen. Illustratief zijn in dit verband een CID-rechercheur die van een crimineel een paar dure schoenen aanneemt en een runner die op kosten van een crimineel op vakantie gaat.

 

 

Het risico van financieel voordeel:

tipgeld

Naast informanten die incidenteel en vrijblijvend informatie verstrekken, zijn er ook «broodinformanten» die uitsluitend informatie verstrekken in ruil voor het tipgeld van justitie of van verzekeringsmaatschappijen. Bij het runnen van informanten gaat veel geld om. Het ministerie van Justitie heeft bijvoorbeeld in 1994 fl. 1.576.100,- aan tipgeld uitbetaald. Er blijkt bovendien sprake te zijn van een aanzienlijke stijging van het totaal aan tipgelden (zie paragraaf beloningen). In de praktijk kunnen zich ten aanzien van de uitbetaling van tipgeld verschillende corruptie-risico's voordoen. Er is melding gemaakt van een CID die voor de uitbetaling van zijn tipgelden een particulier bewakingsbedrijf heeft ingeschakeld, met alle gevaren van dien. De volgende casussen illustreren nog een aantal andere risico's. Casus 3. De Rijksrecherche is een onderzoek gestart naar aanleiding van de verklaring van een informant dat hij geen tipgeld zou hebben ontvangen, terwijl hem dat wel was toegezegd. «Tussen de uitbetaler en de ontvanger zou iets zijn blijven zitten», aldus een van de betrokken rijksrechercheurs. Dit bleek echter niet het geval te zijn geweest. Bij de uitbetaling van het tipgeld zijn geen onregelmatigheden aan het licht gekomen. Wel is gebleken dat de afspraken over de uitbetaling van het tipgeld in een één-op-één-situatie zijn gemaakt. De Rijksrecherche heeft toen de aanbeveling gedaan dat in het vervolg runners beter met z'n tweeën kunnen opereren en de informant een bewijs van betaling moeten laten ondertekenen. Casus 4. Een voormalig «runner» is van baan veranderd en verricht nu andere politie-werkzaamheden. Hij onderhoudt echter nog wel regelmatig contact met enkele van zijn oude informanten. Een van hen heeft recentelijk nog belangrijke informatie geleverd en is hiervoor betaald door een verzekeringsmaatschappij. Het

tipgeld wordt daarvoor eerst overgemaakt op de giro-rekening van de ex-runner. De Rijksrecherche heeft aanwijzingen dat het geld niet verder komt en dat de politieman het tipgeld in eigen zak stopt. Tijdens het onderzoek dat hierop volgt is hiervan echter niets gebleken. De voormalige runner maakt het tipgeld over van zijn giro naar de rekening van de informant. De Rijksrecherche heeft de politieman wel te kennen te geven, dat hij - nu hij geen runner meer is - moet stoppen met runnen van informanten. Casus 5. «Uit diverse verklaringen en omstandigheden kan door de politieleiding, die al langer argwaan jegens betrokkene koestert, worden opgemaakt dat een rechercheur delen van partijen in beslaggenomen verdovende middelen, kennelijk samen met een informant waarmee hij zeer vriendschappelijke relaties onderhoudt, in het illegale handelsverkeer heeft gebracht en een fors deel van de inkomsten hieruit ook zelf heeft geïnd. De betrokken politieman ontkent dit maar geeft wel toe dat hij mee heeft gedeeld in hoge tipgelden die dezelfde informant door zijn toedoen heeft opgestreken. Ook komt vast te staan dat hij met deze persoon nog contacten onderhield nadat hem dit uitdrukkelijk was verboden. Na het nodige onderzoek wordt deze politieman ontslagen». Noot

Een vergelijkbaar probleem doet zich in omgekeerde zin voor bij het inleveren van criminele verdiensten door informanten bij de CID. Noot Deze gelden worden tot op heden op een speciale rekening van de CRI geparkeerd. Het is voorstelbaar dat door de ondoorzichtige gebruiken en administratie op dit gebied, ingeleverde verdiensten aan de strijkstok blijven hangen. Dit risico wordt slechts gesignaleerd: een concreet voorbeeld is de commissie niet bekend.

 

Omkoping

De relatie tussen een informant en zijn begeleider kan op verschillende manieren aanleiding geven tot vormen van politiële corruptie. Hierbij speelt ook een rol dat het overgrote deel van de informanten afkomstig is uit het criminele (drug)milieu. Over het nut van informanten wordt door politiemensen wel gezegd: hoe fouter hoe
beter. Met andere woorden: een grote crimineel kan over de meeste informatie beschikken. Wanneer in de praktijk sprake is van corruptie ten aanzien van het runnen van informanten, is dat soms het resultaat van een heel geleidelijk proces dat misschien begint als een vorm van normafwijkend gedrag en kan uitmonden in omkoping. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende casus.

Casus 6. «Het begon met een simpel verzoek van de tipgever aan de rechercheur: of die even een kenteken voor hem wilde opvragen: «voor wat hoort wat, nietwaar?» Het volgende verzoek kwam enkele weken later: de tipgever wilde graag weten of mijnheer X bij de HKD (herkenningsdienst) bekend was. Ook die informatie werd hem verstrekt. Dat gebeurde nog een paar keer. Daar tussendoor een drankje en een etentje, alles op rekening van de informant. Het venijnige staartstuk kwam ongeveer een jaar later: de runner werd nu «gerund» en leverde de ene vitale strategische recherche-informatie na de andere aan zijn informant. De tegenprestatie bestond uit een (vaste) plaats op de loonlijst van een criminele organisatie. Noot

Controle

Eén van de problemen bij het omgaan met informanten is, dat niet altijd duidelijk is wie de regie heeft: de runners of de informant. Wie runt wie? Het is van groot belang, dat de informant zich door de runner laat leiden en dat hij het initiatief niet van de runner overneemt. In de praktijk hebben zich inmiddels verschillende gevallen van «omgekeerde sturing» voorgedaan. Noot Een bijzondere vorm hiervan is de informant die optreedt als «dubbelspion» en niet alleen informatie doorgeeft aan de politie, maar ook over de politie. Dit risico is volgens sommigen toegenomen, doordat in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van gestuurde informanten/burgerinfiltranten:

 

 

De heer Hiddema:

Er is een heel gevaarlijke trend, die zich aldus laat situeren. De criminele organisaties weten stuk voor stuk - er zijn immers zoveel processen geweest - dat er wordt gewerkt met burgerinfiltranten.

De voorzitter:

Maar dat weet men al jaren.

De heer Hiddema:

Ja. Maar dan gaat men ervan uit dat ook hun organisatie al is, of ooit bezocht zal worden, door een burgerinfiltrant. Wat doet men? Men anticipeert op die mogelijkheid; men stuurt zelf een vertrouweling naar het politiebureau. Die man moet dan zeggen: ik ben Pietje en ik wil graag infiltreren in de organisatie van Y, want daar weet ik alles van. Maar Y heeft hem zelf gestuurd. Dat is zeer profijtelijk, want zo neutraliseer je het effect van een politie-informant - het is immers je eigen informant - maar je kunt gelijktijdig ook in de politiekeuken kijken, om te zien wat ze tegen jou aan het uitbroeden zijn. Dat is een mogelijkheid die de criminaliteit nooit zo sterk heeft gehad. Toen er geen burgerinfiltranten waren, kwam je daar ook niet zo makkelijk met een runner in. Noot

De heer Rouvoet:

Ik wil even stilstaan bij die criminele infiltranten. Is een consequentie van uw opmerking dat de criminele organisaties niet om iemand heen kunnen, dat een succesvolle criminele infiltrant eigenlijk per definitie niet voor de politie is te regisseren?

De heer Snijders:

Het hangt ervan af wat je met hem afspreekt. Maar ik moet vaststellen dat er in de trajecten die ik heb bekeken, te vaak momenten zijn dat de man of vrouw in kwestie bepaalt wat er gebeurt. Zij hadden althans invloed op het proces. Ik denk dat dit absoluut niet mogelijk moet zijn. Dan heb je geen strakke sturing meer.

De voorzitter:

Aan welke elementen van de doorleveringstrajecten die wij nu bespreken, denkt u dan?

De heer Snijders:

Ik wil het wat breed houden. Er is een keten van handelingen van mensen. Er worden auto's gebruikt, er worden loodsen gebruikt. Soms werden de voorwaarden gesteld vanuit het milieu: wij willen dit of dat. Ik kan daar niet dieper op ingaan. Maar dan werd feitelijk vastgesteld dat vanuit het milieu, de groepering waarop gedraaid werd, heel nadrukkelijk werd gezegd: wij willen dit of wij willen die. Dat is opgevolgd. Noot

 

5.4 Casusonderzoek Laundry

 

Een casus ter illustratie van een verdovende middelenzaak waarin een kroongetuigeregeling

 

wordt gehanteerd.

 

Feiten en omstandigheden

In de jaren tachtig voert Kobus L., bijgenaamd «De Kamper», het bewind over een organisatie die handelt in zowel soft- als harddrugs. Hij is de onbetwiste leider en financier van alle projecten en laat zijn gezag regelmatig gelden, waarbij geen geweld wordt geschuwd. Hij opereert vanuit een woonwagenkamp.
Met zijn vrouw beheert L. verschillende bedrijven die dienen als dekmantel voor de illegale praktijken. Tussen deze bedrijven worden goederenstromen op gang gebracht waaronder zich verdovende middelen bevinden. Kobus L. heeft de beschikking over vele dekmantelfirma's en koeriers. Dit is ondermeer het geval omdat hij regelmatig mensen er weer boven op helpt nadat die in ernstige financiële problemen zijn geraakt. Deze geldelijke ondersteuning kan worden terugverdiend door handen spandiensten te verlenen aan Kobus L. Hij regelt zijn zaken hoofdzakelijk vanuit de keuken van zijn woning. Tijdens zijn afwezigheid neemt zijn zoon Bertus L. de zaken waar.

Lambert S. is de compagnon van Kobus L. Hij verzorgt met name de financiële kant van de illegale operaties, zoals het opzetten van witwasconstructies via Luxemburg, Engeland, Gibraltar en Oostenrijk. Een getuige verklaart hierover het volgende:

Lambert S. en Ine Q. (Kobus' vrouw) kwamen aan met een man die zijn zakken vol had gepropt met geld. Het ging om 1,25 miljoen gulden. Zij gaan dan naar de bank in Luxemburg. Op het moment dat de bank vragen gaat stellen over de herkomst van het geld treedt Q. naar voren. Zij tekende bij de bank voor de herkomst van het geld, dit na haar paspoort aan de bankmedewerker te hebben getoond. Zij bevestigde daarbij meerdere malen dat het haar geld was. Noot

Naast de kernleden Kobus L. en Lambert S. bestaat de organisatie uit wisselende leden. Een aantal van deze handlangers komt uit het «kampers»-circuit. Zij runnen bijvoorbeeld dekmantelfirma's of vervoeren verdovende middelen met speciaal voor dit doel aangeschafte auto's. Noot Ook worden regelmatig vrachtauto's van respectabele autoverhuurmaatschappijen gehuurd waarmee de verdovende middelen vervoerd worden. Noot De vrouwen binnen de groep vervullen over het algemeen de rol van intermediair en meldkamer. Zij leggen de verbindingen tussen de diverse personen tijdens de operaties. Noot De bedrijfsvoering wordt ondersteund door diverse adviseurs. Zo maakt een notaris akte op van een gepretendeerde overeenkomst van geldlening, waardoor hij medewerking verleent aan een witwasconstructie. Noot N. wil vervolgens dat de geldleenovereenkomst meer status krijgt en derhalve laat men een notaris een notariële akte met betrekking tot een en ander opmaken. Noot Bovendien wordt er ook gebruik gemaakt van de diensten van een advocaat uit Dordrecht, die onder andere witwasconstructies op hun juridische aspecten bekijkt Noot , een belastingadviseur, een accountant Noot en een medewerker van het Marokkaans consulaat. Noot Een Belgische politieman wordt gevraagd om een veroordeling van Kobus uit 1991 aldaar uit de computer te halen.

(...) dat dhr. L. iets te maken had met omkoping. Zijn veroordeling ter zake van export in België van soft- en harddrugs moest uit de computer. Noot
Ook worden verschillende douanefunctionarissen omgekocht.
Frans had een Marokkaanse douane-ambtenaar omgekocht. Hij kon de auto de grens overbrengen als deze man dienst had. Frans vertelde mij dat hij deze man geld gaf, zodat hij geen problemen kreeg met de papieren van de auto. Noot

Tevens wordt gebruik gemaakt van valse paspoorten en rijbewijzen. Zo heeft Kobus L. een vals rijbewijs met zijn pasfoto op de naam van Bertus K. Noot
De handel in verdovende middelen verloopt via landen als Suriname, Marokko, Nigeria, India, Frankrijk en Roemenië. In principe bemoeit Kobus zich niet met operationele zaken. Totdat een grote klapper gemaakt kan worden. Zo wordt hij gesignaleerd in Suriname alwaar hij contact heeft met de voormalige legertop over een grote partij cocaïne.

Kobus L. vertelde dat hij drie dagen besprekingen had gevoerd met de militairen, onder andere met Iwan G., over het afnemen van cocaïne. Kobus L. vertelde mij dat de militairen afwilden van de kleine jongens, die maar hoeveelheden van 100 kilo cocaïne afnamen en alleen met de grote jongens zoals Kobus L., zaken wilden doen. Noot

Vervolgens komt, verstopt in bundels hout, een partij van 357 kilo cocaïne aan in de Rotterdamse haven in mei 1991.

Het politieel en justitieel onderzoek


De partij van 357 kilo wordt in Breda in beslag genomen door de politie. Er wordt een onderzoek ingesteld, waarbij verschillende personen worden aangehouden. Naar aanleiding van dit onderzoek, geplaatst naast reeds aanwezige CID-informatie over Kobus L., inhoudende dat hij onder meer verantwoordelijk zou zijn voor een tiental liquidaties wordt besloten tot een vooronderzoek dat resulteert in een gerechtelijk vooronderzoek op Kobus L. dat geopend wordt in september 1991. Later worden ook twee strafrechtelijke financiële onderzoeken geopend op Kobus L. en Lambert S.

Een multidisciplinair team dat bestaat uit personeel van de Regionale RechercheDienst (RRD) van de regiopolitie Rotterdam Rijnmond, de belastingdienst en de FIOD, rechercheert tot in het voorjaar 1995 op de criminele organisatie. Hierbij wordt een groot aantal telefoongesprekken van zowel autotelefoonverkeer als gewone telefoons en faxen afgetapt. Dit zijn in totaal 88.424 gesprekken. Verder wordt een groot aantal personen gehoord, te weten 94, waarvan 62 als verdachte. Uiteindelijk staan 11 hiervan terecht. Ook worden huiszoekingen verricht. Noot Zowel tactisch als CID-matig worden opsporingsmethoden ingezet. Zo worden vijf videocamera's op vier verschillende lokaties geplaatst. De keuze voor bepaalde lokaties wordt ondermeer bepaald naar aanleiding van RCID-informatie. Noot De zaaksofficier van justitie geeft aan dat contra-observatie-activiteiten soms nopen tot de plaatsing van deze videocamera's. Zo moet in opdracht van Kobus L. een auto gevolgd worden die reeds vijf maal langs het huis van Kobus L. heeft gereden en Ineke Q. moet kentekens noteren van auto's die bij of rond het kamp rijden. Noot Tot de contra-activiteiten hoort ook het achterhalen van privé-gegevens van een ambtenaar die financieel onderzoek doet naar de criminele organisatie. Noot Naast het feit dat de positie van camera's onder meer is bepaald door CID-informatie over lokaties, blijkt dat meer structureel gebruik is gemaakt van informanten. De teamleider stelt dat er inderdaad CID-informatie is gebruikt. Van der Spoel, raadsman in deze zaak, zegt in zijn openbaar verhoor over de moeilijkheden voor de verdediging met het gesloten CID-traject het volgende:

 

De heer Vos:

Hoe prepareert u zich als advocaat op de kennelijke onevenwichtigheid die u vaststelt inzake CID-informatie? Maakt u gebruik van ongebruikelijke methoden om toch een vinger achter de waarheid te krijgen? Bent u bereid een beroep te doen op privé-detectives?

De heer Van der Spoel:

Dat is een ontwikkeling die zich de komende tijd wel eens zou kunnen gaan aftekenen. In CID-kringen zit ook vaak het observatietraject. Men observeert langdurig en legt maar mondjesmaat rekening en verantwoording af van die observaties. In de Laundry-zaak ben ik zelf met een fototoestel op pad gegaan naar bepaalde objecten om precies te zien of de beweringen in het dossier gedekt konden worden door de observaties. Hoe ziet een woning eruit? Hoe kun je er naar binnen kijken? Waarvandaan kan dat gebeurd zijn? Bij een loods werd op een gegeven moment gesteld: wij hebben geconstateerd dat zich in de loods een bus bevond. Dan ga je naar die loods toe om te zien of je er inderdaad van buitenaf in kunt kijken. Noot

Een andere gehanteerde opsporingsmethode is het peilbaken. Er wordt een peilzender geplakt op een bus in Polen, die geprepareerd is ten behoeve van een hasjtransport. De hasjish zou in Marokko worden geladen en naar Nederland worden gebracht. De officier van justitie zegt hierover:

De peilzender heeft zijn werk echter niet hoeven te doen omdat de bus niet meer uit Polen is vertrokken (uiteraard met uitzondering voor het terughalen van de bus door justitie naar Nederland). Noot Over het gebruik van afluisterapparatuur zegt advocaat Van der Spoel tijdens het openbaar verhoor: Tijdens de behandeling van de Laundry zaak zijn er in de pers bepaalde uitlatingen gedaan door een zekere Max Wijnschenk. (..) Hij verklaarde als techneut werkzaam te zijn geweest bij de politie in Rotterdam. Volgens hem was in de Laundry zaak niet alleen gebruik gemaakt van een videocamera, maar ook van microfoons. Noot Ter terechtzitting verklaart de teamleider dat dit niet gebeurd is.

Het requisitoir spreekt ook nog over het uitrechercheren van reisbewegingen van betrokkenen naar en van Suriname en Marokko. Noot Een aantal observatieteams wordt ingezet. Zo worden smokkelauto's geobserveerd die met drugs verstopt in de benzinetank of in het reservewiel op Marokko rijden. Ook wordt, na controle, een transport naar Roemenië onder observatie afgeleverd. De controle geschiedt in de haven van Antwerpen. Hier worden twee Nigeriaanse containers, gevuld met maïszakken en bestemd voor Roemenië, aan controle onderworpen. De dienstdoende ambtenaar beschrijft dit als volgt:

Wij gaan over tot controle van container (..), waarbij wij de ingestapelde zakken ontladen. Ongeveer in het midden van de lading maïszakken bemerken wij een aantal zakken welke van uitzicht en zoals achteraf blijkt in
gewicht, opmerkelijk verschillend zijn. Wij gaan aansluitend over tot doorgedreven nazicht en kunnen vaststellen dat betreffende zakken, elk op hun beurt, een aantal pakken inhouden.(...) Uit de volledige lading van container (..) kunnen wij 35 zakken recupereren welke pakken inhouden. Op basis van een gemiddeld gewicht van twee kilogram per pak, inhoudende marihuana, kunnen wij besluiten dat het brutogewicht van de verdovende middelen te situeren valt om en nabij 1050 kilogram. Na controle worden de zakken maïs, alsmede de zakken waarin verdovende middelen zitten, herladen in de respectieve container, dit met uitzondering van een pak marihuana, hetwelk als monster werd overhandigd aan de leden van het Laundry-team. (..) Op 21 juni 1993 worden beide containers opgehaald en aan boord geplaatst van het m.s. Caransebes, varende onder Roemeense vlag. Noot

Niet alleen de partij naar Roemenië maar ook een partij, die in een camper vervoerd wordt naar Parijs, wordt met toestemming van de Franse autoriteiten gecontroleerd afgeleverd. Wegens tijdsdruk kunnen de Belgische autoriteiten niet in kennis worden gesteld. Noot Deze partij is in Frankrijk in beslag genomen.

Kroongetuige

In dit onderzoek wordt de nog vrij uitzonderlijke opsporingsmethode van de kroongetuige ingezet. Noot Betrokkene, genaamd Helio Stewart, voormalig huisvriend en bodyguard van Kobus L., wordt in augustus 1993 aangehouden in verband met de invoer van 860 kilo hennep uit Nigeria. Hij verklaart dat hij tegenwoordig vaak met een pistool, dat hij ooit van Kobus L. gekregen heeft, op zak loopt omdat hij zich door hem bedreigd voelt. Noot De Groot, naast Van Wijk eveneens officier in deze zaak, zegt tijdens zijn openbaar verhoor hierover:

 

De heer De Groot:

Hij gaf erbij aan dat hij vreesde voor zijn leven en dat het een kwestie was van: óf hij Stewart zou meneer L. doodschieten, dan wel mijnheer L. zou hem doodschieten. Hij vond het wat dat betreft een praktische oplossing, als ik het zo mag formuleren, dat meneer L. door de politie zou worden opgepakt en voor een tijdje achter de tralies zou worden geborgen. (...) Nu wij twee jaar met dat onderzoek tegen die meneer L. bezig zijn en natuurlijk wel een stuk zijn opgeschoten, maar nog niet precies weten hoe het is, is het van belang om te kijken of wij met behulp van deze «kroongetuige avant la lettre» verder zouden kunnen komen. Noot

Tijdens verschillende verhoren met Stewart wordt duidelijk dat hij deel uitmaakt van de criminele organisatie van Kobus L. en dat zijn leven in gevaar komt als hij hierover verklaart. Hij verzoekt vervolgens om een regeling te treffen. Na ampel overleg tot aan het niveau van de procureur-generaal besluit het OM hem een deal aan te bieden. De deal is dat hij in ruil voor verklaringen naar waarheid en een bevestiging hiervan bij de rechter-commissaris en voor de rechter ter terechtzitting, niet vervolgd zal worden. Deze toezegging betreft zijn «betrokkenheid bij de zaken die nu aan uw rechtbank zijn voorgelegd» aldus de zaaksofficier, «met uitzondering van liquidaties of geweld». Noot Tevens vraagt Stewart om bescherming van zijn persoon en zijn gezin.

 

 

De heer Vos:

U had ook al met hem gesproken over een getuigenbeschermingsregeling. Hoe past dat in het verhaal?

De heer De Groot:

Wij hadden in beginsel met hem daarover gesproken. Hij stelde daar op dat moment, toen hij door de raadkamer werd losgelaten uit gevangenhouding, eigenlijk geen prijs op. Zijn inschatting was dat het pas een probleem zou opleveren op het moment dat wij zouden overgaan tot de aanhouding van meneer L. Noot

Vervolgens legt Stewart in het najaar van 1993 vele belastende verklaringen af over Kobus L. Dit komt echter abrupt tot een einde door de liquidatie van Helio Stewart op 6 december 1993 in Schiedam. Zijn inmiddels afgelegde verklaringen worden als bewijs ter terechtzitting gebruikt.

Overigens wordt er ook een overeenkomst bereikt met een andere verdachte, Frans de B. Afgesproken wordt dat «in zijn richting geen actieve opsporing zal plaatsvinden» Noot , in ruil voor verklaringen over hasjish en cocaïnetransporten van Kobus L. Later wordt Frans de B. in Marokko opgepakt. Zijn eerder afgelegde verklaringen worden eveneens in rechte gebruikt.

Een derde deal loopt op niets uit omdat de verdachte/getuige zich niet aan de afspraken houdt. De eerste poging tot aanhouding van Kobus L. mislukt. Hij ontsnapt en is spoorloos. Er wordt naar hem gezocht met behulp van cameraplaatsingen en er worden diverse experimenten in samenwerking met de PTT gedaan teneinde de ATF van Kobus L. te traceren. Noot Op 21 juli 1994 wordt Kobus L. alsnog aangehouden. Het onderzoek wordt in het voorjaar van 1995 afgerond.

Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank doet op 14 juni 1995 uitspraak in de zaak Kobus L. Zij acht bewezen dat Kobus leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie, valsheid in geschrifte heeft doen plegen en geld heeft witgewassen. Hiertoe heeft de verdachte onder meer tezamen met anderen 357 kilo cocaïne ingevoerd, alsmede twee partijen van drie en twee kilo cocaïne en 10.000 pillen MDMA uitgevoerd, en een poging gedaan tot invoer van marihuana. Daarnaast zijn bij de verdachte in diens woning en auto, vuurwapens en munitie aangetroffen. Noot Omstreden in deze zaak zijn de deals met criminelen, wier verklaringen gebruikt zijn door de rechtbank voor de bewezenverklaring. De officier van Justitie Van Wijk betoogt dat er slechts een deal getroffen is met wijlen de heer Stewart. De toezegging aan Frans de B. zou geen deal zijn. Noot Van der Spoel, raadsman in deze zaak, zegt in zijn openbaar verhoor hierover:

Bij de tweede getuige wordt er bijvoorbeeld gesproken over «niet-actieve opsporing» en door het OM wordt betwist dat dit een deal zou zijn. Maar ja, een betere deal kan ik mij nauwelijks voorstellen: als men niet actief wordt opgespoord, zal men ook niet strafrechtelijk worden vervolgd. Noot Verder is de verdediging van mening dat er vier deals zijn getroffen waaronder die met Helio Stewart en Frans de B. De rechtbank zegt hierover:

De rechtbank gaat ervan uit dat zogenaamde deals tussen verdachten/getuigen, te weten onderscheidenlijk Stewart en De B. enerzijds, en vertegenwoordigers van het justitieel apparaat anderzijds, tot stand zijn gekomen. Noot

In weerwil van de opstelling van het OM gaat de rechtbank dus uit van twee deals. De verdediging zegt tevens dat er gehandeld is zonder wettelijke basis. Dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, dan wel bewijsuitsluiting. De rechtbank is van mening dat het middel proportioneel en subsidiair ingezet is. De verklaringen van deze twee verdachten/getuigen zijn door de rechtbank voor het bewijs gebruikt: De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring niet in overwegende mate berust op een van deze verklaringen en dat deze verklaringen van Stewart en De B. (...) onderling in grote mate overeenstemmen en elkaar versterken, terwijl zij voorts in hoge mate steun vinden in ander gebezigd bewijsmateriaal. Noot

Kobus L. wordt veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf en een geldboete van een miljoen gulden. De zaak loopt op dit moment in hoger beroep bij het hof.

5.5 Beoordeling

Het runnen van informanten heeft geen afzonderlijke (formele) wettelijke basis. De CID regeling 1995 spreekt niet van informanten. Politie, justitie en rechterlijke macht hebben het runnen van informanten en het geven van informatie door informanten volledig geaccepteerd. Informatie van informanten vormt een wezenlijk onderdeel van de meeste opsporingsonderzoeken bij de georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat voor het runnen van informanten door de politie een wettelijke basis noodzakelijk is. Het verwerven van informatie door informanten kan een beperking van de persoonlijke levenssfeer van burgers inhouden. Daarnaast blijkt het runnen van informanten dermate complex te zijn dat een duidelijke wettelijke regeling zowel vanuit het perspectief van politie en justitie als vanuit de optiek van informanten, CID-subjecten en verdachten wenselijk is.

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van zowel politie en justitie als informanten zijn onduidelijk. Er zijn weinig regels voor de omgang tussen politie en informanten. In de Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden is een aantal regels opgenomen. Deze regeling heeft geen bindende werking voor de korpsen. Hiernaast is een ethische code ontwikkeld, die echter niet de status heeft van een formele regeling. Het is onduidelijk wie wanneer en onder welke voorwaarden in aanmerking komt voor een beloning. Het is onduidelijk of anderen dan de CID-rechercheurs de identiteit van de informanten moeten kennen. Soms worden afspraken tussen informanten en de politie vastgelegd, soms worden die alleen mondeling uitgewisseld. De CID wordt bij het runnen van informanten onvoldoende gestuurd en gecontroleerd. De speelruimte van CID-rechercheurs bij het runnen van informanten is groot.

De commissie is van oordeel dat de vrijheid van de CID bij het runnen van informanten te groot is. Het is naar het oordeel van de commissie noodzakelijk een meer adequate controle en sturing mogelijk te maken. De
bevoegdheden en verantwoordelijkheden van politie en justitie bij het runnen van informanten moeten worden vastgelegd. Daarbij moet het uitgangspunt zijn dat alle afspraken tussen informanten en politie en justitie schriftelijk worden vastgelegd door de politie. Het moet te allen tijde mogelijk zijn te achterhalen welke afspraken gemaakt zijn tussen informanten en politie en justitie. In hoofdstuk 10 geeft de commissie haar oordeel over de wijze waarop tijdens de zitting om gegaan moet worden met deze informatie. Informanten zijn anoniem. Politie en justitie getroosten zich veel moeite om de identiteit van informanten te beschermen. Soms hanteren politie en justitie daarbij ondoorzichtige constructies, zoals de U-bocht en het inschrijven van politiemensen als informant. De commissie acht het ongewenst dat politiemensen als informant worden ingeschreven. Het onder alle voorwaarden beschermen van de identiteit van de informant heeft politie en justitie in een ongewenste positie geplaatst. Het gevaar bestaat dat politie en justitie te veel afhankelijk worden van de informant. Het beschermen van de identiteit van de informant wordt een instrument voor informanten om hun positie ten opzichte van politie en justitie te versterken. Ten aanzien van het runnen van informanten en de risico's van politiële corruptie die deze methode mogelijk met zich meebrengt, komt de commissies tot de volgende oordelen. Bij het runnen van informanten bestaat het risico dat de runner de regie over de informant verliest en de informant de runner leidt in plaats van andersom. De relatie tussen een informant en zijn runner kent een paradoxaal karakter. Aan de ene kant wordt van de runner verwacht dat hij het vertrouwen van de informant probeert te winnen om op die manier zoveel mogelijk informatie te kunnen verzamelen. Anderzijds geldt dat hoe groter het onderlinge vertrouwen tussen beiden is, hoe groter het risico wordt dat er privé-contacten tussen hen ontstaan, met alle gevaren van dien. Het runnen van informanten door rechercheurs die hiervoor niet zijn opgeleid maakt deze opsporingsmethode extra gevoelig voor corruptie.

Politie en justitie moeten naar het oordeel van de commissie te vaak zaken geheim houden waardoor onderling wantrouwen wordt versterkt. Het structurele geheime karakter van het runnen van informanten heeft soms een desintegrerend effect gehad op het functioneren van politie en justitie. De commissie is van oordeel dat de anonimiteit van informanten geen vanzelfsprekende zaak is. Dit brengt met zich dat informanten in de toekomst meer frequent zullen moeten getuigen. Daarbij kan de constructie van de bedreigde getuige een bijdrage leveren. In hoofdstuk 10 wordt daar meer specifiek op ingegaan. Dit neemt niet weg dat de commissie zich zeer bewust is van de gevaren die sommige informanten lopen indien zij informatie geven aan de politie. Politie en justitie moeten het midden weten te vinden tussen het beschermen van een informant en de rechtsstatelijke eisen van openbaarheid en verantwoording. De effectiviteit van het runnen van informanten wordt door politie en justitie hoog ingeschat. Het ontbreekt echter aan objectieve gegevens om dit te kunnen vaststellen. De schattingen omtrent de hoeveelheid CID-informatie die daadwerkelijk wordt gebruikt door de tactische recherche lopen uiteen van 10% tot 50%. Bij het runnen van informanten speelt een complexe paradox. Hoe effectiever de informant, des te moeilijker is de informatie operationeel te gebruiken. Hoe dichter de informant bij de criminele activiteiten zit, des te moeilijker is het om de informatie te gebruiken, zonder de informant in gevaar te brengen. Het runnen van informanten is van groot belang voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Teneinde te voorkomen dat informanten het functioneren van politie en justitie schaden, is een wettelijke afbakening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden noodzakelijk. Afspraken moeten worden vastgelegd. Justitie moet daadwerkelijk controle kunnen uitoefenen op de activiteiten van de informanten. Indien mogelijk moet de informatie van informanten ter zitting worden besproken. Het runnen van informanten is pas dan rechtsstatelijk verantwoord en effectief als een evenwicht kan worden gevonden tussen controle en verantwoording van de informatie en bescherming van de informant.


HOOFDSTUK 6 INFILTRATIE

 

6.1 Omschrijving

Infiltratie is het met het oog op opsporing en vervolging onder gezag en regie van politie en openbaar ministerie binnendringen in een criminele organisatie of groep, het ervan deel uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds deel van uitmaken of het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien dit optreden gepaard gaat met het I) aannemen van een valse identiteit en/of II) plegen van strafbare feiten en/of III) aanbieden van goederen en/of diensten aan de criminele organisatie of groep. Infiltratie doet zich in verschillende vormen voor. De commissie is de volgende vormen van infiltratie tegengekomen:

strafprocessueel te kunnen optreden tegen de verkoper(s) en anderen die met betrekking tot dat goed een - Pseudokoop is een vorm van infiltratie gericht op de aankoop of poging daartoe van een goed teneinde strafbaar feit hebben gepleegd of gaan plegen.

strafprocessueel te kunnen optreden tegen de koper(s) en anderen die met betrekking tot dat goed een strafbaar - Pseudoverkoop is een vorm van infiltratie gericht op de verkoop of poging daartoe van een goed teneinde feit hebben gepleegd of gaan plegen.

in of deel uitmaken van een (criminele) organisatie, dan wel het leveren van goederen of diensten aan die - Projectmatige infiltratie is het al dan niet onder de dekmantel van een aangenomen identiteit binnendringen organisatie, teneinde zicht te krijgen op activiteiten en werkwijzen, ten aanzien waarvan concrete aanwijzingen bestaan van gepleegde of nog te plegen misdrijven die tot de georganiseerde criminaliteit gerekend kunnen worden, met als doel het geheel of gedeeltelijk beëindigen van criminele activiteiten en/of het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

coverbedrijven, door middel waarvan desgevraagd facilitaire ondersteuning in de vorm van goederen of - Een frontstore-operatie is het opzetten en/of exploiteren van een coverbedrijf of een structuur van diensten aan criminele groeperingen of organisaties wordt aangeboden.

verdachte zendingen aan de criminele organisatie waarna de verdachte zending in beslag wordt genomen. - Gecontroleerde aflevering is het met medeweten en onder toezicht van politie en justitie laten leveren van zonder dat de zendingen in beslag worden genomen waardoor de verdachte zendingen in het criminele milieu - Doorlaten is het met medeweten en onder toezicht van politie en justitie doorlaten van verdachte zendingen en bij consumenten terecht komen.

De commissie heeft op basis van haar onderzoek besloten wat betreft gecontroleerde aflevering en doorlating andere definities te hanteren dan in het rapport van de Werkgroep opsporingsmethoden het geval is. Zij heeft besloten de term «doorleveren» niet te gebruiken om verwarring met het begrip «gecontroleerde aflevering» te voorkomen. De commissie heeft zich laten leiden door wat zij heeft aangetroffen in de praktijk. De commissie beseft dat de bovenstaande definities niet geheel overeenkomen met de definities uit het rapport van de Werkgroep infiltratie Noot , die in opdracht van het College van procureurs-generaal een rapport heeft geschreven over infiltratie. De commissie is van oordeel dat haar definities meer recht doen aan de werkelijke gang van zaken bij de inzet van deze opsporingsmethoden.


6.2 Juridische grondslag, toetsing en omvang

Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. In enkele internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft gebonden, komt één van de vooromschreven varianten van infiltratie, te weten gecontroleerde aflevering, wel voor. Noot In de jurisprudentie is infiltratie sedert het Tallonarrest als opsporingsmethode erkend. Noot In de Richtlijn infiltratie, vastgesteld door de Vergadering van procureurs-generaal van 20 februari 1991, worden voorwaarden, werkmethoden, de rechtspositie van de infiltrant, het centraal voorwaardenscheppend orgaan, de gecontroleerde aflevering en de internationale samenwerking geregeld. De richtlijn noemt vier voorwaarden: a. De infiltrant mag door zijn optreden de verdachte niet brengen tot ander handelen dan waarop zijn opzet
tevoren reeds gericht was. Noot
b. Het optreden van de infiltrant dient plaats te vinden na goedkeuring door het openbaar ministerie, onder regie van de recherchechef en in nauw overleg met de betrokken officier van justitie. c. De toepassing van infiltratie moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en zorgvuldigheid. De aard van de op te sporen feiten moet de toepassing rechtvaardigen en andere meer gebruikelijke opsporingstechnieken moeten onvoldoende effectief geacht kunnen worden. De Hoge Raad oordeelde dat «bij beoordeling of voldaan is aan de eisen van proportionaliteit (..) niet alleen de ernst van de feiten van belang is maar ook de wijze waarop en de mate waarin ten behoeve van opsporing en vervolging van die feiten wordt opgetreden in het criminele milieu». Noot d. Als infiltrant dient bij voorkeur alleen een speciaal daarvoor opgeleide politiefunctionaris te worden ingezet. Noot

In de rechtspraak ligt de meeste nadruk op de eerste en derde voorwaarde. De Werkgroep infiltratie hanteert de noodtoestand als legitimatie voor het plegen van strafbare feiten tijdens infiltratie-acties. Noot De commissie acht dit onwenselijk.

De Vergadering van procureurs-generaal heeft op 6 december 1994 besloten dat de volgende infiltratie-acties vooraf ter toetsing aan de Centrale toetsingscommissie (CTC) van het OM moeten worden voorgelegd: zoals pseudo-koop en de gecontroleerde aflevering gericht op inbeslagneming (welke laatste moeten worden - alle (inter-)nationale (projectmatige) infiltratiezaken met uitzondering van eenmalige of kortlopende acties aangemeld ter registratie aan de CTC);

van criminele infiltranten, die onder regie en gezag van het openbaar ministerie en de politie strafbare feiten - alle vormen van - al dan niet langdurige - infiltratie-operaties waarbij gebruik wordt gemaakt van informatie (blijven) plegen;

coverbedrijf of een structuur van coverbedrijven, door middel waarvan desgevraagd facilitaire ondersteuning in - alle zogenaamde «frontstore-operaties» waarmee bedoeld wordt het opzetten en/of exploiteren van een de vorm van goederen of diensten aan criminele groeperingen of organisaties wordt aangeboden; De procedure is dat via een formulier een voorgenomen infiltratie-actie ter toetsing wordt aangemeld bij de - alle infiltratie-operaties, waarbij gebruik gemaakt wordt van niet- criminele burgerinfiltranten. Noot secretaris van de CTC. Na een toelichting van politie en/of justitie wordt door de CTC een beslissing genomen over de toelaatbaarheid. Noot De commissie heeft geconstateerd dat niet altijd een duidelijke toetsing mogelijk is van bovengenoemde voorwaarden. De CTC beschikt niet steeds over alle relevante informatie. Daarbij komt dat het de vraag is of begrippen zonder wettelijk kader als proportionaliteit, subsidariteit, zorgvuldigheid en uitlokking voldoende leidraad geven. Voor de meeste infiltratie-acties wordt, soms na ampel beraad, toestemming verleend.

 

Aantal aangemelde infiltratie-acties in 1995 en beslissingen CTC

Tabel
De voorwaarden die door de CTC aan infiltratie-acties worden gesteld zijn onder meer: - er mag niet worden afgeweken van de aard en de duur van de inzet zonder de CTC hiervan op de hoogte te stellen;

consequenties (o.a. aanhouding) bij schending hiervan;
- afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd en de burgerinfiltrant moet gewezen worden op de

buitenland: handelen conform Nederlandse richtlijnen, schriftelijke afspraken met buitenlandse autoriteiten - in geval van een buitenlandse politie-infiltrant in Nederland of een Nederlandse politie-infiltrant in het onder meer over vrijwaring als sprake is van het plegen van strafbare feiten en het sturen van een rogatoire
commissie.
Verder spreekt de CTC nadrukkelijk haar voorkeur uit voor deals met afgestraften in plaats van verdachten en in ruil voor «harde» verklaringen om zware zaken op te lossen.
Deze tabel laat, naast de aard van de beslissingen van de CTC, ook de omvang van het aantal meldingen ter toetsing zien. In het grootste aantal gevallen is er sprake van de toetsing van burgerinfiltratie, gevolgd door politie-infiltratie. Inkijkoperaties, deals met criminelen en overige, waaronder bijvoorbeeld direct afluisteren valt, komen ongeveer in gelijke mate voor. Deze aantallen geven geen uitsluitsel over het totaal aantal infiltratie-acties in 1995. Een aantal toetsingen betreft reeds afgeronde acties. Dit zijn derhalve toetsingen achteraf. Ook heeft de commissie geconstateerd dat er infiltratie-acties niet zijn aangemeld. Uit de verslagen van de vergaderingen van de CTC constateert de commissie dat verschillende doelen voor infiltratie-acties worden aangegeven. Soms gaat het om het identificeren van personen die betrokken zijn bij het begaan van strafbare feiten; soms om zicht te krijgen op de organisatie en de financiën; soms gaat het er alleen om zicht te krijgen op de leiders van de organisatie of het in beslag nemen van verdachte goederen. Al deze doelstellingen zijn door de jurisprudentie en de Centrale toetsingscommissie in specifieke gevallen als voldoende redenen aangemerkt. Het ontbreekt aan een eenduidige doelomschrijving voor de inzet van infiltratiemethoden.


6.3 Bevindingen

 

6.3.1 Pseudo-koop en pseudo-verkoop

In het midden van de jaren zeventig werd in Nederland pseudo-koop ingezet bij de bestrijding van de drughandel. Inmiddels vindt het middel pseudo-koop nog slechts incidenteel toepassing. De effectiviteit is in de loop der tijd geringer geworden aangezien de criminelen goed op de hoogte zijn van het gebruik van dit middel. Dat neemt niet weg dat in combinatie met andere vormen van infiltratie pseudo-koop is aangetroffen. Met enige regelmaat worden vertrouwensaankopen of proefaankopen gedaan door infiltranten om te kunnen beslissen of overgegaan moet worden tot een gecontroleerde aflevering of doorlating. Hiermee zijn nog aanzienlijke bedragen gemoeid:

 

Voorkoopgelden 1995-1990

Tabel
Uit deze tabel blijkt een duidelijke stijging over de laatste jaren van het totaalbedrag dat door het ministerie van Justitie is uitbetaald ten bate van voorkoop-acties. Dit wordt met name duidelijk als de jaren 1993 en 1995 worden vergeleken. Immers in deze jaren is welhaast een gelijk aantal zaken behandeld. Opvallend bij deze vergelijking is de spectaculaire stijging in het hoogste bedrag in één zaak: het bedrag in 1995 is het zestienvoudige van het bedrag in 1993. Afgezien van de invloed hiervan op het gemiddelde blijft ook dit bedrag in 1995 bijzonder hoog: het tienvoudige van het bedrag in 1993.

Pseudo-verkoop wordt zelden gebruikt. Het is moeilijk om aan de te leveren goederen te komen. De commissie heeft wel voorbeelden aangetroffen van pseudo-verkoop van wapens en grondstoffen voor synthetische drugs. Pseudoverkoop van grondstoffen voor de produktie van amfetamine

Een RCID koopt in België en Duitsland vele malen grondstoffen aan die gebruikt kunnen worden voor de produktie van amfetamine. Hiervoor wordt vaak vooraf geld ter beschikking gesteld door de informant. De aankoop door de Nederlandse politie gebeurt met medeweten of bemiddeling van de plaatselijke autoriteiten. Die RCID levert de grondstoffen tegen inkoopprijs aan de informant die het verkoopt met winst aan het laboratorium van de criminele organisatie. De bedoeling is om door observatie laboratoria te ontmaskeren. Uiteindelijk is dit nooit gelukt. Noot

 

6.3.2 Politie-infiltratie

 

Organisatie en omvang

Politie-infiltratie is voorbehouden aan de politiële infiltratieteams (PIT's). Dit gebeurt in overleg met de Afdeling nationale coördinatie politiële infiltratie van de CRI (ANCPI). Elk politieel infiltratieteam zou moeten
bestaan uit tien mannen en vrouwen, van wie vier infiltranten, vier begeleiders, een administratieve kracht en een teamleider. In 1992/1993 zijn de drie pseudokoopteams van de gemeentepolitie Amsterdam en het infiltratieteam West I van de Rijkspolitie opgeheven. Op dit moment zijn alleen de politiële infiltratieteams in het zuiden en het oosten op volle sterkte. In het noorden functioneert een half-bezet politieel infiltratieteam. Het landelijk politiële infiltratieteam is in oprichting en zal zich vooral bezighouden met internationale infiltratie. In de regio's Haaglanden en Rotterdam-Rijnmond bestaan er plannen voor de oprichting van nieuwe infiltratie-eenheden. Op dit moment beschikken politie en justitie dan ook slechts over ongeveer negen Nederlandse politie-infiltranten.

De omvang van de inzet van politiële infiltratie is niet eenduidig vast te stellen. De opgaven van de ANCPI Noot en de Werkgroep infiltratie over de aantallen verzoeken om politie-infiltratie in de afgelopen jaren (1991: 98; 1992: 66; 1993: 59 en 1994: 78) moeten met de nodige relativering bezien worden. De verzoeken in 1994 hebben slechts in 65 gevallen een operationeel gevolg gekregen en betreffen voor het grootste deel buitenlandse verzoeken om ondersteuning (42 gevallen). Vijf van het totaal aan daadwerkelijke acties kunnen worden aangemerkt als langdurige zaken, wat wil zeggen een looptijd van anderhalf tot twee jaar. Van de overige 60 zaken vergden 24 acties enkele maanden en 36 slechts enkele dagen. Het gaat hierbij grotendeels om zeer kort lopende buitenlandse infiltraties in Nederland zoals het even bezoeken door een buitenlandse infiltrant van een hotel bij Schiphol. Sommige van deze buitenlandse infiltraties duurden niet langer dan enkele uren. De landelijk officier van justitie bij de CRI dient op de hoogte gesteld te worden van deze (kortlopende) infiltratie-acties. Volgens betrokkenen is het nagenoeg uitgesloten dat buitenlandse infiltratie-acties op Nederlandse bodem plaatsvinden zonder dat de Nederlandse politie en justitie zijn geïnformeerd. De commissie heeft echter enkele voorbeelden aangetroffen waarbij dat wel het geval was. De Nederlandse politiële infiltratieteams voeren op zich niet veel infiltratie-acties uit per jaar. Zo heeft het politiële infiltratieteam Oost sinds 1990 slechts vijf grotere infiltratietrajecten uitgevoerd. Nederlandse infiltranten worden ook ingezet in het buitenland. In 1994 bereikte de ANCPI 42 maal een buitenlands verzoek om Nederlandse assistentie. Een voorbeeld van een operatie uit 1991 is de volgende casus: In 1991 werd gestart met een undercoveroperatie Contrat. Dit was een samenwerkingsverband tussen de beide landen en had tot doel om zicht te krijgen op de activiteiten van criminele organisaties op het gebied van het witwassen van gelden via geldwisselkantoren. Besloten werd om rechtspersonen op te richten die actief zijn op het gebied van witwassen. Er werd een Nederlandse bedrijvenstructuur van financiële instellingen gecreëerd als frontstore, waarmee vervolgens succesvol werd binnengedrongen in de criminele organisatie. In dit kader zijn Nederlandse undercoveragenten ingezet, die regelmatig contact hadden met de Canadese hoofddaders in Nederland, Zwitserland en de Nederlandse Antillen. Tevens hebben de Nederlandse politie-infiltranten transporten van verdovende middelen gearrangeerd van Colombia naar Canada. Noot Ook buitenlandse politiële infiltranten zijn voor langere duur actief in Nederland (zie bijvoorbeeld de casusbespreking Copa). Deze buitenlandse infiltranten worden op dat moment begeleid door Nederlandse begeleiders. De inzet van buitenlandse infiltranten is grotendeels gebaseerd op onderling vertrouwen tussen politie-instanties van verschillende landen. Van een afzonderlijk onderzoek naar de identiteit van buitenlandse politie-infiltranten is geen sprake. In Europees verband is een werkgroep actief die de afstemming van internationale infiltratie-acties voor haar rekening neemt. In deze werkgroep participeren ook Canada en de VS.

Infiltratie en selectie

Politiële infiltratie vindt primair plaats in de ondersteuning van de criminele organisatie. Het gaat dan vooral om het aanbieden van facilitaire diensten zoals vervoer, opslag en doorvoer, aan de criminele organisatie. Slechts zelden vindt infiltratie plaats in de directe nabijheid van de hoofddaders. Van diepte-infiltratie waarbij politie-infiltranten daadwerkelijk deel zijn gaan uitmaken van de kern van de criminele organisatie, is de commissie niets gebleken. Wel is een geval bekend waarbij de infiltranten de top van een criminele organisatie dicht zijn genaderd (zie eerstvolgende casus).

De selectie van politiële infiltranten is streng. Uitgebreid wordt de infiltrant getest op onder meer stressbestendigheid. Ook moeten diverse cursussen worden gevolgd voordat een politiefunctionaris als politiële infiltrant mag functioneren. Tijdens infiltratie-acties wordt steeds gestreefd naar dagelijks contact tussen de infiltrant en de begeleiders. Zowel de infiltrant als de begeleiders maken proces-verbaal op van hun activiteiten. Deze processen-verbaal worden in principe toegevoegd aan het procesdossier en zijn daarmee onderwerp van beoordeling door de rechter. Noot Een voorbeeld van zo'n «open infiltratietraject» is in het openbaar verhoor van officier van justitie Koers aan de orde geweest:
In dit onderzoek naar vier Turkse broers is projectmatig geïnfiltreerd in een tactisch (open) traject. Noot De projectinfiltratie is uitgevoerd door negen politie-infiltranten. Hiervan waren zes van het politieel infiltratieteam Oost-Nederland en drie Duitse politie-infiltranten. Het milieu waarin geïnfiltreerd moest worden was niet wars van grof geweld. Ook tegen de politie-infiltranten zijn forse bedreigingen geuit. Van januari 1993 tot juni 1995 zijn de politie-infiltranten in verschillende combinaties in totaal 119 maal opgetreden. In de praktijk blijkt vooral één van de politie-infiltranten daadwerkelijk veel contact te hebben gehad met de criminele organisatie. De anderen hebben veelal als geloofwaardige achtergrond gediend:

 

De voorzitter:

Ik wil u nog een vraag stellen over de processen-verbaal. Het is constant A851, die alles ziet, doet en daar verslag van legt. Die andere infiltrant nooit, bijna nooit. Er staan nog een paar andere nummers. Betekent dit nu, dat ook de handelingen en bevindingen van andere infiltranten toch onder A851 worden weggeschreven? (...)

De heer Koers:

Als A851 proces-verbaal opmaakt, is dat zijn verhaal. Dat zou hooguit aangevuld kunnen worden door verhalen van anderen.

De voorzitter:

Kan het ook zo zijn, dat A851 weer hoort van andere verhalen en die er zonder nummer ook inzet?

De heer Koers:

Nee. (...)

De voorzitter:

Maar dan is natuurlijk de vraag wat al die andere mensen dan doen. Daar is namelijk weinig tot niets van terug te vinden.

De heer Koers:

Ik denk dat in een aantal gevallen de rest alleen maar franje is geweest. Noot De politie-infiltranten waren tot hoog in de criminele organisatie geïnfiltreerd. Zij hadden diverse ontmoetingen met de vier hoofdverdachten, waarbij de politie-infiltranten partijen kregen aangeboden. Besloten is tot de aankoop van een aantal partijen teneinde te bewijzen dat de hoofdverdachten over een langere periode actief waren en in staat waren in korte tijd verschillende keren heroïne te kunnen leveren. De eerste aankoop betrof twee kilo cocaïne in april 1994. Deze werd gevolgd door vier aankopen van elk twee kilo heroïne in november en december. Vervolgens gingen de gesprekken over de financiering van een transport van een partij heroïne van Turkije naar Nederland en de levering van drie kilo. In overleg met het OM werd besloten een investering in dit transport (in totaal ongeveer 160 kilo) te doen van fl. 100.000,- . Tevens werd besloten dat een

politie-infiltrant naar Turkije moest afreizen. In dit traject is de minister gekend.

 

De heer Vos:

Vervolgens zijn vanuit de Centrale toetsingscommissie wel enige voorwaarden gesteld, onder andere met betrekking tot de betrokkenheid van de minister in het voortraject en in het natraject. Hoe heeft dat in de praktijk gestalte gekregen?

De heer Koers:

De betrokkenheid van de minister in deze zaak had een specifiek karakter, met name voor het laatste stukje van de zaak. Niet zozeer de individuele aankopen - daarmee heb je wel te maken met de tip- en toongeldregeling, de aankoopregeling, van het departement -maar met name het laatste stukje van de zaak, waarin het ging het investeren in een transport drugs vanuit Turkije naar Nederland. Daarbij kwam ter sprake dat de politiemenseninfiltranten, in ieder geval een daarvan, naar Turkije moesten. Dan heb je te maken met internationale verhoudingen. Binnen de Centrale toetsingscommissie is op dat moment gezegd, dat dit niet mocht zonder dat de minister van Justitie op de hoogte is. Die moet daar haar goedkeuring aan geven. Dat is vervolgens gebeurd. De hoofdofficier van Zwolle heeft een bespreking gehad met de hoofdofficier van Istanbul. Daar is ook de staatssecretaris van Justitie van Turkije bij betrokken geweest om goedkeuring te hechten aan de komst van een politiemaninfiltrant naar Istanbul, om als het ware daar besprekingen te voeren met een of meer van de Turkse verdachten. Noot De afgesproken partij van drie kilo heroïne werd nog aangenomen en betaald, maar de volgende aangeboden partij van 20 kilo heroïne in juni 1995 werd in beslag genomen en de verdachten aangehouden. In totaal is er 31 kilo harddrugs aangekocht en fl. 623.000,- geïnvesteerd in deze vooraankopen. De ratio achter deze hoeveelheden legt Koers uit tijdens zijn openbaar verhoor:

De heer Koers:

Er is 31 kilo aangekocht; dat klopt. Het doel was niet het kopen van heroïne of cocaïne, maar het doel was bewijs te vergaren tegen de vier hoofdverdachten. Als je bewijs tegen één hoofdverdachte hebt, dan heb je er nog drie tegen wie je geen bewijs hebt. Dan is het soms verstandig om door te gaan. Dat zijn afwegingen geweest gedurende met name het laatste jaar: hoe ver komen wij? Uiteindelijk is door de serie waartoe is besloten het mogelijk gebleken tegen dat viertal bewijs bij elkaar te krijgen.

De heer Vos:

En waarschijnlijk bent u ook doorgegaan om de Turkse lijn zelf bloot te leggen, de lijn naar het
buitenland. Of heb ik dat verkeerd begrepen?

De heer Koers:

De laatste actie die geweest is, is het mee investeren in een traject vanuit Istanboel deze kant op. Daarvan was het de bedoeling om de transportlijn, de aanvoerlijn bloot te leggen. Gedeeltelijk zijn wij daarin geslaagd, maar gedeeltelijk ook niet. Noot De bedoeling was om tijdens dit hele traject geen gram verdovende middelen op de markt te laten komen. Dit is slechts gedeeltelijk gelukt. De aankopen zijn vernietigd maar:

De voorzitter:

Mogen wij dat iets helderder zeggen? Er is genvesteerd in een hoeveelheid die in totaal ongeveer 160 kilo zou zijn; dat staat ook in het proces-verbaal. Ongeveer 20 kilo daarvan wordt in beslag genomen en wij weten niet waar de rest is.

De heer Koers:

Wij ook niet.

De voorzitter:

Het is toch niet zo dat, zoals de recherchechef zei, er geen gram waar wij aan mee hebben gedaan op de markt is gekomen? Dat weten wij niet precies, want wij weten niet waar dat is.

De heer Koers:

Neen, wij weten ook niet of die 160 kilo naar Nederland gekomen is.

De voorzitter:

Neen, goed.

De heer Koers:

Wij hebben die 20 kilo gezien die in Amsterdam is gepakt plus wat er in de bergplaats lag, zo'n 30 kilo, die ook in beslag is genomen. Dat is wat wij gezien hebben. Wat er verder geweest is, weet ik niet.

Noot

Sturing en controle

De sturing en controle door politie en justitie zijn bij politiële infiltratie nauwkeurig geregeld. De goedkeuring vindt plaats op het niveau van de hoofdofficier. Tegenwoordig moet de Centrale toetsingscommissie de aanvraag voor een infiltratie-actie beoordelen. De Centrale toetsingscommissie geeft veelal onder voorwaarden toestemming. Incidenteel wordt een infiltratie-actie gestopt omdat de beheersbaarheid ter discussie staat. In het volgende geval heeft de minister besloten tot het stoppen van een infiltratie-actie, ondanks het feit dat de CTC goedkeuring hieraan had verleend: Noot

Dit onderzoek in het zuiden des lands was gericht op een notoire drugsbaron. Vele reguliere opsporingsmiddelen als taps en observatie bleken niet te werken. Besloten werd om een infiltratietraject te starten, met als doel zicht te krijgen op de strafbare feiten en de financiële stromen waarna respectievelijk aanhouding en afroming van de criminele winsten zouden kunnen volgen. De bedoeling was om dit traject later geheel ter toetsing aan de rechter voor te leggen.

In 1993 wordt begonnen met de opbouw van de cover door het politiële infiltratieteam, waarna binnen een aantal maanden de eerste sociale contacten worden gelegd door de politie-infiltrant. Deze wordt langzamerhand in het milieu van de verdachte opgenomen. De politie-infiltrant heeft ondermeer financiële deskundigheid te bieden. Tevens is hij bekend in een buitenlandse wereldhaven. Hij wordt benaderd om deel te nemen aan transporten softdrugs uit het buitenland.

In januari 1995 wordt dit infiltratietraject in zijn algemeenheid ter toetsing aan de CTC voorgelegd. Onder een aantal voorwaarden, waaronder een goede psycho-sociale begeleiding van de infiltrant, gaat de CTC akkoord. Tevens wordt het advies gegeven eventueel een tweede politie-infiltrant te introduceren als er een financieel én transporttraject gaan lopen. Het wordt onwenselijk geacht om twee informatieposities te verenigen in één politie-infiltrant. Bij een tweede toetsing op 4 april wordt toestemming gevraagd voor het vervolgtraject op de infiltratie-actie, te weten het plegen van strafbare feiten door de infiltrant. Het voorstel is om de vertrouwenspositie van de politie-infiltrant verder uit te bouwen door middel van een investering in een transport van enkele duizenden kilo's marihuana. De kans was aanwezig dat de partij eventueel op de Nederlandse markt zou kunnen komen. De CTC gaat voorwaardelijk akkoord met de actie voor een periode van drie maanden.

Ondanks het oordeel van de hoofdofficier, de procureur-generaal en de CTC dat het traject verantwoord was gezien de uitstekende stuurbaarheid van de politie-infiltrant en het feit dat het een open traject is, is de minister van Justitie van mening dat dit traject niet kan. Per brief van 27 april 1995 vraagt zij dit te stoppen. De toenmalige kernteamleider zegt hierover:

 

 

De voorzitter:

Is u geworden waarom de minister het afkeurde? Hoorde u dat via de telefoon van Justitie? Hoe is dat gegaan?

De heer Paulissen:

Ik ben er zelf niet bij geweest, maar wij hebben uiteindelijk een briefje van de minister gekregen, een heel kort briefje: op het punt van de gecontroleerde doorvoer kon zij op dit moment geen toestemming geven.


De voorzitter:

Dat moet ongeveer in mei van dit jaar zijn geweest.

De heer Paulissen:

Ja.

De voorzitter:

Heeft u het toen weer op een andere manier opgepakt? Wat is er toen gebeurd?

De heer Paulissen:

Wij hebben toen besloten te stoppen. Wij vonden de gecontroleerde doorvoer echt noodzakelijk voor het bereiken van het grotere doel in de infiltratie. Wij zijn meteen gaan denken of er binnen de consignes van de minister nog mogelijkheden waren om dat doel op een andere manier te bereiken. Toen werden wij helaas geconfronteerd met het feit dat de zaak was uitgelekt in de pers. Toen hebben wij besloten om de zaak abrupt te stoppen. Noot De minister kan niet instemmen met de invoer en vermoedelijke doorlating van een partij softdrugs door de politie waarin bovendien ook overheidsgeld geïnvesteerd wordt. Vervolgens wordt besloten de politie-infiltrant

af te bouwen. In het openbaar verhoor zegt de minister van Justitie desgevraagd het volgende over de onthouden toestemming:

 

De voorzitter:

Ligt het aan de politieke gevoeligheid dat u in mei van het jaar van de infiltratie-operatie in het zuiden zegt die niet meer te willen doen. Die methode leek, vergeleken met de IRT-methode, zeer verantwoord te zijn. Ik doel dus op de infiltratiemethode van het kernteam in het Zuiden, waarvan u zegt het niet meer te willen doen, omdat er te weinig garantie is dat men de zaak echt in beslag kan nemen.

Mevrouw Sorgdrager:

Als de zaak waar u nu over spreekt, in het zuiden des lands, loopt, is er geen kader wat de Centrale toetsingscommissie kennelijk had vastgesteld.

De voorzitter:

Zij vonden het goed!

Mevrouw Sorgdrager:

Zij vonden het goed, maar het openbaar ministerie twijfelde kennelijk, want men is naar mij toegekomen met de vraag of het door kon gaan. Wij hebben toen die methode besproken en bekeken wat de te verwachten effectiviteit was. Ik vond, nu men het mij toch vroeg, dat men een te vaag doel had. De effectiviteit van de methode was niet groot genoeg. Ik verwachtte dat men over enige tijd weer bij mij zou komen met dezelfde vraag over dezelfde zaak. Dat moesten wij dus gewoon niet doen. Noot

Het openbaar ministerie wordt over de voortgang van politiële-infiltratie-acties in het algemeen goed geïnformeerd. Dit betreft in ieder geval de CID-officier. Echter dit brengt nog niet met zich mee dat de later optredende zaaksofficier ook volledig geïnformeerd is. In principe worden alle activiteiten van de politie-infiltrant vastgelegd en staat de actie volledig open ter beoordeling aan de rechter. Ten behoeve van het functioneren van de politiële infiltranten worden valse identiteiten afgegeven. Noot Een briefwisseling van de ministers van Justitie, Verkeer en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Financiën vrijwaart de ambtenaren die deze valse identiteiten verstrekken van strafvervolging. Noot Het gaat daarbij om valse identiteiten om rekeningen te kunnen openen, auto's, woningen of loodsen te huren, frontstores op te zetten etc.

De commissie heeft geconstateerd dat politiële infiltranten gebruikt worden ter afscherming van informanten. Een politieel infiltratieteam gebruikt soms een gesloten CID-traject om de identiteit van de informant te beschermen. Dan worden twee of meer infiltranten ertussen geschoven zodat de oorspronkelijk informant niet meer zichtbaar is. De politie-infiltrant, die van deze informant het verhaal heeft gehoord, wordt als informant ingeschreven.

 

6.3.3 Burgerinfiltratie

 

Omschrijving en omvang

Over het gebruik van burgerinfiltranten bestaat minder duidelijkheid dan over de inzet van politie-infiltranten. De commissie spreekt van burgerinfiltranten indien al dan niet criminele burgers gevraagd worden bepaalde activiteiten te ondernemen waaronder het plegen van strafbare feiten. Sommige CID-en spreken in dit verband van gestuurde informanten, waarbij het onderscheid met burgerinfiltranten nauwelijks meer aanwezig is. Het enige verschil is dat zij op een gestuurde informant de infiltratierichtlijn niet van toepassing achten. In hoofdstuk 3 heeft de commissie enkele in het oog springende voorbeelden gegeven van het omgaan met burgerinfiltranten.

Het is duidelijk dat geregeld gebruik wordt gemaakt van criminele burgerinfiltranten. De commissie heeft vele voorbeelden aangetroffen van criminele burgers die door de politie gevraagd worden bepaalde activiteiten te verrichten. Wanneer deze activiteiten geen strafbare feiten omvatten spreekt de commissie van gestuurde informanten. Veelal gaat het om een verzoek van politie en justitie om informatie te verzamelen door het bezoeken van bepaalde plaatsen. In het overzicht aan het begin van dit hoofdstuk blijkt dat het grootste aantal
toetsingsverzoeken aan de CTC de inzet van criminele burgerinfiltranten betreft (30). Vier verzoeken betreffen de inzet van niet-criminele burgerinfiltranten. Uit de CTC-stukken blijkt dat deze burgerinfiltranten strafbare feiten mogen plegen. Het ging dan vooral om het vervoeren van drugs of het anderszins ondersteunen van het invoeren en verkopen van verdovende middelen zoals het huren van loodsen of het ter beschikking stellen van vrachtauto's. Noot Bijvoorbeeld:

In het kader van een onderzoek is overwogen om een projectinfiltratie van een gesloten traject te starten waarbij een burgerinfiltrant hand- en spandiensten zou verrichten bij een transport van softdrugs. De bedoeling was om eerst een proefzending softdrugs van enkele tonnen door te laten gaan, waarna een grote partij van meer dan tien ton zou worden gepakt, inclusief de verdachten. De informant heeft eerst een oriëntatiereis gemaakt naar het bronland op verzoek van het kernteam. In principe zou de informant de criminele verdiensten afdragen en een vergoeding krijgen van het ministerie van Justitie waarbij gedacht werd aan tonnen. De CTC ging na grote aarzeling akkoord. De informant werd door de criminele organisatie niet meer benaderd om behulpzaam te zijn bij transporten verdovende middelen. Tot op heden heeft het infiltratietraject daarom geen doorgang kunnen vinden. Noot

Ook wordt wel gevraagd om monsters aan te kopen. De commissie constateert dat in een aantal gevallen de CTC niet gevraagd is om toestemming voor de inzet van burgerinfiltranten. In nagenoeg alle regio's en arrondissementen worden voorbeelden aangetroffen van burgerinfiltranten in de definitie van de commissie. In de regio Amsterdam-Amstelland echter wordt sinds 1992 niet meer gewerkt met burgerinfiltranten. Informanten mogen in Amsterdam slechts informatie geven. Politie en justitie gaan in principe niet akkoord met het verrichten van enige activiteit door informanten:

 

De heer De Graaf:

Ik wil even bij dit element blijven; zo meteen komen wij op andere elementen. Collega's van u uit andere korpsen zeggen: niks onbetrouwbaar, wij controleren zo'n informant van achteren naar voren; elke stap die hij zet, kennen wij, dubbelchecken wij. Is het volstrekt ongeloofwaardig als zij dat zeggen?

De heer Welten:

U zei daarstraks dat elke informant ook een beetje crimineel moet zijn. Elke infiltrant is wat mij betreft zeker een beetje crimineel. Je kunt misschien wel betrouwbaar en crimineel zijn, maar dat is een contradictie waarmee ik echt niet uit de voeten kan. Noot (...)

De heer Welten:

Ja, weet u... Kijk, het beeld zou bijna gaan ontstaan dat Amsterdam roomser is dan de paus. Ik denk dat wij geleerd hebben van de kwetsbaarheid van methoden in zijn algemeenheid, omdat wij misschien wel in het centrum van de aandacht hebben gezeten. Er is destijds heel nadrukkelijk door wijlen mevrouw Dales gezegd dat wij na moesten denken, als overheid, over de integriteit van het openbaar bestuur, de integriteit van jezelf als apparaat. In combinatie met datgene wat ik persoonlijk vind, proberen wij daar een andere wending aan te geven. Dan ben ik helemaal niet roomser dan de paus; als ik afwijkend ben van de rest van het land, vind ik dat vervelend; op zichzelf probeer ik - ik denk ook dat dit behoorlijk gaat - heel constructief met de omgeving samen te werken, ondanks het feit dat ik misschien een vreemde eend in de bijt ben. Noot

De voorzitter:

Eerder zeiden vertegenwoordigers van het OM uit Amsterdam en ook de politie in Amsterdam dat er helemaal geen burgerinfiltratie was. Maar nu zegt u dat u dat onder omstandigheden niet geheel wilt uitsluiten.

De heer Vrakking:

Ik heb nooit gezegd: helemaal niet. Ik zeg in beginsel, nee, tenzij. Noot De ANCPI houdt zich in principe niet bezig met burgerinfiltranten. Wel wordt bezien in hoeverre het mogelijk is materiedeskundigen (accountants, piloten, etcetera) in te schakelen als niet-criminele infiltranten. Als nadeel wordt genoemd dat deze materiedeskundigen geen politie-achtergrond hebben. Tot op heden zijn er nog geen materie-deskundigen op deze wijze ingezet.

Sturing en controle

 

De commissie constateert dat zich bij de inzet van criminele burgerinfiltranten verschillende problemen voordoen. De controleerbaarheid en stuurbaarheid van de criminele burgerinfiltrant is problematisch. De motivatie van deze infiltranten is veelal dubbelzinnig. Onduidelijkheid bestaat veelal over wat er met het criminele geld gebeurt. Op het plegen van strafbare feiten door de infiltrant is controle slechts ten dele mogelijk.

Enkele burgerinfiltranten geven informatie aan meer dan één CID. Deze infiltranten hebben onder regie van de verschillende CID-en strafbare feiten gepleegd. De verschillende CID-en waren niet altijd op de hoogte van
het feit dat de infiltranten ook voor andere CID-en werkten. Deze infiltranten hebben zeer veel geld verdiend aan het geven van informatie. Hiertegenover stonden ruime onkostenvergoedingen, beloningen en het mogen houden van de verkregen criminele winsten. In hoofdstuk 3 zijn deze gevallen uitgebreid beschreven. De commissie is van oordeel dat burgerinfiltranten die een zo actieve positie hebben in een criminele organisatie niet meer volledig onder regie van politie en justitie kunnen staan. Het reële risico dreigt dan dat politie en justitie worden gestuurd door de burgerinfiltrant in plaats van andersom.

6.3.4 Frontstore

De fronstore is slechts recent in Nederland geïntroduceerd en derhalve bestaat nog weinig ervaring met deze opsporingsmethode. Het eerste, de commissie bekende, voorbeeld is de operatie Contrat (zie casus hiervoor). Tijdens het verhoor zei Wilzing hierover:

 

 

De voorzitter:

Was u ook al betrokken bij frontstores toen u verantwoordelijk was bij de CRI? Waren die er toen al, zogenaamde bedrijven die de politie gebruikte als dekmantel om eventueel binnen het criminele milieu te infiltreren dan wel om bewijs te verzamelen tegen criminele groepen die van zo'n dergelijk dekmantelbedrijf gebruik maken?

De heer Wilzing:

Ik weet mij uit mijn periode te herinneren dat wij daar een zaak hebben gehad. Het was een grote zaak die vanuit een ander werelddeel op ons afkwam, waarbij wij met onze accountants daar een aantal zaken voor geregeld hebben. Dan ging het met name over het sluizen van geld.

De voorzitter:

Daarbij speelde de financiële dienstverlening een rol?

De heer Wilzing:

Het was een financiële dienstverlening, exact. Noot Een ander voorbeeld van een frontstore dat de commissie bekend is, is wederom een internationaal samenwerkingsverband: De Amerikanen hebben een wereldwijde frontstore-operatie opgezet geheten Green Ice II, waarvan een deeloperatie vanaf september 1992 operationeel is. De doelstelling van deze operatie is om via het financiële traject in de Colombiaanse kartels te infiltreren. Zodoende komt zicht op de internationale stroom van drugsgelden. Ook in Nederland is een cover opgezet die gericht is op het scheppen van «paperwork». Tot op heden is door de criminele organisatie niet gehapt op het Nederlandse aas. Op andere plaatsen is wel met succes geopereerd. Het is niet ondenkbaar dat de zaak rond komt zonder dat gebruik gemaakt wordt van de Nederlandse cover. Op het moment wordt bekeken of er andere toepassingsmogelijkheden zijn.

Indien een frontstore wordt toegepast, gebeurt dat veelal in combinatie met politiële infiltratie; in incidentele gevallen ook met burger-infiltranten. Het gaat in Nederland om minder dan tien frontstores. Deze frontstores bevinden zich vooral in de dienstverlenende en facilitaire sector. Te denken valt aan transportbedrijven en financiële dienstverlening. Het doel is veelal criminele organisaties gebruik te laten maken van deze ondersteuning waardoor politie en justitie een beter beeld kunnen krijgen van hun activiteiten. Tijdens de openbare verhoren is hier ondermeer het volgende over gezegd:

 

 

De voorzitter:

(...) Hoeveel frontstores kennen wij ongeveer in Nederland? Honderden?

De heer Karstens:

Nee.

De voorzitter:

Tientallen?

De heer Karstens:

Ook niet.

De voorzitter:

Minder dan tien?

De heer Karstens:

U wordt warm. Noot Van de frontstores moeten onderscheiden worden de dekmantelbedrijven die bij de PIT's «op de plank liggen», met het doel om een andere identiteit van een informant of infiltrant aannemelijk te maken. Het opzetten van frontstores wordt bemoeilijkt doordat in Nederland alle gegevens nauwkeurig zijn geadministreerd. Volgens betrokkenen zal het in de toekomst vooral noodzakelijk zijn afspraken te maken met de belastingdienst hoe om te gaan met frontstores. Op dit moment zijn die afspraken nog niet gemaakt. Frontstorehouders melden dan ook dat zij veel moeite moeten doen om de belastingdienst op afstand te houden.

De voorzitter:

Daar komt het op uit. Moet ik dan vooral denken aan transportbedrijven of faciliterende bedrijven? Hoe houdt u de belasting en de waterleiding van uw nek?

De heer Karstens:

Vanuit onze positie gezien, is de belastingdienst in zijn algemeenheid een geduchte tegenstander. Tot op heden hebben wij de argwaan van de belastingen nog niet gewekt. Noot


Een andere toepassingsmogelijkheid van een frontstore is het afschermen van CID-rechercheurs. Dit wordt noodzakelijk geacht door de vele contra-activiteiten van criminele organisaties. De CID richt dan een bedrijf op om bijvoorbeeld telefoons en kentekens te kunnen registreren op naam van dit bedrijf.

6.3.5 Gecontroleerde aflevering

De gecontroleerde aflevering is een zeer frequent gebruikte methode. Het gaat om honderden gecontroleerde afleveringen per jaar, variërend van een verdacht postpakketje tot een container. Veelal betreft dit verdovende middelen.

 

 

De heer De Wit:

(...) Wij spreken bijna dagelijks, zeker in de grootstedelijke praktijk, over gecontroleerde afleveringen en doorleveringen.(...) Noot

Bij gecontroleerde afleveringen wordt steeds getracht de verboden goederen daadwerkelijk in beslag te nemen. Het transport geschiedt dan ook meestal onder observatie van een OT. Dit voornemen tot inbeslagneming kan om diverse redenen mislukken. In enkele gevallen heeft de commissie geconstateerd dat door fouten tijdens de observatie partijen drugs uit het oog werden verloren. Een voorbeeld:


Begin 1994 komt een buitenlandse informant, die door een zusterdienst van de CRI overgedragen is aan een RCID, naar Nederland voor de invoer van een partij van tientallen kilo's cocaïne. Zijn rol bestaat uit het door de douane loodsen van deze partij drugs. De RCID besluit om de partij gecontroleerd af te leveren. Echter, het OT raakt betrokken bij een aanrijding en de partij verdwijnt ongezien in het milieu. Hierna gaat de informant terug naar Zuid-Amerika, alwaar hij door Zuid-Amerikanen wordt benaderd met de vraag of hij dit vaker wil doen. De informant gaat, na consultatie van de betrokken RCID in Nederland, hierop in. Vervolgens wordt de informant geconfronteerd met een grote partij van duizenden kilo's marihuana die al in de haven ligt en wordt hem gevraagd of hij die "even binnen wil loodsen". Besloten wordt om deze partij door te laten en wel om drie redenen: de informant is beloofd dat hij het volgende omvangrijke cocaïnetransport mag doen, tevens is de criminele organisatie in een ander traject bezig om cocaïne in te voeren en dit mag niet verstoord worden. Bovendien vreesde de politie represailles als de partij wordt gepakt. De partij wordt wel gevolgd en het OT stelt vast waar de partij wordt opgeslagen.

In december 1994 wordt de grote partij cocaïne, die meer dan duizend kilo blijkt te bevatten, aangeboden aan de informant met de vraag of hij deze door de Amsterdamse douane kan loodsen. Besloten wordt om tot een gecontroleerde aflevering over te gaan. Wederom raakt het OT de vrachtwagen met de bewuste container kwijt. Echter, later wordt toch nog op verschillende adressen de partij teruggevonden en in beslag genomen. Meer dan 20 verdachten worden aangehouden, waaronder de top van de organisatie in Nederland. Tijdens zijn verhoor noemt Brand dit traject de klassieke methode:

 

 

De heer Brand:

Dat zal ik u uitleggen. Het is onze eerste opdracht dat wij de criminele organisatie proberen op te rollen. Wij moeten ervoor zorgen dat wij het aantal kilo's in de hand hebben. Dat moet gebeuren wanneer dit het meest gunstig is. Wij hebben 1100 kilo cocaïne binnengehaald met de traditionele methode.

De voorzitter:

Op welke vangst doelt u?

De heer Brand:

Dat is een vangst van verleden jaar kerstmis.

De voorzitter:

Het is geen HOLCO-vangst?

De heer Brand:

Dat is een HOLCO-vangst.

De voorzitter:

Daar is toch een heel interessant en moeizaam traject aan vooraf gegaan?

De heer Brand:

Eerst de zaak van de 1100 kilo. Dat ging volgens de traditionele methode. Traditioneel wil zeggen dat wij natuurlijk via taps weten wat er gebeurt. De traditionele methode gaat ervan uit dat de tegenpartij fouten maakt. In dat traject pakken wij op een gegeven moment dat aantal kilo's. Maar hoe dan ook: als je afluistert weet je veel meer dan op het moment waarop je ingrijpt. Wij moeten echter ingrijpen op het moment waarop de grotere hoeveelheden komen. Als die komen is daar vanuit de criminele organisaties meer kwaliteit tegenaan gezet en die moeten wij oppakken. Wij proberen niet alleen maar zoveel mogelijk kilo's te pakken.

De heer De Graaf:

U sprak ook over een ander traject, een klassiek recherchetraject, waarbij 1.100 kg cocaïne in beslag is genomen. Dat speelde aan het eind van het vorige jaar. Maar gingen daar ook geen lijntesters aan vooraf?

De heer Brand:

Aan dat specifieke geval ging, voorzover ik weet, niet nadrukkelijk een lijntester vooraf.


De voorzitter:

Maar het is misschien niet goed om hier te veel in detail in te gaan op wat daar eventueel aan vooraf is gegaan. Het is althans onze indruk dat er iets meer aan voorafgaat dan louter klassiek rechercheren.

De heer Brand:

Nou ik vind dat je het als een voorbeeld van klassiek rechercheren mag noemen. Dat er informatie in dat traject heeft meegespeeld, is altijd zo. Maar klassiek rechercheren is toch het bij elkaar brengen van informatie. Maar er is geen systematiek geweest van een lijnuittester op de manier waarop dat in de andere zaak is gebeurd.

De voorzitter:

Misschien weet u dat niet. Noot Voor de «geslaagde» partijen krijgt de informant geld van de criminele organisatie. Na overhandiging van de justitiële beloning van 275.000 gulden draagt hij zijn verdiensten af. Het ingeleverde bedrag bedraagt meer dan een miljoen gulden. Dit geld wordt gestort op een rekening van de CRI. Het doel van deze gecontroleerde afleveringen is te bezien wie in de criminele organisatie betrokken is bij de

strafbare feiten. Gecontroleerde afleveringen vinden zowel plaats door de reguliere politie als door de Koninklijke marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten.

 

De heer Van Blijswijk:

Gecontroleerde afleveringen kwamen met enige regelmaat voor en de vraag was: realiseert de leiding, in dit geval die van de douane, zich dat dit soort dingen gebeuren? Verder werd de vraag gesteld of aan het meewerken met de douane aan deze afleveringen geen grotere risico's verbonden waren voor het personeel dan aan het normale, reguliere werk. Die signalen waren aanleiding voor een contact. Dat contact heeft ertoe geleid dat de directeur van de douane en ik hebben gezegd: wij moeten dat gewoon eens bespreken en de zaken helder op een rij krijgen. Vervolgens hebben wij een afspraak gemaakt. Bij het gesprek op het ministerie van Financiën zijn mensen van de douane Amsterdam, onder wie de directeur Douane, en van de FIOD aanwezig geweest. Ik was daarbij ook aanwezig.

De heer Rabbae:

Wat is daaruit geresulteerd?

De heer Van Blijswijk:

Uit dat gesprek is naar voren gekomen dat de aanwezigen geen enkele aanwijzing hadden dat er iets anders gebeurde dan gecontroleerde aflevering. Wij hebben verder geconstateerd in dat gesprek dat de methode, die wij al jaren kenden, correct was en dat wij medewerking zouden blijven verlenen als onder verantwoordelijkheid en op verzoek van het OM onze bijstand werd gevraagd. Noot Meestal komt de politie plannen om partijen verdovende middelen in te voeren op het spoor door informatie

van informanten of infiltranten. Zo weet men bijvoorbeeld het aantal containers, de naam van het schip en de haven van aankomst. Niet altijd blijkt deze informatie betrouwbaar:

 

De heer Van der Voort:

De vraag van de heer Vos was of ik wel eens heb meegemaakt dat een aangekondigde proefzending van een bepaalde hoeveelheid later veel groter bleek te zijn. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Ik heb wel meegemaakt - die zaak is bij het verhoor van de heer Brand aan de orde geweest haven een schip lag met een partij van maar 40 of 50 kilo groot. Hij zei tegen ons dat de politie daar vooral - dat iemand zich presenteerde als informant en een partij bij de politie meldde. Hij vertelde dat iets buiten de niet aan moest komen, omdat daarna een partij zou komen die vele malen groter zou zijn. Dat verzekerde hij ons ook. Ik geloof dat zelfs werd gesproken over 1000 kilo cocaïne. Dat heb ik wel meegemaakt, maar dat is dus geen vooraf met mij en de politie doorgesproken traject, in de zin van: laat de lijntester maar komen. Dat is een geheel andere zaak geweest.

De heer Vos:

U besluit dan te vegen, als zo'n risico zich voordoet.

De heer Van der Voort:

In dat geval hebben wij de partij gecontroleerd afgeleverd, omdat er twee dingen aan de orde waren. Het ene was dat de informant F volstrekt oncontroleerbaar en onbestuurbaar was. Dat was al in een eerdere zaak gebleken. Het andere aspect was dat wij zeer ernstige twijfels hadden over de betrouwbaarheid van deze informant. Ik had de indruk, samen met de politie, al in een heel vroeg stadium, dat het helemaal geen kleine partij was, maar dat op deze manier, met toestemming van de politie, met bescherming van de politie zelfs, om een ripdeal te voorkomen, een grotere partij werd ingevoerd. Het laatste bleek, want er zat geen 40 kilo in, maar 200 kilo.(....)

De heer Van der Voort:

De partij is geschept, er is een gecontroleerde aflevering van gemaakt. De informant, tevens zijnde verdachte, is aangehouden, voorgeleid aan de rechter-commissaris en uiteindelijk voor de rechtbank gebracht. Ik heb een gevangenisstraf van acht jaar geist. De rechtbank heeft er zeven van gemaakt. Het Hof, om hem moverende redenen, heeft er drie jaar gevangenisstraf van gemaakt. Noot Naast het gecontroleerd afleveren van drugs heeft de commissie ook aangetroffen dat dit incidenteel gebeurde

met bedreigde diersoorten, gestolen auto's en wapens:
Een aantal handelaren smokkelt bedreigde diersoorten uit Australië naar Nederland. Deze diersoorten worden gemengd met legaal te verhandelen dieren en de facturen worden vervalst. Vanaf Schiphol worden de dieren tijdelijk ergens in Nederland ondergebracht. Hierna worden ze verzonden naar handelaren in de Verenigde Staten met de vermelding dat de dieren in gevangenschap zijn gefokt in Nederland. Teneinde de smokkel en de valsheid in geschrifte te bewijzen worden de dieren gefotografeerd en gewaarmerkt bij invoer en uitvoer op Schiphol. Zo kan na transport in de VS worden vastgesteld dat dit dezelfde dieren zijn als in Nederland. De US Fish and Wildlife Service is op de hoogte.

Naar aanleiding van een Amerikaans rechtshulpverzoek heeft een gecontroleerde aflevering van wapens plaatsgevonden. Er was van Amerikaanse zijde niet vermeld dat de af te leveren partij wapens betrof en de verdachte militair was. Direct na aflevering is huiszoeking gedaan waarbij een partij pistolen en munitie is gevonden.

Politie en justitie laten een partij verboden goederen (veelal verdovende middelen) niet alleen afleveren aan de criminele organisatie, maar ook doorleveren aan de verdere tussenpersonen en de afnemers. Op die manier hopen politie en justitie inzicht te krijgen in het gehele traject van de verdovende middelen. De doelstelling is de verboden goederen in de tweede, derde of vierde hand in beslag te nemen. Het probleem daarbij is dat een partij drugs veelal wordt opgesplitst in kleinere hoeveelheden waardoor het voor politie en justitie nagenoeg onmogelijk wordt om alle deelpartijen te blijven observeren.

 

6.3.6 Doorlaten

Het doorlaten van verboden goederen betreft met name verdovende middelen. Noot In de afgelopen jaren zijn naast de tonnen softdrugs ook honderden kilo harddrugs op de markt terecht gekomen, terwijl politie en/of justitie zicht hadden op deze partijen drugs. De precieze hoeveelheden drugs die met medeweten van politie en justitie op de markt terecht zijn gekomen, zijn niet te bepalen. Over het aantal in een concreet onderzoek wordt in een verhoor gezegd:

 

 

De voorzitter:

Van hoeveel kilo harddrugs weet u dat ze op de markt gebracht zijn?

De heer Karstens:

Ik wil niet over exacte aantallen spreken, omdat de operatie nog steeds loopt. Het is meer dan 100 maar minder dan 500.

De voorzitter:

U heeft het dan over het politie-infiltratietraject?

De heer Karstens:

Ja.

De voorzitter:

In de afgelopen jaren?

De heer Karstens:

Er is sprake van een redelijk unieke situatie. Er was nog één zaak met softdrugs.

De voorzitter:

Die harddrugs van meer dan 100 maar minder dan 500 kilo, hebben die betrekking op één zaak?

De heer Karstens:

Ja, één zaak.

De voorzitter:

Was er ook nog niet een met 50?

De heer Karstens:

Dat is dezelfde zaak.

De voorzitter:

Het kwam dus meerdere keren voor in die zaak?

De heer Karstens:

Ja.

De voorzitter:

Dat is de enige die u kent?

De heer Karstens:

Waarbij wij harddrugs hebben doorgelaten? Ja! Noot De redenen voor de doorlating van drugs verschillen. Het kan zijn dat de criminele organisatie een drugsmokkelroute (druglijn) wil testen alvorens een grote partij af te zenden. De kleine testzending wordt dan doorgelaten. Ook kan een aantal grotere partijen worden doorgelaten om zicht te krijgen op de criminele organisatie. De commissie heeft in een aantal gevallen vastgesteld dat partijen soft- en harddrugs bewust op de markt terecht zijn gekomen. In hoofdstuk 3 zijn enkelen gevallen uitgebreid beschreven en in de navolgende paragrafen komen nog de doorlatingen in het Copa- en Exportonderzoek aan de orde. De commissie heeft echter nog meer gevallen aangetroffen: Een kernteam heeft een (open) infiltratietraject overgenomen van een Europees land in een drugslijn van Zuid-Amerika naar Nederland. Het betreft een buitenlandse burger-infiltrant en een politie-infiltrant. Ten tijde van het overnemen moet een partij van 9000 kilo marihuana worden doorgelaten uit Zuid-Amerika via het Europese land in Nederland.

De heer De Graaf:

Als het gaat over een partij van zeg 10.000 kilo marihuana, wordt dat ongetwijfeld weer
verdeeld in deelpartijen. Je moet dat met observatieteams zodanig bijhouden, dat je het dan ineens in een heel andere regio laat wegtippen.

De heer Blok:

De partij waarover u spreekt, is wel gevolgd met een OT, maar het is niet gelukt om die partij vervolgens in beslag te nemen.

De heer De Graaf:

Maar daar was de doelstelling van de politie ook niet op gericht?

De heer Blok:

Jawel, want er was observatie, ook nadat er doorgeleverd was. Noot Dit is een lijntester waarna door het kartel een grote partij cocaïne zal worden verzonden. De partij komt via dezelfde route als de partij marihuana naar Nederland. Deze partij cocaïne wordt gecontroleerd afgeleverd en blijkt na huiszoeking 250 kilo te bevatten. Bij deze gelegenheid wordt nog een partij van 150 kilo aangetroffen. Er worden in totaal acht huiszoekingen gedaan en 19 verdachten aangehouden.

Voor dit traject heeft de vorige minister van Justitie, Kosto, expliciet toestemming gegeven.

 

De voorzitter:

Het laatste punt dat ik kort aan de orde wil stellen: in het eerste verhoor van de heer Wooldrik hebben we het over een zaak gehad van de doorlevering van softdrugs, die bij u aan de gang was. Omdat uit de toetsingscommissie bleek dat toestemming was gegeven door de waarnemend procureur-generaal, is gebleken dat de minister daarvan wist. Inmiddels is opgehelderd dat de minister ervan geweten heeft. Dat was de heer Kosto, en daarna mevrouw Sorgdrager. Hoe is het gegaan tussen u en de minister?

De heer Blok:

Ik was daarbij niet persoonlijk betrokken. Het speelde in augustus, en toen was ik op vakantie. In dat hele traject hebben allemaal waarnemers gespeeld, zoals u misschien heeft ontdekt. Mijn plaatsvervanger heeft de plaatsvervangend PG op de hoogte gesteld, die vervolgens de minister op de hoogte heeft gesteld. Het is dus via een plaatsvervangend PG gegaan.

De voorzitter:

Schriftelijk?

De heer Blok:

Nee, dat is een mondeling overleg geweest, tussen mijn plaatsvervanger en de plaatsvervangend PG.

De voorzitter:

De plaatsvervangend PG moet dus naar het ministerie zijn gegaan, en daar is het blijkbaar neergeslagen in een notitie?

De heer Blok:

Het laatste weet ik niet helemaal zeker. Ik weet wel dat de plaatsvervangend PG een ambtenaar op het departement heeft benaderd, die vervolgens de minister heeft benaderd. Noot

Het tweede voorbeeld betreft een Arubaans onderzoek dat overgenomen wordt door de Amsterdamse politie: De politie in Aruba verzoekt de Amsterdamse recherche om te assisteren bij een infiltratietraject. Verteld wordt dat er reeds een boot met ongeveer 2500 kilo marihuana onderweg is naar Amsterdam, wat geldt als een proeftransport. Hierna zal een partij van 2 á 3 ton cocaïne komen. De landelijke officier van justitie verleent toestemming. De recherche heeft haar bedenkingen:

 

 

De heer Welten:

(..) Wij zijn geforceerd geworden om mee te werken aan zo'n traject. Met «zo'n traject» bedoel ik dat wij de oorsprong van de informatie niet konden toetsen. Was de informatie op basis waarvan activiteiten door de politie moesten worden ontplooid, rechtmatig verkregen informatie? Als dat niet rechtmatig is, werken wij daar liever niet aan mee. In die tijd hebben wij daar een dispuut over gehad en het moest toch. Nu, wij hebben het gedaan. De levering is doorgegaan en er is f.930.000 van de betrokken persoon die het invoerde, afgenomen en dat is naar de autoriteiten in het land van herkomst teruggegaan. Noot Er komen twee burgerinfiltranten onder politiebegeleiding uit Aruba naar Nederland om in Amsterdam contact te leggen met de ontvangers van de partij verdovende middelen. De infiltranten maken de partij vrij en brengen die onder beheer van de politie. Later wordt de partij overgedragen aan een groep Nederlandse criminelen waar een andere regio mee bezig is. De politie aldaar wordt op de hoogte gebracht van de opslagruimte waar de partij ligt. Een deel wordt in beslag genomen, een ander deel verdwijnt in het milieu.

De heer De Graaf:

Waar ging het in dat geval om? Softdrugs?

De heer Welten:

Het was softdrugs, 2500 kilo.

De heer De Graaf:

Die is op de markt verdwenen?

De heer Welten:

Die is voor een deel aangehouden, heeft men mij gezegd, en is op de markt verdwenen, ja. Noot De opbrengst van de verkoop van deze partij wordt in beslag genomen en op uitdrukkelijk verzoek overgemaakt op een bankrekening van de autoriteiten te Aruba. Vervolgens wordt geen medewerking meer verleend aan het


Arubaanse traject daar onder meer de beheersbaarheid van de infiltranten moeilijk is gebleken. Het doorlaten van partijen drugs heeft vaak tot doel zicht te krijgen op de top van een criminele organisatie en deze strafrechtelijk te vervolgen. De commissie constateert dat in gevallen waarin gebruik is gemaakt van doorlating wel veel aanhoudingen zijn verricht en veroordelingen zijn gevolgd (met name in het Copa-onderzoek), maar er geen sprake is geweest van het succesvol vervolgen van de top van de criminele organisatie.

 

6.3.7 Corruptiegevoeligheid

Een onderwerp dat regelmatig in verband wordt gebracht met infiltratie is het gevaar van het «afglijden» van een politie-infiltrant in het criminele milieu. Immers deze opsporingsmethode brengt nauw contact met de criminele organisatie met zich mee met alle verleidingen van dien. Nordholt licht tijdens zijn openbaar verhoor het besluit tot opheffing van de pseudo-koopteams in Amsterdam toe en hij benadrukt hierbij ook de risico's van de methode:

 

 

De voorzitter:

Kunt u kort de redenen aangeven, waarom de teams zijn opgeheven?

De heer Nordholt:

(...) Ik was altijd tegen pseudo-koop. Ik heb wat dat betreft altijd dezelfde lijn gevolgd die de heer Blaauw uit Rotterdam ook volgde. Ik denk dat je het middel eigenlijk niet zou moeten toepassen. Ik vind het gevaarlijk. Het gevaar is groot dat collega's die in zo'n traject terechtkomen, afglijden. Je krijgt in zekere mate een gespleten geest als je het maar lang genoeg doet. Eigenlijk vind ik de voordelen ervan niet opwegen tegen de nadelen, waarbij je moet denken aan de psychische en vaak ook fysieke bescherming van collega's.

Noot
In deze paragraaf zullen aan de hand van een aantal casus verschillende corruptie-risico's bij infiltratie worden beschreven.

Het risico van normafwijkend gedrag en het lekken van informatie

De methode van infiltratie vereist dat een politieambtenaar (soms zeer lange tijd) intensieve contacten onderhoudt met het criminele milieu. Het voortzetten van deze contacten nadat hij zijn functie als infiltrant heeft beëindigd kan leiden tot verschillende risico's, zo blijkt uit de volgende casus. Casus Een informant verklaart aan een criminele inlichtingendienst dat een begeleider van een unit pseudo-kopers vertrouwelijke politie-informatie verkoopt. Naar aanleiding van onder andere deze verklaring wordt een onderzoek naar de betrokken politieman gestart. Tijdens het onderzoek worden geen aanwijzingen gevonden voor de beschuldiging van de informant, maar blijkt wel dat de betrokken politieman veelvuldig privé-contacten onderhoudt met personen uit het criminele milieu. Er komt onder meer naar voren dat hij regelmatig een café bezoekt waar hij ook komt voor zijn politiewerk. In het café wordt in goud gehandeld. De betrokken politieman koopt hier onder meer goud voor zichzelf en hij wordt er bovendien van verdacht de handelaar zijn diensten aan te bieden als bewaker. De politieman heeft verschillende kennissen in de bouwwereld en krijgt zo korting bij de aanschaf van bouwmaterialen voor zichzelf en voor anderen. Een aantal van deze kennissen, zo blijkt uit het onderzoek, heeft criminele contacten of heeft zelf een crimineel verleden. De betrokken politieman heeft bovendien op zijn huisadres telefonisch contact met personen uit het criminele milieu. Hij bemiddelt op die manier onder andere bij de aanschaf van een auto voor een vriend en op verzoek van een kennis heeft de politieman in het verleden wel eens het HKS systeem geraadpleegd om na te gaan of hij, wanneer hij op wintersport zou gaan, op Schiphol zou worden aangehouden voor openstaande boetes. Voordat betrokkene werkzaam was als begeleider van een unit pseudo-kopers, is hij in de jaren zeventig vanwege disciplinaire redenen overgeplaatst naar een ander politiebureau. De directe aanleiding hiervoor was dat hij samen met zijn echtgenote een gala-avond had bezocht, op uitnodiging van een bevriende medewerker van een particulier beveiligingsbedrijf die ook hun toegangsbewijzen betaalde. Hierdoor, en door een aantal andere omstandigheden, wekte hij de indruk dat hij voor het bedrijf bewakingswerkzaamheden zou verrichten. Betrokkene is vanaf eind jaren tachtig werkzaam geweest als begeleider van een pseudo-koopteam en werkt op dit moment niet meer bij de politie.

Bovenstaand voorbeeld illustreert hoe de methode van politiële infiltratie ook risico's kan opleveren ten aanzien van het lekken van vertrouwelijke politie-informatie. Noot In de praktijk zal dit risico vaak nauw samenhangen met andere vormen van corruptie, zo blijkt onder meer uit de volgende casus.
Casus Naar aanleiding van belastende verklaringen door zijn ex-vrouw en een voormalige vriendin, stelt de Rijksrecherche een onderzoek in naar een lid van een politieel infiltratieteam. De betrokken politieman, die door zijn collega's wordt omschreven als professioneel, gedreven en soms zelfs fanatiek, is naast part-time pseudo-koper/infiltrant ook werkzaam als CID-rechercheur. Uit het rijksrecherche-onderzoek blijkt onder meer dat hij aan familie, vrienden en kennissen regelmatig zeer gedetailleerde verhalen vertelt over afgeronde of op stapel staande pseudo-koop- en infiltratie-acties en andere aspecten van zijn werk. Thuis in zijn werkkamer hangen foto's die zijn genomen tijdens inzetten van zijn team en bezoekers bij hem thuis laat hij politievideo's zien van zijn werk. Zijn echtgenote heeft hij verschillende malen meegenomen naar enkele zogenaamde safehouses. De betrokken politieman blijkt bovendien een illegaal vuurwapen (een riot gun) te bezitten dat hij bij een collega in bewaring heeft gegeven. Hij heeft dit wapen aangeschaft omdat hij zich naar aanleiding van een voorval in een café met een crimineel die hem kende als politie-ambtenaar en als gevolg van uitlatingen van zijn ex-vriendin, bedreigd voelde. Tijdens de opleiding voor pseudo-koop/infiltratie wordt uitgebreid aandacht besteed aan het simuleren van druggebruik. Betrokkene heeft met toestemming van zijn chefs, en uit het budget van het politie infiltratieteam, een coke-setje voor het gebruik van cocaïne aangeschaft dat hij bij zich mocht dragen. Uit het onderzoek van de Rijksrecherche blijkt dat hij, ondanks dat hem dit nadrukkelijk is verboden, een aantal jaren privé cocaïne heeft gebruikt. Daarnaast maakt de politieman zich zowel binnen als buiten diensttijd schuldig aan overmatig drankgebruik, onder andere onmiddellijk voorafgaand aan een actie (door hemzelf bestempeld als «voordrinken»). Tegen de pseudo-koper/infiltrant bestond aanvankelijk ook de verdenking dat hij samen met enkele collega's tegen betaling politie-informatie zou doorgeven aan een particulier beveiligingsbedrijf, maar tijdens het rijksrecherche-onderzoek is dit niet aangetoond. Betrokkene blijkt enige jaren niet in bezit te zijn geweest van een verplicht «A-nummer» omdat hij niet de vereiste opleiding voor pseudo-koper heeft gevolgd. Toen hij zich aanmeldde voor deze opleiding bleek er op dat moment geen plek meer te zijn en daarom heeft hij in plaats daarvan de opleiding voor pseudo-koop-begeleider gevolgd. De pseudo-koper/infiltrant, die in strijd met de Richtlijnen infiltratie langer dan 4 jaar als zodanig werkzaam geweest, is inmiddels geschorst.

Dit politiële infiltratieteam is inmiddels ontbonden. De Rijksrecherche heeft in haar onderzoek in deze zaak niet alleen gekeken naar de individuele politieambtenaar, maar heeft ook nadrukkelijk onderzocht in hoeverre er mogelijk sprake was van een structureel probleem. Uit het onderzoek blijkt dat het team op een aantal punten slecht georganiseerd was en op verschillende manieren ruimte kon bieden aan vormen van politiële corruptie. Uit het onderzoek blijkt dat het grootste deel van de pseudo-kopers langer dan de voorgeschreven vier jaar actief is geweest. Een enkeling werkte zelfs al tien jaar als pseudo-koper. De meeste leden van het politiële infiltratieteam en hun begeleiders vervulden een part-time functie. De chef van het team was tevens leider van het arrestatie- en observatieteam alsmede van de criminele inlichtingendienst. Ook enkele andere teamleden waren daarnaast werkzaam bij de CID. Dit leidde er onder andere toe dat leidinggevende taken vaak naar een (te) laag niveau werden gedelegeerd. Dit heeft volgens de Rijksrecherche waarschijnlijk een nadelige invloed gehad op het werk en de veiligheid. Uit het onderzoek is ook gebleken dat «signalen met betrekking tot een afglijdend normbesef», zoals de Rijksrecherche het noemt, binnen het team niet altijd als zodanig zijn onderkend en wanneer dit wel het geval was, niet op het juiste niveau zijn besproken. 


6.4 Casusonderzoek

 

6.4.1 RAMOLA (Rabo Money Laundering)

 

Feiten en omstandigheden

Op een dinsdag in september 1991 gaat een man met een sporttas een filiaal van de Rabobank in Utrecht binnen. Noot Hij stelt zich voor als «Soussi» en kondigt aan dat hij van plan is veelvuldig grote hoeveelheden buitenlands geld, Frans en Belgisch, te wisselen. Het bankpersoneel verwijst hem vervolgens naar het hoofdkantoor. Daar wordt gevraagd naar de herkomst van het geld in de sporttassen die hij inmiddels bijna dagelijks aanbiedt. Soussi, die meneer T. blijkt te heten, vertelt dat het geld afkomstig is van zijn autohandel en van andere Marokkanen. De bank is voorlopig gerustgesteld en verleent haar diensten. In ruim een jaar gaan sporttassen met 25 miljoen gulden aan buitenlandse valuta over de balie. De directie van de bank vraagt op een gegeven moment naar een mogelijke relatie met verdovende middelen. De heer T. ontkent met klem. Ondanks het feit dat de Wet melding ongebruikelijke transacties bij financiële dienstverlening nog niet van kracht is, acht de bank het toch wenselijk melding te maken van deze opmerkelijk grote hoeveelheden buitenlandse valuta in sporttassen. Het Meldpunt ongebruikelijke transacties bij de CRI ontvangt in januari 1993 (na zestien maanden) de eerste melding. De RCID Utrecht besluit deze melding na te trekken en ontdekt dat de heer T. zeer regelmatig naar Rotterdam rijdt, daar een aantal panden bezoekt en direct weer terugrijdt naar Utrecht. Daar wordt een aantal sporttassen geleegd bij de bank. Inmiddels doet de bank een vervolgmelding aan het MOT waarin staat dat inmiddels weer 30 miljoen is aangeboden aan de bank om te wisselen. De zaak wordt overgedragen aan de RCID Rotterdam die reeds informatie blijkt te hebben over de panden in relatie tot verdovende middelen. Besloten wordt een gerechtelijk vooronderzoek te openen. Ontdekt wordt dat de handel in verdovende middelen onder meer plaatsvindt vanuit een snackbar en een videotheek. Vanuit de videotheek worden per telefoon regelmatig vreemde zaken besteld. Zo wordt gesproken over zendingen colberts, spul, jonge varkentjes, zuivere aarde, melk, kamers. Bovendien blijkt het mogelijk om halve cassettes en halve films te bestellen en wordt vaak verzocht om te komen met een weegschaal. De bestellingen worden gedaan bij een woning die naderhand een safehouse van verdovende middelen blijkt te zijn. In de loop der tijd wordt duidelijk dat de organisatie bestaat uit twee Marokkaanse families Z. en B. en een groep geldwisselaars die in anderhalf jaar tijd 270 miljoen gulden aan buitenlands geld hebben gewisseld.

Politieel en justitieel onderzoek

Tussen de eerste MOT-melding en de opening van het gerechtelijk vooronderzoek wordt proactief onderzoek
gedaan. In deze periode wordt een aantal vaststellingen gedaan, zoals blijkt uit de verklaringen ter terechtzitting. Niet duidelijk wordt op welke wijze dit vooronderzoek heeft plaatsgevonden. Gezien de vaststellingen lijkt observatie te zijn gebruikt. Vervolgens wordt het onderzoek overgedragen aan het regionale bureau bovenlokale criminaliteit Rotterdam (RBBC). Op 10 juni 1993 wordt een gerechtelijk vooronderzoek geopend op de geldwisselaar T. Door middel van langdurige observatie en het tappen van telefoongesprekken komt de politie onder andere uit bij de twee Marokkaanse families Z. en B. Bij de observatie in dit onderzoek werd onder andere gebruik gemaakt van fotocamera's en videocamera's. De opgenomen telefoongesprekken worden vertaald door tolken. Verder worden nog registraties van een aantal autotelefoons opgevraagd met een machtiging van de rechter-commissaris. In de doorlichting staat dat «diverse ATF gesprekken zijn afgeluisterd middels de kolibrie». In het requisitoir wordt nadrukkelijk vermeld dat er geen autotelefoons zijn afgeluisterd. Noot

 

Vooraankopen

Een informant die «zich in het criminele milieu kon bewegen» doet vier vooraankopen van heroïne en cocaïne in opdracht van de RCID Rotterdam/Rijnmond.
Deze informant is in de ogen van officier van justitie De Groot geen infiltrant, immers hij bevindt zich al in het criminele milieu dus hij hoeft hierin niet meer te infiltreren, noch is er sprake van pseudo-koop. Van het begin af aan was het de bedoeling door middel van deze aankopen CID-informatie te bemachtigen. Er is geen sprake geweest van pseudo-koop. Noot Voor deze aankopen wordt vooraf onder andere buitenlandse valuta verstrekt door het ministerie van Justitie. Dit geld wordt gemerkt teneinde de geldstromen te kunnen volgen. Noot De informant krijgt een beloning voor het doen van de aankopen. Dit CID-traject loopt parallel met het gerechtelijk vooronderzoek. De vooraankopen vinden plaats tussen 1 september 1993 en «geruime tijd voor 3 oktober 1994» Noot en betreffen hoeveelheden van minder dan 100 gram, tussen de 100 en 750 gram of meer dan 750 gram. Noot Elke aankoop heeft een ander aspect zoals een andere hoeveelheid of een andere persoon. Het doel van de aankopen is bevestiging te verkrijgen van reeds aanwezige informatie over de samenstelling van de organisatie en met name over de safehouses en de geldstromen. De aankopen zijn niet bedoeld om bewijs tegen personen te verkrijgen. In dit kader worden deze aankopen door het openbaar ministerie niet beschouwd als opsporingshandelingen Noot omdat zij niet hebben plaatsgevonden in een opsporingsonderzoek en niet gericht zijn geweest op bewijsgaring. Slechts informatie over het feit dat twee panden drugsgerelateerd zijn is doorgegeven aan het tactisch team.

Het traject kwam tot stand in overleg tussen de RCID en de CID-officier van justitie. De informant zat strak aan de regie. De informant mag geen mensen uitlokken. De informant heeft zich gedragen op de manier waarop een informant zich moet gedragen. Noot De hoeveelheden werden vooraf afgesproken. Toen zijn geen afspraken gemaakt over het totale aantal voorkopen, noch om de operatie buiten het dossier te houden. Deze afweging is later gemaakt. Noot De inzet van dit middel werd nodig geacht omdat het hier een gesloten familie-organisatie betrof waarin een groot aantal familieleden zich bezighield met strafbare feiten en omdat het verkrijgen van informatie over deze groep erg moeilijk was. Om deze reden werd het ook niet voor mogelijk gehouden om een politie-infiltrant in te zetten. Bovendien was reeds een informant ingeschreven bij de RCID die informatie over deze groepering kon verschaffen.

De CID-officier van justitie en de zaaksofficieren zijn achteraf op de hoogte gehouden van de voorkopen door middel van mondelinge verslaggeving en processen-verbaal waarin van elke aankoop het tijdstip, de hoeveelheid en de prijs staat vermeld. Noot De runners waren niet op de plaats aanwezig waar de aankoop zich had afgespeeld en de informant was evenmin in het bezit van afluisterapparatuur. Noot De rechtsgrond voor de aankopen is onduidelijk. In deze aankopen is niet voorzien in de Richtlijn infiltratie 1991. De Groot: De richtlijnen voor pseudo-koop zijn zo gemaakt maar de ontwikkelingen gaan wat harder. Ik heb deze affaire besproken met de HOvJ. We hebben intern besproken of we van de richtlijn af zouden wijken. We vonden de richtlijn achterhaald. Noot

 

Het onderzoek ter terechtzitting


Processen-verbaal van de vooraankopen komen aanvankelijk niet voor in het zittingsdossier. Op herhaald verzoek van de rechtbank wordt informatie hierover verstrekt door het openbaar ministerie en de criminele inlichtingendienst in de vorm van een proces verbaal en een getuigenverhoor van de chef CID, het getuigenverhoor van de CID-officier van justitie en geanonimiseerde processen-verbaal van de vooraankopen. Deze blijken zodanig geanonimiseerd dat niet veel duidelijkheid geschapen wordt over de feiten en omstandigheden van elke aankoop. De getuigenverhoren van de CID-officier van justitie en de CID-chef werpen ook niet meer licht op de zaak en worden gekenmerkt door: «Ik weet dat wel, maar wil er geen uitspraak over doen. Als ik dat bevestig of ontken, is dat een vingerwijzing naar de identiteit». Noot De rechtbank verzucht:

 

Voorzitter (In 't Velt-Meijer):

Dat betekent dus dat u nooit volledige opening van zaken kan geven zonder de identiteit van de informant vrij te geven? Getuige RCID-chef (In 't Veld): Dat klopt. Dat was ook van tevoren voorzien, en het is de afweging geweest die wij hebben gemaakt. Noot

Vervolgens wordt door de officier van justitie de mogelijkheid van het opvoeren van de informant/infiltrant als anonieme getuige overwogen. Hiervan wordt echter afgezien omdat op dat moment er niet voldoende concrete aanwijzingen zijn dat iemand uit de Ramola-groepering zich bedreigend naar de informant uitliet. Noot

De officier van justitie vermeldt in zijn requisitoir dat naar de mening van het openbaar ministerie de verstrekte informatie voldoende mogelijkheden biedt tot toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de vooraankopen. De rechtbank denkt hier anders over. Tijdens de zitting worden hierover signalen gegeven. (..) deelt de voorzitter mede dat de rechtbank geen aanleiding ziet om nogmaals om overlegging van de processen-verbaal van pseudo-koop te verzoeken, aangezien zij daar reeds eerder om gevraagd heeft en zij de processen-verbaal ook toen niet heeft gekregen. Wat de consequentie daarvan is zal door de rechtbank worden overwogen. Noot

De verstrekte informatie wordt met name onvoldoende bevonden om aan het Tallon-criterium te toetsen. De rechtbank oordeelt als volgt:
Op dit punt is slechts bekend geworden dat er sprake was van een groep van personen die reeds in grote hoeveelheden drugs handelde. Dit is echter onvoldoende om voor elke verdachte afzonderlijk te kunnen vaststellen of hij reeds in grotere hoeveelheden harddrugs handelde voordat hij door de informant zou kunnen zijn benaderd, hetgeen toch minimaal nodig is om ervan te kunnen uitgaan dat de opzet van de verdachte met betrekking tot de telastegelegde feiten niet door het optreden van de informant is gevormd.(..) De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie door de beslissing aankopen te laten doen door een informant, zodat zonder diens identiteit prijs te geven onvoldoende informatie kan worden verstrekt om het gebruik van deze opsporingsmethode te kunnen toetsen en op grond daarvan is besloten in het geheel geen melding te maken van het gebruik van deze methode op zodanige wijze handelt in strijd met de goede procesorde dat het de niet-ontvankelijkheid over zichzelf afroept.

Het feit dat door de verdediging wordt aangedragen dat deze vooraankopen elke rechtsgrond missen wordt door de rechtbank niet als zwaarwegend gezien. In 't Velt-Meijer zegt hierover tijdens het openbaar verhoor:

 

De heer Vos:

De heer In 't Veld heeft zich afgevraagd of het wel zo schokkend was dat aankopen werden gedaan en niet in het proces-verbaal terechtkwamen. Die aankopen werden namelijk toch niet als bewijs in de zaak gebruikt. Kunt u daarop reageren?

Mevrouw In 't Velt-Meijer:

Ja, ik verwijs dan ook weer naar het vonnis. De rechtbank heeft daar ook op gereageerd. Van de kant van de verdediging werd namelijk naar voren gebracht dat dit op zichzelf al zo erg was dat dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid. In het vonnis van de rechtbank staat dat het een verkeerde inschatting is geweest dat het, omdat het niet voor het bewijs gebruikt zou kunnen worden, niet nodig was om het te vermelden. Over de gang van zaken en de vraag wie er is ingelicht over de beslissing om de informant in te zetten, hoe vaak dit is gebeurd en of daar voldoende controle op is geweest, is ter zitting voor de rechtbank voldoende duidelijkheid gekomen. De rechtbank heeft ook gezegd: het enkele niet vermelden is voor ons geen reden om te zeggen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is. Noot

Uit het vonnis blijkt dat op een aantal andere punten de rechtbank van mening verschilt met het openbaar ministerie. Dit betreft ondermeer de vraag wanneer een methode een opsporingsmethode is.
Het betreft in casu aankopen van verdovende middelen die gedaan zijn tijdens een gerechtelijk vooronderzoek en met het doel om ten behoeve van dat onderzoek informatie te verkrijgen. Het betreft derhalve een opsporingsmethode en wel een die vergaand en ingrijpend van aard is. (..) Ongeacht de benaming van deze methode (vooraankoop of pseudokoop) dient een dergelijke gang van zaken volledig door de rechter te worden getoetst. Noot

Een mogelijke interpretatie van dit vonnis is dat het staat voor een vertrouwensbreuk tussen de zittende en staande magistratuur:

 

De heer Gerding:

Los van de vraag of dit vonnis in hoger beroep stand zal houden, vind ik het een vrij dramatisch vonnis, omdat de rechtbank tussen de regels door heeft gezegd: officier van justitie, openbaar ministerie, wij geloven u niet. De geloofwaardigheid van het OM in Rotterdam heeft toen een geduchte knauw gekregen. Noot

De plaatsvervangend hoofdofficier te Rotterdam Gerding voegt hieraan toe dat vroeger het woord van de officier van justitie «het is goed gegaan in de opsporing» voldoende was. Nu is dit naar zijn mening niet meer zo. Niet iedereen deelt deze mening. CID-officier van justitie De Groot acht deze suggestie van vertrouwensbreuk begrijpelijk doch niet juist. Dit wordt bevestigd door de voorzitter van de strafkamer In 't Velt-Meijer. Immers het feit dat het openbaar ministerie ter terechtzitting meldt dat de verdachte schuldig is aan het plegen van bepaalde strafbare feiten maakt toch ook niet dat de rechtbank dit zonder zelfstandige toetsing overneemt?

 

 

De heer Vos:

Ik wil aan de orde stellen dat van de zijde van de officier gezegd is: rechtbank, geloof mij nu maar; het is voldoende zorgvuldig gegaan. En dat is voor u uiteindelijk toch onvoldoende gebleken?

Mevrouw In 't Velt-Meijer:

Ja, het gaat namelijk om een juridisch oordeel over de vraag of er is uitgelokt of niet. Het feit dat het OM zegt dat dit niet zo is geweest, vond de rechtbank onvoldoende. Wij wilden dat zelfstandig kunnen toetsen. Om de lijn door te trekken: als iemand verdacht wordt van moord en de officier zegt dat wij hem maar moeten geloven dat diegene dat heeft gedaan, dan nemen wij daar ook geen genoegen mee. Noot

In deze zaak van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie voor de helft van het Ramola-onderzoek is hoger beroep aangetekend. In dit kader is extra informatie over een aantal verdachten overhandigd aan de advocaat-generaal. Noot Op de vraag welke les het openbaar ministerie uit deze zaak heeft getrokken zegt De Groot tijdens het verhoor:

 

 

De heer De Groot:

De les uit het Ramola-vonnis is wat mij betreft getrokken op het moment dat de Hoge Raad zijn oordeel heeft geveld. Noot

In hoger beroep komt het gerechtshof te 's-Gravenhage tot een andere eindconclusie: ten onrechte heeft de rechtbank de officier van justitie in zijn vervolging niet-ontvankelijk verklaard. Noot Het hof wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere afdoening. Het hof deelt overigens de kritiek van de rechtbank op de handelwijze van het openbaar ministerie, maar acht de bezwaren in dit specifieke geval in onderdelen en tezamen niet zó ernstig, dat niet-ontvankelijkheid behoort te volgen.

Het hof onderscheidt twee type bezwaren. Het ene type is dat van de integriteit van de strafrechtspleging, een belang dat in een meer verwijderd verband van de verdachten staat. Het hof acht deze bezwaren groot, maar de omstandigheden van het geval voldoende zwaarwichtig om van de infiltratierichtlijnen af te wijken. Die omstandigheden zijn gelegen in de uitzonderlijke omvang van de geldtransacties, die uit een navenante uitzonderlijke omvang van drugshandel zouden kunnen voortkomen, met alle nevengevolgen vandien; het gebrekkige resultaat van de reeds ingezette opsporingsmiddelen; het kennelijke gebrek aan professionele infiltranten; de lange duur van het onderzoek; de wat betreft zijn betrouwbaarheid positieve ervaringen die men al met de informant had, die bovendien ook zelf de risico's van zijn handelen op de koop toe zal hebben genomen; het beperkt aantal aankopen dat men heeft verricht: de zorgvuldige begeleiding van de informant; en het feit dat drugs uit de markt zijn gehaald en vernietigd, welk laatste feit de ernst van het door de overheid gepleegde misdrijf aanzienlijk relativeert.

Het andere type bezwaren betreft de controleerbaarheid van gegevens, waartegen de verdachte zich moeilijk kan verdedigen. Het hof merkt volledigheidshalve op dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die tot de conclusie zouden moeten leiden dat door de toepassing van de methode grondrechten van de verdachte zijn geschonden. Weliswaar is verder veel oncontroleerbaar, maar aan de hand van de verklaringen
van de CID-officier van justitie en de CID-chef is wel controleerbaar dat de aankopen niet hebben gestrekt tot het verkrijgen van bewijs.
Dat betekent, aldus het hof, dat de verdachte wordt aangesproken op feiten, die niet direct met die aankopen in verband staan. Hij zal zich dus niet hebben te verantwoorden voor andere handelingen dan die waartoe hij mogelijkerwijs is uitgelokt of die rechtstreeks met die vooraankopen in verband staan. Voor die handelingen wordt, tot het tegendeel blijkt, steeds een afzonderlijk wilsbesluit verondersteld. De vooraankoop, bezien vanuit het perspectief van de mogelijk uitgelokte eerste verkoop, impliceert niet vanzelfsprekend dat volgende wilsbesluit. Derhalve moet aannemelijk worden dat de verdachte door toedoen van de politie onlosmakelijk in het drugsmilieu is beland en dat hij daardoor geen andere keus had dan het feit te begaan, wil zijn beroep op de niet-ontvankelijkheid een kans maken. Dat door de gewraakte handelingen de verdenking kan zijn gerezen, acht het hof niet een omstandigheid waarvan gezegd kan worden dat jegens de verdachte sprake is geweest van een zodanige ernstige schending van procesrecht dat hij niet vervolgd kan worden. Ernstig acht het hof dat politie en justitie niet onmiddellijk opening van zaken hebben gegeven. Het mag volgens het hof, niet zo zijn dat geheel en al van de verdediging afhankelijk is of kennis wordt verkregen van een toegepaste opsporingsmethode. Het hof verbindt in dit geval daar geen consequenties aan omdat volstrekt niet aannemelijk is geworden dat de gegevens achter zijn gehouden om de rechter te misleiden, maar dat de reden daartoe veeleer gezocht moet worden in het op zichzelf te respecteren en niet onbegrijpelijke feit dat men de informant heeft willen afschermen. Het achterhouden van processen-verbaal wordt in de infiltratierichtlijn mogelijk gemaakt, indien bewijs op andere wijze kan worden geleverd, terwijl het in casu niet om bewijs gaat. Bovendien is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voldoende - voor juist te houden - informatie verstrekt

 

6.4.2 COPA (Colombia-Paramaribo)

 

Opsporingsonderzoek

Het COPA-onderzoek wordt gestart in 1992 door de politieregio Haaglanden en betreft een onderzoek naar de betrokkenheid van het voormalige militair gezag in Suriname bij de cocaïnestroom van Suriname naar Nederland. Tevens wordt een grootschalig financieel onderzoek gestart naar hiermee gepaard gaande witwastrajecten. Aan de start van dit ambitieuze onderzoek is wel wat voorafgegaan, zo zegt de zaaksofficier:

 

De heer Van der Voort:

(...) Ik zal proberen om dat kort toe te lichten. De onderzoeken tot dan toe hadden geleid tot succesvolle verdovende-middelenzaken, waarbij partijen waren onderschept en waarbij verdachten waren veroordeeld. Daarnaast werd steeds meer informatie gegenereerd, waaruit aanwijzingen kwamen dat het voormalige militaire gezag in Suriname, de voormalige legerleiding, in feite betrokken was bij, dan wel achter die permanente cocanestroom vanuit Nederland naar Suriname zat.

De voorzitter:

Inclusief de hoogste baas. (...)

De heer Van der Voort:

De voormalige legerleiding, waaronder ook de voormalige legerleider.

De voorzitter:

Bouterse.

De heer Van der Voort:

Bouterse. Er was dus sprake van aanwijzingen. Noot Uit onderzoek blijkt dat de cocaïne in heel- of halffabrikaat uit Brazilië of Colombia komt en via Suriname naar Nederland wordt vervoerd. Dit is veelal verstopt bij de legale goederenstroom, die kan bestaan uit vis, hout, groente of rijst. Ook worden de halffabrikaten in laboratoria in Suriname verwerkt en vervolgens doorgevoerd. Retour naar Suriname gaat een enorme geldstroom van tientallen miljoenen dollars. Het doel van het opsporingsonderzoek is tweeledig. Ten eerste een strafrechtelijke, dan wel politieke uitschakeling van het zogenaamde Paramaribo-kartel in Suriname. Van der Voort zegt hierover:

De heer Van der Voort:

Dat is een verzameling van personen op hoog niveau, politiek en militair, in Suriname met banden met landen die de cocaïne leveren. De cocaïne komt uiteindelijk niet uit Suriname. Het wordt ergens vandaan betrokken. Het gaat om de gezagsdragers daar die op de achtergrond verantwoordelijk zouden zijn voor - het was nog maar een aanname, wij hadden er aanwijzingen voor, maar geen bewijzen - en betrokken zouden zijn bij de internationale handel in verdovende middelen, namelijk cocaïne.

Als tweede doelstelling voegt hij hier aan toe:
De tweede doelstelling, de subdoelstelling was, om in elk geval belangrijke tussenhandelaren in cocaïne strafrechtelijk te vervolgen, aan te houden en in Nederland te berechten. Noot Voormalig legerleider Bouterse behoort tot de hoofdverdachten van het onderzoek.

 

De heer De Graaf:

(...) Ik vraag u niet om precies te zeggen wat u exact heeft. Heeft u nog hoop dat het ooit tot aanhoudingen op grond van de doelstellingen van het onderzoek komt?

De heer Van der Voort:

Die hoop heb ik niet.

De heer De Graaf:

U heeft niet die hoop.

De heer Van der Voort:

Neen.

De heer De Graaf:

Laat staan de verwachting.

De heer Van der Voort:

Laat staan de verwachting.

De voorzitter:

Dat is nogal wat. Dan bent u toch eigenlijk met een krankzinnig avontuur bezig, afgezien van alle successen die u boekt?

De heer Van der Voort:

Afgezien van alle successen, want die moeten vooral niet worden vergeten. Als wij het hebben over de hogere doelstellingen, moeten wij vooral niet vergeten dat wij in de loop van het traject een aantal prachtige zaken hebben gedraaid. Uiteindelijk is het echter iedereen te doen om die ene. (...)

De voorzitter:

Een krankzinnige opdracht, een negatieve verwachting. Dan is onze vraag toch wel gerechtvaardigd of men zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de moeilijkheden en de mogelijkheden?

De heer Van der Voort:

Het gaat mij erom of het politieteam en ik als behandelend officier van justitie ons voldoende rekenschap hebben gegeven van de strafrechtelijke en strafvorderlijke haalbaarheid van het onderzoek. Dat is een andere vraag.

De voorzitter:

Dat is correct, maar aangezien de beslissingen uiteindelijk zozeer met elkaar verweven raken, ook in het strafvorderlijke traject, is die vraag toch wel begrijpelijk?

De heer Van der Voort:

De vraag is begrijpelijk, alleen...

De voorzitter:

Misschien kunt u er iets beter antwoord op geven. Hoe vaak heeft u doorgekregen dat men er van hogerhand goed over heeft gesproken, dat men weet wat de risico's zijn, dat men weet wat de politieke problemen zijn, maar dat men er toch vertrouwen in heeft? Anders zou u deze opdracht toch niet als krankzinnig betitelen?

De heer Van der Voort:

De vorige minister, Hirsch Ballin, had daar een heel duidelijke mening over. Hij zei: als het boeven zijn, dan moeten de boeven worden gepakt. Dat is iets waar ik mee kan werken. Dat is heel duidelijk. Dat is heel tastbaar. Dan ga ik ervan uit dat hij een en ander politiek heeft afgewogen en dat hij dat politiek ook kan waarmaken.

De heer De Graaf:

De huidige minister is niet van dat standpunt van haar voorganger afgeweken?

De heer Van der Voort:

De huidige minister pleegt zich soms iets anders uit te drukken.

De heer De Graaf:

Het ging om de geest van de boodschap.

De heer Van der Voort:

Ik heb geen berichten gehoord dat het nu anders zou moeten zijn. Noot Via een trapsgewijze aanpak wordt getracht bij de top van de organisatie uit te komen. De opsporingsmethoden tappen, observatie en informanten worden gebruikt. Met tappen en observeren doet zich een aantal moeilijkheden voor. De verdachten bevinden zich vaak op grote afstand, onder andere veel in Suriname en Miami. Er is echter voor gekozen om niet met Surinaamse diensten samen te werken. Ook worden barrières opgeworpen door de machtspositie van de te onderzoeken groep, zowel in politiek als economisch opzicht. Met de bronlanden van de drugs, Colombia en Brazilië, wordt wel samengewerkt. Bovendien wordt ook gezocht naar informanten met deze nationaliteiten om het onderzoek verder te helpen. Informanten hebben onder meer een rol in de zogenaamde Prismamethode die uitgeprobeerd is in dit onderzoek:

De heer De Graaf:

U kent de Delta-methode. U heeft ooit tegen ons gezegd dat er ook een Prisma-methode is. Kunt u ons dat in breed perspectief uiteenzetten?

De heer Van der Voort:

Je kunt de Prisma-methode op twee manieren definiëren. De ene is de negatieve, namelijk niet zijnde de Delta-methode. De andere is een wat meer positieve. Binnen het Prisma-team krijgen wij regelmatig te maken met informanten, die wetenschap zeggen te hebben over aanstaande cocaïnetransporten, vanuit Zuid-Amerika naar Nederland. Zij geven aan dat zij door de criminele organisatie zijn gevraagd om daarin een bepaalde rol te spelen. Zij vragen aan ons of wij daarin zijn geïnteresseerd. Veelal zijn wij dat, niet altijd. Het gaat er vaak om dat de criminele organisatie een nieuwe cocaïnelijn wil openen. Ze benaderen mensen, omdat er in het verleden dingen zijn mis gegaan. Wat dan blijkt, is dat de criminele organisatie vaak gebruik maakt van wat de heer Brand bij u heeft aangeduid als een lijntester. Ik vind dat er niets verkeerds aan


is om gebruik te maken van een lijntester. De methode betekent heel simpel dat eerst een kleine hoeveelheid verdovende middelen via die personen, die bedrijven, die schepen, die havens, vanuit het bronland naar Nederland komt, om te bekijken of die lijn goed is. Als die partij zou worden gepakt, in welk stadium dan ook, dan weten wij zeker dat via die lijn, waarschijnlijk met behulp van de mensen die er tot dan toe bij waren betrokken, de partij cocaïne waar het werkelijk om gaat en die dus vele malen groter is, niet wordt verzonden. Dat betekent dat wij in elk geval via die lijn daar nooit meer zicht op krijgen. Als het gaat om dat soort afwegingen, dan vind ik dat dit een verantwoorde methode kan zijn.

(..)

 

De heer Van der Voort:

Ja, je kunt de methode natuurlijk nog aanvullen met allerlei varianten, bijvoorbeeld met de variant dat de informant wordt bijgestaan door een politie-infiltrant, of met de variant dat de informant wordt vervangen door een politie-infiltrant. Noot

Een wezenlijk onderdeel van deze Prismamethode is het doorlaten van de eerste partij drugs die als lijntester wordt ingezet door de criminele organisatie. In het Copa-onderzoek zijn enkele honderden kilo's harddrugs doorgelaten als lijntester en op de markt terechtgekomen. Dat het toch niet altijd tot één lijntester beperkt hoeft te blijven blijkt uit een opmerking van Van der Voort:

 

 

De heer Van der Voort:

Dat hangt helemaal af van de hoeveelheden die bij die testen zijn betrokken en van de doelstelling die bij een dergelijke methode is gesteld. Noot

Na de lijntester wordt, als het goed gaat, een grotere partij drugs verzonden. Brand zegt daarover:

 

De heer Brand:

(...) Wij moeten de mogelijkheid hebben om mee te werken aan een situatie waarbij de criminele organisatie via de informant een lijn gaat testen. Als die lijn loopt, zal daar een grote hoeveelheid overheen komen. Het is ook zo dat, wanneer er een grote hoeveelheid over een uitgeteste lijn gaat lopen, je dan de meeste kans hebt dat je belangrijke mensen in de organisatie aanhoudt. Dat is ook gebeurd. Want als er een kleine hoeveelheid over de lijn loopt, zal men binnen de criminele organisatie niet hun topkwaliteit inzetten. Als er dus grote hoeveelheden overheen lopen, zet men zijn topcapaciteit in. Noot

Over het verschil met de Deltamethode zegt Van der Voort dan:

 

De heer Van der Voort:

Het verschil is dat het de bedoeling is dat direct na de lijntester wordt ingegrepen. Ik zie de Delta-methode voornamelijk als een methode om de betrouwbaarheid van de informant, dan wel de infiltrant te testen en die langzaam in vertrouwen te laten groeien. De methode, zoals ik die schetste, is er veel meer één, waarbij de lijn eenmalig moet zijn getest. Het gebeurt soms ook op andere manieren. Het is geen geheim dat met name Colombiaanse organisaties, voordat ze een grote partij cocaïne afzenden, via dezelfde lijn een partij marihuana afzenden. Als die verloren gaat, dan is er niet zoveel aan de hand voor de Colombianen.

De voorzitter:

Dan kun je zo'n partij marihuana omgekeerd ook doorlaten.

De heer Van der Voort:

Dat zou ook kunnen.

De voorzitter:

Dat is, dacht ik, ook gebeurd.

De heer Van der Voort:

Dat is bij ons gebeurd.

De voorzitter:

Was zo'n lijntester altijd succesvol, in die zin dat daarna de boel kwam die u wilde hebben?

De heer Van der Voort:

Niet altijd. Noot Halverwege 1994 worden op basis van drie gerechtelijke vooronderzoeken tegen Bouterse en twee medeverdachten twee maal wereldwijd huiszoekingen verricht. De eerste keer gaat het om ruim 30 huiszoekingen, de tweede keer betreft het 130 huiszoekingen die tegelijkertijd in 12 landen plaatsvinden. De criminele groepering is al vanaf het begin goed op de hoogte van het COPA-onderzoek. Er worden zelfs processen-verbaal in Paramaribo verkocht. In het gehele COPA-onderzoek is er tactisch, financieel, CID- en inlichtingen-onderzoek gedaan. In dit kader is contact geweest met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Tevens is de internationale samenwerking belangrijk gebleken. In april 1995 is het afgeronde dossier aangeboden aan de top van het openbaar ministerie. Dit wordt doorgesproken met de minister waarna er een afweging moet worden gemaakt over een eventuele vervolgactie.

De voorzitter:

U bent toch nog niet zo succesvol geweest, bijvoorbeeld in het grote onderzoek, waar we nu over spreken? Misschien zeer succesvol op de deelterreinen, maar niet op de hoofddoelstellingen.


De heer Blok:

Dat hangt ervan af. Wanneer ik, net als de heer Van der Voort, het totale traject bekijk, weet ik dat er in ieder geval ruim 2000 kilo cocaïne in beslag is genomen, en dat er 65 mensen zijn veroordeeld. Dat vind ik op zich, met name als ik naar die veroordeelden kijk, die meestal straffen kregen van 10 tot 14 of meer jaar, en waarbij het ging om belangrijke drugshandelaren, niet onsuccesvol. Noot Inmiddels is het rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname in werking getreden. Hierin is niets bepaald

over uitlevering.

CID-trajecten

Parallel aan het opsporingsonderzoek heeft een aantal gesloten CID-trajecten gelopen waarin bijzondere opsporingsmethoden zijn ingezet. Drie voorbeelden:

Traject A

Een informant wordt belast met de afhandeling van partijen verdovende middelen die naar Nederland worden gestuurd door de drugmafia in Zuid-Amerika. Hij levert aan de CID-Haaglanden informatie over een schip met een paar duizend kilo cocaïne dat binnen afzienbare tijd naar West-Europa zal komen. Deze partij is bestemd voor drie groeperingen in Nederland. Inmiddels wordt bij een politiële actie een grote partij van meer dan duizend kilo cocaïne in beslag genomen en een groot aantal leden van één van deze drie groeperingen wordt aangehouden. De Zuidamerikanen komen hierdoor in de problemen. Er is geen geld voor het vervoer van een reeds gereedstaande partij cocaïne en zij willen nu eerst de betrouwbaarheid van deze nieuwe lijn testen. Er wordt een plan gesmeed om enkele duizenden kilo's marihuana te verzenden, en vervolgens van de opbrengst het vervoer van de cocaïne te betalen. Met deze laatste partij zullen ook de Zuidamerikaanse hoofdrolspelers overkomen, aldus de informant.

De CID vat het plan op om een doorlating van de lijntester van softdrugs te doen. Hierna kunnen van criminele zijde de financiën worden afgehandeld waarna een gecontroleerde aflevering van harddrugs zal kunnen volgen. De Centrale toetsingscommissie gaat op 9 februari 1995 niet akkoord met dit plan. Zij is er onder meer niet van overtuigd dat wel een partij cocaïne zal volgen op de doorlating van marihuana. Dit oordeel brengt grote problemen met zich mee. Het blijkt dat de liaison officer in Zuid-Amerika de informant runt voor Haaglanden en dat de informant er diep inzit en niet meer terug kan inzake de partij drugs. Het gaat nu om een proefzending van meer dan twintigduizend kilo marihuana. Bovendien ligt de partij cocaïne van meer dan zesduizend kilo klaar ter verscheping met hetzelfde schip als de softdrugszending. Nu blijkt ook dat de partijen qua financiering niet van elkaar afhankelijk zijn. De cocaïne zal toch komen, en is bestemd voor vijf organisaties in Nederland. Wanneer deze partij in Nederland aankomt, zal een aantal kopstukken van Zuidamerikaanse kartels overkomen om de partij de inspecteren en te splitsen, aldus de informant. De informant komt naar Nederland en zal hier gerund worden door de CID. Hij opereert dan als een burgerinfiltrant en zal daadwerkelijk een actieve rol gaan spelen. De doelstelling is het doorlaten van de partij marihuana tot zover de Zuidamerikanen van mening zijn dat de lijn safe is. Eventueel kan op een gegeven moment een deel bij één van de afnemers in beslag worden genomen. Het plan is om in ieder geval de partij cocaïne in beslag te nemen en de kopstukken aan te houden. Voor dit traject wordt voorwaardelijke toestemming door de Centrale toetsingscommissie gegeven. Aanbevolen wordt dit traject aan de minister voor te leggen. Bij een latere toetsing wordt gemeld dat de partij marihuana zoek is. De infiltrant meldt nu dat de partij eigenlijk al binnen is, maar weet niet met welk schip of in welke haven de partij is ingevoerd. Onbekend is of deze partij misschien al door een dienst ergens geveegd is of niet. Het vervolgtraject schijnt nog wel gewoon door te gaan.

 

Traject B

Een informant benadert de RCID-Haaglanden met het verhaal dat hij door een belangrijke drugcrimineel in Suriname gevraagd is om een partij cocaïne Nederland binnen te brengen. Het is bekend dat deze drugcrimineel onder bescherming van de voormalig legerleider opereert. Het CoPa-team gaat erop in. De criminele organisatie geeft aan eerst een proefzending te willen doen, waarna een grotere partij zal volgen. De RCID gaat naar de douane met het verzoek om doorlating. Er wordt een lijntester van meer dan tien kilo cocaïne doorgelaten en het milieu in gevolgd zonder dat wordt ingegrepen. De criminele winsten voor dit eerste transport levert de informant niet in. Voor latere transporten worden hierover wel afspraken gemaakt. Na deze «succesvolle» lijntester wordt door de criminele organisatie een tweede partij afgezonden van meer dan honderd kilo cocaïne naar een Nederlandse haven. Het schip ligt reeds voor de rede als de informant gevraagd
wordt de partij ongezien door de douane te loodsen. Hij geeft dit door aan de politie waarna de officier van justitie rechtstreeks contact opneemt met de douane. Hier rijst een probleem. De container is reeds geselecteerd voor controle en kan dus niet ongezien worden doorgelaten. De informant komt in een lastig pakket. Hij moet met een smoes terug naar de organisatie en adviseert de organisatie om van de partij af te blijven. Later wordt deze partij gecontroleerd afgeleverd, alwaar de partij in beslag wordt genomen en er vijf aanhoudingen worden verricht.

De informant heeft voor bewezen diensten een beloning tussen de 20.000 en 30.000 gulden van justitie ontvangen. De hoofdverdachte in dit onderzoek is niet naar Nerderland gekomen. Een andere reeds lang nagejaagde Surinaamse drughandelaar is wel voor de partij op komen dagen. Deze is in hoger beroep tot een langdurige gevangenisstraf en een forse geldboete veroordeeld.

 

CID-traject C

In 1993 wordt A benaderd door X. Deze X onderhoudt goede contacten met de voormalige en huidige legerleiding in Suriname. A wordt door X gevraagd of hij cocaïne naar Nederland kan vervoeren. Immers hij beschikt over transportfaciliteiten. A gaat met dit verhaal naar de CID. X blijkt daar bekend te zijn. Onder andere blijkt dat hij op grote schaal cocaïne smokkelt. Het COPA team is geïnteresseerd. A zegt verder niets met de zaak te maken te willen hebben. Besloten wordt een politie-infiltrant B te introduceren als zaakwaarnemer. Deze buitenlandse undercover B gaat vervolgens daadwerkelijk de zaken regelen in het buitenland.

De politie-infiltrant B wordt benaderd met het verzoek om een partij van een paar honderd kilo cocaïne naar Nederland te vervoeren als lijntester. Door het COPA-team wordt besloten om een doorlating te laten plaatsvinden. De partij wordt door de politie-infiltrant B vervoerd naar Nederland en overgedragen aan X die voor bewezen diensten vervolgens bijna een miljoen gulden aan politie-infiltrant B overhandigt. Het geld wordt door de RCID Haaglanden op een speciale rekening gestort. De overdracht wordt geobserveerd en het OT ziet een deel van de partij het Haagse Surinaamse circuit in verdwijnen.

Direct na deze doorlating wordt een nieuwe politie-infiltrant C bij X geïntroduceerd. Inmiddels oefent X druk uit op de politie-infiltrant B om een privé-partijtje van enkele tientallen kilo's ook nog te vervoeren alvorens de grotere partijen van 1000 kilo cocaïne zullen komen. Beloofd wordt dat politie-infiltrant B dan ook geïntroduceerd zal worden bij de voormalige legerleiding. Besloten wordt om ook deze partij van enkele tientallen kilo cocaïne door te laten. Hiervoor krijgt politie-infiltrant B bijna tweehonderd duizend gulden, die wederom op een rekening wordt geparkeerd.

Hierna wordt politie-infiltrant D geïntroduceerd en er wordt een gerechtelijk vooronderzoek tegen X geopend. Hiermee is het open traject aangevangen, wat parallel loopt aan het gesloten traject met de eerste undercover B. Dit blijft doorlopen om volledige controle op X te houden.

In 1994 ontmoeten en bellen X en de politie-infiltrant D elkaar regelmatig. Hierbij vertelt X dat hij grote partijen cocaïne aan hem wil leveren en dat zijn bazen wel een ontmoeting willen met de bazen van de politie-infiltrant D. Buiten Suriname kan geen ontmoeting worden geregeld maar politie-infiltrant D wordt wel uitgenodigd om in Suriname bij de topman te komen. Hierop wordt van politiezijde niet ingegaan, maar afgesproken wordt dat politie-infiltrant D een partij cocaïne in Nederland zal afnemen. Het doel is om deze in beslag te nemen en de verdachte aan te houden.

Echter, X blijkt voor het transport nog steeds de eerste politie-infiltrant B nodig te hebben. In Midden-Amerika ligt voor deze politie-infiltrant B een partij klaar van ruim tweehonderd kilo cocaïne. In de loop van 1994 vervoert de eerste politie-infiltrant B de cocaïne naar Nederland en draagt het daar over aan X. Er zal worden ingegrepen als deze politie-infiltrant buiten beeld is. Echter, het OT mist de overdracht en ondanks reddingsoperaties van zowel de eerste als de tweede politie-infiltrant gaat de partij van meet tweehonderd kilo cocaïne het milieu in.

 

 

De heer Koekkoek:

Is het met doorleveren - lijntesten - voorgekomen dat een partij onbedoeld toch verdween, omdat men het zicht erop verloor?

De heer Blok:

U bedoelt dat het de bedoeling was dat het een gecontroleerde aflevering zou worden, en dat de partij vervolgens gemist werd?

De heer Koekkoek:

Ja.

De heer Blok:

Dat is voorgekomen.

De heer Koekkoek:

Ook met harddrugs?

De heer Blok:

Ja.

De heer Koekkoek:

Grote hoeveelheden?

De heer Blok:

Zeker.

De heer Koekkoek:

Honderden kilo's?


De heer Blok:

Ja.

De voorzitter:

Is dat dan een observatieteam dat voor een stoplicht staat, of is het dan toch weer de positie van de informant, die er te dicht op zit, waardoor we er niet meer bij kunnen komen?

De heer Blok:

Nee, het zit meer in de sfeer van puur ongeluk, bijvoorbeeld aanrijdingen, of het eenvoudigweg missen. Zo simpel is het ook niet: je moet als observatieteam vaak op vrij grote afstand opereren, juist om de

informant te beschermen en eruit te kunnen houden. Ook in verband met contra-observatie moet je soms op vrij grote afstand opereren. Dan gaat het wel eens mis. Dan is de bedoeling anders, maar de partij komt dan wel op de vrije markt. Noot

 

6.4.3 Verantwoording van de Prisma-methode

 

Beslissing onderzoek en de Groep

De beslissing om tot specifiek onderzoek te komen naar de betrokkenheid van de Surinaamse legerleiding bij de handel in verdovende middelen is in 1992 genomen op aandringen van zowel, voorzover de commissie kan nagaan, de Haagse hoofdcommissaris Brand als minister van Justitie Hirsch Ballin. Bij notitie van 17 maart 1992 wordt deze doelstelling onderbouwd in een notitie die is opgesteld door de Groep, een adviesgroep waarin zitting hadden een vertegenwoordiger van de Binnenlandse veiligheidsdienst, de procureur-generaal in Den Haag, Suyver, toen directeur-generaal Politie- en Criminaliteitsbestrijding bij het ministerie van Justitie, de secretaris-generaal van Algemene Zaken, Hoekstra en Meulmeester, toen nog chef van de Inlichtingendienst Buitenland, hoofdcommissaris Brand, het hoofd van de CRI en hoofdofficier Blok. Noot In de voltallige ministerraad is de notitie niet aan de orde geweest. Er is daar nooit een besluit gevallen onderzoek naar onder meer Bouterse te doen. Wel moet de notitie doorgeleid zijn aan de ministers Lubbers, Kok, Dales en Van den Broek. Deze adviesgroep is gaandeweg «verwaterd», in de woorden van de heer Suyver. Van de kant van de Binnenlandse veiligheidsdienst waren twijfels geuit of een dergelijke aanpak opportuun zou zijn. Ook in de ministerraad van het kabinet Kok is deze zaak niet aan de orde geweest. In kleinere kring is de kwestie wel besproken. Volgens Suyver is de vraag of men tot vervolging zou willen overgaan aldoor naar voren geschoven. Hijzelf heeft dat ook gedaan. Noot Hirsch Ballin is die mening niet toegedaan. Het onderzoek was erop gericht duidelijk te krijgen wat de banden waren tussen de toenmalige militaire machthebbers en de handel in drugs.

De vraag of strafvordelijk zou kunnen worden opgetreden moest beantwoord worden indien de strafdossiers daartoe aanleiding zouden geven. Noot Inmiddels heeft minister Sorgdrager op basis van het rechtshulpverdrag met Suriname haar ambtgenoot op 15 december 1995 ingelicht dat er een gerechtelijk vooronderzoek tegen onder meer Bouterse geopend is. Noot

Vast te stellen is dat de adviesgroep inzake COPA een zachte dood gestorven is en dat verschillende voortgangsrapportages aan de minister van Justitie gegeven zijn door de procureur-generaal in Den Haag, de hoofdofficier van justitie Blok en betrokken officieren van justitie en politiefunctionarissen waaronder de teamleider, Driessen.

 

Methoden COPA-onderzoek

In de voortgangsrapportages aan de minister is de aard van de bijzondere opsporingsmethoden en het doorlaten van drugs nooit expliciet aan de orde geweest. Blok verklaarde dat in die voortgangsrapportages gesproken werd over CID-operaties zonder nadere specificatie. De minister van Justitie vroeg er ook niet naar.

 

De voorzitter:

Maar had de minister dat toch niet moeten weten?

De heer Blok:

Ik heb meerdere malen gezegd, wanneer we een presentatie hadden afgerond en er een gesprek of een discussie over kwam, dat naast de voortgang van het onderzoek nog een aantal hoopgevende CID-trajecten liepen. Meer heb ik daar nooit over gezegd.

De voorzitter:

Had u dat niet moeten doen?

De heer Blok:

Ik vond dat mijn lijn eindigde bij de procureur-generaal. Daar ligt dan weer een volgende verantwoordelijkheid om eventueel de minister van Justitie op de hoogte te stellen. Door uitdrukkelijk bij zo'n presentatie nog eens te melden dat er CID-trajecten liepen, had de uitnodiging ook van de andere kant kunnen komen. Noot

De minister van Justitie heeft ook niet verder gevraagd naar de methoden die in dit traject gebruikt werden. De in dit hoofdstuk beschreven doorlatingen van cocaïne zijn volgens Blok wel allemaal besproken met procureur-generaal Addens in 1993. Addens kan zich deze besprekingen herinneren. Van deze bespreking is

echter niets vastgelegd. Addens heeft aan de voorzitter van de commissie telefonisch bevestigd dat hij toestemming heeft gegeven om cocaïne door te laten.

Meningsverschil Sorgdrager - Blok

Tijdens de verhoren van de commissie heeft de kwestie zich ook toegespitst op de vraag of ook procureur-generaal Sorgdrager, in functie vanaf 1 januari 1994, van de doorlating van cocaïne geweten heeft. Blok kan zich herinneren dat hij de doorlating met Sorgdrager besproken heeft. Hij heeft dit verklaard op basis van een notitie van 17 januari 1994 van officier Van der Voort. Daarin wordt gesproken over het gebruik van politie-infiltranten om proefzendingen te verzorgen. De notitie handelt niet expliciet over het doorlaten van cocaïne, noch over hoeveelheden.

 

 

De voorzitter:

En hoe zit het nu met de notitie, waar de heer Van der Voort het over had, van begin januari 1994, die hij aan u ter hand heeft gesteld?

De heer Blok:

Dat was een andersoortige notitie. Het was een notitie van 17 januari 1994, en het betrof een beschrijving van de trajecten van de geleverde partijen, die toen reeds hadden plaatsgevonden. Dat was dus na die datum. Hij heeft aan mij gevraagd om dat nog eens met de toenmalige procureur-generaal te bespreken. Ik heb dat gedaan in de vorm van een voortgangsrapportage, en niet in de vorm van een heroverweging, of van een nieuwe beslissing. Dat kon ook niet; de beslissing was al genomen. Bovendien had het geen zin meer, want de partijen waren al binnen. Ik heb haar daarvan op de hoogte gesteld.

De voorzitter:

Heeft u haar daarvan mondeling op de hoogte gesteld?

De heer Blok:

Ik heb haar mondeling op de hoogte gesteld, aan de hand van dat bekende rapport van 17 januari 1994. Noot

De voorzitter:

Heeft mevrouw Sorgdrager gezegd: akkoord, of niet akkoord? Heeft zij er kennis van genomen? Hoe is dat gegaan?

De heer Blok:

Het laatste is het geval: zij heeft er kennis van genomen. Wij hebben erover gesproken. Ik herinner mij in ieder geval nog heel levendig een uitspraak van mijn kant: ik moet wennen aan dit soort grote partijen. Kortom, ik had er ook enige zorg over; dat waren geen makkelijke beslissingen. Zij maakte toen de opmerking: wij zullen daar nog eens nader over moeten praten, en we zullen vooral moeten kijken, of we de georganiseerde criminaliteit niet op een andere manier kunnen bestrijden, met meer bestuurlijke ingangen. Dat was ongeveer de teneur van het gesprek dat we hebben gevoerd. Noot Minister Sorgdrager herinnert zich de inhoud van het gesprek anders. Naar aanleiding van de doorlichting van

opsporingsmethoden krijgt zij als minister informatie onder ogen dat er cocaïne doorgelaten was. In het openbare verhoor citeert zij uit een notitie van de Haagse officier van justitie Van den Broek.

 

Mevrouw Sorgdrager:

Ik lees het voor, omdat het belangrijk is dat erin staat: het doel van de bespreking met de PG is de geheimhouding van het traject. Ik herinner mij wel dat ik met de heer Blok heb gesproken over een geheim traject, maar niet over doorlevering van drugs. Daar heb ik gewoon met hem niet over gesproken.

De voorzitter:

U heeft daar niet over gesproken?

Mevrouw Sorgdrager:

Nee. Het probleem is dat hij zegt dat hij er met mij over gesproken heeft, dat hij daarbij nog vermeldt dat hij met mij samen heeft geconstateerd dat hij nog wel moet wennen aan dat soort hoeveelheden, maar dat de officier van justitie in zijn notitie - vandaar dat ik nog niet helemaal klaar was - zegt dat de heer Blok tegen hem gezegd had dat hij nog moest wennen aan dit soort hoeveelheden. Ik vind het ook zo vreemd. Want als ik mij dat niet kan herinneren, klopt er dus iets niet.

De voorzitter:

Nee. Er klopt iets niet, want de heer Blok zegt bij ons: «Het laatste is het geval. Zij heeft er kennis van genomen.» Dat was in zijn verhoor.

Mevrouw Sorgdrager:

Ja, dat zegt hij.

De voorzitter:

«Wij hebben erover gesproken.» En dan zegt hij: «Ik herinner mij in ieder geval nog heel levendig een uitspraak van mijn kant: Ik moet wennen aan dit soort grote partijen. Kortom, ik had er ook enige zorg over. Dat waren geen makkelijke beslissingen. Zij» - u dus -«maakte toen de opmerking: Wij zullen daar nog eens nader over moeten praten en wij zullen vooral moeten kijken of wij de georganiseerde criminaliteit niet op een andere manier kunnen bestrijden, met meer een bestuurlijke ingang.»

Mevrouw Sorgdrager:

Dat laatste klopt wel, want dat soort dingen zei ik ook. Maar niet in dat verband. En ik heb ook niet met hem over die drugs gesproken. Die zorg van hem over die grote hoeveelheden heeft hij uitgesproken, blijkens de notitie van de officier van justitie, tegenover die officier van justitie. Het maakt bij mij verder ook niet een herinnering wakker. Ik weet zeker dat ik met hem niet gesproken heb over doorlevering van drugs. Wel over geheime trajecten.


De voorzitter:

Wat was dan de inhoud van die geheime trajecten?

Mevrouw Sorgdrager:

De inhoud daarvan was dat er gewerkt werd met informanten en pseudo-kopers en dat dit niet bekend mocht worden.

De voorzitter:

Maar was de inhoud van die geheime trajecten niet dat er ook dingen doorheen gingen?

Mevrouw Sorgdrager:

Nee, dat heeft hij mij er niet bij gezegd.

De voorzitter:

Dat weet u zeker? Dan hebben wij echt een probleem.

Mevrouw Sorgdrager:

Ja, dat klopt. Dat begrijp ik. Ik zie dat probleem ook, maar hij heeft daar niet over gesproken.

De voorzitter:

Wij hebben twee personen, en niet de eersten de besten, die bij ons onder ede verschillende dingen zeggen.

Mevrouw Sorgdrager:

Ja, dat klopt. Dat is ook zo. Ik begrijp best dat dit een probleem is, maar ik kan alleen maar vertellen dat dit met mij gewoon niet besproken is, dat ik het werkelijk niet weet. (...)

De voorzitter:

Is het nu zo dat de heer Blok dit wel degelijk gezegd heeft, maar dat u het gewoon niet meer weet of heeft de heer Blok het, denkt u, niet gezegd?

Mevrouw Sorgdrager:

Ja. Kijk, hij heeft natuurlijk ook zijn herinnering opgehaald. Dat duurde lang. Ik herinner het mij niet. Ik durf met - ja, dan moet je dus - een aan grote zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te zeggen dat hij dat niet gezegd heeft. Noot

Nader onderzoek van de commissie heeft het volgende opgeleverd. Op 12 juli 1995 doet de plaatsvervangend procureur-generaal Vast een brief toekomen aan het ministerie van Justitie met daarbij de notitie van officier Van den Broek. Daaruit blijkt dat procureur-generaal Addens in twee trajecten toestemming heeft gegeven voor het doorlaten van cocaïne. Op 25 januari 1994 is er sprake van een presentatie aan minister Hirsch Ballin en op 1 februari 1994 aan procureur-generaal Sorgdrager.

Het lijdt geen twijfel dat inderdaad op 1 februari een voortgangsrapportage heeft plaatsgevonden over het COPA traject. Blok en Sorgdrager bevestigen dat beide. Voor dat gesprek met Sorgdrager was Blok voorzien van twee notities: de ene, van 17 januari van officier Van der Voort ging over het gebruik van politie-infiltranten in het afhandelen van twee proefzendingen cocaïne. De andere van 18 januari, behelsde een overzicht van de te bespreken punten in de voortgangsrapportage en was in de eerste plaats bestemd voor een eerder gesprek met Hirsch Ballin.

Op onnaspeurbare wijze zijn beide notities in de kluis van het parket van de procureur-generaal terecht gekomen. Hoe dat is gebeurd is niet te achterhalen. In een brief van 25 augustus 1995 meldt plaatsvervangend procureur-generaal Vast dit aan minister Sorgdrager.

Nadat op 1 februari 1994 in groter gezelschap gesproken is over COPA spreekt Sorgdrager nog alleen na met Blok. Tijdens dat gesprek heeft Blok, naar zijn zeggen, gesproken aan de hand van de notitie van 17 januari. Blok denkt dat hij de notitie toen aan Sorgdrager heeft overhandigd. Sorgdrager weet zeker geen notitie van Blok ontvangen te hebben tijdens dat gesprek.

Beiden herinneren zich dit korte gesprek. Er is geen verschil van mening dat zij gesproken hebben over de rol van ps-ers (pseudo-kopers, of te wel politie-infiltranten) en een geheim traject. Blok blijft erbij aan Sorgdrager gezegd te hebben: «Ik moet wennen aan dit soort grote partijen» in relatie tot de in de notitie van 17 januari 1994 genoemde proefzendingen. Sorgdrager blijft er bij dat hij dit niet gezegd heeft. Zij weet niet of, maar sluit niet uit dat Blok zijdelings het woord «proefzendingen» heeft genoemd. «Dat kan best. Ik heb in ieder geval dat woord niet geïnterpreteerd als iets wat doorlaten betekent.» Noot Sorgdrager wist op 1 februari 1994 wel dat «het er op leek dat er bij het IRT softdrugs waren doorgeleverd en dat er cocaïne doorgeleverd zou gaan worden en dat toen gezegd is: stop ermee. Stel je voor, dat ik toen had geweten of gehoord dat er cocaïne was doorgeleverd, waren er op zo'n moment toch allemaal bellen gaan rinkelen en rode lampen gaan branden?» Noot

Blok blijft verbaasd als hij van de minister hoort «dat ik het niet verteld zou hebben(...), dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet gebeurd is».(...) Ik heb gesproken over een voortgangsrapportage. Die voortgangsrapportage ligt hier. Die geeft expliciet aan waarover gesproken zou moeten worden: de proefzendingen.(...) «Achteraf sprekend zeg ik, dan zou ik non-informatie hebben verschaft wanneer ik het niet over die proefzending had gehad, want daar ging het om. Het gesloten traject waren de proefzendingen.(...) Proefzendingen waren voor ons zendingen die wij niet in beslag namen.» Noot Door deze weergave van de feiten heeft de commissie zo veel mogelijk opheldering verschaft op dit punt. Een nadere reconstructie is niet mogelijk. De commissie heeft geen redenen te twijfelen aan de nadere uitleg van hoofdofficier Blok en minister Sorgdrager. Minister Sorgdrager blijft bij haar eerdere verklaring de zinsnede: «Ik moet wennen aan dit soort partijen» niet gehoord te hebben en nooit gedacht te hebben aan doorlaten van cocane. Daarmee heeft zij dit dus niet geweten.
In algemene zin is duidelijk geworden dat er geen meldingen van deze doorlatingen zijn geweest aan de minister van Justitie Hirsch Ballin. Procureur-generaal Addens noch hoofdofficier Blok, zij het vanuit verschillende verantwoordelijkheden, hebben het nodig geoordeeld na te gaan of de minister op de hoogte was en akkoord ging met een geheel nieuwe wijze van opsporing, namelijk het doorlaten van harddrugs. De commissie acht dit onverantwoord. Een dergelijke ingrijpende beslissing had aan de minister gemeld moeten worden en in de vergadering van procureurs-generaal aan de orde moeten komen. In de toenmalige verhoudingen was dit echter niet gebruikelijk. Pas door de instelling van de Centrale toetsingscommissie en de doorlichting van opsporingsmethoden zijn deze trajecten aan het licht gekomen.

6.4.4 AH Oosterbeek

 

De overval op het AH-filiaal te Oosterbeek

Op 14 mei 1990, 's ochtends vroeg, dringen mannen het filiaal van de Albert Heijn in Oosterbeek binnen. Noot Eén gewapend met een pistool en de ander met een riotgun. Er is reeds personeel aanwezig. Zij bevelen dat iedereen moet gaan liggen en dat de kluissleutel moet worden ingeleverd. Niemand is echter in het bezit van deze sleutel. Na enig geschop en getrap beseffen de overvallers uiteindelijk dat de kluis niet open zal gaan. Hierop begint een overvaller één voor één de personeelsleden met een nekschot te executeren. Eén van hen ziet dit twee maal gebeuren en probeert te vluchten. In zijn vlucht wordt hij twee keer in de rug geschoten. Naar aanleiding van enkele getuigenverklaringen en een reconstructie van de werkwijze van de daders komt het Recherche Bijstands Team (RBT) uit op Ab A. (bijgenaamd Appie) als één van de vermoedelijke daders. Hij zou degene met de riotgun zijn geweest die de personeelsleden in koelen bloede heeft vermoord c.q. verwond. Gezien de werkwijze heeft hij waarschijnlijk ook al verschillende bankovervallen in Hilversum en Bussum, een overval op een postagentschap in Vreeland en een overval op een AH-filiaal in Baarn op zijn geweten. Evenals in Oosterbeek waren bij deze gelegenheden de overvallers gekleed in overalls en bivakmutsen, dreigden zij met een riotgun en een pistool en gebruikten gestolen Opels als vluchtauto's die zij na achterlating besprenkelden met ondermeer ammoniak. Noot Al snel is derhalve duidelijk dat Appie A. waarschijnlijk betrokken is bij deze zoveelste overval, dit keer met dodelijke afloop. Echter, sluitend bewijs kan niet worden verkregen met methoden als semascan, het opvragen van gegevens bij PTT-Telecom, de inbeslagnem

 

6.4.5 Exportzaak Twente


6.5 Combinatie van methoden

Methoden worden in combinatie ingezet. Het geïsoleerd gebruiken van een van de beschreven methoden komt nauwelijks voor. De opsporing en vervolging van criminele organisaties doet politie en justitie verschillende methoden tegelijkertijd inzetten.

In voorgaande hoofdstukken zijn verschillende zaken beschreven waarin de combinatie van methoden zich
voordoet. In de casusvoorbeelden in dit hoofdstuk is ook steeds sprake van een combinatie van methoden. De volgende casus is hier ook een illustratie van:
In 1994 is een grootscheeps onderzoek gestart naar een criminele organisatie die zich bezighoudt met de handel in XTC, hasj en cocaïne. In dit onderzoek worden naast methoden als aftappen, gebruik van semascan, kolibrie en prints ook nog andere, meer bijzondere methoden ingezet. Zo worden er pogingen gedaan om direct af te luisteren. Geprobeerd wordt om met een koffer vol audio-apparatuur in de buurt van de hoofdverdachten op een terras te gaan zitten om gesprekken op te vangen. Deze actie mislukt uiteindelijk omdat de gesprekken op band niet te verstaan zijn. Er is tevens gebruik gemaakt van plaatsbepalingsapparatuur in de vorm van het plaatsen van een geotach-baken op de auto van één der verdachten. Hierdoor wordt de politie bekend met de lokatie waar de produktie van de drugs plaatsvindt. Ook heeft een vooraankoop van vele honderden XTC-pillen plaats door een informant teneinde deze te laten doordringen in de criminele organisatie. Dit maakt hem feitelijk tot een burgerinfiltrant. Naast deze infiltrant worden nog twee informanten gericht op pad gestuurd. Eén van hen is een buitenlander die strafbare feiten pleegt in het buitenland en onder regie van de buitenlandse autoriteiten. Zijn activiteiten in Nederland zijn niet strafbaar. De andere informant wordt gevraagd contacten te leggen met leden van de criminele organisatie in kwestie. Naast burgerinfiltranten en gestuurde informanten is in deze operatie ook een buitenlandse politiële infiltrant ingezet. Een uit Nederland afkomstige partij verdovende middelen wordt door de politiële infiltrant via België naar Engeland gereden. Dit is gebeurd op basis van een Engels rechtshulpverzoek en eveneens met medeweten van de Belgische autoriteiten. Noot

Het effect van de combinatie van afzonderlijke methoden in een onderzoek is onder andere een cumulatie van inbreuken op privacyrechten van burgers. De combinatie van methoden veroorzaakt een grotere inbreuk op de privacy dan elk van de afzonderlijke methoden. Tegelijkertijd vergt de inzet van verschillende methoden in hetzelfde onderzoek afstemming tussen de verschillende organisaties en functionarissen die deze methoden uitvoeren en die ervoor verantwoordelijk zijn. In hoofdstuk 3 zijn verscheidene voorbeelden gegeven van zaken waarbij de coördinatie van het gebruik van verschillende methoden faalde.


6.6 Beoordeling

Infiltratie vindt zijn juridische grondslag in de Richtlijn infiltratie en de jurisprudentie. De commissie constateert dat een expliciete wettelijke basis voor de verschillende vormen van infiltratie niet bestaat. Dat neemt niet weg dat infiltratie inmiddels veelvuldig gebruikt wordt door politie en justitie. De commissie is van oordeel dat voor infiltratie een wettelijke basis noodzakelijk is. Infiltratie maakt inbreuk op grondrechten van burgers. Door een fictieve voorstelling van zaken worden burgers geconfronteerd met een infiltrant die stelt bepaalde activiteiten te kunnen verrichten. Het rechtmatig en effectief kunnen uitvoeren van infiltratie-acties maakt het noodzakelijk infiltratie wettelijk te normeren. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij politiële infiltratie en pseudo-koop-acties zijn inmiddels redelijk uitgekristalliseerd. Pseudo-koop en -verkoop spelen samen met andere infiltratiemethoden nog steeds een rol bij de opsporing van de georganiseerde criminaliteit. Pseudo-verkoop betekent dat de overheid welbewust illegale goederen op de markt brengt zonder die in beslag te nemen. Daartegen bestaan dezelfde bezwaren als tegen doorlating.

De criteria in de jurisprudentie en de intensieve begeleiding van politie-infiltranten verkleinen het risico van een niet-rechtmatige of niet-verantwoorde inzet. Op allerlei momenten vinden afwegingen plaats. De toestemming voor en controle van de politiële infiltratie werkt in de praktijk goed. Het openbaar ministerie wordt over het algemeen goed geïnformeerd. De activiteiten van de infiltrant en zijn begeleiders worden bij proces-verbaal vastgelegd. De rechter heeft de mogelijkheid tot toetsing van het politiële infiltratietraject. Politiële infiltratie betekent dat politie-ambtenaren (voor een soms erg lange tijd) nauwe relaties onderhouden met het criminele milieu. Hier bestaat het risico van «going native», dat wil zeggen dat deze contacten, en de levensgewoonten die daarbij horen (drugs, wapens, grote hoeveelheden geld) worden voortgezet wanneer de infiltratie is beëindigd. Nauwe contacten met het criminele milieu, die zijn aangegaan vanuit het oogpunt van politiële infiltratie, behelzen een risico voor het weglekken van vertrouwelijke politieinformatie. Ondanks een gedegen opleiding en goede begeleiding zijn er aan politiële infiltratie altijd risico's verbonden. Deze worden vergroot wanneer politiemensen als infiltrant worden ingezet, zonder dat zij de hiervoor vereiste opleiding hebben gevolgd. Dit risico lijkt toe te nemen nu, door het wegvallen van de P.I.T.'s in het westen van het land, volgens sommigen een groot gebrek aan politie-infiltranten bestaat. Zowel de methode van politiële als burgerinfiltratie kent een «afglij-risico». De politiële infiltrant kan overstappen naar «de andere kant» en zich schuldig maken aan criminele activiteiten. Bij criminele infiltratie bestaat het risico dat de politiële begeleiders delen in criminele winsten.
Niet altijd is duidelijk met welk specifiek doel een politieel infiltratietraject wordt opgezet. In sommige gevallen vindt infiltratie plaats om een beter zicht te krijgen op de criminele groep. In andere gevallen wordt specifiek geprobeerd bewijs te verzamelen over bepaalde personen. De diffuse doelstellingen bemoeilijken een beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van de infiltratie. Of het gebruik van politiële infiltratie in alle gevallen verantwoord is, kan de commissie dan ook niet vaststellen. De commissie is van oordeel dat politiële infiltratie een opsporingsmethode is die zowel effectief kan zijn als rechtsstatelijk verantwoord. Bij een nog meer verfijnde normering biedt politiële infiltratie de mogelijkheid het evenwicht te vinden tussen effectieve opsporing en controle op de methode.

Over de inzet van burgerinfiltranten is de commissie een ander oordeel toegedaan. Met niet-criminele burgerinfiltranten bestaat nauwelijks ervaring. De commissie constateert dat het problematisch is criminele burgerinfiltranten te sturen en te controleren. De commissie heeft verschillende gevallen aangetroffen waarbij geen sprake meer was van voldoende controle op de criminele burgerinfiltrant. In een enkel geval lijkt het er eerder op dat politie en justitie gestuurd werden door de burgerinfiltrant dan andersom. De commissie acht de risico's van de inzet van een criminele burgerinfiltrant op de huidige wijze buitengewoon groot. De gecontroleerde aflevering waarbij direct in beslag wordt genomen voldoet in het overgrote deel van de gevallen aan de criteria van controleerbaarheid en stuurbaarheid. Deze opsporingsmethode kan ook nagenoeg steeds ter zitting worden besproken. Maar ook hier is het voor de commissie moeilijk vast te stellen of in concrete gevallen de methode verantwoord is ingezet en of de methode effectief is geweest. De doelomschrijving van gecontroleerde afleveringen is veelal te algemeen om tot een eenduidig oordeel te kunnen komen. Dat neemt niet weg dat de commissie van oordeel is dat onder de voorwaarde van een wettelijke normering van gecontroleerde aflevering deze methode een effectieve en verantwoorde bijdrage kan leveren aan de opsporing van de georganiseerde criminaliteit.

De commissie is van oordeel dat bij doorlating, met uitzondering van een kleine proefzending softdrugs, geen sprake is van een effectieve en verantwoorde bijdrage aan de bestrijding van de criminaliteit. Controle op de partijen verboden goederen als zij eenmaal zijn afgeleverd aan de criminele organisatie is niet meer mogelijk. Het bewust op de markt laten komen van grote hoeveelheden verdovende middelen en andere verboden goederen is onverantwoord. De geloofwaardigheid en de legitimiteit van politie en justitie worden daarmee ondermijnd. De overheid moet niet meewerken aan strafbare feiten die zij moet bestrijden. De commissie is dan ook van oordeel dat gecontroleerde aflevering slechts kan plaatsvinden indien de inzet erop gericht is om in beslag te nemen, en voldoende waarborgen kunnen worden gegeven dat dit op een bepaald moment ook daadwerkelijk gebeurt. De commissie constateert dat met het gebruik van frontstores nog weinig ervaring is opgedaan in Nederland. Frontstores lijken echter een vergelijkbare sturings- en controlestructuur te krijgen als politiële infiltratie. De bekende frontstores voldoen aan de voorwaarde van adequate sturing en controle, ook al is het ook hier vanwege de algemene doelstelling moeilijk vast te stellen of sprake is van een proportioneel en subsidiair gebruik van dit middel. Desalniettemin is de commissie van oordeel dat het gebruik van dit infiltratiemiddel bij een meer uitgebreide wettelijke normering van zowel de inhoudelijke als de procedurele aspecten van frontstores effectief en verantwoord kan plaatsvinden. De commissie is van oordeel dat de wisselwerking tussen de verschillende methoden tot nog toe onvoldoende is bezien. Het effect van combinatie van methoden op de privacy van verdachten lijkt groter te zijn dan de inbreuk op de privacy door de methoden afzonderlijk. De commissie komt dan ook tot het oordeel dat de combinaties van methoden nader genormeerd moeten worden. Er dient niet alleen een normering te volgen van de afzonderlijke methoden.


HOOFDSTUK 7 OMGAAN MET INFORMATIE EN INTERNATIONALE OPSPORING


7.1 Inleiding

Naast observatie, het gebruik van informanten en infiltratie onderscheidt de commissie enkele andere opsporingsmethoden die door politie en justitie gehanteerd worden bij de opsporing en vervolging van de georganiseerde criminaliteit. Het gaat dan om informatie-inwinning bij derden, misdaadanalyse, fenomeenonderzoek en financieel rechercheren. De commissie besloot aandacht aan deze methoden te besteden aangezien in de praktijk van opsporing frequent melding werd gemaakt van deze relatief nieuwe methoden van onderzoek. Het gaat daarbij niet zo zeer om afzonderlijke methoden van opsporing als wel om methoden ter structurering of verzameling van informatie.

Tevens wordt aandacht besteed aan de informatiehuishouding en de bestuurlijke rechtshandhaving. Hierbij staan vragen centraal als welke informatie wordt opgeslagen; hoe zorgvuldig gaat men hiermee om en wordt politiële informatie ook verstrekt aan het bestuur? Afsluitend wordt aandacht besteed aan internationale opsporing.


7.2 Bevindingen

 

7.2.1 Informatie-inwinning bij derden

De politie wint allerlei informatie in bij andere organisaties voor en tijdens een opsporingsonderzoek. Het gaat daarbij deels om openbare informatie zoals gegevens van de Kamers van koophandel. Daarnaast vraagt de politie aan derden informatie die valt onder de bescherming van de privacy, zoals bepaald in de Grondwet (artikel 10) en de daaruit voortvloeiende Wet persoonsregistraties (WPR), of die anderszins (meer) vertrouwelijk is, zoals bijvoorbeeld gegevens van banken. De commissie heeft geconstateerd dat daarbij veelal niet de formele weg wordt bewandeld. Formele strafvorderlijke wegen om informatie van derden te krijgen zijn onder meer het oproepen van de derde als getuige in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek en, wanneer het gaat om op gegevensdragers vastgelegde informatie, is er de huiszoeking, onderzoek in computers of het bevel tot uitlevering van stukken. Daarnaast vraagt de politie informatie, die valt onder de bescherming van de WPR, aan derden. In overeenstemming met artikel 11 WPR beoordeelt de houder van een register in de private sector het verzoek gegevens te verstrekken. Een probleem hierbij is dat het voor de houder van een register feitelijk vrijwel onmogelijk is om bij de beslissing tot verstrekking van gegevens de wettelijk voorgeschreven afweging (artikel 11, lid 2 WPR) te maken tussen de dwingende en gewichtige reden (van opsporing) en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde door verstrekking wordt geschaad. Voor verstrekking uit registers van de (semi)publieke sector aan een persoon of instantie met een publiekrechtelijke taak (zoals de politie) geldt niet de eis van een dringende en gewichtige reden, de vrager moet deze gegevens nodig hebben voor de uitvoering van zijn taak en de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde mag door verstrekking niet onevenredig worden geschaad. In de praktijk hanteert de politie bij de meeste vormen van informatie-inwinning het uitgangspunt dat als derden (al dan niet) op een (informele) vraag van de politie beslissen vrijwillig informatie te verstrekken, zij die informatie mag gebruiken. Deze vrijwillige verstrekking aan politie-ambtenaren en het gebruik van de verkregen gegevens is gezien de hiervoor genoemde formele weg en op zijn minst omstreden.

 

 

 
De voorzitter:

 

Als ik opbel naar een bank en vraag wat op de rekening van de heer Willems staat, dan wordt gezegd: ga fietsen, je hebt er niets mee te maken.

 
De heer Willems:

 

Ik vind dat ze dat ook tegen een politieman moeten zeggen. Ik vind dat daar een beschermd recht ligt.

 
De voorzitter:

 

Hé?

 
De heer Willems:

 

Ik vind dat de burger er aanspraak op heeft om niet zo maar zijn bankgegevens meegedeeld te krijgen aan iemand die daarom vraagt.

 
De voorzitter:

 

Het is misschien wel rechtens als wij kijken naar de Wet persoonsregistratie.

 
De heer Willems:

 

In die fase en met het oog op de mogelijke verdenking die je gaat koesteren, vraag ik mij af of dat inderdaad de positie is.

 
De voorzitter:

 

Dat zou nieuw licht werpen op de vraag of in de proactieve fase de politie dit soort dingen kan doen.

 
De heer Willems:

 

Ik heb daar wel vraagtekens bij. Ik heb begrepen dat er vrij intensief onderzoek is gedaan bij banken. Ik meen dat dit niet zonder meer vrij kan staan. Je kunt beginnen met de formulering, dat de politie mag wat een burger mag. U zegt terecht dat de politie toch niet de gewone burger is. Als de politie het doet, gebeurt dat op een manier en een schaal, waaraan je nooit toekomt in de gedachte van wat de burger mag. U moet mij niet vragen hoe ik dat precies moet definiëren. Noot

In de praktijk komt het bijvoorbeeld voor dat politiefunctionarissen bij bankmedewerkers informeel vragen of een bepaald persoon een rekening heeft bij die bank en welk bedrag hierop staat of welke financiële handelingen recent zijn verricht. Indien daar een voor de politie positief antwoord op volgt en de informatie noodzakelijk lijkt voor het bewijs, wordt alsnog de formele procedure gevolgd. Zo ook in het financiële traject in de zaak Charles Z.: In 1991 heeft het team die de zaak Charles Z. onderzocht contact gelegd met de toenmalige ABN bank om te vragen naar een hypotheek die verstrekt was voor het woonverblijf van Charles Z. Later is, aan de NMB bank dit keer, gevraagd naar een rekening van een bedrijf Investment cars B.V. die in relatie stond met Charles Z. Tevens is gevraagd of het onderzoekssubject aldaar een rekening hield. Dit was het geval. Bovendien meldde de bank dat zij nog een oninbare vordering had van ruim acht ton op betrokkene. Van de kant van de politie is vervolgens aan de veiligheidsdienst van de NMB aangegeven dat een beruchte wisselaar van criminele gelden in dienst was bij een van de vestigingen. De veiligheidsdienst ontdekte daarop een aantal verdachte wisseltransacties op het betreffende kantoor welke zijn gemeld aan het onderzoeksteam. Deze informeel verkregen informatie tijden de diverse bankbezoeken is later formeel opgevraagd met machtigingen van de rechter-commissaris. Zo is het team in oktober 1993 op bezoek geweest bij de ING bank waar een afschrift van het klantendossier van het bedrijf Investment Cars B.V. is opgevraagd. Noot

In het openbaar verhoor van Van Gemert is het volgende gezegd over deze zaak:

 

 

 
De voorzitter:

 

In de zaak-Z is het toch wel gebeurd?

 
De heer Van Gemert:

 

In de zaak-Z is er inderdaad contact met een bank geweest en is informatie opgevraagd, maar de manier waarop het gebeurd is, is een andere geweest dan u net schetste.

 
De voorzitter:

 

Hoe dan?

 
De heer Van Gemert:

 

(...) Een derde mogelijkheid is dat in een groot onderzoek - ik praat dan over een opsporingsonderzoek, zoals in de zaak-Z - in een contact met de bank wordt aangegeven dat een opsporingsonderzoek gaande is en dat de vraag wordt gesteld of er van politiezijde behoefte is aan informatie. In bedoeld geval is dat gebeurd en heeft de bank een afweging gemaakt en heeft zij besloten, informatie aan de politie te verstrekken.

 
De voorzitter:

 

Zij gaf u dus die informatie vrijwillig.

 
De heer Van Gemert:

 

Ja. (...)

 
De heer Van Gemert:

 

Er was nog geen GVO.

 
De voorzitter:

 

Was er al een verdachte?

 
De heer Van Gemert:

 

In mijn beleving was er al een verdachte. (...)

 
De voorzitter:

 

Ik wil helder hebben of u in de manier waarop u informatie verzamelt onderscheid maakt tussen gevallen waarin er een verdachte is en gevallen waarin die er niet is.

 
De heer Van Gemert:

 

Daar maken wij onderscheid tussen. Ik zal u proberen uit te leggen waarom ik zo'n moeite heb met het antwoord op de vraag: ja of nee? Er was een situatie waarin besloten was een onderzoek te verrichten naar bepaald activiteiten van de heer Zwolsman. Er waren allerlei aanleidingen om dat te doen. Wij waren bezig met het verzamelen van informatie, er was sprake van een opsporingsfase, waarin ook open bronnen werden benaderd en er waren contacten met de belastingdienst. Op enig moment is er contact met een bank geweest. Toen hebben wij om informatie gevraagd en hebben wij die verkregen.

 
De voorzitter:

 

Dus in het opsporingsonderzoek?

 
De heer Van Gemert:

 

Ja.

 
De voorzitter:

 

Moet er voor een opsporingsonderzoek sprake zijn van een verdachte of kan er ook sprake zijn van zo'n onderzoek zonder dat er een verdachte of een verdenking is?

 
De heer Van Gemert:

 

Als u denkt aan het benoemen van een verdachte, zoals weergegeven in artikel 27 Strafvordering, moet ik zeggen dat er sprake kan zijn van een fase waarin je dat wellicht nog niet exact kan. Maar dan is er wel sprake van een opsporingsfase. Dat probeerde ik aan te geven toen ik het had over het arrest in de zaak-Zwolsman. Noot

In deze zaak is bovendien niet alleen sprake van informatie-inwinning bij verschillende banken, maar ook van informatie-verstrekking aan een bank.
Inmiddels zijn met banken nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop
politiefunctionarissen informatie kunnen verkrijgen. Noot Men streeft naar het vinden van een minder omslachtige weg om informatie op te vragen en te verstrekken.

 

 

 
De heer Koekkoek:

 

Maakt u in uw huidige onderzoeken ook gebruik van het vragen van informatie bij banken?

 
De heer Dros:

 

Wij hebben dat tot voor kort gedaan. Toen ik begonnen ben als teamleider op 1 april 1994 hebben wij hier uitputtend over gesproken met het openbaar ministerie en wij zijn met elkaar tot de conclusie gekomen dat het juridisch verantwoord kan, mits de resultaten van de vrijwillige medewerking van een bank niet leiden tot bewijzen in het dossier. Daarmee zou je namelijk mensen in de problemen kunnen brengen die hieraan meewerken. Wij hebben dit gedaan uit de optiek dat het bijzonder moeilijk is om zicht te krijgen op geldstromen. Het is, meen ik, hier verschillende malen aan de orde geweest dat het verstandig is om de financiële deskundigheid bij de politie te vergroten. In mijn optiek is dat niet het grootste probleem, want die deskundigheid begint zo langzamerhand wel op orde te komen. Het grootste probleem is om de losse uiteinden te vinden van geldstromen en witwas-constructies. Noot

Dezelfde wijze van informatie-inwinning heeft de commissie aangetroffen bij creditcardmaatschappijen en andere financiële instellingen dan banken. Politiefunctionarissen benadrukken dat het hier gaat om een volkomen geaccepteerde vorm van informatie- inwinning. Vragen staat vrij.

7.2.2 Misdaadanalyse

Onder misdaadanalyse verstaat de commissie het opsporen en inzichtelijk maken van verbanden tussen criminaliteitsgegevens onderling en andere mogelijk relevante gegevens met het oog op de praktijk van politie en justitie. Noot Misdaadanalyse kan enerzijds gericht zijn op direct toepasbare resultaten voor de opsporings- en vervolgingspraktijk, dit is operationele misdaadanalyse. Dit kan onder meer resulteren in relatie-, familie- of handelsactiviteitenschema's. Anderzijds kan de analyse een rol spelen in de bepaling van beleid, dit is strategische misdaadanalyse. Niet altijd is er een duidelijke scheiding tussen deze twee vormen. Bij operationele misdaadanalyse wordt met name gewerkt met reeds beschikbare gegevens uit opsporingsonderzoeken. Incidenteel wordt ter complementering informatie bij derden, ook van buitenlandse instanties, ingewonnen. Deze vorm van misdaadanalyse, en dan met name de relatieschema's, wordt veelvuldig gebruikt in het kader van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Beide analysevormen worden op lokaal, regionaal en nationaal niveau verricht door veelal hiervoor opgeleide misdaadanalisten. Deze functioneren binnen de politiekorpsen. Dit kan zijn binnen de CID of het onderdeel waaronder de CID ressorteert, of binnen een kernteam. In totaal zijn binnen de regiokorpsen 181 formatieplaatsen voor misdaadanalisten. Bovendien is er een Afdeling misdaadanalyse bij de CRI.

Er zijn bij politie en justitie hoge verwachtingen ten aanzien van de kwaliteit van misdaadanalyse. Misdaadanalisten zelf zijn zich beter bewust van de beperkingen van misdaadanalyse dan haar afnemers. In de praktijk blijkt dat de analyses geen doorslaggevende rol spelen in de keuze voor de aanpak van bepaalde criminele groeperingen.

7.2.3 Fenomeenonderzoek

 

In de Vergadering van procureurs-generaal van 10 maart 1993 is besloten dat de zes kernteams zich onder meer bezig gaan houden met «fenomeenonderzoeken». Er bestaan grote verschillen in hetgeen onder fenomeenonderzoek wordt verstaan. Noot De definitie verschilt naar gelang het belang dat men hecht aan fenomeenonderzoek. De commissie verstaat onder fenomeenonderzoek het doorlichten op aspecten van georganiseerde criminaliteit van een geografisch gebied of bevolkingsgroep, een misdaadveld of criminele markt, en/of een sector of verschijnsel in de samenleving. Het daaruit voortvloeiende inzicht kan strekken tot nadere prioriteitenstelling en beter inzicht in bepaalde vormen van criminaliteit (in bijvoorbeeld concrete operationele onderzoeken). Ook kan fenomeenonderzoek een toepassing krijgen in een gerichte advisering van het OM aan het bestuur inzake preventie. De betrokkenen beoordelen de waarde van fenomeenonderzoeken heel verschillend. Sommigen menen dat met behulp van fenomeenonderzoeken tot betere keuzen kan worden gekomen met betrekking tot de vraag welke criminele groepen moeten worden onderzocht. Anderen stellen dat fenomeenonderzoek een taak is voor anderen dan de politie, zoals de wetenschap, en dat het blijft steken in algemene verhalen over bepaalde criminele groepen of strafbare feiten.

 

 

 
De voorzitter:

 

We willen er even uithalen wat de meerwaarde is van het fenomeenonderzoek wat u doet.

 
De heer Jansen:

 

Veel slimmer en trefzekerder je controle-instrumenten inzetten op deze wereld, op deze markt, in deze branches. Afspraken maken met deze branches, beschrijvingen maken van vormen van fraude, zodat je ze tijdig kunt herkennen en uiteraard ook de regelgeving daarop aanpassen, zodat je er minder last van hebt.

 
De voorzitter:

 

De regelgeving aanpassen is een slag verder.

 
De heer Jansen:

 

Dat is een slag verder.

 
De voorzitter:

 

Betekent dit ook dat door het kennen van zo'n fenomeen het onderzoek korter kan duren?

 
De heer Jansen:

 

Ik denk het wel. Je hebt veel meer inzicht in de markt. Noot

Kernteams worden geacht fenomeenonderzoek te doen naar de ontwikkelingen op hen toegewezen aandachtsgebieden. Deze aandachtsgebieden zijn als volgt verdeeld over de kernteams in Nederland:

 

 
- Zuid:

 

synthetische drugs, (ex-)Joegoslavië alsmede mensenhandel. - Noord-Oost-Nederland: Oost-Europa, de voormalige Sovjet-Unie en Turkije. - Amsterdam: West-Europa en Joegoslavië. - Rotterdam-Rijnmond: Chinese netwerken, EG-fraude en milieucriminaliteit (inclusief bedreigde uitheemse diersoorten). - Haaglanden: Zuid-Amerika en Italië. - Randstad Noord en Midden: Schiphol.

De verdeling van aandachtsgebieden over de kernteams vond plaats op basis van twee zeer verschillende criteria: geografie en onderwerp. Deze verdeling wordt door uitvoerende politiefunctionarissen als onlogisch en zinloos gezien. Bij de verdeling is onvoldoende rekening gehouden met de beschikbare kennis bij de verschillende regio's. Fenomeenonderzoeken zijn niet voorbehouden aan kernteams: sommige politieregio's zijn zelf ook bezig met fenomeenonderzoeken.

Operatie Gouden Kalf


Bij verschillende recherche-onderzoeken kwam naar voren dat de wisselkantoren op enigerlei wijze een rol speelden bij criminele activiteiten. Het bleek dat er in het centrum van Amsterdam ruim honderd wisselkantoren waren gevestigd. Uit dit grote aantal werd afgeleid dat de kantoren niet alleen op de toeristische markt opereerden. Dit was reden om het verschijnsel wisselkantoor nader te bestuderen. Er werden vragen gesteld als: Hoe is het mogelijk dat zoveel kantoren op de duurste lokaties in Amsterdam kunnen voortbestaan? Wie oefent toezicht uit? Wat zouden ongeveer de inkomsten moeten zijn uit het wisselen ten behoeve van de toeristen? Hoeveel geld gaat er feitelijk om? Waar gaat dat heen?

Vervolgens werd in beeld gebracht wie er achter zaten, wie de eigenaren waren, hoe deze personen bekend stonden, hoe de belastingsituatie was. Uit dit onderzoek bleek dat er een aantal clusters bestond, o.a. van enige families. Deze informatie was voldoende reden om een recherche-onderzoek te starten op één familie die meerdere wisselkantoren had, waarbij onder andere fax-verkeer werd afgetapt. Na de huiszoeking bleek uit het onderzoek van het materiaal dat vijf kantoren in zeven maanden een totaalomzet hadden van 170 miljoen gulden. Het percentage toeristische transacties bedroeg ongeveer tien. Op die manier bleek dat er ook heel andere activiteiten plaatsvonden en kon hard gemaakt worden dat de wisselkantoren een belangrijke rol speelden in het onwettige geldverkeer.

In de kernteams wordt in verschillende mate prioriteit gegeven aan de fenomeenonderzoeken. Zo heeft het kernteam Randstad Noord en Midden tot op heden nagenoeg niets aan het fenomeenonderzoek gedaan, terwijl het kernteam Noord-Oost-Nederland aparte organisatorische voorzieningen voor fenomeenonderzoek heeft getroffen. De commissie constateert dat de kwaliteit van de fenomeenonderzoeken varieert. Zo geven enkele rapporten uit Haaglanden over Zuid-Amerika slechts algemene staatkundige en geografische informatie over de verschillende landen in Zuid-Amerika.

De vraag of fenomeenonderzoek behoort tot de politietaak is niet van belang ontbloot. CID-informatie mag namelijk alleen worden gebruikt ten behoeve van de politietaak. De commissie heeft geconstateerd dat bij verschillende fenomeenonderzoeken gebruik is gemaakt van CID-informatie. Een andere vraag is of fenomeenonderzoek als opsporing kan worden aangemerkt. Is dit niet het geval dan is gegevens-inwinning langs strafvorderlijke weg uitgesloten.

7.2.4 Financieel rechercheren

De commissie verstaat onder financieel rechercheren het proces van verzamelen, veredelen, bewerken en analyseren van financiële gegevens, met het doel deze gegevens te gebruiken in een strafrechtelijk onderzoek. In toenemende mate wordt het belang van het financieel onderzoek onderkend:

 

 

 

 
De voorzitter:

 

Zou u ook financieel iemand helemaal willen kunnen doorlichten, uitkleden, veel vroeger dan het nu kan?

 
De heer Van Amerongen:

 

Dat zou wel heel erg makkelijk zijn. Ik zie wel dat de slagkracht die wij nu hebben, heel erg klein is. Zo zijn er voor geld heel weinig grenzen. Je kunt binnen 3,5 minuut geld overmaken naar Amsterdam, Hong Kong, New York, de Caribische eilanden waar je een eigen bank voor f.20.000 kunt kopen, naar Zwitserland. En wij doen er als opsporingsteam 3,5 jaar over om die «papertrail» te kunnen volgen. Aan dat veld kan onze daadkracht en slagkracht worden afgemeten. Dus het zou misschien wel handig zijn als wij binnen dat financiële traject beter aan opsporing konden doen, omdat het de boef toch altijd gaat om geld. Noot
In tegenstelling tot de politie, houdt de FIOD zich al jaren structureel bezig met financieel onderzoek. Over het begin van zo'n onderzoek zegt een teamleider van de FIOD:

 
De voorzitter:

 

Ik heb nog een vraag over het financieel rechercheren als zodanig. Op basis van welke gegevens start een financieel onderzoek bij u? Wat is een eenvoudig praktijkvoorbeeld, waarvan u zegt: dàn start financieel rechercheren?

 
De heer Bakker:

 

Financieel rechercheren is een hele manier van werken. Uit alle activiteiten die binnen een criminele organisatie spelen, ga je alle activiteiten die op financieel gebied spelen naar boven halen. Je gaat via die financiële lijnen kijken, wie er nu eigenlijk tot die criminele groep behoort. In de praktijk blijkt dat je dan inderdaad een goed overzicht krijgt van wie er daadwerkelijk betrokken is.

 
De voorzitter:

 

Maar wat voor informatie heeft u nodig om dat onderzoek te kunnen beginnen?

 
De heer Bakker:

 

Het is de bekende kluwen: je begint met een draadje met betrekking tot in dit geval de aansluiting op het tactisch onderzoek, waarbij je uiteindelijk aan de hand van de bescheiden - ik moet het even zorgvuldig formuleren, om geen tactieken en technieken prijs te geven - komt tot...

 
De voorzitter:

 

Maar neemt u een praktijkvoorbeeld van vroeger? Neemt u een casus van vroeger, waarvan u zegt: dat heb ik nodig gehad om goed te kunnen werken?

 
De heer Bakker:

 

Als we die 2600 kilo gaan bekijken, constateren we dat zo'n zaak begint met signalen die van de CID vandaan komen. Nadat de partij in beslag is genomen, zijn wij daarbij betrokken geraakt. Op dat moment blijkt dat sprake is van primaire aanteke- ningen op het gebied van chequeverkeer dat heeft plaatsgevonden. Aan de hand van dat chequeverkeer komen we bij banken, en aan de hand van die banken komen we bij meer chequeverkeer, en we gaan gewoon de papertrail volgen van de zaken. Naast het financiële traject hebben we ons in die zaak ook beziggehouden met het douanetraject: verdovende middelen, harddrugs in dit geval, plegen Nederland binnen te komen. Aan de hand van dat onderzoek constateer je ook een aantal betrokkenen die bij een groepering horen. Je constateert dat een dergelijke partij onderdeel is van meerdere transacties die hebben plaatsgevonden. Al die gegevens bij elkaar zijn de basis voor vervolgonderzoek. Noot

Financieel rechercheren wordt wel gezien als het middel bij uitstek tegen georganiseerde criminaliteit. Noot Wanneer de criminele geldstromen, en daarmee de illegale goederenbewegingen, zichtbaar gemaakt worden dan kunnen topcriminelen, die zich doorgaans exclusief bezighouden met de financiën, aan de onderliggende strafbare feiten worden gerelateerd. Bovendien kan financieel onderzoek resulteren in het afromen van wederrechtelijk verkregen vermogen.

 

 

 

 
De heer Vos:

 

Kunt u dat financieel rechercheren nader uitleggen? Vanmorgen zei mijnheer Van Amerongen ook dat geld soms in tweeënhalve minuut de wereld kan rondgaan, maar dat het tweeënhalf jaar kan duren om het financieel tracé te vinden. Wat heb je daar nu aan als je de zware georganiseerde criminaliteit wil aanpakken?

 
De heer Pieters:

 

De heer Van Amerongen heeft een voorbeeld gegeven, denk ik. Ik ben hier de laatste maanden mee bezig geweest. Nadat wij elkaar al eerder hebben gesproken, ben ik doorgegaan op het financieel rechercheren, ook omdat ik zag dat er geen echt goede definitie van was. Ik denk dat die er nu wel ligt, mede op basis van een tweetal stukken. Die definitie is niet zo gemakkelijk te geven. Heel kort kan gezegd worden: het is onderzoek naar geldstromen, en dan criminele geldstromen of geldstromen afkomstig uit de criminaliteit. Dat is vooral administratief onderzoek. Dit betekent veel papierwerk. Er is gezegd dat geld in tweeënhalve minuut de wereld rond kan gaan en dat wij er dan heel lang achteraan kunnen lopen. Het zwakke punt van de criminaliteit is nu dat bepaalde dingen moeten worden vastgelegd; met name als het geld afkomstig is van handelingen die in het algemeen als crimineel worden beschouwd, zoals drugshandel. Dat geld kan men niet verantwoorden, maar men wil het toch gebruiken. Men wil het ook niet te ver weg hebben, want wat heb je eraan als het geld ergens in een oerwoud in een ver werelddeel vaststaat en men kan er niets mee? Men wil het het liefst dicht in de buurt gebruiken. Dan moet het zichtbaar worden. Bij het zichtbaar worden, worden de fouten gemaakt. Daar moet de financieel rechercheerder zich op richten. Noot

Financieel rechercheren heeft volgens nagenoeg alle betrokkenen een meerwaarde ten opzichte van het klassieke rechercheren.
Financieel rechercheren komt voor in twee elkaar aanvullende varianten. De eerste vorm concentreert zich op een (rechts)persoon, waarbij wordt aangetoond wat betrokkene legaal verdient. Dat wordt vervolgens afgezet tegen wat hij uitgeeft. Discrepanties kunnen aanleiding zijn voor nader onderzoek. De tweede vorm concentreert zich op het geldspoor dat de omgekeerde richting volgt van een transport van verboden goederen. De «paper trail» van bijvoorbeeld een drugstransport wordt in kaart gebracht. De meldingen van het Meldpunt ongebruikelijke transacties Noot en de zogenaamde Pluk-ze wetgeving zijn behulpzaam bij financieel rechercheren.

Over het algemeen is de vereiste financiële deskundigheid nog niet aanwezig binnen politie en justitie. Daarom wordt intensief samengewerkt met FIOD en andere financiële deskundigen. Ook lopen politiemensen stage bij de bureaus financiële ondersteuning teneinde meer inzicht te krijgen in financiële aspecten. Noot Het landelijk rechercheteam (LRT) in oprichting zal zich in het bijzonder gaan bezighouden met het financieel rechercheren:

 

 

 

 
De heer Rouvoet:

 

(...) Kunt u aangeven waarin het LRT zich gaat onderscheiden van de kernteams? Ik meen begrepen te hebben dat u wel eens gezegd hebt: het LRT is een kernteam als andere kernteams. Kunt u duidelijk maken waarin het zich gaat onderscheiden van wat wij al hebben?

 
De heer Van Gemert:

 

Ik zal het in elk geval proberen. Het LRT heeft dezelfde positie en beweegt zich op dezelfde markt als de andere kernteams. Er is heel nadrukkelijk behoefte aan het kiezen van een andere ingang, aan het nagaan waar het geld van de georganiseerde criminaliteit blijft. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie hebben een opdrachtomschrijving gegeven en die omvat eigenlijk drie verschillende taken. Ten eerste de bestrijding van georganiseerde criminaliteit via de financiële invalshoek. Ten tweede het voldoen aan rechtshulpverzoeken uit het buitenland. Ten derde het plaatsen van zaken van nationaal of internationaal belang, die niet te plaatsen zijn bij een regionaal team, bij een landelijk team. De hoofdtaak is de eerste taak. Die komt erop neer dat wij zullen proberen om met name geld te volgen. U zult zeggen: dat doen de andere kernteams ook.

 
De heer Rouvoet:

 

Dat zou mijn volgende vraag zijn. Er wordt al een tijd op gehamerd dat het financieel rechercheren door alle politieteams gedaan wordt, dat niet veronachtzaamd mag worden dat er een financieel traject is.

 
De heer Van Gemert:

 

Ik denk dat dit inmiddels de insteek van de meeste teams is. Waarom dan toch een landelijk rechercheteam? In samenwerking met het LBOM proberen wij die eerste taakomschrijving wat verder uit te werken. U kunt zich voorstellen dat er bepaalde complexe zaken zijn of zaken die een internationaal verband hebben of zaken waarin heel nadrukkelijk moet worden samengewerkt met andere bijzondere opsporingsdiensten, waarbij het plan bestaat dat zij ook deelnemen in het team.

 
De heer Rouvoet:

 

Denkt u bijvoorbeeld aan de FIOD?

 
De heer Van Gemert:

 

Ja. Je kunt een aantal factoren opsommen die een zaak geschikter maken voor het LRT dan voor een kernteam. Het ligt in de bedoeling dat verder vorm te geven.

 
De heer Rouvoet:

 

Kunt u dat iets inzichtelijker maken? Wij hebben een periode achter de rug waarin is aangedrongen op die manier van rechercheren: volg een geldstroom en probeer uit te komen bij degene die uiteindelijk de beschikkingsmacht over het geld heeft. Er is druk uitgeoefend op de regiokorpsen om dat te doen. Wij kennen het verschijnsel van de BFO's, waarover wij straks waarschijnlijk nog komen te spreken. Lag het niet veel meer voor de hand om die route uit te bouwen en te verdiepen, in plaats van het in leven roepen van het LRT?

 
De heer Van Gemert:

 

Ik denk dat je beide zult moeten doen, omdat wij ervaren dat financieel rechercheren een goede methodiek is. Ik heb de overtuiging dat dit bij de andere teams verder wordt uitgebouwd. Daarnaast kunnen zich zaken voordoen op het nationale of internationale terrein waarin het noodzakelijk is dat er sprake is van navolging. Ik meen dat de minister bij de presentatie van het rapport Meldpunt ongebruikelijke transacties heeft aangegeven dat daarin ook een opdracht voor het LRT zou kunnen liggen. Dat kan een voorbeeld zijn waarover je kan zeggen: daar komen informatie en een onderzoeksobject naar voren waarbij navolging geboden is en dat zou iets kunnen zijn voor het LRT. Noot

(...)

 

 
De heer Van Gemert:

 

Financieel rechercheren is niet specifiek voor fraude of milieu voorbehouden. Ik denk dat je ook drugszaken kunt aanpakken als je voor een andere ingang kiest. Dat wordt ook langzamerhand gedaan. Ik wil de zaken van het LRT niet beperken tot een bepaald terrein. Het is best mogelijk dat de noodzaak wordt gevoeld om heel specifiek een bepaald persoon aan te pakken. Dat kan ook een drugshandelaar zijn. Financieel rechercheren zou daar dan ook een mogelijkheid voor zijn en dat zouden wij dan ook kunnen doen.

 
De heer Rouvoet:

 

U gaat met een nieuwe klus beginnen. Daarover heeft u contact met de heer De Groot. U heeft vast al een paar keer gezegd dat dit u nu een zaak lijkt met een niveau of van een bepaalde aard die het LRT moet gaan doen. Ik kan mij dat toch niet anders voorstellen. Toen u met elkaar sprak over de vraag wat u vanaf januari of vanaf mei gaat doen, was u toch wel iets concreter? U zei toch meer dan: wij sluiten niet uit dat wij naast fraude iets anders gaan behandelen?

 
De heer Van Gemert:

 

Nee, wij zijn nog niet zo concreet geweest dat er specifiek een opdracht uit is gekomen. Noot

De financiële gerichtheid van de regiopolitie, de samenwerking, de afstemming en de informatie-uitwisseling tussen de verschillende diensten laat te wensen over. Met name in de fase voor een gerechtelijk vooronderzoek is de behoefte aan financiële informatie groot. Slechts in een gerechtelijk vooronderzoek bestaat een wettelijke regeling voor het opvragen van (financiële) gegevens via een vordering van de rechter-commissaris (artt. 105 e.v. Sv). De commissie heeft vastgesteld dat de betrokkenheid van met name financiële instellingen bij een financieel onderzoek soms veel meer behelst dan het verschaffen van financiële informatie. Zo is aan banken gevraagd de medewerking aan witwaspraktijken te continueren in dienst van het strafrechtelijk onderzoek. De (concept) Richtlijn inzake medewerking van banken regelt in dit verband de vrijwaring van banken.

7.2.5 Beoordeling

Misdaadanalyse, fenomeenonderzoek en financieel rechercheren zijn vormen van onderzoek die als zodanig niet wettelijk zijn geregeld. Dat neemt niet weg dat op deze vormen van onderzoek rechtsregels van toepassing zijn die in acht genomen moeten worden. De commissie constateert dat in het bijzonder de informatie-inwinning problematisch is. De politie kan vrij gebruik maken van informatie uit open bronnen. In het Wetboek van Strafvordering en in bijzondere wetten zijn regelingen getroffen voor de inwinning van informatie uit niet- openbare bronnen (onder meer huiszoeking, bevel tot uitlevering). In de praktijk wordt deze formele weg dikwijls vermeden. Banken en andere financiële instellingen blijken bereid, al dan niet op basis van algemene afspraken, de gegevens «vrijwillig» te verstrekken. Naar het oordeel van de commissie staat deze informele praktijk op gespannen voet met de Wet persoonsregistratie. Een nadere wettelijke regeling is daarom noodzakelijk. Daarbij zal de behoefte aan een snelle informatie-voorziening afgewogen moeten worden tegen de privacy van degenen op wie de gegevens betrekking hebben.

Met het verrichten van fenomeenonderzoek wordt getracht vele verschillende doelen te bereiken, variërend van preventieve maatregelen tot (rechtstreeks toepasbare gegevens in) operationele onderzoeken.

Fenomeenonderzoek dat door de politie wordt verricht om het opsporingsonderzoek te sturen of te ondersteunen, behoort naar het oordeel van de commissie tot de politietaak. Tegen het gebruik van CID-gegevens bestaat dan ook geen bezwaar mits de nodige waarborgen in acht worden genomen en de officier van justitie betrokken wordt en toestemming verleent. Fenomeenonderzoek dat door andere (overheids)- instanties in het kader van de hen opgedragen taak wordt verricht, valt uiteraard buiten de politietaak. Van CID-gegevens zal daarbij geen gebruik gemaakt mogen worden. De verstrekking van persoonsgegevens door derden uit de private sector aan de politie ten behoeve van fenomeenonderzoek kan in verband met de privacywetgeving (art. 11 WPR) moeilijkheden opleveren. In fenomeenonderzoek zal de houder van zo'n register, die het verzoek om gegevens moet beoordelen, niet spoedig een dwingende en gewichtige reden kunnen vinden. Voor hem is een mogelijke schending van de privacy (ook met het oog op een toekomstig strafrechtelijk onderzoek) door verstrekking niet te overzien.

De commissie is van oordeel dat de kwaliteit van misdaadanalyse, fenomeenonderzoeken en financieel rechercheren kan worden verbeterd. Daarbij is het de vraag of het fenomeenonderzoek en bepaalde specialistische onderdelen van het financieel rechercheren door de politie moeten worden gedaan of dat anderen (universiteiten en hogescholen, financiële deskundigen, onderzoeksbureaus) dergelijke onderzoeken moeten uitvoeren. De commissie meent dat het soms effectiever en efficiënter is als de politie dergelijke onderzoeken uitbesteedt aan terzake deskundigen. Een dergelijke uitbesteding van delen van de politie- en opsporingstaak behoeft echter naar het oordeel van de commissie een wettelijke basis. Daarbij dient gewaarborgd te zijn dat de politie als opdrachtgever een bepalende rol speelt bij de inhoud en structuur van het onderzoek. Voorzien moet zijn in gedragsregels met betrekking tot de wijze waarop de onderzoekers informatie inwinnen. Bezien moet worden of en onder welke voorwaarden van vertrouwelijke politiegegevens gebruik mag worden gemaakt. De commissie is tevens van oordeel dat de inhoud (probleemstelling), afbakening en verdeling van de fenomeenonderzoeken over de kernteams beter op elkaar afgestemd dient te worden. Te weinig kernteams maken serieus werk van het fenomeenonderzoek. Slechts een enkel kernteam kan de meerwaarde van verricht fenomeenonderzoek aantonen. De meerwaarde van fenomeenonderzoeken kan pas tot haar recht komen indien de kernteams zelf de noodzaak van eigen inspanningen ten behoeve van dergelijk onderzoek erkennen.


7.3 Informatiehuishouding

 

7.3.1 Omschrijving

Onder informatiehuishouding verstaat de commissie het aanleggen van persoonsregisters en de opslag van gegevens in deze registers, het beheer daarvan en de verstrekking van gegevens aan derden. De in het register opgenomen personen en organisaties hoeven niet per se veroordeelden of verdachten te zijn. In (tactische) onderzoeken worden veelal tijdelijke registers aangelegd, waarin alle in het onderzoek op enigerlei wijze betrokken personen worden opgenomen.

Een CID-subject is een natuurlijke of rechtspersoon die als verdachte betrokken is, of naar redelijkerwijs kan worden vermoed als verdachte betrokken kan worden bij enig misdrijf dat gezien de ernst of frequentie dan wel het georganiseerd verband waarin het wordt gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Noot Een CID-subject is niet per definitie verdachte in de zin van artikel 27, eerste lid Wetboek van Strafvordering. Een CID- subject kan immers ook zijn een persoon of organisatie ten aanzien van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij of zij als verdachte betrokken zal worden bij enig misdrijf met het oog waarop een CID-register is aangelegd (artikel 1 sub c CID-regeling 1995). Hetzelfde geldt haast per definitie voor een grijze-veld-subject.

De Wet politieregisters en de Wet persoonsregistraties Noot bieden de kaders waarbinnen de opslag en de verstrekking van gegevens behoren plaats te vinden. Het staat de regionale korpsen vrij die bestanden aan te leggen die zij noodzakelijk achten voor de uitoefening van hun taken. Daarbij zijn de korpsen gebonden aan de Wet politieregisters en de daarop gebaseerde regelgeving. Dit betekent in ieder geval dat voor elk register een reglement ter goedkeuring aan de Registratiekamer moet worden voorgelegd, dan wel dat de houder verklaart dat een modelreglement van toepassing is.

7.3.2 Bevindingen

Aanleg en opslag van gegevens
De door elke politiefunctionaris te (laten) bevragen registers zijn het Opsporingssysteem, het Herkenningsdienstsysteem en Centrale verwijzingsindex, Nationaal Schengen informatiesysteem, het Kentekenregister en het computersysteem Landelijke informatiesystemen (LIST). Noot Deze registers staan onder het regime van de Wet politieregisters (behalve het kentekenregister).

De Regionale criminele inlichtingendienst onderhoudt een aantal persoonsregistraties, die gezamenlijk het CID-register vormen. Deze registraties zijn door het centraal gezag aangewezen in de thans vigerende CID-regeling 1995. Voor het register van de zogenaamde CID- subjecten (natuurlijke en rechtspersonen) en het register van de zogenaamde «grijze-veld»- subjecten (natuurlijke en rechtspersonen) zijn afzonderlijke (model)privacyreglementen vastgesteld. In het CID-register zijn eveneens opgenomen de (rechts)personen met wie CID-subjecten contact hebben (gehad).

In de CID-regeling 1995 staat vermeld welke gegevens van CID-subjecten, contacten van CID-subjecten en «grijze-veld subjecten» geregistreerd mogen worden. Het is de commissie opgevallen dat in de registers informatie van velerlei aard is opgenomen. Het lijkt erop dat daarbij van enige selectie van beschikbare informatie niet of nauwelijks sprake is. De regionale CID-en dienen hun CID-subjecten en grijze-veld-subjecten naar de landelijke CID te zenden. Daar staan eind 1995 ongeveer 60.000 personen als CID-subject geregistreerd terwijl ongeveer 10.000 personen als grijze-velders zijn opgenomen. Het aantal personen dat als contacten van subjecten is opgenomen wordt niet centraal bijgehouden. Tevens worden incidenteel rechtspersonen als CID-subject opgenomen. Gebleken is dat melding aan de landelijke CID niet altijd gebeurt De informatie in een CID-register wordt voorafgaand aan de opslag geëvalueerd. De informatie wordt voorzien van een betrouwbaarheidscodering naar bron en naar gegevens. De waardering inzake de betrouwbaarheid naar de bron is als volgt: A betrouwbaar, dat wil zeggen afkomstig van politie-ambtenaar, overheidsinstelling of uit een anderszins zeer betrouwbare bron;

B meestal betrouwbaar, dat wil zeggen afkomstig van een informant die in het verleden betrouwbaar is gebleken;
C niet betrouwbaar, dat wil zeggen afkomstig van een informant die in het verleden niet altijd betrouwbaar is gebleken;
X niet te beoordelen, dat wil zeggen afkomstig van een informant waarvan de betrouwbaarheid (nog) geheel onbekend is.
Bovendien worden vier niveaus van betrouwbaarheid aangegeven:
1 de informatie is zeker juist;
2 de informatie is door de bron zelf waargenomen;
3 de informatie is door een ander dan de bron waargenomen, maar wordt bevestigd door gegevens uit andere bron;
4 de informatie is door een ander dan de bron waargenomen en wordt niet door andere gegevens bevestigd.
De criteria op basis waarvan deze beoordelingen worden gegeven zijn multi-interpretabel. De beoordeling is sterk afhankelijk van de individuele runners en hun contacten met de informanten. Van een objectieve controle van deze betrouwbaarheid kan nauwelijks sprake zijn. De commissie heeft geen officier van justitie aangetroffen die zelfstandig een oordeel wilde geven over de betrouwbaarheid van een informant. Desondanks is de inschatting van de betrouwbaarheid van de informatie en de informant van wezenlijk belang hoe verder met de informatie kan en moet worden omgegaan. Naast de CID-registers komen bij de CID ook dagrapporten en journaals voor waarin de ruwe gegevens worden opgeslagen. De commissie constateert dat in de CID-registers geen afzonderlijke melding wordt gemaakt van de methoden waarmee de informatie is verzameld. In de CID-registers staat inhoudelijke informatie over personen. Er bestaan geen regels over het vastleggen van de methoden waarmee de informatie is verzameld. Afhankelijk van de CID-en wordt de gebruikte opsporingsmethoden vermeld in het journaal van activiteiten van de CID-rechercheurs of in de afzonderlijke computers van de rechercheurs. In andere CID-en wordt geheel geen administratie bijgehouden van de gebruikte opsporingsmethoden. De herkomst van de opgeslagen informatie is door de wijze van administreren vrijwel nooit te traceren. Controle of de verzamelde informatie rechtmatig is verkregen is daarmee nauwelijks mogelijk. In een politieregister mogen slechts gegevens worden opgenomen die rechtmatig zijn verkregen (artikel 4 Wet politieregisters ). De commissie is niet gebleken dat een dergelijke controle op CID-gegevens wordt toegepast.

Verstrekking van gegevens

 

Afgezien van de CID-registers zijn de politieregisters gevuld met gegevens, die zonder nadere voorwaarden bruikbaar zijn in het kader van de vervulling van de politietaak. Indien de bevraging past in dit kader geldt voor de beheerder van een politieregister een verplichting tot verstrekking. Dit verplichtende regime geldt niet voor de RCID-en (artikel 11 Besluit politieregisters en artikel 11 CID-regeling 1995). Zij kunnen volstaan met verstrekkingen aan de projectleiders van tactische onderzoeken en verder aan andere RCID-en en de NCID. Verstrekkingen door de CID aan anderen gaan voornamelijk mondeling. Veelal worden de mondelinge verstrekkingen gevolgd door een formulier waarop de gegevens staan vermeld (4x4-formulieren), soms door een proces-verbaal opgemaakt door de chef CID. Bij de evaluatie van de ingewonnen inlichtingen staat naast een betrouwbaarheidscode ook een afhandelingscode. De waardering voor bruikbaarheid (afhandelingscodes) is: 00 kan niet gebruikt worden;

01 alleen gebruiken na overleg met afzender;
10 operationeel te gebruiken, afzender niet vermelden;
11 operationeel te gebruiken.
00-informatie kan niet gebruikt worden door de tactische recherche. Dat neemt niet weg dat de tactische recherche soms informeel wel op de hoogte is van de inhoud van de 00- informatie. Informeel wordt de tactische recherche op de hoogte gesteld van deze informatie. Niet in alle regio's is dat het geval. Soms is sprake van een strikte scheiding tussen CID en tactische recherche. Noot Officieren van justitie hebben formeel geen mogelijkheid tot inzage in de CID-registers en de informantendossiers. In de CID-regeling 1995 staan zij niet vermeld als rechthebbenden op inzage in de registers. Daarmee onstaat de onduidelijke situatie dat een CID-officier van justitie geen inzage kan hebben in de registers, maar wel gezagsmatig verantwoordelijk is voor het functioneren van de CID. Feitelijk constateert de commissie dat slechts weinig officieren van justitie daadwerkelijk behoefte hebben aan het inzien van de verschillende CID-registers. De korpsbeheerder is formeel de beheerder van de registers van de CID.

Er is nauwelijks zicht op de vele formele en informele informatiestromen tussen politie, justitie en derden. Hoewel er signalen zijn dat de informele informatiestromen een grote omvang hebben, is er moeilijk vat op te krijgen. Het blijft steken in incidentele voorbeelden over informatie-uitwisseling tussen politie-afdelingen onderling, met banken, creditcardmaatschappijen, Kamers van Koophandel, etc.

 

 

 

 
De voorzitter:

 

Kunt u de U-bochtconstructie nog even uitleggen?

 
De heer Van Steeg:

 

Ja, soms denk ik: je hebt een U- en een L-bochtconstructie.

 
De voorzitter:

 

Legt u ze allebei dan uit.

 
De heer Van Steeg:

 

De U-bochtconstructie betreft in mijn beleving de situatie dat er in Utrecht bijvoorbeeld een informatie binnenkomt, waarvan je zegt: om afschermingstechnische redenen kan het feit niet in de openbaarheid komen dat het uit Utrecht komt. Wij zoeken dan een partner, bijvoorbeeld Amsterdam, en wij vragen aan Amsterdam: willen jullie deze informatie overnemen en vervolgens terug laten komen als zijnde informatie in Amsterdam ingewonnen, en die terug bij Utrecht insluizen? Dat is de U-bochtconstructie.

 

 

 
De heer Vos:

 

Wat zijn, voor alle duidelijkheid, afschermingstechnische redenen?

 
De heer Van Steeg:

 

Afschermingstechnische redenen zijn er, indien, als de informatie zoals die is opgemaakt, in de openbaarheid komt - dus te zijner tijd in een proces-verbaal zal worden opgetekend - de informant niet veilig is. Dan zal iedereen uit de omgeving van de verdachte, de medeverdachten of een hoofdverdachte, bedenken en zien: hé, dit komt van mijnheer X af. Noot

(...)

 

 

 
De voorzitter:

 

Dan nu de uitleg van de L-bocht.

 
De heer Van Steeg:

 

De L-bocht houdt in, dat Utrecht de informatie opmaakt. Om redenen die ik zojuist noemde, kan de informatie niet uit Utrecht komen. De informatie is bijvoorbeeld bestemd voor het korps Amsterdam. In dat geval maak je de informatie op en je vraagt of ze in Amsterdam die informatie over willen nemen op hun papier. Vervolgens geef je die aan de tactische recherche in Amsterdam. Dan heb ik niet de controle dat in dat korps dezelfde waardering aan de informatie wordt gegeven als wij er in Utrecht aan geven, maar als later dingen getoetst zouden moeten staan, staan wij voor de aangeleverde de informatie. Hierover ging de vraag van de heer Rabbae. De informatie staat dus in ons systeem als B3 aangemerkt. Als de informatie er elders als B2 uitkomt, hebben ze daar malversatie gepleegd. Maar ik heb dat nog nooit gemerkt. Laat dat duidelijk zijn. Noot

Desinformatie

 

De commissie heeft geconstateerd dat verschillende politiefunctionarissen en officieren van justitie hebben overwogen desinformatie te gebruiken om de leden van een criminele organisatie te verwarren. Slechts een enkele keer is het ook tot uitvoering gekomen.

 

 

 
De voorzitter:

 

Ik bedoel het in algemene zin. Heeft u overwogen om onjuiste informatie naar te pers te lekken?

 
De heer Koers:

 

Nee, dat is niet overwogen. Er is wel iets anders overwogen. Er liep op dat moment een redelijk aantal telefoontaps. Als je in een groep van 60 mensen wilt proberen te achterhalen wat de waarheid is, kan een bericht in de krant of in dat soort bladen soms een rumoer over de telefoon veroorzaken. Als dat zou gebeuren, is dat meegenomen. Allerlei opties c.q. mogelijkheden om die zaak tot een oplossing te brengen hebben de revue gepasseerd. Hoe kun je achter de waarheid van deze zaak komen?

 
De voorzitter:

 

In algemene zin, mag het OM onjuist informatie naar buiten brengen om achter de waarheid te komen?

 
De heer Koers:

 

Ik vind van niet. Ik zou het ook niet doen. Je kunt echter soms wel een klein beetje informatie naar buiten brengen die waar is en die reacties oplevert. Ik vind echter niet dat je onware informatie naar buiten moet brengen.

 
De voorzitter:

 

U vindt niet dat je mag liegen in het belang van de zaak?

 
De heer Koers:

 

Absoluut niet.

 
De heer Rabbae:

 

Het gebeurt ook niet in de praktijk?

 
De heer Koers:

 

Ik weet niet wat een ander doet, maar ik doe het niet. Noot

Wel komt het in ieder geval voor dat bepaalde informatie op een door de politie (al dan niet in overleg met het openbaar ministerie) gekozen moment aan de pers wordt gegeven. Dit wordt gedaan teneinde na te gaan of getapte personen over de telefoon over die perspublicaties spreken waardoor wellicht duidelijk wordt of van enige betrokkenheid sprake is. Het gaat dan om met het oog op de opsporing gefaseerde en gestructureerde informatievoorziening. Van een zelfstandige opsporingsmethode kan dan eigenlijk niet worden gesproken.

7.3.3 Beoordeling

Privacy-regelgeving wordt veelal opgevat als een belemmering voor de opsporing. De commissie heeft niet kunnen constateren dat privacy-regelgeving daadwerkelijk een belemmering vormt in het functioneren van politie en justitie. De commissie constateert dat politie en justitie alle gegevens opslaan die verkregen worden. Van enige selectie van de opgeslagen gegevens is nauwelijks sprake. De commissie constateert tevens een uitgebreide uitwisseling van gegevens tussen de CID-en onderling en de CID en de tactische recherche. De commissie ziet onvoldoende argumenten voor de opvatting dat de opsporing wordt gefrustreerd doordat privacy-regelgeving daaraan in de weg staat. Politie en justitie hebben inmiddels leren werken met deze regelgeving. De commissie is van oordeel dat de geldende regelgeving voor de verschillende politieregisters kan en moet worden gevolgd. Daarbij moet nader worden bezien of de uitwisseling van informatie kan worden bespoedigd. De commissie is een tegenstander van de U-bochtconstructie. De commissie is van oordeel dat de controle op de vaststelling van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van CID-informatie moet verbeteren. De officier van justitie moet naar het oordeel van de commissie inzage kunnen hebben in de CID-registers. De officier van justitie dient ook daadwerkelijk controle uit te oefenen op de inhoud van deze registers. De beoordeling van de inhoud van deze registers is een onderdeel van de taak van de officier van justitie. Daarnaast is de commissie van oordeel dat in de verschillende politieregisters, maar vooral in de CID-registers moet worden vastgelegd op welke wijze de informatie is verzameld of verkregen. Naast een registratie van de inhoud van de informatie dient naar het oordeel van de commissie ook een registratie van de gebruikte methoden plaats te vinden. Te allen tijde moet het mogelijk zijn achteraf vast te stellen zowel wat de inhoud van de informatie is als hoe de informatie is verkregen. In hoofdstuk 9 wordt aangegeven hoe de commissie meent dat omgegaan moet worden met de begrippen «CID-subject» en «grijze-veld-subject». De commissie is van oordeel dat de omschrijving van deze begrippen in de CID-regeling 1995 niet adequaat is en tot effect heeft dat overbodige informatie wordt opgeslagen over teveel personen.


7.4 Bestuurlijke rechtshandhaving

 

7.4.1 Omschrijving

Onder bestuurlijke rechtshandhaving verstaat de commissie in het kader van dit onderzoek het geheel van bestuurlijke maatregelen dat mogelijk is ter beheersing van de (georganiseerde) criminaliteit zoals het weigeren of verlenen van vergunningen, aanbestedingen of subsidies en het treffen van maatregelen binnen overheidsorganisaties. Noot

 

 
De voorzitter:

 

Wij hebben het alleen gehad over strafvordering. Vindt u ook dat criminele inlichtingen van de politie gebruikt moeten kunnen worden ten behoeve van het bestuur? Het komt dus niet tot een zaak, maar de informatie is wel zodanig dat het bestuur er baat bij kan hebben in het kader van bestuurlijke rechtshandhaving.

 
De heer Corstens:

 

Ja, mijn antwoord daarop is een voorzichtig: «ja». Het lijkt mij uitermate nuttig, zeker als wij denken aan kwesties van verwevenheid van onderwereld met bovenwereld, waarover vanochtend gesproken is. Het gevaar van die verwevenheid, dat weet u beter dan ik, is uitermate groot en uitermate bedreigend voor de samenleving. Ik ben dan geneigd om te zeggen dat het onder omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden zou moeten kunnen. Noot


7.4.2 Bevindingen

Verschillende overheidsorganen zijn bezig met maatregelen op het terrein van de bestuurlijke rechtshandhaving. Het voorkomen en bestrijden van integriteitsaantasting en het vergroten van de weerbaarheid van overheidsorganisaties zijn daarbij een belangrijk aandachtspunt. Het ministerie van Binnenlandse Zaken is het primair verantwoordelijke departement. Noot Bestuurders kunnen uit openbare bronnen informatie verzamelen ter voorbereiding van een bestuursbesluit. Daarbij zijn met name het handelsregister en het kadastrale register het meest belangrijk. In de praktijk zullen deze gegevens geen overtuigende motivering opleveren voor het weigeren van een vergunning, subsidie, ontheffing of gunning aan een bepaalde inschrijver.

Bestuurders kunnen tevens informatie uit niet-openbare bronnen genereren. Deze bronnen (niet zijnde politieregisters) zijn onderworpen aan de Wet persoonsregistratie (GBA, kentekenregistratie). Bestuurders kunnen slechts vragen om deze gegevens: de beheerder van de registratie maakt de afweging (doel, individueel belang, taak, geen onevenredige schade van de privacy van de geregistreerde).

Verstrekking van gegevens uit een politieregister buiten de door de wet genoemde limitatieve kring van personen kan niet plaatsvinden (Wet en Besluit politieregisters). Noot Het bestuur kan geen gegevens verkrijgen. Verstrekking van CID-gegevens is tevens onderworpen aan Wet en Besluit politieregisters. Het is niet mogelijk deze informatie te verkrijgen als de vrager niet is genoemd in het CID-privacyreglement.

De huidige wettelijke kaders bieden nauwelijks mogelijkheden om op basis van een veroordeling of een vermoeden van gepleegde of nog te plegen strafbare feiten vergunningen, ontheffingen en subsidies te weigeren of in te trekken. Bij aanbesteding van grote bouwopdrachten kan dit wel op basis van een eerdere veroordeling.

In de praktijk is een informele uitwisseling van gegevens ontstaan. Gegevens uit politieregisters (inclusief CID-registers) worden soms aan het bestuur verstrekt. De commissie heeft vele voorbeelden aangetroffen waarin politie en justitie bestuurders inlichten op basis van vertrouwelijke informatie uit CID-registers. Bestuurders hebben tevens afwijzende beslissingen genomen op basis van CID-informatie. Tot nog toe zijn er geen schadeclaims gevolgd.

 

 

 
De heer Paulissen:

 

... Vaak is het een kwestie van tijd. Dat wil zeggen, de tijd waarop het niet kan dat wij die informatie uitgeven. Bij veel van die gevallen zie je dat later, uiteindelijk, blijkt dat er toch wel iets mis is, dus dat je er in een strafrechtelijk onderzoek uiteindelijk wel achter komt. Natuurlijk is het zo dat er nu een situatie is waarin die aannemer zich niet kan verdedigen. Dat kan ook niet. Ik zou ook geen manier weten waarop dat kan. Wij maken de afweging heel zorgvuldig. Wij praten nu over het systeem, alsof wij dat dagelijks doen. Het is nu in één concreet geval gebeurd. Daarbij hebben wij gezegd: wij hebben zo'n duidelijke aanwijzingen en wij vinden de aard van het gebouw zo cruciaal dat...

 
De voorzitter:

 

Wat voor gebouw was het?

 
De heer Paulissen:

 

Een politiebureau. Wij hebben gezegd: wij vinden het zo cruciaal dat wij het gewoon niet willen. Wij hebben het in de verre voorfase gedaan. Als de aannemer in de aanbesteding had gezeten en als hij zich had ingeschreven, was hij gewoon doorgegaan. In een verre voorfase ga je proberen om het te verhinderen. (...) Het gaat uiteindelijk maar om dat ene gebouw. Ik zou het anders zien als ik hiermee die man een stigma oplegde waardoor hij nergens meer zou kunnen bouwen. Ik maak voor mij zelf deafweging tussen doel en middel. Als er een overheidsgebouw wordt neergezet en als wij het risico lopen dat dit gebeurt door een aannemer waarvan wij goede informatie hebben dat die niet helemaal lekker zit, dan... Als ik daarmee naar buiten zou gaan of als ik het zou laten uitlekken, waardoor ik die man een stempel opplak, dan doe ik hem heel veel onrecht. Nu wordt hem op een min of meer subtiele manier deze ene aanbesteding onthouden. Ik heb daar niet het gevoel bij dat ik de werkgelegenheid en die man in het bijzonder...

 

 

 
De voorzitter:

 

U wilt niet in een politiebureau werken dat eventueel met crimineel geld neergezet is. Daar kan ik mij iets bij voorstellen. Aan de andere kant, kan die aannemer zeggen: die man vergist zich verschrikkelijk. Het blijft altijd in een schemergebied hangen.

 
De heer Paulissen:

 

Ja. Noot

 
De voorzitter:

 

Heeft u het wel eens bij de hand gehad dat u informatie kreeg uit de CID- sfeer terwijl u op het punt stond om een bepaalde beslissing te nemen?

 
De heer d'Hondt:

 

Heel zelden. Ik heb het een keer bij de hand gehad bij de mogelijke verkoop van het politiebureau zelf. Dat was overigens geen echte CID-informatie, maar informatie van mensen die bij de CID werkten. Het ging om de eigen organisatie; de CID was in dat gebouw gehuisvest en de dienst was dus geïnteresseerd in de gegadigden voor dat gebouw. Er was harde informatie over de betrokkene uit de strafregisters en de justitiële documentatie, maar die was uit een ver verleden. Maar er was ook recente informatie bekend bij degenen die bij de CID werkten. Het ging echter niet om een CID-subject, zodat de gegevens boterzacht waren. Je vraagt je in zo'n geval dan ook af, wat je ermee kunt doen, maar zulke informatie kan wel een rol spelen.

 
De voorzitter:

 

Wat heeft u ermee gedaan?

 
De heer d'Hondt:

 

Wij hebben de informatie in die zin gebruikt dat wij tegen de betrokkene hebben gezegd dat het verstandig zou zijn, van de transactie af te zien. En op de vraag waarop dat berustte, hebben wij gezegd dat hij het in die sfeer moest zoeken.

 
De voorzitter:

 

Ik begrijp uw bezorgdheid wel als zoiets zich voordoet, zeker als het om een politiebureau gaat, maar u spreekt van antecedenten uit een ver verleden. Die mogen toch in het normale rechtsverkeer geen rol spelen. En verder noemt u informatie van politie- ambtenaren bij de CID, die geen CID-informatie is.

 
De heer d'Hondt:

 

Maar die informatie leidde wel voor 100% tot de overtuiging dat die transactie niet moest worden gesloten.

 
De heer Rouvoet:

 

Mag ik het u dan iets concreter vragen? In dit verband worden termen als integrale veiligheid of integrale rechtshandhaving gebruikt. De politie verzamelt informatie ten behoeve van het bestuur; kan dan naar believen de strafvorderlijke weg, de fiscale weg of de bestuurlijke weg gevolgd worden en kan iedereen gebruik maken van de informatie «in die bak», bijvoorbeeld CID-informatie, die niet altijd even hard is?

 
De heer d'Hondt:

 

Als het om justitiële documentatie, strafregisters en politieregisters gaat, is de zaak duidelijk. Dat is goed geregeld, ook voor CID-informatie. Maar gebruik maken van CID-informatie, zeker als het gaat om de grijze registers, is Überhaupt niet doenlijk. Ook de andere CID-informatie is niet bedoeld om hiervoor gebruikt te worden, maar er zijn grensgevallen. Kan CID-informatie die buiten een bepaald circuit eigenlijk tot de algemene informatie van de politie behoort, een rol spelen bij het nemen van beslissingen ten aanzien van bijvoorbeeld de politie-organisatie zelf? Je moet dan bekijken tot hoe ver je kunt gaan. Noot

 
De heer Koekkoek:

 

Ik geef een ander voorbeeld. Hebt u voorkomen dat een CID- subject of een verdachte een bepaalde officiële functie zou gaan vervullen? Bij officiële functies kunt u denken aan een burgemeester of een rechter.

 
De heer Paulissen:

 

Dat heeft wèl gespeeld. Wij beschikten over CID-informatie dat een persoon zich bezighield met strafbare feiten en dat die persoon geopteerd had voor rechter-plaatsvervanger. Wij hebben toen gezegd: dat is een heel kwalijke ontwikkeling, wij moeten met de hoofdofficier en de PG bespreken wat wij daar concreet mee kunnen doen om het tegen te houden. Toen zijn op een gegeven moment uit de eigen omgeving, het eigen vakgebied, van de man geluiden gegaan naar degene die de beslissing moest nemen over de plaatsing. Die geluiden zijn ons vóór geweest. Anders hadden wij of via de PG het contact gelegd om te zeggen: wij hebben deze informatie en wat betekent dit voor de plaatsing van deze persoon?

 

 

 
De heer Koekkoek:

 

Aan de ene kant hebt u de informatie doorgespeeld binnen hetopenbaar ministerie, maar aan de andere kant constateerde u dat vanuit de desbetreffende beroepsgroep ook al enig rumoer was ontstaan waardoor het uiteindelijk toch niet doorging.

 
De heer Paulissen:

 

Ja.

 
De voorzitter:

 

Maar de president van de desbetreffende rechtbank heeft het toch ook uit uw koker gehoord?

 
De heer Koekkoek:

 

Is het u bekend dat de informatie hem bereikt heeft vanuit het openbaar ministerie?

 
De heer Paulissen:

 

Ik weet dat er contact gelegd zou worden tussen het openbaar ministerie en de desbetreffende rechter.

 
De heer Koekkoek:

 

Tussen de procureur-generaal en de president van de rechtbank?

 
De heer Paulissen:

 

Ja. Ik ga ervan uit dat het op die manier gebeurd is. Je kunt uiteindelijk alleen maar voor je zelf spreken. Laat ik het zo zeggen: ik heb het gegeven aan de hoofdofficier-PG, met de bedoeling dat er iets mee gedaan werd. Noot

 
De heer De Graaf:

 

Mijnheer Van Riessen, mede gelet op de tijd kom ik nog op één onderwerp, namelijk uw betrokkenheid bij het project van de noord-zuidlijn, de metroverbinding. Wij hebben eerder begrepen dat daar een bestuurlijk project aan gekoppeld is waarin politie en gemeente samenwerken. Waarom precies? Kunt u dat aangeven?

 
De heer Van Riessen:

 

Het is een samenwerking tussen bestuur, politie en openbaar ministerie. Ook Coopers & Lybrand werkt daaraan mee. De bedoeling hiervan is, een methodiek te ontwerpen om te bekijken of wij de aanbesteding van een groot project, zoals de noord- zuidlijn, kunnen beveiligen tegen invloeden van vormen van georganiseerde misdaad. Hoe doe je dat dan? Je kunt wel zeggen: jongens, ga eens even de aanbesteding beveiligen. Dat gaat echter niet zo maar. Er zit dus een hele voorstudie aan vast om een screening-model op te bouwen om tot die beveiliging te komen.

 
De heer De Graaf:

 

Hoever bent u nu? Ik had begrepen dat u in het najaar...

 
De heer Van Riessen:

 

Binnenkort komt de eerste studie van de projectgroep op tafel bij de driehoek. In die studie wordt aangegeven dat er een model is te bouwen waarbij je niet in eerste instantie een beroep doet op politiegegevens, CID-gegevens. Neen, de lijn gaat veel meer naar een andere kant. Bedrijven die aanbesteden en inschrijven, worden van te voren in een soort pre-kwalificatie helemaal nagetrokken, gescreend. En dat kan wettelijk ook. Op grond van de Europese wetgeving is het mogelijk om die screening te doen. (...) Noot

Er bestaat een grote behoefte bij politie, justitie en bestuur om mogelijkheden te creëeren voor de uitwisseling van informatie tussen politie, justitie en bestuur.
Het openbaar bestuur tracht door preventieve maatregelen deze vraagstukken te vermijden. In veel gevallen zal het bestuur informatie kunnen vergaren doordat de aanvrager van een vergunning, ontheffing of subsidie dan wel de intekenaar op een aanbesteding zelf informatie moet aandragen. Op deze manier wordt thans getracht te voorkomen dat criminele organisaties zich vermengen met de bovenwereld.

7.4.3 Beoordeling

De commissie is van oordeel dat de huidige situatie niet kan worden gehandhaafd. Politie, justitie en bestuur wisselen nu informeel allerlei informatie uit. Er bestaat veel onduidelijkheid over wat er met die informatie kan en moet gebeuren. Voor een effectieve en rechtsstatelijk verantwoorde opsporing en vervolging is het noodzakelijk dat politie, justitie en bestuur vertrouwelijke informatie kunnen uitwisselen. Het bestuur moet met het oog op nauwkeurig omschreven doeleinden op de hoogte kunnen zijn van informatie waarover politie en justitie beschikken. De commissie is van oordeel dat een zodanige normering moet plaatsvinden dat uitwisseling van deze gegevens mogelijk wordt gemaakt. Een moeilijker vraagstuk is of het bestuur CID-informatie kan gebruiken als grond voor afwijzing van een verzoek om vergunning of een aanbesteding. CID-informatie alleen kan naar het oordeel van de commissie geen grond zijn voor een negatieve beslissing. Door politie, justitie en bestuur moet een gezamenlijke inschatting worden gemaakt van de betrouwbaarheid van de gegevens.


7.5 Internationale opsporing

 

7.5.1 Inleiding

In het licht van de bestrijding van de op internationale schaal opererende criminele organisaties wordt aandacht besteed aan de praktijk van de internationale opsporing. In dit kader wordt ingegaan op internationale samenwerking en gegevensuitwisseling. Tevens komt het functioneren van buitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland en Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland aan de orde. Er zal geen aandacht worden besteed aan andere vormen van rechtshulp dan de rogatoire commissie en politiële samenwerking.

7.5.2 Juridische structuur en organisatie

 

Regelmatig blijkt tussen verschillende staten behoefte te bestaan aan strafprocessuele bijstand in de vorm van kleine rechtshulp. Kleine rechtshulp vindt plaats op basis van schriftelijke verzoeken tot het verzamelen van bewijsmateriaal van de ene justitiële autoriteit aan de andere. Dergelijke verzoeken moeten ex artikel 552 n Sv op een verdrag zijn gebaseerd als zij de toepassing van dwangmiddelen, zoals inbeslagneming en onvrijwillig verhoor van personen, vergen. Dergelijke tot Nederland gerichte verzoeken vragen de inschakeling van de rechter-commissaris. Men noemt dergelijke verzoeken rogatoire commissies. Er zijn verschillende rechtshulpverdragen gesloten. Zo is Nederland partij bij het Europees verdrag aangaande de wederzijdse hulp in strafzaken (1959), inclusief het protocol (1978), de Nederlands-Duitse overeenkomst van Wittem (1979), de Schengen Uitvoeringsovereenkomst. Nederland zal naar verwachting partij worden bij het Europolverdrag. Indien geen dwangmiddelen nodig zijn om aan een rechtshulpverzoek tegemoet te kunnen komen, kan sinds kort de politie zelfstandig, zonder tussenkomst van een officier van justitie, hieraan gevolg geven (zie art. 552i Sv). Gegevensverstrekking in het kader van internationale politiesamenwerking is geregeld in artikel 13 Besluit politieregisters (1991). Er is geen aparte wettelijke regeling voor uitgaande rechtshulpverzoeken anders dan artikel 539a Sv. Hierin is bepaald dat het optreden van politie/justitie in het buitenland gehouden is aan het Nederlandse Wetboek van Strafvordering.

Sinds september 1991 is een landelijk officier van justitie werkzaam op het gebied van de internationale opsporing. Zo worden inkomende rechtshulpverzoeken die niet kunnen worden ondergebracht bij een bepaald parket, zoals bijvoorbeeld een verzoek tot observatie waarbij het niet zeker is waar de gevraagde observatie heen zal leiden, behandeld door de landelijke officier van justitie. Bovendien valt de coördinatie van samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en de buitenlandse verbindingsofficieren (liaison-officers) tot zijn competentie. Ook is zijn tussenkomst vereist bij het optreden van buitenlandse informanten en infiltranten in Nederland en gecontroleerde afleveringen. De landelijke officier van justitie speelt een niet onaanzienlijke rol bij de inzet van bijzondere opsporingsmethoden. In de meeste gevallen echter handelt een lokale officier van justitie de reguliere stroom van inkomende en de uitgaande rechtshulpverzoeken af. In principe dienen de verzoeken tot rechtshulp via de CRI te lopen alwaar registratie en coördinatie kan plaatsvinden. In spoedeisende gevallen kan een inkomend verzoek ook rechtstreeks aan een korps worden gericht.
Jaarlijks worden ongeveer 2500 rechtshulpverzoeken gedaan om Nederlandse strafprocessuele bijstand. Deze jaarlijkse stroom kan een politie- of een bijzondere opsporingsdienst rechtstreeks bereiken van een buitenlandse collega, via de CRI, via het openbaar ministerie, via de rechter-commissaris, van een buitenlandse of een Nederlandse liaison-officer (LO) dan wel via het ministerie van Justitie, wat evenwel in reguliere zaken weinig voorkomt. De ongeveer 400 uitgaande verzoeken worden veelal rechtstreeks, zonder tussenkomst van het ministerie van Justitie, verzonden. Een belangrijke positie in het grensoverschrijdende politiële gegevensverkeer nemen de afdelingen recherche-informatie (ARI) in. Dit zijn vijf regionaal vooruitgeschoven posten van de CRI, die de uitvoering van de internationale opsporingsverzoeken en de liaison-officers begeleiden. Van geringe importantie maar wel in opkomst zijn de internationale informatiesystemen. Zo bestaat het Schengen Informatie Systeem, wat echter nog niet door alle lidstaten is gevuld met gegevens. Ook is de voorloper van Europol, de Europese Drugs Eenheid in Den Haag, operationeel. Noot Echter, tot op heden functioneert deze voornamelijk als een faciliterende dienst voor informatie-uitwisseling tussen de gedetacheerde liaison-officers.

7.5.3 Informatie-uitwisseling

Een niet onaanzienlijk deel van de informatie-uitwisseling geschiedt via de informele kanalen, omdat de officiële weg vaak lang duurt. Deze informatie wordt opgevraagd om eerst te kunnen bepalen of en zoja welke stukken later als bewijs kunnen worden gebruikt. Deze bewijsstukken worden dan alsnog via de officiële weg wederom opgevraagd.

In de praktijk verschilt de verstrekking van politiegegevens aan het buitenland niet wezenlijk van verstrekking aan andere politieregio's. De politie kan dit zelfstandig afhandelen, met uitzondering van CID-informatie. Hierin moet de CID-officier worden gekend (artikel 13 CID-regeling 1995). Verstrekking dient via de NCID te worden gedaan. De indruk is dat dit niet consequent gebeurt. Theeuwes beaamt dit in zijn verhoor:

 

 

 

 
De voorzitter:

 

Ik wil graag met de heer Theeuwes het geven van informatie aan en de contacten met het buitenland bespreken. Komt alle politie-informatie aan het buitenland bij u langs?

 
De heer Theeuwes:

 

Neen, niet alle politie-informatie aan het buitenland komt bij de CRI langs.

 
De voorzitter:

 

Kunnen politiekorpsen direct die informatie leveren?

 
De heer Theeuwes:

 

Strikt volgens de regeling, zoals neergelegd in het besluit politieregisters, moet alle politie-informatie langs de CRI gaan.

 
De voorzitter:

 

Waarom gebeurt dat niet?

 
De heer Theeuwes:

 

Het apparaat van de CRI is daarvoor veel te klein. De regionale korpsen in Nederland zijn misschien niet op de hoogte van deze kleine bepaling in artikel 13 van het besluit politieregisters. Noot

In het buitenland kent men ons systeem van gecodeerde zachte informatie veelal niet. Het is voorgekomen dat niet operationeel te gebruiken informatie in een zaaksdossier is beland. Bij het omgaan met uit het buitenland afkomstige informatie wordt gehandeld naar het vertrouwensbeginsel, dat wil zeggen dat ervan uitgegaan wordt dat de informatie rechtmatig is verkregen door de buitenlandse autoriteit, alsmede dat de informatie gebruikt zal worden voor geen ander doel dan het doel waarvoor zij is verstrekt.

 

 

 

 
De voorzitter:

 

Hoe controleer je of de informatie die je geeft nog rechtmatig gebruikt wordt en of de informatie die je krijgt, rechtmatig verkregen is? Nederland is in Europa het enige land met een CID-systeem met een waardering van soms heel gevoelige informatie. In het buitenland bestaat dit niet.

 
De heer Theeuwes:

 

Niet overal. Er zijn landen die waarde aan hun informatie toekennen door middel van dit systeem. Uit een gesprek met liaison-officieren bleek mij dat het in Engeland gebruikelijk is om waardering van informatie en de bron toe te kennen.

 
De voorzitter:

 

Is er praktische controle op wat er in- en uitgaat? Wat gebeurt daarmee en hoe is de informatie verkregen?

 
De heer Theeuwes:

 

Internationale samenwerking is een kwestie van professionaliteit en vertrouwen. Wij spreken nu over het vertrouwensbeginsel.

 
De voorzitter:

 

Hebt u enige controle op dat vertrouwen?

 
De heer Theeuwes:

 

Als het enig doel dient, kan ernaar worden geïnformeerd. Je stelt echter wel op dat zelfde moment de vertrouwensvraag. Noot

Zelden wordt gecontroleerd of de informatie rechtmatig is verkregen. Derhalve is het denkbaar dat informatie verkregen door uitlokking al dan niet van landen waar dit onder omstandigheden is toegestaan, zoals Duitsland, gebruikt wordt in een Nederlandse rechtzaak. Naast politiediensten wordt ook informatie uitgewisseld tussen bijzonder opsporingsdiensten en veiligheidsdiensten. Zo heeft de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) regelmatig contact met haar zusterdiensten in het buitenland. Sommige hiervan hebben ook de bestrijding van de georganiseerde misdaad in hun portefeuille. Vragen hierover aan de BVD worden doorgegeven aan de landelijke BVD-officier van justitie. Deze praktijk van gegevensverkeer tussen zusterdiensten met verschillen in taken, vindt men ook terug bij de douane. De uitwisseling van, soms ongelijksoortige, douane-informatie geschiedt op basis van de Europese verordening 1468 of een apart verdrag.

De uit het buitenland verkregen CID-informatie krijgt doorgaans de evaluatie A1 hetgeen wil zeggen afkomstig uit zeer betrouwbare bron alsmede dat de informatie door de bron zelf is waargenomen en er een bevestiging uit andere bron is.

7.5.4 Uitvoering van buitenlandse assistentieverzoeken door Nederland

Er is een stijgende lijn merkbaar in het aantal officiële verzoeken om kleine rechtshulp. Van 38 verzoeken in 1991 naar 52 verzoeken in 1994, waarvan het merendeel betrekking had op verdovende middelenzaken. In het kader van een rogatoire commissie kan worden verzocht een politiefunctionaris aanwezig te laten zijn bij de tenuitvoerlegging van het verzoek. Sinds 1993 is het tappen van telecommunicatieverkeer ten behoeve van buitenlandse strafrechtelijke autoriteiten toelaatbaar (art. 552o, eerste lid Sv).

In het kader van dit onderzoek gaat de aandacht verder vooral uit naar de politiële samenwerking en wordt vooral aandacht besteed aan de verzoeken betreffende bijzondere opsporingsmethoden als observatie, gecontroleerde aflevering en infiltratie. Zelden of nooit wordt een verzoek om observatie geweigerd, of er moet sprake zijn capaciteitsproblemen. Voor internationale verzoeken uit de Schengenlanden zijn vijf observatieteams opgericht. De meeste verzoeken om observatie, onder andere in het kader van een gecontroleerde aflevering, komen dan ook uit de buurlanden. In een onderzoek verzocht de Duitse politie om een doorlating en het overnemen van een burger-infiltrant: Een kernteam heeft een (open) infiltratietraject overgenomen van de Duitsers in een druglijn van Colombia naar Nederland. Het betreft een buitenlandse burger-infiltrant en een politie-infiltrant. Ten tijde van het overnemen is een partij marihuana doorgelaten uit Colombia via Duitsland naar Nederland.

 

 

 

 
De heer De Graaf:

 

Als het gaat over een partij van zeg 10.000 kilo marihuana, wordt dat ongetwijfeld weer verdeeld in deelpartijen. Je moet dat met observatieteams zodanig bijhouden, dat je het dan ineens in een heel andere regio laat wegtippen.

 
De heer Blok:

 

De partij waarover u spreekt, is wel gevolgd met een OT, maar het is niet gelukt om die partij vervolgens in beslag te nemen.

 
De heer De Graaf:

 

Maar daar was de doelstelling van de politie ook niet op gericht?

 
De heer Blok:

 

Jawel, want er was observatie, ook nadat er doorgeleverd was. Noot Dit was een lijntester waarna door het kartel een grote partij cocaïne zou worden verzonden. De partij is ook gekomen, en wel vanuit Colombia via Hamburg naar Nederland.

Maar ook de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration (DEA) dient regelmatig verzoeken om rechtshulp in. Zo heeft de DEA gevraagd om een gecontroleerde aflevering van, wat later bleek, enkele vuurwapens. Noot Het Landelijk coördinatiepunt grensoverschrijdende observaties ( LCGO) Noot is het centrale meldpunt voor grensoverschrijdende inkomende dan wel uitgaande observaties. Tevens neemt deze dienst in het tweede geval contact op met de buitenlandse autoriteiten en hij coördineert de peilfrequenties van de eventueel in gebruik zijnde peilauto's. In meer dan de helft van de gevallen krijgt het verzoek geen operationeel gevolg omdat de verdachte in kwestie toch niet de verwachte kant op vertrekt. Het OT staat dan tevergeefs aan de grens te wachten om de observatie over te nemen. Observatie kan worden overgenomen aan de Nederlandse grens al dan niet met een zogenaamde opstapper van het buitenlands team of Nederlandse begeleiders gaan mee met een buitenlands OT dat de observatie voortzet in Nederland. Deze grensoverschrijdende observatie is mogelijk gemaakt door de Schengen-Uitvoeringovereenkomst (SUO). Het komt ook voor dat er gecontroleerde afleveringen «in transito» plaatsvinden. Dan wordt het transport begeleid van bijvoorbeeld Duitsland via Nederland naar Engeland. Noot De Uitvoeringsovereenkomst van Schengen regelt eveneens de grensoverschrijdende achtervolging, die overigens al tot de mogelijkheden behoorde tussen de Benelux-landen. Al eind jaren zeventig kwam het voor dat buitenlandse politie-infiltranten van de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration (DEA), het Duitse Bundes-kriminalamt (BKA) of het Belgische Infiltratieteam ingezet werden op Nederlands grondgebied. Noot In het begin van de Nederlandse praktijk inzake pseudo-koop is ook dankbaar gebruik gemaakt van deze buitenlandse expertise. Noot Tegenwoordig is voor deze samenwerking de International Working Group on Police Undercover Work opgericht, waaraan 16 landen deelnemen. Deze samenwerking kan vele vormen aannemen waaronder bijvoorbeeld de inzet van een buitenlandse politie-infiltrant voor een Nederlandse zaak. Zo speelden drie Engelse politie-infiltranten in een Nederlands traject een belangrijke rol in het transport van verdovende middelen. De buitenlandse politie-infiltranten worden in principe begeleid door een Nederlands begeleidingsteam, opereren naar Nederlandse rechtsregels en de inzet wordt gemeld aan de landelijke officier van justitie. Tot eind 1993 was een probleem dat een buitenlandse politie-ambtenaar voor de Nederlandse wet slechts een ambteloos burger was, nadien is dit geregeld in artikel 185a Sr.

 

 

 

 
De voorzitter:

 

Vindt u het een probleem dat een buitenlandse infiltrant die in Nederland werkt, bijvoorbeeld voor een deels Nederlandse zaak, in feite geen opsporingsambtenaar is in Nederland?

 
De heer Karstens:

 

Dat is een probleem waar wij altijd tegen aanlopen. Dat geldt ook voor een Nederlandse opsporingsambtenaar die in het buitenland opereert. Het gaat om een verklaring van een ambteloos burger, zij het dat de rechter daaraan doorgaans een hogere waarde toekent. Noot

Ook worden buitenlandse burgerinfiltranten ingezet in Nederland. De identiteit van de informanten wordt afgeschermd. Zo zijn in een zaak twee burgerinfiltranten door de Arubaanse politie naar Nederland gestuurd om een partij van 2500 kilo softdrugs op te vangen en door te laten. Echter, bij nader inzien ontstonden enige twijfels over de betrouwbaarheid der infiltranten en is de operatie van Nederlandse zijde na deze ene doorlating afgeblazen. Noot In een ander onderzoek is een Colombiaanse informant uit Colombia overgekomen om in Nederland de Colombiaanse criminele organisaties te «scannen». Het had geen succes zodat na twee maanden de informant is teruggestuurd. Noot Ook is gebleken dat het Duitse BKA partijen verdovende middelen, begeleid door een informant, naar Nederland heeft gestuurd zonder hier al een afnemer voor te hebben. Na bemiddeling van de CRI is getracht dit onderzoek bij een regio onder te brengen, waar afnemers werden gezocht. Het is de commissie bekend dat in de regio Zuid-Holland Zuid zo'n BKA-partij, bij gebrek aan afnemers, alsnog in beslag is genomen.

 

 

 

 
De voorzitter:

 

Er zijn verschillende berichten, vooral uit Duitsland, dat wel degelijk nog door informanten gepoogd wordt, uitlokking te plegen. Er heeft laatst een geval in de krant gestaan. Dat speelde bij de rechtbank in Rheinland Pfalz. Er is ook een geval in Limburg waarbij sprake is van een Duitse informant/infiltrant die probeert een Nederlander naar Duitsland te krijgen.

 
De heer Karstens:

 

Er zijn tal van opsporingsinstanties in Duitsland. Ik bedoel de Duitse VE-teams, dat zijn de verdeckte Ermittlungsteams. Zij weten van de hoed en de rand van onze afspraken. Zij melden zich trouw. Dat er daarnaast instanties, politie-instanties wellicht of douane-instanties zijn die met informanten of infiltranten, wellicht burgerinfiltranten werken, onttrekt zich aan mijn waarneming.

 
De voorzitter:

 

U ziet dus ook de mogelijkheid dat die VP's vertrouwenspersonen zijn waarbij dit toch voorkomt?

 
De heer Karstens:

 

Als het voorkomt, ligt het niet op mijn weg, daaraan iets te doen. Ik heb mijn handen al vol aan het politiële infiltratiegebeuren, dat goed on line is.

 
De voorzitter:

 

Geldt wat u zegt ook voor de Duitsers? U zegt immers dat het niet voorkomt bij politie-infiltranten, maar dat u voor burgerinformanten uw handen niet in het vuur durft te steken. Geldt dat ook voor de Amerikanen?

 
De heer Karstens:

 

Daarvan ben ik niet helemaal zeker. De verhoudingen zijn de laatste tijd aanzienlijk verbeterd. Het is in ons métier vaker zo dat op basis van vertrouwen gewerkt wordt. Voor de afgelopen periode durf ik mijn hand niet in het vuur te steken.

 
De voorzitter:

 

Welke aanwijzingen heeft u daarvoor?

 
De heer Karstens:

 

Ik moet verwijzen naar kranteartikelen waarbij Nederlandse onderdanen betrokken zijn geweest bij operaties van een buitenlandse, in dit geval Amerikaanse, opsporingsinstantie die zich in ieder geval niet bij mij heeft gemeld.

 
De voorzitter:

 

Hebt u dat verder onderzocht? Hebt u daaraan iets gedaan?

 
De heer Karstens:

 

De commotie in de kranten was dermate dat het hele ministerie waarschijnlijk al gealarmeerd was. Ik vond het niet op mijn weg liggen, daar nog eens een keer achteraan te gaan.

 
De voorzitter:

 

Hoeveel keer heeft u contact met de mensen van de DEA over dit soort dingen?

 
De heer Karstens:

 

De laatste tijd zijn de verhoudingen aanzienlijk verbeterd. Ik hoop dat de DEA zich houdt aan onze regels. Noot

Ook de DEA zou operaties in Nederland zonder medeweten van de CRI of andere autoriteiten hebben uitgevoerd. De commissie heeft hier geen harde aanwijzingen voor gevonden. Om een hoeveelheidsindicatie te geven: 42, dus meer dan de helft van de het totaal van 65 daadwerkelijke infiltratie-acties in 1994 behelsden een buitenlands verzoek om Nederlandse assistentie. Vijf Nederlandse infiltratie-acties hadden op een of ander wijze een link met het buitenland. Noot Een aantal infiltratieverzoeken heeft geen operationeel gevolg gekregen. Karstens zegt hierover tijdens zijn verhoor:

 

 

 

 
De heer Karstens:

 

Nogmaals, ik doel op de ontwikkelingen die zich na 1993 hebben ingezet. Er is een groot aantal internationale verzoeken om assistentie gestopt omdat de buitenlandse instanties niets meer van zich lieten horen of omdat de operaties niet aan de voorwaarden voldeden. Dat kan ook nog. Er wordt dan bijvoorbeeld eerst een gesprek gevoerd, waarin wij tot de conclusie komen dat men, gelet op ons systeem en onze richtlijnen, eerst zijn huiswerk beter moet maken en later maar eens terug moet komen. Noot

De verzoeken om rechtshulp komen onder meer van de buitenlandse liaison-officers die in Nederland zijn gestationeerd. Zij zijn allen officeel geaccrediteerd en hebben de diplomatieke status. In totaal verblijven er 34 liaison-officers uit dertien landen in Nederland. Met name de Verenigde Staten met tien liaison-officers en het Verenigd Koninkrijk met vijf zijn goed vertegenwoordigd. Coördinatie van hun activiteiten vindt plaats door de Afdeling liaisons van de CRI, onder het toezicht van de landelijke officier van justitie. Noot Over de controle op het functioneren van de buitenlandse liaison-officers zegt Barendregt tijdens zijn verhoor:

 

 

 

 
De voorzitter:

 

Dan is het natuurlijk ook nog mogelijk, dat de liaisons direct met de korpsen contact hebben.

 
De heer Barendregt:

 

Ja, dat voorbeeld gaf ik u daarnet. Dat is dus mogelijk.

 
De voorzitter:

 

Daar heeft u verder geen zicht op?

 
De heer Barendregt:

 

Daar hebben we niet altijd zicht op. Wij trachten wel - ik zal proberen dat nog strakker te doen - om die liaisons aan ons te binden met goede afspraken, zodat het wel gebeurt. Nogmaals, echt dwingen - wat de heer Theeuwes zegt - lukt echt niet. Noot

De meeste liaison-officers houden zich bezig met drugzaken.

 

 

 
De heer Theeuwes:

 

De buitenlandse informatie die bijvoorbeeld door buitenlandse liaison-officieren die hier zijn gestationeerd wordt geleverd of die anderszins op ons afkomt proberen we van een codering te voorzien. De CID-chef waar die informatie terechtkomt, heeft behoefte aan deze codering en er ontstaat enige mate van zekerheid omtrent de waarde daarvan. Maar dit is niet altijd mogelijk. De eerste vraag bij de levering van dit soort buitenlandse informatie is altijd: wat is de waarde en hoe ben je er aan gekomen? Dat geeft een indicatie. Als een antwoord is verkregen uit het land waar de informatie vandaan komt, is het mogelijk om er een codering aan toe te kennen.

 
De voorzitter:

 

U zei daarnet dat dit op basis van vertrouwen gaat.

 
De heer Theeuwes:

 

Het is professioneel om aan buitenlandse liaison-officieren die hier gestationeerd zijn te vragen hoe de informatie tot stand is gekomen. Het is ook een gebruikelijke vraag van een buitenlandse liaison-officier die hier CID-informatie krijgt. Noot

Tijdens het onderzoek rees de vraag of zij ook alles melden.

 

 

 
De voorzitter:

 

Moeten zij u alles melden wat zij hier aan opsporings- en inlichtingenactiviteiten inwinnen?

 
De heer Theeuwes:

 

Ze worden geacht dat te doen.

 
De voorzitter:

 

Maar ze doen het niet altijd.

 
De heer Theeuwes:

 

Er is geen sprake van een verplichting, ze worden geacht dat te doen. In Europees verband is er een raamregeling tot stand gebracht met betrekking tot de posting for liaison-officers. Per land in Europa bestaat de vrijheid om daar nadere voorschriften aan te verbinden. Ook Nederland heeft daartoe een poging ondernomen.

 
De voorzitter:

 

Een poging?

De heer Theeuwes:

Ja, ik spreek over een aantal jaren geleden. Ook de CRI is betrokken geweest bij het tot stand brengen van een hoeveelheid voorschriften waarmee we de liaison-officieren kunnen controleren. Destijds werd die wens uitgesproken naar aanleiding van incidenten met buitenlandse liaison-officieren hier.

De voorzitter:

Wat voor incidenten?

De heer Theeuwes:

Ik herinner me incidenten met de Amerikaanse collega's op het terrein van het zelfstandig runnen van informanten en een affaire waarbij de Canadese collega informatie die hem in Nederland ter ore was gekomen had gebruikt om een hasj-zaak in de richting van Canada op te zetten. Dat was destijds aanleiding tot het stellen van vragen in de Tweede Kamer. Toen zijn er pogingen ondernomen om voorschriften tot stand te brengen om dit wat strakker te krijgen.

De voorzitter:

Dat is niet gelukt.

De heer Theeuwes:

Het is geen instrument waarmee de CRI de buitenlandse liaison- officieren krachtdadig kan controleren op hun handelen. Noot

De Guidelines with regard to stationing liaison-officers in the Netherlands regelen de grenzen waarbinnen de liaison-officer moet opereren. Op dit moment wordt door de CRI gewerkt aan een handleiding voor de buitenlandse liaisons waarin wordt aangegeven aan welke voorwaarden rechtshulpverzoeken moeten voldoen. Voorts worden enkele controlepunten aangegeven ten aanzien van het voortraject van een buitenlands onderzoek zoals de vermelding van de totstandkoming, de waarde en de betrouwbaarheid van de informatie. Noot Tevens bestaat een richtlijn van de procureurs-generaal inzake de toepassing van artikel 552i Sv. Hierin staat onder meer dat informatievertrekking kan plaatsvinden op basis van afspraken die met individuele landen kunnen worden gemaakt.

 

 

 

De heer Barendregt:

Sinds kort zit ik de vergaderingen voor en ben ik operationeel verantwoordelijk voor de liaison-begeleiding. Ik weet ook niet of de DEA informanten runnen. Ik heb daar te kort zicht op, maar ze worden geacht dit niet te doen.

De voorzitter:

Ze worden geacht het niet te doen, dat is duidelijk. Behoort dit tot het gebied waarover men elkaar geen vragen stelt?

De heer Barendregt:

Wij hebben toevallig gisteren vijf nieuwe liaisons toegesproken en de situatie in Nederland uitgelegd. Wij hebben ze duidelijk de richtlijnen voorgehouden. In de richtlijnen staat dat ze geacht worden zelfstandig geen informanten te runnen. Doen ze het toch, dan hebben we een diplomatiek probleem.

De heer Vos:

Ik wil hier nog even een vraag over stellen, want ik vind het antwoord wel heel subtiel. U zegt, dat u denkt van niet maar u weet niet of de DEA hier wellicht informanten runt. Denkt u het wel?

De heer Barendregt:

Ik herinner mij de afspraken die destijds zijn gemaakt. In de richtlijnen staat, dat ontmoetingen met personen in Nederland met de liaisons wel mogelijk zijn - dat kunnen dus ook informanten zijn - maar op het moment dat die informanten in Nederland actief zijn met betrekking tot Nederlandse misdrijven, moeten zij dat melden aan of de regio of aan de CRI. Kortom, een Amerikaanse collega kan best op Schiphol een ontmoeting hebben met een informant maar op het moment dat het Nederlandse raakvlakken heeft, moet hij dat melden. Ik ken geen gevallen, dat het gebeurd is en dat het niet gemeld is. Noot

7.5.5 Uitvoering van Nederlandse assistentieverzoeken in het buitenland

Uitgaande rechtshulpverzoeken zijn opgesteld volgens de regels van een van toepassing zijnd verdrag. Volgens de (summiere) rechtspraak mogen de officieren van justitie niet meer vragen dan wat in Nederland toelaatbaar is en waartoe zij zelf bevoegd zijn. Tevens dienen de Nederlandse politie-ambtenaren zich in het buitenland te houden aan de aldaar geldende rechtsregels. Wederom zal worden ingegaan op observatie, gecontroleerde aflevering, informanten en infiltratie. Een andersoortig verzoek om buitenlandse rechtshulp is bijvoorbeeld het verzoek aan de Turkse autoriteiten om GSM-telefoons in Turkije af te luisteren. Noot Grensoverschrijdende observatie door een Nederlands OT, al dan niet in het kader van gecontroleerde aflevering en doorlaten, komt regelmatig voor. Via het LCGO en de landelijke officier van justitie worden de buitenlandse autoriteiten op de hoogte gesteld. Dit is geregeld in de Schengen Uitvoerings overeenkomst (artikel 40) en het VN-verdrag van Wenen (1988). Gebleken is dat de melding niet altijd wordt gedaan. In de XTC-zaak van het IRT (zie hoofdstuk drie) zijn diverse transporten gevolgd naar Engeland die niet aan de Engelse autoriteiten zijn gemeld.

In 1993 heeft de LCGO bij 64 grensoverschrijdende observatie-acties bemiddeld naar België en Duitsland, maar ook in het kader van gecontroleerde afleveringen naar Frankrijk of Spanje. Incidenteel wordt dan gebruik gemaakt van buitenlandse kentekenplaten. Niet alleen politiële OT's opereren grensoverschrijdend, ook de bijzondere opsporingsdiensten en bijvoorbeeld de douane doen dat. Het DTOO plaatst ter ondersteuning van observatie wel eens technische apparatuur zoals een peilzender in het buitenland en vervolgens worden aldaar ook de batterijen verwisseld. De Belgische rijkswacht maakt graag gebruik van de voorzieningen en expertise van het KLPD.

In het buitenland gestationeerde Nederlandse liaison-officers worden regelmatig geconfronteerd met informanten die informatie bieden over criminele organisaties of drugtransporten. Dit was het geval in de Radar-zaak die door bemiddeling van de Colombiaanse liaison-officer tot stand kon komen.

In Pakistan zijn er voorbeelden van informanten die tips over drugtransporten proberen te slijten. Een aantal hiervan is beroepsinformant. Soms wordt op geloofwaardige verhalen ingegaan en probeert de liaison-officer de zaak aan een Nederlands korps te slijten. Niet altijd blijkt het te gaan om een Nederlands belang, waarna geen actie op de aangekondigde partijen wordt ondernomen. Ook is dit wel te wijten aan capaciteitsproblemen, zo stelt Barendregt tijdens zijn verhoor. Noot De liaison-officers onderhouden contacten met informanten.

 

 

De voorzitter:

Hoeveel personen zijn er op dit moment bij de CRI geregistreerd als «informant» met wie in het buitenland door liaison-officers wordt gesproken?

De heer Barendregt:

(...) Het zijn er wat minder dan 20, die ingeschreven staan. Een beperkt aantal daarvan is op dit moment actief, althans levert informatie die actueel interessant is. Een informant die ingeschreven staat, is op zichzelf en ook vanuit de coördinatierol... hij kan zich ook in andere landen aandienen of zelfs in Nederland... om die gegevens vast te houden ter coördinatie. Wij coderen ook informanten in een coderingssysteem om doublures te voorkomen en om te coördineren. Het aantal actuele informanten is echter op de vingers van één hand te tellen die op dit moment voor de CRI informatie produceren.

De voorzitter:

Worden ze ook gestuurd?

De heer Barendregt:

Wij sturen niet, althans wij sturen in de zin... Daarmee geef ik tevens aan, dat wij niet zelfstandig operationeel runnen en zeker niet in het buitenland. Dat zouden wij, omgekeerd, het buitenland ook niet in dank afnemen als zij in Nederland informanten runnen zonder dat wij dat weten... (...)

De heer Barendregt:

...het is een situatie waarin wij of samenwerken met het betreffende land, sterker nog, waarin wij informanten die zich bij ons aandienen zich eventueel overgeven aan de lokale autoriteiten of het geeft de situatie, dat het inderdaad voor de Nederlandse situatie direct interessant is. Dan zoeken wij een competente, een verantwoordelijke recherchechef of CID-chef of een CID-officier van justitie, na overigens de zaak besproken te hebben - in dit geval - met de landelijke officier van justitie of wij inderdaad aan de hand van de informatie die wordt geboden met zo'n persoon in zee willen gaan. Wij toetsen aan de hand van de bekende criteria zoals rechtmatigheid etcetera. Als zo'n informant inderdaad blijft komen aan die post in het buitenland, hebben wij de praktische invalshoek waarin wij de contacten onderhouden, maar onder verantwoordelijkheid van een lokale CID-chef.

 

De voorzitter:

In Nederland?

De heer Barendregt:

Nee, ook in het buitenland.

De voorzitter:

Maar in het buitenland heb je toch geen CID-chefs, want je hebt er geen CID?

De heer Barendregt:

Nee, maar de instructies die wij geven... de sturing op zich vindt dus niet door ons plaats. Als instructies worden gegeven, proberen wij in de eerste plaats die informant direct te koppelen aan de CID. Gelet op de reisafstand en de kosten kan gevraagd worden om nog even de contacten te onderhouden. Wordt het echt operationeel en is er echt sprake van runnen, van inzetten van de informant, dan is het de regionale CID die de contacten onderhoudt. Dan kunnen wij daarin hooguit nog assisteren. Noot

Infiltratie door Nederlandse politie-infiltranten in het buitenland komt voor. In principe blijft de infiltrant gebonden aan de Nederlandse rechtsregels.

 

 

De voorzitter:

Kan dat wel met verschillende systemen en met verschillende vormen van geaccepteerd zijn van uitlokking, minder uitlokking, meer uitlokking?

De heer Karstens:

In dat verband wil ik er toch op wijzen dat de meeste landen wel een soort uitlokkingscriterium hanteren.

De voorzitter:

Dat criterium wordt toch zeer verschillend gehanteerd?

De heer Karstens:

Het is werkbaar op dit moment. De Nederlandse infiltrant die op buitenlands grondgebied optreedt, heeft zich te houden aan de regelgeving van dat betreffende land. Als die regelgeving uitgebreider is, dan heeft hij zich te houden aan de eigen Nederlandse regelgeving.

De voorzitter:

De Nederlandse regelgeving kent voorlopig toch slechts een vaag aantal richtlijnen?

De heer Karstens:

U heeft mij al eens eerder gevraagd of ik tegen legalisering ben. Op zichzelf ben ik niet tegen wetgeving op dit gebied. Ik hoop alleen dat er kaderwetgeving zal ontstaan en geen strak keurslijf die onze mogelijkheden aanzienlijk aan banden legt. Met de richtlijn uit 1991 kan ik nog steeds onder voldoende waarborgen opereren. Noot

In principe gaat een Nederlands begeleidingsteam mee. Dit is bijvoorbeeld gebeurd in de Contrat-zaak. Een aantal Nederlandse politie-infiltranten heeft een belangrijke rol gespeeld in een Canadese zaak, die mede hierdoor uiteindelijk succesvol kon worden afgerond. Noot Ook in het onderzoek van het kernteam Noord-Oost-Nederland is door een Nederlandse politie- infiltrant , dit keer ten behoeve van een Nederlandse onderzoek, geïnfiltreerd in het buitenland. Hij is afgereisd naar Turkije om besprekingen te voeren met Turkse verdachten. Dit traject is besproken met de minister en goedkeuring is verleend zowel door de Nederlandse minister van Justitie als door de Turkse autoriteiten. Noot De uitvoering van Nederlandse rechtshulpverzoeken in het buitenland gebeurt meestal, indien aanwezig, via aldaar gestationeerde Nederlandse verbindingsofficieren. In 18 landen heeft Nederland liaison-officers gestationeerd, allen met de diplomatieke status met uitzondering van de twee liaison-officers op de Antillen aangezien dit geen buitenland is. De ambassadeur is verantwoordelijk voor hun optreden. Verder dient de liaison-officer dagrapportages in te dienen bij de Afdeling liaisons. In de praktijk heeft hij veel handelingsvrijheid. De liaison-officer richt zich onder andere op de informatie-inwinning ter zake van de georganiseerde misdaad, met name met een link naar Nederland.

 

 

 

De voorzitter:

Wat doet een liaison-officer voor de CRI in Thailand en Pakistan, behalve zijn ogen en oren goed open houden?

De heer Theeuwes:

Hij zal behalve kijken en luisteren in samenspraak met zijn Thaise respectievelijk Pakistaanse collega's proberen om zicht te krijgen op criminele organisaties, met name organisaties die in de richting van Nederland bezig zijn met de smokkel van verdovende middelen. We praten hier over stationeringen van liaison-officers in bronlanden, waar de verdovende middelen vandaan komen.

De voorzitter:

Doet u daar ook directe recherchefuncties in zo'n land, toen u daar zat?

De heer Theeuwes:

Neen, het woord «liaison» houdt het in feite al in: verbindingsofficier, het rechtstreeks uitoefenen van de recherchefunctie in de zin van het zelf doen van verhoren, het meegaan met een eventuele arrestatie, komt niet voor. De liaison-officer is niet bij het daadwerkelijke recherchewerk in die landen betrokken.

De voorzitter:

Maar een liaison-officer kan wel, zoals we gezien hebben - zij het misschien voor kortere tijd - in dat land een informant runnen?

De heer Theeuwes:

U gebruikt het woord «runnen». Ik zou dat eraf willen halen. Dan houden we over dat een liaison-officer wel eens in aanraking komt met een informant in het buitenland. «Runnen» heeft in de Engelse betekenis toch iets in zich van sturen en dan zit je toch al gauw in de richting van de infiltratie. Daar is hier al uitgebreid over gesproken. Ik zou het eerder willen noemen een gesprek met iemand, die zich op een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland waarvan bekend is dat er een liaison-officer zit - en wij zijn daar vrij open in - met een verhaal meldt dat hij wel kwijt wil maar die toch anoniem wenst te blijven.

De voorzitter:

Wat doet u met zo'n verhaal?

De heer Theeuwes:

Zo'n verhaal hoor ik aan. Het is natuurlijk een tijd geleden dat ik dat gedaan heb en ik rapporteer de inhoud, voorzover relevant en voorzover die kan aansluiten bij een Nederlands onderzoek richting Nederland. Noot

Veel informatie komt van lokale informanten, maar ook de liaison-officers onderling wisselen informatie uit.

 

 

De heer Theeuwes:

Ja, maar dat hoeft niet te beginnen met een informantenverhaal. Er zijn bijvoorbeeld organisaties onderzocht in samenwerking met de Thaise politie naar aanleiding van informatie die van een heel andere plek ter wereld kwam. De Royal Hongkong-police, waar wij in Thailand redelijk veel zaken mee deden, gaf bijvoorbeeld aan dat men van een informant hoorde dat een paar koeriers onderweg waren naar Bangkok om heroïne op te halen die vervolgens naar Nederland moest worden getransporteerd. Het logische gevolg van die informatie was dat, gezien de Nederlandse betrokkenheid, de Nederlandse liaison-officier daarbij werd ingeschakeld. In samenwerking met de Thaise politie werd geprobeerd de koeriers in Bangkok of elders op te sporen om vast te stellen op welk tijdstip ze naar Nederland zouden vertrekken. Noot

Ook de politiekorpsen komen via de ARI's met gerichte vragen op allerlei terreinen. De liaison-officer wordt wel gevraagd enige kleine observaties te verrichten in het gastland bijvoorbeeld het vaststellen van het vertrek van een persoon van de luchthaven. Ook het volgen van verdachten en informanten in Nederlandse onderzoeken komt voor. Tevens hebben zij een feitelijke CID-status zodat zij de verkregen informatie eventueel gecodeerd kunnen doorgeven aan de LCID.

 

 

 

De voorzitter:

Wanneer wordt iemand nu bij de CRI als informant ingeschreven in zo'n situatie?

De heer Theeuwes:

In zo'n situatie vindt een inschrijving plaats bij de CRI, waarbij aan het hoofd van de afdeling, in dit geval de heer Barendregt, bekend wordt gemaakt wie het is die zich met een hoeveelheid informatie gemeld heeft. Dat is een zogenaamd informantendossier A. Vervolgens komt de informatie van die informant in aanvulling op die personalia richting Nederland en komt in een apart dossier terecht. Ik noem hem echter «getuige», omdat ik het «runnen» er even af wilde halen.

 

De voorzitter:

Maar het is toch geen getuige, want hij wil het voorlopig alleen aan u vertellen.

De heer Theeuwes:

Hij wenst anoniem te blijven en op datzelfde moment zou je kunnen zeggen, dat er sprake is van een informant. Ik wilde echter even een onderscheid maken tussen het luisteren naar een verhaal in het buitenland dat op een liaison-officer afkomt en het «runnen» van een informant in het buitenland. Ik denk, dat daar een wezenlijk verschil tussen zit. Noot

Op het moment zijn bij de Afdeling liaisons van de CRI twee liaison-officers in opleiding die «bijzondere opdrachten» in specifieke zaken kunnen verrichten in landen zonder een post. Bovendien hebben ook andere Nederlandse diensten de beschikking over eigen mensen in het buitenland. Zo hebben de BVD en de Immigratie- en Naturalisatiedienst in diverse landen eigen verbindingsofficieren. Ook het Douane Informatie Centrum (DIC) heeft liaison- officers in het buitenland te weten één in Parijs, één in Bonn en binnenkort één in Londen.

7.5.6 Beoordeling

De commissie is van oordeel dat er nauwelijks controle is op de rechtmatigheid van de uit het buitenland verkregen informatie. Bij het omgaan met uit het buitenland afkomstige informatie wordt gehandeld naar het vertrouwensbeginsel. Controle is derhalve niet gebruikelijk. De commissie acht dit een onwenselijke situatie omdat de informatie ook door uitlokking kan zijn verkregen. Een gezond wantrouwen is hier naar het oordeel van de commissie op zijn plaats. De commissie is van oordeel dat alle politie-informatie aan en van de korpsen eerst de CRI moet passeren. De CRI dient de waarde van de informatie te toetsen. De buitenlandse opsporingsinformatie dient alszodanig herkenbaar te zijn.

De commissie is van oordeel dat de inzet van buitenlandse infiltranten slechts toegestaan is met instemming vooraf door de landelijk CRI-officier van justitie en onder regie van de CRI. De identiteit van de buitenlandse infiltrant moet in ieder geval bij het hoofd van de ANCPI bekend zijn.

De commissie is van oordeel dat de samenwerking tussen de Nederlandse opsporingsdiensten en buitenlandse opsporingsdiensten (in het bijzonder de DEA en het BKA) een nadere reglementering behoeft voor wat betreft het gebonden zijn aan Nederlandse regels en rapportage aan Nederlandse instanties.


HOOFDSTUK 8 OPSPORINGSORGANISATIES EN INLICHTINGENDIENSTEN

 

8.1 Inleiding

De commissie heeft onderzoek gedaan naar de structuur en het functioneren van de verschillende organisaties die een rol spelen tijdens de opsporing. De inzet van opsporingsmethoden hangt immers samen met de organisatie van de diensten die zich bezighouden met de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Derhalve komen in dit hoofdstuk de criminele inlichtingendiensten (CID-en), de tactische recherche, de kernteams, verschillende ondersteunende diensten, enkele grote bijzondere opsporingsdiensten en de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) aan de orde. In het rapport van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden zijn vele vragen opgenomen over de organisatie en het functioneren van deze eenheden. Voor een uitgebreidere beschrijving en analyse van het functioneren van deze organisaties verwijst de commissie naar bijlage 6 Organisaties van de opsporing. In dit hoofdstuk komen de belangrijkste bevindingen aan de orde, gevolgd door beoordelingen.


8.2 Criminele inlichtingendiensten

 

8.2.1 Inleiding

Informatie vanuit de criminele wereld is altijd belangrijk geweest voor het werk van politie en justitie. Vanaf de jaren zeventig wordt op een systematische manier criminele informatie verzameld. Het leggen en onderhouden van contacten met informanten en het op andere wijze verzamelen van criminele informatie, door bijvoorbeeld observatie, wordt in de loop der tijd meer en meer werk voor specialisten. Sinds het begin van de jaren zeventig is sprake van aparte criminele inlichtingendiensten (CID-en).

De commissie heeft onderzoek gedaan naar de CID-en in Nederland. Bij alle regionale politiekorpsen, de CRI en de kernteams zijn interviews gehouden en documenten verzameld. In zes korpsen is meer intensief onderzoek gedaan naar de organisatie en het functioneren van de CID-en. De CID van de Koninklijke marechaussee is eveneens onderwerp van onderzoek geweest. Een aantal bijzondere opsporingsdiensten beschikt over een soort CID. De commissie stelt dit eveneens aan de orde. De bevindingen op basis van zowel dit onderzoek als de verhoren worden hieronder weergegeven.

 

8.2.2 Organisatie

 

Verschijningsvormen en juridische basis

Alle 25 regionale politiekorpsen beschikken over een CID. Deze vinden hun juridische basis in artikel 4 Besluit beheer regionale politie (BBRP) en de daarop gebaseerde CID-regeling 1995. Het onderzoek door CID-en heeft echter geen expliciete wettelijke basis. De gegevens van de CID-en dienen te worden verwerkt, opgeslagen en uitgewisseld conform de Wet politieregisters en het daarop gebaseerde CID-privacy reglement. Noot Op landelijk niveau bestaat een Nationale criminele inlichtingendienst (NCID) bij de divisie Centrale recherche informatie (CRI). Alle CID-en dienen zogenaamde CID-subjecten, grijze-veld-subjecten, informantencoderingen en overige relevante informatie Noot aan te melden bij de NCID. Noot Kernteams hebben formeel geen toegang tot CID-informatieregisters, zij missen de zogenaamde CID-status (waarmee de verstrekkingsgerechtigheid op grond van artikel 10 en 11 CID regeling 1995 wordt bedoeld). Per kernteam zijn afspraken gemaakt over de verhouding tussen de regionale CID en de medewerkers van het kernteam die CID-informatie verwerken en verzamelen. Daarmee kunnen de kernteams feitelijk alle CID-activiteiten uitvoeren.

Verschillende bijzondere opsporingsdiensten ontplooien sinds een aantal jaren activiteiten die binnen de politie door een CID worden verricht, ook al is daar nog geen wettelijke basis voor. Met name de Algemene inspectie dienst (AID) en de Economische controle dienst (ECD) hebben in samenspraak met de CRI een CID opgezet.

De Koninklijke marechaussee en de Divisie mobiliteit van het Korps landelijke politiediensten beschikken op
basis van artikel 1 van de CID-regeling 1995 over een CID. Het verlenen van de CID-status aan de Rijksrecherche is nog voorwerpwerp van onderhandelingen tussen de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie.

 

Taak

De taak van de criminele inlichtingendiensten is, conform artikel 2 CID-regeling 1995, het bevorderen van: ade opsporing van misdrijven, die gezien hun ernst of frequentie dan wel het georganiseerd verband waarin ze worden gepleegd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken;bde opsporing van natuurlijke en rechtspersonen die zich aan deze misdrijven schuldig maken of hebben gemaakt;chet voorkomen van dergelijke misdrijven;dhet inwinnen van gegevens omtrent de financiële situatie van de natuurlijke en rechtspersonen, genoemd onder b.

De taak van de CID-en laat zich het best omschrijven als het systematisch en gericht inwinnen van gegevens over ernstige criminaliteit en de (potentiële) daders daarvan.

 

De voorzitter:

Hoe vergaart u die informatie?

De heer Van Teijlingen:

Door met allerlei mensen te praten en te trachten van hen informatie te verkrijgen.

De voorzitter:

Alleen praten? Of doet u nog méér dan praten?

De heer Van Teijlingen:

Wij praten alleen met bronnen.

De voorzitter:

Behalve praten doet u niets anders?

De heer Van Teijlingen:

Nee. Noot Het inlichtingenwerk is de taak van de CID; de bewijsvoering is de taak van de tactische recherche. Het geheime inlichtingenwerk is niet bedoeld om ter zitting aan de orde te komen, maar moet gegevens opleveren om de opsporing te sturen. Noot Deze sturing krijgt vorm in de beslissing welk onderzoek wordt aangevat en welke richting een lopend onderzoek op moet. Deze gegevens kunnen door de inzet van verschillende opsporingsmethoden worden vergaard, zoals het werken met informanten, observeren, analyseren van informatie uit oude onderzoeken, en het vergaren van financiële informatie. Noot

De voorzitter:

U bent dan toch aan het opsporen? U bent toch niet informatie aan het verzamelen om een mooi boek te schrijven? Het gaat er toch om, daarmee verdachten goed in kaart te brengen en het tot een veroordeling te laten komen?

De heer Van Teijlingen:

Jawel, maar ik maak onderscheid tussen het vergaren van informatie en het aandragen van informatie aan de mensen die daar vervolgens tactisch mee aan het werk moeten. Die opsporingstaak vervullen wij, als CID, dus niet.

De voorzitter:

Als de criminele inlichtingendienst geen opsporing verricht, wat doet ze dan wel?

De heer Van Teijlingen:

Het vergaren van zoveel mogelijk informatie, ten behoeve van anderen.

De voorzitter:

En is ze dan niet aan dezelfde regels gebonden, als opsporingsambtenaar?

De heer Van Teijlingen:

De RCID gaat niet daadwerkelijk zelf wat met die informatie doen. Daar gaan anderen mee aan de slag. Of die informatie voldoende is om daar een opsporingsonderzoek mee te starten, is iedere keer weer verschillend. Daar beslist een tactisch teamleider over, in overleg met zijn officier van justitie.

De voorzitter:

Maar u bent toch al aan het opsporen?

De heer Koekkoek:

In ruime zin genomen.

De voorzitter:

Zonder u is er vaak helemaal geen opsporing.

De heer Van Teijlingen:

Naast het CID-matig vergaren van informatie wordt er natuurlijk ook op andere manieren informatie vergaard.

De voorzitter:

Goed, maar u bent een belangrijk element waar het gaat om de zware criminaliteit. Zonder dat u bepaalde informatie aandraagt, kan er niet verder worden opgespoord. U bent dan toch deel van de opsporing?

De heer Van Teijlingen:

In het grote geheel maak ik daar deel van uit, maar ik maak voor mijzelf een verschil tussen zelf opsporen en niet zelf opsporen. Noot

CID-rechercheurs zien het als hun eerste verantwoordelijkheid hun bronnen van informatie te beschermen. Beschermen zij die niet, dan is de kans groot dat de bronnen snel opdrogen. Het antwoord op de vraag «hoe maken we de CID-informatie operationeel» of anders gezegd «hoe vertellen we het de tactische recherche zonder dat de informant risico loopt», beheerst hun handelen. Deze situatie heeft tot gevolg dat de CID niet altijd aan de behoefte aan informatie van de tactische recherche kan voldoen. Sommige informatie kan om veiligheidsredenen niet worden vrijgegeven. In de praktijk geven CID-rechercheurs informeel hints welke kant
een tactisch onderzoek op moet. Noot De CID werkt niet alleen in de proactieve fase, maar tevens in de tactische fase van onderzoeker. Veelal wordt slechts een deel van het CID-onderzoek overgedragen aan de tactische recherche en gaat de rest van het CID-onderzoek verder. Ook naast een gerechtelijk vooronderzoek vindt nog onderzoek door de CID plaats, de zogenaamde parallelle opsporing. Noot Politie en justitie hanteren veelvuldig de termen «CID-status» en «CID-matig». Niet altijd is duidelijk wat onder deze termen moet worden verstaan. In de CID-regeling wordt geen melding gemaakt van deze termen. Mosterd licht in het openbaar verhoor zijn visie op de term «CID-matig» toe:

 

 

De voorzitter:

Wij hebben al veel over de criminele-inlichtingendienst gesproken, maar u bent de eerste chef, puur, van een criminele-inlichtingendienst die wij verhoren. Wij hebben al vele malen gesproken over alle bijvoeglijke naamwoorden die er bestaan met het woord CID erin. Laat ik er met één beginnen: wat is CID-matig?

De heer Mosterd:

CID-matig is voor mij het inwinnen van inlichtingen, middels personen en middels methodieken, in een fase vóórdat er een opsporingsonderzoek is of in de fase parallel aan een opsporingsonderzoek.

De voorzitter:

En wat is er dan bijzonder aan?

De heer Mosterd:

Het bijzondere aan de opsporingsmethodieken is mijns inziens dat zij nog niet bij wet geregeld zijn en dat het methodieken zijn ten aanzien waarvan wij over het algemeen de wijze waarop wij die toepassen, zo min mogelijk aan de grote klok hangen.

De voorzitter:

Is dat een ander woord voor: geheim houden?

De heer Mosterd:

Ja.

De voorzitter:

Dus het woord «CID-matig» betekent niet zozeer: de informatieve voorfase of de proactieve fase, zoals die ook wel genoemd is. Het wezenlijke kenmerk is in feite dat je, naast bijvoorbeeld een tactisch onderzoek, een CID-traject hebt waar de dingen geheimer gebeuren?

De heer Mosterd:

Ja, zo interpreteer ik het in ieder geval wel en zo hebben wij het ook in onze regio georganiseerd. Ik heb ook gehoord van andere korpsen waar tactische teams bijzondere opsporingsmethodieken hanteren, maar in Hollands Midden is het zo georganiseerd dat al die bijzondere opsporingsmethodieken zoals wij ze nu noemen, in feite door de CID worden uitgevoerd, c.q. met behulp van anderen worden uitgevoerd. Noot

In de meeste gevallen wordt in verband met de CID-status het in artikel 10 en 11 CID regeling 1995 bepaalde bedoeld, te weten de toegang tot CID-registers en de aanspraak op verstrekking. Noot De politieministers kunnen op grond van artikel 24 CID-reglement andere organisatorische eenheden aanmerken als CID. Daarmee krijgen deze eenheden de reeds genoemde CID-status. Voorzover bekend hebben de ministers van deze bevoegdheid nog geen gebruik gemaakt.

 

Organisatievormen en opleiding

Er bestaat geen standaard CID-organisatie. Grote verschillen bestaan tussen de CID-en van de regiokorpsen. Soms bestaat in een politiekorps alleen een CID op regionaal niveau, soms ook op districtsniveau. In enkele regio's is de CID volledig gedecentraliseerd. Soms is het observatieteam (OT) of de sectie technische ondersteuning (STO) onderdeel van de CID.

Binnen elke CID zijn in ieder geval runners, misdaadanalisten en administratief personeel werkzaam. Een runner is de contactpersoon van een informant bij de CID. De omvang van een CID varieert van 5 tot ruim 80 personen, al naar gelang onderdelen als het OT en het STO organisatorisch onder de CID vallen. De CID-chef vertegenwoordigt de CID naar buiten. Hij verstrekt de criminele inlichtingen, zowel binnen als buiten het korps, en voert overleg met de chef van de tactische recherche over de te gebruiken informatie. CID-rechercheurs zijn politie-ambtenaren in de rang van hoofdagent of brigadier. Deze politieambtenaren dienen een zekere recherche-ervaring te hebben. De opleiding van CID-rechercheurs bestaat uit een sedert 1986 gegeven module «Criminele inlichtingendiensten» op de Rechercheschool. Deelname aan de cursus is niet verplicht gesteld voor CID-rechercheurs.

 

Nationale coördinatie

De Begeleidingscommissie CID heeft gedurende een aantal jaren getracht coördinatie te bewerkstelligen in de activiteiten en de organisatie van de CID. Noot Zij heeft in haar bestaan (1986-1993) vele adviezen gegeven over het functioneren van de CID. Inmiddels is de Raad van Advies voor de CID ingesteld. Deze raad dient de ministers van adviezen te voorzien.
Bovendien organiseert de Raad van Hoofdcommissarissen ter nationale coördinatie twee keer per jaar themadagen, waarop inhoudelijke en organisatorische thema's worden behandeld. In hoeverre deze overlegorganen daadwerkelijk aan enige coördinatie hebben bijgedragen is onduidelijk. Zij beschikken over geen enkele bevoegdheid. Wel bieden zij een forum om standpunten en informatie over het functioneren en de organisatie van de CID uit te wisselen.

 

8.2.3 Zaken

Uitgangspunt is dat de CID-chef, de tactische chef en de officier van justitie zware criminaliteit besluiten welke zaken worden aangepakt. In een aantal zaken heeft de CID door de beperkte oriëntatie van de runners en de eenzijdigheid van het informantenbestand weinig te bieden. De CID heeft primair aandacht voor het klassieke criminele milieu, waarbij de drughandel nog steeds het belangrijkste aandachtsgebied is. Voor het aanpakken van andere zaken bestaat onvoldoende kennis bij de huidige CID-en. De informanten van de CID hebben voornamelijk informatie over drugcriminaliteit en de vermogens- en geweldscriminaliteit (overvallen, inbraken, wapens en dergelijke). De CID-en beschikken nauwelijks over informanten in andere sectoren van de georganiseerde criminaliteit. Dit kan ook te wijten zijn aan het feit dat bevindingen op andere dan traditionele gebieden moeilijk kunnen worden afgezet binnen het regiokorps en de inspanningen derhalve geen vervolg krijgen. De CID-en zijn zich er wel van bewust dat ook aan andere typen criminaliteit aandacht moet worden besteed. Slechts enkele CID-en zijn daartoe daadwerkelijk in staat.

 

 

De voorzitter:

Dus de verhalen van: «we gaan het nu heel anders doen met de CID», dat is in de praktijk nog niet zo. De basis van uw werk is nog steeds wat u uit het criminele milieu hoort?

De heer Mosterd:

Wij proberen daar nu wat meer koers aan te geven. Een bekend probleem bij de CID was - het is het ten dele nog steeds, maar het was het zeer zeker - dat het terechte verwijt werd gemaakt: de

informant runt, managed de CID en bepaalt waar de politie achteraan loopt. Door betere afspraken, betere procedures, zie je nu dat wij proberen de beleidsdoelstellingen van het korps te volgen. Het is in dit verband grappig dat ik, voordat ik hier naartoe kwam, nog een managementrapportage zat door te nemen, waarin wij ook dit jaar proberen de bedrijfsvoering wat beter te verwoorden. Daarin zie je dan bijvoorbeeld dat wij op het item woninginbraken zoveel informantengesprekken hebben gehad en op het item roofovervallen zoveel informantengesprekken. Op die manier proberen wij eigenlijk zelf veel meer de regie te bepalen. Noot Desondanks fungeert de CID als een belangrijke bron voor de aanvang van recherche-onderzoeken.

 

De voorzitter:

Hoeveel van de grote zaken worden in Amsterdam gestart op basis van CID-informatie?

De heer Van Looijen:

Vrijwel alle. Noot

Runnen van informanten Noot

Het CID-werk bestaat voor een groot deel uit het onderhouden van contacten met informanten. Dit gebeurt door twee runners per informant. De CID-chef heeft het laatste woord over de met de informant te maken afspraken en heeft de eindverantwoordelijkheid voor het runnen van de informanten.

 

 

De voorzitter:

Hoeveel informanten heeft u ongeveer ingeschreven staan?

De heer Van Teijlingen:

Ik denk om en nabij de 400.

De voorzitter:

Hoeveel daarvan runt u actief?

De heer Van Teijlingen:

In principe worden zij allen gerund, met dien verstande dat er mensen zijn die je vier keer in de week spreekt en dat er mensen zijn waar je maar één keer in de maand mee spreekt. Noot

Tot voor kort runden CID-chefs ook wel zelf informanten, maar de overtuiging is dat de chef zich daar niet mee bezig moet houden. De runners geven aanwijzingen aan de informant hoe zich te gedragen en omtrent de aard van de gewenste inlichtingen. De runners zeggen tegen hun informanten dat zij geen strafbare feiten mogen plegen. Gebeurt dat wel, dan is dat geheel voor eigen verantwoordelijkheid en lopen de informanten het risico dat zij strafrechtelijk worden vervolgd. De CID-en zijn zich ervan bewust dat informanten wel degelijk strafbare feiten plegen. Incidenteel wordt een informant geobserveerd door een OT teneinde zijn betrouwbaarheid te kunnen toetsen.

Vastlegging en verstrekking gegevens Noot


Binnen een CID worden verschillende administraties gevoerd: de computer van de individuele rechercheur, informantendossiers, journaals, CID-informatierapporten (zogenaamde 4x4-tjes), het grijze-veld-register en het CID-register. De inhoud van deze archieven varieert per CID. Noot Over de manier waarop aan de informatie is gekomen, dus over de inzet van opsporingsmethoden, is nauwelijks iets vastgelegd in deze administraties. Niet alle personen die informatie geven aan de CID staan geregistreerd als informanten; zogenaamde «ééndagsvliegen» en bovenwereldvertegenwoordigers worden vaak niet als informanten ingeschreven. Contacten van CID-runners worden slechts ten dele vastgelegd. De in de praktijk gehanteerde criteria voor de inschrijving van informanten zijn onduidelijk. Politieambtenaren bleken soms ingeschreven te zijn als informanten. Het is evenmin duidelijk op basis van welke criteria iemand «grijze veld»-subject danwel CID-subject wordt.

 

 

De voorzitter:

Wanneer wordt men CID-subject? Wie beslist of bijvoorbeeld ik CID-subject word en in de bak terechtkom?

De heer Van Teijlingen:

Als er informatie binnenkomt of er is al informatie in het bestand, dan wordt met ons besproken of iemand al of niet tot CID-subject dan wel tot grijze-veldsubject bestempeld mag worden.

De voorzitter:

Wanneer word je grijze-veldsubject?

De heer Van Teijlingen:

Dat word je als er aanleiding zou kunnen zijn om te gaan veronderstellen dat betrokkene in aanmerking zou kunnen komen voor het zijn van CID-subject. Dus dat is op zichzelf maar heel flinterdun.

De voorzitter:

Is het zo dat je grijze-veldsubject wordt als er één keer informatie binnenkomt, zelfs als het dun is, en dat je CID-subject wordt nadat er twee keer informatie is binnengekomen?

De heer Van Teijlingen:

Dat zou kunnen. Om aan te geven dat wij er voorzichtig mee omgaan, zal ik wat aantallen geven. In het CID-register dat wij nu hanteren gaat het binnen onze regio om 250 grijze-veldsubjecten op een totaal van bijna 10.000 CID-subjecten.

De voorzitter:

Bespreekt u met de officier van justitie of iemand nieuw aan het bestand wordt toegevoegd?

De heer Van Teijlingen:

Nee, die beslissing wordt niet met de CID-officier besproken. Noot De CID-regeling 1995 geeft een erg ruime omschrijving van de begrippen CID- en «grijze-veld»-subject. Soms is het spuiten van «graffiti» voldoende; soms dient het subject zich ten minste schuldig te maken aan zware criminaliteit. In de praktijk worden de registers voor alle typen strafbare feiten en de daders daarvan gebruikt.

De voorzitter:

U bent praktisch, de laatste vijf, zes jaar, steeds bezig geweest met het CID-werk. Maakte u nu de keuze wie er wel of niet in kwam, deed de runner dat of deed Dros, als uw chef, dat? Hoe gaat dat in de praktijk?

De heer Van Steeg:

Dan moet ik iets vertellen van de organisatie in Utrecht. Wij zitten in een nieuwe organisatie en werken als CID in vier verschillende clusters: eentje Oost, eentje West en eentje stad - dat zijn de clusters waar de informatie ingewonnen wordt - en wij hebben een centraal cluster in Zeist: voorlopig nog in Zeist; dat gaat binnenkort naar Soest. Dat is het hart van onze CID; daar wordt alle informatie opgeslagen en vastgelegd. Aan de drie verschillende clusters hebben wij een CID-verwerker; onder mijn verantwoordelijkheid werkt dus één CID-verwerker. Die voert het in; die is daartoe opgeleid, kan ook goede inschattingen maken en in twijfelgevallen overlegt hij het met mij. Daarnaast hebben wij centraal, in Zeist, de verwerker zitten, waar een hele hoop informatie binnenkomt van buiten de CID-inwinning: het wordt bijvoorbeeld van buiten, van andere CID'en, bij ons ingeslagen. Daar zitten ook dezelfde mensen; die werken er ook weer onder verantwoordelijkheid van een teamleider CID. Misdaadanalyse is dat, een gecombineerde afdeling; het wordt er onder zijn verantwoordelijkheid ingevoerd.

De voorzitter:

Ziet u nu alle namen die er bij Utrecht-West ingaan?

De heer Van Steeg:

Ja, alle namen zie ik. Noot De gegevens van de CID worden geclassificeerd naar bron, betrouwbaarheid en bruikbaarheid. Dit gebeurt door de runners zelf. Controle van de gegevens vindt plaats door de afdeling verwerking en analyse. Een eenmaal gegeven waardering verandert zelden. De criteria voor classificering zijn subjectief, waardoor vergelijkbare gegevens in verschillende regiokorpsen verschillend worden geclassificeerd. De waarde die toegekend kan worden aan CID-informatie is niet altijd duidelijk:

De heer Van Duyne:

CID-gegevens zijn richtingaanwijzers, zoals ANWB-richtingaanwijzers. Zij geven aan: daar is iets aan de hand. Zij zijn voor de politie onmisbaar, van grote waarde. Daarop is echter geen wetenschappelijk onderzoek te gronden. Al te vaak het ik CID-gegevens gezien die twee daders voor één dode aanwezen, om maar eens wat te noemen. Of een CID-verhaal over een bepaalde organisatie die achteraf geen organisatie bleek te zijn, maar een soort van conglomeraat met aan het hoofd een man van eer die waardig als


een soort van godfather rondliep. Als je achteraf kijkt wat ervan overeind blijft, constateer je dat het heel gemengd is. (...) Noot
Informatie wordt door de CID zowel mondeling als schriftelijk aangeboden aan de tactische recherche. Als de tactische recherche CID-informatie wil gaan gebruiken, en dat dus de basis voor verder onderzoek vormt, met name voor de inzet van dwangmiddelen, wordt door de CID een schriftelijke rapportage verstrekt. Deze schriftelijke informatie wordt zelden toegevoegd aan het strafdossier voor de zitting.

 

De voorzitter:

Wat is er dan in de jaren daarvoor misgegaan?

De heer Van Looijen:

Nu, als er CID-informatie was, werd dat bijvoorbeeld verstrekt aan een operationele dienst, een tactisch team, en die verwoordde dan in het proces-verbaal zelf welke CID-informatie binnen was gekomen bij de chef CID.

De voorzitter:

De tactische recherche maakte dus het proces-verbaal voor de CID?

De heer Van Looijen:

Ja.

De voorzitter:

In welke gevallen heeft dat gespeeld?

De heer Van Looijen:

In elk geval waarin CID-informatie operationeel werd gebruikt.

De voorzitter:

Altijd?

De heer Van Looijen:

Ja.

De voorzitter:

Dus het proces-verbaal waarboven stond «Uit CID-informatie is ons gebleken», was niet opgemaakt door de CID?

De heer Van Looijen:

Dat klopt.

De voorzitter:

Zo ging het altijd in Amsterdam?

De heer Van Looijen:

Ja.

De voorzitter:

Tot wanneer gebeurde het zo?

De heer Van Looijen:

Tot januari 1993.

De voorzitter:

Betekent het dat er eigenlijk processen-verbaal zijn gemaakt die niet kloppen?

De heer Van Looijen:

Nu, de tactische recherche verwoordde wat er bij de chef CID binnengekomen zou zijn. Het kwam wel voor dat dit later werd bekeken, tijdens de rechtszitting of zo, en dat dan bleek dat die informatie niet bij de CID was.

De voorzitter:

Betekent dit ook dat de tactische recherche in Amsterdam in feite de eigen informanten runde en dat dan onder de CID bracht?

De heer Van Looijen:

Ja, dat is gebeurd, maar het kwam ook wel eens voor dat ze het niet onder de CID brachten, maar op het CID-formulier vermeldden. Noot

CID-gegevens worden pas in een proces-verbaal weergegeven op het moment dat dit voor het begin en het vervolg van het tactisch onderzoek nodig is. CID-gegevens worden in het algemeen gehanteerd als informatie om het opsporingsonderzoek te (kunnen) sturen, soms als ondersteunend bewijs, maar slechts zelden als direct bewijsmiddel.

 

8.2.4 Samenwerking

 

Tactische recherche - CID

Opsporingsmethoden die tijdens het tactisch onderzoek zijn ingezet, moeten in processen-verbaal en op de zitting kunnen worden verantwoord. De rechter stemt er veelal mee in dat opsporingsmethoden die ingezet zijn in het CID-traject onbekend blijven. De bron van de informatie behoeft van de rechter vrijwel nooit openbaar gemaakt te worden. Al is de tendens te onderkennen dat rechters in toenemende mate willen weten met behulp van welke methode de informatie verkregen is.

De relatie tussen de tactische recherche en de CID is complex en in veel gevallen moeizaam. De CID weet vaak meer dan de tactische recherche. Vanwege de bescherming van de bron is het volgens de CID in voorkomende gevallen niet mogelijk de informatie te verstrekken aan de tactische recherche, die zich daardoor geschaad kan voelen. Ook kan het voorkomen dat de CID niet de informatie heeft die de tactische recherche nodig heeft. De CID richt zich soms op andere informatie dan waaraan bij de tactische recherche behoefte bestaat. Ten slotte speelt de geheimzinnigheid van de CID ten opzichte van de openheid van de tactische recherche een rol in de soms moeizame onderlinge verhoudingen.

 

Samenwerking met andere CID-en


Tot voor kort bestond bij veel CID-en een grote terughoudendheid met betrekking tot onderlinge samenwerking. Deze terughoudendheid werd onder meer veroorzaakt doordat de CID-en zich voornamelijk beperken tot lokale en regionale criminaliteit en derhalve de behoefte tot samenwerking niet gevoelden. Soms leidde de beperkte samenwerking tot het dubbel runnen van informanten en het niet beschikken over relevante informatie. Deels ook werd de terughoudendheid veroorzaakt doordat de CID-en de informatie voor zichzelf wensten te houden. Het gevaar van het uitlekken van informatie werd te groot geacht.

 

 

De heer Rabbae:

In een eerder gesprek vertelde u dat u een prettige samenwerkingssfeer hebt in het ressort, dat u niet alleen landelijk, maar ook ressortelijk contact met elkaar hebt en dat u geen kiekeboe meer met elkaar speelt.

De heer Mosterd:

Dat is op zich al enorm verbeterd, maar ik merk, ook door dit hele gebeuren, dat wij toch nog terughoudend zijn tegenover elkaar als het er werkelijk om gaat, het achterste van je tong te laten zien.

De voorzitter:

Is dat terughoudendheid om de macht te houden, of omdat het zo gevaarlijk is als de informatie op straat ligt?

De heer Mosterd:

Beide redenen kunnen eraan ten grondslag liggen. Ik moet ook zeggen dat ik tot mijn spijt vaak genoeg problemen ontmoet wanneer ik, waar dat nodig is, meer mensen in vertrouwen neem. Dan is er niet zozeer sprake van corruptie, maar is het meer dat ik iets aan de teamleider van de tactische recherche vertel wat hij nodig heeft om zijn strategie te kunnen bepalen, en dat hij het weer vertelt aan een goede collega die naast hem staat. Dan zie je de informatie langzamerhand als een inktvlek het korps ingaan en weten ook mensen ervan die het volstrekt niet hoeven te weten. Op een gegeven moment is het dan zover dat het op een verjaardagspartijtje verteld wordt. Dan komt het bij de verkeerde mensen terecht. Daar maak ik mij wel zorgen over, dus over de professionele houding van de politie. Als ik een stuk informatie heb weggedaan, is het vaak een kwestie van tijd voordat het ergens anders opduikt. Noot

Deze terughoudendheid in de verstrekking van criminele informatie wordt ook geduid met het «need-to-know»- principe, in tegenstelling tot het «nice-to-know»-principe.
Na de reorganisatie van de politie is de informatie-uitwisseling beter op gang gekomen.

Nationale CID

De verschillende CID-en in Nederland dienen hun informatie betreffende CID-subjecten, grijze-veld-subjecten en gecodeerde informanten aan te melden bij de NCID. Deze nationale CID is gevestigd bij de CRI. Noot Tot voor kort deed slechts de helft van de regionale CID-en dat ook daadwerkelijk.

 

De heer Barendregt:

De CRI krijgt nooit alle informatie want het is in de eerste plaats bijna ondoenlijk om alle informatie te krijgen die een regio op regionaal niveau opslaat. Ook automatiseringstechnisch is dat al onmogelijk. In de tweede plaats hebben wij al afspraken gemaakt over de relevante informatie. Sterker nog: uit de CID-regeling blijkt, dat die informatie die van bovenregionaal belang is, gemeld moet worden. Dat gebeurt nog steeds niet voldoende, moet ik zeggen. Noot

Een gebrek aan vertrouwen en angst voor het uitventen van gegevens was daarvan de oorzaak. Inmiddels melden alle CID-en hun CID-subjecten aan bij de NCID.

 

De voorzitter:

Hoeveel slechte leveranciers waren er nog meer?

De heer Barendregt:

In die tijd, maar dan praat ik echt over de opbouw van de CID, waren dat met name de grote korpsen. Amsterdam had daar problemen mee.

De voorzitter:

Welke jaren spreken we nu?

De heer Barendregt:

Ik ben er in 1991 begonnen en Amsterdam was voor de landelijke CID op dat moment toch een min of meer blinde vlek.

De voorzitter:

Amsterdam, Kennemerland. Dan gaan we verder?

De heer Barendregt:

Dat zijn wel ongeveer degenen die eruit sprongen. De rest... variërend. Nu zit ik in de situatie dat we alle CID-subjecten krijgen. Ik wil dus niet verwijten naar die regio's toe, dat men niet heeft aangeleverd omdat men niet wilde maar voor welke regio's het ook onmogelijk was om aan te leveren. Men had een organisatie die dat niet aankon. Men had nog niet de computersystemen. Dus het voldoen aan de regeling om de CID te informeren, sterker nog om de verplichting om dat te doen, staat pas nu in de regeling van 1995.

De voorzitter:

Nu staat in de regeling CID dat de regionale CID's gegevens omtrent de CID-subjecten moeten aanleveren. Althans, van die waarvan het van nationale betekenis is.

De heer Barendregt:

Ja.

De voorzitter:

Doen alle CID's dat?


De heer Barendregt:

Alle CID's leveren nu hun informatie aan. Er zijn dus geen regio's meer die niet aanleveren. Op het gebied van de informantencoderingssystemen mis ik nog vijf of zes regio's.

De voorzitter:

Wie mist u nog?

De heer Barendregt:

Dan moet ik even kijken... Ik mis op dit moment nog de Gelderland-Midden CID; de Noord-Holland noord regionale CID; met de Midden- en West-Brabant CID is de afspraak gemaakt dat zij zouden aanleveren in week 37, als ik het goed heb; ik mis Brabant-Zuidoost, Limburg-Noord en Flevoland. Dat is dus op het gebied van de aanlevering van gecodeerde informanten. Noot

De NCID onderhoudt de CID-Subjecten-Index (CIDSI) Noot waarin de CID-en kunnen nagaan welk regiokorps informatie heeft over een bepaald CID-subject. Eind 1995 stonden ongeveer 60.000 CID-subjecten, 10.000 grijze-veld-subjecten, en 5.259 informanten ingeschreven.

De NCID voert geen controle uit op het aangeleverde materiaal. Wel kan informele controle uitgaan van de zogenaamde Afdelingen recherche informatie (ARI's). In 1992 heeft de CRI op vijf plaatsen in Nederland van deze steunpunten gevestigd, die onder meer zijn belast met de informatie-uitwisseling tussen de CRI en de regionale recherche-eenheden en de kernteams. Noot De commissie heeft geconstateerd dat drie ARI's zelf informanten runnen, veelal onder de vlag van de regionale CID.

 

Internationale samenwerking

De verstrekking van CID-informatie aan het buitenland vergt inschakeling van de landelijk CRI/CID-officier van justitie. Noot De commissie heeft kunnen constateren dat in sommige gevallen ook zonder toestemming van de landelijk CRI/CID-officier van justitie «zachte» informatie aan het buitenland wordt verstrekt. Van elk ingewilligd verzoek tot het zelfstandig verstrekken van inlichtingen door de politie aan het buitenland dient een aantekening te worden gemaakt in een met het oog daarop aangelegd register. Noot Het is niet bekend of elk korps een register heeft en of hierin consequent aangetekend wordt. Informatie vanuit het buitenland wordt niet systematisch getoetst op de herkomst. Veel uit het buitenland afkomstige informatie krijgt een hoge betrouwbaarheidsevaluatie. Het is de politie niet altijd duidelijk met behulp van welke methode informatie is verzameld.

 

8.2.5 Sturing en controle

 

Openbaar ministerie

De controle van de CID door de CID-officier van justitie varieert. Sommige CID-officieren van justitie controleren de beslissingen van de CID-chef marginaal. Andere CID-officieren van justitie zijn zeer direct betrokken bij allerlei CID-operaties. Slechts zelden heeft een CID-officier van justitie inzage in het informantenregister. De commissie constateert een ontwikkeling naar een actievere rol van de CID-officier van justitie.

 

 

De voorzitter:

In hoeverre kunt u als officier het beleid van de CID bepalen?

De heer De Groot:

Ik wil het wel.

De voorzitter:

Dat begrijp ik, maar kunt u het ook?

De heer De Groot:

Ik probeer het. Dat is weer een stap verder. En of ik het kan? Dan moet ik uiterst bescheiden zijn.

De voorzitter:

Dus u kunt het eigenlijk niet.

De heer De Groot:

Niet in de mate zoals ik zou willen.

De voorzitter:

Wat kunt u niet wat u wel zou willen?

De heer De Groot:

Ik vind dat een CID als onderdeel van de politieorganisatie ondersteunend is aan de recherchetaak. De recherchetaak is gericht op criminaliteitsbestrijding. De prioriteiten daarvan worden deels landelijk maar ook lokaal bepaald. Ik vind dat de inzet van de CID eigenlijk de prioriteiten dient te volgen, zoals die door het bevoegd gezag worden vastgesteld. Als ik het via de andere kant mag benaderen: een CID moet niet voor zichzelf werken, moet geen informatie verzamelen om maar informatie te hebben; een CID moet ook niet achter de informanten aanlopen; een CID moet gericht investeren in de projecten die door het bevoegd gezag zijn uitgekozen in het kader van de prioriteitenstelling. Noot

De heer Vos:

De heer Dros heeft gezegd dat u ook regelmatig in de CID-bestanden kijkt. (...) Hoe maakt u de afweging om eens een keer door te prikken?

Mevrouw Gonzales:

Net hoe het uitkomt, dat is een beetje afhankelijk van de ontwikkelingen. Een keer in de
week hebben wij een vast overleg met de CID. Als het enigszins kan, kijk ik van tevoren alvast wat journalen door, zodat zij niet alleen maar feiten hoeven te vertellen die zij al hebben genoteerd. Dan kunnen wij er wat op doorgaan. Dat is dus minstens een keer per week.

De heer Vos:

Hoe vaak hebt u het afgelopen anderhalf jaar in het CID-bestand gekeken? Is dat een, twee of drie keer?

Mevrouw Gonzales:

Nee, talloze keren. Ik zou niet eens weten hoe vaak.

De heer Vos:

Talloze keren.

De heer De Graaf:

Het CID-bestand is iets anders dan een informantenbestand.

Mevrouw Gonzales:

Exact. Het is goed dat u het zegt.

De heer De Graaf:

Wij praten nu over het CID-subjectenbestand.

Mevrouw Gonzales:

Ik doel met name op journaals en dergelijke, maar datgene waarvoor de heer Van Traa is gekomen, dat ga ik natuurlijk niet talloze keren bekijken.

De heer De Graaf:

Hebt u weleens in het informantenbestand gekeken?

Mevrouw Gonzales:

Ja.

De heer De Graaf:

Kent u de namen van de informanten?

Mevrouw Gonzales:

Ja, die ken ik.

De voorzitter:

Kent u de aliassen of de echte namen van de informanten?

Mevrouw Gonzales:

Ook de echte naam. (...) De namen zijn mij verteld door de chef CID, de heer Augusteijn. Ik heb nooit de moeite genomen om het per persoon na te zoeken. Ik kijk alleen op de bijnamen. Noot

Desondanks constateert de commissie dat het OM de CID slechts zelden daadwerkelijk stuurt en controleert. Ook voor het OM blijft het functioneren van de CID ondoorzichtig. Hoewel daarin verandering lijkt te komen, is de sturing en controle door het OM in het verleden onvoldoende geweest. In voorgaande hoofdstukken heeft de commissie verschillende voorbeelden gegeven tot welke problemen gebrek aan sturing en controle leidt. Officieren van justitie geven nauwelijks kaders voor het CID-werk. Het regelmatige contact tussen CID-chef en CID-officier van justitie geeft aanleiding om bekendheid met elkaars standpunten over de inhoud van het CID werk, toestemmingsprocedures, verslagleggingen, enzovoort te veronderstellen. Echter, tijdens dit contact worden slechts mondjesmaat concrete aanwijzingen over te volgen onderzoekslijnen gegeven. Het is voornamelijk een kwestie van bijpraten. CID-officieren van justitie stellen zelf dat hun sturings- en controlemogelijkheden beperkt zijn. De CID-chef beschikt over alle relevante informatie; de CID-officier van justitie is derhalve afhankelijk van hetgeen hem/haar wordt verteld. De commissie constateert dat enkele CID-chefs de CID-officieren van justitie onvolledig en onjuist hebben ingelicht. De commissie constateert tevens dat CID-officieren van justitie onvoldoende hebben doorgevraagd. Overbelasting, waardoor onvoldoende tijd aan de CID kan worden besteed, speelt op een aantal parketten zeker een rol. Het gebrek aan sturing en controle is te wijten aan zowel de CID als het OM.

Een complicerende factor wordt gevormd door het feit dat binnen het OM meer officieren van justitie met dezelfde zaak bezig zijn, te weten een CID-officier en een zaaksofficier en in geval van een kernteamonderzoek ook nog een kernteamofficier. De CID-officier van justitie heeft soms meer informatie dan de zaaksofficier van justitie. Indien de CID-officier onvoldoende is ingelicht, geldt dat al helemaal voor de zaaksofficier van justitie. De afspraken tussen de CID-chef en de CID-officier van justitie worden zelden in een door beiden geaccordeerd document vastgelegd. Steeds vaker leggen de afzonderlijke functionarissen de afspraken voor zichzelf vast. In één geval heeft de commissie vastgesteld dat de CID-chef Van der Putten telefoongesprekken met de CID-officier van justitie en anderen opnam, zodat zij achteraf als bewijs konden dienen bij verschillen van mening.

 

Korpsleiding

Veel korpschefs hebben weinig aandacht gehad voor de ontwikkeling van het CID-werk. De verantwoordelijkheid voor de recherche en de CID is gedelegeerd aan enig lid van de korpsleiding.

 

De voorzitter:

Heeft de korpsleiding zich ooit wel eens met deze praktische dingen beziggehouden?

De heer Van Steeg:

Niet in die zin dat de korpsleiding gekeken heeft: is dit nu een CID-subject, of een opvraag heeft gedaan van een CID-subject en daar inhoudelijk naar gekeken heeft. Maar de korpsleiding heeft zich bijvoorbeeld heel uitdrukkelijk bemoeid met het moment waarop het geautomatiseerd ging worden en met het moment waarop wij de nieuwe organisatie ingingen en op verschillende locaties de informatie in gingen kloppen. U kunt zich immers voorstellen dat dit gaat via telefoonlijnen die beveiligd moeten worden. De heer Wiarda heeft zich daar zeer persoonlijk en nadrukkelijk mee bemoeid.

De voorzitter: Ik bedoel:

met het praktische werk?

De heer Van Steeg:

Nee.


De voorzitter:

U heeft zich in een ander verband nog wel eens wat krasser uitgelaten over het verstand dat de korpsleiding heeft van het CID-werk.

De heer Van Steeg:

Ja.

De voorzitter:

Hoe kras was?

De heer Van Steeg:

Dat was zo kras dat ik zei, dat Jan Wiarda veel verstand heeft van het managen van ons korps en ik van het CID-werk, en dat wij het ieder op ons eigen vlak moeten doen. Ik denk dat dit heel goed werkt. Uiteraard heeft hij wel de taak van controleren en daar heeft hij weer een afdelingschef voor.

De voorzitter:

Als hij er helemaal geen verstand van heeft, hoe kan hij, Wiarda, uw hoofdcommissaris, het dan controleren?

De heer Van Steeg:

De grote lijnen moet hij natuurlijk weten, maar van het werk op de werkvloer hoeft hij, in mijn beleving, maar ten dele te weten. Boven mij zit nog een afdelingschef die mij weer kan controleren. Noot

Inmiddels hebben verschillende korpschefs hun verantwoordelijkheid opgepakt.

 

De voorzitter:

Sinds wanneer bent u direct betrokken bij het onderwerp zwaar georganiseerde criminaliteit? Ik vraag dit omdat veel korpschefs deze achtergrond niet hebben.

De heer Straver:

Dat klopt en dat geldt ook voor mij. Ik was vooral bezig met veiligheid in mijn stad en mijn regio. Betrokkenheid bij de zware en georganiseerde criminaliteit was op afstand en is pas na de IRT-affaire heel intensief geworden [...] Noot

Het is daarbij de vraag of de korpschef inzage krijgt in alle vertrouwelijke informatie. In hoofdstuk 3 zijn enkele voorbeelden gegeven waarbij korpschefs ondanks herhaald verzoek geen informatie kregen over het gebruik van bepaalde methoden. Vooral in de regio Kennemerland deden zich enkele gevallen voor waarin de toenmalige CID-chef de korpschef bewust niet informeerde over onderdelen van een methode. Een bijzondere situatie doet zich voor als CID-rechercheurs werken voor andere regiokorpsen of een kernteam. De verantwoordelijkheden van de «leverende» en de «ontvangende» korpschef zijn onduidelijk. Wie is nu de chef over deze uitgeleende CID-rechercheurs of over CID-rechercheurs die voor een andere regio bepaalde activiteiten verrichten? Ook is tijdens de openbare verhoren gebleken dat onduidelijkheid bestaat over de verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden bij de CID van buitengewone opsporingsambtenaren. Deze onduidelijkheid betreft de korpschef en het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst.

Korpsbeheerders

Korpsbeheerders hebben een beheersmatige verantwoordelijkheid voor de CID. De korpsbeheerders zijn derhalve ook beheerders van de politieregisters. Feitelijk hebben de korpsbeheerders een geringe bemoeienis met de CID-en en de methoden die zij hanteren. Inmiddels willen verschillende korpsbeheerders op de hoogte worden gesteld als in hun korps exceptionele methoden worden gehanteerd. De korpsbeheerders moeten immers kunnen beoordelen in hoeverre het politiepersoneel door het gebruik van bepaalde methoden in gevaar kan komen.

 

Rechter

Ten eerste kunnen rechters-commissarissen alleen controle uitoefenen op het opsporingsonderzoek indien en voorzover hun bemoeienis in een concrete strafzaak wordt gevraagd. Lang niet elke rechter-commissaris rekent het daarbij tot zijn taak inzicht te krijgen in het CID-matig onderzoek. Ten tweede pleegt de zittingsrechter zich bij zijn controle op het vooronderzoek te beperken tot de vraag of er in de hem voorgelegde strafzaak reden is het OM niet-ontvankelijk te verklaren of het bewijs als onrechtmatig verkregen ter zijde te stellen. Daarbij pleegt de zittingsrechter zich terughoudend op te stellen. In het algemeen vindt pas een onderzoek plaats als er van de kant van de verdediging een signaal komt dat er iets mis is met de gebruikte opsporingsmethoden. Ten derde heeft het min of meer geheime karakter van het inlichtingenwerk tot gevolg dat de CID-journaals en de «4 x 4-tjes» in de praktijk nooit op de tafel van de zittingsrechter komen. Er wordt doorgaans gerapporteerd door middel van een proces-verbaal van de CID-chef. CID-rechercheurs worden zelden ter zitting als getuige opgeroepen.

 

8.2.6 Beoordeling

 

Wettelijke basis


De commissie constateert dat voor de CID geen aparte wettelijke basis bestaat. Naar het oordeel van de commissie is het verzamelen, bewerken, opslaan en verstrekken van informatie een integraal onderdeel van de taak van de politie. Het verzamelen, bewerken, opslaan en verstrekken van informatie door de CID dient nader wettelijk genormeerd te worden. De voorwaarden waaronder inlichtingen mogen worden verzameld, bewerkt, opgeslagen en verstrekt dienen tevens wettelijk te worden vastgesteld. Tenslotte moet wettelijk worden vastgelegd hoe de controle en sturing van dit inlichtingenproces vorm moet krijgen. Met andere woorden de taken en bevoegdheden van de CID moeten expliciet wettelijk worden genormeerd. De commissie is van oordeel dat de diversiteit aan organisatievormen van de CID groot is. Dat geldt voor de omvang, de interne verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden, alsmede voor de interne positie van de CID binnen het korps. De commissie is van oordeel dat, middels regelingen krachtens de wet, gestreefd dient te worden naar een meer uniforme organisatie van de inlichtingenverzameling, -bewerking en -verstrekking.

 

Bevoegdheden, verantwoordelijkheden en samenwerking

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de CID-rechercheurs en de CID-chef zijn naar het oordeel van de commissie onduidelijk. Bij de regiokorpsen bestaan verschillende interne afspraken voor het runnen van informanten. Wie bevoegd is tot het maken van afspraken is nergens vastgelegd. De afbakening van bevoegdheden tussen de CID-chef en de runners varieert per CID. Het gebrek aan eenduidigheid van bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft enkele malen tot gevolg gehad dat onderlinge communicatiestoornissen strafprocessen hebben gefrustreerd. De Begeleidingscommissie CID en de CID-regeling hebben niet geresulteerd in afstemming van de vele visies die bestaan op de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van CID-chefs en CID-rechercheurs.

De samenwerking tussen de CID-en en andere politie-diensten laat veelal te wensen over. De commissie is van oordeel dat de constante en inherente spanning tussen de CID en de tactische recherche ongewenst is. Door deze scheiding wordt onvoldoende informatie uitgewisseld en komen onderzoeken in gevaar. Zowel de CID als de tactische recherche zijn veel tijd kwijt aan afstemming en coördinatie. Dat leidt niet zelden tot conflicten tussen de CID en de tactische recherche. De commissie is van oordeel dat de scheiding tussen de CID en de tactische recherche meer nadelen dan voordelen oplevert. De kosten van de scheiding zijn te hoog, de opbrengsten te gering.

De commissie constateert dat al te vaak sprake is van slechte samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de CID-en. Te vaak heerst onderling wantrouwen. Op oneigenlijke argumenten wordt geweigerd informatie uit te wisselen. De ene CID weet iets wat voor een andere CID van belang is zonder dat deze informatie wordt uitgewisseld. De CRI en specifiek de NCID moeten veel moeite doen om enige coördinatie te bewerkstelligen. Tot op dit moment gebeurt dat slechts mondjesmaat.

De commissie is van oordeel dat de CID volledig moet worden geïntegreerd in de recherche. Noot De recherchechef dient volledig op de hoogte te zijn van de organisatie en het functioneren van de CID. De CID moet onderdeel zijn van één organisatorisch verband met de recherche.

 

Verslaglegging

De commissie is van oordeel dat de verslaglegging binnen de CID-en onvoldoende is. In verschillende gevallen is er totaal geen sprake van verslaglegging. In andere gevallen is een minimale verslaglegging van gegevens aangetroffen. Van enige uniformiteit in de vastlegging van gegevens is de commissie niet gebleken. In informantenregisters worden soms wel en soms niet de activiteiten van de informanten beschreven. Van een structurele en systematische weergave van de gebruikte methoden is al helemaal geen sprake. De commissie acht dit gebrek aan vastlegging en documentatie van activiteiten onverantwoord. De vaststelling wie als CID-subject of grijze-veld-subject wordt ingeschreven, is afhankelijk van de individuele CID-rechercheur. De criteria zijn dermate vaag dat nagenoeg iedereen, die op enigerlei wijze in contact komt met de politie, daaraan kan voldoen. De commissie heeft tevens moeten constateren dat een regelmatige schoning van de bestanden in verscheidene gevallen niet plaats heeft. De omvang van het aantal CID-subjecten en grijze-veldsubjecten (70.000) doet de commissie vermoeden dat vele personen onterecht in dit bestand zijn opgenomen.

 

Effectiviteit

De commissie stelt vragen bij de effectiviteit van de huidige wijze van verzamelen van CID-informatie. Het is de commissie gebleken dat CID-en niet altijd die informatie verzamelen waaraan de tactische recherche
behoefte heeft. Het blijft voor de commissie onduidelijk hoeveel informatie van de CID daadwerkelijk gebruikt wordt. De schattingen daarover lopen uiteen van 10% tot 50%. Dit betekent hoe dan ook dat veel informatie wordt verzameld zonder dat daarmee werkelijk tot opsporing gekomen wordt. De commissie is van oordeel dat een meer gerichte verzameling van informatie noodzakelijk is. De huidige open verzameling van informatie door de CID-en voorziet te weinig in de behoeften van de tactische recherche. In hoofdstuk 5 en 6 heeft de commissie al haar oordeel gegeven over het runnen van informanten en het runnen van infiltranten. Hier kan daaraan worden toegevoegd dat de commissie van oordeel is dat de organisatorische voorwaarden voor het runnen van informanten niet toereikend zijn. De organisatorische context van de CID-en biedt zowel runners als informanten te weinig waarborgen en richtlijnen.

Sturing en controle

De commissie acht de sturing en controle van de CID-en volstrekt onvoldoende. Van enige sturing en controle door korpsleiding of korpsbeheerder is de commissie nauwelijks iets gebleken. Het OM heeft te weinig greep op de activiteiten van de CID-en. Het heeft te weinig zicht op de informatie die de CID-en verzamelen. Slechts een enkele officier van justitie heeft daadwerkelijk in de registers van de CID gekeken. De commissie acht het onwenselijk dat de officier van justitie uitgesloten is als rechthebbende op inzage in de registers. Het OM heeft de CID-chefs te weinig gevraagd naar de gebruikte methoden en over de organisatie van de CID. De gezagsuitoefening van de officier van justitie noodzaakt de officier van justitie zowel de organisatie als de inhoud van de activiteiten van de CID te sturen en te controleren. De commissie is van oordeel dat het OM in deze verplichting tot sturing en controle tekort is geschoten.

De commissie is tevens van oordeel dat de CID-en zich teveel hebben beroepen op vertrouwelijkheid van gegevens. Volledige afscherming en afscheiding van onderdelen met het oog op hun gevoelige taken is uiterst kwetsbaar gebleken. Mede daardoor is er een sfeer en cultuur van geheimzinnigheid en vertrouwelijkheid ontstaan, die schade toebrengt aan het belang van een rechtsstatelijke opsporing. Enkele CID-chefs hebben officieren van justitie onjuist en onvolledig ingelicht. De commissie is van oordeel dat de CID-en onterecht de mogelijkheid tot gezagsmatige sturing en controle hebben weerhouden. De commissie meent dat de CID-en teveel als autonome organisaties hebben gefunctioneerd zonder zich daarbij rekenschap te geven van de gezags- en beheersverantwoordelijkheid van het OM. Korpsbeheerders hebben nimmer blijk gegeven van gevoel van verantwoordelijkheid voor dit «geheime» deel van het politiekorps, in de veronderstelling dat zulks een justitiële aangelegenheid was.


8.3 Tactische recherche

 

8.3.1 Inleiding

Rond 1900 wordt binnen de politie de scheiding aangebracht tussen de algemene politiedienst en de justitiële dienst. Later groeide dit uit tot de scheiding tussen de surveillancedienst en de recherche. De recherche verzamelt inlichtingen over strafbare feiten en personen die daarvan verdacht worden, teneinde de onderliggende strafzaken bij het OM aan te brengen ter afdoening. Noot De tactisch rechercheur is derhalve georiënteerd op het aanleveren van bewijsmateriaal voor concrete zaken.

De commissie heeft de tactische recherche in de politieregio's nader onderzocht door middel van gesprekken en aangeleverde documenten. Noot Een aantal regio's is meer specifiek onderwerp van onderzoek geweest. Noot

 

8.3.2 Organisatie

 

Organisatie, juridische basis en opleiding

Voor de organisatie van de tactische recherche bestaat geen afzonderlijke wettelijke regeling. Het bestaan van de tactische recherche ligt waarschijnlijk zo voor de hand dat een nadere regeling nooit nodig is geacht. De tactische recherche is op verschillende niveaus binnen de politie aanwezig: kernteam (interregionaal), regiopolitie (regionaal), districtspolitie (lokaal) en de basiseenheden. De zwaarte van de zaken van de verschillende tactische recherche-eenheden varieert. De interregionale en regionale recherche-eenheden voeren opsporingsonderzoeken uit naar de grotere criminele organisaties. De districtsrecherche houdt zich bezig met onderzoeken naar de meer lokaal gebonden criminaliteit, ook als het ernstige zaken betreft. Er bestaat een grote variatie in functies en overlegvormen per tactische recherche. Hoewel functioneel wel parallellen bestaan, zijn er zeer veel verschillende benamingen en organisatievormen. Van organisatorische
uniformiteit is nauwelijks sprake. Regionale en persoonlijke voorkeuren spelen een belangrijke rol bij de inrichting van de recherche. De omvang van de recherche is afhankelijk van de regio. Gemiddeld bestaat een recherche-afdeling uit één tot vier procent van het aantal politiemensen per korps. Belangrijke beslissingen over de voortgang van een zaak worden genomen in het vierspan officier van justitie zware criminaliteit, CID-officier van justitie, hoofd tactische recherche en CID-chef. Steeds vaker wordt het primaat van de tactische recherche benadrukt. De CID dient de tactische recherche te ondersteunen. Er bestaan nog geen specifieke opleidingsvereisten voor regionale tactische rechercheurs. Evenmin is er een verplichte basisopleiding. Het volgen van een tweetal cursussen, de «recherche basiscursus» en de «cursus algemene recherche», is steeds vaker voorwaarde voor het werken binnen een recherche-afdeling. Voor leidinggevenden binnen de recherche bestaan nauwelijks cursussen. De commissie constateert veel klachten over de afnemende kwaliteit van de rechercheleiding. Daarbij valt op dat slechts enkele korpschefs een recherche-achtergrond hebben.

 

8.3.3 Onderzoeken en methoden

Het aantal onderzoeken dat door de regionale tactische recherche per jaar wordt uitgevoerd varieert van één tot zeven. Meer dan de helft van het aantal onderzoeken van de regionale rechercheteams heeft betrekking op verdovende middelen. Noot In de meeste regio's wordt de keuze welke zaak zal worden aangepakt gemaakt door de rechercheleiding, de CID en het OM. Soms wordt het bestuur in die keuze betrokken.

 

De heer Koekkoek:

Ik wilde u vervolgens vragen over de prioritering in de zin van de keuze van de onderzoeken die de politie, ook uw korps, uitvoert. In hoeverre heeft u daar, als korpschef, invloed op?

De heer Wiarda:

In de afgelopen jaren heeft zich daar een groei in voorgedaan, die er nu toe leidt dat de prioriteitskeuzen een onderwerp zijn in de regionale driehoek: een punt van overleg tussen de hoofdofficier van justitie, de korpsbeheerder en de korpschef. In het verleden is dat niet altijd zo geweest en werd de onderwerpenkeuze in sterke mate in de politiële, justitiële lijn bepaald. De ontwikkeling daarin is zo geweest, dat we komen uit een periode van 10, 15 jaar geleden waarin onderzoeken startten als er een aangifte was van een benadeelde. En als er een aangifte is van een benadeelde moet de politie een opsporingsonderzoek doen. Dan ontstaat er overleg met Justitie en dan gaat er een onderzoek lopen. Toen het verschijnsel georganiseerde criminaliteit sterker naar voren kwam, ontstond en sterker werd ontdekt, werd het accent verlegd niet meer zozeer naar de aangifte van de benadeelde maar naar het kiezen van een bepaalde groepering waar onderzoek op wordt verricht. Vanuit de stijl zoals die altijd had gegolden, bleef dat dus heel sterk in de politiële, justitiële lijn liggen. Van lieverlede hebben wij ontdekt, dat met name de vraag van de maatschappelijke relevantie in de prioritering een zeer bestuurlijke vraag is. Een van de eerste terreinen waarop dat nadrukkelijk naar voren kwam, was het terrein van de milieucriminaliteit, die heel sterk vanaf de bestuurlijke kant is ingezet veel meer dan van de justitiële kant. Een tweede voorbeeld, een voorbeeld uit mijn eigen praktijk, is de problematiek van de horeca in de stad Utrecht, wat typisch ook een problematiek is van het bestuur van de gemeente Utrecht. Daar komt de behoefte naar voren om daar een scherper beeld van te krijgen, niet alleen in de vorm van een analyse uit open bronnen maar ook een analyse uit criminaliteitsgegevens. Zo zijn we nu op het punt aangeland, dat er geen nieuwe grote projecten meer worden gestart zonder dat de regionale driehoek zich daarover heeft gebogen. Noot

De basis van deze keuze wordt in een aantal gevallen gevormd door de aanwezige CID-informatie. De wijze waarop men die informatie toetst, evalueert en aanvult, verschilt per regio. In enkele regio's zijn platforms ingesteld die een voorstel doen voor de te onderzoeken zaken. Bij de besluitvorming speelt de organisatiegraad van de criminele doelgroep mee. De CID maakt hiervan een inschatting aan de hand van de CBO/CRI-criteria. Ook spelen de door de tactische recherche in te schatten haalbaarheid en de regionale prioriteitenstelling een rol.

De tactische recherche gebruikt in principe opsporingsmethoden die op de zitting in het openbaar te verantwoorden zijn. Immers, in processen-verbaal en op de zitting moet alles gerelateerd worden wat zij gedaan heeft. Wanneer dit niet mogelijk is, zoals bijvoorbeeld in het geval van de noodzaak van geheimhouding of bij sturingsinformatie, wordt de CID gevraagd gegevens te vergaren. De keuze voor de wijze waarop dit gebeurt is aan de CID, of eventueel aan het observatieteam (OT) of arrestatieteam (AT). Voor allerlei geavanceerde vormen van observatie doet de tactische recherche een beroep op ondersteunende diensten als het OT, het AT, de Sectie Technische Ondersteuning (STO) en de Dienst Technische Operationele Ondersteuning (DTOO). Het gaat dan om volgen, inkijkoperaties, plaatsbepalingsapparatuur, huiszoekingen, afluisteren van telefoon, fax en mobiele telefoons, scannen en peilen. Vanwege het ontbreken van capaciteit van de OT's observeren tactische rechercheurs geregeld zelf. De tactische recherche runt in principe geen informanten. Over het algemeen vindt dit plaats door de CID. In
het verleden runde de tactische recherche wel informanten. De commissie acht het niet uitgesloten dat incidenteel tactische rechercheurs contacten hebben die te kenschetsen zijn als informanten. Het gaat dan vooral om tipgevers of eenmalige informatiegevers.

Infiltratie kan plaatsvinden ten behoeve van een tactische recherche-eenheid. Dit betreft politiële infiltratie die wordt uitgevoerd door een apart onderdeel, het politiële infiltratie team (PIT). Dit gebeurt altijd met toestemming van een officier van justitie.

De vastlegging van gebruikte methoden varieert van geen vastlegging tot vastlegging in een eigen PC, journaal, dagrapport of proces-verbaal. Er is verschil in de inhoud van de informatie die wordt opgeslagen.

8.3.4 Samenwerking

 

Tactische recherche en CID

De samenwerking bestaat hieruit dat de CID faciliterend werk verricht voor het tactisch onderzoek. Een tactisch onderzoek kan aanvangen op basis van CID-informatie en lopende het onderzoek kan dit steeds gevoed worden door sturingsinformatie van de CID.

In de vorige paragraaf over de CID is reeds ingegaan op de vaak moeizame aard van de relatie tussen de CID en de tactische recherche. In incidentele gevallen is sprake van informatie-uitwisseling tussen de CID en de tactische recherche door middel van informele contacten.

 

 

De heer De Graaf:

U bent wel recherchechef en moet dus enig zicht hebben op datgene wat er gebeurt.

De heer Welten:

Absoluut.

De heer De Graaf:

Gaat u regelmatig zelf kijken bij de CID?

De heer Welten:

Ja zeker. De CID zit, zoals dat heet, verderop in de gang en wij spreken elkaar heel regelmatig, heel regelmatig. Noot

Recherche onderling

De regionalisering heeft tot gevolg gehad dat omvangrijke regionale afdelingen zijn ontstaan die niet meer afhankelijk zijn van allerlei ad hoc samenwerkingsverbanden, zoals in de oude situatie het geval was. De commissie heeft geen wezenlijke problemen gesignaleerd in de verhoudingen tussen de recherche-eenheden op dit niveau. Indien noodzakelijk wordt informatie uitgewisseld en wordt geleerd van elkaars fouten en successen. Tussen recherche-eenheden op regionaal en districtsniveau kan de situatie anders liggen. Hier is de samenwerking niet altijd soepel.

De CRI levert de recherche-eenheden specialistische kennis. De CRI vervult tevens een verwijzingsfunctie naar andere recherche-eenheden die met vergelijkbare onderzoeken bezig zijn. Om de afstand tussen de CRI in Zoetermeer en de regiokorpsen te verkleinen zijn vijf regionale steunpunten ingericht, de zogenaamde Afdelingen recherche-informatie (ARI's). Naast een goede informatie-uitwisseling verzorgen de ARI's ook concrete recherche-ondersteuning bij opsporingsonderzoeken en bemiddelen zij bij internationale rechtshulp. De ARI's hebben een interregionaal karakter. De commissie heeft geconstateerd dat dit niet altijd uit de verf komt. Zo is de ARI-Zuidwest sterk op de regio Rotterdam gericht.

 

8.3.5 Sturing en controle

 

Openbaar ministerie

Grote opsporingsonderzoeken worden intensief begeleid door zaaksofficieren van justitie. De zaaksofficier van justitie heeft regelmatig contact met de recherche-eenheid over de voortgang van het onderzoek. De zaaksofficier van justitie speelt een cruciale rol bij het goedkeuren van de te gebruiken opsporingsmethoden. Aangezien de zaaksofficier degene is die later ter zitting de methoden moet verdedigen, is een voorafgaande afweging over de inzet noodzakelijk.

De commissie heeft kunnen constateren dat de zaaksofficieren van justitie over het algemeen een redelijk zicht hebben op de activiteiten van de recherche-eenheden en op de ingezette opsporingsmethoden. De sturing en controle door de zaaksofficieren van justitie van de recherche-eenheid is intensiever en beter dan de sturing en controle door de CID-officieren van justitie van de CID. In eerdere hoofdstukken heeft de commissie weliswaar enkele voorbeelden gegeven van strafzaken waarin noch de CID-officier noch de zaaksofficier van justitie op de hoogte was van bepaalde opsporingsmethoden. De commissie heeft echter de indruk dat dit meer uitzondering is dan regel. De tactische recherche laat zich ook beter sturen en controleren dan de CID, aangezien de
tactische recherche slechts die methoden hanteert die ter zitting openbaar kunnen worden verantwoord en zij haar handelen bij proces-verbaal vastlegt.

Korpsleiding en korpsbeheerder

De korpsleiding draagt binnen het korps de verantwoordelijkheid voor de sturing en controle van de recherche. Noot Veelal is één van de leden van de korpsleiding, naast vele andere taken, belast met recherche-aangelegenheden. De recherche heeft de afgelopen tien jaren binnen de leiding van een aantal korpsen niet veel prioriteit gehad. De aandacht ging uit naar andere zaken dan de opsporing van georganiseerde criminaliteit. Lokale belangen streden hier met nationale belangen. Aandacht voor de openbare orde en het leefklimaat woog zwaarder dan de bestrijding van de zware criminaliteit.

 

De voorzitter:

Sinds wanneer bent u direct betrokken bij het onderwerp zwaar georganiseerde criminaliteit? Ik vraag dit omdat veel korpschefs deze achtergrond niet hebben.

De heer Straver:

Dat klopt en dat geldt ook voor mij. Ik was vooral bezig met veiligheid in mijn stad en mijn regio. Betrokkenheid bij de zware en georganiseerde criminaliteit was op afstand en is pas na de IRT-affaire heel intensief geworden. Sinds de twee voorgaande kabinetten is vanuit de politiek steeds meer aandacht gevraagd voor de georganiseerde criminaliteit. De regionale criminele inlichtingendiensten kregen mensen en middelen voor de BFO's (bureaus financiële ondersteuning). De reorganisatie van de politie in het begin van de jaren negentig had mede als doel de aanpak van de zware en georganiseerde criminaliteit beter te doen verlopen. In de sfeer van mensen en middelen is er veel gebeurd. Wij hebben de korpsen opgebouwd en de nieuwe onderdelen opgericht. Er werd niet gepraat over beleidskaders voor het proactieve recherchewerk. Als ik terugkijk, en dit gold niet alleen voor Haarlem maar voor het hele land, heeft de ontwikkeling van de methode van het proactieve recherchewerk, eigenlijk de ontwikkeling van het inlichtingenwerk op het gebied van de criminaliteit, zich voltrokken in een wisselwerking tussen CID-chefs, CID-officieren van justitie en een enkele geëngageerde recherchechef en officier die zich bezig hield met de georganiseerde zware criminaliteit.

Noot
Bij de recente reorganisatie van de politie heeft de herinrichting van de recherche een ondergeschikte rol gespeeld.
De korpsbeheerder draagt verantwoordelijkheid voor het beheer van de recherche. De recherche kreeg tot voor kort weinig aandacht van de korpsbeheerder en van de regionale driehoek (hoofdofficier, korpschef en de korpsbeheerder). Een uitzondering hierop vormen de burgemeesters van de grote steden. Hier bestaat veel overlast van georganiseerde criminaliteit. Inmiddels lijkt in de aandacht van korpsbeheerders op de recherche verandering te zijn gekomen onder invloed van de IRT-affaire en de parlementaire enquête.

8.3.6 Beoordeling

De methoden en de organisatie van de tactische recherche, de voorwaarden waaronder de tactische recherche wordt ingezet en de sturing en controle van de tactische recherche moeten worden genormeerd. De tactische recherche hanteert vrijwel steeds methoden die wettelijk genormeerd zijn. De voorwaarden waaronder die methoden worden ingezet, alsmede de sturing en controle zorgen over het algemeen niet voor onoverkomelijke problemen. Incidenteel heeft de commissie geconstateerd dat er communicatiestoornissen zijn tussen zaaksofficieren van justitie en de rechercheleiding over het gebruik van methoden. De door de tactische recherche gehanteerde methoden komen over het algemeen in het openbaar ter zitting ter sprake. Van geheimhouding van methoden door de tactische recherche is de commissie weinig gebleken. Over het algemeen acht de commissie de vastlegging van de gebruikte methoden door de tactische recherche voldoende. In het merendeel van de gevallen vindt dit plaats in een proces-verbaal. In een aantal gevallen moest de rechter apart verzoeken om een methoden-proces-verbaal, namelijk als de verdediging aannemelijk kon maken dat methoden waren gehanteerd die niet bij proces-verbaal waren gemeld. Dit acht de commissie een onwenselijke situatie. De commissie is van oordeel dat alle methoden die door of in opdracht van de tactische recherche worden gehanteerd bij proces-verbaal ter toetsing aan de rechter moeten worden voorgelegd.

De sturing en controle van de tactische recherche door de zaaksofficieren van justitie acht de commissie beter dan de sturing en controle van de CID door de CID-officieren van justitie. Indien officieren van justitie hun gezag uitoefenen en de politie openstaat voor sturing en controle, blijkt het mogelijk te zijn politie-onderdelen daadwerkelijk te sturen en te controleren.

De commissie heeft wel gesignaleerd dat recherche-eenheden in een aantal gevallen een grote invloed
hebben op de keuze van de te onderzoeken zaken. De recherche levert de informatie aan op basis waarvan een beslissing moet worden genomen. Het OM heeft dan weinig mogelijkheden om tot een eigen afweging te komen. Dit geldt des te meer indien een platform criminaliteits-beheersing een beslissing neemt over de te onderzoeken zaken. Het OM laat de vrijheid om te beslissen welke strafzaken moeten worden opgespoord te veel inperken. Het OM kan aan een ieder advies vragen over de aan te pakken strafzaken. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de keuze van de te onderzoeken strafzaken ligt bij het OM. Het OM dient die verantwoordelijkheid ten volle te nemen.


8.4 Ondersteunende diensten

 

8.4.1 Inleiding

De CID-en en de tactische recherche maken gebruik van verschillende ondersteunende eenheden. Het gaat daarbij om eenheden die werkzaamheden met een geheim karakter verrichten, met name observatie-acties. De commissie heeft onderzoek gedaan naar de organisatie en het functioneren van observatieteams (OT's), arrestatieteams (AT's), Secties technische ondersteuning (STO's), de Dienst technisch operationele ondersteuning (DTOO) van het Korps landelijke politiediensten (KLPD), de politiële infiltratieteams (PIT's) en de bureaus financiële ondersteuning (BFO's).

De commissie heeft alle regio's gevraagd relevante documenten over deze ondersteunende diensten toe te sturen. In verschillende regio's zijn uitgebreide interviews gehouden met leden van deze diensten. Tenslotte heeft de commissie enkele leden van deze teams gehoord teneinde een beeld te kunnen krijgen van de activiteiten van deze teams.

 

8.4.2 Werkzaamheden, juridische basis en omvang

Een OT houdt zich bezig met het onopvallend waarnemen van bewegingen van verdachten, CID-subjecten en anderen. Niet elke politieregio beschikt over een observatieteam. In een aantal gevallen wordt interregionaal samengewerkt. Van de bijzondere opsporingsdiensten beschikken de FIOD en de AID over een eigen OT. Hiervan wordt bij capaciteitsgebrek ook door de politie gebruik gemaakt. De omvang van de OT's varieert, onder meer afhankelijk van de omvang van de regio, van tien tot zestig personen. Nederland heeft vijf Schengen-observatieteams ingesteld die op verzoek van het buitenland observatiewerkzaamheden in Nederland uitvoeren. Deze OT's verrichten in de praktijk veelal reguliere observatiewerkzaamheden voor de regio's, maar zijn te allen tijde inzetbaar voor het uitvoeren van buitenlandse verzoeken.

De acht AT's in Nederland houden zich het grootste deel van de tijd bezig met het aanhouden van vuurwapengevaarlijke verdachten. Daarnaast assisteren zij de CID-en en de tactische recherche bij enkele zeer specifieke observatiemethoden. Noot Vanwege technische en andere vaardigheden worden zij geregeld ingezet voor inkijkoperaties en het plaatsen van plaatsbepalingsapparatuur. Hoewel dit soort bezigheden niet specifiek vermeld staat in de taakomschrijving van de AT's, is het de commissie gebleken dat CID-en en tactische recherche met enige regelmaat hiervoor gebruik maken van deze AT's. Tegenwoordig bedienen de meeste arrestatieteams meer dan één regio en worden zij dan ook door meer dan één regio via convenanten gefinancierd. Of inkijkoperaties en het onopgemerkt aanbrengen van apparatuur ook tot de werkzaamheden behoren, staat soms wel en soms niet in die convenanten vermeld. Dat soort werkzaamheden wordt in ieder geval niet genoemd in het Besluit beheer regionale politiekorpsen (BBRP). Naast het AT voert ook het OT, behalve de genoemde functies in het BBRP, nog andere taken uit. De taken van de STO en de DTOO zijn niet vastgelegd in op de wet gebaseerde regelingen. De STO's verzorgen de technische kant van het observeren van personen, zoals het plaatsen van video-camera's. Zij hebben onder andere audio-, video- en radio-apparatuur en eenvoudige plaatsbepalingsapparatuur ter beschikking ten behoeve van de recherche. De STO's onderhouden de apparatuur en vervaardigen specifieke toepassingen van bestaande apparatuur. Door hun technische kennis worden zij ook ingeschakeld als die apparatuur moet worden aangebracht en in werking gesteld. De STO bestaat bij de meeste korpsen maar uit enkele personen.

Het OT en de STO zijn soms onderdeel van de CID en soms onderdeel van een ander deel van de recherche. Per regio zijn het OT en de STO verschillend georganiseerd. De capaciteit van het OT is veelal onvoldoende om aan alle aanvragen tot observatie te voldoen.

De Dienst technische operationele ondersteuning van het KLPD is een landelijke dienst die technische ondersteuning bij observatiewerkzaamheden verleent, apparatuur uitleent en faciliteiten als het videolaboratorium ter beschikking stelt (zie verder tabel). Ook worden wel eens inkijkoperaties verricht wanneer
deze onder moeilijke omstandigheden moeten worden uitgevoerd. Het plaatsen van peilbakens is een specialisme van de DTOO. De DTOO beschikt over een sleutelcentrale, waardoor het in principe mogelijk is alle sloten te openen. Nagenoeg alle korpsen maken gebruik van deze dienst.

Assistentie aanvragen in recherchezaken van alle regio's aan het DTOO in 1995 en 1994

Tabel

Over de jaren 1992 en 1993 is slechts het totale aantal verzoeken om assistentie in recherchezaken bekend. Dit zijn respectievelijk 485 en 806 aanvragen. Uit deze gegevens, inclusief de totalen uit de tabel, blijkt een aanzienlijke toename van assistentieverzoeken aan het DTOO over de afgelopen vier jaren. Over 1992-1994 zijn de cijfers over daadwerkelijke inzetten niet paraat, maar de gegevens hierover uit 1995 geven een indicatie. Vijftien procent van de verzoeken om assistentie wordt niet ingewilligd. Redenen van tactische, technische of juridische aard liggen hieraan ten grondslag. Om het gebruik van het videolaboratorium, sema-kloon en het plaatsen van peilbakens blijkt het meest verzocht te worden. Over 1992 en 1993 is het mogelijk om de gegevens over aantallen assistentieverzoeken uit te splitsen naar politieregio, de KLPD en overigen. Onder overigen vallen de bijzondere opsporingsdiensten, de Koninklijke marechaussee en de kernteams. De korpsen die in beide jaren de meeste verzoeken om assistentie hebben ingediend zijn achtereenvolgens Utrecht, Amsterdam-Amstelland en het KLPD. Met de evolutie van de relatief eenvoudige pseudokoop naar complexere vormen van politie-infiltratie zijn in 1992 professionele politiële infiltratieteams (PIT's) opgericht. Deze teams houden zich exclusief bezig met politiële infiltratie-acties. Een model-PIT bestaat uit vier infiltranten en vier begeleiders. Dit zijn bij voorkeur zowel mannelijke als vrouwelijke politiefunctionarissen. Verder is er nog een chef en een administratieve kracht toegevoegd. De begeleiding van politie-infiltranten vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de chef van het PIT en niet van het kernteam of het regionale korps dat om de infiltratie heeft verzocht. De laatste jaren stond de politie drie PIT's ter beschikking. Deze bevinden zich in het zuiden (Den Bosch), oosten (Apeldoorn) en noorden (Assen). In 1994 telden deze teams respectievelijk 11, 7 en 4 medewerkers. Het PIT in het noorden is slechts op halve sterkte. De oprichting van een landelijk politieel infiltratieteam is half voltooid en telt drie leden. Dit team zal zich vooral bezighouden met internationale verzoeken. In Haaglanden en Rotterdam-Rijnmond bestaan ook plannen om tot oprichting van een PIT te komen. Op dit moment is volgens velen een gebrek aan politie-infiltranten.

 

 

De voorzitter:

Op dit moment zijn er slechts 25 volledige infiltratiebanen in Nederland. Is dat juist?

De heer Karstens:

Ja, ik heb al eerder aangegeven dat het mij enigszins teleurstelt dat sinds de reorganisatie van de Nederlandse politie het aantal plaatsen is teruggelopen tot 25. In 1992 sprak ik nog over 75 plaatsen.

Noot
Echter, de commissie stelt vast dat de PIT's over het algemeen het aantal verzoeken goed kunnen afhandelen. Volgens art. 11 Beheersbesluit beschikt een regionaal politiekorps zelfstandig of samen met andere korpsen over een BFO. Dit is onder meer belast met het inwinnen van gegevens van financiële aard ten bate van opsporingsonderzoeken teneinde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen. Op verzoek ondersteunt het BFO de RCID door het inwinnen en analyseren van gegevens van financiële aard uit een CID-register. De Regeling bureaus financiële ondersteuning van 25 maart 1994, Stc 64, bepaalt onder meer dat het bureau tenminste is samengesteld uit een hoofd, twee politie-ambtenaren met ervaring als tactisch rechercheur, twee politie-ambtenaren die aantoonbaar boekhoudkundig zijn onderlegd en een administratief medewerker. De meeste BFO's zijn volgens het model van de regeling opgebouwd. Per regio zijn wel grote verschillen ten aanzien van de plaats in de organisatie.

 

 

De heer Rouvoet:

De verhouding tussen het BFO en de regionale CID is niet altijd even helder. Draait een BFO alleen in een tactisch onderzoek mee of is er ook een financiële voorfase?

De heer Van Gemert:

Nee. Ik kan alleen maar over de situatie in Amsterdam spreken. Daar maakt het BFO geen onderdeel uit van de CID. Het valt evenmin onder dezelfde chef. Het BFO is onderdeel van het Bureau tactiek.

De heer Rouvoet:

Zo is de organisatie, maar nu de praktijk. Draait het BFO mee in CID-activiteiten?

De heer Van Gemert:

Nee.

De heer Rouvoet:

Gebeurt dat alleen in Amsterdam zo of is dat overal zo?

De heer Van Gemert:

Bij mijn weten is dat wel verschillend. In Amsterdam draait het BFO daarin niet mee. Het enige wat ik mij kan herinneren, is dat er ooit naar aanleiding van informatie is gevraagd om toelichting op informatie van een informant. Er werd toen dus om deskundigheid gevraagd, laat ik het zo zeggen. Een

accountant vertelde iets over de opbouw van een jaarrekening, dat soort zaken. Noot
In de praktijk zijn bij alle BFO's ook andere financiële deskundigen, zoals (formeel vanuit de FIOD gedetacheerde) belastingambtenaren, gedetacheerd of accountants.

Opleiding en coördinatie

Voor het werken bij een OT of AT is een opleiding van meer dan tien weken verplicht. Bovendien wordt in de teams later nog ruim aandacht besteed aan het bijhouden van vaardigheden. De voortgezette opleidingen en trainingen van de acht AT's worden in Rotterdam gecoördineerd en hebben overal dezelfde inhoud. Ook de procedures, de afspraken, de technieken en de tactieken zijn gelijk. Er bestaat een Landelijk Contact Arrestatieteams (LCA), dat uit een beleidsmatige en een operationele component bestaat. Het is niet duidelijk in hoeverre deze vergaderingen met de praktijk van de AT's van doen hebben. De DTOO werft onder leden van arrestatieteams, zodat men behalve van technische expertise ook verzekerd is van basisvaardigheden. Voor de STO geldt geen eis van vooropleiding. Er is wel veel keuze in onverplichte cursussen. Het Landelijk informatiepunt politiële observatie (LIPO) en het Landelijk contact observatie (LCO) proberen enige afstemming te realiseren tussen de OT's in het land. Het Landelijk coördinatiepunt grensoverschrijdende observatie (LCGO) is het scharnierpunt voor de observatie in en vanuit het buitenland. Het LCGO vervult vooral de administratieve functie ten behoeve van een eventueel later strafproces. Politie-infiltranten voor een PIT worden geselecteerd uit vrijwilligers uit de gehele politiedienst, dus niet (zoals in het verleden) alleen uit arrestatie- en/of observatieteams. Deze personen -er zijn ook vrouwelijke infiltranten- worden onder meer geselecteerd aan de hand van een psychologische test en de cursus aan de Rechercheschool. Het komt voor dat cursisten worden afgewezen omdat zij te fanatiek zijn, te weinig improvisatievermogen hebben, te kampen hebben met morele problemen, de politiehouding niet kunnen loslaten enzovoort. Politie-infiltratie geschiedt onder auspiciën van de Afdeling nationale coördinatie politiële infiltratie (ANCPI) van de CRI. De ANCPI coördineert de werkzaamheden van de politiële infiltratieteams. De coördinerende rol van de ANCPI is groot, wellicht het grootst van alle diensten van het KLPD. Een formele basis daarvoor is er niet. Niettemin neemt de ANCPI zowel financieel als materieel (bijvoorbeeld bij het verlenen van valse identiteiten) een sleutelpositie in.

 

 

De voorzitter:

In het rapport-De Wit wordt in feite verschil gemaakt tussen een politie-infiltrant die een valse identiteit aanneemt en anderen. Waarom is dat verschil zo belangrijk?

De heer Karstens:

Als je de definitie van infiltratie neemt zoals die recent is opgenomen in de eindrapportage van de werkgroep infiltratie, dan is infiltratie nog steeds het al dan niet met behulp van een valse identiteit binnendringen in het milieu door buitenstaanders. Ik heb weleens gezegd dat de woorden «al dan niet» kunnen worden vervangen. Want als wij binnendringen in criminele organisaties dan zal dat per definitie met behulp van een valse identiteit gebeuren. Ik acht het niet toelaatbaar en niet gewenst dat mensen onder eigen identiteit binnendringen, in ieder geval als het politiemensen betreft.

De voorzitter:

Dus alle politie-infiltranten gebruiken een valse identiteit?

De heer Karstens:

Alle politiële infiltranten die door mij gecoördineerd worden, hebben een valse identiteit.

De voorzitter:

Geeft u die identiteit?

De heer Karstens:

Een van de dingen die ik versta onder facilitaire dienstverlening is het verstrekken van een valse identiteit. Noot

Het hoofd en de medewerkers van een BFO dienen de BFO-vervolgopleiding aan de rechercheschool te hebben gevolgd.

8.4.3 Methoden

 

Geheimhouding en openbaarheid

De activiteiten van deze ondersteunende diensten worden veelal niet in het zittingsdossier vermeld. De leden van deze teams hechten sterk aan het geheime karakter van hun werkzaamheden. Daarbij is de stelling dat, indien personen die betrokken zijn bij criminele organisaties op de hoogte geraken van de observatiemethoden die door de teams worden gehanteerd, deze hun effectiviteit verliezen. De precieze wijze van observeren en de positie van waaruit is geobserveerd worden nagenoeg steeds geheim gehouden. OT's en AT's functioneren veelal vanuit een afgeschermde lokatie. De chef maakt proces-verbaal op van de werkzaamheden van de leden en getuigt eventueel ter terechtzitting. Dit om te voorkomen dat de leden zelf moeten getuigen. Daarmee zouden zij hun eigen identiteit prijsgeven en niet meer kunnen functioneren als observant.
Als het gaat om geheimhouding, is de status van OT, AT en STO niet duidelijk. Zij werken immers soms in het (open) tactische traject, soms in het (gesloten) CID-traject. Het is niet altijd duidelijk welke activiteiten die uitgevoerd moeten worden voor de CID wel en welke niet geheim moeten blijven voor de tactische recherche. Als antwoord op dit probleem wordt de laatste tijd in toenemende mate de volgende werkwijze gehanteerd. De tactische recherchechef en de zaaksofficier worden vooraf op de hoogte gebracht van de methode die de CID of de ondersteunende diensten zullen hanteren om aan informatie te komen. Hoe de methode precies gehanteerd wordt vernemen zij niet; de «hoe-vraag» wordt wel besproken in het overleg tussen CID-chef en CID-officier. Hoewel, ook lang niet altijd zijn CID-chefs precies op de hoogte van de werkwijzen van de ondersteunende diensten.

De inzet van methoden door de ondersteunende diensten vindt altijd plaats op aanvraag en onder verantwoordelijkheid van een andere dienst. Zij toetsen niet zelf of de actie geoorloofd is, maar vragen aan de aanvrager of de benodigde toestemming verkregen is.

 

Methoden OT's

De voornaamste activiteit van observatieteams is het waarnemen van de bewegingen en activiteiten van verdachten en andere personen die in de belangstelling van de recherche staan. Vaak gebeurt dit vanuit auto's, maar ook op de fiets, te voet of vanuit de lucht met behulp van vliegtuigen. Observatieteams werken de meeste tijd voor de tactische recherche en soms voor de CID. In het laatste geval dienen ze veelal te onderzoeken of de informatie die een informant geeft klopt. Soms wordt ook nagegaan of de informant doet wat hij zegt te doen. Het werken voor de CID kan ook bestaan uit het in kaart brengen van de activiteiten en contacten van personen van wie wordt vermoedt dat ze strafbare feiten plegen. Als OT's voor de tactische recherche werken, is de observatie meer direct gericht op het vaststellen van betrokkenheid bij strafbare feiten. Ook houden OT's partijen die, al dan niet tactisch, gecontroleerd moeten worden afgeleverd of doorgelaten onder observatie.

In principe kunnen personen die zich in de publieke ruimte bevinden worden geobserveerd. De observaties worden bijvoorbeeld met behulp van speciaal geprepareerde busjes of vermommingen uitgevoerd. Zo wordt melding gemaakt van het zich verkleden als toerist om onopvallend foto's te kunnen maken. Gewaagder is het om te doen voorkomen dat men in een loods werkt en daar brutaalweg sjouwend met een doos binnen te lopen.

Het OT maakt meestal verschil tussen «gluren» en inkijken. Regelmatig wordt door spleten en kieren en over muurtjes gekeken, door een raam of een gat in de heg of wordt een oor tegen een schuur gelegd. Ook vanuit een privétuin een woning observeren of over een schutting het uitladen van een auto op privéterrein met video vastleggen vindt men niet iets wat uitvoerig besproken moet worden en wat voorafgaande toestemming vereist. Naar binnen kijken in een woning achten bijna alle leden van een OT ongeoorloofd. In incidentele gevallen neemt het OT een vuilniszak mee om de inhoud daarvan te onderzoeken. Daarnaast beschikken OT's over een standaarduitrusting van verrekijkers, nachtkijkers, videocamera's en foto-camera's. Direct afluisteren gebeurt slechts incidenteel.

Een OT maakt melding van een postbus waarin microfoontjes zijn aangebracht die van binnen uit gericht kunnen worden, zodat men tot 50 meter in de omgeving kan afluisteren. Dit bleek niet effectief, vanwege het omgevingsgeluid. Uit enkele regio's meldt men het afluisteren in horeca-gelegenheden waarbij subjekten en rechercheurs aan belendende tafeltje zaten. Ze verstonden overigens erg weinig. De meeste regio's laten de waarnemingen, soms zelfs de complete OT-verslagen en de afgeluisterde gesprekken over de autotelefoon, registreren bij de CID. Deze is in principe ook verantwoordelijk voor de uitgifte. Eventueel proces-verbaal wordt opgemaakt door de teamleider van het OT.

 

De heer Kloosterman:

Eh, wij krijgen een soort van opdracht mee waarin gevraagd wordt of wij een bepaalde handeling kunnen vastleggen, dat kunnen zien, een overdracht van het maakt niet uit wat, verdovende middelen, gestolen televisies en noem maar op. Daarvoor gaan wij de straat op. En dat proberen wij vast te leggen. En daar kan een tactisch team mee werken.

De voorzitter:

Maar hoe lang? Het gaat meestal toch op een paar mensen of op een auto of op een huis?

De heer Kloosterman:

Ja, je hebt onderzoeken waar wij vrij lang op zullen werken en je hebt onderzoeken die eenmalig zijn. Eh, maar in feite wordt dat allemaal beslist door het hoofd CID. Dat is mijn pakkie-an eigenlijk niet zo. Ik doe eigenlijk wat mij opgedragen wordt. Noot


Methoden AT's

Het merendeel van het werk van AT's heeft niets te maken met het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. De commissie heeft desondanks gemeend aandacht te moeten besteden aan de activiteiten van AT's omdat zij een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van inkijkoperaties. De AT's hebben met de DTOO min of meer het monopolie op het uitvoeren van inkijkoperaties.

 

De heer Koekkoek:

Bij die neventaken denk ik bijvoorbeeld aan inkijkoperaties. Doet u die nog steeds in Rotterdam?

De heer Broere:

Als wij een verzoek daartoe krijgen, doen wij dat nog steeds.

De heer Koekkoek:

Wanneer is dat voor het laatst gebeurd?

De heer Broere:

Ik kan mij niet herinneren dat wij de laatste twee jaar in Rotterdam een inkijkoperatie hebben gedaan. Zolang de huidige chef RCID er is - de heer In 't Veld - is de afspraak, dat hij degene is die dit bepaalt en het aan persoonlijk aan mij terugkoppelt.

De heer Koekkoek:

En voor andere korpsen?

De heer Broere:

Wij werken ressortelijk. Wij zijn ingebed in de organisatie van Rotterdam-Rijnmond. Wij werken voor vijf regiokorpsen. De laatste mij bekende inkijkoperatie is van februari dit jaar.

De heer Koekkoek:

Uitgevoerd door uw mensen?

De heer Broere:

Ja, uitgevoerd door mijn mensen.

De heer Koekkoek:

Is u bekend of de officier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven?

De heer Broere:

Daar gaan wij van uit. (...) Noot Inkijken vindt bijna altijd plaats in ruimten als schuren, loodsen, containers en garages. Inkijken in woningen komt slechts in uitzonderingssituaties voor. Daarbij doen zich wel grensgevallen voor zoals het inkijken in een bijkeuken die aan het woonhuis grenst. De frequentie van het aantal inkijkoperaties door AT's is moeilijk vast te stellen. Van een systematische verslaglegging is weinig gebleken. Desondanks bleek het mogelijk een soort overzicht te maken. Tabel Vroeger maakten de AT's geen proces-verbaal op van een inkijkoperatie, maar werd de verkregen informatie mondeling, al dan niet via de CID, doorgegeven aan de aanvrager. Het niet opmaken van proces-verbaal paste in de sfeer van geheimhouding waarin de inkijkoperaties werden uitgevoerd. Voorzover zij nog plaatsingen van apparatuur en inkijkoperaties uitvoeren, hanteren bijna alle AT's tegenwoordig het uitgangspunt dat daarvan proces-verbaal moet worden opgemaakt. In dat proces-verbaal staat niet de techniek van binnentreden vermeld, maar wel staat dat er is binnengetreden en wat men heeft aangetroffen of heeft geplaatst. De indruk bestaat dat in het afgelopen jaar het aantal inkijkoperaties is teruggelopen.

Methoden STO's

 

De STO's stellen allerlei apparatuur en technische kennis ter beschikking aan de tactische recherche of de CID. Deze secties hebben vooral veel werk aan het plaatsen van statische videocamera's. Zij hebben onder andere veel geëxperimenteerd met het afluisteren met richtmicrofoons of bugs. In de praktijk van de opsporing wordt dit middel enkele malen per jaar ingezet, ook al ontbreekt daarvoor een wettelijke basis. De ervaringen met direct afluisteren zijn veelal negatief. Door de grote hoeveelheid bijgeluiden zou nauwelijks bruikbaar geluid kunnen worden opgevangen. Direct afluisteren met toestemming van één van de deelnemers komt vaker voor. Een infiltrant of een informant, soms ook een aangever die in overleg met de politie meer bewijs gaat verzamelen tegen een verdachte, kan een microfoontje krijgen, dat onzichtbaar voor derden wordt meegedragen. De STO zorgt voor het apparaatje en voor onzichtbare montage. Een STO beschikt veelal over één of meer auto's met video-apparatuur voor waarnemingen op de openbare weg.

STO's volstaan vaak met het bijhouden van een uitleen-administratie, met behulp waarvan zij indien nodig proces-verbaal kunnen opmaken.

Methoden DTOO

Indien de regio's bij de opsporing hoogwaardige apparatuur of specialistische technische kennis nodig hebben,
wordt de landelijke dienst, de DTOO, ingeschakeld. De DTOO houdt zich vooral bezig met uitleen en plaatsing van videocamera's en plaatsbepalingsapparatuur. De DTOO verrichtte in 1995 ruim 350 plaatsingen (zie tabel in paragraaf 8.4.2).

 

 

De voorzitter:

U plaatst die apparatuur ook?

De heer Hellemons:

Ja, wij plaatsen die apparatuur ook.

De voorzitter:

Hoe plaatst u die apparatuur?

De heer Hellemons:

Ik kan u niet precies vertellen hoe wij die apparatuur plaatsen. Ik kan u wel vertellen dat wij daarvoor een aantal specialisten in dienst hebben, wel eens wat gemakkelijk en snel aangeduid als de «sectie stiekem» uit Driebergen.

De voorzitter:

Dat is toch geen gekke naam.

De heer Hellemons:

Ik vind dat een naam die niet helemaal recht doet aan hetgeen daar gebeurt. Aan de ene kant ben ik gevleid, als men dat de «sectie stiekem» noemt, omdat dit aangeeft dat de informatie over hoe exact gewerkt wordt, goed afgeschermd is en niet aan alle kanten uitlekt. Dat blijft dus goed in de hand. Aan de andere kant heeft stiekem in mijn persoonlijke beleving ook iets van oncontroleerbaar, slecht en geniepig.

Noot
Naast het plaatsen van plaatsbepalingsapparatuur voeren leden van de DTOO ook inkijkoperaties uit. Dit gebeurt door het DTOO als voor een AT de opdracht bijvoorbeeld in technisch opzicht te moeilijkis. Het aantal inkijkoperaties dor het DTOO bedraagt ongeveer twaalf per jaar.

 

Methoden PIT

Politie-infiltratie kan diverse vormen aannemen, variërend van pseudokoop en hand- en spandiensten bij een levering van verdovende middelen tot de oprichting van een frontstore en de zogeheten projectmatige infiltratie. Noot De inzet van een PIT wordt beschouwd als ultimum remedium. Daarom vraagt het PIT de aanvrager naar eerder gebruikte methoden.

De infiltranten werken met één of meer valse-identiteiten. Op dit moment zijn er volgens de ANCPI 30 personen in Nederland met meer identiteiten. Het verlenen van een valse identiteit geschiedt op basis van een briefwisseling tussen de ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Financiën en Verkeer en Waterstaat gevoerd in de periode 1988-1992. Daarin wordt afgesproken dat de procureurs-generaal op «juridische en beleidsmatige gronden» afzien van strafvervolging van ambtenaren die betrokken zijn bij de verwezenlijking van pseudo-persoonskaarten, de afgifte van identiteitsbewijzen, van rijbewijzen en sofi-nummers.

Methoden BFO

Het onderzoek van de BFO's is gericht op het verkrijgen van inzicht in geldstromen en vermogensposities, ten behoeve van de ontneming van wederrechtelijk verkregen vermogen (buitengerichte opsporing) en de vergaring van criminele inlichtingen. In de praktijk is van dit laatste, met uitzondering van de BFO's bij kernteams, weinig terecht gekomen. Juridisch beschikt een BFO immers over weinig handvatten om tot pro-actief financieel onderzoek over te gaan. De buitengerichte opsporing is wel geregeld in het strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO).

In het kader van de taakstelling van BFO's wordt informatie opgevraagd bij diverse instellingen. Dat kunnen Kamers van Koophandel zijn, maar ook banken, de Gemeentelijke Sociale Dienst en het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor. In grote zaken komt het voor dat een bank al benaderd wordt voordat een gerechtelijk vooronderzoek of een strafrechtelijk financieel onderzoek is geopend. Vaker neemt het onderzoek van het BFO pas een aanvang als informatie bestaat dat buitgerichte opsporing, dat wil zeggen opsporing met het oog op uiteindelijke ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, vermoedelijk vruchten zal afwerpen. Op zo'n moment is al uit open bronnen de nodige informatie vergaard, terwijl ook bijvoorbeeld gegevens uit een tap of een huiszoeking zijn verwerkt. De BFO's willen zo vroeg mogelijk in het tactische recherchetraject ingeschakeld worden. Zij weten immers bijvoorbeeld bij huiszoeking in een kluis of het saldo van een rekening en/of de onderliggende stukken (en zo ja, welke) in beslag moeten worden genomen.

8.4.4 Sturing en controle

De commissie constateert veel verwarring over de vraag of de politie voor de inzet van deze diensten toestemming moet vragen aan het OM. Bovendien zijn er soms problemen tussen de CID en de tactische recherche over de wenselijkheid en mogelijkheid van inzet van de ondersteunende diensten. In sommige
gevallen vragen CID en tactische recherche zelfstandig observatie-activiteiten van deze ondersteunende eenheden aan. In andere gevallen wordt toestemming van het OM gevraagd. In weer andere gevallen wordt het OM alleen achteraf ingelicht over de inzet van deze middelen.

Het contact tussen OM en ondersteunende diensten vindt vrijwel steeds plaats door tussenkomst van de CID-chef. Rechtstreekse contacten tussen officieren van justitie en bijvoorbeeld CID- en OT-rechercheurs zijn er niet. Eén van de gevolgen daarvan is dat soms onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de aanwijzingen aan de CID. Soms wordt aan de aanvraag van een inkijkoperatie veel aandacht besteed, terwijl soms in het vage blijft of zeer snel besloten wordt dat vervolgens tijdens de inkijk ook peilapparatuur mag worden geplaatst. Het OM neemt de methode observatie en de ondersteuning van observatie met peilapparatuur of camera's niet overal even hoog op. Dat betekent dat een videocamera zonder toetsing van het OM gedurende vier maanden op de voordeur van een huis gericht kan zijn. Slechts zelden verbood het OM een voorgesteld gebruik van een technisch middel. Dit kan echter wellicht mede verklaard worden uit het feit dat aanvragen die bij voorbaat kansloos worden geacht niet aan het OM worden gedaan en niet worden vermeld in de (gebrekkige) registraties. De sturing en controle van het OT en de STO is divers: soms door de CID-officier van justitie, soms door de zaaksofficier, soms alleen door politiefunctionarissen. Er bestaat geen OT/STO-officier van justitie. Het OT bepaalt zelfstandig de te gebruiken methode voor de te verzamelen informatie. Het al of niet aanwezig zijn van de toestemming van het OM, de wijze waarop die toestemming is gegeven, alsmede de manier waarop dit wordt geverifieerd leveren een wisselend en onduidelijk beeld op. Sinds de Handleiding Kijkoperaties van 12 december 1994 moet in geval van een inkijkoperatie hetzij de CID-officier hetzij de zaaksofficier nadrukkelijk bij de zaak worden betrokken. De aanvragende dienst betrekt de officier van justitie bij de beslissing, maar daarmee is het systeem echter niet geheel waterdicht. Het AT weet daarmee immers nog niet of het OM daadwerkelijk toestemming heeft verleend. Niet alle officieren van justitie vinden het overigens nodig per zaak toestemming te geven. Sommige officieren van justitie geven een kader. Wanneer een voorgenomen inkijkoperatie door het AT daarbinnen valt, behoeft niet expliciet de toestemming van de officier van justitie verkregen te worden. Alle arrondissementen waar procedurevoorschriften zijn uitgevaardigd voor het vragen van toestemming bij de inzet van bijzondere opsporingsmethoden, noemen inkijkoperaties als methode waarvoor toestemming nodig is. Voor inkijk van buitenaf, zonder betreding zoals die vooral door OT's plaatsvindt, wordt echter niet altijd toestemming gevraagd omdat dit niet als een inkijkoperatie wordt beschouwd. Er zijn ook voorbeelden dat de toestemming van de officier van justitie voor de inkijk pas achteraf is gegeven.

De DTOO heeft sinds kort de toestemmingsprocedure nauwkeurig vastgelegd. De inzet van deze eenheid is pas mogelijk na een schriftelijke verzoek van een officier van justitie. De DTOO heeft intern strakke voorwaarden gesteld voordat tot technische ondersteuning wordt overgegaan. Zij behoudt zich bovendien het recht in te gaan tegen een verzoek van de officier. Daarbij beroept zij zich dan, naast de veiligheid van haar medewerkers, op juridische of ethische overwegingen. Er bestaat geen landelijke officier van justitie DTOO die controle uitoefent op het functioneren van de DTOO.

 

 

De voorzitter:

Dat is duidelijk. Hebt u op dit moment een officier van justitie die het gezag over u heeft?

De heeft Hellemons:

U bedoelt een vaste officier die het gezag over ons heeft?

De Voorzitter:

Ja.

De heer Hellemons:

Neen, ik denk het niet.

De voorzitter:

Die hebt u niet?

De heer Hellemons:

Neen.

De voorzitter:

Het is nu zo dat er bij elke aanvraag die u krijgt, een machtiging van een officier van justitie moet zitten.

De heer Hellemons:

Ja, sinds anderhalf jaar opereren wij alleen, als wij een schriftelijke opdracht of machtiging van een officier van justitie in ons bezit hebben.

De voorzitter:

En daarvoor was een verzoek van de politie voldoende?

De heer Hellemons:

Dan moet ik even terugaan in de historie. Onze dienst bestaat ongeveer 5 à 6 jaar. Voordat wij het tactisch team hadden, plaatsen wij onder dat soort omstandigheden geen apparatuur. Wij hadden daar namelijk niet de mensen voor. Toestemming van een officier van justitie speelde voor onze dienst dus niet tot eind 1992. Het tactisch team is eind 1992/begin 1993 met zijn werk begonnen. Toen werden de mogelijkheden, operationeel gezien, nog wat groter. Met de groei van die hele ontwikkeling is eigenlijk ook het regime van toezicht mee gegroeid. Vrij snel daarna zijn wij aan de recherchechef gaan vragen of de officier het ook goed vond. Dan kregen wij het antwoord: de officier vindt het goed. Daarna hebben wij gevraagd of de officier dat zelf even kon zeggen.

De voorzitter:

Even bellen!

De heer Hellemons:

Ja, even bellen. De laatste stap was dat wij het schriftelijk wilden hebben van de officier, zodat er geen misverstanden konden ontstaan over de exacte opdracht die aan ons gegeven werd. Als er


bijvoorbeeld een peilbaken geplaatst moet worden op een vrachtauto, moet er geen misverstand over bestaan of dat van de officier alleen aan de openbare weg mag of dat dit volgens hem ook moet kunnen, als die vrachtauto in een bepaalde loods staat. Nu is het zo dat er voor alle operaties van te voren een schriftelijke opdracht van het OM moet zijn.

 

 

De voorzitter:

En u maakt proces-verbaal?

De heer Hellemons:

Het proces-verbaal loopt daar in tijd iets op achter. In het begin, in 1992, maakten wij geen processen-verbaal. Wat wij er in 1995 ook van denken, dat gebeurde niet binnen de CID. Er werd ook niet om gevraagd door het OM. Ter zitting kwam het haast niet aan de orde.

De voorzitter:

Omdat het als CID-informatie verpakt kon worden?

De heer Hellemons:

Dat zou in theorie kunnen. Dat kan ik natuurlijk niet per zaak overzien, maar dat zou kunnen. Noot

Aan de inzet van het PIT gaat altijd overleg vooraf met de officier van justitie in het arrondissement waar de actie zal plaatsvinden. Aangezien tegenwoordig infiltratie-acties (vooral de pseudo-kopen) ook in het tactisch traject plaatsvinden, kan dit zeer wel de zaaksofficier van justitie zijn. In andere gevallen ligt contact met de CID-officier meer voor de hand. Dat gebeurt bijvoorbeeld als in de zaak ook een informant moet worden afgeschermd. De chef van het PIT zal over het eventueel verrichten van strafbare feiten in het kader van de infiltratie - bijvoorbeeld pseudo-koop - overleg voeren met deze officier van justitie. De officier spreekt de infiltranten niet zelf en kent hen hooguit bij codenaam.

Wat de BFO's betreft dient de Plukze-officier de sturende en controlerende rol te vervullen. In theorie is dit weliswaar een duidelijk stramien, maar in de praktijk betekent het niet evenveel. Het OM heeft problemen met het specialistische karakter van het werk van de BFO's. Ook wordt de Plukze-wetgeving in het algemeen als moeilijk beschouwd. Dat vindt niet alleen de staande, maar ook de zittende magistratuur. De BFO's beschouwen het OM in deze materie als terughoudend. Tegelijkertijd bestaat het besef dat dit mogelijk te wijten is aan de geringe ervaring bij het OM, en ook bij de BFO's zelf.

De betrokkenheid van de korpsbeheerder bij de ondersteunende diensten is gering. Controle van de korpsleiding wordt bemoeilijkt door samenwerkingsverbanden en de wens tot geheimhouding. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de controle op de hier besproken ondersteunende diensten gering is door de verschillen tussen de beheersmatige verantwoording, zaaksgebonden verantwoording, de door de methoden inggeven CID-matige verantwoordingslijnen en het specialistische karakter van de werkzaamheden van de ondersteunende diensten.

 

8.4.5 Beoordeling

De commissie constateert dat de taken van deze ondersteunende diensten onvoldoende geregeld zijn. De commissie is van oordeel dat de taakomschrijving van deze ondersteunende diensten nauwkeurig moet worden omschreven in een regeling op basis van de wet, om te voorkomen dat zij oneigenlijke taken gaan verrichten. De commissie is van oordeel dat de ondersteunende diensten onderdeel moeten zijn van de recherche en dat de rechercechef volledig verantwoordelijk is voor de inzet en het functioneren van deze eenheden. Er bestaat veel onduidelijkheid over de precieze bevoegheden en verantwoordelijkheden van de ondersteunende diensten en hun opdrachtgevers, te weten de CID-en en de tactische recherche-eenheden. In sommige gevallen is sprake van ondergeschiktheid, in andere gevallen hebben de opdrachtgevers geen enkele rechtstreekse relatie met de ondersteunende diensten. De commissie is van oordeel dat duidelijker moeten worden vastgelegd wie kan beslissen of en hoe een ondersteunende dienst kan worden ingezet. Deze procedure moet op hoofdlijnen gelijk zijn voor geheel Nederland.

Zoals in hoofdstuk 4 al aan de orde is gekomen acht de commissie de voorwaarden, waaronder verschillende observatiemethoden kunnen worden ingezet, onvoldoende duidelijk. Bij de inzet van deze ondersteunende diensten blijkt dat weer. De inhoudelijke en procedurele voorwaarden waaronder mag worden ingekeken of peilzenders mogen worden geplaatst, variëren sterk. De landelijke organisaties van de verschillende ondersteunende diensten trachten tot uniformering te komen. De vrijblijvendheid van deze organisaties maakt het echter vrijwel onmogelijk richtlijnen daadwerkelijk in te voeren.

De capaciteit van de OT's is veelal onvoldoende om bepaalde personen frequent te observeren. De prioriteit wordt, vaak op basis van door de aanvragende dienst verschafte gegevens, bepaald door de chef OT. Het OM speelt hierbij geen rol. De commissie acht dit ongewenst. De inzet van ondersteunende eenheden dient onder het gezag van het OM plaats te vinden. Het OM dient dan ook mede te bepalen welke prioriteiten gesteld moeten worden.

De commissie is van oordeel dat de gebrekkige vastlegging van de gebruikte methoden door OT's, STO's en AT's onwenselijk is. De commissie heeft verschillende voorbeelden aangetroffen waarbij door de gebrekkige administratie problemen tijdens de strafzaak ontstonden. De commissie is van oordeel dat alle
opsporingsactiviteiten van deze eenheden in elk betreffend proces-verbaal moeten worden vastgelegd. De gebrekkige administratie maakt een adequate sturing en controle nagenoeg onmogelijk. Van een verantwoorde sturing van en controle op de ondersteunende eenheden door het OM is nauwelijks sprake. De afstand tussen het OM en deze eenheden is groot. Veelal bevindt zich een CID-chef of recherchechef tussen de officier van justitie en de chef van de ondersteunende dienst. Van rechtstreekse sturing en controle is dan ook nauwelijks sprake. De geheimhouding verkleint de mogelijkheden voor het OM. Daarbij komt dat binnen deze ondersteunende eenheden verschillen van mening bestaan over de noodzaak en wenselijkheid om het OM toestemming te vragen of in te lichten over het gebruik van bepaalde observatiemiddelen. Aangezien er geen eenduidige wettelijke voorschriften bestaan over de te vragen toestemming, heeft elk regiokorps zijn eigen regels. De commissie acht dit ongewenst. De DTOO voert vele observatie-werkzaamheden uit. Zij hebben zichzelf de nodige voorwaarden opgelegd. De commissie is van oordeel dat onafhankelijke sturing en controle van deze dienst wenselijk is. Aangezien de DTOO opsporingsmethoden hanteert die vergaand inbreuk kunnen maken op grondrechten van burgers, acht de commissie het noodzakelijk dat een afzonderlijke officier van justitie controle uitoefent op deze dienst. Die sturing en controle vindt niet plaats door de lokale officieren van justitie die de aanvraag doen voor een peilzender of een inkijkoperatie.

De politiële infiltratieteams hebben onvoldoende capaciteit om alle verzoeken te kunnen inwilligen. De commissie is van oordeel dat deze teams uitgebreid dienen te worden. De politiële infiltratieteams voeren een nauwkeurige registratie van hun werkzaamheden. De sturing en controle van infiltratie-acties door het OM is over het algemeen intensief. De commissie is een voorstander van een landelijk gecoördineerde inzet van politie-infiltranten.


8.5 Kernteams

 

8.5.1 Inleiding

In de tweede helft van de jaren tachtig is de belangstelling voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit toegenomen. Noot In dit kader ontstond de gedachte om permanente opsporingscapaciteit vrij te maken ter bestrijding van dit type criminaliteit. Gezien het feit dat de criminele activiteiten zich veelal uitstrekten over grote delen van Nederland en het buitenland werd besloten tot de oprichting van interregionale opsporingsteams. Aanvankelijk werd gesproken van interregionale recherche-teams (IRT's); vanaf 1994 van kernteams. Het zijn er thans zes, te weten Noord-Oost-Nederland, Randstad-Noord en Midden, Zuid, Rotterdam, Haaglanden en Amsterdam. Er is een landelijk team (LRT) in oprichting.

Van de kernteams wordt een prominente rol verwacht bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De commissie heeft derhalve van het begin af aan veel aandacht besteed aan het functioneren en de organisatie van deze zes kernteams en het landelijk team in oprichting. Relevante documenten zijn opgevraagd en bestudeerd. Met vele betrokkenen zijn gesprekken gevoerd. De bevindigen van de commissie terzake de kernteams komen in deze paragraaf aan de orde.

 

8.5.2 Taken en organisatie

In convenanten, afgesloten tussen de ministers van Justitie en Binnenlandse zaken en de regio's zijn de doelen en de structuur van de kernteams vastgelegd. De convenanten geven de volgende omschrijving van de doelen en taken van de kernteams:-ontmanteling van criminele organisaties die bovenregionaal dan wel (inter)nationaal actief zijn,-berechting van de in criminele organisaties werkzaam zijnde verdachten,-ontneming van het financieel voordeel dat deze organisaties wederrechtelijk hebben verkregen,-inventarisatie van preventieve mogelijkheden om verdere groei van deze criminele organisaties in aantal en omvang te voorkomen, -vergaring van informatie over ontwikkelingen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit die op korte danwel lange termijn de rechtsorde in Nederland ernstig kunnen schaden. Elke politieregio dient één procent van de sterkte beschikbaar te stellen aan de kernteams. Dit gebeurt niet altijd. Zo weigert de politieregio Zeeland te participeren in het kernteam Rotterdam. Aan elk van deze teams neemt een aantal aangrenzende politieregio's deel.

 

 

Kernteam Randstad Noord & Midden:

Noord-Holland-Noord; Zaanstreek-Waterland; Kennemerland; Utrecht

Kernteam Amsterdam:

Amsterdam-Amstelland; Gooi- en Vechtstreek

Kernteam Haaglanden:

Haaglanden; Hollands Midden

Kernteam Rotterdam:

Rotterdam-Rijnmond; Zuid-Holland Zuid; Zeeland (verleent geen meewerking)


Kernteam Zuid:

Brabant-Noord; Brabant-West en -Midden; Brabant-Zuid-Oost; Limburg Noord; Limburg-Zuid

Kernteam Noord-Oost-Nederland:

Groningen; Friesland; Drenthe; IJsselland; Twente; Noord- en Oost Gelderland; Gelderland-Midden; Gelderland-Zuid; Flevoland.

Naast politie-ambtenaren uit de regio participeren ook medewerkers van ARI's en bijzondere opsporingsdiensten zoals de FIOD in de kernteams. Meer incidenteel wordt gebruik gemaakt van expertise van de ECD, CRI-accountants en de Koninklijke marechaussee.

Elk kernteam is gezags- en beheersmatig ondergebracht bij één bepaalde driehoek (korpsbeheerder, korpschef en hoofdofficier van justitie). Noot Aan de oprichting van de kernteams ligt de verwachting ten grondslag dat speciale politieteams een effectief middel vormen in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Deze teams zouden als herkenbare eenheden ingebed moeten worden in de regiostructuren. Dit om de continuïteit en kwaliteit van het grootschalig onderzoek te waarborgen. De toegevoegde waarde van de kernteams staat echter ter discussie. Sommigen menen dat de afzonderlijke bovenregionale kernteams inhoudelijk geen enkele meerwaarde hebben voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Anderen menen dat verdergaande centralisatie noodzakelijk is. In het evaluatierapport van de kernteams Noot laat ook het ministerie van Justitie zich kritisch uit over de tot dan toe geconstateerde inhoudelijke meerwaarde van de kernteams. De kernteams zijn zowel organisatorisch als inhoudelijk niet wat de ministeries zich ervan hadden voorgesteld. De aanbevelingen van de commissie Wierenga blijken slechts gedeeltelijk overgenomen. Er bestaat met name veel kritiek op de wijze waarop de prioriteitenstelling binnen de kernteams plaatsvindt. Dit kan te wijten zijn aan opstartproblemen. Immers de huidige kernteams bestaan pas sinds 1994:

 

 

De heer De Graaf:

Vindt u de kernteams effectief?

De heer Wilzing:

Je moet de kernteams de tijd geven om echt effectief te kunnen worden. Ik ben er stellig van overtuigd - dit vanuit mijn eigen omgeving, wij hoeven niet elke zaak die wij hebben opgelost uitgebreid in de pers te hebben, wij zijn daar zelfs zeer terughoudend in - dat het een effectief model is. Ik denk dat het plaatje van de kernteams er in de toekomst goed uit zal zien. Je ziet dat ook in de laatste analyse, als het gaat over het oprollen van met name criminele organisaties. Noot

Variatie organisatie en het LRT

Er bestaat een grote variatie in de organisatie van de kernteams. Soms zijn zij onderdeel van de regionale recherche, soms functioneren zij als een volkomen afgescheiden organisatie. Bij de kernteams in Amsterdam Noot en Rotterdam is de vraag gewettigd of er wel sprake is van een apart kernteam of dat zij veelal een gewoon onderdeel vormen van de regionale politie-organisatie.

 

 

De heer Rouvoet:

U gaf aan hoe u dacht over de inrichting van de kernteams. Is het niet juist een punt geweest - dat was althans de mening van onder andere de commissie-Wierenga - dat wij over zouden moeten gaan naar duidelijk herkenbare, apart gezette teams, die wel gekoppeld zijn aan regionale teams maar er toch los van staan? Zij zouden herkenbare units moeten zijn, met een eigen CID, met een eigen observatieteam. Daar ziet u dus niet zoveel in?

De heer Jansen:

Ik zie daar wel wat in, maar dan voor de regio's die gezamenlijk een kernteam hebben. Wij hebben evenals Haaglanden een veel grotere regionale recherchedienst. Daar zou zo'n kernteam helemaal separaat in moeten passen als je de adviezen van Wierenga opvolgt. Dat is een merkwaardig verschijnsel, want dan ga je schotjes binnen een dienst bouwen. Je gaat weer een RCID ergens bij bouwen, je gaat weer een stukje OT apart zetten. Dat is beheersmatig heel zwak.

De voorzitter:

Dat heeft u dus ook niet gedaan.

De heer Jansen:

Dat hebben wij niet gedaan. Het kernteam is unit 1 van de regionale dienst. Wij hebben een tweede unit van gelijke grootte en wij hebben een specialistische unit ofte wel een expertise-unit die weer ondersteuning verleent aan de projecten, een soort projectenorganisatie. Noot

De organisatorische inbedding van de CID-functie in de kernteams varieert. Formeel heeft geen van de kernteams een CID-status, zodat steeds een verhouding moet worden gecreëerd met een RCID. Feitelijk functioneren binnen de kernteams afzonderlijke CID-en die nagenoeg alle handelingen verrichten die een reguliere CID ook verricht.

Het voorgaande geldt niet voor Amsterdam en Rotterdam. In Amsterdam staat buiten kijf dat de (op zich wel decentrale) CID van het kernteam werkt onder verantwoordelijkheid van de RCID. De Rotterdamse regionale recherche dienst heeft een eigen CID, die moet worden onderscheiden van de Regionale CID. De eerste heeft acht runners; de laatste heeft geen eigen runners. In het Rotterdamse model is geen plaats voor een CID voor
het kernteam.
De meeste kernteams beschikken over een eigen OT. De randstedelijke kernteams kunnen hier niet over beschikken, zodat zij moeten putten uit de OT-capaciteit van de regio. Hierover zijn afspraken gemaakt. Het landelijk rechercheteam (LRT) is begin 1996 nog niet operationeel. Noot Het zal zijn activiteiten onder de verantwoordelijkheid van het landelijk OM-bureau gaan ontplooien. De taken van het LRT zullen zich concentreren op het verrichten van omvangrijke en complexe onderzoeken naar georganiseerde criminaliteit waarvoor specialistische kennis en expertise op het gebied van financiële recherchemethodieken noodzakelijk is (MOT-meldingen, EG-fraude, Pluk Ze), onderzoeksactiviteiten van internationaal belang die voortvloeien uit buitenlandse rechtshulpverzoeken en zaken van nationaal belang die onvoldoende binding hebben met regionale belangen.

Het LRT zal kunnen beschikken over eigen observatie- en infiltratiecapaciteit en over een nauw aan de bestaande structuren gekoppelde CID-ondersteuning. De verhouding tot de kernteams en de regionale recherche moet in de praktijk nog uitkristalliseren. Binnen de regio's wordt op de oprichting van het LRT met terughoudendheid gereageerd.

 

8.5.3 Zaken en prioriteiten

De zes kernteams zijn op dit moment in totaal bezig met een twintigtal opsporingsonderzoeken. Het aantal per kernteam varieert van één tot zes onderzoeken. Het gaat daarbij doorgaans om onderzoeken naar criminele organisaties in de betrokken regio's of die banden hebben met de regio. Dit kan onderzoek betreffen naar groeperingen die als hoog georganiseerd te kwalificeren zijn, maar dit is niet altijd het geval. De overgrote meerderheid van deze zaken betreft criminele organisaties die zich bezighouden met de handel in verdovende middelen. In veel zaken spelen internationale connecties een rol. Uit de aard der zaak zijn deze onderzoeken langlopend. Omdat het veel tijd kost een goede informatiepositie op te bouwen, wordt voor een dergelijk onderzoek als minimum twee jaar aangehouden. Enkele zijn al drie jaar of langer gaande. Deze langdurige kernteamonderzoeken hebben dikwijls gevolgen voor andere onderzoeken. Het komt voor dat minder belangrijke personen kunnen worden gearresteerd, waarbij het kernteam deze gevallen «wegtipt» aan regionale teams. Sommige van die onderzoeken kennen talrijke deelonderzoeken. Er zijn ook dwarsverbanden tussen de verschillende kernteamonderzoeken.

De prioriteiten in aan te pakken zaken door de kernteams worden in principe landelijk door het Coördinerend beleidsoverleg (CBO) en de Vergadering van procureurs-generaal vastgesteld. De invloed van de regio's zit in de aanlevering via de RCID en de NCID van informatie betreffende criminele groeperingen. Gesteld kan worden dat de bevoegdheid van het College van procureurs-generaal om als bevoegd gezag in hoogste instantie, op advies van het CBO, de prioriteiten te stellen, weliswaar formeel bestaat, maar praktisch volledig overschaduwd wordt door het informatiemonopolie van de politie. Artikel vier van de kernteamconvenanten, die door de politieministers zijn opgesteld, is hier ook debet aan. Het bepaalt dat de kernteams worden belast met onderzoeken die door de verantwoordelijke hoofdofficier en korpsbeheerder zijn vastgesteld en waarmee is ingestemd door de Vergadering van procureurs-generaal. In de praktijk komt de prioriteitenstelling voort uit de regionale gedachte.

 

 

De heer Koekkoek:

U zei dat de driehoek van het kernteam de zaak ook moet afkaarten. Heeft u iets gemerkt van invloed van het bestuur, zeg maar de korpsbeheerder die tevens burgemeester van Eindhoven is, op de keuze van de projecten?

De heer Paulissen:

Hij heeft daar natuurlijk wel een stem in, maar ik heb sterk het gevoel dat hij zich ook laat leiden door hetgeen politie en justitie aandragen. Dus ik heb het idee dat hij op hoofdlijnen het proces volgt, dat hij nagaat of er goede dingen gebeuren die hij kan verantwoorden. Maar wat heel de voorbereiding van de onderzoeken betreft heeft hij een rol op afstand. Noot

Bij de keuze van de te onderzoeken groepen spelen eerder uitgevoerde onderzoeken een cruciale rol. In Rotterdam maakt het multidisciplinair samengestelde Platform criminaliteitsbestrijding een eerste selectie. De ruimte voor het toedelen van nieuwe zaken is beperkt aangezien kernteams vooral bezig zijn met langdurige onderzoeken. Er is veel kritiek op de prioriteitenstelling door het CBO. De onderzoeken die de kernteams nu uitvoeren, zijn tamelijk willekeurig en vooral historisch bepaald.

 

 

De voorzitter:

Maar de keuzen blijken toch nog steeds voor het grootste deel in de regio te worden gemaakt? U kunt daar, vanuit het departement, toch bijzonder weinig sturing aan geven?

De heer Van de Beek:

Het was niet zo dat het departement wilde gaan bepalen welke zaken...

De voorzitter:

Nee, maar toch wel in algemene zin, zo van: waar houdt u zich mee bezig, zijn dat inderdaad de
zaken waarvan ook wij vinden dat ze op landelijk niveau moeten worden aangepakt?

De heer Van de Beek:

Ja, dat is waar.(...) Ik wil graag even nog iets meer hierover zeggen. Niet gezegd kan worden dat de kernteams zich bezighouden met zaken die niet binnen hun portefeuille kunnen liggen. Wel kan worden gezegd - dat is ook binnen het CBO zelf zo vastgesteld - dat mogelijk een aantal zaken kan worden overgedragen aan andere interregionale teams en de kernteams zich weer met andere zware zaken zullen bezighouden. Ten aanzien van de besluitvorming is vastgesteld dat die eigenlijk wat ingewikkeld loopt en dat die wat eenvoudiger en helderder kan. Daarover zijn in mei van dit jaar afspraken gemaakt door de betrokken hoofdofficieren, met ondersteuning van de korpsen en met instemming van de korpsbeheerders. Daarmee hebben wij nu een situatie gekregen waarin wij zowel ten aanzien van de organisatie en de inrichting als ten aanzien van de besluitvorming op een punt zijn gekomen waarop wij zeggen: ja, dat was de bedoeling toen wij startten. Noot

De ervaringen met de kernteams hebben duidelijk geleerd dat het minder gemakkelijk is daadwerkelijk los te komen van het regionale belang. De onderzoeken van de kernteams worden onvoldoende bepaald door landelijke afwegingen en door het streven naar een adequate aanpak van internationale zaken.

8.5.4 Methoden

Kernteam-onderzoeken zijn per definitie grote onderzoeken. Derhalve wordt gebruik gemaakt van alle beschikbare opsporingsmethoden waaronder bijvoorbeeld observatie, burger- en politiële infiltratie en het runnen van informanten. De betekenis van een informant bij kernteamonderzoeken is van het grootste belang, omdat doorgaans geprobeerd wordt ook de «grote vis» te vangen.

Indien in een crimineel netwerk de taken zo zijn verdeeld dat een hoofdpersoon zich slechts bezighoudt met het witwassen van met drugs verdiend geld, een andere met de inkoop van drugs en een derde met de logistiek om de drugs te importeren en aan de man te brengen, kan het lastig zijn bijvoorbeeld de financiële man te binden aan de rest van de organisatie. Zeker als de betrokkenen behoedzaam opereren is informatie van een goed geplaatste informant of infiltrant welhaast onontbeerlijk, al was het maar om een bankrekeningnummer door te geven van waaruit kan worden doorgerechercheerd.

Het aantal actief gerunde informanten varieert per kernteam van twee tot twintig. Sommige kernteams runnen slechts enkele informanten die echter veel relevante informatie leveren. In hoofdstuk 3 zijn enkele bijzondere gevallen van het runnen van informanten door kernteams aangegeven. Gecontroleerde aflevering en het doorlaten van partijen verdovende middelen komen voor bij de kernteams. Noot Politiële infiltratie wordt door kernteams frequent ingezet.

De kernteams worden tevens geacht onderzoek te doen naar specifieke aandachtsvelden, de zogenaamde fenomeenonderzoeken. Noot Zo doet het kernteam Haaglanden bijvoorbeeld onderzoek naar ontwikkelingen in Zuid-Amerika en het kernteam Rotterdam naar EG-fraude.

Financiële informatie-inwinning is voor het onderzoek van de kernteams vanzelfsprekend erg belangrijk gezien hun taakstelling en het feit dat de geldstroom immers dikwijls naar de top van de organisatie en naar relevante personen in de bovenwereld leidt. Bij het financieel rechercheren door de kernteams gaat het niet zozeer om de buitgerichte opsporing zoals verricht door de BFO's, alswel om de dadergerichte opsporing. Daarbij kan enerzijds geprobeerd worden aan te tonen wat de betrokkene legaal verdient om vervolgens de door hem gedane uitgaven hiermee te vergelijken. Anderzijds kan men zich concentreren op de uitgaven ten behoeve van een goederen(inclusief drugs-)levering. Daartoe wordt het papieren spoor onderzocht dat bijvoorbeeld tot stand komt bij de aanschaf van een boot. Het is in beide gevallen van belang de relevante bankrekeningen te kennen. Van alle uitgaven en inkomsten van dat rekeningnummer worden de opmerkelijke uitgaven geselecteerd. Dit vergt specifieke financiële kennis. Hiertoe participeren in het kernteam ambtenaren van de FIOD, het BFO en CRI-accountants.

 

8.5.5 Sturing en controle

 

Beheer

De kernteams zijn beheers- en gezagsmatig ondergebracht bij bepaalde regio's en parketten. Het beheer van het LRT berust bij de ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken, de landelijke hoofdofficier van justitie en de korpschef KLPD. Noot Formeel ligt de beheersverantwoordelijkheid van de kernteams bij de korpsbeheerder van de regio waar het team is gevestigd, zo is bijvoorbeeld de burgemeester van Haarlem
beheerder van het kernteam Randstad Noord en Midden. Toch achten de korpsen die aan de kernteams personeel leveren, zich hiermee nog niet ontslagen van alle verantwoordelijkheden. Als gevolg daarvan heeft bijvoorbeeld de kernteamchef van het kernteam Noord-Oost-Nederland zo nu en dan - en soms intensief - te maken met negen korpsbeheerders en negen korpschefs. Of de korpsbeheerder daarmee tevens sturing en controle moet uitoefenen op de in te zetten opsporingsmethoden, is onderwerp van discussie. De commissie constateert dat de korpsbeheerders zich op dit moment niet of nauwelijks bezighouden met de opsporingsmethoden die door de kernteams worden gehanteerd. Het is de vraag of dat ook past bij de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerders. De rol van de beheersdriehoek van het kernteam is nog niet uitgekristalliseerd.

 

Gezag

Het gezag berust bij de hoofdofficier van justitie die in praktijk een kernteam-officier van justitie aanwijst. Bij sommige kernteams bestaat een onduidelijke verhouding tussen de kernteam-officier van justitie en de CID-officier van justitie. Doorgaans is de kernteam-officier van justitie tevens CID-officier van justitie voor het kernteam. Bij andere kernteams zijn deze functies meer gescheiden. Van een uniforme verdeling van de gezagsbevoegdheden en -verantwoordelijkheden over de kernteams is geen sprake. De landelijke hoofdofficier van justitie is verantwoordelijk voor de gezagsuitoefening over het LRT (inclusief de CID). Kernteam-officieren van justitie zijn over het algemeen zeer betrokken bij het werk van de kernteams. Deze officieren zijn verscheidene dagen per week fysiek aanwezig bij het kernteam. Zij vallen niet bepaald op door terughoudendheid en vereenzelvigen zich nogal met de politie. Vanwege de politieke, bestuurlijke en justitiële gevoeligheid van de activiteiten van de kernteams is de sturing en controle intensief.

 

De heer Vos:

Mevrouw Gonzales, ik wil u eerst vragen stellen over uw werkveld als zodanig. Waar bestaat uw werk als kernteamofficier uit? Kunt u dat in het kort beschrijven?

Mevrouw Gonzales:

In Haarlem is er heel duidelijk voor gekozen dat de kernteamofficier tevens de CID-verantwoordelijkheid heeft voor het kernteam. Deze is dus tevens CID-officier, maar alleen van de CID van het kernteam. De nadruk van het werk ligt dan op de CID-fase en de zogenaamde proactieve fase. Het werk is in het algemeen voor een deel het opsporingswerk. Daar moet je bij het team bovenop zitten, dus nagaan welke methoden er worden gebruikt. Aan de andere kant moet je, juist als officier, toetsen aan de rechtmatigheid, dus: wat kan volgens de wet wel en niet.

De heer Vos:

U praat nu over uw CID-functie, maar kunt u iets vertellen over de kernteamelementen als zodanig? Wat is de functie van de officier van het kernteam?

Mevrouw Gonzales:

In feite heb je veel meer te maken met het aansturen van een aantal grote projecten die langer duren dan een paar weken. Je hebt te maken met een specialistisch team waarin alle onderdelen verenigd zijn: een eigen CID, een eigen observatieteam en een aantal tactische onderzoeken. Ook in de beheersmatige sfeer draai je mee in het reilen en zeilen van het kernteam.

(...) De heer De Graaf:

Maar heeft u nog wel voldoende distantie als officier als u eigenlijk deel uitmaakt van de leiding van het politieteam?

Mevrouw Gonzales:

Dat is altijd het punt dat je houdt als je als officier zo dicht op een opsporingsinstantie zit. Ik denk het wel, want ik ben juist de scharnier naar de zaaksofficier, mijn hoofdofficier en mijn unithoofd. En zij zijn mijn klankborden met wie ik dingen ook overleg, dus als het al zo is dat ik in mijn enthousiasme meer galoppeer waar het iets minder zou kunnen, dan heb ik altijd een paar mensen die aan de bel trekken en zeggen: heb je hier wel aan gedacht, of hoe zit dat? Ik denk dat daarmee de distantie wel verzekerd is. Noot

Coördinerend rechters-commissarissen

Binnen de rechterlijke macht werd in 1994 in de aanpak van de georganiseerde criminaliteit aanleiding gezien het instituut van coördinerend rechter-commissaris (CRC) in te voeren. Met de instelling van kernteams die immers over de arrondissementsgrenzen werken, werden kernteam-officieren aangesteld. Daaruit werd de conclusie getrokken dat ook een CRC op zijn plaats zou zijn. In de loop van 1995 zijn in de arrondissementen waar een kernteam is gevestigd rechters, in de rang van vice-president, aangesteld met de bedoeling de coördinatie van de rechterlijke betrokkenheid bij een kernteam op zich te nemen. dat wil niet zeggen dat de CRC alle kernteamzaken behandelt. Hij dient te coördineren in zaken die door andere rechters-commissarissen worden afgedaan. Er zijn zes kernteams en daarom ook zes coördinerend rechters-commissarissen. De strafvorderlijke taakverdeling behoeft met hun aanstelling niet te worden aangepast. Het OM leidt en coördineert de opsporing en daar ligt de verantwoordelijkheid voor de onderzoekskeuzes; de rechter toetst. De rechters-commissarisen behouden hun eigen bevoegdheid tijdens het gerechtelijk vooronderzoek. Door zijn
overzicht over lopende kernteamzaken kan de CRC afstemming tussen de diverse onderzoeken realiseren. Er zijn zes kernteams en derhalve ook zes CRC's. Een punt van discussie is de rol van de CRC tijdens het vooronderzoek. Juist omdat deze voorfase voor de kernteams zeer belangrijk is, is door één van de CRC's de mogelijkheid geopperd dat de CRC zich daarmee zal moeten bezighouden. Noot Op dit moment spelen de CRC's echter geen enkele rol bij de beoordeling van opsporingsmethoden die centraal staan in dit onderzoek.

 

De heer Vos:

Uw redenering is dus: ik ben een CRC bij een van de kernteams, de kernteams doen het zware werk en ik wil werk doen, ook in de proactieve fase waarin de kernteams actief zijn. Maar waarom is dat juist een taak voor een CRC? Waarom zegt u niet dat dit bij het OM thuishoort? Wat kunt u toevoegen?

De heer Gelderman:

Ook tegen mij is gezegd dat de coördinatie toch eigenlijk een OM-taak is. Waarom moet daar een rechter aan zitten, is mij gevraagd. Daarover doordenkende, komt toch aan de orde dat het handig kan zijn dat een centrale rechter-commissaris, die in goed contact staat met de in zijn ressort werkzame andere RC's, afspraken kan maken over het coördineren van een aantal onderzoekshandelingen. Als in een grote zaak drie of vier takken een rol kan spelen, dan is het wel zo handig dat het getuigenverhoor door één RC wordt - met diverse takken in die ene zaak - die bij diverse rechtbanken speelt, een getuige wordt gehoord die in de verricht. Dat kan de coördinerend RC zijn. Er zullen natuurlijk afspraken gemaakt moeten worden over tijdstippen waarop handelingen worden verricht, opdat de ene huiszoeking de andere niet frustreert. (...)

De heer Vos:

Is dan uw overweging dat het zo praktisch is om daar een rechter-commissaris in de voorfase te plaatsen? Of zegt u dat daar de grootste knelpunten liggen, dat daar grondrechten geschonden kunnen worden en dat daar dus een rechter bij moet komen als bepaalde werkmethoden aan de orde komen in de voorfase?

De heer Gelderman:

Mijn gedachte is geweest dat bij het inzetten van bijzondere opsporingsmethoden die een inbreuk vormen op het grondrecht van privacy - daar praten wij met name over - de inbreuk op de grondrechten bij wet in formele zin moet worden geregeld. Als je dat regelt, moet je ook zeggen op welke wijze dat zou mogen en onder welke omstandigheden dat zou mogen. Er moet ook getoetst worden of volgens die normen wordt gewerkt. Daar het grondrecht van de persoonlijke levenssfeer van groot belang is, ben ik van mening dat de strafvorderlijk kwalitatief zo hoog mogelijke autoriteit degene moet zijn die de toets aanbrengt. Dan is het de rechter die het moet doen. De vraag is dan wel welke rechter het moet zijn. Ik heb in mijn optie gekozen voor de CRC. (...) Noot

8.5.6 Beoordeling

De kernteams hebben geen expliciete wettelijke basis. De beheers- en gezagslijnen zijn vastgelegd in convenanten tussen de regio's en de ministeries. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de bestaande structuren. De taken en bevoegdheden van de kernteams zijn afgeleid van de bestaande wettelijke regelgeving. De commissie is van oordeel dat de taken en de bevoegdheden van de kernteams in een regeling op basis van de wet moeten worden vastgelegd.

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de verschillende betrokken functionarissen vormen aanleiding tot verwarring. De commissie is van oordeel dat indien daadwerkelijk een bovenregionale meerwaarde wordt nagestreefd het noodzakelijk is de kernteams een positie te geven waardoor zij als afzonderlijk te identificeren eenheden kunnen functioneren.

De commissie constateert dat de kernteams werkelijk alle methoden hanteren die in dit onderzoek centraal staan. De bestrijding van de criminele organisaties waarop de kernteams zich richten, noodzaakt volgens betrokkenen tot het gebruik van al deze methoden. De kernteams maken onder andere gebruik van burgerinfiltranten, inkijkoperaties, gecontroleerde afleveringen en doorlatingen. Vooral in de Randstad zijn daarmee ervaringen opgedaan. In hoofdstuk 3 heeft de commissie aangetoond dat deze ervaringen niet altijd positief waren. Over het algemeen is bij de inzet van deze methoden sprake van een deugdelijke administratie en verslaglegging van deze methoden. Het OM is nagenoeg steeds op de hoogte van deze methoden en heeft daaraan tevens toestemming verbonden. Het gaat bij de kernteams om een systematisch gebruik van deze methoden.

De commissie is van oordeel dat de prioriteitenstelling van de te onderzoeken zaken verbetering behoeft. Er bestaat een kloof tussen de beslissingen van het College van procureurs-generaal en de feitelijk door de kernteams uitgevoerde onderzoeken. Daarnaast is de commissie van oordeel dat de prioriteitenstelling van onderzoeken op basis van tellingen van criminele organisaties ontoereikend is. Een meer uitgebreid kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in Nederland is noodzakelijk om tot een meer verantwoorde keuze van de te onderzoeken zaken te kunnen komen. De commissie is van oordeel dat de kernteams zich op dit moment primair richten op de opsporing van drugdelicten. De commissie acht het wenselijk dat de kernteams zich tevens bezig gaan houden met andere vormen van georganiseerde
criminaliteit. Bij de prioriteitenstelling moet tevens gestreefd worden naar afstemming tussen nationale prioriteiten en interregionale wensen en mogelijkheden.
De commissie constateert dat de sturing en controle van de methoden die door de kernteams worden gebruikt intensiever is dan bij regionale recherche-eenheden en CID-en. Dit heeft te maken met de politieke, maatschappelijke, justitiële en bestuurlijke gevoeligheden van de activiteiten van deze kernteams. Het OM zit er bovenop.

De sturing en controle door de korpsbeheerders is nog niet uitgekristalliseerd. De commissie is van oordeel dat de beheersverantwoordelijkheid van de korpsbeheerder hem ertoe dwingt beter te participeren in de besluitvorming over de onderzoeken en de te hanteren methoden. Van een verantwoordelijkheid op afstand kan naar het oordeel van de commissie geen sprake zijn. In het verleden is meermalen aangetoond dat het gebruik van opsporingsmethoden directe beheersconsequenties heeft. De commissie is daarnaast van oordeel dat de rechters-commissarissen een belangrijke taak moeten hebben bij de beoordeling van de in te zetten methoden. De commissie acht het gewenst dat de rechters-commissarissen vooraf de in te zetten methoden toetsen. In hoofdstuk 9 geeft de commissie aan hoe zij deze rechterlijke toetsing vorm wil geven. De toegevoegde waarde van de kernteams is nog onvoldoende uitgekristalliseerd. De commissie is van oordeel dat indien kernteams daadwerkelijk als afzonderlijke eenheden kunnen functioneren en de prioriteitenstelling een betere basis krijgt, een inhoudelijke meerwaarde kan worden bereikt. Op dit moment is in veel gevallen sprake van kernteams die primair regionale belangen vertegenwoordigen. De commissie acht dat in tegenspraak met de doelstelling van de kernteams. Indien de kernteams er niet in slagen bovenregionale opsporing te bewerkstelligen is de betekenis van de kernteams gering.

De kernteams en het LRT moeten naar het oordeel van de commissie de tijd krijgen te bewijzen dat zij daadwerkelijk een toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de regionale eenheden. De taken van het LRT zijn diffuus en de meerwaarde van dit team moet nog blijken. De commissie is echter wel van mening dat indien in 2000 nog niet expliciet is aangetoond dat de kernteams en het LRT een inhoudelijke betekenis hebben, besloten moet worden tot een andere organisatie van de opsporing.


8.6 Bijzondere opsporingsdiensten

 

8.6.1 Inleiding

In het rapport van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden is een aantal vragen gerezen over de betrokkenheid van de bijzondere opsporingsdiensten bij de bestrijding van zware, georganiseerde misdaad. Immers vele bijzondere opsporingsdiensten worden op één of andere manier geconfronteerd met uitingen van georganiseerde misdaad en een aantal draagt ook actief bij aan de bestrijding ervan (denk aan BTW-fraude, verdovende middelen, EG-fraude, milieu-fraude). Derhalve heeft de commissie aandacht besteed aan de organisatie en het functioneren van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) van het ministerie van Financiën, de Economische controledienst (ECD) van het ministerie van Economische Zaken, de Algemene inspectiedienst (AID) van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, het Milieubijstandsteam ( MBT) en de Dienst recherchezaken (DRZ), beiden van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. Documenten zijn bestudeerd en vele interviews zijn gehouden met betrokken functionarissen.

 

8.6.2 Organisatie en samenwerking

De onderzochte bijzondere opsporingsdiensten hebben elk een landelijke taak en werken onder beheersverantwoordelijkheid van een minister. Zij ontlenen hun taak aan bijzondere wetten. Voor de FIOD betekent dit dat optreden van de FIOD in beginsel een fiscaal belang vergt; voor de ECD speelt de economische impact van gedragingen een rol bij de beoordeling of moet worden opgetreden; ook de AID heeft zijn eigen prioriteiten, te weten EG-fraude, milieu, landbouw, en visserij. De verschillen tussen de bijzondere opsporingsdiensten in de organisatie van de opsporing zijn veelal groter dan de overeenkomsten. Elke bijzondere opsporingsdienst heeft zijn karakteristieken. Zo is de AID met name een controledienst met een kleine afdeling recherche, terwijl de FIOD primair gericht is op opsporing met een daartoe geëquipeerd apparaat. Het is nauwelijks mogelijk tot algemeen geldende uitspraken te komen over de rol van bijzondere opsporingsdiensten tijdens de opsporing. Structurele organisatiewetgeving over de bijzondere opsporingsdiensten, zoals de Politiewet, ontbreekt en wordt node gemist.

De AID, de ECD en de DRZ hebben de beschikking over een CID-afdeling. De FIOD heeft de beslissing hierover een half jaar aangehouden. Deze vier diensten hebben CID-status, als bedoeld in artikel 10 en 11 van de CID-regeling, aangevraagd. Binnen het ministerie van Justitie circuleert een concept wetsontwerp dat de
mogelijkheid opent om bij AMvB aan de bijzondere opsporingsdiensten CID-status te verlenen. De wens van de bijzondere opsporingsdiensten om een CID-status te verkrijgen heeft vooral te maken met de mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van de CID-informatie van de politie. Daarnaast zou de politie zelf gebruik kunnen maken van de CID-gegevens van de bijzondere opsporingsdiensten. Noot Teneinde de uitwisseling van CID-informatie te vergemakkelijken en te controleren bestaan voor de AID, de FIOD en de ECD convenanten met de LCID, waarin de werkzaamheden van bijzondere opsporingsdiensten-liaisons worden geregeld. Via deze liaisons melden de AID, de ECD en de FIOD bijvoorbeeld informanten aan bij de CRI. Deze liaisons functioneren al enige tijd zonder dat de convenanten ten departemente bekrachtigd zijn. Het inwinnen van informatie op milieugebied dient voornamelijk in «de bovenwereld» plaats te vinden. Op het moment zijn met name de politiële CID-en hierop niet berekend. Wel hebben alle RCID-en milieu in hun pakket. Er heeft een pilot-project `CID en milieu` plaatsgevonden dat onder meer heeft geresulteerd in de aanbeveling een CID-rechercheur te koppelen aan een ervaren politiefunctionaris uit de milieuhandhavingssector.

De ambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten werken op basis van art. 11 Politiewet 1993 samen met de politie. In een aantal gevallen wordt gebruik gemaakt van de specifieke bevoegdheden waarover de buitengewone opsporingsambtenaren kunnen beschikken. Noot De samenwerking met de politie verloopt niet altijd vlekkeloos. Naast cultuurverschillen, opleidingsverschillen en salarisverschillen lopen de belangen van de politie en de bijzondere opsporingsdiensten niet altijd parallel. Immers de bijzondere opsporingsdiensten vallen onder een vakministerie, dat vervolging niet als primaire taak heeft. Bij de handhaving van bijzondere wetten is strafvervolging veelal een subsidiair handhavingsmiddel.

Samenwerking tussen FIOD en politie geschiedt het meest structureel in de kernteams. Daartoe zijn afzonderlijke convenanten afgesloten. De FIOD heeft verder één procent van zijn capaciteit ter beschikking gesteld van de Bureaus financiële ondersteuning (BFO's). De samenwerking tussen de FIOD en de politie is intensiever dan tussen de andere bijzondere opsporingsdiensten en de politie.

8.6.3 Opsporings- en controlebevoegdheden

Eerst een opmerking over het proactieve optreden van bijzondere opsporingsdiensten. Bij deze diensten zijn drie fasen te onderscheiden: de toezichtfase, de proactieve fase en de opsporingsfase. De overgang van controle naar proactief geschiedt zodra een inspectie/toezichthouder de zaak overdraagt aan de opsporingsdienst/-afdeling. Daar wordt bezien of de feiten die naar voren zijn gebracht op grond van het toezicht voldoende zijn om te spreken van een redelijk vermoeden van schuld. Zo niet, dan zal er eerst informatie moeten worden vergaard uit open bronnen, de eigen CID, althans een eigen bestand, of een CID van de regionale politie die soms al bij het onderzoek is betrokken, of er kan een OT worden ingezet. In de bijzondere wetten staan bevoegdheden omschreven voor twee soorten ambtenaren: toezichthoudende ambtenaren en opsporingsambtenaren. Inhoudelijk onderscheiden dergelijke bevoegdheden zich dikwijls niet bijzonder van elkaar. De bijzondere opsporingsdiensten stellen eenstemmig dat zij geen gebruik maken van hun controle-bevoegdheden tijdens de opsporingsfase. Van een vermenging van de verschillende bevoegdheden is nauwelijks sprake. Bijzondere opsporingsambtenaren blijken zich goed bewust van deze zogenaamde sfeerovergang en maken daar ook doordacht gebruik van. Deze overgang tussen controle en opsporing biedt voldoende ruimte voor het verzamelen van informatie.

De FIOD, bestaande uit de fiscale- en douanerecherche, wordt als opsporingsdienst normaliter pas ingeschakeld als de belastinginspecties of de douane hun toezichthoudende werkzaamheden hebben verricht. De FIOD stelt dan ook scherp onderscheid te maken tussen opsporing en toezicht. Als een strafzaak is begonnen, ligt de controle stil. Ook de ECD en DRZ zijn in beginsel opsporingsdiensten. Voor bijna 90% bestaan de werkzaamheden van de ECD uit opsporingsactiviteiten. Bij de ECD is de scheiding tussen toezicht en opsporing niet scherp. Anders is het met de AID, waar zowel toezichthouders als opsporingsambtenaren werken. De recherche is bij de AID wel in een aparte eenheid ondergebracht. Het Milieubijstandsteam neemt een enigszins bijzondere plaats in. Het is geen recherchedienst pur sang, maar een dienst waarvan het toezichthoudend personeel ook opsporingsbevoegdheid heeft en technische ondersteuning levert aan de politie.

Al met al erkennen de bijzondere opsporingsdiensten het belang om toezicht en opsporing niet door elkaar te laten lopen, wat niet wil zeggen dat zulks nimmer gebeurt. Veel aanwijzingen van het door elkaar gebruiken van bevoegdheden zijn echter niet gevonden.

 

8.6.4 Methoden

 

 

 

FIOD:

douanerecherche


De douanerecherche van de FIOD verricht de opsporing van zaken die voortkomen uit de controles van de douane. Binnen de douanerecherche opereert landelijk het drugs (Kolibrie)team en het EG-fraudeteam. Beide voeren grote strafrechtelijke onderzoeken uit die gericht zijn op criminele organisaties. De douanerecherche runt incidenteel informanten. In hoofdstuk drie heeft de commissie aangegeven hoe de douanerecherche betrokken raakte bij de doorlating van vele containers met drugs. Het Douane informatiecentrum (DIC) analyseert wetgeving op fraudegevoeligheid en analyseert branches en goederenstromen. Op dit moment beperkt de analyse zich nog tot ladingsbescheiden in de maritieme sector, waarbij met name gedacht moet worden aan de Rotterdamse haven. De analyse wordt waarschijnlijk uitgebreid naar Schiphol. De analyse richt zich op afwijkende patronen van vracht uit bepaalde bestemmingen.

De heer Huisman:

(...) Het Douane-informatiecentrum is een eenheid die in 1992 als een project is begonnen en in 1993 officieel is geïnstalleerd binnen de Nederlandse douane. Het is een ondersteunende eenheid. Ons werk ligt voornamelijk op het vlak van het analyseren van gegevens aan de hand waarvan de douane veel gerichter kan controleren. Immers, de douane is een controledienst. Maar met deze gegevens is het dus in een aantal gevallen goed mogelijk dat onze eigen opsporingsdienst, de FIOD, wat gerichter kan opsporen. Als ik praat over het analyseren, dan kunt u daar een aantal dingen in onderscheiden. Het eerste, en dat is ook datgene waar wij ooit mee begonnen zijn, is het analyseren van ladingbescheiden. Daarbij proberen wij - ik geef het maar wat eenvoudig weer - om zendingen te traceren die afwijken van het normale patroon. Noot

De heer Huisman:

(...) Dan zijn er weer twee mogelijkheden. Het kan zijn dat wij zeggen: de zending wijkt wat af van het normale patroon, maar verder kunnen wij daar toch niet al te veel informatie omheen verzamelen. Dan wordt zo'n zending uitgezet ter controle bij de douane. Het kan ook zijn, en dat maakt het soms moeilijk, dat bij het analyseren van die ladingsbescheiden er zoveel informatie op tafel komt, dat wij zeggen: nu ontstaat er een redelijk vermoeden van een strafbaar feit. Dan wordt een dergelijke geselecteerde zending niet uitgezet bij de douane zelf, maar gaat die naar onze collega's van de FIOD. Noot

Het DIC is meermalen verzocht containers niet te laten controleren door de douane omdat politie en justitie hadden besloten tot een gecontroleerde aflevering of doorlating van de containers. Noot De douane werkt mee aan opsporingsmethoden die door politie en douanerecherche ingezet worden. Met name betreft dit gecontroleerde afleveringen en het plaatsen van peilbakens. Getwijfeld wordt of het inkijken in containers op het haventerrein, voordat een gecontroleerde aflevering aanvangt, een inkijkoperatie kan worden genoemd. Peilbakens worden incidenteel door de douanerecherche betrokken van het KLPD; het plakken van een peilbaken gebeurt vooral in samenwerking met een AT. De inbouw van bewegingsmelders in containers komt ook voor. Vuilnissnuffel gebeurt door de FIOD al sinds heugenis. Dit wordt niet als onrechtmatig beschouwd. De FIOD beschikt over een eigen observatieteam. De observatieteams beschikken over mobilofoons, portofoons, verrekijkers, film- en video-apparatuur.

De douanerecherche heeft in het recente verleden intensief contact gehad met enkele informanten. Officier van justitie Teeven spreekt in zijn verhoor van ongeveer tien informanten die door de douanerecherche gerund zouden zijn. In hoofdstuk 3 is geconstateerd dat sommigen van hen voldeden aan de commissie-omschrijving van infiltranten.

De FIOD heeft jarenlang een informant gerund die later actief is geweest in het sigarettentraject in Kennemerland. Met deze informant was geregeld contact vanaf 1989 en stond vanaf 1993 in het FIOD-informantenbestand ingeschreven. In het sigarettentraject werd hij in combinatie met de RCID Kennemerland gerund. Het komt wel vaker voor dat in een samenwerkingsverband iemand uit de bovenwereld wordt «mee-gerund» met een RCID, omdat de FIOD daartoe de inhoudelijke deskundigheid heeft. In het sigarettentraject is echter wat misgegaan. In de praktijk opereerde de informant min of meer los van de runners omdat de RCID Kennemerland en de FIOD-medewerker (de mee-runner) allebei in de veronderstelling verkeerden dat de ander actief runde. In het kader van het sigarettentraject, zo stelt de FIOD-medewerker Noot , heeft de FIOD ook enkele proeftransporten laten uitvoeren door de informant. Er is niet gebleken dat hierover enig overleg met het OM heeft plaatsgevonden of dat daarvoor toestemming is gegeven. De informant heeft zich niet aan de afspraken gehouden. Hij meldde proeftransporten niet tevoren aan en kwam met bewijsstukken van uitgevoerde transporten uit een voorliggende periode.

Op dit moment worden, volgens de directeur van de FIOD Van Blijswijk en het hoofd van de douanerecherche Bakker, geen informanten meer gerund. De FIOD zou alleen zogenoemde tipgevers of relaties kennen.

 

De voorzitter:

De FIOD heeft vroeger wel informanten gehad.


De heer Bakker:

Ik gebruik het woord «informanten» liever niet. Ik zou liever het woord «relaties» willen gebruiken. Het regime van informanten impliceert een CID-regime, dat wij als FIOD nooit hebben gehad. Dat hebben wij dus ook niet gebruikt. Het is wèl juist dat we in het verleden signalen kregen van die relaties. Op het moment dat sprake was van heel frequente contacten, hebben wij die relaties uiteindelijk overgedragen aan RCID's.

De voorzitter:

Maar dat waren toch eigenlijk mensen die te vergelijken zijn met informanten van de politie?

De heer Bakker:

Uiteindelijk zijn die mensen, doordat ze frequent kwalitatief gezien goede informatie leverden, informatie die ook vaak in een bredere context was dan informatie die wij als FIOD alleen nodig hadden, overgedragen, samen met hun informatie, aan de RCID's. Het is mij bekend dat zij daar werden ingeschreven als informant.

De heer Rabbae:

Maar u wilt toch niet zeggen dat de FIOD geen informanten heeft gehad en ook niet heeft gerund?

De heer Bakker:

Ik heb al aangegeven dat ik spreek over relaties. In het verleden zijn er contacten geweest met die relaties.

De heer De Graaf:

Bent u bang voor het woord «informant»?

De heer Bakker:

Nee, ik ben niet bang voor het woord «informant».

De heer De Graaf:

Waarom noemt u dan mensen die informatie leveren, «relaties»?

De heer Bakker:

Dat past in een veel bredere context van signalen die wij als FIOD soms krijgen.

De heer De Graaf:

Daar begrijp ik niets van.

De heer Bakker:

Wij krijgen tips, en wanneer er frequent tips van dezelfde persoon komen, is dat een relatie. Op het moment dat dat informatie is die bruikbaar is, kunnen wij dat niet gebruiken onder een CID-regime. Dus zeggen we dan: deze man moet worden overgedragen aan de RCID.

De voorzitter:

Wanneer zijn uw tipgevers/informanten overgedragen aan de criminele inlichtingendiensten?

De heer Bakker:

U suggereert dat wij lijsten met dat soort mensen hebben. Ik ken die lijsten en die personen niet. Ik heb zelf begrepen dat op enig moment dit soort contacten die binnen de douane en de FIOD aanwezig waren, zijn geïnventariseerd. De mensen die geen kwalitatief goede informatie meer leverden, zijn toen geschoond, in die zin dat daarmee geen contact meer is geweest. De informanten die kwalitatief gezien goede informatie leverden, zijn overgedragen. Dat is gebeurd in 1992. Noot

Desondanks krijgt de CRI via de FIOD-liaison verzoeken om informantencodes voor de douanerecherche te checken. Wat betreft informanten speelt tipgeld slechts een zeer geringe rol. Een enkele maal is een FIOD-ambtenaar benaderd om vanwege zijn specifieke deskundigheid bij te dragen aan het opzetten van een frontstore. Ook is het ministerie van Financiën geraadpleegd over belastingtechnische aspecten van frontstores.

De FIOD, en met name de douanerecherche, verleent facilitaire diensten aan RCID-en ten bate van gecontroleerde afleveringen. De dienst kent tenslotte de douaneprocedures en heeft inzage in gegevens over al dan niet verdachte containers. De RCID-verzoeken tot medewerking lopen via vaste contactambtenaren van beide diensten. Het uiteindelijk resultaat is veelal dat de douane verzocht wordt de bewuste container zonder nadere controle door te laten gaan of dat een container, voordat deze wordt afgehaald, gecontroleerd moet worden op verdovende middelen. Wanneer de container het douaneterrein verlaat en onder observatie wordt geplaatst, is daarmee de douanebemoeienis beëindigd. De FIOD volgt deze procedure sinds januari 1994. De procedure is in convenanten met RCID-en vastgelegd. Noot In douanekringen wordt gesteld dat voor 1991 geen «ongecontroleerde» gecontroleerde afleveringen in de haven van Rotterdam hebben plaatsgevonden. Alle gecontroleerde afleveringen zijn toentertijd gecontroleerd en tezijnertijd in beslag genomen. Vooral de regio Dordrecht was zeer actief in dit opzicht. De afgelopen twee jaren zijn het vooral de regio's Kennemerland en Gooi en Vechtstreek waar (on)gecontroleerd containers heengaan. Het omslagpunt ligt ongeveer eind 1991. Omstreeks dat moment werd de douane geconfronteerd met het fenomeen dat zendingen ongecontroleerd moesten worden doorgelaten in het belang van het onderzoek. Noot

 

 

FIOD:

fiscale recherche

De fiscale recherche houdt zich bezig met de opsporing van fiscale strafbare feiten. De fiscale recherche wordt actief naar aanleiding van ernstige onregelmatigheden die blijken uit reguliere controles door de belastingdienst. De FIOD beschikt over een eigen tapcentrale, observatieteam en technische recherche. De fiscale recherche maakt incidenteel gebruik van dit OT. In concrete zaken waarin de FIOD en de politie samenwerken krijgen de fiscale rechercheurs inzage in de politiële CID-gegevens. De fiscale recherche runt zelf geen informanten. Wel wordt gebruik gemaakt van tipgevers. De FIOD wordt ook wel benaderd om informatie:

De voorzitter:

Ik wil u nog één heel ander ding vragen. Verleden week heeft de officier van justitie mevrouw
Gonsalez hier gesproken over het bezoek dat zij aan de FIOD heeft gebracht om leggers van enkele journalisten in te zien. Bent u daarbij betrokken geweest?

De heer Bakker:

Ja. Zij heeft een verzoek om informatie aan mij gericht.

De voorzitter:

U had kunnen weigeren, omdat het ging om een pro-actief onderzoek, waarbij zij zich in het verhoor baseerde op de Wet persoonsregistratie.

De heer Bakker:

Mijn perceptie van de vraagstelling is geweest dat zij deze vraagstelling heeft gedaan in februari 1995. Wij hadden besprekingen in het kader van de bijdrage van de FIOD aan het kernteam, en mijn perceptie op dat moment was ook dat die vraagstelling plaatsvond in het kader van haar rol als CID-officier van dat kernteam. Die informatie heeft zij aan mij gevraagd, dus in het kader van een strafrechtelijk onderzoek wat zich bevindt in de GVO-fase. Dat was de perceptie die ik op dat moment had van haar vraagstelling. Ik heb dat voorgelegd aan het plaatsvervangend hoofd van de FIOD, gelet op het karakter van de vraagstelling. Dat karakter past in de mogelijkheden om in deze fase van het onderzoek de informatie beschikbaar te stellen. Wat ik vervolgens heb gedaan, is de leggers van deze mensen op te vragen binnen de belastingdienst. Ik heb daar persoonlijk naar gekeken; daar zijn slechts heel weinig mensen binnen de FIOD van op de hoogte, gelet op het karakter van de vraagstelling. Er was een vermoeden van relaties tussen criminelen en deze journalisten. De vraagstelling was of uit de gegevens van deze mensen zou blijken dat wellicht een veel groter uitgavenpatroon of vermogen aanwezig is...

De voorzitter:

Of betalingen krijgen...

De heer Bakker:

Precies. Meer dan wellicht mogelijk is in hun positie. Noot

De heer Bakker:

Ik ging ervan dat hier sprake was van een strafrechtelijk onderzoek, een gerechtelijk vooronderzoek, waarbij in het kader van het onderzoek dat daar plaatsvindt een relatie zou zijn en informatie zou moeten opkomen...

De voorzitter:

Maar dat deze journalisten...

De heer Bakker:

Het hoeft niet zo te zijn dat de journalisten verdacht zijn, het kan ook zijn dat onderzoekssubjecten, gegevens van derden, van belang zijn voor hoofdsubjecten of subjecten uit het onderzoek. Noot

De FIOD verricht uit haar taakstelling structureel financieel onderzoek. In dit kader wordt de FIOD verzocht te participeren in financieel rechercheren door onder meer de kernteams.

AID

In tegenstelling tot de FIOD die exclusief gericht is op opsporing, houdt de AID zich voornamelijk bezig met toezicht en controle, gericht op de handhaving van regelgeving die tot stand is gekomen onder verantwoordelijkheid van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en op relevante bepalingen van het Wetboek van Strafrecht. De afdeling Recherche van de AID verricht de opsporing, veelal op verzoek van de inspecties. De AID beschikt over een eigen CID en OT, die zijn samengebracht in één dienst, genaamd recherche-ondersteuning. De CID functioneert binnen de AID volgens het AID-CID-reglement. Voor het uitwisselen van CID-gegevens met de politie is een convenant opgesteld met de CRI en is een liaison geplaatst bij het CRI. Er is inmiddels een CID-subjecten register en een grijze-veld-register aangelegd. In zeer beperkte mate worden informanten gerund. Jaarlijks zou het gaan om één of twee informanten. Het gaat hierbij om «concurrentie-informanten», zoals vissers, boeren, buurbedrijven, en vrachtwagenchauffeurs die uit concurrentie-overwegingen de AID inlichten over vermeende onregelmatigheden. Ook vervullen (ex-)werknemers de informantenrol. Er zijn geen criminele informanten. Formeel kan de AID geen informanten afschermen. Die worden dan ook bij een RCID ondergebracht.

Het volgen van vrachtauto's en containers is een specialisatie van het OT. Dit is aangesloten bij het Landelijk contactpunt observatieteams (LCO). Dit wordt als een erkenning ervaren van de professionaliteit van het team. In dit kader wordt het AID-OT ook weleens door de politie gevraagd bijstand te verlenen. Van infiltratie door de AID is de commissie niet gebleken.

 

ECD

De ECD heeft als centrale taak de preventie en bestrijding van economische (bedrijfs)criminaliteit van een zodanige omvang dat daardoor sprake is van een belemmering van gezonde economische groei en van aantoonbare schade voor de overheid, het bedrijfsleven en/of consumenten. Noot Binnen de ECD zijn drie afdelingen bezig met opsporing van strafbare feiten: economische ordeningsrecherche, internationale economische recherche en financieel-economische recherche.

De ECD beschikt over de Centrale Inlichtingen- en Analysedienst (CIAD), die op een vergelijkbare wijze
functioneert als een CID. De CIAD verzamelt en analyseert voornamelijk de gegevens die uit de onderzoeken van de drie hoofdafdelingen naar voren zijn gekomen. Verder worden open en gesloten bronnen geraadpleegd. Het inzien van gesloten bronnen gebeurt hoofdzakelijk op basis van toezichthoudende bevoegdheden. De CIAD is opgezet als wegbereider voor de ECD-CID. De CIAD-coördinator is tevens ECD-liaison bij de CRI. De CIAD heeft 151 subjecten in het systeem; 61 natuurlijke personen en 90 rechtspersonen. Allen zijn aangemeld bij de CRI.

Twee rechercheurs houden zich bezig met het actief runnen van circa vijf informanten. De sturing vindt plaats door bijvoorbeeld de opdracht te geven om ontbrekende informatie te vinden in bijvoorbeeld een andere vestiging. Het eventuele tipgeld wordt conform de regeling Tip, toon- en voorkoopgelden betaald door het ministerie van Justitie. De meeste informatie wordt op 4 x 4-tjes aangeleverd door de 156 ECD-rechercheurs. Dat is voornamelijk CID-informatie waar binnen het kader van het lopende onderzoek tegenaan wordt gelopen. Als het geen betrekking heeft op de ECD wordt de informatie doorgesluisd naar de CID van de politie. Van observatie wordt spaarzaam gebruik gemaakt. De ECD heeft geen eigen observatieteam. Voor de inzet van een OT kan een beroep worden gedaan op de AID of de politie.

Binnen de ECD wordt gediscussieerd of infiltratie moet worden ingezet. Infiltratie is overwogen in verband met een effectenfraude, maar als te riskant afgeblazen. Infiltreren op het terrein van de ECD vergt een goede materiekennis. Op de plank ligt een concept-infiltratiedraaiboek voor het geval dat zich eens een niet te missen kans zou voordoen. Op het terrein van merkenfraude wordt wel gewerkt met het middel pseudokoop. Incidenteel vindt een gecontroleerde aflevering plaats.

Het plaatsen van peilbakens is voorgekomen in verband met drugprecursoren. Het plaatsen daarvan wordt overgelaten aan het KLPD. Alles wordt bij proces-verbaal vastgelegd, ook al heeft het niets opgeleverd.

Milieubijstandsteam

Het Milieubijstandsteam valt onder de Inspectie Milieuhygiëne die een onderdeel is van het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). Het MBT is opgericht in 1985. Het MBT beschikt over 121 personen met opsporingsbevoegdheid, waaronder recherche-tactische, milieuhygiënische en milieu-juridische deskundigen. De taak van het MBT is om de aanpak van de zware milieucriminaliteit te stimuleren en assistentie te verlenen aan politie en justitie bij de opsporing van milieudelicten. Het MBT is dus geen zelfstandige opsporingsdienst. Het MBT heeft primair te maken met organisatiecriminaliteit en verzorgt technische bijstand voor de politie. Voor de coördinatie van de aanpak van regio-overschrijdende milieuzaken functioneert het projectteam zware milieu-criminaliteit.

Het MBT maakt gebruik van observatiemiddelen. Enkele transporten zijn gevolgd met plaatsbepalingsapparatuur. Zo worden boten wel gevolgd met behulp van peilbakens. De informanten die zich tot het MBT richten, worden doorgaans doorverwezen naar een RCID. Soms neemt een medewerker van het MBT deel aan het gesprek tussen de informant en CID-rechercheur. De twee belangrijkste categorieën informanten zijn vrachtwagenchauffeurs en ontslagen werknemers. Bovendien willen bedrijven uit concurrentie-overwegingen ook weleens een boekje open doen. Infiltratie bij bedrijven, gewoon via vacatures, is wel eens overwogen maar niet uitgevoerd.

 

Dienst Recherchezaken VROM

Deze dienst met 70 medewerkers houdt zich bezig met de opsporing van misbruik van VROM-subsidiegelden. Binnen de DRZ bestaat een eigen CID in oprichting. Op het moment worden geen informanten gerund. Wel zijn er tientallen personen, afkomstig uit het bedrijfsleven en de overheid maar ook personen met een crimineel verleden, die regelmatig informatie verschaffen. De DRZ maakt nauwelijks gebruik van andere opsporingsmethoden.

De DRZ krijgt veel te maken met corrupte overheidsdienaren. Het OM is terughoudend in de vervolging hiervan. Van elke zaak die strafrechtelijk wordt afgehandeld wordt tevens een bestuurlijke rapportage opgemaakt. De verhouding tussen het MBT en de DRZ is complex: binnen een ministerie bestaan twee diensten die deels gelijksoortige zaken onderzoeken.

 

8.6.5 Sturing en controle

De vakminister is verantwoordelijkheid voor het beheer van de «eigen» bijzondere opsporingsdiensten. De bijzondere opsporingsdiensten ontlenen hun taken aan bijzondere wetten. Op grond van artikel 148 Sv heeft de officier van justitie het gezag over de opsporing door de bijzondere opsporingsdiensten. Het probleem
daarbij is echter dat het in artikel 148 Sv gaat om het klassieke, strafvordelijke opsporingsbegrip. Anders dan ten aanzien van de politie het geval is beslaat het gezag van de officier van justitie derhalve niet het hele terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Over het optreden van de bijzondere opsporingsdiensten in de fase voorafgaand aan het vermoeden van een gepleegd strafbaar feit, heeft de officier van justitie formeel niets te zeggen. Een afwijkende regeling geldt ten aanzien van fiscale delicten; dan geschiedt opsporing onder verantwoordelijkheid van het bestuur van 's Rijks belastingen. Alleen bij de toepassing van dwangmiddelen komt het OM eraan te pas. De prioriteitsbepaling van de bijzondere opsporingsdiensten en de ministeries kan op gespannen voet staan met die van het OM.

In hoofdstuk 3 heeft de commissie enkele gevallen beschreven waarin van daadwerkelijke sturing en controle van een bijzondere opsporingsdienst, in casu de douanerecherche, geen sprake was. Een ambtenaar van de douanerecherche kon lange tijd zelfstandig allerlei opsporingsmethoden hanteren. De commissie constateert dat de sturing en controle door het OM van de bijzondere opsporingsdiensten niet erg intensief is. De specifieke kennis en taken van de bijzondere opsporingsdiensten zijn daar, naast de voornoemde beperking in gezag dat aan de officier van justitie is toegekend, wellicht debet aan. De afstand tussen bijzondere opsporingsdiensten en het OM is vrij groot.

De strafrechtelijke handhaving van bijzondere wetten betreft zeer grote schadebedragen. In verhouding daarmee is de beschikbare capaciteit van het OM om vervolg te geven aan het opsporingsonderzoek opmerkelijk gering.

 

8.6.6 Beoordeling

De commissie constateert dat organisatiewetgeving op het terrein van de bijzondere opsporingsdiensten ontbreekt. De commissie heeft zich geen oordeel aangemeten over de wenselijkheid van organisatiewetgeving en samenvoeging van de verschillende bijzondere opsporingsdiensten. Wel meent de commissie dat een nadere omschrijving van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden wenselijk is. Nagenoeg alle besproken bijzondere opsporingsdiensten hebben enigerlei bemoeienis met de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Bij opsporing van georganiseerde criminaliteit moeten naar het oordeel van de commissie de bijzondere opsporingsdiensten te allen tijde samenwerken met de reguliere politie. De afbakening van taken en bevoegdheden is buitengewoon complex. Slechts specialisten in de bijzondere wetgeving kunnen de precieze nuances en verschillen ontwarren en waarderen. De commissie meent dat een duidelijke verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden wenselijk is. De commissie beseft dat zij zich met dit oordeel enigszins buiten haar opdracht begeeft. Dat neemt niet weg dat de diffuse verdeling van taken en bevoegdheden effect heeft op de opsporing van strafbare feiten die een relatie hebben met de zware, georganiseerde criminaliteit. De commissie meent dat een reorganisatie van taken en bevoegdheden tot een meer effectieve en efficiënte opsporing van bijzondere strafbare feiten kan leiden. De huidige coördinatie- en samenwerkingskosten zijn buitengewoon hoog.

De commissie constateert dat de bijzondere opsporingsdiensten in vergelijking met de politie spaarzaam gebruik maken van observatie informanten en infiltratie. De commissie constateert evenwel dat met name de douanerecherche, de ECD en de AID steeds vaker deze middelen inzetten. In het bijzonder bij de douanerecherche is de oncontroleerbaarheid hiervan duidelijk gebleken. De vastlegging van de gebruikte methoden door de douanerecherche liet nogal te wensen over. Ook blijken bijzondere opsporingsdiensten in toenemende mate informanten te runnen, al dan niet in samenwerking met een regionale CID. De commissie is van oordeel dat bij de normering van de opsporingsmethoden tevens moet worden aangegeven in hoeverre bijzondere opsporingsdiensten gebruik mogen maken van deze methoden.

De commissie constateert dat de bijzondere opsporingsdiensten behoefte hebben aan een orgaan dat hen in staat stelt gebruik te maken van CID-informatie. De bijzondere opsporingsdiensten willen vertrouwelijk informatie kunnen opslaan en vertrouwelijke informatie kunnen uitwisselen met politie en andere bijzondere opsporingdiensten. De commissie is van oordeel dat voorzieningen moeten worden getroffen die de politie en bijzondere opsporingsdiensten in staat stellen informatie uit te wisselen. In het merendeel van de gevallen doen zich geen problemen voor in de verhouding tussen bijzondere opsporingsdiensten en het OM. De commissie constateert echter wel dat de afstand tussen politie en OM minder groot is dan tussen bijzondere opsporingsdiensten en OM. Overigens lijkt de sturing die door het OM plaatsvindt door bijzondere diensten beter gevolgd te worden dan door de politie. Desondanks is de commissie van mening dat ook bij de bijzondere opsporingsdiensten tot een intensievere controle moet worden gekomen. Het gezag van het OM over de opsporing zou daartoe moeten worden uitgebreid tot de fase die aan opsporing voorafgaat.


8.7 Koninklijke marechaussee en Rijksrecherche


8.7.1 Inleiding

Zowel de Koninklijke marechausse (Kmar) als de Rijksrecherche spelen een rol in de opsporing van strafbare feiten in het kader van georganiseerde criminaliteit. De commissie meent dat het noodzakelijk was daar enige aandacht aan te besteden. Daarbij heeft de commissie aandacht besteed aan de organisatie en het functioneren van de Kmar op Schiphol en enkele algemene aspecten van het functioneren van de Rijksrecherche.

 

8.7.2 Koninklijke marechaussee

 

Organisatie

De Koninklijke marechaussee, District Luchtvaart, is per 1 januari 1994 belast met reguliere politietaken op Schiphol. De Kmar valt onder het beheer van het ministerie van Defensie en onder gezag van het ministerie van Justitie. Zaken die uit de douane-controles komen, worden niet, zoals bij andere buitengrenzen, door de douanerecherche overgenomen, maar door de Kmar. De Kmar maakt proces-verbaal op en zoekt contact met het OM Haarlem. Bij de rechtbank te Haarlem zijn twee van de zes kamers bijna uitsluitend bezig met Schiphol-zaken.

Ter versterking van de buitengrenzen is in 1994 het Schipholteam opgericht. Dit team is een samenwerkingsverband tussen de Kmar en de douane post Surveillance Hoofddorp. De dagelijkse aansturing van het Schipholteam gebeurt door het hoofd van de tactische recherche op Schiphol. Het team heeft tot taak het opsporen en aanhouden van drugskoeriers in de passagiersterminal, alsmede het zo optimaal mogelijk verlenen van assistentie aan zowel nationale als internationale opsporingsinstanties. Er is contact met het CRI, en dan met name met de liaison-officers. Twee teamleiders, twee coördinatoren en 24 rechercheurs maken deel uit van dit team, gelijkelijk verdeeld over de beide samenwerkende diensten. De leden van de Koninklijke marechaussee zijn ook onbezoldigd douane-ambtenaar. Noot

 

Methoden

De Kmar hanteert volgens eigen zeggen nagenoeg alle opsporingsmethoden die in dit onderzoek centraal staan. De Kmar beschikt over een observatieteam. Er is in het recente verleden gebruik gemaakt van een camera die gericht werd op een XTC-laboratorium op Schiphol. Tevens geeft de douane aan dat videocamera's worden ingezet op het schoonmaak-en bedienend personeel op Schiphol. Door een OT is onder meer een peilbaken geplaatst in een koffer.

Sinds 1985/86 beschikt dit onderdeel over een eigen criminele inlichtingendienst van zeven mensen, te weten een chef, een plaatsvervangend chef, vier runners en een documentalist. Deze Kmar-CID runt tussen de tien en de vijftien informanten. De identiteit van de informanten is bekend bij de hele CID-groep. Bij het actief werven van informanten gaat de voorkeur uit naar werknemers op Schiphol met een criminele achtergrond. Zware criminelen krijgen uiteraard geen toegangspasje, maar de indruk bestaat dat sommige werknemers diep genoeg in het criminele circuit zitten om interessant te zijn voor de CID. Er is gewerkt met een gestuurde burgerinformant met een blanco verleden die in het criminele milieu is gemanoeuvreerd door hem op bepaalde café's te wijzen. Ongeveer twee ton aan tipgeld is in de loop der jaren door hem verdiend. De criminele gelden, die door hem verdiend zijn naar aanleiding van activiteiten voor de CID, zijn afgedragen en successievelijk aan hem terug uitbetaald. Met de afbouw is begonnen doordat door de ogen van de buitenwereld deze persoon gezien werd als een crimineel.

Gecontroleerde afleveringen maken een belangrijk deel uit van de werkzaamheden van de Kmar. Het Schipholteam en de justitiële dienst van de Kmar maken melding van een aanzienlijk aantal gecontroleerde afleveringen in 1994. Zo heeft het Schipholteam onder meer 44 partijen cocaïne gecontroleerd afgeleverd naar vijftien verschillende landen. Noot De Justitiële dienst deed 62 gecontroleerde afleveringen van drugs in 1994, waarvan dertien in Nederland en 49 naar het buitenland. Noot

8.7.3 Rijksrecherche

De Rijksrecherche heeft tot taak onderzoek te verrichten naar strafbare feiten, waarbij vermoedelijk ambtenaren van politie of van bijzondere opsporingsdiensten of leden van het OM of van de rechterlijke macht zijn
betrokken. Noot In dat kader wordt aandacht besteed aan het misbruik van verschillende opsporingsmethoden. De taak van de politie, de Rijksrecherche en de BVD bij de controle op de opsporingsmethoden overlapt deels. Het streven is erop gericht een eigen CID op te richten om toegang te krijgen tot politieregisters. Cruciale vraag daarbij is welke methoden de Rijksrecherche hanteert en hoe de sturing en controle plaatsvindt.

 

De heer Kuijper:

De rest van de Rijksrecherche Nederland had vrijwel geen ervaring op dat gebied. Men zag dus ook de noodzaak van de vorming van een CID niet in. Een van de grote bezwaren was ook dat men dan eventueel activiteiten ging ontwikkelen die niet pasten in het beeld van de Rijksrecherche. Je bent bezig met de integriteitshandhaving en je zou dan zelf risico's gaan lopen op CID-gebied door activiteiten te gaan ontplooien waarmee je buiten de grenzen zou kunnen komen. Dit heel globaal weergegeven.

De heer Rabbae:

Dit zou betekenen dat je niet alleen maar informatie krijgt van de politie, maar dat je ook informatie geeft aan de politie?

De heer Kuijper:

Ja.

De heer Rabbae:

Daar zou u voor zijn?

De heer Kuijper:

Daar ben ik voor, ja. Ik ben voor een vrije informatie-uitwisseling op het criminele gebied. Ik zou met betrekking tot de Rijksrecherche wel de restrictie willen maken dat er informatie is die niet naar de CID-en kan, maar dat is dan ook informatie waar de CID-en niet mee uit te voeten kunnen. Ik bedoel dat in de zin van dat je een organisatie niet moet belasten met informatie waar zij niks aan heeft. Noot

8.7.4 Beoordeling

De commissie constateert dat de Rijksrecherche voor haar werkzaamheden op het vlak van de bestrijding van georganiseerde criminaliteit toegang moet hebben tot CID-registers. De Rijksrecherche dient niet de beschikking te krijgen over een eigen CID.

De commissie constateert dat de KMAR gebruik maakt van vergaande opsporingsmethoden zoals het runnen van een niet-criminele burgerinfiltrant. Over de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de KMAR bij het inzetten van deze opsporingsmethoden is niets wettelijk vastgelegd. De KMAR Schiphol heeft een methode gehanteerd die vragen oproept over de controleerbaarheid en stuurbaarheid. De commissie acht het wenselijk dat zowel voor de KMAR als voor de Rijksrecherche wettelijk wordt omschreven welke opsporingsmethoden zij kunnen hanteren voor hun onderscheiden taken. Vanwege de specifieke taken van beide diensten acht de commissie het noodzakelijk nauwkeurig te bezien in hoeverre deze diensten dezelfde opsporingsmethoden moeten kunnen gebruiken die zijn toegestaan voor de politie en in hoeverre zij opsporingsmethoden die de politie niet mag gebruiken wel moeten kunnen hanteren.


8.8 Binnenlandse veiligheidsdienst

 

8.8.1 Inleiding

De commissie heeft besloten ook onderzoek te doen naar de rol die de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) en de Regionale inlichtingendiensten (RID-en) spelen bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat het van belang is voor het beeld van de organisatie en het functioneren van de opsporing dat de commissie inzicht krijgt in de methoden die de BVD en de RID-en hanteren bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Ten behoeve van dat onderzoek zijn relevante documenten van de BVD en de RID-en opgevraagd. Met de direct betrokkenen bij de BVD en de RID-en hebben de commissie en haar staf gesprekken gevoerd.

8.8.2 Organisatie en samenwerking

In artikel 8, tweede lid van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt de taak van de BVD als volgt geformuleerd:ahet verzamelen van gegevens omtrent organisaties en personen welke door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de Staat;bhet verrichten van veiligheidsonderzoeken ter zake van de vervulling van vertrouwensfuncties, dan wel van functies in het bedrijfsleven, welke naar het oordeel van Onze ter zake verantwoordelijke Ministers de mogelijkheid bieden de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat te schaden;chet bevorderen van maatregelen ter beveiliging van gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat wordt geboden en van die onderdelen van de overheidsdienst en van het bedrijfsleven, welke naar het oordeel van Onze terzake verantwoordelijke Ministers van vitaal belang zijn voor
de instandhouding van het maatschappelijk leven.

In totaal zijn bij de BVD ongeveer 560 personen werkzaam.
De rol van de BVD en de RID-en bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit is marginaal. Er is nauwelijks sprake van eigen analyses van informatie over dit onderwerp. Van bestrijding sec door de BVD of de RID-en is geen sprake. Uit de publieke uitlatingen en jaarverslagen van de BVD kan het beeld oprijzen dat de BVD zich intensief bemoeit met de georganiseerde criminaliteit. Noot Maar dit beeld wordt door de BVD ontkend. De BVD besteedt pas zelfstandig aandacht aan de georganiseerde criminaliteit als hierbij sprake is van aantasting van de integriteit van het openbaar bestuur. Dit wordt dan opgevat als één van de aantasters van de staatsveiligheid of de democratische rechtsorde. Georganiseerde criminaliteit is op zichzelf geen onderzoeksonderwerp van de BVD.

De integriteit van het openbaar bestuur is een onderwerp dat verschillende diensten aangaat: politie, OM, Rijksrecherche, BVD. De coördinatie tussen deze organisaties is in het algemeen niet optimaal. De BVD beschikt niet over een inventarisatie van gevallen waarin de georganiseerde criminaliteit de integriteit van de overheid bedreigt. Noot

 

BVD en politie

De BVD verricht niet op eigen initiatief onderzoek naar strafbare feiten. De BVD neemt wel in bijzondere gevallen met liaisons deel aan strafrechtelijke onderzoeken van de politie, bijvoorbeeld in het Haagse Copa-team en het Columbia-team. De politie heeft soms het idee dat de BVD deel uitmaakt van het team, terwijl de BVD van zijn kant steeds afstand tot de politie claimt. De liaisons hebben tot taak na te gaan welke informatie van de BVD mogelijk relevant is in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. Indien de BVD over bruikbare informatie beschikt, wordt deze uitsluitend via een ambtsbericht van het hoofd van de BVD aan een team ter beschikking gesteld. Dit gebeurt op basis van de artikelen 11 en 12 WIV.

 

De voorzitter:

Maar welke wettelijke basis is er om op deze manier te werken?

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Voor de BVD is de wettelijke basis te vinden in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

De voorzitter:

Op grond van die wet kan men inlichtingen verzamelen, maar die dienst kan op grond daarvan toch geen inlichtingen verzamelen voor een strafproces? De ambtenaren van de BVD zijn namelijk geen opsporingsambtenaren.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Nee, zij verzamelen inlichtingen op grond van hun bevoegdheid en als zij mij iets vertellen dat mogelijk van belang kan zijn, kunnen wij dat ook gebruiken in een strafproces.

De voorzitter:

Maar het is toch niet genoeg dat u dat zegt. Voor zoiets moet toch een wettelijke basis zijn. Is die er in voldoende mate?

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ik meen dat uiteindelijk de rechter zal toetsen en dat hij zal zeggen of hij er genoegen mee neemt. Maar als een informant iets zegt en wij brengen die informatie in een strafproces, dan toetst de rechter toch ook.

De voorzitter:

Dan wordt een proces-verbaal gemaakt door opsporingsambtenaren.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Maar hiervan wordt ook proces-verbaal opgemaakt.

De voorzitter:

Door wie dan?

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Door de afdeling DBRZ. Noot Ik krijg het ambtsbericht en geef dat in handen van die afdeling en daar maakt men er een proces-verbaal van.

De voorzitter:

Dus dan is de BVD eigenlijk een grote informant.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Maar wel een superinformant. Noot De sturing van de RID-en door de BVD is uiterst moeizaam. Binnen de BVD sluit men niet uit dat in de toekomst geen gebruik meer zal worden gemaakt van de RID-en. Traditioneel bestaat er een spanning tussen de CRI en de BVD. Na het rapport van de Commissie relatie BVD-CRI (de commissie-Blok) is de verhouding tussen beide diensten verbeterd. Op dit moment wordt intensief informatie uitgewisseld voorzover dat past in de taakuitoefening van beide diensten.

8.8.3 Methoden

 

Methoden BVD

 

De BVD spoort geen strafbare feiten op. Wel worden dezelfde methoden gehanteerd bij de uitoefening van de
eigenlijke taak van de BVD als door opsporingsinstanties. Bovendien heeft de BVD de mogelijkheid om direct af te luisteren. De «bijzondere» methoden die de BVD gebruikt zijn niet in een wet opgenomen. De inzet van deze middelen wordt getoetst aan de hand van interne vertrouwelijke richtlijnen. De BVD doet soms onderzoeken waarbij sprake is van «bijvangst». Volgens betrokkenen wordt dan bij toeval informatie over criminele activiteiten (wapens, drugs) gevonden.

 

Uitwisseling informatie BVD - politie

Informatie van de BVD kan relevant zijn voor een strafrechtelijk opsporingsonderzoek. De minister van Justitie heeft zich in een brief aan de vaste commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten op het standpunt gesteld dat van de BVD afkomstige informatie door politie en justitie kan worden gebruikt ten behoeve van de legitimatie van de aanvang van een strafrechtelijk onderzoek. Als regel zal hierover een ambtsbericht van het hoofd van de BVD aan de officier van justitie uitgaan. Het wordt niet uitgesloten geacht dat de informatie bij spoedeisende situaties eerst mondeling wordt verstrekt en dat er dan achteraf alsnog een schriftelijk ambtsbericht volgt. Het gaat om enkele tientallen ambtsberichten per jaar. Zo kan het voorkomen dat de BVD door middel van een ambtsbericht informatie uit een BVD-telefoontap verstrekt aan de politie. Het staat de rechter vrij om van de BVD afkomstige informatie al dan niet voor het bewijs te gebruiken. De enkele omstandigheid dat de informatie afkomstig is van de BVD, maakt nog niet dat die informatie onrechtmatig is verkregen. Noot Betrokkenen stellen dat er slechts in incidentele gevallen sprake is van rechtstreekse contacten. De basis van de informatie-verstrekking aan de politie wordt gevormd door artikelen 11 en 12 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het is de vraag of deze artikelen daarvoor voldoende basis bieden. In een enkel geval geeft de politie via de BVD CID-informatie aan het bestuur. Dat betrof bijvoorbeeld betreft een zaak van politieke infiltratie. De politie beschikt in principe niet over de mogelijkheid om de informatie rechtstreeks door te geven.

De BVD krijgt met regelmaat informatie over georganiseerde criminaliteit van haar zusterdiensten in het buitenland die zich hiermee wel bezighouden.

 

De heer Rabbae:

Wat bepaalt de grens van de informatie-uitwisseling tussen u en een zusterinstelling in het buitenland?

De heer Van Helten:

De informatie-uitwisseling moet altijd kloppen met de taakstelling van de dienst en zijn bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Dat geeft een kader waar wij niet buiten mogen treden.

De heer Rabbae:

Dat is het enige criterium?

De heer Van Helten:

Nee, dat hangt van het onderwerp af. Er zal altijd een zeer kritisch blik worden geworpen op de mogelijkheid dat men bijvoorbeeld vanuit het buitenland tracht invloed uit te oefenen op de Nederlandse situatie. Dat is een heel sterke beperking.

De heer Rabbae:

Het is niet afhankelijk van de vraag of er in het andere land al dan niet sprake is van wetgeving omtrent privacy-bescherming?

De heer Van Helten:

Dat is een zeer belangrijk punt.

De heer Rabbae:

Ook in de uitwisseling van informatie tussen geheime diensten?

De heer Van Helten:

Ja, want wij zijn gehouden aan onze eigen privacy-voorschriften en die voorschriften worden niet terzijde gelegd als wij spreken met een buitenlandse zusterdienst.

De voorzitter:

Maar in algemene zin blijft toch overeind dat, zoals hier de vertegenwoordiger van de CRI heeft gezegd, de informatie-uitwisseling met die diensten weer gebeurt op de vertrouwensbasis? Wat ze er verder mee doen, kunt u toch nooit direct controleren?

De heer Van Helten:

Dat is een van de punten die het ingewikkeld maken. Als je niet zeker weet wat de buitenlandse zusterdienst doet met de gegevens die je geeft, dan moet je het eigenlijk niet doen. Dat legt wel eens een druk op de verhoudingen die soms door een ander land wordt vertaald als onwil van Nederland om volledig mee te werken. Wij moeten zicht hebben op wat er gebeurt. Dat is trouwens een internationale regel, het derde-landenprincipe (third party principle). Dat houdt in dat als je informatie uitwisselt met een zusterdienst, je alleen maar gebruik mag maken van die informatie met toestemming van die zusterdienst. Dat geldt voor ons ook. Als wij informatie geven aan een zusterdienst dan moeten wij redelijkerwijze controle hebben op datgene wat ze ermee doen. Noot

Gebruik technische kennis

De politie maakte in incidentele gevallen gebruik van de technische kennis van de BVD. De activiteiten van de BVD-ambtenaren hebben dan plaats onder verantwoordelijkheid van de politie en de officier van justitie.

 


De heer Vos:

Ik zou de vraag wat breder willen maken. Doet de politie wel eens een beroep op de expertise, de bijzondere vaardigheden, de technische instrumenten die bij de dienst beschikbaar zijn?

De heer Van Helten:

Dat gebeurt wel eens.

De heer Vos:

In welke gevallen gebeurt het?

De heer Van Helten:

Van geval tot geval wordt bekeken wat er kan gebeuren. Een en ander wordt zeer precies vastgelegd.

De heer Rabbae:

Heeft u ooit een gaatje geboord of een camera geplaatst voor de politie?

De heer Van Helten:

Wij hebben wel eens technische activiteiten voor politie en justitie verricht.

De heer Rabbae:

Dat doet u nog steeds.

De heer Van Helten:

In zeer beperkte mate. Het is uiterst zelden noodzakelijk. Noot Steeds wordt een schriftelijk akkoordverklaring van de officier van justitie gevraagd zodat geen onduidelijkheid kan bestaan over de verantwoordelijkheid. Zelden worden de eigen BVD-bevoegdheden gebruikt ten behoeve van een politie-onderzoek, tenzij er sprake is van een eigen BVD-belang (gevaar voor aantasting van de staatsveiligheid of de democratische rechtsorde). De BVD doet vaker een beroep op de Divisie ondersteuning van het KLPD. Deze KLPD-medewerkers werken dan onder verantwoordelijkheid van de BVD. Deze samenwerking vindt vooral plaats indien de middelen van de BVD zijn uitgeput.

De heer Koekkoek:

Komt het andersom ook voor, dat de politie en met name Driebergen, u helpt met technische hulpmiddelen?

De heer Van Helten:

Ja.

De heer Koekkoek:

Komt dat veel voor?

De heer Van Helten:

Dat komt nog steeds voor.

De heer Koekkoek:

Komt het in toenemende mate voor?

De heer Van Helten:

Ja, ik heb de indruk dat het wat vaker gebeurt dan vroeger. Maar wij doen dat in het kader van het regime van artikel 18 van de wet, waarin de politie-ambtenaren werkzaamheden voor de BVD uitoefenen. Dan gebeurt het dus wel onder ons regime. Noot

8.8.4 Sturing en controle

 

Algemene sturing en controle BVD

De BVD verricht zijn taak in ondergeschiktheid aan de minister van Binnenlandse Zaken (art. 2 WIV). Deze minister is politiek verantwoordelijk. Politieke sturing van de BVD vindt in breder verband plaats in de ministeriële commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Deze commissie bestaat uit de minister-president en de ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Defensie, Economische Zaken en Financiën. Hier vindt overleg plaats over de organisatie en samenwerking tussen de BVD en de Militaire inlichtingendienst. De minister van Binnenlandse Zaken legt in de eerste plaats politieke verantwoording af aan de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Van deze commissie maken de fractievoorzitters van CDA, PVDA, VVD en D66 deel uit.

De controle op en de sturing van de BVD staan ter discussie. In een uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (juni 1994) wordt gesteld dat in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet voldoende is aangegeven onder welke omstandigheden en met welke middelen de BVD bevoegd is inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van een individu.

Landelijk officier van justitie

De landelijke BVD-officier van justitie heeft een controlerende taak bij de ambtsberichten van de BVD aan het OM. De landelijke officier heeft een beperkt zicht op de activiteiten van de BVD. De BVD bepaalt welke informatie aan de landelijke officier wordt verstrekt. De landelijke officier kan dan ook niet zelfstandig beoordelen of de wijze waarop de informatie door de BVD is verkregen rechtmatig is. Zij geeft geen sturing aan de onderzoeken waaruit die informatie afkomstig is. Noot

 

8.8.5 Beoordeling

De commissie constateert dat de BVD in overeenstemming met zijn taakomschrijving in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten geen zelfstandig onderzoek doet naar georganiseerde criminaliteit. De
commissie constateert echter ook dat na 1989 in de jaarverslagen bij politiek en publiek het beeld is uitgedragen dat de BVD zich intensief bezig zou houden met de georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat de BVD zich terecht onthoudt van intensieve bemoeienis met de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Het werkterrein van een binnenlandse veiligheidsdienst moet binnen een democratische rechtsstaat zo beperkt mogelijk gehouden worden. De commissie is van oordeel dat de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit geen taak is van de BVD.

De commissie constateert allerlei vormen van informatie-uitwisseling en dwarsverbanden tussen de politie en de BVD, inclusief RID-en. Het is niet altijd even duidelijk op welke grond dit gebeurt. Noot Dit geldt eveneens voor de bevoegdheden op basis waarvan methoden worden ingezet. Het is ook niet altijd duidelijk wie recht heeft op welke informatie. De commissie is van oordeel dat het grensvlak tussen politie en BVD nadere normering behoeft. Dit wil niet zeggen dat in de relatie tussen de BVD en de politie veel zaken fout gaan. De commissie is echter wel van oordeel dat een meer precieze regeling noodzakelijk is om vermenging van belangen te voorkomen. Het gaat bij de nadere normering zowel om informatie-uitwisseling tussen de politie en de BVD als om wederzijdse operationele ondersteuning.

Het is nauwelijks mogelijk voor de landelijk officier van justitie om daadwerkelijk controle uit te oefenen op de rechtmatigheid van de informatie die per ambtsbericht aan het OM wordt toegestuurd. De commissie is van oordeel dat de landelijke BVD-officier van justitie inzage moet kunnen krijgen in alle relevante documentatie die ten grondslag ligt aan het ambtsbericht. Zij hecht aan een strakke procedure, aangezien informatie van de BVD kan worden gebruikt als begin voor een strafrechtelijk onderzoek, en zelfs als bewijs. Dan mag naar het oordeel van de commissie geen enkele discussie kunnen ontstaan over de herkomst van de informatie.

 

 

Opstand Openbaar Ministerie tegen de rechtstaat! De moord op Pim kost Nederlanders veel vrijheid (van meningsuiting) en een Fortuyn

1. Pim Fortuyn over Openbaar Ministerie: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"

2. Ministerie van Justitie: Toch wist justitie zo ongeveer een uur na de moord al te melden, dat Folkert van der G. in zijn eentje opereerde.

3. Openbaar Ministerie: Politie en de voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) hebben een zeer vergevorderd onderzoek naar links-radicale dierenactivisten moeten staken omdat het openbaar ministerie de geldkraan vorig jaar pardoes dichtdraaide.

332 POM & Fortuyn Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"
193 POM & Fortuyn Toeschrijven naar conclusie bekende truc overheid om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat
482 POM & Fortuyn Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
487 POM & Fortuyn Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden"
183 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers
182 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd
288 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor kamerleden/onderhandelaars LPF
178 POM & Fortuyn De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak 
281 POM & Fortuyn Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers
280 POM & Fortuyn Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn
282 POM & Fortuyn Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat 
275 POM & Fortuyn Demmink zou LPF-minister Nawijn hebben gewaarschuwd geen lijsttrekker te worden omdat LPF uit criminelen zou bestaan
485 POM & Fortuyn Rene Diekstra op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn
486 POM & Fortuyn Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy 
286 POM & Fortuyn Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond
391 POM & Fortuyn Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" 
105 POM & Fortuyn Toelichting officier ter terechtzitting Amsterdam in strafzaak verdachte moord Fortuyn
483 POM & Fortuyn Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuyn

Eerbetoon aan openbare kritiek op de rechtspraak in Nederland van Moszkowics advocaten
285 Mr. Moszkowicz: Hijheeft als enige mij correct behandeld en was naar eigen zeggen niet thuis in het gezondheidsrecht
160 Mr. Moszkowicz: Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest
212 Mr. Moszkowicz: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft in handen van de gesubsidieerde voogdij
089 Mr. Moszkowicz: "Onbegrijpelijk dat zoveel advocaten dubbelfunctie rechter-plaatsvervanger vervullen
332 Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!


PAR POM Met groot materieel en politie wordt op 19 maart 2014 in Ermelo uitgerukt om een paar Groep Hop verkiezingsborden weg te halen
(562) POM Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!
(224) POM Groep Hop is tegen De Sleepwet om iedere burger ongecontroleerd af te kunnen luisteren
(114) POM De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is de beroepsvereniging van rechters en officieren van Justitie in Nederland
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(305) POM Hoofdofficier van Justitie van Gend weigert strafvervolging in te stellen tegen het feit dat 200 rechters van de rechtbank Den Haag nevenfuncties niet hebben opgegeven
(306) POM Op 27 januari 1998 stelt Hop de vraag in een persbericht: Is er een complot van het Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen de democratische rechtsstaat?
(323) POM Bolkenstein: "Het ziet er echter naar uit dat het OM, gesteund door de rechters, verenigd in de belangenvereniging NVvR (Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak), zich en bloc tegen de minister en de Tweede Kamer keren"
(307) POM Persverklaring College van Procureurs-generaal: Reorganisatie Openbaar Ministerie is een onomkeerbaar proces dat hoe langer hoe meer op de parketten gestalte krijgt
(188) POM Opslaan internetsporen 'erger dan de Stasi, Met EU richtlijn om op grote schaal verkeersgegevens op te slaan is Europa een grote politiestaat geworden
(273) POM Mobiele telefoon. Wetsvoorstel en besluit vorderen gegevens telecommunicatie
(292) POM Iemand die 'foute' denkbeelden of activiteiten heeft of 'foute' mensen kent, loopt de grootste kans om door de overheid afgeluisterd te worden. Afhankelijk van de overheid kan 'fout' crimineel, te sociaal, te kritisch, te nieuwsgierig, buitenlands of simpelweg 'politiek anders georiënteerd' betekenen,
(334) POM Misbruik van bevoegdheden door de overheid en Justitie is van alle tijden. Wie zich niet coöperatief opstelt, kan door een overheid als geestesziek worden aangemerkt
(370) POM Het Openbaar Ministerie, de politie en de veiligheidsdiensten willen wetten aanpassen en oprekken om het opslaan en uitwisselen van gegevens, die op geen enkele manier op onjuistheid getoetst zullen worden, over niet-verdachte burgers mogelijk te maken
(414) POM Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 27 mei 1997 geeft inzicht in werkwijze openbaar ministerie en politie en het opslaan van gegevens over burgers in allerlei geheime dossiers
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
(475) POM Politie en camera's: Verkeerscamera's kunnen ook mooi gebruikt worden om te bepalen welke voertuigen zich waar in het land bevinden
(508) POM & Sleepwet VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(622) POM VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(623) POM Van alle elektronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar Justitiële Informatiedienst (JustID) Almelo
(624) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil de vrijheid om het doen en laten van de hele bevolking vast te leggen"
(626) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil dat de politie gegevens opslaat over alle burgers ook die niet worden verdacht worden van strafbaar feit
(627) POM Nederlanders worden massaal afgeluisterd met keur aan middelen voor politie en Justitie om mobiele telefoons af te tappen
(628) POM De 'geheime' internet tapkamer van de overheid. Hoe weet je als burger dat je internetverkeer afgetapt wordt?
(629) POM Verdrag Draft Convention on Cybercrime voor betere wetgeving vooral goed voor politie en justitie maar niet voor de industrie en de samenleving
(630) POM Nieuwe ontwikkelingen in Amerika tonen aan hoe burgers nog verder in de gaten gehouden gaan worden door overheden
(631) POM Echelon, Amerika luistert mee ook met de meest geheime bedrijfseconomische informatie.
(688) POM Hop: Koopkracht burgers daalt opnieuw bij invoering kilometerheffing voor vrachtverkeer! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten kunnen houden door invoering van kilometerheffing
(239) POM De staat mag complete woonwijk afluisteren, communicatie gegevens van alle bewoners opslaan en uitwisselen met buitenlandse veiligheidsdiensten.
(203) POM Politie wil identificatieplicht op anoniem communiceren De politie wil dat anoniem internetten en het anoniem kopen van prepaid telefoonkaarten verboden wordt
(609) POM Transparant Openbaar Ministerie: "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(332) POM Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

 

De zevende WET van Hop: Rechtersleger en POM-ambtenaren zijn partijdig voor personeel van de overheid en deinzen niet terug voor fraude

POM 1. Overheid tegen de burger:
Inleiding met wat "sfeerverslagen" hoe de rechtspraak werkt in Nederland.

(1) Kinderbescherming & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Zutphen met kinderrechter tevens President Soroptemistenclub
(137) De complete Nederlandse jeugdzorg tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting jeugdzorg klachtencommissie, klachten Hop gegrond maar dat hielp natuurlijk niet!
(300) Hop moet bloeden schrijft vervolgens de jeugdzorg advocaat met baantjes in de kerk en school: Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304.
(80) POM & "jeugdzorg" & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Assen met een "onpartijdige rechter".

Aanhouding:
(550) POM Onschuldig geboren maar jouw gegevens worden door de gemeente gelijk naar het Justitieel Documentatiecentrum gestuurd
(134) POM Zorg dat u de omschrijving van een VERDACHTE uit uw hoofd kent
(409) Voorbeeld verzoek burger bij aanhouding en/of na een staande houding
(597) POM Waarom werd de witte Iphone van Weber in beslag genomen voor NFI onderzoek omdat Weber het politieoptreden gelijk filmde?
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
Verhoor:
(420) POM Openbare meningsvorming inzake "natuurlijk persoon"
(263) POM Hop klachten over onvolledig PV horen verdachte/hoorzitting rechter voorkomen door zelf opnames te maken
(347) POM Videoconferentie heeft ten opzichte van een directe confrontatie een geringere communicatiewaarde!
(367) POM & verhoor De Velpse verhoormethode! Respectloze behandeling van een burger door de politie
(289) POM & verhoor De Gelderse Verhoormethode! Een vader mocht een minderjarige niet bijstaan bij verhoor door de politie
PV:
(747) POM & PV Klacht tegen politie Lelystad inzake opmaken proces-verbaal
(241) POM & PV Waarom mocht Weber het door de politie Lelystad opgemaakte PV niet lezen?
(284) POM & PV Waarom weigerde de politie Lelystad Weber afschrift kopie PV met zaaknummer?
(225) POM & verhoor Politie Lelystad tegen Weber Lelystad inzake identificatieplicht
Aangifte POM & dossier Politie weigert Hop dossier! Aangifte tegen Hop na publicatie over "succesvolle tegenwerking" Groep Hop Lelystad
(596) POM Hoeveel personen zijn inmiddels betrokken bij een eenvoudig zaak dat escaleert door politiegeweld uit de polder?
(435) POM & PV Indien je als opsporingsambtenaar een strafbaar feit vaststelt, moet je een proces-verbaal opmaken
DNA:
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(560) POM Het Openbaar Ministerie probeert, na de sleepwet, ook van iedere burger DNA te verzamelen met een sponsje
Aangifte tegen ambtenaren overheid:
(746) POM Voorbeeld aangifte 746 tegen politie, inzake ontbreken van grondslag voor identificatieplicht
(743) POM Voorbeeld aangifte 743 tegen politie, geen vermelding beroepsmogelijkheden onder beslissing afpoeieren van uw aangifte
Voorbeeldbrieven dossiers
(112) POM Het complot! Een vader heeft geen recht op inzage dossier van zijn kinderen bij de politie
(206) POM & dossier politie. Voorbeeldbrief verzoek aan politie om afschrift dossier door verdachte
(343) POM & dossier OM. Voorbeeldbrief verzoek aan Openbaar Ministerie om afschrift dossier door verdachte
Hoorzitting rechtbank
(205) POM Verweer Weber tegen termijnoverschrijding Openbaar Ministerie wordt genegeerd door de "onafhankelijke rechter"
(548) POM & dossier rechtbank. Voorbeeldbrief verzoek aan rechtbank om afschrift/inzage dossier voor de hoorzitting door verdachte
(510) POM & dossier Wet openbaarheid van bestuur Betreft een verzoek van een burger om overlegging van stukken welk verzoek door de Officier van Justitie is afgewezen
Vrijheid ontneming
(115) POM Vormverzuim onrechtmatige vrijheid ontneming verdachte door Openbaar Ministerie Rechtbank & Rechtbank dossier:
(242) POM Bij voortzetting van het vooronderzoek na het betekenen van de dagvaarding in eerste aanleg en na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, ook in geval van onderzoek onder leiding van de officier van justitie, aan de verdediging, in het belang van het onderzoek, kennisneming van processtukken kan worden onthouden.
(294) POM Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM.
Partijdigheid rechters voor ambtenaren overheid:
(210) Verwijs steeds naar jurisprudentie over "procederen" om nevenfuncties m.b.t. rechtspraak te verkrijgen!
(341) POM Voorstellen RECHTERSLEGER om tot verbetering strafproces tegen burgers in het voordeel van de Staat te komen
(179) POM & rechtersleger "Rechters deinzen er tegenwoordig niet terug voor fraude om de staat, als deze partij is in een proces, aan het langste eind te laten trekken"
partijdigheid POM Politie gelijk partijdig voor CDA gemeente Ermelo tijdens Ermelose verkiezingen gemeenteraad!
(267) POM CDA Minister van Justitie: Een druppel is niet gevaarlijk maar een stroom holt de steen uit
(246) POM & jeugdzorg maatje CDA-er Donner: "Het is misplaatst en onverantwoord te zoeken naar de schuldigen in de zaak Savannah. We moeten ons verzetten tegen negatieve beeldvorming over de gezinsvoogdij!"
(229) POM & Jeugdzorg Korpschef Nationale politie niet goed genoeg voor de politie en wordt daarom directeur bij de jeugdzorg
(557) POM De Pikmeerarresten voorbeeld van politiek gekonkel en handjeklap rechtersleger met gemeente
(417) POM Waarom worden/kunnen, onder verwijzing naar de Pikmeerarresten, het gemeentebestuur en ambtenaren (autoriteiten) kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.
(558) POM Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het primair telastegelegde bewezenverklaard in die zin dat is aangenomen dat de verdachte, als hoofd van de afdeling nieuwe werken van de gemeente Boarnsterhim feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van die gemeente.
(201) POM Stemfraude? Knippen en plakken in Ermelose verkiezingsformulieren mag wel van Ermelose CDA burgemeester
(104) POM College van procureurs-generaal (hierna: het College) geweigerd appellant inzage te verstrekken in het rapport van de Rijksrecherche
(105) POM & Fortuyn, moord op Pim kost burger veel vrijheid van meningsuiting en een Fortuyn
(109) POM Criminoloog Cyrille Fijnaut onderzocht de georganiseerde misdaad voor Van Traa
(129) POM Veroordeling journalist Undercover in Nederland
(194) POM en afhandeling strafzaken tegen CDA elite "achter gesloten deuren"..... Fotomodel tegen CDA-er Eurlings. Welke bijbaantjes met VOG heeft deze Eurlings?
(515) POM Rechtbank Den Haag: "Geen straf voor bevoorrading coffeeshop met drugs in Nederland
(309) POM Geheime brief vuurwerkramp kraakt bewijs, Mogelijk geknoei Tolteam
(278) POM IRT klokkenluiders van Belzen en Limmen tegen Justitie Haarlem
(296) POM Eindrapport Commissie Traa HOOFDSTUK 4 OBSERVATIE
(449) POM Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking kenmerk werkwijze Openbaar Ministerie in de zaak Nienke Kleiss
(260) POM & Novacap tulpenfraude 1
(274) POM & Novacap tulpenfraude 2
(221) POM & Novacap tulpenfraude 3
(223) POM & Novacap tulpenfraude 4
(314) POM & Novacap tulpenfraude 5
(402) POM & Novacap tulpenfraude 6
(421) POM & Novacap tulpenfraude 7

 

 

 

POM 2. Burger tegen overheid:
Inleiding met wat "sfeerverslagen" hoe de rechtspraak werkt in Nederland.

(1) Kinderbescherming & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Zutphen met kinderrechter tevens President Soroptemistenclub
(137) De complete Nederlandse jeugdzorg tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting jeugdzorg klachtencommissie, klachten Hop gegrond maar dat helpt natuurlijk niet!
(300) Hop moet bloeden schrijft vervolgens de jeugdzorg advocaat met baantjes in de kerk en school: Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304.<
(80) POM & "jeugdzorg" & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Assen met een "onpartijdige rechter".

(134) POM Zorg dat u de omschrijving van een VERDACHTE uit uw hoofd kent
(746) POM Voorbeeld aangifte 746 tegen politie inzake ontbreken van grondslag voor identificatieplicht
(743) POM Voorbeeld aangifte 743 tegen politie na geen vermelding beroepsmogelijkheden onder beslissing afpoeieren aangifte
(354) POM U kunt bij de politie alleen nog maar met DigiD aangifte doen via internet en inloggen op Mijn Politie.
(625) POM Checklist voor gewone Nederlander om aangifte te doen tegen personeel van de overheid
(381) POM Voorbeeldbrief klacht 381 tegen politie bij een weigering om een aangifte van een gewone Nederlander op te nemen met een verzoek om rechtsbescherming bij de burgemeester met een dwangsom van 1000 Euro per dag
(609) POM "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(377) POM De mr. T.K. Hoogslag-norm (28) inzake de pseudo-Officier van Justitie
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(74) POM & jeugdzorg Hop adviseert niet klagen tegen kinderbescherming! Bezwaar en beroep wordt toch onderdrukt. Dus aangifte doen!
(270) Jeugdzorgmentaliteit: Klager moet hetzelfde klachttraject overnieuw doen als de jeugdzorg niets heeft gedaan met gegrond verklaarde klachten. Dus aangifte doen!
(380) POM Wijziging van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen van overheidsorganen
Informanten:
Aangifte POM Aangifte tegen Hop na publicatie over "succesvolle tegenwerking" Groep Hop Lelystad
(269) POM & jeugdzorg De moeder van zeilmeisje Laura Dekker heeft de jeugdzorg en Raad voor de Kinderbescherming in het Algemeen Dagblad criminele organisaties genoemd
Na GBA fraude gemeente Ermelo wordt Hop met "gefabriceerd bewijs", "succesvolle tegenwerking" en "geheim overleg" aangepakt.
(818) POM & jeugdzorg Jeugdige daders die "Vlinder" zeer ernstig met lichamelijk letsel mishandelden worden niet vervolgd omdat die vervolging niet past in de Gelderland jeugdzorg conclusies
(111) POM Waar de overheid de enkeling niet beschermt in zijn vrijheid tegen de meerderheid of die juist zelf aantast zien we dictatuur
(559) Actie vaders tegen kinderbescherming in Zutphen! Medewerkers kinderbescherming onderworpen aan "verhoor" door vaders. Politie greep niet in!
Beroepschriften verkeersboetes:
(308) POM Commercieel belang bij verkeersboetes Een politiebeambte moet boeten voor te weinig bonnen!
(681) POM Agent mag bezwaar tegen zichzelf beoordelen en beslissen
(418) POM Productie 418 Jurisprudentie: Vervang parkeerbedrijf door de jeugdzorg of kinderbescherming waar u mee te maken heeft!
(232) Voorbeeldbrief bezwaar naheffingsaanslag parkeerbelasting
(191) POM Voorbeeld beroepschrift 191 tegen verkeersboete inzake "bestemmingsverkeer"
(235) POM Voorbeeld beroepschrift 235 verkeersboete inzake APK-boete inzake de overtreding voor het motorrijtuig zijn geldigheid heeft verloren
(330) POM Voorbeeld beroepschrift 330 verkeersboete inzake "gesimuleerde wegsituaties"
(331) POM Voorbeeld beroepschrift 331 tegen verkeersboete inzake "overschrijding maximum snelheid"
(364) POM Voorbeeld beroepschrift 364 verkeersboete inzake "verkeersboete voetganger (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan, feitcode R482
(372) POM Voorbeeld beroepschrift 372 tegen een opgelegde administratieve sanctie (boete) onder overlegging van aantoonbare feiten dat ik niet op die plaats geweest ben
(373) POM Voorbeeld beroepschrift 373 tegen een opgelegde administratieve sanctie (boete) voor een verkeersovertreding inzake handmatig bellen met een mobiele telefoon
(412) POM Voorbeeld beroepschrift 412 verkeersboete inzake "identificatieplicht"
(423) POM Openbaar Ministerie blijft gebruikers van lasershield of laserecho – indien de meting daadwerkelijk wordt verstoord – vervolgen voor “het belemmeren van een opsporingshandeling”
(240) POM Strafbaarstelling van het rijden onder invloed van bepaalde drugs en geneesmiddelen die de rijvaardigheid kunnen verminderen
(342) Ermelo. Vragen Hop over verkeersforum gemeente Ermelo levert nog meer bedenkingen op


Voorbeeld aangiften:
(441) Voorbeeld aangifte tegen jeugdzorg medewerkers inzake een jeugdzorgrapportage
(442) Voorbeeld aangifte tegen psycholoog jeugdzorg inzake psychologenrapportage
(513) Voorbeeld aangifte tegen politiemedewerkers inzake politie-PV
(462) Voorbeeld aangifte tegen medewerker kinderbescherming inzake kinderbeschermingrapportage
(516) Voorbeeld aangifte tegen griffier rechtbank inzake rechtbankgriffier-PV
(555) Voorbeeld aangifte tegen gerechtsdeurwaarder
(561) Voorbeeld aangifte tegen POM medewerkers, indien vervolging medewerkers overheden daadwerkelijk wordt verstoord, vervolgen voor belemmeren van een opsporingshandeling

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk Coördinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.