(134) (75) © DDD Denksport De Deur! Radboud Ziekenhuis Nijmegen weigert afschrift dossier! Radboud Ziekenhuis Nijmegen wil dossier achter De Deur houden om in gezellig onderonsje met SBJG en RVDK met een VOPO-verzoekschrift de ouders van A. Leenders/Nienhuis UIT HET GEZAG te zetten. Nienhuis/Leenders zijn NIET IN HET ZIEKENHUIS geweest! Welke "smerige streken" van dit Radboud Ziekenhuis Nijmegen moeten kost wat kost achter De Deur blijven dat hiervoor "OUDERS UIT HET GEZAG GEZET" worden?

Censuur in Nederland ©

Lees eerst de uitgangsformule
© (134) (75) (DDD) Denksport De Deur Beveiliging & bescherming burger tegen een NIET-KLANTVRIENDELIJKE overheid © 
Wob 102.11 een verplichte praktijkoefening conform uitgangsformule: Wat is de norm? Wat is het gevaar? Hoe is de vergelijkingsmethode tot stand gekomen?

Stockholmsyndroom

To whom it may concern

Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel

Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd

Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen

Project Wob 102, hoger beroep met Hop bij Raad van State tegen niet-ontvankelijk bezwaarschrift Wob 102 GEGROND!

Project Schriftelijke Aanwijzing

Project BEZWAAR tegen Plan van Aanpak

Project BEZWAAR tegen HVP zorgverlener

Project beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger
5 november 2007 Rechtbank Zutphen tegen Hop. Hop ontdekt kinderrechter is rechter, aanklager en belanghebbende (95) (710)
5 november 2009 - heden. Strijd om openbaarheid NAMEN (INHUUR) jeugdzorg personeel (215) (262) (303) (348) (463) (441) (445)

De norm! Betere rechters in Nederland kenmerken zich door waarheidsvinding en niet als een PAPEGAAI de jeugdzorg NAPRATEN!

 

 

 

AANDACHTSVESTIGING!
Aan ALLE burgemeesters, gemeentesecretarissen, raadsgriffiers en ambtenaren gemeente of provincie in Nederland
Aan ALLE rechters in Nederland
Aan ALLE
pleegouders in Nederland
Aan ALLE medewerkers van scholen in Nederland
Aan ALLE medewerkers van ziekenhuizen in Nederland
Aan ALLE gedragsdeskundigen en psychologen in Nederland
Aan ALLE medewerkers van verzekeringsmaatschappijen in Nederland
Aan ALLE medewerkers van kindertehuizen, kindergevangenissen of andere instellingen actief in de jeugdzorg
Aan ALLE politie agenten en hun leidinggevenden in Nederland
COMPETENTIE! Indien u personen tegen komt bij OTS of VOTS die zich ten onrechte uitgeven voor de VOOGD wordt u vriendelijk verzocht deze persoon GELIJK AAN TE HOUDEN en over te dragen aan het BEVOEGD GEZAG voor een WAARHEIDSVINDING ONDERZOEK. Indien deze persoon zich inderdaad ten onrechte heeft uitgegeven voor een VOOGD bij OTS of VOTS aangifte tegen deze persoon te doen wegens "het vervullen van een beroep in valse hoedanigheid" met het verzoek aan het BEVOEGD GEZAG deze persoon onverwijld een BEROEPSVERBOD op te leggen om ooit nog met kinderen te werken om jeugdzorg voor kinderen en hun OUDERS BELAST MET HET GEZAG VEILIGER te maken! (575) (581) (101) (124) (232)

 

 


Eindrapport Commissie Traa

HOOFDSTUK 4 OBSERVATIE

4.1 Inleiding

De commissie heeft systematisch onderzoek gedaan naar het gebruik van opsporingsmethoden. De basis van dit onderzoek ligt in de vragen die de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden hierover gesteld heeft. In de volgende hoofdstukken wordt weergegeven hoe opsporingsmethoden in Nederland worden ingezet. De commissie hanteert daarbij het onderscheid tussen observatie, informanten runnen, infiltratie en overige opsporingsmethoden. De commissie besteedt per methode aandacht aan de regelgeving en de jurisprudentie, het feitelijk gebruik, de sturing en controle van het gebruik door het OM en de verslaglegging. Afsluitend wordt bij een aantal methoden aandacht besteed aan de corruptiegevoeligheid hiervan. Noot De inzet van methoden waarbij veelvuldig contact wordt onderhouden met criminele derden levert corruptierisico's op. Dit is het geval bij het runnen van informanten, infiltratie, gecontroleerde aflevering en het doorlaten van drugs. In de hoofdstukken over informanten en infiltranten wordt hierop nader ingegaan. De commissie heeft veel onderzoeken naar criminele organisaties aangetroffen waarbij sprake was van de inzet van een combinatie van methoden. Een omvangrijk onderzoek naar een criminele organisatie betekent al snel de inzet van verschillende methoden tegelijkertijd. Naast een tactisch onderzoek met specifieke methoden ten aanzien van verdachten loopt dan ook een zogenaamd pro-actief onderzoek dat zich concentreert op andere personen. Zo gaat een methode als politie-infiltratie vrijwel altijd gepaard met observatie. Ook bestaat gecontroleerde aflevering niet zonder observatie. Inkijkoperaties gaan vaak samen met gecontroleerde afleveringen. Het plaatsen van peilzenders zonder volgen heeft geen zin. De commissie realiseert zich derhalve terdege dat een aparte bespreking van methoden, zoals hier voor gekozen is, vaak geweld doet aan de praktijk. Gezien het feit dat het hier gaat om duidelijk te onderscheiden opsporingsmethoden, is gekozen voor een aparte bespreking en beoordeling.

Om een beeld te krijgen van de inzet van opsporingsmethoden heeft de commissie in alle politieregio's en arrondissementen gesprekken gevoerd en documenten opgevraagd. Het onderzoek door de commissie en haar staf leverde veel nieuwe gegevens over het gebruik op. Noot Hiernaast is ook gebruik gemaakt van de inventarisatie van gehanteerde opsporingsmethoden (de doorlichting) die op last van de minister van Justitie begin 1995 door de parketten is opgesteld (zie hoofdstuk 9). Op straffe van het stopzetten van de zaak dienden politie en justitie een overzicht te leveren van de gebruikte methoden. Deze doorlichting heeft veel (ongestructureerde) gegevens opgeleverd. Het ministerie van Justitie heeft geen samenvattend overzicht van deze gegevens gemaakt. De commissie heeft gemeend in haar rapportages de gegevens die voortkomen uit deze doorlichting te moeten verwerken. Daarnaast geven de beslissingen van de Centrale toetsingscommissie ( CTC) een beeld van opsporingsmethoden in Nederland. Ook deze gegevens zijn verwerkt in de rapportages. De commissie heeft casusonderzoek gedaan naar enkele bijzondere zaken en methoden naast het onderzoek naar de Delta-methode. Het gaat om een casus of voorbeelden van opsporing en vervolging waarin de vraagpunten van de commissie expliciet naar voren komen. De commissie besteedt specifieke aandacht aan een aantal omvangrijke casussen, te weten de zaken Charles Z., Henk R., TCR/TCA, Laundry, Ramola en AH Oosterbeek, alsmede het Copa-onderzoek. Tenslotte is de informatie die uit de openbare verhoren kwam verwerkt in deze rapportage. In deze verhoren zijn de verschillende opsporingsmethoden uitgebreid aan de orde geweest. De commissie moest daarbij steeds laveren tussen de wens om lopende onderzoeken niet te openbaren of personen niet in gevaar te brengen en de noodzaak om in de openbaarheid de gebruikte opsporingsmethoden te kunnen duiden. De commissie heeft getracht steeds een evenwicht te vinden tussen deze potentieel conflicterende belangen. Het volgende citaat toont het dilemma waarmee zowel de commissie als de getuigen worstelden:

 

 

De voorzitter:

Maar op dit moment? Weet u of er bij u wordt doorgeleverd of niet?

De heer Wilzing:

Ik sta onder ede en u vraagt mij heel concreet over een zaak.

De voorzitter:

Neen, niet over een zaak.

De heer Wilzing:

Maar ik denk aan een zaak; laat ik het zo zeggen. Daar ben ik buitengewoon terughoudend in. Maar ik sta onder ede.

De voorzitter:

U staat onder ede, zeker.

De heer Wilzing:

Dat betekent dat zaken kunnen lopen. Die zijn tot op het hoogste bevoegde niveau
afgeregeld en afgespijkerd, zeer zorgvuldig. Daar is dan ook een driehoek van op de hoogte: die kent het, weet het en weet wat ze wil.

De voorzitter:

Het lijkt u niet verstandig om daarover verder indicaties te geven op dit moment?

De heer Wilzing:

Neen.

De voorzitter:

Goed, dat begrijp ik. Noot Deze onderzoeksmethoden hebben de commissie een goed beeld gegeven van de diversiteit van opsporingsmethoden. Echter, de commissie heeft niet de illusie dat zij door haar onderzoek een volledig beeld heeft. Elk onderzoek levert andere feiten op. In dit onderzoek worden de varianten beschreven waarin opsporingsmethoden worden ingezet, alsmede worden gegevens genoemd over de omvang.


4.2 Vormen van observatie

Onder observatie verstaat de commissie het gadeslaan van bepaalde personen, objecten en situaties ten einde informatie te verzamelen, al dan niet op de openbare weg of al dan niet in voor het publiek toegankelijke ruimten. In haar onderzoek heeft de commissie aandacht besteed aan verschillende vormen van observatie: a. aftappen van telecommunicatie;

b. scannen van mobiele telefoons en van semafoons;
c. direct afluisteren m.b.v. technische middelen (w.o. richtmicrofoons);
d. observeren en volgen;
e. gebruik van plaatsbepalingsapparatuur;
f. fotograferen en maken van video-opnamen;
h. inkijkoperaties.
Een indicatie van het gebruik van deze methoden geeft de volgende tabel. Dit zijn slechts de verzoeken aan de Dienst technische ondersteuning in de afgelopen twee jaren.

Assistentieaanvragen in recherchezaken van alle regio's aan de DTOO in 1995 en 1994

Tabel
Uit deze tabel blijkt een toename van assistentieverzoeken aan de DTOO. Over 1994 zijn de cijfers over daadwerkelijke inzetten niet paraat, maar de gegevens hierover uit 1995 geven een indicatie. Vijftien procent van het totaal aantal verzoeken wordt niet ingewilligd. Hieraan kunnen redenen van recherche-tactische, juridische of technische aard ten grondslag liggen. Om het gebruik van het videolaboratorium, sema-kloon en het plaatsen van peilbakens blijkt het meest verzocht te worden.

Over 1992 en 1993 kunnen de gegevens over aantallen assistentieverzoeken, respectievelijk 485 en 806, gesplitst worden naar politieregio, het KLPD en overigen. Hieronder vallen de bijzondere opsporingsdiensten, de Koninklijke marechaussee en de kernteams. De meeste verzoeken komen van de politieregio's Utrecht en Amsterdam-Amstelland en het KLPD.

In bijlage 5 Methoden is een apart hoofdstuk 3 observatie opgenomen waarin uitgebreid op de elementen van deze observatiemethoden wordt ingegaan. In deze paragraaf zal de commissie zich beperken tot de belangrijkste bevindingen en haar beoordelingen.


4.3 Juridische structuur en organisatie

Observeren als zodanig is niet wettelijk geregeld. Wel is een aantal observatiemiddelen zoals het afluisteren van telecommunicatie en inzage in computerbestanden in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Deze methoden hebben daarmee een expliciete wettelijke basis. De juridische basis voor andere vormen van observatie door de politie wordt in de jurisprudentie gevonden in de algemene taakuitoefening door de politie (art. 2 Politiewet 1993) en de uitoefening van de opsporingsbevoegdheid (art. 141 en 142 Sv). Noot Observatie vindt bij grootschalige onderzoeken plaats door observatieteams (OT), eventueel ondersteund door de secties technische ondersteuning (STO) en de Dienst technische operationele ondersteuning (DTOO). In een aantal gevallen heeft een arrestatieteam (AT) specifieke observaties verricht. Het gaat daarbij dan voornamelijk om inkijkoperaties. In enkele gevallen observeren tactische rechercheurs of CID-rechercheurs zelfstandig. Het OT beschikt standaard over foto- en video-camera's, verrekijkers, camouflage-middelen en veelal een kolibrie.
Dit is een middel om communicatie via mobiele telefoons te kunnen onderscheppen.


4.4 Bevindingen

 

4.4.1 Aftappen telecommunicatie

Het aftappen van telecommunicatie (telefoon, mobiele telefoon, semafoon, fax, dataverkeer) moet plaatsvinden in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek met machtiging van de rechter-commissaris (artt. 125g e.v. WvSv). De commissie heeft slechts één keer geconstateerd dat aftappen van telecommunicatie zonder machtiging van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden.

Het gebruik van taps van (auto)telefoons, semafoons en faxen vindt frequent en nagenoeg automatisch plaats in grote strafzaken. Het aantal taps loopt jaarlijks in de duizenden. Het gebruik van dit opsporingsmiddel is routine geworden voor zowel politie als justitie. De waarde van het middel voor bewijsrechtelijk gebruik is afgenomen omdat leden van criminele organisaties slechts zelden via de telefoon belastende uitspraken doen. Dit neemt niet weg dat dit middel veel informatie kan opleveren. Door middel van de tap worden contacten tussen bepaalde personen, afspraken en ontmoetingsplaatsen vastgesteld. Van de tapverslagen wordt soms kennis genomen door de criminele inlichtingendienst.

 

Aantal geplaatste taps in Nederland, aandelen per arrondissement (bron, rapport WODC).

Tabel
Tappen is een tijdelijk geheim dwangmiddel. De tapverslagen en beschikkingen vormen onderdeel van het strafdossier. In de loop van het gerechtelijk vooronderzoek (na het beëindigen van de tap) komen de gegevens beschikbaar voor de verdachte. Andere getapte personen (niet-zijnde de verdachte) worden niet op de hoogte gebracht. Van een niet later op naam gesteld gerechtelijk vooronderzoek tegen NN raakt de getapte persoon niet (vanwege justitie) op de hoogte.

Het is inmiddels (sinds 1 januari 1996) technisch mogelijk om mobiele GSM-telefoons af te luisteren via de infrastructuur van PTT-Telecom. Afluisteren van GSM geschiedt op grond van artikel 125g Sv. In 1995 is voor het eerst met gebruik van speciale kostbare apparatuur GSM getapt in een kernteamonderzoek. In verschillende deelonderzoeken van een opsporingsteam is veelvuldig gebruik gemaakt van aftapmogelijkheden. Zo worden in Turkije GSM aansluitingen getapt teneinde de onderlinge relaties tussen de verdachten te kunnen vaststellen en gesprekken te kunnen afluisteren. Het aftappen gebeurt door Turkse politiemensen met een machtiging van een Turkse rechter. Eerder zijn ook ATF gesprekken afgeluisterd. Dit keer zonder kennisgeving aan de Turkse autoriteiten.

Zodra het berichtenverkeer gericht wordt afgeluisterd is een machtiging van de rechter-commissaris noodzakelijk. Deze machtigingen worden nagenoeg automatisch verleend en verlengd, met name in opsporingsonderzoeken naar georganiseerde criminaliteit. Zelden wijst een rechter-commissaris een vordering tot aftappen af. Wel komt het voor dat er eerst informeel overleg plaats vindt tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris. Rechters-commissarissen benadrukken echter dat zij steeds weer een nieuwe afweging maken van de proportionaliteit en subsidiariteit van het tappen van bepaalde personen. Het aftappen van gegevensverkeer vindt plaats in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Daarmee is het een onderdeel van het tactische onderzoek. In veel gevallen krijgt de CID toegang tot de inhoud van het gegevensverkeer. Dit is dan het geval omdat de CID, die parallel aan het tactisch traject opereert, op de hoogte moet zijn van hetgeen in het tactische traject gebeurt. Gegevens uit de tap worden ook opgeslagen in CID-registers. Op het moment dat de rechter-commissaris opdracht geeft tot vernietiging van de tapverslagen is niet gegarandeerd dat daarmee ook de door de CID opgeslagen gegevens worden vernietigd. In de praktijk blijft de bij de CID opgeslagen informatie gewoon bestaan. Een wettelijke grondslag voor het opslaan van tapinformatie in CID-registers ontbreekt. In het ontwerp Herziening gerechtelijk vooronderzoek wordt een voorziening getroffen om tapinformatie in andere zaken te kunnen gebruiken. Het printen van telefoonnummers (printers/call tracers) en het registreren van semafoonoproepen vindt veelvuldig plaats. Op die manier tracht de politie in kaart te brengen wie met wie telefonisch contact legt. Het gaat daarbij niet om de boodschap, maar om de vaststelling van contacten. Wanneer de semafoon wordt gebruikt voor gegevensverkeer valt deze onder het regime van artikel 125g Sv. Als er nog geen gerechtelijk vooronderzoek loopt, ligt de bevoegdheid tot printen bij de officier van justitie. In een dergelijk geval dient de officier van justitie binnen een maand na het verkrijgen van de gegevens een gerechtelijk vooronderzoek te
vorderen indien hij van deze gegevens gebruik wil maken. In de praktijk wordt deze wettelijke termijn, die volgt uit artikel 125h, lid 4 Sv wel eens overschreden.

 

De heer Maan:

De wet zegt dat als je gebruikt wilt maken van de gegevens die uit een printerlijst naar voren zijn gekomen een gerechtelijk vooronderzoek moet worden gevorderd binnen een maand na ontvangst, na kennisneming van de desbetreffende gegevens.

De voorzitter: Dus u zegt:

ik mag er een tijd over doen voordat ik er kennis van neem en zo kan ik het oprekken?

De heer Maan:

Het is geen kwestie van oprekken. Het gaat niet om de datum waarop de beschikking door mij is gegeven. Het gaat om de datum waarop ik kennis neem van de desbetreffende gegevens, die voor mij relevant zijn om te gebruiken. Naar aanleiding daarvan beslis ik om een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen. Noot

De commissie heeft vastgesteld dat het in een paar gevallen voorgekomen is dat informatie is opgevangen omdat de hoorn van de haak van een telefoontoestel lag. De commissie is van mening dat in dit verband geen sprake is van een aparte opsporingsmethode.

 

4.4.2 Scannen

Het scannen van mobiele telefoons en semafoons is niet apart wettelijk geregeld. De jurisprudentie staat het toe om deze middelen in te zetten voorzover zij niet gericht, stelselmatig of langdurig worden ingezet. Het gericht gebruiken van scanners om daarmee telefoongesprekken af te luisteren wordt opgevat als het aftappen van gegevensverkeer en moet dan ook aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen. Het scannen van mobiele telefoons door de politie heeft verschillende doelen. Met behulp van een zogenoemde kolibrie kan worden vastgesteld of van deze communicatiemiddelen gebruik wordt gemaakt. Dit wordt door de jurisprudentie toegelaten. Het middel scannen werd op die manier gebruikt ter ondersteuning van het volgen en observeren van personen.

Het is echter tevens mogelijk met behulp van de kolibrie gesprekken, gevoerd over mobiele telefoons af te luisteren. Dit kan enerzijds gebeuren met het doel de inhoud van de gesprekken in het verdere verloop van de strafzaak te gebruiken en anderzijds om vast te stellen waar een bepaalde persoon naar toe gaat. De commissie heeft vastgesteld dat observatieteams voor laatstgenoemd doel, frequent mobiele telefoons afluisteren. Er is dan sprake van het beluisteren van de inhoud van het gesprek, die bovendien soms zakelijk wordt weergegeven in OT-verslagen. Voor dit beluisteren is vaak geen machtiging gegeven.

 

 

De voorzitter:

Twintig jaar geleden bestonden er nog geen Kolibries.

De heer Jansen:

Nee, maar toen had je wel een tap. Je had een indicatie. Het is maar heel kort in zwang geweest om open over de telefoon te praten, want na de eerste rechtszaken was dat mooi afgelopen. Je had dus wel indicaties. Je kon aan een stemverheffing, aan het nerveus worden van mensen die over de telefoon praatten, merken dat er met een bepaalde lading iets niet goed moest zitten. Men was alerter, nerveuzer. Men belde elkaar vaker. Een ogenschijnlijk onbelangrijke lading bleek ineens ontzettend belangrijk te zijn. Het ging een keer om 20 ton elastiekjes waar niemand in Nederland op zat te wachten, maar men had daar geweldig veel haast mee. Dan is daar iets fout. Dan ga je daarnaar kijken. Noot

De heer De Graaf:

Met die Kolibrie kon u eigenlijk twee dingen doen: bepalen dat iemand aan de telefoon zat en rechtstreeks afluisteren als u erachter zat en een frequentie opving.

De heer Mosterd:

Dan konden wij gewoon afluisteren, ja.

De heer De Graaf:

Dat deed u dan zonder machtiging van de rechter-commissaris?

De heer Mosterd:

Voor alle duidelijkheid: de informatie die wij via de Kolibrie hoorden, gebruikten wij alleen als er een machtiging van de rechter-commissaris was. Nog steeds gaat de schakelaar van het apparaat gewoon om als wij zien dat er iemand belt met ATF3, alhoewel je die vandaag de dag niet veel meer tegenkomt.

De heer De Graaf:

Wat bedoelt u met «de schakelaar gaat om»?

De heer Mosterd:

Dat het apparaat aangaat. Dan maakt het observatieteam er gebruik van om te anticiperen op de bewegingen van de verdachte.

De heer De Graaf:

Is dat een grijs gebied of een grensgebied?

De heer Mosterd:

Ik wil er niet schijnheilig over doen: wij beroepen ons er natuurlijk op dat het eigenlijk nergens wettelijk verboden is om een scanner te gebruiken. Er zijn ook uitspraken, richtlijnen, over dat je hem wel mag gebruiken voor operationele werkinformatie ten behoeve van je observatieteam, maar dat je de informatie die zonder machtiging is verkregen, niet mag gebruiken ten behoeve van het onderzoek. Noot


Het is nu bijna algemeen gebruikelijk om voor het scannen een machtiging van de rechter-commissaris te vragen, indien het in feite het afluisteren van telefoonverkeer betreft en om het OM om toestemming te vragen als het gaat om het scannen ter ondersteuning van de observatie. Het middel wordt ook ingezet als er geen verdenking bestaat. Veelal betreft het in de praktijk onderzoeken naar criminele organisaties. Het middel wordt dus enerzijds ingezet om telefoongesprekken af te luisteren en anderzijds als hulpmiddel bij andere vormen van observatie. Terwijl de artikelen 125f en 125g Sv van toepassing worden geacht voor het scannen om af te luisteren, is er geen expliciete wettelijke grondslag voor het scannen ter ondersteuning van de observatie.

4.4.3 Direct afluisteren

Onder direct afluisteren verstaat de commissie het afluisteren en/of opnemen van gesprekken met gebruikmaking van verborgen microfoons en/of recorders. Als men geen deelnemer aan het gesprek is of als men niet handelt in opdracht van een gespreksdeelnemer, is het verboden gesprekken met een technisch middel af te luisteren of op te nemen (artt. 139a en 139b Sr). Evenzo is het verboden afluisterapparatuur te plaatsen (art. 139d Sr). Alleen voor de Binnenlandse veiligheidsdienst is een uitzondering opgenomen. Aangezien voor opsporingsambtenaren geen uitzondering is gemaakt, mag een gesprek door politie en justitie alleen direct afgeluisterd worden als men zelf aan het gesprek deelneemt of als een gespreksdeelnemer hiertoe opdracht heeft gegeven. Infiltranten nemen geregeld gesprekken op.

 

 

De voorzitter:

Was het afluisteren van de safe houses - de infiltrant heeft gesprekken met de criminele groepering - of het afluisteren van auto's rechtmatig?

De heer Naeyé:

De wetgeving op dat punt is zodanig, dat het in het algemeen niet strafbaar is, wanneer iemand een gesprek opneemt en afluistert, waarbij hij zelf is betrokken.

De voorzitter:

Dat is ook geen inbreuk op de privacy?

De heer Naeyé:

Het is niet strafbaar. Als ik van de eerdere gesprekken van de parlementaire enquêtecommissie opnames had gemaakt, dan zoudt u onaangenaam verrast zijn geweest, als ik dat had uitgezonden of gepubliceerd. Dat is niet strafbaar. Dat wil niet zeggen dat het onder omstandigheden geen inbreuk is op de privacy. Het zijn twee verschillende zaken. Noot

De commissie heeft vastgesteld dat verschillende vormen van direct afluisteren zich hebben voorgedaan. Veelvuldig werden gesprekken afgeluisterd met toestemming van één van de deelnemers. Dat gebeurde vooral bij ontmoetingen met informanten, pseudo-koop en infiltratie-acties. Daarnaast hebben politie en justitie gebruik gemaakt van afluisterapparatuur in openbare ruimten en is meegeluisterd met gesprekken die gevoerd zijn in een openbare gelegenheid. Ter illustratie:

 

 

De heer Vos:

Heeft direct afluisteren enige malen plaatsgevonden?

De heer Koers:

Dat heeft een paar keer plaatsgevonden. Wij hebben een keer geprobeerd op een terras met geluidsboxen een gesprek af te luisteren. Daarbij is de redenering toegepast, dat de wet verbiedt in een gesloten ruimte met technische hulpmiddelen een gesprek op te nemen; dit is niet een gesloten ruimte; wij kunnen eens kijken of het lukt. Dat was voordat het nieuwe wetsvoorstel direct afluisteren in de Kamer aanhangig is gemaakt. (...) Ik herinner mij nog een zaak waarin het in overleg met een gevangenisdirecteur gebeurd is, omdat de dreiging bestond dat iemand zou ontsnappen. Dat heeft echter absoluut niets opgeleverd.(...)

De heer Vos:

Mag in een woning ook direct afgeluisterd worden of gelden daar weer andere normen voor?

De heer Koers:

Ik vind dat er in een woning niet direct afgeluisterd mag worden.

De heer Vos:

Is dat ooit gebeurd?

De heer Koers:

In één zaak weet ik dat een collega dat gedaan heeft om - ook daar liep het onderzoek vast - uit te sluiten dat bepaalde mensen wel of niet bij een moord betrokken waren. Daar is het gebeurd.

De heer Vos:

Is daar verslag van gedaan?

De heer Koers:

Daar is verslag van gedaan Noot

De voorzitter:

Wij willen het met u nog hebben over twee kleine puntjes. In de doorlichting van uw regio komt ook nog voor dat u wel eens ging afluisteren met, geloof ik, uw eigen koffer.

De heer Paulissen:

Ja. Wij zagen dat criminelen niet meer via de telefoon met elkaar praatten, maar stad en land afreden om ontmoetingen met elkaar te hebben. Wij hebben zelfs een geval gehad waarin iemand naar Luxemburg reed om daar tien minuten op de hoek met iemand te praten en vervolgens terugging. Wij hebben gezegd: we kunnen achter ze aan blijven rijden tot we een ons wegen, maar wij zullen toch een beetje zicht moeten krijgen op datgene wat daar gebeurt. Wij hebben toen gezegd: in openbare ruimten vangt iedereen gesprekken op. Als je daar bent, vang je flarden van een gesprek op van een naastliggend tafeltje. Waarom


zou je als politie ook niet mogen proberen, die flarden op te vangen? Misschien vang je flarden op die je in het totaal van de onderzoeksgegevens uiteindelijk weer wat wijzer maken.

 

De heer Paulissen:

Wij hebben toen gezegd dat datgene wat een normale burger in de openbare ruimte doet, ook voor de politie toelaatbaar is. Zij kan dus flarden van gesprekken en mededelingen oppakken. Nogmaals, Daarvan kan achteraf worden gezegd: dat is heel stout, dat had je niet moeten doen. Daar heb ik ook wel vrede mee. Maar ik wil maar aangeven dat wij dit soort afwegingen gemaakt hebben. Uiteindelijk hebben wij in die afweging gezegd: wij vinden dit te verantwoorden.

De voorzitter:

Heeft het overigens gewerkt?

De heer Paulissen:

Neen, op dat punt schaam ik mij nog het meest. Als je daarop terugkijkt, ziet het er allemaal wel amateuristisch uit. Het heeft dus niet gewerkt. Wij zijn er op een gegeven moment ook mee gestopt. Noot

De commissie heeft enkele voorbeelden aangetroffen van het plaatsen van bugs en andere afluisterapparatuur zonder dat één van de deelnemers toestemming had gegeven. Ook is enkele malen gebruik gemaakt van richtmicrofoons. Dat deed zich vooral voor bij ernstige noodsituaties.

 

 

De heer Koekkoek:

(...) Werkt u met afluisterapparatuur?

De heer Broere:

Ja.

De heer Koekkoek:

Bij welke gelegenheden?

De heer Broere:

Gijzelingen, ontvoeringen. Wij maken daarbij ook gebruik van camera's om zicht te krijgen op wat zich binnen afspeelt. Noot

De indruk bestaat dat inzet van deze methoden alleen wordt overwogen in zaken die OM en politie zeer ernstig vinden. Dit valt ook te concluderen uit de doorlichting. Daarin wordt 15 maal melding gemaakt van direct afluisteren, waarvan in zes gevallen met medeweten van één der gespreksdeelnemers. Het afluisteren vond plaats in gevallen van moord/doodslag, gijzeling, een schietpartij, kinderporno, een zedenzaak, fraude en handel in verdovende middelen. Een paar uitgewerkte voorbeelden:

Moordzaak
Tijdens het onderzoek naar de gewelddadige moord op een bejaarde vrouw is direct afgeluisterd. Dit gebeurde door de plaatsing van afluisterapparatuur in een woning teneinde de gesprekken van de vermoedelijke dader in de aangrenzende woning af te luisteren. Dit betrof een zwaar verslaafde jongen die bij zijn moeder woonde. Uit de bandjes die gedurende twee dagen van gesprekken tussen moeder en zoon zijn opgenomen bleek dat de jongen niet betrokken was bij de moord. Deze afluisteroperatie gebeurde onder de regie van de CID en met toestemming van de officier van justitie.

Gijzelingszaak
In het geval van een gijzelingszaak is direct afgeluisterd door het aanbrengen van afluisterapparatuur in een hotelkamer. Het ging om de gijzeling van een uit Duitsland afkomstige Turk. Het zag ernaar uit dat de onderhandelingen tussen de familie en de gijzelnemers in een nader bepaalde lokatie zouden plaatsvinden. Op voorhand heeft de politie toen een hotelkamer gehuurd waarin video- en geluidsapparatuur is geplaatst. Naderhand liep de zaak anders en is deze afluisteractie niet nodig gebleken. Hiervoor was toestemming gegeven door de officier.

Afluisteren in het huis van bewaring
In het huis van bewaring zat een verdachte die vermoedelijk betrokken was bij de invoer van verdovende middelen van Frankrijk naar Nederland. Een medeverdachte kwam op bezoek en er zou wellicht over de handel gepraat worden. Besloten werd om direct af te luisteren, hetgeen echter geen succes had. Het direct afluisteren leverde vaak slechte kwaliteit van het opgenomen geluid. Dat vormt volgens politie- en justitiefunctionarissen de belangrijkste reden waarom nog weinig gebruik wordt gemaakt van deze methoden.

 

De heer Kloosterman:

Ik heb nog nooit gezien dat zoiets werkt. Ze hebben mij nog nooit kunnen bewijzen dat dit te doen is voor ons soort werk. Het is mooi in het bos, als het heel stil is, voor de vogeltjes, maar ik denk niet dat je in een stad als Amsterdam een richtmicrofoon kan gebruiken. Noot

De toestemming en controle van direct afluisteren varieerde. De criteria op basis waarvan tot gebruik werd besloten, zijn onduidelijk. De toestemming werd, zover kon worden nagegaan, door een officier van justitie gegeven. In het verleden (voor 1992) werd zelden toestemming gevraagd aan het OM. De laatste jaren is daar verandering in gekomen. De commissie heeft geconstateerd dat officieren van justitie toestemming hebben
gegeven voor vormen van direct afluisteren waarvoor geen juridische basis bestond. Daar komt bij dat de vastlegging van het direct afluisteren varieert van uitgebreid (bij de DTOO) tot summier (bij de afzonderlijke STO's bij de regio's). Het wetsontwerp Direct afluisteren waarvan de behandeling voor de duur van de enquête is opgeschort, voorziet in een exclusieve rol voor de DTOO bij het aanbrengen van afluisterapparatuur.

4.4.4 Observeren en volgen

Onder observeren en volgen verstaat de commissie het direct, fysiek heimelijk gadeslaan en heimelijk volgen van een persoon of een object, al of niet met gebruikmaking van hulpmiddelen. Het observeren en volgen is het klassieke schaduwen. Dit schaduwen wordt meestal aangeduid als dynamische observatie. Noot Daarnaast kent men de statische observatie. Dat is het vanuit een vast punt in de gaten houden van een object (woning, loods, dealpand). Het gebeurt door het subject op enige afstand te volgen, zowel op de openbare weg als in voor het publiek toegankelijke ruimten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van optische hulpmiddelen, zoals verrekijkers en van beeldregistratie-apparatuur, zoals foto-en videoapparatuur. Ook worden wel detectoren ingezet:

Wanneer men een vermoeden heeft dat er ingebroken gaat worden in een pand, dit kan zijn op basis van CID-informatie, kan men ertoe overgaan om een postkoffer te plaatsen. Dit werkt als volgt. In een ruimte wordt op een strategische plaats een klein kastje met een of andere detector geplaatst. Dit kan bijvoorbeeld een warmtemeter zijn of een bewegingsmelder. Dit kastje is draadloos dan wel met een draad verbonden aan een koffer. Wanneer de detector een signaal uitzendt wordt de apparatuur in de koffer geactiveerd om een van te voren geprogrammeerd nummer van bijvoorbeeld de meldkamer of een semafoon te bellen. Een ingesproken bandje meldt vervolgens welke postkoffer gemeld heeft, waarna een poging tot betrappen op heterdaad kan worden gedaan. Dit gebeurt veelal met toestemming van de eigenaar van het pand. Deze postkoffer wordt ook wel gebruikt bij een huiszoeking die meerdere dagen bestrijkt. Hiermee kan worden voorkomen dat goederen 's nachts ontvreemd worden. Van tevoren wordt over de inzet geen officier gekend. Dynamische observatie wordt zeer veelvuldig ingezet. De duur varieert van enkele uren tot enkele weken. De totale duur van een observatie van een criminele groep kan maanden duren.

 

De heer Koekkoek:

Wat is de langste observatie die u ooit heeft gedaan op dezelfde zaak?

De heer Kloosterman:

Enkele jaren.

De heer Koekkoek:

En dat betekende dat u steeds maar weer...

De heer Kloosterman:

U moet het niet zo zien dat wij 's ochtends vroeg opstaan en dan direct op die zaak gaan en dat wij dat twee jaar lang doen.

De heer Koekkoek:

Ik bedoel dat u er regelmatig mee bezig bent.

De heer Kloosterman:

Enkele malen in de week wordt er gekeken wat hij doet. Noot Langdurige observatie, zeker in combinatie met andere opsporingsmethoden, is een ingrijpende zaak.

De voorzitter:

Wij zien nu constant, en dat hebben wij ook in ons onderzoek gezien, dat de politie langdurig observeert, ook zonder dat er sprake is van een specifiek strafbaar feit. Men kijkt ook naar de achtergrond van mensen. Gisteren en vanochtend hebben wij dat ook gehoord en hebben wij ook de noodzaak gehoord die daarbij door justitie en politie wordt aangegeven om dat te doen. Nu die wettelijke regeling er nog niet is, is dat dan allemaal onrechtmatig?

De heer Corstens:

Ik zou beweren dat het onrechtmatig is. Als je de redenering aanhangt dat het onderdeel is van de opsporingstaak of in het algemeen van de politietaak en je zegt dat er daarmee voldoende legitimatie is, misken je het systeem van de Grondwet en het systeem van het Verdrag. Mijn conclusie zou zijn dat het onrechtmatig is. Een ding is naar mijn idee nodig, in elk geval, naast allerlei andere zaken die straks nodig zullen blijken te zijn, zo schat ik althans, en dat is een wettelijke regeling van dit type langdurige, stelselmatige, systematische observatie. Op dit moment zou ik dus zeggen dat het onrechtmatig is. Noot

Ook de omstandigheden waaronder en de plaats alwaar de observatie plaatsvindt kunnen deze zeer ingrijpend maken. Zo bleek uit de doorlichting dat een rechercheur zich tijdens een tactisch onderzoek in een verdovende middelenzaak heeft laten opnemen in het ziekenhuis op de kamer van de verdachte. Op deze wijze kon observatie plaatsvinden.

Deze observatie-activiteiten worden doorgaans verricht door een observatieteam. De beslissing tot inzet van een OT wordt genomen door de tactische chef of de CID-chef. Soms wordt toestemming gevraagd aan de officier van justitie. De verkregen informatie wordt vastgelegd in een volgrapport
en verstrekt aan de tactische recherche of de CID. De resultaten van de observatie worden veelal als CID-informatie behandeld. Dat betekent dat aangegeven wordt wat is waargenomen, maar niet hoe is waargenomen. De gegevens worden veelal verwerkt in de CID-bestanden.

 

4.4.5 Plaatsbepalingsapparatuur

Het gebruik van plaatsbepalingsapparatuur is het inzetten van een heimelijk geplaatste zender die een signaal uitzendt dat bij ontvangst de plaats van het object aangeeft. De ontvanger kan zowel op een centrale plaats zijn ondergebracht, als mobiel worden ingezet. Juridisch wordt het gebruik van plaatsbepalingsapparatuur opgevat als ondersteuning bij de observatie. Plaatsbepalingsapparatuur kan tevens worden gebruikt om bewegingen in kaart te brengen. De jurisprudentie lijkt deze methode te aanvaarden en acht deze onderworpen aan de algemene criteria voor observatie. Noot

 

 

De heer Vos:

In de notitie die u ons stuurde, meldde u het geval van een peilzender die in een fiets werd ingebouwd van twee jongens die van brandstichting verdacht werden.

De heer Van der Spoel:

Dat betreft een geval van een collega van mij. Je kunt je daarbij de vraag stellen of ze het allemaal wel goed hebben bekeken, of het allemaal wel evenwichtig is. Ik denk dat dergelijke middelen alleen in bepaalde gevallen moeten worden gebruikt. Dat geldt ook voor de telefoontap en andere dwangmiddelen die wij kennen uit het Wetboek van Strafvordering. Noot

Plaatsbepalingsapparatuur wordt vooral ingezet in verband met doelmatigheidsoverwegingen. De inzet bespaart mankracht en maakt onopgemerkte observatie mogelijk. Peilapparatuur wordt vooral gebruikt ter ondersteuning van het OT indien een verdachte moeilijk te volgen is. Een voorbeeld, gegeven tijdens het verhoor van een observant:

 

 

De heer Koekkoek:

Dat ging met hoge snelheid over de autobaan?

De heer Kloosterman:

Nee, dit ging met heel lage snelheid. Ja, ik kan het eigenlijk wel vertellen, maar... Wij maakten toen gebruik van peilapparatuur. Eh, de man reed nogal langzaam.

De heer Koekkoek:

Wat is langzaam op de autobaan?

De heer Kloosterman:

80 km/u. (...) meestal word je dan voorbij gereden door de vrachtwagens. Dus dan valt 80 km/u erg op, als er een hele sliert OT-auto's rijdt. (Gelach) Het schijnt grappig te zijn, maar voor ons zijn zulk soort situaties heel moeilijk. Dus toen is er besloten om peilapparatuur in te zetten. (...) Ik denk dat ook meegenomen is dat een sliert Nederlandse auto's in een buitenland heel moeilijk te verbergen is. Dus vandaar dat er ook peilapparatuur ingezet is. Noot

De feitelijke aanbrenging vindt veelal plaats door de DTOO. De wijze waarop de DTOO dat doet blijft voor de aanvrager geheim. De verzoeken om technische ondersteuning aan de DTOO zijn vanaf 1992 verdrievoudigd. Noot In 1995 worden 212 verzoeken om plaatsing van peilbakens uitgevoerd. Noot De meningen over de kwaliteit van de peilbakens verschilt.

 

 

De voorzitter:

Gisteren heeft onze laatste getuige (Kloosterman) gezegd dat hetgeen voorhanden is, eigenlijk niet goed werkt.

De heer Hellemons:

Dat heb ik gehoord, maar ik ben het in het geheel niet met hem eens.

De voorzitter:

Maar hij rijdt ermee rond; u stuurt de mensen eruit.

De heer Hellemons:

De vraag is waar hij mee rondrijdt. Ik wil hier graag bij aantekenen dat er, zoals ik al aangegeven heb, een enorme variëteit aan plaatsbepalingssystemen is. Ik neem aan dat de getuige van gisteren doelt op een standaardmethodiek van een observatieteam.

De voorzitter:

Het plakken van een...

De heer Hellemons:

Van een peilbaken, zoals u waarschijnlijk wilde opmerken. Ik teken hierbij aan dat er op dit moment heel andere systemen bij onze dienst in gebruik zijn. Ongetwijfeld zullen er vanavond rijen deskundigen op de televisie komen en in de krant staan, die allemaal laten zien dat een peilbaken piept en dat je met een apparaat, waarvan zij driftig verkondigen dat het echt maar f.120 ex BTW kost, die peilzender onmiddellijk te pakken hebt aan de andere kant van de kamer. Ik durf hier echter absoluut te beweren dat wij goede systemen in gebruik hebben. Ik daag elke crimineel uit om die te vinden. Ik denk dat dat niet lukt. Noot

De inzet van plaatsbepalingsapparatuur gebeurt frequent, in sommige regio's meer dan 30 keer per jaar. De duur van de inzet kan variëren van enkele dagen tot meer dan een half jaar. Van een eenduidige (eerste) maximumduur met de mogelijkheid tot verlenging is in de praktijk geen sprake. Dat betekent dat niet tevoren
wordt bepaald hoelang het middel mag worden ingezet. In de meeste gevallen wordt het middel pas in de verdenkingsfase ingezet, maar het wordt ook ingezet in de hieraan voorafgaande periode. Veelal betreft het in de praktijk onderzoeken naar criminele organisaties die verdacht worden van de handel in verdovende middelen, maar het vindt ook toepassing bij andere criminaliteit, zoals inbraken en autokraken. Tot 1992 besloot de politie zelfstandig over de inzet van deze middelen. Toestemming voor het gebruik van deze middelen wordt nu veelal schriftelijk gegeven door een officier van justitie. Sinds 1 januari 1995 moet de inzet van een technisch middel aan de Centrale toetsingscommissie worden gemeld. In een aanzienlijk aantal gevallen is er inmiddels melding gedaan. Tot nadere normering heeft dit nog niet geleid. De inzet van plaatsbepalingsapparatuur is geheim. Er is een tendens om in het zogenoemde stamproces-verbaal zakelijk mee te delen dat van plaatsbepalingsapparatuur is gebruik gemaakt en eventueel ook voor welke termijn. Het is geen vaste regel dat hetgeen door middel van de plaatsbepalingsapparatuur wordt waargenomen in de vorm van een proces-verbaal wordt vastgelegd.

 

4.4.6 Foto- en video-apparatuur

Het gebruik van foto- en video-apparatuur is niet wettelijk geregeld. De jurisprudentie laat het fotograferen en het maken van video-opnamen toe, zolang de privacy niet geschonden wordt. Van belang is dat niet meer wordt waargenomen dan een lijfelijk aanwezige politiefunctionaris had kunnen waarnemen.

 

De heer De Graaf:

Een camera op het raam, is dat in uw arrondissement wel of niet gebeurd?

De heer Koers:

Ik weet dat er in één zaak een video geplaatst is op een woning waarmee door de woning heen gekeken kon worden. Het betrof een zaak waarin een moord gepleegd werd. Noot

Foto- en video-observatie wordt zeer veel gehanteerd. Het gaat daarbij primair om het observeren van de buitenkant van een gebouw, lokaliteit of woning. Het gaat daarbij veelal om videocamera's die op de openbare weg zijn geplaatst of met toestemming van betrokkenen in een huis of loods. Een enkele maal werd via een inkijkoperatie een camera geplaatst in een loods zonder toestemming van de rechthebbende. Sommige camera's waren gekoppeld aan een bewegingsdetectiesysteem. Bij nagenoeg elk omvangrijk strafrechtelijk onderzoek wordt wel gebruik gemaakt van deze methode. In de doorlichting wordt honderden malen melding gemaakt van de inzet van deze methode.

 

 

De heer Koers:

Van alle bezoeken in de caravan, waar onze infiltrant toen woonde, en in het appartement waar hij later woonde, zijn video-opnames met geluidopnames gemaakt om dit risico, deze discussie (of er wel of niet een verhoorsituatie was, red.) uit te sluiten. Noot

De mate van controle varieert. Soms geeft een officier van justitie toestemming, soms is hij alleen op de hoogte en soms doet de politie het zelfstandig.

 

De voorzitter:

Nee, ik bedoel de slimmigheidjes. Ik vind het een vervelend woord, maar u hebt het zelf geïntroduceerd. Ik zou het niet bedacht hebben. Laten wij zeggen: methodieken waarover u zelf besliste en die verder niet terug te vinden waren.

De heer Mosterd:

Ja, er is nog de statische observatie, het plaatsen van videocamera's. Dat passen wij in Hollands-midden regelmatig toe teneinde zicht te krijgen op lokale dealers. Hoe is hun handel en wandel, wanneer komen de klanten en wanneer de spullen? Dat plaatsen bepaal ik gewoon zelf. Nu is het overleg gelukkig inmiddels zodanig dat wij deze zaken ook ter kennisgeving bespreken met de officier, maar dat was een stukje niemandsland. Pas sinds het begin van dit jaar moeten wij dat doorgeven aan de Centrale

toetsingscommissie, zodat zij er zicht op krijgt hoe vaak dit middel wordt toegepast.

 

De voorzitter:

Gebruikt u ook video met geluid in verhoorkamers van politiebureaus?

De heer Mosterd:

Die wordt ook gebruikt, maar die is dan altijd openlijk geplaatst. De verdachte die gehoord wordt, ziet gewoon dat er video staat. In zwaardere zaken kan een koppel in een kamer ernaast zich dan ook inleven in de verhoorsituatie.

De voorzitter:

Dat is zichtbaar, niet heimelijk?

De heer Mosterd:

Dat is gewoon zichtbaar. Het is aan iedereen bekend.

De voorzitter:

En videocamera's met geluid?

De heer Mosterd:

Nee, die gebruiken wij niet. Ik herinner mij die discussie, maar wij werken alleen met beelden. Op geen enkele manier proberen wij via dergelijke methodieken geluid op te nemen, te registreren.

De voorzitter:

Wordt er bij het maken van de processen-verbaal goed op gelet dat het zien van gebeurtenissen zowel met het blote oog als met video gebeurd kan zijn? Staat er bijvoorbeeld in het proces-verbaal: ik zag om 9.32 uur dat mijnheer Jansen zijn pand verliet? Of staat erin: ik zag dat mijnheer Jansen om 9.32 uur zijn pand


verliet?

 

De heer Mosterd:

In het begin hebben wij het zodanig op papier geformuleerd dat het niet duidelijk werd of het via een videocamera was geregistreerd of rechtstreeks met de ogen van de betrokkenen. Ook daarin zie je een ontwikkeling. Wij geven nu gewoon aan of er wel of niet gebruik is gemaakt van een videocamera. Noot

Dit middel wordt - ook bij statisch gebruik - niet alleen ingezet na een redelijk vermoeden van schuld, maar ook pro-actief en (zelfs) in het kader van de openbare ordehandhaving. Het middel wordt bij alle soorten misdrijven toegepast. De inzet geschiedt in hoofdzaak om doelmatigheidsredenen. Er wordt mankracht bespaard en soms is andere observatie onmogelijk.

De duur van de inzet varieert sterk: van enkele uren tijdens het volgen tot (statisch) enkele maanden (bijvoorbeeld een loods). Relevante waarnemingen worden met het oog op de interne communicatie binnen het onderzoeksteam in het journaal vermeld.

De inzet van het middel is doorgaans geheim. Tot voor kort geraakte de verdachte als regel in het geheel niet op de hoogte van de inzet van het middel. Er is een tendens om in het stamproces-verbaal zakelijk mededeling te doen van de inzet van het middel. Het is nog niet gebruikelijk daarbij de duur van de inzet en hetgeen is waargenomen aan te geven. Probleem bij de openbaarmaking is dat daardoor mogelijk gevaar ontstaat voor derden die hun medewerking verleenden.

 

4.4.7 Inkijkoperaties

Inkijkoperaties is de verzamelnaam voor de activiteiten waarbij men heimelijk en zonder toestemming van de rechthebbende een (afgesloten) gebouw of erf betreedt, eventueel door middel van braak of verbreking, om binnen de situatie in ogenschouw te nemen en/of apparatuur aan te brengen in de ruimte zelf of aan een in die ruimte aanwezig object. Er bestaat in de praktijk onduidelijkheid over de definitie van inkijkoperaties. Sommigen beschouwen het over een hek kijken of door een kier in de schutting kijken al als een inkijkoperatie. Noot

De reden voor een inkijkoperatie is veelal het verder sturen van het onderzoek. Een inkijkoperatie bevestigt een bestaande aanwijzing of een bestaand vermoeden. Een inkijkoperatie kan er toe leiden dat een vordering tot huiszoeking (beter) kan worden gemotiveerd. Er worden eveneens (zij het minder frequent) inkijkoperaties uitgevoerd om plaatsbepalingsapparatuur op een voertuig te plaatsen of een videocamera te installeren. De jurisprudentie laat een inkijkoperatie op basis van de Opiumwet (art..9) toe. Noot Ook kan dit plaatsvinden op basis van bijzondere wetten. De rechtbank Den Bosch achtte de schouw (art. 150 Sv) een wettelijke basis voor inkijkoperaties. Het met gebruikmaking van een hulpmiddel in een ruimte naar binnen gluren, zonder die ruimte te betreden (bv. met een endoscoop in een loods of vrachtwagen kijken), wordt in de zaak Charles Z. toelaatbaar geacht.

 

 

De heer Koekkoek:

Biedt de Opiumwet een basis?

De heer Corstens:

Ja, artikel 9, Opiumwet. In de eerste plaats eist de Opiumwet, net als Strafvordering, dat er sprake moet zijn van een redelijk vermoeden. Het mag alleen maar als er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit en dus niet in de voorfase, de fase van pro-actief optreden. Dat heeft een van de kamers van het Amsterdamse Hof naar mijn gevoel terecht uitgemaakt. In de tweede plaats heb ik het idee dat je binnen de Opiumwet het binnengaan van plaatsen mag doen om daar andere, geregelde handelingen te stellen, namelijk in beslag nemen, huiszoeking of iemand aanhouden. Het gaat niet op voor deze wijze van opereren. Naar mijn gevoel heeft de wetgever daar niet aan gedacht.

De heer Koekkoek:

U ziet het niet als een zelfstandige bevoegdheid?

De heer Corstens:

Nee, ik zie het niet als een zelfstandige bevoegdheid. Noot De Handleiding kijkoperaties 1995, die is uitgevaardigd door het College van procureurs-generaal Noot , stelt uitdrukkelijk dat, buiten gevallen die onder de Opiumwet plaatsvinden, de schouw de grondslag van een inkijkoperatie is. Volgens de handleiding is inkijken in woningen niet toegestaan. De commissie heeft verschillende vormen van inkijkoperaties aangetroffen: een politieman die met een controlerend ambtenaar mee naar binnen gaat om rond te kijken, het kijken door een door de politie geboord gat in de zijkant van een loods, het oplichten van een dakplaat van een loods, het binnentreden om plaatsbepalingsapparatuur te plaatsen of te vernieuwen, het plaatsen van bewegingsmelders, het binnentreden in loodsen en schuren om de situatie te bezien en de aanwezige goederen te controleren.

De voorzitter:

Inkijkoperaties? De heer Welten had er maar één. En wij hebben toen doorgevraagd: hoeveel inkijkoperaties heeft u in de afgelopen jaren gehad.

De heer Van Amerongen:

Ik zit pas twee jaar bij deze afdeling. Ik denk dat er in ieder geval iets van tien waren
en die zijn allemaal keurig netjes benoemd in het proces-verbaal en door de rechter getoetst.

De voorzitter:

Heeft bij u niet gespeeld dat van bepaalde inkijkoperaties geen proces-verbaal was gemaakt? Wij weten dat daarop in Den Bosch een zaak stukging.

De heer Van Amerongen:

Ik ken dat voorbeeld ook, ja.

De voorzitter:

En bij u niet? Is dat nooit voorgekomen?

De heer Van Amerongen:

Jawel. Ik heb één keer toestemming gegeven - dat was in de eerste fase dat ik er zat gebruikelijke wijze was waarop wij dat drie à vier jaar terug deden. Wij hebben pas de ommezwaai gemaakt na - om een inkijkoperatie te doen onder de CID-vlag, zoals wij dat dan noemen. Ik denk dat dat ook de de notitie van de twee heren Revers en Pieters van het Bossche parket, omdat zij hem onder 9 Opiumwet en dan onder 150 Wetboek van Strafvordering lieten vallen. Wij hebben achteraf gemeend, die zaak alsnog te moeten melden en daarvan 9 Opiumwet te maken. Maar voorheen - ik heb dat gisteren nog een keer nagevraagd omdat ik het verhoor van de heer Welten heb gehoord - vond dat naar mijn mening gewoon plaats onder de CID-vlag. Ik denk dat dit als reden had dat men eigenlijk vond dat wel de zorgvuldigheid er was, dat dus de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit werden ingevuld, maar dat het wat de wetmatigheid betreft, niet kon. Noot

De heer De Graaf:

Heeft u toestemming gegeven voor een inkijkoperatie?

Mevrouw Gonzales:

Ja, dat heb ik gedaan.

De heer De Graaf:

Op grond van 9 Opiumwet?

Mevrouw Gonzales:

Ja.

De heer De Graaf:

Volgens de richtlijnen Gonsalves?

Mevrouw Gonzales:

Exact. Klopt.

De heer De Graaf:

Eén keer?

Mevrouw Gonzales:

Dat is één keer gebeurd en ik moet erbij zeggen dat het nog mislukt is ook, dus het had niet veel resultaat.

De heer De Graaf:

Het is dus bij een poging gebleven?

Mevrouw Gonzales:

Ja, en het is geverbaliseerd, inderdaad op basis van 9 Opiumwet. Noot Van inkijken in woningen of kantoren Noot is nauwelijks gebleken. Men zou kunnen spreken van enkele - zeer zeldzame - semi-inkijkoperaties in woningen/kantoren, waarbij een opsporingsambtenaar andere ambtenaren tijdens een reguliere controle begeleidde. Inkijken is een methode die binnen politie en justitie met enige regelmaat is gehanteerd. Inmiddels lijkt het aantal sterk terug te lopen. Inkijkoperaties werden vaak uitgevoerd zonder enige verdere vastlegging en zonder vermelding in het proces-verbaal. Verschillende arrestatieteams (bijvoorbeeld Rijkspolitie West II, Utrecht en Rotterdam) voerden dergelijke operaties uit, ook ten behoeve van het IRT.

De voorzitter:

Het lijstje van de heer Zöllner betrof allerlei inkijkoperaties waar verder geen verslaglegging van terug te vinden was. Uit een zakboek kwam naar voren: «klusje voor Lith». En wij vragen ons nu af wat dat was.

De heer Lith:

Mijn opvatting daarover is dat de registratie niet thuishoort bij het arrestatieteam maar bij degene die de verantwoordelijkheid had. Die lag bij mij en daar is het geregistreerd. Ik heb er ook over gesproken met de heer Zöllner. Ik heb ook geconstateerd dat een aantal malen bij hem op z'n lijstje stond: «klusje». Ik zal u een voorbeeld geven. Als ik hem vroeg om met zijn team bij wijze van spreken morgen zo'n inkijkactie te verrichten, dan ging hij vanavond voorverkennen. Daar besteedde hij twee uur aan. En dat bleek er ook op te staan als «klusje». In die zin kan ik precies bij de administratie van het IRT terugvinden welke inkijkacties, overigens met toestemming van het openbaar ministerie, wij hebben gedaan. Noot

De inkijkoperaties werden veelal ook uitgevoerd door de Dienst technische operationele ondersteuning van het Korps landelijke politiediensten. Over de omvang van de inzet van deze methode is weinig te zeggen aangezien slechts zelden zaken werden vastgelegd.

Een aantal voorbeelden is bekend uit de doorlichting.
Inkijkoperatie in een kas
In een verdovende middelenzaak is door de politie zonder toestemming van de officier een inkijkoperatie uitgevoerd in een kas. Het vermoeden was er dat er hennepplanten zouden worden gekweekt. In de grote kas bleken inderdaad enige honderden hennepplanten te staan. Hierna is er nog een tweede keer gekeken o.a. door CRI-medewerkers die bevestigden dat het inderdaad ging om verboden planten. Vervolgens zijn bij huiszoeking de planten in beslag genomen.
Meeliften
De politie heeft onder bijzondere omstandigheden een voor-inkijkoperatie gedaan in een loods. In het kader van een onderzoek werd geïnformeerd bij het GEB naar het energieverbruik in een bepaalde loods. Door het GEB werd gemeld dat de gasinstallatie was afgesloten en dat er een aanvraag was om de levering te hervatten. Het GEB moest echter de aanwezige gasinstallatie nog keuren. Vervolgens heeft een politieman de GEB-controleur vergezeld bij de controle van de gasinstallatie in de loods. Hierbij was de eigenaar aanwezig. De politieman heeft de situatie in de loods en de afsluiting hiervan bekeken. Het doel van dit «meeliften» was om de opportuniteit van een eventuele latere inkijkoperatie danwel een huiszoeking te beoordelen. Dit vervolgtraject is echter niet doorgegaan.


Milieuambtenaar controleert op verzoek
In een onderzoek heeft een ambtenaar van milieuzaken op verzoek van de politie een bedrijf gecontroleerd. Hij werd hierbij vergezeld door een politieambtenaar die met een verborgen camera opnamen maakte in het pand. De politieman heeft zichzelf niet als zodanig kenbaar gemaakt maar deed zich voor als een collega van de milieu-ambtenaar. Later is dit in een andere situatie nogmaals gebeurd, maar dan zonder camera. In sommige gevallen was er sprake van toestemming van het OM, in andere gevallen was het OM niet op de hoogte. Soms vond de inzet plaats op initiatief van de CID, soms van de tactische recherche. Tot voor kort besloot de politie zelfstandig over het gebruik van dit middel. De Handleiding kijkoperaties verplicht de politie tot toestemming van het OM. De registratie van de inkijkoperaties liet veel te wensen over. Het bleek in verschillende gevallen niet mogelijk achteraf te reconstrueren wie waarvoor inkijkoperaties had verricht. De gebeurtenissen rond de strafzaak Henk R. tonen dit duidelijk aan.

 

4.4.8 Andere observatiemethoden

In verschillende interviews komen vuilnissnuffel en postvang, in de zin van hengelen in brievenbussen, aan de orde. Postvang in deze zin is in strijd met het grondwettelijk gewaarborgde briefgeheim. Het Wetboek van Strafvordering kent een aparte regeling voor het onderscheppen van poststukken (zie artt. 100-102 en 114 Sv). Postvang buiten deze regeling om is onrechtmatig. In de zaak Charles Z. heeft de Hoge Raad beslist dat het in die zaak toegepaste onderzoek van huisvuil geen schending van het recht op de persoonlijke levenssfeer opleverde.

Slechts weinigen zien vuilnissnuffel en postvang als bijzondere methoden waarvoor aparte regelgeving zou moeten worden geformuleerd. Deze methoden worden volgens betrokkenen al gebruikt zolang de politie bestaat.


4.5 Casusonderzoek

 

4.5.1 De zaak Charles Z.

 

Een casus ter illustratie van de rechterlijke beoordeling van bijzondere opsporingsmethoden

 

Feiten en omstandigheden

De zaak Charles Z. betreft een onderzoek naar een criminele organisatie met als belangrijke hoofdactiviteit het importeren van grote hoeveelheden hasj uit Marokko. De hasj is bestemd voor zowel de Nederlandse markt als voor de doorvoer naar het buitenland. Verder houdt de criminele organisatie zich bezig met het witwassen van met die handel verkregen gelden.

Voor het transport van de hasj vanuit Marokko naar Nederland wordt gebruik gemaakt van koelwagens van reguliere transportondernemingen. Daarnaast beschikt de organisatie over een groep die zich bezighoudt met zowel het inpakken van de hasj in Marokko als het uitpakken en doorvoeren naar decentrale opslagplaatsen in Nederland. De leden van deze groep zijn eveneens betrokken bij het ophalen van crimineel verkregen geld in het buitenland, het wisselen en tellen ervan. Het tellen van het geld speelt zich af in de kelder van de villa van Charles Z. De criminele gelden worden onder meer witgewassen via de autohandel (Ferrari's, Porsches, Maserati's, Rolls Royces en dergelijke) door het aan Z. toebehorende bedrijf Investment Cars BV. Binnen de organisatie wordt verscheidene malen geweld toegepast of gedreigd met geweld om leden van de organisatie te dwingen zich te schikken naar de opdrachten die Charles Z. geeft.

Politieel en justitieel onderzoek

De zaak Charles Z. betreft een onderzoek dat wordt uitgevoerd door een multidisciplinair team dat voor langere tijd speciaal is vrijgesteld. De Amsterdamse politie begint omstreeks eind mei 1991 met het verzamelen en in kaart brengen van her en der liggende processen-verbaal en CID-informatie rondom de «groep Z.». Dit betreft een uitsluitend administratief onderzoek waarvan de resultaten zijn verwerkt in een zogenoemde misdaadanalyse.

De resultaten van dit onderzoek worden in augustus 1991 gepresenteerd aan de Amsterdamse driehoek, waarop besloten wordt tot de oprichting van een multidisciplinair onderzoeksteam. Het team wordt geleid door een volledig voor die taken vrijgestelde officier van justitie. Begin 1992 wordt het rechercheteam uitgebreid met personeel van de FIOD, afdeling douanerecherche.

In september 1991 begint het rechercheteam met een zogeheten proactief onderzoek.

 

De heer De Graaf:

Mijnheer Woelders, mag ik nog twee punten met u doornemen? Beide hebben betrekking op de zaak-Z. Wij hebben van de heer Van Gemert informatie gehad over de wijze waarop cliëntgegevens bij een bank zijn opgevraagd. Ik neem aan dat u kunt bevestigen, dat dat is gebeurd.

De heer Woelders:

Dat klopt.

De heer De Graaf:

Het gebeurde in een fase waarin nog sprake was van pro-actief onderzoek?

De heer Woelders:

Ja, die term is in die periode gebruikt. Ik vind de term wat ongelukkig. Ik kan, los van de terminologie, beter omschrijven wat de situatie was. Er is een maand of drie informatie in het land verzameld over de groepering rondom Z. Dat is in juni 1991 gebeurd. Dat heeft geleid tot een presentatie in augustus 1991 van de doelgroep-Z. Daarin stond wie erin zaten en wat de strafbare feiten waren. Op dat moment zijn het allemaal CID-subjecten. Er lag ook voldoende informatie om op dat moment een onderzoek op te starten. Wij hebben de maanden daarna gebruikt om die informatie te veredelen, te controleren en verder uit te bouwen. Daar hebben wij vanaf september 1991 tot mei 1992, uit mijn hoofd gezegd, aan gewerkt. Toen was pas het eerste GVO in dat onderzoek. In die tussenfase is er dus gewoon sprake van tactisch onderzoek. Dat hebben wij in de zaak-Z. pro-actief genoemd, maar ondertussen heb ik daar ook wel weer tien definities over gehoord. Dus ik laat die term nu maar los. Wij hebben er toen tactisch onderzoek naar verricht. De vraag was ook: is hij op dat moment verdachte of zitten er verdachten in. Er lag zoveel CID-informatie, dat hij in ieder geval verdachte was ter zake van art. 2 en 3 Opiumwet. Wij bekeken met name in hoeverre er sprake was van een criminele organisatie en hij daar dus van kon worden verdacht. Noot

In de periode van september 1991 tot mei 1992 controleert en actualiseert het team de eerder binnengekomen informatie door middel van het observeren van bewegingen van personen en voertuigen en van contacten tussen personen. Tevens worden gegevens omtrent adressen en telefoonnummers van die personen achterhaald en geverifieerd.

Zo is bijvoorbeeld in de periode van februari 1992 tot en met juli 1992 de woning van Charles Z. met een camera geobserveerd en is bijgehouden welke auto's en bezoekers de oprit van de villa opgingen of verlieten. Op 23 maart 1992 wordt het eerste gerechtelijk vooronderzoek in deze zaak geopend en wel tegen een lid van de transportgroep, W. Zelf wordt Charles Z. op 29 juni 1992 door de Algemene Verkeersdienst van de Rijkspolitie aangehouden. Hij heeft dan nog 690 dagen gevangenisstraf openstaan in verband met een hasjzaak waarvoor hij in 1985 is opgepakt en door de rechtbank en later het hof en de Hoge Raad tot 2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Op 3 juli 1992 wordt Charles Z. overgebracht naar de penitentiaire inrichting De Berg in Arnhem, van waaruit hij op 13 januari 1993 wordt overgeplaatst naar De Marwei in Leeuwarden. Op 9 juli 1992 wordt een gerechtelijk vooronderzoek geopend tegen Charles Z. en verleent de rechter-commissaris een machtiging voor het opnemen en afluisteren van telefoongesprekken die Charles Z. vanuit de gevangenis voert. Bijgehouden wordt welke personen hem in detentie bezoeken. Het blijkt dat de detentie niet leidt tot het onderbreken van de criminele activiteiten.

Z. pleegt tijdens zijn detentie 14.300 telefoontjes en geeft opdrachten via briefjes die zijn vriendin voor hem verspreidt.
In het voorjaar van 1993 vindt een groot aantal aanhoudingen plaats van personen die betrokken zijn bij de organisatie van Charles Z. De volgende golf van aanhoudingen en huiszoekingen vindt medio september 1993 plaats. Charles Z. zelf wordt op 12 september 1993 aangehouden (op 17 september 1993 zou hij zijn 690 dagen uitgezeten hebben).

Door de verschillende verdachten zijn veel belastende verklaringen tegen Charles Z. afgelegd. De
bewijsvoering tegen hem is grotendeels opgebouwd uit deze verklaringen. Naar verluidt heeft de grote «verklaringsbereidheid» te maken met het feit dat Charles Z. een slechte werkgever is. Hij zou zijn medewerkers slecht of niet betalen en zou ze ook fysiek laten bedreigen.

Het onderzoek heeft geresulteerd in de aanhouding van 40 verdachten waartegen proces-verbaal is opgemaakt dat 79 ordners beslaat. Hiervan zijn ongeveer 10 ordners interessant voor het bewijs tegen Charles Z. zelf.

Opsporingsmethoden

 

Observatie

Tijdens het onderzoek is veelvuldig geobserveerd, zowel op vaste posten als dynamisch met verschillende vervoermiddelen. De observaties vonden plaats op openbare plaatsen of in gebouwen dan wel op niet-openbare lokaties met toestemming van de rechthebbenden. Tijdens de observatie-acties zijn foto's en video-opnamen gemaakt. Tijdens verschillende dynamische observatie-acties zijn bij moeilijk te volgen verdachten (in verband met de rijstijl of contra-observatie) peilzenders aan voertuigen aangebracht. Voor het plaatsen van de zenders zijn geen lokaties betreden en is niet ingebroken in voertuigen.

Scannen

Tijdens de proactieve fase van het onderzoek heeft het team gebruik gemaakt van scanners, zowel in voertuigen als op vaste lokaties. De inhoud van de gescande gesprekken is niet verwerkt of vastgelegd in processen-verbaal of anderszins in het onderzoek gebruikt. Evenmin zijn over de inhoud van de gesprekken mededelingen gedaan aan anderen. Later in het onderzoek heeft het team met machtiging van de rechter-commissaris diverse mobiele telefoons afgeluisterd.

 

Vuilnissnuffel

Het team heeft meerdere keren 's nachts vuilniszakken weggehaald voor de deur van onder meer verdachte W. De inhoud van de zakken is bekeken op de aanwezigheid van informatie die van belang zou kunnen zijn voor het onderzoek, zoals vliegtickets, plaatsbewijzen en dergelijke. De gevonden informatie is ter beschikking gesteld aan de CID. Vervolgens is de CID-informatie weer neergelegd in processen-verbaal in de strafzaak tegen W.

 

Informanten

Tijdens het onderzoek zijn informanten gerund door zowel de CID-rechercheurs die deel uitmaakten van het rechercheteam als door personeel van de CID Amsterdam. Informanten in het onderzoek naar Charles Z. hebben volgens de teamleider geen strafbare feiten gepleegd met toestemming van politie of justitie. Uit door de CID Amsterdam toegezonden informatie blijkt dat de CID tot het einde van het onderzoek heeft beschikt over een informant die voor zijn diensten is beloond met een bedrag van enkele tienduizenden guldens. Noot Door de informanten werd onder andere informatie verschaft over betrokken personen en transporten. In het onderzoek is geen gebruik gemaakt van infiltratie. Noot

 

Inkijkoperaties

Gedurende het onderzoek heeft het team een aantal parkeergarages, loodsen en vrachtauto's bekeken. Dat gebeurde doorgaans door van buiten naar binnen te kijken, bijvoorbeeld door een ventilatieopening, door een raam, middels een stok met een spiegel waarbij een schroef van een plank is losgedraaid, door openstaande deuren. Eén keer zijn rechercheurs meegelopen met een makelaar die een loods inspecteerde. In een loods in Purmerend is een inkijkoperatie uitgevoerd door het AT. Dit gebeurde op grond van artikel 9 Opiumwet. Bij de inkijkoperatie is sprake geweest van braak. Het rechercheteam heeft de informatie, die uit de inkijkoperatie was verkregen, ontvangen van de CID Purmerend zonder te weten dat het hier een inkijkoperatie betrof. Er waren overigens geen verdovende middelen aangetroffen.

In het onderzoek is één keer in een woning binnengekeken. Hier is de politie zonder dat de hoofdbewoonster daarvan wist, meegelopen met de woningbouwvereniging die de woning inspecteerde. Niet alleen de politie heeft gebruik gemaakt van bijzondere methoden, ook de criminele organisatie heeft zich
niet onbetuigd gelaten op dit vlak. Zo zou Charles Z. telefoongesprekken van de teamleider heimelijk hebben doen opnemen. Noot Tevens wordt in augustus 1994 ingebroken in de woning van de zaaksofficier waarbij onder andere diskettes worden meegenomen. Ook andere politie- en justitiemedewerkers worden op deze manier met een bezoek vereerd. Bovendien worden in het najaar 1994 delen van dagrapporten van het opsporingsteam getoond in een tweetal televisieprogramma's.

 

Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank Amsterdam heeft Charles Z. op 9 maart 1994 veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Charles Z. tekende appèl aan waarna het hof Amsterdam op 8 september 1995 begon met de zitting die in totaal veertien zittingsdagen zou kosten. Het hof Amsterdam deed op 10 januari 1995 uitspraak. Noot Bij aanvang van de zitting heeft de raadsman verzocht een 36-tal getuigen op de getuigenlijst te plaatsen. Charles Z. bestrijdt namelijk de tegen hem afgelegde verklaringen: «Er is geen hasj, er zijn geen vrachtauto's en geen chauffeurs.» Er zijn naar zijn mening beloften, giften, betalingen en toezeggingen aan vele getuigen gedaan. Voorts zegt hij sterk de indruk te hebben dat in zijn zaak de veelbesproken «gewraakte onderzoeksmethoden» uit de IRT-affaire zijn gebruikt.

Het hof besluit uiteindelijk 18 getuigen op de lijst te plaatsen, alsmede «de illegale bandjes» Noot en de transcripten daarvan aan het dossier toe te voegen, aangezien naast het onderzoek naar de vraag of de verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan, ook dient te worden onderzocht of het in het dossier gepresenteerde bewijsmateriaal op rechtmatige wijze is verkregen.

De als getuige opgeroepen politiemensen worden met name gevraagd over de gebruikte methoden. Dit gebeurt mede aan de hand van de illegale bandjes. De getuigen/medeverdachten leggen veelal verklaringen af waarin zij hun eerdere verklaringen met betrekking tot de rol van Charles Z. intrekken, dan wel melden dat zij hebben gehoord dat anderen een deal met de politie hebben gesloten in ruil voor hun verklaring. Getuige K. verklaart ter zitting dat zijn verklaring bij de politie klopt, behoudens de passages over Z. Hij heeft niets tegen de politie over Charles Z. verklaard. Tegen hem is een proces-verbaal terzake meineed opgemaakt. Noot

Getuige S. verklaart dat getuige A. hem had verteld dat hij in ruil voor strafvermindering, een andere woning voor zijn vrouw en 1 miljoen gulden een extra zware verklaring tegen Z. wilde afleggen. Als blijkt dat getuige A. moeilijk traceerbaar is doet de verdediging afstand van het horen van A. Het hof echter wil A. toch horen. A. verklaart dat het allemaal kletskoek is en dat hij op geen enkele wijze met de politie aan de gang is geweest en ook geen deal met het OM heeft gesloten. Noot

Op 24 oktober 1994 verzoekt de raadsman, in verband met het door hem gevoerde verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van de opsporing, een «plan van aanpak» van de politie aan het dossier toe te voegen, zoals dat is bekend gemaakt in het televisieprogramma Eerst zien van 20 oktober 1994. Het betreft een «plan van aanpak» tot september 1992, dat op kennelijk onrechtmatige wijze bij politie of justitie weggenomen is. Het hof wijst dit verzoek af, omdat het niet rechtstreeks betrekking heeft op het aan het licht brengen van eventuele onrechtmatigheden in de opsporing, maar op de besprekingen die binnen het opsporingsteam plaatsvonden over de onderzoeksmogelijkheden in deze zaak. Dit laat natuurlijk de mogelijkheid onverlet de teamleider over het stuk te horen. Noot

Op 3 december 1994 deelt de raadsman mee dat hem de avond ervoor door een journalist van het NRC Handelsblad telefonisch informatie is verschaft, afkomstig uit dagrapporten van de politie. Hieruit zou onder andere blijken dat er is ingekeken in een loods. De raadsman verzoekt vervolgens alle in de dagrapporten genoemde verbalisanten als getuige ter zitting op te roepen.

Het hof acht het bedenkelijk dat het strafproces onder druk komt te staan van gegevens die de verdediging gedoseerd presenteert en die verkregen zijn door gedrag dat niet anders dan als crimineel kan worden beschouwd. Het hof overweegt verder dat de advocatuur zich dient te realiseren dat zij onderdeel van de rechtsstaat uitmaakt. In aanmerking nemend dat het de taak van de rechter is om de materiële waarheid te vinden, heeft het hof behoefte aan controle over de activiteiten van het team in de zogenoemde «proactieve fase». In plaats van het horen van alle verbalisanten als getuige, zoals door de raadsman verzocht, hoort het hof de teamleider ter terechtzitting nader als getuige en vraagt hem een «loop»-proces-verbaal op te maken waarin een samenvattend relaas wordt gedaan van de gang van zaken in de proactieve fase. Noot

 

De voorzitter:

(refererend naar een andere strafzaak, namelijk de hierna besproken zaak Henk R., red.) Nu het verschil met de zaak-Z, het wezenlijke verschil waarom u niet tot dezelfde conclusie bent gekomen. Het ontbreken van het proces-verbaal van de heer Woelders leidde namelijk niet tot niet-ontvankelijkheid. Wat is


het springende verschil, want voor veel mensen buiten de sfeer van het Hof leek het namelijk om bijna vergelijkbare zaken te gaan?

 

De heer Willems:

Dat begrijp ik, maar toch is het niet zo. De vaststelling in de Zwolsman-zaak is dat het niet melden in het proces-verbaal, zoals dat werd aangeleverd, van met name inkijkoperaties en andere activiteiten, zoals het scannen, niet de achtergrond had om de rechter een verkeerde voorstelling van zaken te geven. Wat je daar altijd van hoorde - de heer Woelders zei het ook op de zitting - is dat de politie destijds van mening was - die mening is intussen achterhaald - dat dit niet in processen-verbaal moest komen, om te voorkomen dat degenen die werden onderzocht, zouden kunnen weten van dat soort systemen. Op den duur is het overigens onvermijdelijk dat dit wel bekend wordt, want vroeg of laat komt dat soort dingen op tafel. Dat is de leidende gedachte geweest. Ik had al eens eerder gehoord, buiten die concrete zaak om, dat de politie het idee had een zekere voorsprong te hebben op de verdachte in het kader van haar mogelijkheden en dat men dit om die reden niet wilde melden. Het is door iemand als volgt gezegd: als wij dat in het PV zetten, dan schuift het door naar de rechter-commissaris, dan schuift het door naar de verdediging en als het naar de verdediging doorschuift, dan schuift het door naar de verdachte en dat willen wij niet. Dat is de drijfveer geweest. Daar kun je verder van denken wat je wilt. De vraag is of dat standpunt juist is en of... Noot (en verder)

Dit proces-verbaal is gebaseerd op twee soorten «bronnen». De eerste bron is het geheugen van de teamleider alsook het herinneringsvermogen van de overige leden van het onderzoeksteam en van de officier van justitie. Daarnaast zijn de dagrapporten van de tactische recherche, de journaals van het OT en de CID-rapporten doorgenomen. Het proces-verbaal geeft antwoord op de vragen, die de verdediging naar aanleiding van gegevens uit de dagrapporten had opgeworpen.

De raadsman stelt bijvoorbeeld aan de hand van de hem bereikte informatie sterke indicaties te hebben dat inkijkoperaties hebben plaatsgevonden. Hij wijst onder andere op het feit dat in het dagrapport van 6 november 1991 sprake is van een fax aan de FIOD met een verzoek de villa van Charles Z. nader te bekijken. In het proces-verbaal wordt uitgelegd dat deze fax het verzoek inhield een onderzoek in te stellen binnen het kadaster met betrekking tot de beschikbare gegevens over de eigenaar van en de hypotheek op het pand. Op 26 november 1991 is daarover een fax terug ontvangen, die als bijlage bij het pv is gevoegd. Verder geeft het proces-verbaal een overzicht van de gebruikte werkmethoden in het algemeen en een overzicht van specifieke onderzoeken, zoals onderzoek in een bepaalde garage of loods. De voorzitter van het hof, mr Willems, zegt desgevraagd hierover het volgende:

 

 

De heer Koekkoek:

Is mijn classificatie van het vragen van een volledig proces-verbaal aan de heer W. als reddingsboei een juiste typering?

De heer Willems:

Ik vind dat geen juiste typering, omdat de rechtsopvatting van het Hof in die samenstelling is, voor wat het waard is, dat het Nederlandse recht niet de regel inhoudt, in het zicht van de achtergrond van het niet eerder vermelden, dat het niet vrij zou staan om dat op de zitting te doen. Dat hadden wij al eens eerder zo beslist. Ik herhaal nog eens dat de zaak-Zwolsman wat dat betreft niets bijzonders is, want er is slechts sprake van het doortrekken van reeds bestaande jurisprudentie. Ik weet wel dat het veelal wordt begrepen als reddingsboei, maar zo hebben wij het niet gekwalificeerd. Noot Het hof acht zich daarmee alsnog voldoende ingelicht over het opsporingsonderzoek (inclusief de proactieve

fase) om een voldoende gefundeerd oordeel te kunnen geven.
Of een rechterlijk college zich genoegzaam acht voorgelicht is aan dat college voorbehouden. Het oordeel daarover is in cassatie slechts op begrijpelijkheid te toetsen. Voorzover daarop in feitelijke aanleg verweer is gevoerd en in cassatie over is geklaagd doorstaat het die toets.

 

Observatie

Een groot deel van het onderzoek berust op observatie en het aan elkaar koppelen van de stukjes informatie die daaruit gedestilleerd konden worden.

 

De heer De Graaf:

Leidt uw stelling, zoals ook blijkt uit het arrest in de zaak-Z, ertoe dat de politie alle keukengeheimen gewoon op tafel moet leggen?

De heer Willems:

Dat is iets anders. Er zijn meerdere belangen in het spel. Het enige dat ik zeg, is dat het uiteindelijk aan de zittingsrechter is om dat te bepalen. Een concreet voorbeeld. De politie heeft met camera's geobserveerd. Het liet voor mij geen twijfel dat dit in dit land rechtmatig is.

De voorzitter:

Vanwege de arresten van de Hoge Raad.


De heer Willems:

Er is een zeer recent arrest van de Hoge Raad, waarin dat nog eens met zoveel woorden wordt...

De voorzitter:

Op basis van artikel 2 van de Politiewet.

De heer Willems:

Neen, er wordt gewoon zeer in het algemeen gezegd dat er een bevoegdheid is. Ik heb het niet over eerdere arresten, maar over het arrest van de Hoge Raad van dit jaar over die zaak, waarbij is geobserveerd met camera's bij garageboxen.

De voorzitter:

Op basis toch van de bevoegdheid ex artikel 2?

De heer Willems:

Neen, op grond van de opsporingsbevoegdheid, als opsporingsmethode.

De heer Willems:

De Hoge Raad heeft dat arrest een paar maanden geleden gewezen. De vraag is of aan de zittingsrechter moet worden gemeld waar die camera precies heeft gedraaid. Het antwoord van de getuigen, of bijvoorbeeld het OM, kan luiden dat het onverstandig is als die vraag beantwoord zou moeten worden, omdat slechts sprake is van één locatie waar dat had gekund. Als die bekend wordt, dan is sprake van een probleem aan die kant. Dat mag op tafel worden gelegd. Dat zou aanleiding kunnen zijn dat dit gegeven niet vermeld hoeft te worden. De Hoge Raad heeft intussen ook geaccepteerd dat het opsporingsbelang een rol speelt bij het specifieke van de beantwoording. Dat blijft wel een oordeel van de zittingsrechter Noot

Informanten

De politie beschikte over een goede informant en heeft duidelijk via zijn medewerkers naar Charles Z. toegewerkt. Ondanks alle pogingen van de verdediging om deals met deze medewerkers aan te tonen, blijkt volgens het OM hier geen sprake van te zijn geweest. Het bewijs in het onderzoek is grotendeels opgebouwd uit verklaringen van medeverdachten.

 

Scannen

In het onderzoek tegen Charles Z. heeft de politie 3 weken gescand in de proactieve fase zonder machtiging van de rechter-commissaris. De gesprekken zijn eenzijdig opgenomen op een taperecorder. Het hof beschouwt het scannen van mobiele telefoons als een feit van algemene bekendheid. Scannen is eenvoudig door iedereen te doen en daarom in deze zaak toelaatbaar voor de politie mits het gedaan is binnen de grenzen. In de zaak tegen Charles Z. heeft het scannen zich beperkt tot een duur van 3 weken. De gesprekken zijn «slechts» eenzijdig beluisterd en met het doel «slechts» vast te stellen òf gebruik werd gemaakt van de autotelefoon (ATF). Het scannen heeft in dit geval geen resultaat gehad. Het gebruik van de taperecorder doet hieraan niets af. De taperecorder is slechts gebruikt om een permanente aanwezigheid van teamleden te voorkomen. De opnamen voegen niets toe aan de verkregen gegevens. Het gebruik van de taperecorder doet niets af aan de beperkte strekking «vaststellen òf ...». Tevens zijn de banden gewist. Het hof gaat er kennelijk vanuit dat het scannen behoort tot een algemene opsporingstaak van de politie (art. 141 Sv; art. 2 Politiewet 1993). Het hof acht het gebruik van mobiele scanners met beperkt bereik ten behoeve van observatie-activiteiten in dit geval toegestaan.

 

Inkijkoperaties

Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt het onderzoeksteam toch inkijkoperaties te hebben uitgevoerd. Het hof acht het betreden van loodsen teneinde daar te kijken rechtmatig. Bij een redelijk vermoeden van een overtreding van de Opiumwet in een loods, mag een opsporingsambtenaar die loods (heimelijk) betreden, teneinde te kijken wat zich daarin bevindt. De basis voor deze conclusie vindt het hof in artikel 9, eerste lid sub b van de Opiumwet, dat een suppletoir karakter heeft (ruimere bevoegdheid ten opzichte van het Wetboek van Strafvordering) en een zelfstandige bevoegdheid voor het betreden van plaatsen verleent aan opsporingsambtenaren. Noot Met betrekking tot het vereiste van een «redelijk vermoeden» vindt het hof, conform de jurisprudentie, dat CID-informatie een voldoende basis kan zijn. De suggestie dat meer inkijkoperaties plaatsgevonden zouden hebben dan vermeld staat in het aanvullend proces-verbaal, is volgens het hof niet waar gebleken of anderszins aannemelijk geworden. Het hof is van mening dat de politie op grond van artikel 9 Opiumwet bevoegd was een loods te betreden tijdens een makelaar-inspectie waarbij er toestemming was van de huurder. Het hof acht artikel 9 Opiumwet daarvoor een voldoende basis. Het is in dit geval niet van belang of de huurder toestemming geeft. Met betrekking tot het betreden door de politie van de woning tijdens een renovatie-inspectie, redeneert het hof als volgt. De toestemming van de hoofdbewoonster was gegeven aan de woningbouwvereniging en niet gericht op een strafrechtelijk onderzoek. In dit geval vormt artikel 9, eerste lid sub b alleen niet voldoende basis. Daarnaast gaf het toenmalig derde lid als vereisten voor het betreden van een woning de vergezelling
c.q. last èn proces-verbaal/rapportageplicht. Noot
Het hof verklaart het OM ontvankelijk en veroordeelt Charles Z. voor zijn leidinggevende rol in een criminele organisatie. Noot Die rol wordt als bestuurder in de zin van artikel 140, derde lid Sr beschouwd. Verder heeft het hof bewezen verklaard dat Charles Z. zelf ook de invoer van een aantal partijen hasj heeft medegepleegd. Hij wordt door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren. Charles Z. tekent cassatie aan bij de Hoge Raad.

Bij arrest van 19 december 1995 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van Z. verworpen. Het cassatieberoep richtte zich vooral op de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. De Hoge Raad overweegt dat:

r.o. 5.2 ...moet worden vooropgesteld, dat indien de rechter die over de feiten oordeelt vaststelt dat opsporingsambtenaren in het opsporingsonderzoek of in het onderzoek dat heeft plaatsgevonden in de daaraan voorafgaande fase onrechtmatig hebben gehandeld, hij zal behoren af te wegen of die onrechtmatigheid van dien aard is dat daarop een processuele sanctie past. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag zal als sanctie in aanmerking kunnen komen de uitsluiting van bewijsmateriaal dat tengevolge van dat onrechtmatig handelen is verkregen, indien het de verdachte is geweest die door dat handelen is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Voorts kan niet worden uitgesloten dat onrechtmatig optreden van opsporingsambtenaren onder omstandigheden een dusdanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat zulks - ook in een geval waarin overigens voldoende op rechtmatige wijze verkregen bewijsmateriaal voorhanden is tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dient te leiden. Een zo ver gaande sanctie kan in dat geval echter slechts volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove verontachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Van geval tot geval zal dit moeten worden beoordeeld, zodat een algemene regel daarvoor bezwaarlijk kan worden gegeven.

De Hoge Raad stipuleert andermaal dat inbreuken op fundamentele rechten van burgers, waaronder ook het in ontwikkeling voortgeschreden recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tijdens het opsporingsonderzoek of het daaraan voorafgaande onderzoek slechts gelegitimeerd kan zijn door of krachtens een wet in formele zin.

 

Observatie en het gebruik van informanten

Ingevolge artikel 2 Politiewet 1993 is de politie bevoegd in de proactieve fase handelingen te verrichten welke de haar opgedragen taak meebrengt, zoals het ter handhaving van de openbare orde geven van een bevel zich te verwijderen of onder zich nemen van voorwerpen, observatie en schaduwen, alsmede in het openbaar fotograferen van personen, en dat ook indien door zulke verrichtingen een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou worden gemaakt.

 

Scannen

Volgens de Hoge Raad ligt in de overweging van het hof ter zake besloten dat door het gebruik van de scanner geen inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Een ieder die dat wenst kan met behulp van eenvoudige en gemakkelijk verkrijgbare technische middelen gesprekken gevoerd door middel van een mobiele telefoon afluisteren. Binnen zekere grenzen zal de gespreksdeelnemer moeten accepteren dat de gesprekken worden opgevangen en beluisterd. Daarmee gaat niet de gehele bescherming verloren. Immers indien, zoals in casu, opsporingsambtenaren gedurende een langere periode met behulp van daarvoor speciaal geplaatste apparatuur doelbewust en stelselmatig gesprekken afluisteren en opnemen, die vanuit of in de omgeving van de woning van een bepaalde persoon met een mobiele telefoon worden gevoerd, worden die grenzen overschreden. Artikel 2 Politiewet 1993 biedt voor een dergelijke inbreuk geen legitimatie. De door het hof genoemde omstandigheden betreffende de duur, het doel, het slechts eenzijdig kunnen horen van de gesprekken, alsmede het ontbreken van resultaat doen niet af aan de schending van de verdragsbepaling. Deze omstandigheden zijn wel van belang voor de beoordeling van de ernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De inbreuk is niet zodanig ernstig geweest dat dit - ook niet in samenhang met de beoordeling van de andere middelen - tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn tegen de verdachte ingestelde strafvervolging zou kunnen leiden.

Inkijkoperaties

Anders dan in de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering het geval is, bindt artikel 9, eerste lid aanhef en onder b Opiumwet de aanwending van de bevoegdheid tot het betreden van plaatsen door opsporingsambtenaren niet aan de uitoefening van een specifieke opsporingshandeling. Gelet op de reikwijdte van deze bepaling moet worden aangenomen dat deze mede omvat het - ten behoeve van de taakvervulling - bekijken van die plaatsen, mits is voldaan aan de voorwaarde dat in de te betreden plaats een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd dan wel redelijkerwijs vermoed kan worden dat aldaar zodanige overtreding wordt gepleegd. De bepaling laat echter geen ruimte voor stelselmatig en gericht onderzoek op de aanwezigheid van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen (huiszoeking). Het afnemen van dactyloscopische sporen, alsmede het nemen van foto's zijn aan te merken als krachtens de opsporingstaak bevoegd verrichte activiteiten.

 

Vuilnissnuffel

's Hofs oordeel dat degene die vuilniszakken ter inzameling aanbiedt geacht moet worden de eigendom van die zakken en de inhoud daarvan te hebben prijsgegeven is juist. Van inbreuk op het eigendomsrecht is geen sprake. Ook het onderzoek naar de inhoud van die zakken levert geen schending op van het recht op persoonlijke levenssfeer. Van degene die vuilniszakken ter inzameling op straat heeft geplaatst kan immers niet worden gezegd dat hij voor wat betreft de inhoud daarvan objectief gezien een redelijke verwachting heeft omtrent de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

 

4.5.2 De zaak Henk R.

 

Een casus ter illustratie van de problemen die zich kunnen voordoen bij het geheim houden

 

van opsporingsmethoden.

 

Feiten en omstandigheden

De zaak Henk R. betreft een onderzoek naar import en export van soft- en harddrugs, alsmede de produktie van XTC, met als hoofdverdachte Henk R. en twee belangrijke medeverdachten.
Bij de politie Utrecht alsook bij verschillende andere opsporingsdiensten in zowel Nederland als in het buitenland is bekend dat deze organisatie zich al vele jaren bezig houdt met de handel in grote hoeveelheden hasj. De gelden die de organisatie uit de opbrengst daarvan verkrijgt, investeert zij in onroerend goed en bedrijven.

De organisatie van Henk R. maakt bij de handel in verdovende middelen en het investeren van de financiële opbrengsten hiervan gebruik van tientallen personen zowel in Nederland als in andere landen, zoals Marokko, Canada, Engeland, België, Denemarken, Duitsland, Polen, Ierland, Suriname, Zwitserland en Liechtenstein. De organisatie heeft een eigen aanvoerlijn voor het importeren van grote hoeveelheden hasj uit Marokko. De hasj wordt veelal vervoerd in (koel)trailers van zowel reeds bestaande als speciaal hiervoor opgerichte Nederlandse en Belgische transportondernemingen. De (koel)trailers worden door leden van de organisatie voorzien van geheime bergplaatsen - een extra plafond in de trailer ingebouwd- om daarin de verdovende middelen te vervoeren. De bergplaatsen zijn geschikt voor het verbergen van enkele tonnen hasj per transport. De organisatie beschikt in Nederland over verscheidene loodsen en schuren waarin de verdovende middelen worden op- en overgeslagen en waarin de (koel)trailers worden voorzien van geheime bergplaatsen. Vanuit Nederland wordt doorgaans met lege vrachtauto's naar Marokko gereden. Als legale lading worden vaak groenten en/of fruit uit Marokko naar Nederland vervoerd. De kosten van deze fruit- en/of groenteladingen zijn veelal hoger dan de opbrengsten.

Uit het politie-onderzoek bij enkele gerenommeerde in Nederland gevestigde transportondernemingen zal blijken dat het volstrekt ongebruikelijk en onrendabel is om met lege vrachtwagens naar Marokko te rijden. Daarnaast is het niet rendabel om deze produkten vanuit Marokko naar Nederland te importeren per vrachtauto. Vervoer per schip is veel efficiënter en goedkoper.

In Spanje wisselen de chauffeurs elkaar regelmatig af. Op kosten van de organisatie van Henk R. reizen zij per vliegtuig heen of terug. Ook dit is in de reguliere transportwereld een bijzonder ongebruikelijke manier om beschikbare chauffeurs in te zetten.
In Marokko beschikt de organisatie over een eigen netwerk van personen die kunnen zorgen voor zowel de legale ladingen als de hasj. Tevens beschikt de organisatie in Marokko over de nodige corrumptieve contacten in de havens.

Eind 1991 en in de eerste helft van 1992 worden verschillende transporten vanuit Marokko uitgevoerd. Zowel in België als in Nederland wordt de hasj uitgeladen, opgeslagen in loodsen en voor verder vervoer gereed gemaakt. De afzetgebieden liggen in Nederland, Engeland en Ierland. Met name in Engeland heeft de organisatie contacten met een groot aantal afnemers voor de soft- en harddrugs, met name XTC-tabletten. De afnemers zijn bekenden bij de Engelse politie, die ieder voor zich in Engeland beschikken over eigen criminele organisaties voor de aankoop, vervoer, opslag en distributie in Engeland en Ierland. Door verscherpte controles in de havens van Marokko en problemen in het transport van de organisatie loopt de aanvoer van hasj uit Marokko medio 1992 sterk terug. Mogelijk als gevolg van de problemen in Marokko gaat de organisatie in de loop van 1992 over op de aanvoer van hasj uit onder andere Pakistan en het vervoer per schip. In de loop van 1992 onderneemt Henk R. met hulp van leden uit zijn organisatie meerdere pogingen om te komen tot een eigen produktielijn voor de vervaardiging van XTC-tabletten. Met name in Denemarken, Polen en Rusland laat hij daarvoor de nodige voorbereidingshandelingen plegen.

De organisatie van Henk R. beschikt in Abcoude over een soort «hoofdkwartier». Dit betreft een woonboerderij, die hij heeft gekocht via één van zijn Liechtensteinse contacten. Aan de zuidkust van Spanje beschikken verschillende leden van de organisatie over huizen en/of appartementen. Deze gelegenheden worden vaak gebruikt als uitvalsbases voor de interne controle op hasjtransporten vanuit Marokko. De organisatie maakt gebruik van moderne communicatie-apparatuur zoals semafoons, mobiele- en autotelefoons en telefaxapparatuur. De organisatie vreest dat de politie haar telefoongesprekken afluistert en maakt daarom geen gebruik van huistelefoonaansluitingen. Henk R. zorgt ervoor dat al zijn mensen doorlopend bereikbaar zijn via mobiele- en/of autotelefoons.

Verder heeft Henk R. belangen in een telecommunicatiebedrijf in Amsterdam. Dit stelt hem en de leden van zijn organisatie in staat om op elk willekeurig moment van mobiele- cq autotelefoon of geheel van nummer te wisselen. Dit gebeurt ook diverse keren, met name als een partij verdovende middelen in beslag genomen is en/of leden uit de organisatie aangehouden zijn. Ook is de organisatie in staat om over telefoons te beschikken, die niet bij PTT-Telecom zijn geregistreerd. Daarnaast worden telefoons aangeschaft met vervalste papieren en worden telefoons op naam gesteld van niet bij de organisatie betrokken personen of zelfs op naam van personen die absoluut van niets weten.

 

Politieel en justitieel onderzoek

Januari 1991 start de Utrechtse recherche het onderzoek tegen Henk R. Deze zaak is gekozen uit de «Top-tien» van criminele organisaties, die gemaakt is door het bureau misdaadanalyse van de Utrechtse politie. Dit bureau heeft in de periode oktober-december 1990 een analyse gemaakt op basis van informatie die gedurende 10 jaren is verzameld. De keuze is formeel gemaakt door de procureur-generaal. Hij heeft hierover overlegd met de hoofdofficier van justitie, omdat het onderzoek aanvankelijk een embargo-karakter had. Dit omdat er sprake zou zijn van corruptie. De Rijksrecherche beschikte over informatie in die richting. Het onderzoek naar mogelijke corruptie was niet het primaire doel. Het was slechts een extra facet in het onderzoek. Het politieel en justitieel onderzoek zou tot eind 1993 duren.

Gedurende dit onderzoek worden tegen meerdere deelnemers van de criminele organisatie gerechtelijke vooronderzoeken geopend en worden (mobiele cq auto)telefoongesprekken afgeluisterd, opgenomen en op schrift gesteld. Het afluisteren van de mobieleen autotelefoongesprekken vindt plaats door middel van scanners .

Met name aan de hand van deze afgeluisterde telefoongesprekken, alsook aan de hand van ingestelde onderzoeken en observatiewaarnemingen wordt duidelijk dat Henk R. en twee medeverdachten leiding geven aan een organisatie die zich bezig houdt met de internationale handel in hard- en softdrugs. Tijdens het onderzoek werkt de recherche in Utrecht nauw samen met opsporingsdiensten in binnen- en buitenland. Dat leidt ertoe dat meermalen transporten verdovende middelen, die bestemd zijn voor of afkomstig zijn van deze criminele organisatie, in beslag kunnen worden genomen. Ook worden de financiële geldstromen zichtbaar.

Vanaf 9 mei 1993 worden op vele tientallen plaatsen in Nederland, Zwitserland, Liechtenstein en Duitsland huiszoekingen en inbeslagnemingen verricht en diverse verdachten aangehouden. In oktober 1993 wordt een scala aan verdovende middelen in beslag genomen , waaronder 24.556 kg hasj, 3395 kg marihuana, 4,7 kg heroïne, 1 kg cocaïne en 85 kg XTC. Verder worden nog 12 schietwapens, 158 patronen en een aantal opleggers met geheime bergplaatsen, een omvangrijke hoeveelheid administratie, voertuigen, transportmiddelen, contanten, munten, kunst en sieraden in beslag genomen. Op dat moment zijn
164 personen verhoord. In totaal betreft dit 43 verdachten en 121 getuigen. In totaal zijn 36 verdachten aangehouden, van wie 27 in verzekering zijn gesteld en 6 personen in bewaring. In oktober 1993 bevinden de drie hoofdverdachten zich nog in voorlopige hechtenis.

Het financiële deel van het onderzoek voert het bureau financiële ondersteuning (BFO) van de politie Utrecht uit in samenwerking met de Belastingdienst/FIOD/Fiscale recherche Utrecht. Het financiële onderzoek richt zich met name op de bij de huiszoeking in beslag genomen administraties. Tevens wordt hierbij gebruikt gemaakt van de afgeluisterde telefoongesprekken. In de loop van het financiële onderzoek worden diverse personen gehoord. Voorzover mogelijk zijn in kaart gebracht: de geldstromen van de gehele organisatie over de periode van begin 1990 tot en met mei 1993 (totaal ca 240 miljoen gulden), de door Henk R. gedane uitgaven tijdens de periode van begin 1989 tot en met 10 mei 1993 (totaal circa 13 miljoen gulden) en de door een medeverdachte gedane uitgaven over de periode van begin 1991 tot en met 10 mei 1993 (totaal circa 2,6 miljoen gulden). Het geld uit de verdovende-middelenhandel is vermoedelijk gebruikt voor investeringen in nieuwe verdovende middelen-transporten, de aankoop van onroerend goed, luxueus levensgedrag, luxe goederen en voertuigen. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van rechtspersonen in Liechtenstein en Curaçao.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft de politie een aantal bijzondere opsporingsmethoden gebruikt. De crux van het verhaal is dat de politie van deze methoden geen proces-verbaal heeft opgemaakt en/of gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. In deze casus worden behandeld: inkijkoperaties, scannen van mobiele telefoons en video-observatie.

 

Inkijkoperaties, betreden van een loods en een vrachtauto om een peilzender aan te brengen

Tijdens het opsporingsonderzoek naar de organisatie van Henk R. zijn verschillende inkijkoperaties uitgevoerd. De politie heeft de inkijkoperaties niet vermeld in de processen-verbaal, die zij aan het openbaar ministerie heeft aangeboden.

Op 21 februari 1994 meldt een artikel in De Telegraaf dat de Utrechtse recherche in een IRT-zaak in een loods te Landsmeer heeft ingebroken en daar camera's en microfoons heeft geplaatst. De officier van justitie stelt vervolgens hierover vragen aan de rechercheleiding en de CID-officier. De leiding van de tactische recherche maakt op 23 februari 1994 een proces-verbaal op waarin wordt aangegeven dat er in de loods te Landsmeer geen camera's zijn geplaatst en dat nooit opdracht is gegeven tot het plegen van een inbraak. Nadrukkelijk wordt erbij gemeld «zoals vermeld in het artikel in De Telegraaf». Op grond van dit proces-verbaal neemt de zaaksofficier het standpunt in dat de politie niet heeft ingebroken in de loods te Landsmeer en daartoe evenmin opdracht heeft gegeven. De CID-officier belt de teamleider van de CID. Deze zegt dat er geen camera's of microfoons in een loods zijn geplaatst, maar zegt bewust niet dat er wel was ingekeken op verzoek van de CID, zonder dat daarvoor toestemming was gevraagd aan de CID-officier. Dit in het kader dat het in die tijd niet de gewoonte was inkijkoperaties met de officier van justitie te bespreken.

 

De voorzitter:

Toen mevrouw Van der Molen u belde, wist u wel waarover het ging, maar u zei dat niet.

De heer Van Steeg:

Dat is het spel dat ik toen met mevrouw Van der Molen heb gespeeld. Ik zat op cursus en moest mevrouw Van de Molen bellen. Dat deed ik en zij zei: «Mijnheer Van Steeg, er staat in de krant dat er camera's geplaatst zijn en dat er in een loods in Landsmeer is afgeluisterd.»

De voorzitter:

En toen vroeg zij vervolgens: «Wat is daar aan de hand?»

De heer Van Steeg:

Nee, zij vroeg: «Is dat gebeurd.» Ik zei: «Nee.»

Devoorzitter:

Maar u wist wel dat er inkijkoperaties gepleegd waren.

De heer Van Steeg:

Dat is juist.

De voorzitter:

En waarom heeft u dat toen niet gezegd?

De heer Van Steeg:

Omdat wij niet op de 16de februari, maar lang van tevoren het standpunt ingenomen hadden, dat wij deze inkijkoperaties niet bekend zouden maken en de gegevens binnen de CID zouden houden. Als je dat dan eenmaal besloten hebt en je wordt plotseling geconfronteerd met het feit dat die operaties wel in de openbaarheid zijn gekomen, wil je tijd inbouwen om na te gaan hoe je vervolgens met de situatie om moet gaan. Die tijd wilde ik althans graag voor mij zelf hebben. Noot

De heer Vos:

Wat is dan de reden? [om het niet aan de officier van justitie te vertellen, red.]

De heer Van Steeg:

De reden was dat ik het niet bekend wil laten worden bij de criminelen.

De heer Vos:

Ja, maar u praat toch met de officier?

De heer Van Steeg:

Dat weet ik, maar toen hadden wij het standpunt - ik praat over 1992 en niet over 1995 - dat hoe kleiner de groep is waarbinnen je dat weet, hoe beter het is. En dan houd je het binnenskamers, binnen die ene CID-kamer en de andere kamer van Dros. Noot


De CID treedt vervolgens in overleg met de chef recherche om te bepalen hoe zij de inkijkoperatie in de loods te Landsmeer aan de korpsleiding en het OM bekend zullen maken. Afgesproken wordt dat het zo snel mogelijk aan justitie bekend gemaakt zal moeten worden. De afspraak van de CID met de CID-officier wordt een paar keer uitgesteld vanwege agendaproblemen bij beide partijen. Uiteindelijk vindt de afspraak pas op 16 maart 1994 plaats. Dat is één dag na de rechtbankzitting, want die sluit op 15 maart 1994 haar onderzoek. De rechtbank wijst dan evenwel nog geen vonnis; de uitspraak zal op 29 maart 1994 volgen. Op 16 maart 1994, daags na het rechtbank-onderzoek meldt de CID aan de CID-officier één inkijkoperatie, uitgevoerd door het AT West II in opdracht van de CID.

Vervolgens heeft de CID-officier bewust nagelaten de ruimte tussen 16 maart 1995 en 29 maart 1995 (uitspraak) te gebruiken om de zaaksofficier vroegtijdig van de inkijkoperatie in kennis te stellen en de zaak te repareren.

 

 

De voorzitter:

Met uw goedvinden ga ik even terug naar het voorgesprek dat wij met u hadden. Daar zegt u: «Voor mij was het toen duidelijk. De zaak ligt er. De rechtbank heeft waarschijnlijk het vonnis al gemaakt. Ik maak de zaaksofficier alleen nog maar zenuwachtiger. Hij was toch al zenuwachtig over de afloop van de zaak. Het was zijn eerste grote zaak. Aangezien het inkijken al zo lang geleden was en ze het me nu pas vertelden, ben ik niet acuut naar hem toegegaan.» Dat was de eerste inkijk. Dan gaat het verhaal door.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ja, maar het klopt.

De voorzitter:

Het klopt toch.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ja.

De voorzitter: Maar u zegt:

Ik maak die man maar zenuwachtiger.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ja.

De voorzitter:

Dat dacht u ook.

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ja. Er waren twee dingen, maar ik zei al dat ik later, na het besloten verhoor, nog een keer heb nagedacht. Toen was ik van mening dat er meer moest zijn geweest waarom ik het toen niet heb gedaan. Al nadenkende, kwam ik tot de conclusie dat het dat tussenvonnis moet zijn geweest.

Noot
Uiteindelijk informeert de CID-officier de zaaksofficier op 28 maart 1995. Dat is één dag voorafgaande aan de uitspraak. Vervolgens verwijt de zaaksofficier zichzelf dat hij niet alsnog de rechtbank van tevoren geïnformeerd heeft.

 

 

De voorzitter:

Hebt u toen niet gezegd: dan maken wij daar nu stante pede proces-verbaal van en daarmee ga ik nog naar de rechtbank?

De heer Maan:

Ik heb dat inderdaad niet gezegd. Ik had dat moeten doen. Dat meen ik oprecht. Op dat moment was ik kwaad, om het kort aan te duiden, over hetgeen ik hoorde. Ik heb de rest van de dag eigenlijk besteed aan overleg met de CID-officier en de hoofdofficier, om te achterhalen wat er nu precies gebeurd was, welke

inkijkoperatie had plaatsgevonden onder wat voor omstandigheden. Ik ben verder bezig geweest om ten behoeve van de hoofdofficier, die er uiteraard inmiddels in gemengd was, een rapportage te maken omtrent mijn ervaringen van wat er gebeurd was. Het is toen niet in mij opgekomen op dat moment, op het allerlaatste moment, de rechtbank nog te informeren. Dat had ik moeten doen. Noot

 

De heer Rouvoet:

Kunt u zich voorstellen dat het wat lastig is om dit in te voelen? U zegt: ik had het wel moeten doen. Maar het was een heel hectische dag. U was boos, u was overdonderd. Maar u had een dag de tijd. De hele dag moet toch bij u het gevoel zijn geweest: morgen doet de rechtbank uitspraak. Dat betekent toch dat u met uw gedachten bij die uitspraak was. Is het geen moment bij u opgekomen om dat toch te melden, ongeacht waar u verder mee bezig was, om het toch te melden, ongeacht de vraag of u het daarmee kon repareren? Is dat helemaal niet bij u opgekomen?

De heer Maan:

Zoals ik zei, het is iets wat ik had moeten doen. Het is op dat moment niet bij mij opgekomen. De besprekingen die wij op dat moment hadden, richtten zich met name op de vraag hoe het had kunnen gebeuren. De contacten die ik op dat moment met het team had, waren zodanig dat het mij verbijsterde dat dit gebeurd was, ondanks de verzoeken die er waren ten aanzien van aanvullende processen-verbaal. Ik ben bezig geweest, zoals ik zei, met het rapporteren hoe dat gegaan is in de richting van de hoofdofficier. Uiteraard heb ik in mijn hoofd gehad «morgen is die uitspraak», maar ik heb op dat moment niet in mijn hoofd gehad dat ik dat heel snel aan de president, aan de advocaten moest melden. En dat is iets wat ik wel had moeten doen. Daar ben ik de fout in gegaan.

De voorzitter:

U heeft daarna de ongebruikelijke stap genomen om ook de president van de rechtbank nog een brief te schrijven na het vonnis.

De heer Maan:

Ja.


De voorzitter:

Wat behelsde die brief?

De heer Maan:

Ik was van mening, gelet op hetgeen uiteindelijk op de zitting was gebeurd, namelijk dat ik daar een proces-verbaal had overgelegd waarin gezegd werd dat geen inkijkoperatie had plaatsgevonden... Ik heb mij op de zitting ook achter dat proces-verbaal gesteld en gezegd: dit is een verbaal van het team. Er heeft dus geen inkijkoperatie plaatsgevonden. Als dan ineens boven tafel komt dat er wel is ingekeken, kan ik mij zeer goed voorstellen dat de rechtbank ook zijn vraagtekens krijgt in de richting van mij en mijn opstelling op de zitting. Ik heb daarom besloten de voorzitter van de strafkamer, de president van de kamer, een brief te sturen waarin ik hem heb uitgelegd hoe het gegaan is en waarin ik hem in feite heb gevraagd, mijn integriteit niet in twijfel te trekken. Noot

De officier verzoekt de politie van deze inkijkoperatie een proces-verbaal op te maken. Dat proces-verbaal wordt op 16 september 1994 opgemaakt waarin de inhoud van een proces-verbaal van een lid van het AT bevestigd wordt. Deze deelt in zijn proces-verbaal van 16 september 1994 namelijk mee dat hij in de nacht van 13 op 14 juni 1992 op verzoek van de teamleider CID een loods te Landsmeer heeft betreden om vast te stellen of er in die loods verdovende middelen aanwezig waren. Van Steeg zegt dat hij de inkijkoperatie heeft laten uitvoeren naar aanleiding van mededelingen van de tactische recherche dat er verhoogde activiteiten rond de loods werden ontwikkeld.

Enkele politie-ambtenaren worden op grond van de verwikkelingen rond de inkijkoperaties als getuige bij het hof gedagvaard. Wanneer zij het proces-verbaal begin november met elkaar bespreken, blijkt steeds meer boven te komen. Vlak voor de verhoren bij het hof, meldt de politie nog drie inkijkoperaties. Deze rapportage vindt plaats in de vorm van later opgemaakte processen-verbaal voor het hof. Zo maakt het lid van het AT West II op 31 oktober 1994 een proces-verbaal, dat inhoudt dat hij op verzoek van de CID in de nacht van 20 op 21 juni 1992 de loods te Landsmeer heeft betreden om daar een vrachtauto van een peilzender te voorzien. De chef CID en de chef Recherche-ondersteuning hebben deze actie bij proces-verbaal van 2 november 1994 bevestigd. Wederom maakt de AT-er op 2 november 1994 een proces-verbaal. Hierin staat dat hij op verzoek van de CID in de nacht van 2 op 3 september 1992 een loods te Muiden heeft betreden om daar een onderzoek in te stellen. Ook dit wordt bevestigd in een proces-verbaal van de beide chefs van dezelfde datum. In dit proces-verbaal van de AT-er meldt hij tevens dat hij de loods te Muiden eerder -in april 1992- op verzoek van de tactische recherche heeft betreden met als doel het plaatsen van een peilzender op een voertuig. Die plaatsing heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. Vervolgens maakt de verantwoordelijke chef van de tactische recherche op 3 november 1994 een proces-verbaal op waarin hij meedeelt dat hij de AT-er op 23 april 1992 heeft verzocht in de nacht van 23 op 24 april 1992 peilapparatuur aan te brengen op, aan of in een trailer in de loods te Muiden. Vervolgens werd hem echter op 24 april 1992 door de AT-er medegedeeld dat plaatsing van de peilapparatuur op dat moment praktisch niet haalbaar was.

De politie heeft dus tijdens het onderzoek vier inkijkoperaties uitgevoerd en daarvan geen proces-verbaal opgemaakt; de processen-verbaal zijn pas achteraf opgemaakt. Ook heeft de politie geen intern verslag gemaakt van de inkijkoperaties. Bovendien heeft de politie geen overleg gepleegd met, noch toestemming gevraagd aan het OM voor het gebruik van de opsporingsmethode inkijkoperaties. De politie stelt zich op het standpunt dat de Opiumwet haar daartoe een eigen bevoegdheid verleent.

Er is sprake van het witwassen van informatie uit inkijkoperaties. De teamleiderCID zegt ter terechtzitting de informatie uit de inkijkoperaties als CID-informatie aan de tactische recherche te hebben verstrekt. Dit achtte hij noodzakelijk ter bescherming van personen alsmede voor het afschermen van opsporingsmethoden. De wijze waarop met informatie uit inkijkoperaties is omgegaan, illustreert het breder gehanteerde need-to-know-principe dat geldt tussen de CID en de tactische recherche.

 

Scannen van mobiele telefoons

Het OT luisterde de autotelefoons van Henk R. af met behulp van mobiele scanners. Voor de autotelefoonnummers die de politie kende, werd door de zaaksofficier machtiging gevraagd aan de rechter-commissaris. Bij scannen worden de gesprekken opgevangen die de verdachte via een gescande autotelefoon voert, ongeacht het nummer dat de telefoon heeft. Aangezien Henk R. veelvuldig van telefoon wisselde, bestond in feite geen verband tussen het autotelefoonnummer waarvoor machtiging werd verleend en het nummer dat werd afgeluisterd. Aanvankelijk was wel een algemene machtiging verleend, vervat in een clausule, «voor het afluisteren van alle autotelefoongesprekken waaraan de verdachte deelnam», maar na vier weken stond die clausule niet meer in de vordering en daarmee ook niet in de machtiging.

 

De voorzitter:

Nu is het probleem dat die machtiging elke vier weken moet worden vernieuwd en dat die
klaarblijkelijk vier weken daarna niet voor alle nummers vernieuwd wordt.

De heer Maan:

De machtiging is daarna elke vier weken vernieuwd. In de machtiging stond een bepaald nummer van een toestel genoemd. Geprobeerd is ook om steeds zo concreet mogelijk aan te geven van welke toestellen de verdachte gebruik maakte. In die beschikking stond eveneens vermeld: handhaaft de bepaling van de voorgaande beschikking voor wat betreft het overige. Dat is door mij opgevat als betrekking hebbend op het mogen afluisteren van de hoofdverdachte ten aanzien van elk toestel waar hij gebruik van maakte. Later is gebleken dat er kennelijk een communicatiestoornis is geweest met de rechter-commissaris, die bij het gerechtshof, als getuige gehoord, verklaard heeft dat dat niet de bedoeling was.

De voorzitter:

Wij hebben ook die heel dikke map, met al die machtigingen erin. In feite is het zo dat u daar één keer ten gronde over praat met de rechter-commissaris en dat er daarna al een stempel op wordt gezet van «machtiging toegestaan zoals geëist» of zo.

De heer Maan:

Bij mijn weten is er niet elke keer gebruik gemaakt van een stempel. Ik weet dat het rechter-commissariaat in Utrecht dat soms doet. Er worden ook heel vaak beschikkingen zelf opgemaakt door het rechter-commissariaat waarin die zinsnede staat. Noot

Video-observatie

Tijdens het onderzoek is op vier lokaties (drie loodsen en een woonhuis) geobserveerd met behulp van videocamera's. De zaaksofficier had hiervoor toestemming verleend.
Op één lokatie werd de camera in opdracht van de CID geplaatst en door de CID beheerd. De tactische teamleiding kreeg de videobanden, voorzien van datum en plaats, via de CID aangeleverd. Een tactisch-teamlid werkte deze banden vervolgens uit.

Op de andere drie lokaties draaide 24 uren per dag een videocamera waarvan de band (met datum en tijdstip) door de tactische recherche werd beheerd. Het onderzoeksteam heeft de videobanden elke 24 uur bekeken. De waarnemingen zijn niet direct in een proces-verbaal vermeld, maar in een journaal verwerkt. Aan de hand van deze journaals zijn later de processen-verbaal opgemaakt. Het was beleid dat het gebruik van de camera niet openbaar werd gemaakt. Het moest niet te herleiden zijn waar de videocamera was opgesteld. De videobanden, die in getal toenamen, werden daarop op een gegeven moment ook gewist. De zaaksofficier wist daar niet van. Uit de processen-verbaal die van de observaties zijn opgemaakt, valt niet op te maken dat het om video-observatie ging. Gesuggereerd wordt namelijk dat de waarnemingen met het blote oog door de rechercheurs zelf zijn gedaan.

 

 

De voorzitter:

Misschien moeten wij even uitleggen waar het over gaat. Het gaat erom dat in het proces-verbaal staat: Ik, opsporingsambtenaar, heb gezien dat op zo en zoveel januari negentien zoveel, om 9.32 uur de mij bekende A. het pand in de Kalverstraat verliet. Het was niet de Kalverstraat, maar dat doet er nu niet toe.

De heer Maan:

Dat stond in het proces-verbaal. Dat gaf mij ook aanleiding om ervan uit te gaan dat er sprake was van een observatie door de bewuste opsporingsambtenaar, die dat gezien heeft. Later bleek dat de desbetreffende ambtenaar de videoband bekeken had waarna die scène, hetgeen er gebeurd is, door hem beschreven is. Dat betekent dat hij dus niet op die dag, dat tijdstip, dat gezien heeft, maar dat hij later aan de hand van een videoband geconstateerd heeft dat op die dag dat gebeurd is.

De voorzitter:

Daar zit dus verschil in. Vond u dat een belangrijk verschil?

De heer Maan:

Ik vind dat een politieman in zijn verbaal moet vermelden wat hij gedaan heeft. Dus vind ik dat een belangrijk verschil. Hij heeft een videoband bekeken; hij heeft niet daar op die dag dat gezien. Noot

Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank Utrecht veroordeelde Henk R. op 28 maart 1994 tot vijf jaar gevangenisstraf en een boete van anderhalf miljoen gulden. Beide partijen gingen in beroep. De zaak diende bij het hof Amsterdam in oktober 1994. De commissie concentreert zich hier op het arrest van het hof te Amsterdam. Noot Het hof spreekt zich ondermeer uit over de vier inkijkoperaties, het plaatsen van een peilzender en het scannen .

 

Inkijkoperaties

De advocaat heeft met betrekking tot de inkijkoperaties een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het OM. Daartoe voerde hij aan dat door de politie vier inkijkoperaties in twee loodsen zijn uitgevoerd, waarvoor geen wettelijke grondslag bestond en die daarom onrechtmatig waren. Verder stelde hij dat twee van de
bedoelde inkijkoperaties tot doel hadden een peilzender in of op een vrachtauto te plaatsen. Voor het plaatsen van deze peilzender ontbrak een wettelijke grondslag, terwijl daardoor een inbreuk werd gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Van dit alles was naar het oordeel van de verdediging ten onrechte geen proces-verbaal opgemaakt.

Het hof Amsterdam achtte het betreden van de loodsen teneinde daar een inkijkoperatie uit te voeren rechtmatig. Bij een redelijk vermoeden van een overtreding van de Opiumwet in een loods, mag een opsporingsambtenaar die loods (heimelijk) betreden, teneinde te kijken wat zich daarin bevindt. De basis voor deze conclusie vindt het hof in artikel 9, eerste lid sub b van de Opiumwet, dat een suppletoir karakter heeft (ruimere bevoegdheid ten opzichte van het Wetboek van Strafvordering) en een zelfstandige bevoegdheid voor het betreden van plaatsen verleent aan opsporingsambtenaren.

Het hof Amsterdam heeft echter met een verwijzing naar de artikelen 152 en 153 Sv (verbaliseringsplicht) bezwaar geuit tegen het ontbreken van processen-verbaal en het verzwijgen ter terechtzitting van de vier inkijkoperaties. Het hof stelt dat uit de gang van zaken en de verklaring van de CID-teamleider blijkt dat de inkijkoperaties bewust door de politie -ook ten opzichte van het OM- zijn verzwegen met als doel de rechterlijke toetsing te ontlopen. Het hof oordeelde in casu dat de toetsing op onaanvaardbare wijze is gefrustreerd. Dit achtte het hof zozeer in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde dat het OM niet ontvankelijk werd verklaard in zijn vervolging.

 

Betreden van een loods om peilzender te plaatsen

Het hof Amsterdam acht het plaatsen van een peilzender (bij een redelijk vermoeden van een drugsdelict) toegestaan. Voor het hiervoor betreden van de loods acht het hof de betredingstitel van artikel 9 Opiumwet noodzakelijk.

Een peilzender wordt als hulpmiddel bij de observatie gebruikt. Het hof vindt observatie die bestaat uit het volgen van een vrachtauto geen inbreuk op artikel 8 EVRM. Het gebruik van het hulpmiddel peilzender wordt daarbij geoorloofd geacht. In dit geval (drugszaak) werd de bevoegdheid tot het betreden van de loods ontleend aan artikel 9 lid 1 sub 1 Opiumwet.

 

Scannen mobiele telefoon (ATF)

Het hof Amsterdam zegt met betrekking tot de vereiste machtiging van de rechter-commissaris dat in de praktijk geen telefoonnummers, maar bepaalde frequenties worden gescand. Het hof vindt dat er in feite geen verband is tussen praktijk en concrete telefoonnummers in de machtiging van de rechter-commissaris. Het hof acht een algemene machtiging -inclusief de clausule- een voldoende legitimatie. In deze zaak is bijna twee jaren met machtiging van de rechter-commissaris gescand. Daarvan is vier weken gescand met een machtiging op telefoonnummers èn de genoemde clausule. Voor het overige heeft de politie gescand op basis van een machtiging met alleen de concrete telefoonnummers. De rechter-commissaris verklaart ter terechtzitting dat de algemene machtiging slechts bedoeld was voor de periode van vier weken. Het hof oordeelt dat de gegevens uit telefoongesprekken gevoerd via telefoons, waarvan de nummers niet in de scanmachtiging waren vermeld, over de periode van ongeveer 20 maanden onrechtmatig zijn verkregen en niet voor de bewijsvoering gebruikt mogen worden.

Het hof heeft op 1 december 1994 uitspraak gedaan. Slechts voor verboden wapenbezit en het bezit van een plak hasj van 997,1 gram heeft het hof Henk R. kunnen veroordelen. Dit resulteerde in een straf van twee maanden hechtenis en een geldboete van duizend gulden.

 

4.5.3 Tanker Cleaning Amsterdam en Rotterdam (TCA/TCR)

 

Een casus ter illustratie van de inzet van technische observatiemiddelen in een recent

 

milieu-onderzoek.

 

Feiten en omstandigheden

In 1985 voeren de drie gebroeders Tom, Ron en Jan L. het bewind over twee grote afvalverwerkingsbedrijven in de haven van Amsterdam en Rotterdam (TCA en TCR). Noot Er is sprake van collectief leiderschap waarbij een ieder aandachtspunten heeft. Zo richt Tom zich voornamelijk op TCA en Jan en Ron op TCR. De gebroeders houden er een ruime levensstijl op na. Zo heeft een van de broers een geldverslindende hobby aan de autoracerij. De gebroeders worden ondersteund door een paar naaste medewerkers van TCA en TCR die
samen «De Groep» vormen. De zaaksofficier van justitie zegt ter terechtzitting hierover: De echte beslissingen werden buiten de overlegstructuur om genomen, door de broers, als er na een ruzie een wolkje de deur uit kwam; (..) in de auto tussen Ron en Rob E.; tijdens een lunch met saté en frites en ga zo maar door!(..) De andere drie hier aanwezige verdachten hadden een zeer cruciale rol binnen TCR. Hans E. was de directeur, zonder zijn goedvinden konden de broers niet handelen. Wim de R. was plantmanager: hij was de onmisbare schakel naar de werknemers toe. (..) Daarnaast was Rob E. (hoofd waterhuishouding, red.) de bedenker van vele illegale handelingen, de chef List en Bedrog, ook wel genaamd Dirty Harry. Noot In het begin loopt de bedrijfsvoering aardig. De milieubranche is groeiende en wordt financieel ondersteund door de overheid. Verschillende subsidies worden verstrekt, waaronder een aanzienlijk bedrag voor de aanleg van Haven Ontvangst Installaties (HOI) waartoe Nederland zich verplicht heeft door de ondertekening van het Marpolverdrag Noot .

Echter in de loop der tijd zien de gebroeders zich gedwongen de bedrijfsvoering aan te passen. De olieprijs daalt drastisch zodat de opbrengst uit de verkoop van de gewonnen olie uit de afvalstromen terugloopt. Bovendien beschikken zeeschepen zelf over steeds betere schoonmaakinstallaties zodat de scheepsafvalstromen afnemen. Zowel TCA als TCR zien zich genoodzaakt zich mede toe te leggen op het inzamelen van landafvalstromen. Dit betreft afvalstoffen die afkomstig zijn van calamiteiten en reinigings- en restprodukten van industriële activiteiten, waarvoor echter de aanwezige installaties niet altijd geschikt zijn. Daarom wordt een deel van de giftige stoffen illegaal afgevoerd naar het buitenland waaronder België en Engeland, en naar later blijkt verdwijnt een deel rechtstreeks in het havenwater. Vanaf 1989 beginnen de diverse controle-instanties, de provincies, VROM, de milieudiensten, Rijkswaterstaat en de havenbedrijven misstanden te constateren bij TCA en TCR. Noot Veelvuldig blijken de milieunormen te worden overschreden, met name bij TCR. Dit resulteert in vele processen-verbaal voor beide bedrijven waaronder 43 voor TCR. De subsidie wordt stopgezet en er wordt een handhavingsteam ingesteld voor TCR om te zien of er verbetering optreedt. De zaaksofficier van justitie maakt deel uit van dit team en memoreert ter zitting een voorval:

Er was een (door TCR geplaatste, red.) camera die op de lozingspijp gericht stond waardoor het onmogelijk was het afvalwater vanaf de waterkant ongezien te bemonsteren. Het handhavingsteam vond dat de camera weg moest. Dat is ook gebeurd. Noot

Echter, in plaats van de camera verschijnt er een uitkijkhokje bij de lozingspijp. Personeel van TCR houdt hierin de wacht als er illegaal geloosd wordt. Zo kan tijdig gestopt worden met lozen als controle-instanties in de buurt komen. Ook wordt er 's nachts geloosd zodat lozingen, die niet aan de controle-instanties worden gemeld zoals voorgeschreven is, niet snel zullen worden ontdekt.

Inmiddels wordt door de directie ingezien dat controle-instanties vasthoudend worden en dat toedekking van de malversaties moeilijker wordt. Het besluit wordt genomen om de boekhouding te vervalsen. Op papier lijkt de zaak dan aardig te kloppen. Tevens wordt een aangebrachte monsternamecarrousel van Rijkswaterstaat gemanipuleerd door gebruik te maken van een jerrycan die half gevuld is met havenwater. Bovendien begint men met «processen».

Dit is het gedeeltelijk direct lozen van giftige afvalstoffen op oppervlaktewater waarna de tank wordt bijgevuld met havenwater. Vervolgens wordt de lozing gemeld aan Rijkswaterstaat, die dan na controle wel moet constateren dat de lozing binnen de vergunningseisen blijft. Noot De directe lozingen op het oppervlaktewater worden verhuld door het tankstandenboek te vervalsen. Het geweten van de medewerkers die de illegale lozingen moeten uitvoeren wordt afgekocht met zwart geld. Verder hangt er een sfeer van angst binnen de bedrijvengroep. De officier van justitie zegt hierover: De algemene mening is dat het hem (Jan, red.), maar ook Ron, niet kon schelen wat er gebeurde en hoe, als er maar geld verdiend werd. Hier op de zitting kreeg ik ook sterk de indruk dat Jan ook nu nog in staat is door een schrikbewind de anderen te bedreigen en bang te maken. Noot Als een controleur komt, na de gebruikelijke melding van zijn komst, moet het bedrijfsterrein netjes worden opgeruimd. Vervuilingen worden afgegraven en zeiltjes worden over containers getrokken. Noot Herhaaldelijk wordt duidelijk gemaakt dat iemands baan op de tocht staat als hij niet meewerkt. Alles lijkt in orde. Zelfs zo in orde dat de bedrijven in aanmerking komen voor milieukeurmerken. De Nederlandse vereniging van verwerkers van chemische afvalstoffen (NVCA), waarin broer Jan een prominente rol speelt, verleent een milieucertificaat
in september 1992 aan TCA en in januari 1993 aan TCR. Ook wordt door TCR in september 1993 het ISO-9001 certificaat in de wacht gesleept. Dit certificaat wil zoveel zeggen als dat er een toetsbaar en geordend managementsysteem is. Noot De officier van justitie zegt hierover: Dit certificaat is met veel feestelijk vertoon uitgereikt in kasteel Rhoon. Voor de uitreiking was het gehele netwerk in brede zin uitgenodigd, waaronder zelfs de milieu-officier, die daarbij om begrijpelijke redenen verstek heeft laten gaan. Noot

Dit wekt zoveel vertrouwen dat bepaalde grote bedrijven als Shell en de Hoogovensgroep in zee gaan met de gebroeders L. Dit vertrouwen wordt nog eens versterkt door het feit dat TCR/TCA een gerenommeerd accountantskantoor en een Rotterdamse advocaat in de arm neemt, die vertrouwen geniet als voormalig Eerste Kamerlid. Ook de twee commissarissen R. en Van S. genieten binnen de overheid waardering en respect. Noot Bovendien stelt de bedrijvengroep zich altijd zeer coöperatief op richting overheid. Uiteindelijk mag dit niet baten. Een opsporingsonderzoek wordt gestart, de gebroeders gaan bankroet en de bedrijvengroep gaat failliet.

 

Het politieel en justitieel onderzoek

De aanleiding tot het uiteindelijke onderzoek naar TCA/TCR is gelegen in eerder verrichte onderzoeken die op niets zijn uitgelopen. Er is door de tijd heen regelmatig geverbaliseerd. Hieruit zijn onderzoeken gestart in 1983/1985 en 1989/1989, die beide voortijdig gesloten werden. Het eerste mislukte omdat uitlekte dat telefoons werden afgeluisterd nadat op hoog politiek niveau over dit onderzoek was gesproken. Het tweede onderzoek werd gestaakt door het OM. Er zouden niet voldoende aanwijzingen van strafbare feiten zijn. Volgens Van Zeben, hoofd milieubijstandsteam, betekende een gesprek van de secretarissen-generaal van de departementen van Verkeer en Waterstaat, VROM en Justitie het definitieve einde van de tweede poging. Een aantal jaren worden TCA en TCR dan strafrechtelijk met rust gelaten.

Tot 1993, dan wordt in Rotterdams kernteamverband besloten een grote milieuzaak te gaan doen. Er is een aantal beperkte proactieve onderzoeken verricht naar afvalverwerkingsbedrijven waaruit TCA en TCR duidelijk naar voren springen. Dan wordt besloten weer een opsporingsonderzoek in te stellen naar deze bedrijven, maar nu onder strikt embargo op een aparte lokatie. Alvorens een gerechtelijk vooronderzoek te openen wordt er proactief onderzoek verricht van maart tot november 1993.

Een belangrijk onderdeel van het vooronderzoek vormt het verzamelen van reeds bestaande gegevens over de betrokken bedrijven. Het meldingensysteem van VROM wordt bestudeerd, de vergunningen, de personeelsgegevens en de fiscale gegevens. Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden tot observatie en monsternemingen, zowel te water als over de weg. Noot Er is een on line verbinding met de Kamers van Koophandel om het bedrijvennetwerk in kaart te brengen. Dit blijkt 120 bedrijven te omvatten. Tevens worden alle toezichtgegevens van de controle-instanties opgevraagd en geanalyseerd. Dit betreft bestuurlijke informatie betreffende de achtergrond en omstandigheden van de vergunningverlening, de onderhandelingen tussen bedrijf en provincie, de reden voor ontheffing etc. Een medewerker van Rijkswaterstaat wordt aan het team toegevoegd om dit proces van bestuurlijke informatievertrekking te vergemakkelijken. Dit uitgebreide informatieve onderzoek is onder andere nodig door de slechte informatiepositie van de CID op milieugebied. Er blijkt hier nauwelijks informatie aanwezig over het onderzoekssubject. Er worden verschillende bijzondere opsporingsmethoden ingezet in deze voorfase. In juni en september/oktober 1993 wordt het bedrijf TCR geobserveerd door camera's en thermische camera's die zijn opgesteld in een leegstaand fabriekspand. Deze worden ook bij TCA gebruikt. De opnamen worden op videoband vastgelegd. Ook worden observaties verricht vanaf een door het team gehuurde boot. Tijdens deze observatieacties wordt een scanner gebruikt om het portofoonverkeer tussen personeel onderling af te luisteren. De observaties en de scanner dienen ondermeer om te ontdekken wanneer er geloosd wordt. Dit is onder andere van belang voor de duikers van de marine die een nieuw ontwikkeld monsternemingsapparaat in de lozingspijp aanbrengen. Dit apparaat bestaat uit een opblaasbare band met daarin datalogapparatuur en vier glazen buizen die dienen als monsterkamers. Twee monsterkamers worden handmatig bediend vanaf de walkant door middel van een zender en twee worden automatisch in werking gesteld. Noot De monsterkamers worden verwisseld door de duikers, vaak onder het spiedend oog van de op wacht staande medewerker op de kant. In oktober 1993 wordt het monsternemingsapparaat ontdekt door werknemers en verwijderd. Dit gebeurt onder het lijdelijk toeziend oog der observanten op de walkant. Noot Een probleem bij heimelijke monsterneming is de contra-analyse. Het bedrijf kan immers later de analyse van de monsters in twijfel trekken en vragen om contra-monsters. Hierin wordt voorzien door inschakeling van een notaris die de monsters naar het laboratorium stuurt en de analyse-gegevens bewaart in de kluis. In februari 1994 worden deze vrijgegeven aan de betrokken bedrijven. Noot
Tijdens dit vooronderzoek wordt ook aandacht besteed aan grensoverschrijdende transporten van afvalstoffen. Zes transporten worden door het observatieteam van de AID geobserveerd en later stilgehouden en bemonsterd op grond van de Wet op de economische delicten of de Wegenverkeerswet. Noot Naast statisch en dynamisch observeren, scannen en bemonsteren wordt in de voorfase ook gebruik gemaakt van een informant. In maart 1993 meldt een anonieme beller dat bij TCR illegaal geloosd gaat worden. Later blijkt dit een werknemer van TCR te zijn. Hij legt vervolgens verklaringen af bij een koppel runners van de CID, aangevuld met een medewerker van het milieubijstandsteam voor de milieutechnische kennis. Eind april 1993 besluit de werknemer om ontslag te nemen en als getuige te gaan optreden. Dit vooronderzoek levert genoeg vermoedens op van het structureel plegen van milieudelicten om een gerechtelijk vooronderzoek te starten. Een multidisciplinair team wordt geformeerd waarin naast de recherche Rotterdam ook de CRI, het MBT en de FIOD participeren. Ook een medewerker van Rijkswaterstaat wordt aangetrokken. De betrokken medewerkers werken onder strikte geheimhouding. De reguliere controles vinden gewoon plaats, zonder dat de controleurs wetenschap hebben van het feit dat dit onderzoek loopt. Bijna gaat het dan ook mis. Niets vermoedende toezichthouders van Rijkswaterstaat ontdekken het monsternemingsapparaat. De officier legt hen geheimhouding op wat mogelijk is door het feit dat zij tevens opsporingsambtenaren zijn. Noot

Gedurende in totaal zes weken worden de telefoons van de hoofdverdachten getapt alsmede de faxen van de bedrijven. De CRI heeft een schatting gemaakt van de illegale verdiensten. Ook worden informanten als getuigen gehoord. Hierna worden huiszoekingen gedaan in december 1993 en worden aanhoudingen verricht.

Het onderzoek ter terechtzitting

In het voorjaar van 1995 wordt dit grote milieuonderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg behandeld. De rechtbank Rotterdam heeft een aantal strafbare feiten bewezen verklaard. Dit zijn deelname aan een criminele organisatie, het illegaal lozen van afvalwater op oppervlaktewater, EG-fraude, valsheid in geschrifte en belastingfraude. Noot De illegale lozingen, die zijn vastgesteld door het nieuwe monsternemingsapparaat, worden niet bewezen verklaard. Niet omdat het apparaat niet zou deugen of de contra-monster procedure wordt afgekeurd maar,

het ten laste gelegde met betrekking tot de lozingen 8,9,10 is niet wettig en overtuigend bewezen omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze lozingen effluent van straat 1 of straat 2 betreffen, terwijl de in de tenlastelegging genoemde vergunningvoorschriften uitsluitend betrekking hebben op het effluent van deze zuiveringsstraten. Noot

De rechtbank veroordeelt de oudste broer Jan L. tot zes jaar gevangenisstraf en oordeelt: In plaats van zijn macht in de L.groep en in het bijzonder in Tankcleaning Rotterdam aan te wenden om aan de milieu-eisen te voldoen, heeft hij met kennelijke minachting voor het milieu gehandeld ten behoeve van persoonlijk financieel gewin. (..) Hij heeft ertoe bijgedragen dat controlerende instanties om de tuin werden geleid, dat subsidiegelden een andere dan beoogde bestemming kregen, en dat fiscale afdrachten niet in voldoende mate werden gedaan. Noot

Dit is tot nu toe de hoogste straf in een milieuzaak. Ron L. wordt veroordeeld tot drie jaar en zes maanden, en Tom L. tot twaalf maanden gevangenisstraf. De handlangers Hans E., Willem de R. en Rob R. worden veroordeeld respectievelijk tot drie jaar, twee jaar en eveneens twee jaar cel, waarvan acht maanden voorwaardelijk. Jan L. is de enige die hoger beroep heeft ingesteld.

De broers en de bedrijvengroep zijn failliet. Duidelijk wordt dat de ruim 40 miljoen gulden aan verstrekte subsidie niet terug te vorderen zal zijn. De installaties blijken slechts 5 miljoen gulden waard bij verkoop. Ook de fiscus heeft het nakijken. De miljoenenaanslagen zijn waarschijnlijk niet inbaar. Deze grote milieuzaak blijft de gemoederen bezighouden. Vooral de vragen hoe het zover heeft kunnen komen ondanks de controles, alsmede de besteding van de rijkssubsidies staan centraal. Inmiddels is een onderzoekscommissie ingesteld die zich over deze vraag zal buigen. Mede wordt gekeken wat de bestuurlijke lessen zijn die uit deze zaak kunnen worden getrokken. Noot

4.6 Beoordeling


De commissie heeft geconstateerd dat verschillende observatiemethoden geen uitdrukkelijke wettelijke basis hebben. Dwangmiddelen als het tappen van gegevensverkeer, het onderzoek in geautomatiseerde werken en de postvang zijn wel in de wet geregeld. Gelet op de nauwkeurige wettelijke normering van bepaalde dwangmiddelen en het ontbreken van normering van andere opsporingsmethoden is het beeld onevenwichtig. Voor het gebruik van bepaalde niet wettelijk geregelde opsporingsmethoden is in de rechtspraak een aanzet tot nadere normering gegeven. De jurisprudentie heeft voorwaarden gesteld aan het gebruik van de verschillende observatiemethoden. Noot In een enkel geval, zoals het inkijken, bestaat een interne richtlijn die als juridische basis wordt gehanteerd voor de inzet van de observatiemethode.

Naar de stand van het huidig recht is naar het oordeel van de commissie te veel discussie mogelijk over de vraag of de inzet van bepaalde observatiemethoden rechtmatig is. Het punt is waar bij observatie sprake kan zijn van een inbreuk op de fundamentele rechten van de burger zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke basis bestaat. Bij langdurige observatie is dat volgens de commissie het geval. Zonneklaar is dat het in de praktijk geconstateerde direct afluisteren en de semi-inkijkoperatie (meeliften) in een woning onrechtmatig zijn, tenzij sprake is van een noodtoestand. Het gebruik van niet in het strafdossier opgenomen tapgegevens door de CID is begrijpelijk, maar naar het huidige recht evenzeer onrechtmatig. Politie en justitie zijn van oordeel dat deze observatiemethoden noodzakelijk zijn voor een effectieve opsporing.

Er bestaan geen eenduidige criteria wanneer welke observatiemethode door wie mag worden gehanteerd. De commissie is van oordeel dat nadere normering gewenst is, mede omdat door het verrichten van observatiewerkzaamheden grondrechten (en vooral het grondrecht op privacy) kunnen worden aangetast. Bij direct afluisteren en inkijken is naar het oordeel van de commissie sprake van een ernstige inbreuk op het privacyrecht van burgers of van de vrijheid die in het verlengde daarvan ligt. Bij de andere vormen van observatie is het mogelijk dat inbreuk gemaakt wordt op privacy van burgers. Normering biedt politie en justitie expliciet omschreven mogelijkheden om deze methoden te hanteren.

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van betrokken politie- en justitiefunctionarissen zijn onduidelijk. De inzet van observatiemethoden was tot voor kort het monopolie van de politie. Daar kwam meestal geen officier van justitie aan te pas. Recent is wijziging gekomen in de bemoeienis van het OM. Ook waren de criteria op basis waarvan een beslissing werd genomen zeer diffuus. Het gebrek aan sturing van de politie door het OM acht de commissie onwenselijk. Het OM dient in ieder geval op de hoogte te zijn van het gebruik van deze methoden. Voor bepaalde vormen van observeren is naar het oordeel van de commissie expliciete voorafgaande toestemming van een officier van justitie noodzakelijk.

Van enige controle achteraf door het OM op het gebruik van deze observatiemethoden was nauwelijks sprake. De politie vertelde het OM weinig over de gehanteerde observatiemethoden. Of er informatie werd gegeven, was vooral afhankelijk van de voorkeur van de betrokken politiefunctionaris. Officieren van justitie vroegen sporadisch naar het gebruik van deze methoden. De commissie meent dat een meer intensieve toetsing van het gebruik van deze methoden door het OM noodzakelijk is. De rechter moet tevens achteraf kunnen controleren welke methoden zijn gebruikt en op welke wijze zij zijn ingezet. De verslaglegging van de inzet van het merendeel van de observatiemethoden is zeer gebrekkig. Slechts met veel moeite kan gereconstrueerd worden welke observatiewerkzaamheden zijn verricht. In enkele gevallen had dat negatieve gevolgen voor de effectiviteit van de opsporing. Een adequate registratie is naar het oordeel van de commissie een essentiële voorwaarde voor een verantwoorde opsporing. Te vaak is naar het oordeel van de commissie het gebruik van observatiemethoden zoals inkijkoperaties, videocamera's, scanners, geheim gehouden. De rechter, de verdediging en soms het OM hadden te weinig inzicht in het gebruik van deze observatiemethoden.

Over het verantwoord zijn van de observatiemethoden valt moeilijk in algemene zin uitspraken te doen. Dat is sterk afhankelijk van de concrete gevallen. De inzet van niet wettelijk geregelde opsporingsmethoden is niet beperkt tot de onderzoeken naar zware, georganiseerde criminaliteit. Zo vindt met name de inzet van foto- en videoapparatuur plaats bij allerlei criminaliteit, variërend van burenruzies tot autokraken en woninginbraken. In iets mindere mate geldt dit ook voor plaatsbepalingsapparatuur.

In gevallen van georganiseerde criminaliteit wordt inzet van observatiemethoden al gauw proportioneel geacht. Als het bij een inbraak qua ernst van het delict is toegelaten, dan toch zeker ook bij zware, georganiseerde criminaliteit, zo wordt geredeneerd. Wat voor proportionaliteit geldt, geldt ook voor de subsidiariteitstoets. Gelet op de problemen die gebruikelijk zijn bij onderzoek naar criminele organisaties wordt niet snel gezegd dat eerst andere middelen moeten worden ingezet. De combinatie van de verschillende observatiemiddelen maakt dat er zicht op de organisatie ontstaat. Het voorgaande brengt met zich mee dat de toepassing van deze methoden bij georganiseerde criminaliteit min of meer standaard is. De effectiviteit van de observatiemethoden is moeilijk te bepalen. Sommigen stellen dat de wettelijke dwangmiddelen voldoende mogelijkheden bieden, anderen menen dat het voor een effectieve opsporing noodzakelijk is om steeds nieuwe observatiemethoden te hanteren. De commissie meent dat het gebruik van verschillende observatiemiddelen noodzakelijk is voor een effectieve opsporing. De recente geschiedenis heeft
getoond dat het gebruik van onvoldoende genormeerde observatiemethoden de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit kan schaden (zie de zaak Henk R.). Een voldoende normering is niet alleen een noodzakelijke voorwaarde voor de bescherming van de rechten van burgers, maar ook voor een effectieve opsporing. In hoofdstuk 10 geeft de commissie haar oordeel over welke observatiemethoden nader genormeerd moeten worden en welke observatiemethoden zij onwenselijk acht.

Observatie is een noodzakelijke methode bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat politie en justitie voldoende mogelijkheden moeten hebben om met behulp van observatiemiddelen gegevens te verzamelen. De commissie is echter tevens van oordeel dat de observatiemethoden zowel inhoudelijk als procedureel goed genormeerd moeten worden.

 

HOOFDSTUK 5 INFORMANTEN

 

5.1 Omschrijving

Zolang er politie bestaat wordt er gewerkt met informanten, personen die op basis van vertrouwelijkheid informatie aan de politie verstrekken. Zij zijn de belangrijkste bron van informatie voor de criminele inlichtingendiensten (CID-en). Noot

 

 

De heer Paulissen:

... Ik bedoel, informantenwerk is in mijn ogen één van de belangrijkste manieren om boeven te vangen.

De voorzitter:

Is het de belangrijkste opsporingsmethode die wij hebben?

De heer Paulissen:

Ik zet die bovenaan mijn lijstje. Als ik kijk naar de mogelijkheden om uiteindelijk informatie te krijgen, zet ik het werken met informanten bovenaan het lijstje.

Op basis van informatie van informanten wordt menig opsporingsonderzoek gestart. Het runnen van informanten is de kerntaak van de CID in Nederland. Kenmerkend is het vertrouwelijke karakter: niemand dient te weten wie de informant is. Een informant verstrekt inlichtingen aan de CID over criminele activiteiten. In de huidige praktijk zijn informanten vaak personen met een criminele achtergrond, maar ook niet-criminele burgers en politiefunctionarissen treden op als informant. Een informant kan tegen beloning, maar ook zonder beloning informatie verstrekken.

 

 

De voorzitter:

Hoe heet een informant in het milieu?

De heer Mosterd:

Verklikker, verraaier, matennaaier. Dat zijn de kreten die gebruikt worden.

De voorzitter:

Het woord «informant» is daar niet ingeburgerd?

De heer Mosterd:

Nee, dat is duidelijk de wat neutralere benaming die wij met elkaar verzonnen hebben. Noot Het onderscheid tussen informanten, gestuurde informanten en infiltranten is vaak onduidelijk. Verschillende termen worden gehanteerd voor dezelfde informatiegevers. Moet een informant die uitdrukkelijk gevraagd wordt een bepaald café te bezoeken, al aangemerkt worden als infiltrant? Nog subtieler ligt het als de informant niet uitdrukkelijk gevraagd wordt naar een bepaald café te gaan, maar als hij als het ware zelf, in een suggestief gesprek, op die gedachte komt. De commissie komt tot het volgende onderscheid tussen de informant, de gestuurde informant en de infiltrant. Een informant verstrekt zonder daarvoor speciale activiteiten te hebben ontplooid criminele informatie. Een gestuurde informant wordt daarenboven gevraagd om onder regie van de politie bepaalde activiteiten te ontplooien met uitzondering van strafbare feiten. Wordt een informant door de politie of justitie gevraagd onder regie strafbare feiten te plegen of de criminele organisatie steun te bieden, dan spreekt de commissie van een burgerinfiltrant. De grens tussen informanten en burgerinfiltranten ligt dus bij de regie van politie en justitie. In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de informanten. In het volgende hoofdstuk worden naast de politiële infiltranten de burgerinfiltranten besproken. De commissie is zich ervan bewust dat met deze definiëring de schimmige scheiding tussen informanten, gestuurde informanten en infiltranten slechts gedeeltelijk is opgelost. De commissie meent echter wel dat op deze wijze een onderscheid mogelijk is.

5.2 Juridische basis en omvang

Een eigen, afzonderlijke wettelijke basis voor het runnen van informanten ontbreekt. Het gebruik van informanten is echter een cruciaal onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek geworden. Politie, staande en zittende magistratuur hebben dat volledig aanvaard.

Voor het runnen van informanten bestaan weinig regels. Het ontbreken hiervan wordt door menigeen als problematisch ervaren. De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden (1985) biedt enige basis, maar geeft weinig sturing aan activiteiten van de CID. In de CID-regeling (1995) wordt noch gesproken over informanten, noch over het runnen hiervan.

In Nederland staan enige duizenden informanten ingeschreven bij de verschillende politieregio's. Bij de
landelijke CID, cumulatief tot eind mei 1995 staan 2.936 informanten in het Informanten Coderings Systeem geregistreerd, afkomstig van 17 CID-en. Medio december 1995 is dit aantal inmiddels aanzienlijk gegroeid tot 5.259 informanten. Dit keer hebben alle 25 RCID-en, de Koninklijke Marechaussee, de Divisie mobiliteit van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) (in verband met het gedetineerdenvervoer) en een aantal bijzondere opsporingsdiensten, waaronder de FIOD, informanten aangemeld. Het overgrote deel van deze informanten beschikt over informatie over de handel in verdovende middelen. Van al die duizenden informanten wordt slechts een klein deel, een paar honderd, gerund. Slechts dit kleine aantal informanten heeft frequent contact met de runners. De andere informanten geven incidenteel informatie. Het aantal informanten varieert sterk per CID. Zo staan bij de CID Twente volgens een zegsman aldaar 64 informanten ingeschreven, waarvan er 29 daadwerkelijk worden gerund. Amsterdam/Amstelland heeft 330 structureel gerunde informanten. Daarnaast is er een lijst van incidentele tipgevers van enkele honderden per jaar. De meeste kernteams concentreren zich op enkele informanten die hoogwaardige informatie kunnen geven over criminele organisaties. Zo heeft het kernteam Randstad Noord en Midden slechts enkele informanten.

5.3 Bevindingen

 

5.3.1 Werving en registratie

Informanten worden vaak geworven als zij als verdachten met de politie in aanraking zijn geweest. In andere gevallen melden zij zich spontaan aan. Ook zijn er informanten die benaderd worden door de CID. Het komt voor dat er ook buitenlandse informanten worden gerund. Deze worden meestal geworven door Nederlandse liaison officers in het buitenland en indien zij interessant zijn Nederlandse zaken worden zij bij een RCID geïntroduceerd .

Van elke informant wordt bij de CID een informantendossier aangelegd. De inhoud van deze informantendossiers varieert sterk. Soms bevatten ze uitgebreide informatie over de informant zoals de achtergronden, activiteiten, verschafte inlichtingen en betalingen, soms slechts enkele kerngegevens zoals naam, adres en telefoonnummer. Er zijn geen richtlijnen die bepalen welke informatie over informanten moet worden opgeslagen.

Niet iedereen die informatie aan de CID geeft wordt geregistreerd als informant. Bij de beslissing of iemand al dan niet als informant wordt ingeschreven is cruciaal het antwoord op de vraag of de identiteit van de informant beschermd moet worden. Als dat het geval is, volgt inschrijving als informant, ook als het een incidentele tipgever betreft.

Het is onduidelijk wie de bevoegdheid heeft om te beslissen of iemand als informant wordt ingeschreven. Feitelijk is de CID-chef degene die informanten inschrijft, op voorspraak van de CID-rechercheurs. Schoning van de informantendossiers vindt in de praktijk weinig plaats. Hierover is ook geen regeling getroffen. Ingeschreven informanten zijn bijna altijd afkomstig uit het criminele milieu. De veronderstelling is dat criminelen over betere informatie omtrent strafbare feiten beschikken dan anderen. Informanten die onbetrouwbaar zijn gebleken voor de politie, worden op een zwarte lijst geplaatst die door de CRI wordt bijgehouden.

 

 

De heer Paulissen:

Toen ik in 1987 in dat wereldje terecht kwam, was 90% van de informanten crimineel. Zij pleegden nauwelijks strafbare feiten en hadden niet ergens echt actief in deel. Toch wisten zij redelijk veel van datgene wat zich afspeelde. Je ziet in die jaren een verandering. Er ontstaat zoiets van, omdat men natuurlijk ook weet dat er met informanten wordt gewerkt: als je iets wilt weten, doe je dus mee. Dat betekent bijna per definitie dat de informanten vervolgens in een rol kwamen waarin zij actief in bepaalde constructies of actief in bepaalde handelingen, ook strafbare handelingen, betrokken werden. Dus dan ga je een informant een zaak in sturen. Je maakt goede afspraken. Hoe zwaarder zijn zaak, hoe meer vertrouwen je moet hebben in de informant.

De voorzitter:

Dus hoe meer strafbare feiten hij pleegt, hoe meer vertrouwen je in hem moet hebben?

De heer Paulissen:

Absoluut. Stel dat een informant een wat actievere rol gaat spelen binnen zo'n organisatie. Dat doet ik niet met een informant die ik niet ken, die ik nooit heb kunnen controleren.

Informanten zijn in mijn ogen nooit 100% stuurbaar. Het is een illusie om mensen voor te schilderen: luister, dit is het scenario en dit gebeurt er. Wat je moet doen, is duidelijke afspraken met die man maken: dit zijn de kaders waarbinnen jij opereert met dekking van politie en justitie, als jij daarbuiten gaat, zijn de problemen en de effecten daarvan ook voor jezelf, als wij je buiten die kaders op een strafbaar feit betrappen waarover wij vooraf met jou geen afspraken hebben gemaakt, dan ga je daarmee gewoon het strafrechtelijke circuit in. Dus je probeert de stuurbaarheid wel te vergroten, maar op 100% moet je nooit rekenen. Je moet altijd wantrouwend
blijven ten opzichte van hetgeen zo'n informant voor je doet. Dat is het spel. En die onzekerheid moet je meenemen. Noot
In enkele gevallen staan ook niet-criminele burgers als informant ingeschreven: omwonenden, familieleden en vriendinnen van criminelen, bewakingspersoneel, journalisten, advocaten, accountants, garagehouders, autoverhuurders. Het streven om informanten uit de «bovenwereld» te werven staat echter nog in de kinderschoenen.

 

 

De voorzitter:

U heeft ons eerder verteld dat u heeft overwogen om journalisten als informant te gaan gebruiken.

De heer Paulissen:

Ja.

De voorzitter:

Zijn zij uiteindelijk ook ingeschreven?

De heer Paulissen:

Neen, zij zijn uiteindelijk niet ingeschreven, omdat onze korpsbeheerder vond dat wij hierin toch een beetje te ver gingen. Noot

Bij enkele RCID-en is geconstateerd dat politiemensen uit andere regio's als informant waren ingeschreven. Dat had tot doel de bron af te schermen. Met het inschrijven van politiemensen als informant wordt voorkomen dat zij in het openbaar getuigenis moeten afleggen. Het bergt echter het risico in zich dat informatie op deze wijze opgewaardeerd kan worden. Inmiddels zou het nauwelijks meer voorkomen dat politiemensen ingeschreven worden als informant.

 

 

De voorzitter:

Hebt u politiemensen als informant ingeschreven?

De heer Mosterd:

Niet meer. Dat «niet meer» geldt vanaf het moment dat ik er kwam. Daarvoor was er al het een en ander gepasseerd. Toen was het allemaal net geschoond. Voor die tijd stonden er PS'ers...

De voorzitter:

Pseudo-kopers.

De heer Mosterd:

...of mensen van het arrestatieteam als informant ingeschreven.

De voorzitter:

Tot wanneer is dat gebeurd?

De heer Mosterd:

Dat was voor mijn tijd. Ik heb bij wijze van spreken de laatste zelf eruit gehaald. Ik ben wat dat betreft met een schone lei begonnen. Noot

De voorzitter:

Noemt u eens een voorbeeld van wat u bij de hand hebt gehad, op zo'n manier dat het geen schade kan doen.

De heer Van Steeg:

Nu, een informant die gezien heeft dat er in een bepaald pand vuurwapens liggen; wij weten alleen maar dat die informant het gezien heeft. De informant weet het en de verdachte weet het, die twee, en daarbij komt dat de informant in Utrecht of in de omgeving van de verdachte woont. Op het moment dat de informant deze informatie ter beschikking stelt aan Utrecht en de informatie in de openbaarheid komt, zal het heel gauw duidelijk zijn voor de betrokken verdachte dat deze informatie van die informant af komt. Bij het toepassen van deze constructie zoek je naar mogelijkheden en vraag je je af: waar heeft de verdachte bijvoorbeeld nog meer contacten? Als dan blijkt dat hij veelvuldig in Amsterdam komt, zou je gebruik kunnen maken van die wetenschap en zeggen: we gaan wat zand in de ogen van de verdachte strooien en wij gaan de U-bochtconstructie toepassen.

De voorzitter:

Heeft u het ook wel eens zo gedaan, dat u het uit meerdere steden liet terugkomen?

De heer Van Steeg:

Nee.

De voorzitter:

Ik vraag dit, omdat er ook een voorbeeld is waarbij de CID-informatie vanuit één bron, uit verschillende korpsen bleek terug te komen. Want dat kan natuurlijk niemand controleren: u kunt het aan Amsterdam vragen, u kunt het aan Rotterdam vragen en als zij het allebei doen, heb je twee bronnen.

De heer Van Steeg:

Ja, wie gaat er dan met zijn vingers omhoog staan? Ik niet, in ieder geval.

De heer Vos:

Ik zou nog iets over de U-bocht willen vragen: vindt er dan geen opwaardering van de informatie plaats? Ik heb begrepen dat de U-bocht ook wel eens gebruikt wordt om informatie als het ware een zwaarder kaliber te geven.

De heer Van Steeg:

Ik doe dat niet. Wij doen dat, zo durf ik te zeggen, in Utrecht zeker niet. Gebruikelijk is dat wij in Utrecht de informatie opmaken en dat deze de (waarderings)codering meekrijgt die wij in kunnen vullen. Die kunnen wij ook alleen maar invullen, want wij hebben contact met de informant. Die krijgt die en die waardering en wij geven dat door aan het andere korps, aan de andere regio. De andere regio neemt die waardering over - ik vind in ieder geval dat dit zo moet; dat spreken wij ook af - en deze waardering komt uiteindelijk bij de tactische recherche terecht.

De voorzitter:

Heeft u er kennis van dat er wel eens opwaardering heeft plaatsgevonden?

De heer Van Steeg:

Nee.

De voorzitter:

Dit, omdat wij daar ook van gehoord hebben.


De heer Van Steeg:

Ja, u heeft mij dit bij een vorige gelegenheid ook gevraagd: opwaardering via het CRI of zo, of via het buitenland. Nu, dat is voor mij echt waanzin. Noot

Het is de bedoeling dat alle informanten worden aangemeld bij de landelijke CID. Tot voor kort meldde een groot aantal CID-en informanten niet aan. Inmiddels hebben alle CID-en hun informanten gemeld. Melding vond niet altijd plaats omdat CID-en met het oog op de vertrouwelijkheid en de kwetsbaarheid de kring van personen die bekend zijn met de informant zo beperkt mogelijk willen houden.

5.3.2 Anonimiteit en bescherming

De CID houdt ten koste van nagenoeg alles de identiteit van de informant geheim. De CID doet een informant dan ook de toezegging van anonimiteit. Dit uitgangspunt beheerst al het handelen van de CID-rechercheurs. Ook als dat betekent dat een bepaald opsporingsonderzoek zal mislukken; de identiteit blijft geheim. Een voorbeeld daarvan is de behandeling van de Ramola-zaak bij de rechtbank Rotterdam. Bij de politie bestaat de vrees dat zij in de toekomst geen informatie meer krijgt als zij de identiteit van informanten bekend maakt.

In augustus 1995 werden de namen van drie informanten die een rol hadden gespeeld in de zogenaamde ABN-AMRO-zaak bekend. De advocaat van de verdachte bleek over zeer vertrouwelijke stukken te beschikken waaruit duidelijk werd dat deze informanten voor de Haarlemse CID werkzaam waren. Tevens had de advocaat de beschikking over een proces-verbaal waarin Haarlemse CID-rechercheurs bevestigen dat het drietal als informant ingeschreven was.

Als bekend raakt wie aan de politie de informatie over de criminele organisatie heeft verschaft, loopt de betrokken informant grote risico's wat betreft zijn veiligheid.
De commissie heeft niet daadwerkelijk kunnen vaststellen dat er personen zijn geliquideerd vanwege hun optreden als informant, al valt dit in een aantal gevallen niet uit te sluiten. Slechts zelden worden informanten als getuige op de zitting gehoord. Incidenteel worden informanten gehoord als anonieme getuige. Echter deze procedure wordt door veel politiefunctionarissen over het algemeen nog niet als voldoende beschouwd. De zaaksofficier in de Ramola-zaak zegt hierover:

 

De voorzitter:

Maar het probleem is toch dat u een groot risico hebt gelopen, blijkbaar, door met een informant te werken die u om begrijpelijke redenen uiteindelijk niet als getuige wilt laten optreden. Daar zit toch de kern van het probleem, dat wij hier in verschillende dimensies al vaak gezien hebben?

De heer De Groot:

Dat risico hebben wij gelopen, ja. (...)

De voorzitter:

Had u het niet kunnen voorkomen door toch nog te proberen, in de vorm van anonieme getuigen etc., dat het niet hierop zou uitlopen, te weten dat uw zaak stuk gaat?

De heer De Groot:

Daar hebben wij van tevoren over gedacht en uiteindelijk de beslissing genomen om dat niet te doen - het is nu makkelijk achteraf praten - omdat er op dat moment niet voldoende concrete aanwijzingen waren dat wie dan ook uit die Ramola-groepering zich bedreigend ten opzichte van de

informant had uitgelaten. En als je iemand als anonieme getuige bij de rechter-commissaris wilt laten horen, dan zal de rechter-commissaris en in het verlengde daarvan, bij een mogelijk hoger beroep, de raadkamer van de rechtbank, zich ervan moeten vergewissen dat er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven om tot de conclusie te komen, dat betrokkene inderdaad op enigerlei wijze wordt bedreigd. Noot In ruil voor een getuigenis kunnen politie en justitie eventueel bescherming aanbieden. In Nederland bestaat formeel geen getuigenbeschermingsprogramma. Desondanks zijn enkele malen getuigen voor langere tijd beschermd door politie en justitie en een enkeling heeft een andere identiteit gekregen. Het ontbreken van een regeling voor getuigenbescherming weerhield politie en justitie niet van deze beslissingen. Het ging hierbij om getuigen die in levensgevaar verkeerden omdat zij belastende verklaringen ten overstaan van de politie hadden afgelegd.

 

5.3.3 Runnen van informanten

Het runnen van een informant vindt plaats door een koppel van CID-rechercheurs, de «runners». In het verleden runde ook de tactische recherche informanten. Tegenwoordig is dat uitzondering. De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden (1985) geeft enkele algemene regels voor de relatie tussen runner en informant. In juni 1995 is door de Werkgroep ethische aspecten van CID-werkzaamheden onder leiding van officier van justitie Veurink
een rapport geschreven dat moest voorzien in het gemis van algemeen aanvaardbare regels voor de wijze waarop de CID informatie vergaart en in de daarmee samenhangende behoefte in de praktijk aan een toetsingskader waarbinnen een antwoord kan worden gevonden op ethische vragen die zich in de praktijk van het CID werk voordoen. Noot Deze werkgroep heeft een enquête gehouden onder CID-medewerkers. Uit de enquête-resultaten trok de Werkgroep ethische aspecten van CID-werkzaamheden de conclusie dat eenduidigheid van opvatting over ethische normen in het CID werk ontbreekt.

 

De belangrijkste enquêteresultaten:

* Een selectie van de handelingen waarover men het vrijwel eens is dat zij acceptabel zijn: (U-bochtconstructie), toegestaan 92%. - Informatie via een andere CID exploitabel maken om zodoende een informant af te schermen (bijvoorbeeld informatie over een verstoorde relatie), toegestaan 86%. - Informatie uit een telefoon tap (in het kader van een GVO) gebruiken om actief informanten te winnen * Een selectie van handelingen waarvan vrijwel iedereen vindt dat ze onacceptabel zijn: (bijvoorbeeld noodzakelijk voor zijn geloofwaardigheid), toegestaan 3%. - Een informant pleegt zonder overleg met het OM strafbare feiten ten behoeve van de informatie inwinning

  • Aan een collega tipgeld verstrekken, toegestaan 5%.

  • In voorkomende gevallen bij een informant erop aandringen bij een relatie te blijven (bijvoorbeeld de concubine van iemand die kennis draagt van zeer zware delicten), toegestaan 16%.

  • Tegen de te werven informant zeggen: «zolang we door jouw informatie met anderen bezig zijn, hebben we geen tijd om aandacht aan jou te besteden», toegestaan 14%.

  • Een informant een verkregen monster verdovende middelen laten behouden, toegestaan 13%.

  • De naam van een verdachte verstrekken aan een medewerker van een expertise-bureau, toegestaan 15%. * Een selectie van de handelingen waarover men meer van mening verschilde:

  • Een informant blijft ongestraft terwijl hij u confronteert met een helingsituatie, toegestaan: 44%.

  • Een informant blijft ongestraft terwijl hij u ongevraagd confronteert met het bezit van een vuurwapen, toegestaan 45%.

  • Het achterhouden van het schuiladres van een informant waarvan de opsporing, de aanhouding en de voorgeleiding is gevraagd in verband met een kleine zaak in een andere regio, toegestaan 73%.

  • Het verstrekken van informatie aan een medewerker van een expertisebureau waarmee regelmatig wordt samengewerkt: een tenaamstelling van een kenteken, 31% acceptabel; verstrekken van de naam van een verdachte, 15% acceptabel; de antecedenten van een verdachte verstrekken, 9% acceptabel.

  • Het afdekken van vergaande inlichtingenmethoden, 61% acceptabel.

  • Het afdekken van illegale opsporingsmethoden, 11% acceptabel.

Vervolgens is door de werkgroep getracht richtlijnen te formuleren voor de contacten tussen runners en informanten. De belangrijkste regel bij het runnen van informanten is dat de politie er te allen tijde voor moet zorgen het initiatief te houden. De politie moet de informant sturen en niet andersom. In een ethische code, opgesteld door de Werkgroep ethiek worden 41 stellingen geponeerd, waarvan een aantal hieronder wordt weergegeven:

1. Onder alle omstandigheden worden informanten door twee CID-rechercheurs gerund. 2 Met informanten worden geen privé-contacten onderhouden.
3 Informanten worden niet uitgelokt tot het plegen van strafbare handelingen. 4 Tussen runners en informant wordt geen «ruilhandel» bedreven.
5 Informantenrunners (en andere politiefunctionarissen) nemen geen enkel geschenk aan. 6 Tussen informantenrunners en informant bestaat een relatie, waarbij door eerstgenoemden steeds de nodige afstand wordt bewaard.

7 De politie voert de regie over het optreden van de informant.
8 Bij het regisseren van de informant staan controleerbaarheid en beheersbaarheid voorop. 9 Op basis van het aangaan van een contract met de informant wordt uitgegaan van diens «zakelijke» betrouwbaarheid. Met de informant dienen zakelijke afspraken te worden gemaakt die, liefst tweezijdig, maar in ieder geval door de politie, moeten worden vastgelegd.

10 Binnen een CID wordt alle informatie en worden alle (ambts)handelingen schriftelijk vastgelegd. Datzelfde geldt voor gemaakte werkafspraken.
11 De directe chef van informanten-runners is tevens hun «controller». Dit houdt ondermeer in een directe
controle op het werk (het invulling geven aan het recht op controle van de runners), het begeleiden van het werk en het beschermen van en bieden van veiligheid aan de runners. Begrippen als «steun» en «betrokkenheid» staan hierbij centraal.

12 De directe chef van informanten-runners runt zelf geen informanten. 13 De directe chef van informanten-runners let op het «richtig» aanwerven van informanten. Per regio gelden verschillende afspraken tussen runners en informanten. Deze afspraken worden niet steeds vastgelegd. In een dagjournaal moeten de runners alle activiteiten met de informanten beschrijven. In de praktijk bestaat er veel variatie in wat in de journaals wordt weergegeven. In enkele regio's wordt geëxperimenteerd met convenanten of contracten tussen runner en informant. In deze convenanten wordt aangegeven welke activiteiten de informant wel en niet mag verrichten en welke beloning hij bij succes tegemoet kan zien. Het volgende citaat betreft een convenant met een informant die wellicht burgerinfiltrant wordt:

 

 

De heer Rabbae:

Begrijp ik het goed dat u een convenant sluit met een informant?

De heer Mosterd:

De laatste tijd proberen wij, zeker als het gaat om trajecten waarin de informant een infiltrant aan het worden is, afspraken op papier te zetten. Dat hebben wij inmiddels één keer heel expliciet gedaan. Aan die afspraken dient in dat geval de infiltrant zich precies te houden. Die worden uiteraard in samenspraak met de CID-officier opgesteld en door de infiltrant ondertekend en die houden wij dan onder ons. Waarom doen wij dat? Wij worden er de laatste tijd mee geconfronteerd dat een infiltrant de opdracht, bewust natuurlijk, ruimer interpreteert dan wij die in werkelijkheid gegeven hebben. Als hij ergens voor wordt gepakt, zegt hij dan: wacht even, dat deed ik in opdracht van de CID Hollands-midden. Daarom is het goed, de afspraken zo goed mogelijk te concretiseren.

De heer De Graaf:

Hoeveel convenanten, respectievelijk infiltranten hebt u?

De heer Mosterd:

Wij hebben drie trajecten van burgerinfiltratie gehad. Die zijn door allerlei omstandigheden allemaal afgelopen. Ik haal even mijn papieren erbij, want ik heb het nog opgezocht. Wij hebben ook nog diverse besprekingen gehad over mogelijke infiltratieacties, maar die gingen over het algemeen niet door, niet zozeer omdat er juridische problemen mee waren, maar veel meer omdat wij niet konden garanderen dat de infiltrant later, als de zaak zou klappen, buiten schot zou blijven. Dan werd er gewoon geen uitvoering gegeven aan het bedachte traject. Noot

Soms worden informanten bij de RCID «meegerund» door buitengewone opsporingsambtenaren, zoals een douane- of milieurechercheur, omdat een bepaalde expertise nodig is. Niet altijd is duidelijk welke dienst dan de verantwoordelijkheid draagt.

 

5.3.4 Activiteiten informanten

Informanten leveren criminele informatie. Informanten moeten derhalve in de positie zijn om informatie te verkrijgen over (toekomstige) strafbare feiten en het functioneren van criminele organisaties. Zij participeren derhalve vaak in activiteiten van criminele organisaties, ook in die van strafbare aard. De commissie stuitte op een aantal van zulke gevallen. Benadrukt moet worden dat het hierbij niet gaat om criminele activiteiten zoals afgesproken met politie en justitie, maar om hand- en spandiensten voor de criminele organisatie op eigen titel.

Zo verzorgen informanten vervoersdocumenten voor de legale vracht waarin verdovende middelen worden verstopt. Ook vervoeren ze verdovende middelen of stellen voertuigen ter beschikking. Tevens worden grondstoffen en onderdelen geleverd voor de vervaardiging van verdovende middelen en bieden informanten leden van criminele organisaties onderdak aan of verzorgen voor hen verblijfsdocumenten. De commissie heeft een CID-traject aangetroffen waarbij sprake was van een nieuwe vorm van informatievergaring door een informant.


Via de CRI-liaison te Bogota is een Colombiaan in zicht gekomen. Hij heeft via zijn bedrijf legale contacten met het Calikartel. Nu biedt hij zijn diensten aan. Er blijkt echter van de kant van de politie niet veel belangstelling te zijn voor weer een informant die informatie heeft over de invoer van concrete partijen drugs of over de Colombiaanse kartels. De RCID lijkt het wel nuttig dat hij inzicht verschaft in de in Nederland werkzame Colombiaanse criminele organisaties. Hij zou een soort scan kunnen maken van de Colombiaanse organisaties die zich met de handel in verdovende middelen bezig houden. De Centrale toetsingscommissie (CTC) is van oordeel dat er eerst een kennismakingsgesprek plaats moet vinden, bij voorkeur buiten Nederland, teneinde de betrouwbaarheid te toetsen. Hierna kan de scan beginnen. Dit is gebeurd en de «scanner» wordt goed
bevonden. Hij is ongeveer twee maanden actief geweest in Nederland, waarna de CID besluit dat zij niet veel verder komen en dat hij terug kan.
Geregeld laat de CID door observatie vaststellen in hoeverre een informant daadwerkelijk doet wat hij zegt te doen. Deze observatie vindt veelal plaats door een observatieteam (OT). Deze controle wordt noodzakelijk geacht. Veel CID-rechercheurs gaan ervan uit dat informanten per definitie onbetrouwbaar zijn. Dat neemt niet weg dat zij juiste informatie kunnen leveren.

Veel verzamelde CID-informatie wordt in het geheel niet gebruikt.

5.3.5 Strafbare feiten

Informanten mogen geen strafbare feiten plegen. Deze standaardformule wordt aan elke informant uitdrukkelijk meegedeeld. De CID is er echter bij gebaat dat informanten op enigerlei wijze weet hebben van het plegen van strafbare feiten aangezien de informant dan over de meeste informatie beschikt. De informantenrunners willen dan ook het liefst niet op de hoogte zijn van de strafbare feiten van informanten. De individuele informantenrunner bepaalt of de strafbare feiten die een informant pleegt, worden doorgegeven. De commissie heeft geconstateerd dat informanten veelvuldig participeren in het plegen van lichte strafbare feiten rond criminele organisaties. Zij waren veelvuldig toeschouwer bij het plegen van zwaardere strafbare feiten. Enkele malen is geconstateerd dat informanten strafbare feiten plegen met medeweten van de CID. De reactie van de politie op het plegen van strafbare feiten door informanten loopt in de praktijk nogal uiteen. Die reactie varieert van het negeren, het in beslag nemen van een verboden voorwerp al dan niet in combinatie met het opmaken van een proces-verbaal ter zake van het strafbare feit en het opmaken van proces-verbaal al dan niet gecombineerd met het verbreken van de relatie met de informant. De reactie is vaak afhankelijk van de afweging van de individuele runners.

 

5.3.6 Informatie en bewijs

De informatie van informanten wordt over het algemeen niet rechtstreeks gebruikt voor het bewijs. De verstrekte inlichtingen worden veelal als basis voor de aanvang van een opsporingsonderzoek gebruikt. Dat opsporingsonderzoek moet vervolgens het bewijs leveren waarover de rechter ter terechtzitting moet oordelen. Het is echter niet uitgesloten dat CID-informatie gebruikt wordt als (ondersteunend) bewijs. De rechter is vrij in de selectie en waardering van bewijsmiddelen. CID-informatie kan bijdragen aan de veroordeling van een verdachte.

 

 

De heer Vos:

Mevrouw Rutten, is het mogelijk dat u een verdachte veroordeelt op uitsluitend CID-informatie en welke rol, meer in het algemeen, speelt CID-informatie als bewijsmiddel?

Mevrouw Rutten-Roos:

Die vraag is in haar algemeenheid niet te beantwoorden. CID-informatie kan een rol spelen bij het bewijs.

De heer Vos:

Op welke manier?

Mevrouw Rutten-Roos:

Als bewijsmiddel. Maar niet als enig bewijsmiddel. Ik zie u al verschrikt kijken. Maar ook CID-informatie op zichzelf kan worden gehanteerd...

De voorzitter:

...als een van de bewijsmiddelen...

Mevrouw Rutten-Roos:

...als een van de bewijsmiddelen. (...)

De voorzitter:

Ik herinner mij uit mijn eigen studie, dat er tenminste twee bewijsmiddelen moeten zijn.

Mevrouw Rutten-Roos:

Ja. Ja, zeker als... u schrikt net bij de gedachte, dat iemand uitsluitend op één CID-bericht veroordeeld kan worden...

De voorzitter:

Maar kan het wel op CID-plus, dat wil zeggen op CID als belangrijkste bewijsmiddel plus nog een extra verklaring?

Mevrouw Rutten-Roos:

Ik vind het moeilijk om dat in het algemeen te zeggen. Iedere zaak is op zichzelf. Het gaat natuurlijk ook eigenlijk niet alleen om de wettige bewijsmiddelen maar om de overtuiging. Dat is de combinatie van de twee factoren die een rol spelen. Noot

Desondanks heeft de commissie weinig tot geen voorbeelden gezien van rechtszaken waarbij CID-informatie van informanten een doorslaggevende rol speelde in de bewijsvoering. In de huidige praktijk wordt CID-informatie ten behoeve van de bewijsvoering gegoten in de vorm van een proces-verbaal van de chef CID, die in algemene termen meedeelt welke feiten en omstandigheden bekend zijn. Dat zegt niets over de vraag hoe informanten hebben geopereerd en hoe de inlichtingen van informanten zijn verwerkt. Informatie wordt
ook verwerkt in de zogenaamde 4.x.4 formulieren die ter beschikking kunnen worden gesteld van andere CID-en en, indien van belang aan de landelijke CID. In de gevallen waarin op basis van door de CID verstrekte informatie bevoegdheden zijn uitgeoefend, zal de informatie in samenvatting door middel van een proces-verbaal van de CID-chef aan de rechter ter kennis worden gebracht. In het proces-verbaal staat slechts de inhoud van de 4x4-formulieren vermeld zonder enige aanduiding van de bron, wat onder omstandigheden zelfs leidt tot achterwege laten van plaats en tijdstip van de gebeurtenis, waar de informatie betrekking op heeft. De wijze van inwinning of de toegepaste opsporingsmethode is daarin niet opgenomen. De achterliggende 4x4-tjes worden niet aan het proces-verbaal gehecht en komen niet op tafel bij de rechter. In de praktijk nam de rechter genoegen met dit proces-verbaal of volstond hij ermee de chef CID als getuige te horen. De tijd dat het proces-verbaal, waarmee het opsporingsonderzoek aanving met de mededeling dat «uit CID-informatie was gebleken», en dat de rechter daar genoegen mee nam lijkt voorbij. De rechter stelt vaker een onderzoek in naar de wijze van informatie-inwinning.

 

5.3.7 Beloningen

Informanten kunnen op verschillende wijze beloond worden voor hun informatie. Financiële beloningen vormen een van de mogelijkheden. In bepaalde gevallen zijn andere vormen van belonen mogelijk, zoals het niet vervolgen voor het plegen van bepaalde strafbare feiten.

De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden (1985) geeft een procedure voor het aanvragen van beloningen ( tipgelden) voor informanten. Op voordracht van de CID en de CID-officier van justitie van de regio waar de informant actief is, kan het ministerie van Justitie een beloning uitloven. Deze beloning kan oplopen tot vele tienduizenden guldens en in incidentele gevallen zelfs honderdduizenden guldens.

Uitbetaalde tipgelden 1995-1990

Tabel
Zoals blijkt uit de tabel is in 1995 in totaal bijna twee miljoen gulden aan tipgeld betaald door het ministerie van Justitie. In de loop van de afgelopen vijf jaren is een gestage stijging te zien in zowel dit totaalbedrag als in het aantal zaken die hiervoor in aanmerking kwamen. Het gemiddeld bedrag per zaak is redelijk constant gebleven. Over het algemeen wordt het meeste tipgeld betaald voor verdovende middelenzaken. Over tipgelden is tijdens de openbare verhoren onder meer het volgende opgemerkt:

 

De heer De Graaf:

Is het geld dat beschikbaar wordt gesteld voor uitkeringen in het kader van de tip-, toon- en voorkoopgeldenregeling onderdeel van de post geheime uitgaven?

De heer Wooldrik:

Dat klopt. Ik heb hier de rijksbegroting voor 1996 en daar staat die in.

De heer Wooldrik:

Voor 1996 is een post van 2 mln. aan uw Kamer voorgesteld. De post was tot voor kort 1,5 mln. Noot

De heer Zwanenburg:

In de praktijk wordt het maximum van een tipgeld vastgesteld door het departement. Als de officier van mening is dat een lager bedrag noodzakelijk is, stelt hij een minimum vast.

De heer De Graaf:

Zo gaat het in de praktijk toch niet? De officier dient toch een aanvraag in en vermeldt dan het bedrag van de uitkering aan een informant?

De heer Zwanenburg:

Ja, maar in het vooroverleg, waarin er alleen nog sprake is van de informatie die de informant mogelijk zal leveren, wordt een indicatie gegeven van het bedrag van het tipgeld. Soms blijkt achteraf dat de informatie veel minder is dan de informant heeft toegezegd. Dan wordt het bedrag bijgesteld en dat kan mede door de betrokken officier worden gedaan (...).

De heer Zwanenburg:

Het zijn incidenten, dus dat er echt verschil van mening is over de hoogte van het tipgeld. Noot

De uitkering van beloningen is gebonden aan enkele voorwaarden. De belangrijkste voorwaarde is dat de verstrekte inlichtingen leiden tot aanhouding van de daders, of althans de vaststelling van hun identiteit. Deze «no cure, no pay» regel kent enkele uitzonderingen. Indien een officier van justitie meent dat een informant ondanks het niet voldoen aan deze voorwaarde toch voor de opsporing waardevolle inlichtingen heeft verzameld, kan de officier van justitie voorstellen aan de informant een beloning toe te kennen. De hoogte van de tipgelden wordt berekend aan de hand van een aantal wegingsfactoren, waarbij de belangrijkste factoren zijn het risico van de informant, de moeite die de informant zich heeft moeten getroosten, de schade die wordt aangebracht aan de criminele organisatie door aanhouding van verdachten, het kaliber of de organisatiegraad van de verdachten en het maatschappelijk belang van de zaak. Het aantal in
beslag genomen kilo's drugs speelt bij de bepaling van de hoogte van de beloning volgens het ministerie van Justitie geen rol. In de CID-praktijk blijkt de gewoonteregel: f.1.000,- per kilo harddrugs en f.1,- per kilo per softdrugs, een hardnekkig bestaan te leiden. De betrokken ambtenaar op het ministerie van Justitie maakt mede aan de hand van het advies van de CRI een inschatting van de waarde van de aanvraag en de hoogte van de beloning. De beleidsvrijheid met betrekking tot de toekenning en de hoogte van de beloning is groot.

 

De heer De Graaf:

Maar als niet wordt neergelegd hoe zwaar die wegingsfactoren uiteindelijk zijn, dan kan toch licht de indruk ontstaan dat betrekkelijk incidenteel tot besluitvorming wordt overgegaan?

De heer Wooldrik:

Nou incidenteel, het zijn steeds dezelfde mensen die het doen. Dat is de garantie dat het zoveel mogelijk eenvormig is, naar mijn idee. Dat is ook de reden waarom het centraal is gehouden in 1985. Ik kan u wel vertellen dat de secretaris-generaal bij die keer dat het bedrag van f. 275.000 werd uitgekeerd, zich afvroeg of de begroting niet uit de hand zou lopen, of er geen andere maatregelen zouden moeten worden genomen en of het niet overgeheveld zou moeten worden naar het reguliere politiebudget. Moeten de regio's dat niet zelf gaan doen? Wij hebben toen geadviseerd om dat niet te doen maar om het in één hand te houden, juist om de verschijnselen die u nu beschrijft zoveel mogelijk te voorkomen. Wij hebben nu 26 regio's en die zouden het dan 26 keer verschillend kunnen toepassen. Wij vonden dat niet verstandig. Noot

Het ministerie van Justitie heeft in het verleden enkele malen zeer hoge beloningen aan informanten ter beschikking gesteld. Het gaat daarbij om bedragen van enkele honderdduizenden guldens die aan informanten zijn verstrekt. In de nasleep van de opheffing van het IRT is aan een informant 2 miljoen gulden uitgekeerd. Uit het budget voor geheime uitgaven van een CID, ongeveer 25 à 35 duizend gulden per regio, wordt ook een soort tipgelden betaald. Dit betreft enkele honderden tot enkele duizenden guldens, wat geldt als een soort onkostenvergoeding of aanmoedigingspremie. Van deze mogelijkheid wordt zeer frequent gebruik gemaakt. Van deze post moeten ook de onkosten van de runners betaald worden.

Naast politie en justitie loven ook verzekeringsmaatschappijen, banken, PTT en andere instanties beloningen uit. Het gaat dan vooral om het opsporen van ontvreemde goederen en geld. Daarbij wordt de regel gehanteerd dat informanten 10% van de waarde van de ontvreemde goederen als tipgeld kunnen krijgen. Deze bedragen zijn in de praktijk vaak veel hoger dan de tipgelden van politie en justitie.

5.3.8 Afspraken met informanten

Naast financiële beloningen worden met informanten ook andere afspraken gemaakt. Daarvoor bestaan geen algemene regels. Voor deals met informanten in geval van zaken van leven en dood of vergelijkbaar ernstige zaken geldt de Richtlijn deals met criminelen van de procureurs-generaal van 1 juli 1983. In deze regeling wordt gemeld dat een deal mogelijk is, ook buiten het gebruikelijke strafrechtelijke beleid. Welke vorm deze deals kunnen aannemen staat niet vermeld. Volgens deze regeling moet de procureur-generaal op de hoogte worden gebracht door de hoofdofficier van justitie indien gebruik gemaakt gaat worden van deze regeling. Deze regeling wordt vaak niet toegepast indien het gaat om deals met informanten. Het is voorgekomen dat noch de hoofdofficier, noch de procureur-generaal op de hoogte werden gesteld van deals met informanten. De commissie heeft tijdens haar onderzoek vastgesteld dat politie en justitie verschillende deals met informanten hebben gesloten. Hierbij belooft het OM onder meer niet tot actieve opsporing over te gaan, sepot, de toezegging van een lagere strafeis, een milder regime, wegzenden of strafonderbreking. Deze deals geschiedden niet altijd na tussenkomst van een officier van justitie. Op dit terrein zijn ook contacten tussen CID-en en andere ambtenaren van het OM geweest:


 

De heer Van Steeg:

In, ik meen, 1991, kon de CID op het openbaar ministerie nog een ambtenaar aantreffen die ons bijvoorbeeld met de opschorting van een straf van dienst kon zijn. Hiervan heb ik u verslag gedaan.

De voorzitter:

Zonder de officier te raadplegen. Hoe vaak heeft u van die mogelijkheid gebruik gemaakt?

De heer Van Steeg:

Ik denk heel weinig. In een bepaalde tijd is het misschien twee keer voorgekomen. Noot De commissie kwam in één geval ter ore dat politie en justitie voornemens waren om een informant, die tevens als verdachte in een zaak was aangehouden, vrij te krijgen door bewust een vormfout te plegen. Hierover waren met de informant reeds afspraken gemaakt. De verdachte had waardevolle informatie over een drugbende verstrekt. De commissie heeft gemeend de minister van Justitie van dit geval op de hoogte te moeten stellen. De minister van Justitie heeft daarop maatregelen genomen die ertoe hebben geleid dat de vormfout niet heeft plaatsgevonden. De deal moest vervolgens worden aangepast: anonimiteit kon gewaarborgd blijven maar afzien van strafvervolging zat er niet meer in. Noot


De heer Jansen:

Dat was een geval waarin het probleem zat - het is al even aan de orde geweest - van de vrijwaring van de infiltrant. Men had gezegd: natuurlijk, wij moeten jou op een bepaald ogenblik ook wel aanhouden samen met de andere verdachten, want je speelt een rol in die zaak, maar wij halen je er wel uit. Men kwam daarmee in de problemen en stuurde toen aan op het maken van een vormfout.

De voorzitter:

Een welbewuste vormfout?

De heer Jansen:

Ja. Wij hebben gezegd dat wij dat volstrekt onaanvaardbaar vinden.

De voorzitter:

Heeft men toen naar u geluisterd?

De heer Jansen:

Toen heeft men naar ons geluisterd in die zin dat men zei: wij zijn het niet met je eens. Maar dat is ook de zaak waarin het beroep op de portefeuillehouder heeft plaatsgevonden. Noot

Tijdens het Laundry-onderzoek in Rotterdam waren politie en justitie begonnen met het sluiten van een deal met een verdachte die was aangehouden tijdens dit onderzoek. Overeengekomen was dat de informant informatie zou leveren over de criminele organisatie en zou getuigen op de zitting en dat het OM op haar beurt dan zou afzien van verdere vervolging van deze verdachte, met uitzondering van eventuele betrokkenheid bij geweldsdelicten. Echter voordat de informant al zijn verklaringen had kunnen afleggen werd hij geliquideerd. Noot

Niet alleen met verdachten, maar ook met afgestraften worden deals gesloten. In de volgende casus worden deals met gedetineerden overwogen:
In het kader van het Copa-onderzoek is een voorstel gedaan aan een aantal personen, die aanzienlijke vrijheidsstraf was opgelegd, voor door hen te leveren informatie strafvermindering te verlenen. Uit het voorstel is niet zonder meer in elk geval duidelijk om hoeveel strafvermindering het gaat. Er wordt eenmaal uitdrukkelijk de periode van zes maanden genoemd. Ook wordt gesproken van strafvermindering van substantiële duur. Een andere informant wilde dat bewerkstelligd werd dat via een voortvarende toepassing van de WOTS-procedure hij zijn straf in Nederland kon ondergaan (soepeler regime). Met dit voorstel verklaarde de Centrale Toetsingscommissie zich in beginsel accoord. Belangrijk is de volgende overweging in het oordeel van de Toetsingscommissie : «De commissie heeft zich bij haar oordeel voornamelijk gebaseerd op het feit dat dat indien bedoelde verklaringen door betrokkenen zouden zijn afgelegd bij de behandeling van hun zaak ter zitting, het aannemelijk is dat dit zou hebben geleid tot een lagere eis van de officier van justitie dan wel tot een lagere strafoplegging door de rechtbank dan wel in hoger beroep door het gerechtshof.»

 

De heer Van der Voort:

Deals met criminelen kunnen conform de richtlijnen van de PG's als een ultimum remedium worden gezien, als een laatste poging om een belangrijke zaak, een zaak van leven of dood, daarmee rond te krijgen, wat op een andere manier niet zou lukken. Wij stonden voor de volgende keuze. Er was een zaak rond te krijgen, maar daarvoor was een deal noodzakelijk. Men vond dat, alles in aanmerking genomen, een te zwakke basis om die zaak daarmee uiteindelijk voor de rechter te brengen. Toen is gezegd: dan is het ook zinloos om de deal met de crimineel te sluiten.

De heer De Graaf:

Om wat voor soort deals ging het?

De heer Van der Voort:

U moet denken aan strafvermindering, strafonderbreking.

De heer De Graaf:

Criminelen die reeds zitten, kunnen strafverlichting krijgen.

De heer Van der Voort:

Als u vraagt of vooraf wel eens deals met criminelen zijn of worden gesloten, in die zin dat ze daarmee strafvervolging kunnen ontlopen, dan is mijn antwoord heel duidelijk: neen. Noot

Ook Blok, hoofdofficier te 's-Gravenhage wordt gevraagd naar dit afgestraftentraject:

 

De heer Koekkoek:

Maar het ligt anders ten aanzien van afgestraften?

De heer Blok:

Dat traject zijn wij ingegaan, ja. Het is er overigens nooit van gekomen, maar wij hebben daar wel voorstellen over gedaan. Het voordeel was misschien ook dat de beslissing uiteindelijk bij de minister ligt of dat al dan niet doorgaat. Dat kunnen wij zelfs wettelijk niet eens. Noot Heden ten dage wordt overwogen om met één van de zeven een concrete deal te sluiten.

In de volgende casus is het wel gekomen tot een deal met een informant/tipgever: Een verdachte van een moord uit 1986 zit vast voor de uitlokking van brandstichting op het café van zijn ex-vriendin. De ex-vriendin zou kunnen verklaren over zijn betrokkenheid bij de moord in kwestie. In ruil voor haar verklaring op naam wordt haar door het plaatselijk OM bescherming beloofd. Voor deze toezegging was geen goedkeuring gevraagd van het ministerie van Justitie dat echter wel geacht werd de kosten voor dit getuigenbeschermingsprogramma te voldoen. Enigszins voor het blok gezet, stemde het ministerie in en
verzorgde voor de ex-vriendin een verblijf elders in het land onder een andere identiteit. Het betreffende parket OM gaf toe dat getuigenbescherming gecompliceerder is dan men had gedacht. De commissie heeft ook in een lopend onderzoek een deal met een criminele informant aangetroffen die sterk vergelijkbaar is met het principe van een kroongetuige. Noot In ruil voor informatie over een criminele organisatie hebben een hoofdofficier van justitie, de Centrale toetsingscommissie en de minister van Justitie ingestemd met de vrijwaring van strafvervolging en het gedurende langere tijd beschermen van de getuige en zijn familie. De getuige en zijn familie wordt tevens de mogelijkheid geboden elders een nieuw leven op te bouwen. De betrokken officieren van justitie hebben toegezegd te zijner tijd de gehele deal bij proces-verbaal voor te leggen aan de rechter. Noot

 

5.3.9 Sturing en controle

De controle op de CID bij het runnen van de informanten is gering. Vanwege de bescherming van de identiteit van de informanten heeft niemand buiten de CID een volledig zicht op diens activiteiten. De tactische recherchechef heeft slechts invloed op de CID voor zover hij de CID vraagt informatie te verzamelen. Maar ook dan is het niet vanzelfsprekend dat de CID-chef de recherchechef inlicht over de wijze waarop de informatie wordt verzameld. De korpsleiding heeft nauwelijks enige bemoeienis met de inhoud van het werk van de CID. De bemoeienis van de korpsleiding beperkt zich veelal tot organisatorische beslissingen. De onderlinge verhoudingen tussen de CID-en laten te wensen over. Mede vanwege het vertrouwelijke karakter van de informatie is er weinig intensieve samenwerking. Bij de overdracht van informanten doen zich nogal eens problemen voor. Regelmatig worden informanten gerund voor een andere regio. De CID-officier van justitie heeft de mogelijkheid tot sturing en controle van de CID. Noot Dat neemt niet weg dat veel CID-officieren van justitie slecht op de hoogte zijn van de activiteiten van de CID. Tot voor kort bestond er een grote afstand tussen de CID-officier van justitie en de CID. De identiteit van de informanten is in het merendeel van de gevallen niet bekend bij de CID-officieren van justitie. Slechts zelden hebben de officieren daadwerkelijk weleens de informantendossiers en/of CID-registers ingekeken. Er lijkt een verandering te komen in de houding van de CID-officieren van justitie ten opzichte van de CID. Tegenwoordig wordt een veel actievere houding aangetroffen, waarbij CID-officieren van justitie op eigen initiatief vragen stellen en informatie eisen over de activiteiten van de CID.

Een rechter-commissaris heeft tot op heden geen vastgelegde taak ten opzichte van informanten. Slechts een enkele rechter-commissaris is op de hoogte van de activiteiten en de identiteit van een informant. Hoewel de rechter-commissaris soms een beslissing moet nemen tot het inzetten van dwangmiddelen (mede) op basis van informatie van een informant zal een rechter-commissaris zelden beslissen een informant zelf te horen. Het proces-verbaal van de CID-chef wordt voldoende geacht.

 

5.3.10 Corruptiegevoeligheid

Verschillende opsporingsmethoden dragen risico's van corrumptief gedrag in zich. Er is een aantal gevallen bekend van rechercheurs die in hun werkuitoefening bezweken zijn voor ongewenste beïnvloeding door onder meer informanten. Deze beïnvloeding zou ook een directe link hebben met de georganiseerde misdaad. Noot Kuijper zegt hierover tijdens zijn openbaar verhoor:

 

 

De heer Rabbae:

In het kader van ons onderzoek is het interessant om van u te weten welke invloed, structureel of incidenteel, de georganiseerde criminaliteit heeft op de politie.

De heer Kuijper:

Uit eigen ervaring kan ik daar betrekkelijk weinig over zeggen. Ik kan alleen maar een gevoel vertalen. Erg veel zaken zijn er nog niet geweest, maar de zaken die er zijn geweest laten wel zien dat er sprake was van regelrechte omkoping voor het verkrijgen van diensten van de betrokken politieman. In het onderhavige geval ging het over informatie. Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat de georganiseerde criminaliteit het erop toelegt punten binnen de politie te krijgen waar men gebruik van kan maken. In een bepaalde zaak, die speelde in het gokhuizencircuit, was iemand gewoon «platgelegd» door de organisatie.

De voorzitter:

Platgelegd?

De heer Kuijper:

Corrupt gemaakt. Hij kreeg wekelijks een uitkering, variërend tussen de f.300 en f.500. Daar hoefde hij eigenlijk niets voor te doen. In het gokhuizencircuit was de verwachting dat de geldgever de intentie had om deze politieman in voorkomende gevallen te gebruiken, als dat nodig was. Dat is ook naar voren gekomen. Er is ook een veroordeling van de betrokken geldgever gekomen. Noot

In dit hoofdstuk en het hoofdstuk over infiltratie wordt aandacht besteed aan deze en andere vormen van
politieel corrumptief gedrag. Gezien de onenigheid die bestaat over de juiste definitie van het begrip corruptie heeft de commissie besloten een aantal verschijningsvormen te onderscheiden. Een onderscheid wordt gemaakt in normafwijkend gedrag (naggen), het lekken van politie-informatie, het behalen van (financieel of ander) voordeel aan criminele activiteiten, omkoping in de zin van het Wetboek van Strafrecht (of het Algemeen rijksambtenarenreglement) of anderzins het plegen van strafbare feiten. Dit ongewenste gedrag wordt bekeken in relatie tot bijzondere opsporingsmethoden die een directie relatie met het criminele milieu veronderstellen. Kuijper zegt desgevraagd hierover:

 

 

De heer Rabbae:

Kunt u ons aangeven welke opsporingsmethoden en -technieken van de politie corruptiegevoelig zijn?

De heer Kuijper:

Dat is het direct omgaan met het criminele milieu, in de breedste zin van het woord, variërend dus van het runnen van informanten tot het ondernemen van infiltratie-acties: ik denk dat dat zeer sterke corruptogene factoren zijn. Noot

Contacten tussen informanten en runners

Tijdens het onderzoek is gebleken dat de contacten tussen de informant en zijn runner(s) enkele jaren kunnen duren, in een enkel geval zelfs wel twintig jaar. Binnen een dergelijk tijdsbestek komt het voor dat de verhouding tussen de politieambtenaar en de informant uitgroeit tot meer dan een werkrelatie. Uit onderzoek is ondermeer gebleken dat een (voormalig) runner aan het ziekbed van één van zijn informanten heeft gezeten en dat een runner de begrafenis van zijn informant heeft bijgewoond.

De volgende twee casussen laten zien hoe een vriendschappelijke relatie tussen een rechercheur en een informant zich kan ontwikkelen en op welke manier dat op gespannen voet kan komen te staan met het op een integere wijze uitvoeren van politiewerkzaamheden. Bij het runnen van informanten bestaat het risico dat er (onbedoeld) politie-informatie terug het criminele milieu ingaat. In de gevallen die hieronder worden beschreven ontstaat de verdenking dat de betrokken politiemensen al of niet bewust politie-informatie doorgeven aan hun informant.

Casus 1. Een (tactisch) districtsrechercheur is in het midden van de jaren zeventig betrokken bij een aantal drugsonderzoeken naar een plaatselijk bekende crimineel. Vanaf die tijd hebben beiden regelmatig contact, waarbij de rechercheur met goedvinden van zijn superieuren de crimineel feitelijk als informant runt. Wanneer in het midden van de jaren tachtig in het district een CID wordt ingesteld, draagt de rechercheur zijn informant over aan twee CID-runners. De informant en de rechercheur hebben hierna echter nog steeds regelmatig contact. Mede naar aanleiding van een belastende verklaring van een gedetineerde, onderzoekt de Rijksrecherche de relatie tussen beiden. Uit het onderzoek blijkt dat ze in de loop der jaren een vrij hechte band hebben opgebouwd. De rechercheur heeft verschillende malen wanneer de informant in de gevangenis zat, bescherming geboden aan de echtgenote van de informant als deze zich bedreigd voelde. De rechercheur en de informant zijn tot twee keer toe samen met hun beider echtgenotes uiteten gegaan. De rekening werd beide keren door de informant voldaan. Een van die twee etentjes was kort nadat de informant op vrije voeten was gesteld. Bij een huiszoeking bleek de rechercheur op de verjaardagskalender van de informant te staan. Bovendien is gebleken dat de rechercheur en de informant er een gewoonte van hadden gemaakt om elkaar verjaardagskaarten en vakantiegroeten te sturen. Tijdens het Rijksrecherche onderzoek is van het wegtippen van informatie aan de informant over een op stapel staande huiszoeking, zoals de gedetineerde in zijn verklaring beweerde, niets gebleken.

Casus 2. Een wachtmeester van de Rijkspolitie heeft op verzoek - en onder begeleiding van - de CID een aantal jaren een informant gerund. Hun relatie is in verschillende opzichten opmerkelijk te noemen. De wachtmeester was eerder bijvoorbeeld nauw betrokken bij het in verzekering stellen van de informant, wegens diens betrokkenheid in een zaak van uitkerings-fraude. Hij heeft naar aanleiding van die zaak bovendien een reprimande van zijn chef gekregen omdat hij daags na de aanhouding de verdachte weer in vrijheid heeft gesteld, zonder enige vorm van overleg vooraf met bijvoorbeeld de hulpofficier van justitie. De wachtmeester werd er in de tijd dat hij de informant runde - die hij ten opzichte van anderen aanduidde als «mijn man» - door collega's regelmatig voor gewaarschuwd hun relatie niet te vertrouwelijk te laten worden. Desondanks bleek uit verschillende verklaringen in het kader van een Rijksrecherche-onderzoek onder meer, dat de wachtmeester een gemeenteambtenaar en zelfs de burgemeester persoonlijk heeft benaderd met het verzoek om de korting op de bijstandsuitkering van zijn informant - vanwege diens betrokkenheid in de fraude-zaak - op te heffen. Op verzoek van de wachtmeester heeft diens chef, voorafgaand aan de zitting in de fraude-zaak - met de officier van justitie overlegd over het eventueel seponeren van de zaak. De officier van justitie heeft toen geen toezeggingen hierover gedaan en nadrukkelijk gevraagd hun overleg «kabinet» (vertrouwelijk) te houden.
Later blijkt dat de wachtmeester zijn informant toch hiervan op de hoogte heeft gesteld. De informant verschijnt uiteindelijk niet op de zitting, maar hij meldt zich ziek. Gevraagd naar de (werkelijke) weigering van de informant om te verschijnen, antwoordt de wachtmeester desgevraagd: «Als hij naar de zitting zou gaan wordt hij veroordeeld en kan de gemeente het totale bedrag op hem terugvorderen en dat zou toch te gek zijn.» Een nauwe relatie tussen de informant en zijn runner kan er toe leiden dat het voor de politie-ambtenaar steeds moeilijker wordt om bijvoorbeeld cadeaus van zijn criminele kennis te weigeren of ze zelfs als zodanig te herkennen. Illustratief zijn in dit verband een CID-rechercheur die van een crimineel een paar dure schoenen aanneemt en een runner die op kosten van een crimineel op vakantie gaat.

 

 

Het risico van financieel voordeel:

tipgeld

Naast informanten die incidenteel en vrijblijvend informatie verstrekken, zijn er ook «broodinformanten» die uitsluitend informatie verstrekken in ruil voor het tipgeld van justitie of van verzekeringsmaatschappijen. Bij het runnen van informanten gaat veel geld om. Het ministerie van Justitie heeft bijvoorbeeld in 1994 fl. 1.576.100,- aan tipgeld uitbetaald. Er blijkt bovendien sprake te zijn van een aanzienlijke stijging van het totaal aan tipgelden (zie paragraaf beloningen). In de praktijk kunnen zich ten aanzien van de uitbetaling van tipgeld verschillende corruptie-risico's voordoen. Er is melding gemaakt van een CID die voor de uitbetaling van zijn tipgelden een particulier bewakingsbedrijf heeft ingeschakeld, met alle gevaren van dien. De volgende casussen illustreren nog een aantal andere risico's. Casus 3. De Rijksrecherche is een onderzoek gestart naar aanleiding van de verklaring van een informant dat hij geen tipgeld zou hebben ontvangen, terwijl hem dat wel was toegezegd. «Tussen de uitbetaler en de ontvanger zou iets zijn blijven zitten», aldus een van de betrokken rijksrechercheurs. Dit bleek echter niet het geval te zijn geweest. Bij de uitbetaling van het tipgeld zijn geen onregelmatigheden aan het licht gekomen. Wel is gebleken dat de afspraken over de uitbetaling van het tipgeld in een één-op-één-situatie zijn gemaakt. De Rijksrecherche heeft toen de aanbeveling gedaan dat in het vervolg runners beter met z'n tweeën kunnen opereren en de informant een bewijs van betaling moeten laten ondertekenen. Casus 4. Een voormalig «runner» is van baan veranderd en verricht nu andere politie-werkzaamheden. Hij onderhoudt echter nog wel regelmatig contact met enkele van zijn oude informanten. Een van hen heeft recentelijk nog belangrijke informatie geleverd en is hiervoor betaald door een verzekeringsmaatschappij. Het

tipgeld wordt daarvoor eerst overgemaakt op de giro-rekening van de ex-runner. De Rijksrecherche heeft aanwijzingen dat het geld niet verder komt en dat de politieman het tipgeld in eigen zak stopt. Tijdens het onderzoek dat hierop volgt is hiervan echter niets gebleken. De voormalige runner maakt het tipgeld over van zijn giro naar de rekening van de informant. De Rijksrecherche heeft de politieman wel te kennen te geven, dat hij - nu hij geen runner meer is - moet stoppen met runnen van informanten. Casus 5. «Uit diverse verklaringen en omstandigheden kan door de politieleiding, die al langer argwaan jegens betrokkene koestert, worden opgemaakt dat een rechercheur delen van partijen in beslaggenomen verdovende middelen, kennelijk samen met een informant waarmee hij zeer vriendschappelijke relaties onderhoudt, in het illegale handelsverkeer heeft gebracht en een fors deel van de inkomsten hieruit ook zelf heeft geïnd. De betrokken politieman ontkent dit maar geeft wel toe dat hij mee heeft gedeeld in hoge tipgelden die dezelfde informant door zijn toedoen heeft opgestreken. Ook komt vast te staan dat hij met deze persoon nog contacten onderhield nadat hem dit uitdrukkelijk was verboden. Na het nodige onderzoek wordt deze politieman ontslagen». Noot

Een vergelijkbaar probleem doet zich in omgekeerde zin voor bij het inleveren van criminele verdiensten door informanten bij de CID. Noot Deze gelden worden tot op heden op een speciale rekening van de CRI geparkeerd. Het is voorstelbaar dat door de ondoorzichtige gebruiken en administratie op dit gebied, ingeleverde verdiensten aan de strijkstok blijven hangen. Dit risico wordt slechts gesignaleerd: een concreet voorbeeld is de commissie niet bekend.

 

Omkoping

De relatie tussen een informant en zijn begeleider kan op verschillende manieren aanleiding geven tot vormen van politiële corruptie. Hierbij speelt ook een rol dat het overgrote deel van de informanten afkomstig is uit het criminele (drug)milieu. Over het nut van informanten wordt door politiemensen wel gezegd: hoe fouter hoe
beter. Met andere woorden: een grote crimineel kan over de meeste informatie beschikken. Wanneer in de praktijk sprake is van corruptie ten aanzien van het runnen van informanten, is dat soms het resultaat van een heel geleidelijk proces dat misschien begint als een vorm van normafwijkend gedrag en kan uitmonden in omkoping. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende casus.

Casus 6. «Het begon met een simpel verzoek van de tipgever aan de rechercheur: of die even een kenteken voor hem wilde opvragen: «voor wat hoort wat, nietwaar?» Het volgende verzoek kwam enkele weken later: de tipgever wilde graag weten of mijnheer X bij de HKD (herkenningsdienst) bekend was. Ook die informatie werd hem verstrekt. Dat gebeurde nog een paar keer. Daar tussendoor een drankje en een etentje, alles op rekening van de informant. Het venijnige staartstuk kwam ongeveer een jaar later: de runner werd nu «gerund» en leverde de ene vitale strategische recherche-informatie na de andere aan zijn informant. De tegenprestatie bestond uit een (vaste) plaats op de loonlijst van een criminele organisatie. Noot

Controle

Eén van de problemen bij het omgaan met informanten is, dat niet altijd duidelijk is wie de regie heeft: de runners of de informant. Wie runt wie? Het is van groot belang, dat de informant zich door de runner laat leiden en dat hij het initiatief niet van de runner overneemt. In de praktijk hebben zich inmiddels verschillende gevallen van «omgekeerde sturing» voorgedaan. Noot Een bijzondere vorm hiervan is de informant die optreedt als «dubbelspion» en niet alleen informatie doorgeeft aan de politie, maar ook over de politie. Dit risico is volgens sommigen toegenomen, doordat in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van gestuurde informanten/burgerinfiltranten:

 

 

De heer Hiddema:

Er is een heel gevaarlijke trend, die zich aldus laat situeren. De criminele organisaties weten stuk voor stuk - er zijn immers zoveel processen geweest - dat er wordt gewerkt met burgerinfiltranten.

De voorzitter:

Maar dat weet men al jaren.

De heer Hiddema:

Ja. Maar dan gaat men ervan uit dat ook hun organisatie al is, of ooit bezocht zal worden, door een burgerinfiltrant. Wat doet men? Men anticipeert op die mogelijkheid; men stuurt zelf een vertrouweling naar het politiebureau. Die man moet dan zeggen: ik ben Pietje en ik wil graag infiltreren in de organisatie van Y, want daar weet ik alles van. Maar Y heeft hem zelf gestuurd. Dat is zeer profijtelijk, want zo neutraliseer je het effect van een politie-informant - het is immers je eigen informant - maar je kunt gelijktijdig ook in de politiekeuken kijken, om te zien wat ze tegen jou aan het uitbroeden zijn. Dat is een mogelijkheid die de criminaliteit nooit zo sterk heeft gehad. Toen er geen burgerinfiltranten waren, kwam je daar ook niet zo makkelijk met een runner in. Noot

De heer Rouvoet:

Ik wil even stilstaan bij die criminele infiltranten. Is een consequentie van uw opmerking dat de criminele organisaties niet om iemand heen kunnen, dat een succesvolle criminele infiltrant eigenlijk per definitie niet voor de politie is te regisseren?

De heer Snijders:

Het hangt ervan af wat je met hem afspreekt. Maar ik moet vaststellen dat er in de trajecten die ik heb bekeken, te vaak momenten zijn dat de man of vrouw in kwestie bepaalt wat er gebeurt. Zij hadden althans invloed op het proces. Ik denk dat dit absoluut niet mogelijk moet zijn. Dan heb je geen strakke sturing meer.

De voorzitter:

Aan welke elementen van de doorleveringstrajecten die wij nu bespreken, denkt u dan?

De heer Snijders:

Ik wil het wat breed houden. Er is een keten van handelingen van mensen. Er worden auto's gebruikt, er worden loodsen gebruikt. Soms werden de voorwaarden gesteld vanuit het milieu: wij willen dit of dat. Ik kan daar niet dieper op ingaan. Maar dan werd feitelijk vastgesteld dat vanuit het milieu, de groepering waarop gedraaid werd, heel nadrukkelijk werd gezegd: wij willen dit of wij willen die. Dat is opgevolgd. Noot

 

5.4 Casusonderzoek Laundry

 

Een casus ter illustratie van een verdovende middelenzaak waarin een kroongetuigeregeling

 

wordt gehanteerd.

 

Feiten en omstandigheden

In de jaren tachtig voert Kobus L., bijgenaamd «De Kamper», het bewind over een organisatie die handelt in zowel soft- als harddrugs. Hij is de onbetwiste leider en financier van alle projecten en laat zijn gezag regelmatig gelden, waarbij geen geweld wordt geschuwd. Hij opereert vanuit een woonwagenkamp.
Met zijn vrouw beheert L. verschillende bedrijven die dienen als dekmantel voor de illegale praktijken. Tussen deze bedrijven worden goederenstromen op gang gebracht waaronder zich verdovende middelen bevinden. Kobus L. heeft de beschikking over vele dekmantelfirma's en koeriers. Dit is ondermeer het geval omdat hij regelmatig mensen er weer boven op helpt nadat die in ernstige financiële problemen zijn geraakt. Deze geldelijke ondersteuning kan worden terugverdiend door handen spandiensten te verlenen aan Kobus L. Hij regelt zijn zaken hoofdzakelijk vanuit de keuken van zijn woning. Tijdens zijn afwezigheid neemt zijn zoon Bertus L. de zaken waar.

Lambert S. is de compagnon van Kobus L. Hij verzorgt met name de financiële kant van de illegale operaties, zoals het opzetten van witwasconstructies via Luxemburg, Engeland, Gibraltar en Oostenrijk. Een getuige verklaart hierover het volgende:

Lambert S. en Ine Q. (Kobus' vrouw) kwamen aan met een man die zijn zakken vol had gepropt met geld. Het ging om 1,25 miljoen gulden. Zij gaan dan naar de bank in Luxemburg. Op het moment dat de bank vragen gaat stellen over de herkomst van het geld treedt Q. naar voren. Zij tekende bij de bank voor de herkomst van het geld, dit na haar paspoort aan de bankmedewerker te hebben getoond. Zij bevestigde daarbij meerdere malen dat het haar geld was. Noot

Naast de kernleden Kobus L. en Lambert S. bestaat de organisatie uit wisselende leden. Een aantal van deze handlangers komt uit het «kampers»-circuit. Zij runnen bijvoorbeeld dekmantelfirma's of vervoeren verdovende middelen met speciaal voor dit doel aangeschafte auto's. Noot Ook worden regelmatig vrachtauto's van respectabele autoverhuurmaatschappijen gehuurd waarmee de verdovende middelen vervoerd worden. Noot De vrouwen binnen de groep vervullen over het algemeen de rol van intermediair en meldkamer. Zij leggen de verbindingen tussen de diverse personen tijdens de operaties. Noot De bedrijfsvoering wordt ondersteund door diverse adviseurs. Zo maakt een notaris akte op van een gepretendeerde overeenkomst van geldlening, waardoor hij medewerking verleent aan een witwasconstructie. Noot N. wil vervolgens dat de geldleenovereenkomst meer status krijgt en derhalve laat men een notaris een notariële akte met betrekking tot een en ander opmaken. Noot Bovendien wordt er ook gebruik gemaakt van de diensten van een advocaat uit Dordrecht, die onder andere witwasconstructies op hun juridische aspecten bekijkt Noot , een belastingadviseur, een accountant Noot en een medewerker van het Marokkaans consulaat. Noot Een Belgische politieman wordt gevraagd om een veroordeling van Kobus uit 1991 aldaar uit de computer te halen.

(...) dat dhr. L. iets te maken had met omkoping. Zijn veroordeling ter zake van export in België van soft- en harddrugs moest uit de computer. Noot
Ook worden verschillende douanefunctionarissen omgekocht.
Frans had een Marokkaanse douane-ambtenaar omgekocht. Hij kon de auto de grens overbrengen als deze man dienst had. Frans vertelde mij dat hij deze man geld gaf, zodat hij geen problemen kreeg met de papieren van de auto. Noot

Tevens wordt gebruik gemaakt van valse paspoorten en rijbewijzen. Zo heeft Kobus L. een vals rijbewijs met zijn pasfoto op de naam van Bertus K. Noot
De handel in verdovende middelen verloopt via landen als Suriname, Marokko, Nigeria, India, Frankrijk en Roemenië. In principe bemoeit Kobus zich niet met operationele zaken. Totdat een grote klapper gemaakt kan worden. Zo wordt hij gesignaleerd in Suriname alwaar hij contact heeft met de voormalige legertop over een grote partij cocaïne.

Kobus L. vertelde dat hij drie dagen besprekingen had gevoerd met de militairen, onder andere met Iwan G., over het afnemen van cocaïne. Kobus L. vertelde mij dat de militairen afwilden van de kleine jongens, die maar hoeveelheden van 100 kilo cocaïne afnamen en alleen met de grote jongens zoals Kobus L., zaken wilden doen. Noot

Vervolgens komt, verstopt in bundels hout, een partij van 357 kilo cocaïne aan in de Rotterdamse haven in mei 1991.

Het politieel en justitieel onderzoek


De partij van 357 kilo wordt in Breda in beslag genomen door de politie. Er wordt een onderzoek ingesteld, waarbij verschillende personen worden aangehouden. Naar aanleiding van dit onderzoek, geplaatst naast reeds aanwezige CID-informatie over Kobus L., inhoudende dat hij onder meer verantwoordelijk zou zijn voor een tiental liquidaties wordt besloten tot een vooronderzoek dat resulteert in een gerechtelijk vooronderzoek op Kobus L. dat geopend wordt in september 1991. Later worden ook twee strafrechtelijke financiële onderzoeken geopend op Kobus L. en Lambert S.

Een multidisciplinair team dat bestaat uit personeel van de Regionale RechercheDienst (RRD) van de regiopolitie Rotterdam Rijnmond, de belastingdienst en de FIOD, rechercheert tot in het voorjaar 1995 op de criminele organisatie. Hierbij wordt een groot aantal telefoongesprekken van zowel autotelefoonverkeer als gewone telefoons en faxen afgetapt. Dit zijn in totaal 88.424 gesprekken. Verder wordt een groot aantal personen gehoord, te weten 94, waarvan 62 als verdachte. Uiteindelijk staan 11 hiervan terecht. Ook worden huiszoekingen verricht. Noot Zowel tactisch als CID-matig worden opsporingsmethoden ingezet. Zo worden vijf videocamera's op vier verschillende lokaties geplaatst. De keuze voor bepaalde lokaties wordt ondermeer bepaald naar aanleiding van RCID-informatie. Noot De zaaksofficier van justitie geeft aan dat contra-observatie-activiteiten soms nopen tot de plaatsing van deze videocamera's. Zo moet in opdracht van Kobus L. een auto gevolgd worden die reeds vijf maal langs het huis van Kobus L. heeft gereden en Ineke Q. moet kentekens noteren van auto's die bij of rond het kamp rijden. Noot Tot de contra-activiteiten hoort ook het achterhalen van privé-gegevens van een ambtenaar die financieel onderzoek doet naar de criminele organisatie. Noot Naast het feit dat de positie van camera's onder meer is bepaald door CID-informatie over lokaties, blijkt dat meer structureel gebruik is gemaakt van informanten. De teamleider stelt dat er inderdaad CID-informatie is gebruikt. Van der Spoel, raadsman in deze zaak, zegt in zijn openbaar verhoor over de moeilijkheden voor de verdediging met het gesloten CID-traject het volgende:

 

De heer Vos:

Hoe prepareert u zich als advocaat op de kennelijke onevenwichtigheid die u vaststelt inzake CID-informatie? Maakt u gebruik van ongebruikelijke methoden om toch een vinger achter de waarheid te krijgen? Bent u bereid een beroep te doen op privé-detectives?

De heer Van der Spoel:

Dat is een ontwikkeling die zich de komende tijd wel eens zou kunnen gaan aftekenen. In CID-kringen zit ook vaak het observatietraject. Men observeert langdurig en legt maar mondjesmaat rekening en verantwoording af van die observaties. In de Laundry-zaak ben ik zelf met een fototoestel op pad gegaan naar bepaalde objecten om precies te zien of de beweringen in het dossier gedekt konden worden door de observaties. Hoe ziet een woning eruit? Hoe kun je er naar binnen kijken? Waarvandaan kan dat gebeurd zijn? Bij een loods werd op een gegeven moment gesteld: wij hebben geconstateerd dat zich in de loods een bus bevond. Dan ga je naar die loods toe om te zien of je er inderdaad van buitenaf in kunt kijken. Noot

Een andere gehanteerde opsporingsmethode is het peilbaken. Er wordt een peilzender geplakt op een bus in Polen, die geprepareerd is ten behoeve van een hasjtransport. De hasjish zou in Marokko worden geladen en naar Nederland worden gebracht. De officier van justitie zegt hierover:

De peilzender heeft zijn werk echter niet hoeven te doen omdat de bus niet meer uit Polen is vertrokken (uiteraard met uitzondering voor het terughalen van de bus door justitie naar Nederland). Noot Over het gebruik van afluisterapparatuur zegt advocaat Van der Spoel tijdens het openbaar verhoor: Tijdens de behandeling van de Laundry zaak zijn er in de pers bepaalde uitlatingen gedaan door een zekere Max Wijnschenk. (..) Hij verklaarde als techneut werkzaam te zijn geweest bij de politie in Rotterdam. Volgens hem was in de Laundry zaak niet alleen gebruik gemaakt van een videocamera, maar ook van microfoons. Noot Ter terechtzitting verklaart de teamleider dat dit niet gebeurd is.

Het requisitoir spreekt ook nog over het uitrechercheren van reisbewegingen van betrokkenen naar en van Suriname en Marokko. Noot Een aantal observatieteams wordt ingezet. Zo worden smokkelauto's geobserveerd die met drugs verstopt in de benzinetank of in het reservewiel op Marokko rijden. Ook wordt, na controle, een transport naar Roemenië onder observatie afgeleverd. De controle geschiedt in de haven van Antwerpen. Hier worden twee Nigeriaanse containers, gevuld met maïszakken en bestemd voor Roemenië, aan controle onderworpen. De dienstdoende ambtenaar beschrijft dit als volgt:

Wij gaan over tot controle van container (..), waarbij wij de ingestapelde zakken ontladen. Ongeveer in het midden van de lading maïszakken bemerken wij een aantal zakken welke van uitzicht en zoals achteraf blijkt in
gewicht, opmerkelijk verschillend zijn. Wij gaan aansluitend over tot doorgedreven nazicht en kunnen vaststellen dat betreffende zakken, elk op hun beurt, een aantal pakken inhouden.(...) Uit de volledige lading van container (..) kunnen wij 35 zakken recupereren welke pakken inhouden. Op basis van een gemiddeld gewicht van twee kilogram per pak, inhoudende marihuana, kunnen wij besluiten dat het brutogewicht van de verdovende middelen te situeren valt om en nabij 1050 kilogram. Na controle worden de zakken maïs, alsmede de zakken waarin verdovende middelen zitten, herladen in de respectieve container, dit met uitzondering van een pak marihuana, hetwelk als monster werd overhandigd aan de leden van het Laundry-team. (..) Op 21 juni 1993 worden beide containers opgehaald en aan boord geplaatst van het m.s. Caransebes, varende onder Roemeense vlag. Noot

Niet alleen de partij naar Roemenië maar ook een partij, die in een camper vervoerd wordt naar Parijs, wordt met toestemming van de Franse autoriteiten gecontroleerd afgeleverd. Wegens tijdsdruk kunnen de Belgische autoriteiten niet in kennis worden gesteld. Noot Deze partij is in Frankrijk in beslag genomen.

Kroongetuige

In dit onderzoek wordt de nog vrij uitzonderlijke opsporingsmethode van de kroongetuige ingezet. Noot Betrokkene, genaamd Helio Stewart, voormalig huisvriend en bodyguard van Kobus L., wordt in augustus 1993 aangehouden in verband met de invoer van 860 kilo hennep uit Nigeria. Hij verklaart dat hij tegenwoordig vaak met een pistool, dat hij ooit van Kobus L. gekregen heeft, op zak loopt omdat hij zich door hem bedreigd voelt. Noot De Groot, naast Van Wijk eveneens officier in deze zaak, zegt tijdens zijn openbaar verhoor hierover:

 

De heer De Groot:

Hij gaf erbij aan dat hij vreesde voor zijn leven en dat het een kwestie was van: óf hij Stewart zou meneer L. doodschieten, dan wel mijnheer L. zou hem doodschieten. Hij vond het wat dat betreft een praktische oplossing, als ik het zo mag formuleren, dat meneer L. door de politie zou worden opgepakt en voor een tijdje achter de tralies zou worden geborgen. (...) Nu wij twee jaar met dat onderzoek tegen die meneer L. bezig zijn en natuurlijk wel een stuk zijn opgeschoten, maar nog niet precies weten hoe het is, is het van belang om te kijken of wij met behulp van deze «kroongetuige avant la lettre» verder zouden kunnen komen. Noot

Tijdens verschillende verhoren met Stewart wordt duidelijk dat hij deel uitmaakt van de criminele organisatie van Kobus L. en dat zijn leven in gevaar komt als hij hierover verklaart. Hij verzoekt vervolgens om een regeling te treffen. Na ampel overleg tot aan het niveau van de procureur-generaal besluit het OM hem een deal aan te bieden. De deal is dat hij in ruil voor verklaringen naar waarheid en een bevestiging hiervan bij de rechter-commissaris en voor de rechter ter terechtzitting, niet vervolgd zal worden. Deze toezegging betreft zijn «betrokkenheid bij de zaken die nu aan uw rechtbank zijn voorgelegd» aldus de zaaksofficier, «met uitzondering van liquidaties of geweld». Noot Tevens vraagt Stewart om bescherming van zijn persoon en zijn gezin.

 

 

De heer Vos:

U had ook al met hem gesproken over een getuigenbeschermingsregeling. Hoe past dat in het verhaal?

De heer De Groot:

Wij hadden in beginsel met hem daarover gesproken. Hij stelde daar op dat moment, toen hij door de raadkamer werd losgelaten uit gevangenhouding, eigenlijk geen prijs op. Zijn inschatting was dat het pas een probleem zou opleveren op het moment dat wij zouden overgaan tot de aanhouding van meneer L. Noot

Vervolgens legt Stewart in het najaar van 1993 vele belastende verklaringen af over Kobus L. Dit komt echter abrupt tot een einde door de liquidatie van Helio Stewart op 6 december 1993 in Schiedam. Zijn inmiddels afgelegde verklaringen worden als bewijs ter terechtzitting gebruikt.

Overigens wordt er ook een overeenkomst bereikt met een andere verdachte, Frans de B. Afgesproken wordt dat «in zijn richting geen actieve opsporing zal plaatsvinden» Noot , in ruil voor verklaringen over hasjish en cocaïnetransporten van Kobus L. Later wordt Frans de B. in Marokko opgepakt. Zijn eerder afgelegde verklaringen worden eveneens in rechte gebruikt.

Een derde deal loopt op niets uit omdat de verdachte/getuige zich niet aan de afspraken houdt. De eerste poging tot aanhouding van Kobus L. mislukt. Hij ontsnapt en is spoorloos. Er wordt naar hem gezocht met behulp van cameraplaatsingen en er worden diverse experimenten in samenwerking met de PTT gedaan teneinde de ATF van Kobus L. te traceren. Noot Op 21 juli 1994 wordt Kobus L. alsnog aangehouden. Het onderzoek wordt in het voorjaar van 1995 afgerond.

Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank doet op 14 juni 1995 uitspraak in de zaak Kobus L. Zij acht bewezen dat Kobus leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie, valsheid in geschrifte heeft doen plegen en geld heeft witgewassen. Hiertoe heeft de verdachte onder meer tezamen met anderen 357 kilo cocaïne ingevoerd, alsmede twee partijen van drie en twee kilo cocaïne en 10.000 pillen MDMA uitgevoerd, en een poging gedaan tot invoer van marihuana. Daarnaast zijn bij de verdachte in diens woning en auto, vuurwapens en munitie aangetroffen. Noot Omstreden in deze zaak zijn de deals met criminelen, wier verklaringen gebruikt zijn door de rechtbank voor de bewezenverklaring. De officier van Justitie Van Wijk betoogt dat er slechts een deal getroffen is met wijlen de heer Stewart. De toezegging aan Frans de B. zou geen deal zijn. Noot Van der Spoel, raadsman in deze zaak, zegt in zijn openbaar verhoor hierover:

Bij de tweede getuige wordt er bijvoorbeeld gesproken over «niet-actieve opsporing» en door het OM wordt betwist dat dit een deal zou zijn. Maar ja, een betere deal kan ik mij nauwelijks voorstellen: als men niet actief wordt opgespoord, zal men ook niet strafrechtelijk worden vervolgd. Noot Verder is de verdediging van mening dat er vier deals zijn getroffen waaronder die met Helio Stewart en Frans de B. De rechtbank zegt hierover:

De rechtbank gaat ervan uit dat zogenaamde deals tussen verdachten/getuigen, te weten onderscheidenlijk Stewart en De B. enerzijds, en vertegenwoordigers van het justitieel apparaat anderzijds, tot stand zijn gekomen. Noot

In weerwil van de opstelling van het OM gaat de rechtbank dus uit van twee deals. De verdediging zegt tevens dat er gehandeld is zonder wettelijke basis. Dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, dan wel bewijsuitsluiting. De rechtbank is van mening dat het middel proportioneel en subsidiair ingezet is. De verklaringen van deze twee verdachten/getuigen zijn door de rechtbank voor het bewijs gebruikt: De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring niet in overwegende mate berust op een van deze verklaringen en dat deze verklaringen van Stewart en De B. (...) onderling in grote mate overeenstemmen en elkaar versterken, terwijl zij voorts in hoge mate steun vinden in ander gebezigd bewijsmateriaal. Noot

Kobus L. wordt veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf en een geldboete van een miljoen gulden. De zaak loopt op dit moment in hoger beroep bij het hof.

5.5 Beoordeling

Het runnen van informanten heeft geen afzonderlijke (formele) wettelijke basis. De CID regeling 1995 spreekt niet van informanten. Politie, justitie en rechterlijke macht hebben het runnen van informanten en het geven van informatie door informanten volledig geaccepteerd. Informatie van informanten vormt een wezenlijk onderdeel van de meeste opsporingsonderzoeken bij de georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat voor het runnen van informanten door de politie een wettelijke basis noodzakelijk is. Het verwerven van informatie door informanten kan een beperking van de persoonlijke levenssfeer van burgers inhouden. Daarnaast blijkt het runnen van informanten dermate complex te zijn dat een duidelijke wettelijke regeling zowel vanuit het perspectief van politie en justitie als vanuit de optiek van informanten, CID-subjecten en verdachten wenselijk is.

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van zowel politie en justitie als informanten zijn onduidelijk. Er zijn weinig regels voor de omgang tussen politie en informanten. In de Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden is een aantal regels opgenomen. Deze regeling heeft geen bindende werking voor de korpsen. Hiernaast is een ethische code ontwikkeld, die echter niet de status heeft van een formele regeling. Het is onduidelijk wie wanneer en onder welke voorwaarden in aanmerking komt voor een beloning. Het is onduidelijk of anderen dan de CID-rechercheurs de identiteit van de informanten moeten kennen. Soms worden afspraken tussen informanten en de politie vastgelegd, soms worden die alleen mondeling uitgewisseld. De CID wordt bij het runnen van informanten onvoldoende gestuurd en gecontroleerd. De speelruimte van CID-rechercheurs bij het runnen van informanten is groot.

De commissie is van oordeel dat de vrijheid van de CID bij het runnen van informanten te groot is. Het is naar het oordeel van de commissie noodzakelijk een meer adequate controle en sturing mogelijk te maken. De
bevoegdheden en verantwoordelijkheden van politie en justitie bij het runnen van informanten moeten worden vastgelegd. Daarbij moet het uitgangspunt zijn dat alle afspraken tussen informanten en politie en justitie schriftelijk worden vastgelegd door de politie. Het moet te allen tijde mogelijk zijn te achterhalen welke afspraken gemaakt zijn tussen informanten en politie en justitie. In hoofdstuk 10 geeft de commissie haar oordeel over de wijze waarop tijdens de zitting om gegaan moet worden met deze informatie. Informanten zijn anoniem. Politie en justitie getroosten zich veel moeite om de identiteit van informanten te beschermen. Soms hanteren politie en justitie daarbij ondoorzichtige constructies, zoals de U-bocht en het inschrijven van politiemensen als informant. De commissie acht het ongewenst dat politiemensen als informant worden ingeschreven. Het onder alle voorwaarden beschermen van de identiteit van de informant heeft politie en justitie in een ongewenste positie geplaatst. Het gevaar bestaat dat politie en justitie te veel afhankelijk worden van de informant. Het beschermen van de identiteit van de informant wordt een instrument voor informanten om hun positie ten opzichte van politie en justitie te versterken. Ten aanzien van het runnen van informanten en de risico's van politiële corruptie die deze methode mogelijk met zich meebrengt, komt de commissies tot de volgende oordelen. Bij het runnen van informanten bestaat het risico dat de runner de regie over de informant verliest en de informant de runner leidt in plaats van andersom. De relatie tussen een informant en zijn runner kent een paradoxaal karakter. Aan de ene kant wordt van de runner verwacht dat hij het vertrouwen van de informant probeert te winnen om op die manier zoveel mogelijk informatie te kunnen verzamelen. Anderzijds geldt dat hoe groter het onderlinge vertrouwen tussen beiden is, hoe groter het risico wordt dat er privé-contacten tussen hen ontstaan, met alle gevaren van dien. Het runnen van informanten door rechercheurs die hiervoor niet zijn opgeleid maakt deze opsporingsmethode extra gevoelig voor corruptie.

Politie en justitie moeten naar het oordeel van de commissie te vaak zaken geheim houden waardoor onderling wantrouwen wordt versterkt. Het structurele geheime karakter van het runnen van informanten heeft soms een desintegrerend effect gehad op het functioneren van politie en justitie. De commissie is van oordeel dat de anonimiteit van informanten geen vanzelfsprekende zaak is. Dit brengt met zich dat informanten in de toekomst meer frequent zullen moeten getuigen. Daarbij kan de constructie van de bedreigde getuige een bijdrage leveren. In hoofdstuk 10 wordt daar meer specifiek op ingegaan. Dit neemt niet weg dat de commissie zich zeer bewust is van de gevaren die sommige informanten lopen indien zij informatie geven aan de politie. Politie en justitie moeten het midden weten te vinden tussen het beschermen van een informant en de rechtsstatelijke eisen van openbaarheid en verantwoording. De effectiviteit van het runnen van informanten wordt door politie en justitie hoog ingeschat. Het ontbreekt echter aan objectieve gegevens om dit te kunnen vaststellen. De schattingen omtrent de hoeveelheid CID-informatie die daadwerkelijk wordt gebruikt door de tactische recherche lopen uiteen van 10% tot 50%. Bij het runnen van informanten speelt een complexe paradox. Hoe effectiever de informant, des te moeilijker is de informatie operationeel te gebruiken. Hoe dichter de informant bij de criminele activiteiten zit, des te moeilijker is het om de informatie te gebruiken, zonder de informant in gevaar te brengen. Het runnen van informanten is van groot belang voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Teneinde te voorkomen dat informanten het functioneren van politie en justitie schaden, is een wettelijke afbakening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden noodzakelijk. Afspraken moeten worden vastgelegd. Justitie moet daadwerkelijk controle kunnen uitoefenen op de activiteiten van de informanten. Indien mogelijk moet de informatie van informanten ter zitting worden besproken. Het runnen van informanten is pas dan rechtsstatelijk verantwoord en effectief als een evenwicht kan worden gevonden tussen controle en verantwoording van de informatie en bescherming van de informant.


HOOFDSTUK 6 INFILTRATIE

 

6.1 Omschrijving

Infiltratie is het met het oog op opsporing en vervolging onder gezag en regie van politie en openbaar ministerie binnendringen in een criminele organisatie of groep, het ervan deel uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds deel van uitmaken of het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien dit optreden gepaard gaat met het I) aannemen van een valse identiteit en/of II) plegen van strafbare feiten en/of III) aanbieden van goederen en/of diensten aan de criminele organisatie of groep. Infiltratie doet zich in verschillende vormen voor. De commissie is de volgende vormen van infiltratie tegengekomen:

strafprocessueel te kunnen optreden tegen de verkoper(s) en anderen die met betrekking tot dat goed een - Pseudokoop is een vorm van infiltratie gericht op de aankoop of poging daartoe van een goed teneinde strafbaar feit hebben gepleegd of gaan plegen.

strafprocessueel te kunnen optreden tegen de koper(s) en anderen die met betrekking tot dat goed een strafbaar - Pseudoverkoop is een vorm van infiltratie gericht op de verkoop of poging daartoe van een goed teneinde feit hebben gepleegd of gaan plegen.

in of deel uitmaken van een (criminele) organisatie, dan wel het leveren van goederen of diensten aan die - Projectmatige infiltratie is het al dan niet onder de dekmantel van een aangenomen identiteit binnendringen organisatie, teneinde zicht te krijgen op activiteiten en werkwijzen, ten aanzien waarvan concrete aanwijzingen bestaan van gepleegde of nog te plegen misdrijven die tot de georganiseerde criminaliteit gerekend kunnen worden, met als doel het geheel of gedeeltelijk beëindigen van criminele activiteiten en/of het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

coverbedrijven, door middel waarvan desgevraagd facilitaire ondersteuning in de vorm van goederen of - Een frontstore-operatie is het opzetten en/of exploiteren van een coverbedrijf of een structuur van diensten aan criminele groeperingen of organisaties wordt aangeboden.

verdachte zendingen aan de criminele organisatie waarna de verdachte zending in beslag wordt genomen. - Gecontroleerde aflevering is het met medeweten en onder toezicht van politie en justitie laten leveren van zonder dat de zendingen in beslag worden genomen waardoor de verdachte zendingen in het criminele milieu - Doorlaten is het met medeweten en onder toezicht van politie en justitie doorlaten van verdachte zendingen en bij consumenten terecht komen.

De commissie heeft op basis van haar onderzoek besloten wat betreft gecontroleerde aflevering en doorlating andere definities te hanteren dan in het rapport van de Werkgroep opsporingsmethoden het geval is. Zij heeft besloten de term «doorleveren» niet te gebruiken om verwarring met het begrip «gecontroleerde aflevering» te voorkomen. De commissie heeft zich laten leiden door wat zij heeft aangetroffen in de praktijk. De commissie beseft dat de bovenstaande definities niet geheel overeenkomen met de definities uit het rapport van de Werkgroep infiltratie Noot , die in opdracht van het College van procureurs-generaal een rapport heeft geschreven over infiltratie. De commissie is van oordeel dat haar definities meer recht doen aan de werkelijke gang van zaken bij de inzet van deze opsporingsmethoden.


6.2 Juridische grondslag, toetsing en omvang

Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. In enkele internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft gebonden, komt één van de vooromschreven varianten van infiltratie, te weten gecontroleerde aflevering, wel voor. Noot In de jurisprudentie is infiltratie sedert het Tallonarrest als opsporingsmethode erkend. Noot In de Richtlijn infiltratie, vastgesteld door de Vergadering van procureurs-generaal van 20 februari 1991, worden voorwaarden, werkmethoden, de rechtspositie van de infiltrant, het centraal voorwaardenscheppend orgaan, de gecontroleerde aflevering en de internationale samenwerking geregeld. De richtlijn noemt vier voorwaarden: a. De infiltrant mag door zijn optreden de verdachte niet brengen tot ander handelen dan waarop zijn opzet
tevoren reeds gericht was. Noot
b. Het optreden van de infiltrant dient plaats te vinden na goedkeuring door het openbaar ministerie, onder regie van de recherchechef en in nauw overleg met de betrokken officier van justitie. c. De toepassing van infiltratie moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en zorgvuldigheid. De aard van de op te sporen feiten moet de toepassing rechtvaardigen en andere meer gebruikelijke opsporingstechnieken moeten onvoldoende effectief geacht kunnen worden. De Hoge Raad oordeelde dat «bij beoordeling of voldaan is aan de eisen van proportionaliteit (..) niet alleen de ernst van de feiten van belang is maar ook de wijze waarop en de mate waarin ten behoeve van opsporing en vervolging van die feiten wordt opgetreden in het criminele milieu». Noot d. Als infiltrant dient bij voorkeur alleen een speciaal daarvoor opgeleide politiefunctionaris te worden ingezet. Noot

In de rechtspraak ligt de meeste nadruk op de eerste en derde voorwaarde. De Werkgroep infiltratie hanteert de noodtoestand als legitimatie voor het plegen van strafbare feiten tijdens infiltratie-acties. Noot De commissie acht dit onwenselijk.

De Vergadering van procureurs-generaal heeft op 6 december 1994 besloten dat de volgende infiltratie-acties vooraf ter toetsing aan de Centrale toetsingscommissie (CTC) van het OM moeten worden voorgelegd: zoals pseudo-koop en de gecontroleerde aflevering gericht op inbeslagneming (welke laatste moeten worden - alle (inter-)nationale (projectmatige) infiltratiezaken met uitzondering van eenmalige of kortlopende acties aangemeld ter registratie aan de CTC);

van criminele infiltranten, die onder regie en gezag van het openbaar ministerie en de politie strafbare feiten - alle vormen van - al dan niet langdurige - infiltratie-operaties waarbij gebruik wordt gemaakt van informatie (blijven) plegen;

coverbedrijf of een structuur van coverbedrijven, door middel waarvan desgevraagd facilitaire ondersteuning in - alle zogenaamde «frontstore-operaties» waarmee bedoeld wordt het opzetten en/of exploiteren van een de vorm van goederen of diensten aan criminele groeperingen of organisaties wordt aangeboden; De procedure is dat via een formulier een voorgenomen infiltratie-actie ter toetsing wordt aangemeld bij de - alle infiltratie-operaties, waarbij gebruik gemaakt wordt van niet- criminele burgerinfiltranten. Noot secretaris van de CTC. Na een toelichting van politie en/of justitie wordt door de CTC een beslissing genomen over de toelaatbaarheid. Noot De commissie heeft geconstateerd dat niet altijd een duidelijke toetsing mogelijk is van bovengenoemde voorwaarden. De CTC beschikt niet steeds over alle relevante informatie. Daarbij komt dat het de vraag is of begrippen zonder wettelijk kader als proportionaliteit, subsidariteit, zorgvuldigheid en uitlokking voldoende leidraad geven. Voor de meeste infiltratie-acties wordt, soms na ampel beraad, toestemming verleend.

 

Aantal aangemelde infiltratie-acties in 1995 en beslissingen CTC

Tabel
De voorwaarden die door de CTC aan infiltratie-acties worden gesteld zijn onder meer: - er mag niet worden afgeweken van de aard en de duur van de inzet zonder de CTC hiervan op de hoogte te stellen;

consequenties (o.a. aanhouding) bij schending hiervan;
- afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd en de burgerinfiltrant moet gewezen worden op de

buitenland: handelen conform Nederlandse richtlijnen, schriftelijke afspraken met buitenlandse autoriteiten - in geval van een buitenlandse politie-infiltrant in Nederland of een Nederlandse politie-infiltrant in het onder meer over vrijwaring als sprake is van het plegen van strafbare feiten en het sturen van een rogatoire
commissie.
Verder spreekt de CTC nadrukkelijk haar voorkeur uit voor deals met afgestraften in plaats van verdachten en in ruil voor «harde» verklaringen om zware zaken op te lossen.
Deze tabel laat, naast de aard van de beslissingen van de CTC, ook de omvang van het aantal meldingen ter toetsing zien. In het grootste aantal gevallen is er sprake van de toetsing van burgerinfiltratie, gevolgd door politie-infiltratie. Inkijkoperaties, deals met criminelen en overige, waaronder bijvoorbeeld direct afluisteren valt, komen ongeveer in gelijke mate voor. Deze aantallen geven geen uitsluitsel over het totaal aantal infiltratie-acties in 1995. Een aantal toetsingen betreft reeds afgeronde acties. Dit zijn derhalve toetsingen achteraf. Ook heeft de commissie geconstateerd dat er infiltratie-acties niet zijn aangemeld. Uit de verslagen van de vergaderingen van de CTC constateert de commissie dat verschillende doelen voor infiltratie-acties worden aangegeven. Soms gaat het om het identificeren van personen die betrokken zijn bij het begaan van strafbare feiten; soms om zicht te krijgen op de organisatie en de financiën; soms gaat het er alleen om zicht te krijgen op de leiders van de organisatie of het in beslag nemen van verdachte goederen. Al deze doelstellingen zijn door de jurisprudentie en de Centrale toetsingscommissie in specifieke gevallen als voldoende redenen aangemerkt. Het ontbreekt aan een eenduidige doelomschrijving voor de inzet van infiltratiemethoden.


6.3 Bevindingen

 

6.3.1 Pseudo-koop en pseudo-verkoop

In het midden van de jaren zeventig werd in Nederland pseudo-koop ingezet bij de bestrijding van de drughandel. Inmiddels vindt het middel pseudo-koop nog slechts incidenteel toepassing. De effectiviteit is in de loop der tijd geringer geworden aangezien de criminelen goed op de hoogte zijn van het gebruik van dit middel. Dat neemt niet weg dat in combinatie met andere vormen van infiltratie pseudo-koop is aangetroffen. Met enige regelmaat worden vertrouwensaankopen of proefaankopen gedaan door infiltranten om te kunnen beslissen of overgegaan moet worden tot een gecontroleerde aflevering of doorlating. Hiermee zijn nog aanzienlijke bedragen gemoeid:

 

Voorkoopgelden 1995-1990

Tabel
Uit deze tabel blijkt een duidelijke stijging over de laatste jaren van het totaalbedrag dat door het ministerie van Justitie is uitbetaald ten bate van voorkoop-acties. Dit wordt met name duidelijk als de jaren 1993 en 1995 worden vergeleken. Immers in deze jaren is welhaast een gelijk aantal zaken behandeld. Opvallend bij deze vergelijking is de spectaculaire stijging in het hoogste bedrag in één zaak: het bedrag in 1995 is het zestienvoudige van het bedrag in 1993. Afgezien van de invloed hiervan op het gemiddelde blijft ook dit bedrag in 1995 bijzonder hoog: het tienvoudige van het bedrag in 1993.

Pseudo-verkoop wordt zelden gebruikt. Het is moeilijk om aan de te leveren goederen te komen. De commissie heeft wel voorbeelden aangetroffen van pseudo-verkoop van wapens en grondstoffen voor synthetische drugs. Pseudoverkoop van grondstoffen voor de produktie van amfetamine

Een RCID koopt in België en Duitsland vele malen grondstoffen aan die gebruikt kunnen worden voor de produktie van amfetamine. Hiervoor wordt vaak vooraf geld ter beschikking gesteld door de informant. De aankoop door de Nederlandse politie gebeurt met medeweten of bemiddeling van de plaatselijke autoriteiten. Die RCID levert de grondstoffen tegen inkoopprijs aan de informant die het verkoopt met winst aan het laboratorium van de criminele organisatie. De bedoeling is om door observatie laboratoria te ontmaskeren. Uiteindelijk is dit nooit gelukt. Noot

 

6.3.2 Politie-infiltratie

 

Organisatie en omvang

Politie-infiltratie is voorbehouden aan de politiële infiltratieteams (PIT's). Dit gebeurt in overleg met de Afdeling nationale coördinatie politiële infiltratie van de CRI (ANCPI). Elk politieel infiltratieteam zou moeten
bestaan uit tien mannen en vrouwen, van wie vier infiltranten, vier begeleiders, een administratieve kracht en een teamleider. In 1992/1993 zijn de drie pseudokoopteams van de gemeentepolitie Amsterdam en het infiltratieteam West I van de Rijkspolitie opgeheven. Op dit moment zijn alleen de politiële infiltratieteams in het zuiden en het oosten op volle sterkte. In het noorden functioneert een half-bezet politieel infiltratieteam. Het landelijk politiële infiltratieteam is in oprichting en zal zich vooral bezighouden met internationale infiltratie. In de regio's Haaglanden en Rotterdam-Rijnmond bestaan er plannen voor de oprichting van nieuwe infiltratie-eenheden. Op dit moment beschikken politie en justitie dan ook slechts over ongeveer negen Nederlandse politie-infiltranten.

De omvang van de inzet van politiële infiltratie is niet eenduidig vast te stellen. De opgaven van de ANCPI Noot en de Werkgroep infiltratie over de aantallen verzoeken om politie-infiltratie in de afgelopen jaren (1991: 98; 1992: 66; 1993: 59 en 1994: 78) moeten met de nodige relativering bezien worden. De verzoeken in 1994 hebben slechts in 65 gevallen een operationeel gevolg gekregen en betreffen voor het grootste deel buitenlandse verzoeken om ondersteuning (42 gevallen). Vijf van het totaal aan daadwerkelijke acties kunnen worden aangemerkt als langdurige zaken, wat wil zeggen een looptijd van anderhalf tot twee jaar. Van de overige 60 zaken vergden 24 acties enkele maanden en 36 slechts enkele dagen. Het gaat hierbij grotendeels om zeer kort lopende buitenlandse infiltraties in Nederland zoals het even bezoeken door een buitenlandse infiltrant van een hotel bij Schiphol. Sommige van deze buitenlandse infiltraties duurden niet langer dan enkele uren. De landelijk officier van justitie bij de CRI dient op de hoogte gesteld te worden van deze (kortlopende) infiltratie-acties. Volgens betrokkenen is het nagenoeg uitgesloten dat buitenlandse infiltratie-acties op Nederlandse bodem plaatsvinden zonder dat de Nederlandse politie en justitie zijn geïnformeerd. De commissie heeft echter enkele voorbeelden aangetroffen waarbij dat wel het geval was. De Nederlandse politiële infiltratieteams voeren op zich niet veel infiltratie-acties uit per jaar. Zo heeft het politiële infiltratieteam Oost sinds 1990 slechts vijf grotere infiltratietrajecten uitgevoerd. Nederlandse infiltranten worden ook ingezet in het buitenland. In 1994 bereikte de ANCPI 42 maal een buitenlands verzoek om Nederlandse assistentie. Een voorbeeld van een operatie uit 1991 is de volgende casus: In 1991 werd gestart met een undercoveroperatie Contrat. Dit was een samenwerkingsverband tussen de beide landen en had tot doel om zicht te krijgen op de activiteiten van criminele organisaties op het gebied van het witwassen van gelden via geldwisselkantoren. Besloten werd om rechtspersonen op te richten die actief zijn op het gebied van witwassen. Er werd een Nederlandse bedrijvenstructuur van financiële instellingen gecreëerd als frontstore, waarmee vervolgens succesvol werd binnengedrongen in de criminele organisatie. In dit kader zijn Nederlandse undercoveragenten ingezet, die regelmatig contact hadden met de Canadese hoofddaders in Nederland, Zwitserland en de Nederlandse Antillen. Tevens hebben de Nederlandse politie-infiltranten transporten van verdovende middelen gearrangeerd van Colombia naar Canada. Noot Ook buitenlandse politiële infiltranten zijn voor langere duur actief in Nederland (zie bijvoorbeeld de casusbespreking Copa). Deze buitenlandse infiltranten worden op dat moment begeleid door Nederlandse begeleiders. De inzet van buitenlandse infiltranten is grotendeels gebaseerd op onderling vertrouwen tussen politie-instanties van verschillende landen. Van een afzonderlijk onderzoek naar de identiteit van buitenlandse politie-infiltranten is geen sprake. In Europees verband is een werkgroep actief die de afstemming van internationale infiltratie-acties voor haar rekening neemt. In deze werkgroep participeren ook Canada en de VS.

Infiltratie en selectie

Politiële infiltratie vindt primair plaats in de ondersteuning van de criminele organisatie. Het gaat dan vooral om het aanbieden van facilitaire diensten zoals vervoer, opslag en doorvoer, aan de criminele organisatie. Slechts zelden vindt infiltratie plaats in de directe nabijheid van de hoofddaders. Van diepte-infiltratie waarbij politie-infiltranten daadwerkelijk deel zijn gaan uitmaken van de kern van de criminele organisatie, is de commissie niets gebleken. Wel is een geval bekend waarbij de infiltranten de top van een criminele organisatie dicht zijn genaderd (zie eerstvolgende casus).

De selectie van politiële infiltranten is streng. Uitgebreid wordt de infiltrant getest op onder meer stressbestendigheid. Ook moeten diverse cursussen worden gevolgd voordat een politiefunctionaris als politiële infiltrant mag functioneren. Tijdens infiltratie-acties wordt steeds gestreefd naar dagelijks contact tussen de infiltrant en de begeleiders. Zowel de infiltrant als de begeleiders maken proces-verbaal op van hun activiteiten. Deze processen-verbaal worden in principe toegevoegd aan het procesdossier en zijn daarmee onderwerp van beoordeling door de rechter. Noot Een voorbeeld van zo'n «open infiltratietraject» is in het openbaar verhoor van officier van justitie Koers aan de orde geweest:
In dit onderzoek naar vier Turkse broers is projectmatig geïnfiltreerd in een tactisch (open) traject. Noot De projectinfiltratie is uitgevoerd door negen politie-infiltranten. Hiervan waren zes van het politieel infiltratieteam Oost-Nederland en drie Duitse politie-infiltranten. Het milieu waarin geïnfiltreerd moest worden was niet wars van grof geweld. Ook tegen de politie-infiltranten zijn forse bedreigingen geuit. Van januari 1993 tot juni 1995 zijn de politie-infiltranten in verschillende combinaties in totaal 119 maal opgetreden. In de praktijk blijkt vooral één van de politie-infiltranten daadwerkelijk veel contact te hebben gehad met de criminele organisatie. De anderen hebben veelal als geloofwaardige achtergrond gediend:

 

De voorzitter:

Ik wil u nog een vraag stellen over de processen-verbaal. Het is constant A851, die alles ziet, doet en daar verslag van legt. Die andere infiltrant nooit, bijna nooit. Er staan nog een paar andere nummers. Betekent dit nu, dat ook de handelingen en bevindingen van andere infiltranten toch onder A851 worden weggeschreven? (...)

De heer Koers:

Als A851 proces-verbaal opmaakt, is dat zijn verhaal. Dat zou hooguit aangevuld kunnen worden door verhalen van anderen.

De voorzitter:

Kan het ook zo zijn, dat A851 weer hoort van andere verhalen en die er zonder nummer ook inzet?

De heer Koers:

Nee. (...)

De voorzitter:

Maar dan is natuurlijk de vraag wat al die andere mensen dan doen. Daar is namelijk weinig tot niets van terug te vinden.

De heer Koers:

Ik denk dat in een aantal gevallen de rest alleen maar franje is geweest. Noot De politie-infiltranten waren tot hoog in de criminele organisatie geïnfiltreerd. Zij hadden diverse ontmoetingen met de vier hoofdverdachten, waarbij de politie-infiltranten partijen kregen aangeboden. Besloten is tot de aankoop van een aantal partijen teneinde te bewijzen dat de hoofdverdachten over een langere periode actief waren en in staat waren in korte tijd verschillende keren heroïne te kunnen leveren. De eerste aankoop betrof twee kilo cocaïne in april 1994. Deze werd gevolgd door vier aankopen van elk twee kilo heroïne in november en december. Vervolgens gingen de gesprekken over de financiering van een transport van een partij heroïne van Turkije naar Nederland en de levering van drie kilo. In overleg met het OM werd besloten een investering in dit transport (in totaal ongeveer 160 kilo) te doen van fl. 100.000,- . Tevens werd besloten dat een

politie-infiltrant naar Turkije moest afreizen. In dit traject is de minister gekend.

 

De heer Vos:

Vervolgens zijn vanuit de Centrale toetsingscommissie wel enige voorwaarden gesteld, onder andere met betrekking tot de betrokkenheid van de minister in het voortraject en in het natraject. Hoe heeft dat in de praktijk gestalte gekregen?

De heer Koers:

De betrokkenheid van de minister in deze zaak had een specifiek karakter, met name voor het laatste stukje van de zaak. Niet zozeer de individuele aankopen - daarmee heb je wel te maken met de tip- en toongeldregeling, de aankoopregeling, van het departement -maar met name het laatste stukje van de zaak, waarin het ging het investeren in een transport drugs vanuit Turkije naar Nederland. Daarbij kwam ter sprake dat de politiemenseninfiltranten, in ieder geval een daarvan, naar Turkije moesten. Dan heb je te maken met internationale verhoudingen. Binnen de Centrale toetsingscommissie is op dat moment gezegd, dat dit niet mocht zonder dat de minister van Justitie op de hoogte is. Die moet daar haar goedkeuring aan geven. Dat is vervolgens gebeurd. De hoofdofficier van Zwolle heeft een bespreking gehad met de hoofdofficier van Istanbul. Daar is ook de staatssecretaris van Justitie van Turkije bij betrokken geweest om goedkeuring te hechten aan de komst van een politiemaninfiltrant naar Istanbul, om als het ware daar besprekingen te voeren met een of meer van de Turkse verdachten. Noot De afgesproken partij van drie kilo heroïne werd nog aangenomen en betaald, maar de volgende aangeboden partij van 20 kilo heroïne in juni 1995 werd in beslag genomen en de verdachten aangehouden. In totaal is er 31 kilo harddrugs aangekocht en fl. 623.000,- geïnvesteerd in deze vooraankopen. De ratio achter deze hoeveelheden legt Koers uit tijdens zijn openbaar verhoor:

De heer Koers:

Er is 31 kilo aangekocht; dat klopt. Het doel was niet het kopen van heroïne of cocaïne, maar het doel was bewijs te vergaren tegen de vier hoofdverdachten. Als je bewijs tegen één hoofdverdachte hebt, dan heb je er nog drie tegen wie je geen bewijs hebt. Dan is het soms verstandig om door te gaan. Dat zijn afwegingen geweest gedurende met name het laatste jaar: hoe ver komen wij? Uiteindelijk is door de serie waartoe is besloten het mogelijk gebleken tegen dat viertal bewijs bij elkaar te krijgen.

De heer Vos:

En waarschijnlijk bent u ook doorgegaan om de Turkse lijn zelf bloot te leggen, de lijn naar het
buitenland. Of heb ik dat verkeerd begrepen?

De heer Koers:

De laatste actie die geweest is, is het mee investeren in een traject vanuit Istanboel deze kant op. Daarvan was het de bedoeling om de transportlijn, de aanvoerlijn bloot te leggen. Gedeeltelijk zijn wij daarin geslaagd, maar gedeeltelijk ook niet. Noot De bedoeling was om tijdens dit hele traject geen gram verdovende middelen op de markt te laten komen. Dit is slechts gedeeltelijk gelukt. De aankopen zijn vernietigd maar:

De voorzitter:

Mogen wij dat iets helderder zeggen? Er is genvesteerd in een hoeveelheid die in totaal ongeveer 160 kilo zou zijn; dat staat ook in het proces-verbaal. Ongeveer 20 kilo daarvan wordt in beslag genomen en wij weten niet waar de rest is.

De heer Koers:

Wij ook niet.

De voorzitter:

Het is toch niet zo dat, zoals de recherchechef zei, er geen gram waar wij aan mee hebben gedaan op de markt is gekomen? Dat weten wij niet precies, want wij weten niet waar dat is.

De heer Koers:

Neen, wij weten ook niet of die 160 kilo naar Nederland gekomen is.

De voorzitter:

Neen, goed.

De heer Koers:

Wij hebben die 20 kilo gezien die in Amsterdam is gepakt plus wat er in de bergplaats lag, zo'n 30 kilo, die ook in beslag is genomen. Dat is wat wij gezien hebben. Wat er verder geweest is, weet ik niet.

Noot

Sturing en controle

De sturing en controle door politie en justitie zijn bij politiële infiltratie nauwkeurig geregeld. De goedkeuring vindt plaats op het niveau van de hoofdofficier. Tegenwoordig moet de Centrale toetsingscommissie de aanvraag voor een infiltratie-actie beoordelen. De Centrale toetsingscommissie geeft veelal onder voorwaarden toestemming. Incidenteel wordt een infiltratie-actie gestopt omdat de beheersbaarheid ter discussie staat. In het volgende geval heeft de minister besloten tot het stoppen van een infiltratie-actie, ondanks het feit dat de CTC goedkeuring hieraan had verleend: Noot

Dit onderzoek in het zuiden des lands was gericht op een notoire drugsbaron. Vele reguliere opsporingsmiddelen als taps en observatie bleken niet te werken. Besloten werd om een infiltratietraject te starten, met als doel zicht te krijgen op de strafbare feiten en de financiële stromen waarna respectievelijk aanhouding en afroming van de criminele winsten zouden kunnen volgen. De bedoeling was om dit traject later geheel ter toetsing aan de rechter voor te leggen.

In 1993 wordt begonnen met de opbouw van de cover door het politiële infiltratieteam, waarna binnen een aantal maanden de eerste sociale contacten worden gelegd door de politie-infiltrant. Deze wordt langzamerhand in het milieu van de verdachte opgenomen. De politie-infiltrant heeft ondermeer financiële deskundigheid te bieden. Tevens is hij bekend in een buitenlandse wereldhaven. Hij wordt benaderd om deel te nemen aan transporten softdrugs uit het buitenland.

In januari 1995 wordt dit infiltratietraject in zijn algemeenheid ter toetsing aan de CTC voorgelegd. Onder een aantal voorwaarden, waaronder een goede psycho-sociale begeleiding van de infiltrant, gaat de CTC akkoord. Tevens wordt het advies gegeven eventueel een tweede politie-infiltrant te introduceren als er een financieel én transporttraject gaan lopen. Het wordt onwenselijk geacht om twee informatieposities te verenigen in één politie-infiltrant. Bij een tweede toetsing op 4 april wordt toestemming gevraagd voor het vervolgtraject op de infiltratie-actie, te weten het plegen van strafbare feiten door de infiltrant. Het voorstel is om de vertrouwenspositie van de politie-infiltrant verder uit te bouwen door middel van een investering in een transport van enkele duizenden kilo's marihuana. De kans was aanwezig dat de partij eventueel op de Nederlandse markt zou kunnen komen. De CTC gaat voorwaardelijk akkoord met de actie voor een periode van drie maanden.

Ondanks het oordeel van de hoofdofficier, de procureur-generaal en de CTC dat het traject verantwoord was gezien de uitstekende stuurbaarheid van de politie-infiltrant en het feit dat het een open traject is, is de minister van Justitie van mening dat dit traject niet kan. Per brief van 27 april 1995 vraagt zij dit te stoppen. De toenmalige kernteamleider zegt hierover:

 

 

De voorzitter:

Is u geworden waarom de minister het afkeurde? Hoorde u dat via de telefoon van Justitie? Hoe is dat gegaan?

De heer Paulissen:

Ik ben er zelf niet bij geweest, maar wij hebben uiteindelijk een briefje van de minister gekregen, een heel kort briefje: op het punt van de gecontroleerde doorvoer kon zij op dit moment geen toestemming geven.


De voorzitter:

Dat moet ongeveer in mei van dit jaar zijn geweest.

De heer Paulissen:

Ja.

De voorzitter:

Heeft u het toen weer op een andere manier opgepakt? Wat is er toen gebeurd?

De heer Paulissen:

Wij hebben toen besloten te stoppen. Wij vonden de gecontroleerde doorvoer echt noodzakelijk voor het bereiken van het grotere doel in de infiltratie. Wij zijn meteen gaan denken of er binnen de consignes van de minister nog mogelijkheden waren om dat doel op een andere manier te bereiken. Toen werden wij helaas geconfronteerd met het feit dat de zaak was uitgelekt in de pers. Toen hebben wij besloten om de zaak abrupt te stoppen. Noot De minister kan niet instemmen met de invoer en vermoedelijke doorlating van een partij softdrugs door de politie waarin bovendien ook overheidsgeld geïnvesteerd wordt. Vervolgens wordt besloten de politie-infiltrant

af te bouwen. In het openbaar verhoor zegt de minister van Justitie desgevraagd het volgende over de onthouden toestemming:

 

De voorzitter:

Ligt het aan de politieke gevoeligheid dat u in mei van het jaar van de infiltratie-operatie in het zuiden zegt die niet meer te willen doen. Die methode leek, vergeleken met de IRT-methode, zeer verantwoord te zijn. Ik doel dus op de infiltratiemethode van het kernteam in het Zuiden, waarvan u zegt het niet meer te willen doen, omdat er te weinig garantie is dat men de zaak echt in beslag kan nemen.

Mevrouw Sorgdrager:

Als de zaak waar u nu over spreekt, in het zuiden des lands, loopt, is er geen kader wat de Centrale toetsingscommissie kennelijk had vastgesteld.

De voorzitter:

Zij vonden het goed!

Mevrouw Sorgdrager:

Zij vonden het goed, maar het openbaar ministerie twijfelde kennelijk, want men is naar mij toegekomen met de vraag of het door kon gaan. Wij hebben toen die methode besproken en bekeken wat de te verwachten effectiviteit was. Ik vond, nu men het mij toch vroeg, dat men een te vaag doel had. De effectiviteit van de methode was niet groot genoeg. Ik verwachtte dat men over enige tijd weer bij mij zou komen met dezelfde vraag over dezelfde zaak. Dat moesten wij dus gewoon niet doen. Noot

Het openbaar ministerie wordt over de voortgang van politiële-infiltratie-acties in het algemeen goed geïnformeerd. Dit betreft in ieder geval de CID-officier. Echter dit brengt nog niet met zich mee dat de later optredende zaaksofficier ook volledig geïnformeerd is. In principe worden alle activiteiten van de politie-infiltrant vastgelegd en staat de actie volledig open ter beoordeling aan de rechter. Ten behoeve van het functioneren van de politiële infiltranten worden valse identiteiten afgegeven. Noot Een briefwisseling van de ministers van Justitie, Verkeer en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Financiën vrijwaart de ambtenaren die deze valse identiteiten verstrekken van strafvervolging. Noot Het gaat daarbij om valse identiteiten om rekeningen te kunnen openen, auto's, woningen of loodsen te huren, frontstores op te zetten etc.

De commissie heeft geconstateerd dat politiële infiltranten gebruikt worden ter afscherming van informanten. Een politieel infiltratieteam gebruikt soms een gesloten CID-traject om de identiteit van de informant te beschermen. Dan worden twee of meer infiltranten ertussen geschoven zodat de oorspronkelijk informant niet meer zichtbaar is. De politie-infiltrant, die van deze informant het verhaal heeft gehoord, wordt als informant ingeschreven.

 

6.3.3 Burgerinfiltratie

 

Omschrijving en omvang

Over het gebruik van burgerinfiltranten bestaat minder duidelijkheid dan over de inzet van politie-infiltranten. De commissie spreekt van burgerinfiltranten indien al dan niet criminele burgers gevraagd worden bepaalde activiteiten te ondernemen waaronder het plegen van strafbare feiten. Sommige CID-en spreken in dit verband van gestuurde informanten, waarbij het onderscheid met burgerinfiltranten nauwelijks meer aanwezig is. Het enige verschil is dat zij op een gestuurde informant de infiltratierichtlijn niet van toepassing achten. In hoofdstuk 3 heeft de commissie enkele in het oog springende voorbeelden gegeven van het omgaan met burgerinfiltranten.

Het is duidelijk dat geregeld gebruik wordt gemaakt van criminele burgerinfiltranten. De commissie heeft vele voorbeelden aangetroffen van criminele burgers die door de politie gevraagd worden bepaalde activiteiten te verrichten. Wanneer deze activiteiten geen strafbare feiten omvatten spreekt de commissie van gestuurde informanten. Veelal gaat het om een verzoek van politie en justitie om informatie te verzamelen door het bezoeken van bepaalde plaatsen. In het overzicht aan het begin van dit hoofdstuk blijkt dat het grootste aantal
toetsingsverzoeken aan de CTC de inzet van criminele burgerinfiltranten betreft (30). Vier verzoeken betreffen de inzet van niet-criminele burgerinfiltranten. Uit de CTC-stukken blijkt dat deze burgerinfiltranten strafbare feiten mogen plegen. Het ging dan vooral om het vervoeren van drugs of het anderszins ondersteunen van het invoeren en verkopen van verdovende middelen zoals het huren van loodsen of het ter beschikking stellen van vrachtauto's. Noot Bijvoorbeeld:

In het kader van een onderzoek is overwogen om een projectinfiltratie van een gesloten traject te starten waarbij een burgerinfiltrant hand- en spandiensten zou verrichten bij een transport van softdrugs. De bedoeling was om eerst een proefzending softdrugs van enkele tonnen door te laten gaan, waarna een grote partij van meer dan tien ton zou worden gepakt, inclusief de verdachten. De informant heeft eerst een oriëntatiereis gemaakt naar het bronland op verzoek van het kernteam. In principe zou de informant de criminele verdiensten afdragen en een vergoeding krijgen van het ministerie van Justitie waarbij gedacht werd aan tonnen. De CTC ging na grote aarzeling akkoord. De informant werd door de criminele organisatie niet meer benaderd om behulpzaam te zijn bij transporten verdovende middelen. Tot op heden heeft het infiltratietraject daarom geen doorgang kunnen vinden. Noot

Ook wordt wel gevraagd om monsters aan te kopen. De commissie constateert dat in een aantal gevallen de CTC niet gevraagd is om toestemming voor de inzet van burgerinfiltranten. In nagenoeg alle regio's en arrondissementen worden voorbeelden aangetroffen van burgerinfiltranten in de definitie van de commissie. In de regio Amsterdam-Amstelland echter wordt sinds 1992 niet meer gewerkt met burgerinfiltranten. Informanten mogen in Amsterdam slechts informatie geven. Politie en justitie gaan in principe niet akkoord met het verrichten van enige activiteit door informanten:

 

De heer De Graaf:

Ik wil even bij dit element blijven; zo meteen komen wij op andere elementen. Collega's van u uit andere korpsen zeggen: niks onbetrouwbaar, wij controleren zo'n informant van achteren naar voren; elke stap die hij zet, kennen wij, dubbelchecken wij. Is het volstrekt ongeloofwaardig als zij dat zeggen?

De heer Welten:

U zei daarstraks dat elke informant ook een beetje crimineel moet zijn. Elke infiltrant is wat mij betreft zeker een beetje crimineel. Je kunt misschien wel betrouwbaar en crimineel zijn, maar dat is een contradictie waarmee ik echt niet uit de voeten kan. Noot (...)

De heer Welten:

Ja, weet u... Kijk, het beeld zou bijna gaan ontstaan dat Amsterdam roomser is dan de paus. Ik denk dat wij geleerd hebben van de kwetsbaarheid van methoden in zijn algemeenheid, omdat wij misschien wel in het centrum van de aandacht hebben gezeten. Er is destijds heel nadrukkelijk door wijlen mevrouw Dales gezegd dat wij na moesten denken, als overheid, over de integriteit van het openbaar bestuur, de integriteit van jezelf als apparaat. In combinatie met datgene wat ik persoonlijk vind, proberen wij daar een andere wending aan te geven. Dan ben ik helemaal niet roomser dan de paus; als ik afwijkend ben van de rest van het land, vind ik dat vervelend; op zichzelf probeer ik - ik denk ook dat dit behoorlijk gaat - heel constructief met de omgeving samen te werken, ondanks het feit dat ik misschien een vreemde eend in de bijt ben. Noot

De voorzitter:

Eerder zeiden vertegenwoordigers van het OM uit Amsterdam en ook de politie in Amsterdam dat er helemaal geen burgerinfiltratie was. Maar nu zegt u dat u dat onder omstandigheden niet geheel wilt uitsluiten.

De heer Vrakking:

Ik heb nooit gezegd: helemaal niet. Ik zeg in beginsel, nee, tenzij. Noot De ANCPI houdt zich in principe niet bezig met burgerinfiltranten. Wel wordt bezien in hoeverre het mogelijk is materiedeskundigen (accountants, piloten, etcetera) in te schakelen als niet-criminele infiltranten. Als nadeel wordt genoemd dat deze materiedeskundigen geen politie-achtergrond hebben. Tot op heden zijn er nog geen materie-deskundigen op deze wijze ingezet.

Sturing en controle

 

De commissie constateert dat zich bij de inzet van criminele burgerinfiltranten verschillende problemen voordoen. De controleerbaarheid en stuurbaarheid van de criminele burgerinfiltrant is problematisch. De motivatie van deze infiltranten is veelal dubbelzinnig. Onduidelijkheid bestaat veelal over wat er met het criminele geld gebeurt. Op het plegen van strafbare feiten door de infiltrant is controle slechts ten dele mogelijk.

Enkele burgerinfiltranten geven informatie aan meer dan één CID. Deze infiltranten hebben onder regie van de verschillende CID-en strafbare feiten gepleegd. De verschillende CID-en waren niet altijd op de hoogte van
het feit dat de infiltranten ook voor andere CID-en werkten. Deze infiltranten hebben zeer veel geld verdiend aan het geven van informatie. Hiertegenover stonden ruime onkostenvergoedingen, beloningen en het mogen houden van de verkregen criminele winsten. In hoofdstuk 3 zijn deze gevallen uitgebreid beschreven. De commissie is van oordeel dat burgerinfiltranten die een zo actieve positie hebben in een criminele organisatie niet meer volledig onder regie van politie en justitie kunnen staan. Het reële risico dreigt dan dat politie en justitie worden gestuurd door de burgerinfiltrant in plaats van andersom.

6.3.4 Frontstore

De fronstore is slechts recent in Nederland geïntroduceerd en derhalve bestaat nog weinig ervaring met deze opsporingsmethode. Het eerste, de commissie bekende, voorbeeld is de operatie Contrat (zie casus hiervoor). Tijdens het verhoor zei Wilzing hierover:

 

 

De voorzitter:

Was u ook al betrokken bij frontstores toen u verantwoordelijk was bij de CRI? Waren die er toen al, zogenaamde bedrijven die de politie gebruikte als dekmantel om eventueel binnen het criminele milieu te infiltreren dan wel om bewijs te verzamelen tegen criminele groepen die van zo'n dergelijk dekmantelbedrijf gebruik maken?

De heer Wilzing:

Ik weet mij uit mijn periode te herinneren dat wij daar een zaak hebben gehad. Het was een grote zaak die vanuit een ander werelddeel op ons afkwam, waarbij wij met onze accountants daar een aantal zaken voor geregeld hebben. Dan ging het met name over het sluizen van geld.

De voorzitter:

Daarbij speelde de financiële dienstverlening een rol?

De heer Wilzing:

Het was een financiële dienstverlening, exact. Noot Een ander voorbeeld van een frontstore dat de commissie bekend is, is wederom een internationaal samenwerkingsverband: De Amerikanen hebben een wereldwijde frontstore-operatie opgezet geheten Green Ice II, waarvan een deeloperatie vanaf september 1992 operationeel is. De doelstelling van deze operatie is om via het financiële traject in de Colombiaanse kartels te infiltreren. Zodoende komt zicht op de internationale stroom van drugsgelden. Ook in Nederland is een cover opgezet die gericht is op het scheppen van «paperwork». Tot op heden is door de criminele organisatie niet gehapt op het Nederlandse aas. Op andere plaatsen is wel met succes geopereerd. Het is niet ondenkbaar dat de zaak rond komt zonder dat gebruik gemaakt wordt van de Nederlandse cover. Op het moment wordt bekeken of er andere toepassingsmogelijkheden zijn.

Indien een frontstore wordt toegepast, gebeurt dat veelal in combinatie met politiële infiltratie; in incidentele gevallen ook met burger-infiltranten. Het gaat in Nederland om minder dan tien frontstores. Deze frontstores bevinden zich vooral in de dienstverlenende en facilitaire sector. Te denken valt aan transportbedrijven en financiële dienstverlening. Het doel is veelal criminele organisaties gebruik te laten maken van deze ondersteuning waardoor politie en justitie een beter beeld kunnen krijgen van hun activiteiten. Tijdens de openbare verhoren is hier ondermeer het volgende over gezegd:

 

 

De voorzitter:

(...) Hoeveel frontstores kennen wij ongeveer in Nederland? Honderden?

De heer Karstens:

Nee.

De voorzitter:

Tientallen?

De heer Karstens:

Ook niet.

De voorzitter:

Minder dan tien?

De heer Karstens:

U wordt warm. Noot Van de frontstores moeten onderscheiden worden de dekmantelbedrijven die bij de PIT's «op de plank liggen», met het doel om een andere identiteit van een informant of infiltrant aannemelijk te maken. Het opzetten van frontstores wordt bemoeilijkt doordat in Nederland alle gegevens nauwkeurig zijn geadministreerd. Volgens betrokkenen zal het in de toekomst vooral noodzakelijk zijn afspraken te maken met de belastingdienst hoe om te gaan met frontstores. Op dit moment zijn die afspraken nog niet gemaakt. Frontstorehouders melden dan ook dat zij veel moeite moeten doen om de belastingdienst op afstand te houden.

De voorzitter:

Daar komt het op uit. Moet ik dan vooral denken aan transportbedrijven of faciliterende bedrijven? Hoe houdt u de belasting en de waterleiding van uw nek?

De heer Karstens:

Vanuit onze positie gezien, is de belastingdienst in zijn algemeenheid een geduchte tegenstander. Tot op heden hebben wij de argwaan van de belastingen nog niet gewekt. Noot


Een andere toepassingsmogelijkheid van een frontstore is het afschermen van CID-rechercheurs. Dit wordt noodzakelijk geacht door de vele contra-activiteiten van criminele organisaties. De CID richt dan een bedrijf op om bijvoorbeeld telefoons en kentekens te kunnen registreren op naam van dit bedrijf.

6.3.5 Gecontroleerde aflevering

De gecontroleerde aflevering is een zeer frequent gebruikte methode. Het gaat om honderden gecontroleerde afleveringen per jaar, variërend van een verdacht postpakketje tot een container. Veelal betreft dit verdovende middelen.

 

 

De heer De Wit:

(...) Wij spreken bijna dagelijks, zeker in de grootstedelijke praktijk, over gecontroleerde afleveringen en doorleveringen.(...) Noot

Bij gecontroleerde afleveringen wordt steeds getracht de verboden goederen daadwerkelijk in beslag te nemen. Het transport geschiedt dan ook meestal onder observatie van een OT. Dit voornemen tot inbeslagneming kan om diverse redenen mislukken. In enkele gevallen heeft de commissie geconstateerd dat door fouten tijdens de observatie partijen drugs uit het oog werden verloren. Een voorbeeld:


Begin 1994 komt een buitenlandse informant, die door een zusterdienst van de CRI overgedragen is aan een RCID, naar Nederland voor de invoer van een partij van tientallen kilo's cocaïne. Zijn rol bestaat uit het door de douane loodsen van deze partij drugs. De RCID besluit om de partij gecontroleerd af te leveren. Echter, het OT raakt betrokken bij een aanrijding en de partij verdwijnt ongezien in het milieu. Hierna gaat de informant terug naar Zuid-Amerika, alwaar hij door Zuid-Amerikanen wordt benaderd met de vraag of hij dit vaker wil doen. De informant gaat, na consultatie van de betrokken RCID in Nederland, hierop in. Vervolgens wordt de informant geconfronteerd met een grote partij van duizenden kilo's marihuana die al in de haven ligt en wordt hem gevraagd of hij die "even binnen wil loodsen". Besloten wordt om deze partij door te laten en wel om drie redenen: de informant is beloofd dat hij het volgende omvangrijke cocaïnetransport mag doen, tevens is de criminele organisatie in een ander traject bezig om cocaïne in te voeren en dit mag niet verstoord worden. Bovendien vreesde de politie represailles als de partij wordt gepakt. De partij wordt wel gevolgd en het OT stelt vast waar de partij wordt opgeslagen.

In december 1994 wordt de grote partij cocaïne, die meer dan duizend kilo blijkt te bevatten, aangeboden aan de informant met de vraag of hij deze door de Amsterdamse douane kan loodsen. Besloten wordt om tot een gecontroleerde aflevering over te gaan. Wederom raakt het OT de vrachtwagen met de bewuste container kwijt. Echter, later wordt toch nog op verschillende adressen de partij teruggevonden en in beslag genomen. Meer dan 20 verdachten worden aangehouden, waaronder de top van de organisatie in Nederland. Tijdens zijn verhoor noemt Brand dit traject de klassieke methode:

 

 

De heer Brand:

Dat zal ik u uitleggen. Het is onze eerste opdracht dat wij de criminele organisatie proberen op te rollen. Wij moeten ervoor zorgen dat wij het aantal kilo's in de hand hebben. Dat moet gebeuren wanneer dit het meest gunstig is. Wij hebben 1100 kilo cocaïne binnengehaald met de traditionele methode.

De voorzitter:

Op welke vangst doelt u?

De heer Brand:

Dat is een vangst van verleden jaar kerstmis.

De voorzitter:

Het is geen HOLCO-vangst?

De heer Brand:

Dat is een HOLCO-vangst.

De voorzitter:

Daar is toch een heel interessant en moeizaam traject aan vooraf gegaan?

De heer Brand:

Eerst de zaak van de 1100 kilo. Dat ging volgens de traditionele methode. Traditioneel wil zeggen dat wij natuurlijk via taps weten wat er gebeurt. De traditionele methode gaat ervan uit dat de tegenpartij fouten maakt. In dat traject pakken wij op een gegeven moment dat aantal kilo's. Maar hoe dan ook: als je afluistert weet je veel meer dan op het moment waarop je ingrijpt. Wij moeten echter ingrijpen op het moment waarop de grotere hoeveelheden komen. Als die komen is daar vanuit de criminele organisaties meer kwaliteit tegenaan gezet en die moeten wij oppakken. Wij proberen niet alleen maar zoveel mogelijk kilo's te pakken.

De heer De Graaf:

U sprak ook over een ander traject, een klassiek recherchetraject, waarbij 1.100 kg cocaïne in beslag is genomen. Dat speelde aan het eind van het vorige jaar. Maar gingen daar ook geen lijntesters aan vooraf?

De heer Brand:

Aan dat specifieke geval ging, voorzover ik weet, niet nadrukkelijk een lijntester vooraf.


De voorzitter:

Maar het is misschien niet goed om hier te veel in detail in te gaan op wat daar eventueel aan vooraf is gegaan. Het is althans onze indruk dat er iets meer aan voorafgaat dan louter klassiek rechercheren.

De heer Brand:

Nou ik vind dat je het als een voorbeeld van klassiek rechercheren mag noemen. Dat er informatie in dat traject heeft meegespeeld, is altijd zo. Maar klassiek rechercheren is toch het bij elkaar brengen van informatie. Maar er is geen systematiek geweest van een lijnuittester op de manier waarop dat in de andere zaak is gebeurd.

De voorzitter:

Misschien weet u dat niet. Noot Voor de «geslaagde» partijen krijgt de informant geld van de criminele organisatie. Na overhandiging van de justitiële beloning van 275.000 gulden draagt hij zijn verdiensten af. Het ingeleverde bedrag bedraagt meer dan een miljoen gulden. Dit geld wordt gestort op een rekening van de CRI. Het doel van deze gecontroleerde afleveringen is te bezien wie in de criminele organisatie betrokken is bij de

strafbare feiten. Gecontroleerde afleveringen vinden zowel plaats door de reguliere politie als door de Koninklijke marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten.

 

De heer Van Blijswijk:

Gecontroleerde afleveringen kwamen met enige regelmaat voor en de vraag was: realiseert de leiding, in dit geval die van de douane, zich dat dit soort dingen gebeuren? Verder werd de vraag gesteld of aan het meewerken met de douane aan deze afleveringen geen grotere risico's verbonden waren voor het personeel dan aan het normale, reguliere werk. Die signalen waren aanleiding voor een contact. Dat contact heeft ertoe geleid dat de directeur van de douane en ik hebben gezegd: wij moeten dat gewoon eens bespreken en de zaken helder op een rij krijgen. Vervolgens hebben wij een afspraak gemaakt. Bij het gesprek op het ministerie van Financiën zijn mensen van de douane Amsterdam, onder wie de directeur Douane, en van de FIOD aanwezig geweest. Ik was daarbij ook aanwezig.

De heer Rabbae:

Wat is daaruit geresulteerd?

De heer Van Blijswijk:

Uit dat gesprek is naar voren gekomen dat de aanwezigen geen enkele aanwijzing hadden dat er iets anders gebeurde dan gecontroleerde aflevering. Wij hebben verder geconstateerd in dat gesprek dat de methode, die wij al jaren kenden, correct was en dat wij medewerking zouden blijven verlenen als onder verantwoordelijkheid en op verzoek van het OM onze bijstand werd gevraagd. Noot Meestal komt de politie plannen om partijen verdovende middelen in te voeren op het spoor door informatie

van informanten of infiltranten. Zo weet men bijvoorbeeld het aantal containers, de naam van het schip en de haven van aankomst. Niet altijd blijkt deze informatie betrouwbaar:

 

De heer Van der Voort:

De vraag van de heer Vos was of ik wel eens heb meegemaakt dat een aangekondigde proefzending van een bepaalde hoeveelheid later veel groter bleek te zijn. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Ik heb wel meegemaakt - die zaak is bij het verhoor van de heer Brand aan de orde geweest haven een schip lag met een partij van maar 40 of 50 kilo groot. Hij zei tegen ons dat de politie daar vooral - dat iemand zich presenteerde als informant en een partij bij de politie meldde. Hij vertelde dat iets buiten de niet aan moest komen, omdat daarna een partij zou komen die vele malen groter zou zijn. Dat verzekerde hij ons ook. Ik geloof dat zelfs werd gesproken over 1000 kilo cocaïne. Dat heb ik wel meegemaakt, maar dat is dus geen vooraf met mij en de politie doorgesproken traject, in de zin van: laat de lijntester maar komen. Dat is een geheel andere zaak geweest.

De heer Vos:

U besluit dan te vegen, als zo'n risico zich voordoet.

De heer Van der Voort:

In dat geval hebben wij de partij gecontroleerd afgeleverd, omdat er twee dingen aan de orde waren. Het ene was dat de informant F volstrekt oncontroleerbaar en onbestuurbaar was. Dat was al in een eerdere zaak gebleken. Het andere aspect was dat wij zeer ernstige twijfels hadden over de betrouwbaarheid van deze informant. Ik had de indruk, samen met de politie, al in een heel vroeg stadium, dat het helemaal geen kleine partij was, maar dat op deze manier, met toestemming van de politie, met bescherming van de politie zelfs, om een ripdeal te voorkomen, een grotere partij werd ingevoerd. Het laatste bleek, want er zat geen 40 kilo in, maar 200 kilo.(....)

De heer Van der Voort:

De partij is geschept, er is een gecontroleerde aflevering van gemaakt. De informant, tevens zijnde verdachte, is aangehouden, voorgeleid aan de rechter-commissaris en uiteindelijk voor de rechtbank gebracht. Ik heb een gevangenisstraf van acht jaar geist. De rechtbank heeft er zeven van gemaakt. Het Hof, om hem moverende redenen, heeft er drie jaar gevangenisstraf van gemaakt. Noot Naast het gecontroleerd afleveren van drugs heeft de commissie ook aangetroffen dat dit incidenteel gebeurde

met bedreigde diersoorten, gestolen auto's en wapens:
Een aantal handelaren smokkelt bedreigde diersoorten uit Australië naar Nederland. Deze diersoorten worden gemengd met legaal te verhandelen dieren en de facturen worden vervalst. Vanaf Schiphol worden de dieren tijdelijk ergens in Nederland ondergebracht. Hierna worden ze verzonden naar handelaren in de Verenigde Staten met de vermelding dat de dieren in gevangenschap zijn gefokt in Nederland. Teneinde de smokkel en de valsheid in geschrifte te bewijzen worden de dieren gefotografeerd en gewaarmerkt bij invoer en uitvoer op Schiphol. Zo kan na transport in de VS worden vastgesteld dat dit dezelfde dieren zijn als in Nederland. De US Fish and Wildlife Service is op de hoogte.

Naar aanleiding van een Amerikaans rechtshulpverzoek heeft een gecontroleerde aflevering van wapens plaatsgevonden. Er was van Amerikaanse zijde niet vermeld dat de af te leveren partij wapens betrof en de verdachte militair was. Direct na aflevering is huiszoeking gedaan waarbij een partij pistolen en munitie is gevonden.

Politie en justitie laten een partij verboden goederen (veelal verdovende middelen) niet alleen afleveren aan de criminele organisatie, maar ook doorleveren aan de verdere tussenpersonen en de afnemers. Op die manier hopen politie en justitie inzicht te krijgen in het gehele traject van de verdovende middelen. De doelstelling is de verboden goederen in de tweede, derde of vierde hand in beslag te nemen. Het probleem daarbij is dat een partij drugs veelal wordt opgesplitst in kleinere hoeveelheden waardoor het voor politie en justitie nagenoeg onmogelijk wordt om alle deelpartijen te blijven observeren.

 

6.3.6 Doorlaten

Het doorlaten van verboden goederen betreft met name verdovende middelen. Noot In de afgelopen jaren zijn naast de tonnen softdrugs ook honderden kilo harddrugs op de markt terecht gekomen, terwijl politie en/of justitie zicht hadden op deze partijen drugs. De precieze hoeveelheden drugs die met medeweten van politie en justitie op de markt terecht zijn gekomen, zijn niet te bepalen. Over het aantal in een concreet onderzoek wordt in een verhoor gezegd:

 

 

De voorzitter:

Van hoeveel kilo harddrugs weet u dat ze op de markt gebracht zijn?

De heer Karstens:

Ik wil niet over exacte aantallen spreken, omdat de operatie nog steeds loopt. Het is meer dan 100 maar minder dan 500.

De voorzitter:

U heeft het dan over het politie-infiltratietraject?

De heer Karstens:

Ja.

De voorzitter:

In de afgelopen jaren?

De heer Karstens:

Er is sprake van een redelijk unieke situatie. Er was nog één zaak met softdrugs.

De voorzitter:

Die harddrugs van meer dan 100 maar minder dan 500 kilo, hebben die betrekking op één zaak?

De heer Karstens:

Ja, één zaak.

De voorzitter:

Was er ook nog niet een met 50?

De heer Karstens:

Dat is dezelfde zaak.

De voorzitter:

Het kwam dus meerdere keren voor in die zaak?

De heer Karstens:

Ja.

De voorzitter:

Dat is de enige die u kent?

De heer Karstens:

Waarbij wij harddrugs hebben doorgelaten? Ja! Noot De redenen voor de doorlating van drugs verschillen. Het kan zijn dat de criminele organisatie een drugsmokkelroute (druglijn) wil testen alvorens een grote partij af te zenden. De kleine testzending wordt dan doorgelaten. Ook kan een aantal grotere partijen worden doorgelaten om zicht te krijgen op de criminele organisatie. De commissie heeft in een aantal gevallen vastgesteld dat partijen soft- en harddrugs bewust op de markt terecht zijn gekomen. In hoofdstuk 3 zijn enkelen gevallen uitgebreid beschreven en in de navolgende paragrafen komen nog de doorlatingen in het Copa- en Exportonderzoek aan de orde. De commissie heeft echter nog meer gevallen aangetroffen: Een kernteam heeft een (open) infiltratietraject overgenomen van een Europees land in een drugslijn van Zuid-Amerika naar Nederland. Het betreft een buitenlandse burger-infiltrant en een politie-infiltrant. Ten tijde van het overnemen moet een partij van 9000 kilo marihuana worden doorgelaten uit Zuid-Amerika via het Europese land in Nederland.

De heer De Graaf:

Als het gaat over een partij van zeg 10.000 kilo marihuana, wordt dat ongetwijfeld weer
verdeeld in deelpartijen. Je moet dat met observatieteams zodanig bijhouden, dat je het dan ineens in een heel andere regio laat wegtippen.

De heer Blok:

De partij waarover u spreekt, is wel gevolgd met een OT, maar het is niet gelukt om die partij vervolgens in beslag te nemen.

De heer De Graaf:

Maar daar was de doelstelling van de politie ook niet op gericht?

De heer Blok:

Jawel, want er was observatie, ook nadat er doorgeleverd was. Noot Dit is een lijntester waarna door het kartel een grote partij cocaïne zal worden verzonden. De partij komt via dezelfde route als de partij marihuana naar Nederland. Deze partij cocaïne wordt gecontroleerd afgeleverd en blijkt na huiszoeking 250 kilo te bevatten. Bij deze gelegenheid wordt nog een partij van 150 kilo aangetroffen. Er worden in totaal acht huiszoekingen gedaan en 19 verdachten aangehouden.

Voor dit traject heeft de vorige minister van Justitie, Kosto, expliciet toestemming gegeven.

 

De voorzitter:

Het laatste punt dat ik kort aan de orde wil stellen: in het eerste verhoor van de heer Wooldrik hebben we het over een zaak gehad van de doorlevering van softdrugs, die bij u aan de gang was. Omdat uit de toetsingscommissie bleek dat toestemming was gegeven door de waarnemend procureur-generaal, is gebleken dat de minister daarvan wist. Inmiddels is opgehelderd dat de minister ervan geweten heeft. Dat was de heer Kosto, en daarna mevrouw Sorgdrager. Hoe is het gegaan tussen u en de minister?

De heer Blok:

Ik was daarbij niet persoonlijk betrokken. Het speelde in augustus, en toen was ik op vakantie. In dat hele traject hebben allemaal waarnemers gespeeld, zoals u misschien heeft ontdekt. Mijn plaatsvervanger heeft de plaatsvervangend PG op de hoogte gesteld, die vervolgens de minister op de hoogte heeft gesteld. Het is dus via een plaatsvervangend PG gegaan.

De voorzitter:

Schriftelijk?

De heer Blok:

Nee, dat is een mondeling overleg geweest, tussen mijn plaatsvervanger en de plaatsvervangend PG.

De voorzitter:

De plaatsvervangend PG moet dus naar het ministerie zijn gegaan, en daar is het blijkbaar neergeslagen in een notitie?

De heer Blok:

Het laatste weet ik niet helemaal zeker. Ik weet wel dat de plaatsvervangend PG een ambtenaar op het departement heeft benaderd, die vervolgens de minister heeft benaderd. Noot

Het tweede voorbeeld betreft een Arubaans onderzoek dat overgenomen wordt door de Amsterdamse politie: De politie in Aruba verzoekt de Amsterdamse recherche om te assisteren bij een infiltratietraject. Verteld wordt dat er reeds een boot met ongeveer 2500 kilo marihuana onderweg is naar Amsterdam, wat geldt als een proeftransport. Hierna zal een partij van 2 á 3 ton cocaïne komen. De landelijke officier van justitie verleent toestemming. De recherche heeft haar bedenkingen:

 

 

De heer Welten:

(..) Wij zijn geforceerd geworden om mee te werken aan zo'n traject. Met «zo'n traject» bedoel ik dat wij de oorsprong van de informatie niet konden toetsen. Was de informatie op basis waarvan activiteiten door de politie moesten worden ontplooid, rechtmatig verkregen informatie? Als dat niet rechtmatig is, werken wij daar liever niet aan mee. In die tijd hebben wij daar een dispuut over gehad en het moest toch. Nu, wij hebben het gedaan. De levering is doorgegaan en er is f.930.000 van de betrokken persoon die het invoerde, afgenomen en dat is naar de autoriteiten in het land van herkomst teruggegaan. Noot Er komen twee burgerinfiltranten onder politiebegeleiding uit Aruba naar Nederland om in Amsterdam contact te leggen met de ontvangers van de partij verdovende middelen. De infiltranten maken de partij vrij en brengen die onder beheer van de politie. Later wordt de partij overgedragen aan een groep Nederlandse criminelen waar een andere regio mee bezig is. De politie aldaar wordt op de hoogte gebracht van de opslagruimte waar de partij ligt. Een deel wordt in beslag genomen, een ander deel verdwijnt in het milieu.

De heer De Graaf:

Waar ging het in dat geval om? Softdrugs?

De heer Welten:

Het was softdrugs, 2500 kilo.

De heer De Graaf:

Die is op de markt verdwenen?

De heer Welten:

Die is voor een deel aangehouden, heeft men mij gezegd, en is op de markt verdwenen, ja. Noot De opbrengst van de verkoop van deze partij wordt in beslag genomen en op uitdrukkelijk verzoek overgemaakt op een bankrekening van de autoriteiten te Aruba. Vervolgens wordt geen medewerking meer verleend aan het


Arubaanse traject daar onder meer de beheersbaarheid van de infiltranten moeilijk is gebleken. Het doorlaten van partijen drugs heeft vaak tot doel zicht te krijgen op de top van een criminele organisatie en deze strafrechtelijk te vervolgen. De commissie constateert dat in gevallen waarin gebruik is gemaakt van doorlating wel veel aanhoudingen zijn verricht en veroordelingen zijn gevolgd (met name in het Copa-onderzoek), maar er geen sprake is geweest van het succesvol vervolgen van de top van de criminele organisatie.

 

6.3.7 Corruptiegevoeligheid

Een onderwerp dat regelmatig in verband wordt gebracht met infiltratie is het gevaar van het «afglijden» van een politie-infiltrant in het criminele milieu. Immers deze opsporingsmethode brengt nauw contact met de criminele organisatie met zich mee met alle verleidingen van dien. Nordholt licht tijdens zijn openbaar verhoor het besluit tot opheffing van de pseudo-koopteams in Amsterdam toe en hij benadrukt hierbij ook de risico's van de methode:

 

 

De voorzitter:

Kunt u kort de redenen aangeven, waarom de teams zijn opgeheven?

De heer Nordholt:

(...) Ik was altijd tegen pseudo-koop. Ik heb wat dat betreft altijd dezelfde lijn gevolgd die de heer Blaauw uit Rotterdam ook volgde. Ik denk dat je het middel eigenlijk niet zou moeten toepassen. Ik vind het gevaarlijk. Het gevaar is groot dat collega's die in zo'n traject terechtkomen, afglijden. Je krijgt in zekere mate een gespleten geest als je het maar lang genoeg doet. Eigenlijk vind ik de voordelen ervan niet opwegen tegen de nadelen, waarbij je moet denken aan de psychische en vaak ook fysieke bescherming van collega's.

Noot
In deze paragraaf zullen aan de hand van een aantal casus verschillende corruptie-risico's bij infiltratie worden beschreven.

Het risico van normafwijkend gedrag en het lekken van informatie

De methode van infiltratie vereist dat een politieambtenaar (soms zeer lange tijd) intensieve contacten onderhoudt met het criminele milieu. Het voortzetten van deze contacten nadat hij zijn functie als infiltrant heeft beëindigd kan leiden tot verschillende risico's, zo blijkt uit de volgende casus. Casus Een informant verklaart aan een criminele inlichtingendienst dat een begeleider van een unit pseudo-kopers vertrouwelijke politie-informatie verkoopt. Naar aanleiding van onder andere deze verklaring wordt een onderzoek naar de betrokken politieman gestart. Tijdens het onderzoek worden geen aanwijzingen gevonden voor de beschuldiging van de informant, maar blijkt wel dat de betrokken politieman veelvuldig privé-contacten onderhoudt met personen uit het criminele milieu. Er komt onder meer naar voren dat hij regelmatig een café bezoekt waar hij ook komt voor zijn politiewerk. In het café wordt in goud gehandeld. De betrokken politieman koopt hier onder meer goud voor zichzelf en hij wordt er bovendien van verdacht de handelaar zijn diensten aan te bieden als bewaker. De politieman heeft verschillende kennissen in de bouwwereld en krijgt zo korting bij de aanschaf van bouwmaterialen voor zichzelf en voor anderen. Een aantal van deze kennissen, zo blijkt uit het onderzoek, heeft criminele contacten of heeft zelf een crimineel verleden. De betrokken politieman heeft bovendien op zijn huisadres telefonisch contact met personen uit het criminele milieu. Hij bemiddelt op die manier onder andere bij de aanschaf van een auto voor een vriend en op verzoek van een kennis heeft de politieman in het verleden wel eens het HKS systeem geraadpleegd om na te gaan of hij, wanneer hij op wintersport zou gaan, op Schiphol zou worden aangehouden voor openstaande boetes. Voordat betrokkene werkzaam was als begeleider van een unit pseudo-kopers, is hij in de jaren zeventig vanwege disciplinaire redenen overgeplaatst naar een ander politiebureau. De directe aanleiding hiervoor was dat hij samen met zijn echtgenote een gala-avond had bezocht, op uitnodiging van een bevriende medewerker van een particulier beveiligingsbedrijf die ook hun toegangsbewijzen betaalde. Hierdoor, en door een aantal andere omstandigheden, wekte hij de indruk dat hij voor het bedrijf bewakingswerkzaamheden zou verrichten. Betrokkene is vanaf eind jaren tachtig werkzaam geweest als begeleider van een pseudo-koopteam en werkt op dit moment niet meer bij de politie.

Bovenstaand voorbeeld illustreert hoe de methode van politiële infiltratie ook risico's kan opleveren ten aanzien van het lekken van vertrouwelijke politie-informatie. Noot In de praktijk zal dit risico vaak nauw samenhangen met andere vormen van corruptie, zo blijkt onder meer uit de volgende casus.
Casus Naar aanleiding van belastende verklaringen door zijn ex-vrouw en een voormalige vriendin, stelt de Rijksrecherche een onderzoek in naar een lid van een politieel infiltratieteam. De betrokken politieman, die door zijn collega's wordt omschreven als professioneel, gedreven en soms zelfs fanatiek, is naast part-time pseudo-koper/infiltrant ook werkzaam als CID-rechercheur. Uit het rijksrecherche-onderzoek blijkt onder meer dat hij aan familie, vrienden en kennissen regelmatig zeer gedetailleerde verhalen vertelt over afgeronde of op stapel staande pseudo-koop- en infiltratie-acties en andere aspecten van zijn werk. Thuis in zijn werkkamer hangen foto's die zijn genomen tijdens inzetten van zijn team en bezoekers bij hem thuis laat hij politievideo's zien van zijn werk. Zijn echtgenote heeft hij verschillende malen meegenomen naar enkele zogenaamde safehouses. De betrokken politieman blijkt bovendien een illegaal vuurwapen (een riot gun) te bezitten dat hij bij een collega in bewaring heeft gegeven. Hij heeft dit wapen aangeschaft omdat hij zich naar aanleiding van een voorval in een café met een crimineel die hem kende als politie-ambtenaar en als gevolg van uitlatingen van zijn ex-vriendin, bedreigd voelde. Tijdens de opleiding voor pseudo-koop/infiltratie wordt uitgebreid aandacht besteed aan het simuleren van druggebruik. Betrokkene heeft met toestemming van zijn chefs, en uit het budget van het politie infiltratieteam, een coke-setje voor het gebruik van cocaïne aangeschaft dat hij bij zich mocht dragen. Uit het onderzoek van de Rijksrecherche blijkt dat hij, ondanks dat hem dit nadrukkelijk is verboden, een aantal jaren privé cocaïne heeft gebruikt. Daarnaast maakt de politieman zich zowel binnen als buiten diensttijd schuldig aan overmatig drankgebruik, onder andere onmiddellijk voorafgaand aan een actie (door hemzelf bestempeld als «voordrinken»). Tegen de pseudo-koper/infiltrant bestond aanvankelijk ook de verdenking dat hij samen met enkele collega's tegen betaling politie-informatie zou doorgeven aan een particulier beveiligingsbedrijf, maar tijdens het rijksrecherche-onderzoek is dit niet aangetoond. Betrokkene blijkt enige jaren niet in bezit te zijn geweest van een verplicht «A-nummer» omdat hij niet de vereiste opleiding voor pseudo-koper heeft gevolgd. Toen hij zich aanmeldde voor deze opleiding bleek er op dat moment geen plek meer te zijn en daarom heeft hij in plaats daarvan de opleiding voor pseudo-koop-begeleider gevolgd. De pseudo-koper/infiltrant, die in strijd met de Richtlijnen infiltratie langer dan 4 jaar als zodanig werkzaam geweest, is inmiddels geschorst.

Dit politiële infiltratieteam is inmiddels ontbonden. De Rijksrecherche heeft in haar onderzoek in deze zaak niet alleen gekeken naar de individuele politieambtenaar, maar heeft ook nadrukkelijk onderzocht in hoeverre er mogelijk sprake was van een structureel probleem. Uit het onderzoek blijkt dat het team op een aantal punten slecht georganiseerd was en op verschillende manieren ruimte kon bieden aan vormen van politiële corruptie. Uit het onderzoek blijkt dat het grootste deel van de pseudo-kopers langer dan de voorgeschreven vier jaar actief is geweest. Een enkeling werkte zelfs al tien jaar als pseudo-koper. De meeste leden van het politiële infiltratieteam en hun begeleiders vervulden een part-time functie. De chef van het team was tevens leider van het arrestatie- en observatieteam alsmede van de criminele inlichtingendienst. Ook enkele andere teamleden waren daarnaast werkzaam bij de CID. Dit leidde er onder andere toe dat leidinggevende taken vaak naar een (te) laag niveau werden gedelegeerd. Dit heeft volgens de Rijksrecherche waarschijnlijk een nadelige invloed gehad op het werk en de veiligheid. Uit het onderzoek is ook gebleken dat «signalen met betrekking tot een afglijdend normbesef», zoals de Rijksrecherche het noemt, binnen het team niet altijd als zodanig zijn onderkend en wanneer dit wel het geval was, niet op het juiste niveau zijn besproken. 


6.4 Casusonderzoek

 

6.4.1 RAMOLA (Rabo Money Laundering)

 

Feiten en omstandigheden

Op een dinsdag in september 1991 gaat een man met een sporttas een filiaal van de Rabobank in Utrecht binnen. Noot Hij stelt zich voor als «Soussi» en kondigt aan dat hij van plan is veelvuldig grote hoeveelheden buitenlands geld, Frans en Belgisch, te wisselen. Het bankpersoneel verwijst hem vervolgens naar het hoofdkantoor. Daar wordt gevraagd naar de herkomst van het geld in de sporttassen die hij inmiddels bijna dagelijks aanbiedt. Soussi, die meneer T. blijkt te heten, vertelt dat het geld afkomstig is van zijn autohandel en van andere Marokkanen. De bank is voorlopig gerustgesteld en verleent haar diensten. In ruim een jaar gaan sporttassen met 25 miljoen gulden aan buitenlandse valuta over de balie. De directie van de bank vraagt op een gegeven moment naar een mogelijke relatie met verdovende middelen. De heer T. ontkent met klem. Ondanks het feit dat de Wet melding ongebruikelijke transacties bij financiële dienstverlening nog niet van kracht is, acht de bank het toch wenselijk melding te maken van deze opmerkelijk grote hoeveelheden buitenlandse valuta in sporttassen. Het Meldpunt ongebruikelijke transacties bij de CRI ontvangt in januari 1993 (na zestien maanden) de eerste melding. De RCID Utrecht besluit deze melding na te trekken en ontdekt dat de heer T. zeer regelmatig naar Rotterdam rijdt, daar een aantal panden bezoekt en direct weer terugrijdt naar Utrecht. Daar wordt een aantal sporttassen geleegd bij de bank. Inmiddels doet de bank een vervolgmelding aan het MOT waarin staat dat inmiddels weer 30 miljoen is aangeboden aan de bank om te wisselen. De zaak wordt overgedragen aan de RCID Rotterdam die reeds informatie blijkt te hebben over de panden in relatie tot verdovende middelen. Besloten wordt een gerechtelijk vooronderzoek te openen. Ontdekt wordt dat de handel in verdovende middelen onder meer plaatsvindt vanuit een snackbar en een videotheek. Vanuit de videotheek worden per telefoon regelmatig vreemde zaken besteld. Zo wordt gesproken over zendingen colberts, spul, jonge varkentjes, zuivere aarde, melk, kamers. Bovendien blijkt het mogelijk om halve cassettes en halve films te bestellen en wordt vaak verzocht om te komen met een weegschaal. De bestellingen worden gedaan bij een woning die naderhand een safehouse van verdovende middelen blijkt te zijn. In de loop der tijd wordt duidelijk dat de organisatie bestaat uit twee Marokkaanse families Z. en B. en een groep geldwisselaars die in anderhalf jaar tijd 270 miljoen gulden aan buitenlands geld hebben gewisseld.

Politieel en justitieel onderzoek

Tussen de eerste MOT-melding en de opening van het gerechtelijk vooronderzoek wordt proactief onderzoek
gedaan. In deze periode wordt een aantal vaststellingen gedaan, zoals blijkt uit de verklaringen ter terechtzitting. Niet duidelijk wordt op welke wijze dit vooronderzoek heeft plaatsgevonden. Gezien de vaststellingen lijkt observatie te zijn gebruikt. Vervolgens wordt het onderzoek overgedragen aan het regionale bureau bovenlokale criminaliteit Rotterdam (RBBC). Op 10 juni 1993 wordt een gerechtelijk vooronderzoek geopend op de geldwisselaar T. Door middel van langdurige observatie en het tappen van telefoongesprekken komt de politie onder andere uit bij de twee Marokkaanse families Z. en B. Bij de observatie in dit onderzoek werd onder andere gebruik gemaakt van fotocamera's en videocamera's. De opgenomen telefoongesprekken worden vertaald door tolken. Verder worden nog registraties van een aantal autotelefoons opgevraagd met een machtiging van de rechter-commissaris. In de doorlichting staat dat «diverse ATF gesprekken zijn afgeluisterd middels de kolibrie». In het requisitoir wordt nadrukkelijk vermeld dat er geen autotelefoons zijn afgeluisterd. Noot

 

Vooraankopen

Een informant die «zich in het criminele milieu kon bewegen» doet vier vooraankopen van heroïne en cocaïne in opdracht van de RCID Rotterdam/Rijnmond.
Deze informant is in de ogen van officier van justitie De Groot geen infiltrant, immers hij bevindt zich al in het criminele milieu dus hij hoeft hierin niet meer te infiltreren, noch is er sprake van pseudo-koop. Van het begin af aan was het de bedoeling door middel van deze aankopen CID-informatie te bemachtigen. Er is geen sprake geweest van pseudo-koop. Noot Voor deze aankopen wordt vooraf onder andere buitenlandse valuta verstrekt door het ministerie van Justitie. Dit geld wordt gemerkt teneinde de geldstromen te kunnen volgen. Noot De informant krijgt een beloning voor het doen van de aankopen. Dit CID-traject loopt parallel met het gerechtelijk vooronderzoek. De vooraankopen vinden plaats tussen 1 september 1993 en «geruime tijd voor 3 oktober 1994» Noot en betreffen hoeveelheden van minder dan 100 gram, tussen de 100 en 750 gram of meer dan 750 gram. Noot Elke aankoop heeft een ander aspect zoals een andere hoeveelheid of een andere persoon. Het doel van de aankopen is bevestiging te verkrijgen van reeds aanwezige informatie over de samenstelling van de organisatie en met name over de safehouses en de geldstromen. De aankopen zijn niet bedoeld om bewijs tegen personen te verkrijgen. In dit kader worden deze aankopen door het openbaar ministerie niet beschouwd als opsporingshandelingen Noot omdat zij niet hebben plaatsgevonden in een opsporingsonderzoek en niet gericht zijn geweest op bewijsgaring. Slechts informatie over het feit dat twee panden drugsgerelateerd zijn is doorgegeven aan het tactisch team.

Het traject kwam tot stand in overleg tussen de RCID en de CID-officier van justitie. De informant zat strak aan de regie. De informant mag geen mensen uitlokken. De informant heeft zich gedragen op de manier waarop een informant zich moet gedragen. Noot De hoeveelheden werden vooraf afgesproken. Toen zijn geen afspraken gemaakt over het totale aantal voorkopen, noch om de operatie buiten het dossier te houden. Deze afweging is later gemaakt. Noot De inzet van dit middel werd nodig geacht omdat het hier een gesloten familie-organisatie betrof waarin een groot aantal familieleden zich bezighield met strafbare feiten en omdat het verkrijgen van informatie over deze groep erg moeilijk was. Om deze reden werd het ook niet voor mogelijk gehouden om een politie-infiltrant in te zetten. Bovendien was reeds een informant ingeschreven bij de RCID die informatie over deze groepering kon verschaffen.

De CID-officier van justitie en de zaaksofficieren zijn achteraf op de hoogte gehouden van de voorkopen door middel van mondelinge verslaggeving en processen-verbaal waarin van elke aankoop het tijdstip, de hoeveelheid en de prijs staat vermeld. Noot De runners waren niet op de plaats aanwezig waar de aankoop zich had afgespeeld en de informant was evenmin in het bezit van afluisterapparatuur. Noot De rechtsgrond voor de aankopen is onduidelijk. In deze aankopen is niet voorzien in de Richtlijn infiltratie 1991. De Groot: De richtlijnen voor pseudo-koop zijn zo gemaakt maar de ontwikkelingen gaan wat harder. Ik heb deze affaire besproken met de HOvJ. We hebben intern besproken of we van de richtlijn af zouden wijken. We vonden de richtlijn achterhaald. Noot

 

Het onderzoek ter terechtzitting


Processen-verbaal van de vooraankopen komen aanvankelijk niet voor in het zittingsdossier. Op herhaald verzoek van de rechtbank wordt informatie hierover verstrekt door het openbaar ministerie en de criminele inlichtingendienst in de vorm van een proces verbaal en een getuigenverhoor van de chef CID, het getuigenverhoor van de CID-officier van justitie en geanonimiseerde processen-verbaal van de vooraankopen. Deze blijken zodanig geanonimiseerd dat niet veel duidelijkheid geschapen wordt over de feiten en omstandigheden van elke aankoop. De getuigenverhoren van de CID-officier van justitie en de CID-chef werpen ook niet meer licht op de zaak en worden gekenmerkt door: «Ik weet dat wel, maar wil er geen uitspraak over doen. Als ik dat bevestig of ontken, is dat een vingerwijzing naar de identiteit». Noot De rechtbank verzucht:

 

Voorzitter (In 't Velt-Meijer):

Dat betekent dus dat u nooit volledige opening van zaken kan geven zonder de identiteit van de informant vrij te geven? Getuige RCID-chef (In 't Veld): Dat klopt. Dat was ook van tevoren voorzien, en het is de afweging geweest die wij hebben gemaakt. Noot

Vervolgens wordt door de officier van justitie de mogelijkheid van het opvoeren van de informant/infiltrant als anonieme getuige overwogen. Hiervan wordt echter afgezien omdat op dat moment er niet voldoende concrete aanwijzingen zijn dat iemand uit de Ramola-groepering zich bedreigend naar de informant uitliet. Noot

De officier van justitie vermeldt in zijn requisitoir dat naar de mening van het openbaar ministerie de verstrekte informatie voldoende mogelijkheden biedt tot toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de vooraankopen. De rechtbank denkt hier anders over. Tijdens de zitting worden hierover signalen gegeven. (..) deelt de voorzitter mede dat de rechtbank geen aanleiding ziet om nogmaals om overlegging van de processen-verbaal van pseudo-koop te verzoeken, aangezien zij daar reeds eerder om gevraagd heeft en zij de processen-verbaal ook toen niet heeft gekregen. Wat de consequentie daarvan is zal door de rechtbank worden overwogen. Noot

De verstrekte informatie wordt met name onvoldoende bevonden om aan het Tallon-criterium te toetsen. De rechtbank oordeelt als volgt:
Op dit punt is slechts bekend geworden dat er sprake was van een groep van personen die reeds in grote hoeveelheden drugs handelde. Dit is echter onvoldoende om voor elke verdachte afzonderlijk te kunnen vaststellen of hij reeds in grotere hoeveelheden harddrugs handelde voordat hij door de informant zou kunnen zijn benaderd, hetgeen toch minimaal nodig is om ervan te kunnen uitgaan dat de opzet van de verdachte met betrekking tot de telastegelegde feiten niet door het optreden van de informant is gevormd.(..) De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie door de beslissing aankopen te laten doen door een informant, zodat zonder diens identiteit prijs te geven onvoldoende informatie kan worden verstrekt om het gebruik van deze opsporingsmethode te kunnen toetsen en op grond daarvan is besloten in het geheel geen melding te maken van het gebruik van deze methode op zodanige wijze handelt in strijd met de goede procesorde dat het de niet-ontvankelijkheid over zichzelf afroept.

Het feit dat door de verdediging wordt aangedragen dat deze vooraankopen elke rechtsgrond missen wordt door de rechtbank niet als zwaarwegend gezien. In 't Velt-Meijer zegt hierover tijdens het openbaar verhoor:

 

De heer Vos:

De heer In 't Veld heeft zich afgevraagd of het wel zo schokkend was dat aankopen werden gedaan en niet in het proces-verbaal terechtkwamen. Die aankopen werden namelijk toch niet als bewijs in de zaak gebruikt. Kunt u daarop reageren?

Mevrouw In 't Velt-Meijer:

Ja, ik verwijs dan ook weer naar het vonnis. De rechtbank heeft daar ook op gereageerd. Van de kant van de verdediging werd namelijk naar voren gebracht dat dit op zichzelf al zo erg was dat dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid. In het vonnis van de rechtbank staat dat het een verkeerde inschatting is geweest dat het, omdat het niet voor het bewijs gebruikt zou kunnen worden, niet nodig was om het te vermelden. Over de gang van zaken en de vraag wie er is ingelicht over de beslissing om de informant in te zetten, hoe vaak dit is gebeurd en of daar voldoende controle op is geweest, is ter zitting voor de rechtbank voldoende duidelijkheid gekomen. De rechtbank heeft ook gezegd: het enkele niet vermelden is voor ons geen reden om te zeggen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is. Noot

Uit het vonnis blijkt dat op een aantal andere punten de rechtbank van mening verschilt met het openbaar ministerie. Dit betreft ondermeer de vraag wanneer een methode een opsporingsmethode is.
Het betreft in casu aankopen van verdovende middelen die gedaan zijn tijdens een gerechtelijk vooronderzoek en met het doel om ten behoeve van dat onderzoek informatie te verkrijgen. Het betreft derhalve een opsporingsmethode en wel een die vergaand en ingrijpend van aard is. (..) Ongeacht de benaming van deze methode (vooraankoop of pseudokoop) dient een dergelijke gang van zaken volledig door de rechter te worden getoetst. Noot

Een mogelijke interpretatie van dit vonnis is dat het staat voor een vertrouwensbreuk tussen de zittende en staande magistratuur:

 

De heer Gerding:

Los van de vraag of dit vonnis in hoger beroep stand zal houden, vind ik het een vrij dramatisch vonnis, omdat de rechtbank tussen de regels door heeft gezegd: officier van justitie, openbaar ministerie, wij geloven u niet. De geloofwaardigheid van het OM in Rotterdam heeft toen een geduchte knauw gekregen. Noot

De plaatsvervangend hoofdofficier te Rotterdam Gerding voegt hieraan toe dat vroeger het woord van de officier van justitie «het is goed gegaan in de opsporing» voldoende was. Nu is dit naar zijn mening niet meer zo. Niet iedereen deelt deze mening. CID-officier van justitie De Groot acht deze suggestie van vertrouwensbreuk begrijpelijk doch niet juist. Dit wordt bevestigd door de voorzitter van de strafkamer In 't Velt-Meijer. Immers het feit dat het openbaar ministerie ter terechtzitting meldt dat de verdachte schuldig is aan het plegen van bepaalde strafbare feiten maakt toch ook niet dat de rechtbank dit zonder zelfstandige toetsing overneemt?

 

 

De heer Vos:

Ik wil aan de orde stellen dat van de zijde van de officier gezegd is: rechtbank, geloof mij nu maar; het is voldoende zorgvuldig gegaan. En dat is voor u uiteindelijk toch onvoldoende gebleken?

Mevrouw In 't Velt-Meijer:

Ja, het gaat namelijk om een juridisch oordeel over de vraag of er is uitgelokt of niet. Het feit dat het OM zegt dat dit niet zo is geweest, vond de rechtbank onvoldoende. Wij wilden dat zelfstandig kunnen toetsen. Om de lijn door te trekken: als iemand verdacht wordt van moord en de officier zegt dat wij hem maar moeten geloven dat diegene dat heeft gedaan, dan nemen wij daar ook geen genoegen mee. Noot

In deze zaak van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie voor de helft van het Ramola-onderzoek is hoger beroep aangetekend. In dit kader is extra informatie over een aantal verdachten overhandigd aan de advocaat-generaal. Noot Op de vraag welke les het openbaar ministerie uit deze zaak heeft getrokken zegt De Groot tijdens het verhoor:

 

 

De heer De Groot:

De les uit het Ramola-vonnis is wat mij betreft getrokken op het moment dat de Hoge Raad zijn oordeel heeft geveld. Noot

In hoger beroep komt het gerechtshof te 's-Gravenhage tot een andere eindconclusie: ten onrechte heeft de rechtbank de officier van justitie in zijn vervolging niet-ontvankelijk verklaard. Noot Het hof wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere afdoening. Het hof deelt overigens de kritiek van de rechtbank op de handelwijze van het openbaar ministerie, maar acht de bezwaren in dit specifieke geval in onderdelen en tezamen niet zó ernstig, dat niet-ontvankelijkheid behoort te volgen.

Het hof onderscheidt twee type bezwaren. Het ene type is dat van de integriteit van de strafrechtspleging, een belang dat in een meer verwijderd verband van de verdachten staat. Het hof acht deze bezwaren groot, maar de omstandigheden van het geval voldoende zwaarwichtig om van de infiltratierichtlijnen af te wijken. Die omstandigheden zijn gelegen in de uitzonderlijke omvang van de geldtransacties, die uit een navenante uitzonderlijke omvang van drugshandel zouden kunnen voortkomen, met alle nevengevolgen vandien; het gebrekkige resultaat van de reeds ingezette opsporingsmiddelen; het kennelijke gebrek aan professionele infiltranten; de lange duur van het onderzoek; de wat betreft zijn betrouwbaarheid positieve ervaringen die men al met de informant had, die bovendien ook zelf de risico's van zijn handelen op de koop toe zal hebben genomen; het beperkt aantal aankopen dat men heeft verricht: de zorgvuldige begeleiding van de informant; en het feit dat drugs uit de markt zijn gehaald en vernietigd, welk laatste feit de ernst van het door de overheid gepleegde misdrijf aanzienlijk relativeert.

Het andere type bezwaren betreft de controleerbaarheid van gegevens, waartegen de verdachte zich moeilijk kan verdedigen. Het hof merkt volledigheidshalve op dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die tot de conclusie zouden moeten leiden dat door de toepassing van de methode grondrechten van de verdachte zijn geschonden. Weliswaar is verder veel oncontroleerbaar, maar aan de hand van de verklaringen
van de CID-officier van justitie en de CID-chef is wel controleerbaar dat de aankopen niet hebben gestrekt tot het verkrijgen van bewijs.
Dat betekent, aldus het hof, dat de verdachte wordt aangesproken op feiten, die niet direct met die aankopen in verband staan. Hij zal zich dus niet hebben te verantwoorden voor andere handelingen dan die waartoe hij mogelijkerwijs is uitgelokt of die rechtstreeks met die vooraankopen in verband staan. Voor die handelingen wordt, tot het tegendeel blijkt, steeds een afzonderlijk wilsbesluit verondersteld. De vooraankoop, bezien vanuit het perspectief van de mogelijk uitgelokte eerste verkoop, impliceert niet vanzelfsprekend dat volgende wilsbesluit. Derhalve moet aannemelijk worden dat de verdachte door toedoen van de politie onlosmakelijk in het drugsmilieu is beland en dat hij daardoor geen andere keus had dan het feit te begaan, wil zijn beroep op de niet-ontvankelijkheid een kans maken. Dat door de gewraakte handelingen de verdenking kan zijn gerezen, acht het hof niet een omstandigheid waarvan gezegd kan worden dat jegens de verdachte sprake is geweest van een zodanige ernstige schending van procesrecht dat hij niet vervolgd kan worden. Ernstig acht het hof dat politie en justitie niet onmiddellijk opening van zaken hebben gegeven. Het mag volgens het hof, niet zo zijn dat geheel en al van de verdediging afhankelijk is of kennis wordt verkregen van een toegepaste opsporingsmethode. Het hof verbindt in dit geval daar geen consequenties aan omdat volstrekt niet aannemelijk is geworden dat de gegevens achter zijn gehouden om de rechter te misleiden, maar dat de reden daartoe veeleer gezocht moet worden in het op zichzelf te respecteren en niet onbegrijpelijke feit dat men de informant heeft willen afschermen. Het achterhouden van processen-verbaal wordt in de infiltratierichtlijn mogelijk gemaakt, indien bewijs op andere wijze kan worden geleverd, terwijl het in casu niet om bewijs gaat. Bovendien is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voldoende - voor juist te houden - informatie verstrekt

 

6.4.2 COPA (Colombia-Paramaribo)

 

Opsporingsonderzoek

Het COPA-onderzoek wordt gestart in 1992 door de politieregio Haaglanden en betreft een onderzoek naar de betrokkenheid van het voormalige militair gezag in Suriname bij de cocaïnestroom van Suriname naar Nederland. Tevens wordt een grootschalig financieel onderzoek gestart naar hiermee gepaard gaande witwastrajecten. Aan de start van dit ambitieuze onderzoek is wel wat voorafgegaan, zo zegt de zaaksofficier:

 

De heer Van der Voort:

(...) Ik zal proberen om dat kort toe te lichten. De onderzoeken tot dan toe hadden geleid tot succesvolle verdovende-middelenzaken, waarbij partijen waren onderschept en waarbij verdachten waren veroordeeld. Daarnaast werd steeds meer informatie gegenereerd, waaruit aanwijzingen kwamen dat het voormalige militaire gezag in Suriname, de voormalige legerleiding, in feite betrokken was bij, dan wel achter die permanente cocanestroom vanuit Nederland naar Suriname zat.

De voorzitter:

Inclusief de hoogste baas. (...)

De heer Van der Voort:

De voormalige legerleiding, waaronder ook de voormalige legerleider.

De voorzitter:

Bouterse.

De heer Van der Voort:

Bouterse. Er was dus sprake van aanwijzingen. Noot Uit onderzoek blijkt dat de cocaïne in heel- of halffabrikaat uit Brazilië of Colombia komt en via Suriname naar Nederland wordt vervoerd. Dit is veelal verstopt bij de legale goederenstroom, die kan bestaan uit vis, hout, groente of rijst. Ook worden de halffabrikaten in laboratoria in Suriname verwerkt en vervolgens doorgevoerd. Retour naar Suriname gaat een enorme geldstroom van tientallen miljoenen dollars. Het doel van het opsporingsonderzoek is tweeledig. Ten eerste een strafrechtelijke, dan wel politieke uitschakeling van het zogenaamde Paramaribo-kartel in Suriname. Van der Voort zegt hierover:

De heer Van der Voort:

Dat is een verzameling van personen op hoog niveau, politiek en militair, in Suriname met banden met landen die de cocaïne leveren. De cocaïne komt uiteindelijk niet uit Suriname. Het wordt ergens vandaan betrokken. Het gaat om de gezagsdragers daar die op de achtergrond verantwoordelijk zouden zijn voor - het was nog maar een aanname, wij hadden er aanwijzingen voor, maar geen bewijzen - en betrokken zouden zijn bij de internationale handel in verdovende middelen, namelijk cocaïne.

Als tweede doelstelling voegt hij hier aan toe:
De tweede doelstelling, de subdoelstelling was, om in elk geval belangrijke tussenhandelaren in cocaïne strafrechtelijk te vervolgen, aan te houden en in Nederland te berechten. Noot Voormalig legerleider Bouterse behoort tot de hoofdverdachten van het onderzoek.

 

De heer De Graaf:

(...) Ik vraag u niet om precies te zeggen wat u exact heeft. Heeft u nog hoop dat het ooit tot aanhoudingen op grond van de doelstellingen van het onderzoek komt?

De heer Van der Voort:

Die hoop heb ik niet.

De heer De Graaf:

U heeft niet die hoop.

De heer Van der Voort:

Neen.

De heer De Graaf:

Laat staan de verwachting.

De heer Van der Voort:

Laat staan de verwachting.

De voorzitter:

Dat is nogal wat. Dan bent u toch eigenlijk met een krankzinnig avontuur bezig, afgezien van alle successen die u boekt?

De heer Van der Voort:

Afgezien van alle successen, want die moeten vooral niet worden vergeten. Als wij het hebben over de hogere doelstellingen, moeten wij vooral niet vergeten dat wij in de loop van het traject een aantal prachtige zaken hebben gedraaid. Uiteindelijk is het echter iedereen te doen om die ene. (...)

De voorzitter:

Een krankzinnige opdracht, een negatieve verwachting. Dan is onze vraag toch wel gerechtvaardigd of men zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de moeilijkheden en de mogelijkheden?

De heer Van der Voort:

Het gaat mij erom of het politieteam en ik als behandelend officier van justitie ons voldoende rekenschap hebben gegeven van de strafrechtelijke en strafvorderlijke haalbaarheid van het onderzoek. Dat is een andere vraag.

De voorzitter:

Dat is correct, maar aangezien de beslissingen uiteindelijk zozeer met elkaar verweven raken, ook in het strafvorderlijke traject, is die vraag toch wel begrijpelijk?

De heer Van der Voort:

De vraag is begrijpelijk, alleen...

De voorzitter:

Misschien kunt u er iets beter antwoord op geven. Hoe vaak heeft u doorgekregen dat men er van hogerhand goed over heeft gesproken, dat men weet wat de risico's zijn, dat men weet wat de politieke problemen zijn, maar dat men er toch vertrouwen in heeft? Anders zou u deze opdracht toch niet als krankzinnig betitelen?

De heer Van der Voort:

De vorige minister, Hirsch Ballin, had daar een heel duidelijke mening over. Hij zei: als het boeven zijn, dan moeten de boeven worden gepakt. Dat is iets waar ik mee kan werken. Dat is heel duidelijk. Dat is heel tastbaar. Dan ga ik ervan uit dat hij een en ander politiek heeft afgewogen en dat hij dat politiek ook kan waarmaken.

De heer De Graaf:

De huidige minister is niet van dat standpunt van haar voorganger afgeweken?

De heer Van der Voort:

De huidige minister pleegt zich soms iets anders uit te drukken.

De heer De Graaf:

Het ging om de geest van de boodschap.

De heer Van der Voort:

Ik heb geen berichten gehoord dat het nu anders zou moeten zijn. Noot Via een trapsgewijze aanpak wordt getracht bij de top van de organisatie uit te komen. De opsporingsmethoden tappen, observatie en informanten worden gebruikt. Met tappen en observeren doet zich een aantal moeilijkheden voor. De verdachten bevinden zich vaak op grote afstand, onder andere veel in Suriname en Miami. Er is echter voor gekozen om niet met Surinaamse diensten samen te werken. Ook worden barrières opgeworpen door de machtspositie van de te onderzoeken groep, zowel in politiek als economisch opzicht. Met de bronlanden van de drugs, Colombia en Brazilië, wordt wel samengewerkt. Bovendien wordt ook gezocht naar informanten met deze nationaliteiten om het onderzoek verder te helpen. Informanten hebben onder meer een rol in de zogenaamde Prismamethode die uitgeprobeerd is in dit onderzoek:

De heer De Graaf:

U kent de Delta-methode. U heeft ooit tegen ons gezegd dat er ook een Prisma-methode is. Kunt u ons dat in breed perspectief uiteenzetten?

De heer Van der Voort:

Je kunt de Prisma-methode op twee manieren definiëren. De ene is de negatieve, namelijk niet zijnde de Delta-methode. De andere is een wat meer positieve. Binnen het Prisma-team krijgen wij regelmatig te maken met informanten, die wetenschap zeggen te hebben over aanstaande cocaïnetransporten, vanuit Zuid-Amerika naar Nederland. Zij geven aan dat zij door de criminele organisatie zijn gevraagd om daarin een bepaalde rol te spelen. Zij vragen aan ons of wij daarin zijn geïnteresseerd. Veelal zijn wij dat, niet altijd. Het gaat er vaak om dat de criminele organisatie een nieuwe cocaïnelijn wil openen. Ze benaderen mensen, omdat er in het verleden dingen zijn mis gegaan. Wat dan blijkt, is dat de criminele organisatie vaak gebruik maakt van wat de heer Brand bij u heeft aangeduid als een lijntester. Ik vind dat er niets verkeerds aan


is om gebruik te maken van een lijntester. De methode betekent heel simpel dat eerst een kleine hoeveelheid verdovende middelen via die personen, die bedrijven, die schepen, die havens, vanuit het bronland naar Nederland komt, om te bekijken of die lijn goed is. Als die partij zou worden gepakt, in welk stadium dan ook, dan weten wij zeker dat via die lijn, waarschijnlijk met behulp van de mensen die er tot dan toe bij waren betrokken, de partij cocaïne waar het werkelijk om gaat en die dus vele malen groter is, niet wordt verzonden. Dat betekent dat wij in elk geval via die lijn daar nooit meer zicht op krijgen. Als het gaat om dat soort afwegingen, dan vind ik dat dit een verantwoorde methode kan zijn.

(..)

 

De heer Van der Voort:

Ja, je kunt de methode natuurlijk nog aanvullen met allerlei varianten, bijvoorbeeld met de variant dat de informant wordt bijgestaan door een politie-infiltrant, of met de variant dat de informant wordt vervangen door een politie-infiltrant. Noot

Een wezenlijk onderdeel van deze Prismamethode is het doorlaten van de eerste partij drugs die als lijntester wordt ingezet door de criminele organisatie. In het Copa-onderzoek zijn enkele honderden kilo's harddrugs doorgelaten als lijntester en op de markt terechtgekomen. Dat het toch niet altijd tot één lijntester beperkt hoeft te blijven blijkt uit een opmerking van Van der Voort:

 

 

De heer Van der Voort:

Dat hangt helemaal af van de hoeveelheden die bij die testen zijn betrokken en van de doelstelling die bij een dergelijke methode is gesteld. Noot

Na de lijntester wordt, als het goed gaat, een grotere partij drugs verzonden. Brand zegt daarover:

 

De heer Brand:

(...) Wij moeten de mogelijkheid hebben om mee te werken aan een situatie waarbij de criminele organisatie via de informant een lijn gaat testen. Als die lijn loopt, zal daar een grote hoeveelheid overheen komen. Het is ook zo dat, wanneer er een grote hoeveelheid over een uitgeteste lijn gaat lopen, je dan de meeste kans hebt dat je belangrijke mensen in de organisatie aanhoudt. Dat is ook gebeurd. Want als er een kleine hoeveelheid over de lijn loopt, zal men binnen de criminele organisatie niet hun topkwaliteit inzetten. Als er dus grote hoeveelheden overheen lopen, zet men zijn topcapaciteit in. Noot

Over het verschil met de Deltamethode zegt Van der Voort dan:

 

De heer Van der Voort:

Het verschil is dat het de bedoeling is dat direct na de lijntester wordt ingegrepen. Ik zie de Delta-methode voornamelijk als een methode om de betrouwbaarheid van de informant, dan wel de infiltrant te testen en die langzaam in vertrouwen te laten groeien. De methode, zoals ik die schetste, is er veel meer één, waarbij de lijn eenmalig moet zijn getest. Het gebeurt soms ook op andere manieren. Het is geen geheim dat met name Colombiaanse organisaties, voordat ze een grote partij cocaïne afzenden, via dezelfde lijn een partij marihuana afzenden. Als die verloren gaat, dan is er niet zoveel aan de hand voor de Colombianen.

De voorzitter:

Dan kun je zo'n partij marihuana omgekeerd ook doorlaten.

De heer Van der Voort:

Dat zou ook kunnen.

De voorzitter:

Dat is, dacht ik, ook gebeurd.

De heer Van der Voort:

Dat is bij ons gebeurd.

De voorzitter:

Was zo'n lijntester altijd succesvol, in die zin dat daarna de boel kwam die u wilde hebben?

De heer Van der Voort:

Niet altijd. Noot Halverwege 1994 worden op basis van drie gerechtelijke vooronderzoeken tegen Bouterse en twee medeverdachten twee maal wereldwijd huiszoekingen verricht. De eerste keer gaat het om ruim 30 huiszoekingen, de tweede keer betreft het 130 huiszoekingen die tegelijkertijd in 12 landen plaatsvinden. De criminele groepering is al vanaf het begin goed op de hoogte van het COPA-onderzoek. Er worden zelfs processen-verbaal in Paramaribo verkocht. In het gehele COPA-onderzoek is er tactisch, financieel, CID- en inlichtingen-onderzoek gedaan. In dit kader is contact geweest met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Tevens is de internationale samenwerking belangrijk gebleken. In april 1995 is het afgeronde dossier aangeboden aan de top van het openbaar ministerie. Dit wordt doorgesproken met de minister waarna er een afweging moet worden gemaakt over een eventuele vervolgactie.

De voorzitter:

U bent toch nog niet zo succesvol geweest, bijvoorbeeld in het grote onderzoek, waar we nu over spreken? Misschien zeer succesvol op de deelterreinen, maar niet op de hoofddoelstellingen.


De heer Blok:

Dat hangt ervan af. Wanneer ik, net als de heer Van der Voort, het totale traject bekijk, weet ik dat er in ieder geval ruim 2000 kilo cocaïne in beslag is genomen, en dat er 65 mensen zijn veroordeeld. Dat vind ik op zich, met name als ik naar die veroordeelden kijk, die meestal straffen kregen van 10 tot 14 of meer jaar, en waarbij het ging om belangrijke drugshandelaren, niet onsuccesvol. Noot Inmiddels is het rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname in werking getreden. Hierin is niets bepaald

over uitlevering.

CID-trajecten

Parallel aan het opsporingsonderzoek heeft een aantal gesloten CID-trajecten gelopen waarin bijzondere opsporingsmethoden zijn ingezet. Drie voorbeelden:

Traject A

Een informant wordt belast met de afhandeling van partijen verdovende middelen die naar Nederland worden gestuurd door de drugmafia in Zuid-Amerika. Hij levert aan de CID-Haaglanden informatie over een schip met een paar duizend kilo cocaïne dat binnen afzienbare tijd naar West-Europa zal komen. Deze partij is bestemd voor drie groeperingen in Nederland. Inmiddels wordt bij een politiële actie een grote partij van meer dan duizend kilo cocaïne in beslag genomen en een groot aantal leden van één van deze drie groeperingen wordt aangehouden. De Zuidamerikanen komen hierdoor in de problemen. Er is geen geld voor het vervoer van een reeds gereedstaande partij cocaïne en zij willen nu eerst de betrouwbaarheid van deze nieuwe lijn testen. Er wordt een plan gesmeed om enkele duizenden kilo's marihuana te verzenden, en vervolgens van de opbrengst het vervoer van de cocaïne te betalen. Met deze laatste partij zullen ook de Zuidamerikaanse hoofdrolspelers overkomen, aldus de informant.

De CID vat het plan op om een doorlating van de lijntester van softdrugs te doen. Hierna kunnen van criminele zijde de financiën worden afgehandeld waarna een gecontroleerde aflevering van harddrugs zal kunnen volgen. De Centrale toetsingscommissie gaat op 9 februari 1995 niet akkoord met dit plan. Zij is er onder meer niet van overtuigd dat wel een partij cocaïne zal volgen op de doorlating van marihuana. Dit oordeel brengt grote problemen met zich mee. Het blijkt dat de liaison officer in Zuid-Amerika de informant runt voor Haaglanden en dat de informant er diep inzit en niet meer terug kan inzake de partij drugs. Het gaat nu om een proefzending van meer dan twintigduizend kilo marihuana. Bovendien ligt de partij cocaïne van meer dan zesduizend kilo klaar ter verscheping met hetzelfde schip als de softdrugszending. Nu blijkt ook dat de partijen qua financiering niet van elkaar afhankelijk zijn. De cocaïne zal toch komen, en is bestemd voor vijf organisaties in Nederland. Wanneer deze partij in Nederland aankomt, zal een aantal kopstukken van Zuidamerikaanse kartels overkomen om de partij de inspecteren en te splitsen, aldus de informant. De informant komt naar Nederland en zal hier gerund worden door de CID. Hij opereert dan als een burgerinfiltrant en zal daadwerkelijk een actieve rol gaan spelen. De doelstelling is het doorlaten van de partij marihuana tot zover de Zuidamerikanen van mening zijn dat de lijn safe is. Eventueel kan op een gegeven moment een deel bij één van de afnemers in beslag worden genomen. Het plan is om in ieder geval de partij cocaïne in beslag te nemen en de kopstukken aan te houden. Voor dit traject wordt voorwaardelijke toestemming door de Centrale toetsingscommissie gegeven. Aanbevolen wordt dit traject aan de minister voor te leggen. Bij een latere toetsing wordt gemeld dat de partij marihuana zoek is. De infiltrant meldt nu dat de partij eigenlijk al binnen is, maar weet niet met welk schip of in welke haven de partij is ingevoerd. Onbekend is of deze partij misschien al door een dienst ergens geveegd is of niet. Het vervolgtraject schijnt nog wel gewoon door te gaan.

 

Traject B

Een informant benadert de RCID-Haaglanden met het verhaal dat hij door een belangrijke drugcrimineel in Suriname gevraagd is om een partij cocaïne Nederland binnen te brengen. Het is bekend dat deze drugcrimineel onder bescherming van de voormalig legerleider opereert. Het CoPa-team gaat erop in. De criminele organisatie geeft aan eerst een proefzending te willen doen, waarna een grotere partij zal volgen. De RCID gaat naar de douane met het verzoek om doorlating. Er wordt een lijntester van meer dan tien kilo cocaïne doorgelaten en het milieu in gevolgd zonder dat wordt ingegrepen. De criminele winsten voor dit eerste transport levert de informant niet in. Voor latere transporten worden hierover wel afspraken gemaakt. Na deze «succesvolle» lijntester wordt door de criminele organisatie een tweede partij afgezonden van meer dan honderd kilo cocaïne naar een Nederlandse haven. Het schip ligt reeds voor de rede als de informant gevraagd
wordt de partij ongezien door de douane te loodsen. Hij geeft dit door aan de politie waarna de officier van justitie rechtstreeks contact opneemt met de douane. Hier rijst een probleem. De container is reeds geselecteerd voor controle en kan dus niet ongezien worden doorgelaten. De informant komt in een lastig pakket. Hij moet met een smoes terug naar de organisatie en adviseert de organisatie om van de partij af te blijven. Later wordt deze partij gecontroleerd afgeleverd, alwaar de partij in beslag wordt genomen en er vijf aanhoudingen worden verricht.

De informant heeft voor bewezen diensten een beloning tussen de 20.000 en 30.000 gulden van justitie ontvangen. De hoofdverdachte in dit onderzoek is niet naar Nerderland gekomen. Een andere reeds lang nagejaagde Surinaamse drughandelaar is wel voor de partij op komen dagen. Deze is in hoger beroep tot een langdurige gevangenisstraf en een forse geldboete veroordeeld.

 

CID-traject C

In 1993 wordt A benaderd door X. Deze X onderhoudt goede contacten met de voormalige en huidige legerleiding in Suriname. A wordt door X gevraagd of hij cocaïne naar Nederland kan vervoeren. Immers hij beschikt over transportfaciliteiten. A gaat met dit verhaal naar de CID. X blijkt daar bekend te zijn. Onder andere blijkt dat hij op grote schaal cocaïne smokkelt. Het COPA team is geïnteresseerd. A zegt verder niets met de zaak te maken te willen hebben. Besloten wordt een politie-infiltrant B te introduceren als zaakwaarnemer. Deze buitenlandse undercover B gaat vervolgens daadwerkelijk de zaken regelen in het buitenland.

De politie-infiltrant B wordt benaderd met het verzoek om een partij van een paar honderd kilo cocaïne naar Nederland te vervoeren als lijntester. Door het COPA-team wordt besloten om een doorlating te laten plaatsvinden. De partij wordt door de politie-infiltrant B vervoerd naar Nederland en overgedragen aan X die voor bewezen diensten vervolgens bijna een miljoen gulden aan politie-infiltrant B overhandigt. Het geld wordt door de RCID Haaglanden op een speciale rekening gestort. De overdracht wordt geobserveerd en het OT ziet een deel van de partij het Haagse Surinaamse circuit in verdwijnen.

Direct na deze doorlating wordt een nieuwe politie-infiltrant C bij X geïntroduceerd. Inmiddels oefent X druk uit op de politie-infiltrant B om een privé-partijtje van enkele tientallen kilo's ook nog te vervoeren alvorens de grotere partijen van 1000 kilo cocaïne zullen komen. Beloofd wordt dat politie-infiltrant B dan ook geïntroduceerd zal worden bij de voormalige legerleiding. Besloten wordt om ook deze partij van enkele tientallen kilo cocaïne door te laten. Hiervoor krijgt politie-infiltrant B bijna tweehonderd duizend gulden, die wederom op een rekening wordt geparkeerd.

Hierna wordt politie-infiltrant D geïntroduceerd en er wordt een gerechtelijk vooronderzoek tegen X geopend. Hiermee is het open traject aangevangen, wat parallel loopt aan het gesloten traject met de eerste undercover B. Dit blijft doorlopen om volledige controle op X te houden.

In 1994 ontmoeten en bellen X en de politie-infiltrant D elkaar regelmatig. Hierbij vertelt X dat hij grote partijen cocaïne aan hem wil leveren en dat zijn bazen wel een ontmoeting willen met de bazen van de politie-infiltrant D. Buiten Suriname kan geen ontmoeting worden geregeld maar politie-infiltrant D wordt wel uitgenodigd om in Suriname bij de topman te komen. Hierop wordt van politiezijde niet ingegaan, maar afgesproken wordt dat politie-infiltrant D een partij cocaïne in Nederland zal afnemen. Het doel is om deze in beslag te nemen en de verdachte aan te houden.

Echter, X blijkt voor het transport nog steeds de eerste politie-infiltrant B nodig te hebben. In Midden-Amerika ligt voor deze politie-infiltrant B een partij klaar van ruim tweehonderd kilo cocaïne. In de loop van 1994 vervoert de eerste politie-infiltrant B de cocaïne naar Nederland en draagt het daar over aan X. Er zal worden ingegrepen als deze politie-infiltrant buiten beeld is. Echter, het OT mist de overdracht en ondanks reddingsoperaties van zowel de eerste als de tweede politie-infiltrant gaat de partij van meet tweehonderd kilo cocaïne het milieu in.

 

 

De heer Koekkoek:

Is het met doorleveren - lijntesten - voorgekomen dat een partij onbedoeld toch verdween, omdat men het zicht erop verloor?

De heer Blok:

U bedoelt dat het de bedoeling was dat het een gecontroleerde aflevering zou worden, en dat de partij vervolgens gemist werd?

De heer Koekkoek:

Ja.

De heer Blok:

Dat is voorgekomen.

De heer Koekkoek:

Ook met harddrugs?

De heer Blok:

Ja.

De heer Koekkoek:

Grote hoeveelheden?

De heer Blok:

Zeker.

De heer Koekkoek:

Honderden kilo's?


De heer Blok:

Ja.

De voorzitter:

Is dat dan een observatieteam dat voor een stoplicht staat, of is het dan toch weer de positie van de informant, die er te dicht op zit, waardoor we er niet meer bij kunnen komen?

De heer Blok:

Nee, het zit meer in de sfeer van puur ongeluk, bijvoorbeeld aanrijdingen, of het eenvoudigweg missen. Zo simpel is het ook niet: je moet als observatieteam vaak op vrij grote afstand opereren, juist om de

informant te beschermen en eruit te kunnen houden. Ook in verband met contra-observatie moet je soms op vrij grote afstand opereren. Dan gaat het wel eens mis. Dan is de bedoeling anders, maar de partij komt dan wel op de vrije markt. Noot

 

6.4.3 Verantwoording van de Prisma-methode

 

Beslissing onderzoek en de Groep

De beslissing om tot specifiek onderzoek te komen naar de betrokkenheid van de Surinaamse legerleiding bij de handel in verdovende middelen is in 1992 genomen op aandringen van zowel, voorzover de commissie kan nagaan, de Haagse hoofdcommissaris Brand als minister van Justitie Hirsch Ballin. Bij notitie van 17 maart 1992 wordt deze doelstelling onderbouwd in een notitie die is opgesteld door de Groep, een adviesgroep waarin zitting hadden een vertegenwoordiger van de Binnenlandse veiligheidsdienst, de procureur-generaal in Den Haag, Suyver, toen directeur-generaal Politie- en Criminaliteitsbestrijding bij het ministerie van Justitie, de secretaris-generaal van Algemene Zaken, Hoekstra en Meulmeester, toen nog chef van de Inlichtingendienst Buitenland, hoofdcommissaris Brand, het hoofd van de CRI en hoofdofficier Blok. Noot In de voltallige ministerraad is de notitie niet aan de orde geweest. Er is daar nooit een besluit gevallen onderzoek naar onder meer Bouterse te doen. Wel moet de notitie doorgeleid zijn aan de ministers Lubbers, Kok, Dales en Van den Broek. Deze adviesgroep is gaandeweg «verwaterd», in de woorden van de heer Suyver. Van de kant van de Binnenlandse veiligheidsdienst waren twijfels geuit of een dergelijke aanpak opportuun zou zijn. Ook in de ministerraad van het kabinet Kok is deze zaak niet aan de orde geweest. In kleinere kring is de kwestie wel besproken. Volgens Suyver is de vraag of men tot vervolging zou willen overgaan aldoor naar voren geschoven. Hijzelf heeft dat ook gedaan. Noot Hirsch Ballin is die mening niet toegedaan. Het onderzoek was erop gericht duidelijk te krijgen wat de banden waren tussen de toenmalige militaire machthebbers en de handel in drugs.

De vraag of strafvordelijk zou kunnen worden opgetreden moest beantwoord worden indien de strafdossiers daartoe aanleiding zouden geven. Noot Inmiddels heeft minister Sorgdrager op basis van het rechtshulpverdrag met Suriname haar ambtgenoot op 15 december 1995 ingelicht dat er een gerechtelijk vooronderzoek tegen onder meer Bouterse geopend is. Noot

Vast te stellen is dat de adviesgroep inzake COPA een zachte dood gestorven is en dat verschillende voortgangsrapportages aan de minister van Justitie gegeven zijn door de procureur-generaal in Den Haag, de hoofdofficier van justitie Blok en betrokken officieren van justitie en politiefunctionarissen waaronder de teamleider, Driessen.

 

Methoden COPA-onderzoek

In de voortgangsrapportages aan de minister is de aard van de bijzondere opsporingsmethoden en het doorlaten van drugs nooit expliciet aan de orde geweest. Blok verklaarde dat in die voortgangsrapportages gesproken werd over CID-operaties zonder nadere specificatie. De minister van Justitie vroeg er ook niet naar.

 

De voorzitter:

Maar had de minister dat toch niet moeten weten?

De heer Blok:

Ik heb meerdere malen gezegd, wanneer we een presentatie hadden afgerond en er een gesprek of een discussie over kwam, dat naast de voortgang van het onderzoek nog een aantal hoopgevende CID-trajecten liepen. Meer heb ik daar nooit over gezegd.

De voorzitter:

Had u dat niet moeten doen?

De heer Blok:

Ik vond dat mijn lijn eindigde bij de procureur-generaal. Daar ligt dan weer een volgende verantwoordelijkheid om eventueel de minister van Justitie op de hoogte te stellen. Door uitdrukkelijk bij zo'n presentatie nog eens te melden dat er CID-trajecten liepen, had de uitnodiging ook van de andere kant kunnen komen. Noot

De minister van Justitie heeft ook niet verder gevraagd naar de methoden die in dit traject gebruikt werden. De in dit hoofdstuk beschreven doorlatingen van cocaïne zijn volgens Blok wel allemaal besproken met procureur-generaal Addens in 1993. Addens kan zich deze besprekingen herinneren. Van deze bespreking is

echter niets vastgelegd. Addens heeft aan de voorzitter van de commissie telefonisch bevestigd dat hij toestemming heeft gegeven om cocaïne door te laten.

Meningsverschil Sorgdrager - Blok

Tijdens de verhoren van de commissie heeft de kwestie zich ook toegespitst op de vraag of ook procureur-generaal Sorgdrager, in functie vanaf 1 januari 1994, van de doorlating van cocaïne geweten heeft. Blok kan zich herinneren dat hij de doorlating met Sorgdrager besproken heeft. Hij heeft dit verklaard op basis van een notitie van 17 januari 1994 van officier Van der Voort. Daarin wordt gesproken over het gebruik van politie-infiltranten om proefzendingen te verzorgen. De notitie handelt niet expliciet over het doorlaten van cocaïne, noch over hoeveelheden.

 

 

De voorzitter:

En hoe zit het nu met de notitie, waar de heer Van der Voort het over had, van begin januari 1994, die hij aan u ter hand heeft gesteld?

De heer Blok:

Dat was een andersoortige notitie. Het was een notitie van 17 januari 1994, en het betrof een beschrijving van de trajecten van de geleverde partijen, die toen reeds hadden plaatsgevonden. Dat was dus na die datum. Hij heeft aan mij gevraagd om dat nog eens met de toenmalige procureur-generaal te bespreken. Ik heb dat gedaan in de vorm van een voortgangsrapportage, en niet in de vorm van een heroverweging, of van een nieuwe beslissing. Dat kon ook niet; de beslissing was al genomen. Bovendien had het geen zin meer, want de partijen waren al binnen. Ik heb haar daarvan op de hoogte gesteld.

De voorzitter:

Heeft u haar daarvan mondeling op de hoogte gesteld?

De heer Blok:

Ik heb haar mondeling op de hoogte gesteld, aan de hand van dat bekende rapport van 17 januari 1994. Noot

De voorzitter:

Heeft mevrouw Sorgdrager gezegd: akkoord, of niet akkoord? Heeft zij er kennis van genomen? Hoe is dat gegaan?

De heer Blok:

Het laatste is het geval: zij heeft er kennis van genomen. Wij hebben erover gesproken. Ik herinner mij in ieder geval nog heel levendig een uitspraak van mijn kant: ik moet wennen aan dit soort grote partijen. Kortom, ik had er ook enige zorg over; dat waren geen makkelijke beslissingen. Zij maakte toen de opmerking: wij zullen daar nog eens nader over moeten praten, en we zullen vooral moeten kijken, of we de georganiseerde criminaliteit niet op een andere manier kunnen bestrijden, met meer bestuurlijke ingangen. Dat was ongeveer de teneur van het gesprek dat we hebben gevoerd. Noot Minister Sorgdrager herinnert zich de inhoud van het gesprek anders. Naar aanleiding van de doorlichting van

opsporingsmethoden krijgt zij als minister informatie onder ogen dat er cocaïne doorgelaten was. In het openbare verhoor citeert zij uit een notitie van de Haagse officier van justitie Van den Broek.

 

Mevrouw Sorgdrager:

Ik lees het voor, omdat het belangrijk is dat erin staat: het doel van de bespreking met de PG is de geheimhouding van het traject. Ik herinner mij wel dat ik met de heer Blok heb gesproken over een geheim traject, maar niet over doorlevering van drugs. Daar heb ik gewoon met hem niet over gesproken.

De voorzitter:

U heeft daar niet over gesproken?

Mevrouw Sorgdrager:

Nee. Het probleem is dat hij zegt dat hij er met mij over gesproken heeft, dat hij daarbij nog vermeldt dat hij met mij samen heeft geconstateerd dat hij nog wel moet wennen aan dat soort hoeveelheden, maar dat de officier van justitie in zijn notitie - vandaar dat ik nog niet helemaal klaar was - zegt dat de heer Blok tegen hem gezegd had dat hij nog moest wennen aan dit soort hoeveelheden. Ik vind het ook zo vreemd. Want als ik mij dat niet kan herinneren, klopt er dus iets niet.

De voorzitter:

Nee. Er klopt iets niet, want de heer Blok zegt bij ons: «Het laatste is het geval. Zij heeft er kennis van genomen.» Dat was in zijn verhoor.

Mevrouw Sorgdrager:

Ja, dat zegt hij.

De voorzitter:

«Wij hebben erover gesproken.» En dan zegt hij: «Ik herinner mij in ieder geval nog heel levendig een uitspraak van mijn kant: Ik moet wennen aan dit soort grote partijen. Kortom, ik had er ook enige zorg over. Dat waren geen makkelijke beslissingen. Zij» - u dus -«maakte toen de opmerking: Wij zullen daar nog eens nader over moeten praten en wij zullen vooral moeten kijken of wij de georganiseerde criminaliteit niet op een andere manier kunnen bestrijden, met meer een bestuurlijke ingang.»

Mevrouw Sorgdrager:

Dat laatste klopt wel, want dat soort dingen zei ik ook. Maar niet in dat verband. En ik heb ook niet met hem over die drugs gesproken. Die zorg van hem over die grote hoeveelheden heeft hij uitgesproken, blijkens de notitie van de officier van justitie, tegenover die officier van justitie. Het maakt bij mij verder ook niet een herinnering wakker. Ik weet zeker dat ik met hem niet gesproken heb over doorlevering van drugs. Wel over geheime trajecten.


De voorzitter:

Wat was dan de inhoud van die geheime trajecten?

Mevrouw Sorgdrager:

De inhoud daarvan was dat er gewerkt werd met informanten en pseudo-kopers en dat dit niet bekend mocht worden.

De voorzitter:

Maar was de inhoud van die geheime trajecten niet dat er ook dingen doorheen gingen?

Mevrouw Sorgdrager:

Nee, dat heeft hij mij er niet bij gezegd.

De voorzitter:

Dat weet u zeker? Dan hebben wij echt een probleem.

Mevrouw Sorgdrager:

Ja, dat klopt. Dat begrijp ik. Ik zie dat probleem ook, maar hij heeft daar niet over gesproken.

De voorzitter:

Wij hebben twee personen, en niet de eersten de besten, die bij ons onder ede verschillende dingen zeggen.

Mevrouw Sorgdrager:

Ja, dat klopt. Dat is ook zo. Ik begrijp best dat dit een probleem is, maar ik kan alleen maar vertellen dat dit met mij gewoon niet besproken is, dat ik het werkelijk niet weet. (...)

De voorzitter:

Is het nu zo dat de heer Blok dit wel degelijk gezegd heeft, maar dat u het gewoon niet meer weet of heeft de heer Blok het, denkt u, niet gezegd?

Mevrouw Sorgdrager:

Ja. Kijk, hij heeft natuurlijk ook zijn herinnering opgehaald. Dat duurde lang. Ik herinner het mij niet. Ik durf met - ja, dan moet je dus - een aan grote zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te zeggen dat hij dat niet gezegd heeft. Noot

Nader onderzoek van de commissie heeft het volgende opgeleverd. Op 12 juli 1995 doet de plaatsvervangend procureur-generaal Vast een brief toekomen aan het ministerie van Justitie met daarbij de notitie van officier Van den Broek. Daaruit blijkt dat procureur-generaal Addens in twee trajecten toestemming heeft gegeven voor het doorlaten van cocaïne. Op 25 januari 1994 is er sprake van een presentatie aan minister Hirsch Ballin en op 1 februari 1994 aan procureur-generaal Sorgdrager.

Het lijdt geen twijfel dat inderdaad op 1 februari een voortgangsrapportage heeft plaatsgevonden over het COPA traject. Blok en Sorgdrager bevestigen dat beide. Voor dat gesprek met Sorgdrager was Blok voorzien van twee notities: de ene, van 17 januari van officier Van der Voort ging over het gebruik van politie-infiltranten in het afhandelen van twee proefzendingen cocaïne. De andere van 18 januari, behelsde een overzicht van de te bespreken punten in de voortgangsrapportage en was in de eerste plaats bestemd voor een eerder gesprek met Hirsch Ballin.

Op onnaspeurbare wijze zijn beide notities in de kluis van het parket van de procureur-generaal terecht gekomen. Hoe dat is gebeurd is niet te achterhalen. In een brief van 25 augustus 1995 meldt plaatsvervangend procureur-generaal Vast dit aan minister Sorgdrager.

Nadat op 1 februari 1994 in groter gezelschap gesproken is over COPA spreekt Sorgdrager nog alleen na met Blok. Tijdens dat gesprek heeft Blok, naar zijn zeggen, gesproken aan de hand van de notitie van 17 januari. Blok denkt dat hij de notitie toen aan Sorgdrager heeft overhandigd. Sorgdrager weet zeker geen notitie van Blok ontvangen te hebben tijdens dat gesprek.

Beiden herinneren zich dit korte gesprek. Er is geen verschil van mening dat zij gesproken hebben over de rol van ps-ers (pseudo-kopers, of te wel politie-infiltranten) en een geheim traject. Blok blijft erbij aan Sorgdrager gezegd te hebben: «Ik moet wennen aan dit soort grote partijen» in relatie tot de in de notitie van 17 januari 1994 genoemde proefzendingen. Sorgdrager blijft er bij dat hij dit niet gezegd heeft. Zij weet niet of, maar sluit niet uit dat Blok zijdelings het woord «proefzendingen» heeft genoemd. «Dat kan best. Ik heb in ieder geval dat woord niet geïnterpreteerd als iets wat doorlaten betekent.» Noot Sorgdrager wist op 1 februari 1994 wel dat «het er op leek dat er bij het IRT softdrugs waren doorgeleverd en dat er cocaïne doorgeleverd zou gaan worden en dat toen gezegd is: stop ermee. Stel je voor, dat ik toen had geweten of gehoord dat er cocaïne was doorgeleverd, waren er op zo'n moment toch allemaal bellen gaan rinkelen en rode lampen gaan branden?» Noot

Blok blijft verbaasd als hij van de minister hoort «dat ik het niet verteld zou hebben(...), dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet gebeurd is».(...) Ik heb gesproken over een voortgangsrapportage. Die voortgangsrapportage ligt hier. Die geeft expliciet aan waarover gesproken zou moeten worden: de proefzendingen.(...) «Achteraf sprekend zeg ik, dan zou ik non-informatie hebben verschaft wanneer ik het niet over die proefzending had gehad, want daar ging het om. Het gesloten traject waren de proefzendingen.(...) Proefzendingen waren voor ons zendingen die wij niet in beslag namen.» Noot Door deze weergave van de feiten heeft de commissie zo veel mogelijk opheldering verschaft op dit punt. Een nadere reconstructie is niet mogelijk. De commissie heeft geen redenen te twijfelen aan de nadere uitleg van hoofdofficier Blok en minister Sorgdrager. Minister Sorgdrager blijft bij haar eerdere verklaring de zinsnede: «Ik moet wennen aan dit soort partijen» niet gehoord te hebben en nooit gedacht te hebben aan doorlaten van cocane. Daarmee heeft zij dit dus niet geweten.
In algemene zin is duidelijk geworden dat er geen meldingen van deze doorlatingen zijn geweest aan de minister van Justitie Hirsch Ballin. Procureur-generaal Addens noch hoofdofficier Blok, zij het vanuit verschillende verantwoordelijkheden, hebben het nodig geoordeeld na te gaan of de minister op de hoogte was en akkoord ging met een geheel nieuwe wijze van opsporing, namelijk het doorlaten van harddrugs. De commissie acht dit onverantwoord. Een dergelijke ingrijpende beslissing had aan de minister gemeld moeten worden en in de vergadering van procureurs-generaal aan de orde moeten komen. In de toenmalige verhoudingen was dit echter niet gebruikelijk. Pas door de instelling van de Centrale toetsingscommissie en de doorlichting van opsporingsmethoden zijn deze trajecten aan het licht gekomen.

6.4.4 AH Oosterbeek

 

De overval op het AH-filiaal te Oosterbeek

Op 14 mei 1990, 's ochtends vroeg, dringen mannen het filiaal van de Albert Heijn in Oosterbeek binnen. Noot Eén gewapend met een pistool en de ander met een riotgun. Er is reeds personeel aanwezig. Zij bevelen dat iedereen moet gaan liggen en dat de kluissleutel moet worden ingeleverd. Niemand is echter in het bezit van deze sleutel. Na enig geschop en getrap beseffen de overvallers uiteindelijk dat de kluis niet open zal gaan. Hierop begint een overvaller één voor één de personeelsleden met een nekschot te executeren. Eén van hen ziet dit twee maal gebeuren en probeert te vluchten. In zijn vlucht wordt hij twee keer in de rug geschoten. Naar aanleiding van enkele getuigenverklaringen en een reconstructie van de werkwijze van de daders komt het Recherche Bijstands Team (RBT) uit op Ab A. (bijgenaamd Appie) als één van de vermoedelijke daders. Hij zou degene met de riotgun zijn geweest die de personeelsleden in koelen bloede heeft vermoord c.q. verwond. Gezien de werkwijze heeft hij waarschijnlijk ook al verschillende bankovervallen in Hilversum en Bussum, een overval op een postagentschap in Vreeland en een overval op een AH-filiaal in Baarn op zijn geweten. Evenals in Oosterbeek waren bij deze gelegenheden de overvallers gekleed in overalls en bivakmutsen, dreigden zij met een riotgun en een pistool en gebruikten gestolen Opels als vluchtauto's die zij na achterlating besprenkelden met ondermeer ammoniak. Noot Al snel is derhalve duidelijk dat Appie A. waarschijnlijk betrokken is bij deze zoveelste overval, dit keer met dodelijke afloop. Echter, sluitend bewijs kan niet worden verkregen met methoden als semascan, het opvragen van gegevens bij PTT-Telecom, de inbeslagnem

 

6.4.5 Exportzaak Twente


6.5 Combinatie van methoden

Methoden worden in combinatie ingezet. Het geïsoleerd gebruiken van een van de beschreven methoden komt nauwelijks voor. De opsporing en vervolging van criminele organisaties doet politie en justitie verschillende methoden tegelijkertijd inzetten.

In voorgaande hoofdstukken zijn verschillende zaken beschreven waarin de combinatie van methoden zich
voordoet. In de casusvoorbeelden in dit hoofdstuk is ook steeds sprake van een combinatie van methoden. De volgende casus is hier ook een illustratie van:
In 1994 is een grootscheeps onderzoek gestart naar een criminele organisatie die zich bezighoudt met de handel in XTC, hasj en cocaïne. In dit onderzoek worden naast methoden als aftappen, gebruik van semascan, kolibrie en prints ook nog andere, meer bijzondere methoden ingezet. Zo worden er pogingen gedaan om direct af te luisteren. Geprobeerd wordt om met een koffer vol audio-apparatuur in de buurt van de hoofdverdachten op een terras te gaan zitten om gesprekken op te vangen. Deze actie mislukt uiteindelijk omdat de gesprekken op band niet te verstaan zijn. Er is tevens gebruik gemaakt van plaatsbepalingsapparatuur in de vorm van het plaatsen van een geotach-baken op de auto van één der verdachten. Hierdoor wordt de politie bekend met de lokatie waar de produktie van de drugs plaatsvindt. Ook heeft een vooraankoop van vele honderden XTC-pillen plaats door een informant teneinde deze te laten doordringen in de criminele organisatie. Dit maakt hem feitelijk tot een burgerinfiltrant. Naast deze infiltrant worden nog twee informanten gericht op pad gestuurd. Eén van hen is een buitenlander die strafbare feiten pleegt in het buitenland en onder regie van de buitenlandse autoriteiten. Zijn activiteiten in Nederland zijn niet strafbaar. De andere informant wordt gevraagd contacten te leggen met leden van de criminele organisatie in kwestie. Naast burgerinfiltranten en gestuurde informanten is in deze operatie ook een buitenlandse politiële infiltrant ingezet. Een uit Nederland afkomstige partij verdovende middelen wordt door de politiële infiltrant via België naar Engeland gereden. Dit is gebeurd op basis van een Engels rechtshulpverzoek en eveneens met medeweten van de Belgische autoriteiten. Noot

Het effect van de combinatie van afzonderlijke methoden in een onderzoek is onder andere een cumulatie van inbreuken op privacyrechten van burgers. De combinatie van methoden veroorzaakt een grotere inbreuk op de privacy dan elk van de afzonderlijke methoden. Tegelijkertijd vergt de inzet van verschillende methoden in hetzelfde onderzoek afstemming tussen de verschillende organisaties en functionarissen die deze methoden uitvoeren en die ervoor verantwoordelijk zijn. In hoofdstuk 3 zijn verscheidene voorbeelden gegeven van zaken waarbij de coördinatie van het gebruik van verschillende methoden faalde.


6.6 Beoordeling

Infiltratie vindt zijn juridische grondslag in de Richtlijn infiltratie en de jurisprudentie. De commissie constateert dat een expliciete wettelijke basis voor de verschillende vormen van infiltratie niet bestaat. Dat neemt niet weg dat infiltratie inmiddels veelvuldig gebruikt wordt door politie en justitie. De commissie is van oordeel dat voor infiltratie een wettelijke basis noodzakelijk is. Infiltratie maakt inbreuk op grondrechten van burgers. Door een fictieve voorstelling van zaken worden burgers geconfronteerd met een infiltrant die stelt bepaalde activiteiten te kunnen verrichten. Het rechtmatig en effectief kunnen uitvoeren van infiltratie-acties maakt het noodzakelijk infiltratie wettelijk te normeren. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij politiële infiltratie en pseudo-koop-acties zijn inmiddels redelijk uitgekristalliseerd. Pseudo-koop en -verkoop spelen samen met andere infiltratiemethoden nog steeds een rol bij de opsporing van de georganiseerde criminaliteit. Pseudo-verkoop betekent dat de overheid welbewust illegale goederen op de markt brengt zonder die in beslag te nemen. Daartegen bestaan dezelfde bezwaren als tegen doorlating.

De criteria in de jurisprudentie en de intensieve begeleiding van politie-infiltranten verkleinen het risico van een niet-rechtmatige of niet-verantwoorde inzet. Op allerlei momenten vinden afwegingen plaats. De toestemming voor en controle van de politiële infiltratie werkt in de praktijk goed. Het openbaar ministerie wordt over het algemeen goed geïnformeerd. De activiteiten van de infiltrant en zijn begeleiders worden bij proces-verbaal vastgelegd. De rechter heeft de mogelijkheid tot toetsing van het politiële infiltratietraject. Politiële infiltratie betekent dat politie-ambtenaren (voor een soms erg lange tijd) nauwe relaties onderhouden met het criminele milieu. Hier bestaat het risico van «going native», dat wil zeggen dat deze contacten, en de levensgewoonten die daarbij horen (drugs, wapens, grote hoeveelheden geld) worden voortgezet wanneer de infiltratie is beëindigd. Nauwe contacten met het criminele milieu, die zijn aangegaan vanuit het oogpunt van politiële infiltratie, behelzen een risico voor het weglekken van vertrouwelijke politieinformatie. Ondanks een gedegen opleiding en goede begeleiding zijn er aan politiële infiltratie altijd risico's verbonden. Deze worden vergroot wanneer politiemensen als infiltrant worden ingezet, zonder dat zij de hiervoor vereiste opleiding hebben gevolgd. Dit risico lijkt toe te nemen nu, door het wegvallen van de P.I.T.'s in het westen van het land, volgens sommigen een groot gebrek aan politie-infiltranten bestaat. Zowel de methode van politiële als burgerinfiltratie kent een «afglij-risico». De politiële infiltrant kan overstappen naar «de andere kant» en zich schuldig maken aan criminele activiteiten. Bij criminele infiltratie bestaat het risico dat de politiële begeleiders delen in criminele winsten.
Niet altijd is duidelijk met welk specifiek doel een politieel infiltratietraject wordt opgezet. In sommige gevallen vindt infiltratie plaats om een beter zicht te krijgen op de criminele groep. In andere gevallen wordt specifiek geprobeerd bewijs te verzamelen over bepaalde personen. De diffuse doelstellingen bemoeilijken een beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van de infiltratie. Of het gebruik van politiële infiltratie in alle gevallen verantwoord is, kan de commissie dan ook niet vaststellen. De commissie is van oordeel dat politiële infiltratie een opsporingsmethode is die zowel effectief kan zijn als rechtsstatelijk verantwoord. Bij een nog meer verfijnde normering biedt politiële infiltratie de mogelijkheid het evenwicht te vinden tussen effectieve opsporing en controle op de methode.

Over de inzet van burgerinfiltranten is de commissie een ander oordeel toegedaan. Met niet-criminele burgerinfiltranten bestaat nauwelijks ervaring. De commissie constateert dat het problematisch is criminele burgerinfiltranten te sturen en te controleren. De commissie heeft verschillende gevallen aangetroffen waarbij geen sprake meer was van voldoende controle op de criminele burgerinfiltrant. In een enkel geval lijkt het er eerder op dat politie en justitie gestuurd werden door de burgerinfiltrant dan andersom. De commissie acht de risico's van de inzet van een criminele burgerinfiltrant op de huidige wijze buitengewoon groot. De gecontroleerde aflevering waarbij direct in beslag wordt genomen voldoet in het overgrote deel van de gevallen aan de criteria van controleerbaarheid en stuurbaarheid. Deze opsporingsmethode kan ook nagenoeg steeds ter zitting worden besproken. Maar ook hier is het voor de commissie moeilijk vast te stellen of in concrete gevallen de methode verantwoord is ingezet en of de methode effectief is geweest. De doelomschrijving van gecontroleerde afleveringen is veelal te algemeen om tot een eenduidig oordeel te kunnen komen. Dat neemt niet weg dat de commissie van oordeel is dat onder de voorwaarde van een wettelijke normering van gecontroleerde aflevering deze methode een effectieve en verantwoorde bijdrage kan leveren aan de opsporing van de georganiseerde criminaliteit.

De commissie is van oordeel dat bij doorlating, met uitzondering van een kleine proefzending softdrugs, geen sprake is van een effectieve en verantwoorde bijdrage aan de bestrijding van de criminaliteit. Controle op de partijen verboden goederen als zij eenmaal zijn afgeleverd aan de criminele organisatie is niet meer mogelijk. Het bewust op de markt laten komen van grote hoeveelheden verdovende middelen en andere verboden goederen is onverantwoord. De geloofwaardigheid en de legitimiteit van politie en justitie worden daarmee ondermijnd. De overheid moet niet meewerken aan strafbare feiten die zij moet bestrijden. De commissie is dan ook van oordeel dat gecontroleerde aflevering slechts kan plaatsvinden indien de inzet erop gericht is om in beslag te nemen, en voldoende waarborgen kunnen worden gegeven dat dit op een bepaald moment ook daadwerkelijk gebeurt. De commissie constateert dat met het gebruik van frontstores nog weinig ervaring is opgedaan in Nederland. Frontstores lijken echter een vergelijkbare sturings- en controlestructuur te krijgen als politiële infiltratie. De bekende frontstores voldoen aan de voorwaarde van adequate sturing en controle, ook al is het ook hier vanwege de algemene doelstelling moeilijk vast te stellen of sprake is van een proportioneel en subsidiair gebruik van dit middel. Desalniettemin is de commissie van oordeel dat het gebruik van dit infiltratiemiddel bij een meer uitgebreide wettelijke normering van zowel de inhoudelijke als de procedurele aspecten van frontstores effectief en verantwoord kan plaatsvinden. De commissie is van oordeel dat de wisselwerking tussen de verschillende methoden tot nog toe onvoldoende is bezien. Het effect van combinatie van methoden op de privacy van verdachten lijkt groter te zijn dan de inbreuk op de privacy door de methoden afzonderlijk. De commissie komt dan ook tot het oordeel dat de combinaties van methoden nader genormeerd moeten worden. Er dient niet alleen een normering te volgen van de afzonderlijke methoden.


HOOFDSTUK 7 OMGAAN MET INFORMATIE EN INTERNATIONALE OPSPORING


7.1 Inleiding

Naast observatie, het gebruik van informanten en infiltratie onderscheidt de commissie enkele andere opsporingsmethoden die door politie en justitie gehanteerd worden bij de opsporing en vervolging van de georganiseerde criminaliteit. Het gaat dan om informatie-inwinning bij derden, misdaadanalyse, fenomeenonderzoek en financieel rechercheren. De commissie besloot aandacht aan deze methoden te besteden aangezien in de praktijk van opsporing frequent melding werd gemaakt van deze relatief nieuwe methoden van onderzoek. Het gaat daarbij niet zo zeer om afzonderlijke methoden van opsporing als wel om methoden ter structurering of verzameling van informatie.

Tevens wordt aandacht besteed aan de informatiehuishouding en de bestuurlijke rechtshandhaving. Hierbij staan vragen centraal als welke informatie wordt opgeslagen; hoe zorgvuldig gaat men hiermee om en wordt politiële informatie ook verstrekt aan het bestuur? Afsluitend wordt aandacht besteed aan internationale opsporing.


7.2 Bevindingen

 

7.2.1 Informatie-inwinning bij derden

De politie wint allerlei informatie in bij andere organisaties voor en tijdens een opsporingsonderzoek. Het gaat daarbij deels om openbare informatie zoals gegevens van de Kamers van koophandel. Daarnaast vraagt de politie aan derden informatie die valt onder de bescherming van de privacy, zoals bepaald in de Grondwet (artikel 10) en de daaruit voortvloeiende Wet persoonsregistraties (WPR), of die anderszins (meer) vertrouwelijk is, zoals bijvoorbeeld gegevens van banken. De commissie heeft geconstateerd dat daarbij veelal niet de formele weg wordt bewandeld. Formele strafvorderlijke wegen om informatie van derden te krijgen zijn onder meer het oproepen van de derde als getuige in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek en, wanneer het gaat om op gegevensdragers vastgelegde informatie, is er de huiszoeking, onderzoek in computers of het bevel tot uitlevering van stukken. Daarnaast vraagt de politie informatie, die valt onder de bescherming van de WPR, aan derden. In overeenstemming met artikel 11 WPR beoordeelt de houder van een register in de private sector het verzoek gegevens te verstrekken. Een probleem hierbij is dat het voor de houder van een register feitelijk vrijwel onmogelijk is om bij de beslissing tot verstrekking van gegevens de wettelijk voorgeschreven afweging (artikel 11, lid 2 WPR) te maken tussen de dwingende en gewichtige reden (van opsporing) en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde door verstrekking wordt geschaad. Voor verstrekking uit registers van de (semi)publieke sector aan een persoon of instantie met een publiekrechtelijke taak (zoals de politie) geldt niet de eis van een dringende en gewichtige reden, de vrager moet deze gegevens nodig hebben voor de uitvoering van zijn taak en de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde mag door verstrekking niet onevenredig worden geschaad. In de praktijk hanteert de politie bij de meeste vormen van informatie-inwinning het uitgangspunt dat als derden (al dan niet) op een (informele) vraag van de politie beslissen vrijwillig informatie te verstrekken, zij die informatie mag gebruiken. Deze vrijwillige verstrekking aan politie-ambtenaren en het gebruik van de verkregen gegevens is gezien de hiervoor genoemde formele weg en op zijn minst omstreden.

 

 

 
De voorzitter:

 

Als ik opbel naar een bank en vraag wat op de rekening van de heer Willems staat, dan wordt gezegd: ga fietsen, je hebt er niets mee te maken.

 
De heer Willems:

 

Ik vind dat ze dat ook tegen een politieman moeten zeggen. Ik vind dat daar een beschermd recht ligt.

 
De voorzitter:

 

Hé?

 
De heer Willems:

 

Ik vind dat de burger er aanspraak op heeft om niet zo maar zijn bankgegevens meegedeeld te krijgen aan iemand die daarom vraagt.

 
De voorzitter:

 

Het is misschien wel rechtens als wij kijken naar de Wet persoonsregistratie.

 
De heer Willems:

 

In die fase en met het oog op de mogelijke verdenking die je gaat koesteren, vraag ik mij af of dat inderdaad de positie is.

 
De voorzitter:

 

Dat zou nieuw licht werpen op de vraag of in de proactieve fase de politie dit soort dingen kan doen.

 
De heer Willems:

 

Ik heb daar wel vraagtekens bij. Ik heb begrepen dat er vrij intensief onderzoek is gedaan bij banken. Ik meen dat dit niet zonder meer vrij kan staan. Je kunt beginnen met de formulering, dat de politie mag wat een burger mag. U zegt terecht dat de politie toch niet de gewone burger is. Als de politie het doet, gebeurt dat op een manier en een schaal, waaraan je nooit toekomt in de gedachte van wat de burger mag. U moet mij niet vragen hoe ik dat precies moet definiëren. Noot

In de praktijk komt het bijvoorbeeld voor dat politiefunctionarissen bij bankmedewerkers informeel vragen of een bepaald persoon een rekening heeft bij die bank en welk bedrag hierop staat of welke financiële handelingen recent zijn verricht. Indien daar een voor de politie positief antwoord op volgt en de informatie noodzakelijk lijkt voor het bewijs, wordt alsnog de formele procedure gevolgd. Zo ook in het financiële traject in de zaak Charles Z.: In 1991 heeft het team die de zaak Charles Z. onderzocht contact gelegd met de toenmalige ABN bank om te vragen naar een hypotheek die verstrekt was voor het woonverblijf van Charles Z. Later is, aan de NMB bank dit keer, gevraagd naar een rekening van een bedrijf Investment cars B.V. die in relatie stond met Charles Z. Tevens is gevraagd of het onderzoekssubject aldaar een rekening hield. Dit was het geval. Bovendien meldde de bank dat zij nog een oninbare vordering had van ruim acht ton op betrokkene. Van de kant van de politie is vervolgens aan de veiligheidsdienst van de NMB aangegeven dat een beruchte wisselaar van criminele gelden in dienst was bij een van de vestigingen. De veiligheidsdienst ontdekte daarop een aantal verdachte wisseltransacties op het betreffende kantoor welke zijn gemeld aan het onderzoeksteam. Deze informeel verkregen informatie tijden de diverse bankbezoeken is later formeel opgevraagd met machtigingen van de rechter-commissaris. Zo is het team in oktober 1993 op bezoek geweest bij de ING bank waar een afschrift van het klantendossier van het bedrijf Investment Cars B.V. is opgevraagd. Noot

In het openbaar verhoor van Van Gemert is het volgende gezegd over deze zaak:

 

 

 
De voorzitter:

 

In de zaak-Z is het toch wel gebeurd?

 
De heer Van Gemert:

 

In de zaak-Z is er inderdaad contact met een bank geweest en is informatie opgevraagd, maar de manier waarop het gebeurd is, is een andere geweest dan u net schetste.

 
De voorzitter:

 

Hoe dan?

 
De heer Van Gemert:

 

(...) Een derde mogelijkheid is dat in een groot onderzoek - ik praat dan over een opsporingsonderzoek, zoals in de zaak-Z - in een contact met de bank wordt aangegeven dat een opsporingsonderzoek gaande is en dat de vraag wordt gesteld of er van politiezijde behoefte is aan informatie. In bedoeld geval is dat gebeurd en heeft de bank een afweging gemaakt en heeft zij besloten, informatie aan de politie te verstrekken.

 
De voorzitter:

 

Zij gaf u dus die informatie vrijwillig.

 
De heer Van Gemert:

 

Ja. (...)

 
De heer Van Gemert:

 

Er was nog geen GVO.

 
De voorzitter:

 

Was er al een verdachte?

 
De heer Van Gemert:

 

In mijn beleving was er al een verdachte. (...)

 
De voorzitter:

 

Ik wil helder hebben of u in de manier waarop u informatie verzamelt onderscheid maakt tussen gevallen waarin er een verdachte is en gevallen waarin die er niet is.

 
De heer Van Gemert:

 

Daar maken wij onderscheid tussen. Ik zal u proberen uit te leggen waarom ik zo'n moeite heb met het antwoord op de vraag: ja of nee? Er was een situatie waarin besloten was een onderzoek te verrichten naar bepaald activiteiten van de heer Zwolsman. Er waren allerlei aanleidingen om dat te doen. Wij waren bezig met het verzamelen van informatie, er was sprake van een opsporingsfase, waarin ook open bronnen werden benaderd en er waren contacten met de belastingdienst. Op enig moment is er contact met een bank geweest. Toen hebben wij om informatie gevraagd en hebben wij die verkregen.

 
De voorzitter:

 

Dus in het opsporingsonderzoek?

 
De heer Van Gemert:

 

Ja.

 
De voorzitter:

 

Moet er voor een opsporingsonderzoek sprake zijn van een verdachte of kan er ook sprake zijn van zo'n onderzoek zonder dat er een verdachte of een verdenking is?

 
De heer Van Gemert:

 

Als u denkt aan het benoemen van een verdachte, zoals weergegeven in artikel 27 Strafvordering, moet ik zeggen dat er sprake kan zijn van een fase waarin je dat wellicht nog niet exact kan. Maar dan is er wel sprake van een opsporingsfase. Dat probeerde ik aan te geven toen ik het had over het arrest in de zaak-Zwolsman. Noot

In deze zaak is bovendien niet alleen sprake van informatie-inwinning bij verschillende banken, maar ook van informatie-verstrekking aan een bank.
Inmiddels zijn met banken nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop
politiefunctionarissen informatie kunnen verkrijgen. Noot Men streeft naar het vinden van een minder omslachtige weg om informatie op te vragen en te verstrekken.

 

 

 
De heer Koekkoek:

 

Maakt u in uw huidige onderzoeken ook gebruik van het vragen van informatie bij banken?

 
De heer Dros:

 

Wij hebben dat tot voor kort gedaan. Toen ik begonnen ben als teamleider op 1 april 1994 hebben wij hier uitputtend over gesproken met het openbaar ministerie en wij zijn met elkaar tot de conclusie gekomen dat het juridisch verantwoord kan, mits de resultaten van de vrijwillige medewerking van een bank niet leiden tot bewijzen in het dossier. Daarmee zou je namelijk mensen in de problemen kunnen brengen die hieraan meewerken. Wij hebben dit gedaan uit de optiek dat het bijzonder moeilijk is om zicht te krijgen op geldstromen. Het is, meen ik, hier verschillende malen aan de orde geweest dat het verstandig is om de financiële deskundigheid bij de politie te vergroten. In mijn optiek is dat niet het grootste probleem, want die deskundigheid begint zo langzamerhand wel op orde te komen. Het grootste probleem is om de losse uiteinden te vinden van geldstromen en witwas-constructies. Noot

Dezelfde wijze van informatie-inwinning heeft de commissie aangetroffen bij creditcardmaatschappijen en andere financiële instellingen dan banken. Politiefunctionarissen benadrukken dat het hier gaat om een volkomen geaccepteerde vorm van informatie- inwinning. Vragen staat vrij.

7.2.2 Misdaadanalyse

Onder misdaadanalyse verstaat de commissie het opsporen en inzichtelijk maken van verbanden tussen criminaliteitsgegevens onderling en andere mogelijk relevante gegevens met het oog op de praktijk van politie en justitie. Noot Misdaadanalyse kan enerzijds gericht zijn op direct toepasbare resultaten voor de opsporings- en vervolgingspraktijk, dit is operationele misdaadanalyse. Dit kan onder meer resulteren in relatie-, familie- of handelsactiviteitenschema's. Anderzijds kan de analyse een rol spelen in de bepaling van beleid, dit is strategische misdaadanalyse. Niet altijd is er een duidelijke scheiding tussen deze twee vormen. Bij operationele misdaadanalyse wordt met name gewerkt met reeds beschikbare gegevens uit opsporingsonderzoeken. Incidenteel wordt ter complementering informatie bij derden, ook van buitenlandse instanties, ingewonnen. Deze vorm van misdaadanalyse, en dan met name de relatieschema's, wordt veelvuldig gebruikt in het kader van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Beide analysevormen worden op lokaal, regionaal en nationaal niveau verricht door veelal hiervoor opgeleide misdaadanalisten. Deze functioneren binnen de politiekorpsen. Dit kan zijn binnen de CID of het onderdeel waaronder de CID ressorteert, of binnen een kernteam. In totaal zijn binnen de regiokorpsen 181 formatieplaatsen voor misdaadanalisten. Bovendien is er een Afdeling misdaadanalyse bij de CRI.

Er zijn bij politie en justitie hoge verwachtingen ten aanzien van de kwaliteit van misdaadanalyse. Misdaadanalisten zelf zijn zich beter bewust van de beperkingen van misdaadanalyse dan haar afnemers. In de praktijk blijkt dat de analyses geen doorslaggevende rol spelen in de keuze voor de aanpak van bepaalde criminele groeperingen.

7.2.3 Fenomeenonderzoek

 

In de Vergadering van procureurs-generaal van 10 maart 1993 is besloten dat de zes kernteams zich onder meer bezig gaan houden met «fenomeenonderzoeken». Er bestaan grote verschillen in hetgeen onder fenomeenonderzoek wordt verstaan. Noot De definitie verschilt naar gelang het belang dat men hecht aan fenomeenonderzoek. De commissie verstaat onder fenomeenonderzoek het doorlichten op aspecten van georganiseerde criminaliteit van een geografisch gebied of bevolkingsgroep, een misdaadveld of criminele markt, en/of een sector of verschijnsel in de samenleving. Het daaruit voortvloeiende inzicht kan strekken tot nadere prioriteitenstelling en beter inzicht in bepaalde vormen van criminaliteit (in bijvoorbeeld concrete operationele onderzoeken). Ook kan fenomeenonderzoek een toepassing krijgen in een gerichte advisering van het OM aan het bestuur inzake preventie. De betrokkenen beoordelen de waarde van fenomeenonderzoeken heel verschillend. Sommigen menen dat met behulp van fenomeenonderzoeken tot betere keuzen kan worden gekomen met betrekking tot de vraag welke criminele groepen moeten worden onderzocht. Anderen stellen dat fenomeenonderzoek een taak is voor anderen dan de politie, zoals de wetenschap, en dat het blijft steken in algemene verhalen over bepaalde criminele groepen of strafbare feiten.

 

 

 
De voorzitter:

 

We willen er even uithalen wat de meerwaarde is van het fenomeenonderzoek wat u doet.

 
De heer Jansen:

 

Veel slimmer en trefzekerder je controle-instrumenten inzetten op deze wereld, op deze markt, in deze branches. Afspraken maken met deze branches, beschrijvingen maken van vormen van fraude, zodat je ze tijdig kunt herkennen en uiteraard ook de regelgeving daarop aanpassen, zodat je er minder last van hebt.

 
De voorzitter:

 

De regelgeving aanpassen is een slag verder.

 
De heer Jansen:

 

Dat is een slag verder.

 
De voorzitter:

 

Betekent dit ook dat door het kennen van zo'n fenomeen het onderzoek korter kan duren?

 
De heer Jansen:

 

Ik denk het wel. Je hebt veel meer inzicht in de markt. Noot

Kernteams worden geacht fenomeenonderzoek te doen naar de ontwikkelingen op hen toegewezen aandachtsgebieden. Deze aandachtsgebieden zijn als volgt verdeeld over de kernteams in Nederland:

 

 
- Zuid:

 

synthetische drugs, (ex-)Joegoslavië alsmede mensenhandel. - Noord-Oost-Nederland: Oost-Europa, de voormalige Sovjet-Unie en Turkije. - Amsterdam: West-Europa en Joegoslavië. - Rotterdam-Rijnmond: Chinese netwerken, EG-fraude en milieucriminaliteit (inclusief bedreigde uitheemse diersoorten). - Haaglanden: Zuid-Amerika en Italië. - Randstad Noord en Midden: Schiphol.

De verdeling van aandachtsgebieden over de kernteams vond plaats op basis van twee zeer verschillende criteria: geografie en onderwerp. Deze verdeling wordt door uitvoerende politiefunctionarissen als onlogisch en zinloos gezien. Bij de verdeling is onvoldoende rekening gehouden met de beschikbare kennis bij de verschillende regio's. Fenomeenonderzoeken zijn niet voorbehouden aan kernteams: sommige politieregio's zijn zelf ook bezig met fenomeenonderzoeken.

Operatie Gouden Kalf


Bij verschillende recherche-onderzoeken kwam naar voren dat de wisselkantoren op enigerlei wijze een rol speelden bij criminele activiteiten. Het bleek dat er in het centrum van Amsterdam ruim honderd wisselkantoren waren gevestigd. Uit dit grote aantal werd afgeleid dat de kantoren niet alleen op de toeristische markt opereerden. Dit was reden om het verschijnsel wisselkantoor nader te bestuderen. Er werden vragen gesteld als: Hoe is het mogelijk dat zoveel kantoren op de duurste lokaties in Amsterdam kunnen voortbestaan? Wie oefent toezicht uit? Wat zouden ongeveer de