CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Eindrapport Commissie Traa

HOOFDSTUK 9 STURING EN CONTROLE VAN DE OPSPORING

 

9.1 Inleiding

De sturing en controle van de opsporing zijn in het voorgaande hoofdstuk kort aan de orde gekomen. De commissie heeft onderzoek gedaan naar de functionarissen en de organisaties die de sturing en controle van de opsporing moeten uitvoeren. De Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden heeft vele vragen gesteld die betrekking hebben op deze organisaties. De commissie besteedt in dit hoofdstuk aandacht aan het openbaar ministerie, de rechters-commissarissen, de zittingsrechters, de burgemeesters en korpsbeheerders, de ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken en de Tweede Kamer. De commissie heeft deze organisaties en instanties onderzocht voorzover zij betrokkenheid hebben bij de sturing en controle van opsporingsmethoden.


9.2 Openbaar ministerie

 

9.2.1 Inleiding

Het openbaarministerie (OM) is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Daartoe draagt het OM het gezag over de opsporing en beschikt het over het vervolgingsmonopolie. Verder heeft het OM verschillende andere taken en sinds de inwerkingtreding van de Politiewet 1993, taken die voorvloeien uit het medebeheer van de politie. De officieren van justitie staan in het hiërarchische verband van het openbaar ministerie onder het gezag van de hoofdofficier van justitie en via deze onder dat van de procureur-generaal bij het hof. Daarnaast bestaat ondergeschiktheid van alle leden van het openbaar ministerie aan de minister van Justitie (artikel 5 RO). De opsporingsbevoegdheid wordt door de wet toebedeeld aan de individuele officier van justitie (artikel 141 Sv). Hij kan bevelen geven inzake de opsporing van strafbare feiten aan andere personen met opsporing belast (artikel 148 Sv) en kan strafbare feiten doen opsporen (artikel 149 Sv). Met de opsporing van strafbare feiten zijn, naast de politie, ook andere diensten belast. Het onderstaande beperkt zich tot het gezag dat het OM over de politie uitoefent. Veel wat in dit hoofdstuk aan de orde komt is ook van toepassing op de relatie tussen het OM en de bijzondere opsporingsdiensten.

9.2.2 Organisatie en samenwerking

 

Autonomie, afstandelijkheid en variatie

Het OM is nog steeds een organisatie waarin de individuele officieren van justitie over vergaande autonomie kunnen beschikken. Noot Het OM is ook een organisatie in verandering. Het reorganisatieproces dat in werking is gezet na het rapport van de commissie OM (commissie-Donner) is in volle omvang bezig. Noot De commissie zal slechts voorzover het de sturing en controle van de opsporingsmethoden betreft uitspraken doen over de organisatie van het OM.

De sturing en controle door het OM met betrekking tot de selectie van onderzoeken, de voortgang van onderzoeken en de inzet van opsporingsmethoden wordt traditioneel gekenmerkt door afstandelijkheid. De commissie heeft geconstateerd dat hierin bij een aantal arrondissementen reeds verandering is gekomen. De variatie in taken, bevoegdheden en activiteiten op het gebied van de georganiseerde criminaliteit binnen het OM is een ander organisatorisch kenmerk. In de meeste parketten is de zware criminaliteit in een bijzondere unit ondergebracht. Aan de term zware criminaliteit wordt verschillend inhoud gegeven. De afzonderlijke arrondissementen hebben vergaande vrijheid om de organisatie in te richten en het beleid te bepalen. De commissie constateert dat de arrondissementen van deze vrijheid ook gebruik hebben gemaakt.

Zaaksofficier, CID-officier en kernteamofficier

In een aantal parketten is sprake van een scheiding tussen CID-, zaaks- en kernteamofficier van justitie. In enkele andere parketten zijn deze functies verenigd in dezelfde persoon. Dit heeft tot gevolg dat een
zaaksofficier in het ene arrondissement beter op de hoogte is van de CID-trajecten dan in een ander arrondissement. Er bestaat verschil tussen de parketten in hoeverre informatie wordt uitgewisseld tussen de verschillende officieren van justitie.

Speciale functie-eisen voor een officier van justitie, belast met de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (waaronder in dit verband ook de met de criminele inlichtingen belaste officier van justitie worden bedoeld), zijn niet alszodanig geformuleerd. Ook plaatsvervangend en substituut officieren worden op dit terrein ingezet en soms zelfs raio's aan het einde van hun stageperiode. De gedachte leeft overigens wel dat op dit terrein tenminste enige ervaring vereist is. Er bestaat geen specifieke opleiding voor deze officieren van justitie.

 

De heer De Graaf:

Wat vereist de functie van een zware-criminaliteitsofficier in het bijzonder? Waarin onderscheidt zich die functie van andere officieren van justitie?

De heer Valente:

Die functie heeft bijzondere aspecten in die zin dat de kwaliteiten die in zijn algemeenheid bij een officier van justitie aanwezig moeten zijn verder uitgediept moeten worden. Daarnaast is het zo dat een officier zware criminaliteit heel anders te werk gaat. Een officier die gewone zaken doet, zit achter zijn bureau. Hij heeft wel contacten met de politie, maar dat zijn meer contacten met betrekking tot de inhoud van een proces-verbaal of het aantal zaken dat hij wil verwerken. Hij wacht gewoon af tot er een misdrijf geconstateerd of opgespoord wordt en afgerond wordt met een proces-verbaal. Dat proces-verbaal bereikt hem, de zaak wordt voorgeleid en vervolgens begint zijn werk als vervolgende instantie. De officier van justitie georganiseerde criminaliteit gaat heel anders te werk. Hij werkt projectmatig. Hij krijgt, zoals dat heet, een project aangeboden. Dat betekent dat een doelgroepering of een doel, een enkele crimineel, aangereikt wordt. Dat doel wordt omschreven middels een project. Hij krijgt een team en daaraan geeft hij leiding. Gedurende een tijd zal hij het onderzoeken van de zaken en het construeren van het bewijs moeten leiden. Vervolgens, als de zaak, meestal na een hele tijd, tot een afronding komt, zal hij na de aanhoudingen de verdere vervolging voor zijn rekening nemen. Dat betekent dat daarvoor niet alleen managementkwaliteiten vereist zijn. Hij moet ook nauwgezet met het opsporingswerk bezig zijn. Hij moet in mijn optiek ook over de kwaliteiten beschikken waarover een politiechef beschikt. Hij moet niet alleen in staat zijn om activiteiten van de opsporing in te schatten en te begeleiden. U weet dat een officier van justitie de leiding heeft bij het opsporingsonderzoek. Die leiding moet hij ook daadwerkelijk uitoefenen. Daarnaast is hij magistraat. Hij is de voorportaal van de rechter. Dat betekent dat hij in staat moet zijn om telkens te toetsen wat hij zelf heeft gedaan als leider van de opsporing. Noot

Ressortelijke adviescommissies zware criminaliteit

Binnen het openbaar ministerie functioneren op ressortsniveau tal van adviescommissies. Met de reorganisatie van het OM is ook de overlegstructuur veranderd.
De ressortelijke adviescommissies zware criminaliteit zijn opgeheven. Deze adviescommissies adviseerden enerzijds over het te voeren beleid en waren anderzijds een lokaal steunpunt voor het Coördinerend beleidsoverleg bij de prioriteitenstelling. De rol van de commissies zal waarschijnlijk overgenomen worden door een «commissie» van zwacri-officieren uit een ressort onder voorzitterschap van een hoofdofficier die een kernteam bestuurt. De adviescommissie zware criminaliteit speelde in de praktijk nauwelijks een rol bij de prioriteitenstelling van onderzoeken. De commissie heeft tevens kunnen constateren dat deze adviescommissie nauwelijks de coördinatie of samenwerking heeft verbeterd.

 

Coördinerend Beleidsoverleg (CBO)

In de Vergadering van de procureurs-generaal van 8 januari 1992 is besloten een landelijk coördinerend beleidsoverleg (CBO) te starten. De taakopdracht van het CBO is vastgelegd in een notitie van 7 februari 1992. De belangrijkste taken van het CBO zijn:

van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit;
- advisering van de Vergadering van procureurs-generaal over landelijke prioriteiten met name op het gebied betreffende in relatie tot de bestrijding van zware criminaliteit zoals bijvoorbeeld infiltratie, - advisering van de Vergadering van procureurs-generaal over allerlei onderwerpen het OM en de politie opsporingstechnieken, teamvorming, wetgeving, enz.;

uitvoering van het beleidsplan zware criminaliteit.
- onderneming van zelfstandige actie, zoals het doen van een landelijke analyse en voorbereiding van de De samenstelling van het CBO heeft voor vele discussies gezorgd. In eerste instantie was het CBO een overlegorgaan van alleen het OM. Na enkele jaren werd de politie toegelaten. Na een incident in de media werd besloten de politie de toegang te weigeren. Inmiddels bestaat het CBO uit de procureur-generaal

portefeuillehouder zware, georganiseerde criminaliteit, de gezagsdragers van de kernteams (hoofdofficieren van justitie), de hoofdofficier die aan het hoofd staat van het Landelijk bureau openbaar ministerie, een bij het ministerie van Justitie gedetacheerde officier van justitie en als adviserende leden een drietal korpschefs namens de Raad van hoofdcommissarissen; het hoofd van de CRI woont de vergaderingen ook bij. De fricties tussen politie en OM blijken constant een rol te blijven spelen.

Uit de notulen van het CBO Noot blijkt dat in veel vergaderingen de volgende onderwerpen aan de orde zijn geweest: criminaliteitsanalyse, inventarisatie van criminele groeperingen en prioriteitenstelling Noot , de nota van de minister van Justitie inzake zware, georganiseerde criminaliteit en de kernteams. Verder komen infiltratie en pseudokoop regelmatig terug. Het gaat in deze discussies steeds om de organisatorische vormgeving van deze methoden. De commissie heeft geen fundamentele discussies kunnen terugvinden over de wenselijkheid van deze methoden.

 

Vergadering van procureurs-generaal

Ten behoeve van de vorming van een landelijk OM-beleid vergaderen de procureurs-generaal bij de hoven. Dit geschiedde tot voor kort in de Vergadering van procureurs-generaal, onder voorzitterschap van de secretaris-generaal die namens de minister van Justitie optrad. De procureur-generaal van het ressort 's-Hertogenbosch had de portefeuille zware, georganiseerde criminaliteit. De commissie constateert dat binnen de Vergadering van procureurs-generaal nooit een systematische discussie is gevoerd over de wenselijkheid en haalbaarheid van specifieke opsporingsmethoden. Ook zijn in deze vergaderingen nooit concrete opsporingscasus aan de orde geweest. Opsporing en opsporingsmethoden waren de verantwoordelijkheid van de hoofdofficieren van justitie en de procureurs-generaal. Ook na het opheffen van het IRT, eind 1993, heeft geen inhoudelijke besluitvorming plaatsgevonden over opsporingsmethoden. De meningen verschillen over in hoeverre in de Vergadering van de procureurs-generaal gesproken is over de Delta-methode.

 

Mevrouw Sorgdrager:

(...) Wel werd er toen in het algemeen gesproken over de kwestie in Amsterdam. Dat heeft mij een beetje verbaasd in de beantwoording van de heer Van Randwijck en de heer Gonsalves.

De voorzitter:

Hé.

Mevrouw Sorgdrager:

Ja. Het lijkt alsof het helemaal niet aan de orde is geweest. Ik herinner mij nog goed dat op de vergadering in december 1993...

De voorzitter:

21 december 1993?

Mevrouw Sorgdrager:

Ja. Ik herinner mij nog goed dat toen gesproken is over wat er in Amsterdam aan de hand was. Dat had twee aspecten.

De voorzitter:

Luistert u eens! Neemt u mij niet kwalijk, maar hoe kan het nu dat de heer Van Randwijck zegt dat er niet over gesproken is.

Mevrouw Sorgdrager:

Dat begrijp ik ook niet. Ik heb daar met stijgende verbazing naar zitten luisteren. Het staat zelfs op papier.

De voorzitter:

Nou, op papier. In de papieren die wij hebben gezien, de notulen...

Mevrouw Sorgdrager:

...staat in dat hij mededelingen heeft gedaan over wat er aan de hand was.

De voorzitter:

Daar kun je ook een procedurele mededinging uit destilleren.

Mevrouw Sorgdrager:

Zo was het niet. Er is echt over gesproken en hij heeft gezegd wat er aan de hand was. Hij heeft vooral de nadruk gelegd op de verstoorde verhoudingen in Amsterdam. Ook kwam de methode aan de orde.

De voorzitter:

Wat heeft hij toen verteld van de methode?

Mevrouw Sorgdrager:

Niet zoveel, omdat hij op dat moment niet precies heeft uitgelegd wat er aan de hand was. Wij hebben wel meteen gezegd dat wij over de methode, die kennelijk geleid heeft tot de opheffing van het IRT, wel wat meer wilden weten. Toen hebben wij aan de commissie-De Wit, waarvan ik net meldde dat die in 1993 was ingesteld, gevraagd om vrij snel te komen met een advies daarover. Wij wilde toen weleens weten wat er echt aan de hand was. Noot

De voorzitter:

Toen u bij het OM binnenkwam, aan de top, hebt u toen aan de andere PG's gevraagd: hebben jullie de problemen die het afgelopen jaar gerezen zijn - de IRT-zaak, de zaak van de opsporing, de zaak van de effectiviteit - besproken en zullen wij dat nu gaan bespreken? Hebt u dat gevraagd toen u binnenkwam?

De heer Docters van Leeuwen:

Nee, dat heb ik niet gevraagd, want wat ik aantrof, was een nogal uitvoerig stelsel van nieuwe maatregelen. Er was besloten om een LRT op te richten.

De voorzitter:

Hebt u...

De heer Docters van Leeuwen:

Ik heb het dus niet gedaan.

De voorzitter:

U hebt het niet gedaan.

De heer Docters van Leeuwen:

Nee. Noot
In de verhoren van de procureur-generaal te 's-Hertogenbosch, Gonsalves, en van voormalig procureur-generaal Sorgdrager kwam de afstandelijkheid van de procureurs-generaal duidelijk naar voren.

De voorzitter:

Heeft u in het verleden methodes als gecontroleerde aflevering en doorlevering in detail in de vergadering van PG's besproken, met name waar het gaat om de operationele kanten van die kwesties?

De heer Gonsalves:

Het plegen van strafbare feiten door in te zetten infiltranten staat in de infiltratierichtlijnen. Die kwestie is dus ook uitgebreid aan de orde gekomen. Er is ook gesproken over gecontroleerde aflevering, maar dat is een veel beperkter begrip. Het begrip «gecontroleerde doorlevering» is van heel recente tijd. In onze ogen gaat het bij gecontroleerde aflevering om een heel duidelijke zaak, want dan volg je een partij tot de plaats van bestemming. Dan ga je tot aanhouding en inbeslagneming over. Dan laat je zo'n partij een tijdje volgen, totdat die van de plaats van invoer de plaats van bestemming bereikt, zodat je ook het afnemersnetwerk kunt aanpakken. Mits dat goed is georganiseerd en van voldoende veiligheidsgaranties is voorzien, zitten daar naar mijn mening weinig risico's aan. Dat is iets wat regelmatig is gebeurd en nog steeds gebeurt. De gecontroleerde doorlevering...

De voorzitter:

Zoals wij het doorlaten nu noemen.

De heer Gonsalves:

...houdt in het doorlaten met het risico dat niet op de plaats van bestemming tot inbeslagneming wordt overgegaan. Dat doe je, omdat je hoopt daardoor op den duur informatie te krijgen die leidt tot de aanhouding van de gehele groep. Dat is naar mijn mening de definitie van gecontroleerde doorlevering. Daarvan hebben wij gezegd dat dit alleen in uitzonderlijke omstandigheden mag. Daarbij doet zich weer die afweging van proportionaliteit voor. Het mag alleen met toestemming van het College van

procureurs-generaal.

 

De voorzitter:

Heeft u in de afgelopen jaren die speciale casus besproken waarbij dat is toegepast? Heeft u daar toestemming voor gegeven?

De heer Gonsalves:

Neen, want dat wisten wij niet.

De voorzitter:

Dat wist u niet?

De heer Gonsalves:

Neen.

De voorzitter:

Dat is u vroeger nooit gemeld.

De heer Gonsalves:

Neen. Dat heeft ook te maken met ons systeem. (...) Het was tot voor kort ook bij ons niet bekend dat een methode als de gecontroleerde doorlevering op grote schaal werd toegepast.

De voorzitter:

Dus er ging nooit een hoofdofficier naar een PG, waarna die PG dat in de vergadering bracht. Dat is nooit voorgekomen.

De heer Gonsalves:

Neen. Bij mijn weten niet. Het zal voor het eerst aan de orde zijn gekomen toen werd gesproken over de verwikkelingen rond de zogenaamde IRT-affaire. Noot

De voorzitter:

Met verschillende procureurs-generaal hebben wij gesproken over de vraag wat men in de vergadering van procureurs-generaal besprak. Zowel bij de heer Van Randwijck als bij de heer Gonsalves is ons opgevallen dat het bijna nooit over casussen, over gevallen ging of over opsporingsmethoden in de praktijk. Is dat volgens u ook zo?

Mevrouw Sorgdrager:

Voordat ik die vraag met een «ja» of «nee» beantwoord, wil ik daar iets over uitleggen. De officier van justitie is binnen het openbaar ministerie degene die op het operationele vlak werkt. Hij is, zoals in de wet staat, leider van de opsporing. Hij heeft direct contact met de politie en hij zit heel dicht op de zaken. Hij is ondergeschikt aan zijn hoofdofficier. Die werkt daardoor al wat minder operationeel. De hoofdofficier is op zijn beurt ondergeschikt aan de procureur-generaal. Zo is dat in het Wetboek van Strafvordering opgebouwd. De procureur-generaal heeft de algemene taak om toe te zien op de richtige opsporing in zijn ressort. Zo staat het in de wet omschreven. Dat betekent dat de procureur-generaal op zichzelf geen operationele taak heeft. Hij heeft ook geen opsporingsbevoegdheid.

De voorzitter:

Hij is toch wel de baas van alle opsporingsambtenaren in zijn ressort?

Mevrouw Sorgdrager:

Ja, hij is de baas in die zin dat hij toezicht houdt op de richtige opsporing. Hij houdt zich in het algemeen dus zelf niet bezig met operationele zaken, behalve als er iets bijzonders aan de orde is waar hij wel of niet in gemengd moet worden. Dat zal straks nog wel aan de orde komen, neem ik aan. In het algemeen gesproken heeft hij dus een toezichthoudende functie en een beleidsfunctie. Vanuit die functies komen, of kwamen, de procureurs-generaal bijeen in de vergadering van procureurs-generaal. U kunt zich voorstellen dat in zo'n vergadering in het algemeen wordt gesproken over beleidskwesties, strategieën, en algemene richtlijnen voor, bijvoorbeeld, de opsporing. Individuele gevallen kwamen eigenlijk niet of nauwelijks aan de orde. Noot De Vergadering van procureurs-generaal heeft wel een aantal werkgroepen ingesteld die de organisatie van de

opsporing en de opsporingsmethoden nader moesten structureren. Een van de belangrijkste werkgroepen was

de Werkgroep infiltratie (Werkgroep De Wit). De besluitvorming in de Vergadering van procureurs-generaal over het rapport van deze Werkgroep was onduidelijk.

 

De voorzitter:

Nu even terug naar de procureurs-generaal. U bent al procureur-generaal sinds 1991. Is er ooit de aandrang geweest om gezamenlijk te beslissen om te bekijken wat er allemaal in de eigen praktijk gebeurt en wat er te koop is?

Mevrouw Sorgdrager:

Nee, dat hebben wij zo gezamenlijk niet afgesproken. Wij hebben wel de commissie-De Wit gevraagd om advies te geven. Ik ben zelf op dat moment, in mijn nieuwe ressort, daarmee aan de slag gegaan.

De voorzitter:

Is het dan toch niet zo dat de vergadering van de procureurs-generaal de verantwoordelijkheid als het ware teveel doorschuift naar die commissies?

Mevrouw Sorgdrager:

Ja, de vergadering misschien. Ik weet niet precies wat mijn collega's toen gedaan hebben, maar ik heb daar aanleiding in gezien om in mijn ressort te vragen wat daar nu allemaal gebeurde. Noot

De Vergadering van procureurs-generaal heeft veel tijd besteed aan de afbakening van taken en verantwoordelijkheden. De commissie constateert echter dat het daarbij steeds onduidelijk bleef wie nu daadwerkelijk binnen het OM waarvoor verantwoordelijk was inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in Nederland.

 

 

De voorzitter:

Wij zijn hier in de enquêtecommissie verschillende vertegenwoordigers van het OM tegengekomen die in ieder geval niet te veel verantwoordelijkheid wilden dragen. Men dacht soms eerder: als een ander het maar draagt. Hebt u dat ook ervaren? (...)

De heer Docters van Leeuwen:

Ja. Dat is mij gebleken. Op twee niveaus doet het probleem van verantwoordelijkheidsstelling en de bijbehorende verantwoording zich voor. Dat doet zich voor in de relatie tussen de zaaksofficier en zijn leiding en dat doet zich voor... Er is dus wel attributie van bevoegdheden, zoals dat ook aan het hoofd van de BVD het geval was, maar daar was ook een rapportageplicht. Daar hebben wij zojuist over gesproken. Als hoofd van de BVD waren er bevoegdheden aan mij geattribueerd...

De voorzitter:

Gaat u, als u wilt, weer terug naar het OM.

De heer Docters van Leeuwen:

...maar was er ook een plicht om te rapporteren. Als je nu naar het OM kijkt, zie je dat er bevoegdheden liggen bij de zaaksofficier, maar dat er geen vergelijkbare rapportageplicht - laat staan een rapportagegewoonte - is ontstaan voor wat betreft de verhouding tot zijn leiding. Dat zelfde verschijnsel herhaalt zich in de verhouding tussen hoofdofficier en procureur-generaal. Ik heb daar laatst in mijn eigen ressort over gesproken. Ik heb gezegd: het valt mij op dat ik als PG veel minder weet van wat er in jullie arrondissementen omgaat dan ik gewoon was te weten als hoofd van de BVD. Noot

College van procureurs-generaal

In het rapport van de commissie-Donner wordt gesteld dat de Vergadering van procureurs-generaal zich steeds meer heeft ontwikkeld tot een «raad van bestuur», waarin elk van de procureurs-generaal één of meer thematisch bepaalde portefeuilles beheert. Noot In het door de minister van Justitie aan de Kamer gezonden «Plan van aanpak reorganisatie openbaar ministerie» wordt de Vergadering van procureurs-generaal vervangen door een college. Ten behoeve van het functioneren van het OM als één organisatie wordt landelijke leiding noodzakelijk geacht. Het College van procureurs-generaal, dat sinds 1 januari 1995 functioneert, vormt de hoogste autoriteit binnen het OM. De voorzitter van dit College is de huidige procureur-generaal te 's-Gravenhage, Docters van Leeuwen. De procureur-generaal van het ressort 's-Hertogenbosch, Gonsalves, beheert ook binnen het college de portefeuille zware, georganiseerde criminaliteit.

 

 

De voorzitter:

Mijnheer Docters, u bent procureur-generaal in het ressort Den Haag en u bent voorzitter van het college van procureurs-generaal. Dat staat al op uw briefpapier, wij gaan er allemaal ook van uit, maar officieel bestaat die functie nog niet. Of bestaat die nu eigenlijk wel?

De heer Docters van Leeuwen:

De functie bestaat omdat de collega's in die functie hebben bewilligd. Ze zijn het eens met het feit dat ik voorzitter ben. En ook omdat de minister er in bewilligd heeft. De condities waaronder ik die functie bekleed, vindt u in de brief van 14 december 1994, bijlage 1.

De voorzitter:

Betekent dat nu ook dat u de baas bent van de PG's?

De heer Docters van Leeuwen:

Uitgaande van die brief en uitgaande van de overeenstemming over die brief tussen de collega's en de minister, is het zo dat aan mij de bevoegdheid is overgelaten om, indien er geen overeenstemming in het college kan worden bereikt, een concept-besluit aan het college voor te leggen.


Indien er dan nog geen consensus zou ontstaan, wordt het aan mij overgelaten om een beslissing te nemen. Noot
Opsporingsmethoden zijn enkele malen onderwerp van discussie geweest in het College van procureurs-generaal. Noot Tussen het College en het ministerie van Justitie ontstond schriftelijke discussie over wie verantwoordelijk is voor opsporingsrichtlijnen over de voorwaarden die gesteld werden voor gecontroleerde afleveringen.

 

 

Mevrouw Sorgdrager:

Ik heb een kader bepaald. Maar dat gaat dan over de doorleveringskwesties. Daar is een duidelijke brief over. Dat is een kader. Noot In een brief van 1 juni 1995 vraagt de minister van Justitie het college in het licht van het rijksrecherche-onderzoek CID-Kennemerland «uw conclusies c.q. te nemen maatregelen met betrekking tot de controle op de inzet van de infiltratiemethoden die juist voorwerp van het rijksrecherche-onderzoek vormen».

Noot Het College van procureurs-generaal reageert op 8 juni 1995, waarin een procedure-afspraak wordt weergegeven voor als officieren van justitie tot gecontroleerde aflevering zouden willen overgaan. De volgende dag, 9 juni 1995, reageert de minister van Justitie met een brief aan het College, waarin zij stelt dat de brief van het College geen antwoord heeft gegeven op de vraag in welke mate en onder welke omstandigheden deze methode kan worden ingezet. De minister van Justitie neemt in de brief van 9 juni het volgende standpunt in: «Tegen deze achtergond ben ik van oordeel dat tot aan het moment dat wetgeving op dit onderwerp tot stand is gekomen, de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht met de inzet van deze opsporingsmethoden.» Noot Vervolgens stelt de minister nadere voorwaarden aan gecontroleerde afevering, die in een brief van 15 juni 1995 door het College worden overgenomen. Noot In deze laatste brief van het College worden nadere procedure-afspraken gemaakt. Noot

9.2.3 Sturing en controle door het openbaar ministerie

Als wettelijke grondslag voor sturing en controle van de politie door het OM geldt de gezagsverhouding die is vastgelegd in artikel 148 Sv en artikel 13, eerste lid Politiewet 1993. Het gezag van het OM is beperkt tot het optreden van de politie ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de uitoefening van taken ten dienste van justitie. De commissie gaat er vanuit dat het OM tevens het gezag over de politie heeft in de fase voordat sprake is van een redelijk vermoeden aan een strafbaar feit. Noot Voor de sturing en controle beschikt het OM tevens over beheersbevoegdheden. De hoofdofficier van justitie maakt deel uit van het regionaal college. In de zogeheten beheersdriehoek worden de hoofdofficier van justitie en de korspbeheerder geacht regelmatig tezamen met de korpschef over het beheer van het regionale politiekorps te overleggen. Noot Over de voor- en nadelen van de beheersbevoegdheden van het OM wordt verschillend gedacht. Noot

 

 

De heer Vos:

Kunt u aangeven wat politie en OM over en weer van elkaar verwachten?

De heer Docters van Leeuwen:

Ik kan u daarover eigenlijk alleen maar mijn eigen opvatting geven. U stelt het nu breed. Er zijn 40.000 politiemensen en 400 officieren. Wat de politie van het openbaar ministerie mag verwachten is een oordeel over de legitimiteit van het handelen van de politie. Het openbaar ministerie moet duidelijkheid verschaffen of een bepaald handelen nu wel of niet toegelaten is. Daar heeft men behoefte aan. Men heeft er geen behoefte aan - ik reageer nu op basis van de gesprekken die ikzelf gevoerd heb - dat het openbaar ministerie het onderzoek leidt, in de zin dat het speurneus eerste klas wordt. Daar kan de politie zelf wel voor zorgen. De politie heeft er wel behoefte aan precies te weten of in deze of die zaak dit of dat handelen nu wel of niet toelaatbaar is of dat het eventueel toelaatbaar zal worden. Mij is ook gebleken dat wanneer daarover helderheid is, de politie zeer enthousiast is. Ik herinner mij een specifiek geval. Ik voer in Zeeland op een boot en toen zei een van de politiemensen toen mijn collega er even niet was; wij zeggen het maar even waar hij niet bij is, maar aan deze officier, daar hebben wij tenminste wat aan! Doorvragend komen er dan dit soort antwoorden. Het OM verwacht van de politie dat hetgeen de politie gedaan heeft en wil doen ook op een beoordeelbare manier wordt voorgelegd. Op die manier komen die twee verantwoordelijkheden, die voor het doen en die voor het beslissen en afwegen, op een juiste manier bij elkaar. Vervolgens zullen OM en politie ervoor moeten zorgen dat de rechter die moet toetsen zijn werk ook behoorlijk kan doen. Noot

Selectie onderzoeken


Binnen veel arrondissementen bestaan prioriteitencommissies/beoordelingscommissies waarin de keuze voor de te onderzoeken zaken wordt gemaakt. Noot De samenstelling van dergelijke commissies varieert sterk. De bevoegdheden van de commissies zijn niet altijd even duidelijk. De invloed van het OM op de selectie van de te onderzoeken zaken is daarmee tevens niet altijd duidelijk. De politie heeft een belangrijke bepalende rol in de onderzoeken die worden uitgevoerd. Het gezag van het OM speelt slechts op de achtergrond een rol bij de bepaling van de te onderzoeken zaken. De commissie geeft hieronder enkele voorbeelden van de wijze waarop te onderzoeken zaken worden geselecteerd.

In Rotterdam neemt het Bureau project voorbereiding van de Regionale recherchedienst (RRD) een centrale plaats in. Na binnengekomen informatie doet dit bureau een kort verkennend onderzoek en maakt daar een proces-verbaal van op. Een dergelijk proces-verbaal wordt besproken in het managementteam (van de politie) en met de CID-officier van justitie. Besloten kan worden een proactief onderzoek te starten. De proactieve fase wordt afgerond met een proces-verbaal ten behoeve van het Platform Criminaliteitsbestrijding en de ressortelijke adviescommissie zware criminaliteit. Het Platform Criminaliteisbeheersing is een denktankachtige structuur, waarin zitting hebben het hoofd RRD, het hoofd van de rivierpolitie, het hoofd van het douanedistrict, de leider van de fiscale- en douanerecherche in de regio, een burgemeester uit de regio, het hoofd van de ARI Zuid-West, een hoogleraar criminologie alsmede een officier van justitie (unithoofd zware zaken tevens CID-officier van justitie). Naar eigen zeggen is de officier van jutsitie uiteindelijk de beslissingsbevoegde en ligt bij hem de verantwoordelijkheid.

In Haarlem wordt voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit de CRI-criteria gehanteerd. De misdaadanalisten maken voor aan te vangen onderzoeken een voorselectie op grond van informatie die beschikbaar is van de CID en open bronnen. Gesteld wordt dat de rol van de informatie uit open bronnen moet worden vergroot. Aan de hand van de voorselectie vindt verdere selectie plaats door het hoofd van de CID en de CID-officier van justitie. Voor de selectie is mede van belang of de strafbare feiten een effect hebben in het eigen arrondissement. Vervolgens bespreken het hoofd van de CID en de CID-officier van justitie (op ad hoc basis) de onderzoeksvoorstellen met het unithoofd specialismen, het hoofd van de regionale recherche en een officier van justitie belast met de behandeling van zware criminaliteit. In de eindfase worden twee projecten aan de hoofdofficier van justitie voorgelegd. Op deze wijze wordt op jaarbasis een zestal onderzoeken zware georganiseerde criminaliteit uitgevoerd.

 

 

De heer Vos:

(...) U zit in een bijzonder gebied waar meer korpsen actief zijn. Welke vormen van selectie worden daar gehanteerd? Ik bedoel selectie van onderzoeken.

De heer Koers:

Wij hebben per politieregio een wat verschillende benadering. Maar dat heeft met de kleur van de politieregio's te maken. De hoofdofficier en de fungerend hoofdofficier maken met de burgemeester en de korpschef, zeg maar raamafspraken voor één, twee of drie jaar over de vraag hoeveel onderzoeken van een zwaar kaliber aangepakt worden. Die afspraken moeten vertaald worden. Nou, in de politieregio Gelderland Midden hebben wij daarvoor de methode dat er één keer in de veertien dagen of één keer in de drie weken overleg is met de mensen van de divisie zware criminaliteit, maar ook met de lokale recherchechefs, hoofd CID, hoofd van het Bureau financiële ondersteuning, het unit-hoofd van Gelderland Midden van het parket en ikzelf of mijn vervanger daar aanwezig zijn. Dat selectie-overleg heeft een tweezijdig karakter: nieuwe onderzoeken worden aangedragen vanuit de CID, door de misdaadanalisten, om te kijken of die onderzoeken de moeite waard zijn om aan te pakken, of ze daar rijp voor zijn en of wij daar de capaciteit voor hebben. Gelijktijdig passeren in datzelfde overleg alle lopende, grote onderzoeken als het ware heel grof de revue: gebeurt er wat wij willen, zitten er problemen in en moet er bijgestuurd worden? Noot

De besluitvorming over de te onderzoeken zaken in de ressortelijke adviescommissies en nu in de commissie van officieren zware criminaliteit onder leiding van de hoofdofficier met gezag over een kernteam en het Coördinerend Beleidsoverleg (CBO) is constant onderwerp van discussie. Er is veel kritiek op de selectie van de zaken, de basis van de besluitvorming en op de uitkomsten. Er is van de regio's weinig steun voor de beslissingen van het CBO. Daarnaast is veel tijd besteed aan de afbakeningsdiscussie tussen CBO, Vergadering van procureurs-generaal en arrondissementen. De organen van het OM hebben de onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit laten bestaan.

 

De heer Suyver:

Ik vind dat er een aantal dingen moeten worden verbeterd. De prioriteitsstelling op landelijk niveau is ofschoon de afgelopen jaren verbeterd, een ingewikkeld en moeizaam proces. Een geweldige Poolse landdag, waar de heer Gonsalves probeert handen en voeten aan te geven. Noot


Het CBO zou ingevolge zijn taakomschrijving een sturende rol dienen te vervullen in de vaststelling van de onderzoeken van de kernteams. De commissie constateert dat het CBO daarin tot op dit moment niet is geslaagd. De kernteamconvenanten - die bij het bepalen van de prioriteiten een grote rol toekennen aan de zogenaamde kernteamdriehoek - hebben niet aan verduidelijking bijgedragen. Evenmin lijkt de regionale politieleiding het gezag van het OM altijd te accepteren. Regionale belangen spelen bij de keuze van de te onderzoeken zaken nog steeds een grote rol. Procureur-generaal Gonsalves onderkende deze problematiek, maar stelt dat zowel de kernteams als de prioriteitenstelling zich in een opbouwfase bevinden.

 

De heer Gonsalves:

(...) Wij zijn nog steeds bezig om te proberen om daar een beter structuur in te brengen, maar de materie is heel taai gebleken. U heeft waarschijnlijk ook het rapport «Tot de kern» gelezen, dat een evaluatie is van het functioneren van de kernteams in het eerste jaar. Daarin komt duidelijk naar voren dat wij worstelen met het probleem dat de politie in Nederland traditioneel gedecentraliseerd is opgebouwd en dat men graag in eigen huis, in eigen kring de keuzen wil maken en de beslissingen wil nemen. Dat zijn soms heel goede beslissingen waar iedereen het mee eens kan zijn, maar soms kijkt men alleen naar het regiobelang en komen landelijke belangen in de knel. Wij hebben in een van de laatste CBO-vergaderingen geconstateerd dat er hele terreinen braak blijven liggen, omdat iedereen zegt: dat is mij te ingewikkeld, laat een ander dat maar doen. Dat is een klassiek probleem, waardoor bepaalde moeilijke onderzoeken niet werden verricht. Het CRI liep daar het land mee af, maar niemand wilde ze doen. Dat is niet goed. Daarom hebben de hoofdofficieren gezegd - dat is weer een stap vooruit - dat zij van hun gezagspositie over die kernteams gebruik moeten maken om, zodra er capaciteit vrijkomt, het CBO bepalender te laten zijn bij de invulling daarvan en te gaan kijken wat landelijk gezien het zwaarste weegt. Dan moet het regiobelang dus achteruit gezet worden. Daar geloof ik ook in, want ik heb dat zien gebeuren in 1988 toen er nog helemaal niets was en ik met mijn werkgroep een voorstel heb gedaan om te komen tot een 25-tal regionale teams om een begin te maken met de aanpak van de georganiseerde misdaad. Toen speelde hetzelfde probleem. Wij zijn toen toch in een paar jaar zover gekomen dat de lokale belangen van gemeenten en dergelijke naar achter werden geschoven en het regiobelang heel duidelijk veel meer naar voren kwam. Ik zie dan ook een ontwikkeling naar een erkenning dat sommige vormen van criminaliteit zo bedreigend zijn, ook landelijk en internationaal, dat die voorrang behoeven. U kunt echter niet verwachten dat dat in één of twee jaar voor elkaar is, want je moet er toch een zekere cultuuromslag voor bewerkstelligen. Noot

Afstandelijkheid ten aanzien van de methoden

 

 

De heer De Graaf:

Oefent het OM op dit moment voldoende gezag uit op de politie?

De heer Docters van Leeuwen:

Als het gaat om het gedeelte van het onderzoek dat in de wandeling wel met pro-actief wordt aangeduid, dan is het antwoord neen. Dat is onduidelijk en dus onvoldoende. Noot

Het OM heeft in het algemeen weinig zicht op het feitelijk hanteren van de opsporingsmethoden. Wel heeft de commissie in sommige arrondissementen meer actieve sturing van de kant van officieren van justitie aangetroffen dan in andere. Nagenoeg iedereen is het erover eens dat de bevoegdheid tot het inzetten van methoden bij het OM behoort te liggen. Het OM wordt langzamerhand meer betrokken bij de inzet van methoden. Tot voor kort heeft de politie op eigen gezag allerlei methoden ingezet in onderzoeken naar georganiseerde criminalitiet.

Het OM is reactief bij de besluitvorming over de te gebruiken methoden betrokken. Dit wordt wellicht mede verklaard door overbelasting. Zowel het rapport van de commissie-Donner als «het plan van aanpak reorganisatie OM» onderkennen dat grote investeringen (respectievelijk 80 en 60 miljoen op jaarbasis) nodig zijn om het OM tot een effectieve organisatie te maken. Hieruit valt af te leiden dat het OM structureel veel te weinig middelen had om zijn taken behoorlijk uit te oefenen. Het gezag van de officier van justitie wordt gerelativeerd doordat het OM in belangrijke mate afhankelijk is van de informatie die de politie aanlevert. Het OM moet in die zin op de juistheid daarvan vertrouwen.

Er bestaan grote verschillen van opvatting tussen officieren van justitie over hun rol in de besluitvorming over de te gebruiken methoden. Sommigen zijn geporteerd voor een afstandelijke positie. Zij willen op grond van een magistratelijke rolopvatting hun controle van de opsporing zoveel mogelijk objectiveren. Anderen benadrukken het belang van een actief sturende rol bij de opsporing. Ook buiten het OM pleiten velen, waaronder een aantal politiefunctionarissen, voor een meer sturende rol van het OM. De verschillen van opvatting tussen officieren van justitie worden in belangrijke mate gevoed door de afwezigheid van een eenduidige gezagsconceptie. Sommigen stellen gezag gelijk met «sturing op afstand» en zien daarin meteen een reden om zich niet met concrete opsporingsactiviteiten te bemoeien die voortvloeien uit de inzet van specifieke methoden. Anderen zien hun gezagsrol als een opdracht zich wel degelijk met die concrete opsporingsactiviteiten te bemoeien. Zij achten het noodzakelijk «bovenop» onderzoeken van
georganiseerde criminaliteit te zitten.

Doorlichting

Om tot een overzicht te komen van de gebruikte opsporingsmethoden heeft de vergadering van procureurs-generaal eind 1994 besloten tot een doorlichting van de lopende onderzoeken van regionale, interregionale en districtelijke rechercheteams. De hoofdofficieren dienden aan te geven welke methoden gehanteerd waren in de verschillende onderzoeken.

 

 

De heer Docters van Leeuwen:

(...) Ik wil er wel de aantekening bij maken dat de doorlichtingsactie naar mijn gevoel bepaald niet moet worden uitgelegd als een motie van wantrouwen naar de politie.

De voorzitter:

Leuk vonden ze het niet. Er liggende woedende brieven bij ons in de bak.

De heer Docters van Leeuwen:

Ik heb ook de heer Brand daarover iets horen verklaren, die het heeft over een brief aan de hoofdcommissarissen. Dat is onjuist. Die brief is gericht tot de hoofdofficieren. Zeker toen de doorlichtingsoperatie eenmaal liep, heb ik er natuurlijk naar gevraagd bij een aantal politiemensen. Toen zei men: wij kunnen toch wel begrijpen dat het gebeurt. Zowel politie als het OM lijdt onder het feit dat de grondslag waarop dit soort onderzoek wordt gedaan - dan praten wij over het onderzoek dat gedaan wordt voordat je kunt spreken van een verdachte - niet vastligt. In de wet is daarover niets geregeld. Noot

In februari 1995 volgde een brief van de procureur-generaal te 's-Hertogenbosch portefeuillehouder zware, georganiseerde criminaliteit, waarin nadere gegevens worden gevraagd over de gehnateerde methoden om tot een meer gesystematiseerde doorlichting te kunnen komen. Op 15 mei 1995 stuurde deze procureur-generaal nogmaals een brief aan de hoofdofficieren van justitie. Niet alle lopende onderzoeken waren gemeld. Op 19 mei volgde nog een brief waarin de hoofdofficieren gemaand werden de methoden te melden. «(...) in alle zaken die niet op de voorgeschreven wijze (...) uiterlijk 1 juli 1995 ter toetsing zijn aangemeld bij de Centrale toetsingscommissie zal moeten worden afgezien van de (voortgang van de) strafvervolging; wanneer het geding reeds is aangevangen zal bij niet tijdelijke aanmelding vrijspraak moeten worden gevorderd.» Noot

De doorlichting leverde veel feiten en gegevens op. De commissie constateert dat de verschillende arrondissementen en ressorten op zeer verschillende wijzen de verzamelde gegevens hebben aangeleverd. De doorlichting levert een beeld op van gebruikte opsporingsmethoden in Nederland. Door de diversiteit van de gegevens bleek het niet mogelijk een consistent overzicht te maken van de gebruikte methoden. Binnen het OM heeft de doorlichting geen vervolg gekregen.

 

 

De heer Docters van Leeuwen:

Die doorlichting was nodig - dat heb ik, hoewel ik toen nog niet benoemd was activiteiten van het openbaar ministerie, waardoor de geloofwaardigheid van het openbaar ministerie ten - bepaald niet tegengehouden - om het voorzichtig te zeggen - omdat er twijfel was gerezen aan de toetsende overstaan van de rechter ernstig zou kunnen zijn aangetast.

De voorzitter:

Waardoor was die twijfel gerezen?

De heer Docters van Leeuwen:

Omdat in een aantal zaken niet voldoende duidelijk was geweest of het openbaar ministerie wel of niet van te voren toestemming had gegeven voor het gebruik van wat in de wandeling «een bijzondere opsporingsmethode» is komen te heten, terwijl er in die gevallen ook geen sprake was van spoedeisendheid of noodweer of iets dergelijks. Ik weet niet of toezicht achteraf, terwijl het niet achteraf had gehoeven... Dat kun je moeilijk toezicht noemen.

De voorzitter:

Heeft die doorlichting volgens u de zaken - wat er gebeurde - helder gemaakt?

De heer Docters van Leeuwen:

Ja. Het heeft wel enig vijven en zessen gekost eer alles op tafel lag. Het was, denk ik, voor de eerste keer dat het openbaar ministerie middels een dergelijke actie probeerde informatie te centraliseren. Ik denk dat dat niet eerder... Ik heb het wel gevraagd, maar mij zijn geen gevallen bekend waarin dat eerder is gedaan. Men had dus nogal wat moeite met het op gang brengen van de juiste informatiestroom. Er waren definitieproblemen enzovoort enzovoort.

De voorzitter:

Maar het moet u toch ook opgevallen zijn dat in ieder geval twee van de regio's die bij ons veel over tafel zijn gegaan, namelijk Rotterdam en Gooi en Vechtstreek, en de zaken waar wij het hier over hebben gehad, in die doorlichting niet zijn te vinden.

De heer Docters van Leeuwen:

Jawel, Bever, want daar heeft u het over, is wel te vinden.

De voorzitter:

Is niet in de doorlichting te vinden op de punten waar wij hier zo lang over gesproken hebben.

De Docters van Leeuwen:

Die is wel te vinden. Ik ben de precieze omschrijving kwijt. Een paar zaken in Gooi- en Vechtstreek waren inderdaad niet te vinden.


De voorzitter:

Vandaar ook de vraag of alles wel staat in die doorlichting, als je er ook bij betrekt dat in de Centrale toetsingscommissie bijvoorbeeld de officieren die dit speciaal moeten uitzoeken, onder wie de heer De Groot uit Haaglanden, zeggen: wij komen er niet uit. Dus weten wij nu wel alles? Weet u alles en weten wij alles?

De heer Docters van Leeuwen:

Ik weet in ieder geval niet alles. Noot

Inhoudelijke criteria

 

Inhoudelijke criteria voor de voorwaarden waaronder een methode mag worden gehanteerd, zijn schaars. Interne richtlijnen van afzonderlijke arrondissementen ontbreken nagenoeg. Voorzover er al criteria zijn, zijn deze verspreid over enkele doorgaans interne (landelijke) regelingen te vinden. Te wijzen valt bijvoorbeeld op de infiltratierichtlijn, de Regeling van de tip-, toon- en voorkoopgelden, de regeling deals met criminelen en de recente handleiding voor inkijkoperaties. De richtlijnen scheppen alleen duidelijkheid over wie moet beslissen.

De algemene inhoudelijke beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit domineren. Dat betekent dat nagegaan wordt of de inzet van de methode een redelijk middel tot een redelijk doel is (proportionaliteit) en of het te bereiken resultaat niet op een andere wijze valt te realiseren (subsidiariteit). De commissie constateert dat deze beginselen dermate veelomvattend zijn dat slechts in buitengewone omstandigheden officieren van justitie tot het oordeel komen dat een methode niet proportioneel of niet subsidiair is. Althans uit de stukken over de afwegingen in zaken blijkt hiervan weinig.

 

 

De heer Docters van Leeuwen:

Wij moeten feitelijk vaststellen dat er groot verschil van opvatting is gegroeid van rechtstatelijke aard.

De voorzitter:

En nog is.

De heer Docters van Leeuwen:

En dus nog is, ja.

De voorzitter:

Tussen wie en wie?

De heer Docters van Leeuwen:

Er zijn naar mijn gevoel drie stromingen. Iedereen heeft natuurlijk zijn eigen nuancering in die opvatting, maar er zijn er naar mijn idee drie. De rekkelijke en de precieze. Dat vind ik niet het hoofdprobleem. Er is nog een derde die ik in de wandeling de autonome noem, totdat iemand er mij op wijst dat dit nu juist niet de meest juiste betiteling is... Noot

De heer Koekkoek:

Die bestrijdt u juist.

De heer Docters van Leeuwen:

Dus dat moet ik terugnemen, maar goed. Missionarissen klinkt weer te...

De voorzitter:

De autonome missionarissen.

De heer Docters van Leeuwen:

Degenen voor wie alleen de missie telt en waarbij de rest van de toepassing van het recht instrumenteel is. Dat zijn de drie factoren waartoe je het verschil van opvattingen steeds kunt herleiden. Iedereen is altijd een beetje rekkelijk; iedereen is altijd een beetje precies. Sommige mensen zijn niet autonoom - of ze dat nooit geweest zijn weet je ook niet - en een aantal mensen is zeer autonoom. Daar zitten dus noties over de rechtsstaat achter waarover opheldering moet worden verschaft. (...) Noot

Sturing politie

Het OM tracht tegenwoordig zijn gezags- en beheerstaken ten aanzien van de politie meer inhoud te geven. Het OM is zich steeds meer ervan bewust dat de politie gestuurd moet worden. Het OM tracht de politie te sturen op drie onderdelen:

 

 

De heer Maan:

Je blijft je eigen baas ten aanzien van bepaalde soorten beslissingen die je neemt, bijvoorbeeld welke eis je uiteindelijk op een zitting stelt, hoe je het formuleert, wat voor redengeving je daaraan verbindt. Daarin ben je zeker je eigen baas.

De voorzitter:

Als officier van justitie leidt u de opsporing, volgens het Wetboek van Strafvordering. Wij hebben veel officieren van justitie hier gehad die in feite zeggen dat zij volstrekt afhankelijk zijn van wat de politie hen aanlevert, dat zij nauwelijks kunnen zeggen dat zij het opsporingsonderzoek leiden.

De heer Maan:

Tot op zekere hoogte is dat uiteraard zo, want de informatie die je aangeleverd krijgt, op basis waarvan je beslissingen neemt, is informatie die je aangeleverd krijgt door de politie. In dat opzicht ben je dus afhankelijk van de informatie die je aangeleverd krijgt. Noot


De sturing met betrekking tot de toepassing van opsporingsmethoden schiet op dit moment tekort. Het OM neemt allerlei initiatieven om hierin verandering aan te brengen.

 

De voorzitter:

Weet u precies wat er bij de CID-en die onder uw gezag staan, gebeurd is?

De heer De Groot:

Ik kan daar nooit een volmondig «ja» op geven. Ik ga ervan uit dat ik die trajecten die relevant zijn voor de zaak, ken. Dat is gebaseerd op de vertrouwensrelatie die ik met mijn CID's heb. Maar ik ben natuurlijk afhankelijk van de informatie die mij verstrekt wordt.

De voorzitter:

Weet u voldoende wat er gebeurt bij de CID-en waarover u het gezag heeft?

De heer De Groot:

Ook daar kan ik nooit een sluitend antwoord op geven. Mijn indruk is dat ik voldoende weet, dat de politie tegenover mij inderdaad open aangeeft wat er speelt en wat er aan de hand is. Noot

De voorzitter:

Denkt u dat er behoefte is aan het herstel van het gezag van het OM?

Mevrouw Sorgdrager:

Ja, zeker! De reorganisatie van het OM is er natuurlijk niet voor niets gekomen. Het is echt nodig dat het OM sterk genoeg is, ook kwalitatief, om het gezag uit te oefenen. Dat moet ook absoluut. De politie kan in opsporingsonderzoeken alleen maar werken onder gezag van het OM. Het gezag moet ook werkelijk iets voorstellen. Het gezag moet maken dat er een zodanige verhouding is dat het openbaar ministerie ook de legitimiteit van het politiehandelen kan toetsen en op een gegeven moment ook beslissingen kan nemen. Dat is het gezag van het OM.

De voorzitter:

Is dat ook een kwestie van meer afstand nemen van het OM of meer doorvragen bij de politie?

Mevrouw Sorgdrager:

Ik vind dat als er samengewerkt wordt - want dat doe je toch als politie en openbaar ministerie in een opsporingsonderzoek - het openbaar ministerie, de officier van justitie, leider van het onderzoek is. Dat betekent dat hij stuurt, dat hij beslissingen neemt en dat hij toetst. Dat betekent ook dat de politie zich toetsbaar moet opstellen en zich moet laten sturen. Dat is een wisselwerking in een professionele werkomgeving, waarbij men toch van elkaar moet weten wat wel en niet moet. Als je gaat vragen of er richtlijnen voor moeten komen, zeg ik: nee, je kunt niet werken met een papierwinkel van richtlijnen. Je moet werken op basis van professionele kwaliteit en je moet weten wat ieders taak daarin is. Noot

Er bestaat een spanning tussen de toetsende rol en de leidinggevende rol van officieren van justitie. Enerzijds wordt van de officier van justitie verwacht dat hij waakt over de rechtmatigheid van het politie-optreden. Dat vergt een zekere distantie en een open oog voor de belangen en de rechten van de burger tegen wie de opsporing zich richt. Niet voor niets is het gezag over de opsporing gelegd bij een buiten de politieorganisatie staand orgaan. Anderzijds dient het OM de politie te sturen, ook op het punt van de effectiviteit van de opsporing. Daardoor dreigt het gevaar dat de officier van justitie zich te veel met het opsporingsbelang vereenzelvigd. Sommige officieren creëren bewust een afstand tot de politie, anderen bemoeien zich intensief met alle beslissingen tijdens het opsporingsonderzoek. Deze keuze is sterk afhankelijk van het persoonlijk functioneren van de officieren van justitie.

 

 

De heer Snijders:

U moet niet vergeten dat de communicatie tussen politiemensen en de officieren er een is van vertrouwen. Als iets niet werd gezegd, wil dat niet zeggen dat dat verkeerd was. Het kon zijn dat het niet werd gezegd, omdat men het gesloten wilde houden. Misschien had wat meer moeten worden doorgevraagd, maar u moet het in die tijd plaatsen. Alles overziende, denk ik nu dat men wat vaker had moeten vragen wat er aan de hand was. Noot

In een enkel geval onstond een conflict tussen de wensen van de politie en het gezag van de officier van justitie.

 

De voorzitter:

Ik zou nog een puntje met u willen doornemen. U heeft ooit, ik dacht twee jaar geleden, een conflict gehad met de politie, de korpsleiding over de vraag of een bepaalde inkijkoperatie moest worden doorgezet of niet. Het ging om een inkijkoperatie waarbij een accu in een voertuig moest worden bevestigd. U wilde dat wel en de politie wilde niet. Wie kreeg er uiteindelijk gelijk?

De heer De Groot:

Mag ik het even uitleggen? Ik heb inderdaad een aantal inkijkoperaties geaccordeerd die uiteraard zijn uitgevoerd door de politie en in goed overleg met het hoofd CID. Dat betrof inderdaad het bijladen van peilapparatuur die wij aan hadden gebracht op een voertuig. Dat ging niet om een woning maar om een garage-achtige toestand. Dat betrof een reeks van inkijken, bijladingen in een dergelijke besloten ruimte. Op een gegeven moment gebeurde het dat er buiten mij om besloten werd om dit traject af te breken.

De voorzitter:

Vanwege de politie?

De heer De Groot:

Niet de politie, vanuit een bepaald niveau van de politie.

De voorzitter:

Vanuit de korpsleiding?

De heer De Groot:

Precies, vanuit de top van het korps. Dan kom je denk ik toch bij een heel essentieel
probleem van het CID-werk. Mijn stelling is altijd de volgende geweest. Als je een CID-traject aangaat en je doet dat in goed overleg met je hoofd CID en de betrokken CID-officier van justitie, dan moet je, als je vindt dat je dat aan je superieuren moet voorleggen, dat van tevoren regelen. Voor mij geldt dat mijn hoofdofficier, de PG en eventueel de minister en voor een hoofd CID geldt dat eventueel zijn korpschef. Maar het mag nooit en te nimmer gebeuren, als je eenmaal een traject hebt ingezet, dat er dan buiten de direct verantwoordelijke om rechtstreeks ingegrepen wordt in het traject. Ik zeg dit niet alleen vanwege het principe maar ook met het oog op de veiligheid. Op het moment dat er van buiten af door derden wordt ingegrepen, buiten degenen om die zicht hebben op het traject waarbij de afscherming van de informant een buitengewoon belangrijke plaats inneemt, kun jij de veiligheid van je informant niet meer garanderen. Daarmee werden wij ook geconfronteerd. Dat was het conflict. Ik heb het niet geaccepteerd dat buiten mij om ingegrepen werd in een traject, waarvoor ik verantwoordelijkheid had genomen, in het bijzonder ook wat de veiligheid van de informant betreft. Dat is exact het probleem.

De voorzitter:

Wanneer was dat? In de afgelopen jaren?

De heer De Groot:

In mijn herinnering is het denk ik ongeveer een jaar geleden.

De voorzitter:

Toen heeft uiteindelijk de korpsleiding aan het langste eind getrokken.

De heer De Groot:

Dat klopt. En ik aan het kortste.

De voorzitter:

Juist. En bent u, toen u eenmaal aan het kortste eind getrokken had, nog verder gegaan naar ministers etcetera?

De heer De Groot:

Ik heb tegen de korpsleiding gezegd: dit mag mij geen tweede keer overkomen, want anders doe ik geen zaken met jullie. Ik heb tegen mijn CID gezegd: als het gaat om de juridische verantwoordelijkheid van een bepaald traject vind ik dat het OM de eindbeslissing daarin heeft; gaat het om de inzet van mensen en de veiligheid van politieambtenaren, zowel op het lichamelijke als op het psychische vlak dan heeft uiteraard de korpsbeheerder het laatste woord; het mag niet voorkomen dat achteraf in het traject door derden wordt ingegrepen, want anders doe ik geen zaken met jullie; jullie moeten dat maar tevoren regelen en als wij weer zo'n traject draaien, wil ik vooraf de garantie hebben dat er niet van andere zijde in het traject wordt ingegrepen. Helderder kon ik het denk ik niet zeggen. Dat heb ik de hoofdofficier laten weten. Noot De mogelijkheden tot «officier shoppen» zijn feitelijk vaak beperkt vanwege de toewijzing van zaken aan

officieren of de functionele indeling van officieren. De commissie constateert dat politiefunctionarissen in het verleden wel eens een specifieke officier kozen om toestemming te vragen voor bepaalde methoden. Op dit moment is dat nauwelijks meer mogelijk.

 

CID-officieren en zaaksofficieren

Speciaal ten behoeve van informatie-inwinning over CID-subjecten en verdachten door de criminele inlichtingendiensten is in de loop van de jaren tachtig binnen de arrondissementsparketten een speciale officier van justitie belast met werkzaamheden in dit kader. Hij wordt daartoe in elk arrondissement door de betrokken hoofdofficier aangewezen. Deze officier van justitie wordt in de praktijk aangeduid met de term CID-officier.

 

 

De voorzitter:

In hoeverre kunt u als officier het beleid van de CID bepalen?

De heer De Groot:

Ik wil het wel.

De voorzitter:

Dat begrijp ik, maar kunt u het ook?

De heer De Groot:

Ik probeer het. Dat is weer een stap verder. En of ik het kan? Dan moet ik uiterst bescheiden zijn.

De voorzitter:

Dus u kunt het eigenlijk niet.

De heer De Groot:

Niet in de mate zoals ik zou willen.

De voorzitter:

Wat kunt u niet wat u wel zou willen?

De heer De Groot:

Ik vind dat een CID als onderdeel van de politieorganisatie ondersteunend is aan de recherchetaak. De recherchetaak is gericht op criminaliteitsbestrijding. De prioriteiten daarvan worden deels landelijk maar ook lokaal bepaald. Ik vind dat de inzet van de CID eigenlijk de prioriteiten dient te volgen, zoals die door het bevoegd gezag worden vastgesteld. Als ik het via de andere kant mag benaderen: een CID moet niet voor zichzelf werken, moet geen informatie verzamelen om maar informatie te hebben; een CID moet ook niet achter de informanten aanlopen; een CID moet gericht investeren in de projecten die door het bevoegd gezag zijn uitgekozen in het kader van de prioriteitenstelling. Noot De CID-officier heeft feitelijk veelal geen inzage in achterliggende documenten en de CID-registers. Hij neemt

over het algemeen genoegen met de informatie van politie. Sommigen willen veelal ook geen inzage in de CID-registers, de vier x viertjes of de journaals. De CID-officier staat niet vermeld in de CID-regeling 1995 als

een van de gerechtigden tot inzage in de CID-registers.

 

De voorzitter:

Laten wij proberen het praktischer te krijgen. Wat vond u te onbelangrijk, dus wat vond u zaken, waarvan u zei: val mij daar niet mee lastig, en wat vond u dingen die u absoluut moest weten?

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Alle details, dus hoe iets uitgevoerd wordt, het contact met een informant, hoe dat plaatsvindt, al die details hoef ik niet te weten. Wel wil ik weten wat er afgesproken wordt en hoe ver men gaat. Maar er is ook nog een chef bij de CID die alles moet weten. Hij heeft ook een verantwoordelijkheid.

De voorzitter:

Maar moet u niet hetzelfde weten als die chef?

Mevrouw Van der Molen-Maesen:

Ik denk dat het aan de chef is om aan mij door te geven wat ik moet weten. Ik moet echter niet op de stoel van de chef gaan zitten. Noot

De voorzitter:

Hoe kunt u dan het gezag uitoefenen, als u tot dat systeem geen toegang hebt?

De heer De Groot:

Het gaat niet om het gezag van het systeem. Het gaat erom wat er wordt ingevoerd in het systeem en wat eruit komt. Mijn persoonlijke opvatting is dat het OM meer zicht zou moeten hebben op wat er ingevoerd wordt in het systeem.

De voorzitter:

Waar heeft u nu te weinig zicht op?

De heer De Groot:

Daar heb ik te weinig zicht op. Ik heb te weinig zicht op wat er in het systeem wordt ingevoerd. Heel duidelijk. Ik heb geen zicht op waar de informatie die in CID-registers wordt ingevoerd, daar wordt opgeslagen, gecombineerd, vandaan komt. Het is een soort centrifugeverhaal. Ik heb er geen zicht op of deze informatie rechtmatig is, of het geen informatie betreft die vernietigd had moeten worden. Noot De betrokkenheid van de CID-officieren verschilt binnen en tussen de parketten. De CID-officier is in het

algemeen niet op de hoogte van alles wat binnen de CID gebeurt. De CID-officier is voor zijn informatie in sterke mate afhankelijk van de CID-chef. De sterke positie van CID-chefs belemmert soms de CID-officier in zijn werk. In sommige regiokorpsen bestaat er geen enkel vertrouwen tussen CID-chef en CID-officier. De commissie constateert dat de ernstig verstoorde verhoudingen in Gooi en Vechtstreek, zoals die tijdens de verhoren bleken te bestaan, tot de uitzonderingen behoren. Inmiddels wordt geprobeerd in het landelijk platform van CID-officieren het beleid van de CID-officieren van justitie op elkaar af te stemmen. Binnen het OM worden afspraken met de politie nauwelijks schriftelijk vastgelegd. Tussen de CID en de CID-officier bestaat een meer gestructureerd overleg dan tussen de tactische recherche en de zaaksofficieren. Incidenteel leggen de deelnemers afzonderlijk de gesprekken op papier vast. Ook worden verslagen gemaakt van contacten tussen CID-chefs en CID-officieren.

 

 

De heer Maan:

Het kiezen van een onderzoek, denk ik, is eerder iets wat in het kader van een overleg tussen bijvoorbeeld CID-officier, een unit-hoofd en een hoofdofficier en de politieleiding plaatsvindt dan dat daarin een zaaksofficier die de zaak moet gaan doen, meekiest welke zaak hij moet gaan doen. Ik kan mij best voorstellen dat dit ook op een ander niveau beslist wordt. Een zaaksofficier die dus verantwoordelijk is voor een specifieke zaak, is degene die heel sterk bepaalt welke richting het onderzoek uit gaat en wat daarin aan deelonderwerpen gekozen wordt.

Wanneer een proactief onderzoek tactisch wordt, zal een zogenoemde zaaksofficier worden ingeschakeld. Hij is verantwoordelijk voor het tactische traject en zal het OM ter terechtzitting vertegenwoordigen.

 

De heer Vos:

Maar het gezag komt natuurlijk niet alleen tot uitdrukking op het juridisch vlak. Er moet ook een baas zijn, iemand die de eindverantwoordelijkheid heeft. U heeft zelf gezegd dat u juridisch misschien wat te weinig aan uw trekken komt op het strafrechtelijke terrein. Kunt u uw gezag ook in de persoonlijke zin waar maken? Bepaalt u de strategie?

De heer Maan:

Ik bepaal mede de strategie. Zoals ik zei, is dat iets wat je doet in overleg met het team, waarin je samen kiest op basis van de informatie die je krijgt, welke richting het uit gaat. Daarin bepaal je dus ook de strategie hoe het onderzoek vorm wordt gegeven en gaat lopen. Noot Op het moment dat een zaak op de zitting wordt behandeld is de zaaksofficier soms niet op de hoogte van alle

CID-trajecten in het onderzoek. De onduidelijkheid over wat wel en wat niet in een proces-verbaal moet worden opgenomen speelt daarbij een belangrijke rol. Binnen het OM wint de opvatting terrein dat CID- en zaaksofficier over dezelfde informatie moeten kunnen beschikken.

 

 

De heer Vos:

Uit uw ervaring gesproken, bent u van mening dat zowel de CID-officier als de zaaksofficier gelijkwaardig geïnformeerd dienen te zijn over de lopende zaken?

De heer Koers:

Ik ben er in de loop van de jaren anders over gaan denken. Toen ik daar in 1991 mee begon,
had ik heel sterk iets van: ik vertel de zaaksofficieren alleen maar dat wat echt noodzakelijk is. Gaandeweg merk je dat, wil je als een zaaksofficier op een goede manier tegenover de rechter kunnen vertellen wat er speelt en weten wat er in een zaak gespeeld heeft, je dan meer informatie nodig hebt. Toch vind ik zelf dat bijvoorbeeld de namen van de informanten niet bekend hoeven te zijn bij een zaaksofficier, wel welke methoden er gebruikt zijn, zodat de zaak gewoon open bij een rechter neergelegd en getoetst kan worden. Noot

Naast het tactische traject is soms gelijktijdig sprake van een CID-traject. De verantwoordelijkheid voor het parallelle CID-traject is niet steeds duidelijk. Het komt voor dat de zaaksofficier zich op het standpunt stelt dat hij ten volle verantwoordelijk moet zijn voor het parallel lopende CID-traject en tactisch traject. De zaaksofficier is dan in staat de CID-officier te overrulen. Het is echter geenszins uitgesloten dat tijdens het tactisch onderzoek de zaaksofficier niet op de hoogte is van de inzet van bepaalde bijzondere opsporingsmethoden.

 

De heer Vos:

Wie is nou eigenlijk verantwoordelijk in het hele gebeuren? Wij spreken over een CID-officier, een zaaksofficier en een hoofdofficier. U bent plaatsvervangend hoofdofficier. Bij wie ligt nu de verantwoordelijkheid? En wie is waarvoor verantwoordelijk?

De heer Gerding:

De eerste verantwoordelijkheid ligt bij de officier van justitie die de zaak op de zitting naar voren brengt. Die moet staan voor al datgene wat tijdens het onderzoek is gebeurd. Daar draagt hij de volle verantwoordelijkheid voor. Verder moet het parket, en meer in het algemeen: het openbaar ministerie, ervoor zorgen, dat er een doorzichtige en consistente besluitvorming plaatsvindt over opsporingsonderzoeken en de daarbij te hanteren methoden. De hoofdofficier, en bij zijn afwezigheid: zijn plaatsvervanger, is verantwoordelijk voor de wijze waarop de keus van de methodes wordt gemaakt en uiteindelijk ook voor de uitkomst daarvan.

De heer Vos:

Wanneer in de CID-fase iets onprettigs, iets onoirbaars is gebeurd, is het dan aan de zaaksofficier om de CID-officier een reprimande te geven? Hoe werkt dat?

De heer Gerding:

Bij de meeste parketten bevinden de CID-officier en de zaaksofficier zich hiërarchisch gezien min of meer op gelijke hoogte. Het is dus de taak van de hoofdofficier om een dergelijke aangelegenheid naar zich toe te trekken en zijn oordeel daarin kenbaar te maken.

De heer Vos:

Draagt de hoofdofficier de eindverantwoordelijkheid voor het hele gebeuren?

De heer Gerding:

Zeker. Noot

9.2.4 Centrale toetsingscommissie

 

Instelling en taken

 

In de Vergadering van procureurs-generaal van 9 maart 1994 werd de interimrapportage van de werkgroep-De Wit over infiltratie besproken. De Wit liet de Vergadering van procureurs-generaal schriftelijk weten dat er binnen het OM een grote diversiteit bestaat aan standpunten inzake het al dan niet ontwikkelen van bepaalde vormen van infiltratie. De conclusie luidde dat het niet goed mogelijk is binnen korte tijd tot een zodanig verfijnd systeem van regelgeving te komen dat er een enigszins uniform beleid tot stand komt. De voorkeur ging voor de korte termijn uit naar een procedurele oplossing.

Op 26 oktober 1994 werd in de vergadering van de procureurs-generaal een deelrapport van de commissie-De Wit besproken met de titel «Centrale commissie bijzondere opsporingsmethoden». De vergadering was van oordeel dat een dergelijke commissie zo snel mogelijk, met instemming van de minister van Justitie, moest worden ingesteld en aan het werk moest gaan. Op 2 december 1994 besloot de Vergadering van procureurs-generaal per 1 januari 1995 de Centrale toetsingscommissie (CTC) in te stellen; voorzitter werd hoofdofficier Jansen van het parket 's-Hertogenbosch. Noot De CTC bestaat uit twee kamers. Volgens artikel 2 van het Instellingsbesluit heeft de CTC een viertal taken. Allereerst heeft de CTC tot taak het, al dan niet onder voorwaarden, verlenen van toestemming aan opsporingsmethodieken met een grensverleggend karakter of met een groot afbreukrisico ten aanzien van personen en zaken. Onder dergelijke grensverleggende acties worden in ieder geval begrepen:

zoals pseudo-koop en de gecontroleerde aflevering gericht op inbeslagneming; - alle (inter-)nationale (projectmatige) infiltratiezaken met uitzondering van eenmalige of kortlopende acties van criminele infiltranten, die onder regie en gezag van het openbaar ministerie en politie strafbare feiten - alle vormen van al dan niet langdurige infiltratie-operaties waarbij gebruik wordt gemaakt van de informatie (blijven) plegen;

coverbedrijf of een structuur van coverbedrijven, door middel waarvan desgevraagd facilitaire ondersteuning in - alle zogeheten «frontstore-operaties», waarmee bedoeld wordt het opzetten en/of exploiteren van een
de vorm van goederen en diensten aan criminele groeperingen of organisaties wordt aangeboden;

Als tweede taak noemt het Instellingsbesluit goedkeuring te verlenen voor verlenging als de termijn van goedkeuring is verstreken. Ook kan nadere goedkeuring noodzakelijk zijn bij wijzigingen inzake de veiligheidsaspecten van personen, de ernst en frequentie van te plegen strafbare feiten en dergelijke. Als derde taak krijgt de CTC het ontwikkelen van richtlijnen op het terrein van de bijzondere opsporingsmethoden. Het Instellingsbesluit wijst daarbij op de mogelijkheid dat die richtlijnen ertoe leiden dat de besluitvorming in de toekomst weer op het niveau van de arrondissementen kan plaatsvinden. Als laatste taak krijgt de CTC opgedragen zich een beeld te vormen van de overige vormen van bijzondere opsporing. Daarmee wordt gedoeld op andere vormen van infiltratie, inkijkoperaties, operaties waarbij gebruik wordt gemaakt van hoogwaardige technologie, zoals peilzenders en bakens, in het kader van observatie. Voor wat betreft deze laatste vormen van opsporing is dus geen goedkeuring noodzakelijk, maar volstaat melding aan de CTC. De commissie heeft een registratietaak.

De commissie is samengesteld uit een achttal leden van het openbaar ministerie. Daarnaast zijn er enige adviserende leden, de landelijke officieren van justitie en een viertal politiefunctionarissen.

 

De voorzitter:

Zijn de verschillende standpunten van het OM, waar het gaat om de zogenaamde «rekkelijken» en «preciezen», daarin vertegenwoordigd?

De heer Jansen:

Ik kan niet zeggen dat er in de commissie een verschil bestaat tussen partijen. Ik geloof dat alle standpunten daarin op voldoende wijze zijn vertegenwoordigd en ook bij alle leden van de commissie bekend zijn.

De voorzitter:

Ook politie-ambtenaren zijn lid van die commissie.

De heer Jansen:

Ze zijn adviserend lid.

De voorzitter:

Hebben ze in de praktijk niet in feite hetzelfde te zeggen? Is er al eens gestemd?

De heer Jansen:

Er is nog nooit gestemd. Het grote belang van de adviserende leden, de politiemensen, is dat ze op grond van de praktijk adviezen kunnen geven die van belang zijn voor de werkbaarheid van bepaalde trajecten. Die adviezen zijn ook van belang waar het gaat om risico's die aan trajecten zijn verbonden, risico's die wellicht ook door degenen die de commissie advies vragen, onvoldoende zijn doordacht of ingezien. Daaraan hechten wij veel waarde. Ook uit de praktijk van de commissie blijkt dat dit een zeer belangrijke bijdrage is. Noot

De verhouding tussen de hoofdofficieren van justitie en de CTC blijft onduidelijk. Het is niet duidelijk of een hoofdofficier toch kan beslissen een methode in te zetten nadat de CTC die methode heeft afgekeurd. In de praktijk blijkt dat de CTC binnen het OM beslissingsrecht heeft gekregen. De procureur-generaal portefeuillehouder georganiseerde criminaliteit kan zijn gezag aanwenden om een conflict tussen een hoofdofficier en de CTC te beslechten.

 

 

De heer De Graaf:

Bent u niet eigenlijk bezig te doen datgene wat een hoofdofficier moet doen? Is het feit dat u bestaat niet eigenlijk een testament van armoede voor de hoofdofficieren?

De heer Jansen:

Ik vind dat toch een wat zware uitdrukking: testament van armoede. U vindt u op mijn weg als het erom gaat: is het niet een terrein waarin je zoveel mogelijk centraal en uniform afspraken moet maken? Ik vind dat zo'n toetsingscommissie daarin een belangrijke rol kan vervullen. De verantwoordelijkheid blijft uiteindelijk in de lijn bij de hoofdofficier, maar die zal toch ter dege rekening houden met de adviezen van de commissie. Noot

Functioneren CTC

De CTC bevindt zich in de aanvangsfase. Er bestaat binnen het OM en de politie nog enige onduidelijkheid over welke zaken slechts gemeld moeten worden en welke zaken getoetst moeten worden. Noot De CTC verwacht dat dit in de loop der tijd zal verbeteren.

De beslissingen van de CTC zijn vertrouwelijk en worden niet verspreid. Op die manier kan geen openbare jurisprudentie ontstaan over de in te zetten methoden. De CTC maakt kwartaalberichten die aan de hoofofficieren van justitie worden toegestuurd. Aangezien de hoofdofficier dient te beslissen of een methode wordt voorgelegd aan de CTC, kunnen op die manier de beslissingen van de CTC doorwerken. De CTC heeft inmiddels geoordeeld over 72 aanvragen. In bijlage 5 is schematisch aangegeven welke beslissingen de CTC heeft genomen. De CTC heeft zich tot nu toe vooral gebogen over de inzet van infiltratie-methoden. Het gaat bijna steeds om verschillende vormen van infiltratie, waaronder het werken het
politie-infiltranten en burgerinfiltranten.

 

De heer Vos:

Welke criteria legt u aan? Er is geen wettelijke basis en dus moeten die criteria ergens vandaag worden gehaald. Waaraan ontleent u uw criteria?

De heer Jansen:

U bedoelt toetsingscriteria?

De heer Vos:

Ja.

De heer Jansen:

Voor een aantal zaken zijn er geen wettelijke regelingen. Wel zijn er zaken zoals infiltratie, waarvoor er een richtlijn bestaat. Die richtlijn geeft een aantal criteria aan. Dat zijn ook de criteria die in de rechtspraak hun weg hebben gevonden. Ik noem de uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit. Is wat je wil in verhouding met de zaak? Kan het beoogde resultaat niet met andere, minder vèrstrekkende middelen worden bereikt? Erg belangrijk is ook het principe dat voorkomen wordt dat men in uitlokkingssituaties terechtkomt. Dit criterium gaat ook wel door voor het «Tallon-criterium», genoemd naar een zaak die door de Hoge Raad is behandeld. Men mag de verdachte niet brengen tot handelingen die hij niet uit zichzelf zou willen plegen. Voorts kijken wij ook naar de behoorlijkheid en de controleerbaarheid van het traject, de regie die wordt gevoerd en de risico's die men een infiltrant laat lopen. Daarbij kan het gaan om zijn veiligheid maar ook om de vraag of niet te gemakkelijk tegen een infiltrant is gezegd: je gaat wel onder onze regie strafbare feiten plegen maar maak je geen zorgen want we houden je straks wel buiten de zaak. Dat wordt soms wat té gemakkelijk gezegd en het is onze taak om te toetsen of dit inderdaad zonder kleerscheuren kan. Een ander punt waaraan wij absoluut stringent toetsen, is de kwestie van de verdiensten van de infiltrant. Daarin zijn wij zeer rigoureus. Wij vinden het niet acceptabel dat een infiltrant criminele verdiensten uit zijn activiteiten krijgt. Het is een duidelijke eis onzerzijds dat dit niet gebeurt en dat er wordt gezorgd voor een passende beloning in het kader van de tipgeldregeling. Met betrekking tot het maken van afspraken met infiltranten hameren wij op het vastleggen van die afspraken. Daar gaan wij vrij ver mee. Wij verlangen ook wel dat die afspraken niet alleen schriftelijk worden vastgelegd maar ook worden getoond aan de CTC. Noot

Uit een analyse van de zaken tot nu toe leidt de commissie af dat de CTC de volgende uitgangspunten hanteert bij het werken met infiltranten:
stellen;
- er mag niet worden afgeweken van de aard en de duur van de inzet zonder de CTC hiervan op de hoogte te consequenties (o.a. aanhouding) bij schending hiervan;
- afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd en de burgerinfiltrant moet gewezen worden op de

buitenland: handelen conform Nederlandse richtlijnen, schriftelijke afspraken met buitenlandse autoriteiten - in geval van een buitenlandse politie-infiltrant in Nederland of een Nederlandse politie-infiltrant in het onder meer over vrijwaring als sprake is van het plegen van strafbare feiten en het sturen van een rogatoire commissie.

Er is geen uniforme verslaglegging van de afweging van de CTC, wel worden van de besprekingen in de beide kamers van de CTC summiere verslagen gemaakt. De CTC laat per bief weten aan de aanvragers wat de beslissing van de CTC is. In het merendeel van de gevallen wordt toestemming gegeven, waarbij de CTC specifieke voorwaarden stelt. In sommige gevallen werden deze voorwaarden niet nagekomen.

 

De voorzitter:

Ik stel u deze vraag omdat wij enkele gevallen kennen waarin u voorwaardelijk toestemming heeft gegeven. In een bepaald traject zegt u: misschien is doorlevering mogelijk maar daar moet even mee worden gewacht omdat wij nadere informatie willen hebben. Vervolgens komt men zes maanden later bij u terug en dan is het al gebeurd. Ik doel nu op een zaak waarin het weer gaat om het doorlaten van enkele duizenden kilo's softdrugs, met de bedoeling een eventuele harddrugslijn uit te testen. Zo is het gegaan en ik vraag mij af, wat nu die toestemming waard is.

De heer Jansen:

Het geval waarover u nu spreekt, is bijzonder specifiek. Het betrof de methodiek die wel vaker voorkomt. Er komt een proefzending van een organisatie die wil nagaan of de afzetlijn naar Nederland


betrouwbaar is. Men stuurt een partij softdrugs - geen grote hoeveelheid; enkele duizenden kilo's - met de bedoeling om, als dat traject goed blijkt te functioneren, later een grotere zending harddrugs langs dezelfde lijn binnen te brengen. In het geval waarover u nu spreekt, vonden wij de beoogde «lijntest» niet verantwoord.

 

De voorzitter:

Maar het gebeurde tòch. Later komt men bij u terug met de mededeling: we konden niet anders. Wat is nu het gevolg van het feit dat u het (nog) niet verantwoord vond?

De heer Jansen:

Het is nadien niet gebeurd onder de regie van politie en OM.

De voorzitter:

Dan is er toch sprake van onstuurbaarheid? U zegt dat het niet moet gebeuren maar het gebeurt toch. Later komt men bij u terug met de vraag of men nog verder kan gaan met de informant.

De heer Jansen:

Wij hebben gezegd dat die lijntest niet verantwoord was. Wij hadden problemen met het Tallon-criterium. Wij vonden niet dat het OM daaraan kon meewerken. Vervolgens hebben politie en OM hun handen van dat proefzendingstraject afgetrokken.

De voorzitter:

Maar dan weten OM en politie later toch niet dat het tòch is gebeurd? Dan doen ze er verder niets meer mee.

De heer Koekkoek:

Bovendien hadden ze de partij dan in beslag moeten nemen.

De heer Jansen:

Maar men wist bij benadering niet wanneer de partij zou binnenkomen.

De voorzitter:

Later komt men bij u terug met de mededeling dat men met die figuur wil verder werken en dat de proefzending al heeft plaatsgevonden. Dan blijkt toch dat er niet aan uw voorwaarden is voldaan? De vraag is nu niet of u de hele casus wilt doorlopen. De vraag is wat voor effect dit heeft.

De heer Jansen:

Het is een wat ongelukkige casus. Het OM heeft zich bij onze beslissing neergelegd maar de proefzending kwam er toch, zij het niet onder regie van politie en OM. (...)

De voorzitter:

Ook in een ander traject is er sprake van een informant, die meewerkt in een criminele groep. Vooraf wordt gezegd dat dat goed is, onder de voorwaarde dat afspraken schriftelijk worden vastgelegd en dat de criminele winsten worden ingeleverd. Zes maanden later blijkt dat die schriftelijke vastlegging zeer moeizaam verloopt; daar wil men niet aan, ook de officier niet. Ook de afspraak over de criminele winsten is nog niet gemaakt. U zegt dan: maken, voor de volgende keer. Daarmee geeft u als het ware gelegenheid voor een «herhalingsoefening», een herexamen. Dat wordt gehaald, maar ik vraag mij af wat er met die voorwaarden gebeurt als daaraan niet kan worden voldaan.

De heer Jansen:

Na de eerste periode is er teruggekoppeld, waarbij is gevraagd waarom niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Naar aanleiding daarvan is er een uitvoerige uitleg en toelichting gegeven. Ook al constateerden wij dat de afspraken niet op schrift waren aangeleverd, op grond van die uitleg vonden wij dat het verantwoord was om met het traject door te gaan. Wij maken wel vaker afspraken met officieren die neerkomen op: begin nu op deze manier, binnen dat kader, en kom over drie maanden terug zodat er nader over gesproken kan worden. Noot

De CTC is tevens gevraagd enkele methoden achteraf te toetsen. De methoden waren dan al toegepast.

 

De voorzitter:

In een paar gevallen wordt u gevraagd om achteraf te toetsen. Welke zin heeft dat eigenlijk?

De heer Jansen:

Ik heb zoëven al gezegd dat ik het toetsen achteraf problematisch vind. Het ligt ook duidelijk anders dan het toetsen vooraf. Enkele trajecten waarin wij achteraf hebben getoetst, waren trajecten waarin in de OM-lijn, hoofdofficier en PG, was ingestemd met het te lopen traject. Het belang van de toetsing achteraf door ons zou kunnen zijn dat wij in een bepaald traject zulke grote risico's zien - dat heeft zich niet voorgedaan - of vinden dat men zo volstrekt ernaast heeft gezeten dat wij de mensen die nog met de zaak bezig zijn ontraden om dat voort te zetten. Dat is ook in een geval gebeurd.

De voorzitter:

In een geval is dat gebeurd. In welk geval is dat gebeurd?

De heer Jansen:

Dat was een geval waarin het probleem zat - het is al even aan de orde geweest - van de vrijwaring van de infiltrant. Men had gezegd: natuurlijk, wij moeten jou op een bepaald ogenblik ook wel aanhouden samen met de andere verdachten, want je speelt een rol in die zaak, maar wij halen je er wel uit. Men kwam daarmee in de problemen en stuurde toen aan op het maken van een vormfout.

De voorzitter:

Een welbewuste vormfout?

De heer Jansen:

Ja. Wij hebben gezegd dat wij dat volstrekt onaanvaardbaar vinden.

De voorzitter:

Heeft men toen naar u geluisterd?

De heer Jansen:

Toen heeft men naar ons geluisterd in die zin dat men zei: wij zijn het niet met je eens. Maar dat is ook de zaak waarin het beroep op de portefeuillehouder heeft plaatsgevonden.

De voorzitter:

Toen heeft de portefeuillehouder wie gelijk gegeven?

De heer Jansen:

De portefeuillehouder heeft gezegd: ik vind het buitenproportioneel om de hele zaak af te blazen nu je zover bent, maar leg je probleem aan de rechter voor; laat de rechter uitmaken wat hij ervan vindt en wat hij eventueel...

De voorzitter:

Uiteindelijk is die weg van de vormfout dus niet gekozen?


De heer Jansen:

Dat klopt. (...)

De voorzitter:

U heeft ook de zaken getoetst, achteraf, waarbij het is gegaan om de doorlevering van harddrugs en die gespeeld hebben in het ressort Den Haag. Wat was het doel van die toetsing achteraf?

De heer Jansen:

Dat was eigenlijk dezelfde bedoeling als opgesloten lag in de overgangsregeling. Het waren lopende trajecten, zaken die nog niet onherroepelijk waren afgedaan.

De voorzitter:

Het ging om enige honderden kilo's. Als mijn conclusie juist is, zegt u: eigenlijk is het onbegaanbaar maar toch is het begrijpelijk.

De heer Jansen:

Zojuist heb ik al aangegeven wat onze visie is op het hoofdstuk doorleveren. Met die visie hebben wij die trajecten bekeken. Ten aanzien van één traject hebben wij de opmerking gemaakt dat wij zeker niet akkoord zouden zijn gegaan met het doorleveren van een zo grote hoeveelheid. Ten minste hadden wij bedongen dat een stap zou zijn ingebouwd. Men had veel kleiner moeten beginnen en moeten nagaan wat die kleine stap zou opleveren. Echter, het was een gelopen traject waarbij tot en met de hoogste OM-functionaris was ingestemd met deze werkwijze. Noot

Beslissing minister

De minister heeft in ieder geval één maal een beslissing van de CTC overruled. Het gaat daarbij om een infiltratie-actie in het zuiden van het land.

 

De voorzitter:

U bent met een infiltratietraject bij de Centrale toetsingscommissie geweest. Waar ging dat over?

De heer Paulissen:

Wij deden een infiltratie in een criminele organisatie, die vanuit Nederland internationaal opereert.

De voorzitter:

Daarbij is aan de orde geweest dat er eventueel doorgelaten moest worden?

De heer Paulissen:

Ja. Op een gegeven moment zijn wij voor de keuze gekomen of er een gecontroleerde doorvoer moest plaatsvinden. Wij hebben gezegd: als wij die niet laten plaatsvinden, dus als wij op de eerste partij ingrijpen, dan komen wij naar onze inschatting niet tot een ontmanteling. Wij vinden het middel van de

infiltratie, dat wij gebruikt hebben en dat op dat moment geheel blootgelegd zou moeten worden, dan niet meer opwegen tegen hetgeen wij bereiken. Daarom vonden wij dat wij eenmalig moesten laten doorgaan.

 

De voorzitter:

Had u daarvóór al eenmalig doorgelaten? In vroegere zaken?

De heer Paulissen:

Een bewuste gecontroleerde doorvoer hebben wij wel eens op het programma gehad, maar is er uiteindelijk nooit gekomen. In een bepaalde zaak hebben wij wel eens gezegd: hier zou doorvoer kunnen plaatsvinden. Toen hebben wij gezegd: maximaal 500 kilo hasj en eventueel een hoeveelheid van ongeveer 3 kilo harddrugs, beide eenmalig. Dat zijn voornemens geweest die uiteindelijk niet zijn uitgevoerd. Wel is het eens gebeurd - maar dat is jaren geleden - dat wij 3 kilo gewoon zijn kwijtgeraakt. Dat was een mislukte

gecontroleerde aflevering. En 300 kilo hasj zijn wij een keer kwijtgeraakt.

 

De voorzitter:

Het infiltratietraject dat u bij de Centrale toetsingscommissie bracht, was een traject met politie-infiltratie. Dat heeft voor u het voordeel dat u in ieder geval meer in het proces-verbaal krijgt. U kunt het dus beter gebruiken dan een burger-infiltratietraject.

De heer Paulissen:

En het is controleerbaar. Dat vind ik ook heel belangrijk. Ik zei net dat informantenacties niet 100% stuurbaar zijn. In de professionele begeleiding die op infiltratie plaatsvindt, vind ik dat ik daarbij voor mij zelf, als teamleider, een grote mate van zekerheid heb dat dingen zo gebeuren zoals wij ze gepland hebben.

De voorzitter:

In welke orde van grootte wilde u eventueel doorleveren om daarna meer succes te hebben?

De heer Paulissen:

Wij wilden eenmalig doorleveren. Het is in ieder geval een wat grotere partij geweest dan 500 kilo.

De voorzitter:

Meer dan 1000 kilo?

De heer Paulissen:

Laat ik zeggen: enige duizenden.

De voorzitter:

Had u een garantie dat het bij die ene keer zou blijven?

De heer Paulissen:

Gezien de turbulentie die er op dit moment rond de gecontroleerde doorvoer is, hadden wij voor ons zelf gesteld: jongens, in deze tijd moeten wij echt een plan maken waarin het maar één keer plaatsvindt.

De voorzitter:

Maar je kunt dan natuurlijk een situatie hebben waarin je zegt: wij moeten het toch twee keer doen.

De heer Paulissen:

Die situatie moet je niet uitsluiten. Wij hebben die in dit geval wèl uitgesloten. Ik denk ook niet - zo helder heb ik het ook voor de CTC gezegd - dat ik in dit specifieke geval voor een tweede keer terug was gegaan met: heren, er is mij iets overkomen waarover ik eens met u wil praten.

De voorzitter:

De CTC heeft deze werkwijze goedgekeurd. Daarna keurt de minister het af.

De heer Paulissen:

Dat klopt.


De voorzitter:

Is u geworden waarom de minister het afkeurde? Hoorde u dat via de telefoon van Justitie? Hoe is dat gegaan?

De heer Paulissen:

Ik ben er zelf niet bij geweest, maar wij hebben uiteindelijk een briefje van de minister gekregen, een heel kort briefje: op het punt van de gecontroleerde doorvoer kon zij op dit moment geen toestemming geven.

De voorzitter:

Dat moet ongeveer in mei van dit jaar zijn geweest.

De heer Paulissen:

Ja.

De voorzitter:

Heeft u het toen weer op een andere manier opgepakt? Wat is er toen gebeurd?

De heer Paulissen:

Wij hebben toen besloten te stoppen. Wij vonden de gecontroleerde doorvoer echt noodzakelijk voor het bereiken van het grotere doel in de infiltratie. Wij zijn meteen gaan denken of er binnen de consignes van de minister nog mogelijkheden waren om dat doel op een andere manier te bereiken. Toen werden wij helaas geconfronteerd met het feit dat de zaak was uitgelekt in de pers. Toen hebben wij besloten om de zaak abrupt te stoppen. Noot

De voorzitter van de CTC verklaarde het volgende over de beslissing van de minister:

 

De heer Koekkoek:

U heeft gezegd dat de CTC uiterst terughoudend en beheerst optreedt. Toch heeft de minister in twee gevallen uw oordeel opzij gezet. Hoe verklaart u dit in algemene zin? Op concrete gevallen komen wij later terug.

De heer Jansen:

Er is één geval dat duidelijk naar voren komt. Of in het andere geval de minister iets heeft tegengehouden, is mij nog steeds niet duidelijk. In het geval waarin dat wèl heel duidelijk speelde, is de desbetreffende doorlevering voorgelegd aan de minister van Justitie nadat in de lijn van het OM door hoofdofficier en PG was besloten dat het belangrijk en verstandig was om die kwestie aan de minister voor te leggen. Dat gebeurde in de week nadat de commotie over de RCID Kennemerland was losgebrand. Enerzijds kun je zeggen dat het jammer was dat de minister deze zaak, die zo goed in elkaar zat, tegenhield. Anderzijds gebiedt de nuchterheid te constateren dat, als je vindt dat een zaak de politieke verantwoordelijkheid van de minister kan raken en je de zaak daarom aan de minister voorlegt, die minister natuurlijk ook het recht heeft om «neen» te zeggen.

De heer Vos:

Maar is nu het bestaan van de CTC naar aanleiding hiervan ter discussie gesteld? De CTC is toch als het ware in haar hemd gezet?

De heer Jansen:

Dat vind ik wat zwaar uitgedrukt. Naar aanleiding van deze gebeurtenis is er wèl een brief gegaan - een brief van mij, geschreven namens de CTC - naar het college van PG's. Daarin heb ik gesteld dat ik, als dit het laatste woord is over doorlevering, wat dergelijke zaken betreft een probleem zie voor de CTC.

Noot
De minister lichtte haar beslissing als volgt toe:

 

De voorzitter:

Ligt het aan de politieke gevoeligheid dat u in mei van het jaar van de infiltratie-operatie in het Zuiden zegt die niet meer te willen doen. Die methode leek, vergeleken met de IRT-methode, zeer verantwoord te zijn. Ik doel dus op de infiltratiemethode van het kernteam in het Zuiden, waarvan u zegt het niet meer te willen doen, omdat er te weinig garantie is dat men de zaak echt in beslag kan nemen.

Mevrouw Sorgdrager:

Als de zaak waar u nu over spreekt, in het Zuiden des lands, loopt, is er geen kader wat de Centrale toetsingscommissie kennelijk had vastgesteld.

De voorzitter:

Zij vonden het goed!

Mevrouw Sorgdrager:

Zij vonden het goed, maar het openbaar ministerie twijfelde kennelijk, want men is naar mij toegekomen met de vraag of het door kon gaan. Wij hebben toen die methode besproken en bekeken wat de te verwachten effectiviteit was. Ik vond, nu men het mij toch vroeg, dat men een te vaag doel had. De effectiviteit van de methode was niet groot genoeg. Ik verwachtte dat men over enige tijd weer bij mij zou komen met dezelfde vraag over dezelfde zaak. Dat moesten wij dus gewoon niet doen. (...)

De voorzitter:

Nu is de voorzitter van de toetsingscommissie bijna opgestapt vanwege uw afwijzing. Daar heeft hij over gedacht. Dat heeft hij hier ook verklaard. Ik doel op de heer Jansen. Betekent dat nu dat u zegt dat in de toekomst de Centrale toetsingscommissie het maar moet beslissen of zegt u dat u daarin een eigen mogelijkheid tot ingrijpen houdt?

Mevrouw Sorgdrager:

Ik vind dat ik vanuit de ministeriële verantwoordelijkheid die mogelijkheid moet houden. Dat moet de commissie ook weten. En de voorzitter ook.

De voorzitter:

Geldt dat voor alles wat de commissie beslist?

Mevrouw Sorgdrager:

Kijk, ook daar ligt het aan de prudentie van de commissie wanneer iets wel of niet aan de minister moet worden voorgelegd. Ik kan natuurlijk niet ieder beslissing die de commissie moet nemen bewerken, en dat wil ik ook niet. De commissie zal dus zelfstandig beslissingen moeten nemen, binnen de


kader die ik heb gesteld. Wanneer men het gevoel heeft dat iets het kader te buiten gaat of dat er sprake is van een twijfelgeval, dan vind ik dat men het uiteindelijk aan mij moet voorleggen. In principe moet de commissie, natuurlijk binnen de kaders, zelf kunnen werken.

 

 

De voorzitter:

Het is aan de commissie om u te informeren of is het aan de secretaris van de commissie?

Mevrouw Sorgdrager:

Nee, het is aan de commissie om mij te informeren. Ik vind dat wij dat ook heel zuiver moeten houden. Het is eigenlijk niet eens aan de commissie, maar aan de voorzitter van het openbaar ministerie. De commissie werkt immers met een mandaat van het college van procureurs-generaal. Het hoort dan via de voorzitter bij mij terecht te komen.

De voorzitter:

U heeft toch die commissie...

Mevrouw Sorgdrager:

Het is een commissie van het openbaar ministerie.

De voorzitter:

Dat begrijp ik even niet. Nu zegt de heer Hirsch Ballin: ik heb gezorgd voor die commissie. Dat is dezelfde commissie, namelijk de Centrale toetsingscommissie. Daar bent u toch gewoon helemaal verantwoordelijk voor, ook voor het instellen daarvan?

Mevrouw Sorgdrager:

Ik heb ervoor gezorgd dat het college van procureurs-generaal per 1 januari 1995 die commissie heeft ingesteld. Die commissie heeft een eigen taakomschrijving, doet dat namens het college van

procureurs-generaal.

 

De heer Vos:

Weet de voorzitter van de CTC wat u belangrijk vindt? Weet hij wanneer hij u zaken melden moet?

Mevrouw Sorgdrager:

Dat neem ik aan, dat hij dat weet. Noot

9.2.5 Beoordeling

 

Organisatie

 

Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van officieren van justitie zijn onderling niet goed afgebakend. Inhoudelijke richtlijnen over opsporingsmethoden waren binnen het OM tot voor kort nagenoeg afwezig. Binnen de top van het OM zijn de opsporingsmethoden slechts in hoofdlijnen besproken. De Vergadering van procureurs-generaal heeft nooit systematisch de wenselijkheid en haalbaarheid van specifieke opsporingsmethoden beoordeeld.

De commissie is van oordeel dat de reorganisatie van het OM een positieve bijdrage kan leveren aan een verantwoorde opsporing. Daarvoor zal het noodzakelijk zijn dat officieren van justitie, hoofdofficieren en procureurs-generaal expliciet hun verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van het gezag over de opsporing. De commissie constateert dat het daaraan in de afgelopen jaren ontbroken heeft.

Selectie onderzoeken

De commissie is van oordeel dat de selectie van te onderzoeken strafzaken te onduidelijk is. In de wet staat dat het OM het gezag heeft over de opsporing. De commissie heeft de indruk dat bij de selectie van onderzoeken niet het OM maar anderen de selectiebeslissing nemen. De procedures die moeten worden gevolgd om tot een keuze te kunnen komen zijn te complex en te langdurig. Velen bemoeien zich op enigerlei wijze met deze besluitvorming. De verschillende commissies die zich bezig houden met deze besluitvorming zijn deels oneigenlijk. De commissie heeft de indruk gekregen dat feitelijk de politie de beslissing neemt over de te onderzoeken zaken.

De commissie acht het gewenst dat het OM advies vraagt aan al deze betrokkenen, in het bijzonder de politie, maar is van oordeel dat het OM de beslissing dient te nemen over de te onderzoeken zaken. Op dit moment schiet de gezagsuitoefening van het OM naar het oordeel van de commissie op dit punt tekort.

Sturing en controle methoden

De commissie constateert dat het OM in het verleden te weinig sturing heeft gegeven aan de inzet van opsporingsmethoden. Het OM heeft zich onvoldoende op de hoogte gesteld van de methoden die door politie en bijzondere opsporingsdiensten werden gebruikt. Met het argument van de noodzakelijke vertrouwelijkheid werd onvoldoende doorgevraagd over wat nu precies gedaan werd door de politie. Het OM heeft te weinig als eis gesteld dat beslissingen over de gebruikte opsporingsmethoden schriftelijk werden vastgelegd. Het gevolg is dat nu nauwelijks meer kan worden gereconstrueerd welke methoden in welke zaken zijn gehanteerd. Het OM heeft nauwelijks inhoudelijke richtlijnen geformuleerd die sturing zouden hebben kunnen geven aan de inzet van opsporingsmethoden.

Het OM is naar het oordeel van de commissie tekort geschoten in zijn sturende en controlerende taak ten
aanzien van het gebruik van opsporingsmethoden. In hoofdstuk 3 heeft de commissie beschreven tot welke gevolgen dit gebrek aan sturing en controle heeft geleid. De commissie voegt daaraan toe dat het ontbreken van een eenduidige gezagsconceptie bij het OM in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het gebrek aan sturing en controle.

De CTC kan een rol spelen in de intercollegiale toetsing. De commissie juicht het werk van de CTC als vorm van een dergelijke toetsing vooraf toe, maar zij wijst een beslissende rol voor de CTC af. De commissie is bovendien van oordeel dat er meer structurele inhoudelijke beleidslijnen moeten komen. De commissie constateert dat de CTC zulke beleidslijnen tot op dit moment niet ontwikkeld heeft.


9.3 Rechters-commissarissen

 

9.3.1 Inleiding

De Nederlandse rechter-commissaris roept niet dezelfde beelden op als de Italiaanse. In ons land staan de rechters-commissarissen niet in de frontlinie van de strijd tegen de misdaad. Dit is het gevolg van het feit dat in Nederland niet de rechter-commissaris, maar de officier van justitie de aard en de omvang van het strafrechtelijk onderzoek bepaalt. Dat neemt niet weg dat er actieve en minder actieve rechters-commissarissen in Nederland zijn, ook waar het onderzoeken naar georganiseerde criminaliteit betreft. De commissie besteedt aandacht aan de organisatie en het functioneren van de rechters-commissarissen. Het gaat daarbij dan vooral om de rol die de rechter-commissaris speelt en kan spelen bij de inzet van opsporingsmethoden.

9.3.2 Organisatie

 

Rol rechter-commissaris

In grote lijnen gezien bevindt de Nederlandse rechter-commissaris zich midden op de weg die van politie-onderzoek naar de terechtzitting leidt. In het geheel van de strafrechtspleging is de rol van de rechter-commissaris echter beperkt. Aan het overgrote deel van de strafzaken komt geen rechter-commissaris te pas. De officier van justitie dagvaart de verdachte dan op basis van het door de politie verichte opsporingsonderzoek. In andere gevallen komt het voor dat nadat de politie een strafzaak heeft onderzocht de officier van justitie aangeeft, welke strafbare feiten door de rechter-commissaris verder zouden moeten worden uitgediept. Deze laatste verhoort dan verdachten en getuigen over de feiten die de officier heeft omschreven, in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte. De rechter-commissaris kan bepalen dat bepaalde ingrijpende maatregelen, zoals inbewaringstelling, huiszoeking en telefoontap worden uitgevoerd. Als de rechter-commissaris zijn werk gedaan heeft, kan de zaak naar de terechtzitting. De redenen voor de officier van justitie om een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen zijn divers. De in de praktijk belangrijkste reden is gelegen in het feit dat de rechter-commissaris over bevoegdheden beschikt die de officier van justitie mist. Te denken valt onder meer aan het doen van huiszoekingen en het aftappen van telefoons.

Als de officier van justitie zulke ingrijpende maatregelen nodig acht, zal hij daarvoor altijd naar de rechter-commissaris moeten. De rol die een rechter-commissaris speelt tijdens een onderzoek naar een criminele organisatie wordt in het onderstaande voorbeeld uitgewerkt.

Nadat de rechter-commissaris of het kabinet (zijn kantoor) door de zaaksoffier is benaderd over de vraag of hij in de gelegenheid is om een groot en langdurig gerechtelijk vooronderzoek te verrichten, volgt op de vordering van de officier het openen van een gerechtelijk vooronderzoek en het verlenen van machtiging tot het afluisteren van telefoons. De rechter-commissaris toetst het bestaan van een verdenking, mogelijk extra kritisch als die op CID-informatie berust.

Vervolgens toetst hij verzoeken tot het verlengen van de machtigingen telefoontap, en verzoeken om nieuwe taps. Hij ontvangt de verslagen van de tapgesprekken.
Afhankelijk van zijn nieuwsgierigheid en de mededeelzaamheid van de officier en de politie (beide hebben met taakopvatting te maken) ontvangt hij informatie over het opsporingsonderzoek, zoals een infiltratietraject. Vervolgens wordt hij benaderd om een datum voor de huiszoeking te bepalen. Voorafgaand aan de huiszoeking vindt een briefing plaats. Van te voren is geïnformeerd of de rechter-commissaris speciale wensen heeft inzake deze huiszoeking (bijvoorbeeld op het terrein van het proces-verbaal van inbeslagneming, of de aanwezigheid van de officier van justitie). Afhankelijk van het soort onderzoek vinden de aanhoudingen direct plaats, of verlopen enkele maanden, soms nog meer, tussen huiszoekingen en aanhoudingen. Na de aanhouding wordt de rechter-commissaris benaderd voor verhoor van de verdachten die al enkele dagen
inverzekering zijn gesteld en van wie de officier de inverzekeringstelling nog enkele dagen wil laten voortduren, voordat eventueel inbewaringstelling wordt gevraagd. Zo'n verhoor dient om de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling te toetsen. Dit doet zich vooral voor als het een zo groot onderzoek betreft, dat het veel tijd vergt om de verdachten omtrent de verdenkingen te verhoren.

Enkele dagen daarna verhoort de rechter-commissaris de verdachten op vordering van de officier van justitie tot inbewaringstelling. Hij bepaalt of die vordering wordt toegewezen. Vanaf dit moment krijgt de rechter-commissaris meer greep op het gerechtelijk vooronderzoek. Hij ondervraagt de verdachte over zijn aandeel in de verdenkingen, in aanwezigheid van de advocaat. Hij heeft, evenals de advocaat, van de officier de processtukken ontvangen die de verdenking moeten staven en hij vormt zich een oordeel over de gegrondheid van die verdenking aan de hand van die stukken en aan de hand van de verklaring en de opmerkingen van de verdediging. De rechter-commissaris gaat vervolgens op verzoek van het OM en de verdediging en op eigen initiatief de getuigen horen die nader licht op het onderzoek kunnen werpen. Het betreft vaak getuigen die ook al door de politie zijn ondervraagd, maar andere getuigen, vaak door de verdediging voorgedragen, zijn zeker geen uitzondering. Onder de getuigen neemt de bedreigde getuige een bijzondere plaats in (art 226a e.v. Sv).

Naast een aantal niet onbelangrijke, maar betrekkelijk weinig voorkomende werkzaamheden als het leiden van reconstructies van strafbare feiten en het opgraven van lijken voor nader onderzoek, spelen rogatoire commissies uit en naar het buitenland een toenemende rol in het gerechtelijk vooronderzoek. Op verzoek van buitenlandse justitiële autoriteiten die belast zijn met de buitenlandse takken van het grote onderzoek kunnen rechters-commissarissen onderzoekshandelingen, zoals verhoren en huiszoekingen verrichten, vaak in aanwezigheid van buitenlandse collega's of opsporingsambtenaren. Omgekeerd kunnen zij zelf in het buitenland aanwezig zijn bij getuigenverhoren of andere onderzoekshandelingen die op hun verzoek in dat buitenland worden ondernomen. Die aanwezigheid dient uiteraard om erover te waken dat de juiste vragen worden gesteld en dat de waarheidsvinding aan Nederlandse maatstaven voldoet. Rogatoire commissies vinden plaats in het kader van internationale rechtshulpverdragen.

Als de rechter-commissaris de indruk heeft dat door de verhoren en andere activiteiten de zaak voldoende tot klaarheid is gebracht, of in ieder geval niet duidelijker kan worden, sluit hij het gerechtelijk vooronderzoek. In grotere onderzoeken is het niet ongebruikelijk dat nadat de terechtzitting is begonnen (dit moet binnen ongeveer honderd dagen na de aanhouding) de zaak wordt aangehouden zodat het vooronderzoek kan worden voortgezet. Zo kan het gebeuren dat de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting pas negen maanden na de aanhouding begint. Ook nadat het gerechtelijk vooronderzoek afgerond is kan het voorkomen dat een rechter-commissaris de zaak terugkrijgt, namelijk omdat de rechtbank of, in hoger beroep, het hof aanvullend onderzoek nodig acht.

Het strafrecht was in het verleden het stiefkindje bij de rechtbanken. Inmiddels bestaat een volstrekte gelijkwaardigheid met civiel recht. Rechters moeten nu op minimaal twee terreinen kunnen opereren. De functie van rechter-commissaris staat in vergelijking met het verleden hoger in aanzien. Een benoeming als rechter-commissaris is van belang voor een verdere carrière in de rechterlijke macht. De formele wettelijke positie van de rechter-commissaris is tweeslachtig. Enerzijds is hij leider van het gerechtelijk vooronderzoek en heeft hij de bevoegdheid tot het uitoefenen van zware dwangmiddelen. Anderzijds bepaalt niet de rechter-commissaris, maar de officier welke strafbare feiten onderwerp van gerechtelijk vooronderzoek zullen zijn.

 

Onafhankelijkheid, beleid en hiërarchie

De rol van de rechter-commissaris kan alleen begrepen worden tegen de achtergrond van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, met name de zittende magistratuur. Artikel 113 van de Grondwet draagt de berechting van strafbare feiten aan de rechterlijke macht op. Artikel 117 van de Grondwet wet bepaalt dat de leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast voor het leven worden benoemd. De hiërarchie die bijna elke organisatie kent in vormgeving en uitvoering van haar hoofdtaak, ontbreekt op de rechtbanken. De onafhankelijkheid van de zittende magistratuur heeft veroorzaakt dat van een gezamenlijke visie op beleid ten aanzien van strafrechtelijke vraagstukken binnen een rechtbank geen sprake is. De primaire richtsnoeren zijn de wet en jurisprudentie. Van beleid van rechters-commissarissen op het terrein van de inzet van opsporingsmethoden is nauwelijks sprake.

 

Coördinerend rechter-commissaris

In de zes arrondissementen waar een kernteam is gevestigd is een coördinerend rechter-commissaris (CRC)
benoemd in de rang van vice-president van de arrondissementsrechtbank. Noot De CRC zou de volgende taken moeten vervullen:

De functie van coördinerend rechter-commissaris is nog niet uitgekristallisseerd. De inhoud van de functie wordt zeer verschillend beoordeeld: van aparte onderzoeksrechter tot enige coördinatie tussen de rechters-commissarissen. Er bestaat behoefte aan een wettelijke onderbouwing van de Justitie. Noot

Verhouding met anderen

Over het algemeen bestaat er weinig direct contact tussen de rechter-commissaris en de politie. Soms is er rechtstreeks contact tussen de politie en de rechter-commissaris als het OM niet te bereiken is. De rechters-commissarissen hebben naar eigen zeggen behoefte aan een meer magistratelijke opstelling van het OM. Volgens sommigen ontbreekt het wel eens aan een onafhankelijke sturende rol van het OM ten opzichte van de politie.

 

9.3.3 Methoden

 

Inzicht methoden

De rechter-commissaris is vooraf niet op de hoogte van bijzondere opsporingsmethoden in de proactieve fase. In enkele gevallen meldt de officier een bijzondere opsporingsmethode. Over het algemeen zijn de rechters-commissarissen niet op de hoogte van de opsporingsmethoden die worden gebruikt, tenzij zij daar wettelijk toestemming voor moeten geven. De commissie constateert dat van enige controle door de rechters-commissarissen van de in dit onderzoek centraal staande methoden geen sprake is geweest. De rechters-commissarissen rekenen dat doorgaans niet tot hun taak, hoewel zij wettelijk gezien tijdens het gerechtelijk vooronderzoek belast zijn met de leiding van het onderzoek.

De meningen over de vraag of de rechter-commissaris een toetsende of sturende rol moet krijgen in de fase voordat sprake is van een verdenking variëren per geïnterviewde rechter-commissaris. Sommigen stellen dat de rechter-commissaris zich verre moet houden van het actief opsporen en zich moet beperken tot zijn toetsende rol volgens de wet. Formeel geeft de wet de rechter-commissaris een toetsende rol. Anderen zien wel degelijk een rol bij het vooraf beoordelen van in te zetten opsporingsmiddelen.

 

Inhoud controle

De controle van de rechter-commissaris heeft merendeels nagenoeg automatisch plaats. De verlenging van telefoontaps op vordering van de officier zal zelden op tegenwerking van een rechter-commissaris stuiten. De commissie heeft in meerdere onderzoeken kunnen constateren dat nadat eenmaal een telefoontap is goedbevonden een volledige afweging bij een verzoek tot verlenging niet meer plaatsvond. Slechts een minderheid van de rechters-commissarissen leest ook daadwerkelijk de tapverslagen. Toch wordt een vordering tot een gerechtelijk vooronderzoek soms teruggestuurd door de rechter-commissaris naar de officier van justitie. De controle van de rechter-commissaris leidt af en toe tot een andere beslissing dan de officier en de politie voor wenselijk hielden.

 

 

De heer Vos:

Hoe vaak weigert u als rechter-commissaris een besluit, bijvoorbeeld om de telefoon af te luisteren of een huiszoeking te doen? Kunt u dat in percentages aangeven? Is dat 5%, 10%?

De heer Gelderman:

Tja, cijfertjes. Het komt een enkele keer voor, maar niet vaak.

De heer Vos:

Negen van de tien gevallen worden door u gehonoreerd?

De heer Gelderman:

Ja.

De heer Vos:

Is de kwaliteit van de aanvragen dan zo subliem dat u in bijna alle gevallen genoopt bent om te honoreren?

De heer Gelderman:

Ze zijn gewoon, niet subliem. Het is gewoon een net proces-verbaal, met helderheid over de situatie en over de vraag waarom dit middel moet worden gebruikt en waarom iets anders niet meer mogelijk is en met een duidelijk beeld van de verdenking. Ik vind dat een keurig beeld op grond waarvan je zo'n beslissing kunt nemen. Noot


De controle van de rechter-commissaris heeft nu vooral betrekking op vormen van observatie, vooral het afluisteren van telecommunicatie aangezien daar een wettelijke regeling voor bestaat waarin de rechter-commissaris een toetsende rol heeft. Het verschijnsel infiltranten en informanten lijkt meer verontrusting te veroorzaken dan observatie of inkijkoperaties. Hier klagen leden van de zittende magistratuur over een gebrek aan openheid bij het OM en politie. Al acht men het op zichzelf begrijpelijk dat niet alles over de informant kan worden prijsgegeven, men wijst erop dat de rechter zijn toetsende taak moet kunnen uitoefenen Het rotsvaste geloof in het proces-verbaal is afgekalfd bij de rechters-commissarissen. De rechtbanken worden kritischer. Het inzicht van rechtbanken in het gebruik van opsporingsmethoden is desondanks niet groot. De rechtbanken zien veel niet.

 

 

De heer Vos:

En biedt u in dit kennelijk strafrechtelijk hoogseizoen voldoende weerstand aan verzoeken die door de politie aan uw adres gericht worden? Of is het stempelwerk, zoals ook in het rapport van de werkgroep gezegd is?

De heer Gelderman:

Nee, nee. Het kan zijn dat er in een al lopend GVO een nieuwe tap moet komen en dat dit razend snel moet gebeuren. Dat kan dan, omdat je al wat kennis van de zaak hebt, vrij snel beslist worden. Maar dat zijn uitzonderingen. Wij nemen bewust de tijd om af te wegen en goed te motiveren, waarom er een bepaalde stap gezet wordt. (...)

De heer Vos:

Een gesloten CID-traject is gesloten. Als u niets weet van het gesloten traject en toch de vraag krijgt of de telefoon mag worden afgetapt, dan ligt het bij u om te besluiten of u meer informatie inwint, dan wel of u zich voldoende geïnformeerd geacht.

De heer Gelderman:

Als er een te kort CID-rapport ligt, vraag ik om meer, want ik wil zelf kunnen toetsen wat de grondslag van de vordering is. Ik ga niet af op schaduwbeelden.

De heer Vos:

U wilt dus weten of er een al dan niet gesloten CID-traject heeft plaatsgevonden en wat de inhoud daarvan is.

De heer Gelderman:

Ja. Maar ik moet u zeggen dat het contact wat dat betreft met ook het OM betrekkelijk open is. Wij zitten in hetzelfde gebouw; dat maakt het makkelijk: direct bereikbaar. Het betekent dat, als ik een proces-verbaal krijg dat naar mijn smaak te weinig informatie geeft, te weinig body heeft, om er voor mijzelf een beslissing op te baseren, één telefoontje genoeg is om de officier bereid te vinden te komen en uit te leggen wat er aan de hand is. (...)

De heer Vos:

En als u bijvoorbeeld een proces-verbaal krijgt, waarin staat dat uit CID-informatie gebleken is dat iemand betrokken is bij een delict in verdovende middelen: wat doet u dan? Gaat u dan vragen: wat is die CID-informatie?

De heer Gelderman:

Zeker.

De heer Vos:

Per definitie?

De heer Gelderman:

Ja, in principe misschien wel per definitie; het is maar hoe je het uitdrukt. Wanneer voor mij de informatie te weinig grijpbaar is, te weinig helder is, vraag ik nader, bijvoorbeeld: wat is het karakter van de informant? Is hij betrouwbaar of niet betrouwbaar? Heeft hij het zelf gezien, deze informatie, of heeft hij het maar van horen zeggen? Is het gecheckt en waar blijkt dat allemaal uit? Die informatie wordt dan ook verstrekt.

Noot
De rechters-commissarissen zijn nauwelijks op de hoogte hoe tijdens de parallelle opsporing het opsporingsonderzoek vorm krijgt. Zij weten alleen dat wat van belang is voor het gebruik van dwangmiddelen door de rechters-commissarissen. Rechters-commissarissen zijn bereid ten behoeve van een betere informatiepositie verschillende gerechtelijke vooronderzoeken naast elkaar te laten lopen.

9.3.4 Beoordeling

De commissie constateert dat er onduidelijkheid bestaat over de rol die rechters-commissarissen bij onderzoeken naar georganiseerde criminaliteit hebben. Wettelijk gezien hebben zij tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de leiding van het onderzoek naar de feiten waarvoor de officier van justitie dat onderzoek heeft gevorderd. De commissie constateert tevens dat rechters-commissarissen op dit moment nauwelijks het gebruik van andere methoden dan de wettelijk omschreven methoden toetsen. Infiltratie, het runnen van informanten en andere vormen van observatie komen slechts zelden voor een rechter-commissaris. De wijze waarop de rechter-commissaris zijn toetsende rol vervult, varieert. Vaak beperkt de rechter-commissaris zich tot een geïsoleerde beoordeling van het van hem gevraagde dwangmiddel. Slechts een enkele rechter-commissaris stelt zich minder terughoudend op. De commissie is van oordeel dat tot de toetsende taak van de rechter-commissaris behoort dat hij inzicht eist in het lopende opsporingsonderzoek. Hij moet immers beoordelen of de gegevens op grond waarvan bijvoorbeeld een telefoontap wordt gevorderd, betrouwbaar en
op rechtmatige wijze verkregen zijn. Een beoordeling van proportionaliteit en subsidiariteit is voorts niet goed mogelijk als de rechter-commissaris geen weet heeft van de andere opsporingsmethoden die in het onderzoek worden toegapst en de resultaten die daarvan mogen worden verwacht. Daarbij heeft de commissie geconstateerd dat slechts in uitzonderingsgevallen beslissingen van de rechter-commissaris ter zitting opnieuw worden bediscussieerd. De commissie heeft kunnen constateren dat, indien nieuwe feiten aan het licht kwamen, zittingsrechters enkele malen rechters-commissarissen om nader onderzoek verzochten. De coördinerend rechter-commissaris is een nieuw fenomeen. Binnen de rechters-commissarissen bestaat nog verschil van mening over de wenselijkheid en de taken van een coördinerend rechter-commissaris. Deze discussie is terug te voeren op de spanning tussen de rechterlijke onafhankelijkheid en de noodzaak tot enige beleidsmatige uniformering.

De commissie is van oordeel dat een toetsing vooraf door een rechter-commissaris van in te zetten ingrijpende opsporingsmethoden wenselijk en noodzakelijk is. Op die manier kan door een rechterlijke toetsing gekomen worden tot een effectieve en verantwoorde wijze van opsporing.


9.4 De korpsleiding

 

9.4.1 Bevindingen

Veel - zij het niet alle - korpschefs hebben te weinig aandacht gehad voor de ontwikkeling van bijzondere opsporingsmethoden.

 

De voorzitter:

Heeft de korpsleiding zich ooit wel eens met deze praktische dingen beziggehouden?

De heer Van Steeg:

Niet in die zin dat de korpsleiding gekeken heeft: is dit nu een CID-subject, of een opvraag heeft gedaan van een CID-subject en daar inhoudelijk naar gekeken heeft. Maar de korpsleiding heeft zich bijvoorbeeld heel uitdrukkelijk bemoeid met het moment waarop het geautomatiseerd ging worden en met het moment waarop wij de nieuwe organisatie ingingen en op verschillende locaties de informatie in gingen kloppen. U kunt zich immers voorstellen dat dit gaat via telefoonlijnen die beveiligd moeten worden. De heer Wiarda heeft zich daar zeer persoonlijk en nadrukkelijk mee bemoeid.

De voorzitter: Ik bedoel:

met het praktische werk?

De heer Van Steeg:

Nee.

De voorzitter:

U heeft zich in een ander verband nog wel eens wat krasser uitgelaten over het verstand dat de korpsleiding heeft van het CID-werk.

De heer Van Steeg:

Ja.

De voorzitter:

Hoe kras was?

De heer Van Steeg:

Dat was zo kras dat ik zei, dat Jan Wiarda veel verstand heeft van het managen van ons korps en ik van het CID-werk, en dat wij het ieder op ons eigen vlak moeten doen. Ik denk dat dit heel goed werkt. Uiteraard heeft hij wel de taak van controleren en daar heeft hij weer een afdelingschef voor. Noot

Sommige korpschefs geven aan zich tot voor kort nooit met de recherche in het algemeen en de CID in het bijzonder te hebben bemoeid. Het overgrote deel van de korpschefs heeft zelfs weinig of geen recherche-ervaring.

 

 

De voorzitter:

Heeft u zich in het verleden, voordat het interregionale rechercheteam uit elkaar spatte, inhoudelijk veel met opsporingsmethodes beziggehouden?

De heer Nordholt:

Nee, ik heb in de 36 jaar dat ik bij de politie werk geen dag bij de recherche gediend. Ik ben geen recherchechef geweest. Ik ben in 1984 begonnen als korpschef in Groningen. Ik was daarbij natuurlijk wel verantwoordelijk voor de recherche. Sinds 1 januari ben ik daarvoor verantwoordelijk in Amsterdam, maar zonder recherche-ervaring.

De voorzitter:

Wat wist u van onderzoeken die liepen? Wat wist u van methoden die gebruikt werden? Wat wist u van voorkeuren? Wat wist u van keuzes?

De heer Nordholt:

Wat ik wist, wist ik al toen ik naar Amsterdam ging. In dat korps werd gebruik gemaakt van de methode pseudo-koop. Ik wist ook, maar dat was pas in een latere fase, dat die pseudo-koop die op zichzelf al een vorm van infiltratie is, veranderd is in korte-termijninfiltratie. Ik denk dat pseudo-koop later zelfs veranderd is in lange-termijninfiltratie. Wij hebben daarover gesproken in de gemeenteraad. De pseudo-koop was destijds een heikel onderwerp. Het heeft nog even geduurd alvorens dat middel kon worden ingevoerd. De heer Van Thijn heeft zich daar nogal sterk voor gemaakt. Noot

Voor de korpsleiding gold zeker tot voor kort, evenals voor de korpsbeheerder, dat andere prioriteiten dan
bestrijding van de georganiseerde criminaliteit voorrang kregen. Dit wordt bevestigd door de gang van zaken tijdens de reorganisatie van de politie. De kracht van de recherche-afdelingen is nergens hoofddoel van de reorganisatie geweest.

 

 

De heer De Graaf:

Mag ik het vergelijken met het openbare-ordevraagstuk: een beetje openbare-ordeprobleem... daar bent u als korpschef misschien niet op de bok, maar wel heel dichtbij zodat u precies weet wat er aan de hand is. Waar zit nu het verschil in? Dat de recherche toch veel afstandelijker wordt benaderd?

De heer Wiarda:

Dat zit hem in de traditie, dat de openbare orde een zaak is van de burgemeester, die ook korpsbeheerder was in de oude situatie. In de nieuwe situatie is hij in Utrecht ook nu weer korpsbeheerder. Het contact met de burgemeester is veel intensiever... van openbare-orde-operaties het directe afbreukrisico, ook in de publiciteit en in politiek opzicht veel nadrukkelijker is en de politiële en justitiële kansen altijd in sterke mate een zaak is geweest van de professionals bij politie en openbaar ministerie. Daar treedt nu dus wel een verandering in op en waar het moment komt, dat ik geïnformeerd moet zijn over zaken, daar hebben we net al iets over uitgewisseld. Maar als u het hebt over een infiltratie-actie... als het gaat over een politiële infiltratie met een politie-infiltratie in een operatie bij ons, dan moet ik dat weten. Dat vind ik zo vergaand en riskant, dat ik daar echt zelf bij betrokken wil zijn. Maar als het gaat over het runnen en het aansturen van criminele

informanten in het milieu - die dan nu infiltrant heten, maar dat daargelaten - dan vind ik dat iets, wat binnen de professionele lijn van openbaar ministerie en recherche kan blijven, mits - en dat is ook iets nieuws - ik daar wel in de zin van controle over hoe die zaak in het algemeen verloopt daar indringend naar kijk. U moet niet vergeten, dat er een divisiechef recherche tussen zit, die zeer berekend is voor zijn functie. Noot De geringe aandacht voor opsporingsmethoden kan bovendien worden verklaard uit de overweging dat niet de korpsleiding, maar de officier van justitie de recherche aanstuurt. Toch neemt dit laatste niet weg dat de korpschef even goed verantwoordelijk is voor de CID en de ondersteunende recherchediensten als voor het wijkteam. Bovendien heeft hij, en niet het OM, de leiding over die diensten. Sterkte, opleiding, kwaliteit en ondersteuning zijn in de eerste plaats zijn verantwoordelijkheid.

Inmiddels bestaat die aandacht wel. Hierbij moeten echter wel kanttekeningen worden geplaatst. De voornaamste problemen in de verhouding tussen de korpschef en de CID vloeien voort uit het door de CID gepercipieerde belang hun bronnen te beschermen. In het «beste» geval krijgt de korpschef alles te horen, als hij dat wil, zelfs de namen van de informanten. Er zijn echter veel CID-medewerkers die het niet juist achten de korpschef te informeren over de details van hun werkzaamheden. Zelfs op uitdrukkelijke vragen van de korpsleiding wordt dan geen antwoord gegeven. Deze houding van de CID lijkt echter op zijn retour te zijn.

 

De heer De Graaf:

U hebt wel eens eerder gezegd, dat de noodzakelijke afscherming van informanten en het aparte traject dat de criminele inlichtingendienst aflegt toch wel voor culturele spanningen in de politie zorgt, tussen de politie-onderdelen. Ik neem aan dat dit is tussen criminele inlichtingendienst en tactische recherche, de meer operationele recherche. Heeft het bij u tot enige spanning aanleiding gegeven toen u zei: ik wil alles weten? Is er niet gezegd: dit is echt te geheim om aan de korpschef te vertellen; wij vertellen het hooguit aan de CID-officier, als wij het al kunnen vertellen?

De heer IJzerman:

Ik heb die ervaring niet. Er is in ons korps geen enkele terughoudendheid, noch binnen de leiding van de CID, noch binnen de divisieleiding. Wij schermen het wel af voor anderen. Het wordt uiteraard niet in den brede in het korps besproken, ook niet met districtschefs enz. Met de korpsleiding worden dat soort zaken uitvoerig besproken. Noot

De houding van de korpsleiding blijft, ook als er geen geheimen voor haar zijn, afstandelijk. Ook het informeren van het OM lijkt niet haar eerste zorg.

 

De heer IJzerman:

Ik vind dat hij niet met CID-rechercheurs moet spreken, niet operaties moet begeleiden, enzovoorts. Dat moet hij aan de vakmensen overlaten. Ik zal de situatie in Twente als voorbeeld nemen. Daar vindt enkele malen per maand indringend overleg plaats tussen de chef CID en de CID-officier over wat er onder handen is, wat de daarbij relevante aspecten zijn, wat getoetst moet worden. Op het moment dat er tussentijds relevante indringende dingen gebeuren, wordt er teruggekoppeld. Noot

De heer Koekkoek:

Toen op een gegeven moment het inkijken bekend werd, ontstond er toch enige paniek in de tent, als ik het zo zeggen mag. In elk geval vond men het nodig om met z'n allen naar u toe te komen en het u voor te leggen. Ik schets het misschien wat kort, maar dat was op een moment dat de zaak liep bij de rechtbank. Kunt u er een verklaring voor geven, ook al was het misschien wat laat geweest, dat u niet gezegd hebt: dit moet de zaaksofficier weten; dit moet het OM weten; zo gauw mogelijk want anders gaan we voor de


bijl?

 

De heer Wiarda:

Ja. Ik kreeg die informatie over die zaak naar aanleiding van de eerste publikatie. Dat was, geloof ik, in de Telegraaf van 21 februari...

De voorzitter:

Dat was 21 februari 1994.

De heer Wiarda:

Ja. Ik heb daar toen onmiddellijk overleg over gehad met Van Baarle, lid van de korpsleiding belast met de justitiële portefeuille, om als een haas deze zaak te overleggen met het OM en te repareren. Ik hoefde daarbij niet aan te geven - ik heb dat ook niet gedaan - hoe dat gerepareerd moest worden, want dat is een kwestie van overleg. Hij heeft daarop het divisiehoofd recherche, de heer Deelman, over die zaak gesproken. De conclusie was: overleg met de CID-officier. Dus de CID-chef kreeg de opdracht: overleggen met de CID-officier. Dat is ook gebeurd, maar daar heeft wat tijdverlies tussen gezeten. Uiteindelijk krijgt de

CID-officier de informatie enige dagen nadat het onderzoek ter zitting is gesloten.

 

De voorzitter:

Het duurt een maand.

De heer Wiarda:

Alles bij elkaar dus een maand.

De heer Koekkoek:

Dat is dus niet goed gelopen.

De heer Wiarda:

Dat ben ik met u eens. Noot

9.4.2 Beoordeling

De korpsleiding heeft tot voor kort weining aandacht voor recherchekwesties of opsporingsmethoden gehad. De meeste korpschefs hebben ook geen recherche-achtergrond. Die houding lijkt nu te veranderen. Korpschefs willen niet langer dat CID-aangelegenheden geheim voor hen blijven. Zij willen in belangrijke zaken, zoals doorlatingen en infiltraties, gekend worden. Het is niet duidelijk of die accentverschuiving ook gevolgen heeft voor zaken die direct samenhangen met de kwaliteit van de recherche zoals sterkte, opleidingen en personeelsbeleid. De commissie constateert dat sommige korpschef moeite hebben het gezag van het OM - en het gezag van het bestuur - ten volle te aanvaarden. Dit belast de gezagsuitoefening door het OM. Dat is in het bijzonder het geval in enkele grootstedelijke regiokorpsen.


9.5 Korpsbeheerders

Ook korpsbeheerders dragen verantwoordelijkheid voor de sturing en controle van opsporingsmethoden.

9.5.1 Bevindingen

De korpsbeheerder voert evenals voor andere onderdelen van de politie het beheer over de CID.

 

De heer Rouvoet:

Het onderwerp komt straks ongetwijfeld nog terug als wij over het beraad zelf spreken. Nu zou ik u eerst iets willen vragen over uw eigen korps. Hoe goed kent u uw korps? Ik doel met name op de recherche en de CID.

De heer d'Hondt:

Beperkt, denk ik. Ik ken mijn korps goed als het gaat om de structuur, de middelen die daarmee gepaard gaan en de afspraken over het hanteren van methoden, en beperkt als het gaat om de inhoud, om de vraag welke onderzoeken er worden gedaan, hoe ze verlopen enz. Dergelijke zaken komen heel weinig aan de orde. Noot

De korpsbeheerder is tevens verantwoordelijk voor het beheer van de politieregisters, zo ook voor het beheer van de CID-registers. Ten aanzien van de CID heeft de korpsbeheerder namelijk de plicht een registerbeheerder aan te wijzen. Noot

 

 

De heer Koekkoek:

Als korpsbeheerder was u ook verantwoordelijk voor de politieregisters. Kun je die verantwoordelijkheid waarmaken?

Mevrouw Schmitz:

Je bent verantwoordelijk voor het beheer, voor de veiligheid, voor het feit dat daar de juist informatie in komt en dat er correct mee wordt omgegaan. Dat beheer delegeer je aan de korpschef. Ik vind dat wel een lastige verantwoordelijkheid, want die echt invullen, doe je als korpsbeheerder eigenlijk niet.

De heer Koekkoek:

Hoe zou het beter geregeld kunnen zijn? Je kunt die verantwoordelijkheid eigenlijk niet waarmaken. Dat begrijp ik van u.

Mevrouw Schmitz:

Ik denk dat het heel lastig is. Je zegt niet ieder half jaar: laat mij die politieregisters eens zien. Zo werkt dat niet.

De voorzitter:

Heeft u ooit een politieregister gezien?


Mevrouw Schmitz:

Nee.

De voorzitter:

Heeft u ooit gevraagd: wat zit daar nou in, jongens?

Mevrouw Schmitz:

Nee. Ik meen dat je die verantwoordelijkheid misschien rechtstreeks kunt laten bij de korpschefs of bij justitie/OM. Inhoudelijk heb je er geen bemoeienis mee. Dat zou ook kunnen. Er zijn wel meer dingen waarvoor je verantwoordelijk bent en waarop je aanspreekbaar bent. Maar hoe maak je dat in de veelheid van zaken waar? Dat is waar. Noot

De heer Rouvoet:

Heeft u wel eens in de CID-registers gekeken?

De heer d'Hondt:

Ik heb er nooit in gekeken.

De heer Rouvoet:

U mag het wel.

De heer d'Hondt:

Ik ben beheerder van die registers, dus ik kan erin kijken, maar het is niet nodig in verband met de professionaliteit en mijn verantwoordelijkheid, dus waarom zou ik het doen? Ik moet ze beheren.

De voorzitter:

Maar mag u er nu in kijken? U bent beheerder, maar u moet toch alleen een registerbeheerder aanwijzen?

De heer d'Hondt:

Ik moet een beheerder aanwijzen en ik draag de verantwoordelijkheid voor het beheer van de registers. U weet dat de CID-regeling geen wettelijke, maar een ministeriële regeling is. Als er in verband met een goed beheer van de registers aanleiding is om erin te kijken, dan is er in principe geen belemmering voor, denk ik. Noot Korpsbeheerders denken verschillend over hun verantwoordelijkheid voor de aanpak van de georganiseerde

criminaliteit.

 

De heer Koekkoek:

Wij hadden het over de driehoek die de prioriteiten bepaalt. Dus dan moeten wij denken aan de korpschef, de officier van justitie die zich met zware criminaliteit bezighoudt en de korpsbeheerder, de burgemeester. Het lijkt mij dat die nogal een eind bij u vandaan zitten.

De heer Van Amerongen:

Het is even iets anders. Het lijkt wel of wij overal anders in zijn als regio. Als afdeling hebben wij een eigen driehoek: twee burgemeesters uit de regio en de «zwacri-officier», samen met de afdelingschef. Dat is de driehoek die ook het bevoegde gezag vormt.

De heer Koekkoek:

Dat zijn twee burgemeesters die zich namens het regionale college met de zware criminaliteit bezighouden. (...) Noot De betrokkenheid van korpsbeheerders bij de toepassing van (bijzondere) opsporingsmethoden is gelegen in

zijn verantwoordelijkheid voor de personele en financiële aspecten alsmede de corruptiegevoeligheid van het gebruik van dergelijke methoden. Noot

 

De heer Koekkoek:

Vindt u dat een korpsbeheerder verantwoordelijk is voor ongeoorloofd politie-optreden?

Mevrouw Schmitz:

Je bent als korpsbeheerder verantwoordelijk voor de wijze waarop politiemensen worden ingezet. En dan bedoel ik ook hun persoonlijke situatie en hun veiligheid. Voor de gezagslijn van justitie heb je het openbaar ministerie, maar als beheerder ben je een heel eind verantwoordelijk. Als men buiten het eigen gebied optreedt en als men acties onderneemt die te ver gaan, en in mijn ogen zeer vergaand te ver gaan, ja, dan heb je een verantwoordelijkheid. Overigens sta ook ik wel voor de intentie waarmee de mensen gewerkt hebben.

De heer Koekkoek:

De korpsbeheerder is medeverantwoordelijk voor riskante operaties?

Mevrouw Schmitz:

Je bent zeker medeverantwoordelijk.

De voorzitter:

U neemt die verantwoordelijkheid nu ook?

Mevrouw Schmitz:

Bestuurders delegeren natuurlijk veel aan de korpsleiding, dat is duidelijk. Maar waar een korpsleiding verantwoordelijk is, is uiteraard daarmee ook de beheerder verantwoordelijk, dus ik vind dat ik daar medeverantwoordelijk voor ben. Noot

De heer Rouvoet:

Welke afspraken hebt u gemaakt of maakt u over het hanteren van methoden?

De heer d'Hondt:

Omdat het niet strak geregeld is, hebben wij de afspraak dat wij in de gezagsdriehoek, maar ook in de beheersdriehoek de methoden aan de orde laten komen die bijzonder van aard zijn en die niet bij de Centrale toetsingscommissie aan de orde komen. En wij hebben de afspraak dat wij dat doen als de korpschef, de hoofdofficier van justitie of de gebiedsofficier van justitie er behoefte aan heeft, omdat men met bepaalde aspecten van een methode in z'n maag zit. Soms heeft het te maken met het aantal mensen dat beschikbaar gesteld moet worden, soms ligt het aan het geld of de middelen die gefourneerd moeten worden, soms ook is het een kwestie van de veiligheid van degenen die eraan meewerken en soms gaat het om algemeen bestuursrechtelijke aspecten. Noot


De heer Rabbae:

Vindt u dat de korpsbeheerder in principe een veto kan uitspreken over de inzet van een methode?

De heer d'Hondt:

Jazeker.

De heer Rabbae:

In welke gevallen?

De heer d'Hondt:

Als het gaat om de veiligheid van het personeel of om de hoeveelheid personeel die wordt ingezet. Dat zijn de belangrijkste redenen, denk ik. Soms zit het ook in de arbeidsvoorwaarden. Noot

De meeste korpsbeheerders stellen zich in de praktijk terughoudend op als het gaat om opsporingsmethoden. Zij hanteren daarbij de opvatting dat er een afbakening van verantwoordelijkheden is tussen het OM als gezagdrager over de opsporingstaken van de politie en de korpsbeheerder als beheerder van de politie.

 

De heer d'Hondt:

(...) Kijk, in het algemeen zijn korpsbeheerders er uitermate terughoudend mee om zich bezig te houden met de opsporingsmethoden. Men vindt toch eigenlijk dat die onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie vallen. Ik formuleer het opzettelijk zo: het is een gezagsverantwoordelijkheid, maar gezagsverantwoordelijkheid zonder verantwoordelijkheid voor het beheer kan natuurlijk niet. Er staat in de Politiewet dat het beheer ondergeschikt is aan het gezag, maar er wordt verder geen onderscheid gemaakt. Dus waar de grenzen precies getrokken moeten worden, kun je niet ontlenen aan de definities die de wet geeft. Dat moet in de praktijk worden opgebouwd en dat is op zichzelf ook geen probleem, want aan de ene kant heb je de structuur van de wet, die ingewikkeld is, en aan de andere kant heb je de verantwoordelijkheden voor het dagelijkse politiewerk, wat betekent dat de grenzen verkend worden en dat er afspraken gemaakt worden als de betrokkenen elkaars grenzen overschrijden. Noot

Bij de besluitvorming over opsporingsmethoden staat het gezag van het OM over de politie centraal. Dit neemt niet weg dat de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerders ook betrekking heeft op wezenlijke aspecten van de opsporingspraktijk zoals de integriteit en de veiligheid van politieambtenaren. In de praktijk leidt het beheer in al zijn facetten er niet toe dat korpsbeheerders zich vergewissen van het gebruik van allerlei opsporingsmethoden door de politie.

 

 

De heer Rouvoet:

Ik neem aan dat er een gelaagdheid is. Er is een criminele inlichtingendienst met een eigen chef in de lijn naar de korpschef en daarboven de korpsbeheerder. Is het in uw korps bekend in welke gevallen u iets wilt weten, via de korpschef of anderszins?

De heer d'Hondt:

Wat de CID betreft is dat alleen bekend via de algemene afspraak dat men het moet melden als er sprake is van afwijkende methoden, andere dan gebruikelijke methoden, als er sprake is van onveiligheid in een situatie die naar het oordeel van de korpschef niet tot de normale, gebruikelijke gang van zaken behoort. Die afspraak is ook met de officier en de hoofdofficier van justitie gemaakt. Noot

Korpsbeheerders stellen niet alles te willen weten van opsporingsmethoden. Zij hielden, in elk geval tot voor kort, er een strikte beheersopvatting op na. In een enkel geval bleek het onvermijdelijk dat de korpsbeheerder ook buiten dat strikte kader op de hoogte werd gebracht van een «opsporingsmethode».

 

De voorzitter:

Wist uw korpsbeheerder van het uitgeven van paspoorten ten behoeve van de valse identiteit?

De heer Straver:

Ja, dat heb ik met haar besproken. Wij hadden haar medewerking nodig omdat wij medewerking nodig hadden van de afdeling burgerzaken van de gemeente. Noot

De casuïstiek waarbinnen de methoden daadwerkelijk toegepast worden, rekenen de korpsbeheerders tot de verantwoordelijkheid van het OM. Zij verschaften zichzelf daarmee tot voor kort de legitimatie hun verantwoordelijkheid te beperken tot beheersaspecten sec.

 

 

De voorzitter:

Heeft u ook gevraagd, op welke grondslag er werd ingekeken? Of vond u dat een aangelegenheid van het openbaar ministerie?

De heer d'Hondt:

Het is natuurlijk primair toch de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. Ik heb wel gezegd dat ik geïnteresseerd ben in de grenzen van het hanteren van de methode, als het bij ons een keer voorkomt. Maar wij hebben daar tot nu toe geen discussie over gehad.

De voorzitter:

U heeft afgesproken dat dat soort opsporingsmethoden - inkijken, het gebruik van actieve informanten of infiltranten - vooraf met u worden doorgenomen?

De heer d'Hondt:

Die worden getoetst, ja. Noot De (hoofd)officier van justitie en de korpschef behoren de korpsbeheerder in te lichten over methoden die consequenties hebben voor de organisatie, de financiën en andere beheersaspecten van de politie. De
hoofdofficier moet de korpsbeheerder daar «af en toe» over terugmelden. In de praktijk wordt er weinig gevraagd en weinig teruggemeld. De randvoorwaarden betreffen onderwijl tevens de veiligheid van politiemensen en uitgaven die buiten het ter beschikking staande budget vallen. Het komt echter in de meeste regio's nooit voor dat vooraf in het beheersoverleg over bijzondere opsporingsmethoden is gesproken. In dat overleg zijn evenmin vaste afspraken gemaakt over opsporingsmethoden waarbij technische apparatuur wordt ingezet. Alle verantwoordelijkheden van de korpschef voor het personeel zijn een afgeleide van de beheersverantwoordelijkheid van de korpbeheerder.

De heer Koekkoek:

Mijnheer d'Hondt, hebben de korpsbeheerders het gevoel dat sommige korpschefs - een aantal van hen is hier opgetreden - te sterk op de voorgrond treden?

De heer d'Hondt:

Er zijn zeker korpsbeheerders die dat gevoel hebben. Korpsbeheerders vinden natuurlijk dat korpschefs in het algemeen hun geluid moeten kunnen laten horen voorzover het met de professionaliteit van de politie te maken heeft. Daar heeft de samenleving ook behoefte aan; men wil weten wat politiechefs van bepaalde dingen vinden. Maar als het gaat om het functioneren in ondergeschiktheid aan het gezag - en dat is de kern van ons bestel - moet er natuurlijk niet te veel aan de hand zijn met de verhouding tussen korpschefs en korpsbeheerders.

De heer Koekkoek:

Vindt u dat sommige korpschefs in dit opzicht te ver zijn gegaan?

De heer d'Hondt:

Op grond van de ervaring kun je dat wel zeggen, ja.

De heer Koekkoek:

En hoe wilt u dit als korpsbeheerder verder voorkomen?

De heer d'Hondt:

Nogmaals, primair door te zorgen voor goede verhoudingen, want met goede verhoudingen ontstaan dit soort dingen niet. Dat betekent dat er niet te veel nadruk moet worden gelegd op de onderlinge competentiegeschillen, maar vooral op professionaliteit en verantwoordelijkheid. En voor het overige denk ik dat de formele situatie strikt gehandhaafd moet worden. Noot

De verantwoordelijkheid van de korpsbeheerders voor de opsporing staat op dit moment ter discussie binnen het korpsbeheerdersberaad. De nog niet afgeronde discussie tendeert naar een conclusie van de korpsbeheerders dat hun beheerstaak samengaat met een zekere verantwoordelijkheid voor het gebruik van opsporingsmethoden. Om die verantwoordelijkheid te kunnen uitoefenen dienen zij op de hoogte te zijn van de te gebruiken en gebruikte opsporingsmethoden. Noot

 

9.5.2 Beoordeling

De commissie is van oordeel dat de korpsbeheerders een eigenstandige verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van het gebruik van opsporingsmethoden. Het beheer van een politiekorps impliceert tevens inzicht in en controle op de te gebruiken methoden voorzover het de zorg voor het personeel betreft. De commissie constateert dat de korpsbeheerders tot nu toe een afstandelijke positie hebben ingenomen ten aanzien van de opsporingsmethoden. De commissie acht het wenselijk dat de korpsbeheerders, in goed overleg met de hoofdofficieren van justitie, de eigen verantwoordelijkheid voor het gebruik van opsporingsmethoden meer inhoud geven. Daarbij hoort een eigen verantwoordelijkheid voor de registers van de politie, in het bijzonder van de CID. Van dit laatste zijn de meeste korpsbeheerders zich niet bewust.

9.6 Ministeries

 

9.6.1 Inleiding

De minister van Justitie draagt de primaire verantwoordelijkheid voor de opsporing. De minister van Binnenlandse Zaken is op grond van zijn beheersverantwoordelijkheid betrokken bij de opsporing. De commissie heeft onderzoek gedaan naar de wijze waarop de beide departementen in het verleden betrokken zijn geweest bij de organisatie van de opsporing en de besluitvorming rond het gebruik van opsporingsmethoden.

 

9.6.2 Ministerie van Justitie

 

Organisatie

De verhouding tussen het ministerie van Justitie en het OM is al vele jaren onderwerp van discussie. De commissie constateert dat de verhouding tussen het ministerie van Justitie en de hoofdofficieren en de
procureurs-generaal feitelijk minder hiërarchisch is dan de wet RO (artikel 5) doet vermoeden. Het ministerie is terughoudend met directe sturing van het OM. Het ministerie heeft de opsporing op hoofdlijnen aan het OM gelaten.

De reorganisatie van het ministerie van Justitie is medebepalend voor de rol van het ministerie ten opzichte van het OM. Ambtenaren op het ministerie spreken van een voorwaardendenscheppende rol die het ministerie moet vervullen ten opzichte van het OM. De verhouding tussen de minister en het nieuwe College van procureurs-generaal moet zich nog uitkristalliseren.

 

 

De voorzitter:

Waar het ons om gaat, is ook de praktijk. Heeft u enige invloed doen uitoefenen op het openbaar ministerie over wat er van methodieken die u bekend werden, gemeld moest worden? Heeft u enige invloed gehad in de discussie over de vraag wat er in een proces-verbaal moet staan? Ons is namelijk gebleken dat dat soms tot zaken leidde die klapten.

De heer Hirsch Ballin:

Dat is niet de taak van een minister van Justitie. De rechter heeft hier uiteraard de toetsende taak ten aanzien van opsporing en vervolging. Dat is ook de reden waarom in de wetten over administratieve rechtspraak door de jaren heen de strafvorderlijke kwesties zijn uitgezonderd. Verder heeft uiteraard de procureur-generaal volgens het Wetboek van Strafvordering de taak om te waken over de richtige opsporing; dat is een toeziende taak. Mijn inspanningen waren erop gericht om het openbaar ministerie in staat te stellen, die taak te vervullen. Mijn taak was niet om het openbaar ministerie als het ware aan de leiband te nemen en zelf de rol te gaan vervullen van een opperste ambtenaar van het openbaar ministerie, maar om in de organisatie, ook de organisatie van de politie en de relatie tussen OM en politie, het mogelijk te maken dat het openbaar ministerie deze rol vervult. Noot

De afstand van het ministerie van Justitie tot de dagelijkse opsporing is groot. Het ministerie draagt weinig kennis van de feitelijke uitvoering van de opsporing.

 

De heer Suyver:

Het denken over opsporingsmethoden, waaronder doorlevering, is de laatste jaren ontwikkeld. De casuïstiek die daarbij aan de orde kwam is niet steeds duidelijk op het departement terechtgekomen. Ik geef dat toe. Toch meen ik dat ik afgezien van de IRT-zaak en de Delta-methode - doorlevering maakt daarvan deel uit - globaal voldoende op de hoogte was om te kunnen beoordelen wat er aan opsporingsmethoden werd gebruikt en uitgevoerd om mijn minister daarover voldoende helder te kunnen informeren. Noot

De voorzitter:

Mijnheer Hirsch Ballin, u heeft alle mogelijkheid om uiteen te zetten wat uw taakopvatting en wat uw verantwoordelijkheid zijn. Ik vraag u alleen: wat wist u?

De heer Hirsch Ballin:

Ik wist wat een minister van Justitie behoort te weten over deze diensten.

De voorzitter:

Wat was dat?

De heer Hirsch Ballin:

Dat zij er zijn, dat er regels zijn gesteld omtrent hun functioneren en dat er regels zijn gesteld over het toezicht erop. Ik heb mij daarnaast regelmatig in gesprekken georinteerd. Ik heb mij dus niet als supervisor opgesteld, maar ik heb mij georiënteerd op hoe dingen in de praktijk gaan. Dat heeft bijvoorbeeld geleid tot een werkbezoek met indringende gesprekken aan een van de infiltratieteams.

De voorzitter:

Wist u hoe CID-informatie verzameld wordt?

De heer Hirsch Ballin:

Wat betreft de precieze werkwijze, als u bedoelt hoe dat in een concrete strafzaak gaat, moet het antwoord «nee» zijn. Wat betreft de algemene patronen van werken, is het antwoord «ja».

De voorzitter:

Wist u wanneer iemand in de praktijk een CID-subject wordt?

De heer Hirsch Ballin:

Wanneer wordt iemand in de praktijk een CID-subject? Er is uiteraard een heleboel over gesproken in de afgelopen maanden en jaren, maar als ik even terugga naar het niveau van basiskennis dat aanwezig was en aanwezig hoort te zijn: een CID-subject is iemand van wie vage maar toch redelijk duidelijke aanwijzingen bestaan dat hij als verdachte kan worden aangemerkt, zonder dat dit op dat moment strafvorderlijk kan worden gebruikt.

De voorzitter:

Wist u van het bestaan van grijze-veldsubjecten?

De heer Hirsch Ballin:

Die term is, geloof ik, voor mij vrij nieuw. Ik heb die de afgelopen maanden uiteraard gehoord.

De voorzitter:

Heeft u ooit die regeling van 1986 bekeken, die CID-regeling?

De heer Hirsch Ballin:

Ik heb die regeling niet bekeken op de manier waarop je een stuk bekijkt wanneer het je wordt voorgelegd voor vaststelling of wijziging. Noot

Georganiseerde criminaliteit


Bestrijding van georganiseerde criminaliteit vormt vanaf het midden van de jaren tachtig een prioriteit van het ministerie van Justitie.

 

De heer Rouvoet:

Mijnheer Wooldrik, u vertelde al iets over de nota Georganiseerde criminaliteit in Nederland. Deze nota kan beschouwd worden als een startpunt voor de betrokkenheid van het departement bij de aanpak van de zware, georganiseerde criminaliteit. De directe aanleiding hiervoor lag in een aangenomen motie. Was voor die tijd gestructureerd binnen het departement nagedacht over de ernst van de situatie en wat daarvoor nodig was?

De heer Wooldrik:

Wel degelijk. Een van de eerste aanzetten voor het denken over het verschijnsel van de georganiseerde criminaliteit is terug te vinden in de nota Samenleving en criminaliteit uit het midden van de tachtiger jaren. Dit heeft geleid tot verhoogde aandacht voor dit verschijnsel, met name binnen het openbaar ministerie, maar ook bij de politie. De CRI is in de tachtiger jaren begonnen met het maken van landelijke inventarisaties. Daarnaast hebben wij op de directie Politie een afdeling Opsporing die zich met name met dit onderwerp heeft beziggehouden. De nota was dus niet het echte startschot. Ik zie haar meer als een enorme intensivering van de aandacht voor het verschijnsel. De politiek vroeg erom - zie de motie-Krajenbrink/Jurgens - en de minister heeft daarop een nota geproduceerd, die heeft geleid tot een veel intensiever aanpak van het verschijnsel. Het dreigingsbeeld werd door iedereen zo serieus ervaren, dat met de bestaande middelen niet kon worden volstaan. Achterin zo'n nota van het departement staat dan ook een aantal beleidsvoornemens.

Noot
De kennis over de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit was gefragmenteerd. Er bestond geen eenduidig overzicht van de georganiseerde criminaliteit in Nederland.

 

De voorzitter:

Wat wist u van de criminaliteit, wat heeft uw beeld gevormd? Wat wist u van aard, ernst en omvang?

De heer Hirsch Ballin:

Dat beeld werd gevormd door ten eerste dingen die behoren tot de kennis van ieder die een beetje met het justitie- en politieveld te maken heeft. Dat beeld is in de loop der jaren scherper en ernstiger naar voren gekomen. Maar de gedachte dat het eigenlijk een bijkomstig nevenprobleem is, was niet de mijne. Dat werd ook al jaren daarvoor door mensen uit het openbaar ministerie naar voren gebracht. Er waren ook krantepublikaties in die tijd. Er waren serieuze perspublikaties waaruit bleek dat er een vrij grote kennis aanwezig was over criminele organisaties, over netwerken die er werden gevormd. Een van de pijnlijkste ervaringen, ook uit een oogpunt van het functioneren van de rechtsstaat, is naar mijn oordeel dat velen, zeg zo'n beetje iedereen, weten dat er een probleem is, daar namen bij noemen, er werkwijzen bij aangeven, maar dat politie en justitie niet verder komen dan het onderscheppen van transporten, dus het hulppersoneel achter de tralies brengen. Die spanning, die discrepantie, tussen aan de ene kant een probleem dat bekend is en dat in die periode al werd beschreven in journalistieke en wetenschappelijke publikaties en waar ook in de kring van politie en justitie door velen over werd gesproken, en aan de andere kant de mogelijkheden om ertegen op te treden, is iets ondraaglijks voor wie de rechtsstaat ter harte gaat. Noot

Het projectbureau aanpak georganiseerde criminaliteit is opgezet ter uitvoering van de nota De georganiseerde criminaliteit in Nederland. Dreigingsbeeld en plan van aanpak van september 1992. Noot Het project-bureau is ondergebracht bij de Directie politie en heeft een aantal werk- en stuurgroepen ingesteld.

 

De heer Rouvoet:

Voelde u de hete adem van de Kamer in uw nek?

De heer Suyver:

Die voel je altijd in je nek. Zo hoort het ook in een democratische rechtsstaat.

De voorzitter:

Dat was toch niet de hete adem in uw nek? Het was de hete adem recht vooruit. U ging allemaal rennen? In feite was het dat toch? Wij wilden toch allemaal?

De heer Suyver:

Inderdaad. Het was meer de hete adem van het fenomeen. Wij onderkenden met z'n allen dat die zware criminaliteit een monster was dat aanpak vergde.

De heer Rabbae:

U zegt, dat het monster moest worden bestreden. Een politieman die hier enige tijd geleden zat heeft tegen ons gezegd: ik moet wel, want de politiek heeft gezegd dat wij deze monsters moeten aanpakken. In hoeverre heeft u paniekvoetbal gespeeld? Er werden mensen het veld ingestuurd ronder remmen en zonder normering.

De heer Suyver:

Het was een algeheel gevoelen, dat de zware misdaad adequate bestrijding behoefde. Dat is geen opdracht van de politiek of van de minister. Wij wilden dat met z'n allen. Dat wilde ook de minister van Justitie, ook ik. «Zonder normering» vind ik te ver gaan. Er was weliswaar geen codificatie van bijzondere opsporingsmethoden, maar er was wel jurisprudentie. Noot

Er is een Nationaal platform voor de criminaliteitsbeheersing opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van
de overheid en van het bedrijfsleven. Onder dit platform functioneren stuur- en werkgroepen die zich richten op onderzoek en preventie. Voorts is er een werkgroep bestuurlijk-administratieve aanpak in het leven geroepen, die onder leiding van Binnenlandse Zaken staat. Het projectbureau heeft tevens zorggedragen voor de instelling van de kernteams en dient de organisatorische consequenties voor politie, OM en zittende magistratuur te bewaken. Op het ministerie van Justitie wordt tevens het secretariaat gevoerd van de CTC en de Recherche-adviescommisie (RAC) en wordt zorggedragen voor uitvoering van de Regeling tip, toon en voorkoopgelden alsmede het beheer en de verantwoording van daarvoor beschikbare financiën. De rollen van en de verhoudingen tussen de vele werkgroepen zijn onduidelijk. Wie in de praktijk over de samenstelling van deze werkgroepen beslist is onduidelijk. Er is sprake van een intern coöptatiesysteem. Vooral als geen formele regelgeving volgt blijken rapporten van werkgroepen en commissies een belangrijke rol te spelen bij de bepaling van het beleid. Er bestaat geen overzicht van alle bestaande werkgroepen. Het is de vraag hoe de coördinatie en afstemming van de vele werkgroepen vorm krijgen.

Wetgeving methoden

Het gebruik van opsporingsmethoden is volgens het ministerie van Justitie primair een verantwoordelijkheid van het OM. Ook omdat het OM geen problemen signaleerde bij het gebruik van opsporingsmethoden deed het ministerie van Justitie niets. Opsporingsmethoden hebben lange tijd niet de aandacht van het ministerie gehad die zij wel hadden verdiend. Pas na de opheffing van het IRT werd meer systematisch aandacht besteed aan de de opsporingsmethoden.

Het ministerie van Justitie is nauwelijks met eigen initiatieven gekomen ten aanzien van het gebruik van opsporingsmethoden. De sturing door het ministerie vond plaats door deelname aan de vele overlegvormen. Directe initiatieven en sturing waren uitzondering. Op het ministerie ontbrak een visie ten aanzien van de inzet van methoden. Daarbij werd ervan uitgegaan dat de bestaande jurisprudentie toereikend was voor OM en politie om te kunnen beslissen welke methoden op welke wijze konden worden gehanteerd.

 

De heer Wooldrik:

(...) Er zijn discussies (...) geweest over de vraag of de rechtsstatelijkheid aanleiding geeft om tot een intensivering van de wetgeving op dit terrein te komen. De conclusie was dat dat op dat moment niet nodig was.

De voorzitter:

Waarom was dat de conclusie?

De heer Wooldrik:

Ik probeerde dat al aan te geven. De jurisprudentie van de Hoge Raad gaf hier geen aanleiding toe. De proactieve opsporing werd onder omstandigheden door de rechtspraak aanvaard. Het was de algemene lijn op het departement om te zeggen: als dat zo is, vinden wij dat een voldoende waarborg voor de normering van de opsporingsmethoden. Noot

De heer Rouvoet:

Is dat wat de heer Wooldrik noemde: het was nog houdbaar? Proef ik dat ook bij u?

De heer Suyver:

Dat speelt ook een rol. Er is een hoop jurisprudentie geweest van de Hoge Raad. Die gaf in die tijd geen aanleiding om over te gaan tot een wettelijke normering van het totale terrein van het pro-actief optreden. (...)

De heer Koekkoek:

U had de overtuiging dat de georganiseerde criminaliteit kon worden aangepakt zonder deze methoden te regelen?

De heer Suyver:

Ja. Op dat moment wel. Noot Binnen het project aanpak georganiseerde criminaliteit op het ministerie van Justitie werd niet systematisch aandacht besteed aan de normering van opsporingsmethoden. Noch in de nota, noch bij de uitvoering daarvan heeft een algemene oriëntatie, laat staan herbezinning, plaatsgehad over de door politie en justitie gehanteerde opsporingmethoden.

De heer Rouvoet:

Daarom ben ik begonnen met de vraag hoe die afweging is gemaakt. Vervolgens is de stelling ten departemente: waar het gaat om die rechtsbescherming kijken wij naar de Hoge Raad. Wij nemen een afwachtende houding aan als het gaat om de praktijk. Nu lopen wij aan tegen de vraag, welke methoden worden gehanteerd en of die in alle gevallen de toets van de kritiek kunnen doorstaan. Nogmaals, is het niet te veel veronachtzaamd?

De heer Suyver:

Achteraf kijkend, zeg ik: wij hadden eerder of serieuzer met meer capaciteit werk moeten maken van een normering van de bijzondere opsporingsmethoden. Daarin zit zeer uitdrukkelijk het punt van de rechtsbescherming. Dat denken over die wetgeving had wat eerder moeten worden aangevat. Noot

De heer Hirsch Ballin:

U vroeg net naar de regeling van de proactieve fase. Over de proactieve fase is een
reeks arresten gewezen door de Hoge Raad die aangeven dat dat onder bepaalde voorwaarden, zoals subsidiariteit, proportionaliteit en inachtneming van de eisen over het binnentreden, enzovoorts, geoorloofd is. Ik wil daarbij het volgende aantekenen naar aanleiding van uw vraag over de gang van zaken met voorstellen in nota's. In het begin van mijn ambtsperiode heb ik ernstig overwogen om niet in plaats van, maar naast het ter hand nemen van een aantal specifieke wetgevingsprojecten, voor de middellange termijn te gaan werken aan een hercodificatie van straf...

De voorzitter:

Het hele Wetboek van Strafvordering.

De heer Hirsch Ballin:

Jazeker. Een van de argumenten die daarvoor naar voren werd gebracht door hoogleraren straf en strafprocesrecht, die daarvoor pleitten, zoals professor Groenhuijsen, hoogleraar in Tilburg, en professor Corstens, ook door uw commissie gehoord, was dat de regeling van de strafvordering in het wetboek maar een gedeelte van de opsporings- en vervolgingsactiviteiten werkelijk vatte. Daarbij kwam ook de proactieve fase naar voren. Het ter hand nemen van zo'n hercodificatie van strafvordering werd toen zeer sterk ontraden van de kant van de wetgevingsjuristen van het departement. Ik heb die mogelijkheid nooit totaal uitgesloten, maar dat was wel de reden waarom ik in een toespraak in Nijmegen op het congres, waar ik net ook aan refereerde, in 1991 heb gezegd dat ik het van belang vond om naast de commissie-Moons een soort denktank - dat woord heb ik toen gebruikt - ten aanzien van de lange-termijnontwikkeling van straf... Noot

De stafafdeling Wetgeving publiekrecht vond aanvankelijk geen gehoor voor haar voorstellen om tot een wettelijke regeling te komen.

 

De voorzitter:

U sprak over het klimaat. Door wie is dat klimaat in de afgelopen periode bepaald?

De heer Patijn:

U bedoelt het klimaat van de criminaliteitsbestrijding?

De voorzitter:

Ja! «Ga er maar tegenaan». Daardoor kwam u volgens u niet voldoende aan de bak.

De heer Patijn:

Ja, dat is ingezet door Korthals Altes en doorgetrokken door Hirsch Ballin. Ik heb ook begrepen, dat de Tweede Kamer wel eens ministers erover heeft onderhouden dat zij er onvoldoende aan deden.

De voorzitter:

Dat zij er onvoldoende aan deden?

De heer Patijn:

Ja! De voorzitter: Daarbij bent u dus, vindt u, tekort gekomen?

De heer Patijn:

In het verlengde daarvan was er een klimaat dat er alleen opgespoord moest worden. Ik heb toen gezegd: prima, maar dan moet je het wettelijk regelen. Daar bestonden toch wel weerstanden tegen.

De voorzitter:

Heeft u ooit de minister, de heer Hirsch Ballin of de heer Korthals Altes, daarover benaderd, als u hem eens in de gang tegenkwam?

De heer Patijn:

Ik heb alleen in de nota die hier aan de orde is geweest, van juli 1992, de minister zwart op wit hiertegen gewaarschuwd.

De voorzitter:

Heeft u het hem wel eens gezegd op de gang?

De heer Patijn:

Dat herinner ik mij niet.

De voorzitter:

Moet u daarvoor nog dieper in uw memorie tasten?

De heer Patijn:

Ik had wel overleg met hem, maar ik rekende niet op een erg willig gehoor voor dat soort opmerkingen. Daarom liet je het maar achterwege. Noot

Ambtenaren van de Directie politie waren van mening dat een wettelijke regeling niet nodig was: de jurisprudentie zou het naar hun oordeel houden. De Directie wetgeving, voorheen Stafafdeling wetgeving publiekrecht, had een andere mening.

 

 

De heer Koekkoek:

Is uw advies in december 1989 aan de minister voorgelegd?

De heer Patijn:

In december 1989 heb ik mij erbij neergelegd, dat de heer Suyver daar geen behoefte aan had. Ik verkeerde toen in de veronderstelling, dat hij het niet op prijs zou stellen dat ik langs hem heen naar de minister zou gaan.

De voorzitter:

Dat stellen hogeren nooit op prijs, maar dan kun je het toch nog wel doen.

De heer Patijn:

Ik heb later, in juli 1992, in het kader van de behandeling in de ministerraad van het wetsvoorstel afluisteren met een technische hulpmiddel, de minister in een nota waarin allerlei punten aan de orde komen aan het slot toch nog eens gewezen op het gevaar dat er inbreuk op privacy zou worden geoordeeld door de rechter, wanneer de observatie met met name technische hulpmiddelen niet wettelijk zou worden geregeld. Er bleven mij geluiden bereiken dat het niet lekker zat. Minister Hirsch Ballin heeft die nota gezien. Hij heeft allerlei aantekeningen op de nota gemaakt. Op dit onderdeel heeft hij geen aantekening gemaakt. Ik heb dat opgevat als een bevestiging van wat de heer Suyver twee jaar eerder had gezegd. Ik heb ook afgezien van verder aandringen. Ik moet er ook op letten dat ik niet drammerig overkom.

De voorzitter:

Waarom?

De heer Patijn:

Dat wordt niet van de wetgever verwacht.


De voorzitter:

Niet drammerig overkomen als wetgever!

De heer Patijn:

Ik zat in een situatie waarin ik met enig wantrouwen bekeken werd, alsof ik voor de politie allerlei vormen van opsporing onmogelijk maakte. In een sfeer van wantrouwen moet je wat je naar voren brengt doseren. Noot

De voorzitter:

(...) de heer Patijn heeft hier verklaard dat hij in 1992 geen gehoor kreeg. In 1993 kreeg hij te horen: ga het eens bekijken. Als wij dan kijken naar 1994, dan zit de commotie over de IRT daartussen. Het standpunt staat niet vast. Dat was dan de nota van de heer Patijn, mevrouw Jongeneel en de heer Van de Beek. Dat is dezelfde nota. Het kon natuurlijk wel bekeken worden, maar het had niet de eerste prioriteit naast de uitbreiding van de bevoegdheden. Dan is de vraag ook aan u. U zegt dat het zo moeilijk is om de proactieve fase te definiëren. Was het niet zo dat de wetgever gewoon een knoop moest doorhakken?

De heer Hirsch Ballin:

Ja. Voor alle duidelijkheid: de voorstellen die er werden gedaan ten aanzien van direct afluisteren enzovoorts, waren steeds gebaseerd op een zeer nauwkeurige afweging van bevoegdheden en van bescherming van verdachten en van mensen die wellicht ten onrechte als verdachte zouden kunnen worden aangemerkt. Ten tweede, de voorstellen om in de Politiewet de proactieve fase te regelen, zijn mij bij het begin van de vorige kabinetsperiode niet voorgelegd. Maar ik kan mij zeer goed voorstellen dat toen van de kant van de Directie politie van het ministerie van Justitie werd gezegd dat dit niet iets was om in de nieuwe Politiewet mee te nemen. Ten derde, ik wil het volgende opmerken als het gaat om het nader normeren van de proactieve fase. Aan het slot van de nota van 1992 werd geen voorstel gedaan, het werd gesignaleerd. Ik kan mij ook goed voorstellen - ik heb daar geen precieze gegevens over - dat ik daar toen ook nog contact over heb gehad met de directeur-generaal politie en criminaliteitsbestrijding. Het vervolg van de zaak was dat ik in juli 1993, dus lang voordat er iets boven water kwam van de toestanden in en rond het IRT, volmondig heb ingestemd met het voorstel om dit voor te bereiden. U vindt ook in het stuk dat in die maand naar de Kamer is gegaan, van mij de uitdrukkelijke uitspraak dat een scherper toezicht van het openbaar ministerie op de CID's nodig is, en het voornemen daarover advies te vragen aan de vergadering van procureurs-generaal. Noot

Ook al wordt op het ministerie onderkend dat regelgeving voor de proactieve fase nodig is, over de wijze waarop de regelgeving moet worden gerealiseerd, lopen de meningen uiteen. De meeste steun krijgt het idee van kaderstellende wetgeving, met daaraan gekoppeld strikte regelgeving voor het toezicht op de inzet en uitvoering van bijzondere opsporingsmethoden alsook het vasthouden aan geheimhouding van operationele bijzonderheden. Gedetailleerde wetgeving waarin de opsporingsmethoden limitatief zijn opgesomd, kan op minder steun rekenen.

 

Directe bemoeienis

Door de IRT-affaire is de aandacht van de top van het ministerie voor het gebruik van opsporingsmethoden toegenomen. Binnen de systematiek van de relaties tussen ministerie en OM worden de opsporingsmethoden niet langer als «technische» onderwerpen beschouwd maar hebben zij inmiddels het predikaat «gevoelig» en, in sommige gevallen, zoals doorlating, zelfs het predikaat «preponderant» gekregen. Daarmee is de betrokkenheid van het ministerie bij het gebruik van opsporingsmethoden tot op het politieke niveau een gegeven.

Enkele malen is de minister een concrete opsporingsmethode in een strafzaak voorgelegd. Het blijft echter bij enkele uitzonderingen op de regel dat het OM de beslissing neemt over de opsporingsmethoden.

 

De heer Hirsch Ballin:

Laat ik het benaderen vanuit de verantwoordelijkheid. Het gewoon toepassen van opsporingsmethoden is een zaak die niet door de minister van Justitie van geval tot geval moet worden beslist. Er zijn slechts bij zeer hoge uitzondering dingen aan mij voorgelegd. Ik vond en vind dat iets aan een minister van Justitie moet worden voorgelegd, als het de gewone, min of meer geijkte en afgesproken kaders te buiten en te boven gaat. Dus de kaders zoals je die kunt afleiden uit de richtlijnen infiltratie en de jurisprudentie daarover. Noot

De heer Rouvoet:

Zijn er gevallen geweest waarvan u hebt gezegd: dit moet de minister weten?

De heer Wooldrik:

Dat gebeurt niet zo vaak. Het gebeurt natuurlijk in de algemene kaders. Moet er getuigen-bescherming komen? Er zijn concrete onderzoeken geweest waarbij dat gevraagd is. Er zijn verzoeken om tipgeld. Dat zijn typisch incidentele zaken waarin een routine is opgebouwd. Verder zijn er een paar concrete zaken die aan de minister zijn voorgelegd. Er is een bijzondere infiltratie-actie geweest op verzoek van Canada.


De voorzitter:

Wat heeft u als Directeur politie aan de minister voorgelegd? Van welke methoden vond u dat de minister ze moest weten?

De heer Wooldrik:

Er zijn twee of drie van dat soort incidenten geweest. Ik noemde de Canadese zaak en er was nog iets dat de Amerikanen graag met Nederland samen wilden doen. Verder is er nog een hele serie zaken die op ambtelijk niveau zijn afgedaan. (...)

De voorzitter:

In de periode die u kent heeft u de minister verder dus nooit iets voorgelegd?

De heer Wooldrik:

Niet op dit terrein. Niet dat ik mij kan herinneren. Wel algemene kaders, wel algemeen beleid, wetgeving, getuigen-bescherming. Het departement wenst niet in individuele zaken zelf de verantwoordelijkheid van het begin tot het eind te nemen. Dat kan helemaal niet. (...)

De voorzitter:

En daarvóór is nooit over specifieke infiltratieprojecten of methoden gesproken?

De heer Wooldrik:

De activiteiten waar ik mij op dat moment mee bezig mocht houden, betroffen de afloop van de IRT-affaire en het leiden van het project dat door collega Van de Beek werd gedaan. De algemene opinie was toch: probeer ervoor te zorgen dat de organisatorische randvoorwaarden worden gerealiseerd om die criminaliteit aan te pakken en richt je niet op allerlei specifieke incidenten. Zo nu en dan kwamen ze binnen en die werden besproken, maar het was niet de invalshoek van de directie politie om steeds achter al die incidenten aan te lopen. Noot

Zoals reeds gemeld in hoofdstuk 8 is minister Sorgdrager één maal afgeweken van de beslissing van de CTC.

Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden

De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden uit 1985 regelt de uitkering van tipgelden aan informanten. Op het ministerie van Justitie wordt het secretariaat van deze regeling gevoerd. In hoofdstuk 5 is de inhoud van de uitvoering van deze regeling aan de orde gekomen. Al langere tijd wordt op het ministerie van Justitie nagedacht over een herziening van deze regeling.

De uitvoering van deze regeling was nagenoeg volledig in handen van een enkele ambtenaar, in dit geval Zwanenburg. Zonder dat hij de beschikking had over duidelijke richtlijnen en regels op grond waarvan de tipgelduitkeringen gedaan moesten worden, keerde hij namens de minister van Justitie jaarlijks rond de 2 miljoen gulden aan tipgelden uit. Hij werd evenwel in elke zaak voorafgaand geadviseerd door de CRI.

 

De heer De Graaf:

Over uitkeringen in het kader van die regeling wordt uiteindelijk besloten door de minister van Justitie en namens haar wordt de regeling door ambtenaren uitgevoerd.

De heer Zwanenburg:

Dat klopt.

De heer De Graaf:

Bent u degene die uiteindelijk de hoogte van een uitkering vaststelt?

De heer Zwanenburg:

In de praktijk wordt het maximum van een tipgeld vastgesteld door het departement. Als de officier van mening is dat een lager bedrag noodzakelijk is, stelt hij een minimum vast.

De heer De Graaf:

Zo gaat het in de praktijk toch niet? De officier dient toch een aanvraag in en vermeldt dan het bedrag van de uitkering aan een informant?

De heer Zwanenburg:

Ja, maar in het vooroverleg, waarin er alleen nog sprake is van de informatie die de informant mogelijk zal leveren, wordt een indicatie gegeven van het bedrag van het tipgeld. Soms blijkt achteraf dat de informatie veel minder is dan de informant heeft toegezegd. Dan wordt het bedrag bijgesteld en dat kan mede door de betrokken officier worden gedaan.

De heer De Graaf:

Komt het in de praktijk voor dat u een maximum voorstelt, bijvoorbeeld van f.15.000, en dat er uiteindelijk maar f.3000 wordt uitgekeerd?

De heer Zwanenburg:

Op incidentele basis wordt er door de officier inderdaad naar beneden bijgesteld. Dat zijn incidenten.

De heer De Graaf:

Ik ben in uw archief wel de omgekeerde situatie tegengekomen, namelijk dat er veel hogere bedragen door de officier of de hoofdofficier van justitie worden gevraagd, maar dat het departement vindt dat er veel minder moet worden uitgekeerd.

De heer Zwanenburg:

Dat klopt.

De heer De Graaf:

Dat komt vaker voor, lijkt mij.

De heer Zwanenburg:

Ook dat zijn incidenten, dus dat er echt verschil van mening is over de hoogte van het tipgeld. Noot

De heer De Graaf:

Mijnheer Zwanenburg, de tip-, toon- en voorkoopgeldenregeling geeft geen bedragen, geen maxima en geen richtbedragen voor de soorten informatie. Hoe komt u tot een oordeel of een advies over datgene wat moet worden uitbetaald op aanvragen?

De heer Zwanenburg:

In 1990 heeft een werkgroep van de rechercheadviescommissie geadviseerd over het
vaststellen van wegingsfactoren. Die werden daarvoor impliciet gebruikt, maar zij zijn nu specifiek op papier gezet met een toelichting wat eronder verstaan wordt. De PG's hebben daarmee ingestemd. Vanaf 1990 kom je dus aan de hand van die vaste, goed omschreven criteria, een achttal, op een bedrag uit, in relatie met je ervaring op dit terrein.

De heer De Graaf:

Kunt u aangeven hoe u die factoren weegt? Ik begreep uit uw publikatie waarover wij eerder hebben gesproken, dat daar een puntentelling bij komt.

De heer Zwanenburg:

Die puntentelling wordt niet gehanteerd. Er wordt nu gekeken naar het risico voor de informant, de betrouwbaarheid van de informant, de aard van de zaak, het kaliber en de organisatiegraad van de verdachte. Wat heeft het opgeleverd? Om wat voor soort misdrijf gaat het? In hoeverre is de rechtsorde erdoor geschaad? Gaat het om woninginbraken of om een grote criminele organisatie die zich bezighoudt met de invoer van verdovende middelen? Ook de kostenbesparing voor de politie is een belangrijk aspect. Op grond van die factoren, met een schatting van de hoogte van het risico en de organisatiegraad, en in een vergelijking met soortgelijke zaken die eerder hebben gespeeld, kom je op een bedrag.

De heer De Graaf:

Uw ervaringen leiden dus tot een vorm van jurisprudentie.

De heer Zwanenburg:

Ja.

De heer De Graaf:

Staat dat ergens opgeschreven? Wordt dat bijgehouden, zodat je als het ware de normen kunt afleiden uit alle zaken die gespeeld hebben?

De heer Zwanenburg:

Nee, het staat niet zo expliciet op papier. Noot Slechts in uitzonderingsgevallen moest hij advies vragen aan de leiding van het departement. Kleinere zaken besprak hij met een collega op zijn afdeling. Het moment waarop hij zich bij de departementsleiding of de minister ging melden werd aan zijn beoordelingsvermogen overgelaten.

De heer De Graaf:

(...) Als een aanvraag wordt ingediend, moet die worden getoetst door het ministerie. Was u, mijnheer Wooldrik, toen u hoofd van de Directie politie was, altijd degene die de aanvragen inhoudelijk heeft beoordeeld?

De heer Wooldrik:

Alleen de bijzondere gevallen werden aan mij voorgelegd. De routinegevallen werden afgedaan op basis van de ervaring van mijn medewerkers in overleg met het politieveld en in overleg met de

CRI die daarin een zekere coördinerende rol vervult.

 

De heer De Graaf:

En had u van te voren aangegeven wat onder de categorie bijzonder zou vallen?

De heer Wooldrik:

Waar verschil van mening over zou bestaan tussen - de heer Zwanenburg gaf het al aan - het OM en wat men redelijk vond, wat gebruikelijk was om voor soortelijke gevallen uit te betalen en bedragen die boven de f.100.000 zouden uitgaan.

De heer De Graaf:

Boven de f.100.000?

De heer Wooldrik:

Ja, dat was zo'n beetje de richtlijn die Zwanenburg hanteerde. Noot

De voorzitter:

Is u wel eens in 1993 voorgelegd dat er f.275.000 betaald is aan een informant?

De heer Hirsch Ballin:

Nee.

De voorzitter:

Nooit?

De heer Hirsch Ballin:

Daarvoor geldt hetzelfde als wat ik net zei. Van beide geldt dat ik ervan overtuigd ben dat ik het mij zou herinneren als het aan mij was voorgelegd. Het antwoord op uw vraag is...

De voorzitter:

Vond u niet dat u dat had moeten weten?

De heer Hirsch Ballin:

Ja, als u nu het bedrag noemt, kan ik daar niet zonder meer iets over zeggen. Ik zou meer moeten weten van het geval. Dat zou...

De voorzitter:

Het betreft namelijk iemand die ook nog zijn criminele winst mocht behouden, zo bleek hier in de enquête.

De heer Hirsch Ballin:

Nou, dat geval is mij niet voorgelegd.

De heer De Graaf:

Mijnheer Hirsch Ballin, het was tot dan toe en eigenlijk tot nu toe het hoogste bedrag dat ooit aan tipgeld is uitgekeerd en ver boven de toen gebruikelijke maximale of hoge bedragen die nog niet eens een ton raakten. Het kan toch niet zo zijn dat dat niet aan u is voorgelegd?

De heer Hirsch Ballin:

Ik kan u geen ander antwoord geven dan ik net gaf, namelijk dat het niet aan mij is voorgelegd. Noot

De regeling geeft tevens enkele uitgangspunten voor de omgang tussen CID-rechercheurs en informanten.

Kernteams en prioriteitenstelling

Op het ministerie van Justitie werd ten aanzien van twee onderwerpen, de organisatie en het functioneren van de kernteams en de onderzoeksprioriteitenstelling, de vinger aan de pols gehouden. Na zeer intensief overleg
zijn er convenanten gesloten tussen enerzijds de beide politieministers en anderzijds de betrokken korpsbeheerders en hoofdofficieren van justitie. Deze convenanten zijn meer een soort intentieverklaringen waarin is vastgelegd dat er een kernteam zal komen, waar het zich mee bezig zal houden, dat het is gericht op het ontmantelen van criminele groeperingen, dat er jaarlijks een plan van aanpak zal worden opgesteld, dat past binnen de landelijke prioriteitenstelling van de Vergadering van procureurs-generaal en dat er jaarlijks financiële verantwoording zal worden afgelegd. Er staat niet in de convenanten hoe de teams moeten worden ingericht. Dat werd (en wordt) door de beide departementen gezien als een verantwoordelijkheid van de beheersdriehoek.

Uit de evaluatie van het inrichten en het functioneren van de kernteams, verricht door het projectbureau Aanpak georganiseerde criminaliteit en neergelegd in het rapport Tot de Kern dat in september 1994 verscheen, bleek dat het kernteamconcept, zoals dat voor ogen stond, nergens was gerealiseerd. Naar aanleiding daarvan zijn er gesprekken tussen de beide politieministers en de verantwoordelijken voor een kernteam geweest met als onderwerp de omvang van het team, de personele bezetting en de onderzoeksprioriteitenstelling. De indruk bestaat dat het ministerie van Justitie meer invloed zou willen hebben op de feitelijke invulling en taakuitvoering van de kernteams. Kortom: de sturingsmogelijkheden zouden te beperkt zijn.

Ook de onderzoeksprioriteitenstelling verloopt niet naar wens. Er was een structuur opgebouwd waarin de uit te voeren onderzoeken van beneden af worden aangegeven. De ressortelijke adviescommissie maakt een keuze, deze keuze wordt in het CBO vergeleken met de gegevens die de CRI heeft geleverd (in de inventarisatie criminele groeperingen) en met de gegevens uit de andere ressorten. Op deze wijze behoort de prioriteitenstelling van de door het kernteam te verrichten onderzoeken te worden vastgesteld. Tot dusver heeft dit nog niet echt zo gefunctioneerd. Het ministerie is voorstander van een meer centrale keuze van te onderzoeken zaken.

 

 

De heer Rouvoet:

Die afweging kan ik volgen. Had u het gevoel - u zat er vanuit het project natuurlijk toch heel dichtbij - dat u als departement greep had op de ontwikkeling en de opzet van die kernteams? Was u de regisseur, om het zo uit te drukken? Uit het projectplan klinkt op dat de georganiseerde criminaliteit op een andere manier aangepakt zou moeten worden, via kernteams. Had u daar greep op, nu het zo werd overgelaten aan het veld?

De heer Van de Beek:

In die zin dat wij heel goed de ontwikkelingen volgden. Wanneer ik, als projectleider, van mening was dat er te veel sprake was van vertraging of een ontwikkeling in gang werd gezet waarvan ik vond dat dit niet zo de bedoeling was, stelde ik dat aan de orde.

De heer Rouvoet:

Hoe kon u dat dan verbeteren? Hoe kon u ingrijpen?

De heer Van de Beek:

Ik greep niet in, ik stelde het aan de orde. Ik legde het voor, bijvoorbeeld aan de procureur-generaal-portefeuillehouder of aan het CBO dat daar dan een beslissing op had te nemen. Een andere mogelijkheid was om het aan de minister voor te leggen. U weet dat dit ook een keer is gebeurd en dat naar aanleiding daarvan door de beide bewindslieden gesprekken zijn gevoerd met de verantwoordelijke

korpsbeheerders en hoofdofficieren.

 

De heer Rouvoet:

Geldt niet, mijnheer Van de Beek, dat u niet kòn ingrijpen, omdat u geen beheersinstrumenten had? De invloed die je kunt aanwenden, loopt voor een belangrijk deel via middelen en geld en die zijn bij uitstek een zaak van het collega-departement van Binnenlandse Zaken.

De heer Van de Beek:

Ja, maar...

De heer Rouvoet:

Dat moet u niet leuk hebben gevonden, want u kon nu niet daadwerkelijk ingrijpen.

De heer Van de Beek:

Nee, er was een uitstekende samenwerking.(...)

De voorzitter:

En de landelijke keuze is toch niet gelukt, mijnheer Van de Beek? Dat blijkt toch uit de nota Tot de kern?

De heer Van de Beek:

Dat was het moment waarop wij wat kritiek hadden op de gang van zaken.

De voorzitter:

Nu, wat kritiek... Het is vrij fundamentele kritiek die u op dat moment heeft. In de herfst van vorig jaar, als ik het goed zeg uit mijn hoofd, maakt u de nota Tot de kern, en daarin levert u fundamentele kritiek.

De heer Van de Beek:

Een belangrijk uitgangspunt was de wens tot samenwerking van zowel openbaar ministerie als politie en departement, om het verder vorm te geven. Daarbinnen was er kritiek over het tempo en de wijze waarop het verder werd uitgewerkt en die kritiek is opgeschreven.

De voorzitter:

Maar de keuzen blijken toch nog steeds voor het grootste deel in de regio te worden gemaakt? U kunt daar, vanuit het departement, toch bijzonder weinig sturing aan geven?

De heer Van de Beek:

Het was niet zo dat het departement wilde gaan bepalen welke zaken...

De voorzitter:

Nee, maar toch wel in algemene zin, zo van: waar houdt u zich mee bezig, zijn dat inderdaad de zaken waarvan ook wij vinden dat ze op landelijk niveau moeten worden aangepakt?

De heer Van de Beek:

Ja, dat is waar.

De voorzitter:

En daar was u zeer ontevreden over?


De heer Van de Beek:

Ook dat is het geval. Noot

9.6.3 Ministerie van Binnenlandse Zaken

Het ministerie van Binnenlandse Zaken richt zich de laatste jaren op het bevorderen van integraal veiligheidsbeleid. Dit houdt mede in dat bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit niet alleen justitiële inspanningen, maar ook «gewapend bestuursrecht» en bestuurlijke preventie geboden zijn.

Methoden

 

Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft geen directe bemoeienis met het gebruik van opsporingsmethoden. De verantwoordelijkheid voor de rechtshandhaving ligt volgens betrokkenen volledig bij het ministerie van Justitie. Binnen het ministerie was lange tijd de veronderstelling dat het recherchewerk een prerogatief was van het ministerie van Justitie. Pas na de eerste incidenten werd beseft dat aan recherchemethoden ook aspecten van beheer, personeelszorg en ethiek kleven.

 

De heer Koekkoek:

Hoe ziet u als oud-minister van Binnenlandse Zaken de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken - hij heeft toch te maken met de korpsbeheerders en hij is verantwoordelijk voor het grootste deel van de politiebegroting - voor opsporingsmethoden?

De heer Van Thijn:

Ik vind dat de minister van Binnenlandse Zaken vooral te waken heeft over de integriteit. De politie dient te functioneren onder het bevoegde gezag en in overeenstemming met de heersende regels. Het is met name de taak van de minister van Binnenlandse Zaken om op dat laatste ook toe te zien en een marginale toetsing uit te voeren. Het voortouw ligt hier natuurlijk volop bij de minister van Justitie. Noot

De heer Koekkoek:

Ik spreek u nu aan als minister van Binnenlandse Zaken en niet zozeer als vice-premier. Wat is de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken, bijvoorbeeld bij de vraag of er een aparte criminele inlichtingendienst moet zijn in de regiokorpsen?

De heer Dijkstal:

Ik denk dat de minister van Binnenlandse Zaken samen met de minister van Justitie een verantwoordelijkheid heeft voor het politiebestel, de organisatie van de politie, zeg maar de Politiewet die er ligt en waarin je dit soort dingen zou moeten regelen als je iets anders wilt. Die dubbele verantwoordelijkheid is zo bij wet geregeld.

De heer Koekkoek:

U voelt zich daar medeverantwoordelijk voor?

De heer Dijkstal:

Jazeker.

De heer Koekkoek:

En ook voor de organisatie van de opsporingsmethoden?

De heer Dijkstal:

Ja, de organisatie van de politie, dus inclusief de CID's die zijn opgezet, en inclusief de vraag wat die CID wel of niet mag. In die zin dus zeker. Noot

De toelaatbaarheid en het gebruik van opsporingsmethoden vallen primair binnen de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Indien echter het gebruik van opsporingsmethoden de werkverhoudingen in en tussen regiokorpsen beïnvloedt of indien daarbij de veiligheid van politiepersoneel in het geding is, draagt de minister van Binnenlandse Zaken daarvoor een mede-verantwoordelijkheid.

 

 

De heer Koekkoek:

Ik wilde nog met u spreken over uw verantwoordelijkheid als minister van Binnenlandse Zaken voor opsporingsmethoden. In hoeverre is de minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor de organisatie van opsporingsmethoden en voor criminele inlichtingendiensten die zich daarmee bezighouden? Hoe ziet u dat?

De heer Dijkstal:

Wij hebben het nu niet over de beleidsmatige kant van de zaak, want dat doe je met elkaar in het kabinet. Ik denk dat er vanuit Binnenlandse Zaken een aantal speciale invalshoeken zijn. In de eerste plaats is er het beheer op afstand. Wat dat precies is, weet ik nog niet helemaal met deze Politiewet. Het suggereert in ieder geval dat er aan de beheersmatige kant van de zaak een medeverantwoordelijkheid is van de minister van Binnenlandse Zaken. Noot

«Beheer op afstand» vergt enerzijds zelfbeperking van de kant van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Anderzijds is de mede-verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken op dit terrein, zoals gezegd, langzamerhand in toenemende mate in beeld gekomen. In de IRT-affaire was de minister van Binnenlandse Zaken op beslissende momenten «nadrukkelijk aanwezig».

Binnenlandse Zaken maakt zich wel zorgen over de rol van korpsbeheerders ten aanzien van de inzet van methoden. Het is onduidelijk wat de beheersbevoegdheid van de korpsbeheerder betekent voor de opsporing.
Uit een interne notitie wordt duidelijk dat het ministerie van Binnenlandse Zaken vanuit de beheersverantwoordelijkheid van de korpsbeheerders wel degelijk een zekere verantwoordelijkheid voor de korpsbeheerders ziet.

 

Binnenlandse Zaken en Justitie

Op verschillende terreinen van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit hebben de twee ministeries gedeelde of complementaire bevoegdheden en verantwoordelijkheden. In veel gevallen zijn de ministers gehouden in overeenstemming dan wel in of na overleg met elkaar te handelen. Des te opvallender is het ontbreken van een gestructureerd overleg tussen de beide ministeries over de georganiseerde criminaliteit en de bijzondere opsporingsmethoden. Dit klemt temeer omdat de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de twee ministeries in de praktijk niet altijd even duidelijk is. Er is sprake van een constante discussie en soms zelfs strijd tussen Justitie en Binnenlandse Zaken over allerlei onderwerpen die de politie raken. Het onderwerp opsporingsmethoden is echter nauwelijks reden geweest voor discussie, laat staan strijd tussen beide departementen.

 

 

De voorzitter:

Waarom kan het (recht van de officier van justitie op inzage in CID-registers, red.) niet gewoon in de CID-regeling staan? Is Binnenlandse Zaken daar tegen geweest?

De heer Patijn:

Elke regeling is een resultante van een vechtpartij.

De voorzitter:

Dat vroeg ik niet.

De heer Patijn:

Wat de CID-regeling betreft, ben ik wel betrokken geweest bij de bepaling die ik net noemde en ook wel bij een andere bepaling. Het feitelijk overleg met Binnenlandse Zaken heb ik niet bijgewoond. Maar ik heb wel begrepen, dat er problemen waren die in overleg moesten worden opgelost. Dat leidt op een bepaalde manier tot compromissen.

De voorzitter:

Dus de formule over wat de CID-officier nu mag is het resultaat van een compromis met Binnenlandse Zaken?

De heer Patijn:

Ja, zij het dat ik niet ontevreden ben over het resultaat. Noot In de praktijk bestaat nogal eens het misverstand dat de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit het exclusieve domein van Justitie is. Niet voor niets adviseert de Recherche advies commissie de beide ministers over de meest doelmatige inrichting en werking van de recherchediensten van de politie en over de uitrusting van die diensten met apparatuur en technische hulpmiddelen. Binnenlandse Zaken en Justitie hebben beide via het beheer invloed op de kernteams. Justitie heeft het initiatief gehad bij de totstandkoming van de kernteams. Dit neemt niet weg dat Binnenlandse Zaken, als «beheerder op afstand», betrokken is geweest bij het afsluiten van de convenanten, met inbegrip van de financiële paragrafen. In de convenanten is de verplichting opgenomen voor de teams om jaarlijks een plan van aanpak te leveren en een verslag van werkzaamheden in te dienen. Voorts dient te worden gerapporteerd hoe de afspraken op beheersgebied zijn gerealiseerd. Binnenlandse Zaken beziet daarbij de rechtmatigheid en doelmatigheid van de bestede gelden.

De voorzitter:

Het is wèl uw verantwoordelijkheid, zeker als u geld voor de kernteams betaalt. Als u bij de kernteams bent, spreekt u ook over opsporingsprioriteiten en -methoden. Dat hebben wij in de stukken gezien.

De heer Dijkstal:

De ministeriële verantwoordelijkheid voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde ligt bij de minister van Justitie. Nu is het de vraag hoe de lijn ligt tussen de minister van Justitie, de PG, de hoofdofficier van justitie en de officier van justitie. Dat is een vraag die een rechtsstatelijk karakter heeft. Wij zijn altijd uitgegaan van een relatieve autonomie van het openbaar ministerie. Daarbij werd verondersteld dat in een specifiek geval niet de minister het doet. In de beleidsmatige kant is dat wèl het geval. De vraag is of zo'n verhouding nog steeds voldoet. Parallel daaraan loopt de discussie over de reorganisatie van het openbaar ministerie, een mogelijk andere rol van de PG's en alles wat daarmee annex is. Dat is een redelijk gecompliceerde materie. Ik voel mij op dit moment niet bevoegd, maar ik zou het ook niet juist vinden om er nu al te stellige uitspraken over te doen.

De voorzitter:

Maar u doet dat wel over allerlei andere punten, zoals de infiltratie en de opsporingsmethoden. U neemt geen blad voor de mond. Het is voor ons belangrijk om te weten of u er enig brood in ziet om zelf medeverantwoordelijk te worden voor de keuze van de prioriteiten van datgene wat wordt aangepakt in de zware georganiseerde criminaliteit dan wel of u zegt dat u dat verre van u houdt.

De heer Dijkstal:

Ik denk dat het er tussenin ligt. In beleidsmatige zin: ja. Ik wijs op de gegroeide praktijk in de afgelopen jaren, waarin bijvoorbeeld in overleg met de Kamer diezelfde Kamer zegt dat het tijd wordt dat de minister daar en daar iets aan gaat doen. Dan ontstaat er een politieke beleidsprioriteit, bijvoorbeeld vanuit de Kamer. Dan kan de minister zeggen dat de Kamer daar gelijk in heeft en dat hij dat zal proberen te doen. In die


zin is het antwoord:

ja. De vraag is echter tot hoe ver dat strekt. Ik vind het moeilijk om daar nu een klip en klaar antwoord op te geven. Noot

9.6.4 Beoordeling

De minister van Justitie draagt de politieke verantwoordelijkheid voor het aangeven van de kaders voor het gebruik van de door politie en justitie te hanteren opsporingsmethoden. Op het ministerie is de verantwoordelijkheid voor het hanteren van deze opsporingsmethoden aanvankelijk reactief opgevat, en - op de stafafdeling wetgeving na - niet zozeer normerend. Voor de discussie over opsporingsmethoden werd naar het OM verwezen. De heersende opvatting was dat de beoordeling over de toelaatbaarheid van opsporingsmethoden een zaak van het OM en de rechter is. Tenzij er duidelijke contra-indicaties waren, behoefde het ministerie niet op de hoogte te zijn van de inzet van bedoelde opsporingsmethoden in concrete zaken: «de minister is geen super-opsporingsambtenaar.»

Om aan de ministeriële verantwoordelijkheid inhoud te geven moet het departement signalen over dergelijke contra-indicaties ontvangen. Als de politieke verantwoordelijkheid in het geding kan komen, bijvoorbeeld bij het opzetten van een frontstore ten behoeve van een buitenlands onderzoek of bij het beschikbaar stellen van een zeer hoog bedrag aan tip-, toon- of voorkoopgeld, dient de minister op de hoogte te worden gesteld. De commissie constateert dat het ministerie van Justitie tot voor kort nauwelijks enige bemoeienis had en wilde hebben met de praktische toepassing van methoden van opsporing. Het ministerie achtte dit de verantwoordelijkheid van het OM. De commissie is van oordeel dat het ministerie van Justitie eerder de noodzaak tot normering van methoden en organisatie van opsporing had moeten onderkennen. Indien het ministerie van Justitie eerder normering van de methoden en nadere regeling van de organisatie van de opsporing had voorgesteld, waren waarschijnlijk veel problemen voorkomen. De politieke verantwoordelijkheid op centraal niveau voor de normering van de methoden en de organisatie van de opsporing ligt bij de minister, en niet bij het OM.

Het ministerie had naar het oordeel van de commissie voldoende mogelijkheden de problematische situatie, die bleek bij de IRT-affaire, te onderkennen. Door de structuur van en de werkwijze op het departement drongen signalen vanuit het veld over problemen met methoden en organisatie van de opsporing in ontoereikende mate tot de verantwoordelijke bestuurders door. De commissie merkt hierbij op dat de ambtelijke top van het ministerie meermalen in gebreke is gebleven in haar communicatie met de politieke top. De commissie constateert dat het ministerie zich in het verleden vooral heeft bezig gehouden met de effectiviteit van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. In hoog tempo werden nota's en vergaande wetsvoorstellen naar het parlement gezonden. De commissie is van oordeel dat het ministerie zich in zijn wetgevingsprogramma sterker had moeten richten op een meer algemene normering van de opsporing. Naar het oordeel van de commissie draagt de minister van Binnenlandse Zaken medeverantwoordelijkheid voor het bepalen van de kaders waarbinnen opsporingsmethoden worden toegepast. Daarbij tekent de commissie wel aan dat deze verantwoordelijkheid meer op afstand is dan de verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie. Belangrijker voor de inzet van opsporingsmethoden is de verantwoordelijkheid voor het beheer van de politie. Via deze beheersverantwoordelijkheid kan de nodige invloed worden uitgeoefend op de methoden die de politie ter beschikking staan.

In verschillende gevallen loopt het overleg tussen de ministeries moeizaam en levert de tevredenheid van het ene ministerie over de resultaten van het overleg, ontevredenheid van het andere op.

9.7 Tweede Kamer

 

9.7.1 Bevindingen

 

Onderzoek commissie

De Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden heeft in haar rapport een tweetal vragen gesteld over de rol van het parlement.
1.Wat is de rol geweest van de Commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten met betrekking tot het toezicht op de opsporingsmethoden?2.Hoe moet de controle door het parlement op het gebruik van opsporingsmethoden vorm krijgen?

In het vooronderzoek van de commissie is de rol van de Kamer beperkt onderwerp van onderzoek geweest. Om een antwoord op de vragen te kunnen geven heeft de commissie gemeend door middel van de openbare verhoren aandacht te moeten besteden aan de wijze waarop de Kamer, en in het bijzonder de Commissie voor

de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de vaste Commissies voor justitie en de politie hun controlerende rol tot nu toe hebben uitgeoefend en adequaat zouden kunnen uitoefenen in de toekomst. De vaste Commissies voor Justitie en de politie hebben een groot aantal wetsvoorstellen en nota's behandeld die direct of indirect het onderzoeksterrein van de enquêtecommissie betreffen. Ook de vaste Commissies voor verkeer en waterstaat en voor het milieubeheer hebben een aantal wetsvoorstellen behandeld die een relatie hebben met het onderzoek van de commissie. Ter voorbereiding van de verhoren heeft de commissie de standpunten van de verschillende fracties over de volgende wetsvoorstellen en nota's geinventariseerd: Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (21.847), de Politiewet 1993 (22.562), de nota De georganiseerde criminaliteit in Nederland. Dreigingsbeeld en plan van aanpak (22.838), de Pluk ze-wet (21.504), de Herziening van het gerechtelijk vooronderzoek (23.251), het wetsvoorstel Opnemen van gesprekken met een technisch hulpmiddel (Direct afluisteren) (23.047), Strafbaarstelling voorbereidingshandelingen (22.268) en Anonieme getuigen in strafvordering (22.483) van belang. Op basis van deze inventarisatie heeft zij enkele getuigen verhoord over de rol van het parlement.

 

 

De heer Koekkoek:

Vindt u, naar aanleiding hiervan, dat regering en parlement, dus ook de Tweede Kamer, te kort geschoten zijn in hun taak om tijdig goede wetgeving tot stand te brengen?

De heer Corstens:

Ja, wat betreft die methoden waarmee inbreuk wordt gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, is de wetgever naar mijn gevoel te kort geschoten. Men heeft zich in het justitiële en strafrechtelijke veld onvoldoende gerealiseerd wat in 1983 de implicaties zijn geweest van het in Nederland codificeren van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat heeft men zich onvoldoende gerealiseerd. Ook toen die Grondwet tot stand kwam, is men zich daar eigenlijk nauwelijks bewust van geweest. Men heeft gezegd dat het een vaag recht is en men heeft zich niet gerealiseerd wat de consequenties voor het strafrechtelijke veld zouden kunnen zijn. Noot

Georganiseerde criminaliteit en methoden

De commissie constateert dat het parlement, en in het bijzonder de Tweede Kamer, de afgelopen jaren de nadruk heeft gelegd op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Daarbij heeft de Kamer zich er niet altijd van vergewist met welke methoden de georganiseerde criminaliteit werd bestreden. De organisatie van de opsporing is slechts op onderdelen aan de orde geweest, zo blijkt uit de behandeling van de wetsvoorstellen en de Handelingen van de Tweede Kamer. De Richtlijn infiltratie 1991 en de CID-regeling zijn nooit door de Kamer besproken. Ook het instellen van de CID als zodanig is nooit besproken. Infiltratie in algemene zin is wel aan de orde geweest.

 

 

De voorzitter:

Is er vóór het losbarsten van de IRT-affaire nooit gezegd: wij zouden dit toch eigenlijk in het totaal moeten inkaderen? Tegenwoordig zegt iedereen dat er wetgeving moet komen. Waarom zei men dat eerder niet? Is het allemaal alleen maar het gevolg van het exploderen van de IRT-affaire?

De heer Wooldrik:

Nee, dat beeld is onjuist. Er is in de gedachtenvorming op het departement wel degelijk gesproken over de wenselijkheid om de proactieve fase beter te regelen. Het eind van het elastiek van het Wetboek van Strafvordering kwam in zicht.

De voorzitter:

Waarom is het er nooit van gekomen?

De heer Wooldrik:

Het initiatief daartoe is in 1993 al genomen door de gezamenlijke nota van collega Van de Beek en Patijn, een van de raadsadviseurs van wetgeving. Deze nota is ook aan de minister voorgelegd. Het wordt tijd om dit te gaan regelen, zo luidde de boodschap. Dat gebeurde naar aanleiding van de discussie over het wetsvoorstel inzake direct afluisteren. Dat lag al bij de Kamer. Er moesten wijzigingen komen en toen zeiden wij: je kunt de proactieve fase wel voor direct afluisteren regelen, maar dat schip houdt het niet. Je zult de zaak moeten uitbreiden tot algemene wetgeving. Dat hebben wij aan de minister voorgelegd.

De voorzitter:

Wij willen graag weten waarom het wel op een stukje gebeurt - het gebruik van een proactieve telefoontap - terwijl...

De heer Wooldrik:

Nee...

De voorzitter:

In het wetsvoorstel dat bij de Kamer kwam, wordt pro-activiteit ineens als begrip ingevoerd voor een stukje.

De heer Wooldrik:

Nee, naar aanleiding van die discussie hebben wij, wetgeving en beleid, aan de minister voorgelegd dat het tijd werd voor aan algehele regeling van de proactieve fase.

De voorzitter:

Wilde de minister dat niet?

De heer Wooldrik:

De minister wilde het wel, want hij zei «ja» op de nota. Dat gebeurde in juli 1993. Wij zijn nu twee jaar verder.

De voorzitter:

Waarom is niet een algemeen raamwerk neergezet?

De heer Van de Beek:

Bij het wetsvoorstel inzake direct afluisteren zie je aanvankelijk dat de proactieve fase
wordt geïntroduceerd, gericht op één misdrijf. In het antwoord zie je een verbreding. De proactieve fase - tegenwoordig spreken wij van voorbereidend opsporingsonderzoek - krijgt dan een veel bredere strekking. Binnen het kader van het Wetboek van Strafvordering is dat een nogal forse omwenteling. In juli 1993 hebben wij de minister voorgesteld om het breder op te zetten. Het antwoord was «ja», met daarbij het wetsvoorstel inzake direct afluisteren om te bezien hoe de Kamer erop zou reageren. Toen het in maart 1994 ook mondeling tijdens de behandeling in de commissie goed was gevallen, hebben wij het volgende voorstel aan de minister gedaan: nu wij proactief een «ja» krijgen van de Kamer, willen wij het in het Wetboek van Strafvordering onderbrengen. Gaat u er, omdat de koppeling is gemaakt naar het CID-subject, mee akkoord om ook op het terrein van de CID wetgeving voor te bereiden?

De voorzitter:

Waarom is niet gewoon eerder besloten om een raamwet te maken? In het wetsvoorstel dat naar de Kamer ging, komt het begrip proactieve fase opeens naar voren, maar alleen voor dit specifieke punt.

De heer Van de Beek:

Mijn poging is erop gericht om te duiden dat het veel breder is.

De voorzitter:

Het was niet veel breder.

De heer Van de Beek:

Aanvankelijk niet, maar in de memorie van antwoord staat een vrij uitvoerige toelichting. Er is een switch gemaakt.

De voorzitter:

Daarmee werd toch niet het totale begrip gentroduceerd, met een bijbehorende definitie? Dat gebeurde toch alleen voor het specifieke punt van het afluisteren? Mijn vraag is: hoe kan het nu dat op het departement, waar hierover blijkbaar al veel langer werd nagedacht, niet is gezegd dat er een algemene wet moest komen?

De heer Van de Beek:

Dat zeiden wij op het departement. Noot De Kamer heeft er niet op aangedrongen bij de ministers om haar inzicht te geven in de gebruikte methoden

en de organisatie van de opsporing. Het feit dat de wetsvoorstellen op het gebied van de organisatie van de opsporing en wetsvoorstellen die raken aan gebruik van methoden werden in verschillende voorbereid. Verschillende woordvoerders van dezelfde partijen hebben een oordeel gegeven over de afzonderlijke wetsvoorstellen, Het bleek niet goed mogelijk het geheel van wetsvoorstellen om de implicaties voor de strafvordering als geheel te beoordelen.

De Kamer heeft zich onvoldoende gerealiseerd hoe de bovengenoemde wetsvoorstellen met elkaar samenhangen. Aan de proactieve fase in het wetsvoorstel Direct afluisteren is slechts door enkele woordvoerders aandacht besteed. Het wetsvoorstel heeft niet geleid tot een meer fundamentele discussie in het parlement over de wenselijkheid van een dergelijke proactieve fase.

De commissie heeft verschillende kamerleden verhoord die in de afgelopen jaren een rol speelden bij de wetgeving rond de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Uit de onderstaande citaten wordt duidelijk dat de kamerleden zich niet altijd bewust waren hoe methoden ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit door politie en justitie werden toegepast. Tevens blijkt dat de kamerleden zeer verschillend dachten over de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland.

 

De heer Koekkoek:

Vond u meer bevoegdheden niet nodig voor de aanpak van de zware, georganiseerde criminaliteit?

De heer Korthals:

Op dat moment nog niet, om de doodeenvoudige reden dat ik altijd gevonden heb dat de politie niet voldoende gebruik maakte van de bevoegdheden die zij had.

De heer Koekkoek:

Wanneer bent u ertoe bereid geworden, wel meer bevoegdheden aan de politie toe te staan?

De heer Korthals:

Het werd op een gegeven moment volstrekt duidelijk dat de politie zonder uitbreiding van de bevoegdheden niet ertegen op kon. Het was ook duidelijk dat de capaciteit onvoldoende zou worden uitgebreid. Hetzelfde gold voor het openbaar ministerie, dat wat archaïsch was in zijn organisatie. Dan krijg je vanzelf een ontwikkeling om ze via wetgeving meer bevoegdheden te geven. Ik had zelf altijd liever gezien dat je eerst vanuit de innerlijke kracht van politie en justitie zou opereren en niet direct zou denken aan uitbreiding van bevoegdheden.

De voorzitter:

Wist u nu wat politie en justitie in de praktijk deden?

De heer Korthals:

In de praktijk van de opsporing?

De voorzitter:

Ja.

De heer Korthals:

Ik ben er natuurlijk niet daadwerkelijk getuige van geweest, maar in mijn vak van advocaat had ik wel enig idee gekregen van datgene wat de politie aan het doen was.

De voorzitter:

Wanneer hoorde u voor het eerst van het begrip proactieve fase?

De heer Korthals:

Het begrip als zodanig kwam pas eind jaren tachtig op.

De voorzitter:

Wist u wat de criminele inlichtingendienst was?

De heer Korthals:

Wij zijn op een gegeven moment op werkbezoeken bij de politie geweest. Daar werd ons ook
zeer geheimzinnig duidelijk gemaakt wat de criminele inlichtingendienst van de politie deed. Bovendien wisten wij dat de werkgroep-Gonsalves bezig was om de criminele inlichtingendienst verder op te zetten. Noot

De heer Vos:

Mijnheer Wolffensperger, ik zou u willen vragen: Wat wist u van de opsporingsmethoden? U bepleit zelf dat opsporing gericht wordt op structuren die achter de strafbare feiten liggen. Wat wist u van de methoden die op dat moment gehanteerd werden?

De heer Wolffensperger:

Om te beginnen bij uw aanknopingspunt: Ik heb mij bij de behandeling van een aantal wetsvoorstellen - en het citaat dat u geeft, komt ongetwijfeld uit de behandeling van het wetsvoorstel inzake direct afluisteren...

De heer Vos:

Ik heb dit citaat gehaald uit het nota-overleg over dreigingsbeeld en plan van aanpak.

De heer Wolffensperger:

Ik heb mij op het standpunt gesteld, namens mijn fractie, dat een samenleving bereid moet zijn om materieel en formeel strafrecht aan te passen aan de noden en de behoeften van deze tijd. Ik kan u straks, desgevraagd, aangeven waar voor mij de grenzen lagen, want die hebben een grote rol gespeeld. Maar bij dat «aanpassen» kwamen ook voortdurend de grondslagen van ons strafrecht ter sprake. Ik heb toen bij het onderwerp waarover u nu spreekt, gezegd dat zelfs grondslagen van het strafrecht geen onveranderlijke grootheden zijn waar nooit iets aan verschoven of veranderd zou kunnen worden. Dat speelde met name bij de proactieve fase waarover u nu spreekt, waarbij immers de grondslag van het Wetboek van strafvordering (er moet een dader zijn met een daarop gerichte opsporing) verlaten werd omdat - ik haal nu weer het wetsvoorstel

direct afluisteren aan - er ook actie werd ondernomen waarbij niet de dader, maar de structuren waarover u spreekt, aanknopingspunt voor de actie waren.
Ik heb toen gezegd dat zelfs de grondslagen van het strafrecht zich lenen om aan te passen aan de behoeften van deze tijd, mits dat maatschappelijk noodzakelijk is, mits dat bewust gebeurt -dus parlement en regering zich er bewust van zijn dat iets dat als grondslag in het Wetboek van strafvordering gold, ter discussie komt - en mits men dat zo minimaal mogelijk doet.

 

 

De heer Vos:

Maar was u zich bewust van wat er eigenlijk gebeurde?

De heer Wolffensperger:

Zonder enige twijfel. Noot

De voorzitter:

(...) Was u goed op de hoogte van opsporingsmethoden? Wist u wat er te koop was? Wist u wat er gebeurde? Had u weleens van een inkijkoperatie gehoord, voordat u en uw collega Van Kalsbeek daarover vragen stelden?

De heer Stoffelen:

Ik had daar eigenlijk nauwelijks van gehoord. Ik had wel gehoord van de neiging om de grenzen van de wet op te zoeken en die te overschrijden. Die vragen werden eigenlijk gesteld naar aanleiding van kranteberichten.

De voorzitter:

Kende u de activiteiten van de criminele inlichtingendienst?

De heer Stoffelen:

Eigenlijk nauwelijks. Wat ik mij kan herinneren, is dat op een gegeven moment de term «proactief rechercheren» aan de orde kwam. Ik hou absoluut niet van die term. Ik vind hem versluierend, verwarrend. Ik ben er tegen. Noot

De heer De Graaf:

Mijnheer Van der Burg, ik wil eerst met u spreken over uw kennis en inzicht in het fenomeen «georganiseerde criminaliteit». Een aantal wetsvoorstellen waar u al over sprak, zijn mede geïnspireerd door de dreiging van die georganiseerde criminaliteit. Dat blijkt althans onder meer uit de nota Georganiseerde criminaliteit: dreigingsbeeld en plan van aanpak. U heeft bij de behandeling van die nota op 23 maart 1993 aangegeven dat het belangrijk was dat de Kamer inzicht kreeg in de «ingroei» van de zware en georganiseerde criminaliteit, die uitsluitend en alleen gericht is op het economisch gewin. U heeft er toen bij gezegd dat dat inzicht in hoge mate ontbrak. Dat was, denk ik, een oordeel over de nota, maar het zei ook iets over uw eigen kennis van dat moment. Kunt u daar iets meer over vertellen?

De heer Van der Burg:

Ik wil eerst even vertellen dat de notitie - ik heb haar in het debat niet «nota» genoemd, maar «notitie» - tot stand is gekomen omdat bij de begroting van 1991 collega Krajenbrink namens de CDA-fractie een motie heeft ingediend die breed ondersteund is in de Kamer en waarin de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken werd gevraagd om inzicht te geven in de georganiseerde criminaliteit. Over de opstelling van die motie-Krajenbrink is in de fractiecommissie voor Justitie gesproken.

De voorzitter:

Dat was, meen ik, de motie-Krajenbrink/Jurgens.

De heer Van der Burg:

Inderdaad. De toenmalige coalitie was blij met die motie, omdat wij daarmee breed het gevoelen van de Kamer tot uitdrukking konden brengen dat wij na een periode, waarin losse wetsvoorstellen gepresenteerd waren, dus zonder verband - die periode is al aangevangen onder de minister van Justitie Korthals Altes - een totaalbeeld wilden krijgen. Die notitie heeft zeer lang op zich laten wachten. Vervolgens is het probleem geweest dat bespreking van die notitie herhaaldelijk is uitgesteld, omdat er intussen een discussie was ontstaan over het inrichten van vijf of zes IRT's. Toen ik uiteindelijk in maart het woord mocht voeren, was de reactie, ook op het ANP-nieuws, dat Van der Burg erg kritisch was over een notitie van het


kabinet. Op mijn initiatief is er, voorafgaande aan de openbare behandeling, een besloten gedeelte geweest, waarbij ook de procureur-generaal Gonsalves, portefeuillehouder georganiseerde criminaliteit, aanwezig was. Zonder te treden in hetgeen in het besloten gedeelte is gezegd, kan ik wel zeggen...

 

De voorzitter:

Dat kunt u wel doen, hoor.

De heer Van der Burg:

Ik ben er echter niet veel wijzer van geworden.

De voorzitter:

Wat is daar dan gezegd?

De heer Van der Burg:

Daar is gevraagd of van BVD-zijde en CRI-zijde en van de zijde van de portefeuillehouder een andere inkleuring kon worden gegeven. Ik heb in het debat gezegd - dat is niet stenografisch weergegeven, maar analytisch - dat ik het een notitie vond vol met algemeenheden.

De voorzitter:

Dus ook de mededelingen van de CRI en de procureur-generaal stelden u niet tevreden door precisie?

De heer Van der Burg:

Helemaal niet. Ik kon dat ook merken bij mijn collega's, want het was een groep, bestaande uit politie- en justitiespecialisten. Na dat eerste debat is de zaak eigenlijk niet afgerond, maar heeft een vervolg gekregen in januari 1994.

De heer De Graaf:

In februari.

De heer Van der Burg:

Ja. Dat was waarom ik het vol met algemeenheden vond. Mijn eigen wetenschap was gebaseerd op de informatie die wij zelf als CDA-fractiecommissies Justitie en Politie hadden vergaard in gesprekken met onze adviseurs. Noot

Commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten

De commissie heeft geconstateerd dat in de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten verschillende onderwerpen aan de orde werden gesteld die betrekking hadden op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Het kabinet zocht een forum waar het naar zijn mening informatie kon geven zonder dat het risico bestond dat de informatie openbaar zou worden. Om die reden is bijvoorbeeld het geheime deel van de rapportage van de commissie-Wierenga aan die commissie voorgelegd. Noot

 

De voorzitter:

Is u weleens iets voorgeschoteld, waarvan u zei dat u het niet wilde behandelen, omdat het niet onder uw competentie viel?

De heer Brinkman:

In de tijd die ik heb meegemaakt, vanaf 1989, hebben wij een aantal malen gezegd dat iets niet tot onze competentie behoorde. De commissie heeft dit expliciet aangeduid tegenover de bewindslieden bij het hoofdonderwerp van de IRT-affaire. Daarnaast zijn er onderwerpen aan de orde geweest, waarbij wij tegen de betrokken bewindslieden hebben gezegd dat het goed was dat het besproken werd. De operationele kant daarvan moest geheim blijven, maar het was zaak om de beleidsmatige aspecten hetzij in de plenaire vergadering hetzij in een van de andere commissievergaderingen aan de orde te krijgen. (...)

De heer Rabbae:

Ik neem aan dat u niet hoefde te tekenen, wanneer u mondelinge informatie kreeg, want dat lijkt mij onmogelijk, maar dat is niet mijn vraag. Hebt u in de commissie vaak gesproken over de zware georganiseerde criminaliteit, en zo ja, hoe vaak?

De heer Brinkman:

Daarover is zeker een aantal keren gesproken. Ik herinner mij dat wij in de gesprekken met de plenaire Kamer, wanneer wij verslag deden van onze werkzaamheden, te horen kregen dat onze commissie actiever was dan zijn voorgangers. In mijn herinnering hebben wij zeker 6, 7 of 8 keer gesproken over de georganiseerde criminaliteit. Dat ging niet steeds over dezelfde groep, maar over aspecten van dat fenomeen.(...)

De heer Rabbae:

Als u met de minister van Binnenlandse Zaken de zware georganiseerde criminaliteit besprak, kon u dan altijd constateren dat dit gerelateerd was aan de staatsveiligheid?

De heer Brinkman:

Staatsveiligheid respectievelijk de betrekkingen met andere landen, voorzover zij een punt van overweging zouden kunnen vormen voor onze staatsveiligheid. Dat klinkt academisch en abstract, maar ik noem maar de verhouding tot de voormalige of huidige delen van het Koninkrijk. Dat betrof niet alleen onze staatsveiligheid, maar ook de positie van die landen. Noot

Hiermee is de Kamer als geheel informatie onthouden die naar de mening van de commissie van wezenlijk belang is voor de beoordeling van de georganiseerde criminaliteit en de gebruikte methode. De commissie acht het onwenselijk dat de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruikt wordt als de geheime commissie van de Kamer voorzover het onderwerpen betreft die niet direct met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van doen hebben.

 

 

De heer Rabbae:

U hebt niet de indruk dat het kabinet de commissie gebruikte als een soort klankbordgroep om een aantal zaken te bespreken; meer als een soort seniorenconvent dan als een commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten?


De heer Brinkman:

Nee, bepaald niet. Om te beginnen is er in ons parlementaire stelsel geen seniorenconvent. Anders dan een voorgesprek over Suriname dat is uitgemond in een officieel overleg met de commissie over een onderwerp dat tot de taak van de commissie hoorde, kan ik mij niets soortgelijks herinneren. Wij hebben systematisch afgehouden dat er zoiets zou moeten komen. Het kabinet dat er in de periode 1989-1994 was, heeft hier ook niet op aangedrongen. Bovendien spraken wij in de praktijk echt over de operationele gegevens, omdat het kabinet deze binnen bracht. Wij spraken over gewoonten en gebruiken. Ik zal er maar weer een voorbeeld van noemen. Als het ging over de positie van de inlichtingendienst in het buitenland, de kwestie Suriname en andere onderwerpen, kwamen er inderdaad operationele gegevens op tafel. Als het ging over de vraag of het beleidsmatig en juridisch door de beugel kon, werd dat steeds doorverwezen naar de betrokken commissie, meestal de commissie voor politie en justitie. In de verslagen van de openbare kamervergaderingen wordt regelmatig verwezen naar vergaderingen die de commissie voor politie en justitie hield, bijvoorbeeld als het ging om opsporingsmethodieken. Wij hebben ons dus niet bezig gehouden met de vraag of een bepaalde opsporingsmethodiek als zodanig juridisch door de beugel kon. Noot

9.7.2 Beoordeling

De commissie is van oordeel dat het parlement onvoldoende oog heeft gehad voor de samenhang tussen de vele wetsvoorstellen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De Tweede Kamer heeft naar het oordeel van de commissie onvoldoende oog gehad voor de rechtsstatelijkheid van de opsporing. De proactieve fase is geen onderwerp geweest van een diepgaand debat tussen regering en parlement. Er was een constante druk vanuit kabinet, justitie en politie om tot wetgeving te komen die politie en justitie meer bevoegdheden gaven om de georganiseerde criminaliteit te kunnen bestrijden. Die druk is door de Kamer niet weerstaan. Integendeel, ook zij heeft aangedrongen op een krachtige bestrijding van deze vorm van criminaliteit. De commissie is van oordeel dat de Tweede Kamer bij haar wetgevende activiteiten meer aandacht had moeten besteden aan de normering van de opsporingsmethoden en het functioneren van de organisatie van de opsporing.

De Tweede Kamer heeft de regering niet verzocht te komen met een beter kwalitatief beeld van de georganiseerde criminaliteit. De commissie constateert dat de kamer geen bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van een beter beeld van de georganiseerde criminaliteit.

De commissie acht het onwenselijk dat in de toekomst in de Commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderwerpen worden besproken die geen directe relatie hebben met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De commissie meent dat indien de ministers de Kamer vertrouwelijk willen inlichten over opsporingsmethoden of georganiseerde criminaliteit zij dat moeten doen via het inlichten van de vaste commissie voor Justitie. De commissie acht het onwenselijk dat de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten gaat functioneren als de geheime commissie van de Kamer.

 

HOOFDSTUK 10 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

 

10.1 Verantwoording

De commissie had de drieledige opdracht om onderzoek te doen naar:
a aard, omvang en ernst van de zware, georganiseerde criminaliteit;
b de feitelijke toepassing, de rechtmatigheid, het verantwoord zijn en de effectiviteit van de opsporingsmethoden;
c de organisatie, het functioneren van en de controle op de opsporing.
De commissie heeft zich ten doel gesteld deze punten te onderzoeken met het oog op de gewenste normering van opsporingsmethoden. Voor een goede normering is kennis van de drie genoemde onderdelen van de opdracht onontbeerlijk. Daarop heeft een belangrijk gedeelte van het onderzoek zich gericht. Evenzeer is nodig te beschrijven waarom bij de opsporing grote en kleine ontsporingen hebben plaatsgevonden. Die beschrijving is noodzakelijk om verantwoorde voorstellen te kunnen doen ter verbetering van de organisatie van en de controle op de opsporing.

De kernvraag is waarom niet is gehandeld volgens de gouden stelregel: geen bevoegdheid zonder verantwoordelijkheid, geen verantwoordelijkheid zonder verantwoording. Normering van opsporingsmethoden is niet los te zien van de noodzaak van betere verantwoording, beter werken en betere controle. Het werk van de commissie heeft zich om die reden ook gericht op voorstellen die de gebleken crisis in de opsporing kunnen oplossen. Het opbouwen van vertrouwen is meer dan het resoluut stellen van nieuwe regels. In de loop van de openbare verhoren is dat de commissie extra duidelijk geworden. Daarom heeft zij het evenzeer tot haar taak gerekend aan het herstel van vertrouwen veel aandacht te besteden.

 

Meer dan een «IRT-enquête»

De Delta-methode die door het IRT Noord-Holland/Utrecht en een aantal politieregio's is gehanteerd, vormde een belangrijk onderdeel van het onderzoek van de commissie. Hoewel velen het onderzoek van de commissie als de «IRT-enquête» hebben betiteld, bestrijken de uitkomsten van het onderzoek een veel omvangrijker terrein dan louter onderzoek naar de IRT-affaire. De opdracht van de commissie was veel breder en daartoe was ook alle aanleiding. Er bestond grote onduidelijkheid over zowel de juridische grondslag als de sturing en controle van veel opsporingsmethoden. Zoveel was al gebleken in het rapport van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden.

 

Methoden

De commissie heeft systematisch aandacht besteed aan alle opsporingsmethoden. In 1994 en 1995 werd bovendien in verschillende rechtszaken en in vele artikelen in pers en vakliteratuur aan de orde gesteld dat door de politie gebezigde opsporingsmethoden mogelijk onrechtmatig waren en dat het veelal aan de mogelijkheden of bereidheid tot controle op opsporingsmethoden ontbroken had. Een voorbeeld hiervan was het algemeen bekend worden van inkijkoperaties waarvan de mogelijke onrechtmatigheid een diepgaande juridische discussie veroorzaakte. Kamerleden hadden, zo bleek uit kamervragen, nog nooit van inkijkoperaties gehoord.

Overeenkomstig haar opdracht heeft de commissie alle veronderstelde en daadwerkelijk gehanteerde opsporingsmethoden aan onderzoek onderworpen. Zij is daarbij niet op geheel nieuwe en onbekende methoden gestuit. Wel heeft zij een veel beter inzicht verworven dan naar voren komt in het rapport van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden, Opsporing gezocht.

 

Organisaties

De commissie heeft krachtens haar opdracht de bij de opsporing op enigerlei wijze betrokken organisaties nader onderzocht. Het onderzoek is gericht geweest op alle lagen van deze organisaties van de de rechercheur tot de minister.
De juiste en verantwoorde toepassing van opsporingsmethoden is altijd afhankelijk van degenen die de bevoegdheid uitoefenen en van hen die daarop krachtens hun verantwoordelijkheid dienen toe te zien. De kwaliteit van de betrokken organisaties en de manier waarop functionarissen hun bevoegdheden feitelijk uitvoeren, zijn derhalve mede bepalend voor de rechtmatigheid, de effectiviteit en het verantwoord zijn van de opsporing en de opsporingsmethoden. Even belangrijk is de manier waarop gezag wordt aanvaard, samengewerkt wordt, beleid wordt uitgevoerd en in al deze opzichten verantwoordelijkheid wordt genomen. De conclusies en aanbevelingen van de commissie hebben daarom ook betrekking op de organisatie van politie, justitie en andere instellingen in het domein van de rechtshandhaving, hun onderlinge verhoudingen, de uitoefening van gezags- en beheersverantwoordelijkheden (op decentraal en centraal niveau) en de toetsing van de opsporing, zowel door de rechter als door de politieke gezagsdragers en volksvertegenwoordiging.

 

Aard, omvang en ernst van de georganiseerde criminaliteit

Aard, omvang en ernst van de georganiseerde criminaliteit in Nederland zijn nader onderzocht. Dit is onder verantwoordelijkheid van de commissie gebeurd door de onderzoeksgroep-Fijnaut. Deze onderzoeksgroep heeft naar het oordeel van de commissie het op dit moment best mogelijke beeld van de georganiseerde criminaliteit in Nederland gegeven.

Beter inzicht is van belang voor de prioriteitenstelling bij en de keuze van opsporingsonderzoeken. Dat inzicht is ook van grote betekenis voor de wijze waarop een realistische en effectieve strategie wordt ontwikkeld om georganiseerde criminaliteit te bestrijden en overheid en samenleving te beschermen tegen de ongewenste beïnvloeding door de georganiseerde criminaliteit. Georganiseerde criminaliteit is altijd gekoppeld aan illegale goederen en diensten. Inzicht in de werkelijkheid van de georganiseerde criminaliteit dient de wetgever ook om vast te stellen hoever de bevoegdheden van politie en justitie moeten reiken om georganiseerde criminaliteit op te sporen.


10.2 Crisis in de opsporing

Voordat de commissie de specifieke conclusies van haar onderzoek geeft, wil zij een aantal meer algemene conclusies trekken. De commissie is van oordeel dat sprake is van een crisis in de opsporing. Deze crisis in de opsporing kent drie elementen: ontbrekende normen, een niet goed functionerende organisatie en problemen in de gezagsverhoudingen.

In de eerste plaats constateert de commissie dat sprake is van een normeringscrisis. Het ontbreekt aan een adequate normstelling voor het optreden van politie en justitie tegen de georganiseerde criminaliteit. Er is naar het oordeel van de commissie in de eerste plaats door wetgever maar ook door de rechter te veel ruimte gelaten voor politie en justitie. Niemand weet precies waar men aan toe is bij het gebruik van opsporingsmethoden. Dit gebrek aan normstelling heeft ertoe kunnen leiden dat in Nederland op heel verschillende wijzen opsporingsmethoden worden ingezet.

Politie en justitie hebben langere tijd opsporingsmethoden kunnen gebruiken zonder dat een adequate normstelling aanwezig was. De commissie heeft in verschillende gevallen verwarring aangetroffen bij politie en justitie over de de toepassing van opsporingsmethoden. Wat mag wel en wat mag niet? Wie is verantwoordelijk binnen de rechtsstaat en wie niet? Bij opsporing is in toenemende mate sprake van een rechtersstaat. De jurisprudentie bepaalt voor een te groot gedeelte de normen van de opsporing. Normering vooraf, een fundamentele eis in de rechtsstaat, is te lang achterwege gebleven.

In de tweede plaats is er sprake van een organisatiecrisis. Er is een bijzonder groot aantal afzonderlijke organisaties betrokken bij de opsporing. Gebrekkige coördinatie levert veel problemen op. Organisaties werken vaak niet met elkaar samen, maar werken elkaar eerder tegen. Vastlegging van activiteiten heeft veelal onvoldoende plaats.

De organisatiecrisis manifesteert zich naar het oordeel van de commissie vooral in onduidelijke besluitvorming over wie nu waarvoor daadwerkelijk verantwoordelijk is. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van vele betrokkenen zijn diffuus. De commissie is van oordeel dat dringend behoefte bestaat aan meer duidelijkheid over wie de verantwoordelijkheid dragen voor de opsporing in Nederland. Daarbij benadrukt de commissie dat het verwijzen naar de wettelijke structuur, met de toespitsing op de officier van justitie, te eenvoudig is. De praktijk van de opsporing toont immers dat de feitelijke verantwoordelijkheid gespreid is over vele functionarissen. Opheldering en wellicht vereenvoudiging is noodzakelijk. In de derde plaats heerst een gezagscrisis. Het gezag over de opsporing staat ter discussie. Het gezag van het OM over de politie, voorzover het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft, is weliswaar terug te voeren tot een expliciete wettelijke opdracht van bevoegd gezag over de politie, maar is daarmee in de praktijk
van de opsporing nog niet vanzelfsprekend. Veel officieren van justitie kost het grote moeite hun gezag daadwerkelijk te laten gelden. Hun gezag is meer een afgeleide van de preponderante positie van de politie. Daarbij komt dat de commissie heeft moeten constateren dat over de wijze en de inhoud van de gezagsuitoefening door het OM zeer verschillende meningen bestaan, ook binnen het OM zelf. Over gezag dient niet te veel te worden gediscussieerd. Maar de gezagsconceptie voor en van het OM varieert nog altijd van de «super-rechercheur die dag en nacht boven op de zaak zit» tot «sturing op (grote) afstand». Bovendien bestaan bij het OM sterk uiteenlopende opvattingen over de normering van de opsporingsmethoden, op zijn minst variërend van «rekkelijken» tot «preciezen».

De gezagscrisis is versterkt door onduidelijkheden in de relatie tussen gezag en beheer, en door de daarmee samenhangende bestuurlijke lijdelijkheid met betrekking tot de opsporing. De complexe verhouding tot de beheersverantwoordelijkheid maakt de gezagscrisis des te moeilijker op te lossen. Het OM heeft teveel hooi op zijn vork genomen door een algemene regierol in de rechtshandhaving op te eisen. Het OM dient zich in de eerste plaats te concentreren op zijn kerntaken: strafzaken en het gezag over de politie, zoals ook verwoord in het «Plan van Aanpak».

De gezagscrisis doet zich niet in heel Nederland even sterk voor. Zij heeft zich vooral in het ressort Amsterdam gemanifesteerd, maar is ook elders zichtbaar. De onderlinge verhoudingen tussen functionarissen en organisaties in de opsporing zijn soms slecht. In een aantal gevallen zijn de persoonlijke verhoudingen tussen politie en justitie op zo verstoord dat van een werkbare situatie geen sprake meer kan zijn. De commissie acht het noodzakelijk dat gezag wordt uitgeoefend. Zij stelt daarbij vast dat de verstoring van persoonlijke verhoudingen niet synoniem is met een gezagscrisis, maar veeleer die gezagscrisis op een schrille wijze demonstreert.

De crisis in de opsporing gaat diep. Zij raakt de legitimiteit van de rechtshandhaving. Het gaat om ernstige problemen binnen een essentieel deel van de democratische rechtsstaat. De beginselen van de democratische rechtsstaat zijn geen boekenwijsheid maar vormen de grondslag voor een levende rechtsstaat die geen ongetoetst, beter nog ongecontroleerd domein in de rechtshandhaving en opsporing duldt. Een vrij politiebedrijf is ongepast.

De verschillende machten in de staat dienen hun verantwoordelijkheid te nemen. De wetgever dient het gebruik en de organisatie van de opsporingsmethoden te normeren. De uitvoerende macht dient op te sporen en te vervolgen volgens de normen van de wetgever. De rechterlijke macht dient de toepassing van het gebruik van de methoden aan deze normen te toetsen. De balans tussen de machten laat niet toe dat de rechtsstaat zich tot een «rechtersstaat» ontwikkelt. Zo'n ontwikkeling zou afbreuk doen aan het vertrouwen in de democratische rechtsstaat waarin regering en parlement de belangrijkste regels stellen. De opvattingen over gezag en verantwoordelijkheden bij justitie, bestuur en politie dienen eenduidig te zijn. Dit geldt voor de werkelijke uitoefening van het gezag over de politie. Maar het geldt evenzeer voor de mogelijkheden voor de politie om haar professionele verantwoordelijkheid te dragen, en over haar handelen verantwoording af te leggen. Gezag over de opsporing moet uitgeoefend worden, verantwoordelijkheid voor de opsporing moet actief worden genomen. Alle betrokkenen bij de opsporing, zowel in gezags- als uitvoerende posities, dienen zich hiernaar te gedragen. Herstel van de verhoudingen vraagt kracht van het bevoegd gezag en de bereidheid van de politie zich in ondergeschiktheid te voegen.

Bij deze crisis in de opsporing gaat het niet om een probleem dat met enkele resolute maatregelen op korte termijn kan worden opgelost. Noodzakelijk is een herziening van het functioneren van de opsporing, zodat ook voor de langere termijn oplossingen tot stand komen. Een complexe crisis leent zich niet voor eenvoudige oplossingen.


10.3 Aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit

 

A. Definitie

De commissie neemt de definitie van georganiseerde criminaliteit van de onderzoeksgroep-Fijnaut over. Van georganiseerde criminaliteit is sprake wanneer groepen van personen die

De commissie concludeert dat aan het beleid ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit van de afgelopen jaren een beter kwalitatief en kwantitatief onderbouwd inzicht ten grondslag had moeten liggen. De analyses van de CRI hebben dat inzicht niet kunnen geven. Dat had veel discussie en verschil van inzicht kunnen voorkomen, en had de centrale prioriteitenstelling van de onderzoeken door de kernteams kunnen versterken. De verantwoordelijke ministers en het parlement zouden dan in staat zijn geweest tot een betere beoordeling van de ernst van de situatie en tot effectiever beleid.

De commissie meent dan ook dat het de voorkeur verdient in de toekomst op vergelijkbare wijze als de onderzoeksgroep Fijnaut heeft gedaan, het beeld van de georganiseerde criminaliteit te verfijnen. Daarbij zijn zowel landelijke studies als lokale of sectorgewijze analyses van belang.

C. Differentiatie

De commissie concludeert uit het onderzoek dat het karakter van de georganiseerde criminaliteit sterk gedifferentieerd is. «De» georganiseerde criminaliteit bestaat niet, net zo min als in Nederland enige indicatie is gevonden voor alles overheersende en zeer grootschalige misdaadondernemingen van een «octopus-achtig» karakter, die vergelijkbaar zijn met de Italiaanse mafia.

Desondanks meent de commissie dat er zeer zeker redenen zijn voor zorg en verontrusting. Er zijn in Nederland verschillende typen georganiseerde criminaliteit aangetoond, evenals verschillende soorten criminele organisaties. De effecten van de georganiseerde criminaliteit verschillen zeer en zijn afhankelijk van de aard van de organisaties, de markten waarop wordt geopereerd, en zelfs van de stad en regio waar de criminaliteit zich voordoet.

 

D. Handel in drugs

De georganiseerde criminaliteit in Nederland bestaat voor het overgrote deel uit handel in drugs. Andere illegale markten, zoals wapenhandel en vrouwenhandel, komen zeker voor en vormen op zichzelf een ernstig probleem, maar de omvang en omzet zijn veel geringer.

Bij de drugcriminaliteit gaat het om illegaal geld en geweld als functie van de illegale markt. De investeringen van crimineel verdiend geld worden gedaan rond de illegale markten in de horeca of het onroerend goed (zoals in Amsterdam en Arnhem). Buitenlandse groepen investeren het crimineel verdiende geld vooral in het buitenland. De grootste bedreigingen gaan uit van de macht van witgewassen en illegaal geld, het gebruik van afpersing en geweld, en de pogingen tot corruptie van de overheid.

Georganiseerde fraudecriminaliteit levert soms ook miljoenen guldens op en gaat gepaard met meer «verweving» van «onderwereld» en «bovenwereld». Bij de georganiseerde fraudecriminaliteit spelen geweld en gewelddadige afscherming een geringere rol.

 

E. Hollandse netwerken

De betrokkenheid van de «Hollandse netwerken» bij de drugeconomie is voor een deel terug te voeren op de traditie van smokkelaars. De Nederlandse netwerken handelen en smokkelen maar hebben de produktie niet in handen, met uitzondering van amfetamine, syntetische drugs en in geringe mate nederweed. Het merendeel van deze smokkelwaar is niet bestemd voor de Nederlandse markt. De Nederlandse groepen zijn in meer of mindere mate georganiseerd, werken soms samen en bestrijden elkaar ook met geweld. Binnen dit milieu komen liquidaties voor, maar in mindere mate dan binnen etnische criminele groepen in Nederland. Er is geen Nederlandse «supermafiabaas» in de onderwereld en al helemaal niet in de bovenwereld. De schatting van enkele tientallen autochtone criminele groepen (tussen de dertig en de veertig) die in Nederland goed georganiseerd actief zijn, acht de commissie reëel.

 

F. Allochtone en buitenlandse groepen

Allochtone en buitenlandse groepen spelen een grote rol in de drughandel die direct verbonden is met de drugeconomie in de landen van herkomst. Dat geldt in het bijzonder groepen in de Surinaamse, Marokkaanse
en Turkse gemeenschap. Zij zijn gespecialiseerd in respectievelijk handel in cocaïne, hasj en heroïne. Winsten worden veelal niet witgewassen in Nederland maar geïnvesteerd in de landen van herkomst en op de internationale markt.

De commissie heeft voorts moeten constateren dat de verwevenheid van allochtone en buitenlandse groepen met politieke en economische machthebbers in de herkomstlanden in sommige gevallen verontrustend groot is. De commissie wijst in het bijzonder op Surinaamse en in mindere mate op Marokkaanse relaties. De commissie is van oordeel dat de internationale betrekkingen de intensieve bestrijding van georganiseerde criminaliteit niet in de weg mogen staan.

De commissie constateert dat politie en justitie aanmerkelijk minder informatie hebben over allochtone en buitenlandse groepen dan over Nederlandse netwerken. Dit heeft tot gevolg dat minder onderzoek van politie en justitie naar deze groepen gedaan wordt. Dat is zorgelijk, nu uit het onderzoek en de verhoren is gebleken, zelfs wanneer precieze getallen niet te geven zijn, dat in de Surinaamse, Marokkaanse en Turkse gemeenschappen in Nederland de directe of indirecte betrokkenheid bij georganiseerde criminaliteit uit het herkomstland onrustbarend groot is. Deze feiten mogen niet gebagatelliseerd worden, want zij kunnen leiden tot marginalisering, die in de eerste plaats de etnische gemeenschappen zelf grote schade toebrengen. Het gaat naar het oordeel van de commissie niet aan dat de politie zou berusten in dit probleem (in politiekringen is gesproken over «Turkenmoeheid») in plaats van het te bestrijden.

 

G. Drugbeleid

Hoewel het drugbeleid als zodanig buiten het kader van het onderzoek valt, heeft de commissie wel enige aandacht geschonken aan de relatie tussen het drugbeleid en de georganiseerde criminaliteit. Vast staat dat de hasjhandel in de jaren zeventig en tachtig relatief ongemoeid is gelaten, waardoor de handelaren toen meer ruimte hebben gekregen. De groothandel om de coffeeshops te bevoorraden kwam mede daardoor in handen van criminelen. Ondanks intensivering van de opsporing van hasjhandel sinds het eind van de jaren tachtig, is Nederland een belangrijke schakel in de internationale drugeconomie gebleven. Over de vraag of vanuit deze optiek verdere regulering of zelfs legalisering van het gebruik van en de handel in softdrugs en moglijk XTC wenselijk en/of noodzakelijk is, is de commissie verdeeld.

Ten aanzien van de effecten van liberalisering van het beleid voor de volksgezondheid, internationale betrekkingen en verschuivingen naar andere illegale markten en activiteiten, lopen de inschattingen en opvattingen binnen de commissie uiteen.

Een deel van de commissie meent dat verantwoorde liberalisering een groot positief effect zal hebben op de aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit. Het andere deel van de commissie is hiervan niet overtuigd. Dat neemt niet weg dat de gehele commissie oog heeft voor de paradox in de drugbestrijding: een verbod schept, zolang de vraag blijft bestaan, illegale handel en vormt aldus een voedingsbodem voor georganiseerde criminaliteit.

 

H. Verwevenheid onderwereld en bovenwereld

Van verwevenheid van de legale «bovenwereld» in het algemeen en de criminele «onderwereld» is niet gebleken. De legale branches in ons land blijken in het algemeen niet door de georganiseerde criminaliteit te zijn geïnfiltreerd.

Een uitzondering moet gemaakt worden voor de horeca-sector. De horeca-sector is doelwit van crimineel wit te wassen geld, het investeren van criminele vermogens en afpersingspraktijken. Ook de kwetsbaarheid van de transportsector voor de smokkel van illegale goederen is opvallend. De gelegenheidsstructuur die de afvalbranche, de autobranche en de bouwnijverheid bieden, is verontrustend. Voor de branches geldt dat de scheidslijn tussen organisatiecriminaliteit (ondernemers die binnen hun legale beroep of bedrijf illegaal handelen) en georganiseerde criminaliteit soms flinterdun is.

 

I. Fraude

De meeste grote fraude- en milieuzaken behoren volgens de commissie niet tot de georganiseerde criminaliteit, maar zijn voorbeelden van organisatiecriminaliteit. Daarmee is organisatiecriminaliteit niet minder ernstig, maar wel van een andere aard. In de onderzochte zaken is sprake van honderden miljoenen guldens schade aan het algemeen belang. De vermenging met de bovenwereld is duidelijker aanwezig dan in de klassieke drugcriminaliteit.

De commissie is verontrust over het gebleken gebrek aan zicht op financieel-economische criminaliteit van de kant van criminele groepen. Vormen van zeer professionele fraude en witwas-constructies zijn nog grotendeels
onbekend terrein voor politie en justitie. Uit het onderzoek van de commissie is gebleken dat deze verschijningsvorm van georganiseerde criminaliteit buitengemeen schadelijk kan zijn voor het functioneren van de economie en de concurrentieverhoudingen ernstig in kan beïnvloeden.

 

J. Vrije beroepsgroepen

Advocaten, notarissen en accountants zijn niet structureel betrokken bij deze vorm van criminaliteit. Verwijtbare betrokkenheid bij georganiseerde criminaliteit komt incidenteel voor. Deze incidenten zijn serieus te nemen. Deze beroepsgroepen hebben inmiddels maatregelen genomen om verwijtbare betrokkenheid tegen te gaan.

K. Contra-strategieën

Een aantal, voornamelijk «Hollandse», groepen en netwerken probeert het werk van politie en justitie actief te frustreren met contra-strategieën. Het observeren, intimideren, afluisteren, bedreigen en corrumperen van functionarissen van politie en justitie vormen een bedreiging voor de rechtshandhaving. Van mediamanipulatie is de commissie niet gebleken. De commissie heeft geen van afhankelijkheidsrelaties of ongewenste contacten tussen journalisten en de criminele wereld aangetroffen. Dat geldt ook voor de twee journalisten van de Telegraaf naar wie door officier van justitie Gonzales en teamleider Dros van het kernteam Randstad Noord en Midden onderzoek is gedaan. Het was onjuist de belastingdossiers van de journalisten te lichten. Wel bestaat wederzijdse beïnvloeding van journalisten en criminelen. Ongetwijfeld tracht het criminele milieu informatie te verspreiden om het werk van politie en justitie te bemoeilijken. Van corruptie is incidenteel gebleken op het lagere en middenniveau van de overheid, te weten bij politie, gemeentelijke diensten en het gevangeniswezen. Binnen de politie blijven gevallen van ongewenste contacten en corruptie voorkomen. Van corruptie in de top van het politieel, bestuurlijk of justitieel apparaat is niet gebleken. Tegen een enkele officier van justitie is een onderzoek gestart dat niet geleid heeft tot een vermoeden van corruptie. Geuite verdenkingen tegen gemeentebestuurders, rechters en andere officieren van justitie zijn bij enige criminele inlichtingendiensten aangetroffen maar zijn wegens gebrek aan enig overtuigend bewijs terzijde gelegd. Er hebben de commissie enkele verhalen over corrupte rechters en officieren van justitie bereikt, maar enig redelijk vermoeden dat terzake werkelijk sprake is van corruptie, heeft de commissie niet.

Criminelen blijken er soms van overtuigd te zijn ambtenaren te hebben omgekocht via tussenpersonen, terwijl in feite slechts een informant van de politie is betaald. Bij de toepassing van de Delta-methode blijkt door de politie ook gewerkt te zijn met informanten/infiltranten die in het milieu het verhaal moesten uitzetten dat ze gebruik maakten van «platte» douane-en politieambtenaren. Door deze handelingen heeft de overheid voedsel gegeven aan het idee dat de crimineel graag voor geloofwaardig houdt: de overheid is voor geld te koop. Die suggestie van de kant van de overheid is onaanvaardbaar.

 

L. Aard, omvang en ernst

De aard van de georganiseerde criminaliteit is gedifferentieerder dan werd aangenomen. De groepen opereren op zeer uiteenlopende wijzen. Van strakke hiërarchische lijnen is minder sprake dan werd aangenomen. De georganiseerde criminaliteit in Nederland bestaat voor het merendeel uit handel in drugs. De ernst van de georganiseerde criminaliteit is vooral gelegen in het grote illegale gewin van honderden miljoenen guldens, de economische macht die daaruit voortkomt, de afpersing, het geweld en de geslaagde pogingen zich van de overheidsmacht af te schermen. Daarnaast speelt schade in andere opzichten een rol. In delen van Amsterdam en Arnhem dreigt de georganiseerde criminaliteit teveel macht in bepaalde wijken te krijgen. Dat geldt in het bijzonder voor de horeca-sector.

De omvang van de georganiseerde criminaliteit laat zich niet verantwoord in harde cijfers uitdrukken - noch naar omzet noch naar aantallen groepen. Daarvoor is het beeld te gedifferentieerd.

M. Prioriteiten

Alles overziende trekt de commissie de conclusie dat georganiseerde criminaliteit in Nederland een ernstig probleem vormt dat krachtige bestrijding verdient. De bestrijding van de georganiseerde criminaliteit dient niet alleen door politie en justitie plaats te vinden. Het is van minstens zo groot belang dat bestuurlijke en beleidsmatige maatregelen worden genomen tegen pogingen van criminele groepen om zich te nestelen in kwetsbare delen van de samenleving. Daarbij wijst de commissie onder meer op de etnische gemeenschappen in ons land.
De differentiatie in vormen van georganiseerde criminaliteit en typen criminele groepen dient naar het oordeel van de commissie ook gevolgen te hebben voor de prioriteitenstelling van politie en justitie. Het simpelweg opstellen van top-tien of top-honderd-lijstjes, die gebaseerd zijn op niet meer dan een aantal algemene criteria, volstaat volgens de commissie niet.

De commissie meent dat aanmerkelijk meer aandacht moet worden geschonken aan vormen van financieel-economische criminaliteit die voor de economische en sociale orde zeer schadelijk kunnen zijn. Tevens dient veel meer aandacht te worden besteed aan georganiseerde criminaliteit binnen etnische groepen, die een desastreuze uitwerking kan hebben op de maatschappelijke positie van minderheden in onze samenleving. Bovendien is de commissie van oordeel dat naast het bestrijden van de top van criminele organisaties meer aandacht moet worden besteed aan de opsporing en vervolging van de uitvoerders en de middengroepen in de georganiseerde criminaliteit.


10.4 De Delta-methode

 

10.4.1 Uitvoering Delta-methode

 

A. Delta-methode onverantwoord

De Delta-methode is als opsporingsmethode onverantwoord. De commissie heeft niet kunnen vaststellen dat de methode toegepast is met inachtneming van de richtlijnen infiltratie. De combinatie van de volgende elementen:

a. het doorlaten van grote partijen drugs;
b. de te onafhankelijke positie van de criminele burgerinfiltrant;
c. het behoud van de criminele winsten;
d. de faciliterende rol van de politie, en;
e. het gebruik van criminele gelden door de politie leidt tot dit oordeel. De commissie wijst de methode af. De methode blijkt nauwelijks te sturen en te controleren. Informanten hebben een te grote invloed gekregen op het functioneren van politie en justitie. De politie heeft gebruik gemaakt van crimineel geld om vervoermiddelen en communicatie-apparatuur aan te schaffen en loodsen te huren. Het overheidsapparaat is gegijzeld door de gang van zaken. De commissie is tot het oordeel gekomen dat de informanten zoveel ruimte kregen dat politie en justitie te afhankelijk van hen werden. De controle door het OM op de feitelijke gang van zaken was onvoldoende en soms compleet afwezig. Het doel van criminaliteitsbestrijding wordt voorbijgeschoten indien grote partijen softdrugs worden doorgelaten om te trachten organisaties in beeld te brengen.

 

B. Rol informant

De burgerinfiltrant heeft er belang bij dat de methode doorgaat. Hij mag immers zijn criminele winsten behouden en zal, des te langer het traject duurt, blijven bewijzen dat hij in staat is verdovende middelen «binnen te brengen». Het idee om de «groei-informant» vertrouwen te laten winnen binnen de kring van hoofdverdachten is natuurlijk creatief, maar onwenselijk indien dit gepaard moet gaan met het plegen van allerlei zware strafbare feiten. De commissie heeft uit de geraadpleegde stukken overigens niet de overtuiging gekregen dat de informant al het vertrouwen had gewonnen van de zogenaamde top van de criminele organisatie. Daarbij komt dat in het geval van de Delta-onderzoek veel informatie gegenereerd is over het middenkader van de doelgroep, maar zeer weinig over de hoofdverdachten.

 

C. Kennis en verantwoordelijkheid

De commissie is van oordeel dat de betrokken politiefunctionarissen en de FIOD-medewerker, wier rollen in hoofdstuk 3 uitgebreid beschreven zijn, het OM, de FIOD en de korpsleidingen absoluut onvoldoende hebben ingelicht over de werkelijke gang van zaken. Maar zwaarder weegt nog dat de verantwoordelijke procureurs-generaal, hoofdofficieren en officieren, en de leiding van de verschillende politiekorpsen niet hun verantwoordelijkheid hebben uitgeoefend door ervoor te zorgen voldoende op de hoogte te geraken van de methoden die de verschillende CID-en hanteerden. De geslotenheid van het opsporingsonderzoek (embargo) is ten onrechte als excuus gebruikt voor het niet doorvragen naar de precieze gang van zaken bij de uitvoering van de methode.

 

D. XTC-traject


De commissie wil tevens een oordeel geven over de XTC-transporten naar Engeland. Bij deze XTC-transporten zijn, zo moet de commissie aannemen, miljoenen XTC-pillen bewust doorgelaten en op de markt terecht gekomen.

De commissie constateert dat bij één van deze transporten een peilbaken op de vrachtwagen is geplaatst door de Dienst technische operationele ondersteuning. Het IRT had kennelijk voldoende vermoeden van strafbare feiten om een peilbaken te laten plaatsen. Aangezien het in de ogen van de dienst in Driebergen ging om een politievoertuig is hiervoor geen expliciete goedkeuring van een officier van justitie gevraagd of gegeven. De commissie constateert dat de officieren Van der Veen en Wortel de departementsleiding onvoldoende hebben ingelicht. Het gegeven van het peilbaken is niet aan het ministerie van Justitie gemeld door Van der Veen, noch het feit dat een gerechtelijk vooronderzoek was geopend. Hij heeft slechts gesproken over CID-operaties. De Kamer is terzake onvolledig en onjuist door de minister geïnformeerd. Er was sprake van een meer dan vaag vermoeden. De minister heeft hierover inmiddels op 10 oktober een brief aan de Kamer geschreven. De vertrouwelijkheid van de operatie is ten onrechte gebruikt om geen extra informatie te geven. De commissie komt tot de conclusie dat niet naar Engeland is getipt.

De commissie constateert dat de Nederlandse autoriteiten de Engelse autoriteiten hadden moeten inlichten. Er was naar het oordeel van de commissie voldoende informatie om zelf in te grijpen of de Engelse overheid op de hoogte te stellen van de verdenking van transporten XTC naar Engeland.

E. Informatie IRT-onderzoek

In het ressort Amsterdam is, zo heeft de commissie vastgesteld, het besluit gevallen de informatie van het oude IRT niet meer in andere en nieuwe zaken te gebruiken. De commissie acht het noodzakelijk dat nader bezien wordt welke informatie uit het IRT-onderzoek nog gebruikt kan worden in lopende of te starten strafrechtelijke onderzoeken. Mocht het hiermee mogelijk zijn ernstige strafbare feiten, zoals de moord op de Alkmaarder J. van der Heiden, alsnog op te lossen, dan dient dat besluit heroverwogen te worden.

F. Afbouw informanten

De zogeheten afbouw van informanten, beter gezegd het beëindigen van de relatie tussen informanten en politie, heeft tot ongewenste situaties geleid. Onder druk van een informant die stelde zich bedreigd te voelen is alsnog 6.000 kilo softdrugs doorgelaten. Ook in andere trajecten bleek het meer dan eens noodzakelijk dit soort doorlatingen toe te staan. Dat is onverantwoord, zeker nu de verantwoordelijken in feite niet wisten welke risico's moesten worden afgewogen.

De commissie acht het onverantwoord dat de overheid in een situatie is gemanoeuvreerd dat zij een informant moet afkopen met een bedrag van 2 miljoen gulden. Dat wijt de commissie aan onzorgvuldig optreden van politie-ambtenaren en aan de onverantwoord grote machtspositie die de informant in de loop der jaren door zijn kennis had weten op te bouwen.

 

G. Saptraject

Politie en justitie hebben zich bij de toepassing van de Delta-methode onvoldoende rekenschap gegeven van wat er met de dekladingen van de transporten drugs moest gebeuren. Het is niet meer te achterhalen of de sapman daadwerkelijk als informant van de CID Kennemerland ingeschreven is geweest. Vast staat wel dat er een veel te intensieve relatie tussen de sapman en CID-rechercheurs Langendoen en Van Vondel is geweest. Er waren allerlei ongewenste vermengingen van zakelijke en privé-relaties. De commissie acht het onaanvaardbaar dat Langendoen en Van Vondel aan de sapman een borgrekening onder een valse naam ter beschikking stelden, om zijn zwart verdiende geld op weg te zetten. Op die manier wordt, zonder dat daartoe een directe noodzaak bestaat, de overheid betrokken bij strafbare handelingen. De controle op het gebruik van deze borgrekening is volstrekt onvoldoende geweest. De verklaringen hoeveel geld de sapman heeft ontvangen van of via Langendoen en Van Vondel spreken elkaar tegen. De sapman verklaart dat hij veel miljoenen guldens heeft ontvangen van Langendoen en Van Vondel om in het buitenland een sapbedrijf op te zetten dat in nieuwe drugtrajecten gebruikt zou kunnen worden. Langendoen en Van Vondel ontkennen in hun verhoren ten stelligste dat zij daarvoor geld ter beschikking hebben gesteld. De zuster van Langendoen verklaart van Langendoen en Van Vondel geld te hebben ontvangen om schulden van het sapbedrijf te betalen.

De sapman heeft in ieder geval van Van Vondel tussen f.500.000 en een miljoen gulden ontvangen om te voorkomen dat hij de Rijksrecherche of de commissie zou vertellen wat zijn werkelijke rol is geweest. Dit geld is
volgens Van Vondel afkomstig van de criminele informant.
Het is onduidelijk of de betrokkenheid van Langendoen en Van Vondel verder gaat dan in het zogenoemde saptraject beschreven staat. De commissie blijft twijfelen of Langendoen niet van meer op de hoogte is geweest dan hij in de verhoren heeft verklaard. De verklaringen van de sapman aan de commissie, zij het niet onder ede gedaan, wijzen op het tegendeel. Het waarom van de betalingen door de informant aan de sapman via Van Vondel blijft onopgehelderd. Kan inderdaad een miljoen gulden betaald worden aan de sapman zonder dat er sprake is van verdergaande betrokkenheid bij mogelijke toekomstige drugstransporten? Hebben deze betalingen slechts tot doel gehad de sapman niet te laten verklaren voor de rijksrecherche en de commissie?

De commissie acht het aannemelijk, mede gezien de verklaringen van de sapman en de zuster van Langendoen, dat Langendoen en Van Vondel een te intensieve financiële betrokkenheid hadden bij het bedrijf in Zuid-Amerika met de bedoeling het bedrijf te kunnen gebruiken bij latere drugstransporten. De commissie acht het waarschijnlijk dat Langendoen en Van Vondel een te nauwe betrokkenheid hadden met informant 1, waardoor zij niet meer in staat waren onafhankelijk te functioneren van de wensen van informant 1. De commissie komt op dit onderdeel tot het eindoordeel dat de informant de betrokken politiefunctionarissen stuurde in plaats van andersom.

De commissie contateert dat er duidelijke tegenstrijdigheden bestaan tussen de verklaringen van de sapman en de zuster van Langendoen aan de ene kant en de onder ede afgelegde verklaringen van Langendoen en Van Vondel voor de enquêtecommissie aan de andere kant.

Meer in het bijzonder meent de commissie dat de verklaringen van beide getuigen ten aanzien van de betalingen die in het saptraject gedaan zijn niet geloofwaardig zijn.
Dit brengt de commissie tot het vermoeden dat Langendoen en Van Vondel opzettelijk verklaringen tegen de waarheid hebben afgelegd. Terzake heeft zij een desbetreffend proces-verbaal in handen gesteld van het openbaar ministerie.

Zij wil hierbij aantekenen dat slechts de rechter wettig en overtuigend bewezen kan achten dat meineed gepleegd is.

H. Dekmantelfirma's en valse identiteitsbewijzen

Er is gebruik gemaakt van dekmantelfirma's en valse identiteitsbewijzen. De commissie acht het gebruik van deze middelen in principe toelaatbaar. Bij haar onderzoek heeft de commissie moeten concluderen dat van enige controle op het gebruiken van de dekmantelfirma's en de valse identiteitsbewijzen geen sprake was. Betrokken politiefunctionarissen konden naar eigen goedvinden gebruik maken van deze middelen. Op het gebruik van de bedrijven en de firma's is geen enkele controle noch door het OM noch door de betrokken korpsleiding noch door de betrokken korpsbeheerder uitgeoefend. De commissie acht dit gebrek aan controle en sturing ongewenst.

 

I. Beveronderzoek Rotterdam

De belangrijke elementen van de Delta-methode komen ook in het Beveronderzoek weer terug. Het verschil is dat in het Beveronderzoek relatief meer partijen drugs in beslag zijn genomen. Van belangrijke punten waren noch de CID Rotterdam, noch de direct betrokken officier van justitie op de hoogte. Van Vondel runde zelfs een informant nadat hij de politie verlaten had. Dat laatste is natuurlijk onaanvaardbaar. De commissie is van oordeel dat de beide CID-officieren van justitie uit Rotterdam en Haarlem, R. de Groot en Kuitert, elkaar onvoldoende hebben geïnformeerd over de beslissingen die waren genomen. Op die manier ontstond er ruimte voor allerlei misverstanden over wie nu waarvoor goedkeuring had gegeven. De commissie acht de onduidelijkheid die bij deze methode heeft bestaan over de verantwoordelijkheid voor de activiteiten van de informant zeer onwenselijk. Het kan niet zo zijn dat de hoofdofficieren van justitie, De Beaufort en L. J. A. M. de Wit, elkaar de verantwoordelijkheid toeschuiven. De commissie is van oordeel dat de verantwoordelijkheden voor het runnen van de informant duidelijker hadden moeten worden vastgelegd. Dat neemt niet weg dat naast de primaire verantwoordelijkheid van het OM en de korpsleiding in Rotterdam ook het OM en de korpsleiding in Haarlem in ieder geval medeverantwoordelijk zijn geweest voor wat er in dit traject is gebeurd.

 

J. Gooi en Vechtstreek

Ook voor het gebruik van de methode in Gooi en Vechtstreek verwijst de commissie naar het oordeel over de methode als zodanig. Daarbij dient te worden aangetekend dat in Gooi en Vechtstreek veel meer partijen in
beslag zijn genomen.
In de regio Gooi en Vechtstreek zijn verschillende informanten overgenomen van de CID Kennemerland. De vroegere werkverhouding tussen de chefs CID zal daaraan niet vreemd zijn geweest. Ook in Gooi en Vechtstreek is gebruik gemaakt van crimineel geld om facilitaire diensten, zoals het huren van loodsen, te bekostigen. Dat is voor de commissie niet aanvaardbaar.

In Gooi en Vechtstreek doet zich een conflict voor tussen de CID-chef Van der Putten en het Amsterdamse OM. De verhoudingen tussen enkele betrokkenen bij politie en OM lijken onherstelbaar verstoord. De persoonlijke verschillen van beoordeling van methoden zijn dermate groot dat van een toekomstige effectieve samenwerking nauwelijks meer iets terecht kan komen. De commisie kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het stopzetten van de onderzoeken mede werd veroorzaakt door de slechte verhouding tussen betrokkenen. Het is het OM onvoldoende duidelijk geworden dat mede gebruik gemaakt werd van informanten afkomstig van de CID Kennemerland. Het is begrijpelijk dat het OM Amsterdam niet wilde ingaan op het verzoek van de politie Gooi en Vechtstreek voor het op verzoek van de informant doorlaten van 17.000 kilo drugs. De commissie is van oordeel dat het OM aanvankelijk aarzelend is opgetreden over het al dan niet geven van toestemming voor het 5.000 kilo traject waarbij mogelijk drugs op de markt zouden kunnen verdwijnen en crimineel geld zou worden gebruikt. De politie heeft de aarzeling van het OM begrepen als toestemming. De bandopnamen van telefoongesprekken laten echter duidelijk horen dat het OM in de persoon van Valente toestemming voor mogelijke trajecten intrekt. Naar de mening van de commissie had officier van justitie Valente duidelijker moeten aangeven aan CID-chef Van der Putten dat bepaalde trajecten niet toelaatbaar waren.

 

K. Criminele gelden en verdiensten

De commissie constateert dat informanten de gelden die zij verdienden met hun activiteiten voor de criminele organisaties mochten behouden. Enkele informanten hebben met medeweten van politie en justitie miljoenen verdiend. Tevens zijn met behulp van crimineel geld politie-activiteiten en -middelen gefinancieerd. De commissie acht het onaanvaardbaar dat informanten onder regie van politie en justitie ongestoord vele miljoenen kunnen verdienen. De commissie acht het eveneens onaanvaardbaar dat politie-activiteiten met crimineel geld worden gefinancieerd. Op die manier ontstaat naar het oordeel van de commissie een ongewenste vermenging van criminele belangen en de belangen van de opsporing.

L. Het faciliteren door de politie

Het faciliteren van criminele activiteiten en het zelf actief participeren daarin door de politie (bijvoorbeeld door het vervoeren van illegale goederen) anders dan door middel van politie-infiltratie, acht de commissie onaanvaardbaar. Het argument dat langs de weg van een «politie-bypass» betere controle op een druglijn mogelijk is, doet aan dit oordeel niet af, aangezien dit argument evenzeer geldt voor iedere voorafgaande of volgende schakel in de keten. Daarmee krijgt deze methode een geheel eigen dynamiek: de best gecontroleerde druglijn is een door politie en justitie gerunde druglijn.

M. Doorgelaten drugs

Op basis van de thans beschikbare gegevens komt de commissie tot de volgende bevindingen over doorgelaten containers met drugs in de beschreven trajecten. Door middel van ongeveer 50 containers is in totaal 285 ton softdrugs en 100 kilo cocaïne doorgelaten. De CID-Kennemerland heeft daarvan in ieder geval 32 containers voor haar rekening genomen. Van de 285 ton is terug te traceren dat waarschijnlijk rond de 100 ton op de markt terecht is gekomen. Honderdzestig ton is traceerbaar in beslag genomen.

Naast de te traceren containers bestaan er enige aanwijzingen dat informanten/infiltranten meer containers hebben kunnen invoeren. Harde gegevens ontbreken echter. Het is daarom moeilijk een betrouwbaar totaal aantal te geven. Ook in andere onderzoeken, zoals het Copa-onderzoek, zijn overigens grote hoeveelheden softdrugs en harddrugs doorgelaten.

 

10.4.2 De opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht; de commissie-Wierenga; de Tweede

 

Kamer

 

A. Verhoudingen politie en OM

Uit het rapport van de commissie-Wierenga en het werk van de enquêtecommissie is gebleken dat de
verhoudingen tussen de Amsterdamse politie en het IRT verre van optimaal waren. Voor de overgang van de verantwoordelijkheid voor het IRT naar Amsterdam was het onduidelijk wie nu eigenlijk het gezag uitoefende vanuit het OM. De verschillende officieren van justitie van het IRT (Franken van Bloemendaal, Van Riel, Van der Veen) hadden voor de overgang naar Amsterdam op 1 juni 1993 geen duidelijke superieur. Van Capelle had die baas wel in de persoon van hoofdofficier Vrakking.

De verantwoordelijke procureur-generaal, Van Randwijck, heeft onvoldoende sturing gegeven. De hoofdofficieren waren niet of niet voldoende op de hoogte van de gebruikte methoden. Ook na de overgang van het IRT naar Amsterdam is daarin weinig verandering gekomen. Ook de hoofdofficier van justitie in Amsterdam, Vrakking, wist niet welke trajecten er liepen; hij was wel daarvoor verantwoordelijk. Hij is daarover niet ingelicht door de officieren van justitie Van der Veen, Wortel en Van Capelle, en Vrakking heeft voor 8 november 1993 ook niet daarnaar gevraagd.

 

B. Kennis methode

Ongetwijfeld hebben de hoofdrolspelers bij de Amsterdamse politie, Nordholt, Van Riessen, Welten en Van Kastel zich vlak voor en na 1 juni 1993 te weinig op de hoogte gesteld van het onderzoek en de opsporingsmethoden van het IRT. Tegelijkertijd had het evenzeer in de rede gelegen dat Van Capelle, Van Baarle, Lith, Langendoen en Augusteijn de nieuwe teamleider en/of de korpsleiding van Amsterdam hadden geïnformeerd over de Delta-methode. Korpschef Wiarda vond echter dat dit wat Van Baarle en Lith betreft niet zinvol was.

Waar het rapport van de commissie-Wierenga de verantwoordelijkheid daarvoor eenduidig bij «Amsterdam» legt, is op basis van de nu beschikbare gegevens de conclusie gerechtvaardigd dat geen van deze personen werkelijk geprobeerd heeft «Amsterdam» te informeren. Mogelijk verstoorde verhoudingen zijn daarvoor geen rechtvaardiging. Deze personen zijn dan ook mede verantwoordelijk voor de uitbarsting van «Amsterdam», begin november 1993, die zou leiden tot de opheffing van het IRT op 7 december 1993.

C. Opheffing IRT

De commissie wil de volgende opmerkingen maken over de opheffing van het IRT. Na de commotie die was ontstaan binnen het team en bij de CID Kennemerland waren de verhoudingen dermate verstoord dat in ieder geval het werk op andere wijze georganiseerd had dienen te worden. Dat had nog niet «per se» tot opheffing van het team hoeven te leiden.

Toen men besloten had dat de methode gestopt diende te worden, ontbrak het op de ressortsvergadering van 17 november 1993 aan voldoende gezag bij de procureur-generaal om het tot én beëindiging van de Delta-methode én een andere werkwijze voor het team te laten komen. Dat laat onverlet dat de Amsterdamse driehoek niet in staat was met initiatieven tot verbeteringen van de situatie te komen. Naar andere oplossingen is niet meer gezocht. De politie in Amsterdam bleek niet in staat effectief een einde te maken aan de toepassing van de methode.

 

D. Commissie-Wierenga

De commissie-Wierenga heeft onder een bijkans onmogelijke tijdsdruk moeten werken, mede onder invloed van de naderende kamerverkiezingen van mei 1994 en de wens van de Kamer snel conclusies te kunnen trekken. Zij beschikte niet over de gegevens waarover de enquêtecommissie nu kan beschikken. Zij kende belangrijke elementen van de Delta-methode niet.

De commissie-Wierenga kwam tot de volgende eindconclusies. Zij heeft de verantwoordelijkheid voor het uiteenvallen van het IRT eenduidig bij Amsterdam gelegd. De gebruikte Delta-methode heeft zij als «niet onrechtmatig en verantwoord» gekwalificeerd.

De commissie wil zich niet begeven in het opnieuw beoordelen van de conclusies van de commissie-Wierenga, voorzover zij geen betrekking hebben op de gebruikte opsporingsmethode.
Het is de commissie wel duidelijk geworden dat in de baaierd van ongenoegen die leidde tot de opheffing van het IRT de schuld niet eenduidig bij één partij te leggen is. Het is nu bijna irrelevant geworden om een oordeel te geven over de vraag of de opheffing van het IRT vermeden had kunnen worden. Niet alle relevante informatie was voorhanden, het gezag op het niveau van het ressort ontbrak, de hoofdofficieren van justitie communiceerden niet meer met elkaar. De beschuldigingen van corruptie droegen bij tot een onmogelijke werkverhouding.

Wat betreft de methode deelt de commissie het oordeel van de commissie-Wierenga niet. Gezien alle informatie die nu voorhanden is, was de Delta-methode met al haar consequenties onverantwoord en niet
aanvaardbaar.

E. Oordeel kabinet over methode

Tijdens de verhoren van de commissie is gebleken dat de direct betrokken ministers een uiteenlopende visie op de zaak hadden. Hirsch Ballin twijfelde al vanaf de eerste weken van december 1993 of de methode in november wel met recht en reden door Amsterdam gestopt was. Van Thijn was in feite een diametraal andere mening toegedaan. Voor hem was het duidelijk dat het IRT was opgeheven vanwege de uit de hand gelopen opsporingsmethode. Door deze uiteenlopende visies kon het kabinet slechts moeizaam tot een eenduidig ook oordeel over de methode komen.

 

F. Geheime deel

Het kabinet heeft besloten dat slechts vier ministers kennis zouden nemen van het geheime deel van het rapport van de commissie-Wierenga, te weten minister-president Lubbers, vice-minister-president Kok en de ministers Hirsch Ballin en Van Thijn. Dezen besloten namens het kabinet de zienswijze van de commissie-Wierenga te volgen dat openbaarmaking van deze stukken achterwege diende te blijven, vanwege schade aan de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of in verband met de veiligheid van personen. Achteraf gezien is te betreuren dat door het kabinet is besloten geen extra informatie naar buiten te brengen. Het kabinet had, naar het oordeel van de commissie, de toen bekende wezenlijke punten uit de geheime aanbiedingsbrief wel openbaar moeten maken.

G. Commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten
De commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft geen redenen gezien het kabinet na ontvangst van het geheime deel nadere opheldering te vragen. Naar het oordeel van de commissie had zij de regering moeten vragen alsnog de Kamer in te lichten over de essentiële elementen die nu verborgen zijn gebleven. Zij had tevens moeten overwegen of het op haar weg lag deze geheime informatie zonder meer te ontvangen, nadat zij op 25 januari 1994 besloten had zich verder niet inhoudelijk met de zaak bezig te houden. De commissie deelt de interpretatie van voorzitter Brinkman niet dat «datgene wat in de geheime bijlage stond, datgene dekte wat het kabinet in de openbare stukken had gezegd». De openbare stukken waren onvolledig en verschilden op wezenlijke punten van het geheime deel.

Hoewel formeel is vol te houden dat door het inlichten van de commissie voor de Inlichtingen en veiligheidsdiensten de Kamer was ingelicht, was een goed oordeel van de Kamer als geheel over de consequenties van de gevolgde methode niet mogelijk. Daarmee bleef het de Kamer ook ten dele duister wat de werkelijke inhoud zou zijn van de zogenaamde functioneringsgesprekken van de betrokken ministers met Van Randwijck, Vrakking, Nordholt en Van Riessen.

Het gebruik van de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten door de regering in kwesties als de IRT-affaire is oneigenlijk. De verantwoordelijke kamercommissies dienen, waar noodzakelijk vertrouwelijk, dergelijke informatie te ontvangen.

 

H. Oordeel Kamer over methode

Het kamerdebat van 7 april 1994 over het rapport van de commissie-Wierenga stond sterk in het teken van de naderende verkiezingen van 3 mei 1994. Een bezonken oordeel werd daardoor bemoeilijkt. Over het algemeen bleek in het debat niet dat de kamerleden op de hoogte waren van de methode. De oppositie meende ook zonder precieze kennis over de IRT-methode voldoende munitie te hebben om zich een afwijzend politiek oordeel te vormen over het gevoerde beleid. Dit is de commissie bevestigd door de (toenmalige) kamerleden Korthals (VVD), Dijkstal (VVD) en Wolffensperger (D66)). De regeringspartijen meenden allereerst de twee ministers Hirsch Ballin en Van Thijn overeind te moeten houden. Het kamerlid Stoffelen (PvdA) beschikte wel over meer concrete informatie over de methode in het debat van 7 april 1994. Hij vroeg echter niet door bij de betrokken ministers of zijn kennis over de doorgelaten hoeveelheden verdovende middelen klopte. Hij was te bevreesd voor het mogelijke aftreden van de ministers of het gehele kabinet om de zaak in de Kamer op te helderen. Politieke overwegingen wonnen het in ieder geval bij één van de coalitiepartners van het bevragen van de ministers over de wezenlijke punten van de methode.

Verschillende kamerleden (Korthals (VVD), Dijkstal (VVD) en Woffensperger (D66), die op 7 april 1994 tot de oppositie behoorden, hebben in de verhoren van de commissie meegedeeld dat zij genoeg informatie hadden
om zich een politiek oordeel te vormen over het gevoerde beleid.
Ook het kamerlid Van der Heijden (CDA) stelde geen directe vragen over de methode. Volgens de commissie heeft de Kamer geen adequate controle op de gebruikte Delta-methode uitgeoefend.

I. Eindoordeel

Het kamerdebat van 7 april had voor veel gezagsdragers een duidelijke uitkomst. De methode was niet onrechtmatig geoordeeld en men kon weer aan het werk.
De verschillen van inzicht tussen «Amsterdam» en de anderen bleven echter bestaan. De lucht was niet gezuiverd. De functioneringsgesprekken leidden niet tot helderheid. De procureurs-generaal bespraken de gevolgen van de methode niet meer. Weinig gezagsdragers hebben of anderen in 1994 echter zich de vraag gesteld of de methode nu gestopt was of nog doorgang vond. De methode ging door op een zodanige manier dat de informant feitelijk betrokken politiefunctionarissen stuurde en vergaand beïnvloedde. De betrokken politiefunctionarissen waren niet in staat de methode verantwoord uit te voeren. Het justitiële gezag over de politie heeft gefaald. Geen van de betrokkenen bleek zich tijdens de verhoren voor het geheel verantwoordelijk te voelen.

10.5 De opsporingsmethoden

 

10.5.1 Opsporingsmethoden algemeen

 

A. Gebrek aan normering

Het staat voor de commissie buiten kijf dat er de afgelopen vijf à tien jaar een wildgroei in opsporingsmethoden heeft plaatsgehad. Die methoden zijn slechts ten dele in de wet geregeld. De wetgever heeft er om verschillende redenen van afgezien een aantal opsporingsmethoden nader te normeren. Na veel aandacht voor de kleine criminaliteit (commissie-Roethof) heeft de afgelopen jaren de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit prioriteit gekregen. De vrijheid en de feitelijke mogelijkheden van de opsporingsdiensten werden door wetgeving te weinig aan banden gelegd. Integendeel, politie en justitie moesten extra gereedschap krijgen om effectiever te kunnen optreden. Daartoe werden wetsvoorstellen ingediend zoals het wetsvoorstel Direct afluisteren.

Het ministerie van Justitie vertrouwde erop dat de rechter nieuwe opsporingsmethoden, zoals infiltratie, niet onrechtmatig zou oordelen. Het parlement weersprak deze opvatting nauwelijks. De jurisprudentie achtte de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden bijna steeds rechtmatig, vaak onder verwijzing naar de algemene taakstelling van politie en justitie in de artikelen 2 (oud 28) van de Politiewet 1993 en 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering. Opsporingsmethoden werden daardoor in grote mate onderwerp van «rechtersrecht».

 

B. Geheime methoden

Een aantal bijzondere opsporingsmethoden was buiten beperkte kring nauwelijks bekend. Deze methoden waren bedoeld om als zogeheten «sturingsinformatie» te fungeren voor de recherche. Zij dienden niet tot het strafrechtelijk bewijs en werden niet aan de rechter voorgelegd. Politie en justitie ontwikkelden het gebruik om van deze methoden geen verslag te doen in de processtukken. Ze werden geheim gehouden, mede om de anonimiteit van informanten te verzekeren. Dit is de essentie van de zogenoemde «gesloten CID-trajecten». Er werden embargo-teams ingesteld teneinde een nog grotere geheimhouding, ook binnen de politie, te verzekeren.

 

C. Geen kennis van methoden

Zaaksofficieren van justitie werden niet of onvolledig over deze trajecten ingelicht. Zij dienden immers geen geheimen op de zitting prijs te geven. Ook de CID-officieren van justitie bleken niet op de hoogte van alle gehanteerde methoden. Bij de politie en het openbaar ministerie bestonden geen vaste regels voor het registreren en toetsen van deze opsporingsmethoden. De Vergadering van procureurs-generaal besteedde geen aandacht aan de praktische toepassing van deze methoden.

Rechters-commissarissen waren vaak onkundig van de methoden en zagen over het algemeen voor zichzelf geen rol weggelegd om de rechtmatigheid te toetsen. De rechter toetste slechts voorzover de verdediging
vragen opwierp. Hij voelde zich niet geroepen om verder te gaan dan de voorgelegde processtukken. Tot aan het losbarsten van de IRT-affaire interesseerden korpschefs en korpsbeheerders zich nauwelijks voor opsporingsmethoden en het werk van de criminele inlichtingendiensten.

Het ministerie van Justitie blijkt nauwelijks op de hoogte te zijn geweest van het gebruik van opsporingsmethoden en van het functioneren van de CID-en. Het parlement heeft de organisatie en het functioneren van de CID nooit aan enige controle onderworpen. Datzelfde geldt voor de observatieteams (OT), de secties technische ondersteuning (STO), arrestatieteams (AT) en de Dienst technische ondersteuning van het KLPD (DTOO).

 

D. Onverantwoord gebrek aan kennis

Het gebrek aan kennis over de methoden en de organisatie van de opsporing zijn mede te verklaren uit het feit dat politie, justitie, bestuur en politiek andere prioriteiten hebben gesteld, zoals de reorganisatie van de politie, de uitbreiding van de cellencapaciteit, het integrale veiligheidsbeleid en de opbouw van kernteams. Niettemin concludeert de commissie dat het gebleken gebrek aan inzicht in en controle en toezicht op de gehanteerde opsporingsmethoden onverantwoord is: onverantwoord uit het oogpunt van de rechtsstaat en onverantwoord uit het oogpunt van behoorlijk bestuur. De overheid is hier tekort geschoten.

10.5.2 Observatie

 

A. Geen specifieke wettelijke basis

Veel observatiemethoden ontberen een specifieke wettelijke grondslag. In de jurisprudentie zijn observatiemethoden vaak op basis van artikel 2 Politiewet 1993 en de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering rechtmatig geoordeeld.

De commissie acht die basis te smal. Specifieke normering is nodig bij observatie (volgerij), afluisteren, scannen, gebruik van techische hulpmiddelen, inkijkoperaties en het gebruik van door observatie verkregen informatie. Het punt is dat bij observatie sprake kan zijn van een inbreuk op de fundamentele rechten van de burger zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke basis bestaat.

 

B. Onduidelijke bevoegdheden en controle

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van politie- en justitiefunctionarissen zijn onduidelijk gebleken. In sommige gevallen van afluisteren en inkijken in woningen is duidelijk onrechtmatig opgetreden. Het inzetten van methoden is veelal een monopolie van de politie geweest waaraan het openbaar ministerie meestal niet te pas kwam. De commissie acht dit bezwaarlijk en is van oordeel dat het openbaar ministerie onder alle omstandigheden op de hoogte moet zijn van het gebruik; voor bepaalde meer ingrijpende methoden dient een expliciet toestemmingsvereiste te worden geformuleerd. In enkele gevallen zijn officieren van justitie bewust onkundig gelaten van het gebruik van observatiemethoden.

C. Gebrekkige verslaglegging

De verslaglegging van het gebruik van veel observatiemethoden is uiterst gebrekkig en in sommige gevallen afwezig. Goede verslaglegging is onontbeerlijk voor goede en verantwoorde opsporing.

D. Criteria inzet

De commissie betwijfelt of het gebruik van observatiemethoden steeds is afgewogen tegen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Nagenoeg automatisch worden deze methoden ingezet bij onderzoeken naar criminele organisaties.

 

E. Schade

De bevindingen van de commissie tonen aan dat de schade van niet of onvoldoende geregelde en gecontroleerde observatiemethoden groter kan zijn dan hun bijdrage aan de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De commissie is wel overtuigd van de noodzaak van het gebruik van observatiemethoden in verband met een effectieve opsporing.

10.5.3 Informanten

 

A. Geen specifieke wettelijke basis

Het runnen van informanten heeft geen specifieke wettelijke grondslag. De politie, justitie en rechterlijke macht hebben het gebruik van informanten volledig geaccepteerd. Binnen politie en justitie leven zeer verschillende opvattingen over geoorloofd gebruik van informanten.

De commissie meent dat een wettelijke basis voor het gebruik maken van informanten noodzakelijk is. De regels zijn nu inadequaat. De rechtsstaat en de integriteit van de opsporing zijn daarmee in het geding.

B. Onduidelijke bevoegdheden

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van politie en justitie bij het runnen van informanten zijn onduidelijk. De speelruimte en vrijheid van CID-rechercheurs om informanten te runnen zijn te groot. Het gebruik van de informanten en de activiteiten die zij ondernemen, hebben zich in veel gevallen onttrokken aan het zicht van de politieleiding, het openbaar ministerie, het bestuur en de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken. De CID-officier van justitie heeft niet het recht van inzage in alle relevante dossiers en registers.

 

C. Runnen van informanten

In de praktijk is het volstrekt onduidelijk hoe de CID-en met informanten moeten omgaan en waar de grenzen van de actieve sturing van informanten liggen. Het openbaar ministerie oefent hierbij slechts zeer marginaal gezag uit. Treffend is naar het oordeel van de commissie het feit dat in het ressort Amsterdam binnen het openbaar ministerie zowel tussen de verschillende arrondissementsparketten als binnen een arrondissementsparket zeer verschillende opvattingen leven over het gebruik van informanten. Politiefunctionarissen zijn in verschillende regio's ingeschreven als informant. De commissie acht dat ongewenst.

 

D. Anonimiteit informanten

De cultuur van geheimhouding is naar het oordeel van de commissie te overheersend. Aan informanten kan geen absolute garantie van anonimiteit gegeven worden. De rechter, eventueel de rechter-commissaris, dient ook het werk van informanten te kunnen toetsen. Alle relevante informatie ten behoeve van de opsporing dient in processen-verbaal te worden vastgelegd. De commissie meent dat in de afgelopen jaren de balans is doorgeslagen naar het beschermen van informanten ten koste van de rechtsstatelijke eisen van openbaarheid en verantwoording. Daarbij heeft zich de paradox voorgedaan dat naarmate de effectiviteit en het belang van de informant voor de politie toeneemt, het moeilijker wordt de informatie daadwerkelijk te gebruiken en te verantwoorden.

 

E. Tipgelden

De regeling Tip-, toon- en voorkoopgelden, die het betalen van gelden aan informanten regelt, is achterhaald en heeft geen bindende werking voor politiekorpsen. Het afstaan of behouden van criminele winsten is niet geregeld. Afspraken worden niet vastgelegd.

 

F. Wie runt wie?

Het runnen van informanten is van groot belang voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Criminele organisaties pogen derhalve ook de rollen om te keren door bewust informanten aan de politie aan te bieden. Dan dreigt de situatie dat de criminelen de politie runnen in plaats van omgekeerd.

G. Deals met criminelen

Deals met criminelen blijken op zeer verschillende gronden gemaakt te worden. De richtlijn «Deals met criminelen» is door de praktijk achterhaald.

10.5.4 Infiltranten

 

A. Geen specifieke wettelijke basis

Het gebruik van politie- en burgerinfiltranten komt veelvuldig voor. De juridische grondslag is te vinden in de richtlijn infiltratie van 1991 en de jurisprudentie. Een specifieke wettelijke basis ontbreekt. Gezien de ingrijpende gevolgen die infiltratie voor de grondrechten van burgers kan hebben, en gezien de noodzaak van toetsing en controle is een wettelijke regeling geboden. De commissie wijst het gebruik van de strafrechtelijke noodtoestand als algemene legitimatie voor infiltratie af.

 

B. Politiële infiltratie

Politiële infiltratie is tegenwoordig in de praktijk goed gecontroleerd. Het aantal politie-infiltranten in Nederland is zeer bescheiden. Er zijn nu slechts ongeveer 25 inzetbare Nederlandse politie-infiltranten. Langdurige politie-infiltraties komen slechts zelden voor.

Het openbaar ministerie wordt in het algemeen goed geïnformeerd. De activiteiten van politie-infiltranten worden vastgelegd in processen-verbaal. De commissie acht het hierbij van groot belang dat de rechter de mogelijkheid heeft tot volledige toetsing van het politiële infiltratietraject. Het risico van corruptie en afglijden blijft echter groot

Van zogenoemde diepte-infiltratie door politie-ambtenaren, die voor langere tijd deel gaan uitmaken van de criminele organisatie, is de commissie niet gebleken. .

C. Buitenlandse politie-infiltratie

De commissie heeft niet kunnen nagaan welke activiteiten buitenlandse politie-infiltranten in Nederland precies uitoefenen. Indien zij onder directe controle staan van Nederlandse begeleidingsteams, lijkt er van onregelmatigheden geen sprake te zijn. De identiteit van buitenlandse infiltranten is bij de Nederlandse autoriteiten vaak niet bekend.

 

D. Frontstores

De commissie concludeert dat met het gebruik van frontstores in Nederland nog weinig ervaring is opgedaan. De commissie meent dat het gebruik hiervan in het kader van politiële infiltratie verantwoord kan plaatsvinden, mits dat goed genormeerd, effectief getoetst en voldoende gecontroleerd gebeurt.

E. Informanten en burgerinfiltranten

Het is moeilijk een goed onderscheid te maken tussen informanten en burgerinfiltranten. De laatsten zijn bijna zonder uitzondering crimineel. De risico's van het gebruik van burgerinfiltranten zijn groot voor zover zij onder regie van politie en justitie strafbare feiten plegen. Criminele winsten worden niet afgedragen. Exorbitant hoge tipgelden zijn uitgekeerd.

De sturing en controle blijken vaak uit de aard der zaak gebrekkig. De Delta-methode illustreert de risico's die verbonden zijn aan burgerinfiltratie.

F. Gecontroleerde aflevering

Gecontroleerde aflevering, waarbij direct inbeslagname volgt, voldoet in het overgrote deel van de gevallen aan de criteria van controleerbaarheid en stuurbaarheid. De effectiviteit van gecontroleerde aflevering waarbij het doel is in de zoveelste hand in beslag te nemen, is minder duidelijk. De omschrijving van het doel van dergelijke afleveringen is vaak te algemeen.

 

G. Doorlating

De commissie meent dat de term gecontroleerde doorlevering niets anders is dan een eufemisme voor doorlaten, dat wil zeggen het onder regie van politie en justitie bewust op de markt laten komen van partijen illegale goederen. De commissie spreekt dan ook steeds van doorlating. De commissie is van oordeel dat de overheid niet betrokken dient te zijn bij het bewust op de markt brengen van grote partijen verdovende middelen. De geloofwaardigheid en de effectiviteit van de politie en justitie worden daarmee ondermijnd.
In de ons omringende landen wordt doorlating officieel niet aanvaardbaar geacht. Het is evenwel duidelijk geworden dat ook het Duitse Bundeskriminalamt gewerkt heeft met doorlatingen en het gebruik van crimineel geld voor opsporingsdoeleinden. De Amerikaanse Drugs Enforcement Administration heeft gewerkt met het aanbieden van hard- drugs zonder dat er al kopers voor waren. Dat is als uitlokking te beschouwen.

H. Het Copa-onderzoek

De commissie acht het niet verantwoord dat het OM heeft goedgevonden dat in het Copa-onderzoek grote hoeveelheden cocaïne welbewust op de markt zijn gebracht. Ook zijn grote hoeveelheden softdrugs doorgelaten. In enkele gevallen heeft dit vele aanhoudingen en veroordelingen tot gevolg gehad. Bij deze zogenoemde Prisma-methode was er wel sprake van interne verslaglegging en waren, in tegenstelling tot de Delta-methode, de betrokken officieren van justitie, Van der Voort en Van de Broek, hoofdofficier van justitie, Blok, en procureur-generaal, Addens, wel op de hoogte van de inhoud van de methode. Deze laatste heeft het echter niet in de Vergadering van procureurs-generaal gebracht. Ook Blok heeft niet eigener beweging minister van justitie Hirsch Ballin ingelicht over het doorlaten van cocaïne. De commissie is van oordeel dat een dergelijke ingrijpende beslissing aan de minister had moeten worden voorgelegd en in de vergadering van procureurs-generaal aan de orde had moeten komen. In de toenmalige verhoudingen was dit echter niet gebruikelijk. Pas door de instelling van de Centrale toetsingscommissie en de doorlichting zijn deze trajecten aan het licht gekomen.

 

10.5.5 Overige informatie-inwinning

 

A. Informatie-inwinning bij derden

Andere informatie-inwinning bij derden, zoals banken en credit-cardmaatschappijen, zonder gebruik te maken van wettelijke dwangmiddelen, kent geen specifieke wettelijke regeling. Zij wordt beheerst door de Wet persoonsregistraties en de Wet politieregisters. Zij kan een inbreuk op de privacy van betrokkenen inhouden. Voor dat geval is een nadere regeling gewenst.

 

B. Fenomeenonderzoek, misdaadanalyse en financieel rechercheren

Fenomeenonderzoek vindt op weinig gestructureerde wijze plaats. Kernteams doen weinig aan fenomeenonderzoek, met uitzondering van het onderzoek Oost-Europa van het kernteam Noord-Oost Nederland. De toegevoegde waarde is vooralsnog gering. Tegen het gebruik van CID-gegevens in fenomeenonderzoeken bestaat geen bezwaar, mits dit met de nodige waarborgen is omkleed. Het is, gezien de schaarse opsporingscapaciteit van de politie, effectiever fenomeenonderzoek uit te besteden aan deskundigen buiten de politie. In dat geval zal wel speciale toestemming nodig zijn voor het gebruik van CID-gegevens.

Misdaadanalyse dient voorbehouden te blijven aan opsporingsambtenaren. Zij vooronderstelt een opsporingsbelang. Met financieel rechecheren is nog in geringe mate ervaring opgedaan.

C. Informatiehuishouding

De commissie heeft niet kunnen constateren dat privacy-regelgeving daadwerkelijk een belemmering vormt voor het functioneren van politie en justitie. De commissie is van oordeel dat de controle op de vastlegging, uitwisseling en vaststelling van de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van CID-informatie moet verbeteren. De officier van justitie dient daarop toezicht te houden.

In de verschillende politieregisters dient te worden vastgelegd hoe de informatie is verzameld. Te allen tijde moet het mogelijk zijn de inhoud van de informatie en de wijze van informatieverwerving achteraf vast te stellen.

 

D. Bestuurlijke rechtshandhaving

Het vertrouwelijk uitwisselen van criminele informatie tussen politie, justitie en bestuur moet mogelijk zijn, maar dient aan regels gebonden te worden. Het gebruik maken van criminele informatie ten behoeve van bestuurlijke rechtshandhaving dient wettelijk geregeld te worden. Nu blijkt deze noodzakelijke gegevensuitwisseling informeel plaats te vinden en niet toetsbaar te zijn voor de rechter.

E. Internationale uitwisseling

Er bestaat nauwelijks controle op de rechtmatigheid van de uit het buitenland verkregen informatie. Bij het omgaan met uit het buitenland afkomstige informatie wordt gehandeld naar het vertrouwensbeginsel. Vaak wordt de hand gelicht met de regel dat informatie-uitwisseling van CID-gegevens met het buitenland gemeld en gecontroleerd dient te worden bij de CRI. De samenwerking tussen Nederlandse opsporingsdiensten en buitenlandse opsporingsdiensten verdient nadere normering.


10.6 Organisatie van de opsporing

 

10.6.1 Organisatie algemeen

 

A. Algemene conclusies

De commissie trekt op grond van haar onderzoek een vijftal hoofdconclusies over de organisatie, sturing en controle van de opsporing. Zij werkt die in het navolgende uit:
I. De kwaliteit van de opsporingsdiensten bij de politie laat vooralsnog te wensen over voor zover het betreft de organisatorische vormgeving, de onderlinge samenwerking en verstandhouding, het toezicht vanuit de politieleiding en de betrokkenheid van de verantwoordelijke gezagsdragers. II. De taken en bevoegdheden van de bijzondere opsporingsdiensten en hun samenwerking met de politie bij de bestrijding van de zware en georganiseerde criminaliteit vergen heroverweging en een nadere wettelijke normering.

III. Het openbaar ministerie is in de onderzochte periode niet in staat gebleken effectief en als eenheid zijn gezag over de opsporing van georganiseerde criminaliteit te laten gelden. Het heeft daartoe onvoldoende initiatieven genomen en daartoe evenmin de volledige medewerking van de politie gekregen. IV. Het ministerie van Justitie en, in verband met de beheersverantwoordelijkheid, het ministerie van Binnenlandse Zaken hebben zich in de afgelopen jaren onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen die zijn gemoeid met een rechtsstatelijk verantwoorde en gecontroleerde opsporing. V. De Kamer heeft haar controlerende en medewetgevende taak met betrekking tot een rechtsstatelijk verantwoorde en gecontroleerde opsporing onvoldoende uitgeoefend.

 

B. Normering organisatie

De commissie is tijdens haar onderzoek tot de conclusie gekomen dat de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de vele organisaties anders afgebakend moeten worden. Er zijn zo veel organisaties op het terrein van de opsporing actief dat zij elkaar met enige regelmaat overlappen en met elkaar wedijveren. Dat leidt tot een ineffectieve en inefficiënte opsporing. Een duidelijke afbakening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden kan bijdragen aan een betere opsporing.

 

C. Vertrouwelijk en openbaar

Een groot deel van de problematiek komt voort uit de wens van politie en justitie om een deel van de opsporing vertrouwelijk te houden. Het was voor niemand goed dat anderen wisten wat daar precies gebeurde. De opsporing zou in gevaar komen als iedereen op de hoogte was van de precieze werkwijzen van deze diensten. De identiteit van informanten moest te allen tijde beschermd worden. Als het ging om methoden die openbaar te verantwoorden waren, kon de tactische recherche dat gewoon doen. Als het ging om methoden die buiten het zicht van de rechter gehouden moesten worden, diende de CID die uit te voeren. De commissie is van oordeel dat juist deze neiging tot vertrouwelijkheid en geheimzinnigheid schade heeft toegebracht aan de opsporing. Verschillende opsporingsonderzoeken mislukten doordat rechters oordeelden dat informatie onrechtmatig was verzameld of doordat rechters meenden onvoldoende ingelicht te zijn. De commissie is van oordeel dat alle relevante informatie toetsbaar moet zijn.

D. Specialisme en integratie


De opsporing van strafbare feiten, zeker op het terrein van de georganiseerde criminaliteit, is het werk van specialisten. Verschillende afzonderlijke eenheden zijn bezig met onderdelen van de opsporing. Hoewel tot voordeel strekt dat steeds meer kennis en vaardigheid beschikbaar komen op een specifiek onderdeel van de opsporing, is het nadelig dat steeds minder overzicht bestaat over de beschikbare informatie en dat de sturing en controle steeds moeizamer zullen zijn. De coördinatiekosten bij al deze specialismen lopen hoog op. In sommige gevallen was geen sprake meer van effectieve samenwerking maar van tegenwerking. De commissie is van oordeel dat gestreefd moet worden naar integratie van de verschillende specialismen in één recherche. De commissie is van oordeel dat de verschillende taken bij de verzameling en bewerking van informatie ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten meer gebundeld kunnen worden. Daarbij mag naar het oordeel van de commissie geen sprake zijn van afgescheiden delen van organisaties. De commissie meent dat integratie van de verschillende specialistische onderdelen binnen de opsporing nodig is. Op die manier kunnen de effectiviteit en efficiëntie van de opsporing worden vergroot.

E. Sturing en controle

De commissie constateert dat de sturing van en controle op opsporingsorganisaties en inlichtingendiensten door het OM tekortschieten. Hoewel moet worden gedifferentieerd naar de afzonderlijke organisaties, is naar het oordeel van de commissie het OM te afstandelijk. Het OM geeft te weinig sturing en controleert te weinig de opsparings activiteiten en de daarbij gebruikte methoden. Dit gebrek aan sturing en controle is deels te wijten aan het OM, aangezien de leden ervan onvoldoende hebben gevraagd en hebben willen weten. Deels is het gebrek aan sturing en controle te wijten aan de politie en de andere opsporingsorganisaties aangezien zij onder het mom van vertrouwelijkheid en het beschermen van de identiteit van informanten geen sturing en controle toelieten.

De commissie is van oordeel dat de beschreven organisaties recht hebben op een meer intensieve sturing en controle door het gezag. De commissie is tevens van oordeel dat de samenleving recht heeft op een dergelijke intensieve controle en sturing door het gezag. Het gezag over de opsporing moet niet bevreesd zijn, zijn bevoegdheden daadwerkelijk uit te oefenen. Het gezag moet durven gezag te zijn. De commissie is van oordeel dat het OM het gezag over de opsporing moet blijven behouden. In het Nederlandse stelsel van strafvordering is het niet mogelijk en niet wenselijk een andere organisatie aan te wijzen die deze taak op zich moet nemen. Het OM beschikt in potentie over de middelen en kennis om deze taak te kunnen uitvoeren. Dat neemt niet weg dat de commissie van oordeel is dat, ook hiertoe, binnen het OM veel moet veranderen.

 

10.6.2 Criminele inlichtingendiensten

 

A. Rol CID

Het werk van de criminele inlichtingendiensten bestaat uit het systematisch en gericht inwinnen van gegevens over ernstige criminaliteit. De CID-en richten zich op inlichtingenwerk; de bewijsvoering is een zaak voor de tactische recherche. Het is niet de bedoeling dat dit werk op de zitting aan de orde komt. De CID heeft een belangrijke rol bij de beslissing welke zaken worden aangepakt en hoe de tactische recherche «gestuurd» wordt. Belangrijke aspecten van het CID-werk zijn niet terug te vinden in de CID-regeling 1995. De termen «CID-matig» en «CID-status» staan voor geheim opereren en de mogelijkheid om kennis te nemen van informatie van de CID-en of een CID in eigen beheer te hebben. Deze termen zijn uiterst verwarrend.

B. Wettelijke basis

De CID heeft geen specifieke wettelijke basis. De commissie wil de CID geen aparte status binnen de politieorganisatie geven. De specifieke taken en bevoegdheden van de CID moeten wel expliciet wettelijk genormeerd worden.

 

C. Variatie CID

Er bestaan grote verschillen tussen de verschillende CID-en wat betreft het gebruik van methoden, de beoordeling van inlichtingen en de sturing van informanten. De diversiteit van organisatievormen van de CID-en is naar het oordeel van de commissie te groot. De bevoegdheden van CID-chefs en -rechercheurs zijn onduidelijk; per korps zijn de richtlijnen voor het runnen van informanten verschillend.

D. Gegevensverwerking

Gegevens worden op allerlei manieren vastgelegd. In sommige gevallen ontbreekt vastlegging van gegevens. De informantenregisters zijn onderling zeer verschillend. Gebruikte methoden worden niet weergegeven in de verslaglegging.

Het opnemen van personen in de CID registers als CID-subject geschiedt niet volgens duidelijke regels en is slechts afhankelijk van de individuele CID-rechercheur. Indien een «grijze-veld»-subject binnen zes maanden nogmaals onderwerp van criminele informatie is, wordt hij bijna automatisch als CID-subject ingeschreven. CID-informatie blijkt in de praktijk vaak een ongeregelde ratjetoe aan informatie. Er vindt, goede uitzonderingen daargelaten, te weinig analyse plaats van verkregen informatie. Het aantal van 70.000 ingeschreven CID-subjecten en «grijze-veld»-subjecten doet vermoeden dat veel personen ten onrechte staan ingeschreven. Als contacten komen natuurlijk ook niet-CID-subjecten voor, die even lang als het CID-subject in de registers blijven.

 

E. Kennis CID

De aandacht van de CID geldt in overwegende mate het klassieke criminele milieu met de nadruk op Nederlandse netwerken. De expertise voor milieu- en financiële criminaliteit ontbreekt vaak. De informatie gaat van tips van wijkagenten over graffiti-spuiters tot informatie over grote criminelen. De huidige open verzameling van informatie voorziet te weinig in de behoefte van de tactische recherche en leidt er toe dat de CID-en vaak beschikken over informatie die niet van belang is voor een goede prioriteitenstelling en voor onderzoeken.

 

F. CID onderdeel recherche

De CID moet een geïntegreerd onderdeel zijn van de recherche. De recherchechef in de korpsen moet volledig op de hoogte te zijn van de organisatie en het functioneren van de CID. De scheiding tussen tactische recherche en CID levert meer nadelen dan voordelen op. Veelal is er sprake van spanning tussen CID en tactische recherche, waardoor de informatie-uitwisseling en onderzoeken in gevaar komen. De commissie is tegenstander van embargo-teams en van het veelvuldig opslaan van de zogenoemde supergeheime 00-informatie.

 

G. Samenwerking CID-en

De samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de CID-en laat te wensen over. De NCID en de ARI's spelen tot nog toe slechts een bescheiden rol in het bewerkstelligen van coördinatie tussen de CID-en.

H. Sturing en controle

De commissie acht de sturing van en de controle op de CID-en volstrekt onvoldoende. Van enige sturing en controle door korpschef, OM en korpsbeheerder is de commissie weinig gebleken. Dit heeft de commissie kunnen constateren in Haarlem, Rotterdam, Gooi en Vechtstreek, Utrecht, Twente en Dordrecht. In de regio Brabant-Zuid-Oost was sprake van een compleet versnipperde CID.

In de CID-Kennemerland heeft CID-chef Langendoen zijn taak op volstrekt onverantwoorde wijze uitgeoefend. Hoofdofficier De Beaufort heeft zijn gezag, zeker na de IRT-affaire, onvoldoende uitgeoefend. CID-officier Kuitert heeft zich onvoldoende op de hoogte gesteld van de activiteiten van de CID-Kennemerland. Korpschef Straver, plaatsvervangend korpschef Van den Berg en recherchechef Menckhorst hebben in ieder geval na de opheffing van het IRT achterwege gelaten zich daadwerkelijk te vergewissen van de activiteiten van CID-chef Langendoen. Zij hebben onvoldoende leiding gegeven. Korpsbeheerder Schmitz is als korpsbeheerder betrokken geweest bij het verstrekken van valse identiteiten ten behoeve van medewerkers van de CID-Kennemerland. Zij had naar het oordeel van de commissie navraag moeten doen naar het gebruik ervan. De CID-Gooi en Vechtstreek is in een onmogelijke positie gekomen door het gebrek aan vertrouwen tussen OM en CID, mede blijkend uit het opnemen door CID-chef Van der Putten van telefoongesprekken met leden van het openbaar ministerie.

Het OM in Dordrecht en Almelo, in verband met het Export-team, heeft te weinig leiding gegeven aan de CID-en. Ook de leiding van de CID-en in Dordrecht en Enschede is tekort geschoten. De korpsleiding, CID-chef, Dros, en CID-officier, Van der Molen-Maessen in Utrecht hebben te weinig leiding
gegeven aan en gezag uitgeoefend over de CID. Dit is onder meer gebleken in de zaak Henk R. Het OM is in deze voorbeelden tekort geschoten. De CID-en hebben te veel als autonome organisaties geoperereerd. Zij hebben hiervoor ook te veel ruimte gekregen van het openbaar ministerie, de korpsbeheerder en de korpsleiding.

Dit alles heeft naar het inzicht van de commissie de CID-en in een deels zelf getrokken vacuum gebracht, wat in hoge mate leidde tot een onverantwoorde autonomie van handelen. De commissie is er van overtuigd dat dit geldt voor vele CID-en en niet alleen voor de CID-en van Kennemerland en Gooi en Vechtstreek, waar de gevolgen van deze onverantwoorde autonomie flagrant zichtbaar zijn geworden.

10.6.3 Tactische recherche

 

A. Taak

De tactische recheche doet onderzoek ten behoeve van mogelijke vervolging van strafbare feiten. Zij is geörienteerd op het aanleveren van bewijsmateriaal in concrete strafzaken. Alles wat zij doet wordt vermeld in processen-verbaal ten behoeve van de terechtzitting.

Wil de tactische recherche bepaald onderzoek niet ter beoordeling van de rechter voorleggen, dan maakt zij gebruik van zogenaamde CID-trajecten. Die komen ook veelvuldig tijdens het tactisch onderzoek voor.

B. Methoden

De tactische recherche hanteert vooral methoden die in het openbaar verantwoord kunnen worden. Dat betekent niet dat alle relevante opsporingshandelingen ook vastgelegd worden in processen-verbaal. Soms worden zij vermeld in journaals. In enkele gevallen zijn op verzoek van de rechter achteraf methoden-processen-verbaal vervaardigd. De voorwaarden waaronder die methoden worden ingezet, alsmede de sturing en controle zorgen in het algemeen niet voor problemen.

 

C. Openbaar ministerie

Het openbaar ministerie is in de praktijk te afhankelijk van de recherche om te kunnen beslissen over aan te vangen onderzoeken. In de praktijk heeft de recherche een volledige «negatieve controle» over het openbaar ministerie. De vrijheid van het OM om te beslissen welke strafzaken moeten worden opgespoord, wordt naar het oordeel van de commissie te veel beperkt. De sturing en controle door zaaksofficieren van gestarte onderzoeken verloopt beter dan bij het CID-werk.

 

D. Korpsleiding en korpsbeheerders

Korpschefs en korpsbeheerders hebben weinig van doen met specifieke onderzoeken, met uitzondering van zeer grote zaken. De commissie meent dat korpsbeheerders een eigen verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van de inzet van opsporingsmethoden.

 

10.6.4 Ondersteunende eenheden

 

A. Ondersteunende eenheden

De CID en de tactische recherche maken gebruik van eenheden die speciaal, vaak geheim, werk verrichten. Het zijn de observatieteams (OT), de arrestatieteams (AT), de bureaus financiële ondersteuning (BFO), de secties technische ondersteuning (STO), de politiële infiltratieteams (PIT) en de Dienst technisch operationele ondersteuning (DTOO) van het KLPD.

 

B. Taken en bevoegdheden

De taakomschrijving van deze diensten dient nauwkeurig krachtens de wet te worden vastgelegd. Zij dienen onderdeel van de recherche te zijn. De taken en bevoegdheden van deze diensten zijn zeer verscheiden en onduidelijk. Zij werken soms onder «supervisie» van de CID en soms onder die van de tactische recherche. Veel van hun werkzaamheden vinden plaats ten behoeve van de CID.

De bevoegdheid tot het inzetten van deze diensten moet duidelijker geregeld worden. De controle op deze diensten (met uitzondering van het BFO) geschiedt in het algemeen door de CID-chef en door het openbaar
ministerie via de CID-chef.

C. Vastlegging methoden

De vastlegging van gebruikte methoden is vaak gebrekkig. De commissie is gebleken dat moeilijk terug te vinden is hoe methoden zijn ingezet en onder wiens verantwoordelijkheid. De gebrekkige administratie maakt een adequate sturing en controle nagenoeg onmogelijk.

 

D. Sturing en controle OM

Controle en sturing door het openbaar ministerie is afwezig of wordt op te grote afstand uitgeoefend. Binnen de ondersteunende eenheden bestaat verschil van opvatting of toestemming van het openbaar ministerie voor het toepassen van vormen van observatie of gebruik van technische middelen noodzakelijk is. De geheimhouding van de methoden verkleint de mogelijkheden tot sturing en controle voor het OM.

E. Observatieteams

De capaciteit van 22 OT's bij de regionale politiekorpsen is veelal onvoldoende om bepaalde personen frequent te volgen. De prioriteiten van OT's worden in de praktijk geheel binnen de politie bepaald. Er worden nog nauwelijks meldingen aan het landelijk informatiepunt observaties (LIPO) gedaan.

F. Arrestatieteams

Arrestatieteams blijken veelvuldig inkijkoperaties te hebben uitgevoerd zonder daarover te rapporteren. Deze activiteiten behoren niet tot de omschreven taken van de AT's.

G. Dienst technisch operationele ondersteuning

De DTOO, die onder meer peilbakens aanbrengt en inkijkoperaties uitvoert, heeft geen verantwoordelijke officier van justitie. Sturing en controle vinden niet plaats door de officier die diensten van de DTOO vraagt. De DTOO is ook toegerust om direct afluisteren mogelijk te maken. De DTOO heeft zelfstandig voorwaarden geformuleerd waaronder bepaalde methoden kunnen worden ingezet.

 

H. Politiële infiltratie

De politiële infiltratieteams worden landelijk gecoördineerd door de Afdeling nationale coördinatie politiële infiltratie, een dienst van de CRI. Het gezag berust echter bij de plaatselijke officier van justitie. Voorzover de commissie kan nagaan worden de activiteiten van PIT's nauwkeurig geregistreerd en is er een intensieve sturing en controle van de kant van het openbaar ministerie. De commissie is van oordeel dat de teams uitgebreid moeten worden.

 

G. Bureaus financiële ondersteuning

De expertise van de BFO's laat te wensen over. Een duidelijke regeling voor samenwerking met de FIOD ontbreekt.

10.6.5 Kernteams

 

A. Wettelijke basis en bevoegdheden

De kernteams hebben geen expliciete wettelijke basis. De taken en bevoegdheden van kernteams dienen op basis van de geregeld te worden. Het gezag en het beheer over kernteams worden nu vastgelegd in convenanten tussen de regionale politiekorpsen en de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken. Het Landelijk rechercheteam is onderdeel van het Korps landelijke politiediensten en staat onder het gezag en medebeheer van de minister van Justitie.

De kernteams blijken een wat gewrongen en moeizame constructie te zijn. Dit hangt samen met de aard van het politiebestel in Nederland, dat uitgaat van een voornamelijk gedecentraliseerde politieorganisatie,
waarbinnen geen ruimte is voor een zwaar opgetuigde, executieve centrale politiedienst. Interregionale samenwerking dient als basis voor de vorming van politie-eenheden die geacht worden onderzoek te doen van bovenregionale, landelijke en zelfs internationale aard. Het is de commissie echter gebleken dat het karakter van interregionale samenwerking, met de onduidelijke vormgeving via convenanten tot complicaties leidt in het functioneren van kernteams.

 

B. Organisatie en samenwerking

De samenwerking tussen regiokorpsen blijkt in de praktijk in de kernteams, met uitzondering van het kernteam Noord-Oost-Nederland, niet goed uit de verf te komen. Het zwaartepunt van de kernteams ligt in de regio waar de driehoek gezag en beheer uitoefent. De kernteams Rotterdam, Haaglanden en Amsterdam worden beschouwd als een extra eenheid van de tactische recherche. Het kernteam Randstad Noord en Midden is in de eerste plaats een voortzetting van het IRT onder gezag van de driehoek in Haarlem. Als nasleep van de IRT-affaire bestaan moeizame verhoudingen tussen het kernteam Amsterdam en het kernteam Randstad Noord en Midden. De CID van het Kernteam Randstad Noord en Midden opereert volstrekt los van de CID-Kennemerland, althans na het aantreden van de nieuwe CID-chef.

 

C. Keuze onderzoeken

De procureurs-generaal en de ministeries hebben te weinig invloed op de keuze van de onderzoeken die bij de kernteams worden uitgevoerd. In feite is de beslissing van de verantwoordelijke officier en korpschef in de driehoek doorslaggevend. Korpsbeheerders houden zich niet of nauwelijks bezig met de keuze van onderzoeken. Bij de prioriteitenstelling moeten nationale prioriteiten en interregionale wensen en mogelijkheden op elkaar afgestemd worden.

 

D. Werkwijze en controle

De commissie heeft geconstateerd dat de professionaliteit van de werkmethodieken, administratie en verantwoording bij kernteams in het algemeen goed is. Kernteams maken gebruik van alle onderzochte methoden. Het openbaar ministerie is op de hoogte en onderhoudt intensief contact met de kernteams. Fenomeenonderzoek wordt niet of nauwelijks uitgevoerd, met uitzondering van de onderzoeken Oost-Europa en Turkije in het kernteam Noord-Oost-Nederland.

De sturing van en controle op de kernteams zijn intensiever dan die bij CID-en en regionale rechercheteams. De verhouding tussen kernteamofficieren en zaaksofficieren is echter niet duidelijk.

E. Korpsbeheerders

De beheersverantwoordelijkheid van de korpsbeheerders ten aanzien van de kernteams zou hen moeten dwingen tot beoordeling van in te zetten methoden. Het is de commissie gebleken dat, hoewel de verantwoordelijkheid voor de kernteams in handen ligt van een aantal regionale driehoeken, de korpsbeheerders tot op heden nagenoeg onkundig zijn gebleven van belangrijke opsporingsmethoden. Nu de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden veelal een directe verbinding heeft met beheersverantwoordelijkheden, kan de korpsbeheerder, onder meer met het oog op de integriteit, vaardigheden, rechtspositie en veiligheid, niet volstaan met het verwijzen naar het jusititeel gezag.

F. Toegevoegde waarde

De toegevoegde waarde van kernteams is moeilijk aan te geven. Op dit moment geven regionale belangen vaak de doorslag bij de keuze van onderzoeken. De spanning tussen regionale belangen en landelijk gezag werkt verwarrend. Het LRT verandert daaraan vooralsnog weinig vanwege zijn diffuse taakstelling. De commissie is van oordeel dat indien kernteams daadwerkelijk als afzonderlijke eenheden kunnen functioneren en de prioriteitenstelling een betere basis krijgt, zij inhoudelijk meerwaarde kunnen hebben. De kernteams en het LRT moeten naar het oordeel van de commissie de tijd krijgen te bewijzen dat zij daadwerkelijk een toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de regionale eenheden.

10.6.6 Bijzondere opsporingsdienten

 

A. Bevoegdheden


Een nadere omschrijving van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van bijzondere opsporingsdiensten is noodzakelijk. De sturing van en de controle op de opsporing door het openbaar ministerie verdienen verbetering. Er bestaat grote afstand tussen het openbaar ministerie en de bijzondere opsporingsdiensten. De beheerders van de opsporingsdiensten blijken zich in de praktijk nauwelijks of helemaal niet met opsporingsmethoden bezig te houden.

 

B. Methoden

Nagenoeg alle bijzondere opsporingsdiensten hebben enigerlei bemoeienis met de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Bijzondere opsporingsdiensten hebben ook gebruik gemaakt en maken nog gebruik van informanten. Verschillende bijzondere opsporingsdiensten runnen meerdere informanten. De chauffeur M., beschreven in hoofdstuk 3, wordt door de commissie beschouwd als FIOD-informant. De controle ten opzichte van deze informant was volstrekt onvoldoende. De activiteiten van FIOD-medewerker De Jongh bleken onverantwoord. Dat moet zowel de leiding van de FIOD als de toenmalige teamleider Teeven en het toenmalige hoofd douanerecherche Tjalkens van de FIOD worden aangerekend.

C. CID

In de praktijk maken opsporingsdiensten zoals de ECD, AID en DRZ gebruik van een soort eigen CID, die niet geregeld is. De commissie acht de onduidelijkheden rond de CID-status van bijzondere opsporingsdiensten ongewenst. Bijzondere opsporingsdiensten kunnen naar het oordeel van de commissie niet zelfstandig CID-activiteiten ontplooien maar in specifieke zaken wel gebruik maken van CID-informatie.

D. Gegevensuitwisseling

De moeilijkheden bij gegevensuitwisseling tussen politie en bijzondere opsporingsdiensten zijn naar het oordeel van de commissie eerder te wijten aan de spanningsverhouding tussen de bijzondere opsporingsdiensten en de politie dan aan leemten in de wetgeving.

 

D. Koninklijke marechaussee (Kmar)

De Koninklijke marechaussee (Kmar) werkt op Schiphol feitelijk als een gewone politiedienst. Zij heeft een eigen CID en maakt gebruik van alle opsporingsmethoden. De Koninklijke marechaussee heeft een eigen observatieteam.

 

E. Rijksrecherche

Bij het onderzoek naar mogelijke strafbare feiten heeft de Rijksrecherche in bijzondere gevallen toegang tot CID-gegevens van de politiekorpsen. De Rijksrecherche heeft zelf informanten gerund.

10.6.7 Binnenlandse veiligheidsdienst

 

A. Georganiseerde criminaliteit

De BVD houdt zich niet intensief bezig met het verschijnsel georganiseerde criminaliteit. BVD-onderzoek komt sporadisch voor, en wel indien georganiseerde criminaliteit een gevaar voor de democratische rechtsorde of de integriteit van het bestuur zou opleveren. Dat is juist. De taak van de BVD dient binnen de democratische staat zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Volgens de interne onderzoeken van de BVD is er geen sprake van aantasting van de integriteit van het bestuur.

 

B. Politie - BVD

Het grensvlak tussen politie en BVD verdient nadere normering. De BVD dient geen politietaken uit te voeren. In het verleden heeft de BVD oneigenlijke politietaken uitgevoerd. In de praktijk blijkt ook vermenging van de activiteiten van de regionale politieke inlichtingendiensten (RID-en) en de CID. Die vermenging is onwenselijk. Binnen de Centrale toetsingscommissie is geopperd de BVD onderzoek te laten doen naar lekken van vertrouwelijke informatie naar journalisten. Dergelijk onderzoek acht de commissie geen taak voor de BVD.

C. Gebruik BVD-informatie

Het gebruik van BVD-informatie ten behoeve van de opsporing dient beter geregeld te worden. De basis van artikel 22, derde lid van de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten is gebrekkig.

D. BVD-officier

De landelijke BVD-officier van justitie kan nauwelijks daadwerkelijk controle uitoefenen op de rechtmatigheid van de informatie die per ambtsbericht door de BVD wordt verstrekt.

E. Methoden

Ook het gebruik van bijzondere methoden, die de BVD hanteert, dient in de wet genormeerd te worden. Die normering is er, met uitzondering van telefoontaps en direct afluisteren, nu niet.

10.6.8 Openbaar ministerie

 

A. Omvang OM

Het openbaar ministerie is veel kleiner dan iedereen denkt. Er zijn slechts ongeveer 440 officieren van justitie in Nederland. Dat is, gezien de gebleken gezagscrisis bij de toepassing van opsporingsmethoden, een te gering aantal. In vergelijking met de politieke roep om «meer blauw op straat» zijn het openbaar ministerie en de zittende magistratuur te kort gekomen.

 

B. Organisatie OM

Het openbaar ministerie kan worden getypeerd als een verzameling van functionarissen die behalve de wet voornamelijk de eigen individuele verantwoordelijkheid en het non-interventiebeginsel als leidraad hebben. Van organisatorische en inhoudelijke uniformiteit in en tussen de parketten is de commissie weinig gebleken. Op het terrein van de bestrijding van de zware en georganiseerde criminaliteit vertoont de organisatie van het openbaar ministerie vele mankementen. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn onvoldoende helder afgebakend en per parket zeer verschillend. Zo wijst de commissie op de uiteenlopende invulling van de functie van CID-officier en die van kernteamofficier.

De verhouding tussen de verschillende lagen binnen het openbaar ministerie geeft aanleiding tot veel onnodige discussie. Inhoudelijke richtlijnen over de gezagsuitoefening over de politie bij de opsporing zijn er niet; richtlijnen over opsporingsmethoden zijn nagenoeg afwezig. Het openbaar ministerie is weliswaar een organisatie van juridisch hoogwaardige professionals, maar geen professionele organisatie. Met de in gang gezette veranderingen kan het OM naar het oordeel van de commissie wel een professionele organisatie worden. Inhoudelijke afstemming en eenheid over de taakopvattingen zijn daarbij echter onontbeerlijk. Het kan volgens de commissie niet de bedoeling zijn dat elke officier van justitie zijn eigen taakopvatting kiest en daardoor het gezag van het openbaar ministerie als geheel beïnvloedt. De commissie heeft hiervan teveel voorbeelden gezien. Het is tot op heden teveel aan elke individuele officier overgelaten of hij als «crimefighter» of als afstandelijke toetser het gezag over de opsporing uitoefent. Evenzeer acht de commissie het niet verantwoord voor de positie van het openbaar ministerie dat individuele leden hiervan hun eigen kaders en normen ontwikkelen, die slechts beperkt worden getoetst door de rechter.

C. Gezag OM

Het openbaar ministerie heeft geen praktische bemoeienis met opsporing in gewone strafzaken. Tussen het openbaar ministerie en de politie heerst het vertrouwensbeginsel, waarbij feitelijke sturing en controle ongebruikelijk zijn. Het openbaar ministerie is bij de keuze van onderzoeken te sterk afhankelijk van de politie en bijzondere opsporingsdiensten. Het openbaar ministerie staat onder «negatieve controle» van de politie. Volgens de commissie dient het openbaar ministerie hier ook zijn gezag uit te oefenen. Het OM zal moeten doorvragen. Veel leden van het openbaar ministerie werden verrast door het feit dat zij verantwoordelijk waren voor methoden waarvan zij nauwelijks beseften dat ze plaats konden vinden. Ook bij de gezagsuitoefening door het OM wreekt zich het gebrek aan eenheid. Er bestaat verschil van opvatting of de officier van justitie als «super-rechercheur bovenop de zaak zit» dan wel op grote afstand stuurt.

D. Prioriteitenstelling

De commissie meent dat de greep van het OM op de prioriteitstelling en de selectie van de onderzoeken zwak is. Niet alleen is het OM volledig afhankelijk van de aanlevering van informatie door de politie, maar ook de omslachtige procedures om tot een keuze te komen werken in zijn nadeel. In veel commissies die zich hiermee bezig houden, voert de politie de boventoon. De regionale belangen, waaraan hoofdofficieren zich committeren, bemoeilijken bovendien bij de kernteamonderzoeken een heldere keuze op grond van een landelijke prioriteitstelling. Het CBO is daar tot nu toe niet in geslaagd. De commissie heeft de indruk dat niet het OM, maar feitelijk veelal de politie de beslissingen neemt. Dit verstevigt het gezag van de het OM niet en zal dus moeten veranderen. Het OM zal, op basis van gedegen inzicht en na advies van de politie zelf de prioriteiten moeten stellen, ook als die afwijken van de adviezen.

 

E. CTC

De Centrale toetsingscommissie heeft in haar eerste jaar van bestaan een belangrijke rol gespeeld in de intercollegiale toetsing. In enige belangrijke gevallen blijken de voorwaarden die de CTC stelt, echter niet opgevolgd te worden of te kunnen worden. Dit geldt in het bijzonder de voorwaarde dat burgerinfiltranten criminele gelden niet mogen behouden. De CTC heeft geen wettelijke basis om het gebruik van methoden rechtmatig te verklaren.

 

F. Gebrek aan gezag

Het openbaar ministerie is tekort geschoten in zijn gezag, in zijn sturende en controlerende taak ten aanzien van opsporingsmethoden. Het is te weinig als eenheid opgetreden. Officieren van justitie hebben hun gezag onvoldoende doen gelden. In en tussen ressorten en parketten blijken grote verschillen te bestaan over de te hanteren opsporingsmethoden. Vooral in het ressort Amsterdam is dit duidelijk naar voren gekomen. Voor het takenpakket van kernteam-officieren, CID-officieren en zwacri-officieren ontbreken landelijke richtlijnen. De grootste moeilijkheden zijn niet zozeer ontstaan door de verschillen tussen «rekkelijken» en «preciezen» alswel door het optreden van «autonomen» voor wie slechts de missie van criminaliteitsbestrijding leek te tellen.

Het gebrek aan sturing en controle van de opsporing en de opsporingsmethoden is een element van de gezagscrisis die tussen het OM en de politie is ontstaan. Deze gezagscrisis is vooral in het ressort Amsterdam manifest geworden, maar is ook in andere delen van het land aanwezig. De ondergeschiktheid van de politie aan het OM wordt niet vanzelfsprekend ervaren. De commissie heeft teveel voorbeelden aangetroffen waarin politiefunctionarissen het OM niet of pas achteraf informeerden. Er is een sfeer van verzelfstandiging ontstaan. De commissie meent dat de wijze waarop de korpschefs zich in de afgelopen jaren naar buiten manifesteerden, daaraan mede debet is. Wil de gezagscrisis worden bezworen, dan zal dit van het OM kracht vragen, en van de politie de bereidheid daadwerkelijk in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag te werken.

G. Verantwoordelijken openbaar ministerie

De kritiek van de commissie geldt het openbaar ministerie van boven naar beneden, maar in het bijzonder de Vergadering van procureurs-generaal. Deze vergadering heeft zich, ook na het uitbarsten van de IRT-affaire, niet inhoudelijk met de praktijk van het gebruik van opsporingsmethoden bezig gehouden. Te vaak zijn belangrijke beleidsbeslissingen feitelijk overgelaten aan commissies die op ad-hoc basis zijn samengesteld, zoals de werkgroep-De Wit. Naar het oordeel van de commissie heeft de Vergadering van procureurs-generaal na de IRT-affaire haar verantwoordelijkheid niet adequaat uitgeoefend, onafhankelijk van de commissie-Wierenga en haar conclusie over de Delta-methode. Zij had de implicaties van de ontstane situatie na het verschijnen van het rapport-Wierenga en de sterk verstoorde verhoudingen tussen de betrokkenen nooit onbesproken mogen laten. De procureurs-generaal hadden zich nader moeten informeren. Dit geldt in het bijzonder voor procureur-generaal Gonsalves als portefeuillehouder zware, gorganiseerde criminaliteit. De situatie is verbeterd na de omvorming van de Vergadering van procueurs-generaal in een College van procureurs-generaal

Veel (hoofd)officieren van justitie hebben hun gezag evenmin op de juiste wijze uitgeoefend. Dat oordeel kan natuurlijk slechts de door de commissie onderzochte situaties gelden. De commissie heeft niet alle officieren van justitie in Nederland in het onderzoek betrokken.

In de voorgaande paragrafen heeft de commissie haar oordeel daarover uitgesproken. In het geval van de
Delta-methode heeft dat geleid tot voor de overheid onmogelijke situaties waarin politie en justitie de sturing, zoals nu blijkt, op onaanvaardbare wijze zijn kwijtgeraakt.

10.6.9 Rechters-commissarissen en zittende magistratuur

 

A. Toerusting rechters-commissarissen

De rechters-commissarissen zijn zo mogelijk nog slechter toegerust voor een goede taakuitoefening dan het openbaar ministerie.

B. Methoden

De rechters-commissarissen beoordelen tot op heden slechts die opsporingsmethoden waar zij volgens de wet bij betrokken zijn. Andere methoden worden nauwelijks getoetst.
Een aanzienlijk deel van de rechters-commissarissen betwijfelt of nadere bemoeienis met de toetsing van andere methoden is aangewezen.

C. Toetsing

De vereiste toestemming voor dwangmiddelen wordt op aanvraag van de officier van justitie bijna in alle gevallen verleend. Daaraan kan wel informele discussie en eventueel een informele afwijzing van het gebruik van een dwangmiddel door de rechter-commissaris voorafgaan. Het is een fictie dat rechters-commissarissen toezicht hebben op het precieze gebruik en de vernietiging van gegevens uit telecommunicatietaps. De rechter-commissaris is niet of nauwelijks op de hoogte van het parallelle opsporingsonderzoek.

D. Coördinerend rechter-commissaris

De functie van de coördinerend rechter-commissaris is nauwelijks vormgegeven. Hij heeft geen direkte bemoeienis met toegepaste methoden binnen de kernteams. Zonder nadere regelgeving is de meerwaarde van deze functionaris beperkt.

 

E. Zittende magistratuur

Het inzicht van de zittende magistratuur in het gebruik van opsporingsmethoden is over het algemeen gering. Te vaak heeft de rechter een te passieve rol gespeeld bij de beoordeling van gebruikte opsporingsmethoden. CID-operaties zijn nauwelijks door de rechter beoordeeld.

De Hoge Raad heeft, zo is de indruk van de commissie, in zijn jurisprudentie de praktische weg gekozen om de opsporing niet te veel in de wielen te rijden. Hij heeft somtijds «gered wat er te redden was», door veelvuldig gebruik te maken van de algemene taak- en bevoegdheidsbepalingen voor politie en openbaar ministerie. Een duidelijk antwoord op de vraag wat de «proactieve» fase van de opsporing is geeft de jurisprudentie niet.

10.6.10 Korpsleiding en korpsbeheerders

 

A. Korpsleiding

Het overgrote deel van de korpschefs heeft geen recherche-ervaring. Bij de reorganisatie van de politie is relatief weinig aandacht besteed aan de opbouw van de recherche. Tot voor kort was de korpsleiding te weinig op de hoogte van opsporing en recherche.

De verhouding tussen het openbaar ministerie en de korpsleiding is gecompliceerd. De korpsleiding heeft er soms moeite mee het gezag van het openbaar ministerie te aanvaarden. Dat is in ieder geval gebleken in Amsterdam en Utrecht. Korpschefs hebben de afgelopen jaren er te weinig blijk van gegeven zich te realiseren dat zij onder het gezag van het OM en het beheer van de korpsbeheerder staan. Zij hebben geen onafhankelijke bevoegdheden en zijn geen zelfstandige regisseurs van het veiligheidsbeleid. Daarbij moet worden aangetekend dat korpsbeheerders en ministers de politiechefs te zeer de vrije hand hebben gelaten. In Utrecht en vooral Haarlem heeft de korpsleiding verzuimd op de juiste momenten leiding te geven. De korpsleiding in Utrecht had de gebleken feilen bij het functioneren van de CID (inkijkoperaties) direkt aan het OM moeten melden. De korpschef had eerder ertoe kunnen bijdragen om de schade na zijn corruptiebeschuldigingen te herstellen.
De korpsleiding in Amsterdam had na het verschijnen van het rapport van de commissie-Wierenga meer inspanningen kunnen plegen om te trachten de IRT-strijdbijl te begraven en hernieuwd samen te werken met de andere regio's in het ressort.

 

B. Korpsbeheerders

Korpsbeheerders dragen medeverantwoordelijkheid voor het gebruik van opsporingsmethoden door het politiepersoneel. Zij zijn voorts ten volle verantwoordelijk voor de inrichting en kwaliteit van recherche-afdelingen, zoals CID-en en kernteams, en voor het beheer van alle polieregisters. De korpsbeheerders zijn zich dat niet of onvoldoende bewust geweest. Zij zijn op dit punt te terughoudend gebleken. Het is wenselijk dat korpsbeheerders op de hoogte zijn van de inzet van vergaande opsporingsmethoden en bij beslissingen hierover betrokken zijn. De commissie meent dat de korpsbeheerders van Haarlem, Amsterdam en Utrecht meer hadden kunnen doen om de verhoudingen na de IRT-affaire te herstellen; de korpsbeheerders van Rotterdam en Den Haag bleken niet op de hoogte te zijn (gesteld) van ingrijpende trajecten binnen hun regiokorpsen.

 

C. Democratische controle

De democratische controle op het werk van de politiekorpsen is, wat betreft de opsporing en het onderzoek van georganiseerde criminaliteit, bijkans volledig afwezig.
Het is de commissie niet gebleken dat deze onderwerpen grondig aan de orde komen in de regionale colleges en de betrokken gemeenteraden.

10.6.11 Ministeries

 

A. Minister van Justitie

Het ministerie van Justitie heeft zich te weinig gelegen laten liggen aan het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden.
De minister van Justitie, Hirsch Ballin, blijkt nauwelijks tot niet op de hoogte te zijn geweest van het feitelijk gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. Ook na de IRT-affaire was het doorlaten van harddrugs hem onbekend. Dat was een onverantwoorde situatie. Weliswaar wenste hij als gevolg van de IRT-affaire een centrale toetsingscommissie, maar hij zag geen aanleiding verder door te vragen naar het doorlaten van drugs. Hij had binnen het departement en het openbaar ministerie navraag moeten doen of de Delta-methode werkelijk was gestopt. Minister Kosto heeft het doorlaten van 9000 kg softdrugs goedgekeurd. De minister van Justitie, Sorgdrager, nam op de dag van haar aantreden de verantwoordelijkheid voor de afkoop van een IRT-informant voor het exorbitante bedrag van 2 miljoen gulden. Tevoren hebben ministers zich niet met het uitbetalen van tipgelden bemoeid.

Mede naar aanleiding van inkijkoperaties en het debat over het rapport van de werkgroep Opsporing gezocht heeft zij in december 1994 de doorlichtingsactie van bijzondere opsporingsmethoden ingang gezet. Van de Beverzaak in Rotterdam vernam zij pas na de publiciteit daarover. De zaak van de door het OM te maken vormfout om een informant vrijuit te laten gaan is door de commissie aan de minister gemeld. Zij droeg hiervan geen kennis terwijl de procureur-generaal te Arnhem wel op de hoogte was.

B. Ambtenaren ministerie van Justitie

Noch hoofdofficieren noch de procureurs-generaal hebben voor, tijdens of na de IRT-affaire het ministerie ingelicht over bijzondere ontwikkelingen. De ambtelijke top had de minister beter moeten informeren. Naar aanleiding van de verhoren van Suyver en Wooldrik meent de commissie dat dat oordeel vooral geldt voor de opeenvolgende secretarissen-generaal, directeuren-generaal Politie en Criminaliteitsbestrijding en directeuren politie.

De informatieverstrekking heeft pas vorm gekregen door de rapportages van de Centrale toetsingscommissie. Het is onverantwoord geweest dat na het uitbreken van de IRT-affaire geen actiever beleid is gevoerd om beter geïnformeerd te geraken. Het oordeel van de commissie-Wierenga over de Delta-methode zal daar zeker debet aan zijn. Het openbaar ministerie is te terughoudend geweest bij het inlichten van het ministerie, waardoor de politieke verantwoordelijkheid voor de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden niet ten volle kon werken.

C. Regeling tipgeld

De regeling van het ministerie van Justitie over de uitkering van tipgelden aan informanten (waaronder infiltranten) voldoet niet. Naar het oordeel van de commissie had het ministerie de regeling eerder moeten aanpassen en uitbreiden. De rechtskracht ervan is onduidelijk evenals de regeling zelf. Zij schept geen duidelijke kaders voor de begeleiding van informanten en de voorwaarden die aan hen worden gesteld. De commissie acht het onjuist dat veelal het oordeel van een enkele ambtenaar op het departement doorslaggevend is voor de hoogte van de uitkering. De commissie heeft in haar onderzoek ook geen duidelijke lijn hierin kunnen ontdekken. Binnen het ministerie bestaat bovendien geen duidelijkheid wanneer beslissingen terzake aan de ambtelijke top of de minister moeten worden voorgelegd.

 

D. Wetgeving

In de voorbereiding van wetgeving heeft geen evenwicht bestaan tussen de uitbreiding van bevoegdheden en dwangmiddelen aan de ene kant en normering van de opsporingsmethoden aan de andere kant. Te laat is het ministerie tot de overtuiging gekomen dat wetgeving geboden was.

 

E. Kernteams

De sturing van de kernteams is onvoldoende tot stand gekomen.

F. Sorgdrager - Blok

De commissie heeft geen redenen te twijfelen aan de nadere uitleg van hoofdofficier van justitie Blok en minister Sorgdrager. Hoofdofficier Blok blijft erbij Sorgdrager gezegd te hebben: «Ik moet wennen aan dit soort grote partijen». Minister Sorgdrager blijft bij haar eerdere verklaring deze zinsnede niet gehoord te hebben en nooit gedacht te hebben aan doorlaten van cocaïne. Daarmee heeft zij dit dus niet geweten.

G. Binnenlandse Zaken

Naar het oordeel van de commissie draagt het ministerie van Binnenlandse Zaken medeverantwoordelijkheid voor het bepalen van de kaders waarbinnen de politie opsporingsmethoden toepast. Deze verantwoordelijkheid manifesteert zich meer op afstand. Dit neemt niet weg dat het ministerie van Binnenlandse Zaken voldoende mogelijkheden heeft zijn beheersverantwoordelijkheid te doen gelden. Dit is onvoldoende gebeurd.

H. Binnenlandse Zaken en Justitie

Hoewel er in het algemeen genoeg signalen zijn van tegenstrevende belangen van beide ministeries op het terein van de politie die de voortgang van beleid kunnen belemmeren, heeft de commissie de indruk dat de samenwerking bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit relatief weinig problemen veroorzaakte. De commissie meent echter dat in de nabije toekomst de vraag onder ogen moet worden gezien of integratie van de verschillende verantwoordelijkheden en bevoegdheden in één hand niet wenselijk is.

10.6.12 De Tweede Kamer

 

A. Wetgeving

In de Tweede Kamer heeft de nadruk gelegen op wetgeving ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De organisatie van de opsporing is slechts op enkele onderdelen aan de orde geweest. Bij de behandeling van de Politiewet is er niet over gesproken. Het functioneren van de CID en de richtlijn infiltratie zijn in het geheel niet door de Kamer besproken. Kamerleden blijken zich niet ervan bewust te zijn geweest hoe de opsporing in de praktijk werkt. Verschillende fracties hebben zich wel bij gelegenheid de vraag gesteld of wetgeving terzake van «proactief politiehandelen» niet geboden was. De bijzondere commissie van onderzoek in de zaak Bosio heeft de Kamer aanbevolen de regering te vragen de Kamer nader te informeren over de positie van informanten en de reikwijdte van hun bescherming. Naar de mening van de commissie heeft de Kamer verzuimd met de regering een principieel debat te voeren over de ontwikkelingen van de opsporing, zeker als dit wordt vergeleken met het grote aantal wetsontwerpen om bevoegdheden uit te breiden die ze wel heeft afgehandeld.

B. Controle

Ook in de debatten rond de IRT-affaire heeft de Kamer niet adequaat controle uitgeoefend ten aanzien van de gebruikte opsporingsmethode. Zij is in de controle van opsporingsmethoden in het algemeen tekortgeschoten.

C. Commissie voor de Inlichtingen en veiligheidsdiensten

De commissie meent dat het niet op de weg van de commissie Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten ligt geheime informatie van de regering terzake te behandelen. De commissie is tegenstander van een geheime commissie die in de toekomst bijzondere opsporingsmethoden zou dienen te toetsen.

10.7 Aanbevelingen

 

10.7.1 Inleiding

In de democratische rechtsstaat vraagt elk optreden van bestuur, justitie en politie een zo precies mogelijke wettelijke grondslag. Bij de toepassing van strafrecht en strafvordering binnen de democratische rechtsstaat kan het doel de middelen niet heiligen. De toepassing van proportionaliteit en subsidiariteit moet geschieden binnen de grenzen van wettelijke bevoegdheden en niet daarbuiten.

Regeling van de opsporingsmethoden is noodzakelijk, zowel naar inhoud als naar procedure en controle. Het gaat niet alleen om de vraag wat er mag, maar ook om de vraag hoe toezicht en gezag worden uitgeoefend. Dit volgens het adagium: geen bevoegdheid zonder verantwoordelijkheid, geen verantwoordelijkheid zonder verantwoording.

Alle opsporingshandelingen dienen te worden verricht onder het gezag van het openbaar ministerie (artikel 148 Sv). Er kan geen eigen domein voor politie of andere opsporingsdiensten bestaan. Het staat voor de commissie buiten kijf dat de minister van Justitie politiek verantwoordelijk is voor het doen en laten van het openbaar ministerie en dus ook voor de gebezigde opsporingsmethoden. Van de politieke verantwoordelijkheid is geen domein uitgezonderd. De minister dient op de hoogte te zijn van gebruikte opsporingsmethoden en kan via het college van procureurs-generaal zijn verantwoordelijkheid laten gelden. Er is ook geen afgescheiden domein voor het openbaar ministerie. De minister kan deze verantwoordelijkheid thans uitoefenen op basis van artikel 5 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie kan nooit in de plaats komen van de toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van opsporingsmethoden in een bepaalde casus. Derhalve is de commissie tegenstander van de door sommigen geopperde gedachte dat bijzondere opsporingsmethoden getoetst zouden moeten worden door een vertrouwelijke kamercommissie, zonder dat de rechter erover zou kunnen oordelen.

 

10.7.2 Algemene uitgangspunten van de opsporing

De commissie heeft in de voorgaande paragrafen de belangrijkste conclusies en bevindingen weergegeven. De crisis in de opsporing vraagt adequate aanbevelingen voor de toekomst. Deze crisis noodzaakt tot oplossingen die de organisatie en het functioneren van de opsporing fundamenteel raken. De commissie verzoekt de Kamer een expliciet oordeel uit te spreken over alle onderstaande aanbevelingen. Voor de formulering van deze aanbevelingen heeft de commissie acht uitgangspunten geformuleerd. Deze uitgangspunten dienen de leidraad te vormen voor de toekomstige opsporing in Nederland. Zij zijn rechtstreeks gekoppeld aan de beoordelingscriteria in hoofdstuk 1.

 

1. Wettelijke basis

Opsporingsmethoden dienen in een democratische rechtsstaat een expliciete wettelijke basis te hebben. Opsporing moet plaatshebben op de wijze bij de wet voorzien. Opsporingsmethoden kunnen inbreuk maken op grondrechten van burgers. Inbreuken op grondrechten van de burgers behoeven naar het oordeel van de commissie in ieder geval een legitimatie in de wet. Opsporingsmethoden kunnen naar het oordeel van de commissie dan ook niet worden ingezet als er geen wettelijke basis voor is. De wet definieert limitatief de opsporingsmethoden die een inbreuk op de fundamentele rechten van de burger inhouden. Analoge methoden mogen niet worden toegepast zonder wettelijke basis.

2. Wettelijke bevoegdheden

Bevoegdheden van opsporingsambtenaren dienen expliciet in de wet vastgelegd te worden. Daarbij moet worden voorkomen dat de omschrijving van de bevoegdheden dermate vaag is dat verschillende interpretaties van deze bevoegdheden gegeven kunnen worden. Opsporingsambtenaren hebben het recht precies te weten over welke bevoegdheden zij kunnen beschikken. Politie en justitie dienen natuurlijk beleidsvrijheid te behouden bij de afweging of gebruik wordt gemaakt van bepaalde methoden.

3. Vastlegging methoden

Het gebruik van opsporingsmethoden moet expliciet worden vastgelegd. Op elk moment moet het mogelijk zijn te achterhalen met welke methode bepaalde informatie is verzameld. Niet alleen de inhoud van de informatie, maar ook de wijze waarop de informatie is verkregen, dient te worden vastgelegd. Op die manier wordt het mogelijk de wijze van informatieverwerving te controleren.

 

4. Hogere autoriteiten bij zwaardere ingrepen

Bij meer ingrijpende opsporingsmethoden acht de commissie het noodzakelijk dat anderen dan politiefunctionarissen toestemming geven. De commissie is van oordeel dat hoe ingrijpender de methode is, des te hoger de autoriteit moet zijn die toestemming geeft. In bepaalde gevallen van de inzet van opsporingsmethoden is machtiging door de rechter-commissaris noodzakelijk. Op die manier kan verzekerd worden dat wanneer de inbreuk op grondrechten van burgers toeneemt, hogere autoriteiten een beslissing daartoe nemen. Hogere autoriteiten kunnen op meer afstandelijke wijze het opsporingsbelang afwegen tegen het belang van burgers wier grondrechten kunnen worden geschonden.

 

5. Objectieve toetsingscriteria

Toetsing vooraf dient plaats te vinden aan de hand van objectieve criteria. Naast proportionaliteit en subsidiariteit dienen bij de toetsing van de in te zetten methode tevens andere criteria een rol te spelen:

Het oordeel over de toetsingscriteria dient te worden gemotiveerd.

6. Openbare verantwoording

Het uitgangspunt is dat de gebruikte methoden in het openbaar ter terechtzitting worden verantwoord. Ter terechtzitting moeten de gebruikte methoden kunnen worden besproken. Er kunnen zich uitzonderingssituaties voordoen, waarbij bepaalde aspecten van methoden niet openbaar worden. De rechter moet echter alle methoden kunnen toetsen.

 

7. Gezag

Het openbaar ministerie heeft het gezag over de opsporing. Dit impliceert dat het openbaar ministerie, onverlet de beheersverantwoordelijkheden, beslist over de te onderzoeken zaken en de te gebruiken opsporingsmethoden. De politie dient het gezag van het openbaar ministerie te aanvaarden. Alleen dan kan sprake zijn van vruchtbare samenwerking tussen openbaar ministerie en politie.

8. Integratie kennis

Een aantal functionarissen binnen de recherche en het openbaar ministerie moet kennis hebben van de recherche-onderzoeken en de gebruikte opsporingsmethoden. Op één punt binnen de regiokorpsen en binnen de parketten van het openbaar ministerie dient een overzicht te bestaan van de recherche-onderzoeken en de gebruikte opsporingsmethoden. Dat zal noodzaken tot integratie van verschillende organisatie-onderdelen. Op deze wijze kunnen coördinatie en afstemming van kennis gerealiseerd worden.
Deze acht uitgangspunten vormen voor de commissie de leidraad bij de formulering van de aanbevelingen en de voorstellen voor normering. De commissie verzoekt de Kamer een oordeel te geven over deze acht uitgangspunten van de opsporing.


10.8 Normering van de methoden algemeen

 

10.8.1 Definitie opsporing

 

Opsporing in Wetboek van Strafvordering

De commissie wil de opsporing, inclusief de zogenoemde «proactieve opsporing», een duidelijke plaats geven in de wet en wel in het Wetboek van Strafvordering. Een nieuwe toevoeging aan artikel 1 van dat wetboek dient te bepalen dat de opsporing alleen plaats heeft op de wijze bij de wet voorzien. De commissie heeft overwogen een aparte wet op de opsporing dan wel regeling van bepaalde «proactieve» opsporingsbevoegdheden in de Politiewet voor te stellen. Zij heeft die weg niet gekozen, omdat het begrip opsporing in de ogen van de commissie onlosmakelijk verbonden moet blijven met het ophelderen van strafbare feiten om tot een strafrechtelijke sanctie te komen. Dat beginsel lijdt geen uitzondering bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit.

Ook «proactieve» opsporing dient een strafvorderlijk doel te hebben. Uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden kan wel tot gevolg hebben dat een criminele organisatie of groep wordt «ontmanteld», maar het doel blijft oplegging van een strafrechtelijke sanctie. Dat laat onverlet dat ook ander beleid noodzakelijk is om georganiseerde criminaliteit tegen te gaan.

 

Opsporing en vervolging

Naar de mening van de commissie is een deel van de moeilijkheden bij de opsporing gerezen omdat het openbaar ministerie en de politie soms gefixeerd zijn geraakt op «ontmanteling» van criminele organisaties. Voor een effectieve aanpak van de georganiseerde criminaliteit is het begrip ontmanteling te onbepaald en schept het verwachtingen die niet kunnen worden waargemaakt.

Het strafrecht dient te worden gehandhaafd. Daarmee verdraagt zich niet de opvatting dat het om het even is of de grote crimineel nu wordt vervolgd, een zware belastingaanslag krijgt of bestuurlijk het leven onmogelijk wordt gemaakt. Sanctionering door het strafrecht, met de daarbij behorende mogelijkheden van ontneming van crimineel vermogen, moet de eerste doelstelling blijven. Dat neemt niet weg dat ook andere instrumenten van belang zijn bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Het gebruik van gegevens, die door opsporing verkregen zijn, ten behoeve van bestuurlijke en fiscale rechtshandhaving dient aan specifieke regels gebonden te worden. Opsporen moet volgens de commissie een specifiek doel hebben, te weten opheldering van strafbare feiten en zo mogelijk een strafrechtelijke sanctie en niet het vagere en minder omschreven doel ontmantelen.

Zolang er criminele markten bestaan, zolang er criminele vraag is, zullen er criminele groepen en organisaties bestaan. Wel wordt hun werk bemoeilijkt en bedreigd met in de eerste plaats strafrechtelijke sancties, die moeten worden toegepast binnen het kader van de rechtsstaat. Daarnaast moeten de maatschappij en het bestuur zich verzetten tegen corrumperende beïnvloeding door de georganiseerde criminaliteit. Maar dan met bestuurlijke maatregelen en niet met dwangmiddelen die een strafvorderlijk doel hebben. De overheid kan en moet criminaliteit terugdringen zonder zelf onderdeel te worden van het criminele milieu. Anders zijn de risico's voor de democratische rechtsstaat niet te overzien. Wie zich niet meer aan specifieke regels houdt, vervalt tot het niveau dat hij bestrijdt. Het is derhalve ongewenst en contraproduktief te opereren in termen van de «oorlog tegen de mafia», de «wapenwedloop met de criminelen» en het «knock-out slaan van de criminele organisatie».

 

Definitie opsporing

Gezien het voorgaande wil de commissie de definitie van opsporingsmethoden in het rapport van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden: «het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en informatie door overheidsorganisaties over (de voorbereiding van) crimineel handelen en criminele organisaties met het doel te komen tot vervolging danwel tot het voorkomen of beëindigen van crimineel handelen of criminele organisaties» herformuleren. De commissie acht deze definitie te ruim omdat het begrip opsporing normatief gekoppeld dient te worden aan het ophelderen van strafbare feiten om te komen tot een strafrechtelijke sanctie.
Zij wil opsporing als volgt definiëren:
Het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en informatie
verband waarin ze worden begaan, een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, of - op grond van een redelijk vermoeden van te plegen strafbare feiten die gezien hun aard of het georganiseerd met het doel te komen tot een strafrechtelijke sanctie.

- op grond van tenminste duidelijke aanwijzingen van gepleegde strafbare feiten Deze opsporingsactiviteiten vallen onder het regime van artikel 1 Sv. Dit artikel brengt mee dat opsporing plaats moet hebben op de wijze bij de wet voorzien en beheerst moet worden door de beginselen van strafvordering. Met deze definitie wil de commissie de werkelijkheid van de opsporing omschrijven en tegelijkertijd duidelijke grenzen stellen aan de toekomstige opsporing. Zij verzoekt de Kamer een oordeel te geven over deze definitie van de opsporing.

Met de definitie van opsporing maakt de commissie de keuze om ook de zogenoemde «proactieve» opsporing in het Wetboek van Strafvordering een plaats te geven. Het begrip «proactieve» opsporing heeft voor veel verwarring gezorgd. Sommigen beschouwen «proactieve» opsporing als alles wat er gebeurt voordat er sprake is van een verdenking of een verdachte in de zin van het Wetboek van Strafvordering. Anderen, vooral bij de politie, zijn «proactieve» opsporing gaan beschouwen als een synoniem voor geheime onderzoeken en geheime trajecten. De commissie komt tot de slotsom dat «proactieve» opsporing niet meer moet zijn dan het verrichten van opsporingsactiviteiten ten aanzien van te plegen ernstige misdrijven, die bijna altijd verbonden zijn met georganiseerde criminaliteit of organisatiecriminaliteit. Het mag geen andere term voor geheim onderzoek zijn.

De commissie heeft vastgesteld dat het overgrote deel van de CID-subjecten als verdachte kan worden beschouwd. In veel zogenoemd «proactief» onderzoek gaat het in feite om afgeschermde trajecten die wel degelijk worden ingezet tegen verdachten in de zin van artikel 27 Sv. In vrijwel alle gevallen is er een verdenking dat zij lid zijn van een criminele organisatie, of dat zij betrokken zijn geweest bij de invoer van illegale goederen, in het bijzonder drugs. De bedoeling is om meer en steviger bewijs te verzamelen. Dat bewijs heeft vaak betrekking op nog te plegen strafbare feiten: de verdachte moet «met de handen in de coke» worden gepakt. Dit type onderzoek, dat zijn grond vindt in een redelijk vermoeden van schuld en dat zich mede richt op soortgelijke nog te plegen strafbare feiten, acht de commissie in beginsel toelaatbaar. Maar de term «proactieve opsporing» is voor dit type onderzoek misleidend. Het gaat namelijk om gewone verdachten. Dit is te beschouwen als klassieke opsporing.

 

10.8.2 Criteria inzet methode

Op grond van de definitie doet de commissie in de navolgende paragrafen voorstellen om te normeren wanneer, waarom en hoe een opsporingsmethode gebruikt kan worden. Per methode dient te worden genormeerd in welke fase van opsporing de methode kan worden ingezet, welke aanvullende voorwaarden over de ernst van de strafbare feiten noodzakelijk zijn, gedurende welke termijn de methode kan worden ingezet en welke autoriteiten op welke wijze toestemming moeten geven voor het gebruik van de methode. De commissie heeft de voorstellen schematisch weergegeven. De commissie heeft een structuur voor de normering geformuleerd. Deze structuur laat ruimte voor verdere verfijningen.

 

Fasen van opsporing

De commissie onderscheidt de volgende fasen:
Fase I: Voorfase, waarin nog geen sprake is van opsporing.
Fase II: Fase waarin sprake is van een redelijk vermoeden van een te plegen ernstig misdrijf. De commissie noemt de opsporingsactiviteiten die zich richten op deze fase, «proactieve» opsporing. Fase III:

A. Fase waarin sprake is van duidelijke aanwijzingen van een gepleegd strafbaar feit.
B. Fase waarin sprake is van een redelijk vermoeden van een gepleegd strafbaar feit. Er is een verdenking. C. Fase waarin sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een gepleegd strafbaar feit. In deze fase is er een verdenking en een verdachte.

De commissie duidt opsporingsactiviteiten die zich richten op fase III, aan als opsporing van gepleegde strafbare feiten.
Aan opsporen kan altijd een fase vooraf gaan. In fase I houden de politie en andere controlerende instanties «ogen en oren open». Zij controleren, winnen open informatie in en ontvangen passief tips van derden (mogelijk ook informanten). Dit is geen opsporing.

Opsporing in fase II is naar het oordeel van de commissie alleen mogelijk bij te plegen ernstige misdrijven waarbij sprake is van een redelijk vermoeden, dat wil zeggen een vermoeden dat berust op feiten en omstandigheden en meer is dan een aanwijzing of een tip. Het zal hierbij bijna altijd gaan om georganiseerde criminaliteit of organisatiecriminaliteit.

In fase III gaat het om allerlei feitelijk gepleegde strafbare feiten van meer of minder ernstige aard. Fase III A sluit aan bij de werkelijkheid dat vaak ook opsporingsactiviteiten verricht worden, zonder dat er al sprake is van een verdenking of een verdachte. De commissie gebruikt hiervoor de juridische term duidelijke aanwijzingen van gepleegde strafbare feiten. Fase III B betreft de klassieke verdenking: er is een redelijk vermoeden dat berust op feiten en omstandigheden van een gepleegd strafbaar feit. Het drugstransport rijdt of het lijk is bijna gevonden. Fase III C (artikel 27 Sv.) betreft de klassieke verdachte: degene «te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld» aan een strafbaar feit voortvloeit. Er is een verdachte transporteur of een verdachte van moord. In de rechtspraktijk is de ontwikkeling te signaleren dat verdenking ruim wordt opgevat.

De bevoegdheden van de politie in de voorfase zijn beperkt. Genoemd is reeds het inwinnen van open informatie en het passief ontvangen van tips. Ook kortstondige observatie is naar het oordeel van de commissie toegelaten. Ook in de voorfase dient het optreden van de politie te geschieden onder gezag en verantwoordelijkheid van de officier van justitie. Dat is vastgelegd in artikel 13 Politiewet 1993. Het verrichten van gerichte opsporingshandelingen ten aanzien van bepaalde personen kan pas beginnen vanaf fase II. Vanaf dat moment dient er een specifieke bevoegdheid tot voor het toepassen van een opsporingsmethode te zijn, zeker indien er twijfel kan bestaan over de vraag of er sprake is van inbreuken op de rechten van burgers. De commissie overweegt daarbij dat opsporingsambtenaren niet al datgene mogen doen wat de gewone burger vrijstaat. Opsporingsambtenaren handelen immers niet als gewone burgers. Als overheidsdienaren zijn zij gebonden aan specifieke regels, die bij of krachtens de wet voorzien zijn. Het moment waarop opsporing kan beginnen, is niet precies aan te geven. In ieder geval is duidelijk dat het om meer moet gaan dan een enkel vermoeden, een losse aanwijzing of een gerucht. Wil er sprake zijn van «proactieve opsporing», dan is ook meer dan «duidelijke aanwijzingen» noodzakelijk. De fasen vormen de algemene kaders. Bij elke opsporingsmethode kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld.

 

Ernst strafbaar feit

Naast de indeling in fasen heeft de commissie steeds bezien in hoeverre criteria met betrekking tot de ernst van de te plegen of gepleegde strafbare feiten moesten worden gesteld. Daarbij heeft de commissie gebruikt gemaakt van de navolgende criteria:

 

Toestemming en toetsing


Hoe zwaarder de inbreuk, hoe hoger de autoriteit die daarover een beslissing moet nemen. Dat uitgangspunt is van wezenlijk belang voor de aanbevelingen van de commissie. De commissie meent dat de volgende politiefunctionarissen, officieren van justitie en rechters een rol kunnen spelen bij de toestemming voor bepaalde methoden, in rangorde van zwaarte van de toestemming:

 

Deze rangorde laat onverlet dat in sommige gevallen de hoofdofficier en/of het college van procureurs-generaal eveneens toestemming moeten verlenen. Dit laatste natuurlijk onder het beslag van de wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, waarin het college van procureurs-generaal thans formeel nog geen wettelijke basis heeft.

De minister van Justitie krijgt onverwijld inzage in alle bijzondere opsporingsmethoden die aan het college van procureurs-generaal zijn voorgelegd of waarvan het college kennis neemt. Hij kan besluiten van het college of van andere officieren van justitie terzake teniet doen indien hij het gebruik van opsporingsmethoden onverantwoord of onrechtmatig oordeelt.

De semi-onafhankelijke rol van de Centrale toetsingscommissie (CTC) binnen het openbaar ministerie verdwijnt, zo stelt de commissie voor. De CTC mag een nuttige functie als intercollegiale toets binnen justitie en politie vervullen, zij mist het gezag om bepaalde beslissingen te doen uitvoeren. Zij kan ook geen stempel van rechtmatigheid verlenen. De commissie stelt voor dat het college van procureurs-generaal zich kan laten adviseren door een adviesraad zoals de CTC, zonder eigen bevoegdheid. Te vaak is in het verleden gegrepen naar het instellen van commissies en werkgroepen waardoor de eigen verantwoordelijkheid van de procureurs-generaal tekortgeschoten is.

Bij de vaststelling welke autoriteit toestemming moet geven voor het gebruik van een methode, dan wel moet toetsen in hoeverre de methode rechtmatig en verantwoord wordt gebruikt, hanteert de commissie de volgende uitgangspunten.

Inbreuken op grondrechten vergen een rechterlijke toetsing vooraf door de rechter-commissaris. In enkele gevallen is de inbreuk op de privacy zo gering dat kan worden volstaan met een toets door de officier van justitie. Bij methoden die of zeer ingrijpend zijn of een groot risico voor de overheid (bijvoorbeeld infiltratie en direct afluisteren) met zich brengen, dient ook het college van procureurs-generaal toestemming te verlenen. Waar de integriteit van de politie (mede gelet op het gevaar van corruptie) in het geding is, draagt ook de korpsbeheerder bestuurlijke verantwoordelijkheid. In die gevallen dient de korpsbeheerder op de hoogte te worden gesteld van de gebruikte methoden.

Hoe ingrijpender de methode, hoe specifieker het doel moet worden omschreven. Daarbij gaat de commissie ervan uit dat steeds expliciet een doel wordt geformuleerd en bij de toetsing van de methode steeds bezien wordt in hoeverre de doelstelling nog steeds reëel is. De commissie benadrukt de noodzaak van het consequent expliciteren van de doelstelling van de opsporing.

 

Termijn methode

Per methode dient te worden vastgesteld welke termijn voor de inzet van de methode wordt gehanteerd. Deze termijn moet zodanig zijn dat daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van de methode, maar dat ook een hernieuwde toetsing van de methode mogelijk wordt. De commissie is geen voorstander van het oneindig toestaan van methoden. Methoden dienen aan een bepaalde termijn gekoppeld te worden. Na die termijn dient een hernieuwde afweging plaats te vinden over de verdere inzet van de methode.

10.8.3 Procedure verantwoording

De commissie stelt een procedure voor om zo veel mogelijk de gebruikte methoden in het openbaar te kunnen verantwoorden, waarbij de mogelijkheid wordt gecreëerd eventuele vertrouwelijke informatie op een andere wijze te verantwoorden. De commissie verzoekt de Kamer een oordeel te geven over de voorgestelde procedure.

 

Processen-verbaal

Van alle relevante handelingen ter fine van opsporing dient zo spoedig mogelijk proces-verbaal opgemaakt te
worden. Daarmee bepleit de commissie een reactivering van het vereiste van artikel 152 Sv. Het proces-verbaal dient zowel de relevante inhoud als de gebruikte methode weer te geven. Een specifiek startproces-verbaal geeft de benodigde toestemming en verantwoordelijke officier van justitie aan. Alle relevante processen-verbaal behoren bij de processtukken gevoegd te worden. Er kunnen geen gesloten trajecten meer bestaan die niet aan de rechter worden voorgelegd.

 

Vertrouwelijke informatie

Mocht de officier van justitie van oordeel zijn dat bepaalde relevante informatie niet aan de processtukken kan worden toegevoegd, dan stelt hij de rechter-commissaris daarvan in kennis. De officier van justitie dient zijn beslissing met redenen te omkleden en op schrift te stellen. Deze procedure is slechts mogelijk indien een directe bedreiging van derden, analoog aan de bedreigde-getuigenregeling in het Wetboek van Strafvordering, te duchten is of een zwaarwegend opsporingsbelang wordt geschaad.

De rechter-commissaris krijgt het recht te bepalen dat bepaalde stukken alsnog aan het procesdossier moeten worden toegevoegd. De officier van justitie kan daarop, vóór de zitting, besluiten de zaak niet te laten voorkomen.

Naar analogie van artikel 30 Sv wordt de verdachte meegedeeld dat relevante informatie niet aan de stukken is toegevoegd. Mogelijk moet ook worden voorzien in een beroep op de raadkamer analoog aan artikel 32 Sv. Indien de officier van justitie besluit de zaak aan de zittingsrechter voor te leggen, dan kan hij zich niet meer aan het oordeel van de zittingsrechter onttrekken door de zaak «van de rol te halen.» Intrekking van de dagvaarding is in ons stelsel van strafvordering mogelijk tot aan de aanvang van het onderzoek ter zitting (artikel 266 Sv).

 

Zittingsrechter

De zittingsrechter behoudt te allen tijde het recht en de mogelijkheid een zelfstandige beoordeling te geven van de gebruikte opsporingsmethoden. Uiteindelijk beslist hij, gehoord de verdediging en gelet op het oordeel van de rechter-commissaris, of de achtergehouden informatie geheim mag blijven danwel alsnog op tafel moet komen. Hij kan daartoe ook tijdens de zitting verwijzen naar de rechter-commissaris. Bij de beslissing van de zittingsrechter zal de officier van justitie zich moeten neerleggen op straffe van bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid. Ook al gezien het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens zou geen enkele wettelijke regeling de zittingsrechter deze toets kunnen ontnemen.

 

Geen geheime trajecten

Met deze voorstellen wil de commissie ordening brengen op het punt van de volledigheid van de processtukken. De bedoeling is een einde te maken aan de zogeheten geheime trajecten. De rechter-commissaris moet kunnen oordelen over alle relevante informatie en doet verslag aan de zittingsrechter indien naar zijn oordeel terecht relevante informatie niet aan de processtukken is toegevoegd, in verband met een te duchten directe bedreiging van derden. Zodra het opsporingsbelang het toelaat wordt een ex-verdachte of een betrokken persoon in kennis gesteld van tegen hem gebezigde dwangmiddelen of inbreuken op zijn fundamentele rechten.

De commissie hoopt dat op deze wijze een actievere rechterlijke toets van opsporingsmethoden en van de rechtmatigheid van de opsporing werkelijkheid zal worden. Zij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het daaraan in het verleden somtijds ontbroken heeft.

De commissie heeft ervan afgezien speciale opsporingsmethoden te normeren in het geval van levensbedreigende situaties zoals gijzelingen en ontvoeringen. Indien sprake is van direct levensgevaar, is het de eerste taak van de politie die situatie te beëindigen en kan er sprake zijn van een noodtoestand.


10.9 Voorstellen normering observatiemethoden

De commissie verzoekt de Kamer een oordeel uit te spraken over alle navolgende aanbevelingen voor de normering van opsporingsmethoden.

A. Aftappen telecommunicatie

Voor het aftappen van telecommunicatie (telefoontap, fax, semafoons) volgt de commissie in grote lijnen het
wetsvoorstel herziening gerechtelijk vooronderzoek. Noodzakelijk is +een redelijk vermoeden van een gepleegd ernstig misdrijf, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat gezien zijn aard of het georganiseerd verband waarin het is begaan een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;. Wel meent de commissie dat het vermoeden dient te bestaan dat de verdachte aan de telecommunicatie deelneemt (fasen III B en C). Tevens acht de commissie het mogelijk dat tappen van telecommunicatie toegestaan wordt in fase II, als er sprake is van feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden opleveren van een te plegen ernstig misdrijf, en dan alleen tegen de personen tegen wie dit vermoeden zich richt. Deze voorwaarden zijn strenger dan voorgesteld in het oorspronkelijk wetsvoorstel herziening gerechtelijk vooronderzoek. De rechter-commissaris moet toestemming geven voor het aftappen van telecommunicatie voor een periode van vier weken. Op vordering van de officier van justitie kan deze termijn verlengd worden. Het gebruik van gegevens in andere zaken of tegen andere personen is slechts mogelijk met toestemming van de rechter-commissaris. In de politieregisters moeten gegevens met bronvermelding worden opgeslagen. Zij kunnen niet als CID-informatie versluierd worden. Gezien de voorgestelde regeling voor het telecommunicatieonderzoek kan de rechter-commissaris ook bij inzage in computerbestanden beslissen dat gegevens ten behoeve van andere onderzoeken gebruikt kunnen worden.

Alle telecommunicatieverkeer via de ether dat niet bestemd is voor vrije ontvangst, dus ook scannen, autotelefoons en dergelijke, valt onder de regeling van de telecommunicatietap. Het zogeheten +printen;, het opvragen van telefoon-, fax- en andere telecommunicatienummers, is toegestaan onder dezelfde voorwaarden als de telecommunicatietap, met dien verstande dat de officier van justitie in eerste instantie toestemming geeft voor vier weken. Na vier weken dienen de gegevens vernietigd te worden of dient een rechter-commissaris een vordering tot verlenging van het printen te toetsen.

B. Direct afluisteren

Bij het direct afluisteren als methode dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het direct afluisteren +met goedkeuring van een van de deelnemers aan het gesprek; en direct afluisteren zonder meer. Beide methoden vormen een inbreuk op de privacy van betrokkenen. Ook het heimelijk afluisteren en opnemen van gesprekken +met goedkeuring van een van de deelnemers aan een gesprek; acht de commissie onrechtmatig indien het vertrouwen van betrokkenen wordt geschaad, ook al is deze vorm van afluisteren niet strafbaar. Dit ligt niet anders bij het door de overheid zonder wettelijke basis opnemen van gevoerde telefoongesprekken. Voor direct afluisteren zonder meer wil de commissie het ingediende wetsvoorstel volgen met de volgende toevoegingen. Direct afluisteren is alleen mogelijk in fasen III B en III C. Er moet sprake zijn van een redelijk vermoeden van een gepleegd ernstig misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat gezien zijn aard of het georganiseerd verband waarin het is begaan, een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Het vermoeden dient te bestaan dat de verdachte aan de afgeluisterde gesprekken deelneemt. Direct afluisteren in een woning is conform het wetsvoorstel slechts mogelijk bij misdrijven waarop een strafmaximum van acht jaar of meer staat.

De commissie meent dat direct afluisteren niet moet worden toegestaan in fase II, omdat het een zwaardere inbreuk is dan het tappen van telecommunicatie en omdat het gepaard kan gaan met het heimelijk betreden van afgesloten ruimten en woningen. Daarvoor acht de commissie het bestaan van een verdenking noodzakelijk. Direct afluisteren op basis van alleen duidelijke aanwijzingen van een gepleegd strafbaar feit (fase III A) is evenmin toegestaan.

De vordering van de officier van justitie tot direct afluisteren dient ter goedkeuring aan het College van procureurs-generaal te worden voorgelegd. De rechter-commissaris dient vervolgens te beoordelen of hij een machtiging tot direct afluisteren afgeeft. De machtiging van de rechter-commissaris geldt voor maximaal vier weken. Verlengingen dienen ter goedkeuring aan zowel het College van procureurs-generaal als aan de rechter-commissaris te worden voorgelegd.

Direct afluisteren +met goedkeuring van een van de deelnemers; is een andere zaak. Deze methode wordt vaak gebruikt bij politikle infiltratie. Deze methode en het door de overheid opnemen van gevoerde telefoongesprekken als methode mogen worden toegepast onder dezelfde voorwaarden als gelden voor het aftappen van telecommunicatie. Deze vorm van direct afluisteren is daarmee wel mogelijk in fase II. Het nu voorkomende direct afluisteren in huizen van bewaring en gevangenissen dient onder het hier beschreven regime gebracht te worden.

 

C. Observeren en volgen


De methode observatie is in het geheel niet geregeld in de wet. De commissie wil een onderscheid aanbrengen tussen kortstondige observatie en intensieve observatie, waarbij langer op bepaalde personen uring van de officier van justitie vereist; duurt zij langer dan een maand, dan is tevens goedkeuring van de rechter-commissaris vereist.

Voor het gebruik van andere technische hulpmiddelen (in de toekomst ook satellieten) dan verrekijkers en handmatig bediende fototoestellen is altijd toestemming vereist van de officier van justitie. Video-apparatuur kan geplaatst worden indien zich situaties voordoen als omschreven in fasen II en III. De officier van justitie moet daarvoor toestemming verlenen gewerkt wordt. Zij acht de inbreuk op de grondrechten van burgers in beide gevallen van verschillende aard. Korte observatie van zes uur of minder behoeft geen toestemming en kan ook toegepast worden in fase I. Langere observatie van hoogstens een week kan worden toegepast in fasen II en III. Goedkeuring van de hulpofficier van justitie is voldoende. Observatie van langer dan een week is ook mogelijk in fasen II en III. Voor deze methode is goedkevoor maximaal 4 weken. Video-apparatuur mag niet geplaatst worden in woningen dan met toestemming van de daadwerkelijke bewoner. Gericht op een woning is video-apparatuur toegestaan in de proactieve fase II, en in fasen III B en C indien sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten). Opnames/banden verkregen door technische hulpmiddelen worden vernietigd na iin maand of na bekindiging van een zaak. Ook hier kan de rechter-commissaris toestemming verlenen om deze gegevens in andere zaken te gebruiken c.q. op te slaan in andere registers.

Scan-apparatuur mag gebruikt worden voor observatiedoeleinden in fasen II, III B en C onder dezelfde voorwaarden als het aftappen van telecommunicatie.

D. Plaatsbepalingsapparatuur

Hierbij gaat het om de zogenaamde peilbakens die aan of in voer- en vaartuigen worden aangebracht. Te denken valt aan plakzenders, geotach en dergelijke. Deze technische middelen mogen niet worden aangebracht op, aan of in personen.

Aan en in voertuigen op de openbare weg is plaatsing toegestaan in de fasen II en III en bij verdenking van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Toestemming van de officier van justitie is vereist voor maximaal 4 weken, waarna de officier van justitie over verlenging dient te beslissen. Het aanbrengen van deze apparatuur door middel van betreden van erven, loodsen en garages zijnde geen woningen is alleen mogelijk bij verdenking van ernstige misdrijven in georganiseerd verband (alleen in fasen III B en C). Deze methode is te beschouwen als inkijkoperatie en wordt daar genormeerd. Voor het aanbrengen van plaatsbepalingsapparatuur op en in vaartuigen en vliegtuigen dienen vergelijkbare regels te gelden.

 

E. Inkijkoperaties

De commissie is van oordeel dat inkijkoperaties, dat wil zeggen het heimelijk betreden van afgesloten ruimtes, erven en dergelijke met het doel de situatie te gaan bekijken om later in de wet geregelde dwangmiddelen eventueel te gaan toepassen, onvoldoende basis in de huidige wet vinden. Ook de toepassing van artikel 9 Opiumwet als wettelijke basis voor een inkijkoperatie, door de jurisprudentie gebillijkt, acht de commissie niet bevredigend. De wetgever heeft bij het redigeren van dit artikel niet gedacht aan het doel inkijkoperatie. De schouw, die nu geregeld is in artikel 150 Sv, is niet voor inkijken geschreven. De doelstelling van een inkijkoperatie moet worden genormeerd.

De commissie ziet twee mogelijke varianten van de inkijkoperatie.
a. Het heimelijk betreden van afgesloten ruimten zoals loodsen, erven en garages, niet zijnde woonruimten om plaatsbepalingsapparatuur aan te brengen is mogelijk bij verdenking van ernstige misdrijven, gepleegd in georganiseerd verband (fasen III B en C). De officier van justitie dient toestemming te geven en de rechter-commissaris dient, nadat de plaatsbepalingsapparatuur iin maand is ingezet, toestemming te verlenen voor een nader te bepalen periode.

b. Het heimelijk betreden van afgesloten ruimten zoals loodsen, erven en garages, zijnde niet-woonruimten, ter opneming van de situatie is mogelijk op grond van een verdenking van misdrijven zoals genoemd in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. In dit geval zijn toestemming van de officier van justitie en de machtiging van de rechter-commissaris vereist. Ook dienen inkijkoperaties in de processtukken vermeld te worden, zoals volgt uit het vereiste van het opmaken van proces-verbaal.
Inkijkoperaties in woningen en vergelijkbare ruimten zijn in elk geval niet toegestaan. Daarvoor gelden de bepalingen van de Algemene wet binnentreden. Tevens is te overwegen duidelijker in de desbetreffende bijzondere wetten aan te geven welk doel betredingsbepalingen hebben en of bij de betredingsbepalingen in bijzondere wetten toestemming van een hogere autoriteit noodzakelijk is.

Voorwaarden observatiemethoden

 

 

Fase

Ernst

Autoriteit

Termijn

Aanvullende voorwaarden

Aftappen telecommunicatie

II en III B en C

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

rechter-
commissaris

4 weken

- vermoeden moet bestaan dat persoon op wie onderzoek is gericht aan telecommunicatie deelneemt
- gebruik van gegevens in andere zaken of tegen andere personen alleen na toestemming rechter-commissaris

Printen nummers

II en III C

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

officier van justitie

4 weken, voor verlenging goedkeuring rechter
-commissaris nodig

 

Direct afluisteren

III B en C

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

rechter-
commissaris/ college van procureurs-
generaal

4 weken

het vermoeden dient te bestaan dat de verdachte aan de afgeluisterde gesprekken deelneemt

Direct afluisteren in woning

III B en C

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde
- misdrijven met strafmaximum van acht jaar en meer

rechter-
commissaris/ college van procureurs-
generaal

4 weken

het vermoeden dient te bestaan dat de verdachte aan de afgeluisterde gesprekken deelneemt

Direct afluisteren met medeweten van een van de deelnemers

II en III B en C

- voorlopige hechtenis
- door aard en georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

rechter-
commissaris

4 weken

- vermoeden moet bestaan dat persoon op wie onderzoek is gericht aan telecommunicatie deelneemt
- gebruik van gegevens in andere zaken of tegen andere personen alleen na toestemming rechter-commissaris

Korte observatie (korter dan zes uur)

I, II en III

geen aanvullende voorwaarden

politie

maximaal 6 uur

 

Observatie (korter dan een week)

II en III

geen aanvullende voorwaarden

hulpofficier van justitie

maximaal een week

 

Observatie (korter dan een maand)

II en III

geen aanvullende voorwaarden

officier van justitie

4 weken

 

Observatie (langer dan een maand)

II en III

geen aanvullende voorwaarden

rechter-
commissaris

na 4 weken

 

Video-
apparatuur

II en III

geen aanvullende voorwaarden officier van justitie

4 weken

video-apparatuur in woningen niet dan na toestemming van de daadwerkelijke bewoner

 

Video-
apparatuur op woning

II en III B en C

voorlopige hechtenis

officier van justitie

4 weken

 

Scannen

II en III B en C

- voorlopige hechtenis
- door aard en georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

rechter-
commissaris

4 weken

 

Plaatsbepalingsapparatuur aan of in voertuigen op de openbare weg

II en III

voorlopige hechtenis

officier van justitie

4 weken

deze middelen mogen niet worden aangebracht op, aan of in personen

Inkijken t.b.v. plakken plaatsbepalings-
apparatuur

III B en C

- voorlopige hechtenis
- georganiseerd verband

officier van justitie

4 weken

- inkijken alleen in afgesloten ruimten zoals loodsen, erven en garages
- in woningen en vergelijkbare ruimten is inkijken niet toegestaan

Inkijken ter opneming situatie

III B en C

alleen verdenking misdrijven Opiumwet en Wet Wapen en munitie

officier van justitie en rechter-
commissaris

eenmalig

- inkijken alleen in afgesloten ruimten zoals loodsen, erven en garages
- in woningen en vergelijkbare ruimten is inkijken niet toegestaan

 


10.10 Gebruik van informanten en infiltranten

 

A. Informanten

De politie heeft de bevoegdheid te allen tijde tips en informatie van derden te ontvangen, ook in fase I ter ondersteuning van haar algemene politietaak, waaronder het voorkomen van strafbare feiten. Het gaat dan om zogenoemde tipgevers van de politie.

Een informant is iemand die gevraagd of ongevraagd inlichtingen verstrekt aan de politie onder zekere waarborgen van anonimiteit en die als zodanig staat ingeschreven in een informantenregister van de politie. Het runnen van informanten dient te geschieden door specifieke opsporingsambtenaren van de criminele inlichtingendienst (CID) en heeft tot doel opsporing. Deze methode is toegestaan op grond van een redelijk vermoeden van gepleegde en te plegen misdrijven die door hun aard of georganiseerd verband een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.

De officier van justitie dient toestemming te geven voor het inschrijven en runnen van informanten. Hij is daarvoor ten volle verantwoordelijk en heeft toegang tot alle relevante informatie, inclusief de identiteit van de informant. De officier van justitie dient jaarlijks te bezien of informanten nog verder gerund moeten worden. Opsporingsambtenaren kunnen niet als informant worden ingeschreven. Waarborgen ter geheimhouding van de identiteit worden alleen gegeven na schriftelijke machtiging van de officier van justitie. Deze waarborgen liggen altijd onder het beslag van de mogelijkheid dat de informant als (bedreigde) getuige wordt opgeroepen (zie 10.8.3). Afscherming van de identiteit van de informant blijft mogelijk als voldaan is aan de voorwaarden die gelden voor de bedreigde getuige.

De informant pleegt geen strafbare feiten onder regie van politie en justitie. Afspraken met de informant
worden schriftelijk vastgelegd. Bij schending van die afspraken vervalt elke geheimhoudingswaarborg ten aanzien van de informant. Gehele of gedeeltelijke vrijwaring voor gepleegde strafbare feiten geschiedt slechts door de officier van justitie en is alleen mogelijk indien verkregen voordeel of criminele winst wordt afgedragen. Vrijwaring is niet mogelijk voor ernstige delicten.

Vergoedingen aan informanten worden slechts gegeven op basis van een landelijke beloningsregeling. Daartoe wordt de regeling Tip-, toon- en voorkoopgelden herzien. Betaling van informanten geschiedt volgens een vaste norm, namelijk het belang van de overheid bij criminaliteitsbestrijding en kan niet gerelateerd worden aan mogelijke criminele winst.

Informanten mogen gestuurd informatie inwinnen zonder daarbij strafbare feiten te plegen. De officier van justitie moet hiervoor toestemming geven. Maandelijks dient de officier te bezien of verder gegaan moeten worden met de gestuurde informant. Zijn de gestuurde informanten al betrokken bij strafbare handelingen, dan is het slechts mogelijk hen als informanten te runnen en hun toe te staan deze handelingen te blijven verrichten, indien zij bereid zijn verkregen voordeel en/of criminele winsten af te dragen. De overheid dient met deze regels te voorkomen dat zij de controle op informanten verliest. Mochten informanten in levensbedreigende situaties geraken doordat de overheid zich niet aan de gestelde regels houdt, dan dient de overheid bescherming te bieden. Het mag echter onder geen beding kunnen voorkomen dat de overheid gedwongen wordt de informant straffeloos criminele handelingen te laten verrichten.

B. Deals met criminelen

Onder een deal verstaat de commissie een afspraak tussen een crimineel en het openbaar ministerie, met het doel een toetsbare getuigenverklaring te verkrijgen in ruil voor enige tegenprestatie van het openbaar ministerie. Deze deals dienen een wettelijke basis te krijgen. Bij deals met criminelen raakt men de grenzen van toelaatbare opsporingsmethoden. Wanneer men consequent de ene crimineel vrijuit laat gaan in ruil voor belastend bewijs tegen een andere crimineel die bij dezelfde strafbare handelingen betrokken is, ondergraaft men de zin van het strafrecht. Bovendien kan de overheid door onderhandelen de regie kwijt raken. Een zonder meer accepteren van deals met criminelen kan de weg openen naar een ongewenste afhankelijkheidsverhouding tussen justitie en de crimineel.

Deals met criminelen, zoals omschreven in de circulaire van de procureurs-generaal van 1983, zijn te onderscheiden van de transactie waarbij alleen onderhandeld kan worden over de strafbare feiten door de verdachte zelf begaan. Transactie is niet mogelijk voor strafbare feiten waarop meer dan zes jaar gevangenisstraf als maximum is gesteld.

De commissie bepleit derhalve grote terughoudendheid inzake deals met criminelen, die zichtbaar en controleerbaar moeten zijn. Zij moeten kunnen worden voorgelegd aan de rechter. De commissie wil de volgende voorwaarden stellen aan het aangaan van deze deals:

en dood.
- Zij zijn slechts toelaatbaar als uiterst redmiddel in zaken van georganiseerde criminaliteit of zaken van leven de rechter toetsbare getuigenverklaringen opleveren. Het is onvoldoende wanneer een deal slechts informatie - De te verkrijgen informatie dient essentieel te zijn voor opsporing en bewijs in die zaken. Een deal moet door ten behoeve van de CID oplevert.

slechts mogelijk indien bij afwezigheid van de deal niet tot vervolging zou worden overgegaan of met een - Als tegenprestatie kan geen strafrechtelijke immuniteit worden toegezegd. Uitsluiting van strafvervolging is transactie zou worden volstaan.

a. beloning volgens landelijke tipgeldregels (vergelijk informanten);
- De tegenprestatie kan zijn:
b. het eisen van een lagere straf dan op basis van de tenlastelegging normaal zou zijn, waarbij de officier van justitie dit meldt in zijn requisitoir;
c. enige verzachting van de strafexecutie. Dit mag niet in strijd komen met de Gratiewet. Toestemming van het College van procureurs-generaal voor het aangaan van een deal is vereist. De verantwoordelijke hoofdofficier doet daartoe een verzoek.

 

C. Getuigenbescherming


Hoewel getuigenbescherming in de strikte zin van het woord geen opsporingsmethode is, wil de commissie toch enige conclusies ten zake trekken. Maatregelen ter bescherming van personen, zoals het begeleiden van personen door de politie of het instellen van enigerlei vorm van bewaking, kunnen hier buiten beschouwing blijven. Zij behoren tot de normale politietaak.

De toepassing van een zogenoemd getuigenbeschermingsprogramma, zoals voorgesteld door de werkgroep-Craemer in 1995, is slechts aan de orde bij ernstige bedreiging van mogelijke getuigen. De getuige moet zich zodanig bedreigd kunnen achten dat voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van die getuige moet worden gevreesd. Met deze formulering sluit de commissie aan bij de regeling voor de bedreigde getuige in artikel 226a Sv. Het moet daarbij gaan om zaken van georganiseerde criminaliteit of leven of dood. De commissie is van oordeel dat het begrip getuigenbeschermingsprogramma niet van toepassing is op informanten en infiltranten aangezien zij geen getuigenis afleggen.

In het rapport van de commissie-Craemer wordt ook een voorstel gedaan om eventueel aan getuigen een andere identiteit te geven. Dit brengt grote juridische en morele consequenties met zich; de vraag rijst of de overheid hiermee getuigen niet voor onacceptabele dilemma's zou stellen. De ervaringen in de Verenigde Staten leren dat veel personen met een andere identiteit sociaal compleet mislukken. Desalniettemin meent de commissie in meerderheid dat in uiterste gevallen wijziging van de identiteit van een getuige een noodzakelijk onderdeel van een getuigenbeschermingsprogramma kan zijn. Voor een zo ingrijpende maatregel is een wettelijke grondslag vereist.

Voor het uitvoeren van een programma is de toestemming van het college van procureurs-generaal vereist. De uitvoering wordt centraal georganiseerd bij de CRI, onder gezag van de hoofdofficier van justitie bij het landelijk bureau openbaar ministerie.

 

D. Kroongetuigen

In de twee voorgaande paragrafen is de commissie gestoten op de grenzen van overeenkomsten om de opsporing van georganiseerde criminaliteit te vergemakkelijken. De invoering van het instituut kroongetuige schept een situatie waarbij de straf, of zelfs het ontbreken van enige straf, in geen verhouding meer staat tot de ernst van de gepleegde feiten. Daartegenover staat de mogelijke veroordeling van personen die anders de dans ontspringen.

In Italik heeft het instituut kroongetuige geleid tot een aantal successen bij de bestrijding van de mafia en het terugdringen van de invloed van de georganiseerde criminaliteit op de democratische instellingen. Vooral met dat laatste doel voor ogen is het gebruik van de +pentiti; te billijken.

In Nederland blijkt geen sprake te zijn van een grote invloed van de georganiseerde criminaliteit op het functioneren van de democratische instellingen. Derhalve moet in de ogen van de commissie de figuur van de kroongetuige niet in het Nederlandse strafrecht worden ingevoerd. De mogelijkheden genoemd onder deals met criminelen, eventueel gekoppeld aan een getuigenbeschermingsprogramma, vormen naar het oordeel van de commissie thans het maximum tot waar de Nederlandse rechtsstaat moet gaan.

E. Infiltratie

Onder infiltratie verstaat de commissie het onder gezag van politie en openbaar ministerie binnendringen in een criminele organisatie of groep, het gebruik maken van personen die reeds deel er van uitmaken of het (desgevraagd)ondersteunen ervan, indien dit optreden gepaard gaat met

a. het aannemen van een valse identiteit en/of
b. het plegen van strafbare feiten en/of
c. het aanbieden van goederen en/of diensten aan criminele organisaties of groepen. Infiltratie behoeft een wettelijke regeling omdat de methode in veel gevallen een inbreuk kan betekenen op de fundamentele rechten van burgers en grote risico's voor de overheid inhoudt. De commissie wijst de strafrechtelijke noodtoestand als legitimatie voor infiltratie af.

Alleen gekwalificeerde opsporingsambtenaren en niet-criminele burgers kunnen infiltranten zijn. Het onder regie van politie en justitie plegen van strafbare feiten ten behoeve van de opsporing is aan hen voorbehouden. De grens voor de rol van criminelen bij de opsporing ligt bij de gestuurde informant, hierboven beschreven, die geen strafbare feiten onder regie van politie en justitie kan plegen. Infiltratie kan naar het oordeel van de commissie slechts plaatsvinden onder de volgende voorwaarden: naar hun aard of georganiseerd verband een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde. In fase III A waarin - Infiltratie kan plaatsvinden in de fase III B en C voor zover sprake is van ernstige gepleegde misdrijven die
alleen sprake is van duidelijke aanwijzingen van gepleegde strafbare feiten is geen infiltratie mogelijk. mogelijk na een redelijk vermoeden van te plegen misdrijven die naar hun aard of georganiseerd verband een - Het inwinnen van informatie door middel van infiltratie als +proactieve; opsporingsmethode (fase II) is alleen ernstige inbreuk op de rechtsorde vormen. Het plegen van strafbare feiten door infiltranten is in deze fase niet toegestaan.

verdachten van misdrijven die naar hun aard of in georganiseerd verband begaan een ernstige inbreuk op de - Het plegen van strafbare feiten zoals aankoop van illegale goederen is alleen toegestaan ten aanzien van rechtsorde vormen. Pseudo-verkoop van illegale goederen is als methode niet toegestaan, met uitzondering van kleine hoeveelheden softdrugs.

Zogeheten frontstores kunnen gebruikt worden ten aanzien van dezelfde misdrijven als waarvoor infiltratie is - Uitlokking van verdachte of andere personen binnen de criminele groep of organisatie is niet toegestaan. toegestaan. Overigens moet bedacht worden dat frontstores beperkte mogelijkheden kennen vanwege de noodzakelijke afscherming ten aanzien van derden, zoals fiscale diensten, etc. Alle frontstores worden landelijk geregistreerd. Bij niet-criminele burgerinfiltranten moet gedacht worden aan deelnemers aan frontstores, zoals accountants, financikle deskundigen, etc.

Alle infiltranten dienen begeleid te worden door speciale infiltratieteams. Van alle infiltratie-activiteiten dient proces-verbaal te worden opgemaakt. Direct afluisteren met een technisch hulpmiddel door een infiltrant is slechts mogelijk indien er sprake is van verdenking van bovengenoemde ernstige misdrijven. Afscherming geldt de identiteit van infiltranten, die bekend dient te zijn bij de ANCPI van de CRI. Voor alle infiltratie-acties is op aanvraag van de hoofdofficier, toestemming van het College van procureurs-generaal vereist. De rechter-commissaris toetst alle infiltratie-acties die langer dan een maand duren. Hij kan daarbij een termijn stellen voor hernieuwde toetsing. Eenmalige pseudo-koopacties en kortstondige buitenlandse acties (van iin tot drie dagen) behoeven slechts toestemming van de hoofdofficier of landelijke officier van justitie.

Voor het gebruik van informatie afkomstig uit infiltratie-activiteiten in andere zaken of opslag in politieregisters geldt de algemene regel dat de rechter-commissaris daar toestemming voor moet verlenen. Deze zelfde regel stelt de commissie ook voor bij telefoontap en observatie.

In het onderzoek van de commissie zijn duidelijke gevallen naar voren gekomen waarbij op onverantwoorde wijze gewerkt is met criminele burgerinfiltranten. Het is moeilijk, zo blijkt ook uit de door de commissie onderzochte zaken van de CTC, om burgerinfiltranten hun criminele winsten werkelijk te doen afdragen. De overheid loopt hierbij een groot risico.

De commissie komt tot het eindoordeel dat van criminele burgerinfiltranten die onder regie van politie en justitie strafbare feiten plegen, geen gebruik moet worden gemaakt.
F. Gecontroleerde aflevering en doorlating
De commissie heeft ervoor gekozen de term gecontroleerde doorlevering niet in haar woordenschat op te nemen. Zij maakt slechts onderscheid tussen:
a. gecontroleerde aflevering, waarbij het doel is aanhoudingen te verrichten of in ieder geval partijen illegale goederen in beslag te nemen, en
b. doorlating, waarbij bewust partijen illegale goederen niet in beslag genomen worden. Gecontroleerde aflevering als onderdeel van een infiltratietraject vereist de daarbij behorende toestemming. Ook door observatie kan gecontroleerde aflevering worden vastgesteld, zonder dat er sprake is van actieve regie van opsporingsambtenaren. In dat geval is toestemming van de officier van justitie voldoende. In de onderzochte periode zijn onaanvaardbare hoeveelheden verdovende middelen, zowel soft- als harddrugs, op de markt terecht gekomen door doorlatingen. Bij de behandeling van de verschillende gevallen heeft de commissie daarover een oordeel uitgesproken, zowel wat betreft de aard van de operaties als het ontbreken van voldoende sturing en gezag over die operaties. In geen van de ons omringende landen, zo blijkt uit het rechtsvergelijkend onderzoek van de commissie, wordt doorlating officieel als een aanvaardbare opsporingsmethode beschouwd. Dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld het Bundeskriminalamt deze methode in Nederland heeft toegepast.

Het lijdt geen twijfel dat de methode van doorlaten in Nederland uit de hand is gelopen. Naar het oordeel van de commissie zijn doorlatingen niet toegestaan, met uitzondering van de enkele proefzending van een kleine hoeveelheid softdrugs.

Tabel Voorwaarden informanten en infiltratie

 

 

Fase

Ernst

Autoriteit

Termijn

Aanvullende voorwaarden

Tipgever

I, II en III

geen extra voorwaarden

politie zelf

geen termijn

 

Informant

II en III

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstig inbreuk rechtsorde

officier van justitie

na 1 jaar bezien of informant nog moet worden gerund

- alleen CID runt informanten
- afspraken met informanten vastleggen
- vergoedingen uniformeren

Gestuurde informant

II en III

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

officier van justitie

per maand bezien

- gestuurde informanten mogen geen strafbare feit en onder regie van politie en justitie plegen

Deals

n.v.t.

- georganiseerde criminaliteit
- zaken van leven en dood

College van procureurs-
generaal

n.v.t

- tegenprestatie kan zijn beloning of wijziging voorgenomen tenlastelegging of verzachting strafexecutie
- kroongetuige ongewenst

Getuigebescherming

n.v.t.

- georganiseerde criminaliteit
- zaken van leven en dood
- noodzaak bescherming leven, gezondheid en veiligheid getuige

College van procureurs-
generaal

n.v.t.

- uitvoering centraal door CRI
- alleen in uiterste geval identiteitswijziging

Politie-
infiltratie

III B en C

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

College van procureurs-
generaal

4 weken, verlenging toets rechter-
commissaris

- alleen politie-
infiltranten, geen criminele burgerinfiltranten
- politie-infiltranten mogen onder regie van politie en justitie strafbare feiten plegen

Pro-actieve politie-
infiltratie

II

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

College van procureurs-
generaal

4 weken, bij verlenging toetst rechter-
commissaris

- geen strafbare feiten mogen worden gepleegd door politie-
infiltranten bij deze vorm van infiltratie

Pseudokoop

III B en C

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

hoofdofficier van justitie

eenmalig

- pseudo-
verkoop is niet toegestaan

Frontstore

III B en C

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

College van procureurs-
generaal

4 weken, bij verlenging toets rechter-
commissaris

- landelijke registratie frontstores
- inzet niet-criminele burgerinfiltranten

Gecontroleerde aflevering

III B en C

- voorlopige hechtenis
- door aard of georganiseerd verband ernstige inbreuk rechtsorde

College van procureurs-
generaal als sprake is van actieve regie van de politie; officier van justitie als alleen geobserveerd wordt

eenmalig

geen doorlating toegestaan met uitzondering van de enkele proefzending van kleine hoeveelheden softdrugs


10.11 Overige methoden

 

A. Inwinning, opslag en gebruik van informatie

Een belangrijk deel van de opsporing bestaat uit het vragen van inlichtingen door opsporingsambtenaren bij derden. Voorzover het gaat om open bronnen, zijn geen speciale voorwaarden noodzakelijk. Vaak worden echter ook persoonsregistraties bevraagd bij derden, die daarop vrijwillig kunnen ingaan.
Te denken valt aan banken en creditcardmaatschappijen. De formele strafvorderlijke weg om informatie van derden te verkrijgen is:
a. de oproeping van de derde als getuige in het kader van een gerechtelijke vooronderzoek of, b. voorzover de gegevens zijn opgeslagen in «gegevensdragers», huiszoeking, onderzoek in computers of bevel tot uitlevering in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek, een strafrechtelijk financieel onderzoek (in het kader van de «pluk ze-wetgeving») of op grond van bijzondere wetten.

Voorzover een derde vrijelijk over deze gegevens kan beschikken, kan deze informatie ook buiten de formele weg, maar binnen het kader van de opsporing, verstrekt worden. Anders wordt het wanneer de derde gebonden is aan een geheimhoudingsplicht en/of de gegevens vallen onder de Wet persoonsregistraties. Daarvoor is het naar het oordeel van de commissie onvoldoende dat nadere regels in standaardafspraken worden vastgelegd tussen bijvoorbeeld banken en het openbaar ministerie. Deze informele praktijk staat op gespannen voet met de Wet persoonsregistraties. Een duidelijke normering in de wet is derhalve gewenst om de mogelijkheid van onrechtmatige verstrekking van gegevens te vermijden. Daarbij blijft van kracht dat derden alleen verplicht kunnen worden deze gegevens te verstrekken door middel van toepassing van bestaande wettelijke dwangmiddelen.

De hierboven beschreven «informele» informatie-inwinning is als opsporingsmethode aan te merken en dient dus vastgelegd te worden bij proces-verbaal. Hiervan kan pas sprake zijn vanaf het begin van de pro-actieve opsporing in fase II.

De koppeling van registers en bestanden kan het karakter krijgen van de zogeheten «Rasterfahndung» die naar huidig recht alleen is toegestaan tussen politieregisters en registers in de publieke sector. Als opsporingsmethode dient zij genormeerd worden in het Wetboek van Strafvordering. Zij behoeft volgens de commissie toestemming van de officier van justitie in fase II en bij verdenking van strafbare feiten. De koppeling van politieregisters met registers uit de niet-publieke sector is naar huidig recht voor opsporingsdoeleinden niet toegestaan. Dit dient zo te blijven. Het «ruilen» van gesloten informatie uit politieregisters met derden (bijvoorbeeld particuliere recherchebureaus) is uit den boze en dient expliciet verboden te worden.

Het is ook evident dat informatie die verkregen is met het doel van opsporing ook gebruikt kan, ja moet worden om strafbare feiten te voorkomen. Juist dit uitgangspunt lijkt in de afgelopen jaren soms teveel te zijn vergeten.

B. Gegevens ten behoeve van bestuurlijke rechtshandhaving

Het bestuur heeft de gerechtvaardigde behoefte ten behoeve van bestuurlijke rechtshandhaving gegevens uit politieregisters, die verzameld zijn met het doel van de opsporing, te verkrijgen. Hiervoor ontbreekt in sommige gevallen nu de wettelijke basis.

De hoofdofficier van justitie moet de wettelijke bevoegdheid krijgen deze gegevens aan het bestuursorgaan ter beschikking te stellen, indien sprake is van ernstige gepleegde en te plegen misdrijven in georganiseerd verband, die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Ook informatie over CID-subjecten kan in combinatie met andere gegevens die voor het bestuur voorhanden zijn, tot de conclusie leiden dat een aanbesteding, een vergunning, een subsidie tot een ernstige inbreuk op de rechtsorde kan leiden. Het gaat hierbij om voorbeelden als de aanbesteding voor de bouw van een overheidsgebouw door een criminele organisatie of de verstrekking van subsidie aan een criminele hasjhandelaar. De informatie moet bij proces-verbaal worden verstrekt. Zij maakt daarmee eventueel deel uit van een bestuursrechtelijk procesdossier en moet door de rechter getoetst kunnen worden. Daartoe moet bestuurlijke wetgeving die de gronden aangeeft voor het geven van vergunningen, het gunnen van overheidsopdrachten en het geven van subsidies, worden aangepast.

Verder moet de wettelijke mogelijkheid geschapen worden dat binnen de beheersdriehoek, zoals beschreven in de Politiewet, vertrouwelijke opsporingsinformatie wordt uitgewisseld. Korpsbeheerders dienen zich een oordeel te kunnen vormen over de keuzes en prioriteiten die bij de opsporing worden gesteld.

C. Misdaadanalyse

Misdaadanalyse kan geschieden op basis van open bronnen en opsporingsgegevens die zich in de politieregisters bevinden. Deze vorm van opsporing vereist in ieder geval dat er sprake is van een redelijk vermoeden van ernstige strafbare feiten zoals omschreven in fase II. De inwinning van informatie bij derden
kan een nadere wettelijke regeling vereisen, zoals omschreven in de paragraaf over inwinning van informatie. Dat geldt in die gevallen waar «vrijwillige» verstrekking op gespannen voet komt met de Wet persoonsregistraties. Fenomeenen brancheonderzoek zijn niet als opsporingsmethode te beschouwen. Hiervoor kunnen geen opsporingsmethoden aangewend worden. Wel kan van CID-gegevens gebruik gemaakt worden binnen de politie. Het is gewenst dat uitbesteding van fenomeenonderzoek, voorzover daarbij vertrouwelijke gegevens gebruikt worden, een wettelijke basis krijgt. Daarbij dient geregeld te worden onder welke voorwaarden van vertrouwelijke politiegegevens gebruik mag worden gemaakt.

D. Combinatie van opsporingsmethoden

De commissie heeft vastgesteld dat in grote opsporingsonderzoeken bijna altijd verschillende opsporingsmethoden in combinatie worden toegepast. Langdurige observatie wordt gekoppeld aan telefoontaps en het werken met informanten en infiltranten.

Juist deze combinatie levert een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer op. Deze combinatie zal ook beoordeeld moeten worden aan de hand van de algemene criteria van proportionaliteit en subsidiariteit. Tot nu toe is aan dit vraagstuk weinig aandacht besteed door de opsporingsinstanties, rechters-commissarissen en rechtspraak. De commissie pleit derhalve voor een algemene norm, dat bij de goedkeuring van opsporingsmethoden door het openbaar ministerie en de rechter-commissaris extra afgewogen wordt of een dergelijke combinatie, gezien de ernst van de op te sporen strafbare feiten, rechtmatig en verantwoord te achten is. Daarom is zij er ook voorstander van dat het zogeheten parallelle onderzoek ter kennis wordt gebracht van de rechter-commissaris in het gerechtelijk vooronderzoek, zoals voorgesteld in het desbetreffende wetsvoorstel.

 

Noot

Het lid van de commissie Koekkoek is wat de observatiemethoden betreft van mening dat het direct afluisteren ook mogelijk moet zijn als een redelijk vermoeden bestaat dat een persoon deelneemt aan het in georganiseerd verband beramen van ernstige misdrijven, dus ook in fase II. Ten aanzien van het doorlaten van illegale goederen met medeweten en onder toezicht van politie en justitie meent hij dat alleen de Delta-methode uit de hand is gelopen. De in het Copa-onderzoek toegepaste methode vindt hij niet onverantwoord. Hij acht een enkele proefzending van een beperkte hoeveelheid harddrugs (lijntester) als methode dan ook aanvaardbaar.


10.12 Aanbevelingen organisatie opsporing

De commissie beveelt het volgende aan voor de organisatie van de opsporing. De commissie vraagt de Kamer een oordeel te geven over deze aanbevelingen.

10.12.1 Algemeen

 

A. Integratie

De commissie acht het noodzakelijk dat de CID en de ondersteunende eenheden meer worden geïntegreerd in de recherche. De recherchechef dient volledig op de hoogte te zijn van alle aspecten van het functioneren van de verschillende onderdelen binnen de recherche, zoals de tactische recherche, de CID, het OT, het STO, het AT, het BFO. De recherchechef dient ervoor zorg te dragen dat noodzakelijke informatie tussen de verschillende onderdelen wordt uitgewisseld.

 

B. Recherchechef

Eén van de leden van de korpsleiding dient rechtstreeks verantwoordelijk te zijn voor de aansturing van de recherche van een regiokorps. De andere leden van de korpsleiding dienen op de hoogte te zijn van de voortgang van de zaken en de gebruikte methoden en de organisatie van de recherche.

C. Recherche-officier

Ten behoeve van elke politieregio dient een officier van justitie tenminste, van het niveau van een eerste klasser, als recherche-officier van justitie verantwoordelijk te zijn voor de organisatie en het functioneren van de
recherche, inclusief CID en ondersteunende eenheden. De recherche-officier moet volledig op de hoogte zijn van de methoden die door de recherche worden gehanteerd. De recherche-officier kan worden bijgestaan door een of meer officieren van justitie voor de CID en de ondersteunende diensten. Arrondissementen met een kernteam beschikken ook over een kernteamofficier die valt onder de verantwoordelijkheid van de recherche-officier van de betreffende politieregio. De officieren die de recherche-officier bijstaan kunnen bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de recherche-officier gemandateerd krijgen.

D. Zaaksofficier

De zaaksofficieren van justitie zijn gezagsmatig verantwoordelijk voor alle opsporingsactiviteiten binnen hun zaken. Zij zijn daarmee tevens verantwoordelijk voor alle opsporingsactiviteiten van de CID en van de ondersteunende eenheden in hun eigen zaken. Er is intensief overleg nodig tussen de zaaksofficier en de recherche-officier. Bij conflict tussen de recherche-officier en de zaaksofficier dient de hoofdofficier een beslissing te nemen.

 

E. Structuur

Op deze wijze ontstaat een complementaire structuur. Deze structuur draagt ertoe bij dat zowel binnen de politie als binnen het OM op verschillende niveaus kennis bestaat over de gebruikte methoden en de organisatie van de recherche.

 

10.12.2 Criminele inlichtingendiensten

 

A. Gegevensverzameling

De CID krijgt een duidelijke wettelijke regeling. De CID-regeling 1995 dient daarin ingepast te worden. De taak van de CID is het inwinnen, verzamelen en verifiëren van gegevens over misdrijven die gezien hun aard en het georganiseerd verband waarin ze worden begaan een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde. Het gaat echter vooral om gegevens ten behoeve van de opsporing van georganiseerde en organisatiecriminaliteit. De gegevensverzameling door de CID dient zich niet alleen te richten op de klassieke criminaliteit maar ook op andere soorten criminaliteit zoals fraude en milieudelicten.

 

B. Recherche-officier

De recherche-officier van justitie krijgt het volledige gezag over de CID. De recherche-officier en de officieren die hem bijstaan, krijgen het recht van directe toegang tot alle registers en andere vormen van gegevensverzameling en verslaglegging. De recherche-officier houdt toezicht op de registratie van informanten en CID-subjecten. Onder verantwoordelijkheid van het College van procureurs-generaal wordt het beleid terzake gecoördineerd door de landelijke vergadering van recherche-officieren.

C. CID-subject

CID-subject kunnen slechts zijn: 1. verdachten van ernstige misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, die gepleegd worden in georganiseerd verband en een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormen, en 2. personen tegen wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij deze misdrijven zullen plegen. De categorie «grijze veld-subjecten» wordt opgeheven. De CID doet slechts gericht onderzoek naar CID-subjecten en niet naar andere personen. De CID-registers en -journalen worden volgens deze nieuwe criteria aangelegd en waar nodig geschoond. Alle CID-subjecten worden geregistreerd bij de NCID.

 

D. Organisatie

De CID functioneert binnen de algemene recherche onder verantwoordelijkheid van de recherchechef. Embargo-onderzoeken zijn niet mogelijk. Van alle relevante opsporingshandelingen wordt proces-verbaal opgemaakt. Gebruikte methoden worden daarbij gerelateerd.

 

E. Beheer

De korpsbeheerder is, verantwoordelijk voor het beheer van alle CID-activiteiten. Het gezag van het openbaar
ministerie ontslaat hen niet van hem beheersverantwoordelijkheid.
De korpsleiding is verantwoordelijk voor het functioneren van de recherche. Zij zorgt voor sterkte, kwaliteit en opleiding. Binnen de korpsleiding heeft één persoon de verantwoordelijkheid voor de recherche. Over het doen en laten de recherche-eenheden vindt intensief overleg plaats tussen de recherchechef en onderdelen van de recherche.

 

F. Informanten

Ingeschreven informanten worden slechts gerund door de CID. Informanten die ten behoeve van andere politieregio's worden gerund, dienen aan die regio te worden overgedragen. Opsporingsambtenaren kunnen niet als informant worden ingeschreven.

 

G. Kernteam

De kernteams krijgen een eigen CID. Ook bij het KLPD komt één CID, mede ten behoeve van het LRT.

H. Opleiding

Voor CID-medewerkers dient een betere specifieke opleiding te worden ontwikkeld bij de rechercheschool.

I. Inwinning informatie

De informatie-inwinning door de CID dient meer gericht te worden op de wensen van de tactische recherche. De CID dient zich op het verwerven van informatie over de zware criminaliteit te concentreren. Zij dient de bestrijding van de kleine criminaliteit over te laten aan wijkteams en de tactische recherche.

10.12.3 Tactische recherche

 

A. Verslaglegging

De tactische recherche dient van alle relevante opsporingshandelingen proces-verbaal op te maken. Tijdens lopende tactische opsporingsonderzoeken zijn er geen CID-trajecten die voor de leiding van het tactische team verborgen blijven. Alle desbetreffende informatie en ook de wijze waarop die verzameld is, dient door de CID-chef aan de leiding van het tactische team bekend te worden gemaakt.

Alle relevante opsporingshandelingen van de tactische recherche worden in het zaaksdossier opgenomen en aan de rechter en de verdediging bekend gemaakt. De tactische recherche verricht geen eigen «CID-activiteiten», maar registreert wel de binnengekomen tips.

 

B. Overleg

Over lopend opsporingsonderzoek vindt frequent overleg plaats tussen CID-chef, leider opsporingsteam, zaaksofficier en recherche-officier (dan wel de officieren die hem bijstaan).

10.12.4 Ondersteunende diensten

 

A. Taakomschrijving krachtens wet

Alle ondersteunende eenheden krijgen een taakomschrijving krachtens de wet. Zij zijn onderdeel van de centrale recherchedienst in de regio; zij opereren onder directe verantwoordelijkheid van de recherchechef en onder gezag van de recherche-officier en de betrokken zaaksofficieren. Het Landelijk bureau openbaar ministerie oefent het gezag uit over de ondersteunende diensten van het KLPD. Voor de concrete operationele handelingen van deze diensten wordt het gezag uitgeoefend door de recherche-officier in de regio en de betrokken zaaksofficier.

 

B. Processen-verbaal

Van alle relevante opsporingshandelingen dient proces-verbaal te worden opgemaakt. Deze processen-verbaal
vermelden ook het gebruik van de opsporingsmethoden.

C. Politie-infiltranten

Het aantal in te zetten politie-infiltranten kan worden uitgebreid, afhankelijk van de gebleken behoefte. Het inzetten van politie-infiltranten wordt getoetst door de ANCPI van de CRI, die hierover advies uitbrengt aan de betrokken hoofdofficier. Valse identiteiten dienen enkel door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie ter beschikking te worden gesteld na daartoe strekkend verzoek van de hoofdofficier en de korpsbeheerder en na advies van de CRI. Het gezag over politie-infiltratie berust bij de zaaksofficier. Er zijn maximaal zeven politiële infiltratieteams. Het beheer daarvan berust bij de voor de kernteams verantwoordelijke korpsbeheerders respectievelijk bij de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken (overeenkomstig de regeling voor het LRT).

 

10.12.5 Kernteams

 

A. Taakomschrijving

De taken en de organisatie van de kernteams dienen een nadere regeling te krijgen op basis van de wet. De taken van de kernteams beperken zich tot opsporingsonderzoek naar georganiseerde en organisatiecriminaliteit met een landelijk of internationaal belang. Het college van procureurs-generaal beslist over de keuze van onderzoeken door de kernteams, gehoord het advies van een landelijke OM-commissie (CBO). De ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken worden tevoren geïnformeerd.

 

B. Prioriteitenstelling

Tweejaarlijks vindt, ter onderbouwing van de prioriteitsbepaling in de onderzoeken, een kwalitatieve en zo mogelijk kwantitatieve analyse plaats van de aard en ernst van de georganiseerde criminaliteit en de daarbij betrokken groepen. Deze analyse wordt geanonimiseerd ter beschikking gesteld aan de korpsbeheerders en de Tweede Kamer.

 

C. LRT

Het LRT geeft prioriteit aan onderzoeken die een hoogwaardige financiële deskundigheid vragen, en aan buitenlandse verzoeken. Het beheer van het LRT blijft bij de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken; het gezag berust bij de hoofdofficier van justitie bij het landelijk bureau openbaar ministerie.

 

D. Financiering

De financiering van de kernteams geschiedt uit een centrale budget, dat hiertoe wordt onttrokken aan de regionale budgetten. Voor de medewerkers van kernteams worden aparte opleidingsmodules in recherchetechnieken, regelgeving en vaardigheden ontwikkeld.

 

E. Fenomeenonderzoek

Het verrichten van fenomeenonderzoek behoort niet direct tot de opsporingstaak. Het ligt daarom niet voor de hand dat kernteams zelf fenomeenonderzoek verrichten. Op verzoek van kernteams kan fenomeenonderzoek landelijk worden verricht door de CRI of door externe onderzoeksinstellingen.

F. Gezag

Het gezag over de kernteams wordt onder verantwoordelijkheid van de recherche-officier uitgeoefend door een daartoe vrijgestelde officier van justitie van voldoende zwaarte. De recherche-officier draagt ook de verantwoordelijkheid voor de organisatie en het functioneren van de CID-afdeling binnen het kernteam. De betrokken zaakofficieren worden door de recherche-officier, of de officier die hem bijstaat, volledig op de hoogte gehouden van alle activiteiten in de onderzoeken van het kernteam.

G. Inhoudelijke betekenis

Indien binnen vijf jaar nog niet expliciet is aangetoond dat de kernteams en het LRT inhoudelijke betekenis hebben, moet besloten worden tot een andere organisatie van de opsporing. Dat zal gevolgen voor het politiebestel hebben.

 

10.12.6 Bijzondere opsporingsdiensten

 

A. Wetgeving

Er dient wetgeving tot stand te komen die de organisatie, inrichting en taken van de bijzondere opsporingsdiensten regelt. Bij de voorbereiding van deze wetgeving dient het bestaansrecht en de mogelijke samenvoeging van de huidige bijzondere opsporingsdiensten te worden heroverwogen.

B. Samenwerking

De samenwerking tussen de politie, in het bijzonder de bureaus financiële ondersteuning, en bijzondere opsporingsdiensten, in het bijzonder de FIOD, dient nader wettelijk te worden geregeld. De politie dient voor de financiële expertise in het kader van onder meer de Pluk ze-wetgeving niet afhankelijk te zijn van afspraken met de FIOD of de belastingdienst.

 

C. CID

De bijzondere opsporingsdiensten krijgen geen eigen CID-en. Informanten ten behoeve van onderzoek van bijzondere opsporingsdiensten- en kunnen slechts door de politie gerund worden, mogelijk in samenwerking met bijzondere opsporingsambtenaren.

 

D. De uitwisseling van gegevens

Het uitwisselen van gegevens tussen bijzondere opsporingsdiensten- en politie kan in bepaalde zaken plaatshebben op gezag van de officier van justitie. De uitwisseling van CID-gegevens dient de opsporing van strafbare feiten.

 

E. Rijksrecherche

De Rijksrecherche krijgt geen eigen CID, daartoe bestaat geen noodzaak. Bij onderzoek naar gepleegde strafbare feiten krijgt de Rijksrecherche toegang tot nationale en regionale CID-registers. Het is ongewenst dat de Rijksrecherche zelf informanten gaat runnen.

 

F. Recherche-officier bijzondere opsporingsdiensten

Bij het landelijk bureau openbaar ministerie dienen recherche-officieren van justitie te worden aangesteld voor de verschillende bijzondere opsporingsdiensten.

10.12.7 Binnenlandse Veiligheidsdienst

 

A. Taken

De BVD dient geen politietaken uit te voeren. BVD-ambtenaren kunnen geen deel uitmaken van rechercheteams.

B. De BVD-officier

Het optreden van de landelijke BVD-officier van justitie dient een expliciete wettelijke basis te krijgen. Dat vereist verandering van artikel 22, derde lid van de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De officier dient alle relevante informatie te kunnen controleren om voor de rechtmatigheid van de verkrijging van informatie in ambtsberichten te kunnen instaan.

C. Onderzoeksmethoden

Onderzoeksmethoden van de BVD dienen een specifieke wettelijke grondslag te krijgen, zeker waar deze methoden een inbreuk maken op grondrechten.


10.13 Sturing en controle

 

10.13.1 Openbaar ministerie

 

A. Versterking

De strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is niet alleen gebaat bij uitbreiding van de politie, maar zeker ook van het openbaar ministerie. Wil het openbaar ministerie daadwerkelijk gezag over de politie uitoefenen en adequaat zijn strafvorderingstaak uitoefenen, dan is niet alleen kwalitatieve, maar ook kwantitatieve versterking nodig.

 

B. Reorganisatie

De reorganisatie van het openbaar ministerie dient spoedig haar beslag te krijgen. Van groot belang is absolute duidelijkheid over de positie en bevoegdheden van de hoofdofficieren van justitie en het College van procureurs-generaal. Niet oneigenlijke beheerstaken, maar daadwerkelijke gezagsuitoefening over de politie is voor het openbaar ministerie wezenlijk. Het uitgangspunt van het openbaar ministerie in het gezag over de politie dient te zijn dat het doel de middelen niet heiligt. Verantwoorde beslissingen kunnen slechts worden genomen op basis van kennis en inzicht in de politiepraktijk.

Bij de reorganisatie volgens het plan van aanpak zal rekening moeten worden gehouden met de gebleken tekortkomingen in de organisatie, de werkwijze en het functioneren van (leden van) het openbaar ministerie. Mogelijke veranderingen van functie voor individuele leden van het OM dienen daarbij te worden overwogen. Binnen het OM dienen officieren, hoofdofficieren en leden van het College van procureurs-generaal zowel adequate juridische vermogens als voldoende kennis en vaardigheden te bezitten om het gezag over de politie daadwerkelijk inhoud te geven. Het is daarbij noodzakelijk om aan de verschillende genoemde functies ook specifieke benoemingsvereisten te verbinden.

 

C. College van procureurs-generaal

Het College van procureurs-generaal moet toestemming geven voor het inzetten van een aantal opsporingsmethoden die een zware inbreuk op de grondrechten van burgers inhouden. De minister kan besluiten van het College terzake te niet doen als hij het daaruit voortvloeiende gebruik van opsporingsmethoden onrechtmatig of onverantwoord oordeelt. Het College dient jaarlijks een compleet overzicht van gebruikte methoden aan de minister ter hand te stellen, waarna de Kamer wordt geïnformeerd. De Centrale toetsingscommissie verdwijnt in haar huidige vorm. Het College van procureurs-generaal kan zich laten adviseren door een adviesraad zoals de Centrale toetsingscommissie, zonder eigen bevoegdheid.

D. Taakomschrijving

De functies van recherche-officier, zaaksofficier, kernteamofficier, zwacri-officier, fraudeofficier en milieu-officier dienen een taakomschrijving te krijgen die duidelijkheid verschaft over hun afzonderlijke taken en de afstemming daartussen. Deze taakomschrijvingen dienen te worden gebaseerd op een landelijke richtlijn.

E. Het CBO

Het coördinerend beleidsoverleg dient zich meer toe te leggen op een kwalitatieve analyse van de georganiseerde criminaliteit. Het dient zich niet langer te beperken tot het maken van kwantitatieve schema's.

10.13.2 Rechters-commissarissen

 

A. Rol rechter-commissaris


In de normeringsvoorstellen van de commissie krijgt de rechter-commissaris een belangrijker taak dan voorheen. Deze principiële keuze vereist een getalsmatige en inhoudelijke versterking van het rechter-commissariaat. De rechter-commissaris moet bereid zijn een actievere toetsende rol op zich te nemen dan tot op heden het geval is.

 

B. Functie-eisen

Naar het oordeel van de commissie dienen meer ervaren rechters deze functie uit te oefenen, mogelijk ook voor langere tijd dan nu het geval is. In overleg met de rechtbanken dienen hiervoor extra faciliteiten te worden geschapen. De werkomstandigheden van de rechter-commissaris vragen eveneens dringend om verbetering.

 

C. Toetsing

De rechter-commissaris dient geen verlengstuk van de officier van justitie te worden. Hij toetst het gebruik van voorgestelde opsporingsmethoden. Hij motiveert zijn beslissingen. Binnen het gerechtelijk vooronderzoek dient hij overzicht te houden over alle opsporingshandelingen, ook in de zogenaamde parallelle trajecten. Nieuwe wetgeving zal de rechter moeten brengen tot een actievere toets van de rechtmatigheid van gebruikte opsporingsmethoden.

 

10.13.3 De korpsbeheerders en de korpsleiding

 

A. Korpsbeheerders

Korpsbeheerders dienen actief hun beheersverantwoordelijkheid voor het gebruik van opsporingsmethoden uit te oefenen. Zij zijn ten volle verantwoordelijk voor de beheerstaak. Zij dienen door de korpschef ook geïnformeerd te worden over het beleid terzake binnen de korpsen.

De verantwoordelijkheid voor de CID geldt daarbij even zwaar als die voor alle andere onderdelen van de politie. Korpsbeheerders dienen zich bewust te zijn dat de politie te zeer in een bestuurlijk vacuÜm opereert. De sturing van en het toezicht op de politie in de opsporing is niet alleen een kwestie van het justitiëel gezag, maar ook een bestuurlijke verantwoordelijkheid die ten volle moet worden gedragen. Dat vereist ook dat de korpsbeheerders op de hoogte dienen te zijn van de hoofdlijnen van belangrijke opsporingsonderzoeken en van te hanteren opsporingsmethoden. Zij dienen de toepassing hiervan te beoordelen tegen de achtergrond van hun verantwoordelijkheid voor de personeelszorg en de integriteit van het politieapparaat. Indien over de toepassing van opsporingsmethoden een geschil bestaat tussen hoofdofficier en korpsbeheerder, dient een conflictbeslechtingsregeling, naar analogie van de regeling in de Politiewet uitkomst te bieden. Bij de evaluatie van de Politiewet, dient expliciet aandacht besteed te worden aan het gebrek aan democratische controle op het beheer door korpsbeheerders.

 

B. Korpschefs

Aan het daadwerkelijk leiding geven aan de opsporingstaken van de politie heeft het de korpschefs lange tijd ontbroken. Een recherche-achtergrond was geen prae voor benoeming tot korpschef. De korpschefs dienen zich nadrukkelijker te bemoeien met de kwaliteit van hun recherche. De samenwerking tussen de verschillende regio's op dit vlak heeft veel te leiden gehad van de verstoorde verhoudingen aan de top van de politie. Dit moet worden doorbroken. De ministers en de korpsbeheerders zullen de gebleken tekortkomingen dienen te betrekken bij hun personeels- en benoemingenbeleid. Voor zowel de huidige als een nieuwe generatie korpschefs geldt dat zij zich dienen te voegen in ondergeschiktheid aan het gezag, bereid moeten zijn te investeren in samenwerking en ook buiten de incidenten moeten willen sturen op de opsporing en de kwaliteit van de recherche.

 

10.13.4 De ministeries

 

A. De minister van Justitie

De minister van Justitie blijft, ook na de wettelijke reorganisatie van het openbaar ministerie, te allen tijde politiek verantwoordelijk voor het doen en laten van het openbaar ministerie en voor de gehanteerde
opsporingsmethoden. Hij dient derhalve geïnformeerd te worden en geïnformeerd te zijn. De minister moet altijd de bevoegdheid en de mogelijkheid hebben om in te grijpen indien naar zijn oordeel het gebruik van opsporingsmethoden onverantwoord of onrechtmatig is. Zowel het openbaar ministerie als het departement van Justitie dient zich hiernaar te gedragen.

 

B. Het ministerie van Justitie

Binnen het ministerie van Justitie dient een duidelijk aanwijsbare directie te zijn die zorgt voor de informatievoorziening en advisering over opsporing en opsporingsmethoden.

C. Tipgeldregeling

In de ministeriële regeling voor de CID-en dienen nadere voorwaarden voor de aanvraag en uitkering van tipgelden te worden opgenomen.

D. Controle

De minister van Justitie doet jaarlijks vertrouwelijk via de vaste commissie voor justitie verslag aan de Kamer over gebruikte opsporingsmethoden en door de kernteams verrichte en te verrichten onderzoeken.

E. College procureurs-generaal

Het college van procureurs-generaal stelt de prioriteiten voor de kernteams op; de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken worden tevoren geïnformeerd. Hetzelfde geldt voor de kwalitatieve analyse van de georganiseerde criminaliteit en daaruit voortvloeiende prioriteiten voor het beleid.

F. Minister van Binnenlandse Zaken

De minister van Binnenlandse Zaken is medeverantwoordelijk voor de kaders waarbinnen opsporingsmethoden worden toegepast.

10.13.5 Tweede Kamer

 

A. Controle

De Tweede Kamer dient de controle op het functioneren van het openbaar ministerie en de politie met betrekking tot opsporingsmethoden te verbeteren. Daartoe moet jaarlijks verslaglegging terzake van de minister van Justitie besproken worden. Dat geldt evenzeer de analyse van de georganiseerde criminaliteit, zoals hierboven beschreven.

 

B. Wetgeving

Bij de beoordeling van wetgeving dienen de samenhang met de praktijk en de gevolgen van de wetgeving voor de rechtsstaat meer dan in het verleden betrokken te worden.

C. Commissie IVD

De commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten komt geen rol toe bij de beoordeling van bijzondere opsporingsmethoden. De praktijk waarbij de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruikt wordt voor geheim overleg om lekken te voorkomen, dient een halt te worden toegeroepen. Vertrouwelijk overleg terzake dient plaats te vinden binnen de commissies voor Justitie en Binnenlandse Zaken.

10.14 Toekomstige enquêtes

De commissie heeft enkele aanbevelingen geformuleerd voor toekomstige enquêtes.

A. Geen geheimhoudingsplicht


De commissie heeft langdurig overleg gevoerd met de regering over het gebruik van het geheime deel van de rapportage van de commissie-Wierenga. Uiteindelijk heeft dat overleg geleid tot een in de praktijk bevredigende oplossing. De commissie heeft voor haar oordeelsvorming gebruik kunnen maken van het gehele rapport van de commissie-Wierenga.

Voor de toekomst is echter noodzakelijk te regelen dat een enquêtecommissie in haar onderzoek geen geheimhoudingsverplichtingen kunnen worden tegengeworpen die niet het belang van de staat raken. Het enkele feit van een belofte tot geheimhouding is niet gelijk te stellen met een staatsbelang. De commissie is van oordeel dat een door of namens de overheid gegeven belofte van geheimhouding moet wijken voor de bevoegdheden van een enquêtecommisie. Zou dat niet het geval zijn, dan zouden de bevoegdheden van de Wet op de Parlementaire Enquête simpelweg door de overheid zijn te ontwijken door een beroep op gedane beloften.

Dit principe lijdt slechts uitzondering indien qua inhoud werkelijk het belang van de staat in het geding is. Daarvan was in het geval van de geheime bijlagen van de rapportage van de commissie-Wierenga in het geheel geen sprake. Dit laat onverlet dat elke enquêtecommissie prudent dient om te gaan met vertrouwelijke gegevens. Van meer was in het geval van de rapportage van de commissie-Wierenga geen sprake.

B. Besloten verhoor onder ede

De Wet op de Parlementaire Enquête dient naar het oordeel van de commissie te worden gewijzigd. De commissie meent dat het mogelijk moet zijn om in zeer uitzonderlijke gevallen van een besloten verhoor onder ede een openbaar verslag te publiceren. De commissie heeft zich, in tegenstelling tot voorgaande enquêtecommissies, op het standpunt gesteld dat artikel 18b, eerste lid, van de Wet op de Parlementaire Enquête niet de mogelijkheid biedt tot het openbaar maken van een verslag van een besloten verhoor.

C. Draaiboek

De commissie meent dat het noodzakelijk is ten behoeve van omvangrijke onderzoeken een draaiboek samen te stellen voor de organisatie van een dergelijk onderzoek. De commissie heeft de indruk dat door het ontbreken van een dergelijk draaiboek te vaak het wiel opnieuw moet worden uitgevonden. Inmiddels heeft de Tweede Kamer ruime ervaring met het doen van onderzoeken. Het is zaak om de opgedane ervaringen vast te leggen voor toekomstig onderzoek.

 

D. Staf

De commissie heeft goede ervaringen met de ondersteuning door een beperkte, deskundige staf en een gering aantal externe onderzoekers. Op die manier heeft de commissie de mogelijkheid maximale controle uit te oefenen op de inhoud en de uitvoering van de onderzoeken.

 

E. Permanente ruimte

Om kosten en tijd te kunnen besparen acht de commissie het wenselijk voor toekomstige parlementaire onderzoeken dat de Kamer permanent kan beschikken over een goed beveiligde en geoutilleerde ruimte op of rond het Binnenhof.

 

F. Vertrouwelijkheid

De commissie is van oordeel dat het bij parlementaire onderzoeken mogelijk moet zijn gebruik te maken van informatie die bij openbaarmaking gevaar kan opleveren voor personen en zaken die het belang van de staat raken, zonder dat die informatie per definitie ter kennis gebracht wordt van alle leden van de Kamer. De commissie stelt voor artikel 18b, derde lid, Wet op de Parlementaire Enquête op dat punt te wijzigen.

G. Archief

De commissie acht het wenselijk dat na de beëindiging van het onderzoek van een onderzoekscommissie het archief niet vernietigd hoeft te worden, maar dat na consultatie van de Registratiekamer een regeling wordt getroffen vergelijkbaar met de regeling en het besluit Politieregisters om inzage te verschaffen in de gegevens.

H. Belang van de staat

De commissie heeft veel tijd besteed aan overleg met de bewindspersonen over de inhoud van het begrip «het belang van de staat». Het is de commissie gebleken dat er zeer verschillende interpretaties van dit begrip mogelijk zijn. De commissie acht het wenselijk dat de Kamer en de regering zich buigen over de vraag hoe het belang van de staat, zoals bedoeld in de Wet op de Parlementaire Enquête, moet worden uitgelegd.

I. Attenderingsbulletins

De commissie heeft goede ervaringen opgedaan met de attenderingsbulletins in de vorm van weekberichten en dagberichten, die werden samengesteld door de documentalisten. Op die manier werd de commissie constant op de hoogte gehouden van actuele ontwikkelingen op haar onderzoeksterrein.

J. Verhoren

Het is de commissie goed bevallen alle commissieleden te laten participeren in het verhoren van getuigen. Het vergt de nodige afstemming tussen de leden voor en tijdens het verhoor, maar het verlevendigt de discussie en draagt bij aan een maximale waarheidsvinding.

 

K. Persbriefing

Het verdient aanbeveling om na elke verhoordag een korte persbriefing te verzorgen voor de media. Tijdens deze briefings kunnen vragen worden gesteld over de verhoren van die dag en de verhoren voor de komende dagen.

 

L. Verhoren op televisie

De verhoren van de commissie zijn rechtstreeks op de televisie uitgezonden. De commissie geeft toekomstige onderzoekscommissies het advies om de visuele media de vrijheid te geven de verhoren rechtstreeks uit te zenden. Tijdens de verhoren is niet gebleken van een verstorend effect van de rechtstreekse uitzendingen.

M. Internationaal onderzoek

De commissie heeft over het algemeen alle medewerking gekregen die noodzakelijk was voor het uitvoeren van dit onderzoek. Zij heeft (te) weinig tijd gehad om goed onderzoek te doen naar het optreden van buitenlandse opsporingsdiensten in Nederland. Zij is echter gestoten op onwil van de in Nederland functionerende medewerkers van de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration (DEA) om de commissie verder voor te lichten na een eerste gesprek op 6 maart 1995. De DEA stelt zich op het standpunt dat de diplomatieke status van de betrokken medewerkers hen vrijwaart van enige verplichting om gehoor te geven aan de op basis van de Wet op de Parlementaire Enquête gedane verzoeken. De DEA wilde slechts via tussenkomst van de CRI eventuele vragen schriftelijk beantwoorden. De commissie is van oordeel dat voor de toekomst opheldering gewenst is over de vraag of in Nederland verblijvende personen met diplomatieke status kunnen weigeren om een enquêtecommissie informatie te geven.

 

Lijst van verhoren

Amerongen, W.C. van             Chef van de afdeling georganiseerde criminaliteit bij de
regiopolitie Brabant Zuid-Oost
Bakker, G.J.C.M.             Teamleider douanerecherche bij de Fiscale inlichtingen- en
opsporingsdienst
Barendregt, B.N.             Commissaris van politie en hoofd van de Afdeling coördinatie
criminele inlichtingen van de
Divisie centrale recherche
informatie

Beaufort, jhr. mr. L.A.R.J. de             Hoofdofficier van justitie te Haarlem Beek, mr. G.P. van der             Als officier van justitie gedetacheerd bij de directie Politie van het

ministerie van Justitie, waar hij
projectleider georganiseerde
criminaliteit was, vanaf 1 augustus
1995 officier van justitie te
Rotterdam
Blijswijk, mr. drs. J.A.M. van             Hoofd van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst te Haarlem
Blok, mr. J.A.             Hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage
Bovenkerk, prof. dr. F.             Hoogleraar criminologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht
Brand, J.L.             Hoofdcommissaris van politie, korpschef van de regiopolitie
Haaglanden en voorzitter van de
Raad van Hoofdcommissarissen.
Brinkman, mr. drs. L.C.             Voormalig voorzitter van de CDA-fractie in de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, was voorzitter
van de commissie voor de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten
Broere, A.             Teamchef van het arrestatieteam van het regiokorps
Rotterdam-Rijnmond
Bruinsma, prof. dr. G.J.N.             Bijzonder hoogleraar bestuurskundige criminologie aan
de Universiteit Twente
Bunt, prof. dr. H.G. van de             Hoogleraar criminologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en
hoofd van het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Documentatie
Centrum van het ministerie van
Justitie
Burg, mr. V.A.M. van der             Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het CDA en
voorzitter van de vaste commissie
voor Justitie van de Tweede Kamer
Capelle, mr. M.A.A. van             Officier van justitie te Groningen Corstens, prof. mr. G.J.M.             Hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Katholieke Universiteit

Nijmegen, vanaf 1 oktober 1995
raadsheer bij de Hoge Raad der
Nederlanden
Craemer, mr. R.W.M.             Plaatsvervangend hoofdofficier van justitie in het arrondissement
Amsterdam en fungerend
hoofdofficier van justitie voor de
politieregio Gooi- en Vechtstreek
Dijkstal, H.F.             Minister van Binnenlandse Zaken, daarvoor lid van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal voor de VVD
en lid van de vaste commissies voor
de Politie en voor Justitie
Docters van Leeuwen, mr. A.W.H.             Procureur-generaal bij het Gerechtshof te Den Haag en
voorzitter van het College van
procureurs-generaal
Dros, mr. O.R.             Chef van het Kernteam Randstad Noord en Midden
Duijne, dr. P.C. van             Onderzoeker bij het ministerie van Justitie
Fijnaut, prof. dr. C.J.C.F.             Hoogleraar criminologie en strafrecht aan de Erasmus
Universiteit Rotterdam en aan de
Katholieke Universiteit Leuven
Gelderman, mr. E.F.G.M.             Vice-president van de rechtbank te 's-Hertogenbosch in de functie van
coördinerend rechter-commissaris
zware, georganiseerde criminaliteit
Gemert, drs. ing. W.M. van             Hoofd van het Landelijk rechercheteam bij het Korps
Landelijke Politiediensten
Gerding, mr. R.A.F.             Plaatsvervangend hoofdofficier van justitie te Rotterdam
Gonsalves, mr. R.A.             Procureur-generaal bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch
Gonzales, mw. mr. drs. I.E.W.             Officier van justitie te Haarlem, tevens officier van justitie zware
criminaliteit en kernteamofficier
Groot, mr. F.C.V. de             Tot medio 1995 officier van justitie voor de criminele inlichtendiensten
in het arrondissement Den Haag (
de korpsen Haaglanden en Hollands
Midden), daarna officier van justitie
bij het Landelijk bureau openbaar
ministerie
Groot, mr. R. de             Officier van justitie voor de criminele inlichtingendienst te
Rotterdam, tevens hoofd van de unit
fraude, economie en milieu en
zware criminaliteit
Hellemons, A.A.M.             Hoofd van de Dienst technische operationele ondersteuning van de
Divisie ondersteuning van het Korps
Landelijke Politiediensten
Helten, drs. N.H.E. van             Directeur Democratische rechtsorde bij de Binnenlandse
veiligheidsdienst
Hiddema, mr. Th.U.             Advocaat te Maastricht Hirsch Ballin, prof. mr. E.M.H.             Lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en hoogleraar

Internationaal Recht aan de
Katholieke Universiteit Brabant,
voormalig minister van Justitie
Hondt, mr. E.M. d'             Burgemeester van Nijmegen en voorzitter van het
Korpsbeheerdersberaad
Huisman, H.M.             Hoofd van het Douane
informatiecentrum
IJzerman, P.D.             Korpschef van de regiopolitie Twente
Jansen, H.A.             Commissaris van politie bij de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond,
hoofd van de regionale recherche
dienst waaronder ook het kernteam
Rotterdam-Rijnmond/Zuid-Holland
Zuid ressorteert
Jansen, mr. J.M.             Hoofdofficier van justitie te 's-Hertogenbosch, voorzitter van de
Centrale toetsingscommissie
Karstens, R.             Hoofd van de Afdeling nationale coördinatie politiële infiltratie bij de
Divisie centrale recherche
informatie
Kloosterman, A.             Observatierechercheur
Koers, mr. J.             Officier van justitie te Arnhem, hoofd van de Unit zware
criminaliteit
Korthals, mr. A.H.             Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de VVD,
woordvoerder voor
justitie-aangelegenheden
Kuijper, K.             Commissaris van politie, hoofd van de rijksrecherche bij het parket
procureur-generaal te Amsterdam
Langendoen, K.P.             Projectleider/plaatsvervangend teamleider bij het Kernteam
Randstad Noord en Midden
Lith, A.             Chef van het district Rijn en IJssel van de regiopolitie Utrecht,
voormalig teamleider van het
interregionale rechercheteam
Noord-Holland/Utrecht
Looijen, J. van             Plaatsvervangend chef van de criminele inlichtingendienst van het
regiokorps Amsterdam-Amstelland
Maan, mr. A.C.             Officier van justitie zware, georganiseerde criminaliteit te
Amsterdam
Molen-Maesen, mw. mr. P.M.H. van der             Landelijk terreur en BVD Officier van justitie, voorheen CID-officier
van justitie te Utrecht
Mosterd, A.M.             Hoofd van de criminele
inlichtingendienst van de
politieregio Hollands Midden
Naeyé, prof. dr. J.             Hoogleraar politierecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam
Nordholt, drs. E.E.             Korpschef van het regiokorps Amsterdam-Amstelland
Patijn, mr. A.             Raadadviseur bij de Directie Wetgeving van het ministerie van
Justitie
Paulissen, W.J.A.             Commissaris van politie, districtschef Regiopolitie Brabant-Noord,
voormalig teamleider van het
Kernteam Zuid
Pieters, mr. J.J.Th.M.             Officier van justitie zware criminaliteit en criminele
inlichtingendienst te
's-Hertogenbosch
Putten, F. van der             Hoofd van de regionale criminele inlichtingendienst van de
regiopolitie Gooi- en Vechtstreek
Randwijck, mr. R.C.J. Graaf van             Procureur-generaal bij het
gerechtshof te Amsterdam
Riessen, J.C. van             Commissaris van politie, lid van de korpsleiding in de functie van hoofd
justitiële bedrijfsvoering bij de
regiopolitie Amsterdam-Amstelland
Rutten-Roos, mw. mr. A.             Vice-president bij het gerechtshof te Amsterdam
Schmitz, mw. mr. E.M.A.             Vanaf augustus 1994 staatssecretaris van Justitie, daarvoor burgemeester
van Haarlem en korpsbeheerder van
de politieregio Kennemerland
Snijders, mr. ing. J.W.P.             Officier van justitie criminele inlichtingendienst te Haarlem
Sorgdrager, mw. mr. W.             Minister van Justitie, voorheen procureur-generaal bij het
gerechtshof te Den Haag en te
Arnhem en officier van justitie te
Almelo
Spoel, mr. Tj.E. van der             Advocaat-procureur te Rotterdam Steeg, M. van             Adjudant van politie, teamleider bij de criminele inlichtingendienst

Stoffelen, mr. P.R.             Voormalig lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de
PvdA, woordvoerder voor politie- en
justitieaangelegenheden
Straver, mr. M.A.             Hoofdcommissaris van politie en korpschef van de regiopolitie
Kennemerland
Suyver, mr. J.J.H.             Secretaris-generaal bij het ministerie van Justitie
Teeven, mr. F.             Officier van justitie te Amsterdam Teijlingen, D. van             Chef van de criminele inlichtingendienst van het

regiokorps Amsterdam-Amstelland
Theeuwes, H.J.C.M.             Hoofdinspecteur van politie en beleidsmedewerker/plaatsvervangen
d hoofd van de Afdeling coördinatie
criminele inlichtingen van de
Divisie centrale recherche
informatie
Thijn, drs. E. van             Voormalig minister van Binnenlandse Zaken en
burgemeester van Amsterdam,
korpsbeheerder van de politieregio
Amsterdam-Amstelland
Valente, mr. J.M.             Sinds 1 juli 1995 officier van justitie te Middelburg, voorheen officier van
justitie te Amsterdam
Veen, mr. O.C.W. van der             Officier van justitie te Haarlem, hoofd van de Unit specialismen,
waaronder georganiseerde
criminaliteit, criminele inlichtingen
en kernteam
Velt-Meijer, mw. mr. J.M.E. In 't             Voorzitter van de strafkamer bij de rechtbank te Rotterdam in de zaak
Ramola
Vondel, J. van             Voormalig informantenrunner bij de regionale criminele
inlichtingendienst van de
regiopolitie Kennemerland
Voort, mr. C.V. van der             Officier van justitie te 's-Gravenhage Vrakking, mr. J.M.             Hoofdofficier van justitie te Amsterdam

Waard, mr. T. de             Advocaat, tot 1 december 1995 Algemeen Deken van de
Nederlandse orde van advocaten
Welten, B.J.A.M.             Commissaris van politie bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland,
chef van de Dienst centrale
recherche, tevens verantwoordelijk
voor het kernteam
Amsterdam-Amstelland/Gooi- en
Vechtstreek
Wiarda, mr. J.             Korpschef van het regiokorps Utrecht Wierenga, H.             Voorzitter van de Bijzondere Onderzoekscommissie IRT

Willems, mr. J.H.M.             Vice-president van het gerechtshof te Amsterdam
Wilzing, J.             Korpschef van de regiopolitie IJsselland
Wit, mr. L.A.J.M. de             Hoofdofficier van justitie te Rotterdam
Woelders, W.H.             Chef van het kernteam
Amsterdam-Amstelland/Gooi en
Vechtstreek
Wolffensperger, mr. drs. G.J.             Voorzitter van de D66-fractie in de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, daarvoor
woordvoerder voor
justitie-aangelegenheden
Wooldrik, mr. H.P.             Hoofd van de directie Politie van het ministerie van Justitie, tevens
belast met de leiding van de
directie Staats- en Strafrecht
Wortel, mr. J.             Officier van justitie te Amsterdam Zwanenburg, mr. A.             Secretaris van de Centrale toetsingscommissie

 

Lijst van enige afkortingen


ACC             Adviescommissie criminaliteit
ACCI             Afdeling coördinatie criminele inlichtingen AID             Algemene inspectiedienst
AMvB             Algemene maatregel van bestuur
ANCPI             Afdeling nationale coördinatie politiële infiltratie
ARI             Afdeling recherche informatie
AT             arrestatieteam
AWB             Algemene wet op het binnentreden
AWD             Algemene wet inzake de douane
BBRP             Besluit beheer regionale politiekorpsen BFO             Bureau financiële ondersteuning
BKA             Bundeskriminalamt
BTW             Belasting toegevoegde waarde
BVD             Binnenlandse veiligheidsdienst
CBO             Coördinerend beleidsoverleg

CIAD             Centrale inlichtingen- en analysedienst van de Economische controledienst
CID             criminele inlichtingendienst
CRC             coördinerend rechter-commissaris
CRI             Divisie centrale recherche informatie CTC             Centrale toetsingscommissie
DBRZ             Dienst bijzondere recherchezaken
DEA             Drugs enforcement administration
DIC             Douane informatiecentrum
DRZ             Dienst recherchezaken, ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer
DTOO             Dienst technisch operationele ondersteuning ECD             Economische controledienst
EG             Europese gemeenschap
EHRM             Europees hof voor de rechten van de mens EVRM             Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele

vrijheden
Finpol             Financiële politiedesk
FIOD             Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst GW             Grondwet
gvo             gerechtelijk vooronderzoek
HR             Hoge Raad
IDB             Inlichtingen- en veiligheidsdienst buitenland IRT             Interregionale team, of Interregionaal rechercheteam

IVBP             Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
Kbb             Korpsbeheerdersberaad
KLPD             Korps landelijke politiediensten
Kmar             Koninklijke marechaussee
LBOM             Landelijk bureau openbaar ministerie LCA             Landelijk contact arrestatieteams
LCO             Landelijk contact observatie
LCGO             Landelijk coördinatiepunt
grensoverschrijdende observatie
LCID             Landelijke criminele inlichtingendienst LIPO             Landelijk informatiepunt observatie
LRT             landelijk rechercheteam
LSOP             Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie
MBT             Milieubijstandsteam, ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer Adviescommissie criminaliteit
MID             Militaire inlichtingendienst
MOT             Melding ongebruikelijke transactie
NCID             Nationale criminele inlichtingendienst NJ             Nederlandse jurisprudentie, uitspraken in burgerlijke en strafzaken

OM             openbaar ministerie
OT             observatieteam
PIT             politieel infiltratie team
PW             Politiewet 1993
RAC             Recherche adviescommissie
RBT             recherche bijstandsteam
RCID             Regionale criminele inlichtingendienst RID             Regionale inlichtingendienst

RRT             Regionaal rechercheteam
sfo             strafrechtelijk financieel onderzoek Sr             Wetboek van Strafrecht
STO             Sectie technische ondersteuning
Sv             Wetboek van Strafvordering
VROM             Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelije Ordening en Milieubeheer
WODC             Wetenschappelijk onderzoek- en
documentatiecentrum
WWB             Wet wijziging binnentredingsbepalingen WED             Wet op de economische delicten
WIV             Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

 

 

Overheid & werknemer, ziekteverzuim, re-integratieprojecten, ontslag, concurrentiebeding en rechtersleger
350 Zorgen J. Hop (Groep Hop) over rechtspositie werknemers in de zorg bij sluiting van bejaardentehuizen
303 Hop geeft zicht op kilometervergoeding personeel gemeente Ermelo. Waarom krijgt u als werknemer niet dezelfde kilometervergoeding?
111 Waar de overheid enkeling niet beschermt in zijn vrijheid tegen de meerderheid zien we onderdrukking en dictatuur
109 Voor iedere topcrimineel is het van 't grootste belang dat hij in de publiciteit niet in zijn ware gedaante wordt geportretteerd"
419 Ontslag binnen het rechtersleger. Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 1!
555 Ontslag binnen het rechtersleger. Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 2!
Omroep Gelderland Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger bij behandeling wraking gewraakte rechter door dezelfde rechtbank
80 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger bij behandeling wraking gewraakte rechter door dezelfde rechtbank
389 Openbaar Ministerie probeert kost wat kost namen, initialen, functies en bijbaantjes van hun personeel geheim te houden
203 Structureel probleem! Rechtersleger doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding.
205 Structureel probleem! Openbaar Ministerie doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
225 Structureel probleem! Politie doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
232 Structureel probleem! Raad voor de Kinderbescherming doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
241 Structureel probleem! Jeugdzorg doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
284 Structureel probleem! Gemeente doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
134 Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt
Wat is het verschil tussen 107.000+ kindermishandelingen per jaar in "jeugdzorg PR-campagnes" en het daadwerkelijk aantal veroordelingen van ouders wegens het plegen van kindermishandeling ieder jaar steeds opnieuw om ieder jaar steeds opnieuw kinderen af te leveren bij kindertehuizen en pleeggezinnen zodat die hun hypotheek makkelijk kunnen betalen?
300 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor de jeugdzorg om kritiek op hun maatjes de jeugdzorg=overheid te onderdrukken
680 Weerzinwekkende partijdigheid Minister/politiek voor jeugdzorg. Om systematisch klagen met Hop tegen jeugdzorg te voorkomen werd met spoed klachtwetgeving aangepast
800 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor de jeugdzorg: Zolang ouders zich richten op waarheidsvinding/procedures "zonder samenwerking met gezinsvoogd" is geen vooruitgang mogelijk
470 Ongelijke doorlooptijden procedures ouders tegen RvdK/jeugdzorg representatief voor Nederlandse rechtspraak
125 Uitzondering bevestigd de regel! ONBEVOEGD UITSCHRIJVEN KIND UIT GEMEENTE DOOR JEUGDZORG! Bezwaar- en beroep GEGROND verklaard! Rancune. Als een burger zo'n zaak wint en vervolgens als burger ook toepast dan wordt je snel door het rancuneuze rechtersleger uit het gezag over je kind gezet!
want winnen bij dit rechtersleger helpt natuurlijk niet!
6 Uitzondering bevestigd de regel! Veertien klachten met Hop GEGROND bij klachtencommissie Raad voor de Kinderbescherming Zuid
maar winnen (NEDERLANDS RECORD KLACHTEN GEGROND BIJ KLACHTENCOMMISSIE RVDK) bij de RvdK klachtencommissie helpt natuurlijk niet!
137 Uitzondering bevestigd de regel! Klacht GEGROND tegen weigering Hop als gemachtigde
maar winnen bij deze jeugdzorg klachtencommissie helpt natuurlijk niet!
343 Voorbeeld reactie rancuneuze jeugdzorg medewerker die zelf in de bezwaarcommissie zit en zelf in hoger beroep van Hop een zaak verliest
212 Uitzondering bevestigd de regel! Moszkowicz sr: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft gevangen in gesubsidieerde voogdij
Winnen bij dit rechtersleger helpt natuurlijk niet!
160 Moszkowicz sr. waarschuwt Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest!
414 STASI NEDERLAND! Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden geeft inzicht in werkwijze OM en politie inzake opslaan gegevens over burgers
688 STASI NEDERLAND! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten houden door invoering van kilometerheffing
623 STASI NEDERLAND! Van alle elektronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar Justitiële Informatiedienst (JustID) Almelo
468 STASI NEDERLAND! Wat doet een informatiebewerker bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken? En wat wordt er over burgers verzameld door allerlei oncontroleerbare stichtingen en bedrijven waar de "overheid" ook belangen bij/in heeft?
334 CDA - Donner: Ik ben CDAer. Kritiek op rechtspraak via politiek kanaliseren dus infiltratie rechterlijke macht in OM en Ministerie van Justitie
246 CDA - Donner: Ik ben CDAer. "Het is misplaatst en onverantwoord te zoeken naar de schuldigen in de zaak Savannah. We moeten ons verzetten tegen negatieve beeldvorming over de gezinsvoogdij!"
348 CDA - Donner: Ik ben CDAer en ik heb maling aan de Hoge Raad. Ik ben CDAer en ik wil de bevolking blijven uitzuigen en blijven uitmelken met peperdure paspoorten
624 CDA - Donner: Ik ben CDAer en ik wil nu de vrijheid om het doen en laten van de hele bevolking vast te leggen"
626 CDA - Donner: Ik ben CDAer en ik wil dat de politie gegevens opslaat over alle burgers ook die niet worden verdacht worden van strafbaar feit
476 CDA - Donner: Ik ben CDAer en zorg goed voor het onder elkaar verdelen van alle belangrijke en mooie bestuurs- en juridische baantjes
187 CDA - Donner: Ik ben CDAer en wil burgers blijven uitzuigen en blijven uitmelken. Ik verbiedt proef 'no cure no pay' zodat burgers niet zelf gaan kunnen procederen zonder peperdure advocaat!
482 CDA - Donner: Confrontatie LPF met CDA MvJ Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
383 CDA - Donner: Ik ben CDA-er en ik heb maling aan de wet. Ik doe gewoon een uitspraak als rechter terwijl ik helemaal geen rechter ben.
394 CDA - Donner: Ik ben CDAer en in de rechtspraak maken we van alles valselijk op. Uitspraken “in naam der koningin” door meervoudige kamers de minuten, afschriften en grossen worden als regel valselijk worden opgemaakt! Deze uitspraken worden namelijk niet ondertekend door wie dat wettelijk zouden moeten doen, de voorzittende rechter/raadsheer en dienstdoende griffier, maar door onbevoegde administratieve medewerkers. Het ‘in naam der koningin’ in rechtsbesluiten is niet meer dan een “overblijfsel” en we maken deze uitspraken altijd al valselijk op laat CDA rechter en Minister van Justitie Donner op vragen hierover weten
348 CDA - burgemeester - Ermelo: Ik ben CDAer en ik ben de burgemeester van Ermelo en ik heb een flinke zak geld om een 71-jarige gehandicapte burger uit te zuigen en uit te melken om zijn voor 1996 zelf (af)gebouwde recreatiewoning te kunnen jatten. Natuurlijk in prima samenwerking met mijn maatjes bij het rechtersleger. Met met CDA maatje Donner als voorzitter bij de Raad van State wordt toch nergens naar gekeken.
201 CDA - verkiezingen - gemeente Ermelo 2010: Ik ben CDAer en ik ben de CDA burgemeester van Ermelo. Meneer Hop knippen en plakken door de VVD in verkiezingsformulieren is voor ons CDA gemeente bestuur geen enkel probleem. Wij van het CDA krijgen immers van ieder gekozen VVD raadslid een losgeld betaling voor de CDA PR commissie en u kunt wel gaan procederen bij de Raad van State. Wij hebben daar uitstekende contacten die knippen en plakken (rotzooien) in verkiezingsfortmulieren ook prima zullen vinden
Discriminatie CDA Klacht Hop tegen (CDA) bestuur gemeente Ermelo inzake discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders
Partijdig CDA - Intimidatie gemeente Ermelo - Ermelose politie wil dat het CDA bestuur toestemming geeft voor politieke activiteiten Groep Hop tijdens verkiezingen
Christelijk? CDA - Ermelo - Christelijk College Groevenbeek - 2014 Uitdagers mogen niet meedoen aan ons (christelijk) schooldebat. Schoolvoorbeeld CDA tunnelvisie onderwijs
379 CDA - Ermelo - 2010 Alleen Groep Hop ging NIET AKKOORD met betaling LOSGELD per gekozen raadslid aan de Ermelose CDA-PR commissie
194 CDA - Ermelo - 2006 Alleen Groep wil wilde geen geld betalen aan het CDA om mee te mogen doen aan politiek debat
199 CDA Journalist Jeanne Dijkstra - 2006 - Aan de Raad voor de Journalistiek "Van alle kanten krijg ik berichten om Groep Hop dood te zwijgen en ik ben het nagegaan het klopt.
246 CDA duldt geen kritiek in eigen blad, wil hoofdredacteur Christen Democratische Verkenningen de laan uitsturen
557 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor de gemeente! Pikmeer I, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
558 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor de gemeente! Pikmeer II, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
569 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor UWV. Geen snelle rechtspraak voor burger en hun bedrijven maar opschorting behandeling lopende procedures startende zelfstandigen tegen UWV
406 Arbeidsproductiviteit. De ontwikkeling van Nederland als informatie samenleving cruciaal voor arbeidsproductiviteit en sociale cohesi
352 Arbeidsproductiviteit. Bent u ziek? Verzuimverzekeraar die als arbodienst fungeert rekent op medeplichtigheid werkgever
285 Arbeidsproductiviteit. Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw?
5 Arbeidsproductiviteit. Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor OM tegen K.H. de Werd na problemen met werknemers vakbond
192 Arbeidsproductiviteit. Jaarverslag 2005 Nederlands Instituut van Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen, wie verzekert?
195 Uitzondering bevestigd de regel. Klacht gegrond met Hop als gemachtigde tegen Mw Drs C. Snijder pedagoog PAR Amsterdam. Maatregel waarschuwing!
322 Uitzondering bevestigd de regel. Klacht gegrond tegen psychiater in de zaak van vader H. met Hop als gemachtigde tegen GGZ Drenthe
283 Arbeidsproductiviteit. Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam een waarschuwing voor anderen die tegen gemeente procederen
104 Arbeidsproductiviteit. Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur
278 OM Arbeidsproductiviteit. Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 1-3
296 OM Arbeidsproductiviteit. Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 4-8
297 OM Arbeidsproductiviteit. Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 9-10
572 OM Arbeidsproductiviteit. Ad Bos verklapte in 2001 geheim bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland
334 Arbeidsproductiviteit. Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet
422 Uitzondering bevestigt de regel. Commando's winnen strijd om behoud van de groene baret tegen bevelhebber KL Marcel Urlings en zijn patrol kleurige baret!
20 Wat zijn de kansen van de gemiddelde Nederlander die door de overheid wordt gedwarsboomd en getreiterd? Eerbetoon aan journalist Oltmans
80 12-2010, 2011, 2012, 2013 - 2014-vandaag. Wat zijn de kansen van de gemiddelde Nederlander die door de overheid wordt gedwarsboomd en getreiterd? Frontale opsporingsactie Openbaar Ministerie (OM) tegen Hop OPHALEN en DOEN BEKENNEN! Winnen tegen rechtersleger, jeugdzorg, OM en kinderbescherming bij het weerzinwekkend voor de overheid partijdige rechtersleger gebeurt niet (vaak) en (uitzondering bevestigd de regel) helpt ook niet. HOP AAN WRAKINGSKAMER RECHTBANK ASSEN TIJDENS HOORZITTING WRAKINGSKAMER DECEMBER 2013: "Als mijn wraking van jullie (maatje) rechter met twee petten op rechter en OvJ) ongegrond wordt verklaard en het OM van alles mag inleveren op geen letter was commentaar en ik heb niets ingeleverd. Voer alleen stevig procedureel weerwerk op de hoorzitting met een pleitnotitie (VOORVRAGEN) en ik mag mijn pleitnotitie niet voorlezen dan kom ik niet meer terug EN JULLIE ZOEKEN HET VERDER MAAR UIT MET JULLIE ZOOITJE.................

Mijn naam is J. Hop Ermelo. Ik ben verzetsstrijder en heb te vaak te maken (gehad) met het rechtersleger en hun maatjes de bestuursorganen! Ik wens u veel leesplezier toe bij het bekijken van mijn websites die ik zelf betaal en zelf onderhoud. Proost burgers op ons fantastische rechtersleger. Ik ben ook politicus dus van mij mag u alles weten. Ik ben BONAFIDE en ben ook niet zo bang uitgevallen. Ik wil ook rustig een openbare leugendetectortest ondergaan in het OM zaakje tegen Hop. Op verzoek van de overheid ben ik ook onderzocht, heb daaraan in die zaak ook keurig netjes meegewerkt. Ik had een ex politiepsycholoog die mij onderzocht en heb die dag meer dan 2500 vragen beantwoord. Ik had VIER TIENEN voor communicatie en dat had die politiepsycholoog nog nooit eerder meegemaakt. Ik overweeg mijn psychologisch rapport gewoon compleet zonder censuur op internet te zetten zodat iedereen dat kan lezen. Lees verder

 

top
Activiteiten
Censuur en organisatiecriminaliteit in Nederland ©
De website(s) www.burojeugdzorg.nl (org, net, com) www.bureaujeugdzorg.nl (org, net, com) zijn het eigendom van verzetsstrijder, politicus, schrijver, journalist Dhr. J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo. Plaats uitgave: Ermelo. Uitgever: Hop Ermelo. Disclaimer 2014 en vrijwaring. Op al deze websites van Hop is een 2014 disclaimer van toepassing. Procedures inzake publicatie van nieuwsfeiten, vrijheid van drukpers, belemmering vrijheid van meningsuiting, belemmering politieke activiteiten, gerechtvaardigde verdediging van Hop tegen improductieve bureaucratie en/of voor de overheid vrijwel altijd partijdige rechtspraak tegen politicus, schrijver, journalist Hop uitsluitend via de rechtbank Gelderland (dan weet ik immers van tevoren dat ik vrijwel zeker wordt genaaid zoals bijvoorbeeld ook weer in 2014 met het een jaar lang onbehandeld laten liggen van mijn beroepschriften Hop tegen de gemeente Ermelo waarbij de partijdige smeerlappen van die rechtbank Gelderland niet eens gekeken hebben tegen welk besluit ik beroep instelde maar weerzinwekkend partijdig als papegaaien de gemeente Ermelo bleven napraten. Ik heb mijn beroepschriften vervolgens na een jaar ingetrokken. IK WIL HET DOOR MIJ BETAALDE GRIFFIEGELD (721) HOP TEGEN ERMELO VAN DIE RECHTBANK GELDERLAND TERUG) met gelijktijdig verzoek om beeld- en geluidsopnames te mogen maken van de complete hoorzitting t.b.v. publicatie op bovengenoemde websites. Door mijn website te raadplegen accepteert u mijn vrijwaring. Hop streeft ernaar, op een integere wijze, dat alle informatie op de websites correct is. Hop verleent ten aanzien van die informatie echter geen enkele garantie, noch kan Hop worden geacht een dergelijke garantie stilzwijgend te hebben verleend. Hop zal in geen geval aansprakelijk zijn voor schade van welke aard dan ook, waaronder directe, indirecte of gevolgschade, voortvloeiend uit of in verband met het gebruik of betreden van deze website.