| Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304. |
Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel
Project bijbanen rechterlijke macht op internet
Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd
Project bijbanen bestuurders Nederlandse gemeenten op internet
Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen
Project bijbanen raadsgriffier op internet
Project bijbanen gemeentesecretaris op internet
Project namen en nevenfuncties commissie bezwaarschriften op internet
Innovatief en toekomstgericht: Project 31
Project beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger
Geheime brief vuurwerkramp kraakt bewijs, Mogelijk geknoei Tolteam,
De Telegraaf, door Jan Colijn, vrijdag 9 mei 2008.
ENSCHEDE, Terwijl aanstaande dinsdag in Enschede voor de achtste keer de vuurwerkramp wordt herdacht, zijn er nu geheime documenten opgedoken
die grote vraagtekens plaatsen bij het bewijsmateriaal zoals dat destijds is verzameld door het zogenoemde
Tolteam van de recherche. Uit een vertrouwelijke brief van het Bureau Interne Zaken blijkt dat er door de rechercheurs mogelijk is geknoeid met
de bewijzen – en dan vooral het rode sportbroekje – van de pas in hoger beroep vrijgesproken hoofdverdachte André de Vries. De leidinggevenden van het
BIZ trekken in hun brief zelfs ronduit de conclusie dat er sprake lijkt van ’een politieke doofpot’. Het BIZ Gelderland-Midden is destijds
door toenmalig burgemeester Mans verzocht te onderzoeken in hoeverre de rechercheurs van het Tolteam strafbare feiten hebben gepleegd in hun ijver de
bewijsvoering rond te krijgen tegen De Vries. De nu opgedoken brief, die in het bezit is van deze krant, is geadresseerd aan de Vaste Kamercommissie van
Justitie, maar de schrijvers durfden de explosieve inhoud uiteindelijk nooit te versturen. Na het eerste tussenrapport van het
BIZ, waarin het stelt dat het mogelijk fout zat bij het Tolteam, sloeg burgemeester Mans destijds alarm bij minister Donner (Justitie). Die greep
hoogstpersoonlijk in en liet het onderzoek overnemen door de Rijksrecherche. Vanaf dat moment is het onderzoek naar de handelwijze van het Tolteam
grotendeels ’onder de pet’ gebleven. Diverse betrokkenen hebben vergeefs geprobeerd het rapport van de Rijksrecherche boven tafel te krijgen. Ook
partijen in de Tweede Kamer eisten opheldering van Donner, maar de bewindsman antwoordde op cruciale vragen haast stelselmatig dat hij in het kader van de
privacy van betrokken rechercheurs geen mededelingen kon doen.
Voor de dissidente rechercheurs Paalman en De Roy van Zuijdewijn, die bij de politie op een zijspoor werden gezet vanwege hun kritiek op het Tolteam, komt de nu opgedoken brief als geroepen. Zij voeren al jarenlang zogenoemde Wob-procedures tegen de staat om het Rijksrechercherapport in te mogen zien. Twee maanden geleden verloren ze andermaal een dergelijke procedure, waartegen ze intussen in hoger beroep zijn gegaan. Wij roepen al jaren dat er door het Tolteam is geknoeid met de bewijsvoering tegen André de Vries. Maar wanneer nota bene de leidinggevenden van het BIZ, dat dus onderzoek deed naar het Tolteam, zoiets zeggen, krijgt dat uiteraard een heel andere lading”, reageert vroeger Tolteam-rechercheur Jan Paalman. De twee gewezen rechercheurs vestigen nu hun hoop op de politiek. „De beste optie zou zijn dat er een parlementaire enquête komt, waarbij iedereen onder ede verplicht wordt tot antwoorden in plaats van dat mensen zich stelselmatig kunnen verschuilen achter het privacybelang.”
Daders Rudi Bakker, directeur van de destijds ontplofte vuurwerkhandel SE Fireworks, zegt geschrokken te zijn van de nieuwe informatie: „Door deze brief ben ik er nóg meer van overtuigd dat er met bewijsmateriaal is gesjoemeld. Deze brief stelt de integriteit van heel wat personen en instanties ter discussie. Door hun toedoen konden de werkelijke daders de dans ontspringen. Ik kan intussen alleen maar hopen dat de werkelijke toedracht rond de vuurwerkramp ooit wordt opgehelderd. Bakker diende onlangs een zogeheten herzieningsverzoek in tot heropening van het onderzoek.
309 Geen schijn van partijdigheid indien rechters die hebben gewerkt bij VROM vervolgens de zaken van slachtoffers van de vuurwerkramp gaan behandelen
Twee van de drie rechters die woensdag oordeelden dat de overheid niet aansprakelijk is voor de vuurwerkramp in Enschede, werkten jarenlang bij VROM De twee rechters vervulden beleidsfuncties bij VROM toen in 1991 de vuurwerkfabriek in Culemborg ontplofte. Twee van hen vervulden functies op afdelingen die de minister adviseren in beleidsvraagstukken. Rechter Drs. P.A. Koppen (31) was tot de zomer van 1994 plaatsvervangend hoofd afdeling juridische beleidszaken van Vrom. Zijn collega A.V. van den Berg (22) was tot het najaar van 1994 plaatsvervangend directeur internationale milieuzaken bij het ministerie.
Persrechter R. Elkerbout (25) zegt dat de vraag of deze rechters op grond van hun arbeidsverleden de rechtszaak wel konden doen, geen rol heeft gespeeld.
LJN-nummer: AO0997 Zaaknr: 01-2529
Bron: Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 24-12-2003
Datum publicatie: 24-12-2003
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: eerste aanleg - meervoudig
RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
sector civiel recht - meervoudige kamer
Vonnis in de zaak met rolnummer 01-2529 van:
1. [eiser sub 1],
2. [eiser sub 2 ],
3. [eiseres sub 3],
allen wonende te Enschede,
eisers,
procureur: mr. E. Grabandt,
tegen
1. de Staat der Nederlanden,
zetelende te 's-Gravenhage,
gedaagde,
procureur: mr. J.W.H. van Wijk,
2. de gemeente Enschede,
zetelende te Enschede,
gedaagde,
procureur: mr. W. Taekema.
Gedaagden worden hierna ook aangeduid als 'de Staat' en 'de gemeente'.
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- de aan de gemeente uitgebrachte dagvaarding van 20 juli 2001;
- de aan de Staat uitgebrachte dagvaarding van 24 juli 2001;
- de conclusie van eis, met producties, waaronder de processen-verbaal van het
op 20 november, 4 december, 5 december, 6 december en 13 december 2000 en op 26
maart, 29 maart, 19 april en 8 mei 2001 op verzoek van (thans) eisers gehouden
voorlopig getuigenverhoor;
- de conclusie van antwoord van de Staat, met producties;
- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties;
- de conclusie van repliek, met producties;
- de conclusie van dupliek van de Staat, met producties;
- de conclusie van dupliek van de gemeente, met producties;
- de akte bij pleidooi van eisers, met producties;
- de akte houdende overlegging producties van de Staat, met producties;
- de akte van depot van een ter pleitzitting op 6 oktober 2003 door eisers
overgelegde videofilm;
- de ter pleitzitting overgelegde pleitnotities van mr. J.M. Beer, advocaat te
Amsterdam, de pleitnota en aanvullende pleitnota van mr. Van Wijk voornoemd en
de pleitnota van mr. B.J.Th. Bouma, advocaat te Enschede.
Ten pleidooie heeft de rechtbank kennisgenomen van voormelde videofilm. Namens
eisers is het woord gevoerd door mr. Beer voornoemd en door mr. M.J. de Witte,
advocaat te Amersfoort. Namens de Staat zijn opgetreden mr. Van Wijk voornoemd
en mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, advocaat te 's-Gravenhage. Voor de
gemeente voerde mr. Bouma voornoemd het woord.
RECHTSOVERWEGINGEN
1. Feiten
1.1. De ramp
1.1.1. In de middag van zaterdag 13 mei 2000 heeft zich te Enschede een ramp
voltrokken. Op het terrein van het aan de [adres] gevestigde
vuurwerkopslagbedrijf van de vennootschap onder firma S.E.1 Fireworks (het
bedrijf wordt hierna aangeduid als: SEF) is brand uitgebroken, is vuurwerk tot
ontbranding gekomen en heeft zich een reeks in kracht toenemende ontploffingen
voorgedaan. De explosies hebben SEF verwoest en in de omgeving van het bedrijf
grote schade veroorzaakt. Ruim de helft van de totale oppervlakte van de buurt
Roombeek is verwoest. Als direct gevolg van de ramp zijn 22 mensen overleden en
raakten ongeveer 950 mensen gewond. Ruim 200 woningen werden verwoest en nog
eens bijna 300 woningen raakten zodanig zwaar beschadigd dat deze nadien door de
gemeente onbewoonbaar werden verklaard.
1.1.2. Eisers woonden tijdens de ramp in de directe omgeving van SEF. Eiser
[eiser sub 1] woonde met zijn zoon aan de [adres], op minder dan 100 meter
afstand van het bedrijf. Eiser [eiser sub 2] woonde met zijn gezin in de
[adres], in de onmiddellijke nabijheid van de [adres]. Eiseres [eiseres sub 3]
woonde indertijd op het adres [adres], precies tegenover de ingang van SEF.
Eisers hebben allen ten gevolge van de ramp schade geleden, waarvoor zij van
overheidswege tegemoetkomingen hebben ontvangen.
1.2. Bestuurlijk onderzoek
1.2.1. Direct na de ramp hebben acht rijksinspecties onderzoek verricht naar
verschillende aspecten van de ramp. Dit zijn:
- de Inspectie Milieuhygiëne;
- de Inspectie Ruimtelijke Ordening;
- de Inspectie Volkshuisvesting;
- de Arbeidsinspectie;
- de Rijksverkeersinspectie;
- de Inspectie voor de Politie;
- de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding;
- de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
De inspecties hebben gezamenlijk een feitenreconstructie opgesteld, die op 6
november 2000 openbaar is gemaakt.
1.2.2. Op 26 mei 2000 hebben het college van burgemeester en wethouders van
Enschede (hierna: het college van B&W), het college van gedeputeerde staten
van Overijssel en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in
overleg met de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Verkeer en
Waterstaat, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Defensie en van Justitie een
onafhankelijke Commissie onderzoek vuurwerkramp ingesteld, die met de naam van
haar voorzitter bekend staat en ook hier zal worden aangeduid als de
commissie-Oosting (1). Deze
kreeg allereerst tot taak de oorzaak, de toedracht en de bestrijding van de
vuurwerkontploffing en de directe gevolgen die deze ramp heeft gehad te
onderzoeken, alsmede de organisatie en eerste uitvoering van de zorg voor de
door de ramp getroffenen. Bij het onderzoek dienden in ieder geval de volgende
aspecten te worden betrokken: (a) de milieuveiligheid, de veiligheid voor de
omgeving en de ruimtelijke ordening, (b) de volksgezondheid, waaronder de nazorg
en (c) de openbare veiligheid en de rampenbestrijding. Het onderzoek diende zich
ook uit te strekken tot de geldende regelgeving en de toepassing daarvan. De
commissie diende de gebeurtenissen voor, tijdens en na de ramp in onderlinge
samenhang te onderzoeken en daarbij tevens het optreden van de betrokken
overheden te betrekken.
1.2.3. De commissie-Oosting heeft op 28 februari 2001 haar eindrapport en drie
onderzoekrapporten uitgebracht. Zij heeft zich daarin uitdrukkelijk onthouden
van het formuleren van conclusies op het punt van schuld en aansprakelijkheid
van betrokkenen, in verband met mogelijke civielrechtelijke of strafrechtelijke
verwijtbaarheid jegens hen, of van hun politiek-bestuurlijke
verantwoordelijkheid.
1.2.4. Het kabinet heeft op 23 maart 2001 zijn standpunt over de conclusies en
aanbevelingen van de commissie-Oosting aan de Tweede Kamer aangeboden.
1.3. Strafrechtelijk onderzoek
1.3.1. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft in opdracht van het
openbaar ministerie met inschakeling van de Nederlandse Organisatie voor
Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek TNO technisch onderzoek verricht naar
het verloop en de oorzaak van de ramp. Hun rapport van 1 februari 2001 is als
bijlage 4A opgenomen in onderzoekrapport A (SE Fireworks; de overheid; de ramp)
van de commissie-Oosting.
1.3.2. De rechtbank te Almelo heeft bij vonnis van 22 augustus 2002 een persoon
veroordeeld die ervan werd verdacht de brand bij SEF te hebben gesticht. Het
gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 12 mei 2003 deze verdachte
vrijgesproken van het hem te last gelegde.
1.3.3. Diverse natuurlijke en rechtspersonen hebben op grond van artikel 12 van
het Wetboek van Strafvordering bij het gerechtshof te Arnhem beklag gedaan over
het niet strafrechtelijk vervolgen van een of meer van de gedaagden en enkele
ambtenaren. Bij beschikking van 23 september 2002 heeft dit hof het beklag van
enkele klagers niet-ontvankelijk verklaard en dat voor het overige afgewezen.
1.3.4. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arresten van 12 mei 2003 - onder
vernietiging van twee identieke, eveneens veroordelende vonnissen van de
rechtbank te Almelo van 2 april 2002 - twee verdachten veroordeeld tot
gevangenisstraffen van ieder één jaar wegens:
- opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de
Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als
medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft
gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet
milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger,
opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de
verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste
lid, van de Wet milieubeheer begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte,
als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft
gegeven aan de verboden gedraging;
- opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2 van de Wet
milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als
medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft
gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- aan de schuld van de rechtspersoon te wijten zijn van brand en ontploffing,
terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft, begaan door een rechtspersoon,
terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en
feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- telkens medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld
krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd.
Tegen deze arresten is beroep in cassatie ingesteld.
1.4. (Advisering omtrent de) vergunningverlening
1.4.1. Op 19 oktober 1976 heeft het college van B&W een bouwvergunning
verleend voor de bouw van 13 vuurwerkvoorraadcellen en een montage- en
ompakruimte aan de Tollensstraat 50.
1.4.2. Op 2 februari 1977 heeft het college van B&W een
oprichtingsvergunning ingevolge de Hinderwet verleend voor de opslag van
vuurwerk aan de Tollensstraat 46-48-50. Op 14 december 1979 is een
uitbreidingsvergunning ingevolge de Hinderwet verleend voor onder meer opslag
van vuurwerk in zeven MAVO-boxen.
1.4.3. Bij besluit van 22 april 1997, bekend gemaakt op 24 april 1997, heeft het
college van B&W op aanvraag van S.E. Fireworks B.V. een nieuwe, de gehele
inrichting omvattende vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor
een inrichting voor de opslag van vuurwerk (revisievergunning), conform het
gepubliceerde ontwerpbesluit van 21 januari 1997. Daarover is advies ingewonnen
bij het bureau Adviseur Milieuvergunningen van de directie Materieel Koninklijke
Landmacht (hierna: DMKL) van het ministerie van Defensie.
1.4.4. Bij besluit van 19 juli 1999, bekend gemaakt op 21 juli 1999, heeft het
college van B&W op aanvraag van S.E. Fireworks een veranderingsvergunning op
grond van de Wet milieubeheer verleend voor de duur van drie jaar (tijdelijke
veranderingsvergunning), na eerdere publicatie van een ontwerpbesluit van 10 mei
1999. Ook daarover is advies uitgebracht door het bureau Adviseur
Milieuvergunningen van DMKL. Op grond van de revisie- en de tijdelijke
veranderingsvergunning tezamen mocht op het SEF-terrein maximaal 158.500 kg.
vuurwerk van de lichtste gevaarklasse 1.4 S/G in originele transportverpakking
opgeslagen zijn of in plaats daarvan 136.500 kg. plus maximaal 2000 kg. van de
zwaardere gevaarklasse 1.3 G, alsmede tijdens de werkuren maximaal 500 kg. van
de klasse 1.4 S/G onverpakt in de ompakruimte. Opslag van vuurwerk van de
zwaarste gevaarklassen 1.1 en 1.2 was niet toegestaan2.
1.4.5. Na de ramp hebben diverse belanghebbenden, onder wie niet eisers, tegen
de onder 1.4.3 en 1.4.4 vermelde besluiten beroep ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze beroepen zijn bij uitspraken van
1 juni 2001 wegens (niet verschoonbare) termijnoverschrijding niet-ontvankelijk
verklaard.
1.5. Toezicht op de naleving; informatie over niet-naleving
1.5.1. Op 27 maart 1991 ontving de politie Enschede, afdeling bijzondere wetten,
een faxbericht dat door een voormalig medewerker en intussen concurrent van het
vuurwerkbedrijf was verstuurd nadat deze eerder met de politie contact had gehad
en het verzoek had gekregen om zijn verhaal op papier te zetten. Het faxbericht
is geschreven naar aanleiding van de explosie op 14 februari 1991 in een
vuurwerkfabriek te Culemborg. De schrijver achtte het niet denkbeeldig dat
hetzelfde zou gebeuren aan de Tollensstraat.
1.5.2. In 1993 is het vuurwerkbedrijf (toen nog geheten Kunstvuurwerkbedrijf
Smallenbroek) bezocht door een medewerker van DMKL. Naar aanleiding daarvan
hebben op 24 november 1993 twee medewerkers van de gemeentelijke milieudienst
een controlebezoek gebracht.
1.5.3. Op 29 december 1995 en 30 december 1996 zijn door medewerkers van de
gemeentelijke milieudienst en de regionale politie eindejaarscontroles bij SEF
uitgevoerd. Op 30 december 1997 heeft de politie bij SEF vuurwerk van een
Hengelo's bedrijf in beslag genomen dat niet aan de eisen voldeed.
1.5.4. Op 10 juni 1998 is SEF bezocht door een medewerker van het bureau
Adviseur Milieuvergunningen van DMKL. Naar aanleiding daarvan heeft een
medewerker van de gemeentelijke milieudienst enkele controlebezoeken gebracht.
1.5.5. Op 6 maart 1997 is door de Rijksverkeersinspectie een "broncontrole
vergunninghouders vuurwerk" bij SEF uitgevoerd. Dit gebeurde opnieuw op 12
oktober 1999 en 10 december 1999.
1.5.6. Medewerkers van de gemeentelijke milieudienst hebben op 29 december 1999
een controle bij SEF uitgevoerd op de naleving van vergunningvoorschriften.
1.5.7. Op 10 mei 2000 hebben twee medewerkers van de gemeentelijke milieudienst
en een medewerker van het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL SEF
bezocht met het oog op de mogelijke verhuizing van dat bedrijf.
2. Het geschil
2.1. Eisers vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat gedaagden jegens elk van eisers hoofdelijk
aansprakelijk zijn voor vergoeding van de materiële en immateriële schade die
zij lijden als gevolg van de vuurwerkramp die op 13 mei 2000 in Enschede heeft
plaatsgevonden;
II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan elk van eisers te vergoeden de
door hen als gevolg van de vuurwerkramp van 13 mei 2000 geleden en te lijden
materiële en immateriële schade, waarvan de omvang ware op te maken bij staat
en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 13
mei 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, de
kosten van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.
2.2.1. Eisers hebben bij repliek de kern van hun betoog als volgt samengevat.
Eisers stellen dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade die zij als
gevolg van de vuurwerkramp op 13 mei 2000 lijden. Elk van beide gedaagden heeft
jegens eisers, als omwonenden van SEF, onrechtmatig gehandeld door nalatigheid
bij het vormen van beleid, het stellen van regels, het in acht nemen van de
nodige zorgvuldigheid bij het verstrekken van vergunningen, de advisering
daarbij, het houden van toezicht en de handhaving.
Omwonenden van een grootschalige opslag van ontplofbare stoffen kunnen van de
Staat en de betrokken gemeente verwachten dat zij voldoende maatregelen treffen
om hun veiligheid te waarborgen. Dit klemt temeer in een geval als het
onderhavige waarin het bedrijf in de onmiddellijke nabijheid van een woonwijk is
gevestigd. Gedaagden hebben verzuimd vóór 13 mei 2000 voldoende aandacht te
besteden aan de risico's van de (grootschalige) opslag van (dubieus
geclassificeerd) professioneel vuurwerk, terwijl daarvoor op basis van lang
voordien bestaande wetenschap wel aanleiding bestond. De aan grootschalige
opslag van professioneel vuurwerk verbonden risico's voor de externe veiligheid
spreken voor zich. Bovendien bestond voor beide gedaagden een aantal bijzondere
redenen om aan de opslag van professioneel vuurwerk in het algemeen en aan die
van SEF in het bijzonder speciale aandacht te besteden, te weten:
in algemene zin:
a. Reeds lang voordat de vuurwerkramp in Enschede zich voordeed hebben zich in
en buiten Nederland explosies voorgedaan bij bedrijven waar vuurwerk of andere
ontplofbare stoffen lagen opgeslagen.
b. Naar aanleiding van eerdere explosies in Nederland hebben deskundigen gewezen
op het grote belang van een juiste classificatie van vuurwerk of andere
ontplofbare stoffen. Vuurwerk krijgt in het land waar het gefabriceerd wordt,
veelal China, een transportclassificatie die buiten de invloedssfeer van de
Nederlandse overheid door de fabrikant wordt bepaald. Bij import van vuurwerk in
ons land wordt consumentenvuurwerk door de Keuringsdienst van Waren op juiste
classificatie gecontroleerd. Een dergelijke controle vindt niet plaats bij
professioneel vuurwerk.
c. Naar aanleiding van de vuurwerkramp die in 1991 in Culemborg plaatsvond heeft
TNO geadviseerd dat classificatietesten voor groot vuurwerk moesten worden
doorgevoerd, dat voor iedere toestand van het vuurwerk een classificatie zou
moeten worden bepaald en dat het zonder meer omzetten van de
transportclassificatie in een classificatie voor andere doeleinden ten sterkste
moest worden afgeraden. Er is vervolgens verzuimd om een adequaat
classificatiesysteem op te zetten.
d. Het was bekend dat bij degenen die zich in Nederland van overheidswege met de
opslag van vuurwerk bezighielden, een gebrekkig deskundigheidsniveau bestond. Er
is niets gedaan om dat te verbeteren.
ten aanzien van SEF:
a. In 1991 ontving de gemeente Enschede een naar aanleiding van de vuurwerkramp
te Culemborg verzonden faxbericht waarin op gedetailleerde wijze werd
gewaarschuwd voor de onveilige situatie bij SEF. Er is niets mee gedaan.
b. In 1993 hebben zowel de Staat als de gemeente geconstateerd dat bij SEF in
strijd met de vigerende vergunning - die zag op de opslag van
consumentenvuurwerk - hoofdzakelijk professioneel vuurwerk lag opgeslagen. Deze
situatie is gedurende vier jaren gedoogd. Bovendien is de classificatie van het
bij SEF opgeslagen vuurwerk na 1993 nimmer op juistheid gecontroleerd.
c. Anders dan gebruikelijk werd veel (ongeveer de helft) van het vuurwerk bij
SEF opgeslagen in MAVO-boxen (prefab garages) en stalen zeecontainers. Deze
MAVO-boxen en zeecontainers waren niet ontworpen voor de opslag van vuurwerk of
andere ontplofbare stoffen en voldeden niet aan bijzondere eisen van
brandwerendheid. Ondanks een gegeven waarschuwing omtrent de ontoereikende
brandwerendheid van zeecontainers werd de opslag van (professioneel) vuurwerk
door de gemeente vergund en door de Staat goedgevonden.
d. Door de Staat en de gemeente is meer dan eens geconstateerd dat het bedrijf
meer stalen zeecontainers met vuurwerk had geplaatst dan waren vergund en dat de
brandveiligheidseisen niet werden nageleefd. Een en ander werd gedoogd of door
afgifte van een vergunning achteraf alsnog gelegaliseerd.
e. Zelfs drie dagen vóór de ramp hebben vertegenwoordigers van de Staat en de
gemeente het terrein van SEF bezocht en een illegale situatie (plaatsing van
meer zeecontainers dan vergund terwijl deze containers niet voldeden aan de
eisen van brandwerendheid en brandveiligheid) gedoogd.
Het verzuim van gedaagden staat in causaal verband met de bij eisers opgetreden
schade, omdat door de nalatigheid van gedaagden het risico van een vuurwerkramp,
zoals deze zich op 13 mei 2000 heeft voorgedaan, in het leven is geroepen.
Bovendien is in dit kader het navolgende van betekenis:
a. Ten tijde van de vuurwerkramp was voor SEF vergunning verleend voor de opslag
van in totaal 158.280 kg vuurwerk met classificatie 1.4S/G of een geringere
totale hoeveelheid indien ook vuurwerk met classificatie 1.3G is opgeslagen, in
13 bunkers, 7 MAVO-boxen en 14 zeecontainers.
b. Door de commissie-Oosting is op basis van een vervaardigde reconstructie
geconcludeerd dat de situatie bij SEF op 13 mei 2000 als volgt was:
- op het bedrijfsterrein lag ruim 177.000 kg vuurwerk opgeslagen;
- van dit vuurwerk had vermoedelijk meer dan 90% zwaarder geclassificeerd moeten
zijn dan 1.4, te weten 1.660 kilo vuurwerk classificatie 1.1, 5.301 kilo
vuurwerk classificatie 1.2, 153.731 kilo vuurwerk classificatie 1.3 en 16.308
kilo vuurwerk classificatie 1.4;
- ongeveer de helft van dit vuurwerk lag opgeslagen in 7 MAVO-boxen en 16 stalen
zeecontainers.
c. Uit een na de ramp binnen relatief korte tijd door de Inspectie Milieuhygiëne
bij 15 bedrijven uitgevoerd landelijk onderzoek naar de classificatie van
professioneel vuurwerk bleek dat 63% van dat vuurwerk zwaarder moest worden
geclassificeerd dan op de verpakking stond aangegeven.
d. Uit onderzoeken die in opdracht van de commissie-Oosting zijn uitgevoerd
blijkt dat de effecten van de brand op 13 mei 2000 beperkt waren gebleven tot de
inrichting indien wordt uitgegaan van de juiste classificatie die op grond van
de vigerende vergunning aanwezig mocht zijn.
e. Uit de door de commissie-Oosting vervaardigde reconstructie van het verloop
der gebeurtenissen op het moment van de ramp is tevens gebleken dat twee
zeecontainers, waarvan er een zonder vergunning was geplaatst terwijl gedaagden
deze reeds vóór de ramp hebben kunnen waarnemen, een cruciale rol hebben
gespeeld in de escalatie van de ramp. Zowel het gebrek aan voldoende
brandwerendheid van deze zeecontainers als de omstandigheid dat zij
professioneel vuurwerk bevatten en het feit dat de illegale plaatsing van een
der containers heeft geleid tot een voor de brandweer onzichtbare en moeilijk
benaderbare driehoek, hebben in belangrijke mate aan escalatie van de ramp
bijgedragen.
De door eisers geleden en te lijden materiële en immateriële schade is tot
dusverre niet volledig vergoed. De door hen van overheidswege ontvangen
tegemoetkomingen vormen (per definitie) geen volledige vergoeding van schade.
2.2.2. Eisers hebben bij repliek de juridische grondslag van hun vordering tegen
de Staat onderbouwd met de stelling dat hij jegens hen de plicht heeft om te
bevorderen dat de aan een bedrijf als SEF verbonden veiligheidsrisico's op een
adequate wijze worden geïnventariseerd en gewaardeerd en dat zo nodig
maatregelen worden genomen om de risico's op relevante wijze te beperken. Als
uitvloeisel van deze verplichting, die voortkomt uit het ongeschreven recht,
heeft de Staat de plicht tot actief handelen indien en zodra hij bekend raakt
met risico's die de veiligheid van de omwonenden van een dergelijk bedrijf in
gevaar brengen. Uit het ongeschreven recht vloeit tevens een beginselplicht tot
handhaving voort. Bij dagvaarding hebben eisers de zorgplicht van de Staat mede
gebaseerd op artikel 21 van de Grondwet.
Eisers hebben bij repliek de feitelijke grondslag van hun vordering tegen de
Staat als volgt samengevat.
I primair:
De Staat heeft, in de wetenschap dat de wetgeving ten aanzien van de opslag van
(professioneel) vuurwerk niet aanwezig c.q. niet adequaat c.q. niet toereikend
was, hetgeen (naar hij wist) direct (ernstig) gevaar voor eisers (althans
burgers en zaken) opleverde, nagelaten maatregelen te treffen in de vorm van het
uitvaardigen van (nadere) regelgeving of de bestaande regelgeving aan te passen.
II subsidiair:
Ondanks de wetenschap dat de wetgeving ten aanzien van de opslag van
(professioneel) vuurwerk (mogelijk) niet aanwezig c.q. niet adequaat c.q. niet
toereikend was, hetgeen (mogelijk) direct ernstig gevaar voor eisers opleverde,
heeft de Staat nagelaten voldoende onderzoek te verrichten en vervolgens gevolg
te geven aan de uitkomsten van dat onderzoek door het uitvaardigen van (nadere)
regelgeving of de bestaande regelgeving aan te passen.
III meer subsidiair:
Onderdelen van de Staat hebben geadviseerd ten behoeve van de verlening van
vergunningen door het gemeentebestuur. De daarbij gemaakte fouten hebben ertoe
geleid dat onjuiste vergunningen tot stand zijn gekomen. Dat deze vergunningen
inmiddels onherroepelijk zijn geworden, neemt niet weg dat de Staat bij de
advisering stelselmatig onzorgvuldig heeft gehandeld.
IV nog meer subsidiair:
Ondanks de bekendheid van de Staat als toezichthouder met de onrechtmatige
toestand bij SEF, heeft hij nagelaten adequaat handelend op te treden. De Staat
had gezien de ernst van de dreigende schade onmiddellijk moeten en kunnen
ingrijpen door het geven van een bindende aanwijzing (zie artikel 8.27 Wet
milieubeheer).
V nog meer subsidiair:
Voor het geval niet zou komen vast te staan dat de Staat op de hoogte was van de
onrechtmatige toestand bij SEF, geldt dat hij hiervan op de hoogte had moeten
zijn althans zich hiervan op de hoogte had moeten stellen, gelet op de soort van
vergunning die hier in het geding is, waarbij overtreding het risico van het
ontstaan van letselschade bij omwonenden in het leven roept. Gelet op de te
verwachten aard en ernst van de schade, heeft de Staat onvoldoende
zorginspanningen geleverd, aldus eisers bij repliek.
Daarnaast hebben eisers bij dagvaarding aan de Staat verweten dat hij onder de
bestaande regels heeft nagelaten het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL
zodanig uit te rusten dat dit kwalitatief en kwantitatief voldoende adviezen aan
het bevoegd gezag kon verstrekken en zijn toezichthoudende taak goed kon
uitoefenen. De taken van de Rijksverkeersinspectie, waarin medio 1992 het toen
opgeheven Korps Controleurs Gevaarlijke Stoffen is ondergebracht, en van de
Inspectie Milieuhygiëne zijn door de Staat zodanig uitgehold dat van toezicht
door deze instanties feitelijk geen sprake was.
Ten pleidooie hebben eisers nog gesteld dat het verzuim van de Staat om de
EG-richtlijn "Seveso-II", die uiterlijk op 3 februari 1999 geïmplementeerd
had moeten zijn, tijdig om te zetten in nationale wetgeving - het Besluit
Risico's Zware Ongevallen 1999 trad namelijk eerst op 19 juli 1999 in werking -
aan het ontstaan van de vuurwerkramp heeft bijgedragen, aangezien de aanvrager
van de veranderingsvergunning of de vergunninghouder op grond van dat besluit
een rapport over de externe veiligheid bij SEF had moeten presenteren.
Ten aanzien van het oorzakelijk verband tussen het onrechtmatig handelen van de
Staat en de geleden schade hebben eisers bij repliek gesteld dat de Staat door
zijn nalatigheid en onzorgvuldig handelen het geenszins denkbeeldige risico in
het leven heeft geroepen - althans vergroot - dat een ramp als deze zich kon
voltrekken, welk risico zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, met alle
gevolgen van dien voor eisers.
2.2.3. Eisers hebben bij repliek de juridische grondslag van hun vordering tegen
de gemeente onderbouwd met de stelling dat zij jegens hen verplicht is om op een
zorgvuldige en adequate wijze invulling te geven aan haar wettelijke status van
bevoegd gezag bij vergunningverlening, het houden van toezicht en het handhaven
van voorschriften met betrekking tot een bedrijf als SEF.
Eisers hebben bij repliek de feitelijke grondslag van hun vordering tegen de
gemeente als volgt samengevat.
a. De gemeente heeft nagelaten om in het belang van de veiligheid van omwonenden
van een grootschalige opslag van professioneel vuurwerk zoals deze bij SEF
aanwezig was, een beleid te vormen en te voeren waardoor de risico's van deze
opslag op adequate en deskundige wijze werden onderzocht en beperkt.
b. Met diverse signalen omtrent de onveiligheid bij SEF, zoals het faxbericht
uit 1991, heeft de gemeente niets of volstrekt onvoldoende gedaan.
c. De gemeente heeft procedurele en inhoudelijke fouten gemaakt bij de verlening
van vergunningen voor SEF.
d. De gemeente heeft verzuimd om jegens SEF noodzakelijke activiteiten te
ondernemen:
- Nadat de gemeente er in 1993 mee op de hoogte kwam dat op het bedrijfsterrein
van SEF, in afwijking van de op dat moment verleende vergunning, hoofdzakelijk
groot of professioneel vuurwerk in betonnen bunkers, MAVO-boxen en stalen
zeecontainers lag opgeslagen, heeft de gemeente deze situatie jarenlang gedoogd
zonder dat er een nieuwe vergunning was verleend.
- Nimmer heeft de gemeente bevorderd dat een adequate test werd uitgevoerd om de
juiste hoeveelheid en classificatie van het bij SEF opgeslagen vuurwerk te
controleren, terwijl daartoe wel een bijzondere aanleiding bestond, omdat sinds
1993 bekend was dat het bedrijf nagenoeg uitsluitend professioneel vuurwerk
opgeslagen had.
- De gemeente heeft ten onrechte nagelaten om een bouwvergunning te verlangen
voor het plaatsen van MAVO-boxen en stalen zeecontainers.
- De gemeente heeft ten onrechte toestemming verleend om professioneel vuurwerk
op te slaan in daartoe ongeschikte MAVO-boxen en stalen zeecontainers, terwijl
de opslag nog niet eens voldeed aan de eisen die gesteld worden aan de opslag
van 1000 kilo consumentenvuurwerk (waaronder die van een automatische
sprinklerinstallatie).
- De gemeente heeft ten onrechte gedoogd dat SEF meer zeecontainers met vuurwerk
op het bedrijfsterrein heeft geplaatst dan waren vergund.
Eisers hebben voor het eerst bij repliek aan de gemeente verweten dat zij voor
SEF geen gebruiksvergunning heeft verlangd, hoewel deze op grond van de
gemeentelijke bouwverordening wel vereist was. Aangezien aan een
gebruiksvergunning voorwaarden kunnen worden verbonden met betrekking tot
brandveiligheid, heeft de gemeente bestaande mogelijkheden onbenut gelaten om
brandgevaar te beperken.
Ten aanzien van het oorzakelijk verband tussen het onrechtmatig handelen van de
gemeente en de geleden schade hebben eisers bij repliek gesteld dat de gemeente
door haar nalatigheid het geenszins denkbeeldige risico in het leven heeft
geroepen - althans vergroot - dat een ramp als deze zich kon voltrekken, welk
risico zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, met alle gevolgen van dien
voor eisers.
2.3. Gedaagden betwisten gemotiveerd dat hun handelwijze jegens eisers
onrechtmatig is. Voorts ontkennen zij het gestelde oorzakelijk verband met de
door eisers geleden schade.
De gemeente heeft haar verweer dat eisers hun schade onvoldoende aannemelijk
hebben gemaakt, ten pleidooie laten vallen.
3. Beoordeling
3.1. Inleiding
3.1.1. De bescherming van personen en goederen tegen van buiten komend onheil
(waaronder dat, veroorzaakt door ontplofbare stoffen) behoort van oudsher tot de
kerntaken van de overheid. Reeds in 1810 werd op het grondgebied van het huidige
Nederland een Frans decreet van kracht ter bescherming van omwonenden tegen
gevaar, schade en hinder, veroorzaakt door bepaalde fabrieken en andere
inrichtingen. Dit decreet is in 1824 opgevolgd door het Koninklijk Besluit,
rakende de vergunningen ter oprigting van sommige fabrijken en trafijken (Stb.
19). Dit besluit beoogde "met betrekking tot de fabrijken en trafijken, en
andere inrigtingen, die bij eene ongepaste daarstelling of verandering,
baarblijkelijk het publiek met gevaar, schade of hinder kunnen bedreigen, en tot
welker oprigting of verandering van inrigting mitsdien uit het oogpunt eener
goede policie de voorafgaande beoordeeling en toestemming van het openbaar
gezag, als noodig zal zijn te beschouwen, de vereischte bepalingen (te) maken
waardoor alle onzekerheid, zoo wel voor hen, die tot zoodanige oprigting of
verandering van inrigting zouden wenschen overtegaan, als van de publieke
autoriteiten zal zijn voorgekomen". Ingevolge dit besluit zijn onder meer
"Buskruid-fabrijken" en "Buskruid-magazijnen", alsmede
"Vuurwerk-makerijen" aan een vergunningstelsel onderworpen. Het
besluit is in 1875 opgevolgd door de Wet tot regeling van het toezigt bij het
oprigten van inrigtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken (Stb.
95). Ingevolge artikel 2, aanhef en onder II, van die wet werden in elk geval
vanaf de inwerkingtreding ervan als vergunningplichtige inrichtingen mede
beschouwd inrichtingen tot bewaring van ontplofbare stoffen, waartoe
uitdrukkelijk werden gerekend de bewaarplaatsen van vuurwerk. Vanaf 1952
berustte deze vergunningplicht op de Hinderwet (Stb. 274) en sedert 1 maart 1993
is deze gebaseerd op de Wet milieubeheer (Stb. 1992, 414).
Dat ook overigens vervoer en opslag van ontplofbare stoffen een ernstig gevaar
voor de omgeving konden veroorzaken, is hier te lande in ieder geval sinds 1807,
toen binnen de singels van de stad Leiden een kruitschip ontplofte met
verwoestende werking, algemeen bekend. Het antwoord van de wetgever heeft ook
hier niet lang op zich laten wachten. De eerste Nederlandse regelgeving ter zake
is te vinden in de Wet van 26 januari 1815, Stb. 7. Deze wet is vervangen door
de Wet van 26 april 1884 houdende nadere bepalingen omtrent het vervoer, den in-,
uit- en doorvoer, verkoop en opslag van buskruit en andere licht ontvlambare en
ontplofbare stoffen (Stb. 81). Blijkens de op die wet gebaseerde algemene
maatregel van bestuur (Stb. 1885, 187) vielen vuurwerken onder de gestelde
regels. Laatstgenoemde wet is in 1968 vervangen door de Wet gevaarlijke stoffen
(Stb. 1963, 313), welke wet in 1996 is opgevolgd door de Wet vervoer gevaarlijke
stoffen (Stb. 1995, 525).
3.1.2. Het op de grondslag van deze regelgeving door de overheid gevoerde
externe-veiligheidsbeleid voor inrichtingen heeft een ramp met een omvang als
die in Enschede niet kunnen voorkomen. Nadien zijn dan ook pogingen gedaan om de
keten van onderzoek (risicoanalyse), regelgeving, uitvoering
(vergunningverlening), toezicht en handhaving in al haar schakels te versterken.
Dat de overheid uit de gebeurtenissen lessen heeft getrokken voor de toekomst,
wil echter niet zeggen dat de Staat of de gemeente aansprakelijk zijn uit hoofde
van onrechtmatige daad voor de directe gevolgen van de ramp. Om zo'n
aansprakelijkheid te kunnen vaststellen, moet immers niet zozeer naar de
gevolgen, maar vooral naar de oorzaken van de ontploffingen op 13 mei 2000
worden gekeken, met als uitgangspunt de wetenschap die Staat en gemeente tot op
het moment van de ramp bezaten of hadden moeten bezitten. Aansprakelijkheid kan
niet worden aangenomen op de enkele grond dat zich een risico heeft
verwezenlijkt waarvan de overheid op de hoogte was of had moeten zijn. Bepalend
is of dat risico dermate groot was, dat daaruit een rechtsplicht voor een
overheidsinstelling voortvloeide om maatregelen te nemen ter verkleining van dat
risico. Daarbij spelen zowel de aard van de mogelijke effecten als de kans dat
deze optreden een rol. Tevens dienen de (maatschappelijke) kosten van zodanig
optreden te worden afgewogen tegen de voordelen daarvan.
De rechtbank zal hierna onder 3.2 tot en met 3.6 de diverse omstandigheden
waarop volgens eisers de aansprakelijkheid van de betrokken overheden kan worden
gebaseerd, successievelijk bespreken. Het verwijt van eisers dat de betrokken
overheden hebben nagelaten beleid te ontwikkelen, wat daar ook van zij, mist
naar het oordeel van de rechtbank zelfstandige betekenis en zal dan ook niet
afzonderlijk aan de orde komen.
3.1.3. Ofschoon eisers niet aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat
zij schade hebben geleden als nabestaanden van dodelijke slachtoffers van de
ramp, acht de rechtbank voor de vestiging van aansprakelijkheid relevant, naast
andere omstandigheden, of de betrokken overheden op de hoogte waren of hadden
moeten zijn van een reële en directe bedreiging van het leven van personen.
Indien dat het geval was, had immers verwacht mogen worden dat zij tijdig
afdoende maatregelen hadden genomen ter voorkoming van de ramp. Deze
rechtsplicht kan onder meer worden gebaseerd op artikel 2 van het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat het
recht op leven beschermt3.
De materiële schade als gevolg van de vuurwerkramp vormde voor eisers hoe dan
ook een aantasting van hun recht op ongestoord genot van hun eigendom,
daargelaten of sprake is van een inbreuk door de overheid. Tegen schending van
dit recht door de overheid waakt artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
Indien moet worden aangenomen dat de verantwoordelijke autoriteiten door het
achterwege laten van passende maatregelen ter voorkoming van de ramp artikel 2
van het EVRM hebben geschonden, kan deze nalatigheid naar het oordeel van de
rechtbank niet worden gerechtvaardigd door enig algemeen belang dat door de
overheid wordt behartigd. Alsdan bestaat tevens aansprakelijkheid wegens
schending van de positieve verplichtingen die artikel 1 van het Eerste Protocol
bij het EVRM voor de overheid meebrengt.
Op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
kan ook artikel 8 van het EVRM, dat ziet op eerbiediging van het privé-,
familie- en gezinsleven, in milieugeschillen met succes worden ingeroepen. De
verplichting voor de autoriteiten om wezenlijke informatie over risico's waaraan
omwonenden door inrichtingen worden blootgesteld, aan hen door te geven, kan
eerder op artikel 8 dan op artikel 2 van het EVRM worden gebaseerd. Bij
milieuschade door hinder (geluid, stank) en gezondheidsschade door uitstoot van
schadelijke stoffen kan tevens sprake zijn van een belemmering van het genot van
de woning en nadelige beïnvloeding van het privé- en gezinsleven van
omwonenden door uitblijven van overheidsingrijpen. In de thans aan de orde
zijnde zaak doet deze situatie zich echter niet voor. Pas op het moment dat het
- voor hen tot dan toe onbekende - risico waaraan eisers hebben blootgestaan,
zich heeft verwezenlijkt, is immers hun privéleven ontwricht geraakt. Afgezien
van een mogelijke inbreuk wegens het onthouden van beschikbare informatie, is
artikel 8 van het EVRM dus naar het oordeel van de rechtbank in onderhavig geval
niet relevant.
3.2. Onderzoek en regelgeving (vordering tegen de Staat)
3.2.1. Met betrekking tot de in rechtsoverweging 2.2.2 onder I en II weergegeven
grondslagen van de vordering tegen de Staat stelt de rechtbank voorop dat, ook
voorzover de Staat rechtens tot regelgeving verplicht zou zijn, aan hem ter zake
van de inhoud en de vorm van die regelgeving een ruime beleidsvrijheid toekomt.
Of een verplichting tot het totstandbrengen van wetgeving in formele zin - dat
wil zeggen met de beide Kamers der Staten-Generaal als medewetgever -
voortvloeit uit algemene rechtsbeginselen of uit (artikel 21 van) de Grondwet
staat niet aan de rechter ter beoordeling.
3.2.2. Degene die een inrichting als SEF drijft, is onderworpen aan het
vergunningstelsel voor inrichtingen op basis van hoofdstuk 8 van de Wet
milieubeheer. Daarnaast gelden voor de exploitant van een vuurwerkopslagplaats
de algemene zorgplichten van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer en artikel 2
van de Wet milieugevaarlijke stoffen en, in diens hoedanigheid van bezitter van
gevaarlijke stoffen, de risicoaansprakelijkheid bij ongevallen van artikel 6:175
van het Burgerlijk Wetboek.
Dit stelsel brengt, naast verplichtingen waarop omwonenden tegenover de
exploitant zelf in rechte een beroep kunnen doen, met zich dat voor de
oprichting van een bedrijf als SEF en voor de verandering en de verandering van
de werking daarvan een toetsing door het bevoegd gezag (in casu het college van
B&W) moet plaatsvinden (thans op grond van de artikelen 8.1 en 8.2 van de
Wet milieubeheer). Daarbij moet het bevoegd gezag (kort samengevat) met alle
relevante omstandigheden van het concrete geval en met de laatste inzichten
rekening houden (artikel 8.8 van de Wet milieubeheer). Het bevoegd gezag is
voorts gehouden regelmatig na te gaan of de voorschriften en beperkingen van de
vergunning nog toereikend zijn en moet zo nodig deze aanpassen, hetzij
ambtshalve, hetzij op verzoek van derden of op aanvraag van de vergunninghouder
(artikelen 8.22-8.24 van de Wet milieubeheer).
3.2.3. Eisers hebben niet voldoende onderbouwd waarom dit stelsel zodanig
gebrekkig is dat daarmee ter zake van bedrijven als SEF niet zou kunnen worden
voldaan aan de uit het EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen van de Staat
om leven en eigendom van de inwoners te beschermen, in het bijzonder niet nu,
zoals de commissie-Oosting concludeert4 en eisers niet betwisten, de
vuurwerkramp niet had kunnen plaatsvinden als de op dit stelsel gebaseerde
vergunningen waren nageleefd. Evenmin hebben eisers onderbouwd waarom dit
stelsel anderszins onrechtmatig zou zijn. Tot zodanige onderbouwing kan in elk
geval niet dienen dat de Staat weet had of had moeten hebben van eerdere
explosies bij (al dan niet vergelijkbare) bedrijven in binnen- of buitenland
waarbij vuurwerk of andere ontplofbare stoffen opgeslagen waren, aangezien het
bovenomschreven stelsel nu juist de mogelijkheid biedt om bij de besluitvorming
daarmee rekening te houden. Evenmin kan daartoe dienen dat de Staat na de
vuurwerkramp tot nadere regelgeving is overgegaan, nu die regelgeving juist ten
gevolge van de vuurwerkramp tot stand is gebracht.
3.2.4. De rechtbank begrijpt het betoog van eisers ter zake van het Besluit
risico's zware ongevallen en de zogenaamde Post-Seveso- en
Post-Seveso-II-richtlijnen aldus, dat eisers mede beogen aan te voeren dat, als
de Post-Seveso-II-richtlijn tijdig door de Staat zou zijn geïmplementeerd, de
vuurwerkramp zou zijn voorkomen, omdat dan bij de vergunningaanvraag in 1999 een
externe-veiligheidsrapport had moeten worden overgelegd. De rechtbank volgt dit
betoog niet. Nog daargelaten dat eisers niet hebben onderbouwd dat een dergelijk
rapport een zodanige inhoud zou hebben gehad dat dit tot weigering van de
tijdelijke uitbreidingsvergunning of aanpassing van de revisievergunning zou
hebben geleid, blijkt uit de door de commissie-Oosting gemaakte berekening van
de netto-hoeveelheid ontplofbare stof die ingevolge de vergunningen bij SEF
aanwezig mocht zijn, dat de drempelwaarde van 50 ton voor de gelding van deze
verplichting bij SEF niet werd overschreden5. Aan de door eisers ter
onderbouwing van hun standpunt aangehaalde circulaire van de minister van VROM
van 8 november 2000 kent de rechtbank geen gewicht toe, nu deze circulaire na de
vuurwerkramp is uitgebracht en niet is gesteld of gebleken dat deze is gebaseerd
op voor de ramp geldende inzichten.
3.2.5. De overige door eisers besproken regelgeving strekt er niet toe de
risico's van de opslag van vuurwerk bij een bedrijf als SEF voor de omgeving te
voorkomen. Zo aan die regels al zodanige gebreken zouden kleven dat daardoor de
Staat onrechtmatig zou hebben gehandeld, dan is het verband daartussen en de
ramp zo ver verwijderd, dat daaruit geen aansprakelijkheid van de Staat kan
voortvloeien. De rechtbank laat die regelgeving hier dan ook onbesproken.
3.2.6. De rechtbank concludeert dat aansprakelijkheid van de Staat niet kan
worden gebaseerd op gebreken in de wet- of regelgeving. Daarmee is ook de
stelling van eisers verworpen dat de ramp te wijten is aan het niet verrichten
van onderzoek dat tot aanpassing van de regelgeving zou hebben genoopt, nog
daargelaten dat eisers deze stelling in het licht van het uitvoerige en
gespecificeerde verweer daartegen van de Staat onvoldoende hebben onderbouwd.
3.3. Vergunningverlening (vordering tegen de gemeente)
3.3.1. De stellingen van eisers met betrekking tot het ontbreken van vereiste
bouwvergunningen en van de op grond van de gemeentelijke bouwverordening
vereiste gebruiksvergunning komen hierna onder 3.5.8 aan de orde.
Ten verweer tegen het gestelde omtrent de verleende vergunningen op grond van de
Wet milieubeheer beroept de gemeente zich op de formele rechtskracht van de
onder 1.4.3 en 1.4.4 vermelde besluiten.
3.3.2. De rechtbank stelt vast dat eisers tegen deze besluiten geen beroep
hebben ingesteld en dat de daartegen door derden ingestelde beroepen niet tot
vernietiging van (enig deel van) die besluiten hebben geleid. Krachtens vaste
jurisprudentie moeten daarom in de onderhavige procedure de voor SEF verleende
milieuvergunningen naar inhoud en wijze van totstandkoming voor juist worden
gehouden. Op dit beginsel van de formele rechtskracht zijn slechts beperkt
uitzonderingen mogelijk. Mogelijke gebreken in de publicatie van de
(ontwerp-)besluiten behoren daartoe niet, aangezien deze door de bestuursrechter
beoordeeld kunnen of konden worden in het kader van een beroep op
verschoonbaarheid van termijnoverschrijding. Wel is plaats voor een uitzondering
als de overheid heeft erkend dat een besluit onrechtmatig is. Van een erkenning
door de gemeente dat de thans aan de orde zijnde besluiten onrechtmatig zijn, is
echter geen sprake, daargelaten of de gemeente de conclusies van de
commissie-Oosting heeft "omarmd".
3.3.3. Anders dan eisers hebben betoogd, vormen de aard van de gestelde
normschending, de teloorgang van de betrokken inrichting en de aard en ernst van
de voor omwonenden en overheid voorzienbare schade geen van alle gronden om een
nieuwe uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht te aanvaarden.
De door eisers voorgestane, door het Franse en Duitse stelsel geïnspireerde
benadering komt er immers op neer dat de burgerlijke rechter voortaan niet meer
van de rechtmatigheid van een onherroepelijk besluit zou kunnen uitgaan, hetgeen
niet strookt met het door de Hoge Raad in een reeks van arresten ontwikkelde
stelsel.
3.3.4. Ook het betoog van eisers dat de hantering van het beginsel van de
formele rechtskracht in onderhavig geval in strijd is met artikel 13 van het
EVRM, kan niet worden gevolgd. Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat
door de vergunningverlening artikel 2 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste
Protocol bij het EVRM zijn geschonden, heeft daartegen immers beroep op de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opengestaan. Het recht van
eisers op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie is dus
niet geschonden.
3.3.5. De rechtbank komt tot de slotsom dat de gemeente jegens eisers niet
aansprakelijk is op grond van de verlening van de milieuvergunningen.
3.4. Advisering omtrent de vergunningverlening (vordering tegen de Staat)
De rechtbank kan de Staat niet volgen in zijn verweer, waar deze betoogt dat de
formele rechtskracht van de voormelde besluiten zich ook uitstrekt tot de inhoud
van de in het kader van de totstandkoming door DMKL verstrekte adviezen. Nu
echter niet is gesteld of gebleken dat de adviezen los van de
vergunningprocedure tot schade hebben geleid, kan desalniettemin op de in
rechtsoverweging 2.2.2 onder III vermelde grondslag de vordering tegen de Staat
niet worden toegewezen. Ook de vraag of het bureau Adviseur Milieuvergunningen
van DMKL met voldoende deskundig personeel was uitgerust om goede adviezen over
de vergunningaanvragen uit te brengen, kan om deze reden verder blijven rusten.
3.5. Gemeentelijk toezicht en handhaving (vordering tegen de gemeente)
3.5.1. Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van de milieuvergunning,
heeft op grond van artikel 18.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer mede tot
taak:
a. zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het met betrekking
tot de inrichting bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde;
b. gegevens over de inrichting, die met het oog op de uitoefening van de taak
als bedoeld onder a van belang zijn, te verzamelen en te registreren;
c. klachten, die betrekking hebben op de naleving van het met betrekking tot de
inrichting bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde, te behandelen.
Hieruit volgt dat in het geval van SEF de door het college van B&W
aangewezen ambtenaren waren belast met toezicht of controle op de naleving van
de bepalingen van de Wet milieubeheer en van de milieuvergunningvoorschriften en
dat het college van B&W eveneens verantwoordelijk was voor de daadwerkelijke
handhaving daarvan door middel van bestuursrechtelijke sancties als het opleggen
van een dwangsom, het uitoefenen van bestuursdwang en het intrekken van de
vergunning. Ook in het kader van de tot 1 maart 1993 geldende Hinderwet was het
college van B&W het bevoegd gezag.
Op de naleving van de vergunningvereisten bij of krachtens de Woningwet dienden
ambtenaren van het door het gemeentebestuur ingestelde bouw- en woningtoezicht
toe te zien. Deze ambtenaren hebben tevens opsporingsbevoegdheid6. Bij SEF was
het gemeentebestuur derhalve ook verantwoordelijk voor het toezicht op de
naleving van de bouwvoorschriften op grond van de Woningwet en voor de
handhaving daarvan.
3.5.2. Bij de beoordeling van de stellingen van eisers inzake het toezicht maakt
de rechtbank een onderscheid tussen algemeen en specifiek toezichtsfalen. Van
algemeen toezichtsfalen kan worden gesproken, indien het bevoegde bestuursorgaan
zijn wettelijke taken op dit gebied verwaarloost. Gelet op de aan het bestuur
toekomende vrijheid bij de verdeling van de beschikbare financiële en personele
middelen over verschillende beleidsterreinen, zal een dergelijke
taakverwaarlozing slechts in uitzonderlijke omstandigheden onrechtmatig zijn
jegens een individuele burger. Zodanige omstandigheden zijn echter ten aanzien
van het gemeentebestuur niet gesteld of gebleken. De rechtbank zal zich daarom
hierna wat betreft het gemeentelijk toezicht beperken tot specifiek
toezichtsfalen. Daarbij moet worden gedacht aan het negeren van concrete
aanwijzingen of het in de wind slaan van waarschuwingen dat bepaalde regels of
voorschriften worden overtreden.
3.5.3. De stellingen van eisers ter zake van gemeentelijk toezicht en handhaving
komen erop neer dat:
- de gemeente naar aanleiding van de ramp in Culemborg een fax heeft ontvangen
van een oud-medewerker van het bedrijf dat later S.E. Fireworks is gaan heten,
waarin werd gewaarschuwd voor een soortgelijke ramp, en dat de gemeente daar
niets mee heeft gedaan;
- de gemeente geconstateerde overtredingen van de milieuvoorschriften en
uitbreidingen van SEF jarenlang heeft gedoogd en vervolgens heeft gelegaliseerd;
- de gemeente niet heeft bevorderd dat een adequate test werd uitgevoerd op de
classificatie van het bij SEF opgeslagen vuurwerk;
- de gemeente ten onrechte geen bouwvergunning heeft geëist voor de plaatsing
van MAVO-boxen en zeecontainers en heeft gedoogd dat SEF meer zeecontainers met
vuurwerk op het terrein heeft geplaatst dan op grond van de milieuvergunning was
toegelaten.
3.5.4. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat ook bij de beoordeling van
de vraag of het gemeentebestuur bij de uitoefening van zijn toezichts- en
handhavingstaken beneden de maat is gebleven, moet worden uitgegaan van de
kennis die de gemeente tot op het moment van de vuurwerkramp had of
redelijkerwijs had moeten hebben. Of sprake is van gemeentelijk toezichts- of
handhavingsfalen dat als onrechtmatig moet worden bestempeld, moet ook overigens
worden getoetst aan de in rechtsoverwegingen 3.1.2 en 3.1.3 weergegeven
criteria.
3.5.5. Met betrekking tot de ramp in Culemborg en de naar aanleiding daarvan
door de gemeente ontvangen fax overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank
laat in het midden dat de stelling van eisers dat is vast komen te staan dat de
gemeente met die fax niets heeft gedaan, niet zonder meer uit de door hen ter
onderbouwing overgelegde stukken volgt, nu de toenmalige eigenaar van het
bedrijf blijkens die stukken (blz. 7 van productie 29 van eisers) heeft
verklaard dat hij die fax kent en dat er naar aanleiding van die fax een extra
controle van de gemeente is geweest. Sinds de ontvangst van die fax is de
situatie bij het bedrijf zodanig veranderd (er is een revisievergunning
verleend; het bedrijf is in andere handen overgegaan) dat naar het oordeel van
de rechtbank het causaal verband tussen het beweerde niet-optreden van de
gemeente naar aanleiding van de fax en de vuurwerkramp ontbreekt.
Overigens heeft de gemeente gemotiveerd betwist dat zij naar aanleiding van de
ramp in Culemborg over meer kennis van de risico's van de opslag van vuurwerk
bij SEF had kunnen en moeten beschikken en heeft zij betoogd dat de
vuurwerkfabriek in Culemborg van een andere aard was dan SEF. In Culemborg mocht
immers vuurwerk worden vervaardigd met gebruikmaking van los zwart kruit, een
zeer brandbare en massa-explosieve stof, terwijl bij SEF naast de opslag van
verpakt vuurwerk van de gevaarklassen 1.4 en (in relatief geringe hoeveelheid)
1.3 in hun transportverpakking niet meer was toegestaan dan het (tijdens
werkuren) uit de transportverpakking halen en assembleren van stukken vuurwerk
die zich ieder voor zich in hun primaire verpakking bevonden. De gemeente heeft
gesteld dat zij er derhalve van mocht uitgaan dat de gevaren bij SEF van een
andere orde waren dan die in Culemborg. De rechtbank is van oordeel dat eisers
tegen dit onderbouwde betoog van de gemeente onvoldoende hebben aangevoerd,
zodat zij dit verweer voor juist moet houden.
3.5.6. Ook de stelling van eisers dat de gemeente overtredingen door SEF
jarenlang heeft gedoogd en vervolgens heeft gelegaliseerd, leidt de rechtbank,
in aanmerking genomen hetgeen eisers ter onderbouwing daarvan hebben aangevoerd,
niet tot het oordeel dat de gemeente onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld.
Blijkens hetgeen in de rechtsoverwegingen 1.5.2, 1.5.3, 1.5.4 en 1.5.6 is
overwogen, zijn door de gemeentelijke milieudienst controles uitgevoerd bij SEF.
Eisers hebben niet voldoende onderbouwd dat bij die controles zodanige gebreken
zijn geconstateerd dat deze ingevolge de in rechtsoverwegingen 3.1.2 en 3.1.3
weergegeven criteria hadden moeten leiden tot onmiddellijk ingrijpen van de
gemeente. Onder deze omstandigheid is het gedogen en later legaliseren van
geconstateerde overtredingen naar het oordeel van de rechtbank jegens eisers
niet onrechtmatig, ook al niet omdat deze gedragslijn in overeenstemming is met
de bestuursrechtelijke jurisprudentie.
3.5.7. De gemeente betwist dat bij haar wetenschap bestond of had moeten bestaan
dat de classificatie van het bij SEF opgeslagen vuurwerk mogelijk niet deugde.
De rechtbank stelt vast dat op grond van de verleende milieuvergunningen geen
vuurwerk op het SEF-terrein opgeslagen mocht zijn dat massa-explosief was. Het
overgrote deel van het toegestane vuurwerk betrof vuurwerk van de gevaarklasse
1.4. De verhoudingsgewijs geringe hoeveelheid vergund vuurwerk van de
gevaarklasse 1.3 leverde weliswaar risico op voor het ontstaan van brand,
beperkte explosies of beperkte uitworp van brokstukken, maar betekende op
zichzelf geen gevaar voor een massa-explosie. Aangenomen moet worden dat zich op
het SEF-terrein ook vuurwerk heeft bevonden dat op grond van het
classificatiesysteem in de gevaarklassen 1.1 en/of 1.2 behoorde te zijn
ingedeeld, mogelijk in combinatie met een grotere hoeveelheid vuurwerk dat in
klasse 1.3 thuis hoorde dan bij de vergunningen was toegestaan. Gesteld noch
gebleken is echter dat de gemeente zulks bij een intensiever toezicht op de
naleving van de toegestane hoeveelheden verpakt vuurwerk had kunnen ontdekken.
De gemeentelijke milieudienst ging af op de - kennelijk deels onjuiste -
gevaarklassen die op de etiketten van de verpakkingen stonden vermeld. De
gemeente voert aan dat haar geen enkel signaal had bereikt - niet via de
bezoeken van het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL of de broncontroles
van de Rijksverkeersinspectie en ook niet via het onder 1.5.1 vermelde
faxbericht aan de (toen nog) gemeentelijke politie - dat de betrouwbaarheid van
die vermeldingen in twijfel had moeten doen trekken.
Nu eisers hun stellingen op dit punt niet nader hebben onderbouwd, concludeert
de rechtbank dat de gemeentelijke milieudienst op de tekst van de etiketten
mocht afgaan en niet gehouden was eigen onderzoek te doen naar de juiste
classificatie van het bij SEF opgeslagen vuurwerk.
3.5.8. Ten aanzien van het gestelde falen van het gemeentelijk bouw- en
woningtoezicht overweegt de rechtbank als volgt. Dat na 1976 voor diverse
uitbreidingen van opslagruimte op het SEF-terrein geen bouwvergunning is
aangevraagd en voorts nooit een vergunning is verleend voor het in gebruik
hebben of houden van enig aldaar aanwezig bouwwerk, betekent nog niet dat de
gemeente jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld door de vergunningvereisten
op grond van de Woningwet of de daarop gebaseerde eigen bouwverordening niet te
handhaven. Weliswaar moest het college van B&W bij de verlening van een
bouw- of gebruiksvergunning toetsen aan eisen van brandpreventie en
brandwerendheid en kon het daartoe zo nodig voorschriften geven, maar daarbij
hoefde, gezien hetgeen onder 3.5.7 is overwogen, geen rekening gehouden te
worden met de aanwezigheid van "zwaarder" vuurwerk dan was toegelaten.
Derhalve kan niet tot aansprakelijkheid van de gemeente worden geconcludeerd op
basis van een gebrek aan handhaving van de vergunningvereisten bij of krachtens
de Woningwet.
3.5.9. De gemeente heeft bij conclusie van antwoord gemotiveerd weersproken dat
zij op de hoogte was van de aanwezigheid bij SEF van twee niet vergunde
zeecontainers en dat zij, als zij dat wel was geweest, gehouden en in staat was
deze onmiddellijk te (laten) verwijderen. Eisers hebben op dit verweer niet
anders gereageerd dan door herhaling van stellingen, zodat zij dit verweer
onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken. De rechtbank zal dit onderdeel van
de stellingen van eisers daarom verder buiten beschouwing laten.
3.5.10. Uit hetgeen in de rechtsoverwegingen 3.5.5 tot en met 3.5.9 is overwogen
concludeert de rechtbank dat de gemeente jegens eisers niet aansprakelijk is op
grond van een specifiek gebrek aan toezicht op de naleving van de milieu- of
bouwwetgeving of een daaruit voortvloeiend handhavingsgebrek.
3.6. Rijkstoezicht (vordering tegen de Staat)
3.6.1. Op rijksniveau waren ten tijde van de ramp de Inspectie Milieuhygiëne7,
het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL8 en de Rijksverkeersinspectie9
(hierna tezamen aangeduid als: de rijkstoezichthouders) met toezicht op de
naleving van de milieuwetgeving op vuurwerkopslagplaatsen belast10. De Inspectie
Milieuhygiëne was tweedelijns toezichthouder voor alle inrichtingen. Daarnaast
was het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL aangewezen als
toezichthouder voor inrichtingen als SEF, waar ontplofbare stoffen zijn
opgeslagen. De Rijksverkeersinspectie is mede bevoegd tot toezicht binnen een
inrichting waar vuurwerk is opgeslagen, voor zover dit toezicht kan worden
uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke
bepalingen inzake het vervoer van stoffen en preparaten bevoegd is11. Haar
toezichthoudende taak op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen had zij
overgenomen van het voormalige Korps Controleurs Gevaarlijke Stoffen.
De bevoegdheden van de rijkstoezichthouders doen niet af aan de primaire,
hierboven onder 3.5.1 besproken verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag om op
de naleving van de milieuwetgeving binnen inrichtingen toe te zien. Aangezien in
die wetgeving de functie van het toezicht in beginsel is gedecentraliseerd, is
de rechtbank met de Staat van oordeel dat de vordering niet kan worden
toegewezen op grond van aan de Staat toe te rekenen algemeen toezichtsfalen.
Gelet op de wettelijke taken van het bevoegd gezag, is de Staat voor eventuele
taakverwaarlozing bij het toezicht van rijkswege niet jegens eisers
aansprakelijk. Dit betekent ook dat de stelling dat de Staat heeft nagelaten het
bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL met voldoende deskundig personeel
uit te rusten om goed toezicht uit te oefenen, geen verdere bespreking behoeft.
Om dezelfde reden hoeft op de stellingen van eisers met betrekking tot de
uitholling van de taken van de Inspectie Milieuhygiëne en de
Rijksverkeersinspectie verder evenmin te worden ingegaan. De rechtbank zal zich
hierna wat betreft het rijkstoezicht beperken tot specifiek toezichtsfalen.
3.6.2. De in rechtsoverweging 2.2.2 onder IV en V weergegeven grondslagen van de
vordering tegen de Staat houden in dat eisers de Staat verwijten dat hij,
ondanks de kennis die de rijkstoezichthouders hadden of hadden moeten hebben
over de toestand bij SEF, niet adequaat handelend is opgetreden. De
verantwoordelijke ministers zijn echter niet bevoegd tot bestuursrechtelijke
handhaving. Indien bij het toezicht een overtreding wordt geconstateerd die
correctie behoeft, zal aan het bevoegd gezag moeten worden gerapporteerd, dat
vervolgens moet besluiten al dan niet een sanctie op te leggen. De in artikel
8.27 van de Wet milieubeheer aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer gegeven bevoegdheid om, indien dat in het algemeen
belang geboden is, aan het bevoegd gezag een bindende aanwijzing te geven, ziet
slechts op de inhoud van een te verlenen of reeds verleende vergunning en kan
dus een eventueel gemeentelijk handhavingsgebrek niet opheffen. Wel kan het
bevoegd gezag door de minister dringend worden aangespoord om handelend op te
treden. Voorts laat zich denken, gelet ook op hetgeen onder 3.1.3 is overwogen,
dat omwonenden van een inrichting in kennis worden gesteld van risico's die
tijdens het toezicht zijn geconstateerd. De stelling van eisers dat de Staat als
toezichthouder onmiddellijk had moeten ingrijpen, is door de rechtbank dan ook
aldus verstaan, dat de rijkstoezichthouders op grond van de kennis die zij
hadden of hadden moeten hebben van de toestand bij SEF, het bevoegd gezag tot
actie jegens de exploitanten van die inrichting hadden moeten aanzetten en zo
nodig zelf het publiek hadden moeten inlichten.
3.6.3. De Staat betwist dat bij hem wetenschap bestond of had moeten bestaan dat
bij SEF "zwaarder" vuurwerk was opgeslagen dan was toegestaan.
De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen onder 3.5.7 is overwogen omtrent
de aanwezigheid van niet vergund vuurwerk op het SEF-terrein. Ook de
rijkstoezichthouders gingen af op de gevaarklassen die op de etiketten van de
verpakkingen stonden vermeld. Te beantwoorden is dan nog de vraag of zij daarop
ook mochten afgaan. De rechtbank stelt vast dat in de internationale verdragen
ter zake van het transport van gevaarlijke stoffen de taak om toe te zien op een
juiste verpakking en etikettering is neergelegd bij de bevoegde autoriteit in
het land van herkomst. Uitgangspunt voor de autoriteiten in de doorvoerlanden en
het bestemmingsland is dat verpakking en etikettering in orde zijn. De rechtbank
dient dus na te gaan of er tot op het moment van de vuurwerkramp zodanige
aanwijzingen van een niet met dit uitgangspunt overeenstemmende praktijk waren,
dat dit bij het toezicht op het naar SEF getransporteerde vuurwerk niet meer
mocht worden gevolgd.
3.6.4. In dit verband moet om te beginnen worden ingegaan op wat eisers hebben
gesteld over de ramp in Culemborg, waar op 14 februari 1991 een vuurwerkfabriek
is ontploft. Naar aanleiding daarvan is door TNO een onderzoek ingesteld. TNO
heeft geconstateerd dat vuurwerk van de gevaarklasse 1.3 onder omstandigheden
kan reageren als vuurwerk van de gevaarlijker klasse 1.1. De conclusies en
aanbevelingen van het rapport bevatten de volgende passage: "Het zonder
meer omzetten van de transportclassificatie in een classificatie voor andere
doeleinden moet ten sterkste worden afgeraden, zeker wanneer het vuurwerk niet
meer in de verpakking wordt opgeslagen en er modificaties aan het vuurwerk
hebben plaatsgevonden."12
Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat op grond van deze bevindingen niet
de conclusie getrokken kan worden dat de rijkstoezichthouders hadden moeten
weten dat de etiketten op de verpakkingen van het vuurwerk bij een voor opslag
bestemde inrichting als SEF niet correspondeerden met de inhoud. Aangezien SEF
geen vuurwerkfabriek was, kan in het midden blijven of de voor het transport
ontwikkelde indeling in gevaarklassen bruikbaar is voor de controle op de
fabricage van vuurwerk.
Eisers hebben voorts bij repliek (productie 48) een lijst overgelegd van
vuurwerkongevallen met doden en gewonden in andere landen in de periode van 1905
tot en met 2001. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, kunnen aan deze
lijst echter geen conclusies worden verbonden over wetenschap van de Staat
inzake het hier aan de orde zijnde classificatieprobleem. Hetzelfde geldt voor
de bij akte bij pleidooi overgelegde tijdschriftartikelen, waarop eisers ten
pleidooie verder in het geheel niet zijn ingegaan.
3.6.5. Dat in ieder geval bij het bureau Adviseur Milieuvergunningen en de
Rijksverkeersinspectie wetenschap bestond van het feit dat de vlag de lading
niet altijd dekte, is door eisers mede onderbouwd aan de hand van verklaringen
die de gewezen defensiemedewerker H.B. Bouma en rijksverkeersinspecteur L.W.
Creemers naderhand tegenover de regionale politie hebben afgelegd. Uit de
verklaring van Bouma blijkt dat hij in 1995/1996 in verband met illegale handel
in vuurwerk met het openbaar ministerie heeft gesproken over verkeerde
classificatie. De verklaring van Creemers betreft een verslag van een
vuurwerkevenement op 18 oktober 1999 waarin hij meldt dat Smallenbroek te
Enschede (mogelijk is bedoeld: SEF) vermoedelijk verkeerd geclassificeerd
vuurwerk uit China had geïmporteerd en geleverd aan het bedrijf Haarman. Deze
incidenten zijn echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te
concluderen dat de rijkstoezichthouders hadden moeten weten dat de etikettering
bij SEF in het algemeen niet deugde.
3.6.6. De rechtbank komt op grond van hetgeen in rechtsoverwegingen 3.6.4 en
3.6.5 is overwogen tot de slotsom dat de rijkstoezichthouders met de kennis
waarover zij indertijd beschikten, mochten afgaan op de gevaarklassen als
vermeld op de etiketten van het bij SEF opgeslagen vuurwerk. Derhalve is de
Staat jegens eisers niet aansprakelijk op grond van een specifiek gebrek aan
toezicht op de naleving van de milieuwetgeving.
3.7. Conclusie
Al het voorgaande mondt uit in de conclusie dat de vorderingen moeten worden
afgewezen.
Eisers zullen als in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de
proceskosten, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen. Ten
aanzien van de gemeente zal deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden
verklaard, nu zij daarom heeft verzocht. Voor de door haar gevraagde hoofdelijke
veroordeling bestaat echter geen grond.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst de vorderingen af;
- veroordeelt eisers gezamenlijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan
de zijde van ieder der gedaagden begroot op € 181,51 aan griffierecht en €
2.340,- aan salaris van de procureur;
- verklaart deze veroordeling ten aanzien van de gemeente uitvoerbaar bij
voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs R.A.C. van Rossum (38),
P.A. Koppen (31) en A.V. van
den Berg (22) en uitgesproken
ter openbare terechtzitting van 24 december 2003 in tegenwoordigheid van de
griffier.
1 Deze letters staan voor: "Special Effects".
2 Deze classificatie is gebaseerd op de "Recommendations on the Transport
of Dangerous Goods, Model Regulations" van de Verenigde Naties.
3 Zie in dit verband de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens van 18 juni 2002 in de zaak Öneryildiz/Turkije, in de Franse versie
gepubliceerd in 'European Human Rights Cases' 2002/64.
4 Eindrapport deel I § 6.8
5 Onderzoekrapport A blz. 266-267
6 zie de artikelen 100, eerste lid, aanhef en onder b, en 113, eerste lid,
aanhef en onder b, van de Woningwet en voor de periode tot 1 oktober 1992 de
vrijwel identieke artikelen 85, eerste lid, aanhef en onder b, en 100, aanhef en
onder b, van de Woningwet 1962
7 voluit: de Hoofdinspecteur en de regionale inspecteurs van de Volksgezondheid,
belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu, en de onder hun bevelen
werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder
administratieve werkzaamheden uitoefenen
8 te weten: het hoofd van het bureau Adviseur Milieuvergunningen van de directie
Materieel Koninklijke Landmacht, alsmede de onder zijn bevelen werkzame
ambtenaren met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve
werkzaamheden uitoefenen
9 namelijk: de ambtenaren van de Rijksverkeersinspectie die bij het Besluit
buitengewoon opsporingsambtenaar RVI 1995 zijn aangewezen als buitengewoon
opsporingsambtenaar
10 zie het Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren milieuwetgeving, dat
met ingang van 1 januari 2002 is vervangen door het Besluit aanwijzing
toezichtambtenaren VROM-regelgeving
11 zie de artikelen 3 en 12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit
aanwijzing toezichthoudende ambtenaren milieuwetgeving en artikel 5, derde lid,
van het Besluit aanwijzing toezichtambtenaren VROM-regelgeving
12 Verslag van het Prins Maurits Laboratorium TNO betreffende de explosie van de
vuurwerkfabriek 'MS Vuurwerk' te Culemborg op donderdag 14 februari 1991, april
1991, blz. 19
Per email ontvangen?
Streep onder Fireworks-zaken?
ENSCHEDE - De strafzaken tegen de directeuren Rudi Bakker en Willie Pater van het ontplofte Enschedese vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks, zijn defintief ten einde. Het duo, dat door het Gerechtshof was veroordeeld tot een jaar cel, stapte na een vruchteloze cassatie bij de Hoge Raad naar het Europese Hof. Dat heeft nu geoordeeld dat hun zaak niet-ontvankelijk is. Dat maakte een lid van dat hof in Straatsburg vrijdag bekend.
Vuurwerk is weer in het land
Nog ruim een maand voordat in drie dagen tijd de overheid de penningen opstrijkt van een product waarvan zij niet kon veronderstellen dat het zo zou reageren. (uitspraak in de zaak Grolsch) In de haven van Rotterdam en Amsterdam staan de containers weer opgestapeld, bij de handelaren vullen zich de opslagplaatsen, maar inmiddels zijn er onlangs op kosten van dezelfde Overheid testen gehouden in Canada en Polen, de toeschouwers allen onder de indruk, onmiddellijk zijn op voorhand, officieel rapport komt pas februari 2006 uit, alle plannen hoe op te treden, bij een incident, aangepast. Het vuurwerk was van samenstelling niet anders als van voor 2000, de regels wel, wie betaalt, bepaald en de leugen regeert, zelfs handelen tegen Internationale wet- en regelgeving in was toegestaan, immers daar was al in beschreven hoe het zou kunnen reageren. Is een Overheid die nu wel weet hoe vuurwerk, bij onjuiste behandeling, kan reageren nog geloofwaardig terwijl zij thans niet voorkomt dat een product wat in de duur van haar bestaan de grootste milieubelasting oplevert naast het gevaar voor ongevallen met letsel of erger de dood, nog verkocht mag worden. De opbrengsten wegen kennelijk zwaarder, wellicht omdat de schulden van eigen falen op die 13e nog niet helemaal vereffend zijn. De veroordeling is niets meer als een maskering van een Overheid die niet kan toegeven aan aansprakelijkheid, je zult maar slachtoffer zijn.
Staat niet aansprakelijk voor vuurwerkramp
’s-Gravenhage, 9 november 2005 – De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op 9 november 2005 voor de tweede maal uitgesproken dat de Staat niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de vuurwerkramp te Enschede, waar op 13 mei 2000 de vuurwerkopslagplaats S.E. Fireworks is ontploft. De eerste zaak was aangespannen door drie slachtoffers tegen de Staat en de gemeente Enschede. Thans betreft het een vordering van de verzekeraars van onder meer de ter plaatse gevestigde Grolsche Bierbrouwerij Nederland B.V. De betrokken verzekeringsmaatschappijen hebben aan de Grolschbedrijven ruim 60 miljoen euro uitgekeerd. Zij verlangen dat deze schade door de Staat aan hen wordt vergoed. Na de ramp is de regelgeving met betrekking tot vuurwerk aangescherpt. Als wordt aangenomen dat de ramp zou zijn voorkomen als het huidige Vuurwerkbesluit al op 13 mei 2000 van kracht zou zijn geweest, dan volgt daaruit echter nog niet dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Om aansprakelijkheid van de Staat te kunnen vaststellen, moet niet zozeer naar de gevolgen, maar vooral naar de oorzaken van de ontploffingen op 13 mei 2000 worden gekeken, met als uitgangspunt de wetenschap die de Staat tot op het moment van de ramp bezat. De rechtbank concludeert dat aansprakelijkheid van de Staat niet kan worden gebaseerd op gebreken in de toenmalige wet- en regelgeving.
De rechtbank is voorts uitvoerig ingegaan op de vraag of de betrokken rijksinspecties voor de ramp aansprakelijk kunnen worden gehouden wegens falend toezicht op de naleving van de milieuwetgeving. De rechtbank neemt aan dat zich op het opslagterrein veel vuurwerk van een zwaardere gevaarklasse heeft bevonden dan was toegestaan. Deze zwaardere gevaarklasse was echter niet af te lezen aan de etiketten die in de exporterende landen (vooral China) waren aangebracht. De rechtbank heeft onderzocht of de rijksinspecties reden hadden om die etiketten te wantrouwen. Daarbij is onder meer aandacht besteed aan de ontploffing die in 1991 heeft plaatsgevonden in een vuurwerkbedrijf in Culemborg. Ook komen de verklaringen aan bod die rijksinspecteurs na de ramp hebben afgelegd. Een en ander is volgens de rechtbank echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Staat ondanks de etikettering had moeten weten dat op het terrein van S.E. Fireworks massa-explosief vuurwerk opgeslagen lag.
Bovenstaand van de Rechtbank Den Haag. Alleen voor de eigenaren is het anders ! Meten met verschillende maten is tekenend voor dit Rechtspraak in dit corrupte land. Ook deze rechtbank wordt nog op haar wenken bediend. ! De rechtbank neemt aan dat zich op het opslagterrein veel vuurwerk van een zwaardere gevaarklasse heeft bevonden dan was toegestaan. Deze zwaardere gevaarklasse was echter niet af te lezen aan de etiketten die in de exporterende landen (vooral China) waren aangebracht. De rechtbank neemt aan! Dus gespeculeer en aanname zonder dat men ook maar iets inhoudelijks weet van de wet en regelgeving zowel Nationaal als Internationaal ten aanzien van Vuurwerk en ADR ! Schandalig optreden , ook van de rechtbank. ! Gebaseerd op aanname`s daar was ook TNO en NFI goed in. ! De Rechtspraak is ziek ernstig ziek in dit land. ! En die zieken beïnvloeden ook nog eens de rechtspraak in het Buitenland. ! Schaam je als je Nederland bent en dit toestaat. !
Ik ben het volledig met TVW eens, ridicuul om maar aan te nemen dat te veel en te zwaar vuurwerk aanwezig was, en direct de oorzaak is. Te dol voor woorden. Er daar dus op te (ver)oordelen! Gevaarlijk!!! Maar er is iets (nog) gevaarlijker, stel dát, stel dát er nog nieuwe inzichten komen die het "te veel en te zwaar" ondermijnen, wát dan? Dan komt er nog meer vuurwerk, van een geheel ander soort.
|
||||||||||
|
||||||||||
|
|
||||||||||
|
||||||||||
| RECHTBANK ALMELO Sector bestuursrecht Registratienummer: 05 / 440 WOB N1 A uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 10 januari 2007 in het geschil tussen: [Eiser 1] en [Eiser 2], beiden wonende te [plaats], eisers, gemachtigde: mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort, en de Minister van Justitie, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder d.d. 4 maart 2005. 2. De feiten en het verloop van de procedure Eisers hebben zich op 6 juli 2004 tot de Hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket gewend met het verzoek om toezending van het volledige onderzoeksrapport van de Rijksrecherche met de resultaten van het feitenonderzoek naar, kort gezegd, het functioneren van het zogenaamde Tolteam in het (strafrechtelijk) onderzoek naar de vuurwerkramp die op 13 mei 2000 te Enschede heeft plaatsgevonden (hierna aan te duiden als: rijksrechercherapport). Hierbij hebben eisers een beroep gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Bij besluit van 28 juli 2004 heeft de (plaatsvervangend) Hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket het verzoek om openbaarmaking van het rijksrechercherapport afgewezen omdat de uitzonderingsgronden genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob zich tegen openbaarmaking van het rijksrechercherapport verzetten. Tegen dit besluit is op 7 september 2004 namens eisers bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij schrijven van 15 oktober 2004. Eisers zijn op 4 november 2004 omtrent hun bezwaar gehoord. Bij het bestreden besluit van 4 maart 2005, namens verweerder genomen door het College van procureurs-generaal, is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Blijkens het beroepschrift van 15 april 2005 kunnen eisers zich niet met dit besluit verenigen. Verweerder heeft op 18 mei 2005 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bij beslissing ex artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 juni 2005 bepaald dat kennisneming van het gedingstuk gemerkt A (rood) en dat op het voorblad is aangeduid met “Rijksrecherche” en “Rapportage feitenonderzoek” niet wordt toegestaan. Aangezien eisers niet de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming hebben verleend om mede op de grondslag van dat gedingstuk uitspraak te doen, heeft de rechtbank het betreffende gedingstuk op 27 juli 2005 aan verweerder geretourneerd. Bij schrijven van 14 december 2005 heeft verweerder desgevraagd nog een aantal aanvullende stukken overgelegd. De gemachtigde van eisers heeft bij brief van 29 maart 2006 aanvullende stukken in het geding gebracht. Het beroep van eisers was geagendeerd voor de openbare zitting van de rechtbank van 13 april 2006. Deze behandeling is uitgesteld omdat eisers kort voor de zitting alsnog de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming hadden verleend om mede uitspraak te doen op basis van het gedingstuk ten aanzien waarvan de rechtbank beperkte kennisneming als bedoeld in het tweede lid van dat artikel gerechtvaardigd had bevonden, in verband waarmee het betreffende stuk wederom bij verweerder moest worden opgevraagd. Bij schrijven van 12 april 2006 heeft verweerder dat stuk opnieuw toegezonden. De rechtbank heeft verweerder bij schrijven van 12 mei 2006 vragen gesteld over onder meer de bevoegdheid van het College van procureurs-generaal om namens verweerder te beslissen op het bezwaar van eisers. Bij schrijven van 12 juni 2006 heeft verweerder hierop gereageerd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eisers bij schrijven van 4 september 2006 gevraagd om, voor het geval hij voornemens zou zijn om voor een nieuwe zitting dezelfde getuigen op te roepen als die hij voor de in maart 2006 geagendeerde zitting had opgeroepen, mede te delen waarover deze getuigen kunnen verklaren in het licht van de gronden waarop het Wob-verzoek van eisers is afgewezen en hetgeen daarover in beroep is aangevoerd. Bij schrijven van 27 september 2006 heeft eisers gemachtigde hierop gereageerd. Bij schrijven van 27 oktober 2006 heeft eisers gemachtigde aangekondigd dat voor de zitting waarop het beroep van eisers zal worden behandeld als getuigen worden opgeroepen [getuige 1], hoofd Bureau Interne Zaken van de politie Gelderland Midden, [getuige 2], projectleider Bureau Interne Zaken van dat politiekorps. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 29 november 2006, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. J. Peters, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. van Geloven, werkzaam bij verweerders ministerie. Tevens is verschenen de door eisers gemachtigde opgeroepen getuige [getuige 2]. Ter zitting is eisers gemachtigde in de gelegenheid gesteld om deze getuige te horen over de door verweerder gehanteerde gronden waarop verweerder heeft geweigerd het rijksrechercherapport openbaar te maken. 3. Overwegingen Formeel Zoals al in rubriek 2 van deze uitspraak is overwogen, heeft het College van procureurs-generaal namens verweerder beslist op het bezwaar van eisers tegen het besluit van de Hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket van 28 juli 2004, waarbij het verzoek van eisers om openbaarmaking van het rijksrechercherapport is afgewezen. Desgevraagd heeft verweerder bij zijn - eveneens in deze rubriek vermelde - brief van 12 juni 2006 te kennen gegeven dat hij beoogd heeft aan het College van procureurs-generaal mandaat te verlenen ten behoeve van de afdoening van Wob-verzoeken als dat van eisers, daaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, doch dat dit niet in een mandaatregeling is neergelegd. Nu het beoogde mandaat een algemeen mandaat betreft, had dit, gelet op het bepaalde in artikel 10:5, tweede lid, van de Awb, schriftelijk moeten zijn verleend. Vast staat dat dit niet is gebeurd, zoals verweerder in voornoemde brief ook heeft erkend, zodat aan het bestreden besluit van 4 maart 2005 een bevoegdheidsgebrek kleeft en dit besluit om die reden zal moeten worden vernietigd. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Vooropgesteld wordt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) reeds meermalen heeft overwogen, dat een bekrachtiging achteraf een bevoegdheidsgebrek als het onderhavige niet ongedaan maakt. Dit neemt echter niet weg dat op grond van de brief van verweerder aan de rechtbank van 12 juni 2006, waarin verweerder te kennen heeft gegeven dat hij het in mandaat door het College van procureurs-generaal genomen besluit op bezwaar van 4 maart 2005 kan onderschrijven en dezelfde beslissing zou hebben genomen, als vaststaand kan worden aangenomen dat verweerder het bestreden besluit voor zijn rekening neemt en inhoudelijk geen ander besluit zal nemen dan het wegens het bevoegdheidsgebrek te vernietigen besluit van 4 maart 2005. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat partijen, gelet op hetgeen zij over en weer hebben verklaard, niet een formele bevoegdheidsvernietiging, doch een inhoudelijke beoordeling van het geschil wenselijk achten. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 4 maart 2005 in stand te laten, uiteraard indien en voor zover dit besluit inhoudelijk de rechterlijke toets kan doorstaan. Inhoudelijk In geschil is de vraag of het besluit van 4 maart 2005 in rechte in stand kan blijven. Wettelijk kader Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Het tweede lid, voor zover van belang, bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien. In het eerste lid van artikel 10 van de Grondwet is bepaald dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Het tweede en derde lid van dit artikel bepaalt dat de wet regels stelt ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens, respectievelijk inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens. Artikel 2 van de Wob bepaalt dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie verstrekt overeenkomstig deze wet en daarbij uitgaat van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een overheidsorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van een overheidsorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Artikel 3, vijfde lid, van de Wob bepaalt dat een verzoek wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van: c) de opsporing en vervolging van strafbare feiten, e) de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en g) het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Standpunten van partijen Bij het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen. - Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob: Er kan niet worden uitgesloten dat op enig moment nog (strafrechtelijk) onderzoek zal plaatsvinden naar de vuurwerkramp, aangezien tot de verjaring van het strafbare feit dergelijk onderzoek nog steeds mogelijk is. Aangenomen kan worden dat de inhoud van het rijksrechercherapport van belang kan zijn in een eventueel te (her)openen strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp. Geoordeeld wordt dan ook dat van de situatie dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten zou kunnen worden gefrustreerd - zoals in de memorie van toelichting is opgenomen - nog immer sprake is. Het eventueel te heropenen onderzoek zou kunnen worden gefrustreerd door de openbaarmaking van het rijksrechercherapport. - Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob: In het onderhavige geval is niet alleen sprake van rechercheurs en politiefunctionarissen van wie verklaringen in het proces-verbaal van de Rijksrecherche zijn opgenomen, maar ook van medewerkers van andere betrokken instanties, zoals het Openbaar Ministerie en van personen die geen ambtenaar zijn. Gelet op artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM geldt dat het verstrekken van informatie over een individu in de regel als een inbreuk op diens persoonlijke levenssfeer dient te worden aangemerkt. Gelet op de aard van de gevraagde informatie - het betreft een onderzoek naar mogelijk ernstige feiten - dient het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van hen die als getuigen c.q. betrokkenen hebben meegewerkt aan het rijksrechercheonderzoek, zwaarder te wegen dan het openbaarheidsbelang. Verstrekking van een geanonimiseerde versie van het gevraagde document kan niet aan de orde zijn, omdat eisers zeer wel op de hoogte zijn van de identiteit van degenen die (als getuigen) aan het rijksrechercheonderzoek hebben meegewerkt en deze identiteit al zouden kunnen achterhalen door het kennis nemen van de verklaringen die zij hebben afgelegd. - Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob: Het slagen van onderzoeken als het onderhavige is vaak afhankelijk van de vrijwillige medewerking daaraan door personen die bereid zijn de onderzoekers van informatie te voorzien. Het is van belang dat een ieder deze medewerking kan verlenen, zonder dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verklaringen, anders dan voorzien in het wetboek van strafvordering, in de openbaarheid worden gebracht. Zou dat anders zijn dan moet worden gevreesd dat in de toekomst in onderzoeken als het onderhavige betrokkenen in afnemende mate bereid zullen zijn hun medewerking te verlenen. Derhalve is sprake van onevenredige benadeling van de overheid, indien verklaringen van de betrokkenen openbaar zouden worden gemaakt. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van openbaarheid. In beroep hebben eisers, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. Het in artikel 10, tweede lid, onder c, van de Wob genoemde belang van opsporing en vervolging verzet zich niet tegen openbaarmaking van het rijksrechercherapport. De relatieve uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob reikt niet zover dat ook informatie inzake het beroepsmatig functioneren van personen uit de openbaarheid zou kunnen worden gehouden. In dit verband wordt erop gewezen dat het rijksrechercheonderzoek uitsluitend betrekking heeft op gedragingen van de betrokken rechercheurs en politiefunctionarissen die rechtstreeks in verband staan met hun beroepsmatige activiteiten. Bovendien kan het rijksrechercherapport geanonimiseerd worden verstrekt, waardoor herkenning onmogelijk zal zijn. Onder deze omstandigheden dient het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer sterk te worden gerelativeerd ten opzichte van het met de openbaarheid te dienen belang. Van onevenredige benadeling van betrokkenen van wie het beroepsmatig functioneren aan de orde is, is geen sprake. De mogelijke benadeling van personen en rechtspersonen die vrijwillig informatie hebben verstrekt en van wie door verstrekking van het rijksrechercherapport informatie naar buiten komt, is niet onevenredig te noemen ten opzichte van het met openbaarmaking van dit rapport te dienen (openbaar) belang. Daarnaast kan het Landelijk Parket door openbaarmaking van bedoeld rapport tevens in staat worden geacht aan te tonen dat het zelf adequaat en zorgvuldig heeft gewerkt. In dit specifieke geval is het belang van eisers gediend met de openbaarmaking van het rijksrechercherapport. Overwegingen van de rechtbank Ter beoordeling staat de vraag of verweerder openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) achterwege heeft kunnen laten op de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob neergelegde (uitzonderings)gronden. Voorts staat ter beoordeling de vraag of terecht is geoordeeld dat anonimisering en/of opschoning van de stukken geen mogelijkheid biedt om (een deel van) het rijksrechercherapport (met bijlagen) openbaar te maken. Zoals de ABRS reeds meermalen heeft overwogen, dient het recht van openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering en komt dat recht aan iedere burger in gelijke mate toe, zodat geen onderscheid kan worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob worden het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie, welk belang de Wob vooronderstelt, en de door de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, van de Wob te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. De belangen die eisers stellen te hebben bij verstrekking van het rijksrechercherapport spelen bij die afweging derhalve geen rol. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS dient de vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet door de rechter integraal te worden getoetst. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag wijkt de rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen. Het rijksrechercherapport (met bijlagen), waarvan eisers de openbaarmaking hebben verzocht, is opgemaakt na een (feiten)onderzoek door de Rijksrecherche dat heeft plaatsgevonden na een onderzoek door Bureau Interne Zaken van het regiopolitiekorps Gelderland Midden, ten einde helderheid te verschaffen of mogelijk sprake is geweest van strafbare feiten en/of plichtsverzuim van medewerkers van de regiopolitie Twente tijdens het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp op 13 mei 2000 te Enschede. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van dit stuk, overweegt de rechtbank het volgende. De opsporing en vervolging van strafbare feiten (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob) Verweerder heeft deze uitzonderingsgrond ingeroepen omdat zijns inziens door openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) een eventueel toekomstig te (her)openen (strafrechtelijk) onderzoek naar de vuurwerkramp te Enschede zou kunnen worden gefrustreerd. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob beoogt deze uitzonderingsgrond te voorkomen dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten zou kunnen worden gefrustreerd door openbaarmaking van gegevens die opsporingsambtenaren of het Openbaar Ministerie inmiddels hebben vergaard. De rechtbank leidt hieruit af dat de onderhavige uitzonderingsgrond in beginsel ook kan worden ingeroepen als het gaat om strafrechtelijke onderzoeken die nog niet in gang zijn gezet, doch naar haar oordeel dient er dan in ieder geval wel een concrete aanwijzing te zijn dat een dergelijk onderzoek zal gaan plaatsvinden. De mogelijkheid stukken openbaar te laten maken zou anders te veel afhankelijk zijn van een onzekere toekomstige gebeurtenis, hetgeen zich moeilijk laat rijmen met het hiervoor tot uitdrukking gebrachte uitgangspunt van de Wob. Vast staat dat er ten tijde van het bestreden besluit - en ook ten tijde van de behandeling van het onderhavige beroep ter zitting - geen concrete aanwijzing was voor, c.q. geen enkel concreet zicht was op een nieuw, of te heropenen strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp te Enschede. Voorts stelt de rechtbank vast dat het rijksrechercherapport (met bijlagen) niet de resultaten van een strafrechtelijk onderzoek bevat, maar de resultaten van een onderzoek naar het functioneren van het zogenoemde Tolteam. Voor zover het rapport al gegevens bevat, in de vorm van bewijsmiddelen, die door dit onderzoeksteam in het kader van het destijds verrichte strafrechtelijk onderzoek zijn vergaard - mobiele telefoon, rode sportbroek -, zijn deze gegevens al openbaar via het arrest van Gerechtshof Arnhem van 12 mei 2003, nummer 21-002277-02 (LJN AF8395), en via de openbaar gemaakte conclusies van het rijksrechercherapport. Voor zover verweerder zich met het inroepen van de hier aan de orde zijnde uitzonderingsgrond op het standpunt stelt dat het rijksrechercherapport (met bijlagen) inzicht geeft in de tijdens het strafrechtelijke onderzoek naar de vuurwerkramp te Enschede gehanteerde opsporingsstrategieën en -methoden, stelt de rechtbank vast dat dit rapport daarin geen inzicht geeft. Hierbij kan niet voorbij worden gezien aan de aard van het onderzoek van de Rijksrecherche, waarvan de resultaten in het rijksrechercherapport zijn neergelegd, te weten: een feitenonderzoek naar het functioneren van het Tolteam. Gelet op het vorenoverwogene kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat het belang van opsporing en vervolging in dit geval niet aan de orde is en dus niet aan openbaarmaking van het rijksrechercherapport in de weg staat. De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob) Verweerder heeft deze uitzonderingsgrond ingeroepen omdat het rijksrechercherapport (met bijlagen) niet alleen verklaringen van rechercheurs en politiefunctionarissen bevat, maar ook verklaringen van medewerkers van andere betrokken instanties, zoals het Openbaar Ministerie, en van personen die geen ambtenaar zijn. In dit verband doet verweerder een beroep op artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Volgens verweerder is openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) in geanonimiseerde vorm niet mogelijk omdat de identiteit van degenen die aan het rijksrechercherapport hebben meegewerkt bekend is bij onder meer eisers en deze identiteit kan worden achterhaald via de in het rapport opgenomen verklaringen. Zoals de ABRS reeds meermalen heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 16 januari 1997, nummer H01.96.0140 (LJN AH6440), dient de Wob te worden aangemerkt als een wet in de zin van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM. Aangezien de Wob ook is aan te merken als een wet in de zin van artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet, dient verweerders weigering het rijksrechercherapport openbaar te maken naar het oordeel van de rechtbank te worden getoetst aan de Wob. In casu dient niet te worden getoetst of de persoonlijke levenssfeer van de in het rijksrechercherapport genoemde personen wordt geschonden door openbaarmaking van dat rapport, maar of het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer hier aan de orde is en zo ja, of verweerder bij afweging van dat belang tegen het openbaarheidsbelang in redelijkheid heeft kunnen weigeren het rijksrechercherapport openbaar te maken. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS kan met betrekking tot ambtenaren, waar het hun beroepshalve functioneren betreft, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet anders wanneer naar verwachting de openbaarmaking van de informatie omtrent het beroepsmatig functioneren van de betrokken ambtenaren een negatieve invloed kan hebben op hun persoonlijk leven, tenzij daardoor sprake zou zijn van een onevenredige benadeling in relatie tot het met de openbaarmaking te dienen belang. Zoals hiervoor al is overwogen, zijn in het rijksrechercherapport (met bijlagen) de resultaten neergelegd van het (feiten)onderzoek van de Rijksrecherche naar het functioneren van het Tolteam. Het gaat in dit rapport dus om het beroepsmatige functioneren van degenen die deel uitmaakten van dit team en die in verband daarmee verklaringen hebben afgelegd ten behoeve van het hiervoor bedoelde onderzoek. Ook voor zover in het rijksrechercherapport sprake is van andere, bij het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp betrokken ambtenaren van wie verklaringen zijn opgenomen, gaat het naar het oordeel van de rechtbank om het beroepsmatig functioneren van ambtenaren. Deze verklaringen hebben zij immers afgelegd uit hoofde van hun functionele betrokkenheid bij bedoeld strafrechtelijk onderzoek. Hetgeen in dit verband door verweerders gemachtigde ter zitting is opgemerkt, komt er op neer dat onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘in functie’ en ‘als persoon’ afgelegde verklaringen, dat de verklaringen die in het rijksrechercherapport zijn opgenomen door de betrokken ambtenaren als persoon zijn afgelegd, waarbij zij hun persoonlijke visie op, kort gezegd, het functioneren van het Tolteam hebben gegeven, en dat om die reden onverkort een beroep kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank heeft echter moeten constateren dat bedoeld onderscheid noch in het bestreden besluit, noch in het verweerschrift is terug te vinden, terwijl ook de wet voor dat onderscheid geen grondslag biedt. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat, voor zover het rijksrechercherapport (met bijlagen) betrekking heeft op (verklaringen van) rechercheurs, politiefunctionarissen en medewerkers van andere (overheids)instanties, dit rapport het beroepsmatig functioneren van ambtenaren betreft, zodat slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Een zodanig beroep wordt naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet gerechtvaardigd door de aard van de gevraagde informatie, waarnaar verweerder in het bestreden besluit verwijst ten betoge dat het belang van degenen die als getuigen hebben meegewerkt aan het onderzoek van de rijksrecherche zwaarder dient te wegen dan het openbaarheidsbelang. Dat de openbaarmaking van het rijksrechercherapport een negatieve invloed zal hebben op het persoonlijk leven van de desbetreffende ambtenaren is daarmee niet aangetoond en ook anderszins heeft verweerder dat niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank verstrekking van een geanonimiseerde versie van het document, waarbij namen worden weggelakt, mogelijk. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de identiteit van de betrokken ambtenaren kan worden achterhaald via de in het rijksrechercherapport (met bijlagen) opgenomen verklaringen die zij hebben afgelegd. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren aan openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) in de weg staat. Anders ligt dit voor zover in het rijksrechercherapport sprake is van (verklaringen van) personen die geen ambtenaren zijn. Ten aanzien van hen kan immers wel ten volle een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder dit ook beoogd te doen, terwijl uit dit besluit ook naar voren komt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat bedoeld belang - voor niet-ambtenaren - zwaarder dient te wegen dan het openbaarheidsbelang. Voor zover het gaat om personen die geen ambtenaar zijn, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer tegen het openbaarheidsbelang in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren de in het rijksrechercherapport opgenomen informatie, die op bedoelde personen betrekking heeft, openbaar te maken. Dit rechtvaardigt evenwel niet een weigering om het gehele rijksrechercherapport (met bijlagen) openbaar te maken, nu het mogelijk is de op deze personen betrekking hebbende passages in dat rapport (en bijlagen) weg te lakken. Het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob) Verweerder heeft deze uitzonderingsgrond ingeroepen omdat zijns inziens de overheid onevenredig wordt benadeeld indien de in het rijksrechercherapport (met bijlagen) opgenomen verklaringen van betrokkenen openbaar zouden worden gemaakt. Verweerder wijst er in dit verband op dat openbaarmaking van die verklaringen het werk van bureaus interne zaken en de Rijksrecherche in de toekomst in hoge mate zal bemoeilijken wegens, kort gezegd, afnemende bereidheid om mee te werken aan onderzoeken als het onderhavige. Het kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat in dit soort gevallen, waarin het gaat om een door de overheid uitgebracht rapport, openbaarmaking kan worden geweigerd met een beroep op onevenredige benadeling van de overheid - waaronder in dit geval kennelijk moet worden verstaan: de Staat der Nederlanden -, bijzondere omstandigheden daargelaten. Zou dat wel zo zijn, dan zou immers openbaarmaking van ieder van overheidswege uitgebracht rapport op die grond kunnen worden geweigerd, wat zich niet verdraagt met het uitgangspunt van de Wob dat openbaarheid regel is. Van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat in het onderhavige geval een beroep kan worden gedaan op onevenredige benadeling van de overheid, is niet gebleken. Als een zodanige omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen de door verweerder gestelde bemoeilijking van het werk van onder meer de Rijksrecherche wegens afnemende bereidheid om mee te werken aan onderzoeken, nog daargelaten dat verweerder niet dan wel onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van de in het rijksrechercherapport (met bijlagen) opgenomen verklaringen de bereidwilligheid om in de toekomst mee te werken aan Rijksrechercheonderzoeken in negatieve zin zal beïnvloeden. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval het in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob omschreven belang aan openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) in de weg staat. Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerders bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om het rijksrechercherapport (met bijlagen) openbaar te maken niet berust op een deugdelijke motivering. Derhalve is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (€ 644,--: indienen beroepschrift: 1 punt, behandeling ter zitting: 1 punt; € 322,-- per punt) en de door hen gemaakte reiskosten (2 x [woonplaats] - Almelo v.v.) Beslist wordt derhalve als volgt: 4. Beslissing De Rechtbank Almelo, Recht doende: - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van eisers beslist, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene; - veroordeelt verweerder in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 653,20, door de Staat der Nederlanden te vergoeden aan eisers; - verstaat dat de Staat der Nederlanden aan eisers het griffierecht ad € 138,-- vergoedt. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag. Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, mr. J.H. Keuzenkamp en mr. W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier. Afschrift verzonden op 10 januari 2007 AW |
| Werkwijze overheid en rechtersleger bij rampen in Nederland! Burgers en bedrijven worden (financieel) kapot gemaakt! | |
| 124 | Stockholmsyndroom en UHP kinderen. Brief ouders aan kinderrechter wij komen NIET naar hoorzitting om proceseconomische redenen! |
| 306 | Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?" |
| 557 | Pikmeerarresten! Rechtersleger zal altijd proberen de overheid te beschermen, onafhankelijke burgers/bedrijven kapot te maken! |
| 306 | Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?" |
| 008 | Informant Hop: "RvdK zat voor, tijdens schorsing en na de hoorzitting bij de kinderrechter AAN DEZELFDE TAFEL!" |
| 710 | Rb Zutphen tegen Hop: "Wraking Hop 3 rechters die zelf een zaak behandelen waarin zij zelf belanghebbende waren ONGEGROND!" |
| 288 | Informant Professor Daud: "De regentenstand speelt elkaar baantjes toe, parlement oefent nauwelijks controle uit" |
| 267 | Informant CDA Minister Donner: "Iedere kritiek afzonderlijk is NIET gevaarlijk"! |
| 282 | Informant Henk Westbroek: "Een kleine druppel voel je niet" |
| 020 | Informant Diekmans/Oltmans: Macht is recht! Wie meer macht heeft, heeft meer rechten, eigent zich ongestraft meer rechten toe |
| 002 | Awb procedures: Familie Logtenberg tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland |
| 003 | Awb procedures: Familie Nienhuis/Leenders tegen Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland/Stichting Lindenhout |
| 004 | Awb procedures: Familie Struyk tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland |
| 005 | K.H. de Werd: "Hoe een onafhankelijk ondernemer door vakbonden, OM en rechtersleger kapot wordt gemaakt |
| 421 | Novacap tulpenfraude Novacap Floralis Termijnfonds 2004 cv, Novacap Termijnfonds Beheer B.V., Novacap Agricola B.V. |
| 572 | Ad Bos verklapte in 2001 het geheim van de bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland |
| 334 | Misbruik bevoegdheden! Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet |
| 285 | Misbruik bevoegdheden! Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw? |
| 104 | Overheid! Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur |
| 278 | Openbaar Ministerie! De IRT-affaire leert dat "klokkenluiders" bij het Openbaar Ministerie hun baan zullen kwijtraken |
| 015 | Bijlmerramp! De laatste gesprekken cockpit/verkeerstoren. |
| 351 | Bijlmerramp! CDA-rechter Rein-Jan Hoekstra die Bijlmerramp onderzoekt kan vrachtbrieven en mannen in witte pakken niet vinden |
| 099 | Schipholbrand, welke CDA-er was hier weer verantwoordelijk en hoe komen hij/zijn familie eigenlijk aan al hun baantjes? |
| 309 | Vuurwerkramp Enschede rechercheurs voeren jarenlang Wob-procedures tegen Staat om Rijksrechercherapport |
| 417 | Brand Volendam! Gemeente vrijuit na falende controle! Welke bijbaantjes had de burgemeester tijdens de Brand Volendam? |
| 573 | Catshuisbrand. Ing. P.B. (Peter) Reijman: "Landsadvocaat wilde concept rapport niet tot definitieve versie verheven" |
| 283 | Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam waarschuwing voor andere werknemers die tegen werkgever/gemeente procederen |
| 178 | Moord op Pim Fortuyn! Onderzoek dierenactivisten stopgezet! CDA-rechter die moord op Fortuyn onderzoekt kan weer niets vinden! |
| 047 | Tegen Ad van Rooij werd vertrouwensarts ingezet! Strijd tegen impregneren van hout met gif en gevolgen voor mens en milieu |
| 300 | Tegen Hop werd rechtersleger en een advocaat met baantjes bij kerk en school ingezet in strijd om contactjournaal gezinsvoogd |
| 680 | "Jeugdzorg" verzoekt Parlement/Minister net ingevoerde KLANTEN klachtwetgeving aan te passen in strijd tegen lastige Hop |
| 346 | CDA duldt geen kritiek in eigen blad, wil hoofdredacteur Christen Democratische Verkenningen de laan uitsturen |
| 200 | Het Seveso arrest, overheid moet aan burgers een schadevergoeding betaling indien burgers verkeerde informatie krijgen |
| 408 | Wet collectieve afhandeling massaschade! Identieke of verwante processen bij één gerecht of één rechterscombinatie bundelen |
| STEMWIJZER! Stem NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks bij verkiezingen gemeenteraad en landelijke verkiezingen 2010! | |