CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Geheime brief vuurwerkramp kraakt bewijs, Mogelijk geknoei Tolteam,
De Telegraaf, door Jan Colijn, vrijdag 9 mei 2008.
ENSCHEDE, Terwijl aanstaande dinsdag in Enschede voor de achtste keer de vuurwerkramp wordt herdacht, zijn er nu geheime documenten opgedoken die grote vraagtekens plaatsen bij het bewijsmateriaal zoals dat destijds is verzameld door het zogenoemde Tolteam van de recherche. Uit een vertrouwelijke brief van het Bureau Interne Zaken blijkt dat er door de rechercheurs mogelijk is geknoeid met de bewijzen – en dan vooral het rode sportbroekje – van de pas in hoger beroep vrijgesproken hoofdverdachte Andrť de Vries. De leidinggevenden van het BIZ trekken in hun brief zelfs ronduit de conclusie dat er sprake lijkt van ’een politieke doofpot’. Het BIZ Gelderland-Midden is destijds door toenmalig burgemeester Mans verzocht te onderzoeken in hoeverre de rechercheurs van het Tolteam strafbare feiten hebben gepleegd in hun ijver de bewijsvoering rond te krijgen tegen De Vries. De nu opgedoken brief, die in het bezit is van deze krant, is geadresseerd aan de Vaste Kamercommissie van Justitie, maar de schrijvers durfden de explosieve inhoud uiteindelijk nooit te versturen. Na het eerste tussenrapport van het BIZ, waarin het stelt dat het mogelijk fout zat bij het Tolteam, sloeg burgemeester Mans destijds alarm bij minister Donner (Justitie). Die greep hoogstpersoonlijk in en liet het onderzoek overnemen door de Rijksrecherche. Vanaf dat moment is het onderzoek naar de handelwijze van het Tolteam grotendeels ’onder de pet’ gebleven. Diverse betrokkenen hebben vergeefs geprobeerd het rapport van de Rijksrecherche boven tafel te krijgen. Ook partijen in de Tweede Kamer eisten opheldering van Donner, maar de bewindsman antwoordde op cruciale vragen haast stelselmatig dat hij in het kader van de privacy van betrokken rechercheurs geen mededelingen kon doen.

Voor de dissidente rechercheurs Paalman en De Roy van Zuijdewijn, die bij de politie op een zijspoor werden gezet vanwege hun kritiek op het Tolteam, komt de nu opgedoken brief als geroepen. Zij voeren al jarenlang zogenoemde Wob-procedures tegen de staat om het Rijksrechercherapport in te mogen zien. Twee maanden geleden verloren ze andermaal een dergelijke procedure, waartegen ze intussen in hoger beroep zijn gegaan. Wij roepen al jaren dat er door het Tolteam is geknoeid met de bewijsvoering tegen Andrť de Vries. Maar wanneer nota bene de leidinggevenden van het BIZ, dat dus onderzoek deed naar het Tolteam, zoiets zeggen, krijgt dat uiteraard een heel andere lading”, reageert vroeger Tolteam-rechercheur Jan Paalman. De twee gewezen rechercheurs vestigen nu hun hoop op de politiek. „De beste optie zou zijn dat er een parlementaire enquÍte komt, waarbij iedereen onder ede verplicht wordt tot antwoorden in plaats van dat mensen zich stelselmatig kunnen verschuilen achter het privacybelang.”

Daders Rudi Bakker, directeur van de destijds ontplofte vuurwerkhandel SE Fireworks, zegt geschrokken te zijn van de nieuwe informatie: „Door deze brief ben ik er nůg meer van overtuigd dat er met bewijsmateriaal is gesjoemeld. Deze brief stelt de integriteit van heel wat personen en instanties ter discussie. Door hun toedoen konden de werkelijke daders de dans ontspringen. Ik kan intussen alleen maar hopen dat de werkelijke toedracht rond de vuurwerkramp ooit wordt opgehelderd. Bakker diende onlangs een zogeheten herzieningsverzoek in tot heropening van het onderzoek.

 

 

 

 

 

 

 

309 Geen schijn van partijdigheid indien rechters die hebben gewerkt bij VROM vervolgens de zaken van slachtoffers van de vuurwerkramp gaan behandelen

Twee van de drie rechters die woensdag oordeelden dat de overheid niet aansprakelijk is voor de vuurwerkramp in Enschede, werkten jarenlang bij VROM De twee rechters vervulden beleidsfuncties bij VROM toen in 1991 de vuurwerkfabriek in Culemborg ontplofte. Twee van hen vervulden functies op afdelingen die de minister adviseren in beleidsvraagstukken. Rechter Drs. P.A. Koppen (31) was tot de zomer van 1994 plaatsvervangend hoofd afdeling juridische beleidszaken van Vrom. Zijn collega A.V. van den Berg (22) was tot het najaar van 1994 plaatsvervangend directeur internationale milieuzaken bij het ministerie.

Persrechter R. Elkerbout (25) zegt dat de vraag of deze rechters op grond van hun arbeidsverleden de rechtszaak wel konden doen, geen rol heeft gespeeld.

 

LJN-nummer: AO0997  Zaaknr: 01-2529
Bron: Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 24-12-2003
Datum publicatie: 24-12-2003
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: eerste aanleg - meervoudig



RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
sector civiel recht - meervoudige kamer

Vonnis in de zaak met rolnummer 01-2529 van:

1. [eiser sub 1],
2. [eiser sub 2 ],
3. [eiseres sub 3],
allen wonende te Enschede,
eisers,
procureur: mr. E. Grabandt,

tegen

1. de Staat der Nederlanden,
zetelende te 's-Gravenhage,
gedaagde,
procureur: mr. J.W.H. van Wijk,
2. de gemeente Enschede,
zetelende te Enschede,
gedaagde,
procureur: mr. W. Taekema.

Gedaagden worden hierna ook aangeduid als 'de Staat' en 'de gemeente'.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- de aan de gemeente uitgebrachte dagvaarding van 20 juli 2001;
- de aan de Staat uitgebrachte dagvaarding van 24 juli 2001;
- de conclusie van eis, met producties, waaronder de processen-verbaal van het op 20 november, 4 december, 5 december, 6 december en 13 december 2000 en op 26 maart, 29 maart, 19 april en 8 mei 2001 op verzoek van (thans) eisers gehouden voorlopig getuigenverhoor;
- de conclusie van antwoord van de Staat, met producties;
- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties;
- de conclusie van repliek, met producties;
- de conclusie van dupliek van de Staat, met producties;
- de conclusie van dupliek van de gemeente, met producties;
- de akte bij pleidooi van eisers, met producties;
- de akte houdende overlegging producties van de Staat, met producties;
- de akte van depot van een ter pleitzitting op 6 oktober 2003 door eisers overgelegde videofilm;
- de ter pleitzitting overgelegde pleitnotities van mr. J.M. Beer, advocaat te Amsterdam, de pleitnota en aanvullende pleitnota van mr. Van Wijk voornoemd en de pleitnota van mr. B.J.Th. Bouma, advocaat te Enschede.
Ten pleidooie heeft de rechtbank kennisgenomen van voormelde videofilm. Namens eisers is het woord gevoerd door mr. Beer voornoemd en door mr. M.J. de Witte, advocaat te Amersfoort. Namens de Staat zijn opgetreden mr. Van Wijk voornoemd en mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, advocaat te 's-Gravenhage. Voor de gemeente voerde mr. Bouma voornoemd het woord.


RECHTSOVERWEGINGEN

1. Feiten

1.1. De ramp

1.1.1. In de middag van zaterdag 13 mei 2000 heeft zich te Enschede een ramp voltrokken. Op het terrein van het aan de [adres] gevestigde vuurwerkopslagbedrijf van de vennootschap onder firma S.E.1 Fireworks (het bedrijf wordt hierna aangeduid als: SEF) is brand uitgebroken, is vuurwerk tot ontbranding gekomen en heeft zich een reeks in kracht toenemende ontploffingen voorgedaan. De explosies hebben SEF verwoest en in de omgeving van het bedrijf grote schade veroorzaakt. Ruim de helft van de totale oppervlakte van de buurt Roombeek is verwoest. Als direct gevolg van de ramp zijn 22 mensen overleden en raakten ongeveer 950 mensen gewond. Ruim 200 woningen werden verwoest en nog eens bijna 300 woningen raakten zodanig zwaar beschadigd dat deze nadien door de gemeente onbewoonbaar werden verklaard.

1.1.2. Eisers woonden tijdens de ramp in de directe omgeving van SEF. Eiser [eiser sub 1] woonde met zijn zoon aan de [adres], op minder dan 100 meter afstand van het bedrijf. Eiser [eiser sub 2] woonde met zijn gezin in de [adres], in de onmiddellijke nabijheid van de [adres]. Eiseres [eiseres sub 3] woonde indertijd op het adres [adres], precies tegenover de ingang van SEF. Eisers hebben allen ten gevolge van de ramp schade geleden, waarvoor zij van overheidswege tegemoetkomingen hebben ontvangen.

1.2. Bestuurlijk onderzoek

1.2.1. Direct na de ramp hebben acht rijksinspecties onderzoek verricht naar verschillende aspecten van de ramp. Dit zijn:
- de Inspectie MilieuhygiŽne;
- de Inspectie Ruimtelijke Ordening;
- de Inspectie Volkshuisvesting;
- de Arbeidsinspectie;
- de Rijksverkeersinspectie;
- de Inspectie voor de Politie;
- de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding;
- de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
De inspecties hebben gezamenlijk een feitenreconstructie opgesteld, die op 6 november 2000 openbaar is gemaakt.

1.2.2. Op 26 mei 2000 hebben het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college van B&W), het college van gedeputeerde staten van Overijssel en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overleg met de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Verkeer en Waterstaat, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Defensie en van Justitie een onafhankelijke Commissie onderzoek vuurwerkramp ingesteld, die met de naam van haar voorzitter bekend staat en ook hier zal worden aangeduid als de commissie-Oosting (1). Deze kreeg allereerst tot taak de oorzaak, de toedracht en de bestrijding van de vuurwerkontploffing en de directe gevolgen die deze ramp heeft gehad te onderzoeken, alsmede de organisatie en eerste uitvoering van de zorg voor de door de ramp getroffenen. Bij het onderzoek dienden in ieder geval de volgende aspecten te worden betrokken: (a) de milieuveiligheid, de veiligheid voor de omgeving en de ruimtelijke ordening, (b) de volksgezondheid, waaronder de nazorg en (c) de openbare veiligheid en de rampenbestrijding. Het onderzoek diende zich ook uit te strekken tot de geldende regelgeving en de toepassing daarvan. De commissie diende de gebeurtenissen voor, tijdens en na de ramp in onderlinge samenhang te onderzoeken en daarbij tevens het optreden van de betrokken overheden te betrekken.

1.2.3. De commissie-Oosting heeft op 28 februari 2001 haar eindrapport en drie onderzoekrapporten uitgebracht. Zij heeft zich daarin uitdrukkelijk onthouden van het formuleren van conclusies op het punt van schuld en aansprakelijkheid van betrokkenen, in verband met mogelijke civielrechtelijke of strafrechtelijke verwijtbaarheid jegens hen, of van hun politiek-bestuurlijke verantwoordelijkheid.

1.2.4. Het kabinet heeft op 23 maart 2001 zijn standpunt over de conclusies en aanbevelingen van de commissie-Oosting aan de Tweede Kamer aangeboden.

1.3. Strafrechtelijk onderzoek

1.3.1. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft in opdracht van het openbaar ministerie met inschakeling van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek TNO technisch onderzoek verricht naar het verloop en de oorzaak van de ramp. Hun rapport van 1 februari 2001 is als bijlage 4A opgenomen in onderzoekrapport A (SE Fireworks; de overheid; de ramp) van de commissie-Oosting.

1.3.2. De rechtbank te Almelo heeft bij vonnis van 22 augustus 2002 een persoon veroordeeld die ervan werd verdacht de brand bij SEF te hebben gesticht. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 12 mei 2003 deze verdachte vrijgesproken van het hem te last gelegde.

1.3.3. Diverse natuurlijke en rechtspersonen hebben op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering bij het gerechtshof te Arnhem beklag gedaan over het niet strafrechtelijk vervolgen van een of meer van de gedaagden en enkele ambtenaren. Bij beschikking van 23 september 2002 heeft dit hof het beklag van enkele klagers niet-ontvankelijk verklaard en dat voor het overige afgewezen.

1.3.4. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arresten van 12 mei 2003 - onder vernietiging van twee identieke, eveneens veroordelende vonnissen van de rechtbank te Almelo van 2 april 2002 - twee verdachten veroordeeld tot gevangenisstraffen van ieder ťťn jaar wegens:
- opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
- opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- aan de schuld van de rechtspersoon te wijten zijn van brand en ontploffing, terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- telkens medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd.
Tegen deze arresten is beroep in cassatie ingesteld.

1.4. (Advisering omtrent de) vergunningverlening

1.4.1. Op 19 oktober 1976 heeft het college van B&W een bouwvergunning verleend voor de bouw van 13 vuurwerkvoorraadcellen en een montage- en ompakruimte aan de Tollensstraat 50.

1.4.2. Op 2 februari 1977 heeft het college van B&W een oprichtingsvergunning ingevolge de Hinderwet verleend voor de opslag van vuurwerk aan de Tollensstraat 46-48-50. Op 14 december 1979 is een uitbreidingsvergunning ingevolge de Hinderwet verleend voor onder meer opslag van vuurwerk in zeven MAVO-boxen.

1.4.3. Bij besluit van 22 april 1997, bekend gemaakt op 24 april 1997, heeft het college van B&W op aanvraag van S.E. Fireworks B.V. een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de opslag van vuurwerk (revisievergunning), conform het gepubliceerde ontwerpbesluit van 21 januari 1997. Daarover is advies ingewonnen bij het bureau Adviseur Milieuvergunningen van de directie Materieel Koninklijke Landmacht (hierna: DMKL) van het ministerie van Defensie.

1.4.4. Bij besluit van 19 juli 1999, bekend gemaakt op 21 juli 1999, heeft het college van B&W op aanvraag van S.E. Fireworks een veranderingsvergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor de duur van drie jaar (tijdelijke veranderingsvergunning), na eerdere publicatie van een ontwerpbesluit van 10 mei 1999. Ook daarover is advies uitgebracht door het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL. Op grond van de revisie- en de tijdelijke veranderingsvergunning tezamen mocht op het SEF-terrein maximaal 158.500 kg. vuurwerk van de lichtste gevaarklasse 1.4 S/G in originele transportverpakking opgeslagen zijn of in plaats daarvan 136.500 kg. plus maximaal 2000 kg. van de zwaardere gevaarklasse 1.3 G, alsmede tijdens de werkuren maximaal 500 kg. van de klasse 1.4 S/G onverpakt in de ompakruimte. Opslag van vuurwerk van de zwaarste gevaarklassen 1.1 en 1.2 was niet toegestaan2.

1.4.5. Na de ramp hebben diverse belanghebbenden, onder wie niet eisers, tegen de onder 1.4.3 en 1.4.4 vermelde besluiten beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze beroepen zijn bij uitspraken van 1 juni 2001 wegens (niet verschoonbare) termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.5. Toezicht op de naleving; informatie over niet-naleving

1.5.1. Op 27 maart 1991 ontving de politie Enschede, afdeling bijzondere wetten, een faxbericht dat door een voormalig medewerker en intussen concurrent van het vuurwerkbedrijf was verstuurd nadat deze eerder met de politie contact had gehad en het verzoek had gekregen om zijn verhaal op papier te zetten. Het faxbericht is geschreven naar aanleiding van de explosie op 14 februari 1991 in een vuurwerkfabriek te Culemborg. De schrijver achtte het niet denkbeeldig dat hetzelfde zou gebeuren aan de Tollensstraat.

1.5.2. In 1993 is het vuurwerkbedrijf (toen nog geheten Kunstvuurwerkbedrijf Smallenbroek) bezocht door een medewerker van DMKL. Naar aanleiding daarvan hebben op 24 november 1993 twee medewerkers van de gemeentelijke milieudienst een controlebezoek gebracht.

1.5.3. Op 29 december 1995 en 30 december 1996 zijn door medewerkers van de gemeentelijke milieudienst en de regionale politie eindejaarscontroles bij SEF uitgevoerd. Op 30 december 1997 heeft de politie bij SEF vuurwerk van een Hengelo's bedrijf in beslag genomen dat niet aan de eisen voldeed.

1.5.4. Op 10 juni 1998 is SEF bezocht door een medewerker van het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL. Naar aanleiding daarvan heeft een medewerker van de gemeentelijke milieudienst enkele controlebezoeken gebracht.

1.5.5. Op 6 maart 1997 is door de Rijksverkeersinspectie een "broncontrole vergunninghouders vuurwerk" bij SEF uitgevoerd. Dit gebeurde opnieuw op 12 oktober 1999 en 10 december 1999.

1.5.6. Medewerkers van de gemeentelijke milieudienst hebben op 29 december 1999 een controle bij SEF uitgevoerd op de naleving van vergunningvoorschriften.

1.5.7. Op 10 mei 2000 hebben twee medewerkers van de gemeentelijke milieudienst en een medewerker van het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL SEF bezocht met het oog op de mogelijke verhuizing van dat bedrijf.


2. Het geschil

2.1. Eisers vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat gedaagden jegens elk van eisers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de materiŽle en immateriŽle schade die zij lijden als gevolg van de vuurwerkramp die op 13 mei 2000 in Enschede heeft plaatsgevonden;
II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan elk van eisers te vergoeden de door hen als gevolg van de vuurwerkramp van 13 mei 2000 geleden en te lijden materiŽle en immateriŽle schade, waarvan de omvang ware op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 13 mei 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.

2.2.1. Eisers hebben bij repliek de kern van hun betoog als volgt samengevat.
Eisers stellen dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade die zij als gevolg van de vuurwerkramp op 13 mei 2000 lijden. Elk van beide gedaagden heeft jegens eisers, als omwonenden van SEF, onrechtmatig gehandeld door nalatigheid bij het vormen van beleid, het stellen van regels, het in acht nemen van de nodige zorgvuldigheid bij het verstrekken van vergunningen, de advisering daarbij, het houden van toezicht en de handhaving.
Omwonenden van een grootschalige opslag van ontplofbare stoffen kunnen van de Staat en de betrokken gemeente verwachten dat zij voldoende maatregelen treffen om hun veiligheid te waarborgen. Dit klemt temeer in een geval als het onderhavige waarin het bedrijf in de onmiddellijke nabijheid van een woonwijk is gevestigd. Gedaagden hebben verzuimd vůůr 13 mei 2000 voldoende aandacht te besteden aan de risico's van de (grootschalige) opslag van (dubieus geclassificeerd) professioneel vuurwerk, terwijl daarvoor op basis van lang voordien bestaande wetenschap wel aanleiding bestond. De aan grootschalige opslag van professioneel vuurwerk verbonden risico's voor de externe veiligheid spreken voor zich. Bovendien bestond voor beide gedaagden een aantal bijzondere redenen om aan de opslag van professioneel vuurwerk in het algemeen en aan die van SEF in het bijzonder speciale aandacht te besteden, te weten:
in algemene zin:
a. Reeds lang voordat de vuurwerkramp in Enschede zich voordeed hebben zich in en buiten Nederland explosies voorgedaan bij bedrijven waar vuurwerk of andere ontplofbare stoffen lagen opgeslagen.
b. Naar aanleiding van eerdere explosies in Nederland hebben deskundigen gewezen op het grote belang van een juiste classificatie van vuurwerk of andere ontplofbare stoffen. Vuurwerk krijgt in het land waar het gefabriceerd wordt, veelal China, een transportclassificatie die buiten de invloedssfeer van de Nederlandse overheid door de fabrikant wordt bepaald. Bij import van vuurwerk in ons land wordt consumentenvuurwerk door de Keuringsdienst van Waren op juiste classificatie gecontroleerd. Een dergelijke controle vindt niet plaats bij professioneel vuurwerk.
c. Naar aanleiding van de vuurwerkramp die in 1991 in Culemborg plaatsvond heeft TNO geadviseerd dat classificatietesten voor groot vuurwerk moesten worden doorgevoerd, dat voor iedere toestand van het vuurwerk een classificatie zou moeten worden bepaald en dat het zonder meer omzetten van de transportclassificatie in een classificatie voor andere doeleinden ten sterkste moest worden afgeraden. Er is vervolgens verzuimd om een adequaat classificatiesysteem op te zetten.
d. Het was bekend dat bij degenen die zich in Nederland van overheidswege met de opslag van vuurwerk bezighielden, een gebrekkig deskundigheidsniveau bestond. Er is niets gedaan om dat te verbeteren.
ten aanzien van SEF:
a. In 1991 ontving de gemeente Enschede een naar aanleiding van de vuurwerkramp te Culemborg verzonden faxbericht waarin op gedetailleerde wijze werd gewaarschuwd voor de onveilige situatie bij SEF. Er is niets mee gedaan.
b. In 1993 hebben zowel de Staat als de gemeente geconstateerd dat bij SEF in strijd met de vigerende vergunning - die zag op de opslag van consumentenvuurwerk - hoofdzakelijk professioneel vuurwerk lag opgeslagen. Deze situatie is gedurende vier jaren gedoogd. Bovendien is de classificatie van het bij SEF opgeslagen vuurwerk na 1993 nimmer op juistheid gecontroleerd.
c. Anders dan gebruikelijk werd veel (ongeveer de helft) van het vuurwerk bij SEF opgeslagen in MAVO-boxen (prefab garages) en stalen zeecontainers. Deze MAVO-boxen en zeecontainers waren niet ontworpen voor de opslag van vuurwerk of andere ontplofbare stoffen en voldeden niet aan bijzondere eisen van brandwerendheid. Ondanks een gegeven waarschuwing omtrent de ontoereikende brandwerendheid van zeecontainers werd de opslag van (professioneel) vuurwerk door de gemeente vergund en door de Staat goedgevonden.
d. Door de Staat en de gemeente is meer dan eens geconstateerd dat het bedrijf meer stalen zeecontainers met vuurwerk had geplaatst dan waren vergund en dat de brandveiligheidseisen niet werden nageleefd. Een en ander werd gedoogd of door afgifte van een vergunning achteraf alsnog gelegaliseerd.
e. Zelfs drie dagen vůůr de ramp hebben vertegenwoordigers van de Staat en de gemeente het terrein van SEF bezocht en een illegale situatie (plaatsing van meer zeecontainers dan vergund terwijl deze containers niet voldeden aan de eisen van brandwerendheid en brandveiligheid) gedoogd.
Het verzuim van gedaagden staat in causaal verband met de bij eisers opgetreden schade, omdat door de nalatigheid van gedaagden het risico van een vuurwerkramp, zoals deze zich op 13 mei 2000 heeft voorgedaan, in het leven is geroepen. Bovendien is in dit kader het navolgende van betekenis:
a. Ten tijde van de vuurwerkramp was voor SEF vergunning verleend voor de opslag van in totaal 158.280 kg vuurwerk met classificatie 1.4S/G of een geringere totale hoeveelheid indien ook vuurwerk met classificatie 1.3G is opgeslagen, in 13 bunkers, 7 MAVO-boxen en 14 zeecontainers.
b. Door de commissie-Oosting is op basis van een vervaardigde reconstructie geconcludeerd dat de situatie bij SEF op 13 mei 2000 als volgt was:
- op het bedrijfsterrein lag ruim 177.000 kg vuurwerk opgeslagen;
- van dit vuurwerk had vermoedelijk meer dan 90% zwaarder geclassificeerd moeten zijn dan 1.4, te weten 1.660 kilo vuurwerk classificatie 1.1, 5.301 kilo vuurwerk classificatie 1.2, 153.731 kilo vuurwerk classificatie 1.3 en 16.308 kilo vuurwerk classificatie 1.4;
- ongeveer de helft van dit vuurwerk lag opgeslagen in 7 MAVO-boxen en 16 stalen zeecontainers.
c. Uit een na de ramp binnen relatief korte tijd door de Inspectie MilieuhygiŽne bij 15 bedrijven uitgevoerd landelijk onderzoek naar de classificatie van professioneel vuurwerk bleek dat 63% van dat vuurwerk zwaarder moest worden geclassificeerd dan op de verpakking stond aangegeven.
d. Uit onderzoeken die in opdracht van de commissie-Oosting zijn uitgevoerd blijkt dat de effecten van de brand op 13 mei 2000 beperkt waren gebleven tot de inrichting indien wordt uitgegaan van de juiste classificatie die op grond van de vigerende vergunning aanwezig mocht zijn.
e. Uit de door de commissie-Oosting vervaardigde reconstructie van het verloop der gebeurtenissen op het moment van de ramp is tevens gebleken dat twee zeecontainers, waarvan er een zonder vergunning was geplaatst terwijl gedaagden deze reeds vůůr de ramp hebben kunnen waarnemen, een cruciale rol hebben gespeeld in de escalatie van de ramp. Zowel het gebrek aan voldoende brandwerendheid van deze zeecontainers als de omstandigheid dat zij professioneel vuurwerk bevatten en het feit dat de illegale plaatsing van een der containers heeft geleid tot een voor de brandweer onzichtbare en moeilijk benaderbare driehoek, hebben in belangrijke mate aan escalatie van de ramp bijgedragen.
De door eisers geleden en te lijden materiŽle en immateriŽle schade is tot dusverre niet volledig vergoed. De door hen van overheidswege ontvangen tegemoetkomingen vormen (per definitie) geen volledige vergoeding van schade.

2.2.2. Eisers hebben bij repliek de juridische grondslag van hun vordering tegen de Staat onderbouwd met de stelling dat hij jegens hen de plicht heeft om te bevorderen dat de aan een bedrijf als SEF verbonden veiligheidsrisico's op een adequate wijze worden geÔnventariseerd en gewaardeerd en dat zo nodig maatregelen worden genomen om de risico's op relevante wijze te beperken. Als uitvloeisel van deze verplichting, die voortkomt uit het ongeschreven recht, heeft de Staat de plicht tot actief handelen indien en zodra hij bekend raakt met risico's die de veiligheid van de omwonenden van een dergelijk bedrijf in gevaar brengen. Uit het ongeschreven recht vloeit tevens een beginselplicht tot handhaving voort. Bij dagvaarding hebben eisers de zorgplicht van de Staat mede gebaseerd op artikel 21 van de Grondwet.
Eisers hebben bij repliek de feitelijke grondslag van hun vordering tegen de Staat als volgt samengevat.
I primair:
De Staat heeft, in de wetenschap dat de wetgeving ten aanzien van de opslag van (professioneel) vuurwerk niet aanwezig c.q. niet adequaat c.q. niet toereikend was, hetgeen (naar hij wist) direct (ernstig) gevaar voor eisers (althans burgers en zaken) opleverde, nagelaten maatregelen te treffen in de vorm van het uitvaardigen van (nadere) regelgeving of de bestaande regelgeving aan te passen.
II subsidiair:
Ondanks de wetenschap dat de wetgeving ten aanzien van de opslag van (professioneel) vuurwerk (mogelijk) niet aanwezig c.q. niet adequaat c.q. niet toereikend was, hetgeen (mogelijk) direct ernstig gevaar voor eisers opleverde, heeft de Staat nagelaten voldoende onderzoek te verrichten en vervolgens gevolg te geven aan de uitkomsten van dat onderzoek door het uitvaardigen van (nadere) regelgeving of de bestaande regelgeving aan te passen.
III meer subsidiair:
Onderdelen van de Staat hebben geadviseerd ten behoeve van de verlening van vergunningen door het gemeentebestuur. De daarbij gemaakte fouten hebben ertoe geleid dat onjuiste vergunningen tot stand zijn gekomen. Dat deze vergunningen inmiddels onherroepelijk zijn geworden, neemt niet weg dat de Staat bij de advisering stelselmatig onzorgvuldig heeft gehandeld.
IV nog meer subsidiair:
Ondanks de bekendheid van de Staat als toezichthouder met de onrechtmatige toestand bij SEF, heeft hij nagelaten adequaat handelend op te treden. De Staat had gezien de ernst van de dreigende schade onmiddellijk moeten en kunnen ingrijpen door het geven van een bindende aanwijzing (zie artikel 8.27 Wet milieubeheer).
V nog meer subsidiair:
Voor het geval niet zou komen vast te staan dat de Staat op de hoogte was van de onrechtmatige toestand bij SEF, geldt dat hij hiervan op de hoogte had moeten zijn althans zich hiervan op de hoogte had moeten stellen, gelet op de soort van vergunning die hier in het geding is, waarbij overtreding het risico van het ontstaan van letselschade bij omwonenden in het leven roept. Gelet op de te verwachten aard en ernst van de schade, heeft de Staat onvoldoende zorginspanningen geleverd, aldus eisers bij repliek.
Daarnaast hebben eisers bij dagvaarding aan de Staat verweten dat hij onder de bestaande regels heeft nagelaten het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL zodanig uit te rusten dat dit kwalitatief en kwantitatief voldoende adviezen aan het bevoegd gezag kon verstrekken en zijn toezichthoudende taak goed kon uitoefenen. De taken van de Rijksverkeersinspectie, waarin medio 1992 het toen opgeheven Korps Controleurs Gevaarlijke Stoffen is ondergebracht, en van de Inspectie MilieuhygiŽne zijn door de Staat zodanig uitgehold dat van toezicht door deze instanties feitelijk geen sprake was.
Ten pleidooie hebben eisers nog gesteld dat het verzuim van de Staat om de EG-richtlijn "Seveso-II", die uiterlijk op 3 februari 1999 geÔmplementeerd had moeten zijn, tijdig om te zetten in nationale wetgeving - het Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999 trad namelijk eerst op 19 juli 1999 in werking - aan het ontstaan van de vuurwerkramp heeft bijgedragen, aangezien de aanvrager van de veranderingsvergunning of de vergunninghouder op grond van dat besluit een rapport over de externe veiligheid bij SEF had moeten presenteren.
Ten aanzien van het oorzakelijk verband tussen het onrechtmatig handelen van de Staat en de geleden schade hebben eisers bij repliek gesteld dat de Staat door zijn nalatigheid en onzorgvuldig handelen het geenszins denkbeeldige risico in het leven heeft geroepen - althans vergroot - dat een ramp als deze zich kon voltrekken, welk risico zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, met alle gevolgen van dien voor eisers.

2.2.3. Eisers hebben bij repliek de juridische grondslag van hun vordering tegen de gemeente onderbouwd met de stelling dat zij jegens hen verplicht is om op een zorgvuldige en adequate wijze invulling te geven aan haar wettelijke status van bevoegd gezag bij vergunningverlening, het houden van toezicht en het handhaven van voorschriften met betrekking tot een bedrijf als SEF.
Eisers hebben bij repliek de feitelijke grondslag van hun vordering tegen de gemeente als volgt samengevat.
a. De gemeente heeft nagelaten om in het belang van de veiligheid van omwonenden van een grootschalige opslag van professioneel vuurwerk zoals deze bij SEF aanwezig was, een beleid te vormen en te voeren waardoor de risico's van deze opslag op adequate en deskundige wijze werden onderzocht en beperkt.
b. Met diverse signalen omtrent de onveiligheid bij SEF, zoals het faxbericht uit 1991, heeft de gemeente niets of volstrekt onvoldoende gedaan.
c. De gemeente heeft procedurele en inhoudelijke fouten gemaakt bij de verlening van vergunningen voor SEF.
d. De gemeente heeft verzuimd om jegens SEF noodzakelijke activiteiten te ondernemen:
- Nadat de gemeente er in 1993 mee op de hoogte kwam dat op het bedrijfsterrein van SEF, in afwijking van de op dat moment verleende vergunning, hoofdzakelijk groot of professioneel vuurwerk in betonnen bunkers, MAVO-boxen en stalen zeecontainers lag opgeslagen, heeft de gemeente deze situatie jarenlang gedoogd zonder dat er een nieuwe vergunning was verleend.
- Nimmer heeft de gemeente bevorderd dat een adequate test werd uitgevoerd om de juiste hoeveelheid en classificatie van het bij SEF opgeslagen vuurwerk te controleren, terwijl daartoe wel een bijzondere aanleiding bestond, omdat sinds 1993 bekend was dat het bedrijf nagenoeg uitsluitend professioneel vuurwerk opgeslagen had.
- De gemeente heeft ten onrechte nagelaten om een bouwvergunning te verlangen voor het plaatsen van MAVO-boxen en stalen zeecontainers.
- De gemeente heeft ten onrechte toestemming verleend om professioneel vuurwerk op te slaan in daartoe ongeschikte MAVO-boxen en stalen zeecontainers, terwijl de opslag nog niet eens voldeed aan de eisen die gesteld worden aan de opslag van 1000 kilo consumentenvuurwerk (waaronder die van een automatische sprinklerinstallatie).
- De gemeente heeft ten onrechte gedoogd dat SEF meer zeecontainers met vuurwerk op het bedrijfsterrein heeft geplaatst dan waren vergund.
Eisers hebben voor het eerst bij repliek aan de gemeente verweten dat zij voor SEF geen gebruiksvergunning heeft verlangd, hoewel deze op grond van de gemeentelijke bouwverordening wel vereist was. Aangezien aan een gebruiksvergunning voorwaarden kunnen worden verbonden met betrekking tot brandveiligheid, heeft de gemeente bestaande mogelijkheden onbenut gelaten om brandgevaar te beperken.
Ten aanzien van het oorzakelijk verband tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de geleden schade hebben eisers bij repliek gesteld dat de gemeente door haar nalatigheid het geenszins denkbeeldige risico in het leven heeft geroepen - althans vergroot - dat een ramp als deze zich kon voltrekken, welk risico zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, met alle gevolgen van dien voor eisers.

2.3. Gedaagden betwisten gemotiveerd dat hun handelwijze jegens eisers onrechtmatig is. Voorts ontkennen zij het gestelde oorzakelijk verband met de door eisers geleden schade.
De gemeente heeft haar verweer dat eisers hun schade onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt, ten pleidooie laten vallen.


3. Beoordeling

3.1. Inleiding

3.1.1. De bescherming van personen en goederen tegen van buiten komend onheil (waaronder dat, veroorzaakt door ontplofbare stoffen) behoort van oudsher tot de kerntaken van de overheid. Reeds in 1810 werd op het grondgebied van het huidige Nederland een Frans decreet van kracht ter bescherming van omwonenden tegen gevaar, schade en hinder, veroorzaakt door bepaalde fabrieken en andere inrichtingen. Dit decreet is in 1824 opgevolgd door het Koninklijk Besluit, rakende de vergunningen ter oprigting van sommige fabrijken en trafijken (Stb. 19). Dit besluit beoogde "met betrekking tot de fabrijken en trafijken, en andere inrigtingen, die bij eene ongepaste daarstelling of verandering, baarblijkelijk het publiek met gevaar, schade of hinder kunnen bedreigen, en tot welker oprigting of verandering van inrigting mitsdien uit het oogpunt eener goede policie de voorafgaande beoordeeling en toestemming van het openbaar gezag, als noodig zal zijn te beschouwen, de vereischte bepalingen (te) maken waardoor alle onzekerheid, zoo wel voor hen, die tot zoodanige oprigting of verandering van inrigting zouden wenschen overtegaan, als van de publieke autoriteiten zal zijn voorgekomen". Ingevolge dit besluit zijn onder meer "Buskruid-fabrijken" en "Buskruid-magazijnen", alsmede "Vuurwerk-makerijen" aan een vergunningstelsel onderworpen. Het besluit is in 1875 opgevolgd door de Wet tot regeling van het toezigt bij het oprigten van inrigtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken (Stb. 95). Ingevolge artikel 2, aanhef en onder II, van die wet werden in elk geval vanaf de inwerkingtreding ervan als vergunningplichtige inrichtingen mede beschouwd inrichtingen tot bewaring van ontplofbare stoffen, waartoe uitdrukkelijk werden gerekend de bewaarplaatsen van vuurwerk. Vanaf 1952 berustte deze vergunningplicht op de Hinderwet (Stb. 274) en sedert 1 maart 1993 is deze gebaseerd op de Wet milieubeheer (Stb. 1992, 414).
Dat ook overigens vervoer en opslag van ontplofbare stoffen een ernstig gevaar voor de omgeving konden veroorzaken, is hier te lande in ieder geval sinds 1807, toen binnen de singels van de stad Leiden een kruitschip ontplofte met verwoestende werking, algemeen bekend. Het antwoord van de wetgever heeft ook hier niet lang op zich laten wachten. De eerste Nederlandse regelgeving ter zake is te vinden in de Wet van 26 januari 1815, Stb. 7. Deze wet is vervangen door de Wet van 26 april 1884 houdende nadere bepalingen omtrent het vervoer, den in-, uit- en doorvoer, verkoop en opslag van buskruit en andere licht ontvlambare en ontplofbare stoffen (Stb. 81). Blijkens de op die wet gebaseerde algemene maatregel van bestuur (Stb. 1885, 187) vielen vuurwerken onder de gestelde regels. Laatstgenoemde wet is in 1968 vervangen door de Wet gevaarlijke stoffen (Stb. 1963, 313), welke wet in 1996 is opgevolgd door de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525).

3.1.2. Het op de grondslag van deze regelgeving door de overheid gevoerde externe-veiligheidsbeleid voor inrichtingen heeft een ramp met een omvang als die in Enschede niet kunnen voorkomen. Nadien zijn dan ook pogingen gedaan om de keten van onderzoek (risicoanalyse), regelgeving, uitvoering (vergunningverlening), toezicht en handhaving in al haar schakels te versterken.
Dat de overheid uit de gebeurtenissen lessen heeft getrokken voor de toekomst, wil echter niet zeggen dat de Staat of de gemeente aansprakelijk zijn uit hoofde van onrechtmatige daad voor de directe gevolgen van de ramp. Om zo'n aansprakelijkheid te kunnen vaststellen, moet immers niet zozeer naar de gevolgen, maar vooral naar de oorzaken van de ontploffingen op 13 mei 2000 worden gekeken, met als uitgangspunt de wetenschap die Staat en gemeente tot op het moment van de ramp bezaten of hadden moeten bezitten. Aansprakelijkheid kan niet worden aangenomen op de enkele grond dat zich een risico heeft verwezenlijkt waarvan de overheid op de hoogte was of had moeten zijn. Bepalend is of dat risico dermate groot was, dat daaruit een rechtsplicht voor een overheidsinstelling voortvloeide om maatregelen te nemen ter verkleining van dat risico. Daarbij spelen zowel de aard van de mogelijke effecten als de kans dat deze optreden een rol. Tevens dienen de (maatschappelijke) kosten van zodanig optreden te worden afgewogen tegen de voordelen daarvan.
De rechtbank zal hierna onder 3.2 tot en met 3.6 de diverse omstandigheden waarop volgens eisers de aansprakelijkheid van de betrokken overheden kan worden gebaseerd, successievelijk bespreken. Het verwijt van eisers dat de betrokken overheden hebben nagelaten beleid te ontwikkelen, wat daar ook van zij, mist naar het oordeel van de rechtbank zelfstandige betekenis en zal dan ook niet afzonderlijk aan de orde komen.

3.1.3. Ofschoon eisers niet aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat zij schade hebben geleden als nabestaanden van dodelijke slachtoffers van de ramp, acht de rechtbank voor de vestiging van aansprakelijkheid relevant, naast andere omstandigheden, of de betrokken overheden op de hoogte waren of hadden moeten zijn van een reŽle en directe bedreiging van het leven van personen. Indien dat het geval was, had immers verwacht mogen worden dat zij tijdig afdoende maatregelen hadden genomen ter voorkoming van de ramp. Deze rechtsplicht kan onder meer worden gebaseerd op artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat het recht op leven beschermt3.
De materiŽle schade als gevolg van de vuurwerkramp vormde voor eisers hoe dan ook een aantasting van hun recht op ongestoord genot van hun eigendom, daargelaten of sprake is van een inbreuk door de overheid. Tegen schending van dit recht door de overheid waakt artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Indien moet worden aangenomen dat de verantwoordelijke autoriteiten door het achterwege laten van passende maatregelen ter voorkoming van de ramp artikel 2 van het EVRM hebben geschonden, kan deze nalatigheid naar het oordeel van de rechtbank niet worden gerechtvaardigd door enig algemeen belang dat door de overheid wordt behartigd. Alsdan bestaat tevens aansprakelijkheid wegens schending van de positieve verplichtingen die artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM voor de overheid meebrengt.
Op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan ook artikel 8 van het EVRM, dat ziet op eerbiediging van het privť-, familie- en gezinsleven, in milieugeschillen met succes worden ingeroepen. De verplichting voor de autoriteiten om wezenlijke informatie over risico's waaraan omwonenden door inrichtingen worden blootgesteld, aan hen door te geven, kan eerder op artikel 8 dan op artikel 2 van het EVRM worden gebaseerd. Bij milieuschade door hinder (geluid, stank) en gezondheidsschade door uitstoot van schadelijke stoffen kan tevens sprake zijn van een belemmering van het genot van de woning en nadelige beÔnvloeding van het privť- en gezinsleven van omwonenden door uitblijven van overheidsingrijpen. In de thans aan de orde zijnde zaak doet deze situatie zich echter niet voor. Pas op het moment dat het - voor hen tot dan toe onbekende - risico waaraan eisers hebben blootgestaan, zich heeft verwezenlijkt, is immers hun privťleven ontwricht geraakt. Afgezien van een mogelijke inbreuk wegens het onthouden van beschikbare informatie, is artikel 8 van het EVRM dus naar het oordeel van de rechtbank in onderhavig geval niet relevant.

3.2. Onderzoek en regelgeving (vordering tegen de Staat)

3.2.1. Met betrekking tot de in rechtsoverweging 2.2.2 onder I en II weergegeven grondslagen van de vordering tegen de Staat stelt de rechtbank voorop dat, ook voorzover de Staat rechtens tot regelgeving verplicht zou zijn, aan hem ter zake van de inhoud en de vorm van die regelgeving een ruime beleidsvrijheid toekomt. Of een verplichting tot het totstandbrengen van wetgeving in formele zin - dat wil zeggen met de beide Kamers der Staten-Generaal als medewetgever - voortvloeit uit algemene rechtsbeginselen of uit (artikel 21 van) de Grondwet staat niet aan de rechter ter beoordeling.

3.2.2. Degene die een inrichting als SEF drijft, is onderworpen aan het vergunningstelsel voor inrichtingen op basis van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer. Daarnaast gelden voor de exploitant van een vuurwerkopslagplaats de algemene zorgplichten van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer en artikel 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en, in diens hoedanigheid van bezitter van gevaarlijke stoffen, de risicoaansprakelijkheid bij ongevallen van artikel 6:175 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit stelsel brengt, naast verplichtingen waarop omwonenden tegenover de exploitant zelf in rechte een beroep kunnen doen, met zich dat voor de oprichting van een bedrijf als SEF en voor de verandering en de verandering van de werking daarvan een toetsing door het bevoegd gezag (in casu het college van B&W) moet plaatsvinden (thans op grond van de artikelen 8.1 en 8.2 van de Wet milieubeheer). Daarbij moet het bevoegd gezag (kort samengevat) met alle relevante omstandigheden van het concrete geval en met de laatste inzichten rekening houden (artikel 8.8 van de Wet milieubeheer). Het bevoegd gezag is voorts gehouden regelmatig na te gaan of de voorschriften en beperkingen van de vergunning nog toereikend zijn en moet zo nodig deze aanpassen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van derden of op aanvraag van de vergunninghouder (artikelen 8.22-8.24 van de Wet milieubeheer).

3.2.3. Eisers hebben niet voldoende onderbouwd waarom dit stelsel zodanig gebrekkig is dat daarmee ter zake van bedrijven als SEF niet zou kunnen worden voldaan aan de uit het EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen van de Staat om leven en eigendom van de inwoners te beschermen, in het bijzonder niet nu, zoals de commissie-Oosting concludeert4 en eisers niet betwisten, de vuurwerkramp niet had kunnen plaatsvinden als de op dit stelsel gebaseerde vergunningen waren nageleefd. Evenmin hebben eisers onderbouwd waarom dit stelsel anderszins onrechtmatig zou zijn. Tot zodanige onderbouwing kan in elk geval niet dienen dat de Staat weet had of had moeten hebben van eerdere explosies bij (al dan niet vergelijkbare) bedrijven in binnen- of buitenland waarbij vuurwerk of andere ontplofbare stoffen opgeslagen waren, aangezien het bovenomschreven stelsel nu juist de mogelijkheid biedt om bij de besluitvorming daarmee rekening te houden. Evenmin kan daartoe dienen dat de Staat na de vuurwerkramp tot nadere regelgeving is overgegaan, nu die regelgeving juist ten gevolge van de vuurwerkramp tot stand is gebracht.

3.2.4. De rechtbank begrijpt het betoog van eisers ter zake van het Besluit risico's zware ongevallen en de zogenaamde Post-Seveso- en Post-Seveso-II-richtlijnen aldus, dat eisers mede beogen aan te voeren dat, als de Post-Seveso-II-richtlijn tijdig door de Staat zou zijn geÔmplementeerd, de vuurwerkramp zou zijn voorkomen, omdat dan bij de vergunningaanvraag in 1999 een externe-veiligheidsrapport had moeten worden overgelegd. De rechtbank volgt dit betoog niet. Nog daargelaten dat eisers niet hebben onderbouwd dat een dergelijk rapport een zodanige inhoud zou hebben gehad dat dit tot weigering van de tijdelijke uitbreidingsvergunning of aanpassing van de revisievergunning zou hebben geleid, blijkt uit de door de commissie-Oosting gemaakte berekening van de netto-hoeveelheid ontplofbare stof die ingevolge de vergunningen bij SEF aanwezig mocht zijn, dat de drempelwaarde van 50 ton voor de gelding van deze verplichting bij SEF niet werd overschreden5. Aan de door eisers ter onderbouwing van hun standpunt aangehaalde circulaire van de minister van VROM van 8 november 2000 kent de rechtbank geen gewicht toe, nu deze circulaire na de vuurwerkramp is uitgebracht en niet is gesteld of gebleken dat deze is gebaseerd op voor de ramp geldende inzichten.

3.2.5. De overige door eisers besproken regelgeving strekt er niet toe de risico's van de opslag van vuurwerk bij een bedrijf als SEF voor de omgeving te voorkomen. Zo aan die regels al zodanige gebreken zouden kleven dat daardoor de Staat onrechtmatig zou hebben gehandeld, dan is het verband daartussen en de ramp zo ver verwijderd, dat daaruit geen aansprakelijkheid van de Staat kan voortvloeien. De rechtbank laat die regelgeving hier dan ook onbesproken.

3.2.6. De rechtbank concludeert dat aansprakelijkheid van de Staat niet kan worden gebaseerd op gebreken in de wet- of regelgeving. Daarmee is ook de stelling van eisers verworpen dat de ramp te wijten is aan het niet verrichten van onderzoek dat tot aanpassing van de regelgeving zou hebben genoopt, nog daargelaten dat eisers deze stelling in het licht van het uitvoerige en gespecificeerde verweer daartegen van de Staat onvoldoende hebben onderbouwd.

3.3. Vergunningverlening (vordering tegen de gemeente)

3.3.1. De stellingen van eisers met betrekking tot het ontbreken van vereiste bouwvergunningen en van de op grond van de gemeentelijke bouwverordening vereiste gebruiksvergunning komen hierna onder 3.5.8 aan de orde.
Ten verweer tegen het gestelde omtrent de verleende vergunningen op grond van de Wet milieubeheer beroept de gemeente zich op de formele rechtskracht van de onder 1.4.3 en 1.4.4 vermelde besluiten.

3.3.2. De rechtbank stelt vast dat eisers tegen deze besluiten geen beroep hebben ingesteld en dat de daartegen door derden ingestelde beroepen niet tot vernietiging van (enig deel van) die besluiten hebben geleid. Krachtens vaste jurisprudentie moeten daarom in de onderhavige procedure de voor SEF verleende milieuvergunningen naar inhoud en wijze van totstandkoming voor juist worden gehouden. Op dit beginsel van de formele rechtskracht zijn slechts beperkt uitzonderingen mogelijk. Mogelijke gebreken in de publicatie van de (ontwerp-)besluiten behoren daartoe niet, aangezien deze door de bestuursrechter beoordeeld kunnen of konden worden in het kader van een beroep op verschoonbaarheid van termijnoverschrijding. Wel is plaats voor een uitzondering als de overheid heeft erkend dat een besluit onrechtmatig is. Van een erkenning door de gemeente dat de thans aan de orde zijnde besluiten onrechtmatig zijn, is echter geen sprake, daargelaten of de gemeente de conclusies van de commissie-Oosting heeft "omarmd".

3.3.3. Anders dan eisers hebben betoogd, vormen de aard van de gestelde normschending, de teloorgang van de betrokken inrichting en de aard en ernst van de voor omwonenden en overheid voorzienbare schade geen van alle gronden om een nieuwe uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht te aanvaarden. De door eisers voorgestane, door het Franse en Duitse stelsel geÔnspireerde benadering komt er immers op neer dat de burgerlijke rechter voortaan niet meer van de rechtmatigheid van een onherroepelijk besluit zou kunnen uitgaan, hetgeen niet strookt met het door de Hoge Raad in een reeks van arresten ontwikkelde stelsel.

3.3.4. Ook het betoog van eisers dat de hantering van het beginsel van de formele rechtskracht in onderhavig geval in strijd is met artikel 13 van het EVRM, kan niet worden gevolgd. Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat door de vergunningverlening artikel 2 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM zijn geschonden, heeft daartegen immers beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opengestaan. Het recht van eisers op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie is dus niet geschonden.

3.3.5. De rechtbank komt tot de slotsom dat de gemeente jegens eisers niet aansprakelijk is op grond van de verlening van de milieuvergunningen.

3.4. Advisering omtrent de vergunningverlening (vordering tegen de Staat)

De rechtbank kan de Staat niet volgen in zijn verweer, waar deze betoogt dat de formele rechtskracht van de voormelde besluiten zich ook uitstrekt tot de inhoud van de in het kader van de totstandkoming door DMKL verstrekte adviezen. Nu echter niet is gesteld of gebleken dat de adviezen los van de vergunningprocedure tot schade hebben geleid, kan desalniettemin op de in rechtsoverweging 2.2.2 onder III vermelde grondslag de vordering tegen de Staat niet worden toegewezen. Ook de vraag of het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL met voldoende deskundig personeel was uitgerust om goede adviezen over de vergunningaanvragen uit te brengen, kan om deze reden verder blijven rusten.

3.5. Gemeentelijk toezicht en handhaving (vordering tegen de gemeente)

3.5.1. Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van de milieuvergunning, heeft op grond van artikel 18.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer mede tot taak:
a. zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het met betrekking tot de inrichting bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde;
b. gegevens over de inrichting, die met het oog op de uitoefening van de taak als bedoeld onder a van belang zijn, te verzamelen en te registreren;
c. klachten, die betrekking hebben op de naleving van het met betrekking tot de inrichting bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde, te behandelen.
Hieruit volgt dat in het geval van SEF de door het college van B&W aangewezen ambtenaren waren belast met toezicht of controle op de naleving van de bepalingen van de Wet milieubeheer en van de milieuvergunningvoorschriften en dat het college van B&W eveneens verantwoordelijk was voor de daadwerkelijke handhaving daarvan door middel van bestuursrechtelijke sancties als het opleggen van een dwangsom, het uitoefenen van bestuursdwang en het intrekken van de vergunning. Ook in het kader van de tot 1 maart 1993 geldende Hinderwet was het college van B&W het bevoegd gezag.
Op de naleving van de vergunningvereisten bij of krachtens de Woningwet dienden ambtenaren van het door het gemeentebestuur ingestelde bouw- en woningtoezicht toe te zien. Deze ambtenaren hebben tevens opsporingsbevoegdheid6. Bij SEF was het gemeentebestuur derhalve ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de bouwvoorschriften op grond van de Woningwet en voor de handhaving daarvan.

3.5.2. Bij de beoordeling van de stellingen van eisers inzake het toezicht maakt de rechtbank een onderscheid tussen algemeen en specifiek toezichtsfalen. Van algemeen toezichtsfalen kan worden gesproken, indien het bevoegde bestuursorgaan zijn wettelijke taken op dit gebied verwaarloost. Gelet op de aan het bestuur toekomende vrijheid bij de verdeling van de beschikbare financiŽle en personele middelen over verschillende beleidsterreinen, zal een dergelijke taakverwaarlozing slechts in uitzonderlijke omstandigheden onrechtmatig zijn jegens een individuele burger. Zodanige omstandigheden zijn echter ten aanzien van het gemeentebestuur niet gesteld of gebleken. De rechtbank zal zich daarom hierna wat betreft het gemeentelijk toezicht beperken tot specifiek toezichtsfalen. Daarbij moet worden gedacht aan het negeren van concrete aanwijzingen of het in de wind slaan van waarschuwingen dat bepaalde regels of voorschriften worden overtreden.

3.5.3. De stellingen van eisers ter zake van gemeentelijk toezicht en handhaving komen erop neer dat:
- de gemeente naar aanleiding van de ramp in Culemborg een fax heeft ontvangen van een oud-medewerker van het bedrijf dat later S.E. Fireworks is gaan heten, waarin werd gewaarschuwd voor een soortgelijke ramp, en dat de gemeente daar niets mee heeft gedaan;
- de gemeente geconstateerde overtredingen van de milieuvoorschriften en uitbreidingen van SEF jarenlang heeft gedoogd en vervolgens heeft gelegaliseerd;
- de gemeente niet heeft bevorderd dat een adequate test werd uitgevoerd op de classificatie van het bij SEF opgeslagen vuurwerk;
- de gemeente ten onrechte geen bouwvergunning heeft geŽist voor de plaatsing van MAVO-boxen en zeecontainers en heeft gedoogd dat SEF meer zeecontainers met vuurwerk op het terrein heeft geplaatst dan op grond van de milieuvergunning was toegelaten.

3.5.4. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat ook bij de beoordeling van de vraag of het gemeentebestuur bij de uitoefening van zijn toezichts- en handhavingstaken beneden de maat is gebleven, moet worden uitgegaan van de kennis die de gemeente tot op het moment van de vuurwerkramp had of redelijkerwijs had moeten hebben. Of sprake is van gemeentelijk toezichts- of handhavingsfalen dat als onrechtmatig moet worden bestempeld, moet ook overigens worden getoetst aan de in rechtsoverwegingen 3.1.2 en 3.1.3 weergegeven criteria.

3.5.5. Met betrekking tot de ramp in Culemborg en de naar aanleiding daarvan door de gemeente ontvangen fax overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank laat in het midden dat de stelling van eisers dat is vast komen te staan dat de gemeente met die fax niets heeft gedaan, niet zonder meer uit de door hen ter onderbouwing overgelegde stukken volgt, nu de toenmalige eigenaar van het bedrijf blijkens die stukken (blz. 7 van productie 29 van eisers) heeft verklaard dat hij die fax kent en dat er naar aanleiding van die fax een extra controle van de gemeente is geweest. Sinds de ontvangst van die fax is de situatie bij het bedrijf zodanig veranderd (er is een revisievergunning verleend; het bedrijf is in andere handen overgegaan) dat naar het oordeel van de rechtbank het causaal verband tussen het beweerde niet-optreden van de gemeente naar aanleiding van de fax en de vuurwerkramp ontbreekt.
Overigens heeft de gemeente gemotiveerd betwist dat zij naar aanleiding van de ramp in Culemborg over meer kennis van de risico's van de opslag van vuurwerk bij SEF had kunnen en moeten beschikken en heeft zij betoogd dat de vuurwerkfabriek in Culemborg van een andere aard was dan SEF. In Culemborg mocht immers vuurwerk worden vervaardigd met gebruikmaking van los zwart kruit, een zeer brandbare en massa-explosieve stof, terwijl bij SEF naast de opslag van verpakt vuurwerk van de gevaarklassen 1.4 en (in relatief geringe hoeveelheid) 1.3 in hun transportverpakking niet meer was toegestaan dan het (tijdens werkuren) uit de transportverpakking halen en assembleren van stukken vuurwerk die zich ieder voor zich in hun primaire verpakking bevonden. De gemeente heeft gesteld dat zij er derhalve van mocht uitgaan dat de gevaren bij SEF van een andere orde waren dan die in Culemborg. De rechtbank is van oordeel dat eisers tegen dit onderbouwde betoog van de gemeente onvoldoende hebben aangevoerd, zodat zij dit verweer voor juist moet houden.

3.5.6. Ook de stelling van eisers dat de gemeente overtredingen door SEF jarenlang heeft gedoogd en vervolgens heeft gelegaliseerd, leidt de rechtbank, in aanmerking genomen hetgeen eisers ter onderbouwing daarvan hebben aangevoerd, niet tot het oordeel dat de gemeente onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld. Blijkens hetgeen in de rechtsoverwegingen 1.5.2, 1.5.3, 1.5.4 en 1.5.6 is overwogen, zijn door de gemeentelijke milieudienst controles uitgevoerd bij SEF. Eisers hebben niet voldoende onderbouwd dat bij die controles zodanige gebreken zijn geconstateerd dat deze ingevolge de in rechtsoverwegingen 3.1.2 en 3.1.3 weergegeven criteria hadden moeten leiden tot onmiddellijk ingrijpen van de gemeente. Onder deze omstandigheid is het gedogen en later legaliseren van geconstateerde overtredingen naar het oordeel van de rechtbank jegens eisers niet onrechtmatig, ook al niet omdat deze gedragslijn in overeenstemming is met de bestuursrechtelijke jurisprudentie.

3.5.7. De gemeente betwist dat bij haar wetenschap bestond of had moeten bestaan dat de classificatie van het bij SEF opgeslagen vuurwerk mogelijk niet deugde.
De rechtbank stelt vast dat op grond van de verleende milieuvergunningen geen vuurwerk op het SEF-terrein opgeslagen mocht zijn dat massa-explosief was. Het overgrote deel van het toegestane vuurwerk betrof vuurwerk van de gevaarklasse 1.4. De verhoudingsgewijs geringe hoeveelheid vergund vuurwerk van de gevaarklasse 1.3 leverde weliswaar risico op voor het ontstaan van brand, beperkte explosies of beperkte uitworp van brokstukken, maar betekende op zichzelf geen gevaar voor een massa-explosie. Aangenomen moet worden dat zich op het SEF-terrein ook vuurwerk heeft bevonden dat op grond van het classificatiesysteem in de gevaarklassen 1.1 en/of 1.2 behoorde te zijn ingedeeld, mogelijk in combinatie met een grotere hoeveelheid vuurwerk dat in klasse 1.3 thuis hoorde dan bij de vergunningen was toegestaan. Gesteld noch gebleken is echter dat de gemeente zulks bij een intensiever toezicht op de naleving van de toegestane hoeveelheden verpakt vuurwerk had kunnen ontdekken. De gemeentelijke milieudienst ging af op de - kennelijk deels onjuiste - gevaarklassen die op de etiketten van de verpakkingen stonden vermeld. De gemeente voert aan dat haar geen enkel signaal had bereikt - niet via de bezoeken van het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL of de broncontroles van de Rijksverkeersinspectie en ook niet via het onder 1.5.1 vermelde faxbericht aan de (toen nog) gemeentelijke politie - dat de betrouwbaarheid van die vermeldingen in twijfel had moeten doen trekken.
Nu eisers hun stellingen op dit punt niet nader hebben onderbouwd, concludeert de rechtbank dat de gemeentelijke milieudienst op de tekst van de etiketten mocht afgaan en niet gehouden was eigen onderzoek te doen naar de juiste classificatie van het bij SEF opgeslagen vuurwerk.

3.5.8. Ten aanzien van het gestelde falen van het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht overweegt de rechtbank als volgt. Dat na 1976 voor diverse uitbreidingen van opslagruimte op het SEF-terrein geen bouwvergunning is aangevraagd en voorts nooit een vergunning is verleend voor het in gebruik hebben of houden van enig aldaar aanwezig bouwwerk, betekent nog niet dat de gemeente jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld door de vergunningvereisten op grond van de Woningwet of de daarop gebaseerde eigen bouwverordening niet te handhaven. Weliswaar moest het college van B&W bij de verlening van een bouw- of gebruiksvergunning toetsen aan eisen van brandpreventie en brandwerendheid en kon het daartoe zo nodig voorschriften geven, maar daarbij hoefde, gezien hetgeen onder 3.5.7 is overwogen, geen rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van "zwaarder" vuurwerk dan was toegelaten. Derhalve kan niet tot aansprakelijkheid van de gemeente worden geconcludeerd op basis van een gebrek aan handhaving van de vergunningvereisten bij of krachtens de Woningwet.

3.5.9. De gemeente heeft bij conclusie van antwoord gemotiveerd weersproken dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid bij SEF van twee niet vergunde zeecontainers en dat zij, als zij dat wel was geweest, gehouden en in staat was deze onmiddellijk te (laten) verwijderen. Eisers hebben op dit verweer niet anders gereageerd dan door herhaling van stellingen, zodat zij dit verweer onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken. De rechtbank zal dit onderdeel van de stellingen van eisers daarom verder buiten beschouwing laten.

3.5.10. Uit hetgeen in de rechtsoverwegingen 3.5.5 tot en met 3.5.9 is overwogen concludeert de rechtbank dat de gemeente jegens eisers niet aansprakelijk is op grond van een specifiek gebrek aan toezicht op de naleving van de milieu- of bouwwetgeving of een daaruit voortvloeiend handhavingsgebrek.

3.6. Rijkstoezicht (vordering tegen de Staat)

3.6.1. Op rijksniveau waren ten tijde van de ramp de Inspectie MilieuhygiŽne7, het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL8 en de Rijksverkeersinspectie9 (hierna tezamen aangeduid als: de rijkstoezichthouders) met toezicht op de naleving van de milieuwetgeving op vuurwerkopslagplaatsen belast10. De Inspectie MilieuhygiŽne was tweedelijns toezichthouder voor alle inrichtingen. Daarnaast was het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL aangewezen als toezichthouder voor inrichtingen als SEF, waar ontplofbare stoffen zijn opgeslagen. De Rijksverkeersinspectie is mede bevoegd tot toezicht binnen een inrichting waar vuurwerk is opgeslagen, voor zover dit toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake het vervoer van stoffen en preparaten bevoegd is11. Haar toezichthoudende taak op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen had zij overgenomen van het voormalige Korps Controleurs Gevaarlijke Stoffen.
De bevoegdheden van de rijkstoezichthouders doen niet af aan de primaire, hierboven onder 3.5.1 besproken verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag om op de naleving van de milieuwetgeving binnen inrichtingen toe te zien. Aangezien in die wetgeving de functie van het toezicht in beginsel is gedecentraliseerd, is de rechtbank met de Staat van oordeel dat de vordering niet kan worden toegewezen op grond van aan de Staat toe te rekenen algemeen toezichtsfalen. Gelet op de wettelijke taken van het bevoegd gezag, is de Staat voor eventuele taakverwaarlozing bij het toezicht van rijkswege niet jegens eisers aansprakelijk. Dit betekent ook dat de stelling dat de Staat heeft nagelaten het bureau Adviseur Milieuvergunningen van DMKL met voldoende deskundig personeel uit te rusten om goed toezicht uit te oefenen, geen verdere bespreking behoeft. Om dezelfde reden hoeft op de stellingen van eisers met betrekking tot de uitholling van de taken van de Inspectie MilieuhygiŽne en de Rijksverkeersinspectie verder evenmin te worden ingegaan. De rechtbank zal zich hierna wat betreft het rijkstoezicht beperken tot specifiek toezichtsfalen.

3.6.2. De in rechtsoverweging 2.2.2 onder IV en V weergegeven grondslagen van de vordering tegen de Staat houden in dat eisers de Staat verwijten dat hij, ondanks de kennis die de rijkstoezichthouders hadden of hadden moeten hebben over de toestand bij SEF, niet adequaat handelend is opgetreden. De verantwoordelijke ministers zijn echter niet bevoegd tot bestuursrechtelijke handhaving. Indien bij het toezicht een overtreding wordt geconstateerd die correctie behoeft, zal aan het bevoegd gezag moeten worden gerapporteerd, dat vervolgens moet besluiten al dan niet een sanctie op te leggen. De in artikel 8.27 van de Wet milieubeheer aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gegeven bevoegdheid om, indien dat in het algemeen belang geboden is, aan het bevoegd gezag een bindende aanwijzing te geven, ziet slechts op de inhoud van een te verlenen of reeds verleende vergunning en kan dus een eventueel gemeentelijk handhavingsgebrek niet opheffen. Wel kan het bevoegd gezag door de minister dringend worden aangespoord om handelend op te treden. Voorts laat zich denken, gelet ook op hetgeen onder 3.1.3 is overwogen, dat omwonenden van een inrichting in kennis worden gesteld van risico's die tijdens het toezicht zijn geconstateerd. De stelling van eisers dat de Staat als toezichthouder onmiddellijk had moeten ingrijpen, is door de rechtbank dan ook aldus verstaan, dat de rijkstoezichthouders op grond van de kennis die zij hadden of hadden moeten hebben van de toestand bij SEF, het bevoegd gezag tot actie jegens de exploitanten van die inrichting hadden moeten aanzetten en zo nodig zelf het publiek hadden moeten inlichten.

3.6.3. De Staat betwist dat bij hem wetenschap bestond of had moeten bestaan dat bij SEF "zwaarder" vuurwerk was opgeslagen dan was toegestaan.
De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen onder 3.5.7 is overwogen omtrent de aanwezigheid van niet vergund vuurwerk op het SEF-terrein. Ook de rijkstoezichthouders gingen af op de gevaarklassen die op de etiketten van de verpakkingen stonden vermeld. Te beantwoorden is dan nog de vraag of zij daarop ook mochten afgaan. De rechtbank stelt vast dat in de internationale verdragen ter zake van het transport van gevaarlijke stoffen de taak om toe te zien op een juiste verpakking en etikettering is neergelegd bij de bevoegde autoriteit in het land van herkomst. Uitgangspunt voor de autoriteiten in de doorvoerlanden en het bestemmingsland is dat verpakking en etikettering in orde zijn. De rechtbank dient dus na te gaan of er tot op het moment van de vuurwerkramp zodanige aanwijzingen van een niet met dit uitgangspunt overeenstemmende praktijk waren, dat dit bij het toezicht op het naar SEF getransporteerde vuurwerk niet meer mocht worden gevolgd.

3.6.4. In dit verband moet om te beginnen worden ingegaan op wat eisers hebben gesteld over de ramp in Culemborg, waar op 14 februari 1991 een vuurwerkfabriek is ontploft. Naar aanleiding daarvan is door TNO een onderzoek ingesteld. TNO heeft geconstateerd dat vuurwerk van de gevaarklasse 1.3 onder omstandigheden kan reageren als vuurwerk van de gevaarlijker klasse 1.1. De conclusies en aanbevelingen van het rapport bevatten de volgende passage: "Het zonder meer omzetten van de transportclassificatie in een classificatie voor andere doeleinden moet ten sterkste worden afgeraden, zeker wanneer het vuurwerk niet meer in de verpakking wordt opgeslagen en er modificaties aan het vuurwerk hebben plaatsgevonden."12
Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat op grond van deze bevindingen niet de conclusie getrokken kan worden dat de rijkstoezichthouders hadden moeten weten dat de etiketten op de verpakkingen van het vuurwerk bij een voor opslag bestemde inrichting als SEF niet correspondeerden met de inhoud. Aangezien SEF geen vuurwerkfabriek was, kan in het midden blijven of de voor het transport ontwikkelde indeling in gevaarklassen bruikbaar is voor de controle op de fabricage van vuurwerk.
Eisers hebben voorts bij repliek (productie 48) een lijst overgelegd van vuurwerkongevallen met doden en gewonden in andere landen in de periode van 1905 tot en met 2001. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, kunnen aan deze lijst echter geen conclusies worden verbonden over wetenschap van de Staat inzake het hier aan de orde zijnde classificatieprobleem. Hetzelfde geldt voor de bij akte bij pleidooi overgelegde tijdschriftartikelen, waarop eisers ten pleidooie verder in het geheel niet zijn ingegaan.

3.6.5. Dat in ieder geval bij het bureau Adviseur Milieuvergunningen en de Rijksverkeersinspectie wetenschap bestond van het feit dat de vlag de lading niet altijd dekte, is door eisers mede onderbouwd aan de hand van verklaringen die de gewezen defensiemedewerker H.B. Bouma en rijksverkeersinspecteur L.W. Creemers naderhand tegenover de regionale politie hebben afgelegd. Uit de verklaring van Bouma blijkt dat hij in 1995/1996 in verband met illegale handel in vuurwerk met het openbaar ministerie heeft gesproken over verkeerde classificatie. De verklaring van Creemers betreft een verslag van een vuurwerkevenement op 18 oktober 1999 waarin hij meldt dat Smallenbroek te Enschede (mogelijk is bedoeld: SEF) vermoedelijk verkeerd geclassificeerd vuurwerk uit China had geÔmporteerd en geleverd aan het bedrijf Haarman. Deze incidenten zijn echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat de rijkstoezichthouders hadden moeten weten dat de etikettering bij SEF in het algemeen niet deugde.

3.6.6. De rechtbank komt op grond van hetgeen in rechtsoverwegingen 3.6.4 en 3.6.5 is overwogen tot de slotsom dat de rijkstoezichthouders met de kennis waarover zij indertijd beschikten, mochten afgaan op de gevaarklassen als vermeld op de etiketten van het bij SEF opgeslagen vuurwerk. Derhalve is de Staat jegens eisers niet aansprakelijk op grond van een specifiek gebrek aan toezicht op de naleving van de milieuwetgeving.

3.7. Conclusie

Al het voorgaande mondt uit in de conclusie dat de vorderingen moeten worden afgewezen.
Eisers zullen als in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen. Ten aanzien van de gemeente zal deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu zij daarom heeft verzocht. Voor de door haar gevraagde hoofdelijke veroordeling bestaat echter geen grond.


BESLISSING

De rechtbank:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt eisers gezamenlijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ieder der gedaagden begroot op € 181,51 aan griffierecht en € 2.340,- aan salaris van de procureur;

- verklaart deze veroordeling ten aanzien van de gemeente uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs R.A.C. van Rossum (38), P.A. Koppen (31) en A.V. van den Berg (22) en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Deze letters staan voor: "Special Effects".
2 Deze classificatie is gebaseerd op de "Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Model Regulations" van de Verenigde Naties.
3 Zie in dit verband de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 juni 2002 in de zaak ÷neryildiz/Turkije, in de Franse versie gepubliceerd in 'European Human Rights Cases' 2002/64.
4 Eindrapport deel I ß 6.8
5 Onderzoekrapport A blz. 266-267
6 zie de artikelen 100, eerste lid, aanhef en onder b, en 113, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet en voor de periode tot 1 oktober 1992 de vrijwel identieke artikelen 85, eerste lid, aanhef en onder b, en 100, aanhef en onder b, van de Woningwet 1962
7 voluit: de Hoofdinspecteur en de regionale inspecteurs van de Volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiŽne van het milieu, en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen
8 te weten: het hoofd van het bureau Adviseur Milieuvergunningen van de directie Materieel Koninklijke Landmacht, alsmede de onder zijn bevelen werkzame ambtenaren met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen
9 namelijk: de ambtenaren van de Rijksverkeersinspectie die bij het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar RVI 1995 zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar
10 zie het Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren milieuwetgeving, dat met ingang van 1 januari 2002 is vervangen door het Besluit aanwijzing toezichtambtenaren VROM-regelgeving
11 zie de artikelen 3 en 12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren milieuwetgeving en artikel 5, derde lid, van het Besluit aanwijzing toezichtambtenaren VROM-regelgeving
12 Verslag van het Prins Maurits Laboratorium TNO betreffende de explosie van de vuurwerkfabriek 'MS Vuurwerk' te Culemborg op donderdag 14 februari 1991, april 1991, blz. 19

 

 

Per email ontvangen?

Streep onder Fireworks-zaken?

ENSCHEDE - De strafzaken tegen de directeuren Rudi Bakker en Willie Pater van het ontplofte Enschedese vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks, zijn defintief ten einde. Het duo, dat door het Gerechtshof was veroordeeld tot een jaar cel, stapte na een vruchteloze cassatie bij de Hoge Raad naar het Europese Hof. Dat heeft nu geoordeeld dat hun zaak niet-ontvankelijk is. Dat maakte een lid van dat hof in Straatsburg vrijdag bekend.

 

Vuurwerk is weer in het land

Nog ruim een maand voordat in drie dagen tijd de overheid de penningen opstrijkt van een product waarvan zij niet kon veronderstellen dat het zo zou reageren. (uitspraak in de zaak Grolsch) In de haven van Rotterdam en Amsterdam staan de containers weer opgestapeld, bij de handelaren vullen zich de opslagplaatsen, maar inmiddels zijn er onlangs op kosten van dezelfde Overheid testen gehouden in Canada en Polen, de toeschouwers allen onder de indruk, onmiddellijk zijn op voorhand, officieel rapport komt pas februari 2006 uit, alle plannen hoe op te treden, bij een incident, aangepast. Het vuurwerk was van samenstelling niet anders als van voor 2000, de regels wel, wie betaalt, bepaald en de leugen regeert, zelfs handelen tegen Internationale wet- en regelgeving in was toegestaan, immers daar was al in beschreven hoe het zou kunnen reageren. Is een Overheid die nu wel weet hoe vuurwerk, bij onjuiste behandeling, kan reageren nog geloofwaardig terwijl zij thans niet voorkomt dat een product wat in de duur van haar bestaan de grootste milieubelasting oplevert naast het gevaar voor ongevallen met letsel of erger de dood, nog verkocht mag worden. De opbrengsten wegen kennelijk zwaarder, wellicht omdat de schulden van eigen falen op die 13e nog niet helemaal vereffend zijn. De veroordeling is niets meer als een maskering van een Overheid die niet kan toegeven aan aansprakelijkheid, je zult maar slachtoffer zijn.

 

Staat niet aansprakelijk voor vuurwerkramp

’s-Gravenhage, 9 november 2005 – De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op 9 november 2005 voor de tweede maal uitgesproken dat de Staat niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de vuurwerkramp te Enschede, waar op 13 mei 2000 de vuurwerkopslagplaats S.E. Fireworks is ontploft. De eerste zaak was aangespannen door drie slachtoffers tegen de Staat en de gemeente Enschede. Thans betreft het een vordering van de verzekeraars van onder meer de ter plaatse gevestigde Grolsche Bierbrouwerij Nederland B.V. De betrokken verzekeringsmaatschappijen hebben aan de Grolschbedrijven ruim 60 miljoen euro uitgekeerd. Zij verlangen dat deze schade door de Staat aan hen wordt vergoed. Na de ramp is de regelgeving met betrekking tot vuurwerk aangescherpt. Als wordt aangenomen dat de ramp zou zijn voorkomen als het huidige Vuurwerkbesluit al op 13 mei 2000 van kracht zou zijn geweest, dan volgt daaruit echter nog niet dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Om aansprakelijkheid van de Staat te kunnen vaststellen, moet niet zozeer naar de gevolgen, maar vooral naar de oorzaken van de ontploffingen op 13 mei 2000 worden gekeken, met als uitgangspunt de wetenschap die de Staat tot op het moment van de ramp bezat. De rechtbank concludeert dat aansprakelijkheid van de Staat niet kan worden gebaseerd op gebreken in de toenmalige wet- en regelgeving.

De rechtbank is voorts uitvoerig ingegaan op de vraag of de betrokken rijksinspecties voor de ramp aansprakelijk kunnen worden gehouden wegens falend toezicht op de naleving van de milieuwetgeving. De rechtbank neemt aan dat zich op het opslagterrein veel vuurwerk van een zwaardere gevaarklasse heeft bevonden dan was toegestaan. Deze zwaardere gevaarklasse was echter niet af te lezen aan de etiketten die in de exporterende landen (vooral China) waren aangebracht. De rechtbank heeft onderzocht of de rijksinspecties reden hadden om die etiketten te wantrouwen. Daarbij is onder meer aandacht besteed aan de ontploffing die in 1991 heeft plaatsgevonden in een vuurwerkbedrijf in Culemborg. Ook komen de verklaringen aan bod die rijksinspecteurs na de ramp hebben afgelegd. Een en ander is volgens de rechtbank echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Staat ondanks de etikettering had moeten weten dat op het terrein van S.E. Fireworks massa-explosief vuurwerk opgeslagen lag. 

Bovenstaand van de Rechtbank Den Haag. Alleen voor de eigenaren is het anders ! Meten met verschillende maten is tekenend voor dit Rechtspraak in dit corrupte land. Ook deze rechtbank wordt nog op haar wenken bediend. ! De rechtbank neemt aan dat zich op het opslagterrein veel vuurwerk van een zwaardere gevaarklasse heeft bevonden dan was toegestaan. Deze zwaardere gevaarklasse was echter niet af te lezen aan de etiketten die in de exporterende landen (vooral China) waren aangebracht. De rechtbank neemt aan! Dus gespeculeer en aanname zonder dat men ook maar iets inhoudelijks weet van de wet en regelgeving zowel Nationaal als Internationaal ten aanzien van Vuurwerk en ADR ! Schandalig optreden , ook van de rechtbank. ! Gebaseerd op aanname`s daar was ook TNO en NFI goed in. ! De Rechtspraak is ziek ernstig ziek in dit land. ! En die zieken beÔnvloeden ook nog eens de rechtspraak in het Buitenland. ! Schaam je als je Nederland bent en dit toestaat. !

Ik ben het volledig met TVW eens, ridicuul om maar aan te nemen dat te veel en te zwaar vuurwerk aanwezig was, en direct de oorzaak is. Te dol voor woorden. Er daar dus op te (ver)oordelen! Gevaarlijk!!! Maar er is iets (nog) gevaarlijker, stel dŠt, stel dŠt er nog nieuwe inzichten komen die het "te veel en te zwaar" ondermijnen, wŠt dan? Dan komt er nog meer vuurwerk, van een geheel ander soort.

 

 

LJN: AZ5878, Rechtbank Almelo , 05/801 Print uitspraak
Datum uitspraak: 10-01-2007
Datum publicatie: 10-01-2007
Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Wob. Minister van justitie weigert onderzoeksrapport Rijksrecherche openbaar te maken over het functioneren van het Tolteam, dat het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp in Enschede verrichtte. Vernietiging beslissing op bezwaar. Motiveringsgebrek.
Uitspraak
RECHTBANK ALMELO
Sector bestuursrecht



Registratienummer: 05 / 801 WOB N1 A

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 10 januari 2007

in het geschil tussen:

Dagblad Tubantia/Twentsche Courant B.V.
gevestigd te Enschede, eiseres,
gemachtigde: mr. M.W. Verhoeven, advocaat te Apeldoorn,

en

de Minister van Justitie,
verweerder.


1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 30 juni 2005.

2. De feiten en het verloop van de procedure
Op 10 februari 2005 heeft [betrokkene], redacteur nieuwsdienst van De Twentsche Courant, zich namens eiseres tot verweerder gewend met het verzoek om openbaarmaking van de volgende documenten:
a. het rapport van de Rijksrecherche over het functioneren van het zogenaamde Tolteam, dat de vuurwerkramp heeft onderzocht (hierna aan te duiden als: rijksrechercherapport);
b. het ambtsbericht van het College van procureurs-generaal aan verweerder betreffende het rijksrechercherapport (hierna aan te duiden als: ambtsbericht);
c. de voortgangsrapportages van het Bureau Interne Zaken van het regiopolitiekorps Gelderland-Midden (BIZ) van respectievelijk 27 augustus 2003, 12 oktober 2003 en 16 november 2003 aan de korpsbeheerder van de politieregio Twente (hierna aan te duiden als: BIZ-voortgangsrapportages);
d. een vertrouwelijke brief van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer (5331808/505/V) naar aanleiding van vragen van de vaste commissie voor justitie (hierna aan te duiden als: vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer).
Hierbij is een beroep gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 28 februari 2005 heeft verweerder het verzoek om openbaarmaking van deze documenten afgewezen omdat de uitzonderingsgronden genoemd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, en het tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob zich tegen openbaarmaking van de door eiseres gevraagde documenten verzetten. Openbaarmaking van de onder b) en c) genoemde documenten is voorts geweigerd op grond van artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wob.

Tegen dit besluit is op 8 april 2005 namens eiseres bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 30 juni 2005, namens verweerder genomen door de plaatsvervangend secretaris-generaal, heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard, te weten voor zover het is gericht tegen het gebruik van de uitzonderingsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob, en met betrekking tot een motiveringsgebrek ten aanzien van de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 28 februari 2005 in stand gelaten.

Blijkens het beroepschrift van 12 juli 2005 kan eiseres zich niet met dit besluit verenigen.
Verweerder heeft op 12 oktober 2005 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bij beslissing ex artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 7 november 2005 bepaald dat kennisneming van de gedingstukken 1 tot en met 5, houdende de hiervoor genoemde documenten ten aanzien waarvan eiseres om openbaarmaking heeft verzocht, niet wordt toegestaan. Eiseres heeft op 15 november 2005 de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming verleend om mede op de grondslag van bedoelde gedingstukken uitspraak te doen.

De rechtbank heeft verweerder bij schrijven van 12 mei 2006 vragen gesteld over onder meer de bevoegdheid van de plaatsvervangend secretaris-generaal om namens verweerder te beslissen op het bezwaar van eiseres. Bij schrijven van 12 juni 2006 heeft verweerder hierop gereageerd. Bij brieven van 11 juli 2006 en 21 augustus 2006 heeft verweerder aanvullende stukken toegezonden, te weten de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005, de Mandaatregeling DG’s, NCTb en plv. SG Justitie 2005 en de Organisatieregeling Ministerie van Justitie 2005.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 29 november 2006, waar voor eiseres is verschenen [betrokkene], voornoemd, bijgestaan mr. M.W. Verhoeven, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. van Geloven en mr. H.S. Winkler, beiden werkzaam in dienst van verweerders ministerie.

3. Overwegingen
In geschil is de vraag of het besluit van 30 juni 2005 in rechte in stand kan blijven.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privť-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Het tweede lid, voor zover van belang, bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien.

In het eerste lid van artikel 10 van de Grondwet is bepaald dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Het tweede en derde lid van dit artikel bepaalt dat de wet regels stelt ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens, respectievelijk inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.


Artikel 2 van de Wob bepaalt dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie verstrekt overeenkomstig deze wet en daarbij uitgaat van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een overheidsorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van een overheidsorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Artikel 3, vijfde lid, van de Wob bepaalt dat een verzoek wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van:
c) de opsporing en vervolging van strafbare feiten,
e) de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en
g) het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

In artikel 11, eerste lid, van de Wob is bepaald dat in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, van dit artikel kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering over persoonlijke beleidsopvattingen informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. De tweede volzin van dit artikellid bepaalt dat indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, de informatie in tot personen herleidbare vorm kan worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wob wordt onder intern beraad verstaan: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wob wordt onder persoonlijke beleidsopvattingen verstaan: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van ťťn of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.

Standpunten van partijen

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar zijn (primaire) besluit van 28 februari 2005, het volgende overwogen.
- Met betrekking tot artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob:
Nu uit het onderzoek van de Rijksrecherche naar voren is gekomen dat er geen sprake is van laakbaar handelen, dan wel strafbare feiten, kan er geen sprake zijn van de uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob.
- Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob:
Er kan niet worden uitgesloten dat op enig moment nog (strafrechtelijk) onderzoek zal plaatsvinden naar de vuurwerkramp, aangezien tot de verjaring van het strafbare feit dergelijk onderzoek nog steeds mogelijk is. Aangenomen kan worden dat de inhoud van het rijksrechercherapport van belang kan zijn in een eventueel te (her)openen strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp. Geoordeeld wordt dan ook dat van de situatie dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten in de toekomst zou kunnen worden gefrustreerd - zoals in de memorie van toelichting is opgenomen - nog immer sprake is. Het eventueel te heropenen onderzoek zou kunnen worden gefrustreerd door de openbaarmaking van het rijksrechercherapport.
- Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob:
In het onderhavige geval is niet alleen sprake van rechercheurs en politiefunctionarissen van wie verklaringen in het proces-verbaal van de Rijksrecherche zijn opgenomen, maar ook van medewerkers van andere betrokken instanties, zoals het Openbaar Ministerie en van personen die geen ambtenaar zijn. Gelet op artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM geldt dat het verstrekken van informatie over een individu in de regel als een inbreuk op diens persoonlijke levenssfeer dient te worden aangemerkt. Gelet op de aard van de gevraagde informatie - het betreft een onderzoek naar mogelijk ernstige feiten - dient het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van hen die als getuigen c.q. betrokkenen hebben meegewerkt aan het rijksrechercheonderzoek zwaarder te wegen dan het openbaarheidsbelang. Verstrekking van een geanonimiseerde versie van het gevraagde document kan niet aan de orde zijn, omdat eiseres zeer wel op de hoogte is van de identiteit van degenen die (als getuigen) aan het rijksrechercheonderzoek hebben meegewerkt en deze identiteit al zou kunnen achterhalen door het kennis nemen van de verklaringen die zij hebben afgelegd.
- Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob:  
Het slagen van onderzoeken als het onderhavige is vaak afhankelijk van de vrijwillige medewerking daaraan door personen die bereid zijn de onderzoekers van informatie te voorzien. Het is van belang dat een ieder deze medewerking kan verlenen, zonder dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verklaringen, anders dan voorzien in het wetboek van strafvordering, in de openbaarheid worden gebracht. Zou dat anders zijn dan moet worden gevreesd dat in de toekomst in onderzoeken als het onderhavige betrokkenen in afnemende mate bereid zullen zijn hun medewerking te verlenen. Derhalve is sprake van onevenredige benadeling van de overheid, indien verklaringen van de betrokkenen openbaar zouden worden gemaakt. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van openbaarheid.

In beroep heeft eiseres, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.
- Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c:
Verweerder kan geen beroep doen op deze - slechts ten aanzien van het rijksrechercherapport ingeroepen - uitzonderingsgrond, aangezien het rijksrechercherapport een feitenonderzoek betreft en niet kan worden ingezien dat er op enigerlei wijze nog verdachten in beeld kunnen komen ter zake van de schuldvraag met betrekking tot de vuurwerkramp. Volstrekt onaannemelijk is dat er - ruim 6 jaar na dato - nog een anonieme tip zou kunnen binnenkomen. Daarnaast dient het belang van openbaarmaking te prevaleren boven het belang van opsporing en vervolging.
- Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e:
Verweerder ziet over het hoofd dat een inbreuk op artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM onder omstandigheden gerechtvaardigd is indien dit bij wet is voorzien. Hierin voorziet de Wob, waarbij moet worden aangetekend dat ook aan artikel 7 van de Grondwet groot gewicht dient te worden toegekend. Ter zake moet opgemerkt worden dat de Wob bij de hier aan de orde zijnde uitzonderingsgrond uitgaat van een belangenafweging, dat eiseres, zoals zij reeds had aangegeven, subsidiair zou kunnen instemmen met het verstrekken van het rijksrechercherapport in geanonimiseerde vorm en dat het rijksrechercherapport een feitenonderzoek betreft. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat er sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie van de - toenmalige - Afdeling rechtspraak van de Raad van State dat de persoonlijke levenssfeer niet aan de orde is als een oordeel wordt gegeven over het beroepshalve functioneren. Verder is het aan verweerder om nader te onderbouwen dat eiseres op de hoogte zou zijn van de identiteit van de in het kader van het rijksrechercheonderzoek gehoorde getuigen en deze identiteit zou kunnen achterhalen door kennisneming van de verklaringen die zij hebben afgelegd. Als eiseres al op de hoogte zou zijn van de identiteit van de gehoorde getuigen en hun verklaringen, is het de vraag hoe in dat geval nog sprake zou kunnen zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer omdat dan slechts feiten bekend worden die al bekend zijn.
- Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g:
Niet valt in te zien dat bij verstrekking van de gevraagde documenten sprake is van benadeling van de overheid. Subsidiair, aannemende dat sprake zou kunnen zijn van enige benadeling, staat daarmee geenszins vast dat die benadeling dan ook (daadwerkelijk) onevenredig is. Verweerder heeft dit onvoldoende gemotiveerd. Aan die benadeling zou overigens tamelijk eenvoudig tegemoet kunnen worden gekomen door de betreffende stukken in geanonimiseerde vorm ter beschikking te stellen dan wel ‘gevoelige passages’ weg te laten.
- Met betrekking tot artikel 11, eerste lid:
Verweerder heeft daarbij slechts het oog gehad op de BIZ-voortgangsrapportages en het ambtsbericht en niet op het rijksrechercherapport of de vertrouwelijke brief. Het dient te gaan om stukken met betrekking tot intern beraad waarbij dan geen informatie wordt verstrekt over de persoonlijke beleidsopvattingen. Geheel subsidiair bestaat er van de kant van eiseres geen bezwaar tegen indien de betreffende stukken geanonimiseerd ter beschikking worden gesteld.

Bij zijn verweerschrift en ter zitting heeft verweerder, voor zover van belang en samengevat weergegeven, nog het volgende naar voren gebracht.
Ten aanzien van alle documenten wordt vastgehouden aan de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob neergelegde uitzonderingsgronden.
- Wat betreft het belang van opsporing en vervolging (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob):
Op geen enkele wijze is uit te sluiten dat op enigerlei wijze verdachten in beeld kunnen komen; een enkele anonieme tip zou al voldoende kunnen zijn. Omdat er nog geen verdachte is veroordeeld, is de kans op heropening van het (strafrechtelijk) onderzoek reŽel. De aard/zwaarte van de zaak is hierbij ook van belang. De vuurwerkramp heeft grote impact gehad en de kans is groot dat er op enig moment weer een aanknopingspunt naar boven komt om de zaak te heropenen.
- Wat betreft het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob):
Naar hun aard zijn onderzoeken als dat van de Rijksrecherche gevoelig en behoeven derhalve discretie en medewerking van de personen die aan dergelijke onderzoeken meewerken. Dit is een zwaarwegend maatschappelijk belang. Het ongestoord kunnen plaatshebben van (schriftelijk) overleg en afleggen van verantwoording in dit soort aangelegenheden rechtvaardigt een beroep op de hier aan de orde zijnde uitzonderingsgrond. Daarnaast is van belang dat de gehoorde functionarissen hun persoonlijke mening hebben gegeven, hetgeen los van hun functie moet worden gezien.
- Wat betreft het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob):

Het gaat niet alleen om de overheid die geschaad wordt door openbaarmaking van de betreffende stukken, maar ook om ambtenaren. Indien ambtenaren bij interne berichten rekening zouden moeten houden met openbaarmaking, ontstaat er een onwerkbare situatie. Verder is op de Staat als rechtspersoon de hier aan de orde zijnde uitzonderingsgrond van toepassing.
Ten aanzien van de BIZ-voortgangsrapportages en het ambtsbericht wordt de in artikel 11, eerste lid, van de Wob neergelegde beperking gehandhaafd, omdat de feitelijke informatie in deze documenten nauw verweven is met de daarin neergelegde persoonlijke beleidsopvattingen.

Overwegingen van de rechtbank

Ter beoordeling staat de vraag of verweerder openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen), het ambtsbericht, de BIZ-voortgangsrapportage en de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer achterwege heeft kunnen laten op de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob neergelegde uitzonderingsgronden. Daarnaast moet worden beoordeeld of verweerder terecht de in artikel 11, eerste lid, van de Wob neergelegde beperking op het ambtsbericht en de BIZ-voortgangsrapportages van toepassing heeft geacht en terecht uit dien hoofde heeft geweigerd die stukken openbaar te maken. Voorts staat ter beoordeling de vraag of terecht is geoordeeld dat anonimisering en/of opschoning van de documenten ten aanzien waarvan openbaarmaking is verzocht geen mogelijkheid biedt om deze documenten openbaar te maken.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) reeds meermalen heeft overwogen, dient het recht van openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering en komt dat recht aan iedere burger in gelijke mate toe, zodat geen onderscheid kan worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob worden het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie, welk belang de Wob vooronderstelt, en de door de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, van de Wob te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de verzoeker.

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS dient de vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet door de rechter integraal te worden getoetst. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag wijkt de rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

Het rijksrechercherapport (met bijlagen), waarvan eisers de openbaarmaking hebben verzocht, is opgemaakt na een (feiten)onderzoek door de Rijksrecherche dat heeft plaatsgevonden na een onderzoek door Bureau Interne Zaken van het regiopolitiekorps Gelderland Midden, ten einde helderheid te verschaffen of mogelijk sprake is geweest van strafbare feiten en/of plichtsverzuim van medewerkers van de regiopolitie Twente tijdens het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp op 13 mei 2000 te Enschede. Het ambtsbericht betreft een beschrijving van de opzet van het (feiten)onderzoek van de Rijksrecherche en de resultaten van dat onderzoek. De BIZ-voortgangsrapportages betreffen de voorlopige resultaten van het interne onderzoek naar eventuele onregelmatigheden bij het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp. De vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer betreft verweerders antwoorden op kamervragen naar aanleiding van de openbaar gemaakte conclusies van het rijksrechercherapport.

Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van deze stukken, overweegt de rechtbank het volgende.

De opsporing en vervolging van strafbare feiten (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob)

Verweerder heeft deze uitzonderingsgrond ingeroepen omdat zijns inziens door openbaarmaking van de documenten ten aanzien waarvan eiseres om openbaarmaking heeft verzocht een eventueel toekomstig te (her)openen (strafrechtelijk) onderzoek naar de vuurwerkramp te Enschede zou kunnen worden gefrustreerd.

Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob beoogt deze uitzonderingsgrond te voorkomen dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten zou kunnen worden gefrustreerd door openbaarmaking van gegevens die opsporingsambtenaren of het Openbaar Ministerie inmiddels hebben vergaard. De rechtbank leidt hieruit af dat de onderhavige uitzonderingsgrond in beginsel ook kan worden ingeroepen als het gaat om strafrechtelijke onderzoeken die nog niet in gang zijn gezet, doch naar haar oordeel dient er dan in ieder geval wel een concrete aanwijzing te zijn dat een dergelijk onderzoek zal gaan plaatsvinden. De mogelijkheid de onderhavige documenten openbaar te laten maken zou anders te veel afhankelijk zijn van een onzekere toekomstige gebeurtenis, hetgeen zich moeilijk laat rijmen met het hiervoor tot uitdrukking gebrachte uitgangspunt van de Wob.

Vast staat dat er ten tijde van het bestreden besluit - en ook ten tijde van de behandeling van het onderhavige beroep ter zitting - geen concrete aanwijzing was voor, c.q. geen enkel concreet zicht was op een nieuw, of te heropenen strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp te Enschede. Voorts stelt de rechtbank vast dat het rijksrechercherapport (met bijlagen), noch de overige daarmee verband houdende documenten ten aanzien waarvan om openbaarmaking is verzocht, de resultaten van een strafrechtelijk onderzoek bevat, maar de resultaten van een onderzoek naar het functioneren van het zogenoemde Tolteam. Voor zover de onderhavige documenten al gegevens bevatten, in de vorm van bewijsmiddelen, die door dit onderzoeksteam in het kader van het destijds verrichte strafrechtelijk onderzoek zijn vergaard - mobiele telefoon, rode sportbroek -, zijn deze gegevens al openbaar via het arrest van Gerechtshof Arnhem van 12 mei 2003, nummer 21-002277-02 (LJN AF8395), en via de openbaar gemaakte conclusies van het rijksrechercherapport.

Voor zover verweerder zich met het inroepen van de hier aan de orde zijnde uitzonderingsgrond op het standpunt stelt dat de documenten ten aanzien waarvan om openbaarmaking is verzocht inzicht geven in de tijdens het strafrechtelijke onderzoek naar de vuurwerkramp te Enschede gehanteerde opsporingsstrategieŽn en -methoden, stelt de rechtbank vast dat deze documenten daarin geen inzicht geven. Hierbij kan niet voorbij worden gezien aan de aard van het onderzoek van de Rijksrecherche, waarvan de resultaten in het rijksrechercherapport zijn neergelegd, te weten: een feitenonderzoek naar het functioneren van het Tolteam.

Gelet op het vorenoverwogene kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat het belang van opsporing en vervolging in dit geval niet aan de orde is en dus niet in de weg staat aan openbaarmaking van de documenten ten aanzien waarvan door eiseres om openbaarmaking is verzocht.


De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob)

Verweerder heeft deze uitzonderingsgrond ingeroepen omdat de documenten ten aanzien waarvan eiseres om openbaarmaking heeft verzocht niet alleen verklaringen van rechercheurs en politiefunctionarissen bevatten, maar ook verklaringen van medewerkers van andere betrokken instanties, zoals het Openbaar Ministerie, en van personen die geen ambtenaar zijn. In dit verband doet verweerder een beroep op artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Volgens verweerder is openbaarmaking van deze documenten in geanonimiseerde vorm niet mogelijk omdat de identiteit van degenen die aan het rijksrechercherapport hebben meegewerkt bekend is bij onder meer eiseres en deze identiteit kan worden achterhaald via de in de documenten opgenomen verklaringen.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat in het ambtsbericht geen verklaringen zijn opgenomen, zodat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich niet voordoet ten aanzien van dat document en dus niet in de weg staat aan openbaarmaking van het ambtsbericht.
In de tweede plaats stelt de rechtbank vast dat in de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer geen namen worden genoemd van degenen die in het kader van het BIZ- en rijksrechercheonderzoek (als getuigen) verklaringen hebben afgelegd.

Zoals de ABRS reeds meermalen heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 16 januari 1997, nummer H01.96.0140 (LJN AH6440), dient de Wob te worden aangemerkt als een wet in de zin van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM. Aangezien de Wob ook is aan te merken als een wet in de zin van artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet, dient verweerders weigering de betreffende documenten openbaar te maken naar het oordeel van de rechtbank te worden getoetst aan de Wob. In casu dient niet te worden getoetst of de persoonlijke levenssfeer van de in het rijksrechercherapport (met bijlagen) en de BIZ-voortgangsrapportages genoemde personen wordt geschonden door openbaarmaking van dat rapport, maar of het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer hier aan de orde is en zo ja, of verweerder bij afweging van dat belang tegen het openbaarheidsbelang in redelijkheid heeft kunnen weigeren deze documenten en de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer openbaar te maken.

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS kan met betrekking tot ambtenaren, waar het hun beroepshalve functioneren betreft, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet anders wanneer naar verwachting de openbaarmaking van de informatie omtrent het beroepsmatig functioneren van de betrokken ambtenaren een negatieve invloed kan hebben op hun persoonlijk leven, tenzij daardoor sprake zou zijn van een onevenredige benadeling in relatie tot het met de openbaarmaking te dienen belang.

Zoals hiervoor al is overwogen, zijn in het rijksrechercherapport (met bijlagen) de resultaten neergelegd van het (feiten)onderzoek van de Rijksrecherche naar het functioneren van het Tolteam en in de BIZ-voortgangsrapportages de voorlopig resultaten van het interne onderzoek naar eventuele onregelmatigheden bij het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp. Deze rapporten betreffen dus het beroepsmatige functioneren van degenen die deel uitmaakten van het Tolteam en die in verband daarmee verklaringen hebben afgelegd ten behoeve van de hiervoor bedoelde onderzoeken. Ook voor zover in het rijksrechercherapport en de BIZ-voortgangsrapportages sprake is van andere, bij het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp betrokken ambtenaren van wie verklaringen zijn opgenomen, gaat het naar het oordeel van de rechtbank om het beroepsmatig functioneren van ambtenaren. Deze verklaringen hebben zij immers afgelegd uit hoofde van hun functionele betrokkenheid bij bedoeld strafrechtelijk onderzoek. Het voorgaande is evenzeer van toepassing op de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer; verweerder beantwoordt bij deze brief immers kamervragen naar aanleiding van de openbaar gemaakte conclusies van het rijksrechercherapport.

Wat door verweerders gemachtigde ter zitting is verklaard in verband met hetgeen hiervoor is overwogen over het beroepsmatig functioneren van ambtenaren, komt er op neer dat onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘in functie’ en ‘als persoon’ afgelegde verklaringen, dat de verklaringen die in het rijksrechercherapport, de BIZ-voortgangsrapportages en de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer zijn opgenomen door de betrokken ambtenaren als persoon zijn afgelegd, waarbij zij hun persoonlijke visie op, kort gezegd, het functioneren van het Tolteam hebben gegeven, en dat om die reden onverkort een beroep kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

De rechtbank heeft echter moeten constateren dat bedoeld onderscheid noch in het bestreden besluit, noch in het verweerschrift is terug te vinden, terwijl ook de wet voor dat onderscheid geen grondslag biedt. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat, voor zover het rijksrechercherapport (met bijlagen), de BIZ-voortgangsrapportages en de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer betrekking hebben op (verklaringen van) rechercheurs, politiefunctionarissen en medewerkers van andere (overheids)instanties, deze documenten het beroepsmatig functioneren van ambtenaren betreffen, zodat slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Een zodanig beroep wordt naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet gerechtvaardigd door de aard van de gevraagde informatie, waarnaar verweerder in het bestreden besluit verwijst ten betoge dat het belang van degenen die als getuigen hebben meegewerkt aan het Rijksrecherche- en BIZ-onderzoek zwaarder dient te wegen dan het openbaarheidsbelang. Dat de openbaarmaking van de aan de orde zijnde documenten een negatieve invloed kan hebben op het persoonlijk leven van de desbetreffende ambtenaren is daarmee niet aangetoond. Ook anderszins heeft verweerder dit niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank verstrekking van een geanonimiseerde versie van het rijksrechercherapport en de BIZ-voortgangsrapportages, waarbij namen worden weggelakt, mogelijk. Voor de vertrouwelijke brief van verweerder aan de Tweede Kamer is dit niet eens nodig: zoals de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld, komen in deze brief geen namen voor. Verweerder heeft voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de identiteit van de betrokken ambtenaren kan worden achterhaald via de in de documenten opgenomen verklaringen die zij hebben afgelegd.

Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren in de weg staat aan openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen), de BIZ-rapportages en de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer.

Anders ligt dit voor zover in deze documenten sprake is van (verklaringen van) personen die geen ambtenaren zijn. Ten aanzien van hen kan immers wel ten volle een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder dit ook beoogd te doen, terwijl uit dit besluit ook naar voren komt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat bedoeld belang - voor niet-ambtenaren - zwaarder dient te wegen dan het openbaarheidsbelang.
Voor zover het gaat om personen die geen ambtenaar zijn, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer tegen het openbaarheidsbelang in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren de in de betreffende documenten opgenomen informatie, die op bedoelde personen betrekking heeft, openbaar te maken. Dit rechtvaardigt evenwel niet een weigering om deze gehele documenten openbaar te maken, nu het mogelijk is de op deze personen betrekking hebbende passages in het rijksrechercherapport, de BIZ-voortgangsrapportages en de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer weg te lakken.

Het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob)

Verweerder heeft deze uitzonderingsgrond ingeroepen omdat zijns inziens de overheid onevenredig wordt benadeeld indien de in het rijksrechercherapport (met bijlagen), het ambtsbericht, de BIZ-voortgangsrapportages en in de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer opgenomen verklaringen van betrokkenen openbaar zouden worden gemaakt. Verweerder wijst er in dit verband op dat openbaarmaking van die verklaringen het werk van bureaus interne zaken en de Rijksrecherche in de toekomst in hoge mate zal bemoeilijken wegens, kort gezegd, afnemende bereidheid om mee te werken aan onderzoeken als het onderhavige.

Zoals de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld, zijn in het ambtsbericht geen verklaringen opgenomen, zodat ook het in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob omschreven belang zich niet voordoet ten aanzien van dat document en dus niet in de weg staat aan openbaarmaking van het ambtsbericht.

Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat in dit soort gevallen, waarin het gaat om door de overheid uitgebrachte rapporten, openbaarmaking kan worden geweigerd met een beroep op onevenredige benadeling van de overheid - waaronder in dit geval kennelijk moet worden verstaan: de ambtenaren en Staat der Nederlanden -, bijzondere omstandigheden daargelaten. Zou dat wel zo zijn, dan zou immers openbaarmaking van ieder van overheidswege uitgebracht rapport op die grond kunnen worden geweigerd, wat zich niet verdraagt met het uitgangspunt van de Wob dat openbaarheid regel is.

Van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat in het onderhavige geval een beroep kan worden gedaan op onevenredige benadeling van de overheid, is niet gebleken. Als een zodanige omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen de door verweerder gestelde bemoeilijking van het werk van de Rijksrecherche en van bureaus interne zaken wegens afnemende bereidheid om mee te werken aan onderzoeken, nog daargelaten dat verweerder niet dan wel onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van verklaringen die zijn opgenomen in het rijksrechercherapport (met bijlagen), de BIZ-voortgangsrapportages en in de vertrouwelijke brief aan de Tweede kamer de bereidwilligheid om in de toekomst mee te werken aan onderzoeken als waar het hier om gaat in negatieve zin zal beÔnvloeden.

Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval het in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob omschreven belang in de weg staat aan openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen), de BIZ-voortgangsrapportages en de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer.
Intern beraad (artikel 11, eerste en tweede lid, juncto artikel 1, aanhef en onder c en f, van de Wob)

Volgens verweerder zijn het ambtsbericht en de BIZ-voortgangsrapportages opgesteld ten behoeve van intern beraad en zijn in deze documenten persoonlijke beleidsopvattingen neergelegd, waarover geen in niet tot personen herleidbare informatie kan worden verstrekt.

Daargelaten of het ambtsbericht en de BIZ-voortgangsrapportages zijn aan te merken als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wob, ziet de rechtbank niet in, mede gelet op de aard van bedoelde stukken, dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn neergelegd, in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, van de Wob. Immers, zoals hiervoor al is vermeld, betreft het ambtsbericht een beschrijving van de opzet van het (feiten)onderzoek door de Rijksrecherche en de resultaten van dat onderzoek en betreffen de BIZ-voortgangsrapportages de voorlopige resultaten van het interne onderzoek naar eventuele onregelmatigheden bij het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in artikel 11, eerste lid, van de Wob neergelegde beperking niet op het ambtsbericht en de BIZ-voortgangsrapportages van toepassing is en dat verweerder ten onrechte op die grond heeft geweigerd genoemde stukken openbaar te maken.

Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerders bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om het rijksrechercherapport (met bijlagen), het ambtsbericht, de BIZ-voortgangsrapportages en de vertrouwelijke brief aan de Tweede Kamer openbaar te maken niet berust op een deugdelijke motivering. Derhalve is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (€ 644,--: indienen beroepschrift: 1 punt, behandeling ter zitting: 1 punt; € 322,-- per punt) en de door de vertegenwoordiger van eiseres gemaakte reiskosten (Enschede - Almelo v.v.)

Beslist wordt derhalve als volgt:


4. Beslissing
De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

-  verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
-  bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
-  veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 651,--, door de Staat der Nederlanden te vergoeden aan eiseres;
-  verstaat dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het griffierecht ad € 276,-- vergoedt..

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.


Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, mr. J.H. Keuzenkamp en mr. W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier.


Afschrift verzonden op 10 januari 2007
AW

 

LJN: AZ5879, Rechtbank Almelo , 05/440 Print uitspraak
Datum uitspraak: 10-01-2007
Datum publicatie: 10-01-2007
Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Wob. Minister van justitie weigert onderzoeksrapport Rijksrecherche openbaar te maken over het functioneren van het Tolteam, dat het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp in Enschede verrichtte. Vernietiging beslissing op bezwaar. Motiveringsgebrek.
Uitspraak
RECHTBANK ALMELO
Sector bestuursrecht



Registratienummer: 05 / 440 WOB N1 A

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 10 januari 2007

in het geschil tussen:

[Eiser 1] en [Eiser 2],
beiden wonende te [plaats], eisers,
gemachtigde: mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort,

en

de Minister van Justitie,
verweerder.


1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 4 maart 2005.

2. De feiten en het verloop van de procedure
Eisers hebben zich op 6 juli 2004 tot de Hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket gewend met het verzoek om toezending van het volledige onderzoeksrapport van de Rijksrecherche met de resultaten van het feitenonderzoek naar, kort gezegd, het functioneren van het zogenaamde Tolteam in het (strafrechtelijk) onderzoek naar de vuurwerkramp die op 13 mei 2000 te Enschede heeft plaatsgevonden (hierna aan te duiden als: rijksrechercherapport). Hierbij hebben eisers een beroep gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 28 juli 2004 heeft de (plaatsvervangend) Hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket het verzoek om openbaarmaking van het rijksrechercherapport afgewezen omdat de uitzonderingsgronden genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob zich tegen openbaarmaking van het rijksrechercherapport verzetten.

Tegen dit besluit is op 7 september 2004 namens eisers bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij schrijven van 15 oktober 2004.

Eisers zijn op 4 november 2004 omtrent hun bezwaar gehoord.

Bij het bestreden besluit van 4 maart 2005, namens verweerder genomen door het College van procureurs-generaal, is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Blijkens het beroepschrift van 15 april 2005 kunnen eisers zich niet met dit besluit verenigen.
Verweerder heeft op 18 mei 2005 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bij beslissing ex artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 juni 2005 bepaald dat kennisneming van het gedingstuk gemerkt A (rood) en dat op het voorblad is aangeduid met “Rijksrecherche” en “Rapportage feitenonderzoek” niet wordt toegestaan. Aangezien eisers niet de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming hebben verleend om mede op de grondslag van dat gedingstuk uitspraak te doen, heeft de rechtbank het betreffende gedingstuk op 27 juli 2005 aan verweerder geretourneerd.

Bij schrijven van 14 december 2005 heeft verweerder desgevraagd nog een aantal aanvullende stukken overgelegd. De gemachtigde van eisers heeft bij brief van 29 maart 2006 aanvullende stukken in het geding gebracht.

Het beroep van eisers was geagendeerd voor de openbare zitting van de rechtbank van 13 april 2006. Deze behandeling is uitgesteld omdat eisers kort voor de zitting alsnog de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming hadden verleend om mede uitspraak te doen op basis van het gedingstuk ten aanzien waarvan de rechtbank beperkte kennisneming als bedoeld in het tweede lid van dat artikel gerechtvaardigd had bevonden, in verband waarmee het betreffende stuk wederom bij verweerder moest worden opgevraagd.

Bij schrijven van 12 april 2006 heeft verweerder dat stuk opnieuw toegezonden.

De rechtbank heeft verweerder bij schrijven van 12 mei 2006 vragen gesteld over onder meer de bevoegdheid van het College van procureurs-generaal om namens verweerder te beslissen op het bezwaar van eisers. Bij schrijven van 12 juni 2006 heeft verweerder hierop gereageerd.

De rechtbank heeft de gemachtigde van eisers bij schrijven van 4 september 2006 gevraagd om, voor het geval hij voornemens zou zijn om voor een nieuwe zitting dezelfde getuigen op te roepen als die hij voor de in maart 2006 geagendeerde zitting had opgeroepen, mede te delen waarover deze getuigen kunnen verklaren in het licht van de gronden waarop het Wob-verzoek van eisers is afgewezen en hetgeen daarover in beroep is aangevoerd.
Bij schrijven van 27 september 2006 heeft eisers gemachtigde hierop gereageerd.

Bij schrijven van 27 oktober 2006 heeft eisers gemachtigde aangekondigd dat voor de zitting waarop het beroep van eisers zal worden behandeld als getuigen worden opgeroepen [getuige 1], hoofd Bureau Interne Zaken van de politie Gelderland Midden, [getuige 2], projectleider Bureau Interne Zaken van dat politiekorps.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 29 november 2006, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. J. Peters, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. van Geloven, werkzaam bij verweerders ministerie. Tevens is verschenen de door eisers gemachtigde opgeroepen getuige [getuige 2]. Ter zitting is eisers gemachtigde in de gelegenheid gesteld om deze getuige te horen over de door verweerder gehanteerde gronden waarop verweerder heeft geweigerd het rijksrechercherapport openbaar te maken.
3. Overwegingen
Formeel
Zoals al in rubriek 2 van deze uitspraak is overwogen, heeft het College van procureurs-generaal namens verweerder beslist op het bezwaar van eisers tegen het besluit van de Hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket van 28 juli 2004, waarbij het verzoek van eisers om openbaarmaking van het rijksrechercherapport is afgewezen. Desgevraagd heeft verweerder bij zijn - eveneens in deze rubriek vermelde - brief van 12 juni 2006 te kennen gegeven dat hij beoogd heeft aan het College van procureurs-generaal mandaat te verlenen ten behoeve van de afdoening van Wob-verzoeken als dat van eisers, daaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, doch dat dit niet in een mandaatregeling is neergelegd. Nu het beoogde mandaat een algemeen mandaat betreft, had dit, gelet op het bepaalde in artikel 10:5, tweede lid, van de Awb, schriftelijk moeten zijn verleend. Vast staat dat dit niet is gebeurd, zoals verweerder in voornoemde brief ook heeft erkend, zodat aan het bestreden besluit van 4 maart 2005 een bevoegdheidsgebrek kleeft en dit besluit om die reden zal moeten worden vernietigd.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Vooropgesteld wordt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) reeds meermalen heeft overwogen, dat een bekrachtiging achteraf een bevoegdheidsgebrek als het onderhavige niet ongedaan maakt. Dit neemt echter niet weg dat op grond van de brief van verweerder aan de rechtbank van 12 juni 2006, waarin verweerder te kennen heeft gegeven dat hij het in mandaat door het College van procureurs-generaal genomen besluit op bezwaar van 4 maart 2005 kan onderschrijven en dezelfde beslissing zou hebben genomen, als vaststaand kan worden aangenomen dat verweerder het bestreden besluit voor zijn rekening neemt en inhoudelijk geen ander besluit zal nemen dan het wegens het bevoegdheidsgebrek te vernietigen besluit van 4 maart 2005. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat partijen, gelet op hetgeen zij over en weer hebben verklaard, niet een formele bevoegdheidsvernietiging, doch een inhoudelijke beoordeling van het geschil wenselijk achten. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 4 maart 2005 in stand te laten, uiteraard indien en voor zover dit besluit inhoudelijk de rechterlijke toets kan doorstaan.

Inhoudelijk
In geschil is de vraag of het besluit van 4 maart 2005 in rechte in stand kan blijven.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privť-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Het tweede lid, voor zover van belang, bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien.



In het eerste lid van artikel 10 van de Grondwet is bepaald dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Het tweede en derde lid van dit artikel bepaalt dat de wet regels stelt ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens, respectievelijk inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 2 van de Wob bepaalt dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie verstrekt overeenkomstig deze wet en daarbij uitgaat van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een overheidsorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van een overheidsorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Artikel 3, vijfde lid, van de Wob bepaalt dat een verzoek wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van:
c) de opsporing en vervolging van strafbare feiten,
e) de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en
g) het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Standpunten van partijen

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen.
- Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob:
Er kan niet worden uitgesloten dat op enig moment nog (strafrechtelijk) onderzoek zal plaatsvinden naar de vuurwerkramp, aangezien tot de verjaring van het strafbare feit dergelijk onderzoek nog steeds mogelijk is. Aangenomen kan worden dat de inhoud van het rijksrechercherapport van belang kan zijn in een eventueel te (her)openen strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp. Geoordeeld wordt dan ook dat van de situatie dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten zou kunnen worden gefrustreerd - zoals in de memorie van toelichting is opgenomen - nog immer sprake is. Het eventueel te heropenen onderzoek zou kunnen worden gefrustreerd door de openbaarmaking van het rijksrechercherapport.
- Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob:
In het onderhavige geval is niet alleen sprake van rechercheurs en politiefunctionarissen van wie verklaringen in het proces-verbaal van de Rijksrecherche zijn opgenomen, maar ook van medewerkers van andere betrokken instanties, zoals het Openbaar Ministerie en van personen die geen ambtenaar zijn. Gelet op artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM geldt dat het verstrekken van informatie over een individu in de regel als een inbreuk op diens persoonlijke levenssfeer dient te worden aangemerkt. Gelet op de aard van de gevraagde informatie - het betreft een onderzoek naar mogelijk ernstige feiten - dient het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van hen die als getuigen c.q. betrokkenen hebben meegewerkt aan het rijksrechercheonderzoek, zwaarder te wegen dan het openbaarheidsbelang. Verstrekking van een geanonimiseerde versie van het gevraagde document kan niet aan de orde zijn, omdat eisers zeer wel op de hoogte zijn van de identiteit van degenen die (als getuigen) aan het rijksrechercheonderzoek hebben meegewerkt en deze identiteit al zouden kunnen achterhalen door het kennis nemen van de verklaringen die zij hebben afgelegd.
- Met betrekking tot artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob:  
Het slagen van onderzoeken als het onderhavige is vaak afhankelijk van de vrijwillige medewerking daaraan door personen die bereid zijn de onderzoekers van informatie te voorzien. Het is van belang dat een ieder deze medewerking kan verlenen, zonder dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verklaringen, anders dan voorzien in het wetboek van strafvordering, in de openbaarheid worden gebracht. Zou dat anders zijn dan moet worden gevreesd dat in de toekomst in onderzoeken als het onderhavige betrokkenen in afnemende mate bereid zullen zijn hun medewerking te verlenen. Derhalve is sprake van onevenredige benadeling van de overheid, indien verklaringen van de betrokkenen openbaar zouden worden gemaakt. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van openbaarheid.

In beroep hebben eisers, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.
Het in artikel 10, tweede lid, onder c, van de Wob genoemde belang van opsporing en vervolging verzet zich niet tegen openbaarmaking van het rijksrechercherapport.
De relatieve uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob reikt niet zover dat ook informatie inzake het beroepsmatig functioneren van personen uit de openbaarheid zou kunnen worden gehouden. In dit verband wordt erop gewezen dat het rijksrechercheonderzoek uitsluitend betrekking heeft op gedragingen van de betrokken rechercheurs en politiefunctionarissen die rechtstreeks in verband staan met hun beroepsmatige activiteiten. Bovendien kan het rijksrechercherapport geanonimiseerd worden verstrekt, waardoor herkenning onmogelijk zal zijn. Onder deze omstandigheden dient het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer sterk te worden gerelativeerd ten opzichte van het met de openbaarheid te dienen belang. Van onevenredige benadeling van betrokkenen van wie het beroepsmatig functioneren aan de orde is, is geen sprake.
De mogelijke benadeling van personen en rechtspersonen die vrijwillig informatie hebben verstrekt en van wie door verstrekking van het rijksrechercherapport informatie naar buiten komt, is niet onevenredig te noemen ten opzichte van het met openbaarmaking van dit rapport te dienen (openbaar) belang. Daarnaast kan het Landelijk Parket door openbaarmaking van bedoeld rapport tevens in staat worden geacht aan te tonen dat het zelf adequaat en zorgvuldig heeft gewerkt.
In dit specifieke geval is het belang van eisers gediend met de openbaarmaking van het rijksrechercherapport.

Overwegingen van de rechtbank

Ter beoordeling staat de vraag of verweerder openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) achterwege heeft kunnen laten op de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob neergelegde (uitzonderings)gronden. Voorts staat ter beoordeling de vraag of terecht is geoordeeld dat anonimisering en/of opschoning van de stukken geen mogelijkheid biedt om (een deel van) het rijksrechercherapport (met bijlagen) openbaar te maken.
Zoals de ABRS reeds meermalen heeft overwogen, dient het recht van openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering en komt dat recht aan iedere burger in gelijke mate toe, zodat geen onderscheid kan worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob worden het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie, welk belang de Wob vooronderstelt, en de door de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, van de Wob te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. De belangen die eisers stellen te hebben bij verstrekking van het rijksrechercherapport spelen bij die afweging derhalve geen rol.

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS dient de vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet door de rechter integraal te worden getoetst. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag wijkt de rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

Het rijksrechercherapport (met bijlagen), waarvan eisers de openbaarmaking hebben verzocht, is opgemaakt na een (feiten)onderzoek door de Rijksrecherche dat heeft plaatsgevonden na een onderzoek door Bureau Interne Zaken van het regiopolitiekorps Gelderland Midden, ten einde helderheid te verschaffen of mogelijk sprake is geweest van strafbare feiten en/of plichtsverzuim van medewerkers van de regiopolitie Twente tijdens het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp op 13 mei 2000 te Enschede. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van dit stuk, overweegt de rechtbank het volgende.

De opsporing en vervolging van strafbare feiten (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob)

Verweerder heeft deze uitzonderingsgrond ingeroepen omdat zijns inziens door openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) een eventueel toekomstig te (her)openen (strafrechtelijk) onderzoek naar de vuurwerkramp te Enschede zou kunnen worden gefrustreerd.

Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob beoogt deze uitzonderingsgrond te voorkomen dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten zou kunnen worden gefrustreerd door openbaarmaking van gegevens die opsporingsambtenaren of het Openbaar Ministerie inmiddels hebben vergaard. De rechtbank leidt hieruit af dat de onderhavige uitzonderingsgrond in beginsel ook kan worden ingeroepen als het gaat om strafrechtelijke onderzoeken die nog niet in gang zijn gezet, doch naar haar oordeel dient er dan in ieder geval wel een concrete aanwijzing te zijn dat een dergelijk onderzoek zal gaan plaatsvinden. De mogelijkheid stukken openbaar te laten maken zou anders te veel afhankelijk zijn van een onzekere toekomstige gebeurtenis, hetgeen zich moeilijk laat rijmen met het hiervoor tot uitdrukking gebrachte uitgangspunt van de Wob.


Vast staat dat er ten tijde van het bestreden besluit - en ook ten tijde van de behandeling van het onderhavige beroep ter zitting - geen concrete aanwijzing was voor, c.q. geen enkel concreet zicht was op een nieuw, of te heropenen strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp te Enschede. Voorts stelt de rechtbank vast dat het rijksrechercherapport (met bijlagen) niet de resultaten van een strafrechtelijk onderzoek bevat, maar de resultaten van een onderzoek naar het functioneren van het zogenoemde Tolteam. Voor zover het rapport al gegevens bevat, in de vorm van bewijsmiddelen, die door dit onderzoeksteam in het kader van het destijds verrichte strafrechtelijk onderzoek zijn vergaard - mobiele telefoon, rode sportbroek -, zijn deze gegevens al openbaar via het arrest van Gerechtshof Arnhem van 12 mei 2003, nummer 21-002277-02 (LJN AF8395), en via de openbaar gemaakte conclusies van het rijksrechercherapport.

Voor zover verweerder zich met het inroepen van de hier aan de orde zijnde uitzonderingsgrond op het standpunt stelt dat het rijksrechercherapport (met bijlagen) inzicht geeft in de tijdens het strafrechtelijke onderzoek naar de vuurwerkramp te Enschede gehanteerde opsporingsstrategieŽn en -methoden, stelt de rechtbank vast dat dit rapport daarin geen inzicht geeft. Hierbij kan niet voorbij worden gezien aan de aard van het onderzoek van de Rijksrecherche, waarvan de resultaten in het rijksrechercherapport zijn neergelegd, te weten: een feitenonderzoek naar het functioneren van het Tolteam.

Gelet op het vorenoverwogene kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat het belang van opsporing en vervolging in dit geval niet aan de orde is en dus niet aan openbaarmaking van het rijksrechercherapport in de weg staat.

De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob)

Verweerder heeft deze uitzonderingsgrond ingeroepen omdat het rijksrechercherapport (met bijlagen) niet alleen verklaringen van rechercheurs en politiefunctionarissen bevat, maar ook verklaringen van medewerkers van andere betrokken instanties, zoals het Openbaar Ministerie, en van personen die geen ambtenaar zijn. In dit verband doet verweerder een beroep op artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Volgens verweerder is openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) in geanonimiseerde vorm niet mogelijk omdat de identiteit van degenen die aan het rijksrechercherapport hebben meegewerkt bekend is bij onder meer eisers en deze identiteit kan worden achterhaald via de in het rapport opgenomen verklaringen.

Zoals de ABRS reeds meermalen heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 16 januari 1997, nummer H01.96.0140 (LJN AH6440), dient de Wob te worden aangemerkt als een wet in de zin van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM. Aangezien de Wob ook is aan te merken als een wet in de zin van artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet, dient verweerders weigering het rijksrechercherapport openbaar te maken naar het oordeel van de rechtbank te worden getoetst aan de Wob. In casu dient niet te worden getoetst of de persoonlijke levenssfeer van de in het rijksrechercherapport genoemde personen wordt geschonden door openbaarmaking van dat rapport, maar of het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer hier aan de orde is en zo ja, of verweerder bij afweging van dat belang tegen het openbaarheidsbelang in redelijkheid heeft kunnen weigeren het rijksrechercherapport openbaar te maken.
Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS kan met betrekking tot ambtenaren, waar het hun beroepshalve functioneren betreft, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet anders wanneer naar verwachting de openbaarmaking van de informatie omtrent het beroepsmatig functioneren van de betrokken ambtenaren een negatieve invloed kan hebben op hun persoonlijk leven, tenzij daardoor sprake zou zijn van een onevenredige benadeling in relatie tot het met de openbaarmaking te dienen belang.

Zoals hiervoor al is overwogen, zijn in het rijksrechercherapport (met bijlagen) de resultaten neergelegd van het (feiten)onderzoek van de Rijksrecherche naar het functioneren van het Tolteam. Het gaat in dit rapport dus om het beroepsmatige functioneren van degenen die deel uitmaakten van dit team en die in verband daarmee verklaringen hebben afgelegd ten behoeve van het hiervoor bedoelde onderzoek. Ook voor zover in het rijksrechercherapport sprake is van andere, bij het strafrechtelijk onderzoek naar de vuurwerkramp betrokken ambtenaren van wie verklaringen zijn opgenomen, gaat het naar het oordeel van de rechtbank om het beroepsmatig functioneren van ambtenaren. Deze verklaringen hebben zij immers afgelegd uit hoofde van hun functionele betrokkenheid bij bedoeld strafrechtelijk onderzoek.

Hetgeen in dit verband door verweerders gemachtigde ter zitting is opgemerkt, komt er op neer dat onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘in functie’ en ‘als persoon’ afgelegde verklaringen, dat de verklaringen die in het rijksrechercherapport zijn opgenomen door de betrokken ambtenaren als persoon zijn afgelegd, waarbij zij hun persoonlijke visie op, kort gezegd, het functioneren van het Tolteam hebben gegeven, en dat om die reden onverkort een beroep kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

De rechtbank heeft echter moeten constateren dat bedoeld onderscheid noch in het bestreden besluit, noch in het verweerschrift is terug te vinden, terwijl ook de wet voor dat onderscheid geen grondslag biedt. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat, voor zover het rijksrechercherapport (met bijlagen) betrekking heeft op (verklaringen van) rechercheurs, politiefunctionarissen en medewerkers van andere (overheids)instanties, dit rapport het beroepsmatig functioneren van ambtenaren betreft, zodat slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Een zodanig beroep wordt naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet gerechtvaardigd door de aard van de gevraagde informatie, waarnaar verweerder in het bestreden besluit verwijst ten betoge dat het belang van degenen die als getuigen hebben meegewerkt aan het onderzoek van de rijksrecherche zwaarder dient te wegen dan het openbaarheidsbelang. Dat de openbaarmaking van het rijksrechercherapport een negatieve invloed zal hebben op het persoonlijk leven van de desbetreffende ambtenaren is daarmee niet aangetoond en ook anderszins heeft verweerder dat niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank verstrekking van een geanonimiseerde versie van het document, waarbij namen worden weggelakt, mogelijk. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de identiteit van de betrokken ambtenaren kan worden achterhaald via de in het rijksrechercherapport (met bijlagen) opgenomen verklaringen die zij hebben afgelegd.



Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren aan openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) in de weg staat.

Anders ligt dit voor zover in het rijksrechercherapport sprake is van (verklaringen van) personen die geen ambtenaren zijn. Ten aanzien van hen kan immers wel ten volle een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder dit ook beoogd te doen, terwijl uit dit besluit ook naar voren komt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat bedoeld belang - voor niet-ambtenaren - zwaarder dient te wegen dan het openbaarheidsbelang.
Voor zover het gaat om personen die geen ambtenaar zijn, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer tegen het openbaarheidsbelang in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren de in het rijksrechercherapport opgenomen informatie, die op bedoelde personen betrekking heeft, openbaar te maken. Dit rechtvaardigt evenwel niet een weigering om het gehele rijksrechercherapport (met bijlagen) openbaar te maken, nu het mogelijk is de op deze personen betrekking hebbende passages in dat rapport (en bijlagen) weg te lakken.

Het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob)

Verweerder heeft deze uitzonderingsgrond ingeroepen omdat zijns inziens de overheid onevenredig wordt benadeeld indien de in het rijksrechercherapport (met bijlagen) opgenomen verklaringen van betrokkenen openbaar zouden worden gemaakt. Verweerder wijst er in dit verband op dat openbaarmaking van die verklaringen het werk van bureaus interne zaken en de Rijksrecherche in de toekomst in hoge mate zal bemoeilijken wegens, kort gezegd, afnemende bereidheid om mee te werken aan onderzoeken als het onderhavige.

Het kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat in dit soort gevallen, waarin het gaat om een door de overheid uitgebracht rapport, openbaarmaking kan worden geweigerd met een beroep op onevenredige benadeling van de overheid - waaronder in dit geval kennelijk moet worden verstaan: de Staat der Nederlanden -, bijzondere omstandigheden daargelaten. Zou dat wel zo zijn, dan zou immers openbaarmaking van ieder van overheidswege uitgebracht rapport op die grond kunnen worden geweigerd, wat zich niet verdraagt met het uitgangspunt van de Wob dat openbaarheid regel is.

Van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat in het onderhavige geval een beroep kan worden gedaan op onevenredige benadeling van de overheid, is niet gebleken. Als een zodanige omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen de door verweerder gestelde bemoeilijking van het werk van onder meer de Rijksrecherche wegens afnemende bereidheid om mee te werken aan onderzoeken, nog daargelaten dat verweerder niet dan wel onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van de in het rijksrechercherapport (met bijlagen) opgenomen verklaringen de bereidwilligheid om in de toekomst mee te werken aan Rijksrechercheonderzoeken in negatieve zin zal beÔnvloeden.
Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval het in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob omschreven belang aan openbaarmaking van het rijksrechercherapport (met bijlagen) in de weg staat.

Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerders bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om het rijksrechercherapport (met bijlagen) openbaar te maken niet berust op een deugdelijke motivering. Derhalve is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (€ 644,--: indienen beroepschrift: 1 punt, behandeling ter zitting: 1 punt; € 322,-- per punt) en de door hen gemaakte reiskosten (2 x [woonplaats] - Almelo v.v.)

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing
De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

-  verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
-  bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van eisers beslist, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
-  veroordeelt verweerder in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 653,20, door de Staat der Nederlanden te vergoeden aan eisers;
- verstaat dat de Staat der Nederlanden aan eisers het griffierecht ad € 138,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, mr. J.H. Keuzenkamp en mr. W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier.


Afschrift verzonden op 10 januari 2007
AW<

 

 

Opstand Openbaar Ministerie tegen de rechtstaat! De moord op Pim kost Nederlanders veel vrijheid (van meningsuiting) en een Fortuyn

1. Pim Fortuyn over Openbaar Ministerie: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"

2. Ministerie van Justitie: Toch wist justitie zo ongeveer een uur na de moord al te melden, dat Folkert van der G. in zijn eentje opereerde.

3. Openbaar Ministerie: Politie en de voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) hebben een zeer vergevorderd onderzoek naar links-radicale dierenactivisten moeten staken omdat het openbaar ministerie de geldkraan vorig jaar pardoes dichtdraaide.

332 POM & Fortuyn Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"
193 POM & Fortuyn Toeschrijven naar conclusie bekende truc overheid om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat
482 POM & Fortuyn Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
487 POM & Fortuyn Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden"
183 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers
182 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd
288 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor kamerleden/onderhandelaars LPF
178 POM & Fortuyn De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak 
281 POM & Fortuyn Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers
280 POM & Fortuyn Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn
282 POM & Fortuyn Westbroek: …ťn mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat 
275 POM & Fortuyn Demmink zou LPF-minister Nawijn hebben gewaarschuwd geen lijsttrekker te worden omdat LPF uit criminelen zou bestaan
485 POM & Fortuyn Rene Diekstra op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn
486 POM & Fortuyn Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy 
286 POM & Fortuyn Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond
391 POM & Fortuyn Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" 
105 POM & Fortuyn Toelichting officier ter terechtzitting Amsterdam in strafzaak verdachte moord Fortuyn
483 POM & Fortuyn Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuyn

Eerbetoon aan openbare kritiek op de rechtspraak in Nederland van Moszkowics advocaten
285 Mr. Moszkowicz: Hijheeft als enige mij correct behandeld en was naar eigen zeggen niet thuis in het gezondheidsrecht
160 Mr. Moszkowicz: Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest
212 Mr. Moszkowicz: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft in handen van de gesubsidieerde voogdij
089 Mr. Moszkowicz: "Onbegrijpelijk dat zoveel advocaten dubbelfunctie rechter-plaatsvervanger vervullen
332 Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!


PAR POM Met groot materieel en politie wordt op 19 maart 2014 in Ermelo uitgerukt om een paar Groep Hop verkiezingsborden weg te halen
(562) POM Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!
(224) POM Groep Hop is tegen De Sleepwet om iedere burger ongecontroleerd af te kunnen luisteren
(114) POM De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is de beroepsvereniging van rechters en officieren van Justitie in Nederland
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(305) POM Hoofdofficier van Justitie van Gend weigert strafvervolging in te stellen tegen het feit dat 200 rechters van de rechtbank Den Haag nevenfuncties niet hebben opgegeven
(306) POM Op 27 januari 1998 stelt Hop de vraag in een persbericht: Is er een complot van het Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen de democratische rechtsstaat?
(323) POM Bolkenstein: "Het ziet er echter naar uit dat het OM, gesteund door de rechters, verenigd in de belangenvereniging NVvR (Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak), zich en bloc tegen de minister en de Tweede Kamer keren"
(307) POM Persverklaring College van Procureurs-generaal: Reorganisatie Openbaar Ministerie is een onomkeerbaar proces dat hoe langer hoe meer op de parketten gestalte krijgt
(188) POM Opslaan internetsporen 'erger dan de Stasi, Met EU richtlijn om op grote schaal verkeersgegevens op te slaan is Europa een grote politiestaat geworden
(273) POM Mobiele telefoon. Wetsvoorstel en besluit vorderen gegevens telecommunicatie
(292) POM Iemand die 'foute' denkbeelden of activiteiten heeft of 'foute' mensen kent, loopt de grootste kans om door de overheid afgeluisterd te worden. Afhankelijk van de overheid kan 'fout' crimineel, te sociaal, te kritisch, te nieuwsgierig, buitenlands of simpelweg 'politiek anders georiŽnteerd' betekenen,
(334) POM Misbruik van bevoegdheden door de overheid en Justitie is van alle tijden. Wie zich niet coŲperatief opstelt, kan door een overheid als geestesziek worden aangemerkt
(370) POM Het Openbaar Ministerie, de politie en de veiligheidsdiensten willen wetten aanpassen en oprekken om het opslaan en uitwisselen van gegevens, die op geen enkele manier op onjuistheid getoetst zullen worden, over niet-verdachte burgers mogelijk te maken
(414) POM Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 27 mei 1997 geeft inzicht in werkwijze openbaar ministerie en politie en het opslaan van gegevens over burgers in allerlei geheime dossiers
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
(475) POM Politie en camera's: Verkeerscamera's kunnen ook mooi gebruikt worden om te bepalen welke voertuigen zich waar in het land bevinden
(508) POM & Sleepwet VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(622) POM VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(623) POM Van alle elektronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar JustitiŽle Informatiedienst (JustID) Almelo
(624) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil de vrijheid om het doen en laten van de hele bevolking vast te leggen"
(626) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil dat de politie gegevens opslaat over alle burgers ook die niet worden verdacht worden van strafbaar feit
(627) POM Nederlanders worden massaal afgeluisterd met keur aan middelen voor politie en Justitie om mobiele telefoons af te tappen
(628) POM De 'geheime' internet tapkamer van de overheid. Hoe weet je als burger dat je internetverkeer afgetapt wordt?
(629) POM Verdrag Draft Convention on Cybercrime voor betere wetgeving vooral goed voor politie en justitie maar niet voor de industrie en de samenleving
(630) POM Nieuwe ontwikkelingen in Amerika tonen aan hoe burgers nog verder in de gaten gehouden gaan worden door overheden
(631) POM Echelon, Amerika luistert mee ook met de meest geheime bedrijfseconomische informatie.
(688) POM Hop: Koopkracht burgers daalt opnieuw bij invoering kilometerheffing voor vrachtverkeer! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten kunnen houden door invoering van kilometerheffing
(239) POM De staat mag complete woonwijk afluisteren, communicatie gegevens van alle bewoners opslaan en uitwisselen met buitenlandse veiligheidsdiensten.
(203) POM Politie wil identificatieplicht op anoniem communiceren De politie wil dat anoniem internetten en het anoniem kopen van prepaid telefoonkaarten verboden wordt
(609) POM Transparant Openbaar Ministerie: "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(332) POM Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

 

De zevende WET van Hop: Rechtersleger en POM-ambtenaren zijn partijdig voor personeel van de overheid en deinzen niet terug voor fraude

POM 1. Overheid tegen de burger:
Inleiding met wat "sfeerverslagen" hoe de rechtspraak werkt in Nederland.

(1) Kinderbescherming & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Zutphen met kinderrechter tevens President Soroptemistenclub
(137) De complete Nederlandse jeugdzorg tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting jeugdzorg klachtencommissie, klachten Hop gegrond maar dat hielp natuurlijk niet!
(300) Hop moet bloeden schrijft vervolgens de jeugdzorg advocaat met baantjes in de kerk en school: Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304.
(80) POM & "jeugdzorg" & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Assen met een "onpartijdige rechter".

Aanhouding:
(550) POM Onschuldig geboren maar jouw gegevens worden door de gemeente gelijk naar het Justitieel Documentatiecentrum gestuurd
(134) POM Zorg dat u de omschrijving van een VERDACHTE uit uw hoofd kent
(409) Voorbeeld verzoek burger bij aanhouding en/of na een staande houding
(597) POM Waarom werd de witte Iphone van Weber in beslag genomen voor NFI onderzoek omdat Weber het politieoptreden gelijk filmde?
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
Verhoor:
(420) POM Openbare meningsvorming inzake "natuurlijk persoon"
(263) POM Hop klachten over onvolledig PV horen verdachte/hoorzitting rechter voorkomen door zelf opnames te maken
(347) POM Videoconferentie heeft ten opzichte van een directe confrontatie een geringere communicatiewaarde!
(367) POM & verhoor De Velpse verhoormethode! Respectloze behandeling van een burger door de politie
(289) POM & verhoor De Gelderse Verhoormethode! Een vader mocht een minderjarige niet bijstaan bij verhoor door de politie
PV:
(747) POM & PV Klacht tegen politie Lelystad inzake opmaken proces-verbaal
(241) POM & PV Waarom mocht Weber het door de politie Lelystad opgemaakte PV niet lezen?
(284) POM & PV Waarom weigerde de politie Lelystad Weber afschrift kopie PV met zaaknummer?
(225) POM & verhoor Politie Lelystad tegen Weber Lelystad inzake identificatieplicht
Aangifte POM & dossier Politie weigert Hop dossier! Aangifte tegen Hop na publicatie over "succesvolle tegenwerking" Groep Hop Lelystad
(596) POM Hoeveel personen zijn inmiddels betrokken bij een eenvoudig zaak dat escaleert door politiegeweld uit de polder?
(435) POM & PV Indien je als opsporingsambtenaar een strafbaar feit vaststelt, moet je een proces-verbaal opmaken
DNA:
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(560) POM Het Openbaar Ministerie probeert, na de sleepwet, ook van iedere burger DNA te verzamelen met een sponsje
Aangifte tegen ambtenaren overheid:
(746) POM Voorbeeld aangifte 746 tegen politie, inzake ontbreken van grondslag voor identificatieplicht
(743) POM Voorbeeld aangifte 743 tegen politie, geen vermelding beroepsmogelijkheden onder beslissing afpoeieren van uw aangifte
Voorbeeldbrieven dossiers
(112) POM Het complot! Een vader heeft geen recht op inzage dossier van zijn kinderen bij de politie
(206) POM & dossier politie. Voorbeeldbrief verzoek aan politie om afschrift dossier door verdachte
(343) POM & dossier OM. Voorbeeldbrief verzoek aan Openbaar Ministerie om afschrift dossier door verdachte
Hoorzitting rechtbank
(205) POM Verweer Weber tegen termijnoverschrijding Openbaar Ministerie wordt genegeerd door de "onafhankelijke rechter"
(548) POM & dossier rechtbank. Voorbeeldbrief verzoek aan rechtbank om afschrift/inzage dossier voor de hoorzitting door verdachte
(510) POM & dossier Wet openbaarheid van bestuur Betreft een verzoek van een burger om overlegging van stukken welk verzoek door de Officier van Justitie is afgewezen
Vrijheid ontneming
(115) POM Vormverzuim onrechtmatige vrijheid ontneming verdachte door Openbaar Ministerie Rechtbank & Rechtbank dossier:
(242) POM Bij voortzetting van het vooronderzoek na het betekenen van de dagvaarding in eerste aanleg en na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, ook in geval van onderzoek onder leiding van de officier van justitie, aan de verdediging, in het belang van het onderzoek, kennisneming van processtukken kan worden onthouden.
(294) POM Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM.
Partijdigheid rechters voor ambtenaren overheid:
(210) Verwijs steeds naar jurisprudentie over "procederen" om nevenfuncties m.b.t. rechtspraak te verkrijgen!
(341) POM Voorstellen RECHTERSLEGER om tot verbetering strafproces tegen burgers in het voordeel van de Staat te komen
(179) POM & rechtersleger "Rechters deinzen er tegenwoordig niet terug voor fraude om de staat, als deze partij is in een proces, aan het langste eind te laten trekken"
partijdigheid POM Politie gelijk partijdig voor CDA gemeente Ermelo tijdens Ermelose verkiezingen gemeenteraad!
(267) POM CDA Minister van Justitie: Een druppel is niet gevaarlijk maar een stroom holt de steen uit
(246) POM & jeugdzorg maatje CDA-er Donner: "Het is misplaatst en onverantwoord te zoeken naar de schuldigen in de zaak Savannah. We moeten ons verzetten tegen negatieve beeldvorming over de gezinsvoogdij!"
(229) POM & Jeugdzorg Korpschef Nationale politie niet goed genoeg voor de politie en wordt daarom directeur bij de jeugdzorg
(557) POM De Pikmeerarresten voorbeeld van politiek gekonkel en handjeklap rechtersleger met gemeente
(417) POM Waarom worden/kunnen, onder verwijzing naar de Pikmeerarresten, het gemeentebestuur en ambtenaren (autoriteiten) kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.
(558) POM Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het primair telastegelegde bewezenverklaard in die zin dat is aangenomen dat de verdachte, als hoofd van de afdeling nieuwe werken van de gemeente Boarnsterhim feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van die gemeente.
(201) POM Stemfraude? Knippen en plakken in Ermelose verkiezingsformulieren mag wel van Ermelose CDA burgemeester
(104) POM College van procureurs-generaal (hierna: het College) geweigerd appellant inzage te verstrekken in het rapport van de Rijksrecherche
(105) POM & Fortuyn, moord op Pim kost burger veel vrijheid van meningsuiting en een Fortuyn
(109) POM Criminoloog Cyrille Fijnaut onderzocht de georganiseerde misdaad voor Van Traa
(129) POM Veroordeling journalist Undercover in Nederland
(194) POM en afhandeling strafzaken tegen CDA elite "achter gesloten deuren"..... Fotomodel tegen CDA-er Eurlings. Welke bijbaantjes met VOG heeft deze Eurlings?
(515) POM Rechtbank Den Haag: "Geen straf voor bevoorrading coffeeshop met drugs in Nederland
(309) POM Geheime brief vuurwerkramp kraakt bewijs, Mogelijk geknoei Tolteam
(278) POM IRT klokkenluiders van Belzen en Limmen tegen Justitie Haarlem
(296) POM Eindrapport Commissie Traa HOOFDSTUK 4 OBSERVATIE
(449) POM Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking kenmerk werkwijze Openbaar Ministerie in de zaak Nienke Kleiss
(260) POM & Novacap tulpenfraude 1
(274) POM & Novacap tulpenfraude 2
(221) POM & Novacap tulpenfraude 3
(223) POM & Novacap tulpenfraude 4
(314) POM & Novacap tulpenfraude 5
(402) POM & Novacap tulpenfraude 6
(421) POM & Novacap tulpenfraude 7

 

 

 

POM 2. Burger tegen overheid:
Inleiding met wat "sfeerverslagen" hoe de rechtspraak werkt in Nederland.

(1) Kinderbescherming & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Zutphen met kinderrechter tevens President Soroptemistenclub
(137) De complete Nederlandse jeugdzorg tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting jeugdzorg klachtencommissie, klachten Hop gegrond maar dat helpt natuurlijk niet!
(300) Hop moet bloeden schrijft vervolgens de jeugdzorg advocaat met baantjes in de kerk en school: Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304.<
(80) POM & "jeugdzorg" & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Assen met een "onpartijdige rechter".

(134) POM Zorg dat u de omschrijving van een VERDACHTE uit uw hoofd kent
(746) POM Voorbeeld aangifte 746 tegen politie inzake ontbreken van grondslag voor identificatieplicht
(743) POM Voorbeeld aangifte 743 tegen politie na geen vermelding beroepsmogelijkheden onder beslissing afpoeieren aangifte
(354) POM U kunt bij de politie alleen nog maar met DigiD aangifte doen via internet en inloggen op Mijn Politie.
(625) POM Checklist voor gewone Nederlander om aangifte te doen tegen personeel van de overheid
(381) POM Voorbeeldbrief klacht 381 tegen politie bij een weigering om een aangifte van een gewone Nederlander op te nemen met een verzoek om rechtsbescherming bij de burgemeester met een dwangsom van 1000 Euro per dag
(609) POM "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(377) POM De mr. T.K. Hoogslag-norm (28) inzake de pseudo-Officier van Justitie
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(74) POM & jeugdzorg Hop adviseert niet klagen tegen kinderbescherming! Bezwaar en beroep wordt toch onderdrukt. Dus aangifte doen!
(270) Jeugdzorgmentaliteit: Klager moet hetzelfde klachttraject overnieuw doen als de jeugdzorg niets heeft gedaan met gegrond verklaarde klachten. Dus aangifte doen!
(380) POM Wijziging van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen van overheidsorganen
Informanten:
Aangifte POM Aangifte tegen Hop na publicatie over "succesvolle tegenwerking" Groep Hop Lelystad
(269) POM & jeugdzorg De moeder van zeilmeisje Laura Dekker heeft de jeugdzorg en Raad voor de Kinderbescherming in het Algemeen Dagblad criminele organisaties genoemd
Na GBA fraude gemeente Ermelo wordt Hop met "gefabriceerd bewijs", "succesvolle tegenwerking" en "geheim overleg" aangepakt.
(818) POM & jeugdzorg Jeugdige daders die "Vlinder" zeer ernstig met lichamelijk letsel mishandelden worden niet vervolgd omdat die vervolging niet past in de Gelderland jeugdzorg conclusies
(111) POM Waar de overheid de enkeling niet beschermt in zijn vrijheid tegen de meerderheid of die juist zelf aantast zien we dictatuur
(559) Actie vaders tegen kinderbescherming in Zutphen! Medewerkers kinderbescherming onderworpen aan "verhoor" door vaders. Politie greep niet in!
Beroepschriften verkeersboetes:
(308) POM Commercieel belang bij verkeersboetes Een politiebeambte moet boeten voor te weinig bonnen!
(681) POM Agent mag bezwaar tegen zichzelf beoordelen en beslissen
(418) POM Productie 418 Jurisprudentie: Vervang parkeerbedrijf door de jeugdzorg of kinderbescherming waar u mee te maken heeft!
(232) Voorbeeldbrief bezwaar naheffingsaanslag parkeerbelasting
(191) POM Voorbeeld beroepschrift 191 tegen verkeersboete inzake "bestemmingsverkeer"
(235) POM Voorbeeld beroepschrift 235 verkeersboete inzake APK-boete inzake de overtreding voor het motorrijtuig zijn geldigheid heeft verloren
(330) POM Voorbeeld beroepschrift 330 verkeersboete inzake "gesimuleerde wegsituaties"
(331) POM Voorbeeld beroepschrift 331 tegen verkeersboete inzake "overschrijding maximum snelheid"
(364) POM Voorbeeld beroepschrift 364 verkeersboete inzake "verkeersboete voetganger (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan, feitcode R482
(372) POM Voorbeeld beroepschrift 372 tegen een opgelegde administratieve sanctie (boete) onder overlegging van aantoonbare feiten dat ik niet op die plaats geweest ben
(373) POM Voorbeeld beroepschrift 373 tegen een opgelegde administratieve sanctie (boete) voor een verkeersovertreding inzake handmatig bellen met een mobiele telefoon
(412) POM Voorbeeld beroepschrift 412 verkeersboete inzake "identificatieplicht"
(423) POM Openbaar Ministerie blijft gebruikers van lasershield of laserecho – indien de meting daadwerkelijk wordt verstoord – vervolgen voor “het belemmeren van een opsporingshandeling”
(240) POM Strafbaarstelling van het rijden onder invloed van bepaalde drugs en geneesmiddelen die de rijvaardigheid kunnen verminderen
(342) Ermelo. Vragen Hop over verkeersforum gemeente Ermelo levert nog meer bedenkingen op


Voorbeeld aangiften:
(441) Voorbeeld aangifte tegen jeugdzorg medewerkers inzake een jeugdzorgrapportage
(442) Voorbeeld aangifte tegen psycholoog jeugdzorg inzake psychologenrapportage
(513) Voorbeeld aangifte tegen politiemedewerkers inzake politie-PV
(462) Voorbeeld aangifte tegen medewerker kinderbescherming inzake kinderbeschermingrapportage
(516) Voorbeeld aangifte tegen griffier rechtbank inzake rechtbankgriffier-PV
(555) Voorbeeld aangifte tegen gerechtsdeurwaarder
(561) Voorbeeld aangifte tegen POM medewerkers, indien vervolging medewerkers overheden daadwerkelijk wordt verstoord, vervolgen voor belemmeren van een opsporingshandeling

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk CoŲrdinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.