| MODELBRIEF 91 VERZOEK OM EEN GEMEENTEGARANTIE VOOR NIEUW PASPOORT MET VINGERAFDRUKKEN |
BOYCOT RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING
(331) Hoeveel geld kan er bespaard worden met het opheffen van de Raad voor de Kinderbescherming als overbodig bestuursorgaan?
Hoeveel geld kan er bespaard worden met het opheffen van de Raad voor de Kinderbescherming als overbodig bestuursorgaan?
De samenwerking tussen Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming is een ernstige bedreiging voor ouders die vals beschuldigd worden van kindermishandeling in Nederland. Het is belangrijk om de Raad voor de Kinderbescherming als overbodig bestuursorgaan op te heffen simpelweg om doorlooptijden bij de Raad voor de Kinderbescherming te voorkomen en bureaucratie bij Bureau Jeugdzorg aan te pakken. Bureau Jeugdzorg kan ook verzoeken indienen bij de kinderrechter voor kinderbeschermingsmaatregelen. Hoeveel geld kan er bespaard worden met het opheffen van de Raad voor de Kinderbescherming als overbodig bestuursorgaan? Het is ook belangrijk om te voorkomen dat personeel van Bureau Jeugdzorg zich kan gaan verschuilen achter de schijnvertoning onderzoek door het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming wel onderzoek stelselmatig in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waardoor dit beruchte bestuursorgaan in de volksmond ook volkomen terecht de bijnaam Raad voor de Leugenbescherming en Raad voor de Kinderbescherming heeft opgelopen. Fijntjes wijs ik erop dat het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming bij de rechtbank Arnhem een verzoek heeft ingediend om ouders uit het gezag te zetten op verzoek van Bureau Jeugdzorg met als grondslag twee schriftelijke aanwijzingen terwijl de rechtbank Arnhem deze twee schriftelijke aanwijzingen heeft ingetrokken.
Kennelijk MET OPZET, wordt er GELOGEN EN BEDROGEN door het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming om ouders VALS te beschuldigen kennelijk met als FINANCIEEL OOGMERK steeds meer "jeugdzorg" te verkopen op weg naar schaalvergroting en om onnodige baantjes bij het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming in stand te houden. Opheffen dus en gelijktijdig besparingen doorvoeren bij het Ministerie van Justitie.
Bijlage agendapunt 5 Jeugdbescherming
LANDELIJK TOETSINGSKADER VOOR DE REGIONALE SAMENWERKINGSAFSPRAKEN TUSSEN BUREAU JEUGDZORG EN DE RAAD
Utrecht mei 2007
INHOUD
pagina
I Inleiding
II Samenwerking stichting en Raad rond toegang
=kwaliteitseisen en verplicht te regelen onderwerpen
= aandachtspunten
III Samenwerking stichting en Raad rond jeugdreclassering
= kwaliteitseisen m.b.t. wijze van samenwerking bij toezicht door Raad op de uitvoering van
jeugdreclassering en bij het gebruik van de wettelijke aanwijzingsbevoegdheid
= aandachtspunten
style='mso-tab-count:1'> 20 style='mso-tab-count:1'>
Bijlage style='mso-tab-count:2'>
22
I
Inleiding
1) Aanleiding
Krachtens de Wet op de jeugdzorg wordt het Bureau Jeugdzorg (hierna: BJZ) de eerstelijns voorziening voor
kennisgevingen van opgroei- en opvoedingsproblemen en meldingen van (vermoedens
van) kindermishandeling. Binnen BJZ fungeert met name het Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling (hierna: AMK) als meldpunt voor (vermoedens van)
kindermishandeling.
Vanaf 1994 is
er in de jeugdzorg hard gewerkt om het principe van één toegang, zoals destijds
uiteengezet in het regeringsstandpunt Regie in de jeugdzorg, invulling te
geven. De inwerkingtreding van de wet betekent dan ook veeleer het formaliseren
van een reeds in de praktijk gegroeide situatie waarin opgroei- en
opvoedingsproblemen en (vermoedens van) kindermishandeling bij het BJZ
- waaronder het AMK -
worden gemeld.
De principiële
keuze van destijds voor één centrale toegang brengt met zich mee, dat de Raad
voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) niet langer rechtstreeks
toegankelijk is voor uiteenlopende melders van ernstige opvoedingsproblemen en
kindbedreigende verzorgingssituaties, maar in principe alleen nog via het
BJZ. In crisissituaties is een
uitzondering op dit beginsel toegelaten (wanneer vanwege de acute en ernstige
bedreiging van de jeugdige onmiddellijk hulp of zorg moet worden geboden en die
hulp of zorg niet op vrijwillige basis mogelijk is).
Het bij de Wet
op de jeugdzorg behorende Besluit “normal'>Kwaliteit
en werkwijze Bureau Jeugdzorg en de samenwerking van het Bureau Jeugdzorg met
de Raad voor de Kinderbescherming” verplicht de stichting die een BJZ
exploiteert en de Raad de wijze van samenwerking in een protocol vast te
leggen. Artikel 37 van genoemd Besluit geeft een niet-limitatieve opsomming van
onderwerpen die specifiek in het protocol moeten worden vastgelegd. De
verplicht te regelen onderwerpen hebben goeddeels betrekking op de uitoefening
van de toegangsfunctie door BJZ in relatie tot de door de Raad uit te voeren
onderzoeken in beschermingszaken.
style='border:solid windowtext 1.0pt;padding:0cm;mso-border-shadow:yes'>
Behalve met de
toegangsfunctie belast de Wet op de jeugdzorg
BJZ tevens met de uitvoering van
a) de maatregelen van kinderbescherming en b) de taken van de
jeugdreclassering. De ingevolge artikel 37 van het Besluit verplicht te regelen
onderwerpen hebben ten dele ook betrekking op de samenwerking tussen BJZ en
Raad op het vlak van jeugdreclassering.
Blijkens de
toelichting op artikel 37 van eerdergenoemd Besluit hecht de wetgever belang
aan een protocol om een goede samenwerking te realiseren tussen BJZ en Raad.
Daarbij wordt uitgegaan van een landelijk protocol, dat op provinciaal niveau
nadere invulling krijgt.
Landelijk toetsingskader
Met onderhavig
kader beogen de MO-groep, namens de stichtingen die een BJZ exploiteren, en de
Raad voor de Kinderbescherming uitvoering te geven aan de opdracht van de
wetgever, zoals die ligt besloten in de toelichting op artikel 37 van het Besluit
kwaliteit en werkwijze. Partijen doen dat op een wijze die naar hun inzicht de
beste garanties biedt om de samenwerking op regionaal niveau op het gewenste
kwaliteitsniveau te brengen en te handhaven. Daartoe worden in onderhavig
document landelijk uniforme (kwaliteits)eisen geformuleerd die
bepalend zijn voor de wijze waarop BJZ en Raad aan de samenwerking op
provinciaal (regionaal) niveau gestalte geven. Hierbij is ook nadrukkelijk
rekening gehouden met de voorwaarden voor
gestructureerde en effectieve samenwerking zoals die naar aanleiding van een
calamiteit geformuleerd zijn door o.a. de Inspectie jeugdzorg.
Het
uiteindelijk doel is gelegen in het bevorderen van een efficiënt en effectief
functioneren van de jeugdbescherming
respectievelijk jeugdreclassering in geheel Nederland door –
waar
BJZ en Raad achtereenvolgens en/of gelijktijdig met dezelfde cliënt
bemoeienis hebben – te zorgen voor een heldere afbakening van
verantwoordelijkheden, voor voldoende samenhang tussen de primaire processen en
voor de nodige afstemming met name tijdens overdrachtsmomenten.
yes">
Verbindend in
de samenwerking tussen de stichting die een BJZ exploiteert (hierna: de
stichting) en de Raad is het Verdrag
inzake de rechten van het kind. Beide partijen zullen zich in hun onderlinge
samenwerking steeds inspannen om de fundamentele rechten van kinderen op een
gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid te
waarborgen.
bureau moet indiceren. Naar aanleiding van
een melding kan het AMK contact opnemen
met het betreffende gezin. Als het AMK tot de conclusie komt dat er hulp nodig
is, kunnen de onderzoeksresultaten gebruikt worden bij de indicatiestelling.
Het AMK mag niet zelf een onderzoek starten naar de noodzaak van een
kinderbeschermingsmaatregel; daartoe moet het de Raad voor de Kinderbescherming
inschakelen.
(Gezins)
voogdij en jeugdreclassering maken ook onderdeel uit van het BJZ, omdat de
uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en van jeugdreclassering door de
Wet op de jeugdzorg aan het BJZ wordt opgedragen.
Toegang
Een
belangrijke taak van het BJZ is vast te stellen op welke zorg een cliënt is
aangewezen. De beoordeling van de vraag van een cliënt is in de Wet op de
jeugdzorg gesplitst van het zorgaanbod om een onafhankelijke indicatiestelling
te garanderen.
In overleg met
ouders en jeugdige zal screening en diagnostiek leiden tot een oordeel over de
aard van de problemen en het daarbij behorende hulpaanbod. Dit wordt vastgelegd
in een indicatiebesluit. BJZ begeleidt de jeugdige en/of ouders om hetgeen in
het indicatiebesluit is neergelegd te realiseren.
Het BJZ
bevordert voorts dat een hulpverleningsplan tot stand komt. Ingeval van hulp
van verscheidene zorgaanbieders bevordert het BJZ de totstandkoming van een
samenhangend hulpverleningsplan. BJZ volgt de geboden jeugdzorg en is betrokken
bij de evaluatie van de zorg.
BJZ vormt ook
de toegang tot de Raad voor de Kinderbescherming indien sprake is van opgroei-
en opvoedingsproblemen, inclusief kindermishandeling. Rechtstreekse toegang tot
de Raad blijft alleen mogelijk in crisissituaties.
Het BJZ
is wettelijk verplicht een verzoek tot
raadsonderzoek in te dienen als de ontwikkeling van een kind wordt bedreigd en
de ouders/verzorgers geen verandering(en) in de opvoedingssituatie kunnen en/of
willen bewerkstelligen en hulpverlening in een vrijwillig kader ontoereikend
is. Hetzelfde verzoek kan door BJZ worden gedaan indien het formele gezag over
kinderen niet wordt ingevuld.
Voordat de
Raad een zaak in onderzoek neemt, zal in de meeste gevallen al door BJZ zijn
nagegaan of zorgverlening in vrijwillig kader mogelijk was (Memorie van
Toelichting, paragraaf 3.5).
style='font-size:
Jeugdreclassering
style='font-size:
BJZ/jeugdreclassering
begeleidt jeugdigen tussen 12 en 18 jaar die met de politie in aanraking zijn
gekomen en een proces-verbaal hebben gekregen. De jeugdreclassering verricht
haar werkzaamheden op verzoek van de Raad, de Officier van Justitie, de rechter
of de directeur van de Justitiële Jeugdinrichting. Voor elke jeugdige wordt een
op maat gesneden begeleidingsplan gemaakt met als belangrijkste doel te
voorkomen dat de jeugdige opnieuw strafbare feiten pleegt.
style='font-size:
Centrale
taak van de jeugdreclassering is het helpen vinden van een realistisch
toekomstperspectief en het ontwikkelen van de competenties die hiervoor nodig
zijn.
style='font-size:
style='font-size:
Jeugdreclasseringbegeleiding
vindt plaats in een strafrechtelijke kader en kan in diverse fasen van de
strafvervolging of –tenuitvoerlegging toegepast worden. Momenteel bestaan er 10
verschillende “modaliteiten” die in twee categorieën uiteen vallen:
style='font-size:
1)
style='font-size:
gedwongen
hulpverlening in de vorm van een maatregel Hulp & Steun
style='font-size:
2)
style='font-size:
begeleiding
op vrijwillige basis op verzoek van de Raad of directeur van een justitiële
jeugdinrichting
style='font-size:
style='font-size:
Onder
de eerste categorie vallen de volgende modaliteiten.
style='font-size:
Hulp
& Steun
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
in kader van schorsing van de
voorlopige hechtenis, maximaal 6 maanden;
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
in het kader van een voorwaardelijk
sepot of in het kader van voorwaarden bij een transactie, voor de maximale duur
van de proeftijd;
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
in het kader van ‘aanhouden’ van de
strafzitting, maximaal 6 maanden;
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
bij een voorwaardelijke veroordeling,
voor de maximale duur van de proeftijd (2 jaar).
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
bij Individuele Trajectbegeleiding voor
harde kern-jongeren (voor de duur van 6 maanden) en Individuele Trajectbegeleiding
voor CRIEM-jongeren (voor de duur van 3 maanden).
style='font-size:
style='font-size:
Onder
de tweede categorie vallen Toezicht & Begeleiding:
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
in het kader van een voorwaardelijke
invrijheidstelling, vanaf maximaal 2 maanden voor de aanvang van de
voorwaardelijke Invrijheidsstelling;
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
tot aan de strafzitting, maximaal 6
maanden;
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
tijdens en na taakstraf, maximaal 6
maanden (gaan in na voltooiing van de taakstraf);
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
na detentie van 6 maanden of meer; deze
vangt maximaal 3 tot 6 maanden aan voor
beoogd ontslag en loopt door tot maximaal 6 maanden na vertrek, mits de
jeugdige nog geen 18 jaar is; mogelijkheid tot verlenging
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
gedurende en na kortdurende detentie
mits de jeugdige nog geen 18 jaar is bij vertrek uit de justitiële
jeugdinrichting; tot maximaal 6 maanden
na ontslag, met mogelijkheid tot verlenging
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
in kader van voorwaardelijke
beëindiging van PIJ-maatregel vanaf 2 maanden voor aanvang van de
voorwaardelijke beëindiging
style='font-size:Symbol'>·
style='font-size:Arial;
na een PIJ-maatregel mits de jeugdige
nog geen 18 jaar is bij vertrek uit de justitiële jeugdinrichting; tot maximaal
6 maanden na ontslag, met mogelijkheid tot verlenging
3.
Korte karakteristiek rol en positie Raad voor de Kinderbescherming
De Raad heeft
wettelijke taken op civielrechtelijk en strafrechtelijk terrein.
Civielrechtelijke taak
De Raad
onderzoekt, op basis van zijn wettelijke opdracht, voor jeugdigen bedreigende
verzorgings- en opvoedingssituaties teneinde tot passende oplossingen daarvoor
te komen. De Raad is gelegitimeerd om onderzoek te doen als er sprake is van
een (vermoedelijke) schending van het fundamentele recht van een jeugdige op
een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid en
vrijwillige hulpverlening niet mogelijk of toereikend lijkt om de dreigende
schending van dat recht te keren. De Raad kan ook onderzoek doen als
betrokkenen daar niet zelf om hebben gevraagd of dat zelf niet wensen.
tab-stops:347.3pt'>
De
Raad start een onderzoek – behoudens in crisissituaties –
alleen op verzoek van de stichting.
De Raad toetst
het verzoek van de stichting om een onderzoek in te stellen op basis van de
geprotocolleerde afspraken: de Raad beoordeelt of de door de stichting
aangedragen informatie voldoende (helder) is om te kunnen besluiten tot het
instellen van een onderzoek. De Raad start het onderzoek alleen als
a) concreet wordt aangegeven waaruit de
vermoedelijke bedreigde ontwikkeling van de jeugdige bestaat én b) met feiten
wordt onderbouwd waarom hulpverlening op vrijwillige basis niet (meer) mogelijk
is of naar verwachting ontoereikend zal zijn.
yes">
In
crisissituaties kan de Raad - bij wijze van uitzondering - zonder tussenkomst
van BJZ een onderzoek starten. normal'>Crisissituaties
betreffen meldingen van opvoedingsproblemen waarbij style="mso-spacerun:
yes"> a) sprake is van een acute en ernstige
bedreiging van de jeugdige en
style="mso-spacerun:
yes"> b) aan de jeugdige
onmiddellijk hulp of zorg moet worden geboden en c) ouders of gezagsdragers
niet willen of kunnen meewerken aan hulp op vrijwillige basis.
Daarnaast
blijft het mogelijk dat de Raad “normal'>ambtshalve”
tot een onderzoek besluit. Dat kan gebeuren als tijdens een ander soort
raadsonderzoek (bijvoorbeeld inzake scheiding en omgang of naar aanleiding van
een door een jeugdige gepleegd strafbaar feit) de Raad zodanige
opvoedingsproblematiek vermoedt, dat een kinderbeschermingsmaatregel overwogen
moet worden.
Als de Raad
een normal'>schriftelijke melding ontvangt
van een ander dan BJZ is de Raad wettelijk verplicht om die melding onverwijld
door te zenden aan BJZ, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de melder.
Deze verplichting geldt niet als de melding betrekking heeft op een
crisissituatie; in dat geval is de Raad immers gelegitimeerd om een melding
rechtstreeks in onderzoek te nemen.
Door middel
van een multidisciplinair onderzoek tracht de Raad vast te stellen of de
ontwikkeling van de jeugdige wordt verstoord of bedreigd door toedoen of
nalaten van ouders of gezagsdragers. De Raad voor de Kinderbescherming zal het
onderzoek in principe drie maanden na ontvangst van het verzoek van de
stichting afronden.
Het onderzoek
mondt uit in een conclusie en besluit met betrekking tot de vraag hoe de
yes"> (opvoedings-)problemen ten
aanzien van de minderjarige aangepakt moeten worden teneinde de bedreiging te
voorkomen en waarom de rechter zo nodig om een kinderbeschermingsmaatregel
wordt verzocht.
Wanneer
tijdens het onderzoek blijkt, dat ouders en jeugdige toch in staat en bereid
zijn om hulp op vrijwillige basis te aanvaarden en er aanwijsbare redenen zijn
dat deze vorm van hulpverlening kans van slagen heeft, dan krijgt deze
vrijwillige hulpverlening voorrang.
Strafrechtelijke taak
De Raad heeft
verschillende taken in het kader van het jeugdstrafrecht. Bij de uitoefening
van zijn taken is de Raad – in samenwerking met zijn ketenpartners – gericht op
het bevorderen van een positieve gedragsverandering bij de jeugdige
wetsovertreder. Het doel is gelegen in het voorkomen, mitigeren dan wel
beëindigen van criminele carrières van jeugdigen.
Ten eerste
doet de Raad onderzoek naar de situatie van jeugdigen van twaalf jaar tot
achttien jaar die wegens het plegen van een strafbaar feit met de politie in
aanraking zijn gekomen.
Naar
aanleiding van een opgemaakt proces verbaal
Levert het
basisonderzoek aanwijzingen op voor het bestaan van onderliggende problematiek
dan kan de Raad aansturen op een vervolgonderzoek (dat is een diepergaand
onderzoek door de Raad, gericht op het strafadvies) of bijvoorbeeld adviseren
tot een forensisch diagnostisch onderzoek van de jeugdige. De Raad kan
(daarnaast) ook de jeugdreclassering vragen om de jeugdige tot aan de
strafzitting te begeleiden (‘Toezicht & Begeleiding’). Zonodig neemt
de Raad het initiatief tot een onderzoek met
het oog op de vraag of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is.
yes"> style='font-size:9.0pt;
mso-bidi-font-size:
Een jeugdige die beneden de leeftijd van 12 jaar een strafbaar feit pleegt kan daarvoor niet strafrechtelijk worden vervolgd. Uit preventief oogpunt wordt aan misdrijven gepleegd door 12-minners echter wel aandacht besteed. Bij lichte vergrijpen kan een zogeheten STOP-reactie volgen of kan de politie naar BJZ
verwijzen (bij vermoeden van ernstige achterliggende problematiek).
Bij ernstige misdrijven (te zwaar voor STOP) en bij recidive vindt melding aan het JCO plaats.
Indien vanuit de politie reeds verwijzing naar BJZ heeft plaatsgevonden kan in het JCO worden volstaan met registratie. De beschikbare informatie kan evenwel aanleiding geven tot overleg tussen Raad en BJZ of wellicht alsnog een Raadsonderzoek aangewezen is.
style='font-size:9.0pt;mso-bidi-font-size:
In de overige
gevallen wordt in het JCO bekeken welke reactie moet volgen. Dit kan zijn:
verwijzing naar BJZ (met melding aan de Raad als hulpaanbod van BJZ wordt
geweigerd) of onderzoek door de Raad.
style='font-size:9.0pt;mso-bidi-font-size:Arial;
Ten tweede
laat de Raad op verzoek van de officier van Justitie of de kinderrechter een
opgelegde taakstraf uitvoeren. De Raad zorgt ervoor dat een geschikte werk-
en/of leerstraf voor de betrokken jeugdige wordt gevonden en dat de jeugdige
die taakstraf ook daadwerkelijk uitvoert. De Raad kan de jeugdreclassering
inschakelen voor Toezicht & Begeleiding.
Ten slotte is
de Raad belast met de casusregie. Deze heeft ten doel de samenhang in de
jeugdstrafrechtketen te bevorderen, zodat vroegtijdig, snel en consequent kan
worden opgetreden tegen een jeugdige wetsovertreder. style="mso-spacerun:
yes">
De
toezichthoudende taak van de Raad ten aanzien van de jeugdreclassering
inclusief de aanwijzingsbevoegdheid op basis van het nieuwe artikel 77hh
Wetboek van Strafrecht rekent de Raad tot het werkproces casusregie.
4.
yes"> Leeswijzer
Hoofdstuk II
heeft betrekking op de samenwerking tussen de stichting en de Raad op
civielrechtelijk terrein. Het bestrijkt evenwel (nog) niet alle facetten van
deze samenwerking, maar is in de eerste plaats gericht op samenwerkingsaspecten
die verband houden met de uitoefening van de toegangsfunctie door BJZ voor de
‘beschermingszaken’ van de Raad.
Daarnaast zijn
enkele eisen toegevoegd die betrekking hebben op de samenwerking tussen de Raad
en BJZ in haar rol van uitvoerder van
de (voorlopige) ondertoezichtstelling (onderdeel E). Deze eisen zijn ontleend
aan het bestaande afstemmingsprotocol inzake de ondertoezichtstelling
(1995).
Hoofdstuk III
heeft betrekking op de samenwerking op strafrechtelijk terrein, maar alleen
voor wat betreft de toezichthoudende taak van de Raad en de
aanwijzingsbevoegdheid ten aanzien van de jeugdreclassering. Zie voor overige
samenwerkingsaspecten rond de uitvoering van jeugdreclassering
het
Afstemmingsprotocol jeugdreclassering (1997)
en het Landelijk convenant nazorg (2000).
De
hoofdstukken zijn gelijkvormig van opbouw: per onderdeel worden eerst de
kwaliteitseisen geformuleerd, d.w.z.
de eisen waaraan de samenwerking tussen stichting en Raad moet voldoen. Tevens
wordt een opsomming gegeven van de onderwerpen waarover partijen op regionaal
niveau geacht worden nadere samenwerkingsafspraken met elkaar te maken. Deze
dienen schriftelijk te worden vastgelegd in een regionaal protocol.
Daarna volgen
de ‘aandachtspunten’. Deze hebben een andere status, namelijk die van
aanbeveling. Bovendien bevatten sommige aandachtspunten een nadere toelichting
op de eisen.
De
aandachtspunten zijn op dezelfde wijze gerubriceerd als de kwaliteitseisen en
aanwijzingen met betrekking tot de
regionaal te regelen onderwerpen.
Nota bene
Wellicht ten
overvloede zij er nog eens op gewezen, dat het landelijk toetsingskader niét
het werkproces of de cliëntroute beschrijft. De verschillende onderwerpen staan
dan ook niet in een chronologische volgorde vermeld.
12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l25 level1 lfo32;tab-stops:list 18.0pt'>5.
Begrippen
In navolging
van de Wet op de jeugdzorg wordt in het hierna volgende integraal gesproken van
“de stichting” wanneer BJZ in zijn
onderscheiden functies wordt bedoeld. Overeenkomstig artikel 1 van de Wet op de
jeugdzorg wordt onder “
stichting” verstaan: een stichting die
een BJZ in stand houdt.
Overeenkomstig
artikel 1 van deze wet wordt onder “normal'>cliënt”
verstaan: een jeugdige, zijn ouders of stiefouder of anderen die de jeugdige
als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden.
Onder “
crisissituatie” wordt verstaan:
opvoedingsproblemen waarbij
line-height:12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l24 level1 lfo33;
a)
sprake is van een acute en ernstige bedreiging van de
jeugdige en style="mso-spacerun:
yes">
line-height:12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l24 level1 lfo33;
b)
aan de jeugdige onmiddellijk hulp of zorg moet worden
geboden en
line-height:12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l24 level1 lfo33;
c)
ouders of gezagsdragers niet willen of kunnen meewerken aan
hulp op vrijwillige basis.
II SAMENWERKING STICHTING – RAAD rond TOEGANG TOT DE JEUGDBESCHERMING
VERZOEKEN VAN DE STICHTING AAN DE RAAD OM EEN ONDERZOEK IN TE STELLEN
aan de Raad in een reguliere situatie
over gegevens beschikken zoals
opgenomen in bijlage 1.
Arial;
1.3.In
ieder geval moet uit feiten en omstandigheden concreet blijken:
Arial;
a)
waaruit de vermoedelijke bedreiging van de ontwikkeling van
de jeugdige bestaat, en style=' style="mso-spacerun:
yes"> welke veiligheidsrisico dit met zich meebrengt,
Arial;
b)
welke factoren deze bedreiging veroorzaken en in stand
houden,
Arial;
c)
welke hulpverlening hiervoor volgens de stichting aangewezen
is en
Arial;
d)
waarom deze hulpverlening niet op vrijwillige basis mogelijk
is of ontoereikend om die bedreiging af te wenden. style="mso-spacerun:
yes">
normal'>
normal'> style='text-decoration:
none;text-underline:none'>2.
text-underline:none'>Eisen ten aanzien van een verzoek van de stichting aan de
Raad in een crisissituatie
normal'> style='text-decoration:none;
text-underline:none'>
over gegevens beschikken zoals
opgenomen in bijlage 1.
a)
waaruit de
vermoedelijke acute en ernstig bedreigende situatie voor de jeugdige bestaat
waarvoor onmiddellijk hulp of zorg moet worden geboden; en (voor zo ver
mogelijk) welke factoren deze bedreiging veroorzaken en in stand houden
b)
welke
hulpverlening hiervoor volgens de stichting aangewezen is en
c)
waarom deze
hulp of zorg niet op vrijwillige basis mogelijk is of ontoereikend om die
bedreiging af te wenden.
normal'>
normal'>
yes">
normal'>
3.
yes">Nadere regeling van de samenwerking
tussen de stichting en de Raad in een
crisissituatie
De stichting en de Raad maken per provincie (regio) nadere afspraken over de te volgen procedure ingeval het verzoek om een onderzoek in te stellen een acute en ernstig bedreigende situatie voor een jeugdige betreft, waarin mogelijk een voorlopige maatregel noodzakelijk is (voorlopige ondertoezichtstelling of voorlopige voogdij).
normal'>
4.
yes">Eisen ten aanzien van de wijze waarop de
cliënt wordt geïnformeerd
normal'>
4.1. De stichting is verantwoordelijk voor het informeren
van de cliënten als zij van oordeel is dat de
Raad voor de Kinderbescherming om een
onderzoek moet worden gevraagd. Wettelijk vertegenwoordigers en jeugdigen vanaf
12 jaar ontvangen in principe van de stichting een kopie van het verzoek aan de
Raad om een onderzoek in te stellen.
4.2.
Indien het informeren van cliënten kennelijk een bedreiging vormt voor de
jeugdige, ziet
de stichting hiervan af. Deze
beslissing wordt in het verzoek aan de Raad om een onderzoek in te
stellen beargumenteerd.
B. style="mso-spacerun:
yes"> MEDEDELINGEN VAN DE RAAD AAN
DE STICHTING
normal'>
1
style="mso-spacerun:
yes"> Eisen ten aanzien van de (wettelijk) verplichte mededelingen van
de Raad aan de stichting
1.1
yes">Wanneer de Raad voor de Kinderbescherming –
bij wijze van uitzondering – zonder tussenkomst
van de stichting besluit tot het in
onderzoek nemen van een voor een jeugdige bedreigende verzorgings- en
opvoedingssituatie, deelt de Raad dit onverwijld per standaardbrief aan de
stichting mede.
yes">
1.2.1.Binnen
5 werkdagen na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek van de stichting
deelt de
Raad voor de Kinderbescherming zijn
besluit om een onderzoek in te stellen per standaardbrief aan de stichting
mede.
Arial;"Times New Roman";
Arial;"Times New Roman"; class=msoIns>ns cite="mailto:Volder0601" datetime="2007-05-08T11:59">1.2.2 class=msoIns>ns cite="mailto:Volder0601" datetime="2007-05-08T11:59">.Indien de Raad bij ontvangst van de melding moet afwijken van de genormeerde
Arial;"Times New Roman"; doorlooptijden, treedt hij in overleg met de Stichting om nadere afspraken te maken over de wijze
Arial;"Times New Roman"; waarop de urgentiebepaling en de risico-inschatting worden geactualiseerd, hoe vaak en door
Arial;"Times New Roman"; wie.
Arial;"Times New Roman";
1.3.1.
De Raad kan van de termijn, style='zoals genoemd in lid 1.2.1.
afwijken indien de overgedragen
Arial;
informatie onvoldoende is om op basis daarvan
tot het instellen van een onderzoek te kunnen besluiten.
1.3.2 Arial;"Times New Roman";. In
dat geval treedt de Raad voor de Kinderbescherming in overleg met de Stichting
over hoe de
"Times New Roman";benodigde informatie alsnog
kan
style='worden aangevuld.
Arial;"Times New Roman"; 1.4.Indien de Raad tijdens het onderzoek moet afwijken van de genormeerde doorlooptijden, treedt hij
Arial;"Times New Roman"; style="mso-spacerun: yes"> in overleg met de Stichting om nadere afspraken te maken over de wijze waarop de yes">
Arial;"Times New Roman"; urgentiebepaling en de risico-inschatting worden geactualiseerd, hoe vaak en door wie.
Arial;
stichting mede. Op dit
uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt op basis van
een nadere afspraak hieromtrent tussen
Raad en stichting.
normal'> Arial;"Times New Roman"; 2.Eisen ten aanzien van de wijze waarop de stichting en de Raad met elkaar samenwerken bij yes">
normal'> Arial;"Times New Roman"; verschil van mening
normal'> Arial; "Times New Roman";
Arial;"Times New Roman";1. Arial;"Times New Roman";De stichting en de Raad treden met elkaar in overleg om nadere afspraken te maken bij verschil van mening over:
Arial;"Times New Roman";- yes"> de noodzaak tot het instellen van een onderzoek,
Arial;"Times New Roman";-
de inschatting van het risico voor de jeugdige,
Arial;"Times New Roman";-
de urgentiebepaling van de melding. "Times New Roman";
Arial;"Times New Roman";
color:#339966'> 2.
style='font-size:12.0pt;mso-bidi-font-size:10.0pt;color:#339966'>Mocht er
ondanks overleg over het verzoek om onderzoek een patstelling ontstaan en/of er
een verschil van inzicht blijven bestaan over de vermoedelijke bedreiging van
de ontwikkeling van een minderjarige, dan dient de Raad te kiezen voor
zekerheid voor het kind en onderzoek in te stellen.
style='font-size:12.0pt;mso-bidi-font-size:10.0pt'>
"Times New Roman";color:#339966'>
"Times New Roman";
"Times New Roman";
C. style="mso-spacerun:
yes"> SAMENWERKING TIJDENS HET RAADSONDERZOEK
Nadere regeling van de samenwerking
tussen de stichting en de Raad na een besluit van de Raad tot het instellen van een onderzoek
Arial;
afspraken over hun wijze van
samenwerken gedurende het raadsonderzoek, waaronder begrepen de periode na
afsluiting van het raadsonderzoek, hangende de uitspraak van de rechter op het
verzoek van de Raad om een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen.
2.
yes">De stichting en de Raad maken in ieder
geval met elkaar nadere afspraken over:
a)
de wijze
waarop de stichting – afhankelijk van de mate waarin cliënten hieraan willen
meewerken – invulling geeft aan haar verantwoordelijkheid voor hulpverlening
aan of begeleiding van cliënten gedurende het raadsonderzoek; de Raad richt
zich op grond van zijn wettelijke taak immers uitsluitend op het doen van
onderzoek en het zo nodig initiëren van een maatregel van kinderbescherming
Arial;
b)
de wijze waarop de nodige afstemming plaatsvindt tussen de
raadsonderzoeker en degene die namens de stichting als contactpersoon fungeert
c)
welke
functionaris bij de Raad als
contactpersoon optreedt in de periode voorafgaand aan de feitelijke start van
het raadsonderzoek alsmede in de
periode na afsluiting van het raadsonderzoek, hangende de uitspraak van de
rechter
d)
de wijze
waarop de Raad op de hoogte wordt gehouden van eventuele stagnaties in het
hulpverleningstraject, die kunnen leiden tot een acute en ernstig bedreigende
situatie voor de betrokken jeugdige; in zo een situatie kan de Raad de rechter
om een voorlopige ondertoezichtstelling vragen
e)
de wijze
waarop stichting en Raad – met inachtneming van eigen interne procedures – in
publiciteitsgevoelige casuïstiek met elkaar afstemming zoeken terzake van het
omgaan met de media .
Arial;"Times New Roman"; yes">
D. style="mso-spacerun:
yes"> (VOORTZETTING) HULPVERLENING
OP VRIJWILLIGE
BASIS NA RAADSONDERZOEK
normal'>
normal'> Arial;
1.
Eisen ten aanzien van de samenwerking tussen de stichting en
Raad indien het raadsonderzoek niét leidt tot een verzoek aan de rechter om een
kinderbeschermingsmaatregel op te leggen
normal'>
yes">
yes"> c) de
wijze waarop de communicatie tussen de Raad en de stichting verloopt ingeval de
Raad
Arial;
voorwaarden verbindt aan zijn
beslissing om af te zien van het vragen van een maatregel .
E. style="mso-spacerun:
yes"> RAAD VERZOEKT (NA ONDERZOEK) OM
KINDERBESCHERMINGSMAATREGEL
normal'>
normal'> Arial;
1.
Eisen ten aanzien van de samenwerking tussen stichting en
Raad indien de Raad de rechter verzoekt
om een (voorlopige) ondertoezichtstelling uit te spreken
1.1.
Als de Raad de rechter vraagt om een ondertoezichtstelling
uit te spreken worden de stukken voor de rechtbank gelijktijdig in afschrift
aan de stichting verzonden.
Dit geldt ook als de Raad om een
voorlopige ondertoezichtstelling vraagt. In dat geval gaat echter aan de
verzending een telefonische mededeling vooraf.
1.2.
De Raad stelt de stichting schriftelijk in kennis van de uitspraak van de rechter.
Vanwege de spoedeisendheid gaat aan deze kennisgeving in het geval van een voorlopige ondertoezichtstelling een telefonische mededeling vooraf.
1.3.
Wanneer de Raad de rechter om een voorlopige ondertoezichtstelling vraagt met een machtiging tot uithuisplaatsing, behoeft
de Raad - vanwege het spoedeisend karakter - bij zijn verzoek niét een tot uithuisplaatsing strekkend indicatiebesluit van de stichting over te leggen.
Nadat de rechter de voorlopige ondertoezichtstelling heeft uitgesproken, draagt de stichting zorg voor de totstandkoming van een – ter continuering
van de uithuisplaatsing noodzakelijk – indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing.
1.4.
Als de rechter een voorlopige ondertoezichtstelling heeft uitgesproken, informeert de Raad cliënten over de betekenis van deze maatregel en de verdere (juridische)
procedure.
1.5.
Gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling richt de Raad zich op zijn onderzoekstaak en houdt de stichting zich bezig met de uitvoering
van de maatregel.
2. Nadere regeling van de samenwerking tussen stichting en Raad ingeval de rechter een (voorlopige) ondertoezichtstelling heeft uitgesproken
2.1.
De stichting en de Raad maken per provincie (regio) nadere afspraken over de wijze waarop na het uitspreken van een
ondertoezichtstelling de overdracht plaatsvindt tussen de betrokken raadsonderzoeker en (medewerker van) de stichting.
2.2.
De stichting en de Raad maken – rekening houdend met de formele verdeling van taken en bevoegdheden – per provincie (regio) nadere
afspraken over de taakverdeling en de wijze van afstemming tussen de betrokken raadsonderzoeker en (de betrokken medewerker van) de stichting
bij een voorlopige ondertoezichtstelling.
2.3.
Punt 2 onder e van onderdeel C (nadere afspraken over afstemming in publiciteitsgevoelige casuïstiek) is van overeenkomstige
toepassing.
F. RAAD VERZOEKT GELIJKTIJDIG MET OTS EEN MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING
Criteria op grond waarvan de Raad aan de stichting om een indicatiebesluit strekkende tot een uithuisplaatsing vraagt
De Raad vraagt de stichting om een indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing, indien:
a.
er naar zijn oordeel een wettelijke grond voor uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling aanwezig is (dat
wil zeggen, dat de uithuisplaatsing in het kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is in het belang van de
verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid) en
b. de Raad deze uithuisplaatsing wil bespoedigen ter bevordering van de ontwikkeling van de minderjarige
en daarom voornemens is om - gelijktijdig met het verzoek om een ondertoezichtstelling - aan de rechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing te vragen.
2.
Eisen ten
aanzien van de samenwerking tussen stichting en Raad rond het indicatiebesluit
strekkende tot een uithuisplaatsing in het kader van een OTS (procedure).
2.1. Indien de stichting beoogt, dat de Raad gelijktijdig met het verzoek om een ondertoezichtstelling
aan de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing vraagt, zorgt zij ervoor dat de Raad tijdig over een geldig daartoe strekkend indicatiebesluit beschikt.
De stichting zendt het indicatiebesluit mee met haar verzoek aan de Raad om een onderzoek in te stellen of zendt het naderhand toe. In dat laatste geval informeert de
stichting de Raad wanneer zij bezig is een indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing voor te bereiden.
Als de stichting niet zélf het initiatief neemt om tot een indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing te komen, vraagt de
Raad aan de stichting om zo een indicatiebesluit voordat bij de rechter een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing wordt ingediend.
2.3. De Raad voorziet de stichting daarbij op gestandaardiseerde wijze van de benodigde informatie.
2.4.
Tevens informeert de Raad de stichting over de mening van cliënten
(belanghebbenden) met
betrekking tot uithuisplaatsing in het kader van een
ondertoezichtstelling.
2.5.
yes">De stichting neemt binnen vijf werkdagen na
de ontvangst van het verzoek van de Raad een
beslissing
inzake het al dan niet nemen van een indicatiebesluit. Zo nodig kan deze
termijn in overleg tussen stichting en Raad met uiterlijk vijf werkdagen worden
verlengd.
2.6.
yes">Als de stichting heeft besloten om een
indicatiebesluit te nemen, zorgt zij ervoor dat dit zo
snel mogelijk tot stand komt en per ommegaande naar de Raad wordt
gezonden.
2.7.
yes">Wanneer de stichting
om redenen van procedurele of inhoudelijke aard afziet van het nemen
yes"> van een indicatiebesluit dan deelt de
stichting haar beslissing ook per ommegaande aan de
yes"> Raad mede, onder opgaaf van redenen.
2.8.
yes"> Wanneer de stichting om inhoudelijke redenen
heeft besloten om af te zien van het nemen van
een
indicatiebesluit en de Raad (vooralsnog) wenst vast te houden aan zijn
voornemen om aan de rechter een machtiging
tot uithuisplaatsing te vragen, bezien Raad en stichting in onderling overleg
of er toch nog mogelijkheden zijn om samen tot een eensluidend oordeel te
komen.
2.9. Nadat de stichting een
indicatiebesluit heeft afgegeven, of
nadat zij de Raad te kennen heeft
gegeven af te zien van het nemen van een
indicatiebesluit en – bij het ontbreken van
inhoudelijke overeenstemming – nader overleg tussen Raad en stichting
ook niet tot
overeenstemming heeft geleid, kan de Raad style="mso-spacerun:
yes"> de rechter om een machtiging tot uithuisplaatsing
vragen.
2.10. Ingeval de Raad bij zijn verzoek
aan de rechter geen indicatiebesluit van de stichting kan
overleggen, vermeldt de Raad in het verzoek wat voor de stichting de
redenen zijn geweest om
af te zien van het nemen van een indicatiebesluit.
De Raad vermeldt tevens voor welke verblijfplaats de machtiging wordt
gevraagd.
AANDACHTSPUNTEN
VERZOEKEN VAN DE STICHTING AAN DE RAAD OM
EEN ONDERZOEK IN TE STELLEN
Symbol'>·
Consultatie
Alvorens
de stichting besluit de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek te
vragen kan er behoefte bestaan om de Raad te consulteren over de vraag of in
kwestie al een maatregel van kinderbescherming overwogen moet worden. De
stichting en de Raad kunnen met elkaar afspreken wanneer en op welke wijze de
Raad voor consultatie beschikbaar is.
Symbol'>·
Ontvangstbevestiging
Onverminderd
onderdeel B onder punt 2 kunnen stichting en Raad met elkaar afspreken, dat de
stichting standaard een ontvangstbevestiging van de Raad ontvangt zodra de Raad
een verzoek van de stichting om een onderzoek in te stellen heeft
binnengekregen. Tevens kunnen de stichting en de Raad afspreken, dat de Raad
standaard de stichting informeert over de eventuele wachttijd voor een
onderzoek en/of over het tijdstip waarop het raadsonderzoek daadwerkelijk een
aanvang neemt.
Symbol'>·
Nadere procedureafspraken rond crisissituaties
(punt 3)In
de procedureafspraken met betrekking tot crisissituaties
gaat het om kwesties als: wie benadert wie
waarover? bereikbaarheid binnen en buiten kantooruren (regeling van de 7 x 24
uur bereikbaarheid voor crisissituaties); wie is verantwoordelijk voor wat?
Symbol'>·
class=MsoCommentReference> style='font-size:8.0pt'>
style='mso-special-character:comment'>
Arial;"Times New Roman";
Symbol'>·
BASIS
NA RAADSONDERZOEK
Symbol'>·
Symbol'>·
Toezending stukken aan stichting (punt
1.1.normal'>) Symbol'>·
Geen indicatiebesluit nodig als Raad om vots
vraagt (punt 1.3.) ten tijde van zijn verzoek aan de rechter om
de stichting te machtigen tot uithuisplaatsing in het kader van een voorlopige
ondertoezichtstelling, niét een daartoe strekkend indicatiebesluit van de stichting
over te leggen. Nadat de voorlopige ondertoezichtstelling door de rechter is
uitgesproken, dient er wel – zo volgt uit genoemd wetsartikel – alsnog een
indicatiebesluit te komen. Het ligt voor de hand, dat de stichting in haar rol
van uitvoerder van de maatregel zélf het initiatief neemt tot het nemen van zo
een besluit.
Symbol'>·
Horen van belanghebbenden binnen termijn van
14 dagen Symbol'>·
Nadere samenwerkingsafspraken (punt
2.1 en 2.2.
normal'>)
Onderdeel F heeft géén betrekking op
uithuisplaatsing in het kader van een voorlopige ondertoezichtstelling. Zie
hiertoe onderdeel E. Arial;
Arial;
Arial;
Arial;
Arial;
Het ligt primair op de weg van de stichting
(toegang) om een noodzakelijke uithuisplaatsing op vrijwillige basis te
realiseren. Dat geldt ook voor het geval er reeds een raadsonderzoek loopt en
cliënten in die periode voortzetting van de hulpverlening door de stichting
accepteren. spreekt het eigenlijk voor zich dat de
stichting de Raad informeert als zij nog geen indicatiebesluit strekkende tot
uithuisplaatsing kan overleggen, maar wel met de voorbereiding hiervan bezig
is.
dan informeert de stichting de Raad, zodra
zij voornemens is een daartoe strekkend indicatiebesluit voor te bereiden.
Is de termijn van vijf werkdagen desalniettemin te
kort dan kunnen Raad en stichting in onderling overleg bepalen, dat de termijn
wordt verlengd met maximaal vijf werkdagen. Als de stichting dan nog niet heeft
besloten om een indicatiebesluit af te geven, zal de Raad aan de rechter om een
machtiging tot uithuisplaatsing vragen. Op basis van het nieuwe artikel 261 lid
4 van Boek I van het BW kan de Raad dit doen zonder overlegging van een
indicatiebesluit. de Raad om
had gevraagd (m.a.w. als de stichting
het niet eens was met de Raad).
Symbol'>
gelijktijdig met het verzoek
tot een ondertoezichtstelling ook om een machtiging tot
normal'> III SAMENWERKING STICHTING – RAAD
rond JEUGDRECLASSERING
Kwaliteitseisen m.b.t. de wijze van samenwerking bij
toezicht door de Raad op de uitvoering van jeugdreclassering en bij het gebruik
van de wettelijke aanwijzingsbevoegdheid
normal'>
normal'> Arial;
Wijze van toezicht houden door de Raad
yes">
Arial;
Gezamenlijk gesprek met cliënten
(punt 4)Op
initiatief van de stichting kunnen Raad en stichting er incidenteel voor kiezen
om cliënten in een gezamenlijk gesprek
te informeren waarom de stichting de Raad om een onderzoek heeft gevraagd.
B. style="mso-spacerun:
yes"> MEDEDELINGEN VAN DE RAAD AAN
DE STICHTING
12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l18 level1 lfo7;tab-stops:list 18.0pt'> Symbol'>·
Procedureafspraken voor het geval de informatie van de
stichting ontoereikend is style='mso-comment-continuation:
1'>
style='mso-comment-continuation:1'>De
stichting en de Raad kunnen naar aanleiding van punt 2 per provincie
(regio) aanvullende procedure afspraken maken voor het geval de informatie van
de stichting volgens de Raad onvoldoende is om op basis daarvan tot het instellen
van een onderzoek te kunnen besluiten. Zo kan bijvoorbeeld worden afgesproken,
dat de Raad de stichting in de gelegenheid stelt om de aanvraag eerst mondeling
nader toe te lichten.
[V1]
Symbol'>·
Informeren van de stichting inzake eindbesluit van de
Raad
(punt 3)Te
denken valt aan situaties waarin de betrokken minderjarige Nederland reeds
heeft verlaten om terug te keren naar het land van herkomst, zoals
bijvoorbeeld ingeval van de zgn.
Schipholkinderen.
Symbol'>·
Raad ontvangt telefonisch zorgmelding die voor de stichting
bestemd is
Wanneer
de Raad een normal'>telefonische zorgmelding
ontvangt, wordt de melder in principe verwezen naar de stichting. De Raad kan
bij ernstige zorgsignalen de informatie (ook) zelf doorgeven aan de stichting,
voor zover de Raad over de nodige gegevens beschikt (personalia e.d.). Als de
betreffende melding bij de stichting is binnengekomen zal zij dat aan de Raad
laten weten.
exactly'>
normal'> Arial;"Times New Roman";
Procedureafspraken voor het geval de Raad moet afwijken van de
genormeerde doorlooptijden
style='font-family:Arial;"Times New Roman";
De Raad en de stichting kunnen naar aanleiding van punt 1.3. per
provincie (regio) aanvullende procedure afspraken maken voor het geval de Raad
moet afwijken van de genormeerde doorlooptijden. Raad en stichting kunnen samen
afspraken maken hoe met deze tijdelijke situatie om te gaan.
style='font-family:Arial;"Times New Roman";
exactly'>
normal'> Arial;"Times New Roman";
Procedureafspraken voor het geval er een verschil van mening bestaat
over de noodzaak tot het instellen van een onderzoek, de inschatting van het
risico voor het kind en de urgentiebepaling van de melding
Arial;"Times New Roman";
style='font-family:Arial;"Times New Roman";
Bij verschil van mening over één van bovenstaande punten, treden de
Raad en de stichting met elkaar in overleg op direct leidinggevende niveau. Indien
het overleg ertoe leidt dat de Raad (nog) niet meteen in actie komt, is het van
belang om afspraken te maken voor het geval zich in de situatie van de jeugdige
ontwikkelingen voordoen die een nieuwe afweging met betrekking tot een of meer
van de bovengenoemde punten noodzakelijk maken.
C. style="mso-spacerun:
yes"> SAMENWERKING TIJDENS HET RAADSONDERZOEK
Actualiseren van informatie
Bij
de aanvang van het onderzoek kan de raadsonderzoeker contact opnemen met de
stichting om de informatie die is meegestuurd met het verzoek tot onderzoek, te
actualiseren.
Symbol'>·
Medewerking cliënten
(punt 2)
De
stichting kan haar verantwoordelijkheid voor de hulp aan en begeleiding van
cliënten gedurende het raadsonderzoek verschillend invullen al naar gelang de
feitelijke mogelijkheden. Bepalend is de mate waarin cliënten bereid zijn hun
medewerking aan die hulp of begeleiding te verlenen.
style='font-family:Arial;"Times New Roman";
In zaken die niet zo ernstig zijn, kan een geringe interventie
(gezamenlijk gesprek stichting, Raad en gezin) voldoende zijn om de zaak weer
bij te buigen.
Symbol'>·
Afstemming verantwoordelijkheden
In
ieder geval is het van belang om per casus taken en verantwoordelijkheden goed
op elkaar af te stemmen en ervoor te zorgen dat gedurende het gehele traject
duidelijk is waar de regie ten aanzien van de hulpverlening ligt.
D. style="mso-spacerun:
yes"> (VOORTZETTING) HULPVERLENING
OP VRIJWILLIGE
(Voortzetting) hulpverlening op vrijwillige basis na
raadsonderzoek
(Voortzetting) van de hulpverlening op vrijwillige
basis is alleen mogelijk als cliënten ook instemmen met overdracht naar de
stichting.
Als
de Raad cliënten terugverwijst naar de stichting in verband met (voortzetting
van de) hulpverlening op vrijwillige basis, houdt de Raad daarbij rekening met
zowel de mogelijkheden als de beperkingen van de stichting, de zorgaanbieders
en/of de voorliggende voorzieningen.
De
Raad kan eventueel aan zijn beslissing om af te zien van het vragen van een
maatregel normal'>voorwaarden verbinden die
gericht zijn op het slagen van het hulpverleningstraject. In dat geval wordt er
een normal'>termijn afgesproken waarbinnen de
stichting de voortgang van de hulpverlening bewaakt. Wanneer uit de evaluatie
blijkt dat de hulpverlening is geslaagd, ontvangt de Raad hierover van de
stichting bericht. Is de hulpverlening vastgelopen dan zal zij in principe de
Raad opnieuw om een onderzoek vragen.
Symbol'>·
Communicatie Raad –
stichting over overwegingen raadsbesluit
Soms zal het raadsonderzoek geen bevestiging opleveren
van het aanvankelijk vermoeden dat ten aanzien van een bepaalde jeugdige sprake
is van een bedreigde ontwikkeling. Voor die situaties style="mso-spacerun:
yes"> kunnen de stichting en Raad met elkaar nadere afspraken maken
over de wijze waarop de Raad de stichting informeert over de overwegingen die
aan het eindbesluit ten grondslag liggen. Hetzelfde geldt voor situaties waarin
de Raad de bedreiging niet langer aanwezig acht.
E. style="mso-spacerun:
yes"> RAAD VERZOEKT (NA ONDERZOEK) OM
KINDERBESCHERMINGSMAATREGEL
Voor toezending van stukken aan de stichting is
niet bepalend of cliënten instemmen met de gevraagde maatregel.
Volgens het nieuwe artikel 261 lid 3 van Boek I van
het BW behoeft de Raad
Zowel om hulpverleningsinhoudelijke als
proceseconomische redenen verdient het dringend aanbeveling, dat de rechter
zoveel mogelijk gebruik maakt van zijn bevoegdheid om te bepalen dat de
machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien het indicatiebesluit
tot uithuisplaatsing strekt. Dit vormt een aandachtspunt voor de Raad in zijn
verzoek aan de rechter om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.
Ingeval van een voorlopige ondertoezichtstelling
kan de beschikking zonder voorafgaand verhoor worden gegeven. Het moet dan wel
een situatie betreffen waarin het verhoor niet kan worden afgewacht zonder
onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Als belanghebbenden niet
binnen termijn van 14 dagen in gelegenheid worden gesteld om hun mening kenbaar
te maken, verliest de beschikking haar kracht na verloop van genoemde termijn
(800 lid 3 Rv).
Zo mogelijk zorgt stichting ervoor dat het
indicatiebesluit is genomen op het moment dat de wettelijk vertegenwoordiger
wordt gehoord.
Stichting en Raad maken op provinciaal (regionaal) niveau nadere afspraken
omtrent de overdracht tussen de betrokken raadsonderzoeker en (medewerker van)
de stichting en tevens over de wijze waarop de samenwerking rond de voorlopige
ondertoezichtstelling vorm krijgt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
het zoeken van een geschikte plek, het wegbrengen van de kinderen en de wijze
waarop raadsonderzoeker en voorlopig gezinsvoogd elkaar op de hoogte houden van
relevante ontwikkelingen.
Symbol'>·
Afstemming in publiciteitsgevoelige casuïstiek
(punt 2.3.)
Stichting en Raad maken niet alleen afspraken met
elkaar over afstemming in publiciteitsgevoelige casuïstiek voor de periode dat
zij normal'>gelijktijdig bemoeienis hebben
met de betrokken cliënten, maar ook voor de periode daarna.
F. style="mso-spacerun:
yes">RAAD VERZOEKT GELIJKTIJDIG MET OTS EEN style="mso-spacerun:
yes"> MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING
tab-stops:list 21.3pt'> Symbol'>·
Uithuisplaatsing in het kader van een voorlopige
ondertoezichtstelling
Gebruikmaking wettelijke bevoegdheid Raad om machtiging
uithuisplaatsing te vragen normal'>
yes"> style="mso-spacerun:
yes">
De Raad laat de beoordeling of in het
kader van de ondertoezichtstelling eventueel een uithuisplaatsing nodig is in
principe over aan de stichting in haar functie van
normal'>uitvoerder van de maatregel, tenzij aan de criteria van onderdeel
F onder punt 1 is voldaan.
De Raad kan
normal'>op aangeven van de stichting (toegang) gebruik maken van zijn
wettelijke bevoegdheid om de rechter te verzoeken de stichting te machtigen tot
uithuisplaatsing (zie het volgende
aandachtspunt), of normal'>op eigen initiatief
(als de Raad tijdens zijn onderzoek zélf tot de conclusie komt dat een
uithuisplaatsing in een gedwongen kader aangewezen is).
De gebruikmaking van deze bevoegdheid
is altijd gebonden aan de criteria vermeld in onderdeel F, punt 1 onder a en
b. Het betreft dezelfde criteria als voor het vragen van een
indicatiebesluit aan de stichting, omdat de Raad wettelijk gehouden is om éérst
een indicatiebesluit aan de stichting te vragen alvorens gebruik te maken van
zijn bevoegdheid om de rechter om een machtiging te vragen (dit volgt uit het
nieuwe art. 261 van Boek I van het BW).
De criteria onder a en b zijn
cumulatief bedoeld. Dit betekent, dat de
Raad in de eerste plaats moet vaststellen dat er in casu een in de wet genoemde
grond aanwezig is voor een uithuisplaatsing in het kader van een
ondertoezichtstelling.
Daarnaast is voor de Raad het criterium
om zélf de machtiging te vragen - gelijktijdig met de indiening van het
rekest tot ondertoezichtstelling - gelegen in
normal'>bespoediging van het
hulpverleningsproces, ter bevordering van
normal'>de ontwikkeling van de minderjarige. Het gaat daarbij met name om
situaties, waarin de Raad van uithuisplaatsing een nuttig effect verwacht voor
de ontwikkeling van de jeugdige en daarom geen tijd verloren wil laten gaan. Zo
kan worden bereikt dat de minderjarige op een vroeger tijdstip uit huis wordt
geplaatst dan wanneer eerst het optreden van de gezinsvoogd moet worden
afgewacht.
Uithuisplaatsing op initiatief van de stichting
(toegang)
Wanneer het de stichting echter niét
lukt om een uithuisplaatsing op vrijwillige basis te realiseren en zij deze
toch noodzakelijk vindt in het belang
van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten
van specialistisch onderzoek, normal'>kan zij
de Raad vragen om bij de rechter tevens om een machtiging tot uithuisplaatsing
te verzoeken. In dat geval zorgt de stichting ervoor dat de Raad tijdig over
een geldig indicatiebesluit beschikt (zie onder punt 2.1): de stichting
kan het indicatiebesluit meesturen met haar verzoek aan de Raad om een
onderzoek in te stellen. Is dat niet mogelijk of op dat moment nog niet aan de
orde, kan de stichting het indicatiebesluit - in overleg met de Raad - later
alsnog opsturen.
Ter wille van een goede afstemming
Komt uithuisplaatsing pas later in het
hulpverleningstraject aan de orde (als het raadsonderzoek al loopt)
Horen van cliënten bij
totstandkoming indicatiebesluit style='mso-bidi-font-weight:
normal'>
Bij de
totstandkoming van een indicatiebesluit is de stichting gebonden aan de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur: de stichting moet rekening houden
met de zorgvuldigheidseisen die voortvloeien uit de Algemene Wet Bestuursrecht,
zoals met betrekking tot het horen van cliënten (belanghebbenden).
Om pragmatische redenen (met name
doorlooptijden) is als normal'>uitgangspunt gekozen,
dat de stichting genoegen neemt met een verklaring van de Raad indien daaruit
duidelijk blijkt, dat cliënten instemmen met de uithuisplaatsing, zie onder
punt 2.4..
Het verdient aanbeveling om hiervoor
een speciaal normal'>format te gebruiken.
Indien de stichting geen genoegen kan
nemen met de verklaring van de Raad, ziet zij af van het nemen van een
indicatiebesluit (“om procedurele redenen”). De stichting kan natuurlijk ook
besluiten om eerst zélf de cliënten te horen alvorens een beslissing te nemen,
maar zal daarbij wel rekening moeten houden met de termijn van vijf werkdagen, zie
onder punt 2.5.
Informeren van cliënten door Raad
Het verdient aanbeveling, dat de Raad
cliënten voldoende voorlicht over hun (rechts)positie in dezen, zoals door het
uitreiken van een folder. Daarbij wordt ook vermeld, dat de Raad de rechter om
een uithuisplaatsing kan vragen normal'>zonder indicatiebesluit
van de stichting en – indien de rechter dit verzoek toewijst – de stichting
deze machtiging behoort uit te voeren.
Termijn voor het nemen van een indicatiebesluit door de
stichting Arial;
(punt 2.5.) style="mso-spacerun:
yes"> Ingeval
de stichting door eigen betrokkenheid reeds bekend is met de situatie van
cliënten mag in het algemeen worden aangenomen, dat de stichting relatief snel
tot een beslissing kan komen, wanneer de Raad de stichting verzoekt om een
indicatiebesluit te nemen strekkende tot uithuisplaatsing in het kader van
een ondertoezichtstelling.
Daarnaast voorziet de Raad de stichting
nog van relevante informatie, zie onder punt 2.3.
Als de rechter op verzoek van de Raad
aan de stichting een machtiging tot uithuisplaatsing verleent, is de stichting
wettelijk verplicht om deze ten uitvoer te leggen, ook als de stichting eerder
om inhoudelijke redenen class=MsoFootnoteReference>
[4]
niét het indicatiebesluit heeft genomen waar
Uit een oogpunt van werkbaarheid is het
zaak dat, als stichting en Raad van mening verschillen over de noodzaak tot
uithuisplaatsing (met name als de Raad uithuisplaatsing nodig vindt en de
stichting (nog) niet), zij zich tijdig met elkaar verstaan en zich
gezamenlijk inspannen om door middel van
overleg tot overeenstemming te komen.
Overigens is overleg tussen stichting
en Raad verplicht op basis van artikel 11
lid 2 van het Besluit kwaliteit en werkwijze BJZ en samenwerking van
BJZ met de Raad.
De Raad zal wel zijn
verantwoordelijkheid nemen als dit overleg niet tot de gewenste overeenstemming
leidt (zie het volgende aandachtspunt en onderdeel F onder punt 2.9) Symbol;text-decoration:none;text-underline:none'>·
text-underline:none'>Procedurele vereisten voor gebruikmaking van wettelijke
bevoegdheid Raad om machtiging uithuisplaatsing te vragen
style='mso-bidi-font-weight:normal'> style='text-decoration:none;
text-underline:none'> style='text-decoration:none;text-underline:
none'>(punt 2. 9 style='text-decoration:none;text-underline:none'>):
style='text-decoration:none;text-underline:none'>De Raad maakt pas
gebruik van zijn wettelijke bevoegdheid om zélf de machtiging te vragen:
a.
nadat de Raad aan de stichting om een indicatiebesluit heeft
gevraagd én
b.
de stichting dit verzoek toegewezen
normal'>of
c.
yes">de stichting dit verzoek heeft afgewezen,
om procedurele of inhoudelijk redenen, én
d.
yes">indien het een afwijzing om inhoudelijke
redenen betreft, nader overleg tussen stichting en
Raad niet tot overeenstemming heeft geleid én
yes"> Arial;
yes">uithuisplaatsing te vragen.
A. style="mso-spacerun:
yes">TOEZICHT VAN DE RAAD OP DE UITVOERING VAN JEUGDRECLASSERING
1.
1.1.
De Raad voor de Kinderbescherming houdt toezicht op de
jeugdreclasseringswerkzaamheden
van de stichting. De Raad oefent
toezicht uit door middel van normal'>toetsing en
overleg.
1.2.
De toetsing vindt plaats aan de hand van de navolgende documenten van de
stichting.
= Het plan van
aanpak
= tussenrapportages
(voorlichtingsrapporten ten behoeve van zitting, halfjaarlijkse evaluaties)