CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Bijlage agendapunt 5 Jeugdbescherming

LANDELIJK TOETSINGSKADER VOOR DE REGIONALE SAMENWERKINGSAFSPRAKEN TUSSEN BUREAU JEUGDZORG EN DE RAAD

Utrecht mei 2007
INHOUD
pagina
I †Inleiding
II Samenwerking stichting en Raad rond toegang
=kwaliteitseisen en verplicht te regelen onderwerpen
= aandachtspunten
III Samenwerking stichting en Raad rond jeugdreclassering
= kwaliteitseisen m.b.t. wijze van samenwerking bij toezicht door Raad op de uitvoering van jeugdreclassering en bij het gebruik van de wettelijke aanwijzingsbevoegdheid
= aandachtspunten  style='mso-tab-count:1'> 20 style='mso-tab-count:1'> 
Bijlage style='mso-tab-count:2'> 22 I†††† Inleiding
1) Aanleiding
Krachtens de Wet op de jeugdzorg wordt het Bureau Jeugdzorg (hierna: BJZ) de eerstelijns voorziening voor kennisgevingen van opgroei- en opvoedingsproblemen en meldingen van (vermoedens van) kindermishandeling. Binnen BJZ fungeert met name het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) als meldpunt voor (vermoedens van) kindermishandeling.
Vanaf 1994 is er in de jeugdzorg hard gewerkt om het principe van ťťn toegang, zoals destijds uiteengezet in het regeringsstandpunt Regie in de jeugdzorg, invulling te geven. De inwerkingtreding van de wet betekent dan ook veeleer het formaliseren van een reeds in de praktijk gegroeide situatie waarin opgroei- en opvoedingsproblemen en (vermoedens van) kindermishandeling bij het BJZ

- waaronder het AMK -

worden gemeld.
De principiŽle keuze van destijds voor ťťn centrale toegang brengt met zich mee, dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) niet langer rechtstreeks toegankelijk is voor uiteenlopende melders van ernstige opvoedingsproblemen en kindbedreigende verzorgingssituaties, maar in principe alleen nog via het BJZ. In crisissituaties is een uitzondering op dit beginsel toegelaten (wanneer vanwege de acute en ernstige bedreiging van de jeugdige onmiddellijk hulp of zorg moet worden geboden en die hulp of zorg niet op vrijwillige basis mogelijk is).
Het bij de Wet op de jeugdzorg behorende Besluit “normal'>Kwaliteit en werkwijze Bureau Jeugdzorg en de samenwerking van het Bureau Jeugdzorg met de Raad voor de Kinderbescherming” verplicht de stichting die een BJZ exploiteert en de Raad de wijze van samenwerking in een protocol vast te leggen. Artikel 37 van genoemd Besluit geeft een niet-limitatieve opsomming van onderwerpen die specifiek in het protocol moeten worden vastgelegd. De verplicht te regelen onderwerpen hebben goeddeels betrekking op de uitoefening van de toegangsfunctie door BJZ in relatie tot de door de Raad uit te voeren onderzoeken in beschermingszaken. style='border:solid windowtext 1.0pt;padding:0cm;mso-border-shadow:yes'>
Behalve met de toegangsfunctie belast de Wet op de jeugdzorg† BJZ tevens met de uitvoering van†††† a) de maatregelen van kinderbescherming en b) de taken van de jeugdreclassering. De ingevolge artikel 37 van het Besluit verplicht te regelen onderwerpen hebben ten dele ook betrekking op de samenwerking tussen BJZ en Raad op het vlak van jeugdreclassering.
Blijkens de toelichting op artikel 37 van eerdergenoemd Besluit hecht de wetgever belang aan een protocol om een goede samenwerking te realiseren tussen BJZ en Raad. Daarbij wordt uitgegaan van een landelijk protocol, dat op provinciaal niveau nadere invulling krijgt.

2)

Landelijk toetsingskader
Met onderhavig kader beogen de MO-groep, namens de stichtingen die een BJZ exploiteren, en de Raad voor de Kinderbescherming uitvoering te geven aan de opdracht van de wetgever, zoals die ligt besloten in de toelichting op artikel 37 van het Besluit kwaliteit en werkwijze. Partijen doen dat op een wijze die naar hun inzicht de beste garanties biedt om de samenwerking op regionaal niveau op het gewenste kwaliteitsniveau te brengen en te handhaven. Daartoe worden in onderhavig document landelijk uniforme (kwaliteits)eisen geformuleerd die bepalend zijn voor de wijze waarop BJZ en Raad aan de samenwerking op provinciaal (regionaal) niveau gestalte geven. Hierbij is ook nadrukkelijk

rekening gehouden met de voorwaarden voor gestructureerde en effectieve samenwerking zoals die naar aanleiding van een calamiteit geformuleerd zijn door o.a. de Inspectie jeugdzorg.
Het uiteindelijk doel is gelegen in het bevorderen van een efficiŽnt en effectief functioneren van de jeugdbescherming respectievelijk jeugdreclassering in geheel Nederland door –

waar† BJZ en Raad achtereenvolgens en/of gelijktijdig met dezelfde cliŽnt bemoeienis hebben – te zorgen voor een heldere afbakening van verantwoordelijkheden, voor voldoende samenhang tussen de primaire processen en voor de nodige afstemming met name tijdens overdrachtsmomenten. yes">†
Verbindend in de samenwerking tussen de stichting die een BJZ exploiteert (hierna: de stichting) en de Raad is het Verdrag inzake de rechten van het kind. Beide partijen zullen zich in hun onderlinge samenwerking steeds inspannen om de fundamentele rechten van kinderen op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid te waarborgen.

 

3) Strekking van het landelijk toetsingskader


Onderhavig kader bevat een set kwaliteitseisen waaraan de samenwerking tussen stichting en Raad op provinciaal (regionaal) niveau moet voldoen. Dit betekent, dat de in een protocol vastgelegde regionale samenwerkingsafspraken in ieder geval binnen het landelijk kader moeten passen. Behalve kwaliteitseisen bevat het landelijk kader ook voorschriften met betrekking tot nader te regelen onderwerpen in de provinciale (regionale) samenwerkingsprotocollen. style="mso-spacerun: yes">†
De invoering van de Wet op de jeugdzorg noopt tot het herijken van style="mso-spacerun: yes">† bestaande samenwerkingsafspraken tussen Raad en BJZ class=MsoFootnoteReference> [1]. Met het landelijk toetsingskader wordt daarvoor een instrument aangereikt.
Het is dan ook de bedoeling, dat de stichting en de Raad aan de hand van het landelijk toetsingskader op provinciaal (regionaal) niveau nagaan: 12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l43 level1 lfo13;tab-stops:list 18.0pt'>
a)
hoe hun bestaande samenwerkingsafspraken zich verhouden tot de gestelde kwaliteitseisen en 12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l43 level1 lfo13;tab-stops:list 18.0pt'>
b)
of er eventueel leemtes zitten in hun samenwerkingsafspraken.
Zo nodig volgt aanpassing van het provinciale (regionale) protocol aan de landelijke standaard.
Waar eventueel nog geen provinciaal (regionaal) protocol bestaat, dient het landelijk toetsingskader als richtsnoer bij de totstandkoming van een dergelijk protocol.
Bij wijze van handreiking bevat het landelijk toetsingskader ook nog een aantal “aandachtspunten”. Deze hebben de status van aanbeveling.
Het landelijk toetsingskader stelt gťťn eisen aan de vormgeving van de provinciale (regionale) protocollen.
Het landelijk toetsingskader is ontwikkeld in nauwe samenwerking met de medewerkers van de betrokken organisaties. Er is daarbij gebruik gemaakt van voorbeelden uit de praktijk (zoals in gebruik zijnde overdrachtsformulieren en regionale protocollen).
Het toetsingskader mag daarom worden geacht aan te sluiten bij algemeen aanvaarde noties omtrent aan de - specifieke - samenwerkingsrelatie tussen stichting en Raad te stellen eisen.
Het is van belang onderhavig kader style='en de daarvan afgeleide regjonale samenwerkingsafspraken †jaarlijks op zijn validiteit te toetsen en de inhoud zo nodig bij te stellen. Het cyclisch proces dat hierdoor in gang wordt gezet, moet ertoe bijdragen dat het landelijk toetsingskader voldoende aansluiting houdt bij de uitvoeringspraktijk. Alleen zo zal het ook op de langere termijn als maatstaf kunnen dienen voor de invulling van de samenwerkingsrelatie tussen BJZ en Raad. Het verdient in dit verband ook aanbeveling om de regionale protocollen regelmatig te evalueren.
4) Verhouding tot de bestaande landelijke protocollen
Destijds zijn in nauwe samenwerking tussen de Raad en de toenmalige Vedivo drie protocollen totstandgekomen: het afstemmingsprotocol ondertoezichtstelling, een afstemmingsprotocol voorlopige voogdij en een afstemmingsprotocol jeugdreclassering. Daarnaast zijn er nog enkele landelijke protocollen die betrekking hebben op een specifiek onderwerp.
In de komende tijd zullen alle landelijke protocollen worden geÔnventariseerd en planmatig op hun functie en actualiteitswaarde worden beoordeeld. Voor zo ver er naast het landelijk toetsingskader een of meer (specifieke) protocollen – al dan niet in aangepaste vorm – blijven bestaan, zal in kaart worden gebracht hoe die protocollen zich verhouden tot het landelijk toetsingskader.
5) normal'>
Verhouding tot referentiewerkmodel respectievelijk Normen 2000
Voor de werkwijze van de Bureaus Jeugdzorg is het zogeheten referentiewerkmodel maatgevend. De Raad voor de Kinderbescherming is bij de uitvoering van zijn taken gebonden aan Normen 2000.
Het landelijk toetsingskader richt zich met name op de normal'>samenwerking tussen beide organisaties; het style="mso-spacerun: yes">†treedt daarmee niťt in het referentiewerkmodel respectievelijk Normen 2000. 2.
Korte karakteristiek rol en positie ‘stichting’ (BJZ)
BJZ vormt de centrale toegang tot de jeugdzorg en verzorgt als enige – onafhankelijke – instelling de indicatie hiervoor. BJZ is toegankelijk voor iedereen die problemen ondervindt met betrekking tot het sociaal, psychisch en/of maatschappelijk functioneren van jeugdigen en hun opvoeding.
BJZ is er niet alleen voor ouders en jeugdigen die zťlf om hulp vragen, maar ook voor meldingen van derden inzake (vermoedens van) kindermishandeling en andere bedreigende opvoedingssituaties (= eerstelijns voorziening voor kennisgevingen van opgroei- en opvoedingsproblemen en meldingen van (vermoedens van) kindermishandeling).
In de Wet op de jeugdzorg is het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling een taak voor het BJZ. Door het AMK in het BJZ te integreren is een directe aansluiting mogelijk met eventueel benodigde jeugdzorg waarvoor het

bureau moet indiceren. Naar aanleiding van een melding kan het AMK contact opnemen met het betreffende gezin. Als het AMK tot de conclusie komt dat er hulp nodig is, kunnen de onderzoeksresultaten gebruikt worden bij de indicatiestelling. Het AMK mag niet zelf een onderzoek starten naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel; daartoe moet het de Raad voor de Kinderbescherming inschakelen.
(Gezins) voogdij en jeugdreclassering maken ook onderdeel uit van het BJZ, omdat de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en van jeugdreclassering door de Wet op de jeugdzorg aan het BJZ wordt opgedragen.
Toegang
Een belangrijke taak van het BJZ is vast te stellen op welke zorg een cliŽnt is aangewezen. De beoordeling van de vraag van een cliŽnt is in de Wet op de jeugdzorg gesplitst van het zorgaanbod om een onafhankelijke indicatiestelling te garanderen.
In overleg met ouders en jeugdige zal screening en diagnostiek leiden tot een oordeel over de aard van de problemen en het daarbij behorende hulpaanbod. Dit wordt vastgelegd in een indicatiebesluit. BJZ begeleidt de jeugdige en/of ouders om hetgeen in het indicatiebesluit is neergelegd te realiseren.
Het BJZ bevordert voorts dat een hulpverleningsplan tot stand komt. Ingeval van hulp van verscheidene zorgaanbieders bevordert het BJZ de totstandkoming van een samenhangend hulpverleningsplan. BJZ volgt de geboden jeugdzorg en is betrokken bij de evaluatie van de zorg.
BJZ vormt ook de toegang tot de Raad voor de Kinderbescherming indien sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, inclusief kindermishandeling. Rechtstreekse toegang tot de Raad blijft alleen mogelijk in crisissituaties.
Het BJZ

is wettelijk verplicht een verzoek tot raadsonderzoek in te dienen als de ontwikkeling van een kind wordt bedreigd en de ouders/verzorgers geen verandering(en) in de opvoedingssituatie kunnen en/of willen bewerkstelligen en hulpverlening in een vrijwillig kader ontoereikend is. Hetzelfde verzoek kan door BJZ worden gedaan indien het formele gezag over kinderen niet wordt ingevuld.
Voordat de Raad een zaak in onderzoek neemt, zal in de meeste gevallen al door BJZ zijn nagegaan of zorgverlening in vrijwillig kader mogelijk was (Memorie van Toelichting, paragraaf 3.5).

style='font-size:
Jeugdreclassering

style='font-size:
BJZ/jeugdreclassering begeleidt jeugdigen tussen 12 en 18 jaar die met de politie in aanraking zijn gekomen en een proces-verbaal hebben gekregen. De jeugdreclassering verricht haar werkzaamheden op verzoek van de Raad, de Officier van Justitie, de rechter of de directeur van de JustitiŽle Jeugdinrichting. Voor elke jeugdige wordt een op maat gesneden begeleidingsplan gemaakt met als belangrijkste doel te voorkomen dat de jeugdige opnieuw strafbare feiten pleegt.

style='font-size:
Centrale taak van de jeugdreclassering is het helpen vinden van een realistisch toekomstperspectief en het ontwikkelen van de competenties die hiervoor nodig zijn.

style='font-size:

style='font-size:
Jeugdreclasseringbegeleiding vindt plaats in een strafrechtelijke kader en kan in diverse fasen van de strafvervolging of –tenuitvoerlegging toegepast worden. Momenteel bestaan er 10 verschillende “modaliteiten” die in twee categorieŽn uiteen vallen:

style='font-size:
1) style='font-size:
gedwongen hulpverlening in de vorm van een maatregel Hulp & Steun

style='font-size:
2) style='font-size:
begeleiding op vrijwillige basis op verzoek van de Raad of directeur van een justitiŽle jeugdinrichting

style='font-size:

style='font-size:
Onder de eerste categorie vallen de volgende modaliteiten.

style='font-size:
Hulp & Steun

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
in kader van schorsing van de voorlopige hechtenis, maximaal 6 maanden;

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
in het kader van een voorwaardelijk sepot of in het kader van voorwaarden bij een transactie, voor de maximale duur van de proeftijd;

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
in het kader van ‘aanhouden’ van de strafzitting, maximaal 6 maanden;

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
bij een voorwaardelijke veroordeling, voor de maximale duur van de proeftijd (2 jaar).

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
bij Individuele Trajectbegeleiding voor harde kern-jongeren (voor de duur van 6 maanden) en Individuele Trajectbegeleiding voor CRIEM-jongeren (voor de duur van 3 maanden).

style='font-size:

style='font-size:
Onder de tweede categorie vallen Toezicht & Begeleiding:

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling, vanaf maximaal 2 maanden voor de aanvang van de voorwaardelijke Invrijheidsstelling;

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
tot aan de strafzitting, maximaal 6 maanden;

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
tijdens en na taakstraf, maximaal 6 maanden (gaan in na voltooiing van de taakstraf);

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
na detentie van 6 maanden of meer; deze vangt maximaal 3 tot 6 maanden aan voor beoogd ontslag en loopt door tot maximaal 6 maanden na vertrek, mits de jeugdige nog geen 18 jaar is; mogelijkheid tot verlenging

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
gedurende en na kortdurende detentie mits de jeugdige nog geen 18 jaar is bij vertrek uit de justitiŽle jeugdinrichting; tot maximaal 6 maanden na ontslag, met mogelijkheid tot verlenging

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
in kader van voorwaardelijke beŽindiging van PIJ-maatregel vanaf 2 maanden voor aanvang van de voorwaardelijke beŽindiging

style='font-size:Symbol'>∑ style='font-size:Arial;
na een PIJ-maatregel mits de jeugdige nog geen 18 jaar is bij vertrek uit de justitiŽle jeugdinrichting; tot maximaal 6 maanden na ontslag, met mogelijkheid tot verlenging 3.
Korte karakteristiek rol en positie Raad voor de Kinderbescherming
De Raad heeft wettelijke taken op civielrechtelijk en strafrechtelijk terrein.


Civielrechtelijke taak
De Raad onderzoekt, op basis van zijn wettelijke opdracht, voor jeugdigen bedreigende verzorgings- en opvoedingssituaties teneinde tot passende oplossingen daarvoor te komen. De Raad is gelegitimeerd om onderzoek te doen als er sprake is van een (vermoedelijke) schending van het fundamentele recht van een jeugdige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid en vrijwillige hulpverlening niet mogelijk of toereikend lijkt om de dreigende schending van dat recht te keren. De Raad kan ook onderzoek doen als betrokkenen daar niet zelf om hebben gevraagd of dat zelf niet wensen. tab-stops:347.3pt'>
De Raad start een onderzoek – behoudens in crisissituaties –

alleen op verzoek van de stichting.
De Raad toetst het verzoek van de stichting om een onderzoek in te stellen op basis van de geprotocolleerde afspraken: de Raad beoordeelt of de door de stichting aangedragen informatie voldoende (helder) is om te kunnen besluiten tot het instellen van een onderzoek. De Raad start het onderzoek alleen als

a) concreet wordt aangegeven waaruit de vermoedelijke bedreigde ontwikkeling van de jeugdige bestaat ťn b) met feiten wordt onderbouwd waarom hulpverlening op vrijwillige basis niet (meer) mogelijk is of naar verwachting ontoereikend zal zijn.†
yes">†
In crisissituaties kan de Raad - bij wijze van uitzondering - zonder tussenkomst van BJZ een onderzoek starten. normal'>Crisissituaties betreffen meldingen van opvoedingsproblemen waarbij style="mso-spacerun: yes">††††††††††††††a) sprake is van een acute en ernstige bedreiging van de jeugdige en†† style="mso-spacerun: yes">†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††b) aan de jeugdige onmiddellijk hulp of zorg moet worden geboden en c) ouders of gezagsdragers niet willen of kunnen meewerken aan hulp op vrijwillige basis.
Daarnaast blijft het mogelijk dat de Raad “normal'>ambtshalve” tot een onderzoek besluit. Dat kan gebeuren als tijdens een ander soort raadsonderzoek (bijvoorbeeld inzake scheiding en omgang of naar aanleiding van een door een jeugdige gepleegd strafbaar feit) de Raad zodanige opvoedingsproblematiek vermoedt, dat een kinderbeschermingsmaatregel overwogen moet worden.
Als de Raad een normal'>schriftelijke melding ontvangt van een ander dan BJZ is de Raad wettelijk verplicht om die melding onverwijld door te zenden aan BJZ, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de melder. Deze verplichting geldt niet als de melding betrekking heeft op een crisissituatie; in dat geval is de Raad immers gelegitimeerd om een melding rechtstreeks in onderzoek te nemen.
Door middel van een multidisciplinair onderzoek tracht de Raad vast te stellen of de ontwikkeling van de jeugdige wordt verstoord of bedreigd door toedoen of nalaten van ouders of gezagsdragers. De Raad voor de Kinderbescherming zal het onderzoek in principe drie maanden na ontvangst van het verzoek van de stichting afronden.
Het onderzoek mondt uit in een conclusie en besluit met betrekking tot de vraag hoe de yes">†††(opvoedings-)problemen ten aanzien van de minderjarige aangepakt moeten worden teneinde de bedreiging te voorkomen en waarom de rechter zo nodig om een kinderbeschermingsmaatregel wordt verzocht.
Wanneer tijdens het onderzoek blijkt, dat ouders en jeugdige toch in staat en bereid zijn om hulp op vrijwillige basis te aanvaarden en er aanwijsbare redenen zijn dat deze vorm van hulpverlening kans van slagen heeft, dan krijgt deze vrijwillige hulpverlening voorrang.
Strafrechtelijke taak
De Raad heeft verschillende taken in het kader van het jeugdstrafrecht. Bij de uitoefening van zijn taken is de Raad – in samenwerking met zijn ketenpartners – gericht op het bevorderen van een positieve gedragsverandering bij de jeugdige wetsovertreder. Het doel is gelegen in het voorkomen, mitigeren dan wel beŽindigen van criminele carriŤres van jeugdigen.
Ten eerste doet de Raad onderzoek naar de situatie van jeugdigen van twaalf jaar tot achttien jaar die wegens het plegen van een strafbaar feit met de politie in aanraking zijn gekomen.
Naar aanleiding van een opgemaakt proces verbaal
class=MsoFootnoteReference> [2] kan de Raad een kortdurend onderzoek instellen, het zgn. basisonderzoek. Besluitvorming hieromtrent vindt veelal plaats aan de hand van de uitkomst van het Justitieel Casusoverleg. Dit overleg, waaraan in ieder geval het Openbaar Ministerie, de politie en de Raad deelnemen, is in het leven geroepen ter verkorting van de doorlooptijden en om een doelmatige afdoening van jeugdstrafzaken te bevorderen.
Tijdens het basisonderzoek verzamelt de Raad op gestandaardiseerde wijze informatie over de jeugdige en diens omstandigheden. Daarbij beziet de Raad of het delictgedrag mogelijk een signaal Ūs van onderliggende problematiek. Het onderzoek mondt uit in voorlichting aan de officier van justitie, de kinderrechter en/of rechter commissaris. De Raad kan hieraan een advies verbinden over de strafrechtelijke afdoening. Het advies - ten behoeve van de beslissing van de justitiŽle autoriteiten - is vooral gebaseerd op pedagogische overwegingen.


Levert het basisonderzoek aanwijzingen op voor het bestaan van onderliggende problematiek dan kan de Raad aansturen op een vervolgonderzoek (dat is een diepergaand onderzoek door de Raad, gericht op het strafadvies) of bijvoorbeeld adviseren tot een forensisch diagnostisch onderzoek van de jeugdige. De Raad kan (daarnaast) ook de jeugdreclassering vragen om de jeugdige tot aan de strafzitting te begeleiden (‘Toezicht & Begeleiding’). Zonodig neemt

de Raad het initiatief tot een onderzoek met het oog op de vraag of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is.
yes">† style='font-size:9.0pt; mso-bidi-font-size:

Een jeugdige die beneden de leeftijd van 12 jaar een strafbaar feit pleegt kan daarvoor niet strafrechtelijk worden vervolgd. Uit preventief oogpunt wordt aan misdrijven gepleegd door 12-minners echter wel aandacht besteed. Bij lichte vergrijpen kan een zogeheten STOP-reactie volgen of kan de politie naar BJZ

verwijzen (bij vermoeden van ernstige achterliggende problematiek).

Bij ernstige misdrijven (te zwaar voor STOP) en bij recidive vindt melding aan het JCO plaats.

Indien vanuit de politie reeds verwijzing naar BJZ heeft plaatsgevonden kan in het JCO worden volstaan met registratie. De beschikbare informatie kan evenwel aanleiding geven tot overleg tussen Raad en BJZ of wellicht alsnog een Raadsonderzoek aangewezen is.

style='font-size:9.0pt;mso-bidi-font-size:
In de overige gevallen wordt in het JCO bekeken welke reactie moet volgen. Dit kan zijn: verwijzing naar BJZ (met melding aan de Raad als hulpaanbod van BJZ wordt geweigerd) of onderzoek door de Raad. style='font-size:9.0pt;mso-bidi-font-size:Arial;
Ten tweede laat de Raad op verzoek van de officier van Justitie of de kinderrechter een opgelegde taakstraf uitvoeren. De Raad zorgt ervoor dat een geschikte werk- en/of leerstraf voor de betrokken jeugdige wordt gevonden en dat de jeugdige die taakstraf ook daadwerkelijk uitvoert. De Raad kan de jeugdreclassering inschakelen voor Toezicht & Begeleiding.
Ten slotte is de Raad belast met de casusregie. Deze heeft ten doel de samenhang in de jeugdstrafrechtketen te bevorderen, zodat vroegtijdig, snel en consequent kan worden opgetreden tegen een jeugdige wetsovertreder. style="mso-spacerun: yes">†
De toezichthoudende taak van de Raad ten aanzien van de jeugdreclassering inclusief de aanwijzingsbevoegdheid op basis van het nieuwe artikel 77hh Wetboek van Strafrecht rekent de Raad tot het werkproces casusregie. 4. yes">†Leeswijzer

Hoofdstuk II heeft betrekking op de samenwerking tussen de stichting en de Raad op civielrechtelijk terrein. Het bestrijkt evenwel (nog) niet alle facetten van deze samenwerking, maar is in de eerste plaats gericht op samenwerkingsaspecten die verband houden met de uitoefening van de toegangsfunctie door BJZ voor de ‘beschermingszaken’ van de Raad.
Daarnaast zijn enkele eisen toegevoegd die betrekking hebben op de samenwerking tussen de Raad en BJZ in haar rol van uitvoerder van de (voorlopige) ondertoezichtstelling (onderdeel E). Deze eisen zijn ontleend aan het bestaande afstemmingsprotocol inzake de ondertoezichtstelling (1995).
Hoofdstuk III heeft betrekking op de samenwerking op strafrechtelijk terrein, maar alleen voor wat betreft de toezichthoudende taak van de Raad en de aanwijzingsbevoegdheid ten aanzien van de jeugdreclassering. Zie voor overige samenwerkingsaspecten rond de uitvoering van jeugdreclassering


het

Afstemmingsprotocol jeugdreclassering (1997) en het Landelijk convenant nazorg (2000).
De hoofdstukken zijn gelijkvormig van opbouw: per onderdeel worden eerst de kwaliteitseisen geformuleerd, d.w.z. de eisen waaraan de samenwerking tussen stichting en Raad moet voldoen. Tevens wordt een opsomming gegeven van de onderwerpen waarover partijen op regionaal niveau geacht worden nadere samenwerkingsafspraken met elkaar te maken. Deze dienen schriftelijk te worden vastgelegd in een regionaal protocol.
Daarna volgen de ‘aandachtspunten’. Deze hebben een andere status, namelijk die van aanbeveling. Bovendien bevatten sommige aandachtspunten een nadere toelichting op de eisen.
De aandachtspunten zijn op dezelfde wijze gerubriceerd als de kwaliteitseisen en aanwijzingen met betrekking tot de regionaal te regelen onderwerpen. Nota bene
Wellicht ten overvloede zij er nog eens op gewezen, dat het landelijk toetsingskader niťt het werkproces of de cliŽntroute beschrijft. De verschillende onderwerpen staan dan ook niet in een chronologische volgorde vermeld. 12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l25 level1 lfo32;tab-stops:list 18.0pt'>5.
Begrippen In navolging van de Wet op de jeugdzorg wordt in het hierna volgende integraal gesproken van “de stichting” wanneer BJZ in zijn onderscheiden functies wordt bedoeld. Overeenkomstig artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg wordt onder “ stichting” verstaan: een stichting die een BJZ in stand houdt.
Overeenkomstig artikel 1 van deze wet wordt onder “normal'>cliŽnt” verstaan: een jeugdige, zijn ouders of stiefouder of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden.
Onder “ crisissituatie” wordt verstaan: opvoedingsproblemen waarbij line-height:12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l24 level1 lfo33;
a)
sprake is van een acute en ernstige bedreiging van de jeugdige en style="mso-spacerun: yes">†††††††††††††††††††††††††††††††† line-height:12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l24 level1 lfo33;
b)
aan de jeugdige onmiddellijk hulp of zorg moet worden geboden en line-height:12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l24 level1 lfo33;
c)
ouders of gezagsdragers niet willen of kunnen meewerken aan hulp op vrijwillige basis.

II†SAMENWERKING STICHTING – RAAD rond TOEGANG TOT DE JEUGDBESCHERMING

style="mso-spacerun:
Kwaliteitseisen en verplicht te regelen onderwerpen m.b.t. de samenwerking

style='font-style:normal'> 

style='font-style:normal'>A.

VERZOEKEN VAN DE STICHTING AAN DE RAAD OM EEN ONDERZOEK IN TE STELLEN

1. style="mso-spacerun: yes">Eisen ten aanzien van het verzoek van de stichting

aan de Raad in een reguliere situatie

over gegevens beschikken zoals
opgenomen in bijlage 1.

Arial;


1.3.In ieder geval moet uit feiten en omstandigheden concreet blijken:

Arial;
a)
waaruit de vermoedelijke bedreiging van de ontwikkeling van de jeugdige bestaat, en style=' style="mso-spacerun: yes">†welke veiligheidsrisico dit met zich meebrengt,

Arial;
b)
welke factoren deze bedreiging veroorzaken en in stand houden,

Arial;
c)
welke hulpverlening hiervoor volgens de stichting aangewezen is en

Arial;
d)
waarom deze hulpverlening niet op vrijwillige basis mogelijk is of ontoereikend om die bedreiging af te wenden. style="mso-spacerun: yes">†

normal'>

normal'> style='text-decoration: none;text-underline:none'>2. text-underline:none'>Eisen ten aanzien van een verzoek van de stichting aan de Raad in een crisissituatie

normal'> style='text-decoration:none; text-underline:none'>†

over gegevens beschikken zoals
opgenomen in bijlage 1.


a)
waaruit de vermoedelijke acute en ernstig bedreigende situatie voor de jeugdige bestaat waarvoor onmiddellijk hulp of zorg moet worden geboden; en (voor zo ver mogelijk) welke factoren deze bedreiging veroorzaken en in stand houden


b)
welke hulpverlening hiervoor volgens de stichting aangewezen is en


c)
waarom deze hulp of zorg niet op vrijwillige basis mogelijk is of ontoereikend om die bedreiging af te wenden.

normal'>

normal'>
yes">†

normal'>
3. yes">Nadere regeling van de samenwerking

tussen de stichting en de Raad in een crisissituatie
†††

De stichting en de Raad maken per provincie (regio) nadere afspraken over de te volgen procedure ingeval het verzoek om een onderzoek in te stellen een acute en ernstig bedreigende situatie voor een jeugdige betreft, waarin mogelijk een voorlopige maatregel noodzakelijk is (voorlopige ondertoezichtstelling of voorlopige voogdij).

normal'>
4. yes">Eisen ten aanzien van de wijze waarop de cliŽnt wordt geÔnformeerd

normal'>
4.1. De stichting is verantwoordelijk voor het informeren van de cliŽnten als zij van oordeel is dat de
Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek moet worden gevraagd. Wettelijk vertegenwoordigers en jeugdigen vanaf 12 jaar ontvangen in principe van de stichting een kopie van het verzoek aan de Raad om een onderzoek in te stellen.


4.2. Indien het informeren van cliŽnten kennelijk een bedreiging vormt voor de jeugdige, ziet
de stichting hiervan af. Deze beslissing wordt in het verzoek aan de Raad om een onderzoek in te
stellen beargumenteerd.


B. style="mso-spacerun: yes">†MEDEDELINGEN VAN DE RAAD AAN† DE STICHTING

normal'>
1

†† style="mso-spacerun: yes">†Eisen ten aanzien van de (wettelijk) verplichte mededelingen van de Raad aan de stichting


1.1 yes">Wanneer de Raad voor de Kinderbescherming – bij wijze van uitzondering – zonder tussenkomst
van de stichting besluit tot het in onderzoek nemen van een voor een jeugdige bedreigende verzorgings- en opvoedingssituatie, deelt de Raad dit onverwijld per standaardbrief aan de stichting mede. yes">†


1.2.1.Binnen 5 werkdagen na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek van de stichting deelt de
Raad voor de Kinderbescherming zijn besluit om een onderzoek in te stellen per standaardbrief aan de stichting mede.

Arial;"Times New Roman";  

Arial;"Times New Roman"; class=msoIns>ns cite="mailto:Volder0601" datetime="2007-05-08T11:59">1.2.2 class=msoIns>ns cite="mailto:Volder0601" datetime="2007-05-08T11:59">.Indien de Raad bij ontvangst van de melding moet afwijken van de genormeerde

Arial;"Times New Roman"; ††††doorlooptijden, treedt hij in overleg met de Stichting om nadere afspraken te maken over de wijze

Arial;"Times New Roman"; ††††waarop de urgentiebepaling en de risico-inschatting worden geactualiseerd, hoe vaak en door

Arial;"Times New Roman"; ††††wie.

Arial;"Times New Roman";  


1.3.1. De Raad kan van de termijn, style='zoals genoemd in lid 1.2.1. afwijken indien de overgedragen

Arial;
informatie onvoldoende is om op basis daarvan tot het instellen van een onderzoek te kunnen besluiten.


1.3.2 Arial;"Times New Roman";. In dat geval treedt de Raad voor de Kinderbescherming in overleg met de Stichting over hoe de "Times New Roman";benodigde informatie alsnog kan
style='worden aangevuld.

Arial;"Times New Roman"; 1.4.Indien de Raad tijdens het onderzoek moet afwijken van de genormeerde doorlooptijden, treedt hij

Arial;"Times New Roman"; †† style="mso-spacerun: yes">†in overleg met de Stichting om nadere afspraken te maken over de wijze waarop de yes">

Arial;"Times New Roman"; †††urgentiebepaling en de risico-inschatting worden geactualiseerd, hoe vaak en door wie.

Arial;


stichting mede. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt op basis van
een nadere afspraak hieromtrent tussen Raad en stichting.

normal'> Arial;"Times New Roman"; 2.Eisen ten aanzien van de wijze waarop de stichting en de Raad met elkaar samenwerken bij yes">†

normal'> Arial;"Times New Roman"; ††verschil van mening

normal'> Arial; "Times New Roman"; 

Arial;"Times New Roman";1. Arial;"Times New Roman";De stichting en de Raad treden met elkaar in overleg om nadere afspraken te maken bij verschil van mening over:

Arial;"Times New Roman";- yes">†de noodzaak tot het instellen van een onderzoek,

Arial;"Times New Roman";-

de inschatting van het risico voor de jeugdige,

Arial;"Times New Roman";-

de urgentiebepaling van de melding. "Times New Roman"; 

Arial;"Times New Roman"; color:#339966'>†††2. style='font-size:12.0pt;mso-bidi-font-size:10.0pt;color:#339966'>Mocht er ondanks overleg over het verzoek om onderzoek een patstelling ontstaan en/of er een verschil van inzicht blijven bestaan over de vermoedelijke bedreiging van de ontwikkeling van een minderjarige, dan dient de Raad te kiezen voor zekerheid voor het kind en onderzoek in te stellen. style='font-size:12.0pt;mso-bidi-font-size:10.0pt'> "Times New Roman";color:#339966'>  "Times New Roman";† "Times New Roman";


C. style="mso-spacerun: yes">†SAMENWERKING TIJDENS HET RAADSONDERZOEK

 

 
Nadere regeling van de samenwerking

tussen de stichting en de Raad na een besluit van de Raad tot het instellen van een onderzoek


1.De stichting en de Raad voor de Kinderbescherming maken per provincie (regio) nadere

Arial;
afspraken over hun wijze van samenwerken gedurende het raadsonderzoek, waaronder begrepen de periode na afsluiting van het raadsonderzoek, hangende de uitspraak van de rechter op het verzoek van de Raad om een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen.


2. yes">De stichting en de Raad maken in ieder geval met elkaar nadere afspraken over:


a)
de wijze waarop de stichting – afhankelijk van de mate waarin cliŽnten hieraan willen meewerken – invulling geeft aan haar verantwoordelijkheid voor hulpverlening aan of begeleiding van cliŽnten gedurende het raadsonderzoek; de Raad richt zich op grond van zijn wettelijke taak immers uitsluitend op het doen van onderzoek en het zo nodig initiŽren van een maatregel van kinderbescherming

Arial;
b)
de wijze waarop de nodige afstemming plaatsvindt tussen de raadsonderzoeker en degene die namens de stichting als contactpersoon fungeert


c)
welke functionaris bij de Raad als contactpersoon optreedt in de periode voorafgaand aan de feitelijke start van het raadsonderzoek alsmede in de periode na afsluiting van het raadsonderzoek, hangende de uitspraak van de rechter


d)
de wijze waarop de Raad op de hoogte wordt gehouden van eventuele stagnaties in het hulpverleningstraject, die kunnen leiden tot een acute en ernstig bedreigende situatie voor de betrokken jeugdige; in zo een situatie kan de Raad de rechter om een voorlopige ondertoezichtstelling vragen


e)
de wijze waarop stichting en Raad – met inachtneming van eigen interne procedures – in publiciteitsgevoelige casuÔstiek met elkaar afstemming zoeken terzake van het omgaan met de media .

Arial;"Times New Roman";   yes">†††††††


D. style="mso-spacerun: yes">†(VOORTZETTING) HULPVERLENING† OP VRIJWILLIGE

BASIS† NA RAADSONDERZOEK

normal'>

normal'> Arial;
1.
Eisen ten aanzien van de samenwerking tussen de stichting en Raad indien het raadsonderzoek niťt leidt tot een verzoek aan de rechter om een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen

normal'>
yes">†

 
yes">†c) † de wijze waarop de communicatie tussen de Raad en de stichting verloopt ingeval de Raad

Arial;
††† †††voorwaarden verbindt aan zijn beslissing om af te zien van het vragen van een maatregel .


E. style="mso-spacerun: yes">††RAAD VERZOEKT (NA ONDERZOEK) OM KINDERBESCHERMINGSMAATREGEL

normal'>

normal'> Arial;
1.
Eisen ten aanzien van de samenwerking tussen stichting en Raad indien de Raad de rechter verzoekt om een (voorlopige) ondertoezichtstelling uit te spreken
1.1.
Als de Raad de rechter vraagt om een ondertoezichtstelling uit te spreken worden de stukken voor de rechtbank gelijktijdig in afschrift aan de stichting verzonden.
Dit geldt ook als de Raad om een voorlopige ondertoezichtstelling vraagt. In dat geval gaat echter aan de verzending een telefonische mededeling vooraf.
1.2.
De Raad stelt de stichting schriftelijk in kennis van de uitspraak van de rechter.
Vanwege de spoedeisendheid gaat aan deze kennisgeving in het geval van een voorlopige ondertoezichtstelling een telefonische mededeling vooraf.
1.3.
Wanneer de Raad de rechter om een voorlopige ondertoezichtstelling vraagt met een machtiging tot uithuisplaatsing, behoeft de Raad - vanwege het spoedeisend karakter - bij zijn verzoek niťt een tot uithuisplaatsing strekkend indicatiebesluit van de stichting over te leggen.
Nadat de rechter de voorlopige ondertoezichtstelling heeft uitgesproken, draagt de stichting zorg voor de totstandkoming van een – ter continuering van de uithuisplaatsing noodzakelijk – indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing.
1.4.
Als de rechter een voorlopige ondertoezichtstelling heeft uitgesproken, informeert de Raad cliŽnten over de betekenis van deze maatregel en de verdere (juridische) procedure.
1.5.
Gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling richt de Raad zich op zijn onderzoekstaak en houdt de stichting zich bezig met de uitvoering van de maatregel.†
2. Nadere regeling van de samenwerking tussen stichting en Raad ingeval de rechter een (voorlopige) ondertoezichtstelling heeft uitgesproken
2.1.
De stichting en de Raad maken per provincie (regio) nadere afspraken over de wijze waarop na het uitspreken van een ondertoezichtstelling de overdracht plaatsvindt tussen de betrokken raadsonderzoeker en (medewerker van) de stichting.
2.2.
De stichting en de Raad maken – rekening houdend met de formele verdeling van taken en bevoegdheden – per provincie (regio) nadere afspraken over de taakverdeling en de wijze van afstemming tussen de betrokken raadsonderzoeker en (de betrokken medewerker van) de stichting bij een voorlopige ondertoezichtstelling.
2.3.
Punt 2 onder e van onderdeel C (nadere afspraken over afstemming in publiciteitsgevoelige casuÔstiek) is van overeenkomstige toepassing.
F. RAAD VERZOEKT GELIJKTIJDIG MET OTS EEN MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING
Criteria op grond waarvan de†Raad aan de stichting om een indicatiebesluit strekkende tot een uithuisplaatsing vraagt
De Raad vraagt de stichting om een indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing, indien:
a.
er naar zijn oordeel een wettelijke grond voor uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling aanwezig is (dat wil zeggen, dat de uithuisplaatsing in het kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid)† en
b. de Raad deze uithuisplaatsing wil bespoedigen ter bevordering van de ontwikkeling van de minderjarige
en daarom voornemens is om - gelijktijdig met het verzoek om een ondertoezichtstelling - aan de rechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing te vragen.
2.
Eisen ten aanzien van de samenwerking tussen stichting en Raad rond het indicatiebesluit strekkende tot een uithuisplaatsing in het kader van een OTS (procedure).
2.1. Indien de stichting beoogt, dat de Raad gelijktijdig met het verzoek om een ondertoezichtstelling aan de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing vraagt, zorgt zij ervoor dat de Raad tijdig over een geldig daartoe strekkend indicatiebesluit beschikt.
De stichting zendt het indicatiebesluit mee met haar verzoek aan de Raad om een onderzoek in te stellen of zendt het naderhand toe. In dat laatste geval informeert de stichting de Raad wanneer zij bezig is een indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing voor te bereiden.
Als de stichting niet zťlf het initiatief neemt om tot een indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing te komen, vraagt de† Raad aan de stichting om zo een indicatiebesluit voordat bij de rechter een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing wordt ingediend.
2.3.†De Raad voorziet de stichting daarbij op gestandaardiseerde wijze van de benodigde informatie.
2.4.† Tevens informeert de Raad de stichting over de mening van cliŽnten (belanghebbenden) met
††††††† betrekking tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling.


2.5.
yes">De stichting neemt binnen vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek van de Raad een


beslissing inzake het al dan niet nemen van een indicatiebesluit. Zo nodig kan deze termijn in overleg tussen stichting en Raad met uiterlijk vijf werkdagen worden verlengd.


2.6.
yes">Als de stichting heeft besloten om een indicatiebesluit te nemen, zorgt zij ervoor dat dit zo
††††††† snel mogelijk tot stand komt en per ommegaande naar de Raad wordt gezonden.


2.7.
yes">Wanneer de stichting

om redenen van procedurele of inhoudelijke aard afziet van het nemen


yes">†van een indicatiebesluit dan deelt de stichting haar beslissing ook per ommegaande aan de


yes">†Raad mede, onder opgaaf van redenen.


2.8.
yes">†Wanneer de stichting om inhoudelijke redenen heeft besloten om af te zien van het nemen van


een indicatiebesluit en de Raad (vooralsnog) wenst vast te houden aan zijn

voornemen om aan de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing te vragen, bezien Raad en stichting in onderling overleg of er toch nog mogelijkheden zijn om samen tot een eensluidend oordeel te komen.
2.9. Nadat de stichting een indicatiebesluit heeft afgegeven, of nadat zij de Raad te kennen heeft


gegeven af te zien van het nemen van een indicatiebesluit en – bij het ontbreken van
††††††† inhoudelijke overeenstemming – nader overleg tussen Raad en stichting ook niet tot
†††††† overeenstemming heeft geleid, kan de Raad style="mso-spacerun: yes">†de rechter om een machtiging tot uithuisplaatsing
††††††† vragen.
2.10. Ingeval de Raad bij zijn verzoek aan de rechter geen indicatiebesluit van de stichting kan
††††††† overleggen, vermeldt de Raad in het verzoek wat voor de stichting de redenen zijn geweest om
††††††† af te zien van het nemen van een indicatiebesluit.
††††††† De Raad vermeldt tevens voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.

 

 

 

style='font-size:"Times New Roman";mso-fareast-font-family: "Times New Roman";mso-ansi-language:NL;mso-fareast-language:NL;mso-bidi-language: AR-SA'>

AANDACHTSPUNTEN

style='font-style:normal'>A.

VERZOEKEN VAN DE STICHTING AAN DE RAAD OM EEN ONDERZOEK IN TE STELLEN Symbol'>∑
Consultatie
Alvorens de stichting besluit de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek te vragen kan er behoefte bestaan om de Raad te consulteren over de vraag of in kwestie al een maatregel van kinderbescherming overwogen moet worden. De stichting en de Raad kunnen met elkaar afspreken wanneer en op welke wijze de Raad voor consultatie beschikbaar is. Symbol'>∑
Ontvangstbevestiging
Onverminderd onderdeel B onder punt 2 kunnen stichting en Raad met elkaar afspreken, dat de stichting standaard een ontvangstbevestiging van de Raad ontvangt zodra de Raad een verzoek van de stichting om een onderzoek in te stellen heeft binnengekregen. Tevens kunnen de stichting en de Raad afspreken, dat de Raad standaard de stichting informeert over de eventuele wachttijd voor een onderzoek en/of over het tijdstip waarop het raadsonderzoek daadwerkelijk een aanvang neemt. Symbol'>∑
Nadere procedureafspraken rond crisissituaties

(punt 3)In de procedureafspraken met betrekking tot crisissituaties

gaat het om kwesties als: wie benadert wie waarover? bereikbaarheid binnen en buiten kantooruren (regeling van de 7 x 24 uur bereikbaarheid voor crisissituaties); wie is verantwoordelijk voor wat? Symbol'>∑
Gezamenlijk gesprek met cliŽnten

(punt 4)Op initiatief van de stichting kunnen Raad en stichting er incidenteel voor kiezen om cliŽnten in een gezamenlijk gesprek te informeren waarom de stichting de Raad om een onderzoek heeft gevraagd.


B. style="mso-spacerun: yes">†MEDEDELINGEN VAN DE RAAD AAN† DE STICHTING 12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l18 level1 lfo7;tab-stops:list 18.0pt'>
  Symbol'>∑
Procedureafspraken voor het geval de informatie van de stichting ontoereikend is
style='mso-comment-continuation: 1'>

style='mso-comment-continuation:1'>De stichting en de Raad kunnen naar aanleiding van punt 2 per provincie (regio) aanvullende procedure afspraken maken voor het geval de informatie van de stichting volgens de Raad onvoldoende is om op basis daarvan tot het instellen van een onderzoek te kunnen besluiten. Zo kan bijvoorbeeld worden afgesproken, dat de Raad de stichting in de gelegenheid stelt om de aanvraag eerst mondeling nader toe te lichten. [V1]

class=MsoCommentReference> style='font-size:8.0pt'> style='mso-special-character:comment'> 
Symbol'>∑
Informeren van de stichting inzake eindbesluit van de Raad

(punt 3)Te denken valt aan situaties waarin de betrokken minderjarige Nederland reeds heeft verlaten om terug te keren naar het land van herkomst, zoals bijvoorbeeld ingeval van de zgn. Schipholkinderen. Symbol'>∑
Raad ontvangt telefonisch zorgmelding die voor de stichting bestemd is
Wanneer de Raad een normal'>telefonische zorgmelding ontvangt, wordt de melder in principe verwezen naar de stichting. De Raad kan bij ernstige zorgsignalen de informatie (ook) zelf doorgeven aan de stichting, voor zover de Raad over de nodige gegevens beschikt (personalia e.d.). Als de betreffende melding bij de stichting is binnengekomen zal zij dat aan de Raad laten weten. exactly'> normal'> Arial;"Times New Roman"; Procedureafspraken voor het geval de Raad moet afwijken van de genormeerde doorlooptijden style='font-family:Arial;"Times New Roman"; De Raad en de stichting kunnen naar aanleiding van punt 1.3. per provincie (regio) aanvullende procedure afspraken maken voor het geval de Raad moet afwijken van de genormeerde doorlooptijden. Raad en stichting kunnen samen afspraken maken hoe met deze tijdelijke situatie om te gaan. style='font-family:Arial;"Times New Roman";   exactly'> normal'> Arial;"Times New Roman"; Procedureafspraken voor het geval er een verschil van mening bestaat over de noodzaak tot het instellen van een onderzoek, de inschatting van het risico voor het kind en de urgentiebepaling van de melding Arial;"Times New Roman"; style='font-family:Arial;"Times New Roman"; Bij verschil van mening over ťťn van bovenstaande punten, treden de Raad en de stichting met elkaar in overleg op direct leidinggevende niveau. Indien het overleg ertoe leidt dat de Raad (nog) niet meteen in actie komt, is het van belang om afspraken te maken voor het geval zich in de situatie van de jeugdige ontwikkelingen voordoen die een nieuwe afweging met betrekking tot een of meer van de bovengenoemde punten noodzakelijk maken.

Arial;"Times New Roman";  


C. style="mso-spacerun: yes">†SAMENWERKING TIJDENS HET RAADSONDERZOEK

Symbol'>∑
Actualiseren van informatie
Bij de aanvang van het onderzoek kan de raadsonderzoeker contact opnemen met de stichting om de informatie die is meegestuurd met het verzoek tot onderzoek, te actualiseren. Symbol'>∑
Medewerking cliŽnten 

(punt 2)
De stichting kan haar verantwoordelijkheid voor de hulp aan en begeleiding van cliŽnten gedurende het raadsonderzoek verschillend invullen al naar gelang de feitelijke mogelijkheden. Bepalend is de mate waarin cliŽnten bereid zijn hun medewerking aan die hulp of begeleiding te verlenen. style='font-family:Arial;"Times New Roman"; In zaken die niet zo ernstig zijn, kan een geringe interventie (gezamenlijk gesprek stichting, Raad en gezin) voldoende zijn om de zaak weer bij te buigen. † Symbol'>∑
Afstemming verantwoordelijkheden
In ieder geval is het van belang om per casus taken en verantwoordelijkheden goed op elkaar af te stemmen en ervoor te zorgen dat gedurende het gehele traject duidelijk is waar de regie ten aanzien van de hulpverlening ligt.


D. style="mso-spacerun: yes">†(VOORTZETTING) HULPVERLENING† OP VRIJWILLIGE

BASIS† NA RAADSONDERZOEK Symbol'>∑
(Voortzetting) hulpverlening op vrijwillige basis na raadsonderzoek
(Voortzetting) van de hulpverlening op vrijwillige basis is alleen mogelijk als cliŽnten ook instemmen met overdracht naar de stichting.
Als de Raad cliŽnten terugverwijst naar de stichting in verband met (voortzetting van de) hulpverlening op vrijwillige basis, houdt de Raad daarbij rekening met zowel de mogelijkheden als de beperkingen van de stichting, de zorgaanbieders en/of de voorliggende voorzieningen.
De Raad kan eventueel aan zijn beslissing om af te zien van het vragen van een maatregel normal'>voorwaarden verbinden die gericht zijn op het slagen van het hulpverleningstraject. In dat geval wordt er een normal'>termijn afgesproken waarbinnen de stichting de voortgang van de hulpverlening bewaakt. Wanneer uit de evaluatie blijkt dat de hulpverlening is geslaagd, ontvangt de Raad hierover van de stichting bericht. Is de hulpverlening vastgelopen dan zal zij in principe de Raad opnieuw om een onderzoek vragen. Symbol'>∑
Communicatie Raad –† stichting over overwegingen raadsbesluit
Soms zal het raadsonderzoek geen bevestiging opleveren van het aanvankelijk vermoeden dat ten aanzien van een bepaalde jeugdige sprake is van een bedreigde ontwikkeling. Voor die situaties style="mso-spacerun: yes">† kunnen de stichting en Raad met elkaar nadere afspraken maken over de wijze waarop de Raad de stichting informeert over de overwegingen die aan het eindbesluit ten grondslag liggen. Hetzelfde geldt voor situaties waarin de Raad de bedreiging niet langer aanwezig acht.
 
 


E. style="mso-spacerun: yes">††RAAD VERZOEKT (NA ONDERZOEK) OM KINDERBESCHERMINGSMAATREGEL
 
 

Symbol'>∑ Toezending stukken aan stichting (punt 1.1.normal'>)


Voor toezending van stukken aan de stichting is niet bepalend of cliŽnten instemmen met de gevraagde maatregel.

Symbol'>∑ Geen indicatiebesluit nodig als Raad om vots vraagt (punt 1.3.)


Volgens het nieuwe artikel 261 lid 3 van Boek I van het BW behoeft de Raad

ten tijde van zijn verzoek aan de rechter om de stichting te machtigen tot uithuisplaatsing in het kader van een voorlopige ondertoezichtstelling, niťt een daartoe strekkend indicatiebesluit van de stichting over te leggen. Nadat de voorlopige ondertoezichtstelling door de rechter is uitgesproken, dient er wel – zo volgt uit genoemd wetsartikel – alsnog een indicatiebesluit te komen. Het ligt voor de hand, dat de stichting in haar rol van uitvoerder van de maatregel zťlf het initiatief neemt tot het nemen van zo een besluit.
Zowel om hulpverleningsinhoudelijke als proceseconomische redenen verdient het dringend aanbeveling, dat de rechter zoveel mogelijk gebruik maakt van zijn bevoegdheid om te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien het indicatiebesluit tot uithuisplaatsing strekt. Dit vormt een aandachtspunt voor de Raad in zijn verzoek aan de rechter om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.

Symbol'>∑ Horen van belanghebbenden binnen termijn van 14 dagen


Ingeval van een voorlopige ondertoezichtstelling kan de beschikking zonder voorafgaand verhoor worden gegeven. Het moet dan wel een situatie betreffen waarin het verhoor niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Als belanghebbenden niet binnen termijn van 14 dagen in gelegenheid worden gesteld om hun mening kenbaar te maken, verliest de beschikking haar kracht na verloop van genoemde termijn (800 lid 3 Rv).


Zo mogelijk zorgt stichting ervoor dat het indicatiebesluit is genomen op het moment dat de wettelijk vertegenwoordiger wordt gehoord.

Symbol'>∑ Nadere samenwerkingsafspraken (punt 2.1 en 2.2. normal'>)
Stichting en Raad maken op provinciaal (regionaal) niveau nadere afspraken omtrent de overdracht tussen de betrokken raadsonderzoeker en (medewerker van) de stichting en tevens over de wijze waarop de samenwerking rond de voorlopige ondertoezichtstelling vorm krijgt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het zoeken van een geschikte plek, het wegbrengen van de kinderen en de wijze waarop raadsonderzoeker en voorlopig gezinsvoogd elkaar op de hoogte houden van relevante ontwikkelingen. Symbol'>∑
Afstemming in publiciteitsgevoelige casuÔstiek
(punt 2.3.)
Stichting en Raad maken niet alleen afspraken met elkaar over afstemming in publiciteitsgevoelige casuÔstiek voor de periode dat zij normal'>gelijktijdig bemoeienis hebben met de betrokken cliŽnten, maar ook voor de periode daarna.
 


 


F. style="mso-spacerun: yes">RAAD VERZOEKT GELIJKTIJDIG MET OTS EEN style="mso-spacerun: yes">† MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING


tab-stops:list 21.3pt'> Symbol'>∑
Uithuisplaatsing in het kader van een voorlopige ondertoezichtstelling

Onderdeel F heeft gťťn betrekking op uithuisplaatsing in het kader van een voorlopige ondertoezichtstelling. Zie hiertoe onderdeel E.

tab-stops:list 21.3pt'> Symbol'>∑
Gebruikmaking wettelijke bevoegdheid Raad om machtiging uithuisplaatsing te vragen
normal'>
yes">†† style="mso-spacerun: yes">†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††

Arial;
De Raad laat de beoordeling of in het kader van de ondertoezichtstelling eventueel een uithuisplaatsing nodig is in principe over aan de stichting in haar functie van normal'>uitvoerder van de maatregel, tenzij aan de criteria van onderdeel F onder punt 1 is voldaan.

Arial;
De Raad kan normal'>op aangeven van de stichting (toegang) gebruik maken van zijn wettelijke bevoegdheid om de rechter te verzoeken de stichting te machtigen tot uithuisplaatsing (zie het volgende aandachtspunt), of normal'>op eigen initiatief (als de Raad tijdens zijn onderzoek zťlf tot de conclusie komt dat een uithuisplaatsing in een gedwongen kader aangewezen is).

Arial;
De gebruikmaking van deze bevoegdheid is altijd gebonden aan de criteria vermeld in onderdeel F, punt 1 onder a en b. Het betreft dezelfde criteria als voor het vragen van een indicatiebesluit aan de stichting, omdat de Raad wettelijk gehouden is om ťťrst een indicatiebesluit aan de stichting te vragen alvorens gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de rechter om een machtiging te vragen (dit volgt uit het nieuwe art. 261 van Boek I van het BW).

Arial;
De criteria onder a en b zijn cumulatief bedoeld. Dit betekent, dat de Raad in de eerste plaats moet vaststellen dat er in casu een in de wet genoemde grond aanwezig is voor een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling.

Arial;
Daarnaast is voor de Raad het criterium om zťlf de machtiging te vragen - gelijktijdig met de indiening van het rekest tot ondertoezichtstelling - gelegen in† normal'>bespoediging van het hulpverleningsproces, ter bevordering van normal'>de ontwikkeling van de minderjarige. Het gaat daarbij met name om situaties, waarin de Raad van uithuisplaatsing een nuttig effect verwacht voor de ontwikkeling van de jeugdige en daarom geen tijd verloren wil laten gaan. Zo kan worden bereikt dat de minderjarige op een vroeger tijdstip uit huis wordt geplaatst dan wanneer eerst het optreden van de gezinsvoogd moet worden afgewacht.
Uithuisplaatsing op initiatief van de stichting (toegang)†††††

Het ligt primair op de weg van de stichting (toegang) om een noodzakelijke uithuisplaatsing op vrijwillige basis te realiseren. Dat geldt ook voor het geval er reeds een raadsonderzoek loopt en cliŽnten in die periode voortzetting van de hulpverlening door de stichting accepteren.


Wanneer het de stichting echter niťt lukt om een uithuisplaatsing op vrijwillige basis te realiseren en zij deze toch noodzakelijk vindt in het belang† van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten van specialistisch onderzoek, normal'>kan zij de Raad vragen om bij de rechter tevens om een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken. In dat geval zorgt de stichting ervoor dat de Raad tijdig over een geldig indicatiebesluit beschikt (zie onder punt 2.1): de stichting kan het indicatiebesluit meesturen met haar verzoek aan de Raad om een onderzoek in te stellen. Is dat niet mogelijk of op dat moment nog niet aan de orde, kan de stichting het indicatiebesluit - in overleg met de Raad - later alsnog opsturen.
Ter wille van een goede afstemming

spreekt het eigenlijk voor zich dat de stichting de Raad informeert als zij nog geen indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing kan overleggen, maar wel met de voorbereiding hiervan bezig is.
Komt uithuisplaatsing pas later in het hulpverleningstraject aan de orde (als het raadsonderzoek al loopt)

dan informeert de stichting de Raad, zodra zij voornemens is een daartoe strekkend indicatiebesluit voor te bereiden.
Horen van cliŽnten bij† totstandkoming indicatiebesluit style='mso-bidi-font-weight: normal'>

Bij de totstandkoming van een indicatiebesluit is de stichting gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur: de stichting moet rekening houden met de zorgvuldigheidseisen die voortvloeien uit de Algemene Wet Bestuursrecht, zoals met betrekking tot het horen van cliŽnten (belanghebbenden).
Om pragmatische redenen (met name doorlooptijden) is als normal'>uitgangspunt gekozen, dat de stichting genoegen neemt met een verklaring van de Raad indien daaruit duidelijk blijkt, dat cliŽnten instemmen met de uithuisplaatsing, zie onder punt 2.4..
Het verdient aanbeveling om hiervoor een speciaal normal'>format te gebruiken.
Indien de stichting geen genoegen kan nemen met de verklaring van de Raad, ziet zij af van het nemen van een indicatiebesluit (“om procedurele redenen”). De stichting kan natuurlijk ook besluiten om eerst zťlf de cliŽnten te horen alvorens een beslissing te nemen, maar zal daarbij wel rekening moeten houden met de termijn van vijf werkdagen, zie onder punt 2.5. †
Informeren van cliŽnten door Raad
Het verdient aanbeveling, dat de Raad cliŽnten voldoende voorlicht over hun (rechts)positie in dezen, zoals door het uitreiken van een folder. Daarbij wordt ook vermeld, dat de Raad de rechter om een uithuisplaatsing kan vragen normal'>zonder indicatiebesluit van de stichting en – indien de rechter dit verzoek toewijst – de stichting deze machtiging behoort uit te voeren.
Termijn voor het nemen van een indicatiebesluit door de stichting
Arial;
(punt 2.5.) style="mso-spacerun: yes">††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††Ingeval de stichting door eigen betrokkenheid reeds bekend is met de situatie van cliŽnten mag in het algemeen worden aangenomen, dat de stichting relatief snel tot een beslissing kan komen, wanneer de Raad de stichting verzoekt om een indicatiebesluit te nemen strekkende tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling.
Daarnaast voorziet de Raad de stichting nog van relevante informatie, zie onder punt 2.3.

Is de termijn van vijf werkdagen desalniettemin te kort dan kunnen Raad en stichting in onderling overleg bepalen, dat de termijn wordt verlengd met maximaal vijf werkdagen. Als de stichting dan nog niet heeft besloten om een indicatiebesluit af te geven, zal de Raad aan de rechter om een machtiging tot uithuisplaatsing vragen. Op basis van het nieuwe artikel 261 lid 4 van Boek I van het BW kan de Raad dit doen zonder overlegging van een indicatiebesluit.

style='font-size:11.0pt;mso-bidi-font-size: 10.0pt'>Overleg tussen stichting en Raad met style="mso-spacerun: yes">† style='mso-bidi-font-weight:normal'> style='font-size:11.0pt;mso-bidi-font-size: 10.0pt'>wederzijdse inspanningsverplichting (punt 2.8.)
Als de rechter op verzoek van de Raad aan de stichting een machtiging tot uithuisplaatsing verleent, is de stichting wettelijk verplicht om deze ten uitvoer te leggen, ook als de stichting eerder om inhoudelijke redenen class=MsoFootnoteReference> [4] niťt het indicatiebesluit heeft genomen waar

†de Raad om had gevraagd (m.a.w. als de stichting het niet eens was met de Raad).


Uit een oogpunt van werkbaarheid is het zaak dat, als stichting en Raad van mening verschillen over de noodzaak tot uithuisplaatsing (met name als de Raad uithuisplaatsing nodig vindt en de stichting (nog) niet), zij zich tijdig met elkaar verstaan en zich gezamenlijk inspannen om door middel van overleg tot overeenstemming te komen.
Overigens is overleg tussen stichting en Raad verplicht op basis van artikel 11† lid 2 van het Besluit kwaliteit en werkwijze BJZ en samenwerking van BJZ met de Raad.
De Raad zal wel zijn verantwoordelijkheid nemen als dit overleg niet tot de gewenste overeenstemming leidt (zie het volgende aandachtspunt en onderdeel F onder punt 2.9) Symbol;text-decoration:none;text-underline:none'>∑ text-underline:none'>Procedurele vereisten voor gebruikmaking van wettelijke bevoegdheid Raad om machtiging uithuisplaatsing te vragen style='mso-bidi-font-weight:normal'> style='text-decoration:none; text-underline:none'>
style='text-decoration:none;text-underline: none'>(punt 2. 9 style='text-decoration:none;text-underline:none'>):
style='text-decoration:none;text-underline:none'>De Raad maakt pas gebruik van zijn wettelijke bevoegdheid om zťlf de machtiging te vragen:

a.
nadat de Raad aan de stichting om een indicatiebesluit heeft gevraagd ťn
b.
de stichting dit verzoek toegewezen normal'>of


c. yes">de stichting dit verzoek heeft afgewezen, om procedurele of inhoudelijk redenen, ťn

Symbol'>  
d. yes">indien het een afwijzing om inhoudelijke redenen betreft, nader overleg tussen stichting en
††††† Raad niet tot overeenstemming heeft geleid ťn

gelijktijdig met het verzoek tot een ondertoezichtstelling ook om een machtiging tot normal'>
yes">† Arial; yes">uithuisplaatsing te vragen.

III†SAMENWERKING STICHTING – RAAD rond JEUGDRECLASSERING

Kwaliteitseisen m.b.t. de wijze van samenwerking bij toezicht door de Raad op de uitvoering van jeugdreclassering en bij het gebruik van de wettelijke aanwijzingsbevoegdheid

 


A. style="mso-spacerun: yes">TOEZICHT VAN DE RAAD OP DE UITVOERING VAN JEUGDRECLASSERING

normal'>

normal'> Arial;
1. †

Wijze van toezicht houden door de Raad yes">

Arial;
1.1.  
De Raad voor de Kinderbescherming houdt toezicht op de jeugdreclasseringswerkzaamheden
van de stichting. De Raad oefent toezicht uit door middel van normal'>toetsing en overleg.


1.2. De toetsing vindt plaats aan de hand van de navolgende documenten van de stichting.
††††= Het plan van aanpak
= tussenrapportages (voorlichtingsrapporten ten behoeve van zitting, halfjaarlijkse evaluaties)


= de eindrapportage
class=MsoFootnoteReference> [5]. line-height:12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l22 level2 lfo26;
1.3.
Bovengenoemde documenten moeten in ieder geval voldoen aan de kwaliteitseisen die uit wet en regelgeving voortvloeien. Daarnaast kunnen Raad en stichting regionaal – in het algemeen of per casus – aanvullende afspraken maken met betrekking tot de inhoud van genoemde rapportages. yes"> 2. yes">Toetsingscriteria
2.1.
Met betrekking tot het normal'>plan van aanpak hanteert de Raad als toetsingscriterium, of de stichting de

yes">†doelen voor de hulpverlening.

Symbol'> 
a) alle relevante actuele informatie betrokken is bij de opstelling van het plan, inclusief de informatie van de Raad en eventuele andere ketenpartners 12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l35 level1 lfo9;tab-stops:list 18.0pt'> Symbol'> 
b) de uitkomsten van eerdere activiteiten meegenomen zijn in het komende traject, als de jeugdige een voorgeschiedenis heeft in de jeugdstrafrechtsketen. 12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l35 level1 lfo9;tab-stops:list 18.0pt'> Symbol'> 
2.3. Met betrekking tot de tussen- en eindrapportage hanteert de Raad als toetsingscriterium

hoe ver de stichting is met het realiseren van de in het plan van aanpak genoemde doelen

respectievelijk of alle in het plan van aanpak genoemde doelen zijn gerealiseerd.
yes">††
2.4. De Raad let er daarbij op, of

a) uit feiten en omstandigheden blijkt, dat de doelen zijn gehaald 12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l35 level1 lfo9;tab-stops:list 18.0pt'> Symbol'> 
b) de vermelde feiten en omstandigheden een verklaring inhouden waarom een of meer doelen 12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l35 level1 lfo9;tab-stops:list 18.0pt'> Symbol'> 
††niet zijn of eventueel niet zullen worden gehaald.
2.5. Tevens beoordeelt de Raad of het preadvies – indien van toepassing –

logischerwijze

voortvloeit uit de resultaten van het begeleidingstraject, zoals beschreven in de eindrapportage.
2.6. Voorts let de Raad er op, of het plan van aanpak respectievelijk de (tussen)rapportage op tijd

wordt aangeleverd door de stichting. 3. yes">Overleg tussen Raad en stichting


3.1.Het toezicht omvat ook overleg tussen Raad en stichting, ingeval de Raad na kennisneming van

het plan van aanpak, respectievelijk de tussen- of eindrapportage hierover vragen en/of

opmerkingen heeft.
3.2.Bij verschil van inzicht spannen Raad en stichting zich gezamenlijk in om door middel van

overleg tot overeenstemming te komen.   normal'> Arial;
Nadere regeling van de samenwerking tussen de stichting en de Raad style='mso-bidi-font-weight: normal'>
 

De stichting en de Raad maken per provincie (regio) nadere afspraken over de inrichting van het†††††† overleg bedoeld onder punt 3. yes">†


B. GEBRUIK AANWIJZINGSBEVOEGDHEID DOOR RAAD 12.0pt;mso-line-height-rule:exactly;mso-list:l32 level1 lfo18;tab-stops:list 18.0pt'>1.
Inhoudelijk criterium voor het gebruik van de aanwijzingsbevoegdheid

2.
Voorwaarden voor het gebruik
normal'>
van de aanwijzingsbevoegdheid
Het gebruik van de wettelijke aanwijzingsbevoegdheid door de Raad is voorts gebonden aan de volgende voorwaarden.



a) De aanwijzingsbevoegdheid vindt alleen toepassing in een individuele zaak.

b)Van de aanwijzingsbevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt in aansluiting op een
††††
toetsingsmoment.
c) yes">Voorafgaand heeft overleg tussen Raad en stichting plaatsgevonden, maar dat heeft niťt tot


† ALGEMEEN

Arial;

Arial;
Verhouding tot bestaande protocol en convenant
Ten aanzien van de jeugdreclassering zijn reeds verschillende samenwerkingsafspraken landelijk
uniform op schrift gesteld, namelijk in het normal'>Afstemmingsprotocol jeugdreclassering (1997) en in
het normal'>Landelijk convenant nazorg (2000).
Hetgeen in onderhavig document is vastgelegd heeft expliciet betrekking op de toezichthoudende
taak van de Raad en de aanwijzingsbevoegdheid ten aanzien van de jeugdreclassering. Dit komt
(vooralsnog) normal'>niet in de plaats van het eerdergenoemde Afstemmingsprotocol respectievelijk het yes">†††† style="mso-spacerun:
Convenant over de nazorg.† Deze beide laatste documenten blijven dan ook tot nader order
class=MsoFootnoteReference> [6] als
zelfstandige documenten bestaan, mede vanwege de specifieke functie die ze vervullen.
Inbedding in werkproces casusregie
De toezichthoudende taak van de Raad ten aanzien van de jeugdreclassering inclusief de
††††††† aanwijzingsbevoegdheid op basis van het gewijzigd art. 77hh WvSr. rekent de Raad tot het
werkproces casusregie. Naast de genoemde toetsingsmomenten kent het werkproces casusregie ook nog de nodige overlegmomenten tussen de medewerker van de stichting die met de uitvoering van jeugdreclasseringactiviteiten is belast en de casusregisseur van de Raad.

 


A. TOEZICHT VAN DE RAAD OP DE UITVOERING VAN JEUGDRECLASSERING
Termijnen
(punt 2.6.)

Toezending van stukken aan de Raad gebeurt binnen de daarvoor afgesproken termijn [7].

structureel problemen voordoen (bijvoorbeeld omdat

de afgesproken termijnen bijna nooit worden gehaald of omdat de rapportage bijna altijd

onvolledig is) wordt dit als een managementprobleem opgepakt. Dit betekent, dat de

lijnverantwoordelijke van de Raad het probleem aankaart bij de lijnverantwoordelijke (voor de

jeugdreclassering) van de stichting .
De Raad kan het probleem bij de provincie onder de aandacht brengen. De provincie draagt
immers de verantwoordelijkheid voor het ‘Bureau ‘Jeugdzorg’.
Inschakeling ketenoverleg bij conflicterende standpunten
(n.a.v. punt 3)

Wanneer Raad en stichting elkaar niet nader kunnen komen, kunnen zij overwegen om hun meningsverschil voor te leggen aan het ketenoverleg, ingeval de opdracht tot begeleiding door de jeugdreclassering afkomstig was van het OM of de rechter.
B. GEBRUIK AANWIJZINGSBEVOEGDHEID DOOR RAAD
Gebruik aanwijzingsbevoegdheid
De aanwijzingsbevoegdheid vormt het sluitstuk van de toezichthoudende taak. Het gebruik van de aanwijzingsbevoegdheid betekent immers, dat de Raad aan de stichting een opdracht geeft. Het kan worden gezien als een normal'>middel om het door de Raad gewenste normal'>resultaat te bereiken. Het geven van een opdracht aan de stichting is dan ook alleen zinvol als bijsturing nodig is teneinde tot doelrealisatie te komen.
Gebruik aanwijzingsbevoegdheid, voorwaarde 2d
Wanneer de Raad het niet eens is met het preadvies van de stichting, kan de Raad dit preadvies overrulen door zelf een ander advies uit te brengen. Met zijn adviesbevoegdheid heeft de Raad een middel in handen om bij te sturen teneinde toch het gewenste doel te bereiken. Gebruik van de aanwijzingsbevoegdheid is daarom in deze situatie niet opportuun.
Bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing
(punt 3.1.)

Gezien de zwaarte van het middel is de bevoegdheid om een aanwijzing te geven expliciet belegd bij een lijnmanager. Hetzelfde argument geldt wat betreft de geadresseerde: een lijnmanager van de stichting. Het verdient aanbeveling op regionaal niveau nadere afspraken te maken welke functionarissen met deze bevoegdheid worden belast. style="mso-spacerun: yes">


Intrekking van de opdracht
In het uiterste geval, wanneer er sprake is van een vertrouwenscrisis, kan de Raad overwegen de opdracht aan de betrokken stichting in te trekken. De Raad heeft daarbij de vraag te beantwoorden wat een dergelijke stap in concreto voor de betrokken jeugdige betekent.
Betreft het een maatregel van Hulp & Steun dan zal de Raad zich met het Openbaar Ministerie moeten verstaan die immers wettelijk belast is met het toezicht op de naleving van de voorwaarden (eventueel met het oog op het vorderen van vonniswijziging als de opdracht is verstrekt aan een bepaalde stichting).
Bijlage
Model “Verzoek tot Raadsonderzoek”
1)
Datum verzoek
2)
Contactpersoon bij de stichting, adresgegevens, telefoonnummers, kenmerk/dossiernummer
3)
Kindgegevens: per gemeld kind
= de voor- en achternaam
= geslacht



= geboortedatum en -plaats


= nationaliteit



= verblijfadres/leefsituatie
= bij wie berust het gezag?
4)
Gegevens over de (wettelijke) ouders
= de voor- en achternaam van respectievelijk vader en moeder
= hun geboortedatum en –plaats
= hun nationaliteit
= hun adresgegevens
= voor zover van toepassing: datum huwelijk/start samenwonen

respectievelijk
datum scheiding/beŽindiging samenwonen
5)
Eventuele andere (niet gemelde) kinderen in het gezin (aantal en leeftijd)
Eventuele andere gezinsleden of inwonenden (naam, geboortedatum, relatie tot kind of ouders)

6)Ingeval van een zorgmelding bij BJZ/AMK:
= Datum van melding
= degene die zorgen over de jeugdige heeft gemeld bij BJZ/AMK
(naam, instelling, relatie tot gezin)
= de zorgen van de melder
= geraadpleegde informatiebronnen: ouders, jeugdige, school, huisarts,
hulpverlener, consultatiebureau, anders
Anders: vanaf wanneer heeft BJZ op vrijwillige basis contact met het gezin?

Wat was de aanleiding tot het contact?
Concrete zorgsignalen en (klacht)gedrag van het kind (per gemeld kind beschrijven) en bijzonderheden ten aanzien van gezondheid, school, politiecontacten e.d.
Gezinsomstandigheden/opvoedingssituatie met als aandachtspunten onder meer eventuele problemen van ouders, (psychiatrische) ziekte van ouders of andere gezinsleden, verslavingsproblemen, criminaliteit; mate van ondersteuning vanuit de omgeving; kwaliteit ouder-kind relatie.
9)
Hulpverleningsgeschiedenis:
= chronologisch overzicht van de tot dan toe (ook) door andere instanties
geboden hulp en hoe die hulp is verlopen c.q. door betrokkenen is ervaren
= indien van toepassing:
* door BJZ/AMK ondernomen acties n.a.v. de zorgmelding
* ervaren betrokkenen de gemelde zorgen zelf als een probleem en zijn zij gemotiveerd om hiervoor hulp te aanvaarden?
= indien van toepassing:
reden van stagnering van vrijwillige hulpverlening
= wordt eventueel lopende hulpverlening wel of niet voortgezet en waarom?
10)
Reden voor raadsonderzoek: waarom is vrijwillige hulpverlening op dit moment niet toereikend?
11)
Is de melding spoedeisend en zo ja, waaruit blijkt dat?
12)
= Wanneer zijn de jeugdige (vanaf 12 jaar) en diens ouders op de hoogte gebracht van het verzoek aan de Raad om een onderzoek in te stellen?
= Reactie van de jeugdige en diens ouders op het verzoek tot een raadsonderzoek
= Ingeval de jeugdige en diens ouders (bij wijze van uitzondering) hierover niet zijn geÔnformeerd,
wat is dan de reden hiervan?
13)
Belangrijke adressen van contactpersonen (voor zo ver bekend)
14)
Tolk noodzakelijk? Zo ja: taal
15)
Eventuele bijlagen (relevante diagnostische rapportage of hulpverleningsrapportage over de betrokken jeugdige, indien mogelijk, met toestemming van de betrokkene(n) meezenden).
16)
Ondertekening door uitvoerend medewerker en de verantwoordelijke teamleider (handtekening, vermelding van naam en functie)

Tot nu toe is het AMK meestal ook partij in de samenwerkingsafspraken, maar in het nieuwe stelsel maakt het AMK onderdeel uit van de stichting die een BJZ exploiteert

Ingeval van schoolverzuim kan de melding proces verbaal afkomstig zijn van een leerplichtambtenaar. Basisonderzoek kan ook plaatsvinden bij wijze van vroeghulp naar aanleiding van een melding inverzekeringstelling.

Het indicatietraject, uitmondend in een beslissing omtrent het nemen van een indicatiebesluit, is bij de stichtingen die een BJZ exploiteren, niet eenduidig geregeld. In dit Landelijk Toetsingskader wordt integraal de term ‘stichting’ gehanteerd. In de provinciale (regionale) protocollen kan meer en detail worden beschreven†welk onderdeel van de stichting† wordt bedoeld.

Overleg tussen Raad en stichting ingeval de stichting om procedurele redenen afziet van het nemen van een indicatiebesluit lijkt weinig kansrijk. Het is immers aan de stichting om te beoordelen of zij belanghebbenden zťlf wenst te horen alvorens een indicatiebesluit te nemen.

Sommige eindrapportages kunnen ook een preadvies bevatten.

Wel is een evaluatie voorgenomen die mogelijk tot aanpassingen zal leiden.

Zie onder vorige punt (verhouding tot bestaande protocol en convenant).

Deze alinea wordt eruit gehaald.

 

 

 

Tot uw dienst. De frontale opsporingsactie jeugdzorg tegen ouders en het opzetten van kinderen door school en jeugdzorg tegen hun ouders


De jeugdzorg werkt NIET transparant, zal u altijd proberen te naaien met voor u geheime werkaantekeningen en voor u geheime "succesvolle tegenwerking" en voor u "geheime onderonsjes met kinderrechters buiten de hoorzittingen om". Het is essentieel om steeds systematisch en procedureel te werken om de "geheime werkaantekeningen" en de geheime "succesvolle tegenwerking" en voor u geheime "onderonsjes met kinderrechters buiten de hoorzittingen om" in uw zaak duidelijk zichtbaar te maken.
574 Kinderrechter pleegt zelfmoord en springt voor de trein in Utrecht
780 De Zaanse Verhoormethode in de jeugdzorg
80   Succesvolle tegenwerking van ouders door "jeugdzorg" bij kinderbeschermingsmaatregelen
6     Risicofactoren jeugdzorg, de weerzinwekkende partijdigheid van het rechtersleger voor jeugdzorg en RvdK
1000 U kruist steeds aan met welke kenmerken van organisatiecriminaliteit u te maken heeft
Werkwijze jeugdzorg Gelderland en politie: http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2012/03/video_jeugdzorg_en_politie_hou.html
177 En hoe ging het eigenlijk verder na het weghalen van die kinderen door "jeugdzorg"
547 Frontale opsporingsactie jeugdzorg tegen ouders, omschrijving complot
123 Geschiedenis! Hop deelt duizenden uitnodigingen uit voor ingang rechtbank Den Bosch
132 Zicht op exploitatie van uw kinderen door jeugdzorg. Volg de enorme geldstromen!
689 Zicht op exploitatie kinderen. Bij gelijke geschiktheid een allochtoon. Interculturele jeugdzorg, door Max Wattimena Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (Omdat het werkgelegenheidsaspect bij deze projecten voorop staat, bestaat de kans dat de instromers niet al te veel affiniteit hebben met de jeugdzorg. Of dat men bij de werving voor het project nauwelijks eisen stelt aan het opleidingsniveau van de werkzoekenden, zoals in Amsterdam is gebeurd.)
s41052011 Zicht op exploitatie kinderen. Jeugdzorg in Nederland is niet kindgericht maar gericht op SCHAALVERGROTING!
189 Zicht op exploitatie kinderen. Salarissen overheidspersoneel
174 Geld en arbeidsproductiviteit. Geef jeugdzorg de controle over valuta en het maakt ze niet meer uit wie wetten maakt
217 Geld en arbeidsproductiviteit. Voorkom problemen, weg met de jeugdzorg maak geen schulden en leen geen geld
219 Media. Als je de gesubsidieerde leugens van de leugens maar vaak genoeg herhaald gaan mensen dat geloven
429 Media. Iedere Nederlander behoort de geschiedenis van de Omroepbijdrage te kennen
246 Media - CDA - mentaliteit in Nederland RAMP voor kinderen/ouders die met "jeugdzorg"te maken krijgen
721 De gevaren van de rechtspraak in Nederland, door J. Hop
79 President rechtbank Maastricht: "Wie de zaken verdeeld kan de uitspraak beÔnvloeden"
7 U begint met systematisch werken, probeert jeugdzorgpersoneel uit te horen tijdens ieder gesprek
Inzicht in denk- en werkwijze "jeugdzorg" 72 73 97 122 339 388 436 437 445 481 545 549 600 602 617
108Handleiding voor ieder gesprek tussen ouder en gezinsvoogd
134 Zorg dat u de omschrijving van een verdachte goed kent en ook steeds opnieuw toepast!
101 Modelklacht tegen gezinsvoogd, geen vermelding beroepsmogelijkheden onder BESLUIT
3 De zes wetten van Hop, uitgangspunt in iedere procedure
145 Gemeente Ermelo (
CDA bestuur) praktijk voorbeeld zinloos klagen over onjuiste/geen ontvangstbevestiging
664 Model klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen Info: (653)(470)
123 Organisatiecriminaliteit. Hop: Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is fraude!
550 Model informatieverzoek justitieel informatieregister Info: (OM)
355 Model informatieverzoek politie
173 14-daags informatieverzoek school bij kinderbeschermingsmaatregelen
464 Model informatieverzoek school m.b.t. welzijn en ontwikkeling minderjarige
465 Model informatieverzoek school m.b.t. afschrift complete dossiers
173 Iedere 14 dagen een informatieverzoek naar school bij kinderbeschermingsmaatregelen
403 Geld, school, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), geld en de geheime onderonsjes COMPLOT TEGEN OUDERS!
102 Model informatieverzoek bureau jeugdzorg Info: (20)(815)
226 Model informatieverzoek bureau jeugdzorg, incl. verzoek OR, beŽindiging UHP
575 Model informatieverzoek Voorziening voor Pleegzorg Info: (505)
110 Model informatieverzoek gemeente. Info: (623)
509 Model bezwaarschrift gemeente tegen uitschrijving kind van uw woonadres
311 Jeugdzorg en Raad voor de Kinderbescherming werken samen TEGEN OUDERS!
664 Model klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen Info: (653)(470)
81 Klacht 81 ouder(s) tegen BESLUIT jeugdzorg=STICHTING om RvdK te verzoeken onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
385 Model klacht tegen BESLUIT RvdK om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
497 U maakt bezwaar tegen het benaderen van informanten door de RvdK
339 Landelijke afspraak tussen jeugdzorg en kinderrechters: Verzoekschriften geen ’inhoudelijke’ informatie meer hoeven te bevatten!
227 Faxverzoek aan de kinderrechter direct faxen na ontvangst van een oproep hoorzitting
756 Faxverzoek aan de kantonrechter/politierechter direct faxen na ontvangst van een oproep hoorzitting
360 Model verweerschrift tegen verzoekschrift RvdK om OTS van uw kind
361 Model verweerschrift tegen verzoekschrift RvdK om machtiging uithuisplaatsing van uw kind
663 Verzoekschrift omgangsregeling bij KIR na BESLUIT jeugdzorg
636 Model verzoek om compleet afschrift contactjournaal jeugdzorg
255 Model klacht tegen BESLUIT weigering compleet contactjournaal jeugdzorg
637 Model verzoek om compleet afschrift contactjournaal RvdK
170 Model klacht tegen BESLUIT weigering compleet afschrift contactjournaal RvdK
639 Modelklacht tegen indicatiebesluit
642 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel indicatiebesluit te toetsen
640 Modelklacht tegen Plan van Aanpak
366 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel Plan van Aanpak te toetsen
641 Modelklacht tegen HVP Zorgverlener
499 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel HVP Zorgverlener te toetsen
443 Modelklacht tegen gezinsvoogd PvA/indicatiebesluit naar KIR zonder inzichten
657 Verzoek KIR retour sturen PvA/indicatiebesluit zonder inzichten ouder
679 Modelverzoek wraking rechter meenemen naar iedere hoorzitting rechter en toetsen met info 457
658 Checklist ouder voor procederen bij de kinderrechter
263 Na (afloop) hoorzitting rechter levert u verzoek afschrift PV in bij de informatiebalie
384 Modelklacht tegen weigering afgifte proces-verbaal van de hoorzitting
124 Wraking Kamer van Toezicht Notarissen Zwolle met Hop GEGROND!
VOORVRAAG handelt de notaris in het belang van de burger of in belang van de belastingdienst?
Belasting vrijstelling voor een kind is ruim 48000 euro.
Belasting vrijstelling voor een pleegkind minder dan 5 jaar in het gezin is 2000 euro.
Waarom wordt in de praktijksituatie een pleegkind langer dan 5 jaar niet als kind aangemerkt?
Hoe wordt de juridische situatie van UHP kinderen met criteria en welke termijnen aangemerkt?
Hoe wordt de juridische situatie van kinderen aangemerkt als ouders uit het gezag zijn gezet?
Hebben kinderen recht op (kinds)deel erfenis als hun ouders uit het gezag zijn gezet?
Waarom zitten er vertegenwoordigers van de belastingdienst in de Kamers van Toezicht notarissen?
418 Vervang parkeerbedrijf door jeugdzorg en/of RvdK mbt de bewijslast
Rechtbanktraining waarheidsvinding: Kloppen de nevenfuncties bestuurders, gemeentesecretaris en griffier van uw gemeente?
Info Hop:A-B-C-D-E-F-G-H-I-J-K-L-M-N-O-P&Q-R-S-T-U-V-W-X-Y-Z
Welke kandidaten/bestuurders in uw gemeente hadden/hebben niet opgegeven baantjes in de stembureaus tijdens verkiezingen gemeenteraad om de uitslag te beÔnvloeden door zelf stemmen te tellen, stemmen van andere partijen op het stapeltje van de eigen partij te leggen en/of stemmen van andere partijen ongeldig te maken en/of nog even een praatje te maken in het stembureau om de kiezer vlak voor dat deze gaat stemmen te kunnen beÔnvloeden?
Tenslotte heeft u een kopie ontvangen van het contract dat is afgesloten tussen jeugdzorg en gemeente met daaronder welke namen en handtekeningen om de jeugdzorg over te dragen naar de gemeente en is dit contract in uw gemeente wel of niet in de gemeenteraad besproken? Indien neen, waarom niet?
Correcties, verbeteringen, aanvullingen internet informatie, procedureel weerwerk tegen de jeugdzorgindustrie
Contact J. Hop.

 

top
Groep Hop ©
Startpagina procedureel weerwerk tegen jeugdzorg, RvdK en bij de kinderrechter ©
De website www.groephop.nl is het eigendom van verzetsstrijder, politicus, schrijver, journalist Dhr. J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.
Plaats uitgave: Ermelo. Uitgever: Hop Ermelo. Disclaimer 2014 en vrijwaring. Op alle websites van Groep Hop is een 2014 disclaimer van toepassing. Procedures inzake publicatie van nieuwsfeiten, vrijheid van drukpers, belemmering vrijheid van meningsuiting, belemmering politieke activiteiten, gerechtvaardigde verdediging van Hop tegen improductieve bureaucratie en/of voor de overheid vrijwel altijd partijdige rechtspraak tegen politicus, schrijver, journalist Hop uitsluitend via de rechtbank Gelderland met gelijktijdig verzoek om beeld- en geluidsopnames te mogen maken van de complete hoorzitting t.b.v. publicatie op bovengenoemde websites. Door mijn website te raadplegen accepteert u mijn vrijwaring. Hop streeft ernaar, op een integere wijze, dat alle informatie op de websites correct is. Hop verleent ten aanzien van die informatie echter geen enkele garantie, noch kan Hop worden geacht een dergelijke garantie stilzwijgend te hebben verleend. Hop zal in geen geval aansprakelijk zijn voor schade van welke aard dan ook, waaronder directe, indirecte of gevolgschade, voortvloeiend uit of in verband met het gebruik of betreden van deze website.