1. Voorkeur Stichting
Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg gaat uit naar een gesubsidieerde belangenbehartiger van Stichting X omdat Hop niet geschikt is "wegens
procedureel klagen" namens klagende (groot)ouders
De Stichting Leger
des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg (AJL Leusden) wilden liever niet met Hop
werken als belangenbehartiger wegens "procedureel klagen".
Hop constateerde
dat het klachtreglement en de klachtprocedure van de gezinsvoogdij-instelling
Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg en/of Ambulante
Jeugdhulpverlening te Leusden in strijd met de wet op de jeugdhulpverlening
waren? De voorzitter van de klachtencommissie was een (kinder)rechter van de
rechtbank Utrecht.
Citaten uit een
brief die de interne klachtencommissie (met als voorzitter een kinderrechter)
Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg aan een klagende ouder
stuurde die procedeerde met Hop als belangenbehartiger:
De
klachtencommissie wil u aangaande de klachtenprocedure voorts het volgende onder
de aandacht brengen.
De AJL heeft er
methodisch voor gekozen om, indien mogelijk, onvrede over bejegening en
uitvoering zo dicht mogelijk bij de bron op te lossen. Deze methodiek is
uiteengezet is het Supplement bij het Klachtreglement (zie bijlage). Indien u
geen gebruik wenst te maken van een bemiddelingsgesprek (217)
conform artikel 4 lid 1 van het klachtenreglement van de AJL, en een beroep
wenst te doen op de uitzondering zoals geformuleerd in artikel 4 lid 3,
verzoeken wij u dit schriftelijk en gemotiveerd aan ons kenbaar te maken. U
dient dan tevens een klacht in te dienen die aan de formele regels van het
klachtenreglement voldoet.
De
klachtencommissie erkent dat u vrij bent uw keuze door wie u zich in een
klachtenprocedure wenst te laten bijstaan, maar wil u er op wijzen dat de
heer Hop zich in klachtenprocedures met name concentreert op de inhoudelijke,
concentreert op de procedurele aspecten van het werk van de
gezinsvoogdij-instelling. Uw inhoudelijke, concrete klachten zijn
nauwelijks gemotiveerd en onderbouwd. De klachtencommissie geeft u daarom in
overweging om zich te laten bijstaan door een professioneel
klachtenondersteuningsbureau zoals Stichting
X, telefoon X. De medewerkers van de Stichting X zijn onafhankelijk en
professioneel en kunnen u kosteloos bijstaan in een klachtenprocedure waarin de
belangen van u en uw kinderen centraal staan.
De
klachtencommissie hoopt u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
Hoogachtend,
Mevrouw mr. T.A.
van Kranenburg
Ambtelijk
secretaris klachtencommissie AJL Stichting Leger des Heils Welzijn- en
Gezondheidszorg.
2. Nationale Ombudsman! Stichting
Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg handelt in strijd met de bedoeling
van de wetgever dat aan de toegang tot het klachtrecht ook nog de voorwaarde
wordt verbonden dat een bemiddelingsprocedure
wordt doorlopen
Gezinsvoogdij-instellingen
In het verslagjaar werd één klacht over een gezinsvoogdij-instelling na
onderzoek afgehandeld, en wel door middel van rapport 2001/298. Het ging in deze
zaak om een klacht over de Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante
Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening te Leusden. Volgens verzoeker had de
stichting het advies van de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening
Haaglanden, Rotterdam en Zuid-Holland tot aanpassing van haar klachtenreglement
ten onrechte niet overgenomen. De door de provinciale klachtencommissie
voorgestelde wijziging van het klachtenreglement strekte ertoe de bepaling dat
eerst een bemiddelingsgesprek dient plaats te vinden voordat een klacht door de
stichting in behandeling wordt genomen, te laten vervallen. Na een
aanvankelijke weigering de aanbeveling van de provinciale klachtencommissie op
te volgen, had de stichting in tweede instantie alsnog besloten tot aanpassing
van haar reglement.
De Nationale ombudsman overwoog in zijn rapport dat hij het advies van de
provinciale klachtencommissie onderschreef. De wetgever heeft er immers voor
gekozen in de Wet op de jeugdhulpverlening een klachtenregeling op te nemen
waarbij de klacht eerst wordt voorgelegd aan een door de instelling zelf
getroffen voorziening voor de behandeling van klachten. Volgens de Nationale
ombudsman moet het daarom in strijd met de bedoeling van de wetgever worden
geacht dat aan de toegang tot het klachtrecht ook nog de voorwaarde wordt
verbonden dat een bemiddelingsprocedure wordt doorlopen.
De Nationale ombudsman
concludeerde dat de wijziging van het klachtenreglement onvoldoende recht deed
aan het advies van de provinciale klachtencommissie, aangezien met de gewijzigde
bepaling nog steeds geen directe toegang tot de interne klachtencommissie werd
gegeven. De Nationale ombudsman verklaarde de klacht gegrond en deed de
stichting de aanbeveling om haar klachtenreglement alsnog conform het advies van
de provinciale klachtencommissie in overeenstemming te brengen met de Wet op de
jeugdhulpverlening.
Door middel van een nieuwe wijziging van haar klachtenreglement volgde de
stichting deze aanbeveling op.
Op het terrein van de jeugdhulpverlening verrichtte de Nationale ombudsman
voorts een onderzoek met gebruikmaking van zijn bevoegdheid onderzoek uit eigen
beweging te doen (artikel 15 WNo). Dit onderzoek betrof een gedraging van de
Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming Zeeland en
werd afgesloten met rapport 2001/313. Omdat de provinciale klachtencommissie een
bestuursorgaan van de provincie is, wordt deze zaak behandeld in hoofdstuk 23.
3. Voor u ligt het jaarverslag
over 2001. In het afgelopen jaar was het opvallend dat de Provinciale
Klachtencommissie aanzienlijk minder klachten binnen heeft gekregen dan in 2000.
Naar de oorzaak kan slechts geraden worden. Mogelijk speelt een rol dat een
gemachtigde die klagers bijstond en die daarbij herhaaldelijk een zeer groot
aantal klachten indiende, met zijn werkzaamheden
lijkt te zijn gestopt.
Toelichting Hop! Zinloos klagen
bij deze Provinciale Klachtencommissie Zuid-Holland die een enorme voorkeur
heeft voor gesubsidieerde klachtondersteuners is een reden die natuurlijk niet
in hun jaarverslag wordt opgenomen naast de hetze van de gezinsvoogdij tegen
Hop. Op deze manier worden burgers zowel door de gezinsvoogdij als door de
provincie in de maling genomen en is het ook noodzakelijk om de jeugdzorg bij de
provincies weg te halen en onder te brengen bij gemeentes om een grote
schoonmaak en doorzichtig en controleerbaar werken in de jeugdzorg door te
voeren zodat het gewone volk veel MINDER BELASTING hoeft te betalen.
Inhoudsopgave
Inleiding 1
Algemeen 2
Samenstelling 2
Secretariaat 2
Financien 3
Werkwijze 3
Beschrijving van de behandelde
klachten 5
Overige klachten 18
Cijfermatig overzicht klachten
2001 19
Overzicht klachten
1998-1999-2000-2001 20
Vergaderingen 21
Landelijke ontwikkelingen 21
Landelijke werkgroep Provinciale
Klachtencommissies 22
Nationale Ombudsman 22
Inleiding
Voor u ligt het jaarverslag over
2001. In het afgelopen jaar was het opvallend dat de Provinciale
Klachtencommissie aanzienlijk minder klachten binnen heeft gekregen dan in 2000.
Naar de oorzaak kan slechts
geraden worden. Mogelijk speelt een rol dat een gemachtigde die klagers bijstond
en die daarbij herhaaldelijk een zeer groot aantal klachten indiende, met zijn
werkzaamheden lijkt te zijn gestopt. Mogelijk ook wordt door de instellingen en
door de Interne Klachtencommissies meer aandacht aan klachten besteed, zodat
klachten eerder worden afgedaan. Mogelijk ook is dat potentiële klagers
inmiddels hebben gehoord dat ook gegrond verklaarde klachten niet tot een
wezenlijke verandering in hun situatie leiden. Onderzoek naar de oorzaak van het
afnemend aantal klachten is niet gedaan en het blijft dus gissen naar aanleiding
van gesprekken met andere betrokkenen bij de klachtenprocedure. Uit de cijfers
blijkt verder dat het percentage gegrond verklaarde klachten enigszins is
toegenomen.
Dit jaar hebben een aantal
activiteiten plaats gevonden die ertoe moeten bijdragen dat landelijk de
verschillende Provinciale Klachtencommissies hun aanpak zoveel mogelijk op
elkaar afstemmen. De Wet geeft ruimte om de klachtenregeling op verschillende
wijze te interpreteren, dat mag echter niet leiden tot te grote verschillen.
Secretarissen maakten afspraken om elkaar uitspraken toe te sturen.
Een punt dat aandacht blijft
vragen is de vrijblijvendheid van de procedure. Wanneer de directeur het niet
eens is met de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie of een aanbeveling
naast zich neerlegt, staan klager en de Provinciale Klachtencommissie daar
machteloos tegenover.
In het ontwerp van de Wet op de
Jeugdzorg was de bestaande klachtenregeling overgenomen.
Wellicht dat daarin toch nog
wijzigingen worden aangebracht. De uitvoering zal voorlopig in ontwikkeling
blijven, maar het zou goed zijn wanneer in die nieuwe Wet rekening zou kunnen
worden gehouden met de inmiddels opgedane ervaringen. Met name met de
onduidelijkheid bij klagers over de gronden waarop beroep kan worden ingesteld
bij de Provinciale Klachtencommissie en het feit dat aan de uitspraak van de
Provinciale Klachtencommissie nauwelijks enig gevolg gegeven hoeft te worden.
Al met al was ook dit weer een
jaar waarin enige knelpunten binnen de Jeugdhulpverlening om aandacht vroegen.
Wij hopen dat u door middel van dit jaarverslag een indruk kunt krijgen van wat
er heeft gespeeld.
mr drs L.A. van Son, voorzitter
Algemeen
Er werden door de Provinciale
Klachtencommissie in het jaar 2001 acht nieuwe klachten ontvangen, terwijl ook
drie klachten die in het jaar 2000 binnenkwamen werden behandeld.
De Provinciale Klachtencommissie
hield zes hoorzittingen waarbij 11 klachten en 21 klachtonderdelen werden
behandeld.
Het secretariaat werd ongeveer
negentig keer benaderd met vragen en opmerkingen van klagers, instellingen voor
Jeugdhulpverlening, adviesinstellingen en andere Provinciale Klachtencommissies.
De Provinciale Klachtencommissie
kwam tweemaal in vergadering bijeen.
Klagers werden bijgestaan door het
Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening.
Samenstelling
De samenstelling van de
Provinciale Klachtencommissie is als volgt:
-
mevrouw mr drs L.A. van Son,
voorzitter
-
mevrouw mr R. Daalman,
plaatsvervangend voorzitter
-
de heer mr O. Luske, lid op
voordracht van de instellingen voor Jeugdhulpverlening
-
mevrouw mr E.F.A. Linssen-van
Rossum, plaatsvervangend lid op voordracht van de instellingen voor
Jeugdhulpverlening
-
de heer mr H. Dijkgraaf, lid
op voordracht van de cliëntenorganisaties
-
mevrouw mr F. de Kruijk-Postma,
plaatsvervangend lid op voordracht van de cliëntenorganisaties
Het secretariaat van de
Provinciale Klachtencommissie is uitbesteed aan de Stichting PJ PARTNERS te
Rotterdam en wordt uitgevoerd door de heer mr J.H.G. Corver, secretaris, en
mevrouw N. Sagdic, secretariaatsmedewerker.
Secretariaat
De werkzaamheden van de secretaris
bestaan uit:
-
ontvangen en registreren van
de klachten
-
beoordelen van de
ontvankelijkheid van de ingediende klachten in overleg met de voorzitter
-
het zenden van een afschrift
van de klacht naar de betrokken instelling, ook indien de klacht niet
ontvankelijk voor behandeling is bevonden
-
op de hoogte stellen van
betrokkenen
-
doorzenden stukken naar
wederpartij
-
voorbereiden van de
klachtbehandeling door de Provinciale Klachtencommissie
-
hanteren en bewaken van de
procedures volgens de Wet op de Jeugdhulpverlening en de verordening van de
overheden
-
opstellen van een
zittingrooster voor de commissieleden
-
organiseren van de
hoorzittingen en andere vergaderingen van de Provinciale Klachtencommissie
-
verslagleggen van de
hoorzittingen en vergaderingen
-
opstellen van het
conceptoordeel van de Provinciale Klachtencommissie
-
dossiervorming en beheer
-
verzamelen van jurisprudentie
klachtrecht Jeugdhulpverlening
-
toezien op de bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen conform het privacyreglement van
de Provinciale Klachtencommissie
-
opstellen van het jaarverslag
-
verstrekken van informatie aan
klagers, instellingen voor jeugdhulpverlening en overigen
-
klagers informeren over de
mogelijkheden zich te laten bijstaan door medewerkers van het Advies- en
Klachtenbureau Jeugdhulpverlening, een gemachtigde, deskundige of advocaat
-
informeren van de
commissieleden over ontwikkelingen op het gebied van het klachtrecht in de
Jeugdhulpverlening
-
leggen van contacten met
andere Provinciale Klachtencommissies voor het uitwisselen van ervaringen en
de ontwikkeling van jurisprudentie.
Financiën
In 2001 werden in totaal 303 uur
door de secretaris besteed aan werkzaamheden voor de Provinciale
Klachtencommissie. De totale kosten bedroegen ca. € 26.000,-. De kosten worden
gezamenlijk gedragen door de Provincie Zuid-Holland, Stadsgewest Haaglanden en
Stadsregio Rotterdam.
Werkwijze
De Provinciale Klachtencommissie
werkt volgens de bepalingen van de Verordening Klachtencommissie
Jeugdhulpverlening van de Provincie Zuid-Holland, het Stadsgewest Haaglanden en
de Stadsregio Rotterdam alsmede door het Reglement inzake Privacybescherming en
gegevensverzameling van de Provinciale Klachtencommissie. Inhoudelijk laat de
Provinciale Klachtencommissie zich onder meer leiden door de Wet op de
Jeugdhulpverlening, Besluit kwaliteitsregels Jeugdhulpverlening, Besluit
kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en het
Burgerlijk Wetboek.
Klachten gericht aan de
Provinciale Klachtencommissie worden ingeschreven bij het secretariaat.
Klagers ontvangen binnen een week
een ontvangstbevestiging. De betrokken uitvoerder of de voogdij- instelling
krijgt bericht van een ontvangen klacht en een afschrift van de klacht.
Vervolgens beoordeelt de
voorzitter of plaatsvervangend voorzitter, op voordracht van de secretaris, de
ontvankelijkheid van de klacht. Indien de klacht kennelijk niet ontvankelijk is
gebleken wordt dit de klager direct meegedeeld. Ook de uitvoerder of
voogdij-instelling krijgt hiervan bericht.
Indien de klacht als ontvankelijk
voor behandeling door de Provinciale Klachtencommissie is beoordeeld, wordt
partijen verzocht relevante stukken in te zenden.
Het secretariaat draagt er zorg
voor dat alle stukken bekend zijn bij zowel de klager als de beklaagde.
De instelling wordt bovendien
gevraagd de interne klachtenregeling, het privacyreglement en uitspraak van de
Interne Klachtencommissie toe te zenden.
De Provinciale Klachtencommissie
bestaat per zitting uit drie commissieleden, maar altijd in een zodanige
samenstelling dat de voorzitter of vice-voorzitter, een lid voorgedragen door de
instellingen en een lid voorgedragen door de cliëntenorganisaties aanwezig
zijn.
Per jaar wordt een vergaderschema
opgesteld met als uitgangspunt dat er een zitting op de eerste maandag van de
maand plaats vindt. Door omstandigheden kan het voorkomen dat van het schema
wordt afgeweken en/of dat extra zittingen worden ingelast. Op een gemotiveerd
verzoek van klager kan de voorzitter beslissen dat een klacht versneld behandeld
kan worden.
Vervolgens worden datum en plaats
van de zitting vastgesteld en aan partijen medegedeeld. De zitting wordt
gehouden op een neutrale plaats, meestal in Rotterdam. Tijdens de zitting worden
partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten mondeling toe te lichten en
vragen van commissieleden te beantwoorden. In principe worden partijen in
elkaars aanwezigheid gehoord.
Klagers kunnen zich laten bijstaan
door adviseurs of raadslieden. Als klagers worden bijgestaan door een
gemachtigde, advocaat of adviseur, dienen zij ook zelf aanwezig te zijn tijdens
de zitting zodat de Provinciale Klachtencommissie ook de eigen visie van de
klager over de klacht kan horen, naast die van de bijstandverlener. Na afloop
van de zitting beraadslaagt de Provinciale Klachtencommissie over de gegrondheid
van de klacht en over eventueel uit te brengen adviezen.
Binnen zes weken na ontvangst van
de klacht dient de Provinciale Klachtencommissie haar gemotiveerde oordeel ten
aanzien van de gegrondheid van de klacht op te stellen, eventueel voorzien van
aanbevelingen voor de uitvoerder of voogdij-instelling en zendt dit aan beide
partijen. Deze termijn kan eenmaal met vier weken worden verlengd. De termijn
van 6 weken wordt zoveel mogelijk in acht genomen, maar een enkele keer niet
gehaald.
De uitvoerder of
voogdij-instelling wordt verzocht schriftelijk te reageren op het toegezonden
oordeel en de eventuele aanbevelingen. Deze schriftelijke reactie van de
instelling wordt na ontvangst door de Provinciale Klachtencommissie doorgezonden
aan de klager.
Alle commissieleden ontvangen een
kopie van alle uitspraken en reacties van de instellingen daarop. Daardoor
hebben zij een overzicht van alle klachten en uitspraken en wordt de
uniformiteit van de uitspraken van de Provinciale Klachtencommissie bevorderd en
bewaakt. De commissie komt enkele malen per jaar bij elkaar om de eenheid in
haar optreden en besluitvorming zoveel mogelijk te waarborgen.
De subsidiërende overheden; de
Provincie Zuid-Holland, Stadsregio Rotterdam en Stadsgewest Haaglanden ontvangen
eveneens een geanonimiseerd afschrift van iedere uitspraak evenals de Inspectie
Jeugdhulpverlening Zuid-Holland.
Met andere Provinciale
Klachtencommissies worden geanonimiseerde uitspraken uitgewisseld ter
bevordering van de rechtseenheid.
Beschrijving van de behandelde
klachten
Daar waar gesproken wordt van
"Stichting" wordt de beklaagde instelling bedoeld.
KLACHT 1
Achtergronden
Klager heeft een dochter en twee
zonen. Dochter woont bij moeder in het Noorden van Nederland.
Zij heeft daar een gezinsvoogd in
dienst van de Stichting. Contacten tussen vader en dochter dienen via de twee
gezinsvoogden van de Stichting te lopen.
Beklaagde
Stichting Welzijns- en
Gezondheidszorg, Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL) van het
Leger des Heils.
Procedure
Voor de mondelinge behandeling van
de klachten heeft de Stichting laten weten niet aanwezig te zullen zijn. Het
lijkt de Stichting dat door klager een onevenredig beroep wordt gedaan op het
klachtrecht en de inspanning van deze klachtbehandelingen niet meer in een
redelijke verhouding staat tot de belangen die in het geding zijn. De Stichting
heeft derhalve schriftelijk gereageerd op de klachten.
Klachten en beoordeling
Klager is niet tevreden over de
manier waarop de Stichting haar taken als gezinsvoogdij-instelling vervult. Hij
heeft daarover klachten ingediend bij de Interne Klachtencommissie van de
Stichting en als gevolg daarvan een procedure in kort geding gevoerd bij de
president van de arrondissementsrechtbank.
1. De Interne Klachtencommissie
heeft onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat het opstellen van pleitnotities
(tijdens een kort geding van klager tegen de Stichting) niet valt onder de
definitie van een klacht.
Artikel 48 van de Wet op de
Jeugdhulpverlening stelt dat uitvoerders en voogdij- en
gezinsvoogdij-instellingen een regeling treffen voor de behandeling van klachten
over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens jeugdigen,
waarbij onder gedraging wordt verstaan: enig handelen of nalaten alsmede het
nemen van een besluit dat gevolgen heeft voor een jeugdige, diens ouders enz.
Het klachtenreglement van de
Stichting verstaat onder klacht: "iedere uiting van ongenoegen van of
namens een belanghebbende over (het nalaten van) een beslissing door of namens
de Stichting, dan wel over de wijze van werken, voor zover (het nalaten van)
deze beslissing of deze wijze van werken zich tot belanghebbende persoonlijk
richt of waarbij deze anderszins in zijn belangen wordt getroffen".
De Stichting stelt dat een
pleitnotitie die bedoeld is voor een juridische procedure zich niet persoonlijk
richt tot de belanghebbende en dat belanghebbende niet in zijn belangen wordt
getroffen door pleitnotities van de tegenpartij. Klager stelt onder meer dat in
een pleitnotitie van de Stichting woorden van zijn dochter zijn aangehaald die
nooit door zijn dochter uitgesproken zijn en in een andere pleitnotitie heeft de
Stichting klachten ondersteuningsbureaus woorden in de mond gelegd die deze
bureaus niet hebben uitgesproken.
Door deze informatie is mogelijk
de uitspraak van de rechter beïnvloed.
De Provinciale Klachtencommissie
is van oordeel dat niet zonder meer gezegd kan worden dat een cliënt van de
Stichting niet in zijn belangen geschaad kan worden door de inhoud van een
pleitnotitie. Cliënt en hulpverlener zijn ongelijkwaardig aan elkaar, onder
meer in die zin dat het kan voorkomen dat een hulpverleningsinstantie over
feitenmateriaal beschikt dat door de ouder of cliënt niet of zeer lastig te
controleren is. Wanneer de rechter onjuist wordt voorgelicht, waarbij feiten
worden gememoreerd die voor de cliënt niet te weerleggen zijn en deze feiten
zouden onjuist zijn, is het mogelijk dat een cliënt rechtstreeks in zijn
belangen wordt geschaad. De mogelijkheid dat een belanghebbende door die
werkwijze in zijn belangen wordt getroffen brengt mee dat een klacht daarover
ontvankelijk is. De Interne Klachtencommissie mocht de klacht derhalve niet
zonder nadere motivering niet ontvankelijk verklaren.
De klacht is gegrond.
2. De Interne Klachtencommissie
heeft onvoldoende beargumenteerd waarom zij niet kan oordelen over de wijze
waarop de gezinsvoogden het vonnis van de rechtbank inzake de bezoekregeling
hebben geïnterpreteerd.
Met betrekking tot klacht 2 stelt
klager dat hij geklaagd heeft over de wijze waarop de gezinsvoogden de
bezoekregeling hebben uitgevoerd. De Stichting meent dat de Interne
Klachtencommissie niet anders kon dan klager doorverwijzen naar zijn advocaat en
de teamleider van de Stichting, die voldoende inzicht hadden in de gerechtelijke
uitspraken en de complexiteit van de situatie.
De Provinciale Klachtencommissie
kan de Stichting in deze redenering niet volgen. Klager wilde dat een door de
rechter genomen beslissing werd uitgevoerd. Het uitvoeren van een beslissing
betreft gedragingen jegens betrokkenen, die vallen onder de klachtdefinitie. Ook
deze klacht zal gegrond worden verklaard.
De Provinciale Klachtencommissie
begrijpt de klacht aldus dat klager klaagt over het feit dat de door de rechter
opgelegde omgangsregeling niet wordt uitgevoerd. Niet valt in te zien waarom de
uitvoering van een regeling niet door een Klachtencommissie beoordeeld kan
worden. Wanneer de Stichting meent dat het vonnis zo is verwoord dat het
interpretatie behoeft, dient zij nader aan te geven welke ruimte voor
interpretatie zij ziet en wat haar interpretatie is, zodat klager zijn mening
daarover kenbaar kan maken.
De klacht is derhalve gegrond.
Reactie van de directie op de
uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie
De Stichting onderschrijft de
mogelijkheid dat in een bepaalde situatie de inhoud van een pleitnotitie de
belangen van een cliënt kan schaden. Echter in de onderhavige situatie, meent
de Stichting, betreft het een kort geding dat is geïnitieerd door klager en
zijn advocaat.
In een dergelijke situatie gaat
het om twee advocaten die in de procesgang de mogelijkheid hebben te reageren op
de inhoud van een pleitnotitie, terwijl ook de klager op de zitting aanwezig
was.
De Stichting deelt daarom niet het
oordeel van de Provinciale Klachtencommissie in deze situatie.
Ten aanzien van de tweede klacht
meent de Stichting dat de Interne Klachtencommissie op zich een klacht over het
niet uitvoeren van een omgangsregeling kan beoordelen. In deze specifieke
situatie wist de Interne Klachtencommissie dat de klager meerdere procedures had
gevoerd, waarin de interpretatie van de omgangsregeling is besproken.
Klager kende het standpunt
aangaande de invulling van de omgangsregeling ter uitvoering van de
gerechtelijke uitspraak. Behandeling van de klacht voegde daar niets meer aan
toe, aldus de Stichting.
Reactie van klager
Klager reageert met verbazing
op deze reactie en stelt dat als de Provinciale Klachtencommissie deze reactie
accepteert dat het gehele klachtrecht geen zin heeft. Klager meent dat de
directeur de Provinciale Klachtencommissie volstrekt niet serieus neemt en
vraagt zich af wat de zin van het klagen op deze manier is.
KLACHT 2
Achtergronden
Dochter is geplaatst in
behandelhuis van de Stichting.
Beklaagde
Stichting Jeugdbescherming
Dordrecht/Stichting Jeugdzorg Rotterdam Zuid-Holland Zuid.
Klachten en beoordeling
Moeder is het eens met de
plaatsing maar heeft klachten over de behandeling.
1. Overschrijding van de
afhandelingstermijn door de Interne Klachtencommissie van de Stichting.
De Wet op de Jeugdhulpverlening
bepaalt in artikel 48 dat de klachtenregeling waarborgt dat klager binnen zes
weken in kennis wordt gesteld van het oordeel van de Interne Klachtencommissie.
Deze termijn is overschreden. Aan
klaagster is geen met redenen omklede mededeling gedaan over die afwijking onder
vermelding van de termijn waarbinnen de klacht zou worden afgedaan, zoals
artikel 48 lid 2 onder d van de Wet op de Jeugdhulpverlening voorschrijft. De
klacht is gegrond.
2. Weigering afgifte
contactjournaal gezinsvoogd.
De klacht betreft het niet
ontvankelijk verklaren van de klacht ten aanzien van het niet verstrekken van
inzage in het complete contactjournaal gezinsvoogd. Klaagster stelt dat de
Interne Klachtencommissie bij een zorgvuldige behandeling het contactjournaal
had moeten opvragen. De instelling stelt dat het contactjournaal persoonlijke
werkaantekeningen betreft. Deze aantekeningen worden alleen aan de teamleider en
de directie ter inzage gegeven en gebruikt voor het opstellen van een
voortgangsrapportage.
Artikel 43 lid 3 van de Wet op de
Jeugdhulpverlening bepaalt dat de wettelijk vertegenwoordiger, indien de
jeugdige de leeftijd van 16 nog niet heeft bereikt, inzage in en afschrift van
bescheiden heeft.
Niet gebleken is van een grond,
waarop klaagster - zij heeft het gezag over haar onder toezichtgestelde dochter
- geen inzage toekomt in het dossier.
Nu het contactjournaal niet anders
gezien kan worden dan als een schriftelijk stuk dat de Stichting met betrekking
tot de jeugdige onder zich heeft, bestaat op grond van artikel 43 lid 3 van de
Wet op de Jeugdhulpverlening in beginsel recht op inzage van dit stuk door
klaagster. Het feit, dat de Stichting aan het contactjournaal blijkbaar een
aparte status geeft als een niet tot het (officiële)dossier behorend stuk, is
op zich geen grond voor weigering. De Stichting kan wél inzage in bepaalde
bescheiden (gedeeltelijk) weigeren op basis van artikel 44 lid 3 van de Wet op
de Jeugdhulpverlening; namelijk in het geval de persoonlijke levenssfeer van een
ander (dan de jeugdige) daardoor wordt geschaad. Op deze situatie heeft de
Stichting haar bezwaren tegen inzage van het contactjournaal door klaagster
echter niet gegrond; klaagsters verzoek is zonder nadere motivering afgewezen.
De klacht is gegrond.
3. Gebrekkige visie van de
Stichting.
Klaagster beklaagt zich dat de
Interne Klachtencommissie geen uitspraak doet over de gebrekkige visie van de
Stichting. Bij de behandeling heeft zij toegelicht dat zij daarmee bedoelt dat
de Stichting is afgeweken van een door het PAR gegeven advies, zonder die
beslissing tegenover haar te motiveren. Ook is zij onvoldoende op de hoogte
gesteld van andere ontwikkelingen met betrekking tot haar dochter. Door de
Stichting zijn hulpverleningsplannen, een samenvatting van de zogenaamde
kindbespreking, alsmede een verslag van het oudergesprek en een
onderzoeksverslag, alsmede een behandelingsplan, toegestuurd aan de Provinciale
Klachtencommissie.
In die rapportages die een
uitgebreid karakter hebben, wordt onder meer beschreven: de contacten met
ouders, het gedrag van de dochter, de school, de gezondheid, vrije tijd en
vrienden, contacten van moeder met groepsleiding, de bezoekregeling, bespreking
met vader, bespreking met moeder en partner, een uitgebreide beschrijving van de
geschiedenis van de dochter, de sociaal emotionele ontwikkeling, de
gezinsbeleving, een probleemanalyse, een hulpverleningsplan en de
contactfrequentie met het cliëntsysteem. Klaagster heeft aangegeven dat zij het
er niet mee eens is dat door de Stichting is afgeweken van het PAR-advies.
De Provinciale Klachtencommissie
is van oordeel dat - gelet op het bepaalde van artikel 50 van de Wet op de
Jeugdhulpverlening - hierover niet bij haar kan worden geklaagd. Klaagster wordt
in haar bezwaar dan ook niet ontvankelijk verklaard. Ten overvloede merkt de
Provinciale Klachtencommissie nog het volgende op. Voorzover klaagster erover
klaagt dat zij door de Stichting onvoldoende op de hoogte is gesteld van de
ontwikkelingen met betrekking tot haar dochter, kan zij niet in haar kritiek op
de Stichting worden gevolgd.
De Provinciale Klachtencommissie
is - na kennisneming van de hierboven in de tweede alinea genoemde stukken - van
mening dat de Stichting daarmee in algemene zin voldoende toelicht welke
beslissingen zijn genomen, waarom die zijn genomen, wat haar plannen zijn en hoe
deze zijn uitgevoerd. Dat klaagster het met de inhoud van die stukken niet
(volledig) eens is, doet daaraan niet af.
Reactie van de directie op de
uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie
De directeur van de Stichting
biedt zijn verontschuldigingen aan over het feit dat aan klaagster geen met
redenen omklede mededeling is gedaan over de termijnoverschrijding.
Met betrekking tot weigering
afgifte van het contactjournaal stelt de Stichting zich op het standpunt dat het
contactjournaal geen onderdeel vormt van het dossier, doch behoort tot de
persoonlijke werkaantekeningen van de hulpverlener en derhalve geen inzage kan
worden verstrekt.
KLACHT 3
Achtergronden
Twee kinderen van klager zijn vier
jaar onder de voogdij van de Stichting geweest. Voogdij is daarna aan een andere
instelling overgedragen op verzoek van de klager.
Beklaagde
Stichting Jeugdzorg Rotterdam
Zuid-Holland Zuid.
Klachten en beoordeling
Klager is bijgestaan door het
Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg.
Klager heeft op drie punten
geklaagd over de reactie van de directeur van de Stichting op het oordeel van de
Interne Klachtencommissie van de Stichting, welk oordeel werd gegeven naar
aanleiding van klachten die betrekking hadden op de hulpverlening aan de
minderjarige kinderen van klager en de wijze, waarop klager bij deze
hulpverlening werd betrokken.
1. De directeur reageert
onvoldoende op de conclusie van de Interne Klachtencommissie dat er fouten zijn
gemaakt ten aanzien van klager.
Klager heeft hierbij aangevoerd
dat - hoewel de directeur in zijn reactie de conclusies van de Interne
Klachtencommissie overneemt - hij deze reactie ‘mager’ vindt en dat in de
reactie excuses zouden moeten worden aangeboden voor de door de Stichting
gemaakte fouten.
De Provinciale Klachtencommissie
verklaart dit onderdeel van de klacht niet gegrond, daar is voldaan aan
het voorschrift van artikel 48 lid 5 van de Wet op de Jeugdhulpverlening dat
inhoudt, dat de directeur meedeelt of hij het oordeel van de Interne
Klachtencommissie over de gegrondheid van de klacht deelt. De vorm waarin dit
gebeurt en de toonzetting van de reactie hangt samen met de wijze waarop de
Stichting de bejegening van haar cliënten vorm geeft en is dus ter beoordeling
van de Stichting.
2. De directeur neemt een
onvoldoende gemotiveerde ongegrond-verklaring van de Interne Klachtencommissie
zonder meer over.
Uit artikel 48, leden 1 en 2
(onder c) van de Wet op de Jeugdhulpverlening volgt o.m. dat de
gezinsvoogdij-instelling een regeling treft, die waarborgt dat de Interne
Klachtencommissie haar oordeel over de gegrondheid van de klacht met redenen
omkleedt. Hieruit blijkt naar het oordeel van de Provinciale Klachtencommissie
van een verantwoordelijkheid van de directie van de instelling voor de
redengeving, ofwel de motivering van de beslissing door de Interne
Klachtencommissie.
In de onderhavige zaak is de
beslissing op dit punt door de Interne Klachtencommissie niet alleen onvoldoende
gemotiveerd, maar ook volstrekt onduidelijk op schrift gesteld.
Het strookt niet met de hiervoor
genoemde verantwoordelijkheid dat de algemeen directeur van de Stichting zonder
enige nadere overweging hierover in zijn reactie deze beslissing zegt te delen.
De Provinciale Klachtencommissie
vindt klagers klacht op dit onderdeel gegrond.
3. De directeur heeft niet binnen
de gestelde termijn van 4 weken gereageerd op het oordeel van de Interne
Klachtencommissie.
Artikel 48 lid 5 van de Wet op de
Jeugdhulpverlening verplicht de directeur van de instelling binnen vier weken na
ontvangst van het oordeel van de Interne Klachtencommissie te reageren. De
directeur heeft in deze zaak bij brief van 1 mei gereageerd op het oordeel van 6
maart. Ook dit onderdeel van de klacht is gegrond.
Reactie van de directie op de
uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie
De Stichting heeft ondanks het
verzoek en een daarop volgende aanmaning van de Provinciale Klachtencommissie
niet op deze uitspraak gereageerd.
KLACHT 4
Achtergronden
Moeder van een pleeggezin neemt op
verzoek van instelling minderjarige onder haar hoede. Later wordt minderjarige
naar gesloten inrichting overgeplaatst op advies van voogd van de instelling.
Beklaagde
Stichting Welzijns- en
Gezondheidszorg, Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL) van het
Leger des Heils.
Klachten en beoordeling
Klaagster heeft geklaagd dat de
Stichting gehandeld heeft in strijd met haar klachtenreglement door haar klacht
niet te behandelen.
Artikel 12 van het
klachtenreglement van de Stichting stelt dat de gehele termijn van de
klachtenprocedure niet langer mag zijn dan 6 weken. Indien die termijn niet
haalbaar is doet de Klachtencommissie hiervan met redenen omkleed mededeling aan
klager, degene over wie is geklaagd en de directie van de Stichting, onder
vermelding van de termijn waarbinnen zij haar oordeel over de klacht zal
uitbrengen.
De Stichting heeft meegedeeld dat
de klacht van klaagster zal worden behandeld door de Interne Klachtencommissie.
De Stichting wijdt de oorzaak van de vertraagde behandeling van de klacht aan
het uitblijven van de inhoudelijke reactie van de beklaagde, ondanks een rappel
en tussentijdse mondelinge aanmaningen via de teamleider.
De Provinciale Klachtencommissie
oordeelt dat de Stichting te allen tijde zelf verantwoordelijk is voor een
adequate afhandeling van een klacht binnen de in het reglement gestelde
termijnen en zich niet kan beroepen op een tekortkoming van een van haar
personeelsleden. De klacht is ontvankelijk op basis van artikel 50 b van de Wet
op de Jeugdhulpverlening.
Reactie van de directie op de
uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie
De Stichting deelt het oordeel van
de Provinciale Klachtencommissie dat voor de afhandeling van een klacht de in
het reglement gestelde termijnen moeten worden gerealiseerd.
De Interne Klachtencommissie heeft
de beklaagde de ruimte willen bieden, ondanks het verstrijken van de termijn,
een reactie in te dienen. Aan de Interne Klachtencommissie zal worden meegedeeld
dat in toekomstige situaties de termijn van de klachtenprocedure in acht te
nemen, ook in die situaties dat gedaagden niet tijdig hebben gereageerd.
KLACHT 5
Achtergronden
Klagers hebben een pleegdochter en
klagen over de ervaringen met betrekking toto de begeleiding van de Stichting.
Beklaagde
Stichting Jeugdzorg Rotterdam
Zuid-Holland Zuid.
Klachten en beoordeling
Klagers klagen over de houding van
de Stichting. De Provinciale Klachtencommissie adviseert de klagers de klachten
eerst te richten tot de Interne Klachtencommissie en eventueel zich te laten
bijstaan door het Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening. De klacht is
niet ontvankelijk.
KLACHT 6
Achtergronden
Moeder van een pleeggezin neemt op
verzoek van instelling minderjarige onder haar hoede. Later wordt minderjarige
naar gesloten inrichting overgeplaatst op advies van voogd van de instelling.
Beklaagde
Stichting Welzijns- en
Gezondheidszorg, Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL) van het
Leger des Heils.
Klachten en beoordeling
Klaagster is bijgestaan door het
Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg.
Klaagster heeft één klacht
ingediend, bestaande uit vijf onderdelen.
De klacht is ontvankelijk op basis
van artikel 50 onder a en b van de Wet op de Jeugdhulpverlening.
Ten aanzien van de klachten
overweegt de Provinciale Klachtencommissie het volgende.
1. De Klachtencommissie heeft in
strijd met artikel 9 van het klachtenreglement van de Stichting gehandeld, door
in te stemmen met de aanwezigheid van de advocaat van de gezinsvoogd.
Artikel 9 van het
klachtenreglement bepaalt:
-
De klager kan zich laten
bijstaan of doen vertegenwoordigen door een door hem/haar aan te wijzen
persoon.
-
De leidinggevende van de
medewerker over wie is geklaagd zal beslissen wie de betrokken medewerker
eventueel zal bijstaan gedurende de procedure en wie de Stichting zal
vertegenwoordigen tijden een mondelinge behandeling van de klacht.
De Provinciale Klachtencommissie
is van oordeel dat met die klacht een te beperkte uitleg wordt gegeven aan
genoemd artikel. Het reglement sluit de aanwezigheid van een advocaat aan de
zijde van de beklaagde niet uit. Met het bepaalde in artikel 9 van het reglement
wordt uitvoering gegeven aan artikel 48, tweede lid van de Wet op de
Jeugdhulpverlening. De in artikel 48 genoemde waarborgen, waaronder de waarborg
dat de klager en degene over wie is geklaagd zich bij de behandeling kunnen
laten bijstaan, beogen de positie van zowel de klager als de beklaagde in de
procedure te versterken.
Met klaagster is de Provinciale
Klachtencommissie van oordeel dat het risico bestaat dat bij de behandeling de
nadruk erg komt te liggen op juridische aspecten, terwijl van belang is dat de
inhoud van de klacht wordt onderzocht. Klaagster had echter zelf de klacht via
een advocaat ingediend en het ging om klachten die bij gegrondverklaring
verstrekkende gevolgen konden hebben voor de beklaagde. Tegen die achtergrond is
de behoefte aan bijstand van een advocaat niet onbegrijpelijk. Hoewel aan
klaagster bij brief was meegedeeld dat de gezinsvoogd zich zou laten bijstaan
door een advocaat, heeft klaagster er voor gekozen om zonder advocaat te
verschijnen. Niet is gebleken dat klaagster door die bijstand in haar belangen
is geschaad. De klacht wordt ongegrond verklaard.
2. De Klachtencommissie heeft
onvoldoende vorm gegeven aan het vereiste hoor en wederhoor, zoals neergelegd in
artikel 8 lid 3 van het klachtenreglement de Stichting.
Klaagster heeft toegelicht dat in
de pleitnotitie nieuwe feiten werden aangedragen, waarop zij onvoldoende heeft
kunnen reageren. De Provinciale Klachtencommissie is van oordeel dat de zitting
bedoeld is om beide partijen in de gelegenheid te stellen een toelichting te
geven.
Niet ongebruikelijk is dat een
advocaat een dergelijke toelichting tevoren op schrift stelt in de vorm van een
pleitnotitie. Niet is gebleken dat in die notitie feiten staan die tevoren bij
klaagster niet bekend waren. Het enkele feit dat zij voor de zitting niet wist
wat er van de zijde van de beklaagde gezegd zou worden, leidt niet tot het
oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
Uit de aantekeningen van de
hoorzitting bij de Interne Klachtencommissie blijkt dat klaagster voldoende in
de gelegenheid is gesteld haar klacht toe te lichten en te reageren op hetgeen
in de pleitnotitie stond.
De klacht wordt ongegrond
verklaard.
3. De Klachtencommissie heeft ten
onrechte geen nadere informatie ingewonnen bij derden, zoals bepaald in artikel
10 lid 1 van het klachtenreglement van de Stichting.
Artikel 10 bepaalt dat de Interne
Klachtencommissie informatie in kan winnen bij derden. Zij is daartoe echter
niet verplicht. Met klaagster is de Provinciale Klachtencommissie van oordeel
dat de Interne Klachtencommissie het aanbod van klaagster, om derden te horen,
niet zonder nadere motivering mocht passeren. Uit het verslag van de behandeling
en uit de uitspraak blijkt niet dat de Interne Klachtencommissie een onderzoek
heeft gedaan naar de gedragingen waarover werd geklaagd. De door klaagster
gestelde feiten werden grotendeels ontkend zonder dat werd toegelicht wat er wel
was gebeurd, op welke momenten er contacten hadden plaatsgevonden, of die al dan
niet met de dochter van klaagster en met minderjarige waren geweest en hoe die
contacten waren verlopen. Het had op de weg van de Interne Klachtencommissie
gelegen nader onderzoek te doen, voordat zij tot haar oordeel kwam.
Bij dat onderzoek was het wellicht
wenselijk geweest getuigen te horen of klaagster te adviseren bepaalde mensen
mee te nemen naar de zitting. Thans heeft de Interne Klachtencommissie niet meer
gedaan dan de beschuldiging en de ontkenning tegen elkaar afwegen.
Ten onrechte formuleert de
Stichting als uitgangspunt dat de Interne Klachtencommissie niet aan
waarheidsvinding doet. Dit standpunt vindt ook geen steun in de Wet op de
Jeugdhulpverlening. Het is de taak van de Interne Klachtencommissie klachten
omtrent gedragingen te beoordelen. Daarvoor is noodzakelijk dat onderzoek wordt
gedaan naar feiten en omstandigheden en dat zonodig ook daarover aanvullende
informatie wordt gevraagd. De klacht wordt gegrond verklaard.
4. De Klachtencommissie heeft ten
onrechte de tweede klacht van klaagster in behandeling genomen.
De tweede klacht luidde: de grens
van het onbetamelijke wordt door de gezinsvoogd overschreden door opmerkingen
die uiterst seksueel getint zijn. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.
Klaagster heeft zelf langdurig en intensief aangedrongen op behandeling door de
Interne Klachtencommissie. Het protocol seksueel misbruik van cliënten door
hulpverleners bevindt zich in de fase van een concept.
Niet is gebleken dat dit protocol
in werking is getreden. Ook wanneer het protocol wel al werd gebruikt stond het
klaagster vrij haar klacht voor te leggen aan de Interne Klachtencommissie en
diende de Interne Klachtencommissie die klacht in behandeling te nemen. Het
protocol sluit de behandeling van een klacht door de Interne Klachtencommissie
niet uit.
5. De directeur heeft nagelaten
haar verantwoordelijkheid te nemen om alsnog een onderzoeksprocedure in te
stellen, zoals vastgelegd in het protocol seksueel misbruik van cliënten door
hulpverleners.
Ook deze klacht wordt ongegrond
verklaard. Er is een concept van het protocol overgelegd. Niet blijkt dat dit
protocol reeds wordt toegepast.
Aanbeveling aan de directie van de
Stichting
De Interne Klachtencommissie bij
een klacht omtrent gedragingen op te dragen zelfstandig onderzoek te doen naar
achterliggende relevante feiten en omstandigheden.
Reactie van de directie op de
uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie
Op onderdeel 3 van de klachten van
klaagster heeft de Provinciale Klachtencommissie de klacht gegrond verklaard. De
aanbeveling om bij een klacht omtrent gedragingen onderzoek te doen naar
achterliggende feiten en omstandigheden heeft de Interne Klachtencommissie ter
harte genomen.
KLACHT 7
Achtergronden
Klager verzoekt concrete hulp te
verlenen bij de uitvoering van de omgangsregeling met zijn kind dat bij de
moeder verblijft.
Beklaagde
Stichting Jeugd en Gezin te
Dordrecht.
Klacht en beoordeling
De Stichting is haar afspraken
niet nagekomen en heeft besluiten genomen waarvan klager pas achteraf heeft
vernomen.
De Provinciale Klachtencommissie
adviseert de klachten eerst te richten tot de Interne Klachtencommissie en
eventueel zich te laten bijstaan door het Advies en Klachtenbureau
Jeugdhulpverlening. De klacht is voor de Provinciale Klachtencommissie niet
ontvankelijk.
KLACHT 8
Achtergronden
Dochter uit huis geplaatst door
kinderrechter, omgangsregeling.
Beklaagde
Stichting Welzijns- en
Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL).
Klacht en beoordeling
Klachten van klaagster zijn
ontvankelijk verklaard, klaagster echter is vertrokken met onbekende bestemming
zonder bericht.
1. Het niet nakomen van afspraken
door de Stichting.
2. Er is een hulpverleningsplan
vastgesteld waarmee de klager het niet eens is.
3. Het hulpverleningsplan is na
overleg met klaagster en haar advocaat opgesteld en klaagster heeft met dit
hulpverleningsplan ingestemd.
4. Onjuist dat klaagster alleen
met het gezag belast is.
5. Het hulpverleningsplan
formuleert een aantal doelstellingen voor de korte termijn die deels eenvoudige
constateringen van de huidige situatie, deels onmogelijk uitvoerbaar zijn.
6. De Klachtencommissie heeft geen
afschrift van het evaluatierapport ontvangen zodat zij alleen haar oordeel kan
uitspreken over de punten die ter zitting besproken zijn.
KLACHT 9
Achtergrond
Dochter uit huis geplaatst door
kinderrechter, omgangsregeling.
Beklaagde
Het Jeugdhuis Vliet en Burgh in
Voorburg.
Klacht en beoordeling
Klacht is niet ontvankelijk omdat
de klachten niet eerst zijn ingediend bij de Interne Klachtencommissie.
KLACHT 10
Achtergrond
Pleegzoon via een
ondertoezichtstelling en een machtiging uit huis geplaatst.
Beklaagde
Cardea Jeugdhulpverlening.
Klacht en beoordeling
Klagers zijn bijgestaan door het
Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening.
Klagers hebben geklaagd dat de
Stichting niet beschikt over een Klachtencommissie.
De Stichting is ontstaan uit een
fusie. In haar jaarverslag over het jaar 2000 heeft de Stichting melding gemaakt
van het bestaan van een Interne Klachtencommissie. Klagers hebben tevergeefs
getracht hun klachten door deze Interne Klachtencommissie te laten behandelen.
Hen werd te verstaan gegeven dat
de Klachtencommissie nog moet worden opgericht en dat klachten eerst begin 2002
zullen worden behandeld. De klacht is gegrond aangezien artikel 48 van de Wet op
de Jeugdhulpverlening stelt dat uitvoerders en voogdij- en
gezinsvoogdij-instellingen een regeling treffen voor de behandeling van klachten
en de Stichting deze regeling (nog) niet heeft getroffen.
Reactie van de directie op de
uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie
Na de fusie is gebleken dat het
klachtenreglement van de Stichting niet meer hanteerbaar was en dat de leden van
de Klachtencommissie niet oproepbaar waren. Derhalve was de directeur
genoodzaakt op korte termijn een nieuw reglement op te stellen en een
Klachtencommissie samen te stellen. De klagers zijn hiervan schriftelijk op de
hoogte gesteld.
De Stichting beschikt inmiddels
over een hanteerbaar klachtenreglement en over een Klachtencommissie. Het
reglement is inmiddels in het bezit van de Provinciale Klachtencommissie.
De klachten van klagers zijn in
behandeling genomen en er heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
KLACHT 11
Achtergrond
Dochter weggelopen bij instelling
met medeweten en onder begeleiding van hulpverlener/groepsleider.
Beklaagde
Stichting Horizon, Instituut voor
Jeugdzorg en Onderwijs.
Klachten en beoordeling
Klagers zijn bijgestaan door het
Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening.
1. De Interne Klachtencommissie
heeft ten onrechte gesteld dat zij geen uitspraak kan doen over de inhoud van de
behandeling en de begeleiding.
Klagers hebben toegelicht dat zij
een uitspraak wensen over hun klacht bij de Interne Klachtencommissie met
betrekking tot de inhoud van de behandeling voordat hun dochter wegliep.
Ingegaan wordt steeds op wat er na die tijd is gebeurd. Uit het
onderzoeksrapport is gebleken dat de begeleiding en hulpverlening door het team
ernstige tekortkomingen vertoonde.
Dit is ook erkend door de
Stichting en hulpverlener heeft namens de Stichting bij de behandeling van de
klacht, maar ook eerder, meegedeeld welke maatregelen genomen zijn en nog zullen
worden genomen om tot een verbetering te komen. Daarmee staat vast als door de
Stichting erkend dat tekortkomingen zijn geconstateerd in de uitvoering van de
hulpverlening.
Klagers klagen dat de Interne
Klachtencommissie geen uitspraak heeft gedaan over de inhoud van de begeleiding
en de behandeling. De Interne Klachtencommissie voegt daaraan toe dat dat te
meer klemt daar dat zaken zijn waar verschillen van mening en opvatting over
kunnen bestaan.
De klacht bij de Interne
Klachtencommissie luidde: "klacht inzake niet-adequate
behandeling/begeleiding van dochter, welke uiteindelijk heeft geleid tot haar
weglopen en wegblijven, ruim zes weken, van de instelling. Anderzijds inzake
grensoverschrijdend gedrag in de relatie hulpverlener-cliënt wat ouders niet
kunnen tolereren". Uit de formulering van de klacht blijkt dat geklaagd
wordt over de behandeling/ begeleiding die geleid heeft tot het weglopen en de
relatie met de hulpverlener waarbinnen grensoverschrijdend gedrag plaatsvond.
De Provinciale Klachtencommissie
is van oordeel dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard. Artikel 46 van
de Wet op de Jeugdhulpverlening verstaat onder gedraging waarover kan worden
geklaagd: "enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat
gevolgen heeft voor een jeugdige, diens ouders etc". Het is ook naar het
oordeel van de Provinciale Klachtencommissie niet mogelijk een oordeel te geven
over de totale behandeling en begeleiding en over gevolgen die een behandeling
en begeleiding heeft voor het gedrag van een jeugdige.
De Provinciale Klachtencommissie
mist daartoe de informatie en zo zij die informatie al zou hebben, mist zij de
deskundigheid om die informatie te beoordelen. Zelfs deskundigen zijn het
onderling vaak niet met elkaar eens over de aard van de problemen en behandeling
van die problematiek en de wijze waarop die behandeling uitgevoerd zou moeten
worden.
Het totaal van de behandeling en
begeleiding gedurende een bepaalde periode kan derhalve in het kader van een
klachtenprocedure niet beoordeeld worden. Niet kan beoordeeld worden of die
behandeling heeft bijgedragen of zelfs heeft geleid tot het weglopen, zoals
klagers stellen of dat daarvoor (ook) andere oorzaken zijn aan te wijzen.
2. De Interne Klachtencommissie
heeft ten onrechte geen uitspraak gedaan over de verantwoordelijkheid van het
team en de Stichting ten aanzien van het grensoverschrijdend gedrag in de
relatie hulpverlener - cliënt.
De Interne Klachtencommissie heeft
daarover overwogen: "De vraag waar de verantwoordelijkheid ligt en
eventuele aansprakelijkheid is niet een zaak die zich leent voor beoordeling
door de commissie".
De directie is verantwoordelijk
voor gedragingen van werknemers van de instelling, zoals wettelijke geregeld.
Hetzelfde geldt voor aansprakelijkheid van de instelling voor haar werknemers.
De bevoegdheid van de Interne
Klachtencommissie uitspraken te doen over de gegrondheid van klachten
betreffende gedragingen strekt zich niet uit tot het doen van uitspraken over de
verantwoordelijkheid van de instelling. Geklaagd kan slechts worden over een
gedraging in de zin van de artikel 46 lid b van de Wet op de Jeugdhulpverlening.
Ook deze klacht zal ongegrond worden verklaard.
Reactie van de directie op de
uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie
De Stichting heeft schriftelijk
meegedeeld dat zij geen behoefte hebben om nader op de uitspraak van de
Provinciale Klachtencommissie te reageren.
OVERIGE KLACHTEN
Eén klacht ingekomen in 2001,
wordt behandeld in het jaar 2002 en wordt opgenomen in het jaarverslag van het
jaar 2002.
Cijfermatig overzicht klachten
2001
|
Klacht-
nummer
|
Klacht-
onderdelen
|
niet
ontvankelijk
|
ontvankelijk
|
gegrond
|
niet
gegrond
|
Aange-
houden
|
|
1
|
2
|
|
2
|
2
|
|
|
|
2
|
3
|
1
|
2
|
2
|
|
|
|
3
|
3
|
|
3
|
2
|
1
|
|
|
4
|
1
|
|
1
|
1
|
|
|
|
5
|
1
|
1
|
|
|
|
|
|
6
|
5
|
|
5
|
1
|
4
|
|
|
7
|
1
|
1
|
|
|
|
|
|
8
|
1
|
|
1
|
|
|
1
|
|
9
|
1
|
|
1
|
|
|
1
|
|
10
|
1
|
|
1
|
1
|
|
|
|
11
|
2
|
|
2
|
|
2
|
|
|
totaal
|
21
|
3
|
18
|
9
|
7
|
2
|
|
Tegen welke instelling
is geklaagd?
|
|
Instelling
|
Aantal
|
Klachtnummer
|
|
Leger des Heils Ambulante
Jeugdbescherming en
Jeugdhulpverlening (AJL)
van het Leger des Heils
|
4
|
1, 4, 6 en 8
|
|
Stichting Jeugdzorg
Rotterdam Zuid-Holland Zuid
|
2
|
3 en 5
|
|
Stichting Jeugdbescherming
Dordrecht
|
1
|
2
|
|
Stichting Jeugd en Gezin
te Dordrecht
|
1
|
7
|
|
Jeugdhuis Vliet en Burgh
in Voorburg
|
1
|
9
|
|
Cardea jeugdhulpverlening
Leiden
|
1
|
10
|
|
Stichting Horizon
Rotterdam
|
1
|
11
|
Overzicht klachten
1998-1999-2000-2001
|
|
1998
|
1999
|
2000
|
2001
|
|
klachten
|
18
|
16
|
42
|
11
|
|
klachtonderdelen
|
30
|
35
|
300*
|
21
|
|
niet ontvankelijk
|
11
|
19
|
232
|
3
|
|
ontvankelijk
|
19
|
16
|
68
|
18
|
|
gegrond
|
14
|
12
|
34
|
9
|
|
niet gegrond
|
5
|
4
|
19
|
7
|
|
aangehouden
|
0
|
0
|
15
|
2
|
*Het grote aantal zeer
gedetailleerde klachtonderdelen in het jaar 2000 is veroorzaakt door de heer J.
Hop (Ermelo) die als gemachtigde optrad namens een aantal klagers. Inmiddels
heeft de heer Hop zijn activiteiten, voor zover bekend bij de Provinciale
Klachtencommissie, beëindigd.
Vergaderingen
Gedurende het jaar 2001 is de
Provinciale Klachtencommissie tweemaal bijeen geweest voor een vergadering.
Besproken werd onder meer:
-
de stand van zaken met
betrekking tot het inzagerecht in het contactjournaal
-
het wetsontwerp van de Wet op
de Jeugdzorg
-
hoofdstuk klachtrecht
-
de publicatie van uitspraken
van de Provinciale Klachtencommissie
-
werkgroep landelijke
Provinciale Klachtencommissies
-
gesprek met de Inspectie
Jeugdhulpverlening
-
de mogelijkheden om te komen
tot een volledig beroep bij de Provinciale Klachtencommissies en het beleid
ten aanzien van instellingen die niet of negatief reageren op uitspraken van
de Commissie.
Landelijke ontwikkelingen
Op 12 oktober 2001 werd door het
IPO (Interprovinciaal Overleg) een informatiedag voor Provinciale
Klachtencommissies georganiseerd. Naast vertegenwoordigers van alle Provinciale
Klachtencommissies waren ook het IPO, het ministerie van VWS en Research voor
Beleid vertegenwoordigd. De Provinciale Klachtencommissie Zuid-Holland,
Stadsregio Rotterdam en Stadsgewest Haaglanden was met drie leden en de
secretaris vertegenwoordigd.
De belangrijkste aanbevelingen van
de deelnemers aan de bijeenkomst waren:
-
Reikwijdte van de werkwijze
van de Provinciale Klachtencommissie: pleidooi voor nader uitwerken
mogelijkheden van inhoudelijke toetsing, door oprekken van het huidige
mandaat of wijziging van de wet en verordeningen.
-
Aanbevelingen (adviezen) van
de Provinciale Klachtencommissie zouden bij voorkeur vervangen moeten worden
door een bindend advies. Aan een in te stellen werkgroep wordt gevraagd de
mogelijkheden uit te werken.
-
In het jaarverslag van de
Provinciale Klachtencommissie moeten de instellingen waarover geklaagd is
met naam worden genoemd. Dit jaarverslag moet in apart overleg worden
besproken met de provincie en zonodig met de Inspectie.
-
Nader uitwerken van termijnen
van de Interne Klachtencommissie (Vedivo-formule) en uitbreiding van deze
commissie met onafhankelijke leden. Instellen van een periodiek
secretarissenoverleg Provinciale Klachtencommissies.
-
Nader overleg over aanleggen
van een databank jurisprudentie via bijvoorbeeld een website.
Het secretarissenoverleg neemt
hiertoe het initiatief.
Landelijke werkgroep Provinciale
Klachtencommissies
Een van de leden van de
Provinciale Klachtencommissie en de secretaris maakten deel uit van
bovengenoemde werkgroep. Deze werkgroep kwam op 13 november 2001 bijeen. Er
werden werkafspraken gemaakt over de volgende onderwerpen:
-
in afwachting van een website
worden geanonimiseerde uitspraken van de Provinciale Klachtencommissies door
de secretarissen per e-mail uitgewisseld
-
de provinciale
modelverordening zal kritisch worden bekeken
-
er zal een voorstel worden
opgesteld waarmee een gehele nieuwe inhoudelijke behandeling door een
Provinciale Klachtencommissie mogelijk moet worden
-
de verhouding tussen de Wet op
de Jeugdhulpverlening (Wet op de Jeugdzorg) en de Algemene Bestuurswet zal
nader worden bestudeerd
-
adviezen van een Provinciale
Klachtencommissie bindend maken is een stap te ver.
Sancties ontbreken hiervoor.
Voorgesteld wordt:
- de instelling die in gebreke
blijft te rappelleren
- uitspraken en aanbevelingen
met naam van instelling te publiceren in het jaar verslag en dit te bespreken
met de subsidiegever
- minimaal 1x per jaar een
gesprek van de Provinciale Klachtencommissie met de subsidiegever, wat
opgenomen moet worden in de provinciale verordening
-
als een klacht betrekking
heeft op de inhoud van de behandeling is een spoedprocedure gewenst
-
er wordt een ruime definitie
van het begrip pleegouder gewenst in verband met de ontvankelijkheid als
klager in de nieuwe wet op de Jeugdzorg
-
secretarissen van de
Provinciale Klachtencommissies zullen zelf periodiek een vergadering
organiseren waarin ze ervaringen kunnen uitwisselen en eventueel een
databank met jurisprudentie kunnen opzetten. Het IPO stelt een locatie
beschikbaar.
Nationale Ombudsman
In 2001 werd door een klager voor
het eerst een beroep gedaan op de Nationale Ombudsman.
Een instelling belast met onder
toezichtstelling van een jeugdige wordt aangemerkt als bestuursorgaan en valt
derhalve onder de reikwijdte van de Algemene Wet Bestuursrecht. Op grond hiervan
heeft een klager een procedure aangespannen bij de Nationale Ombudsman omdat de
instelling weigerde haar klachtenreglement te wijzigen, terwijl de Provinciale
Klachtencommissie had vastgesteld dat het reglement strijdig was met de Wet op
de Jeugdhulpverlening.
Gezien het feit dat het voor het
eerst is dat de Nationale Ombudsman gevraagd is zijn oordeel te geven over een
klacht die in een eerder stadium door de Provinciale Klachtencommissie is
behandeld volgt hieronder een samenvatting van de uitspraak van de Nationale
Ombudsman.
Bevindingen en beoordeling
A. Bevindingen
Bij brief van 9 februari 2000
diende verzoekers gemachtigde, namens verzoeker, bij de Klachtencommissie van de
Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en
Jeugdhulpverlening (hierna ook: AJL) een klacht in over de wijze waarop AJL
uitvoering gaf aan de ten behoeve van zijn dochter getroffen omgangsregeling
(zie achtergrond, onder 1). Op 16 februari 2000 verklaarde de Klachtencommissie
verzoeker niet-ontvankelijk in zijn klacht, onder meer omdat verzoeker voordat
hij zijn klacht indiende, geen bemiddelingsgesprek had gevoerd met de betrokken
teamleider en verzoeker, naar de mening van de Klachtencommissie, onvoldoende
had aangegeven waarom dit in redelijkheid niet van hem kon worden verlangd. De
Klachtencommissie verwees daarbij naar het Klachtenreglement AJL waarin werd
bepaald dat een klacht slechts kon worden ingediend nadat een
bemiddelingsgesprek had plaatsgevonden (zie achtergrond, onder 2).
2. Over voornoemde beslissing van
de Klachtencommissie diende verzoekers gemachtigde, namens verzoeker, bij brief
van 22 februari 2000 een klacht in bij de Interprovinciale Klachtencommissie
Jeugdzorg te Zwolle die de klacht, gelet op de vestigingsplaats van AJL, op 20
maart 2000 ter afhandeling overdroeg aan de Provinciale Klachtencommissie
Jeugdhulpverlening Haaglanden, Rotterdam en Zuid-Holland (zie achtergrond, onder
1). Bij beslissing van 14 april 2000 verklaarde de Provinciale Klachtencommissie
de klacht gegrond. Daarbij werd overwogen dat de bepaling in het
Klachtenreglement AJL dat eerst een bemiddelingsgesprek diende plaats te vinden
met de teamleider voordat een klacht in behandeling werd genomen, behoudens
bijzondere motivering, in strijd is met de Wet op de Jeugdhulpverlening omdat
het de bedoeling van de wetgever is geweest klagers rechtstreeks toegang te
verlenen tot een Klachtencommissie zonder dat daaraan voorafgaand door de
instelling voorwaarden mogen worden gesteld. AJL werd geadviseerd om haar
reglement in overeenstemming te brengen met de Wet op de Jeugdhulpverlening
zodat bemiddeling niet langer als voorwaarde voor de behandeling van een klacht
geldt.
3. AJL deelde de Provinciale
Klachtencommissie bij brief van 18 mei 2000 mee dat was besloten de aanbeveling
van de Klachtencommissie niet op te volgen. In reactie op de klacht liet het AJL
de Nationale Ombudsman echter weten dat het klachtenreglement met ingang van 1
november 2000 was gewijzigd conform het advies van de Provinciale
Klachtencommissie. AJL wees daarbij op artikel 6 van het gewijzigde
klachtenreglement en de toelichting op dit artikel (zie achtergrond, onder 3).
B. Beoordeling
1. De Nationale ombudsman
onderschrijft het advies van de Provinciale Klachtencommissie
Jeugdhulpverlening. Daarbij is van belang dat de wetgever ervoor heeft gekozen
in de Wet op de Jeugdhulpverlening een klachtenregeling op te nemen waarbij,
alvorens de klacht wordt voorgelegd aan een - externe - Klachtencommissie de
klacht eerst dient te worden voorgelegd aan een door de instelling zelf
getroffen voorziening voor de behandeling van klachten.
Het moet dan ook in strijd met de
bedoeling van de wetgever worden geacht dat aan de toegang tot het klachtrecht
ook nog de voorwaarde wordt verbonden dat een bemiddelingsprocedure wordt
doorlopen.
2. Niettegenstaande het feit dat
in de toelichting op artikel 6 van het gewijzigd klachtenreglement wordt gesteld
dat in november 2000 het klachtenreglement in die zin is gewijzigd dat de
bemiddelingsprocedure niet meer een eis is voor ontvankelijkheid van de klacht,
moet toch worden geconcludeerd dat de wijziging van het klachtenreglement in
november 2000 onvoldoende recht doet aan het advies van de Provinciale
Klachtencommissie Jeugdhulpverlening. Door het in artikel 6, vierde lid,
bepaalde dat, indien er nog geen bemiddelingsgesprek heeft plaatsgevonden, de
Klachtencommissie de klager eerst zal verwijzen naar de bemiddelingsprocedure én
het in het vijfde lid van dit artikel bepaalde dat, indien klager van mening is
dat niet in redelijkheid van hem kan worden verlangd om de bemiddelingsprocedure
te doorlopen, klager dit bij de Klachtencommissie schriftelijk en gemotiveerd
dient aan te geven, is immers nog steeds geen sprake van een directe toegang tot
de Klachtencommissie zoals door de Provinciale Klachtencommissie
Jeugdhulpverlening is geadviseerd.
3. Hetgeen hiervóór, onder 1. en
2. is overwogen, vormt aanleiding tot het opnemen van een aanbeveling in dit
rapport.
4. De onderzochte gedraging is
niet behoorlijk.
Conclusie
De klacht over de onderzochte
gedraging van de Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante
Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening is gegrond.
Aanbeveling
De Stichting Welzijns- en
Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening wordt in
overweging gegeven om het klachtenreglement alsnog conform het advies van de
Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening in overeenstemming te brengen
met de Wet op de Jeugdhulpverlening.
Provinciale klachtencommissie
jeugdhulpverlening
-
Klachtenregeling
Het klachtrecht is geregeld in
de Wet op de jeugdhulpverlening, en voorziet de jeugdhulpverlening van een
algemeen geldend klachtrecht. Het klachtrecht is bestemd voor jeugdigen en hun
wettelijke vertegenwoordigers die hulp krijgen in een instelling voor
jeugdhulpverlening. De klacht dient betrekking te hebben op een gedraging
jegens één van deze personen.
De klachtenregeling gaat in
eerste instantie uit van een interne klachtenregeling bij de desbetreffende
instelling. Om de objectiviteit van de klachtenbehandeling te waarborgen dient
de interne klachtencommissie te bestaan uit ten minste drie personen, waarbij
de voorzitter niet werkzaam mag zijn binnen de instelling. De interne
klachtencommissie moet jaarlijks een verslag indienen bij de Inspectie
Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming.
Zowel klager als degene waarover
geklaagd is, worden in de gelegenheid gesteld hun klacht schriftelijk en
mondeling toe te lichten. Daarbij kan cliënt zich laten bijgestaan door de
cliëntvertrouwenspersoon. Deze is niet in dienst is van de instelling zelf,
maar bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) dat hiervoor subsidie
ontvangt van de provincie. Dit om de onafhankelijkheid van de cliëntvertrouwenspersoon
te waarborgen.
De beslissing van de interne
klachtencommissie is niet bindend. Wel is de instelling verplicht om binnen
vier weken te reageren op de beslissing, met de mededeling of het oordeel over
de klacht wordt gedeeld en welke maatregelen worden genomen naar aanleiding
hiervan.
Het klachtrecht voor de
jeugdhulpverlening voorziet in een procedure van beroep bij de provinciale
klachtencommissie (PKC). Eenderde van de leden van de PKC wordt aangewezen
door organisaties die de belangen behartigen van de jeugdigen en hun
wettelijke vertegenwoordigers. Dezelfde bevoegdheid is toegekend aan de
gezamenlijk voorzieningen van de jeugdhulpverlening. De voorzitter en de
overige leden worden aangewezen door Gedeputeerde Staten. De PKC moet
jaarlijks een verlag indienen bij de provincie.
Bij de PKC kan beroep worden
ingediend indien een klacht niet is afgehandeld volgens de wettelijke
klachtenregeling. Ook hier laat klager zich vaak bijstaan door de cliëntvertrouwenspersoon.
En ook de uitspraak van de PKC is niet bindend voor de instelling.
-
Jaarverslag 2001 van de
provinciale klachtencommissie (PKC)
De provincie Zuid-Holland heeft
een gezamenlijke klachtencommissie met de stadsregio Rotterdam en het
stadsgewest Haaglanden. Het jaarverslag over 2001 is opgenomen als bijlage.
De PKC heeft in het jaar 2001 in
totaal acht klachten ontvangen, en drie lopende klachten uit 2000 afgehandeld.
Deze klachten worden afzonderlijk besproken in het jaarverslag. Hiervan zijn
vier klachten gericht tegen instellingen voor jeugdhulpverlening die worden
gefinancierd door de provincie Zuid-Holland;