CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Stichting Leger des Heils Welzijns-en Gezondheidszorg

s41208154 Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg, Spoordreef 10, 1315GN Almere (Gezinsvoogdij)
s41208154 Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg, Spoordreef 10,1315GN Almere (Voorziening voor Pleegzorg)

Organisatie. Het Leger des Heils kent dezelfde hiŽrarchische structuur als elk ander leger. Aan het hoofd van de internationale organisatie staat een generaal. De huidige generaal is John Larsson. In Nederland is de leiding momenteel in handen van commisioner Wim van der Harst. De actieve leden van het Leger heten heilssoldaten, en dragen veelal een uniform. De leden zijn georganiseerd in "gevechtseenheden", korpsen genaamd, die meer beogen te zijn dan een kerkelijke "gemeente", namelijk in de eerste plaats een post van het Leger des Heils, opgericht ter verbreiding van het Evangelie. Verantwoordelijk voor het korps is de bevelvoerend officier.

 

 

 

1. Voorkeur Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg gaat uit naar een gesubsidieerde belangenbehartiger van Stichting X omdat Hop niet geschikt is "wegens procedureel klagen" namens klagende (groot)ouders

2. Nationale Ombudsman! Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg handelt in strijd met de bedoeling van de wetgever dat aan de toegang tot het klachtrecht ook nog de voorwaarde wordt verbonden dat een bemiddelingsprocedure wordt doorlopen

3. Voor u ligt het jaarverslag over 2001. In het afgelopen jaar was het opvallend dat de Provinciale Klachtencommissie aanzienlijk minder klachten binnen heeft gekregen dan in 2000. Naar de oorzaak kan slechts geraden worden. Mogelijk speelt een rol dat een gemachtigde die klagers bijstond en die daarbij herhaaldelijk een zeer groot aantal klachten indiende, met zijn werkzaamheden lijkt te zijn gestopt

 

 

 

1. Voorkeur Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg gaat uit naar een gesubsidieerde belangenbehartiger van Stichting X omdat Hop niet geschikt is "wegens procedureel klagen" namens klagende (groot)ouders

De Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg (AJL Leusden) wilden liever niet met Hop werken als belangenbehartiger wegens "procedureel klagen".

Hop constateerde dat het klachtreglement en de klachtprocedure van de gezinsvoogdij-instelling Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg en/of Ambulante Jeugdhulpverlening te Leusden in strijd met de wet op de jeugdhulpverlening waren? De voorzitter van de klachtencommissie was een (kinder)rechter van de rechtbank Utrecht.

 

Citaten uit een brief die de interne klachtencommissie (met als voorzitter een kinderrechter) Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg aan een klagende ouder stuurde die procedeerde met Hop als belangenbehartiger:

De klachtencommissie wil u aangaande de klachtenprocedure voorts het volgende onder de aandacht brengen.

De AJL heeft er methodisch voor gekozen om, indien mogelijk, onvrede over bejegening en uitvoering zo dicht mogelijk bij de bron op te lossen. Deze methodiek is uiteengezet is het Supplement bij het Klachtreglement (zie bijlage). Indien u geen gebruik wenst te maken van een bemiddelingsgesprek (217) conform artikel 4 lid 1 van het klachtenreglement van de AJL, en een beroep wenst te doen op de uitzondering zoals geformuleerd in artikel 4 lid 3, verzoeken wij u dit schriftelijk en gemotiveerd aan ons kenbaar te maken. U dient dan tevens een klacht in te dienen die aan de formele regels van het klachtenreglement voldoet.

De klachtencommissie erkent dat u vrij bent uw keuze door wie u zich in een klachtenprocedure wenst te laten bijstaan, maar wil u er op wijzen dat de heer Hop zich in klachtenprocedures met name concentreert op de inhoudelijke, concentreert op de procedurele aspecten van het werk van de gezinsvoogdij-instelling. Uw  inhoudelijke, concrete klachten zijn nauwelijks gemotiveerd en onderbouwd. De klachtencommissie geeft u daarom in overweging om zich te laten bijstaan door een professioneel klachtenondersteuningsbureau zoals Stichting X, telefoon X. De medewerkers van de Stichting X zijn onafhankelijk en professioneel en kunnen u kosteloos bijstaan in een klachtenprocedure waarin de belangen van u en uw kinderen centraal staan.

De klachtencommissie hoopt u hiermee voldoende geÔnformeerd te hebben.

Hoogachtend,

Mevrouw mr. T.A. van Kranenburg

Ambtelijk secretaris klachtencommissie AJL Stichting Leger des Heils Welzijn- en Gezondheidszorg.

 

 

 

2. Nationale Ombudsman! Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg handelt in strijd met de bedoeling van de wetgever dat aan de toegang tot het klachtrecht ook nog de voorwaarde wordt verbonden dat een bemiddelingsprocedure wordt doorlopen 

 

Gezinsvoogdij-instellingen
In het verslagjaar werd ťťn klacht over een gezinsvoogdij-instelling na onderzoek afgehandeld, en wel door middel van rapport 2001/298. Het ging in deze zaak om een klacht over de Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening te Leusden. Volgens verzoeker had de stichting het advies van de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening Haaglanden, Rotterdam en Zuid-Holland tot aanpassing van haar klachtenreglement ten onrechte niet overgenomen. De door de provinciale klachtencommissie voorgestelde wijziging van het klachtenreglement strekte ertoe de bepaling dat eerst een bemiddelingsgesprek dient plaats te vinden voordat een klacht door de stichting in behandeling wordt genomen, te laten vervallen. Na een aanvankelijke weigering de aanbeveling van de provinciale klachtencommissie op te volgen, had de stichting in tweede instantie alsnog besloten tot aanpassing van haar reglement.

De Nationale ombudsman overwoog in zijn rapport dat hij het advies van de provinciale klachtencommissie onderschreef. De wetgever heeft er immers voor gekozen in de Wet op de jeugdhulpverlening een klachtenregeling op te nemen waarbij de klacht eerst wordt voorgelegd aan een door de instelling zelf getroffen voorziening voor de behandeling van klachten. Volgens de Nationale ombudsman moet het daarom in strijd met de bedoeling van de wetgever worden geacht dat aan de toegang tot het klachtrecht ook nog de voorwaarde wordt verbonden dat een bemiddelingsprocedure wordt doorlopen.

De Nationale ombudsman concludeerde dat de wijziging van het klachtenreglement onvoldoende recht deed aan het advies van de provinciale klachtencommissie, aangezien met de gewijzigde bepaling nog steeds geen directe toegang tot de interne klachtencommissie werd gegeven. De Nationale ombudsman verklaarde de klacht gegrond en deed de stichting de aanbeveling om haar klachtenreglement alsnog conform het advies van de provinciale klachtencommissie in overeenstemming te brengen met de Wet op de jeugdhulpverlening.

Door middel van een nieuwe wijziging van haar klachtenreglement volgde de stichting deze aanbeveling op.

Op het terrein van de jeugdhulpverlening verrichtte de Nationale ombudsman voorts een onderzoek met gebruikmaking van zijn bevoegdheid onderzoek uit eigen beweging te doen (artikel 15 WNo). Dit onderzoek betrof een gedraging van de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming Zeeland en werd afgesloten met rapport 2001/313. Omdat de provinciale klachtencommissie een bestuursorgaan van de provincie is, wordt deze zaak behandeld in hoofdstuk 23.

 

 

 

3. Voor u ligt het jaarverslag over 2001. In het afgelopen jaar was het opvallend dat de Provinciale Klachtencommissie aanzienlijk minder klachten binnen heeft gekregen dan in 2000. Naar de oorzaak kan slechts geraden worden. Mogelijk speelt een rol dat een gemachtigde die klagers bijstond en die daarbij herhaaldelijk een zeer groot aantal klachten indiende, met zijn werkzaamheden lijkt te zijn gestopt

 

Toelichting Hop! Zinloos klagen bij deze Provinciale Klachtencommissie Zuid-Holland die een enorme voorkeur heeft voor gesubsidieerde klachtondersteuners is een reden die natuurlijk niet in hun jaarverslag wordt opgenomen naast de hetze van de gezinsvoogdij tegen Hop. Op deze manier worden burgers zowel door de gezinsvoogdij als door de provincie in de maling genomen en is het ook noodzakelijk om de jeugdzorg bij de provincies weg te halen en onder te brengen bij gemeentes om een grote schoonmaak en doorzichtig en controleerbaar werken in de jeugdzorg door te voeren zodat het gewone volk veel MINDER BELASTING hoeft te betalen.

 

Inhoudsopgave

 

 

Inleiding 1

Algemeen 2

Samenstelling 2

Secretariaat 2

Financien 3

Werkwijze 3

Beschrijving van de behandelde klachten 5

Overige klachten 18

Cijfermatig overzicht klachten 2001 19

Overzicht klachten 1998-1999-2000-2001 20

Vergaderingen 21

Landelijke ontwikkelingen 21

Landelijke werkgroep Provinciale Klachtencommissies 22

Nationale Ombudsman 22

 

Inleiding

 

Voor u ligt het jaarverslag over 2001. In het afgelopen jaar was het opvallend dat de Provinciale Klachtencommissie aanzienlijk minder klachten binnen heeft gekregen dan in 2000.

Naar de oorzaak kan slechts geraden worden. Mogelijk speelt een rol dat een gemachtigde die klagers bijstond en die daarbij herhaaldelijk een zeer groot aantal klachten indiende, met zijn werkzaamheden lijkt te zijn gestopt. Mogelijk ook wordt door de instellingen en door de Interne Klachtencommissies meer aandacht aan klachten besteed, zodat klachten eerder worden afgedaan. Mogelijk ook is dat potentiŽle klagers inmiddels hebben gehoord dat ook gegrond verklaarde klachten niet tot een wezenlijke verandering in hun situatie leiden. Onderzoek naar de oorzaak van het afnemend aantal klachten is niet gedaan en het blijft dus gissen naar aanleiding van gesprekken met andere betrokkenen bij de klachtenprocedure. Uit de cijfers blijkt verder dat het percentage gegrond verklaarde klachten enigszins is toegenomen.

Dit jaar hebben een aantal activiteiten plaats gevonden die ertoe moeten bijdragen dat landelijk de verschillende Provinciale Klachtencommissies hun aanpak zoveel mogelijk op elkaar afstemmen. De Wet geeft ruimte om de klachtenregeling op verschillende wijze te interpreteren, dat mag echter niet leiden tot te grote verschillen. Secretarissen maakten afspraken om elkaar uitspraken toe te sturen.

Een punt dat aandacht blijft vragen is de vrijblijvendheid van de procedure. Wanneer de directeur het niet eens is met de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie of een aanbeveling naast zich neerlegt, staan klager en de Provinciale Klachtencommissie daar machteloos tegenover.

In het ontwerp van de Wet op de Jeugdzorg was de bestaande klachtenregeling overgenomen.

Wellicht dat daarin toch nog wijzigingen worden aangebracht. De uitvoering zal voorlopig in ontwikkeling blijven, maar het zou goed zijn wanneer in die nieuwe Wet rekening zou kunnen worden gehouden met de inmiddels opgedane ervaringen. Met name met de onduidelijkheid bij klagers over de gronden waarop beroep kan worden ingesteld bij de Provinciale Klachtencommissie en het feit dat aan de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie nauwelijks enig gevolg gegeven hoeft te worden.

Al met al was ook dit weer een jaar waarin enige knelpunten binnen de Jeugdhulpverlening om aandacht vroegen. Wij hopen dat u door middel van dit jaarverslag een indruk kunt krijgen van wat er heeft gespeeld.

 

mr drs L.A. van Son, voorzitter

 

 

 

Algemeen

Er werden door de Provinciale Klachtencommissie in het jaar 2001 acht nieuwe klachten ontvangen, terwijl ook drie klachten die in het jaar 2000 binnenkwamen werden behandeld.

De Provinciale Klachtencommissie hield zes hoorzittingen waarbij 11 klachten en 21 klachtonderdelen werden behandeld.

Het secretariaat werd ongeveer negentig keer benaderd met vragen en opmerkingen van klagers, instellingen voor Jeugdhulpverlening, adviesinstellingen en andere Provinciale Klachtencommissies.

De Provinciale Klachtencommissie kwam tweemaal in vergadering bijeen.

Klagers werden bijgestaan door het Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening.

Samenstelling

De samenstelling van de Provinciale Klachtencommissie is als volgt:

  • mevrouw mr drs L.A. van Son, voorzitter

  • mevrouw mr R. Daalman, plaatsvervangend voorzitter

  • de heer mr O. Luske, lid op voordracht van de instellingen voor Jeugdhulpverlening

  • mevrouw mr E.F.A. Linssen-van Rossum, plaatsvervangend lid op voordracht van de instellingen voor Jeugdhulpverlening

  • de heer mr H. Dijkgraaf, lid op voordracht van de cliŽntenorganisaties

  • mevrouw mr F. de Kruijk-Postma, plaatsvervangend lid op voordracht van de cliŽntenorganisaties

Het secretariaat van de Provinciale Klachtencommissie is uitbesteed aan de Stichting PJ PARTNERS te Rotterdam en wordt uitgevoerd door de heer mr J.H.G. Corver, secretaris, en mevrouw N. Sagdic, secretariaatsmedewerker.

 

Secretariaat

De werkzaamheden van de secretaris bestaan uit:

  • ontvangen en registreren van de klachten

  • beoordelen van de ontvankelijkheid van de ingediende klachten in overleg met de voorzitter

  • het zenden van een afschrift van de klacht naar de betrokken instelling, ook indien de klacht niet ontvankelijk voor behandeling is bevonden

  • op de hoogte stellen van betrokkenen

  • doorzenden stukken naar wederpartij

  • voorbereiden van de klachtbehandeling door de Provinciale Klachtencommissie

  • hanteren en bewaken van de procedures volgens de Wet op de Jeugdhulpverlening en de verordening van de overheden

  • opstellen van een zittingrooster voor de commissieleden

  • organiseren van de hoorzittingen en andere vergaderingen van de Provinciale Klachtencommissie

  • verslagleggen van de hoorzittingen en vergaderingen

  • opstellen van het conceptoordeel van de Provinciale Klachtencommissie

  • dossiervorming en beheer

  • verzamelen van jurisprudentie klachtrecht Jeugdhulpverlening

  • toezien op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen conform het privacyreglement van de Provinciale Klachtencommissie

  • opstellen van het jaarverslag

  • verstrekken van informatie aan klagers, instellingen voor jeugdhulpverlening en overigen

  • klagers informeren over de mogelijkheden zich te laten bijstaan door medewerkers van het Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening, een gemachtigde, deskundige of advocaat

  • informeren van de commissieleden over ontwikkelingen op het gebied van het klachtrecht in de Jeugdhulpverlening

  • leggen van contacten met andere Provinciale Klachtencommissies voor het uitwisselen van ervaringen en de ontwikkeling van jurisprudentie.

 

FinanciŽn

In 2001 werden in totaal 303 uur door de secretaris besteed aan werkzaamheden voor de Provinciale Klachtencommissie. De totale kosten bedroegen ca. € 26.000,-. De kosten worden gezamenlijk gedragen door de Provincie Zuid-Holland, Stadsgewest Haaglanden en Stadsregio Rotterdam.

 

Werkwijze

De Provinciale Klachtencommissie werkt volgens de bepalingen van de Verordening Klachtencommissie Jeugdhulpverlening van de Provincie Zuid-Holland, het Stadsgewest Haaglanden en de Stadsregio Rotterdam alsmede door het Reglement inzake Privacybescherming en gegevensverzameling van de Provinciale Klachtencommissie. Inhoudelijk laat de Provinciale Klachtencommissie zich onder meer leiden door de Wet op de Jeugdhulpverlening, Besluit kwaliteitsregels Jeugdhulpverlening, Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en het Burgerlijk Wetboek.

Klachten gericht aan de Provinciale Klachtencommissie worden ingeschreven bij het secretariaat.

Klagers ontvangen binnen een week een ontvangstbevestiging. De betrokken uitvoerder of de voogdij- instelling krijgt bericht van een ontvangen klacht en een afschrift van de klacht.

Vervolgens beoordeelt de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter, op voordracht van de secretaris, de ontvankelijkheid van de klacht. Indien de klacht kennelijk niet ontvankelijk is gebleken wordt dit de klager direct meegedeeld. Ook de uitvoerder of voogdij-instelling krijgt hiervan bericht.

Indien de klacht als ontvankelijk voor behandeling door de Provinciale Klachtencommissie is beoordeeld, wordt partijen verzocht relevante stukken in te zenden.

 

Het secretariaat draagt er zorg voor dat alle stukken bekend zijn bij zowel de klager als de beklaagde.

De instelling wordt bovendien gevraagd de interne klachtenregeling, het privacyreglement en uitspraak van de Interne Klachtencommissie toe te zenden.

De Provinciale Klachtencommissie bestaat per zitting uit drie commissieleden, maar altijd in een zodanige samenstelling dat de voorzitter of vice-voorzitter, een lid voorgedragen door de instellingen en een lid voorgedragen door de cliŽntenorganisaties aanwezig zijn.

Per jaar wordt een vergaderschema opgesteld met als uitgangspunt dat er een zitting op de eerste maandag van de maand plaats vindt. Door omstandigheden kan het voorkomen dat van het schema wordt afgeweken en/of dat extra zittingen worden ingelast. Op een gemotiveerd verzoek van klager kan de voorzitter beslissen dat een klacht versneld behandeld kan worden.

Vervolgens worden datum en plaats van de zitting vastgesteld en aan partijen medegedeeld. De zitting wordt gehouden op een neutrale plaats, meestal in Rotterdam. Tijdens de zitting worden partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten mondeling toe te lichten en vragen van commissieleden te beantwoorden. In principe worden partijen in elkaars aanwezigheid gehoord.

Klagers kunnen zich laten bijstaan door adviseurs of raadslieden. Als klagers worden bijgestaan door een gemachtigde, advocaat of adviseur, dienen zij ook zelf aanwezig te zijn tijdens de zitting zodat de Provinciale Klachtencommissie ook de eigen visie van de klager over de klacht kan horen, naast die van de bijstandverlener. Na afloop van de zitting beraadslaagt de Provinciale Klachtencommissie over de gegrondheid van de klacht en over eventueel uit te brengen adviezen.

Binnen zes weken na ontvangst van de klacht dient de Provinciale Klachtencommissie haar gemotiveerde oordeel ten aanzien van de gegrondheid van de klacht op te stellen, eventueel voorzien van aanbevelingen voor de uitvoerder of voogdij-instelling en zendt dit aan beide partijen. Deze termijn kan eenmaal met vier weken worden verlengd. De termijn van 6 weken wordt zoveel mogelijk in acht genomen, maar een enkele keer niet gehaald.

De uitvoerder of voogdij-instelling wordt verzocht schriftelijk te reageren op het toegezonden oordeel en de eventuele aanbevelingen. Deze schriftelijke reactie van de instelling wordt na ontvangst door de Provinciale Klachtencommissie doorgezonden aan de klager.

Alle commissieleden ontvangen een kopie van alle uitspraken en reacties van de instellingen daarop. Daardoor hebben zij een overzicht van alle klachten en uitspraken en wordt de uniformiteit van de uitspraken van de Provinciale Klachtencommissie bevorderd en bewaakt. De commissie komt enkele malen per jaar bij elkaar om de eenheid in haar optreden en besluitvorming zoveel mogelijk te waarborgen.

De subsidiŽrende overheden; de Provincie Zuid-Holland, Stadsregio Rotterdam en Stadsgewest Haaglanden ontvangen eveneens een geanonimiseerd afschrift van iedere uitspraak evenals de Inspectie Jeugdhulpverlening Zuid-Holland.

Met andere Provinciale Klachtencommissies worden geanonimiseerde uitspraken uitgewisseld ter bevordering van de rechtseenheid.

 

Beschrijving van de behandelde klachten

Daar waar gesproken wordt van "Stichting" wordt de beklaagde instelling bedoeld.

 

KLACHT 1

Achtergronden

Klager heeft een dochter en twee zonen. Dochter woont bij moeder in het Noorden van Nederland.

Zij heeft daar een gezinsvoogd in dienst van de Stichting. Contacten tussen vader en dochter dienen via de twee gezinsvoogden van de Stichting te lopen.

Beklaagde

Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg, Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL) van het Leger des Heils.

Procedure

Voor de mondelinge behandeling van de klachten heeft de Stichting laten weten niet aanwezig te zullen zijn. Het lijkt de Stichting dat door klager een onevenredig beroep wordt gedaan op het klachtrecht en de inspanning van deze klachtbehandelingen niet meer in een redelijke verhouding staat tot de belangen die in het geding zijn. De Stichting heeft derhalve schriftelijk gereageerd op de klachten.

Klachten en beoordeling

Klager is niet tevreden over de manier waarop de Stichting haar taken als gezinsvoogdij-instelling vervult. Hij heeft daarover klachten ingediend bij de Interne Klachtencommissie van de Stichting en als gevolg daarvan een procedure in kort geding gevoerd bij de president van de arrondissementsrechtbank.

1. De Interne Klachtencommissie heeft onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat het opstellen van pleitnotities (tijdens een kort geding van klager tegen de Stichting) niet valt onder de definitie van een klacht.

Artikel 48 van de Wet op de Jeugdhulpverlening stelt dat uitvoerders en voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen een regeling treffen voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens jeugdigen, waarbij onder gedraging wordt verstaan: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat gevolgen heeft voor een jeugdige, diens ouders enz.

Het klachtenreglement van de Stichting verstaat onder klacht: "iedere uiting van ongenoegen van of namens een belanghebbende over (het nalaten van) een beslissing door of namens de Stichting, dan wel over de wijze van werken, voor zover (het nalaten van) deze beslissing of deze wijze van werken zich tot belanghebbende persoonlijk richt of waarbij deze anderszins in zijn belangen wordt getroffen".

 

 

 

De Stichting stelt dat een pleitnotitie die bedoeld is voor een juridische procedure zich niet persoonlijk richt tot de belanghebbende en dat belanghebbende niet in zijn belangen wordt getroffen door pleitnotities van de tegenpartij. Klager stelt onder meer dat in een pleitnotitie van de Stichting woorden van zijn dochter zijn aangehaald die nooit door zijn dochter uitgesproken zijn en in een andere pleitnotitie heeft de Stichting klachten ondersteuningsbureaus woorden in de mond gelegd die deze bureaus niet hebben uitgesproken.

Door deze informatie is mogelijk de uitspraak van de rechter beÔnvloed.

De Provinciale Klachtencommissie is van oordeel dat niet zonder meer gezegd kan worden dat een cliŽnt van de Stichting niet in zijn belangen geschaad kan worden door de inhoud van een pleitnotitie. CliŽnt en hulpverlener zijn ongelijkwaardig aan elkaar, onder meer in die zin dat het kan voorkomen dat een hulpverleningsinstantie over feitenmateriaal beschikt dat door de ouder of cliŽnt niet of zeer lastig te controleren is. Wanneer de rechter onjuist wordt voorgelicht, waarbij feiten worden gememoreerd die voor de cliŽnt niet te weerleggen zijn en deze feiten zouden onjuist zijn, is het mogelijk dat een cliŽnt rechtstreeks in zijn belangen wordt geschaad. De mogelijkheid dat een belanghebbende door die werkwijze in zijn belangen wordt getroffen brengt mee dat een klacht daarover ontvankelijk is. De Interne Klachtencommissie mocht de klacht derhalve niet zonder nadere motivering niet ontvankelijk verklaren.

De klacht is gegrond.

2. De Interne Klachtencommissie heeft onvoldoende beargumenteerd waarom zij niet kan oordelen over de wijze waarop de gezinsvoogden het vonnis van de rechtbank inzake de bezoekregeling hebben geÔnterpreteerd.

Met betrekking tot klacht 2 stelt klager dat hij geklaagd heeft over de wijze waarop de gezinsvoogden de bezoekregeling hebben uitgevoerd. De Stichting meent dat de Interne Klachtencommissie niet anders kon dan klager doorverwijzen naar zijn advocaat en de teamleider van de Stichting, die voldoende inzicht hadden in de gerechtelijke uitspraken en de complexiteit van de situatie.

De Provinciale Klachtencommissie kan de Stichting in deze redenering niet volgen. Klager wilde dat een door de rechter genomen beslissing werd uitgevoerd. Het uitvoeren van een beslissing betreft gedragingen jegens betrokkenen, die vallen onder de klachtdefinitie. Ook deze klacht zal gegrond worden verklaard.

De Provinciale Klachtencommissie begrijpt de klacht aldus dat klager klaagt over het feit dat de door de rechter opgelegde omgangsregeling niet wordt uitgevoerd. Niet valt in te zien waarom de uitvoering van een regeling niet door een Klachtencommissie beoordeeld kan worden. Wanneer de Stichting meent dat het vonnis zo is verwoord dat het interpretatie behoeft, dient zij nader aan te geven welke ruimte voor interpretatie zij ziet en wat haar interpretatie is, zodat klager zijn mening daarover kenbaar kan maken.

De klacht is derhalve gegrond.

 

 

 

Reactie van de directie op de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie

De Stichting onderschrijft de mogelijkheid dat in een bepaalde situatie de inhoud van een pleitnotitie de belangen van een cliŽnt kan schaden. Echter in de onderhavige situatie, meent de Stichting, betreft het een kort geding dat is geÔnitieerd door klager en zijn advocaat.

In een dergelijke situatie gaat het om twee advocaten die in de procesgang de mogelijkheid hebben te reageren op de inhoud van een pleitnotitie, terwijl ook de klager op de zitting aanwezig was.

De Stichting deelt daarom niet het oordeel van de Provinciale Klachtencommissie in deze situatie.

Ten aanzien van de tweede klacht meent de Stichting dat de Interne Klachtencommissie op zich een klacht over het niet uitvoeren van een omgangsregeling kan beoordelen. In deze specifieke situatie wist de Interne Klachtencommissie dat de klager meerdere procedures had gevoerd, waarin de interpretatie van de omgangsregeling is besproken.

Klager kende het standpunt aangaande de invulling van de omgangsregeling ter uitvoering van de gerechtelijke uitspraak. Behandeling van de klacht voegde daar niets meer aan toe, aldus de Stichting.

Reactie van klager

Klager reageert met verbazing op deze reactie en stelt dat als de Provinciale Klachtencommissie deze reactie accepteert dat het gehele klachtrecht geen zin heeft. Klager meent dat de directeur de Provinciale Klachtencommissie volstrekt niet serieus neemt en vraagt zich af wat de zin van het klagen op deze manier is.

 

KLACHT 2

Achtergronden

Dochter is geplaatst in behandelhuis van de Stichting.

Beklaagde

Stichting Jeugdbescherming Dordrecht/Stichting Jeugdzorg Rotterdam Zuid-Holland Zuid.

Klachten en beoordeling

Moeder is het eens met de plaatsing maar heeft klachten over de behandeling.

1. Overschrijding van de afhandelingstermijn door de Interne Klachtencommissie van de Stichting.

De Wet op de Jeugdhulpverlening bepaalt in artikel 48 dat de klachtenregeling waarborgt dat klager binnen zes weken in kennis wordt gesteld van het oordeel van de Interne Klachtencommissie.

Deze termijn is overschreden. Aan klaagster is geen met redenen omklede mededeling gedaan over die afwijking onder vermelding van de termijn waarbinnen de klacht zou worden afgedaan, zoals artikel 48 lid 2 onder d van de Wet op de Jeugdhulpverlening voorschrijft. De klacht is gegrond.

 

 

2. Weigering afgifte contactjournaal gezinsvoogd.

De klacht betreft het niet ontvankelijk verklaren van de klacht ten aanzien van het niet verstrekken van inzage in het complete contactjournaal gezinsvoogd. Klaagster stelt dat de Interne Klachtencommissie bij een zorgvuldige behandeling het contactjournaal had moeten opvragen. De instelling stelt dat het contactjournaal persoonlijke werkaantekeningen betreft. Deze aantekeningen worden alleen aan de teamleider en de directie ter inzage gegeven en gebruikt voor het opstellen van een voortgangsrapportage.

Artikel 43 lid 3 van de Wet op de Jeugdhulpverlening bepaalt dat de wettelijk vertegenwoordiger, indien de jeugdige de leeftijd van 16 nog niet heeft bereikt, inzage in en afschrift van bescheiden heeft.

Niet gebleken is van een grond, waarop klaagster - zij heeft het gezag over haar onder toezichtgestelde dochter - geen inzage toekomt in het dossier.

Nu het contactjournaal niet anders gezien kan worden dan als een schriftelijk stuk dat de Stichting met betrekking tot de jeugdige onder zich heeft, bestaat op grond van artikel 43 lid 3 van de Wet op de Jeugdhulpverlening in beginsel recht op inzage van dit stuk door klaagster. Het feit, dat de Stichting aan het contactjournaal blijkbaar een aparte status geeft als een niet tot het (officiŽle)dossier behorend stuk, is op zich geen grond voor weigering. De Stichting kan wťl inzage in bepaalde bescheiden (gedeeltelijk) weigeren op basis van artikel 44 lid 3 van de Wet op de Jeugdhulpverlening; namelijk in het geval de persoonlijke levenssfeer van een ander (dan de jeugdige) daardoor wordt geschaad. Op deze situatie heeft de Stichting haar bezwaren tegen inzage van het contactjournaal door klaagster echter niet gegrond; klaagsters verzoek is zonder nadere motivering afgewezen. De klacht is gegrond.

3. Gebrekkige visie van de Stichting.

Klaagster beklaagt zich dat de Interne Klachtencommissie geen uitspraak doet over de gebrekkige visie van de Stichting. Bij de behandeling heeft zij toegelicht dat zij daarmee bedoelt dat de Stichting is afgeweken van een door het PAR gegeven advies, zonder die beslissing tegenover haar te motiveren. Ook is zij onvoldoende op de hoogte gesteld van andere ontwikkelingen met betrekking tot haar dochter. Door de Stichting zijn hulpverleningsplannen, een samenvatting van de zogenaamde kindbespreking, alsmede een verslag van het oudergesprek en een onderzoeksverslag, alsmede een behandelingsplan, toegestuurd aan de Provinciale Klachtencommissie.

In die rapportages die een uitgebreid karakter hebben, wordt onder meer beschreven: de contacten met ouders, het gedrag van de dochter, de school, de gezondheid, vrije tijd en vrienden, contacten van moeder met groepsleiding, de bezoekregeling, bespreking met vader, bespreking met moeder en partner, een uitgebreide beschrijving van de geschiedenis van de dochter, de sociaal emotionele ontwikkeling, de gezinsbeleving, een probleemanalyse, een hulpverleningsplan en de contactfrequentie met het cliŽntsysteem. Klaagster heeft aangegeven dat zij het er niet mee eens is dat door de Stichting is afgeweken van het PAR-advies.

 

De Provinciale Klachtencommissie is van oordeel dat - gelet op het bepaalde van artikel 50 van de Wet op de Jeugdhulpverlening - hierover niet bij haar kan worden geklaagd. Klaagster wordt in haar bezwaar dan ook niet ontvankelijk verklaard. Ten overvloede merkt de Provinciale Klachtencommissie nog het volgende op. Voorzover klaagster erover klaagt dat zij door de Stichting onvoldoende op de hoogte is gesteld van de ontwikkelingen met betrekking tot haar dochter, kan zij niet in haar kritiek op de Stichting worden gevolgd.

De Provinciale Klachtencommissie is - na kennisneming van de hierboven in de tweede alinea genoemde stukken - van mening dat de Stichting daarmee in algemene zin voldoende toelicht welke beslissingen zijn genomen, waarom die zijn genomen, wat haar plannen zijn en hoe deze zijn uitgevoerd. Dat klaagster het met de inhoud van die stukken niet (volledig) eens is, doet daaraan niet af.

Reactie van de directie op de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie

De directeur van de Stichting biedt zijn verontschuldigingen aan over het feit dat aan klaagster geen met redenen omklede mededeling is gedaan over de termijnoverschrijding.

Met betrekking tot weigering afgifte van het contactjournaal stelt de Stichting zich op het standpunt dat het contactjournaal geen onderdeel vormt van het dossier, doch behoort tot de persoonlijke werkaantekeningen van de hulpverlener en derhalve geen inzage kan worden verstrekt.

 

KLACHT 3

Achtergronden

Twee kinderen van klager zijn vier jaar onder de voogdij van de Stichting geweest. Voogdij is daarna aan een andere instelling overgedragen op verzoek van de klager.

Beklaagde

Stichting Jeugdzorg Rotterdam Zuid-Holland Zuid.

Klachten en beoordeling

Klager is bijgestaan door het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg.

Klager heeft op drie punten geklaagd over de reactie van de directeur van de Stichting op het oordeel van de Interne Klachtencommissie van de Stichting, welk oordeel werd gegeven naar aanleiding van klachten die betrekking hadden op de hulpverlening aan de minderjarige kinderen van klager en de wijze, waarop klager bij deze hulpverlening werd betrokken.

1. De directeur reageert onvoldoende op de conclusie van de Interne Klachtencommissie dat er fouten zijn gemaakt ten aanzien van klager.

Klager heeft hierbij aangevoerd dat - hoewel de directeur in zijn reactie de conclusies van de Interne Klachtencommissie overneemt - hij deze reactie ‘mager’ vindt en dat in de reactie excuses zouden moeten worden aangeboden voor de door de Stichting gemaakte fouten.

 

De Provinciale Klachtencommissie verklaart dit onderdeel van de klacht niet gegrond, daar is voldaan aan het voorschrift van artikel 48 lid 5 van de Wet op de Jeugdhulpverlening dat inhoudt, dat de directeur meedeelt of hij het oordeel van de Interne Klachtencommissie over de gegrondheid van de klacht deelt. De vorm waarin dit gebeurt en de toonzetting van de reactie hangt samen met de wijze waarop de Stichting de bejegening van haar cliŽnten vorm geeft en is dus ter beoordeling van de Stichting.

2. De directeur neemt een onvoldoende gemotiveerde ongegrond-verklaring van de Interne Klachtencommissie zonder meer over.

Uit artikel 48, leden 1 en 2 (onder c) van de Wet op de Jeugdhulpverlening volgt o.m. dat de gezinsvoogdij-instelling een regeling treft, die waarborgt dat de Interne Klachtencommissie haar oordeel over de gegrondheid van de klacht met redenen omkleedt. Hieruit blijkt naar het oordeel van de Provinciale Klachtencommissie van een verantwoordelijkheid van de directie van de instelling voor de redengeving, ofwel de motivering van de beslissing door de Interne Klachtencommissie.

In de onderhavige zaak is de beslissing op dit punt door de Interne Klachtencommissie niet alleen onvoldoende gemotiveerd, maar ook volstrekt onduidelijk op schrift gesteld.

Het strookt niet met de hiervoor genoemde verantwoordelijkheid dat de algemeen directeur van de Stichting zonder enige nadere overweging hierover in zijn reactie deze beslissing zegt te delen.

De Provinciale Klachtencommissie vindt klagers klacht op dit onderdeel gegrond.

3. De directeur heeft niet binnen de gestelde termijn van 4 weken gereageerd op het oordeel van de Interne Klachtencommissie.

Artikel 48 lid 5 van de Wet op de Jeugdhulpverlening verplicht de directeur van de instelling binnen vier weken na ontvangst van het oordeel van de Interne Klachtencommissie te reageren. De directeur heeft in deze zaak bij brief van 1 mei gereageerd op het oordeel van 6 maart. Ook dit onderdeel van de klacht is gegrond.

Reactie van de directie op de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie

De Stichting heeft ondanks het verzoek en een daarop volgende aanmaning van de Provinciale Klachtencommissie niet op deze uitspraak gereageerd.

 

KLACHT 4

Achtergronden

Moeder van een pleeggezin neemt op verzoek van instelling minderjarige onder haar hoede. Later wordt minderjarige naar gesloten inrichting overgeplaatst op advies van voogd van de instelling.

Beklaagde

Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg, Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL) van het Leger des Heils.

Klachten en beoordeling

Klaagster heeft geklaagd dat de Stichting gehandeld heeft in strijd met haar klachtenreglement door haar klacht niet te behandelen.

Artikel 12 van het klachtenreglement van de Stichting stelt dat de gehele termijn van de klachtenprocedure niet langer mag zijn dan 6 weken. Indien die termijn niet haalbaar is doet de Klachtencommissie hiervan met redenen omkleed mededeling aan klager, degene over wie is geklaagd en de directie van de Stichting, onder vermelding van de termijn waarbinnen zij haar oordeel over de klacht zal uitbrengen.

De Stichting heeft meegedeeld dat de klacht van klaagster zal worden behandeld door de Interne Klachtencommissie. De Stichting wijdt de oorzaak van de vertraagde behandeling van de klacht aan het uitblijven van de inhoudelijke reactie van de beklaagde, ondanks een rappel en tussentijdse mondelinge aanmaningen via de teamleider.

De Provinciale Klachtencommissie oordeelt dat de Stichting te allen tijde zelf verantwoordelijk is voor een adequate afhandeling van een klacht binnen de in het reglement gestelde termijnen en zich niet kan beroepen op een tekortkoming van een van haar personeelsleden. De klacht is ontvankelijk op basis van artikel 50 b van de Wet op de Jeugdhulpverlening.

Reactie van de directie op de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie

De Stichting deelt het oordeel van de Provinciale Klachtencommissie dat voor de afhandeling van een klacht de in het reglement gestelde termijnen moeten worden gerealiseerd.

De Interne Klachtencommissie heeft de beklaagde de ruimte willen bieden, ondanks het verstrijken van de termijn, een reactie in te dienen. Aan de Interne Klachtencommissie zal worden meegedeeld dat in toekomstige situaties de termijn van de klachtenprocedure in acht te nemen, ook in die situaties dat gedaagden niet tijdig hebben gereageerd.

 

KLACHT 5

Achtergronden

Klagers hebben een pleegdochter en klagen over de ervaringen met betrekking toto de begeleiding van de Stichting.

Beklaagde

Stichting Jeugdzorg Rotterdam Zuid-Holland Zuid.

Klachten en beoordeling

Klagers klagen over de houding van de Stichting. De Provinciale Klachtencommissie adviseert de klagers de klachten eerst te richten tot de Interne Klachtencommissie en eventueel zich te laten bijstaan door het Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening. De klacht is niet ontvankelijk.

 

KLACHT 6

Achtergronden

Moeder van een pleeggezin neemt op verzoek van instelling minderjarige onder haar hoede. Later wordt minderjarige naar gesloten inrichting overgeplaatst op advies van voogd van de instelling.

Beklaagde

Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg, Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL) van het Leger des Heils.

Klachten en beoordeling

Klaagster is bijgestaan door het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg.

Klaagster heeft ťťn klacht ingediend, bestaande uit vijf onderdelen.

De klacht is ontvankelijk op basis van artikel 50 onder a en b van de Wet op de Jeugdhulpverlening.

Ten aanzien van de klachten overweegt de Provinciale Klachtencommissie het volgende.

1. De Klachtencommissie heeft in strijd met artikel 9 van het klachtenreglement van de Stichting gehandeld, door in te stemmen met de aanwezigheid van de advocaat van de gezinsvoogd.

Artikel 9 van het klachtenreglement bepaalt:

  • De klager kan zich laten bijstaan of doen vertegenwoordigen door een door hem/haar aan te wijzen persoon.

  • De leidinggevende van de medewerker over wie is geklaagd zal beslissen wie de betrokken medewerker eventueel zal bijstaan gedurende de procedure en wie de Stichting zal vertegenwoordigen tijden een mondelinge behandeling van de klacht.

De Provinciale Klachtencommissie is van oordeel dat met die klacht een te beperkte uitleg wordt gegeven aan genoemd artikel. Het reglement sluit de aanwezigheid van een advocaat aan de zijde van de beklaagde niet uit. Met het bepaalde in artikel 9 van het reglement wordt uitvoering gegeven aan artikel 48, tweede lid van de Wet op de Jeugdhulpverlening. De in artikel 48 genoemde waarborgen, waaronder de waarborg dat de klager en degene over wie is geklaagd zich bij de behandeling kunnen laten bijstaan, beogen de positie van zowel de klager als de beklaagde in de procedure te versterken.

Met klaagster is de Provinciale Klachtencommissie van oordeel dat het risico bestaat dat bij de behandeling de nadruk erg komt te liggen op juridische aspecten, terwijl van belang is dat de inhoud van de klacht wordt onderzocht. Klaagster had echter zelf de klacht via een advocaat ingediend en het ging om klachten die bij gegrondverklaring verstrekkende gevolgen konden hebben voor de beklaagde. Tegen die achtergrond is de behoefte aan bijstand van een advocaat niet onbegrijpelijk. Hoewel aan klaagster bij brief was meegedeeld dat de gezinsvoogd zich zou laten bijstaan door een advocaat, heeft klaagster er voor gekozen om zonder advocaat te verschijnen. Niet is gebleken dat klaagster door die bijstand in haar belangen is geschaad. De klacht wordt ongegrond verklaard.

2. De Klachtencommissie heeft onvoldoende vorm gegeven aan het vereiste hoor en wederhoor, zoals neergelegd in artikel 8 lid 3 van het klachtenreglement de Stichting.

Klaagster heeft toegelicht dat in de pleitnotitie nieuwe feiten werden aangedragen, waarop zij onvoldoende heeft kunnen reageren. De Provinciale Klachtencommissie is van oordeel dat de zitting bedoeld is om beide partijen in de gelegenheid te stellen een toelichting te geven.

Niet ongebruikelijk is dat een advocaat een dergelijke toelichting tevoren op schrift stelt in de vorm van een pleitnotitie. Niet is gebleken dat in die notitie feiten staan die tevoren bij klaagster niet bekend waren. Het enkele feit dat zij voor de zitting niet wist wat er van de zijde van de beklaagde gezegd zou worden, leidt niet tot het oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

Uit de aantekeningen van de hoorzitting bij de Interne Klachtencommissie blijkt dat klaagster voldoende in de gelegenheid is gesteld haar klacht toe te lichten en te reageren op hetgeen in de pleitnotitie stond.

De klacht wordt ongegrond verklaard.

3. De Klachtencommissie heeft ten onrechte geen nadere informatie ingewonnen bij derden, zoals bepaald in artikel 10 lid 1 van het klachtenreglement van de Stichting.

Artikel 10 bepaalt dat de Interne Klachtencommissie informatie in kan winnen bij derden. Zij is daartoe echter niet verplicht. Met klaagster is de Provinciale Klachtencommissie van oordeel dat de Interne Klachtencommissie het aanbod van klaagster, om derden te horen, niet zonder nadere motivering mocht passeren. Uit het verslag van de behandeling en uit de uitspraak blijkt niet dat de Interne Klachtencommissie een onderzoek heeft gedaan naar de gedragingen waarover werd geklaagd. De door klaagster gestelde feiten werden grotendeels ontkend zonder dat werd toegelicht wat er wel was gebeurd, op welke momenten er contacten hadden plaatsgevonden, of die al dan niet met de dochter van klaagster en met minderjarige waren geweest en hoe die contacten waren verlopen. Het had op de weg van de Interne Klachtencommissie gelegen nader onderzoek te doen, voordat zij tot haar oordeel kwam.

Bij dat onderzoek was het wellicht wenselijk geweest getuigen te horen of klaagster te adviseren bepaalde mensen mee te nemen naar de zitting. Thans heeft de Interne Klachtencommissie niet meer gedaan dan de beschuldiging en de ontkenning tegen elkaar afwegen.

Ten onrechte formuleert de Stichting als uitgangspunt dat de Interne Klachtencommissie niet aan waarheidsvinding doet. Dit standpunt vindt ook geen steun in de Wet op de Jeugdhulpverlening. Het is de taak van de Interne Klachtencommissie klachten omtrent gedragingen te beoordelen. Daarvoor is noodzakelijk dat onderzoek wordt gedaan naar feiten en omstandigheden en dat zonodig ook daarover aanvullende informatie wordt gevraagd. De klacht wordt gegrond verklaard.

4. De Klachtencommissie heeft ten onrechte de tweede klacht van klaagster in behandeling genomen.

De tweede klacht luidde: de grens van het onbetamelijke wordt door de gezinsvoogd overschreden door opmerkingen die uiterst seksueel getint zijn. Deze klacht wordt ongegrond verklaard. Klaagster heeft zelf langdurig en intensief aangedrongen op behandeling door de Interne Klachtencommissie. Het protocol seksueel misbruik van cliŽnten door hulpverleners bevindt zich in de fase van een concept.

Niet is gebleken dat dit protocol in werking is getreden. Ook wanneer het protocol wel al werd gebruikt stond het klaagster vrij haar klacht voor te leggen aan de Interne Klachtencommissie en diende de Interne Klachtencommissie die klacht in behandeling te nemen. Het protocol sluit de behandeling van een klacht door de Interne Klachtencommissie niet uit.

5. De directeur heeft nagelaten haar verantwoordelijkheid te nemen om alsnog een onderzoeksprocedure in te stellen, zoals vastgelegd in het protocol seksueel misbruik van cliŽnten door hulpverleners.

Ook deze klacht wordt ongegrond verklaard. Er is een concept van het protocol overgelegd. Niet blijkt dat dit protocol reeds wordt toegepast.

Aanbeveling aan de directie van de Stichting

De Interne Klachtencommissie bij een klacht omtrent gedragingen op te dragen zelfstandig onderzoek te doen naar achterliggende relevante feiten en omstandigheden.

Reactie van de directie op de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie

Op onderdeel 3 van de klachten van klaagster heeft de Provinciale Klachtencommissie de klacht gegrond verklaard. De aanbeveling om bij een klacht omtrent gedragingen onderzoek te doen naar achterliggende feiten en omstandigheden heeft de Interne Klachtencommissie ter harte genomen.

 

KLACHT 7

Achtergronden

Klager verzoekt concrete hulp te verlenen bij de uitvoering van de omgangsregeling met zijn kind dat bij de moeder verblijft.

Beklaagde

Stichting Jeugd en Gezin te Dordrecht.

Klacht en beoordeling

De Stichting is haar afspraken niet nagekomen en heeft besluiten genomen waarvan klager pas achteraf heeft vernomen.

De Provinciale Klachtencommissie adviseert de klachten eerst te richten tot de Interne Klachtencommissie en eventueel zich te laten bijstaan door het Advies en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening. De klacht is voor de Provinciale Klachtencommissie niet ontvankelijk.

 

 

 

 

 

KLACHT 8

Achtergronden

Dochter uit huis geplaatst door kinderrechter, omgangsregeling.

Beklaagde

Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL).

Klacht en beoordeling

Klachten van klaagster zijn ontvankelijk verklaard, klaagster echter is vertrokken met onbekende bestemming zonder bericht.

1. Het niet nakomen van afspraken door de Stichting.

2. Er is een hulpverleningsplan vastgesteld waarmee de klager het niet eens is.

3. Het hulpverleningsplan is na overleg met klaagster en haar advocaat opgesteld en klaagster heeft met dit hulpverleningsplan ingestemd.

4. Onjuist dat klaagster alleen met het gezag belast is.

5. Het hulpverleningsplan formuleert een aantal doelstellingen voor de korte termijn die deels eenvoudige constateringen van de huidige situatie, deels onmogelijk uitvoerbaar zijn.

6. De Klachtencommissie heeft geen afschrift van het evaluatierapport ontvangen zodat zij alleen haar oordeel kan uitspreken over de punten die ter zitting besproken zijn.

KLACHT 9

Achtergrond

Dochter uit huis geplaatst door kinderrechter, omgangsregeling.

Beklaagde

Het Jeugdhuis Vliet en Burgh in Voorburg.

Klacht en beoordeling

Klacht is niet ontvankelijk omdat de klachten niet eerst zijn ingediend bij de Interne Klachtencommissie.

 

KLACHT 10

Achtergrond

Pleegzoon via een ondertoezichtstelling en een machtiging uit huis geplaatst.

Beklaagde

Cardea Jeugdhulpverlening.

Klacht en beoordeling

Klagers zijn bijgestaan door het Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening.

Klagers hebben geklaagd dat de Stichting niet beschikt over een Klachtencommissie.

De Stichting is ontstaan uit een fusie. In haar jaarverslag over het jaar 2000 heeft de Stichting melding gemaakt van het bestaan van een Interne Klachtencommissie. Klagers hebben tevergeefs getracht hun klachten door deze Interne Klachtencommissie te laten behandelen.

Hen werd te verstaan gegeven dat de Klachtencommissie nog moet worden opgericht en dat klachten eerst begin 2002 zullen worden behandeld. De klacht is gegrond aangezien artikel 48 van de Wet op de Jeugdhulpverlening stelt dat uitvoerders en voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen een regeling treffen voor de behandeling van klachten en de Stichting deze regeling (nog) niet heeft getroffen.

Reactie van de directie op de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie

Na de fusie is gebleken dat het klachtenreglement van de Stichting niet meer hanteerbaar was en dat de leden van de Klachtencommissie niet oproepbaar waren. Derhalve was de directeur genoodzaakt op korte termijn een nieuw reglement op te stellen en een Klachtencommissie samen te stellen. De klagers zijn hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

De Stichting beschikt inmiddels over een hanteerbaar klachtenreglement en over een Klachtencommissie. Het reglement is inmiddels in het bezit van de Provinciale Klachtencommissie.

De klachten van klagers zijn in behandeling genomen en er heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

 

KLACHT 11

Achtergrond

Dochter weggelopen bij instelling met medeweten en onder begeleiding van hulpverlener/groepsleider.

Beklaagde

Stichting Horizon, Instituut voor Jeugdzorg en Onderwijs.

Klachten en beoordeling

Klagers zijn bijgestaan door het Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening.

1. De Interne Klachtencommissie heeft ten onrechte gesteld dat zij geen uitspraak kan doen over de inhoud van de behandeling en de begeleiding.

Klagers hebben toegelicht dat zij een uitspraak wensen over hun klacht bij de Interne Klachtencommissie met betrekking tot de inhoud van de behandeling voordat hun dochter wegliep. Ingegaan wordt steeds op wat er na die tijd is gebeurd. Uit het onderzoeksrapport is gebleken dat de begeleiding en hulpverlening door het team ernstige tekortkomingen vertoonde.

Dit is ook erkend door de Stichting en hulpverlener heeft namens de Stichting bij de behandeling van de klacht, maar ook eerder, meegedeeld welke maatregelen genomen zijn en nog zullen worden genomen om tot een verbetering te komen. Daarmee staat vast als door de Stichting erkend dat tekortkomingen zijn geconstateerd in de uitvoering van de hulpverlening.

Klagers klagen dat de Interne Klachtencommissie geen uitspraak heeft gedaan over de inhoud van de begeleiding en de behandeling. De Interne Klachtencommissie voegt daaraan toe dat dat te meer klemt daar dat zaken zijn waar verschillen van mening en opvatting over kunnen bestaan.

De klacht bij de Interne Klachtencommissie luidde: "klacht inzake niet-adequate behandeling/begeleiding van dochter, welke uiteindelijk heeft geleid tot haar weglopen en wegblijven, ruim zes weken, van de instelling. Anderzijds inzake grensoverschrijdend gedrag in de relatie hulpverlener-cliŽnt wat ouders niet kunnen tolereren". Uit de formulering van de klacht blijkt dat geklaagd wordt over de behandeling/ begeleiding die geleid heeft tot het weglopen en de relatie met de hulpverlener waarbinnen grensoverschrijdend gedrag plaatsvond.

De Provinciale Klachtencommissie is van oordeel dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard. Artikel 46 van de Wet op de Jeugdhulpverlening verstaat onder gedraging waarover kan worden geklaagd: "enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat gevolgen heeft voor een jeugdige, diens ouders etc". Het is ook naar het oordeel van de Provinciale Klachtencommissie niet mogelijk een oordeel te geven over de totale behandeling en begeleiding en over gevolgen die een behandeling en begeleiding heeft voor het gedrag van een jeugdige.

De Provinciale Klachtencommissie mist daartoe de informatie en zo zij die informatie al zou hebben, mist zij de deskundigheid om die informatie te beoordelen. Zelfs deskundigen zijn het onderling vaak niet met elkaar eens over de aard van de problemen en behandeling van die problematiek en de wijze waarop die behandeling uitgevoerd zou moeten worden.

Het totaal van de behandeling en begeleiding gedurende een bepaalde periode kan derhalve in het kader van een klachtenprocedure niet beoordeeld worden. Niet kan beoordeeld worden of die behandeling heeft bijgedragen of zelfs heeft geleid tot het weglopen, zoals klagers stellen of dat daarvoor (ook) andere oorzaken zijn aan te wijzen.

2. De Interne Klachtencommissie heeft ten onrechte geen uitspraak gedaan over de verantwoordelijkheid van het team en de Stichting ten aanzien van het grensoverschrijdend gedrag in de relatie hulpverlener - cliŽnt.

De Interne Klachtencommissie heeft daarover overwogen: "De vraag waar de verantwoordelijkheid ligt en eventuele aansprakelijkheid is niet een zaak die zich leent voor beoordeling door de commissie".

De directie is verantwoordelijk voor gedragingen van werknemers van de instelling, zoals wettelijke geregeld. Hetzelfde geldt voor aansprakelijkheid van de instelling voor haar werknemers.

 

 

De bevoegdheid van de Interne Klachtencommissie uitspraken te doen over de gegrondheid van klachten betreffende gedragingen strekt zich niet uit tot het doen van uitspraken over de verantwoordelijkheid van de instelling. Geklaagd kan slechts worden over een gedraging in de zin van de artikel 46 lid b van de Wet op de Jeugdhulpverlening. Ook deze klacht zal ongegrond worden verklaard.

Reactie van de directie op de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie

De Stichting heeft schriftelijk meegedeeld dat zij geen behoefte hebben om nader op de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie te reageren.

 

OVERIGE KLACHTEN

Eťn klacht ingekomen in 2001, wordt behandeld in het jaar 2002 en wordt opgenomen in het jaarverslag van het jaar 2002.

Cijfermatig overzicht klachten 2001

 

Klacht-

nummer

Klacht-

onderdelen

niet

ontvankelijk

ontvankelijk

gegrond

niet

gegrond

Aange-

houden

1

2

2

2

2

3

1

2

2

3

3

3

2

1

4

1

1

1

5

1

1

6

5

5

1

4

7

1

1

8

1

1

1

9

1

1

1

10

1

1

1

11

2

2

2

totaal

21

3

18

9

7

2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen welke instelling is geklaagd?

Instelling

Aantal

Klachtnummer

Leger des Heils Ambulante Jeugdbescherming en

Jeugdhulpverlening (AJL) van het Leger des Heils

4

1, 4, 6 en 8

Stichting Jeugdzorg Rotterdam Zuid-Holland Zuid

2

3 en 5

Stichting Jeugdbescherming Dordrecht

1

2

Stichting Jeugd en Gezin te Dordrecht

1

7

Jeugdhuis Vliet en Burgh in Voorburg

1

9

Cardea jeugdhulpverlening Leiden

1

10

Stichting Horizon Rotterdam

1

11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overzicht klachten 1998-1999-2000-2001

 

 

1998

1999

2000

2001

klachten

18

16

42

11

klachtonderdelen

30

35

300*

21

niet ontvankelijk

11

19

232

3

ontvankelijk

19

16

68

18

gegrond

14

12

34

9

niet gegrond

5

4

19

7

aangehouden

0

0

15

2

*Het grote aantal zeer gedetailleerde klachtonderdelen in het jaar 2000 is veroorzaakt door de heer J. Hop (Ermelo) die als gemachtigde optrad namens een aantal klagers. Inmiddels heeft de heer Hop zijn activiteiten, voor zover bekend bij de Provinciale Klachtencommissie, beŽindigd.

Vergaderingen

Gedurende het jaar 2001 is de Provinciale Klachtencommissie tweemaal bijeen geweest voor een vergadering. Besproken werd onder meer:

  • de stand van zaken met betrekking tot het inzagerecht in het contactjournaal

  • het wetsontwerp van de Wet op de Jeugdzorg

  • hoofdstuk klachtrecht

  • de publicatie van uitspraken van de Provinciale Klachtencommissie

  • werkgroep landelijke Provinciale Klachtencommissies

  • gesprek met de Inspectie Jeugdhulpverlening

  • de mogelijkheden om te komen tot een volledig beroep bij de Provinciale Klachtencommissies en het beleid ten aanzien van instellingen die niet of negatief reageren op uitspraken van de Commissie.

 

Landelijke ontwikkelingen

Op 12 oktober 2001 werd door het IPO (Interprovinciaal Overleg) een informatiedag voor Provinciale Klachtencommissies georganiseerd. Naast vertegenwoordigers van alle Provinciale Klachtencommissies waren ook het IPO, het ministerie van VWS en Research voor Beleid vertegenwoordigd. De Provinciale Klachtencommissie Zuid-Holland, Stadsregio Rotterdam en Stadsgewest Haaglanden was met drie leden en de secretaris vertegenwoordigd.

De belangrijkste aanbevelingen van de deelnemers aan de bijeenkomst waren:

  • Reikwijdte van de werkwijze van de Provinciale Klachtencommissie: pleidooi voor nader uitwerken mogelijkheden van inhoudelijke toetsing, door oprekken van het huidige mandaat of wijziging van de wet en verordeningen.

  • Aanbevelingen (adviezen) van de Provinciale Klachtencommissie zouden bij voorkeur vervangen moeten worden door een bindend advies. Aan een in te stellen werkgroep wordt gevraagd de mogelijkheden uit te werken.

  • In het jaarverslag van de Provinciale Klachtencommissie moeten de instellingen waarover geklaagd is met naam worden genoemd. Dit jaarverslag moet in apart overleg worden besproken met de provincie en zonodig met de Inspectie.

  • Nader uitwerken van termijnen van de Interne Klachtencommissie (Vedivo-formule) en uitbreiding van deze commissie met onafhankelijke leden. Instellen van een periodiek secretarissenoverleg Provinciale Klachtencommissies.

  • Nader overleg over aanleggen van een databank jurisprudentie via bijvoorbeeld een website.

Het secretarissenoverleg neemt hiertoe het initiatief.

 

 

 

Landelijke werkgroep Provinciale Klachtencommissies

Een van de leden van de Provinciale Klachtencommissie en de secretaris maakten deel uit van bovengenoemde werkgroep. Deze werkgroep kwam op 13 november 2001 bijeen. Er werden werkafspraken gemaakt over de volgende onderwerpen:

  • in afwachting van een website worden geanonimiseerde uitspraken van de Provinciale Klachtencommissies door de secretarissen per e-mail uitgewisseld

  • de provinciale modelverordening zal kritisch worden bekeken

  • er zal een voorstel worden opgesteld waarmee een gehele nieuwe inhoudelijke behandeling door een Provinciale Klachtencommissie mogelijk moet worden

  • de verhouding tussen de Wet op de Jeugdhulpverlening (Wet op de Jeugdzorg) en de Algemene Bestuurswet zal nader worden bestudeerd

  • adviezen van een Provinciale Klachtencommissie bindend maken is een stap te ver.

Sancties ontbreken hiervoor. Voorgesteld wordt:

- de instelling die in gebreke blijft te rappelleren

- uitspraken en aanbevelingen met naam van instelling te publiceren in het jaar verslag en dit te bespreken met de subsidiegever

- minimaal 1x per jaar een gesprek van de Provinciale Klachtencommissie met de subsidiegever, wat opgenomen moet worden in de provinciale verordening

  • als een klacht betrekking heeft op de inhoud van de behandeling is een spoedprocedure gewenst

  • er wordt een ruime definitie van het begrip pleegouder gewenst in verband met de ontvankelijkheid als klager in de nieuwe wet op de Jeugdzorg

  • secretarissen van de Provinciale Klachtencommissies zullen zelf periodiek een vergadering organiseren waarin ze ervaringen kunnen uitwisselen en eventueel een databank met jurisprudentie kunnen opzetten. Het IPO stelt een locatie beschikbaar.

Nationale Ombudsman

In 2001 werd door een klager voor het eerst een beroep gedaan op de Nationale Ombudsman.

Een instelling belast met onder toezichtstelling van een jeugdige wordt aangemerkt als bestuursorgaan en valt derhalve onder de reikwijdte van de Algemene Wet Bestuursrecht. Op grond hiervan heeft een klager een procedure aangespannen bij de Nationale Ombudsman omdat de instelling weigerde haar klachtenreglement te wijzigen, terwijl de Provinciale Klachtencommissie had vastgesteld dat het reglement strijdig was met de Wet op de Jeugdhulpverlening.

Gezien het feit dat het voor het eerst is dat de Nationale Ombudsman gevraagd is zijn oordeel te geven over een klacht die in een eerder stadium door de Provinciale Klachtencommissie is behandeld volgt hieronder een samenvatting van de uitspraak van de Nationale Ombudsman.

 

 

 

Bevindingen en beoordeling

A. Bevindingen

Bij brief van 9 februari 2000 diende verzoekers gemachtigde, namens verzoeker, bij de Klachtencommissie van de Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (hierna ook: AJL) een klacht in over de wijze waarop AJL uitvoering gaf aan de ten behoeve van zijn dochter getroffen omgangsregeling (zie achtergrond, onder 1). Op 16 februari 2000 verklaarde de Klachtencommissie verzoeker niet-ontvankelijk in zijn klacht, onder meer omdat verzoeker voordat hij zijn klacht indiende, geen bemiddelingsgesprek had gevoerd met de betrokken teamleider en verzoeker, naar de mening van de Klachtencommissie, onvoldoende had aangegeven waarom dit in redelijkheid niet van hem kon worden verlangd. De Klachtencommissie verwees daarbij naar het Klachtenreglement AJL waarin werd bepaald dat een klacht slechts kon worden ingediend nadat een bemiddelingsgesprek had plaatsgevonden (zie achtergrond, onder 2).

2. Over voornoemde beslissing van de Klachtencommissie diende verzoekers gemachtigde, namens verzoeker, bij brief van 22 februari 2000 een klacht in bij de Interprovinciale Klachtencommissie Jeugdzorg te Zwolle die de klacht, gelet op de vestigingsplaats van AJL, op 20 maart 2000 ter afhandeling overdroeg aan de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening Haaglanden, Rotterdam en Zuid-Holland (zie achtergrond, onder 1). Bij beslissing van 14 april 2000 verklaarde de Provinciale Klachtencommissie de klacht gegrond. Daarbij werd overwogen dat de bepaling in het Klachtenreglement AJL dat eerst een bemiddelingsgesprek diende plaats te vinden met de teamleider voordat een klacht in behandeling werd genomen, behoudens bijzondere motivering, in strijd is met de Wet op de Jeugdhulpverlening omdat het de bedoeling van de wetgever is geweest klagers rechtstreeks toegang te verlenen tot een Klachtencommissie zonder dat daaraan voorafgaand door de instelling voorwaarden mogen worden gesteld. AJL werd geadviseerd om haar reglement in overeenstemming te brengen met de Wet op de Jeugdhulpverlening zodat bemiddeling niet langer als voorwaarde voor de behandeling van een klacht geldt.

3. AJL deelde de Provinciale Klachtencommissie bij brief van 18 mei 2000 mee dat was besloten de aanbeveling van de Klachtencommissie niet op te volgen. In reactie op de klacht liet het AJL de Nationale Ombudsman echter weten dat het klachtenreglement met ingang van 1 november 2000 was gewijzigd conform het advies van de Provinciale Klachtencommissie. AJL wees daarbij op artikel 6 van het gewijzigde klachtenreglement en de toelichting op dit artikel (zie achtergrond, onder 3).

B. Beoordeling

1. De Nationale ombudsman onderschrijft het advies van de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening. Daarbij is van belang dat de wetgever ervoor heeft gekozen in de Wet op de Jeugdhulpverlening een klachtenregeling op te nemen waarbij, alvorens de klacht wordt voorgelegd aan een - externe - Klachtencommissie de klacht eerst dient te worden voorgelegd aan een door de instelling zelf getroffen voorziening voor de behandeling van klachten.

Het moet dan ook in strijd met de bedoeling van de wetgever worden geacht dat aan de toegang tot het klachtrecht ook nog de voorwaarde wordt verbonden dat een bemiddelingsprocedure wordt doorlopen.

2. Niettegenstaande het feit dat in de toelichting op artikel 6 van het gewijzigd klachtenreglement wordt gesteld dat in november 2000 het klachtenreglement in die zin is gewijzigd dat de bemiddelingsprocedure niet meer een eis is voor ontvankelijkheid van de klacht, moet toch worden geconcludeerd dat de wijziging van het klachtenreglement in november 2000 onvoldoende recht doet aan het advies van de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening. Door het in artikel 6, vierde lid, bepaalde dat, indien er nog geen bemiddelingsgesprek heeft plaatsgevonden, de Klachtencommissie de klager eerst zal verwijzen naar de bemiddelingsprocedure ťn het in het vijfde lid van dit artikel bepaalde dat, indien klager van mening is dat niet in redelijkheid van hem kan worden verlangd om de bemiddelingsprocedure te doorlopen, klager dit bij de Klachtencommissie schriftelijk en gemotiveerd dient aan te geven, is immers nog steeds geen sprake van een directe toegang tot de Klachtencommissie zoals door de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening is geadviseerd.

3. Hetgeen hiervůůr, onder 1. en 2. is overwogen, vormt aanleiding tot het opnemen van een aanbeveling in dit rapport.

4. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening is gegrond.

Aanbeveling

De Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening wordt in overweging gegeven om het klachtenreglement alsnog conform het advies van de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening in overeenstemming te brengen met de Wet op de Jeugdhulpverlening.

 

Provinciale klachtencommissie jeugdhulpverlening

  1. Klachtenregeling

    Het klachtrecht is geregeld in de Wet op de jeugdhulpverlening, en voorziet de jeugdhulpverlening van een algemeen geldend klachtrecht. Het klachtrecht is bestemd voor jeugdigen en hun wettelijke vertegenwoordigers die hulp krijgen in een instelling voor jeugdhulpverlening. De klacht dient betrekking te hebben op een gedraging jegens ťťn van deze personen.

    De klachtenregeling gaat in eerste instantie uit van een interne klachtenregeling bij de desbetreffende instelling. Om de objectiviteit van de klachtenbehandeling te waarborgen dient de interne klachtencommissie te bestaan uit ten minste drie personen, waarbij de voorzitter niet werkzaam mag zijn binnen de instelling. De interne klachtencommissie moet jaarlijks een verslag indienen bij de Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming.

    Zowel klager als degene waarover geklaagd is, worden in de gelegenheid gesteld hun klacht schriftelijk en mondeling toe te lichten. Daarbij kan cliŽnt zich laten bijgestaan door de cliŽntvertrouwenspersoon. Deze is niet in dienst is van de instelling zelf, maar bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) dat hiervoor subsidie ontvangt van de provincie. Dit om de onafhankelijkheid van de cliŽntvertrouwenspersoon te waarborgen.

    De beslissing van de interne klachtencommissie is niet bindend. Wel is de instelling verplicht om binnen vier weken te reageren op de beslissing, met de mededeling of het oordeel over de klacht wordt gedeeld en welke maatregelen worden genomen naar aanleiding hiervan.

    Het klachtrecht voor de jeugdhulpverlening voorziet in een procedure van beroep bij de provinciale klachtencommissie (PKC). Eenderde van de leden van de PKC wordt aangewezen door organisaties die de belangen behartigen van de jeugdigen en hun wettelijke vertegenwoordigers. Dezelfde bevoegdheid is toegekend aan de gezamenlijk voorzieningen van de jeugdhulpverlening. De voorzitter en de overige leden worden aangewezen door Gedeputeerde Staten. De PKC moet jaarlijks een verlag indienen bij de provincie.

    Bij de PKC kan beroep worden ingediend indien een klacht niet is afgehandeld volgens de wettelijke klachtenregeling. Ook hier laat klager zich vaak bijstaan door de cliŽntvertrouwenspersoon. En ook de uitspraak van de PKC is niet bindend voor de instelling.

  2. Jaarverslag 2001 van de provinciale klachtencommissie (PKC)

De provincie Zuid-Holland heeft een gezamenlijke klachtencommissie met de stadsregio Rotterdam en het stadsgewest Haaglanden. Het jaarverslag over 2001 is opgenomen als bijlage.

De PKC heeft in het jaar 2001 in totaal acht klachten ontvangen, en drie lopende klachten uit 2000 afgehandeld. Deze klachten worden afzonderlijk besproken in het jaarverslag. Hiervan zijn vier klachten gericht tegen instellingen voor jeugdhulpverlening die worden gefinancierd door de provincie Zuid-Holland;

Klacht 3

De klacht is gericht tegen de Stichting Jeugdzorg Rotterdam/Zuid-Holland Zuid (pag. 9). De klacht bestaat uit drie onderdelen, allen gericht tegen de handelswijze van de directeur van de stichting. De PKC oordeelt dat twee van de drie klachtonderdelen gegrond zijn. De directeur weigert echter te reageren op de beslissing van de PKC, ondanks een herhaald verzoek hiertoe.

klacht 5

De klacht is gericht tegen Stichting Jeugdzorg Rotterdam/Zuid-Holland Zuid (pag. 11). De klacht is niet ontvankelijk bij de PKC, omdat klager niet eerst gebruik heeft gemaakt van de interne klachtenprocedure bij de Stichting. De PKC behandelt namelijk het beroep tegen de interne klachtenprocedure.

Klacht 10

De klacht is gericht tegen Cardea jeugdhulpverlening Leiden (pag. 15). De klacht richt zich tegen het ontbreken van een interne klachtencommissie bij Cardea. Deze klacht is gegrond verklaard door de PKC. Inmiddels beschikt Cardea over een interne klachtencommissie.

Klacht 11

De klacht is gericht tegen Horizon/Rijnhove in Rotterdam (pag. 16). De klacht bestaat uit twee onderdelen die zich richten op grensoverschrijdend gedrag van een medewerker van Rijnhove ten aanzien van een cliŽnt. CliŽnt zou zijn weggelopen, waarbij de medewerker een actieve rol zou hebben gespeeld. De PKC verklaart de klacht ongegrond. Het is niet aan de PKC om te oordelen over het totaal van behandeling en begeleiding, en ook niet over de gevolgen van de geboden hulpverlening.

Het aantal klachten is voor de provincie een indicatie inzake de cliŽnttevredenheid binnen jeugdhulpverlening. Indien een bepaalde klacht daartoe aanleiding geeft, neemt de provincie hier contact over op met de desbetreffende instelling. Dit is ook gebeurd naar aanleiding van de klachten 3 en 11.

Klachten over de wijze van klachtafhandeling door de Stichting Jeugdzorg Rotterdam/Zuid-Holland Zuid (klacht 3) blijken ook bekend bij de beide stadsregio's. Hierop is de betreffende directeur aangesproken. Deze heeft aan de provincie schriftelijk bevestigd dat hij de aanbevelingen van de interne klachtencommissie en de PKC overneemt en dat deze worden vertaald in concrete beleidsmaatregelen.

Naar aanleiding van klacht 11 is contact geweest met de directie van Horizon/Rijnhove. Hierbij bleek dat de directie adequaat heeft gereageerd op de gebeurtenissen. Haar handelswijze is ook als juist gekwalificeerd door de Inspectie. De betrokken medewerker is geschorst hangende het onderzoek naar zijn gedragingen.

 

 

Openbaar verzetsplan
(317) Hoor en wederhoor:

1. Zielig Leger des Heils klaagt over bijstand (groot)ouders met Hop tegen Leger des Heils. De klachtencommissie erkent dat u vrij bent uw keuze door wie u zich in een klachtenprocedure wenst te laten bijstaan, maar wil u er op wijzen dat de heer Hop zich in klachtenprocedures met name concentreert op de inhoudelijke, concentreert op de procedurele aspecten van het werk van de gezinsvoogdij-instelling. Uw  inhoudelijke, concrete klachten zijn nauwelijks gemotiveerd en onderbouwd. De klachtencommissie geeft u daarom in overweging om zich te laten bijstaan door een professioneel klachtenondersteuningsbureau zoals Stichting X, telefoon X. De medewerkers van de Stichting X zijn onafhankelijk en professioneel en kunnen u kosteloos bijstaan in een klachtenprocedure waarin de belangen van u en uw kinderen centraal staan.

2. Nationale Ombudsman! Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg handelt in strijd met de bedoeling van de wetgever dat aan de toegang tot het klachtrecht ook nog de voorwaarde wordt verbonden dat een bemiddelingsprocedure wordt doorlopen.

3. Voor u ligt het jaarverslag over 2001. In het afgelopen jaar was het opvallend dat de Provinciale Klachtencommissie aanzienlijk minder klachten binnen heeft gekregen dan in 2000. Naar de oorzaak kan slechts geraden worden. Mogelijk speelt een rol dat een gemachtigde die klagers bijstond en die daarbij herhaaldelijk een zeer groot aantal klachten indiende, met zijn werkzaamheden lijkt te zijn gestopt.

(318) Hoor en wederhoor:

1. Hop procedeerde WEL procedureel en systematisch TEGEN Leger des Heils en TEGEN toegang interne klachtencommissie via een verplichte bemiddeling! Een professioneel (gesubsidieerd) klachtenondersteuningsbureau zoals Stichting X, telefoon X deed dat NIET!

(683) Hoor en wederhoor:

1. Hop procedeerde WEL procedureel en systematisch TEGEN Leger des Heils en TEGEN termijnoverschrijding ontvangstbevestiging klacht door interne klachtencommissie! Een professioneel (gesubsidieerd) klachtenondersteuningsbureau zoals Stichting X, telefoon X deed dat NIET!

3. Klachten gegrond in de zaak Z. met Hop als gemachtigde tegen Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg

4. Klachten gegrond in de zaak E. met Hop als gemachtigde tegen Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg

 

 

Openbaar verzetsplan
(556) Hoor en wederhoor:

1. De leden van het Leger des Heils zijn georganiseerd in "gevechtseenheden"
2. Rechterlijke instanties Moskou weigeren Leger des Heils als religieuze beweging te erkennen en als zodanig te registreren
3. Problemen Leger des Heils Zutphen gebed zonder eind! Zaak Leger des Heils wordt wel naar andere rechtbank verwezen!

top
Censuur in Nederland ©
Stem Groep Hop in 2014