(547) Geschiedenis. Hoger beroep Leenders/Nienhuis met J. Hop Ermelo als hun procesvertegenwoordiger GEGROND bij Raad van State tegen "niet-ontvankelijk" bezwaarschrift tegen besluit op Wob102 sloeg in als een bom bij NL-jeugdzorg.

Wob102verzoek1, Wob102verzoek2, Wob102verzoek3, Wob102verzoek4, Wob102verzoek5, Wob102verzoek6, Wob102verzoek7, Wob102verzoek8, Wob102verzoek9, Wob102verzoek10, Wob102verzoek11, Wob102verzoek12, Wob102verzoek13, Wob102verzoek14, Wob102verzoek15

Censuur in Nederland ©

Lees eerst de uitgangsformule
© (134) (75) (DDD) Denksport De Deur Beveiliging & bescherming burger tegen een NIET-KLANTVRIENDELIJKE overheid © 
Wob 102.11 een verplichte praktijkoefening conform uitgangsformule: Wat is de norm? Wat is het gevaar? Hoe is de vergelijkingsmethode tot stand gekomen?

Stockholmsyndroom

To whom it may concern

Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel

Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd

Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen

Project Wob 102, hoger beroep met Hop bij Raad van State tegen niet-ontvankelijk bezwaarschrift Wob 102 GEGROND!

Project Schriftelijke Aanwijzing

Project BEZWAAR tegen Plan van Aanpak

Project BEZWAAR tegen HVP zorgverlener

Innovatief en toekomstgericht: Project 31

Project beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger 11 juni 1997 - heden
11 juni 1997 President rechtbank Zutphen mr. J.J. Oostveen schrijft in brief over J. Hop Ermelo aan Procureur-Generaal Hoge Raad citaat:
"Partijen gaan en komen in de zittingzaal, maar de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming treedt in iedere zaak
weer op als adviseur;
het komt niet efficiënt en ook overigens niet opportuun voor, ZELFS WELLICHT ENIGSZINS LACHWEKKEND om de
betreffende vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming telkens de zaal te doen verlaten en bij de volgende zaak weer te
zien terugkeren. Hoogachtend, Mr. J.J. van Oostveen.
" (1)
(12)
18 november 1997 De Telegraaf: "Rechters rechtbank Den Bosch eisen juridische stappen tegen publicatie van hun bijbaantjes door Hop (131)
Vereniging Directeuren Gezinsvoogdij besluiten tot hetze tegen Hop
openen "helpdesk" in strijd om afgifte contactjournalen gezinsvoogd (137) (50)
5 november 2007 Rechtbank Zutphen tegen (wraking) door Hop. Hop ontdekt kinderrechter is rechter, aanklager en belanghebbende (95) (710)
Vereniging van Nederlandse Gemeenten opent helpdesk tegen Hop om bijbaantjes TOP-ambtenaren GEHEIM te houden (GRI) (GEM) (BSC)
5 november 2009 - heden. Strijd om openbaarheid NAMEN (INHUUR) jeugdzorg personeel (215) (262) (303) (348) (463) (441) (445)

De norm! Betere rechters in Nederland kenmerken zich door waarheidsvinding en niet als een PAPEGAAI de jeugdzorg NAPRATEN!

 

 

 

Is het niet lachwekkend dat rechtbanken niet eens in staat zijn NAMEN RECHTER(S) in de oproep hoorzitting te vermelden?

Staat de naam van de rechter(s) NIET in de oproep hoorzitting vermeld? Dien dan gelijk klacht 653 in bij de President rechtbank!

Stuur redacteur kopietje van de beslissing President op uw klacht voor bijgewerkte bijbanen en code 653 bij die President op internet

WAARSCHUWING CODE 653
Met deze President rechtbank ????? worden nog steeds de namen van de rechters niet in de oproepen voor hoorzittingen vermeld!
000000 kenmerk ????? www.burojeugdzorg.nl/653.htm 
Indien u oproepen hoorzittingen rechtbank Den Haag ontvangt zonder vermelding namen van rechters wilt u dan ook gelijk klacht 435 inleveren.
Kennelijk moet deze President eerst MET SPOED VERVANGEN WORDEN door een betere President die wel in staat is oproepen hoorzittingen met namen van rechters te produceren!

Alleen wanneer burgers massaal klachten 653 gaan indienen bij rechtbanken kunnen falende Presidenten uit hun IVOREN TORENS verwijderd worden om vervangen te worden door betere Presidenten die wel in staat zijn om zorg te dragen voor NAMEN RECHTERS in de oproepen voor hoorzittingen.

Kent u iemand in Ermelo, Rheden of Zoetermeer? Wilt u hen vragen Groep Hop te stemmen tijdens de verkiezingen gemeenteraad 2010?

 

 

 

Voorstellen RECHTERSLEGER om tot verbetering strafproces tegen burgers in het voordeel van de overheid te komen

1. Voorstellen uitbreiding mogelijkheden om burgers gevangen te houden kunnen ertoe bijdragen dat het aantal raadkamerbehandelingen vóór de terechtzitting enigszins wordt teruggedrongen en dat de aldus vrijkomende (personele) capaciteit wordt ingezet voor de inhoudelijke behandeling van strafzaken ter terechtzitting

2. Aanwezigheidseis voor minderjarigen bij jeugdstrafzaken. De commissie is van mening dat de kinderrechter de bevoegdheid moet toekomen de strafzaak buiten afwezigheid van de minderjarige af te doen

3. Mag een verdachte in verzekering worden gehouden teneinde een op voorkoming van vervolging betrekking hebbend stuk aan de verdachte in persoon uit te reiken? 

 

 

 

Voorstellen RECHTERSLEGER om tot verbetering strafproces tegen burgers in het voordeel van de overheid te komen

1. Voorstellen uitbreiding mogelijkheden om burgers gevangen te houden kunnen ertoe bijdragen dat het aantal raadkamerbehandelingen vóór de terechtzitting enigszins wordt teruggedrongen en dat de aldus vrijkomende (personele) capaciteit wordt ingezet voor de inhoudelijke behandeling van strafzaken ter terechtzitting

 

219 en bijlage

De Minister van Justitie
Mr. A.H. Korthals
Postbus 20301
2500 EH Den Haag

Den Haag, 22 januari 2002

Uw kenmerk : 
Ons kenmerk : 493/1.18/AdG
Bijlage(n) : 1
Onderwerp : Spoedwet verblijf in politiecellen.

 

Geachte heer Korthals,

Naar aanleiding van het op 16 januari j.l. aan de wetenschappelijke commissie van de NVvR ter advisering aangeboden concept wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, in verband met het verblijf van in bewaring gestelde verdachten alsmede arrestanten in een politiecel, bericht ik u als volgt.

Gezien het politieke karakter van het onderwerp spreekt de wetenschappelijke commissie geen inhoudelijk oordeel uit over het wetsontwerp en de daarbij behorende memorie van toelichting.

De wetenschappelijke commissie wenst wel een tweetal technische opmerkingen te plaatsen bij het voorgestelde artikel II.

Ten eerste zal in artikel II wel bedoeld worden de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

Daarnaast wijst de wetenschappelijke commissie, gezien de speciale positie van (jong)minderjarigen, op het feit dat het nieuwe artikel 16a onverlet laat dat de selectiefunctionaris de aanwijzingen van de rechter, op grond van artikel 16 vierde lid van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen juncto artikel 493 derde lid van het Wetboek van Strafvordering, in aanmerking dient te nemen.

Namens de wetenschappelijke commissie,

 

G. Chr. Kok

voorzitter

 

BIJLAGE

 

 

De Minister van Justitie
Mr. A.H. Korthals
Postbus 20301
2500 EH Den Haag

Uw kenmerk :
Ons kenmerk : 493, bijlage/1.18/AdG
Bijlage(n) : 1
Onderwerp : Spoedwet verblijf in politiecellen.

 

Geachte heer Korthals,

Pas na de verzending van de brief van 22 januari j.l betreffende de spoedwet verblijf in de politiecel, trok artikel III van deze wet nader de aandacht van de wetenschappelijke commissie. In dit artikel komt artikel 78, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering te vervallen.

De wetenschappelijke commissie kan zich hiermee niet verenigen. De verdachte zou gedupeerd kunnen worden indien de rechter niet meer zou kunnen bepalen dat de verdachte overgeplaatst wordt. Op dit moment maakt de rechterlijke macht spaarzaam gebruik van deze bevoegdheid en wel in die gevallen waar de (jeugdige) verdachte te ver van de woonplaats van de familie gedetineerd wordt.

De wetenschappelijke commissie pleit dan ook voor het behoud van deze bevoegdheid in het Wetboek van Strafvordering.

 

Namens de wetenschappelijke commissie,

 

 

G. Chr. Kok

voorzitter

 

219 Brief vaste kamercommissie

Aan de fractiewoordvoerders in de vaste commissie voor Justitie in de Tweede Kamer
T.a.v. mw. mr. M. Pe, griffier
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
 

Den Haag, 29 januari 2002

 

Uw kenmerk :
Ons kenmerk : 1.18/499/MK
Bijlage(n) : 4
Onderwerp : Noodwetgeving

 

Geachte mevrouw Pe,

Namens mr. G.Chr. Kok, voorzitter van de wetenschappelijke commissie van den NVvR, wil ik het volgende onder de aandacht brengen van de vaste kamercommissie voor Justitie.

Het betreft de spoed-wetsontwerpen die door minister Korthals onlangs zijn ingediend naar aanleiding van recente berichtgeving inzake cocaïnesmokkel via Schiphol en vragen in de Tweede Kamer hierover. Het gaat hier met name om de voorstellen inzake het verblijf in politiecellen en inzake de competentie van de politierechter en de eenparigheidsregels. Onder meer de NVvR is gevraagd om hierover op zeer korte termijn te adviseren; de uitgebrachte adviezen vindt u als bijlagen bij deze brief. Ook een eerder NVvR-advies inzake de competentie van de politierechter is bijgevoegd.

De NVvR heeft aangegeven enigszins ongelukkig te zijn met de betreffende noodwetgeving. Bij deze wijst zij nog eens op de aangedragen argumenten tegen de voorgestelde afschaffing van de eenparigheidsregels in hoger beroep (art. 424 Sv) alsmede tegen het vervallen van art. 78 Sv inzake de plaats van de voorlopige hechtenis.

In een mondeling overleg met enkele vertegenwoordigers van de Directie Wetgeving van het Ministerie van Justitie is door mr. Kok tevens aangegeven dat voor de ingediende wetsontwerpen een voorlopig beperkte werkingsduur met een aansluitende evaluatie zou moeten gelden. Gedacht wordt daarbij aan een periode van een jaar.

 

Namens de wetenschappelijke commissie

 

 

Mr. A.K. de Graauw,

secretaris

 

Voorstellen uitbreiding mogelijkheden om burgers gevangen te houden kunnen ertoe bijdragen dat het aantal raadkamerbehandelingen vóór de terechtzitting enigszins wordt teruggedrongen en dat de aldus vrijkomende (personele) capaciteit wordt ingezet voor de inhoudelijke behandeling van strafzaken ter terechtzitting

247

ADVIES

inzake

Het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering houdende enkele wijzigingen in de regeling van de voorlopige hechtenis.



Inleiding

De minister van Justitie heeft bij brief van 28 januari 2003 de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak om advies gevraagd over het concept-voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering houdende enkele wijzigingen in de regeling van de voorlopige hechtenis. Het onderhavige advies van de wetenschappelijke commissie is voorbereid door leden van de studiekring strafrechtspraak en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Rechtspraak.


Inhoud voorstel

Het concept-voorstel van wet houdt hoofdzakelijk het volgende in:
a. de termijn van de bewaring wordt verlengd van 10 naar 14 dagen;
b. de mogelijkheid dat een bevel tot gevangenhouding ineens voor 90 dagen wordt verleend;
c. in hoger beroep wordt het systeem van tussentijdse verlengingen van de voorlopige hechtenis afgeschaft en wordt de in eerste aanleg opgelegde straf als zelfstandige grond voor voorlopige hechtenis aangemerkt;
d. de rechter-commissaris wordt belast met het waken tegen nodeloze vertraging van het onderzoek;
e. van het horen van de verdachte, voorafgaand aan het bevel tot gevangenhouding, kan worden afgezien wanneer de verdachte schriftelijk afstand doet van het recht om gehoord te worden;
f. de verplichting om de verdachte te horen op een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt beperkt;
g. dagvaarding wordt mogelijk gemaakt voordat het gerechtelijk vooronderzoek gesloten is.


Commentaar

Algemeen

Over het concept-voorstel, in het bijzonder over de voorgestelde mogelijkheid dat een bevel tot gevangenhouding ineens voor 90 dagen wordt verleend, wordt verschillend gedacht. In haar rapport d.d. 23 december 2002 (punt 2) heeft de Commissie Verbetervoorstellen, een door de Raad voor de Rechtspraak ingestelde werkgroep van rechters, zich geen voorstander betoond van de gedachte de gevangenhouding voor de termijn van 90 dagen ineens te bevelen. De commissie heeft gewezen op de wenselijkheid van een periodieke en ambtshalve toetsing van de noodzaak van het voortduren van de voorlopige hechtenis.

De wetenschappelijke commissie onderschrijft op zich de wenselijkheid van een periodieke, ambtshalve toetsing door de rechter van de noodzaak van het voortduren van de voorlopige hechtenis. Tegelijkertijd moet echter worden geconstateerd dat gevallen bestaan, waarin evident is dat de voorlopige hechtenis zal voortduren tot en met de behandeling ter terechtzitting. In zulke gevallen kan de raadkamerbehandeling van de verlenging van de voorlopige hechtenis – door het uitblijven van nieuwe ontwikkelingen sedert de vorige behandeling – door alle betrokkenen worden ervaren als een nodeloze herhaling van zetten in afwachting van de inhoudelijke berechting. Dat is voor niemand bevredigend.

De thans gedane voorstellen kunnen ertoe bijdragen dat het aantal raadkamerbehandelingen vóór de terechtzitting enigszins wordt teruggedrongen en dat de aldus vrijkomende (personele) capaciteit wordt ingezet voor de inhoudelijke behandeling van strafzaken ter terechtzitting. Hoewel enkele van de voorstellen op micro-niveau een teruggang in de rechten van de verdachte inhouden (in het bijzonder het bevel tot gevangenhouding voor 90 dagen ineens), kunnen zij op macro-niveau bijdragen tot het terugdringen van de periode die in voorlopige hechtenis wordt doorgebracht.
De thans gedane voorstellen verplichten de raadkamer van de rechtbank niet om het bevel tot gevangenhouding voor een periode van 90 dagen ineens te geven, maar scheppen slechts de mogelijkheid om dat te doen. De raadkamer kan derhalve zelf in de hand houden of – gelet op de aard van de zaak, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de stand van het vooronderzoek – een bevel tot gevangenhouding voor 90 dagen wenselijk is dan wel een bevel voor een kortere periode waarna een periodieke toetsing plaatsvindt. Wel moet worden voorkomen dat een bevel tot gevangenhouding voor 90 dagen een automatisme wordt. Met deze reserve, kan de wetenschappelijke commissie met de voorstellen instemmen. Overigens keert hier de wal het schip: wanneer in niet-evidente gevallen bevelen tot gevangenhouding zouden worden gegeven voor een tijdvak van 90 dagen, neemt de kans op verzoeken aan de rechtbank om opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis aanzienlijk toe. De beoogde werkbesparing door de lange termijn van het bevel gevangenhouding wordt dan teniet gedaan door het extra werk dat de opheffings- en schorsingsverzoeken meebrengen.

De wetenschappelijke commissie beperkt zich hieronder tot enkele opmerkingen van redactionele aard.

Opmerkingen over de tekst

ad voorstel onder B:
Het voorstel met betrekking tot de afstandsverklaring heeft vragen opgeroepen. In de eerste plaats is de vraag of de raadsman namens de verdachte afstand kan doen van het recht gehoord te worden. De tekst doet vooralsnog vermoeden dat alleen van het horen kan worden afgezien indien de verdachte zélf voor afstand tekent. Verduidelijking in de memorie van toelichting ware wenselijk. In de tweede plaats lijkt de regeling ook van toepassing op minderjarigen. De wetenschappelijke commissie is van mening dat – voor zover een minderjarige al in staat is de gevolgen van een dergelijke afstandsverklaring te overzien – een persoonlijk contact van de rechter met de minderjarige gewenst is. Zou de minderjarige verdachte voor afstand tekenen, dan zou de rechtbank alsnog een bevel tot medebrenging moeten geven om deze aanwezigheid te effectueren. Het verdient aanbeveling dat minderjarigen worden uitgezonderd, althans dat de memorie van toelichting op dit punt wordt aangepast.

ad voorstel onder F:
Niet duidelijk is, waarom in art. 75, eerste lid, aan het slot de woorden “na verlenging” zijn opgenomen.
In het derde lid van dit artikel is de uitdrukking “voor ten hoogste honderdtachtig dagen” dubbelzinnig. Vermoedelijk is bedoeld: tot ten hoogste 180 dagen, en is niet bedoeld: met een periode van 180 dagen.

ad voorstel onder H:
Dit voorstel, tot wijziging van art.180 Sv, is niet duidelijk. Het huidige art.180 Sv heeft betrekking op het toezicht dat de rechtbank uitoefent op de voortgang van het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris. Het heeft weinig zin om de rechter-commissaris te belasten met het toezicht op het door hemzelf verrichte onderzoek. Wanneer het de bedoeling mocht zijn de rechter-commissaris te belasten met het toezicht op het opsporingsonderzoek (in het bijzonder in de gevallen waarin geen gerechtelijk vooronderzoek plaatsvindt), zou de bepaling anders moeten worden geredigeerd en wellicht ook op een andere plaats in het wetboek thuishoren.


Samenvatting en conclusie

De wetenschappelijke commissie kan instemmen met de voorstellen, zij het met enige reserve ten aanzien van het bevel tot gevangenhouding voor 90 dagen ineens. Bovendien wordt afgeraden om de regeling met betrekking tot de afstandsverklaring ook op minderjarigen van toepassing te laten zijn. Voor het overige beperkt de wetenschappelijke commissie zich tot opmerkingen van redactionele aard.



Den Haag, 11 april 2003

 

 

Voorstellen RECHTERSLEGER om tot verbetering strafproces tegen burgers in het voordeel van de overheid te komen 

2. Aanwezigheidseis voor minderjarigen bij jeugdstrafzaken. De commissie is van mening dat de kinderrechter de bevoegdheid moet toekomen de strafzaak buiten afwezigheid van de minderjarige af te doen

 

 

Commissie orthodoxe en onorthodoxe voorstellen te doen tot verbetering van het strafproces in het voordeel van de overheid

Commissie Verbetervoorstellen Interim-rapport
 

 

’s-Gravenhage, 23 december 2002

 

 

 

Onderwerpen op deze pagina:

 

1. Inleiding

 

2. Voorlopige hechtenis

 

3. Schadevergoeding

 

4. Loskoppelen doorzoeking door de rechter-commissaris en het gerechtelijk vooronderzoek

 

5. Wegdagvaarden

 

6. Schrappen van het bezwaarschrift tegen de kennisgeving verdere vervolging en dagvaarding

 

7. Dagvaardingstermijn en de termijn voor het doen van opgave van getuigen

 

8. Verwijzing van meervoudige kamer naar politierechter

 

9. Rechter- en raadsheercommissaris

 

10. Regiezittingen/ wijziging samenstelling gerecht/artikel 422, lid 2 wetboek van strafvordering

 

11. Hoger beroep

 

12. Betekening

 

13. Aanwezigheidseis minderjarigen

 

14. OM-afdoening

 

Bijlage A samenstelling commissie verbetervoorstellen

 

Bijlage B noten

 

 

 

 

1. Inleiding

 

 

 

In de zomer van 2002 heeft de minister van justitie zich gewend tot onder andere de Raad voor de rechtspraak (hierna: de Raad) met het verzoek orthodoxe en onorthodoxe voorstellen te doen tot verbetering van het strafproces. Het verzoek kon, gelet op de zomervakanties en de korte termijn waarop een reactie werd verwacht, door de Raad slechts in kleine kring worden uitgezet, maar leverde desondanks een groot aantal suggesties vanuit de gerechten op. Een deel van deze suggesties is door de ministers van Justitie en BZK overgenomen in het op 11 oktober 2002 verschenen “Nationaal Veiligheidsprogramma”1.

 

 

 

Eén van de ingekomen voorstellen betrof de suggestie aan de Raad een Commissie Verbetervoorstellen in te stellen met als opdracht voorstellen tot wetswijziging te ontwikkelen die eveneens moeten leiden tot een efficiëntere strafrechtspleging. Deze suggestie is door de Raad overgenomen en in september 2001 is de Commissie Verbetervoorstellen (hierna: de Commissie) door de Raad ingesteld. De opdracht werd verbreed doordat werd verzocht ook voorstellen die betrekking hadden op de organisatie en logistiek van het strafproces in de rapportage aan de Raad mee te nemen. Vanuit de gerechten werden een aantal vertegenwoordigers aangezocht en bereid gevonden in de Commissie zitting te nemen2.

 

 

 

Werkwijze

 

De Commissie is op 21 oktober 2002 voor het eerst bijeengekomen. Besloten werd om nog voor de verkiezingen van 22 januari 2003 een eerste rapportage aan de Raad uit te brengen. Besloten werd voorts alle rechters en gerechtssecretarissen werkzaam in de strafsectoren aan te schrijven en uit te nodigen aan de Commissie door hen ervaren knelpunten in het strafproces kenbaar te maken, alsmede eventuele oplossingen. De bij de Commissie ingekomen reacties hebben in totaal 62 verbetervoorstellen opgeleverd, onder te verdelen in 38 voorstellen voor wetswijziging en 24 voorstellen die zien op verbeteringen in de interne organisatie van de gerechten en/of de logistieke afstemming, daaronder begrepen de afstemming met het OM en de balie.

 

 

 

Interim-rapportage

 

Deze eerste rapportage heeft betrekking op 20 voorstellen voor wetswijziging. Met betrekking tot een aantal voorstellen tot wetswijziging zal in het navolgende slechts in algemene zin worden ingegaan; het betreft hier voorstellen die ook al werden aangedragen bij de totstandkoming van het Nationaal Veiligheidsprogramma en waarvan inmiddels bekend is dat deze op korte termijn zullen leiden tot een wetgevingstraject, dan wel waarvan een wetgevingstraject reeds in gang werd gezet.

 

De Commissie hecht eraan ten behoeve van deze wetgevingstrajecten de door de gerechten gesignaleerde problemen en de voorgestelde oplossingsrichtingen onder de aandacht van de Raad te brengen, opdat deze door de Raad kunnen worden ingebracht in deze (lopende) wetgevingstrajecten.

 

 

 

De resterende voorstellen voor wetswijziging betreffen kleinere, maar niet onbelangrijke onderwerpen die naar het oordeel van de Commissie tot een verbetering van de efficiency van het strafproces kunnen leiden. Bij de bespreking van de voorstellen wordt zoveel mogelijk vastgehouden aan de indeling van het Wetboek van Strafvordering.

 

 

 

De Commissie is voornemens de hiervoor vermelde 24 organisatorische en/of logistieke verbetervoorstellen in de periode februari tot en met april 2003 uit te werken. Naar verwachting zal de Commissie medio april 2003 haar eindrapport aan de Raad kunnen uitbrengen.

 

 

 

Algemene opmerking

 

De Commissie heeft vooral inventariserende arbeid verricht, alsmede een eerste voorzichtige afweging gemaakt. Een positieve bevinding ten aanzien van een voorstel houdt geenszins het ongenuanceerde advies in dat voorstel zonder meer door te voeren. Bij verandering van wetgeving past een zorgvuldiger afweging dan de Commissie in de korte periode van haar functioneren heeft kunnen maken en horen voorts politieke keuzen die de Commissie uiteraard niet heeft willen maken. Anderzijds mag ook weer niet te lichtvaardig voorbijgegaan worden aan het feit dat de voorstellen voortkomen uit de levende rechtspraktijk en zijn gedaan mat de verwachting dat daarmee de kwaliteit van de rechtstoepassing wordt gediend.

 

 

 

In verschillende voorstellen lijkt de verbeterde doelmatigheid oppervlakkig bezien slechts ten nadele te strekken van de positie van de verdachte. De Commissie is echter van oordeel dat uiteindelijk een doelmatiger rechtspleging ten voordele zal strekken van alle procesdeelnemers. Als voorbeeld wijst zij op het streven naar kortere doorlooptijden.

 

 

 

 

2. Voorlopige hechtenis

 

 

 

De reacties met betrekking tot dit onderwerp vallen grofweg in twee delen uiteen: voorstellen die betrekking hebben op het terugdringen van het aantal raadkamerzittingen en voorstellen die zien op de totale duur van de voorlopige hechtenis. Er bestaat overigens een zekere overlap tussen beide groepen voorstellen.

 

Tot de eerste groep voorstellen behoren het voorstel de hoorplicht van verdachte bij de gevangenhouding te schrappen en het voorstel de periodes van de gevangenhouding en de verlenging gevangenhouding te verlengen. Als motivering wordt gegeven het voorkomen van ‘zinloos gesleep’ met mensen, temeer omdat de praktijk uitwijst dat zeker in de fase tussen de inbewaringstelling en de (eerste verlenging van de) gevangenhouding het belang van het onderzoek, al dan niet in combinatie van de ernst van het feit, de raadkamer alleen in bijzondere gevallen niet tot toepassing van de (verlenging van) voorlopige hechtenis zal overgaan.

 

Tot de tweede groep reacties behoren de voorstellen de inbewaringstelling door de rechter-commissaris te verlengen van 10 naar 14 dagen en de voorstellen de raadkamer de mogelijkheid te bieden de gevangenhouding voor een periode van 90 dagen te verlenen, eventueel met een mogelijkheid de voorlopige hechtenis ook daarna te verlengen. De motivering die in dit verband wordt gegeven is dat de praktijk uitwijst dat de totale termijn van de voorlopige hechtenis (met name bij de wat zwaardere strafzaken) te kort is om het vooronderzoek af te ronden, hetgeen leidt tot een toename van het aantal pro forma-zittingen.

 

 

 

De Commissie is geen voorstander de gevangenhouding meteen voor de volledige termijn (van thans 90 dagen) te bevelen. De Commissie acht het van belang dat de raadkamer ook ambtshalve en periodiek de noodzaak tot het voortduren van de voorlopige hechtenis toetst. De Commissie wijst in dit verband op de arresten Winterwerp3 en Letellier4 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: in onderlinge samenhang bezien leiden deze tot de conclusie dat een periodieke rechterlijke toetsing op de rechtmatigheid en redelijkheid (van het voortduren) van de voorlopige hechtenis verreist is. Immers ook in de gevallen waarin de rechtsorde aanvankelijk door de ernst van het feit is geschokt, kan het tijdverloop met zich brengen dat op grond van feiten en omstandigheden de voorlopige hechtenis niet langer ‘reasonable’ moet worden geoordeeld. De periodieke rechterlijke toetsing biedt –tot slot- de mogelijkheid het verloop van het voorbereidend onderzoek van officier van justitie te bewaken en –zo nodig - daarin te sturen door het stellen van termijnen.

 

 

 

In het voetspoor van het onderzoeksproject “Strafvordering 2001” is de Commissie wel voorstander van het verlengen van de termijn van de inbewaringstelling van 10 naar 14 dagen. Het horen van de verdachte bij gelegenheid van de gevangenhouding leidt niet zelden tot een herhaling van hetgeen reeds bij de rechter-commissaris werd opgemerkt. Dit klemt temeer indien men bedenkt dat in de regel de verdachte vrijwel nooit na ommekomst van de termijn van de inbewaringstelling op de vordering tot gevangenhouding wordt gehoord, maar –om logistieke redenen: de gerechten werken nu eenmaal met vaste zittingsdagen voor de raadkamer - meestal binnen een week nadat de rechter-commissaris de beslissing tot inbewaringstelling heeft genomen. Verlenging van de termijn van de bewaringstelling zal er toe kunnen leiden dat in meer strafzaken dan thans het geval is –met name de wat kleinere strafzaken - het dossier is aangevuld met extra informatie die de raadkamer een completer beeld geven van de noodzaak van verdere detentie.

 

 

 

De Commissie is voorts van mening dat geen noodzaak bestaat de verplichting de verdachte in het kader van een vordering tot gevangenhouding te horen te handhaven (artikel 65 Wetboek van Strafvordering). De verdachte die niet gehoord wenst te worden op de vordering, moet in de gelegenheid zijn afstand van het verhoor te doen.

 

 

 

De Commissie heeft kennis genomen van het voorstel van de Raad en het Parket-Generaal in het kader van het Nationaal Veiligheidsprogramma aan de minister van justitie om haast te maken met de invoering van het zogenaamde telehoren door de rechter-commissaris. De Commissie is van mening dat invoering van het telehoren ook van toepassing zou moeten zijn op het horen van verdachten door de raadkamer in verband met een vordering tot gevangenhouding of de verlenging gevangenhouding. Telehoren kan een bijdrage leveren aan het voorkomen van ‘gesleep’ met mensen met alle gevolgen van dien voor een tijdige aanvoer van verdachten in raadkamer.

 

 

 

De Commissie constateert dat het aantal pro-formazittingen toeneemt. Onder een pro-formazitting verstaat de Commissie een zitting die uitsluitend bedoeld is om de termijn van de voorlopige hechtenis veilig te stellen. Als zodanig moet de pro-formazitting worden onderscheiden van de –hierna te bespreken - regiezitting5.

 

De toename van het aantal pro-formazittingen levert een indicatie op dat de totale termijn van de voorlopige hechtenis de officier van justitie onvoldoende ruimte biedt een strafzaak ‘zittingsrijp’ aan te brengen. De Commissie realiseert zich dat deze constatering op zich niets zegt over de oorzaken daarvan. Het is de Commissie bekend dat daarnaar onderzoek wordt verricht. Indien dit onderzoek het vermoeden bevestigt dat de oorzaak (mede) gezocht moet worden in de toenemende complexiteit van de aangebrachte strafzaken, verdient het aanbeveling de maximale duur van de voorlopige hechtenis te verruimen. In dat kader zijn diverse varianten voorstelbaar; verruiming van de maximale duur kan worden bereikt door een derde verlenging gevangenhouding mogelijk te maken of door de termijnen van de (verlenging) gevangenhouding zelf te verruimen (bijvoorbeeld van 30 naar 45 dagen).

 

 

 

Samenvattend:

 

  • de termijn van de inbewaringstelling kan worden verlengd;

  • de hoorplicht van artikel 65 Wetboek van Strafvordering kan komen te vervallen;

  • de wet zou de mogelijkheid moeten bieden in het kader van de (verlenging van de) gevangenhouding telehoren mogelijk te maken;

  • de maximale termijn van de voorlopige hechtenis zou kunnen worden verruimd.

 

 

 

 

3. Schadevergoeding

 

 

 

Indien de verdachte van de gehele telastlegging is vrijgesproken, komt hij onder meer in aanmerking voor een vergoeding van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand (art 89 jo 591 Wetboek van Strafvordering). Bekend is dat verschillend wordt geoordeeld over de vraag of ook de verdachte die op grond van de Wet op de rechtsbijstand een raadsman toegevoegd heeft gekregen, nadien de advocaatkosten op grond van artikel 591a Wetboek van Strafvordering vergoed kan krijgen. De verschillende rechterlijke oordelen op dit punt werken in de hand dat met enige regelmaat onnodig procedures worden gevoerd.

 

 

 

Eenduidige wetgeving met betrekking tot de vergoeding van de kosten van de verdediging is gewenst.

 

 

 

4. Loskoppelen doorzoeking door de rechter-commissaris en het gerechtelijk vooronderzoek

 

 

 

Met de inwerkintreding van de wetsvoorstellen tot herziening van het gerechtelijk vooronderzoek en de invoering van de bijzondere bevoegdheden tot opsporing6 ligt het primaat van het vooronderzoek, inclusief de inzet van opsporingsbevoegdheden, bij de officier van justitie. Dit heeft grote gevolgen gehad voor het gerechtelijk vooronderzoek. Bood het gerechtelijk vooronderzoek oudtijds een kader waarbinnen de rechter-commissaris zowel het vooronderzoek leidde als (in dat kader) dwangmiddelen kon toepassen, sedert de inwerkingtreding van de wet herziening gerechtelijk vooronderzoek en de invoering van de wet BOB is het gerechtelijk vooronderzoek ‘nog slechts’ één van de wettelijke kaders waarbinnen de rechter-commissaris onderzoekshandelingen kan verrichten7 en geschiedt de toepassing van die dwangmiddelen in het vooronderzoek waar een rechterlijke toetsing door de wetgever voorgeschreven is, op vordering van de officier van justitie door afzonderlijke machtiging door de rechter-commissaris.

 

 

 

De wetgever heeft blijkens de parlementaire geschiedenis om systematische redenen bewust een tweedeling beoogd tussen enerzijds de onderzoekshandelingen in het vooronderzoek en anderzijds de adhoc rechterlijke toetsing voorafgaand aan de toepassing van dwangmiddelen door de officier van justitie. Een uitzondering is daarbij gemaakt voor de doorzoeking van de woning: deze kan ook thans alleen geschieden door de rechter-commissaris in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Deze keuze is werd mede ingegeven om redenen van rechtsbescherming.

 

 

 

De ervaring leert dat in veel gevallen het open en sluiten van het gerechtelijk vooronderzoek uitsluitend betrekking heeft op de doorzoeking van de woning: in de praktijk blijkt dat in het kader van het aldus geopende gerechtelijk vooronderzoek zelden onderzoekshandelingen worden verricht. De Commissie kan bij gebrek aan data geen uitspraak doen over de oorzaken daarvan.

 

Ondertussen brengt deze gang van zaken de nodige administratieve beslommeringen met zich; zo moet de verdachte op de vordering gerechtelijk vooronderzoek gehoord worden en van de sluiting moet hij in kennis worden gesteld. Een bijkomend praktisch probleem is dat het strafdossier formeel onder de rechter-commissaris berust, hetgeen tot veel (en in het veel voorkomend geval dat verder geen onderzoekshandelingen worden verricht: onnodige) dossierbewegingen noopt.

 

 

 

De doorzoeking van een woning dient losgekoppeld te worden van het gerechtelijk vooronderzoek .

 

 

 

5. Wegdagvaarden

 

 

 

Een gerechtelijk vooronderzoek kan op twee wijzen worden gesloten: bij afzonderlijke beschikking door de rechter-commissaris ex artikel 237 Wetboek van Strafvordering, dan wel –indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt - door het wegdagvaarden door de officier van justitie ex artikel 258, tweede lid Wetboek van Strafvordering.

 

Formeel mag het wegdagvaarden uitsluitend plaatsvinden in de termijn van de tweede verlenging van de gevangenhouding. Echter in HR 15 november 1994, NJ 1995, 130 werd bepaald dat het wegdagvaarden voordat de gevangenhouding voor de tweede maal is verlengd niet leidt tot nietigheid, nu de wet aan dit vormverzuim geen sanctie verbindt en verdachte in casu (cursief red.) daardoor niet in zijn belangen werd geschaad. De toevoeging dat verdachte in casu niet in zijn belangen werd geschaad moet worden bezien in het licht van s‘-Raads voorafgaande constatering dat het wegdagvaarden buiten de in het tweede lid van artikel 258 Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn op zich wel een verzuim van vormen met zich brengt.

 

Naar de mening van de Commissie zal deze vraag niet snel kunnen leiden tot het oordeel dat verdachte door het wegdagvaarden in de termijn van de gevangenhouding of de eerste verlenging in zijn belangen wordt geschaad, zodat niets er aan in de weg staat bij wet het wegdagvaarden op eerder moment toe te laten.

 

 

 

Het wegdagvaarden moet in alle stadia van de voorlopige hechtenis mogelijk zijn.

 

 

 

6. Schrappen van het bezwaarschrift tegen de kennisgeving verdere vervolging en dagvaarding

 

 

 

De artikelen 250 en 262 Wetboek van Strafvordering bieden de verdachte de mogelijkheid binnen acht dagen na betekening van kennisgeving verdere vervolging resp. de dagvaarding een bezwaarschrift tegen deze beslissingen van de officier van justitie bij de rechtbank in te dienen. De regeling heeft tot doel de verdachte de gang van een de publieke verantwoording tegenover de rechter te besparen indien op voorhand volstrekt duidelijk is dat de tegen hem aanhangige strafzaak niet tot een veroordeling kan leiden.

 

De rechter toets het bezwaarschrift marginaal: de afwijzing van het bezwaarschrift is reeds voldoende gemotiveerd indien wordt geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het telastgelegde geheel of ten dele bewezen zal achten8. De beperking tot de bewezenverklaring brengt met zich dat de raadkamer in ieder geval nooit toe kan komen aan de beoordeling van schulduitsluitingsgronden.

 

 

 

Bezwaarschriften ex de artikelen 250 en 262 Wetboek van Strafvordering worden met enige regelmaat ingediend. Het komt vrijwel nooit voor dat de raadkamer een dergelijk bezwaarschrift gegrond verklaard. Gelet hierop is het voor de Commissie zeer de vraag of het beslag dat dergelijke procedures leggen op de toch al spaarzame zittingscapaciteit opweegt tegen de beoogde rechtsbescherming voor de burger.

 

 

 

De procedures van de artikelen 250 en 262 Wetboek van Strafvordering kunnen komen te vervallen.

 

 

 

7. Dagvaardingstermijn en de termijn voor het doen van opgave van getuigen

 

 

 

Uit de bij de Commissie ingekomen reacties blijkt dat één van de belangrijkste oorzaken van het verlies van zittingscapaciteit de situatie is waarin kort voor de zitting door de verdediging getuigen worden gevraagd. De huidige wettekst maakt het mogelijk getuigen tot 3 dagen voor de dag van de terechtzitting op te geven (artikel 263, tweede lid Wetboek van Strafvordering). Deze termijn is in de praktijk meestal te kort om de getuigen nog te kunnen oproepen. Het thans bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte wetsvoorstel 28 477 beoogt voor dit probleem een oplossing te bieden: voorgesteld wordt de minimale dagvaardingstermijn te verlengen van 10 naar 14 dagen en de termijn van artikel 263, tweede lid te verlengen van 3 tot 10 dagen voor de terechtzitting. De verdediging krijgt derhalve vier dagen om getuigen op te geven. Hiermee zal waarschijnlijk een deel van de thans noodzakelijke aanhoudingen terechtzitting in verband met het niet-verschijnen van opgeroepen getuigen kunnen worden voorkomen.

 

 

 

Op 30 oktober 2002 vond overleg plaats tussen de Raad en de minister. Daarbij is het wetsvoorstel 28 477 aan de orde gekomen en werd door de minister de vraag gesteld of het aantal aanhoudingen in verband met het horen van getuigen zou kunnen worden verminderd indien de termijn van artikel 263, tweede lid Wetboek van Strafvordering niet op 10, maar op 21 dagen zou worden gesteld. Hierop is vanwege de Raad navraag gedaan bij de gerechten. Uit de reacties vanuit de gerechten is naar voren gekomen dat met name bij de Gerechtshoven een termijn van 21 dagen als zinvol ervaren wordt. Aan de minister werd inmiddels door de Raad bericht dat het zinvol lijkt in hoger beroep de termijn van artikel 263, tweede lid Wetboek van Strafvordering te stellen op 21 dagen met overeenkomstige aanpassing van de dagvaardingstermijn.

 

 

 

Vanuit enkele gerechten, die in het kader van voormeld adviestraject werden benaderd, maar ook in de reacties die bij de Commissie zijn ingekomen werd tevens gewezen op de situatie waarin op voorhand duidelijk is dat een aanvankelijk als “zittingrijpe zaak” aangeboden strafzaak zal moeten worden aangehouden om (een) getuige(n) (te doen) horen. In dergelijke gevallen zal het gelet op het tijdstip waarop -ook na wetswijziging - getuigen nog kunnen worden gevraagd in combinatie met de minimale dagvaardingstermijn van 14 dagen niet mogelijk zijn een andere zaak bij de rechtbank aan te brengen. Dat leidt in de praktijk vaak tot verlies van zittingscapaciteit. Deze verloren tijd zou eigenlijk gebruikt moeten kunnen worden om een andere strafzaak af te handelen, maar de minimale dagvaardingstermijn staat er aan in de weg dat een nieuwe zaak kan worden aangebracht, behoudens uiteraard het geval van artikel 265, tweede lid Wetboek van Strafvordering.

 

 

 

Binnen de Commissie is deze problematiek aan de orde geweest. Daarbij is de navolgende, mogelijke oplossing naar voren gekomen: de termijn voor het doen van opgave van getuigen zou eigenlijk langer moeten zijn dan de minimale dagvaardingstermijn. Dat lijkt vreemd, maar de praktijk is dat de meeste zaken op een veel langere termijn worden gedagvaard dan de minimale dagvaardingstermijn. “Loslopers” op de politierechter worden vaak gedagvaard op een termijn van 13 weken, voor de meervoudige kamer (gelet op de huidige krapte in het zittingsaanbod) soms op een nog veel langere termijn. Gedetineerden die voor de meervoudige kamer moeten voorkomen worden meestal ook op een langere termijn dan de minimale dagvaardingstermijn gedagvaard. In dergelijke zaken staat er in beginsel niets aan in de weg de verdediging te verplichten op een veel langere termijn dan 10 dagen voor de dag van de terechtzitting getuigen op te geven. Uiteraard moet daarnaast wel een voorziening getroffen worden voor het geval dat wel op de minimale dagvaardingtermijn wordt gedagvaard. Voor het geval dat de termijn voor het doen van opgave van getuigen gelijk is aan of langer dan de termijn waarop wordt gedagvaard (en die behoudens het bepaalde van artikel 265, tweede lid, dus nooit korter mag zijn dan veertien dagen) zou de verdediging tot 10 dagen voor de dag van de terechtzitting getuigen kunnen opgeven, zodat -conform wetsvoorstel 28 477- de verdediging altijd over tenminste 4 dagen beschikt om het verzoek tot de officier van justitie te richten.

 

 

 

De termijn voor het doen van opgave van getuigen zou langer moeten zijn dan de minimale dagvaardingstermijn, met een terugvalvoorziening voor het geval tegen de minimale dagvaardingstermijn wordt gedagvaard die er in voorziet dat de verdediging 4 werkdagen heeft het verzoek te doen.

 

 

 

8. Verwijzing van meervoudige kamer naar politierechter

 

 

 

Een niet onbelangrijk deel van de zittingscapaciteit van meervoudige strafkamers gaat op aan zaken die heel goed door een politierechter zouden kunnen worden afgehandeld. Vaak blijkt dat pas op de zitting. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan zaken die bij de meervoudige kamer terechtkomen omdat de zaak tegen een of meer mededaders van de verdachte inderdaad wel bij de meervoudige kamer thuis hoort. De overige mededader(s) hebben in het geheel een ondergeschikte rol gespeeld, maar om redenen van efficiency zijn alle zaken bij de meervoudige kamer aangebracht. Op het moment dat de zitting daar is of in de loop van de behandeling blijkt dat deze (alsnog) even goed door de politierechter zouden kunnen worden afgedaan.

 

De Commissie stelt voor dat de meervoudige kamer in een dergelijk geval de zaak zou moeten kunnen verwijzen naar de politierechter. De gedachte is dat zo’n verwijzing bij éénparigheid van stemmen zou moeten plaatsvinden. De politierechter die de zaak zal afdoen zou bij voorkeur een van de leden van de verwijzende kamer moeten zijn. De verwijzing zou uitsluitend op vordering van de officier van justitie moeten kunnen geschieden.

 

 

 

De meervoudige kamer zou de bevoegdheid moeten hebben bij haar aangebrachte zaken op vordering van de officier van justitie naar de politierechter te kunnen verwijzen.

 

 

 

9. Rechter- en raadsheercommissaris

 

 

 

Wetsvoorstel 28 477 beoogt onder andere –kort gezegd - de meervoudige kamer de mogelijkheid te bieden met instemming van de verdediging en de officier van justitie uit haar midden een lid van de meervoudige kamer te benoemen tot rechter-commissaris om onderzoekshandelingen te verrichten.

 

 

 

Recentelijk is op het wetsvoorstel vanuit de rechtsprekende macht kritiek gekomen9. Eén van de onderdelen van de kritiek betreft het instemmingsvereiste in het voorgestelde, gewijzigde artikel 316 Wetboek van Strafvordering. Gevreesd wordt dat ter terechtzitting discussie zal gaan ontstaan over de persoon van de rechter of raadsheer die door de meervoudige kamer wordt voorgedragen de getuigen of deskundigen als rechter-commissaris te gaan horen.

 

 

 

De Commissie stelt voorop dat voorgestelde wijzigingen van de artikelen 316 en 420 Wetboek van Strafvordering haar zinvol voorkomen. Met betrekking tot het instemmingsvereiste wil de Commissie het volgende opmerken.

 

Het instemmingsvereiste wordt in de Memorie van Toelichting gemotiveerd met een beroep op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Memorie van Toelichting stelt hieromtrent allereerst dat een “analyse van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leidt tot het standpunt dat niet aannemelijk is dat een rechter die uitsluitend getuigen of deskundigen heeft gehoord, op die grond gediskwalificeerd is als zittingsrechter.” Daar komt –de Memorie van Toelichting volgend - nog bij dat de door de meervoudige kamer uit haar midden aangewezen rechter-commissaris uitsluitend in opdracht van de meervoudige kamer handelingen kan verrichten, welke naar hun aard niet van zodanig substantiële aard zijn dat op grond daarvan verwacht mag worden dat de betrokken rechter het odium van vooringenomenheid op zich laadt.

 

Verder merkt de Memorie van Toelichting op dat het voorgestelde vereiste van de instemming van de officier van justitie en de verdediging betekent dat afstand wordt gedaan van het recht op berechting door rechters die geen onderzoek buiten de terechtzitting hebben verricht. De Memorie van Toelichting stelt tenslotte “Op de instemming kan niet worden teruggekomen”. Deze instemming is evenwel in de ogen van de minister niet absoluut: het instrument van de wraking blijft als corrigerend instrument op een onjuiste taakuitoefening van de ex 316 Wetboek van Strafvordering uit het midden van (het) zittende college benoemde rechter-commissaris natuurlijk onverkort overeind.

 

 

 

De Commissie is van mening dat het niet aannemelijk is dat het horen van getuigen en deskundigen door een lid van de meervoudige kamer ex 316 Wetboek van Strafvordering in opdracht van de zittingsrechter zal leiden tot zodanige substantiële beslissingen in het vooronderzoek dat serieus rekening gehouden moet worden dat deze zich daardoor zal diskwalificeren10.

 

Die mogelijkheid bestaat eigenlijk alleen in het geval de ex 316 Wetboek van Strafvordering benoemde rechter-commissaris een zgn. bedreigde getuige zou gaan horen, waarbij het toekennen van deze status (226a Wetboek van Strafvordering) en het oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige (226e Wetboek van Strafvordering) aan de rechter-commissaris wordt overgelaten. Voor deze situatie biedt de voorgestelde wetswijziging echter reeds een voorziening (zie artikel 316 nieuw, lid 2 laatste volzin).

 

Het thans voorgestelde instemmingsvereiste naast het instrument van de wraking komt de Commissie dan ook als overbodig voor. Het is ook contraproductief omdat het gevaar bestaat dat het in stemmingsvereiste als een verkapte vorm van wraking kan worden gebruikt. Gevreesd moet worden dat het instemmingsvereiste tot gevolg zal hebben dat van deze regeling weinig gebruik gemaakt zal gaan worden.

 

 

 

Het thans voorgestelde instemmingsvereiste in artikel 316 Wetboek van Strafvordering (nieuw) kan komen te vervallen.

 

 

 

10. Regiezittingen/ wijziging samenstelling gerecht/artikel 422, lid 2 wetboek van strafvordering

 

 

 

De Commissie verstaat onder een regiezitting, een zitting waarop geen inhoudelijke behandeling plaatsvindt, maar waarbij het zwaartepunt ligt bij de planning van de inhoudelijke behandeling van de voorliggende strafzaak in een later stadium. De rechtbank laat zich dan voorlichten over de stand van het onderzoek en beslist over de verzoeken van de zijde van de verdediging voor (door de rechter-commissaris te verrichten) onderzoekshandelingen, alsmede –indien aan de orde – de voorlopige hechtenis.

 

De regiezitting is als zodanig niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Dit betekent dat alle voorschriften die op een reguliere zitting van toepassing zijn onverkort gelden. Dat levert een aantal knelpunten op, waaronder de voorschrift dat bij gewijzigde samenstelling van het gerecht het onderzoek ter terechtzitting (telkens) opnieuw dient aan te vangen. Dit voorschrift –dat ook los van de regiezitting als knellend wordt ervaren - wordt hierna besproken; met betrekking tot de regiezitting zelf wil de Commissie enkele algemene opmerkingen maken naar aanleiding van de bij haar ingekomen reacties.

 

 

 

De Commissie deelt het door velen in het veld ervaren gevoelen dat de bij de gerechten aangebrachte strafzaken zwaarder (ernstiger) en complexer (bewerkelijker) zijn geworden. Deze toegenomen complexiteit van strafzaken, de hiervoor reeds vermelde constatering dat in toenemende mate het vooronderzoek niet gereed is binnen de thans geldende maximale termijn van de voorlopige hechtenis en de afgenomen betekenis van het gerechtelijk vooronderzoek maken dat het belang van sturing en planning steeds groter wordt. Binnen de gerechten wordt gezocht naar praktische oplossingen voor dit probleem. Zo is bij de Commissie bekend dat binnen sommige gerechten getracht wordt de raadkamer gevangenhouding een (informele) bemiddelende, sturende rol te geven bij het in zo vroegtijdig mogelijk stadium bespreekbaar maken en doorleiden van verzoeken van de verdediging om onderzoekshandelingen te verrichten en/of het appointeren van strafzaken.

 

 

 

Ook in de fase van of na de appointering, maar voorafgaand aan de zitting proberen voorzitters van de meervoudige kamer en politierechters vaak met de officier van justitie en de verdediging afspraken te maken over de planning van de ophanden zijnde behandeling van een strafzaak, b.v. in verband met verzoeken van de verdediging voor het (doen) verrichten van onderzoekshandelingen of het horen van getuigen. De wet voorziet niet in dergelijke handelwijzen. Als een en ander met instemming van partijen en met behoud van ieders verantwoordelijkheid plaatsvindt, terwijl daarvan in een briefwisseling of in een proces-verbaal (van de terechtzitting) verslag wordt gedaan, lijkt daar niets op tegen.

 

Ondertussen begrenst het vereiste dat alle relevante beslissingen ter terechtzitting genomen worden in niet onbelangrijke mate de mogelijkheden van de rechter serieus werk te maken van een voorafgaande planning en sturing. De Commissie beveelt dan ook aan bij de wetgever aan te dringen op het ontwerpen van een wettelijk kader waarbinnen de deze planning en sturing tot aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak vorm gegeven wordt.

 

 

 

Uit de bij de Commissie ingekomen reacties blijkt het bepaalde van artikel 322 Wetboek van Strafvordering als een hinderpaal voor een efficiënt verloop van regiezittingen ervaren te worden. Ook buiten het kader van de regiezitting hebben de Commissie reacties bereikt waarin wordt aangedrongen op wijziging van het dit artikel. Concreet betreft het dan het – jurisprudentiële - voorschrift het dat na schorsing van het onderzoek terechtzitting dit onderzoek opnieuw dient aan te vangen indien de samenstelling van de meervoudige kamer intussen is gewijzigd. In de praktijk wordt bij een gewijzigde samenstelling in de regel met instemming van de verdediging en de officier van justitie meestal volstaan met het aan de orde stellen van de/het proces(sen)-verbaal van de voorafgaande zitting(en).

 

Het opnieuw aanvangen van het onderzoek geeft voorts de mogelijkheid hernieuwd eerder gedane (en ook: afgewezen) verzoeken en vorderingen tot de rechtbank te richten. Dat kan er toe leiden dat getuigen en deskundigen die reeds op een eerdere zitting zijn gehoord, opnieuw moeten worden opgeroepen en gehoord.

 

 

 

De Commissie bepleit allereerst dat wettelijk geregeld wordt dat alle verzoeken en vorderingen op de eerste zittingsdag dienen te worden gedaan. Slechts indien sprake is van nova, kunnen nadien nieuwe verzoeken of vordering worden gedaan. Voorts stelt de Commissie voor de huidige praktijk van het aan de orde stellen van de/het proces(sen)-verbaal van de voorafgaande zitting(en) bij een gewijzigde samenstelling in overeenstemming te brengen met de huidige praktijk en te formaliseren, in die zin dat daarmee het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat in de stand waarin het zich bevond.

 

 

 

In het verlengde hiervan bepleit de Commissie artikel 422 Wetboek van Strafvordering, in het bijzonder het tweede lid, eveneens te herzien en in overeenstemming te brengen met de stand van de jurisprudentie. De Commissie schaart zich achter de bij haar ingekomen reactie dat het tweede lid gevoeglijk kan worden geschrapt. De jurisprudentie met betrekking tot de auditu-verklaringen brengt met zich dat de toegevoegde waarde buitengewoon gering is, zeker indien men daarbij tevens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het ondervragingsrecht van de verdediging betrekt. In dat licht valt thans niet meer in te zien waarom een voor het gerecht in eerste aanleg afgelegde, maar betwiste, verklaring van een getuige, welke is gegoten in de vorm van een proces-verbaal van de terechtzitting niet voor het bewijs zou mogen worden gebezigd.

 

 

 

Samenvattend:

  • er dient een wettelijk kader voor de regiezitting te komen;

  • verzoeken en vorderingen dienen –nova uitgezonderd- op de eerste zittingsdag te worden gedaan;

  • de artikelen 322 en 422 Wetboek van Strafvordering moeten in overeenstemming gebracht worden met de praktijk en de jurisprudentie.

 

 

 

 

11. Hoger beroep

 

 

 

In absolute aantallen heeft dit onderwerp de meeste reacties losgemaakt. De bij de Commissie ingekomen reacties hebben betrekking op drie deelonderwerpen die met het hoger beroep samenhangen; te weten het uitwerken van het schriftelijk vonnis in eerste aanleg ten behoeve van het hoger beroep, de wijze van instellen van hoger beroep en het doen van opgave van getuigen in hoger beroep.

 

 

 

Het is de Commissie bekend dat op korte termijn een departementale werkgroep aan de slag gaat om te rapporteren over de stroomlijning van hoger beroep en het verzet . In de werkgroep zullen vertegenwoordigers van de diverse geledingen zijn opgenomen. In verband hiermee zal de Commissie zich in dit stadium beperken tot enige opmerkingen van meer algemene aard.

 

 

 

Het zou wenselijk zijn met betrekking tot het hoger beroep na te denken over een regeling waarbij een gedifferentieerd onderscheid wordt gemaakt in welke gevallen en in welke mate het verkorte vonnis ex artikel 365a Wetboek van Strafvordering moet worden aangevuld. Meer concreet: de vraag dient gesteld te worden of de verdachte in alle gevallen in redelijkheid in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad indien een (volledige) uitwerking11 van het bewijsmiddelenoverzicht achterwege wordt gelaten, mede in het licht van het gegeven dat de verdachte binnen het huidig wettelijk stelsel het recht heeft op een volledig nieuwe feitelijke behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep.

 

 

 

Het zou –zeker indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt- wenselijk zijn om na te gaan of een wettelijk regime kan worden ontworpen waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen die appellen die zich uitsluitend richten op de in eerste aanleg opgelegde straf en de overige appellen, waarbij tevens de vraag aan de orde moet komen of in het eerste geval uitwerking van het vonnis nog enig belang dient. Voorts zou tevens aan de orde moeten komen in hoeverre een bindend grievenstelsel daaraan een bijdrage zou kunnen leveren.

 

 

 

In het voorgaande is reeds het een en ander opgemerkt over de termijnen voor opgave van getuigen in eerste en tweede aanleg. Verschillende reacties hadden betrekking op een andere variant voor het doen van opgave van getuigen in tweede aanleg: het zou wettelijk verplicht kunnen worden dat de getuigenlijst bij het instellen van het hoger beroep moet worden ingediend.

 

 

 

Binnen een nieuw wettelijk kader voor stroomlijning van het hoger beroep dient aandacht te worden gegeven aan:

  • de problematiek van het uitwerken van het schriftelijk vonnis in eerste aanleg,

  • de wijze van instellen van hoger beroep en

  • het doen van opgave van getuigen in hoger beroep.

 

 

 

 

12. Betekening

 

 

 

Bij de Commissie zijn enkele reacties met betrekking tot onderwerp ingekomen. Het is de Commissie bekend dat ook ten aanzien van dit onderwerp een departementale werkgroep op korte termijn van start gaat met als opdracht knelpunten in de huidige betekeningsregeling te inventariseren en met voorstellen tot verbetering te komen. De Commissie zal derhalve ook met betrekking tot dit onderwerp thans met enkele algemene opmerkingen volstaan.

 

 

 

Het Nederlands strafrecht kent voor de verdachte geen verplichting bij de berechting van zijn zaak aanwezig te zijn. De verdachte heeft het recht bij de berechting van zijn zaak afwezig te zijn. Dit ‘afwezigheidsrecht’ heeft verstrekkende gevolgen omdat het Wetboek van Strafvordering de fictie hanteert dat het niet verschijnen ter terechtzitting van de verdachte aan wie op rechtsgeldige wijze een dagvaarding of oproep is betekend, impliceert dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht ter terechtzitting aanwezig te zijn. Deze fictie heeft tot gevolg gehad dat de nadruk is komen te liggen op het verkrijgen van een rechtsgeldige betekening van de dagvaarding of oproep ter terechtzitting te verschijnen. De wijziging van de betekeningsregeling in 1994 –waarbij de betekening op het GBA-adres van de verdachte is ingevoerd - heeft zeer nadrukkelijk tot doel gehad het aantal nietige dagvaardingen of oproepen terug te dringen. De betekening op het GBA-adres bergt echter het risico in zich dat weliswaar een rechtsgeldige betekening wordt verkregen, maar dat daarmee nog niet vaststaat dat de dagvaarding of oproep de verdachte daadwerkelijk heeft bereikt.

 

Mede onder invloed van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft de HR in de loop der jaren een niet onbelangrijk aantal uitzonderingen op de betekening aan het GBA-adres geformuleerd. Deze uitzonderingen brengen met zich dat de rechter ook bij een rechtsgeldige betekening van de dagvaarding of oproep niet zonder meer de zaak tegen de verdachte buiten diens aanwezigheid mag afdoen en –derhalve - in een aantal gevallen de strafzaak moet aanhouden12.

 

 

 

Indien de dagvaarding/oproep niet in persoon, maar wel geldig is betekend en geen aanleiding bestaat de zaak in verband met het aanwezigheidsrecht van de verdachte aan te houden, zal de rechter verstek verlenen en de strafzaak buiten aanwezigheid van de verdachte af doen. Een dergelijk verstekvonnis wordt niet twee weken na de uitspraak onherroepelijk, maar eerst twee weken nadat het verstekvonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend.

 

Het aantal niet binnen twee weken onherroepelijk geworden verstekvonnissen in eerste aanleg van de meervoudige kamer en de politierechter bedraagt 12%13 van het totaal aantal misdrijfvonnissen. Bij de kantonstrafvonnissen ligt dat percentage nog veel hoger: 43%14 van deze strafvonnissen wordt niet na twee weken onherroepelijk. Onbekend is in welk percentage gevallen deze vonnissen uiteindelijk onherroepelijk worden; niet verwacht mag worden dat het hier om hele grote aantallen gaat.

 

Het is van belang dat het aantal niet-onherroepelijke strafvonnissen wordt teruggedrongen.

 

 

 

Een nieuwe berekeningregeling dient te voorzien in het terugdringen van het aantal nietige dagvaardingen/oproepen en het minimaliseren van het aantal verstekvonnissen/-arresten dat niet na 2 weken na einduitspraak onherroepelijk wordt.

 

 

 

13. Aanwezigheidseis minderjarigen

 

 

 

De Commissie bepleit op grond van de bij haar ingekomen reacties de afschaffing van de aanwezigheidseis voor minderjarigen bij jeugdstrafzaken en in aanvulling hierop die in hoger beroep voor verdachten die inmiddels 18 jaar zijn geworden. Beiden leiden in de praktijk tot veel aanhoudingen. Van belang is te onderkennen dat van een behandeling ter zitting waarbij de minderjarige aanwezig is een gedragscorrigerende werking kan uitgaan; indien in redelijkheid aangenomen mag worden dat de minderjarige daarvoor ontvankelijk zou kunnen zijn, zou aanhouding aan te bevelen zijn. De Commissie is van mening dat in het algemeen de kinderrechter zelf kan inschatten (al dan niet na zich te hebben laten voorlichten) of van een aanhouding met dat doel zinvol is. Voor het overige zou de kinderrechter de bevoegdheid moeten toekomen de strafzaak buiten afwezigheid van de minderjarige af te doen. Voor een beperking tot die minderjarigen die inmiddels meerderjarig zijn geworden ziet de Commissie geen aanleiding.

 

 

 

De aanwezigheidseis voor minderjarigen kan komen te vervallen.

 

 

 

14. OM-afdoening

 

 

 

Het is de Commissie bekend dat ten aanzien van dit onderwerp op korte termijn wetgeving te verwachten is. De Commissie is van mening dat veel meer zaken zich lenen voor een OM-afdoening dan thans het geval is. Voorwaarde is wel dat bij een verschil van inzicht de toegankelijkheid tot de rechter gewaarborgd blijft.

 

 

 

Het aantal zaken dat voor een OM-afdoening in aanmerking komt moet worden vergroot

 

 

 

Bijlage A Samenstelling Commissie Verbetervoorstellen

 

 

 

Voorzitter

 

Mr. R.S. Croll

 

 

 

Leden

 

Mr. B.G.L. van der AA

 

Mr. J.P. Bordes

 

Mr. H. Buyne

 

Mr. J.C.M. Claassens

 

Mr. R. van den Heuvel

 

Mr. M.J.C. van der Kamp

 

Mr. I.M. Koopmans

 

Mr. K. van der Meijde

 

Mr. P.K. van Riemsdijk

 

Mr. J. Silvis

 

Mr. I.E. de Vries

 

 

 

Secretariaat

 

Mr. W.H.J. Stemker Köster

 

Drs. J.Ph. Visser

 

 

 

 

Bijlage B Noten

 

 

 

1 Zie in dit verband de pagina’s 44 tot en met 48 van het Nationaal Veiligheidsprogramma.

 

2 Bijlage A geeft een lijst van deelnemers.

 

3 EHRM 24 oktober 1979, NJ 1980, 114

 

4 EHRM 26 juni 1991, NJ 1995, 575

 

5 Zie pagina 10 van het advies.

 

6 wetten van 18 mei 1999 resp. Stb 1999, 243 en 245, hierna resp. aan te duiden met wet herziening gerechtelijk vooronderzoek en wet BOB

 

7 De mini-instructie van 36a Wetboek van Strafvordering, de instructie van 36e Wetboek van Strafvordering en de terugverwijzing ex 316 Wetboek van Strafvordering.

 

8 HR, 28 mei 1985, NJ 1986,93.

 

9 Zie artikel van mr Lensing in Trema, november 2002.

 

10 De Cubber (EHRM 26 oktober 1984, A 86, NJ 1988, 744) en Hauschildt (EHRM24 mei 1989, A 154, NJ 1990, 627)

 

11 HR 8 mei 2001, AB1567 en 5 maart 2002, AD 8883, alsmede Zoon (EHRM 7 december 2000, NJ 2001, 558)

 

12 HR, 12 maart 2002, NJ 2002, 317

 

13 Cijfers aangedragen door Parket-Generaal, cijfers voor de tweede aanleg zijn niet voorhanden.

 

14 Idem noot 13.

 

 

 

De Minister van Justitie
Directie Wetgeving
Postbus 20301
2500 EH Den Haag

 

Den Haag, 2 mei 2002

 

Uw kenmerk : 5149051/02/6
Ons kenmerk : 1.18/AdG/558
Bijlage(n) : --
Onderwerp : wijziging verjaringsregels

 

Geachte heer Korthals,

In uw brief d.d. 19 maart 2002 met bovengenoemd kenmerk verzoekt u de wetenschappelijke commissie van de NVvR commentaar te leveren op het concept wetsvoorstel wijziging verjaringsregeling.

De keuze van de wetgever om tot verhoging van de verjaringtermijnen te komen betreft een politieke vertaling van een maatschappelijke wens. De wetenschappelijke commissie ziet dan ook geen aanleiding tot het maken van algemene (juridische) opmerkingen over de consequenties voor de rechterlijke macht. Wel vraagt de wetenschappelijke commissie uw aandacht voor het onderstaande.

Op grond van artikel 77d Wetboek van Strafrecht bedraagt de verjaringstermijn van misdrijven voor minderjarige verdachten de helft van de gewone. In de voorgestelde toevoeging aan artikel 72 tweede lid Wetboek van Strafrecht is sprake van tweemaal de voor dat feit geldende verjaringstermijn. Hier wordt geen onderscheid gemaakt tussen minderjarigen en meerderjarigen, hetgeen voor de eersten nadelig uitwerkt.

Het is de vraag of dit uw bedoeling is; wellicht dat in de memorie van toelichting aandacht geschonken kan worden aan deze vraag.

Namens de wetenschappelijke commissie,

 

G. Chr. Kok

Voorzitter.

 

 

 

Voorstellen RECHTERSLEGER om tot verbetering strafproces tegen burgers in het voordeel van de overheid te komen 

3. Mag een verdachte in verzekering worden gehouden teneinde een op voorkoming van vervolging betrekking hebbend stuk aan de verdachte in persoon uit te reiken? 

 

263

ADVIES

inzake

Het wetsvoorstel inzake wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken

1. Inleiding
Bij brief van 23 december 2003 heeft de Minister van Justitie aan de NVvR advies verzocht over een conceptvoorstel van wet tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken. Het advies is voorbereid door een werkgroep van de vereniging (werkgroep Strafvordering 2001) en is vastgesteld door de wetenschappelijke commissie van de NVvR.

2. Voorstel
Het conceptvoorstel van wet is tot stand gekomen op basis van het rapport “Betekening van dagvaardingen. Onderzoek naar wet en uitvoering in strafzaken”, welk rapport op 23 juni 2003 bij brief van de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer is aangeboden.

De belangrijkste grond voor het onderhavige wetsvoorstel is het verlies aan zittingscapaciteit door aanhoudingen van strafzaken en nietigverklaringen als gevolg van gebreken in de betekening van dagvaardingen. Voorts vermeldt de conceptmemorie van toelichting dat, ondanks het overzichtsarrest HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, de regeling op sommige punten als onvoldoende duidelijk wordt ervaren. Voorts wordt melding gemaakt van de eisen die art. 6 EVRM stelt met betrekking tot het recht van de verdachte om de terechtzitting bij te wonen.

De wijzigingsvoorstellen kunnen als volgt worden samengevat:
- uitbreiding van de gronden voor ophouding voor onderzoek en inverzekeringstelling, zodat het nemen van de vervolgingsbeslissing en het uitreiken van de dagvaarding – in tegenstelling tot de huidige situatie – zelfstandige redenen worden voor de toepassing van deze twee dwangmiddelen;
- aanpassing van artikel 588, eerste lid, onder a Sv, zodat de eerste stap in de betekeningprocedure is dat via het systeem “VIP” wordt nagegaan of de verdachte ergens is gedetineerd, waarna op de detentieplaats in persoon moet worden betekend;
- codificatie van enkele in de rechtspraak geformuleerde regels, waaronder die met betrekking tot de verzending van een afschrift van de dagvaarding aan een ander door de verdachte opgegeven adres dan het GBA-adres;
- doorhaling van het vereiste in artikel 370a Sv om de aanvulling van de verkorte dagvaarding te betekenen in geval van oproeping bij misdrijven.

3. Commentaar

3.1. De NVvR heeft met belangstelling kennis genomen van het voorstel en meent dat dit kan bijdragen tot een helderder regeling voor de rechtspraktijk. Een wijziging van de betekeningvoorschriften waardoor in meer gevallen dan thans de verdachte op de hoogte kan raken van de datum en plaats van de terechtzitting is zowel in het belang van de verdachte als in het belang van de strafrechtspleging als geheel. Het voordeel voor de verdachte is dat deze beter in de gelegenheid zal zijn gebruik kan maken van het aanwezigheidsrecht. Het voordeel voor de strafrechtsketen is dat verlies van zittingscapaciteit wegens ontoereikende betekeningen wordt vermeden en dat uitspraken sneller onherroepelijk zullen zijn.

De NVvR plaatst kanttekeningen bij de navolgende onderdelen van het voorstel:

3.2.1. Het voorgestelde artikel I onderdeel A voorziet in de mogelijkheid een verdachte in verzekering te houden teneinde een op de vervolging of voorkoming van vervolging betrekking hebbend stuk aan de verdachte in persoon uit te reiken. Voor zover het gaat om betekening van een dagvaarding in persoon lijkt deze uitbreiding zinvol. Voor zover het echter gaat om uitreiking van stukken die betrekking hebben op het voorkomen van een vervolging, zoals oproepingen voor een zogenaamde officierszitting of transactievoorstellen, ziet de NVvR in de voorgestelde wijziging alleen winst indien náást het op voorkoming van vervolging betrekking hebbende stuk tevens een op vervolging betrekking hebbend stuk wordt uitgereikt (zoals een voorwaardelijke dagvaarding voor het geval dat het transactiebedrag niet tijdig wordt betaald). Wanneer de nieuwe mogelijkheid uitsluitend zou worden gebruikt voor het uitreiken van een transactievoorstel of iets dergelijks, gaat het om een voor een verdachte ingrijpende vrijheidsbeneming waarvan de meerwaarde beperkt is: indien het transactiebedrag niet wordt betaald zal alsnog een dagvaarding nodig zijn. Overigens heeft de NVvR moeite met de term “onderzoeksbelang” wanneer het uitsluitend gaat om de uitreiking van een gerechtelijk schrijven. Een term als “in het belang van de strafvordering” zou een passender aanduiding kunnen zijn.

3.2.2. Blijkens het voorgestelde artikel 57, vijfde lid, dient, in geval het onderzoeksbelang uitsluitend nog bestaat uit het uitreiken van het stuk, de uitreiking zo spoedig mogelijk plaats te vinden. De concepttekst van de memorie van toelichting heeft bij lezing tot enige verwarring geleid. Wellicht kan in de toelichting op de onderdelen A en B iets duidelijker onder woorden worden gebracht dat niet alleen ten aanzien van de ophouding (het nieuw voorgestelde negende lid van art. 61), maar ook ten aanzien van een in verzekering gestelde verdachte de uitreiking van het stuk mogelijk is in de nachtelijke uren.

3.3. Artikel I onderdeel K bepaalt dat indien de verdachte is gedetineerd in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft dan wel in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen, de uitreiking in persoon plaatsvindt. Dit houdt verband met een verplichting tot het checken in de VIP (verwijsindex personen) of de betrokkene ergens gedetineerd is. In de conceptmemorie van toelichting is gesteld dat nog wordt onderzocht of de verplichting tot het houden van een VIP-check ook zou moeten gelden voor kantonzaken. De NVvR is er voorstander van dat ten aanzien van de verplichte VIP-controle geen onderscheid wordt gemaakt tussen kantonzaken en zaken die voor de politierechter of een meervoudige kamer dienen. Een VIP-controle in alle gevallen komt een uniforme werkwijze bij het parket ten goede en vergroot de kans dat de dagvaarding in een kantonzaak de betrokken gedetineerde, die thuis geen post kan ontvangen, daadwerkelijk bereikt. Wel is voor deze check personeelscapaciteit nodig.

3.4.1. Artikel I onderdeel L van het concept wetsvoorstel (art. 588a nieuw) bepaalt in welke gevallen een afschrift van de dagvaarding of oproeping van verdachte om op de (nadere) terechtzitting te verschijnen, moet worden toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres. Uit de concepttoelichting (par. 2 en 4c) blijkt dat dit onderdeel verband houdt met de rechtspraak over toezending van een afschrift indien de verdachte een ander adres dan het GBA-adres heeft opgegeven.

3.4.2. De NVvR heeft moeite met het voorgestelde tweede lid van art. 588a (“De verdachte kan in het adres, bedoeld in het eerste lid, wijziging brengen door een verklaring in persoon af te leggen bij het openbaar ministerie bij hetwelk de zaak in behandeling is”). Blijkens de conceptmemorie van toelichting is het vereiste van een persoonlijke verklaring ten parkette gesteld om misbruik te voorkomen: kwaadwillende verdachten zouden door veelvuldige adreswijzigingen de correcte uitvoering van de betekeningprocedure kunnen frustreren. Dat risico valt inderdaad niet te ontkennen, maar in de overgrote meerderheid van gevallen is het nogal formalistisch om van iemand te vergen dat hij een adreswijziging persoonlijk komt aangeven: het desbetreffende parket kan ver van de woonplaats gelegen zijn. Het is maatschappelijk gebruikelijk om adreswijzigingen per post door te geven. Bovendien heeft het zin om verdachten die de moeite willen nemen van het doorgeven van hun adreswijziging zoveel mogelijk tegemoet te komen. Wel moet worden vermeden dat achteraf discussie ontstaat over de vraag of de brief ten parkette is binnengekomen; gedacht zou kunnen worden aan een opgaaf per aangetekende brief.

3.4.3. Daarnaast signaleert de NVvR dat een probleem ontstaat wanneer een adres wordt opgegeven of gewijzigd op andere momenten in de procedure dan die welke in het voorgestelde artikel 588a zijn voorzien. Bijvoorbeeld een adresopgave bij gelegenheid van het verhoor door de rechter-commissaris, op een tweede terechtzitting, of een adreswijziging die op andere wijze dan in persoon is doorgegeven. Wat telt dan als het laatste adres? In de toekomst, wanneer de strafadministratie geheel zal zijn geautomatiseerd, zal het mogelijk zijn op een eenvoudige wijze adreswijzigingen in het systeem in te voeren zodat in iedere fase van de strafprocedure bekend is wat het laatste adres van de verdachte is. Bij de huidige werkwijze is men nog te vaak afhankelijk van een aantekening op (de omslag van) het dossier, inhoudende dat het adres gewijzigd is. De NVvR wil dan ook aandacht vragen voor de noodzaak van een goed geautomatiseerd systeem waarin adresopgaven en latere adreswijzingen op een eenvoudige wijze kunnen worden verwerkt en ingezien. Voor de huidige situatie vraagt de NVvR aandacht voor de noodzaak van goede instructies aan de politieambtenaren teneinde de naleving van het voorgestelde artikel 588a mogelijk te maken. Ook wijst zij op de extra werkbelasting van een apart registratiesysteem voor adreswijzigingen in strafzaken waarvan het dossier nog niet bij het parket is binnengekomen.

3.4.4. Over het voorgestelde artikel 588a zijn nog enkele opmerkingen van redactionele aard te maken:
- In het voorgestelde artikel 588a, eerste lid sub a, is bepaald dat de verdachte bij zijn verhoor aan “de verhorende ambtenaar” een adres in Nederland kan opgeven. Wat wordt onder de verhorende ambtenaar verstaan? De NVvR adviseert hier te preciseren dat het moet gaan om een verhoor in de desbetreffende strafzaak. Een verdachte kan immers, zeker wanneer tegen hem in meerdere arrondissementen strafzaken lopen, in het kader van de verschillende strafzaken verschillende adressen opgeven, hetgeen moeilijk controleerbaar is.
- Hiervoor kwam al even aan de orde dat de situatie zich kan voordoen dat een proces-verbaal nog niet is doorgestuurd naar het parket en de zaak derhalve nog niet in het automatiseringssysteem van het parket is opgenomen. In dat geval zal het doorgeven van een adreswijziging bij het parket tot problemen kunnen leiden.
- Voorts is onvoldoende duidelijk wat de rol van een ingevolge artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering gemachtigde raadsman is ten aanzien van het doorgeven van een adreswijziging. Het ligt in de rede dat een uitdrukkelijk gemachtigd raadsman voor een verdachte een adreswijziging moet kunnen doorgeven.
- Het voorgestelde artikel 588a, eerste lid, noemt geen termijn voor toezending aan het opgegeven adres. Dit zou in de rechtspraktijk tot onzekerheid kunnen leiden.
- In de conceptmemorie van toelichting kan wellicht nog aandacht worden besteed aan de status van het door de verdachte opgegeven adres: kan een verdachte die een adres heeft opgegeven als bedoeld in het voorgestelde artikel 588a nog steeds worden aangemerkt zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland? (art. 67, tweede lid Sv).
- Tenslotte vraagt de NVvR zich af of in het voorgestelde artikel 588a, derde lid, sub c, niet ten onrechte als een uitzondering op de toezendingplicht is opgenomen het geval dat de dagvaarding of oproeping is uitgereikt aan een andere persoon als bedoeld in artikel 588, derde lid, onder a (huisgenoot). In geval van uitreiking aan een huisgenoot is niet zeker dat de verdachte de dagvaarding of oproeping daadwerkelijk heeft ontvangen. (De uitreiking aan een gemachtigde, art. 588, derde lid, onder b, biedt die zekerheid wel en kan daarom blijven staan).

3.5.1. Artikel I onderdeel N (art. 509 lid 3) regelt dat wanneer niet is voldaan aan de vereisten van het voorgestelde artikel 588a hetzij de betekening nietig wordt verklaard, hetzij het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd wordt geschorst.

3.5.2. De mogelijkheid van een nietigverklaring kan beter worden geschrapt. In de rechtspraak wordt in een dergelijk geval geëist dat het onderzoek wordt geschorst indien het afschrift van de (op het GBA-adres geldig uitgebrachte) dagvaarding niet aan het door de verdachte opgegeven adres is toegezonden. Het noemen van de sanctie van nietigverklaring kan op deze plaats tot verwarring aanleiding geven. Overigens spreekt art. 348 Sv over de geldigheid van de dagvaarding.

3.5.3. Een praktisch bezwaar tegen de voorgestelde bepaling is dat zij uitsluitend voorziet in een schorsing van het onderzoek voor bepaalde tijd. In de praktijk komt het regelmatig voor dat de rechter geen overzicht heeft van de feitelijk beschikbare zittingsruimte op een toekomstige zittingsdatum, zodat een schorsing voor bepaalde tijd niet altijd mogelijk is. Het ware beter, in de wettekst de mogelijkheid open te houden dat het onderzoek voor onbepaalde tijd wordt geschorst.

3.5.4. Het voorgestelde artikel 590, derde lid, onder b, geeft als een van de uitzonderingen aan: het zich voordoen van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid. Deze uitzondering is aan de rechtspraak ontleend, maar zal in de praktijk weinig betekenis hebben naast de voorgestelde uitzondering onder a, te weten dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de (nadere) terechtzitting tevoren aan de verdachte bekend was.

3.5.5. In het vierde lid van het voorgestelde artikel 590 is bepaald dat, in geval van schorsing van het onderzoek, aan de verdachte op het opgegeven adres een kennisgeving van de nadere zitting wordt toegezonden met daarbij een afschrift van de dagvaarding of oproeping. Tevens is bepaald dat een oproeping ex artikel 319, tweede lid, Sv achterwege kan blijven indien het onderzoek binnen twee maanden wordt hervat. De NVvR meent dat wanneer de wetgever, bij schorsing van het onderzoek, kiest voor het achterwege laten van een oproeping ex art. 319, tweede lid, Sv, de regeling onnodig wordt gecompliceerd door het vereiste van hervatting binnen twee maanden. Zij geeft in overweging de termijn van twee maanden te laten vallen of een ruimere termijn te hanteren: zittingen worden dikwijls op een langere termijn dan twee maanden gepland.

3.6. De overige voorgestelde bepalingen geven de NVvR geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Conclusie
De NVvR meent dat het conceptvoorstel van wet kan bijdragen tot een verheldering van de betekeningvoorschriften en volstaat verder met kanttekeningen van overwegend wetstechnische aard.

 

Den Haag, 1 maart 2004

Namens het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak,
de wetenschappelijke commissie

 

Kind naar CEL? Wie is de ziektekostenverzekeraar? Heeft u compleet dossier ziektekostenverzekeraar van uw kind?
685

PROBLEEMburgemeesters, helpt u mee met het indienen van verzoeken om hun (bestuurlijke) nevenfuncties?

655

Wie is de ziektekostenverzekeraar bij OTS en UHP? Heeft u als ouders compleet dossier ziektekostenverzekeraar van uw kind?

115

Vormverzuim ONRECHTMATIGE VRIJHEID ONTNEMING VERDACHTE DOOR OPENBAAR MINISTERIE! De politierechter is -met de officier van justitie- van oordeel dat er aldus sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

543

Logtenberg met Hop tegen SGJ: " Indien er geen sprake is van ernstige gedragsproblemen kan kind NIET in een kindergevangenis opgesloten worden! Verzoekschrift SGJ OTS/opsluiting kind in kindergevangenis door rechtbank Zutphen afgewezen!

471

Keiharde toezeggingen directie JJI Harreveld overleg met Hop tijdens schorsing zitting College Advies Justitiële Kinderbescherming

102

Vraag 1 in iedere zaak met kind naar JJI! Kloppen de ondertekeningsblokken onder ieder BESLUIT en/of VERZOEKSCHRIFT en worden juridisch juiste beroepsmogelijkheden vermeld? Vraag 2 heeft u een Wob 102 verzoeken ingediend? Vraag 3 heeft u gelijk een BEZWAARSCHRIFT ingediend tegen (iedere regel) in ieder Plan van Aanpak, Indicatiebesluit, HVP, behandelplan waar de ouders het NIET MEE EENS ZIJN? Indien neen, waarom niet?

653

Kind naar CEL? Staat NAAM RECHTER in oproep vermeld? Indien neen gelijk klacht 653 indienen en onderzoek doen naar de KIR

605

Wraking kinderrechter die weigert op een hoorzitting eerst de VOORVRAGEN te toetsen

664

In Nederland hoeft een raadsrapport niet sterk en overtuigend te zijn om een bijdehand ABN meisje dat de gezinsvoogd op haar fouten corrigeert op te sluiten in CEL 12 een eigen kamertje van een paar vierkante meter zonder raam (177)

435

Klopt de feitelijke chronologische weergave hoorzitting in het proces-verbaal na WRAKING (605) van een kinderrechter?

479

CIZ indicatiebesluit, wat is het verschil met een BJZ indicatiebesluit en hoe is de NORM voor het cijfer 84 tot stand gekomen?

491

Modelverzoek 491 om respect CIZ voor de ouders minderjarige met verzoek afschrift compleet (elektronisch) dossier

055

Klacht GEGROND met Hop als gemachtigde tegen JJI! Minderjarige mocht ten onrechte ALS STRAFMAATREGEL niet naar school

341

Voorstellen RECHTERSLEGER om tot verbetering strafproces in het voordeel van de overheid tegen burgers te komen

293

DNA-onderzoekminderjarigen in kindergevangenissen is gericht op het vaststellen van uiterlijke persoonskenmerken

319

Met Balkenende/Rouvoet aan het bewind zal ADHD medicijngebruik explosief toenemen als grond voor staatsopvoeding kinderen

392

Het gevaar! Na de rechterlijke macht wil ook de ADHD stichting de media aan een leidraad door de media aan te sturen! Worden door verkeerd ADHD medicijngebruik kinderen bij ouders weggehaald om als "proefkonijnen" opgesloten te worden in JJI of kindertehuis

374 Hoe worden persoonsgegevens van ouders en kinderen door verzekeraars gebruikt/misbruikt na contacten met "jeugdzorg"?
279 Hop Procederen met Hop! Minderjarige ontslaat haar advocaat op advies van Hop, opsluiting minderjarige in JJI wordt afgewezen!
055

Hop Werkaantekeningen en contactjournaal: Eerste bonafide uitspraak College van Advies Justitiële Kinderbescherming

086 Hop Bezwaarschrift Hop GEGROND inzake publicatie namen medewerkers overheid met hun telefoonnummer bij de overheid
669 Hop Klacht gegrond Stichting William Schrikker Groep ONBEGRIJPELIJK na bijna 1 jaar JJI/OTS nog geen Plan van Aan pak gemaakt
100 Voldoen rapporten "jeugdzorg" aan de kwaliteitseisen die aan een rapport kunnen worden gesteld om kind in JJI op te sluiten?
334 BOPZ Misbruik van bevoegdheden, wie zich niet coöperatief opstelt, kan door een overheid als geestesziek worden aangemerkt
202 Kent u de juridische juiste naam van de kindergevangenis? Wie is juridische eigenaar van de kindergevangenis van uw kind?
444 Iedere Nederlander hoort de WET te kennen! Kent u alle wetten en regelgeving die gelinkt kunnen worden aan JJI?
472 Een kinderrechter hoort de WET te kennen maar heeft maling aan de WET om steeds in voordeel "jeugdzorg" te beslissen
276 13 november 2000 MvJ vraagt NVvR advies over concept reglement justitiële jeugdinrichtingen met bijbehorende nota van toelichting
427 Om vrijheid van meningsuiting te onderdrukken gebruikt de jeugdzorg een advocaat met baantjes bij kerk en school
540 Het gevaar! De Staat wil van ieder kind een risico analyse maken met de school als leverancier van kinderen voor "jeugdzorg" is een van de kenmerken van de griezelige bemoeizucht van een christelijk kabinet met de opvoeding van kinderen door ouders
383 Stemwijzer! Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! STEM NIET OP CDA, Christen-Unie, SGP en VVD! Stem WEL op andere partij!

top