Het
gevaar! School, jeugdzorg & Big
Brother is watching you! CDA-rechter
en MvJ Donner wil nu de vrijheid om het doen en laten
van de hele bevolking vast te leggen. Donner acht het misplaatst en
onverantwoord te zoeken naar de schuldigen in zaak Savannah!
1. Op de site CIN wordt uitgegaan van SAMENWERKING tussen MvJ,
school,jeugdzorg en rechtersleger op weg naar SCHAALVERGROTING jeugdzorg 124)
2. Rapporten van het Ministerie van Justitie Raad voor de
Kinderbescherming NIET GERICHT zijn op waarheidsvinding (345)
maar op mogelijkheden die partijen hebben om in een
geschil een oplossing te vinden waarbij de Kinderbescherming zonder
zijwegen toeschrijft naar de gewenste MvJ
conclusie (10)
(11)
3. Waarbij (jeugdige) daders die kinderen in elkaar blijven
slaan steeds VRIJUIT kunnen gaan (581)
4. Om de
slachtoffers van dit
soort mishandeling op te kunnen sluiten in een kindertehuis van een paar
vierkante meter zonder raam (177)
5. Waarbij GEZINSVOOGDEN die zich in valse hoedanigheid als VOOGDEN
voordoen steeds VRIJUIT kunnen gaan (101)
6. De school de betrokken ouders van het slachtoffer VALS gaat
beschuldigen van kindermishandeling tijdens groot overleg (575)
7. Zodat Christen-Unie Minister van Jeugd en Gezin steeds meer geld aan
"jeugdzorg" kan geven om burgers in de gaten te houden (624)
8. Om in onderonsjes met het rechtersleger steeds meer ouders UIT HET
GEZAG te zetten voor STAATSOPVOEDING van kinderen in Nederland (180) |
Censuur
in Nederland © |
Stockholmsyndroom
To
whom it may concern
Project
kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel
Project
strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd
Project
bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij
kinderbeschermingsmaatregelen
Schriftelijke
Aanwijzing
Project
BEZWAAR tegen Plan van Aanpak
De norm! Betere
rechters in Nederland kenmerken zich door waarheidsvinding
en niet als een PAPEGAAI de jeugdzorg
NAPRATEN!
Project
BEZWAAR tegen HVP zorgverlener
Secretaris-Generaal mr.J.J.H.
Suyver (39) van het Ministerie
van Justitie bevestigt namens de Staatssecretaris "Onderzoek
Raad voor de Kinderbescherming is niet gericht op waarheidsvinding"
Onderwerp: De
klacht van de heer Zander (156)
Naar aanleiding van de klacht van
de heer Zander te Deventer heb ik informatie ontvangen van de directie Oost van
de raad voor de kinderbescherming. Ter informatie sluit ik het ambtsbericht van
de directeur en de door hem meegezonden bijlagen bij. Na aanleiding van de
klacht van de heer Zander over de raad voor de kinderbescherming te Zwolle met
betrekking tot een onderzoek naar de mogelijkheden tot voortzetting van de
omgangsregeling met zijn kind bericht ik u als volgt.
De raad voor de kinderbescherming
stelt na een verzoek van de rechter om advies inzake een omgangsregeling een
onderzoek in. De raad volgt in onderzoeken de beleidsaanwijzingen en
beleidsaanbevelingen (opgenomen in Normen II, Den Haag, september 1992). De
beleidsaanwijzingen voor een onderzoek in een omgangsregeling na echtscheiding
zijn opgenomen in hoofdstuk IV van genoemd Normen II-rapport.
Op basis van de mij verstrekte
gegevens constateer ik dat:
1. de raad het
onderzoek naar de mogelijkheid van de voortzetting van een omgangsregeling van
de heer Zander met zijn
kind volgens het voorgeschreven beleid
heeft onderzocht;
2. de raad het
nodig achtte een deskundige te raadplegen om een beeld te krijgen van de
situatie van het kind;
3. de weergave
in het rapport zorgvuldig is. De mening van zowel de vader als de moeder komen
voldoende naar
voren. (Overigens
merk ik op dat een onderzoek niet is gericht op waarheidsvinding, maar
op de mogelijkheden
die beide partijen hebben om in het geschil
een oplossing te vinden);
4. in het
rapport de meningen van de betrokkenen duidelijk worden onderscheiden van de
visie en de conclusie van
de raadsonderzoeker;
5. de
onderzoeker in zijn visie uitgebreid ingaat op de situatie en op de (on)mogelijkheden
die hij ziet;
6. de heer
Zander niet heeft willen reageren op het concept dat hem is voorgelegd.
Ik ben van mening dat de raad
zorgvuldig en in overeenstemming met het vastgestelde beleid het betreffende
onderzoek heeft verricht.
De Staatssecretaris van Justitie
namens deze,
mr.J.J.H. Suyver,
Secretaris-Generaal.
Achtergronden van mr.J.J.H.
Suyver een Justitie-ambtenaar die het niet nodig vind dat Justitie lees Raad
voor de Kinderbescherming aan waarheidsvinding doet?
Verhoor van de parlementaire enquêtecommissie
opsporingsmethoden op maandag 6 november 1995 van mr. J.J.H. Suyver:
- Ik zweer dat ik de gehele
waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
- Zo waarlijk helpe mij God
almachtig!
Wie kan mij uitleggen waarom hij moet zweren
niets dan de waarheid te zeggen bij de parlementaire enquêtecommissie
opsporingsmethoden maar hij van mening is dat het onderzoek van de Raad voor de
Kinderbescherming niet op waarheidsvinding is gericht en hij heeft een baantje
bij de Nederlandse Orde van
Advocaten
Openbaar verhoor enquêtecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 82
6 november 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de parlementaire
enquêtecommissie opsporingsmethoden op maandag 6 november 1995 in
de vergaderzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt mr. J.J.H. Suyver
Aanvang 11.00 uur
- Voorzitter:
- Van Traa Aanwezig zijn voorts de
leden van de commissie: Aiking-van Wageningen, De Graaf, Koekkoek, Rabbae,
Rouvoet en Vos, alsmede de heer Nava, plv. griffier
- De voorzitter:
- Aan de orde is het verhoor van de heer J.J.H.
Suyver, geboren op 18 augustus 1946 te Arnhem. Mijnheer Suyver, de door u af
te leggen eed luidt: Ik zweer dat ik de gehele
waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
- De heer Suyver:
- Zo waarlijk helpe mij God
almachtig!
- De voorzitter:
- Mijnheer Suyver, u bent secretaris-generaal
op of van het ministerie van Justitie?
- De heer Suyver:
- Van het ministerie van Justitie.
- De voorzitter:
- U bent daar de hoogste ambtenaar sedert 1
juli 1994. Daarvoor heeft u zich beziggehouden met politie en
criminaliteitsbestrijding en een korte tijd met vreemdelingenzaken.
- De heer Suyver:
- Twee jaar.
- De voorzitter:
- U bent al sinds 1983 werkzaam op het
ministerie van Justitie. Wij willen met u spreken over uw bemoeienissen met
de onderwerpen die wij in de enquête behandelen. Moet u zelf niet van
incident naar incident hobbelen of met een brandweerspuit gaan?
- De heer Suyver:
- Incidenten zijn eigen aan het recht. Recht
bestaat per definitie uit casuïstiek. Incidenten zullen deel blijven
uitmaken van elk ministerie van Justitie. Gelukkig is het niet zo dat wij
enkel met incidenten bezig zijn. Er wordt wel degelijk gewerkt aan het
uitzetten en ontwerpen van beleid en het doen uitvoeren ervan.
- De voorzitter:
- Heeft u daar nog tijd voor, met alle
incidenten die wij nu kennen?
- De heer Suyver:
- Daar heb ik niet alleen tijd voor, maar ik
heb gelukkig genoeg bekwame medewerkers die zich daar ook mee bezig kunnen
houden.
- De voorzitter:
- Wat wist en weet u van de precieze stand van
zaken bij de criminaliteitsbestrijding? Weet u genoeg?
- De heer Suyver:
- Ik vind dat ik steeds genoeg heb geweten om
mijn minister adequaat te kunnen inlichten. Dat betekent niet dat elk
incident of elke concrete strafzaak aan het departement of aan de minister
moet worden voorgelegd. De minister moet op de hoogte zijn van die zaken en
die incidenten die hij/zij moet weten met het oog op zijn/haar ministeriële
verantwoordelijkheid. Die wetenschap had ik voldoende.
- De voorzitter:
- Wist u van de kwestie van het doorleveren
van harddrugs door Haaglanden?
- De heer Suyver:
- Daar was ik niet van op de hoogte.
- De voorzitter:
- Is dat niet een typisch voorbeeld van iets
wat u had moeten weten en wat de minister in ieder geval van u had moeten
weten?
- De heer Suyver:
- Het denken over opsporingsmethoden,
waaronder doorlevering, is de laatste jaren ontwikkeld. De casuïstiek die
daarbij aan de orde kwam is niet steeds duidelijk op het departement
terechtgekomen. Ik geef dat toe. Toch meen ik dat ik afgezien van de
IRT-zaak en de Delta-methode - doorlevering maakt daarvan deel uit - globaal
voldoende op de hoogte was om te kunnen beoordelen wat er aan
opsporingsmethoden werd gebruikt en uitgevoerd om mijn minister daarover
voldoende helder te kunnen informeren.
- De voorzitter:
- Wij komen daarover nog te spreken.
- De heer Rouvoet:
- U zegt dat u ook buiten incidenten bezig
bent met wat er gebeurt. Heeft u zicht op hoe de opsporing op de werkvloer
in haar werk gaat?
- De heer Suyver:
- Nee, dat zicht heb ik natuurlijk niet. Dat
hoef ik ook niet te hebben. De minister moet voldoende geïnformeerd zijn om
te weten, wat er zich globaal afspeelt. Hij moet die dingen weten die nodig
zijn voor het dragen van de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat is
algemeen. Als ik het iets concretiseer, zeg ik dat de minister moet weten
van bijzondere praktijken, abnormale praktijken, het afwijkende, nieuwe
ontwikkelingen, grensverleggende ontwikkelingen. Dat betekent niet dat je
een precies inzicht moet hebben in wat zich op de werkvloer afspeelt.
- De heer Rouvoet:
- Dat is het geval met het oog op de ministeriële
en politieke verantwoordelijkheid van de minister. Waar het gaat om het
denken binnen het departement, bijvoorbeeld over normering van
opsporingsmethoden, zal het departement toch meer moeten weten. U, als
staande voor het departement, moet toch meer weten van de praktijk om over
normering te kunnen nadenken?
- De heer Suyver:
- Zeker, je moet weten wat er in grote lijnen
gebeurt.
- De heer Rouvoet:
- Weet u dat? Heeft het departement voldoende
zicht op wat er gebeurt?
- De heer Suyver:
- Dat zicht is niet altijd volmaakt geweest.
Het is dus gebrekkig geweest. Ik noemde al de IRT-zaak en de doorleveringen
die daarbij aan de orde zijn geweest. Dat betekent niet dat het zicht
volledig ontnomen was. Wij werden formeel en informeel wel degelijk geïnformeerd
over wat zich in grote lijnen afspeelde op de werkvloer van de recherche.
Het gebeurde niet alleen door briefing of officiële rapportages van het
openbaar ministerie, maar ook op informele manier; niet alleen ik, maar ook
mijn medewerkers spraken met politiemensen en mensen van het OM. Zo hoor je
toch veel.
- De heer Rouvoet:
- Ik ben speciaal geïnteresseerd in de
discussie over normering van de opsporingsmethoden. Dat hangt direct samen
met onze opdracht. Is op dat terrein sprake geweest van een afwachtende
houding op het departement? Was niet het veel meer: laat de praktijk het
maar uitvoeren, de rechter toetst het en er ligt geen directe taak voor het
departement? Zie ik dat helemaal verkeerd?
- De heer Suyver:
- Er zijn binnen het departement discussies
geweest over de vraag of de tijd rijp was om te normeren, dat wil zeggen: om
een wettelijke regeling op te stellen.
- De heer Rouvoet:
- Wanneer?
- De heer Suyver:
- Een jaar of vijf geleden. Het speelde in het
bijzonder bij de start van de politiereorganisatie, toen ook de indeling en
de opzet van de Politiewet aan de orde waren. De vraag werd gesteld: moeten
wij in of annex aan de Politiewet ook niet de normering van bijzondere
opsporingsmethodes meenemen, in het bijzonder de informatieve voorfase? Dat
gebeurde in 1989, begin 1990. Persoonlijk vond ik dat een te vroeg moment.
Je kunt ook te vroeg met wetgeving komen. Je kunt er ook te laat mee komen.
- De voorzitter:
- Te vroeg of te laat?
- De heer Suyver:
- Ik vond het moment te vroeg om met een
volledige normering te komen van het pro-actief optreden in de informatieve
voorfase. De ontwikkeling in de praktijk was naar mijn mening te weinig
voortgeschreden; daarvoor gaf ook de jurisprudentie van vooral de Hoge raad
geen aanleiding. Ik vind dat je pas met wetgeving hoort te komen - en er een
behoorlijk debat met de Tweede en Eerste Kamer kan worden gevoerd - als er
een geconcretiseerd wetsvoorstel ligt, als je weet wat je wilt bereiken, als
je weet wat je kunt normeren. Vijf, zes jaar geleden was het inzicht nog
onvoldoende.
- De heer Rouvoet:
- Is dat wat de heer Wooldrik noemde: het was
nog houdbaar? Proef ik dat ook bij u?
- De heer Suyver:
- Dat speelt ook een rol. Er is een hoop
jurisprudentie geweest van de Hoge Raad. Die gaf in die tijd geen aanleiding
om over te gaan tot een wettelijke normering van het totale terrein van het
pro-actief optreden.
- De heer Rouvoet:
- Daarmee kiest het departement voor een
codificerende rol. Als zich een probleem voordoet dan zal er wetgeving
moeten komen. Op dat moment is er geen aanleiding om tot een regeling voor
de pro-actieve fase te komen? Is "codificerend" een juiste
typering?
- De heer Suyver:
- Ja, althans als wij teruggaan naar de jaren
1998, 1990.
- De voorzitter:
- Codificerend is toch juist wetten maken?
- De heer Suyver:
- Ja.
- De voorzitter:
- Dan moeten wij dit even helder krijgen.
- De heer Rouvoet:
- Ik bedoel daarmee dat het initiatief niet
ligt bij een totaalplan: wij gaan een traject van wetgeving over normering
in. De praktijk wordt gevolgd. Als er aanleiding toe is, komt de wetgever in
actie, meer reparerend wat al praktijk is.
- De heer Suyver:
- Dat is wat te algemeen gesteld. Ik houd het
graag bij de bijzondere opsporingsmethoden en het informatief onderzoek. Je
kunt te vroeg of te laat met wetgeving komen. Ik vond vijf jaar geleden het
tijdstip - het begin van de totstandkoming van de Politiewet - niet het
juiste moment om met een totale regeling van de normering, codificering dus,
op het gebied van het pro-actief optreden te komen. Daarvoor was de
ontwikkeling in de praktijk nog te weinig helder. De jurisprudentie van de
Hoge Raad gaf er op dat moment geen aanleiding toe. Ik voeg eraan toe, dat
in de jaren erna - het is in 1991 al begonnen - op tal van terreinen
wetgeving tot stand is gekomen dan wel ingediend. Ze regelde een deel van
het informatieve onderzoek. Het is in 1991 begonnen met de
voorbereidingshandelingen. Dat is toch ook een inpoldering van het
pro-actief optreden.
- De voorzitter:
- Dat is toch geen inpoldering van pro-actief
optreden?
- De heer Suyver:
- Nee?
- De voorzitter:
- Voorbereidingshandeling geeft juist een
strafbaar feit. Dat is toch geen inpoldering van pro-actief optreden?
- De heer Suyver:
- Het verruimt het bereik van de strafwet.
- De voorzitter:
- Het verruimt het aantal strafbare feiten.
- De heer Suyver:
- Dus het bereik van het Wetboek van
Strafrecht. Ik laat daar of het woord "inpoldering" het juiste
woord is. In de jaren negentig is er voldoende wetgeving ingediend, die
belangrijke delen van de bijzondere opsporingsmethoden tot onderwerp heeft.
- De voorzitter:
- Welke dan?
- De heer Suyver:
- Bijvoorbeeld het afluisteren, de
richtmicrofoons.
- De voorzitter:
- Verder zijn er toch geen wetsvoorstellen
ingediend, specifiek voor dit doel? Ja, reparatie ter zake van de fax.
- De heer Suyver:
- Ook.
- De voorzitter:
- Het aftappen
van de computercriminaliteit.
- De heer Suyver:
- Ook dat.
- De voorzitter:
- Indirect afluisteren. Dat is toch geheel
iets anders geweest dan het inpolderen...
- De heer Suyver:
- Het is geen totale inpoldering of
codificering. Het is geen totale normering van het gehele terrein van de
informatieve voorfase. Dat is juist.
- De voorzitter:
- De informatieve voorfase komt pas aan de
orde bij het wetsvoorstel inzake direct afluisteren. Voor de eerste keer
wordt het erin gebracht.
- De heer Suyver:
- In 1993.
- De voorzitter:
- Bij het wetsvoorstel Herziening gerechtelijk
vooronderzoek is het ook nog niet verder gekomen. Wat dat betreft zou een
correctie kunnen worden aangebracht. Of vindt u van niet?
- De heer Suyver:
- Ik heb slechts willen betogen dat wij in de
jaren na 1991 aanzetten hebben gegeven - in 1993/1994 zijn die concreter
geworden, als het gaat om de informatieve voorfase - voor een normering van
het gehele terrein van de informatieve voorfase.
- De voorzitter:
- Zo is het niet te zien in de aanbieding. Pas
in Strafvordering in balans - als minister Hirsch Ballin bijna weggaat -
wordt het als een algemeen punt aangemerkt. Daarvóór niet.
- De heer Suyver:
- Ik meen, dat het ook daarvoor, in 1993, in
de memorie van toelichting of antwoord - of beide - ter zake van het
wetsvoorstel direct afluisteren is vermeld.
- De voorzitter:
- In 1994. Dan nog is het als een voorbeeldje
genoemd. In algemene zin is veel gesproken over de pro-actieve fase, maar
niet in de zin van specifiek vastleggen wat het precies is.
- De heer Suyver:
- Nee. Codificering, normering in de wet van
het terrein van de pro-actieve fase is een helse opgave. Ik moet het
wetsvoorstel nog zien. Natuurlijk wordt nu al nagedacht over de vraag hoe
die regels eruit moeten zien. Hiermee is een werkgroep bezig, er circuleren
vingeroefeningen en voorstelletjes. Het is een buitengewoon lastige opgave.
- De heer Koekkoek:
- Ik begrijp niet helemaal, dat u in 1989
zegt: het is nog te vroeg voor normering. In 1987 is er al een
werkgroep-Gonsalves over de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
Het kabinet onderkent het probleem. Ik begrijp niet dat twee jaar daarna het
departement het nog te vroeg vindt om methoden te gaan regelen.
- De heer Suyver:
- Er was geen aanleiding voor, omdat de
jurisprudentie opsporingsmethoden als observatie en infiltratie tot op
zekere hoogte goedkeurde. Er was ook geen signaal van het OM of politie, ook
niet uit de Kamer om dat geheel te gaan normeren. Het is een hele opgave. Ik
las gisteren nog het nummer Delict en delinquent van juni 1995 naar
aanleiding van het congres in Nijmegen. Ik denk dat de wetgeving in
Duitsland - Noordrijn Westfalen - die door Rüter onder de loep is genomen
leidraad kan zijn bij onze codificerende arbeid. Het is bijzonder complex en
ingewikkeld. In Duitsland heeft men er jaren over gedaan.
- De heer Koekkoek:
- U had de overtuiging dat de georganiseerde
criminaliteit kon worden aangepakt zonder deze methoden te regelen?
- De heer Suyver:
- Ja. Op dat moment wel.
- De heer Rouvoet:
- Als wij kijken naar wat er aan wetgeving is
gekomen dan valt het op dat het vooral instrumenteel is. Er worden
instrumenten en bevoegdheden toegekend. Veel minder wordt de afweging met
rechtsstatelijkheid, rechtsbescherming en privacy zichtbaar. De nota
Georganiseerde criminaliteit was een instrumentele nota. Is die afweging
ooit gemaakt? Moeten wij de rechtsbescherming inbrengen om te voorkomen dat
wij bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit te hard lopen?
- De heer Suyver:
- Het is op geen enkel moment zo geweest dat
overwogen is om de rechtsbescherming het kind van de rekening te laten zijn.
Iedere activiteit, ieder optreden van de politie behoort te worden
gerapporteerd - bij voorkeur vastgelegd in een proces-verbaal - aan het OM
en de rechter. Er is dus rechterlijke controle. Daarin zit de
rechtsbescherming zeer nadrukkelijk. Als in de vraagstelling iets ligt - en
dat proef ik - van het te veel veronachtzamen van de rechtsbescherming, dan
is mijn antwoord daarop nee. De rechtsbescherming behoort in de eerste
plaats in de beoordeling van de rechter te liggen.
- De heer Rouvoet:
- Daarom vraag ik het juist. Bij de heer
Wooldrik hebben wij dat besproken. Hij zei: nee, de eerste prioriteit was,
dat er wat moet gebeuren. Het is heel erg; het is een dreigingsbeeld dat wij
gaan aanpakken.
- De heer Suyver:
- Dat ontken ik ook niet. Maar dat betekent
niet zonder meer, dat daardoor de rechtsbescherming uit het oog wordt
verloren.
- De heer Rouvoet:
- Daarom ben ik begonnen met de vraag hoe die
afweging is gemaakt. Vervolgens is de stelling ten departemente: waar het
gaat om die rechtsbescherming kijken wij naar de Hoge Raad. Wij nemen een
afwachtende houding aan als het gaat om de praktijk. Nu lopen wij aan tegen
de vraag, welke methoden worden gehanteerd en of die in alle gevallen de
toets van de kritiek kunnen doorstaan. Nogmaals, is het niet te veel
veronachtzaamd?
- De heer Suyver:
- Achteraf kijkend, zeg ik: wij hadden eerder
of serieuzer met meer capaciteit werk moeten maken van een normering van de
bijzondere opsporingsmethoden. Daarin zit zeer uitdrukkelijk het punt van de
rechtsbescherming. Dat denken over die wetgeving had wat eerder moeten
worden aangevat.
- De heer Rouvoet:
- Heeft dat te maken met de vraag hoe een
minister zijn stempel drukt op het proces binnen het departement?
- De heer Suyver:
- Natuurlijk, dat is altijd zo. Ik wil
uitdrukkelijk stelling nemen tegen de suggestie - ik proef het zo...
- De heer Rouvoet:
- Het is geen suggestie, ik stel vragen.
- De heer Suyver:
- Goed. ...als zou onder minister Hirsch
Ballin geen oog zijn geweest voor de rechtsbescherming. Dat is niet zo. Ik
bestrijd dat.
- De heer Rouvoet:
- Mijn vraag was een algemene. Hoe krijgt een
wetgevingsproces op het departement gestalte?
- De heer Suyver:
- Het is onmiskenbaar waar dat bij het denken
over het bestrijden van de georganiseerde criminaliteit en zware misdaad
primair voorzat dat er iets moest gebeuren. Het was niet alleen een gevoel
op het departement, maar in geheel wetshandhavingsland. Ook uit het overleg
met de Kamer bleek dat. Er moet een structuur komen om dat fenomeen te
bestrijden.
- De heer Rouvoet:
- Voelde u de hete adem van de Kamer in uw
nek?
- De heer Suyver:
- Die voel je altijd in je nek. Zo hoort het
ook in een democratische rechtsstaat.
- De voorzitter:
- Dat was toch niet de hete adem in uw nek?
Het was de hete adem recht vooruit. U ging allemaal rennen? In feite was het
dat toch? Wij wilden toch allemaal?
- De heer Suyver:
- Inderdaad. Het was meer de hete adem van het
fenomeen. Wij onderkenden met z'n allen dat die zware criminaliteit een
monster was dat aanpak vergde.
- De heer Rabbae:
- U zegt, dat het monster moest worden
bestreden. Een politieman die hier enige tijd geleden zat heeft tegen ons
gezegd: ik moet wel, want de politiek heeft gezegd dat wij deze monsters
moeten aanpakken. In hoeverre heeft u paniekvoetbal gespeeld? Er werden
mensen het veld ingestuurd ronder remmen en zonder normering.
- De heer Suyver:
- Het was een algeheel gevoelen, dat de zware
misdaad adequate bestrijding behoefde. Dat is geen opdracht van de politiek
of van de minister. Wij wilden dat met z'n allen. Dat wilde ook de minister
van Justitie, ook ik. "Zonder normering" vind ik te ver gaan. Er
was weliswaar geen codificatie van bijzondere opsporingsmethoden, maar er
was wel jurisprudentie.
- De voorzitter:
- Maar die gaf toch geen inzicht in wat er op
onderdelen werkelijk gebeurde? Die had dat ook niet getoetst. De rechters
wisten het ook niet.
- De heer Suyver:
- Ik ben het met u eens, dat jurisprudentie
het gezag van de wet niet kan vervangen. Jurisprudentie is altijd gebaseerd
op één geval.
- De voorzitter:
- Is niet het probleem, dat de leiding van het
departement, de minister, maar ook de Tweede Kamer in feite te weinig wisten
hoe men dat in de praktijk deed? Wij met z'n allen hebben er te weinig naar
gevraagd.
- De heer Suyver:
- Ja. Wij hebben er te weinig naar gevraagd.
Met "wij" bedoel ik mijzelf en mensen op het ministerie van
Justitie .
- De voorzitter:
- En dat wij daardoor met de brokken kwamen.
Toen op 8 november het gezelschap uit Amsterdam bij u binnenkwam en het
verhaal vertelde, heeft u toen niet iets gekregen van: hé, moeten wij
hieraan in algemene zin wat doen? Of bent u toen gelijk opgeslokt door de
affaire-IRT?
- De heer Suyver:
- Allebei en zeker ook het laatste. Ik vond
het een absurd verhaal dat ik niet kon geloven. Dat heeft mij extra te
denken gegeven of de wetgever niet eerder zijn verantwoordelijkheid had
moeten nemen. Ik wist voor 8 november 1993 wel globaal dat bij de
bestrijding van de zware misdaad de grenzen van Strafvordering werden
opgezocht. Ik wist ook wel iets over infiltratie-acties. Ik wist het te
weinig exact om aan de noodrem te trekken en te zeggen: nu moet er absoluut
normering komen, hetzij in de wet hetzij door middel van richtlijnen. Pas na
8 november is mij dat echt duidelijk gebleken.
- De voorzitter:
- Na 8 november komt het er in feite niet van,
met uitzondering van de instelling van de Centrale toetsingscommissie. Dat
is wel een poging van het departement en de minister om meer greep op de
zaak te krijgen.
- De heer Suyver:
- Dat is een eerste antwoord geweest, een
noodverband, dat ook vrij snel is gelegd. Die CTC verricht goed werk. Ik
moet er wel bij zeggen dat op 8 november 1993 de exacte methode nog niet
bekend was. Het heeft een tijd geduurd - en in wezen tot op de dag van
vandaag - om te weten wat er precies aan de hand was.
- De voorzitter:
- Werkt het rapport van de commissie-Wierenga,
wat de methoden betreft, een beetje als een soort goedkeuring achteraf,
waardoor de aandacht verslapt?
- De heer Suyver:
- Dat zou een rol hebben kunnen spelen. Reeds
in december 1993 - 22 december, als ik het wel heb - heeft de PG-vergadering
besloten om de commissie-De Wit aan het werk te zetten. Dat heeft
geresulteerd in het oprichten van de CTC eind 1994.
- De voorzitter:
- Maar dat is die vergadering waarin
procureur-generaal Van Randwijck zei: inhoudelijk hebben wij het niet
besproken. Wij hebben het doorgegeven aan de commissie-De Wit. De
commissie-Wierenga had toch gezegd, dat het goed was, dat het kon? Heeft dat
niet geleid tot het lange tijd laten liggen van het onderwerp?
- De heer Suyver:
- Zo zie ik het niet. In december 1993 is op
de grondslag van de wetenschap van toen wel even gesproken over wat er in
Amsterdam aan de hand was.
- De voorzitter:
- Veel kan het niet geweest zijn.
- De heer Suyver:
- Het is niet uitvoerig geweest. Er is wel
naar gevraagd. Bij deze en gene was de reactie in die vergadering: wie runt
wie eigenlijk? Dat komt daarvandaan. Die vergadering heeft toen wel de
commissie-De Wit onder druk gezet. Ze moest zo snel mogelijk met een
interimrapport komen. Een paar maanden later is dat ook verschenen. Ik zie
het niet zo dat wij ons door het verschijnen van het rapport-Wierenga in
slaap hebben laten sussen.
- De voorzitter:
- De heer Van Randwijck heeft hier gezegd; wij
hebben het inhoudelijk nooit besproken. Ook de heer Gonsalves heeft dat
gezegd.
- De heer Suyver:
- Niet in de zin van dat het een apart
agendapunt was of dat er uitvoerig over gesproken is. In de sfeer van de
rondvraag is er wel even over gesproken en gevraagd hoe het zit.
- De voorzitter:
- Heeft u de vraag "wie runt wie"
voor uzelf al beantwoord?
- De heer Suyver:
- In de concrete Delta-methode?
- De voorzitter:
- Ja.
- De heer Suyver:
- Ik ben geneigd om te antwoorden dat de
overheid werd gerund.
- De voorzitter:
- De overheid werd gerund?
- De heer Suyver:
- Ja. Ik heb die neiging, maar ik behoud mijn
definitieve oordeel voor totdat het onderzoek-Kennemerland is afgerond.
- De heer Rouvoet:
- Dat brengt mij tot de relatie tussen
departement en het OM. Er is per 1 januari wat veranderd in uw positie ten
opzichte van de procureurs-generaal?
- De heer Suyver:
- Niet alleen met betrekking tot mijn positie.
Wij hebben een hervorming van het OM aangevat. Er is een plan van aanpak
gemaakt. Dat is op hoofdlijnen geaccordeerd door de Tweede Kamer. Dat houdt
in, dat de verantwoordelijkheden helderder moeten worden onderscheiden. Het
OM heeft een eigen verantwoordelijkheid, die bovendien in de wet is
verankerd. De minister van Justitie is niet de baas van het OM. Zij is
politiek verantwoordelijk. De secretaris-generaal of een andere ambtenaar
van het ministerie van Justitie is niet de ambtelijke chef van het OM. Het
OM heeft een eigen verantwoordelijkheid, in het Wetboek van Strafvordering
en andere wetten verankerd. Dat betekent, dat je die verantwoordelijkheid
ook duidelijk moet maken. Je moet haar leggen daar waar ze hoort te liggen.
Het College van procureurs-generaal, het nieuwe bestuurscollege van het OM
neemt die verantwoordelijkheid. Dat betekent dat er enige - niet te veel -
zichtbare afstand behoort te zijn tussen het OM en de minister van Justitie.
Natuurlijk moeten de verhoudingen en de overlegstructuren zodanig zijn, dat
de minister behoorlijk wordt geïnformeerd om haar verantwoordelijkheid te
kunnen dragen.
- De heer Rouvoet:
- Voor 1 januari was u de voorzitter van de
vergaderingen van de procureurs-generaal.
- De heer Suyver:
- Inderdaad.
- De heer Rouvoet:
- Na 1 januari het College met een eigen
voorzitter. Daarnaast is er de overlegvergadering.
- De heer Suyver:
- Daarnaast is er maandelijks een
overlegvergadering met de minister van Justitie die hetzij zelf aanwezig is,
hetzij vertegenwoordigd wordt door de secretaris-generaal.
- De heer Rouvoet:
- Heeft dat u op afstand gezet van het OM? Zo
ja, hoe beoordeelt u dat?
- De heer Suyver:
- Ik vind de woorden "op afstand
zetten" niet helemaal adequaat. Door die opzet zijn de
verantwoordelijkheden duidelijk gemaakt. De OM-verantwoordelijkheid hoort
daar te liggen. Bij de zeer regelmatige vergadering die werd voorgezeten
door de secretaris-generaal, zoals dat vroeger het geval was - waarbij tal
van departementale ambtenaren aanwezig waren - was die verantwoordelijkheid
niet duidelijk. Dat was een mengsel van departementale en
OM-verantwoordelijkheid in één vergadering verenigd. Dat is nu duidelijker
uit elkaar gehaald. Die structuur voldoet tot op heden.
- De heer Rouvoet:
- Is de indruk onjuist, dat er naast die
overlegvergaderingen ook een meer directe lijn is gekomen tussen de
voorzitter van het college en de minister? Staat u daarbuiten of bent u
erbij?
- De heer Suyver:
- Daarover bestaat veel mythevorming. Ik vind
dat de voorzitter van het college rechtstreeks moeten kunnen praten met de
minister. De verhoudingen zijn gelukkig zodanig goed, dat ik wel hoor, wat
daar aan de orde is geweest. De praktijk is overigens zo, dat de samenspraak
met de minister vrijwel altijd gebeurt in mijn bijzijn. Het is niet zo, dat
de voorzitter van het college bij wijze van spreken dagelijks bij de
minister over de vloer komt.
- De heer Rouvoet:
- De formele situatie, waarin u direct de
schakel was tussen procureurs-generaal, de top van het OM en de minister is
per 1 januari zodanig veranderd, dat u er wel vaak bij zit, maar geen deel
uitmaakt van dat gestructureerde overleg?
- De heer Suyver:
- Er is een gestructureerd overleg tussen de
minister, de voorzitter van het college en mij.
- De voorzitter:
- De overlegvergadering.
- De heer Suyver:
- Nee, nee. Dat betreft de vijf PG's met de
minister en de SG. Als de minister verhinderd is zit ik die vergadering
voor. Daarnaast is er ook overleg tussen de minister, de voorzitter en mij.
- De heer Rabbae:
- U zegt: ik zit erbij. Het komt mij voor dat
dit een vage positie is. Kunt u aangeven in welke situaties u geïnformeerd
moet worden en in welke situaties dat facultatief is?
- De heer Suyver:
- Ik word over alles geïnformeerd, wat het OM
aangaat.
- De voorzitter:
- U spreekt uzelf bijna tegen. Dat is
menselijk onmogelijk.
- De heer Suyver:
- Akkoord, met die beperking. Ik klaag niet
over een defect in de structuur waardoor de secretaris-generaal buiten spel
zou staan. Dat is niet het geval. Ik maak dan ook bezwaar tegen de
kwalificatie "erbij zitten".
- De heer De Graaf:
- U zei zoëven: de minister is niet de baas
van het OM. Hoe moeten wij de aanwijzingsbevoegdheid in de Wet op de
rechterlijke organisatie uitleggen?
- De heer Suyver:
- Die hoort bij de politieke
verantwoordelijkheid. Je kunt geen politieke verantwoordelijk dragen als je
niet wat kunt zeggen over het ambtelijk apparaat. Ik zie dat artikel 5 als
de keerzijde van de medaille van de politieke verantwoordelijkheid.
- De heer De Graaf:
- Als er zeggenschap is van de minister op
grond van die aanwijzingsbevoegdheid, dan is de minister toch de baas?
- De heer Suyver:
- In die zin zeker.
- De heer De Graaf:
- Kan die eigen verantwoordelijkheid van het
OM op basis van de wet een reden zijn geweest voor het feit, dat het
ministerie het OM niet voortdurend voor de voeten wilde lopen met wetgeving,
maar wachtte op signalen van het OM?
- De heer Suyver:
- Dat heeft er zeker mee te maken. Wetgeving
van deze soort wordt niet helemaal solistisch opgesteld door overigens zeer
capabele wetgevingsambtenaren. Er is sprake van een wisselwerking met de
praktijk. In dit geval was dat het OM, soms politie-ambtenaren. Wetgeving
van dit type komt tot stand door te praten met leden van het OM, mensen van
de politie. Wanneer een wetsvoorstel in concept gereed is, wordt het vaak
voor consultatie gezonden naar het OM en de Vereniging voor rechtspraak. Ook
rechters behoren hun zegje te kunnen doen over concept-wetsvoorstellen die
zij in de praktijk moeten hanteren. Het is een wisselwerking.
- De voorzitter:
- Is het niet zo dat het OM in grote
meerderheid dat helemaal niet wilde? Ik noem de werkgroep-De Wit.
- De heer Suyver:
- Dat is mij niet bekend.
- De voorzitter:
- Als de werkgroep-De Wit ter zake van
infiltratie spreekt over de noodtoestand als rechtsgrond, dan wil ze toch
geen wetgeving? Het wordt al te knellend ervaren.
- De heer Suyver:
- Dat is een discussie geweest in de
commissie-De Wit.
- De voorzitter:
- Niet alleen daar, maar ook andere
uitlatingen...
- De heer Suyver:
- Dat weet ik niet.
- De voorzitter:
- ...duiden in de richting, dat men het niet
wil.
- De heer Suyver:
- Die andere uitlatingen ken ik niet. Ik ken
wel de discussie over de noodtoestand. Ik herinner mij overigens heel
scherp, dat in de oude PG-vergadering van april 1994 die constructie zeer
sterk bekritiseerd is. Men vond dat een niet te verdedigen linie. Juridisch
onhoudbaar.
- De heer Rouvoet:
- Wat is de grote lijn van het departement?
Zegt u: gezien hetgeen er aan de hand is en de politieke
verantwoordelijkheid van de minister zullen wij er steeds meer bovenop
moeten zitten om te voorkomen, dat er affaires ontstaan en zich incidenten
blijven voordoen? Of zegt u: eigenlijk is het veel beter als wij het doen
door het OM alle ruimte te geven? Als departement houden wij afstand van de
feitelijke normering van de praktijk? Of stel ik dan twee dingen tegenover
elkaar, die...
- De heer Suyver:
- Ik wil niet zo gauw zeggen, dat het
departement afstand moet nemen. Het departement, de minister, hoort richting
te geven, zowel op het punt van beleidslijnen en beleidskaders als op het
punt van de normering van de wetgeving. Dat neemt niet weg dat zich
incidenten zullen blijven voordoen.
- De heer Rouvoet:
- Zoekt u het vooral in zelf keuzes maken,
zelf knopen doorhakken, zelf prioriteiten stellen of veel meer in nieuwe
structuren, richting OM bijvoorbeeld?
- De heer Suyver:
- Ik geloof in de hervorming van het OM, zoals
die nu wordt aangepakt. De wet moet ervoor worden gewijzigd. Daar moet die
verantwoordelijkheid liggen, maar wel met inachtneming van de grenzen en de
beleidskaders die de minister stelt. De minister moet ook de
hoofdprioriteiten bepalen, als het gaat om het landelijk handhavingsbeleid.
Het OM moet worden opgedragen om die prioriteiten te laten doorwerken.
- De heer Rouvoet:
- Betekent dat voor de positie van het OM dat
het echt duidelijker wordt? U hebt zelf wel eens gezegd: het OM is onze
infanterie. Of betekent het toch een verzelfstandiging van het OM, waar het
departement moeilijk de vinger achter krijgt, ook als het gaat om de
politieke verantwoordelijkheid?
- De heer Suyver:
- De vinger erachter krijgen, nee. De minister
moet altijd voldoende informatie krijgen om die verantwoordelijkheid te
kunnen dragen. Dat betekent duidelijke verantwoordingslijnen.
- De heer Rouvoet:
- Ik geef een voorbeeld. In de correspondentie
over de doorlevering is gezegd: daar zijn nieuwe verhoudingen zich aan het
uitkristalliseren. Het college zegt wat, de minister stuurt een brief en de
voorzitter van het college komt dan met een laatste brief, waarin de stand
van zaken wordt aangegeven. Is dat typerend voor de nieuwe verhoudingen?
- De heer Suyver:
- Ja, in zekere zin wel.
- De heer Rouvoet:
- Met een accentverschuiving richting college
en de voorzitter.
- De heer Suyver:
- Ja. Ik vind dat wel een goede discussie. Het
gaat om een brief van 8 juni van de waarnemend voorzitter van het college.
Verder is er de brief van 9 juni van de minister. Ook is er de uitvoerige
bespreking van die zaken in de overlegvergadering van 14 juni. Vervolgens
een brief van 15 juni van de voorzitter aan het OM, inhoudende dat het met
inachtneming van hetgeen besproken is daaraan uitwerking zal geven. Er
worden criteria aangegeven van wat wel en net mag met doorlevering en wie
daarover moet beslissen.
- De voorzitter:
- Er was toch iets meer aan de hand? De
minister schetst het beeld dat doorlevering helemaal niet meer mag. De PG's
repareren dat weer een beetje. Dat is het beeld geweest. De
procureur-generaal Docters van Leeuwen is er zelfs over in de slag gegaan
met Het Parool, omdat de krant hem niet juist weergegeven had. Er was als
het ware een wedstrijd aan de hand: wie is uiteindelijk de baas, de minister
of de procureurs-generaal?
- De heer Suyver:
- Daarover kan geen misverstand bestaan. De
minister is de baas.
- De heer Koekkoek:
- Het viel mij op dat de minister weliswaar
een hoge uitzondering creëerde maar dat vervolgens het College van PG's als
het ware die uitzondering is gaan aankleden om haar wat sterker te
benadrukken dan de minister deed in haar brief. Is mijn indruk juist?
- De heer Suyver:
- Daar ligt een vergadering tussen. Ik zie die
brief van 15 juni niet als een afwijking van die van 9 juni van de minister.
- De heer Koekkoek:
- Geen afwijking, maar een aankleding.
- De heer Suyver:
- Hoogstens een uitwerking. Nogmaals, daar
ligt een uitvoerige bespreking tussen op 13 of 14 juni met de minister
zelve.
- De heer Koekkoek:
- Anders gezegd: wat het College van PG's
heeft gedaan was volledig in overeenstemming met het standpunt van de
minister.
- De heer Suyver:
- Inderdaad. Zo is het.
- De voorzitter:
- Zult u in de toekomst de minister weer
adviseren om bepaalde dingen die u ter kennis komen niet te doen, ook als de
PG's die goed vinden?
- De heer Suyver:
- Natuurlijk kan dat.
- De voorzitter:
- Ik ga terug naar het begin van het verhoor,
toen u zei: ik wist voldoende. U wist niet van die cocaïnedoorlevering?
- De heer Suyver:
- Nee.
- De voorzitter:
- Had u of minister Hirsch Ballin dat moeten
weten? Of wist hij het op en andere manier?
- De heer Suyver:
- Welke cocaïnedoorvoer bedoelt u?
- De voorzitter:
- De honderden kilo's in het ressort Den Haag.
- De heer Suyver:
- Natuurlijk hadden wij dat moeten weten.
- De voorzitter:
- Wat wist u...
- De heer Suyver:
- Ook de politieleiding en de leiding van het
OM hadden dat moeten weten.
- De voorzitter:
- Dat wist het OM, maar het vertelde het u
niet. Wat wist u wel over specifieke zaken die u aan minister Hirsch Ballin
heeft gemeld?
- De heer Suyver:
- Specifieke opsporingsmethoden?
- De voorzitter:
- Specifieke grotere zaken die een politieke
afweging vereisen.
- De heer Suyver:
- Die zijn er bij bosjes.
- De voorzitter:
- Op het gebied van de opsporing?
- De heer Suyver:
- Nee.
- De voorzitter:
- Die bedoel ik.
- De heer Suyver:
- De enige die ik mij kan herinneren is het
voorstel van het OM geweest om een frontstore op te richten.
- De voorzitter:
- De zogenaamde contra-frontstore. Er is ook
een boot uit Pakistan geweest die mogelijk ging varen?
- De heer Suyver:
- Dat weet ik mij niet precies te herinneren.
Die frontstore-kwestie is aan het departement voorgelegd en met de minister
besproken.
- De voorzitter:
- Ook de vraag hoeveel geld erin werd gestopt?
- De heer Suyver:
- Ja, dat is allemaal besproken.
- De voorzitter:
- De zaak van die 9000 kilo is er ambtelijk
doorheen gegaan?
- De heer Suyver:
- Nou, ambtelijk doorheen gegaan.
- De voorzitter:
- Dat is gewoon op de grote stapel
terechtgekomen. Of zie ik dat verkeerd?
- De heer Suyver:
- Elke dag zijn er enorme stapels.
- De voorzitter:
- Er worden toch wel eens mapjes uitgetrokken,
waarop "heel belangrijk" wordt gezet?
- De heer Suyver:
- Die zijn er ook tientallen per dag. Niet
doorheen geslipt. Dat is bekeken. Verschillende hoofdambtenaren - ook
ondergetekende - hebben gezegd, dat het voorstel verantwoord was. Minister
Kosto heeft op 18 augustus 1994 een akkoord gegeven met de mededeling, dat
zijn opvolger daarover geïnformeerd moest worden. Dat is bekeken, het is er
niet doorheen geslipt.
- De heer Koekkoek:
- Vindt u, wat de doorvoer van cocaïne
betreft, dat het OM en met name de betrokken PG's in het ressort Den Haag te
kort geschoten zijn in het informeren van de minister?
- De heer Suyver:
- Wij hadden over doorlevering moeten worden
geïnformeerd. Ik denk dan in de eerste plaats aan datgene, wat bij het IRT
Amsterdam aan de hand was.
- De heer Koekkoek:
- Des te meer uiteraard, omdat het bericht uit
Amsterdam was: er wordt een cocaïnelijn gerund. Wanneer dan vervolgens in
een ander ressort sprake is van het op de markt laten komen van cocaïne,
dan klemt des te meer, dat de minister geïnformeerd wordt. U hebt gezegd,
dat dit niet is gebeurd. Vandaar mijn vraag: zijn de betrokken PG's in 1993
en 1994 te kort geschoten in het informeren van de minister?
- De heer Suyver:
- Ik vind dat hooguit een vaststelling
achteraf. Met de wetenschap van nu zou je zeggen: ja, dat had moeten
gebeuren.
- De heer Koekkoek:
- U zegt: wij hadden het moeten weten, zeker
in het licht van de IRT?
- De heer Suyver:
- Dat zeg ik achteraf.
- De voorzitter:
- Het heeft ons verbaasd, dat nadat de
IRT-kwestie gelopen was, niemand zich de zaak van die 9000 kilo kan
herinneren. De heer Kosto kon het zich absoluut niet herinneren. Er is niet
veel over gesproken.
- De heer Suyver:
- Dat was in de korte ministersperiode van de
heer Kosto.
- De voorzitter:
- Waarom zat hij daar? Omdat Hirsch Ballin al
afgetreden was.
- De heer Suyver:
- Zeker.
- De voorzitter:
- De vraag is: hoe komt het dat op het
departement de bellen niet gingen rinkelen? Nu kunt u zeggen: dat is voor
jullie gemakkelijk om te vragen. Wij zitten gelukkig in die omstandigheid.
- De heer Suyver:
- Waarom die bellen niet zijn gaan rinkelen...
- De voorzitter:
- Het gaat niet over die kilo's, maar over het
feit, dat de attentie voor dit soort dingen niet verhoogd lijkt.
- De heer Suyver:
- Ik wijs het
doorleveren als zodanig niet van de hand. Die methode kan onder
omstandigheden effectief zijn. Dat moet dan wel gebeuren onder de
bekende voorwaarden die zijn vermeld in de brief van 15 juni. Als de
voorwaarden zijn vervuld, als zo iets netjes wordt gemeld op het
departement, als de leiding van het OM daarvan op de hoogte is en er komt
een verzoek om iets goed te vinden, dan vind ik dat daarover geen bellen
hoeven te gaan rinkelen, zeker niet als het een buitenlands verzoek betreft,
zoals in dit geval.
- De voorzitter:
- Je moet dan op z'n minst een afweging maken,
zeker als je in mei van dit jaar ziet, dat het departement, de minister, wel
degelijk een operatie stopt, waarbij het ook gaat om een infiltratie met
duizenden kilo's.
- De heer Suyver:
- De bellen zijn pas zeer luid gaan rinkelen -
de stormvlag werd gehesen - begin dit jaar in de loop van het
onderzoek-Kennemerland. Dat heeft op het departement en ook daarbuiten alle
bellen doen rinkelen.
- De voorzitter:
- Op het moment dat in de publiciteit komt,
dat de IRT-methode blijkbaar doorgaat.
- De heer Suyver:
- Ja. Het zijn uitkomsten van het
onderzoek-Kennemerland geweest.
- De voorzitter:
- Nee.
- De heer Suyver:
- Het liep ongeveer samen.
- De voorzitter:
- Wanneer heeft u geweten dat het doorging?
Had het toen al in de NRC gestaan?
- De heer Suyver:
- Die chronologie heb ik niet precies voor
ogen.
- De voorzitter:
- In februari...
- De heer Suyver:
- In februari/maart van dit jaar.
- De voorzitter:
- Is er voordien op Justitie nooit een soort
krijgsberaad geweest in 1994...
- De heer Suyver:
- Nee.
- De voorzitter:
- ...om te zeggen: jongens, hoe krijgen wij de
zaak in de greep?
- De heer Suyver:
- Nee. Eind 1994, begin 1995 was er die
schoonveegactie.
- De voorzitter:
- Hoe bedoelt u?
- De heer Suyver:
- Binnen het OM.
- De voorzitter:
- Een inventarisatie?
- De heer Suyver:
- Ja.
- De heer Koekkoek:
- Is het niet vreemd,
dat terwijl minister Hirsch Ballin op 7 april 1994 desgevraagd nadrukkelijk
verklaart, dat in de IRT-zaak geen cocaïne op de markt is gekomen,
niemand op de gedachte komt - degene die het had kunnen doen was de
betrokken PG - om de minister te melden, dat er wel degelijk doorlevering
van cocaïne had plaatsgevonden, zij het in een ander ressort?
- De voorzitter:
- U kunt het ook omgekeerd zeggen: had de
minister niet door moeten vragen? Hij zei toen - ik was van alle aanwezigen
hier het enige Kamerlid dat er bij was...
- De heer Koekkoek:
- Wij kunnen ook lezen.
- De voorzitter:
- Op 7 april zei de minister, dat een van de
voorwaarden was, dat er geen gram cocaïne op de markt zou komen. Is toen
doorgevraagd? De vraag van Koekkoek is: had de PG het niet moeten doen? Mijn
vraag is: had de minister niet gewoon moeten vragen of het gebeurd was?
- De heer Suyver:
- Dat laatste hadden wij, achteraf zeggend
moeten doen. Wij hebben na de IRT-zaak alles op alles gezet op die CTC zo
snel mogelijk op te richten. Dat was het directe antwoord dat wij wilden
geven op de IRT-discussie.
- De heer Koekkoek:
- Wanneer wist u dat er in het
ressort Den Haag sprake was geweest van het doorleveren van harddrugs?
- De heer Suyver:
- Pas sinds de publiciteit erover, sinds de
laatste maanden.
- De voorzitter:
- Sinds wij erover begonnen zijn?
- De heer Suyver:
- Nee, eerder.
- De voorzitter:
- Wanneer wist u het precies? Vanwege de CTC?
- De heer Suyver:
- Ja.
- De heer De Graaf:
- Eerder zei u, dat u vindt, dat men dat aan
het ministerie had moeten melden. Maar er is door het ministerie niet in
algemene zin gezegd: PG, meld ons voortgaan als dat soort trajecten loopt?
In 1994 is dat niet gezegd. Is die eigen verantwoordelijkheid van het OM,
waarover wij eerder spraken niet de reden waarom PG's ervan uit mochten gaan
dat het hun eigen beslissingsrecht was? Het lag niet voor de hand om dat te
melden?
- De heer Suyver:
- Zo duid ik het ook. Ik vind dat ook wel
verklaarbaar. Ik vind dat PG's in het bijzonder gehouden zijn - zo is de
praktijk ook wel - om die dingen voor te leggen aan de minister die nieuw,
afwijkend of grensverleggend zijn. Dat is op 9 november 1993 ook gebeurd met
die Delta-methode.
- De heer De Graaf:
- Toen was het al te laat.
- De heer Suyver:
- Ja.
- De heer De Graaf:
- In diezelfde periode speelde de toestemming
van de waarnemend PG rond de cocaïne. Vindt u dat hij dat vooraf met de
minister had moeten bespreken?
- De heer Suyver:
- Ja, achteraf zeg ik dat het verstandig was
geweest. Er waren allerlei gevoeligheden.
- De voorzitter:
- Zoudt u het antwoord ook willen geven: maar
in die tijd was het nu eenmaal anders?
- De heer Suyver:
- Het lag toen inderdaad anders.
- De heer De Graaf:
- De heer Blok, hoofdofficier arrondissement
Den Haag heeft hier gezegd, dat er ook regelmatig presentaties waren rond
het CoPa-onderzoek en de verschillende deeltrajecten. Hij zei ook dat er
enkele interessante CID-trajecten liepen. U bent bij de bijeenkomsten met de
minister geweest, neem ik aan.
- De heer Suyver:
- Niet bij alle presentaties.
- De heer De Graaf:
- Is er nooit gevraagd: leg eens uit, welke
CID-trajecten dat zijn?
- De heer Suyver:
- In ieder geval niet in mijn bijzijn.
- De heer Rabbae:
- De doorvoer van cocaïne vond plaats in het
kader van het CoPa-onderzoek. Dat onderzoek had een groep om de minister op
gevoelige kwesties te attenderen. U zat zelf in die groep. De minister is
niet geattendeerd op deze gevoeligheid? Kunt u dat verklaren?
- De heer Suyver:
- Die groep heeft een vrij kort leven geleid.
Ze stond in wezen aan de wieg van het CoPa-team. Ze heeft een aantal maanden
een vrij zwak leven geleid, omdat haar taak onduidelijk was.
- De voorzitter:
- U was toch de voorzitter?
- De heer Suyver:
- Ja.
- De voorzitter:
- Bent u voorzitter van een onduidelijke
groep?
- De heer Suyver:
- Ja. Daarom ben ik er ook mee opgehouden.
Toen dat CoPa-team eenmaal begon te functioneren, en dat was de hoofdtaak
van de groep, was dat onder het normale gezag van de hoofdofficier en de PG.
Dat er een groep mensen was die een zekere nieuwsgierigheid aan de dag legde
voor de vorderingen van het onderzoek, was wel te begrijpen, maar dat werkt
op den duur niet. Die groep is een zachte dood gestorven door mijn toedoen.
De groep was te groot. Toen de groep werd opgeheven...
- De voorzitter:
- Wanneer is dat gebeurd?
- De heer Suyver:
- Ik meen in de loop van 1993. De groep heeft
het gezag gewoon bij het OM gelegd.
- De voorzitter:
- Wie heeft de stoot gegeven tot het onderzoek
in de CoPa-zaak?
- De heer Suyver:
- In de eerste plaats minister Hirsch Ballin.
- De voorzitter:
- U heeft daarna de uitvoering eerst in de
groep en later elders overgenomen wat het departement betreft?
- De heer Suyver:
- Overgenomen van?
- De voorzitter:
- Van hem. Of heeft hij er zich nog verder mee
bemoeid?
- De heer Suyver:
- Nee. Ik was er ambtelijk verantwoordelijk
voor. De minister is er van tijd tot tijd over geïnformeerd.
- De voorzitter:
- Op 8 maart 1992 gaat er een brief naar de
ministerraad. Dat is door de heer Blok gemeld. Is dit toen in de
ministerraad besproken?
- De heer Suyver:
- Dat weet ik niet. Ik weet wel dat die
besproken is in een kleinere kring van ministers.
- De voorzitter:
- Heeft men voldoende de politieke implicaties
overwogen van het mogelijk vervolgen van de voormalige legerleiding in
Suriname?
- De heer Suyver:
- Ik ben er niet bij geweest. Ik denk het wel.
Het exacte scenario was op dat moment nog niet bekend.
- De voorzitter:
- Heeft men het niet alsmaar voor zich
uitgeschoven?
- De heer Suyver:
- Daarin heeft u in zekere zin gelijk. Ik heb
dat zelf ook gedaan. Wij wilden bovendien de ontwikkelingen in Suriname
afwachten. Ik ging er zelf vanuit dat het CoPa-onderzoek, ofschoon
uiteindelijk gericht op het opbouwen van strafzaken tegen mensen in de
legerleiding, een tijd zou duren. Het opbouwen van strafzaken vergt eerst
het in kaart brengen, het analyseren van de cocaïnestromen tussen Suriname
en dit land. Ik wist dat dit een tijd zou duren. Ik schatte twee jaar. Het
heeft meer tijd nodig gehad. Ik geef toe dat het precieze scenario...
- De voorzitter:
- Wat gaan wij er dan mee doen? Wij moeten het
op een bepaald moment openbaar maken. Wij moeten iemand gaan vervolgen. Hoe
gaan wij dat dan doen? Is dat niet constant: dat zien wij nog wel, ga maar
eerst verder?
- De heer Suyver:
- Dat heb ik net uitgelegd. Het is inderdaad
opgeschoven. Er breekt een moment aan waarop dat scenario precies moet
worden omschreven. Wij zijn bijna zover.
- De voorzitter:
- U zegt: u bent bijna zover. Is het al in de
ministerraad geweest?
- De heer Suyver:
- Dat weet ik niet.
- De voorzitter:
- Het is wel aan de minister voorgelegd?
- De heer Suyver:
- Het is aan de minister voorgelegd.
- De voorzitter:
- Is er opnieuw een voortgangsrapportage
geweest? De zaaksofficier, de heer Van der Voort heeft gezegd dat hij weinig
hoop heeft en nog minder verwachting dat het tot iets komt. Wij denken dan:
hé, wat nu?
- De heer Suyver:
- Het enige wat ik ervan kan zeggen is dat mij
die conclusie niet geheel gerechtvaardigd lijkt. Voor zover ik weet zijn
daarover nog geen beslissingen genomen.
- De voorzitter:
- Is het niet de hoogste tijd dat men een
scenario opstelt hoe dit verder wordt afgekaart?
- De heer Suyver:
- Natuurlijk.
- De voorzitter:
- Ik kan niet geloven, dat de heer Bouterse
zich morgen bij het departement komt melden en vraagt hoe het ermee staat.
Is het niet de allerhoogste tijd, gezien ook de verkiezingen?
- De heer Suyver:
- Dat klopt. Daarover is ook door het OM
nagedacht.
- De voorzitter:
- U hebt dat te zamen met de heer Hoekstra,
toen nog secretaris-generaal Algemene Zaken toch wel gevolgd, ook nadat de
groep was opgeheven? Heeft u toen die vragen bij andere departementen
uitgezet?
- De heer Suyver:
- Die vraag is met de minister van
Buitenlandse Zaken besproken.
- De voorzitter:
- Kwam daar antwoord op?
- De heer Suyver:
- Daarop is antwoord gekomen.
- De voorzitter:
- Wat zei die?
- De heer Suyver:
- Het antwoord was: het recht moet zijn loop
hebben.
- De voorzitter:
- Het recht moet zijn loop hebben, dat zegt
niet zoveel. Of vindt u van wel?
- De heer Suyver:
- Het zegt niet zoveel over de vraag hoe het
recht zijn loop moet hebben. Het is wel een belangrijk principe.
- De voorzitter:
- Men zei niet tegen u: je kunt daar om
politieke redenen niet mee doorgaan?
- De heer Suyver:
- Nee. Er is nooit gezegd: houd maar op, dit
is een impossible mission.
- De voorzitter:
- Heeft u nu het idee, dat u nu weet, wat er
aan de hand is in opsporingsland, dat u het beter weet dan vroeger?
- De heer Suyver:
- Ik heb nu een andere functie. Ik vind het
heel moeilijk om die vraag te beantwoorden. Ik denk dat wij door de
hervormingen wel beter geïnformeerd zijn over wat er in het OM speelt. Of
wij een beter zicht hebben op wat er bij de politie speelt durf ik niet te
zeggen. Ik kan die vraag noch met nee, noch met ja beantwoorden.
- De voorzitter:
- Dat lijkt mij vrij ernstig. Wie moet dan op
uw niveau weten wat speelt binnen de Nederlandse politie?
- De heer Suyver:
- Laat ik het preciseren. Ik ga ervan uit, dat
het rijksrecherche-onderzoek Kennemerland dat nog niet voltooid is, alles,
maar dan ook alles boven water haalt wat er op het gebied van bijzondere
opsporingsmethoden, in het bijzonder doorlevering, infiltratie, informatie
heeft gespeeld. Door dat onderzoek is ons inzicht in wat in politieland
gebeurt, verhoogd.
- De voorzitter:
- Dat is juist, zij het dan op het onderdeel
dat gaat over de CID Kennemerland.
- De heer Suyver:
- Zeker.
- De voorzitter:
- Dan moeten wij nog maar afwachten, of de
gehele waarheid boven tafel komt.
- De heer Suyver:
- Dat voorbehoud maak ik ook.
- De voorzitter:
- De algemene vraag is: wie weten nu in
Nederland op uw niveau wat er bij de politie speelt? Dat is toch een
voorwaarde om te voorkomen, dat dit elders kan gebeuren, dat er nogmaals een
rijksrecherche-onderzoek met de grootste omvang in de geschiedenis komt?
- De heer Suyver:
- De leidingen van de departementen van
Binnenlandse Zaken en Justitie - niet alleen de SG's, maar ook de andere
verantwoordelijke hoofdambtenaren - horen inzicht te hebben in wat er
speelt.
- De voorzitter:
- Hoe krijgt u dat van de politie zo goed
mogelijk? Wat doet u eraan?
- De heer Suyver:
- Dat horen wij te krijgen van ons eigen OM.
Het gaat dan over de opsporingsmethoden.
- De voorzitter:
- Het gaat natuurlijk over iets meer. Niet
alleen de opsporingsmethoden, maar ook de organisatie - vertrouwt men
elkaar, kan men met elkaar samenwerken? - is aan de orde. Weet u van de hoed
en de rand en zo niet, hoe kunt u het beter weten? Het is een voorwaarde dat
u het weet.
- De heer Suyver:
- Het is een voorwaarde, niet alleen dat ik
dat weet, maar ook dat de ministers het weten. Dat proberen wij zo goed
mogelijk te doen. De politie is een grote organisatie: 40.000 mensen. Ik
hoop echt dat het rijksrecherche-onderzoek alles boven water brengt. Dan is
het inzicht in ieder geval helder. Overigens moeten wij onze informatie
hebben van het OM en via allerlei andere kanalen. Ik denk aan overleg met
korpsbeheerders, het hoofdofficierenberaad.
- De voorzitter:
- Is er niet een soort zweepslag in zo'n
organisatie nodig, inhoudende: wij lijden genoeg schade, wij moeten stoppen?
Het is niet alleen een kwestie van bureaucratische regels.
- De heer Suyver:
- Het Kennemerland-onderzoek is niet mis. Ik
denk ook aan de reorganisatie van het OM, de instelling van de CTC, de
inventarisatie-actie, de tweede veegactie, inhoudende: OM of politie, weet
dat zaken die niet goed gegaan zijn, niet vervolgd worden. Die acties moeten
wellicht verder worden verfijnd, verbeterd of uitgebreid. Dat is wel in gang
gezet.
- De voorzitter:
- U noemt de doorlichting een veegactie. Er
worden drie brieven over die doorlichting geschreven. De derde brief houdt
in: wij weten nog steeds niet of wij alles hebben, maar wij stoppen er maar
mee. Mocht iemand nog komen met iets, wat niet aangemeld is, dan wordt het
OM niet-ontvankelijk verklaard.
- De heer Suyver:
- Ja.
- De voorzitter:
- U, wij en misschien ook de rijksrecherche
weten het niet geheel. Hoe kunt u vanuit uw verantwoordelijkheid niet alleen
met nieuwe brieven, maar ook anderszins ervoor zorgen dat het beter gaat,
dat dit voorkomen wordt? Het is niet alleen een kwestie van regels.
- De heer Suyver:
- Door daarover voortdurend met het OM te
overleggen.
- De voorzitter:
- Is het alleen een kwestie van u en het OM of
is het ook een kwestie van burgemeesters, korpsbeheerders...?
- De heer Suyver:
- Ja, ook.
- De voorzitter:
- Heeft de minister van Justitie het de
korpschefs soms te gemakkelijk gemaakt omdat zij zo gemakkelijk toegang tot
hem hadden? Met "hem" bedoel ik Hirsch Ballin. Hebben zij te veel
ruimte gekregen, waardoor mensen die voor die korpschefs werkten dachten:
men vraagt ons de misdaad te bestrijden, dan moeten ze ook niet zeuren als
wij de zaken verkennen?
- De heer Suyver:
- Ik denk dat het uitzonderingen zijn geweest.
- De voorzitter:
- Heeft het ermee te maken dat de politie als
het ware te zelfstandig werd?
- De heer Suyver:
- Ja, dat de politie in een aantal opzichten
te zelfstandig is geworden, onderschrijf ik. Hoe dat gekomen is, kan ik niet
precies aanwijzen.
- De voorzitter:
- Is dat in uw ogen te redresseren, te
repareren?
- De heer Suyver:
- De primaire benadering door Justitie hoort
te zijn de benadering via het OM. Dat is het instrument voor de minister van
Justitie voor een behoorlijke gezagsuitoefening - een woord als
"greep" bevalt mij helemaal niet - door het OM over de politie.
Dat moeten wij bereiken door het OM te versterken, te verbeteren en te
hervormen. Dat is voor Justitie de allereerste aanvalsroute.
- De voorzitter:
- Kan een OM met ongeveer 400 leden ooit gezag
uitoefenen op een organisatie van 40.000 mensen? Zouden er in plaats van het
versterken van de politie niet veel meer officieren van Justitie moeten
komen?
- De heer Suyver:
- Het OM moet in ieder geval versterkt worden.
Of dat in de omvang van het aantal officieren zit is een tweede. Er moeten
ook meer officieren van Justitie komen. Versterking van een organisatie
gebeurt natuurlijk ook op andere manieren.
- De voorzitter:
- Een van de gevolgen van de IRT-zaak is
geweest, dat u zich bezig heeft gehouden met het vertrek van de
procureur-generaal in Amsterdam.
- De heer Suyver:
- Ja.
- De voorzitter:
- Is het naar uw mening daarmee gedaan? Is dat
het enige, wat u tegenkomt aan functioneren dat anders zou moeten?
- De heer Suyver:
- Ik vind het gewoon te vroeg om daarover
uitspraken te doen. Het werk van uw enquêtecommissie en het onderzoek van
de rijksrecherche moeten worden afgewacht.
- De voorzitter:
- U zoudt geen algemene...
- De heer Suyver:
- Nee.
- De voorzitter:
- ...conclusie op dit moment willen trekken?
- De heer Suyver:
- Nee.
- De voorzitter:
- Was dan de positie van de procureur-generaal
Amsterdam zo bijzonder, dat ten aanzien van hem die conclusies al wel werden
getrokken?
- De heer Suyver:
- ...
- De voorzitter:
- Laat ik het anders formuleren. Ik ben mij
ervan bewust, dat de minister politiek verantwoordelijk is en dat wij niet
het debat van vorige week moeten overdoen. Is het dan zo, dat omdat hij meer
verantwoordelijkheid droeg, met hem wel een gesprek is aangegaan?
- De heer Suyver:
- Hij was de hoogste gezagdrager.
- De voorzitter:
- En dat maakte, dat u vond dat met hem
gekeken moest worden naar andere oplossingen?
- De heer Suyver:
- Ik wil verwijzen naar het debat van vorige
week.
- De voorzitter:
- Begrijp ik hieruit een beter functioneren
van het OM ter zake van de opsporingsmethoden, de zware georganiseerde
criminaliteit betreffende? Dat heeft ook te maken met de toekomstige
invulling van de organisatie. Mogelijk ook anders.
- De heer Suyver:
- Zeker. Mogelijk met wettelijke structuren.
- De voorzitter:
- Daaraan twijfelt niemand. Hoe gaan wij in
Nederland om met de organisatie? Welke zaken zijn daarvoor in de toekomst
belangrijk?
- De heer Suyver:
- Met de politie-organisatie?
- De voorzitter:
- Met de organisatie van de opsporing en de
bestrijding. Zowel het OM als de politie en Justitie.
- De heer Suyver:
- Ik vind dat er een aantal dingen moeten
worden verbeterd. De prioriteitsstelling op landelijk niveau is ofschoon de
afgelopen jaren verbeterd, een ingewikkeld en moeizaam proces. Een geweldige
Poolse landdag, waar de heer Gonsalves probeert handen en voeten aan te
geven.
- De voorzitter:
- Poolse landdag? Die kun je beter afschaffen.
Moet het CBO worden afgeschaft?
- De heer Suyver:
- Nee, dat zeg ik niet.
- De voorzitter:
- Een Poolse landdag lijkt mij niet efficiënt.
- De heer Suyver:
- Nee. Ik beweer ook dat het CBO niet efficiënt
is. Het zou efficiënter moeten.
- De voorzitter:
- Moet de prioriteitenkeuze voor de aanpak van
de zware criminaliteit terug naar het departement?
- De heer Suyver:
- Ja, maar ik aarzel om volmondig ja te
zeggen. De prioriteitskeuze is een resultante van een keuze. Er moet worden
gekozen uit lokale, regionale en landelijke prioriteiten. Dat moet het OM en
de politie doen. Als uiteindelijk door de PG's een voorstel wordt gedaan
over deze top 5 of top 10, dan moet de minister die keuze tot de hare maken.
Te zamen met de minister van Binnenlandse Zaken moet zij dat vaststellen. Er
moet politiecapaciteit worden vrijgemaakt in de regio's om die prioriteiten
aan te pakken.
- De voorzitter:
- Dat wilt u meer in de hand hebben?
- De heer Suyver:
- Ja.
- De voorzitter:
- Wat kunt u verder doen in de organisatie?
- De heer Suyver:
- Er is de laatste jaren enorm veel gedaan aan
de bestrijding. De kernteams zijn opgericht en zij verrichten goed werk. Ze
halen resultaat en succes. Ik vind het een merkwaardige toestand - ik druk
mij eufemistisch uit...
- De voorzitter:
- Drukt u zich maar niet eufemistisch uit en
zegt u maar wat u vindt.
- De heer Suyver:
- Ik vind het een merkwaardige toestand, dat...
- De voorzitter:
- Nee, dat is eufemistisch.
- De heer Suyver:
- Ik vind het enigszins absurd, dat er
kernteams moeten worden opgericht op basis van convenanten. Ik vind dat
raar. Ik zeg niet dat er ergens tegenwerking is. Iedereen verleent
medewerking, ook korpsbeheerders en korpschefs. Dat ministers met
korpsbeheerders en hoofdofficieren convenanten moeten gaan afsluiten,
handtekeningen moeten gaan zetten onder een contract, vind ik een absurde
situatie.
- De voorzitter:
- Dat is de enige manier om er meer greep op
te houden onder de huidige wetgeving?
- De heer Suyver:
- Ja, zeker. Dat zou anders moeten.
- De heer Koekkoek:
- U vindt, dat de wet gewoon moet worden
uitgevoerd bij ministeriële regeling?
- De heer Suyver:
- Hoe je dat anders moet doen is de vraag. Dat
vergt een wijziging van de Politiewet.
- De heer Koekkoek:
- De Politiewet voorziet in de mogelijkheid
van interregionale samenwerking. Ik denk aan regelingen die de bevoegde
ministers vaststellen.
- De heer Suyver:
- Misschien is dat een instrument dat hiervoor
gebruikt kan worden. Ik betwijfel of het hiervoor adequaat is. Het zal
onderzocht moeten worden.
- De voorzitter:
- Heeft u verder nog een middel om de zaak zo
snel mogelijk ook na het aflopen van deze enquête goed op de rails te
krijgen?
- De heer Suyver:
- Wij hebben al veel besproken. De normering
moet ter hand worden genomen. Het is lastig. Ik zei al dat de Duitse
wetgeving als voorbeeld kan dienen. Ze moet overigens niet gekopieerd
worden. Ik vind ook niet, dat het in de Polizeigesetz...
- De voorzitter:
- Niet in de Politiewet, maar waar dan wel?
- De heer Suyver:
- Wetboek van Strafvordering.
Informatievergaring is in de eerste plaats gericht op strafvordering en niet
op informatievoorziening aan het bestuur. De normering is punt een. Je moet
zekerheid bieden aan het OM en opsporingsambtenaren. Verder moet met kracht
en energie doorgegaan worden met de reorganisatie van het OM. De CTC moet
voorlopig blijven bestaan. Dat vind ik een zeer nuttig en onmisbaar
instrument om een centrale toetsing van alles wat bijzonder is tot stand te
brengen. Via een hervormd OM moet ook de gezagsuitoefening over de politie
betere en meer inhoud kunnen krijgen.
- De heer Koekkoek:
- Eerder hebt u gezegd dat u op grond van wat
u nu weet uit het rijksrecherche-onderzoek meent dat de overheid werd
gerund. Kunt u enkele aanwijzingen geven op grond waarvan u tot die
conclusie komt?
- De heer Suyver:
- Ik gaf dat antwoord op een vraag die
duidelijk refereert aan de Delta-methode, die specifieke casus daar. Zo is
het mij ook steeds gepresenteerd door het OM. Ik herhaal de openingszin,
waarmee de heren binnenkwamen.
- De heer Koekkoek:
- Dat de overheid werd gerund?
- De heer Suyver:
- Nee. Ik vergis mij.
- De voorzitter:
- Wij runnen een cokeslijn, een drugslijn.
- De heer Suyver:
- Herstel. Op grond van wat ik gehoord heb,
ook van het OM ben ik tot die conclusie gekomen.
- De heer Koekkoek:
- Kunt u enkele feiten en omstandigheden
noemen die tot die conclusie leidden? Betrokkenen ontkennen dat nog steeds
voor deze commissie.
- De voorzitter:
- Sommige betrokkenen.
- De heer Koekkoek:
- Inderdaad.
- De heer Suyver:
- Het feit van de verrijking, de winsten is
een van de hoofdredenen.
- De heer Koekkoek:
- De verrijking van de informant?
- De heer Suyver:
- Ja.
- De voorzitter:
- Had u nooit gehoord in uw beide functies -
SG en directeur politie - dat dit voorkwam? Het is niet alleen in de
Delta-methode voorgekomen. Het komt vandaag de dag nog voor.
- De heer Suyver:
- Wat is precies "dit"?
- De voorzitter:
- Het opstrijken van criminele winsten door
informanten en infiltranten.
- De heer Suyver:
- Onder gezag van het OM?
- De voorzitter:
- Ja.
- De heer Suyver:
- Nee.
- De voorzitter:
- Echt niet?
- De heer Suyver:
- Nee.
- De voorzitter:
- Dat vind ik verbluffend.
- De heer Suyver:
- Onder gezag van het OM.
- De voorzitter:
- Een CID-officier heeft gezegd: als het zo
moet dan moet het maar.
- De heer Suyver:
- Geen winsten van deze omvang.
- De voorzitter:
- U sprak net over de gesprekken die u gevoerd
heeft met procureur-generaal Van Randwijck. U zei: voor andere conclusies is
het nu te vroeg. Betekent dat dat er geen andere vergelijkbare
functioneringsgesprekken worden gevoerd?
- De heer Suyver:
- Op dit moment?
- De voorzitter:
- Ja.
- De heer Suyver:
- Niet door mij.
- De voorzitter:
- Op het departement?
- De heer Suyver:
- Ook niet.
- De voorzitter:
- Is de aankondiging van het vertrek door een
lek te vroeg gekomen?
- De heer Suyver:
- Er is sprake van een lek geweest.
- De voorzitter:
- Het was eigenlijk niet de bedoeling van het
departement dat het op dit moment naar buiten zou komen?
- De heer Suyver:
- Daar waren wij nog niet uit. Dat was nog een
open vraag, mijnheer Van Traa.
- De heer Koekkoek:
- Worden er voor zover u weet door een ander
departement soortgelijke gesprekken gevoerd?
- De heer Suyver:
- Dat weet ik niet.
- De heer De Graaf:
- U zei eerder dat u meende dat de politie te
zelfstandig was geworden. U wilde of kon daar geen verklaring voor geven. Nu
bent u behoorlijk thuis in de politie. U hebt er veel over geschreven. Is er
voor u geen begin van een verklaring?
- De heer Suyver:
- Ach, er zijn tal van verklaringen. Ik vind
ze allemaal nogal generaliserend. Het Delta-onderzoek had een zeer gesloten
karakter. Er werd niet over gepraat. Mensen gingen autonoom te werk. Dat
zijn dingen die naar mijn mening niet behoren voor te komen.
- De heer De Graaf:
- Heeft dat niet te maken met de
zelfstandigheid van de politie-organisatie en de politiechefs?
- De heer Suyver:
- Nou, ik sprak al over CID-operaties. Als u
het terrein verbreedt tot de totale politie, dan wordt vaak gezegd dat de
politie te zeer verzelfstandigd is. Ik zeg niet dat dit niet zo is. Ik vind
het moeilijk om het te beamen, omdat het erg algemeen is gezegd. Voor zover
dat het geval is, heeft dat onmiskenbaar te maken met een gebrek aan
daadwerkelijke gezagsuitoefening, niet alleen door het OM, maar ongetwijfeld
ook door het bestuur. Een politie-organisatie is trouwens ook heel
ingewikkeld. Een korpschef is wat anders dan een politie-agent aan de voet.
De organisatie heeft misschien te veel ruimte gekregen.
- De voorzitter:
- Mijnheer Suyver, dank u wel. Sluiting 12.32
uur
Secretaris-generaal J.J.H.
Suyver: "Procureur-generaal van Randwijck moet vertrekken"
5 oktober 1995 moet Van Randwijck op het
ministerie verschijnen bij secretaris-generaal Jan Suyver. Hij krijgt daar te
horen dat hij moet verdwijnen omdat zijn 'gezag is aangetast'. Dat hoort hij
voor het eerst. Suyver baseert zich op een 6-regelig briefje van Docters van
Leeuwen van 19 september 1995 waarin deze zegt twee klachten over Van Randwijck
te hebben ontvangen. Een van de Haarlemse hoofdofficier De Beaufort en een van
de Amsterdamse hoofdofficier Vrakking. 'Deze situatie behoort niet voort te
duren' schrijft Docters van Leeuwen aan Suyver. De klacht van De Beaufort
blijkt al snel niet te bestaan en is in werkelijkheid, volgens de Haarlemse
hoofdofficier, een 'streek' van Docters van Leeuwen. De Beaufort is op vakantie,
overigens dezelfde vakantie als tijdens de discussie over de
verantwoordelijkheid in het Bevertraject, als Docters van Leeuwen zijn
6-regelige brief over Van Randwijck aan secretaris-generaal Suyver op het
ministerie van Justitie stuurt. Ook hierover toont De Beaufort zich bij
thuiskomst verbolgen. De opzet van Docters Van Leeuwen om Van Randwijck met
'steun' van De Beaufort weg te krijgen dreigt te mislukken. Maar 'gelukkig' is
er nog een briefje. Een brief van de Amsterdamse hoofdofficier Vrakking aan
Docters van Leeuwen, waarin deze zich opwindt over de 'publicitaire schade' die
is aangericht door 'een gerucht', dat verspreid zou zijn door iemand uit de
buurt van Van Randwijck. Het 'gerucht' zou verspreid zijn door advocaat-generaal
Behling die daarvoor echter toestemming heeft gekregen van officier Brilman,
notabene een directe medewerker van Vrakking. Aan de commissie-Van Traa heeft
Behling informatie verstrekt waaruit zou blijken dat de Amsterdamse politie
harddrugs heeft verkocht. Volgens Vrakking klopt het verhaal niet. Nog bozer is
hij over het feit dat niemand dit met hem overlegd heeft.
En Vrakking klaagt bij Docters van Leeuwen. De voorzitter van het college van
procureurs-generaal gaat er echter vanuit dat Van Randwijck van Vrakkings
klachten op de hoogte is. En dat blijkt een misverstand. Van Randwijck wist niet
dat Vrakking boos was. Hij is door Vrakking nooit op de hoogte gesteld. Van
Randwijck stelt dan ook later, in een brief aan Docters van Leeuwen vast dat de
'hoge toon' van Vrakking 'misplaatst' en 'ongepast' is gebleken. Op 30 november
1995 vraagt Van Randwijck om een reactie van Docters. Die laat echter nooit meer
wat van zich horen. Zo krijgt Docters van Leeuwen Van Randwijck niet uit
Amsterdam. Nu staat hem nog maar een weg open. Een dure weg...
Van Randwijck laat zich niet zomaar wegsturen. Hij wil behoud van salaris, plus
juridische kosten, plus een afkoopsom van een half miljoen gulden. En geen
afspraken over eventuele bijverdiensten. Minister Sorgdrager kan niet anders dan
hier mee instemmen. Ze overleeft het kamerdebat over de regeling met Van
Randwijck maar net. Ambtenaar Suyver, die de overeenkomst voor de minister
gesloten heeft, betaalt de prijs. Hij moet weg bij het ministerie van Justitie.
(UIT: Het Koningskoppel, bladzijde 196-197)
-
Topgeheim!
Als Suyver wordt benoemd, kan de BVD zijn handjes dichtknijpen. Dijkstals
poging de veiligheidsdienst aan een strengere controle te onderwerpen
verwordt daarmee tot een wassen neus.
Bron: Joeri Boom, De Groene Amsterdammer
van 2 oktober 1996
De Binnenlandse Veiligheidsdienst doet heel
nuttig werk. In principe tenminste, want in de praktijk laat de BVD nogal
wat steken vallen. En van de inspectiedienst die dat in de toekomst moet
voorkomen, valt ook weinig goeds te verwachten.
DE BINNENLANDSE Veiligheidsdienst leverde
slecht werk, maakte domme fouten en ging herhaaldelijk zijn boekje te
buiten. Dat is de conclusie die politicoloog Giliam de Valk trekt in zijn
onlangs verschenen studie De BVD en inlichtingenrapportages. Dit weinig
florissante beeld geldt volgens De Valk vooral voor de periode vóór 1990,
het jaar waarin de dienst werd gereorganiseerd na een vernietigend,
goeddeels geheim rapport van onderzoeksbureau Andersson Elffers Felix.
Maar de reorganisatie van de BVD lijkt niet veel effect te hebben gehad op
de kwaliteit van de inlichtingenanalyses. Anonieme bronnen wisten De Valk te
vertellen dat rapportages over de terrorismedreiging naar aanleiding van de
Golfoorlog en de crisis in ex-Joegoslavië te laat verschenen en te vaag
waren. 'Bewaak alles', was bijvoorbeeld de onuitvoerbare boodschap van het
Golfoorlog-rapport. Bovendien waren de rapporten zo geheim dat ze niet
terechtkwamen bij de mensen die ermee moesten werken. De Valk kon hier
echter geen wetenschappelijke conclusies uit trekken, want hij heeft de
betreffende rapporten immers ook niet onder ogen gehad.
Onderwerp van zijn studie is de kwaliteit van het inlichtingenwerk. Het
resultaat is een boek vol vingers op zere plekken. De Valk: 'De BVD is een
nuttige organisatie. Bijvoorbeeld om de bemoeienis van totalitaire regimes
met onze democratie in kaart te brengen. Het is goed daarvoor een
specialistische dienst te hebben. Daarom moet het inlichtingenwerk een
volgroeide discipline worden. Dat is gerelateerd aan opleiding. Maar voor de
BVD bestaat geen eigen opleiding waar wetenschappers en de
inlichtingenmensen het vak kunnen leren. Vergeleken met het buitenland
hebben we hier een flinke achterstand.'
De Valk onderzocht onder meer de kwaliteit van een uitgelekt
kwartaalverslag, in 1981 verzonden aan burgemeesters en
politiecommissarissen onder het kopje 'vertrouwelijk'. Hij concludeerde dat
het rapport van een bedroevend slechte kwaliteit was, vol onjuiste
informatie, op grond waarvan politiechefs en burgemeesters met geen
mogelijkheid de juiste beleidsbeslissingen nemen.
Opvallend is verder dat drie
opeenvolgende ministers van Binnenlandse Zaken in de Tweede Kamer ontkenden
dat in de jaren tachtig de vredesbeweging door de dienst in de gaten werd
gehouden, terwijl De Valk aantoont dat dat wèl gebeurde. In
de Verenigde Staten wist hij op grond van de Freedom of Information Act
faxen in handen te krijgen waaruit blijkt dat een Nederlandse
inlichtingendienst - hoogstwaarschijnlijk de BVD - ten tijde van de op
handen zijnde plaatsing van Amerikaanse kruisraketten in Nederland
informatie over de vredesbeweging doorspeelde aan de CIA. Zouden Van Thijn,
Rood en Rietkerk alledrie het parlement hebben voorgelogen? Of hield de BVD
informatie achter?
Volgens Sjoerd Bos, voormalig chef van de Politieke Inlichtingendienst
Zaanstad, was dat laatste regelmatig het geval. De PID's fungeren als
voelsprieten van de BVD. Ze verzamelen informatie, leggen persoonsdossiers
aan en organiseren informanten. Eind 1990 publiceerde Bos samen met Kees van
Beijnum in de Nieuwe Revue drie artikelen over zijn inlichtingenwerk. Daarin
deed hij een boekje open over de werkwijze van de PID's. Schending van het
briefgeheim, inbraken in kraakpanden en CPN-kantoren en het aftappen van
telefoonlijnen waren schering en inslag.
Over de ontkenning van dergelijke praktijken door minister Rietkerk in 1985
schreven Bos en Van Beijnum destijds: 'Was minister Rietkerk, zo vroegen
PID'ers over het hele land zich in 1985 af, een loyale baas die het geheim
van de keuken weigerde prijs te geven om zijn ondergeschikten te dekken of
was hij een goedbedoelende, naïeve politicus die zich alles aan liet leunen
wat de BVD-top hem vertelde? De meeste PID'ers hielden het erop dat het
laatste het geval was.'
Sjoerd Bos meent dat de democratische controle op de inlichtingendiensten
tekortschiet. Hij werkte elf jaar voor de PID en raakte aan het eind van
zijn loopbaan danig gedesilussioneerd. Bos: 'De inlichtingendiensten moeten
onze democratie beschermen. Als ik iemand traceer die een gebouw wil
opblazen, moet dat voorkomen kunnen worden. Maar daarvoor moet ik wel
bevoegdheden hebben. Mensen raken gestresst door het werken met onwettige
middelen. Er was helemaal niets geregeld. Nog steeds niet trouwens, want bij
de IRT-enquˆte zijn ze de PID's vergeten. Als iets aan de oppervlakte kwam,
trokken de chefs zich terug. Dat werd me te veel.'
Ook Giliam de Valk is van mening dat inlichtingendiensten als de BVD veel te
makkelijk onder parlementaire controle uit komen. Een slechte zaak, vindt
hij. Ook vanuit het oogpunt van de kwaliteit van het inlichtingenwerk. In de
huidige situatie zijn de inlichtingendiensten het exclusieve speeltje van de
regering. En zelfs die krijgt niet alles te horen. De BVD en andere diensten
moeten weliswaar rapporteren aan de vaste Kamercommissie voor Inlichtingen-
en Veiligheidsdiensten, maar daarin hebben slechts de fractievoorzitters van
PvdA, VVD, CDA en D66 zitting. Het ontbreekt ze aan de tijd en de expertise
om het verslag van de diensten aan een grondige inspectie te onderwerpen. De
commissie komt dan ook zelden bijeen. En aangezien de aanwezigen zijn
gebonden aan een strikte geheimhouding, is het openbare verslag van de
commissie aan de Tweede Kamer doorgaans een vertoning van haast hilarische
zwijgzaamheid.
De Valk: 'Als je de controle optimaal wil laten functioneren, moet je
specialisten nemen die er voldoende tijd voor hebben. Het is van de zotte
dat de veiligheids- en inlichtingendienstspecialisten uit de kamer geen
zitting hebben in de commissie. Als een dienst fouten heeft gemaakt, wil ze
die het liefst voor zich houden. Dat is eigen aan menselijke organisaties.
Maar juist in die gevallen is het van belang dat je specialisten kunt
inzetten die kunnen uitzoeken waar het mis is gegaan. Als een dienst weet
dat ze in de gaten worden gehouden door bloedhonden die grip op de zaak
hebben, doet men alles om fouten te voorkomen. De kwaliteit wordt dan
groter. Uiteindelijk wordt van een scherpere democratische controle iedereen
wijzer.'
DE VALK MEENT dat veel rapportages in grotere openheid kunnen plaatsvinden.
In zijn boek doet hij de aanbeveling onderzoek naar radicale sociale
bewegingen niet meer bij de BVD onder te brengen, maar uit te besteden aan
wetenschappelijke instellingen. Grotere openheid en meer controle door de
wetgevende macht leidden in elk geval in de Verenigde Staten tot goede
resultaten. Het werk van de CIA werd serieuzer genomen en werd ook beter van
kwaliteit. De combinatie van openheid en grote democratische controle heeft
bovendien tot gevolg dat de National Security Council, het hoogste
veiligheidscollege, geen illegale operaties meer via de CIA kan laten lopen.
Zo'n Amerikaanse openheid van zaken zal hier niet snel de regel worden, dat
beseft De Valk terdege. 'Dat ligt grotendeels aan het verschil in politieke
cultuur. In de Verenigde Staten wordt ervan uitgegaan dat het handelen van
de staat publiek domein is. Als de staat iets geheim wil houden, moet ze
zich daarvoor verantwoorden. De Europese traditie is heel anders. Veel
minder open.'
Een heikel punt bij de uitoefening van controle is de inzet van informanten.
De Valk: 'Als een dienst een organisatie in de gaten houdt, gebeurt dat vaak
via informanten. Soms anticiperen organisaties daarop, ze gaan zich
voorbereiden op alle middelen die zo'n dienst mag gebruiken. En dat een
informant door zijn optreden een radicale wijziging in het beleid van een
organisatie teweegbrengt die je dan vervolgens als feit in een rapport
terugvindt, zonder vermelding van provocateursactiviteiten, klopt natuurlijk
van geen kant.'
Volgens Arthur Docters van Leeuwen, voormalig BVD-chef, is het aanzetten tot
geweld ondenkbaar. Docters van Leeuwen in 1993: 'Wij zijn geen
provocateurs.' Maar de BVD heeft nooit veel gedaan om haar informanten in de
hand te houden. Er werden wapens en explosieven aan actievoerders
aangeboden. Zo kreeg de Rode Jeugd een auto vol springstof van de BVD
aangeboden, en later een pistool waarop de vingerafdrtukken van haar leider
terecht moesten komen. En de informant John Wood leverde de vredesbeweging
gestolen granaten.
In zijn studie behandelt De Valk enkele gevallen waarin informanten zich
schuldig maakten aan uitlokking zonder dat de BVD ingreep. Ook de
lotgevallen van Lex Hester komen aan bod. Hij bood medewerkers van de linkse
Amsterdamse boekhandel het Fort van Sjakoo meermalen wapens en explosieven
aan. Hester werd aanvankelijk gerund door de PID-Zaanstad, onder Sjoerd Bos.
Later ging hij over naar de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI), die
een speurtocht op touw had gezet naar RaRa-leden.
Fort van Sjakoo-medewerker Jeroen: 'Toen ik er een aantal maanden werkte,
benaderde hij in korte tijd drie mensen in de winkel en nog één daarbuiten
met de opmerking dat hij semtex thuis had liggen. Hij had alleen geen
ontstekingsmechanismen. Hij vroeg of ik wegen wist om daar aan te komen. Ik
heb hem verteld dat ik dat een volstrekt gestoorde vraag vond. Ik had meteen
het idee dat er iets niet klopte. Aan iemand die niet direct afhoudend
reageerde, heeft hij iets laten zien waarvan hij zei dat het semtex was.' De
medewerkers van de boekhandel ontmaskerden Hester in 1990 en ontzegden hem
de toegang tot de zaak.
Jeroen: 'Of hij is geïnstrueerd of dat hij zelf op hol is geslagen, weten
we niet. Daar zullen we nooit achterkomen, tenzij de archieven in Den Haag
opengaan, maar dan kun je wachten tot je een ons weegt. Lex was verslaafd
aan heroïne. Misschien creëerde hij zelf feiten om meer geld van zijn
runners te krijgen.'
Sjoerd Bos onderkent de problemen die het werken met informanten met zich
meebrengt. Natuurlijk zette zíjn PID nooit aan tot provocaties. Maar: 'Een
informant is in principe onbetrouwbaar. Het zijn altijd mensen die geld
nodig hebben of maatschappelijk in de verdrukking zitten. En er werd ons
niet geleerd hoe je het beste met zulke informanten kon omgaan.'
De Valk heeft de indruk dat de reorganisatie van de BVD weinig heeft
veranderd aan het werken met informanten. In zijn boek doet hij daarom een
IRT-achtige aanbeveling: 'De inzet van informanten die actief meedoen aan
een groep waarover zij rapporteren, dient te worden voorzien van een vorm
van politieke controle.'
ALS HET AAN minister van Binnenlandse Zaken Dijkstal ligt, komt een
dergelijke controle er. Het parlementaire onderzoek naar de IRT-affaire
bracht zoveel illegale praktijken van politie en justitie aan het licht dat
Dijkstal meende dat ook het toezicht op de BVD verscherpt moest worden.
Vorig jaar stelde hij voor een inspectiedienst voor de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten in te stellen. Die zou moeten controleren of de diensten
zich aan de regels houden, met name bij de inzet van
informanten/provocateurs. De inspecteur-generaal zou rechtstreeks moeten
rapporteren aan de minister van Binnenlandse Zaken. In het najaar spreekt
het parlement zich uit over het voorstel van Dijkstal.
Inmiddels is een interessante naam gevallen in verband met het toekomstige
directeur-generaalschap. De Telegraaf meldde dat Jan J. H. Suyver, voormalig
secretaris-generaal van Justitie, zich zou gaan 'bezighouden met de
invulling van de inspectiedienst'. Een woordvoerder van Binnenlandse Zaken
wil het bericht bevestigen noch ontkennen.
De benoeming van Suyver zou wel
eens koren op de molen kunnen zijn van hen die de BVD het liefst in nevelen
gehuld laten. Suyver was immers verantwoordelijk voor het uitvoeren
van inkijkoperaties en het doorvoeren van drugs in het IRT-debƒcle. Na de
opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht viel onder meer de kop van zijn
politieke baas Hirsch Ballin. Suyver, de hoogste justitieambtenaar, bleef
verbazingwekkend genoeg op zijn post. Hirsch Ballins opvolgster Sorgdrager
wilde na zijn optreden voor de IRT-commissie echter alsnog van hem af. Haar
kans kwam toen Suyver de veel ophef veroorzakende gouden handdruk voor Van
Randwijck regelde.
De laatste geruchten over Suyvers vrijpostige omgang met overheidsgeld en
infiltranten gaan over 'Haagse Kees', een voormalig infiltrant in het
drugsmilieu. Hij wendde voor dat hij door fouten van Justitie in
levensgevaar verkeerde. Deels onder verantwoordelijkheid van Suyver
overhandigden justitieambtenaren hem in Zwitserland twee miljoen gulden.
'Haagse Kees' woont inmiddels onder zijn eigen naam weer rustig in Nderland.
Als Suyver wordt benoemd, kan
de BVD zijn handjes dichtknijpen. Dijkstals poging de veiligheidsdienst aan
een strengere controle te onderwerpen verwordt daarmee tot een wassen neus.
Dan krijgt Giliam de Valk gelijk: onze politieke cultuur is inderdaad niet
bevorderlijk voor openheid inzake de geheime dienst. Een woordvoerder van de
BVD: 'Kenmerkend voor de informatie van de BVD is nu juist dat deze geheim
moet blijven.'
- Amerongen, W.C. van
- Chef van de afdeling georganiseerde
criminaliteit bij de regiopolitie Brabant Zuid-Oost
- Bakker, G.J.C.M.
- Teamleider douanerecherche bij de
Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst
- Barendregt, B.N.
- Commissaris van politie en hoofd van
de Afdeling coördinatie criminele inlichtingen van de Divisie
centrale recherche informatie
- Beaufort, jhr. mr. L.A.R.J. de
- Hoofdofficier van justitie te Haarlem
- Beek, mr. G.P. van der
- Als officier van justitie gedetacheerd
bij de directie Politie van het ministerie van Justitie , waar hij
projectleider georganiseerde criminaliteit was, vanaf 1 augustus 1995
officier van justitie te Rotterdam
- Blijswijk, mr. drs. J.A.M. van
- Hoofd van de Fiscale inlichtingen- en
opsporingsdienst te Haarlem
- Blok, mr. J.A.
- Hoofdofficier van justitie te
's-Gravenhage
- Bovenkerk, prof. dr. F.
- Hoogleraar criminologie aan de
Rijksuniversiteit Utrecht
- Brand, J.L.
- Hoofdcommissaris van politie,
korpschef van de regiopolitie Haaglanden en voorzitter van de Raad van
Hoofdcommissarissen.
- Brinkman, mr. drs. L.C.
- Voormalig voorzitter van de
CDA-fractie in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, was voorzitter van
de commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
- Broere, A.
- Teamchef van het arrestatieteam van
het regiokorps Rotterdam-Rijnmond
- Bruinsma, prof. dr. G.J.N.
- Bijzonder hoogleraar bestuurskundige
criminologie aan de Universiteit Twente
- Bunt, prof. dr. H.G. van de
- Hoogleraar criminologie aan de Vrije
Universiteit Amsterdam en hoofd van het Wetenschappelijk Onderzoek- en
Documentatie Centrum van het ministerie van Justitie
- Burg, mr. V.A.M. van der
- Lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal voor het CDA en voorzitter van de vaste commissie voor
Justitie van de Tweede Kamer
- Capelle, mr. M.A.A. van
- Officier van justitie te Groningen
- Corstens, prof. mr. G.J.M.
- Hoogleraar straf- en strafprocesrecht
aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, vanaf 1 oktober 1995
raadsheer bij de Hoge Raad der Nederlanden
- Craemer, mr. R.W.M.
- Plaatsvervangend hoofdofficier van
justitie in het arrondissement Amsterdam en fungerend hoofdofficier
van justitie voor de politieregio Gooi- en Vechtstreek
- Dijkstal, H.F.
- Minister van Binnenlandse Zaken,
daarvoor lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal voor de VVD en lid van de vaste commissies voor de
Politie en voor Justitie
- Docters van Leeuwen, mr. A.W.H.
- Procureur-generaal bij het Gerechtshof
te Den Haag en voorzitter van het College van procureurs-generaal
- Dros, mr. O.R.
- Chef van het Kernteam Randstad Noord
en Midden
- Duijne, dr. P.C. van
- Onderzoeker bij het ministerie van
Justitie
- Fijnaut, prof. dr. C.J.C.F.
- Hoogleraar criminologie en strafrecht
aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en aan de Katholieke
Universiteit Leuven
- Gelderman, mr. E.F.G.M.
- Vice-president van de rechtbank te
's-Hertogenbosch in de functie van coördinerend rechter-commissaris
zware, georganiseerde criminaliteit
- Gemert, drs. ing. W.M. van
- Hoofd van het Landelijk rechercheteam
bij het Korps Landelijke Politiediensten
- Gerding, mr. R.A.F.
- Plaatsvervangend hoofdofficier van
justitie te Rotterdam
- Gonsalves, mr. R.A.
- Procureur-generaal bij het gerechtshof
te 's-Hertogenbosch
- Gonzales, mw. mr. drs. I.E.W.
- Officier van justitie te Haarlem,
tevens officier van justitie zware criminaliteit en kernteamofficier
- Groot, mr. F.C.V. de
- Tot medio 1995 officier van justitie
voor de criminele inlichtendiensten in het arrondissement Den Haag (
de korpsen Haaglanden en Hollands Midden), daarna officier van
justitie bij het Landelijk bureau openbaar ministerie
- Groot, mr. R. de
- Officier van justitie voor de
criminele inlichtingendienst te Rotterdam, tevens hoofd van de unit
fraude, economie en milieu en zware criminaliteit
- Hellemons, A.A.M.
- Hoofd van de Dienst technische
operationele ondersteuning van de Divisie ondersteuning van het Korps
Landelijke Politiediensten
- Helten, drs. N.H.E. van
- Directeur Democratische rechtsorde bij
de Binnenlandse veiligheidsdienst
- Hiddema, mr. Th.U.
- Advocaat te Maastricht
- Hirsch Ballin, prof. mr. E.M.H.
- Lid van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal en hoogleraar Internationaal Recht aan de Katholieke
Universiteit Brabant, voormalig minister van Justitie
- Hondt, mr. E.M. d'
- Burgemeester van Nijmegen en
voorzitter van het Korpsbeheerdersberaad
- Huisman, H.M.
- Hoofd van het Douane informatiecentrum
- IJzerman, P.D.
- Korpschef van de regiopolitie Twente
- Jansen, H.A.
- Commissaris van politie bij de
regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, hoofd van de regionale recherche
dienst waaronder ook het kernteam Rotterdam-Rijnmond/Zuid-Holland Zuid
ressorteert
- Jansen, mr. J.M.
- Hoofdofficier van justitie te
's-Hertogenbosch, voorzitter van de Centrale toetsingscommissie
- Karstens, R.
- Hoofd van de Afdeling nationale coördinatie
politiële infiltratie bij de Divisie centrale recherche informatie
- Kloosterman, A.
- Observatierechercheur
- Koers, mr. J.
- Officier van justitie te Arnhem, hoofd
van de Unit zware criminaliteit
- Korthals, mr. A.H.
- Lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal voor de VVD, woordvoerder voor
justitie-aangelegenheden
- Kuijper, K.
- Commissaris van politie, hoofd van de
rijksrecherche bij het parket procureur-generaal te Amsterdam
- Langendoen, K.P.
- Projectleider/plaatsvervangend
teamleider bij het Kernteam Randstad Noord en Midden
- Lith, A.
- Chef van het district Rijn en IJssel
van de regiopolitie Utrecht, voormalig teamleider van het
interregionale rechercheteam Noord-Holland/Utrecht
- Looijen, J. van
- Plaatsvervangend chef van de criminele
inlichtingendienst van het regiokorps Amsterdam-Amstelland
- Maan, mr. A.C.
- Officier van justitie zware,
georganiseerde criminaliteit te Amsterdam
- Molen-Maesen, mw. mr. P.M.H. van
der
- Landelijk terreur en BVD Officier van
justitie, voorheen CID-officier van justitie te Utrecht
- Mosterd, A.M.
- Hoofd van de criminele
inlichtingendienst van de politieregio Hollands Midden
- Naeyé, prof. dr. J.
- Hoogleraar politierecht aan de Vrije
Universiteit Amsterdam
- Nordholt, drs. E.E.
- Korpschef van het regiokorps
Amsterdam-Amstelland
- Patijn, mr. A.
- Raadadviseur bij de Directie Wetgeving
van het ministerie van Justitie
- Paulissen, W.J.A.
- Commissaris van politie, districtschef
Regiopolitie Brabant-Noord, voormalig teamleider van het Kernteam Zuid
- Pieters, mr. J.J.Th.M.
- Officier van justitie zware
criminaliteit en criminele inlichtingendienst te 's-Hertogenbosch
- Putten, F. van der
- Hoofd van de regionale criminele
inlichtingendienst van de regiopolitie Gooi- en Vechtstreek
- Randwijck, mr. R.C.J. Graaf van
- Procureur-generaal bij het gerechtshof
te Amsterdam
- Riessen, J.C. van
- Commissaris van politie, lid van de
korpsleiding in de functie van hoofd justitiële bedrijfsvoering bij
de regiopolitie Amsterdam-Amstelland
- Rutten-Roos, mw. mr. A.
- Vice-president bij het gerechtshof te
Amsterdam
- Schmitz, mw. mr. E.M.A.
- Vanaf augustus 1994 staatssecretaris
van Justitie, daarvoor burgemeester van Haarlem en korpsbeheerder van
de politieregio Kennemerland
- Snijders, mr. ing. J.W.P.
- Officier van justitie criminele
inlichtingendienst te Haarlem
- Sorgdrager, mw. mr. W.
- Minister van Justitie, voorheen
procureur-generaal bij het gerechtshof te Den Haag en te Arnhem en
officier van justitie te
Almelo
- Spoel, mr. Tj.E. van der
- Advocaat-procureur te Rotterdam
- Steeg, M. van
- Adjudant van politie, teamleider bij
de criminele inlichtingendienst
- Stoffelen, mr. P.R.
- Voormalig lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal voor de PvdA, woordvoerder voor politie- en
justitieaangelegenheden
- Straver, mr. M.A.
- Hoofdcommissaris van politie en
korpschef van de regiopolitie Kennemerland
- Suyver, mr. J.J.H.
- Secretaris-generaal bij het ministerie
van Justitie
- Teeven, mr. F.
- Officier van justitie te Amsterdam
- Teijlingen, D. van
- Chef van de criminele
inlichtingendienst van het regiokorps Amsterdam-Amstelland
- Theeuwes, H.J.C.M.
- Hoofdinspecteur van politie en
beleidsmedewerker/plaatsvervangend hoofd van de Afdeling coördinatie
criminele inlichtingen van de Divisie centrale recherche informatie
- Thijn, drs. E. van
- Voormalig minister van Binnenlandse
Zaken en burgemeester van Amsterdam, korpsbeheerder van de
politieregio Amsterdam-Amstelland
- Valente, mr. J.M.
- Sinds 1 juli 1995 officier van
justitie te Middelburg, voorheen officier van justitie te Amsterdam
- Veen, mr. O.C.W. van der
- Officier van justitie te Haarlem,
hoofd van de Unit specialismen, waaronder georganiseerde
criminaliteit, criminele inlichtingen en kernteam
- Velt-Meijer, mw. mr. J.M.E. In 't
- Voorzitter van de strafkamer bij de
rechtbank te Rotterdam in de zaak Ramola
- Vondel, J. van
- Voormalig informantenrunner bij de
regionale criminele inlichtingendienst van de regiopolitie
Kennemerland
- Voort, mr. C.V. van der
- Officier van justitie te 's-Gravenhage
- Vrakking, mr. J.M.
- Hoofdofficier van justitie te
Amsterdam
- Waard, mr. T. de
- Advocaat, tot 1 december 1995 Algemeen
Deken van de Nederlandse orde van advocaten
- Welten, B.J.A.M.
- Commissaris van politie bij de
regiopolitie Amsterdam-Amstelland, chef van de Dienst centrale
recherche, tevens verantwoordelijk voor het kernteam
Amsterdam-Amstelland/Gooi- en Vechtstreek
- Wiarda, mr. J.
- Korpschef van het regiokorps Utrecht
- Wierenga, H.
- Voorzitter van de Bijzondere
Onderzoekscommissie IRT
- Willems, mr. J.H.M.
- Vice-president van het gerechtshof te
Amsterdam
- Wilzing, J.
- Korpschef van de regiopolitie
IJsselland
- Wit, mr. L.A.J.M. de
- Hoofdofficier van justitie te
Rotterdam
- Woelders, W.H.
- Chef van het kernteam
Amsterdam-Amstelland/Gooi en Vechtstreek
- Wolffensperger, mr. drs. G.J.
- Voorzitter van de D66-fractie in de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, daarvoor woordvoerder voor
justitie-aangelegenheden
- Wooldrik, mr. H.P.
- Hoofd van de directie Politie van het
ministerie van Justitie, tevens belast met de leiding van de directie
Staats- en Strafrecht
- Wortel, mr. J.
- Officier van justitie te Amsterdam
- Zwanenburg, mr. A.
- Secretaris van de Centrale
toetsingscommissie
| De
Balkenende normen! Correspondentie tussen J. Hop en Minister President Jan
Peter Balkenende |
| 452 |
Wie
is Jan Peter Balkenende? |
| 446 |
De
1-ste Balkenende-norm. Het
naleven van regels door de overheid zelf dient als een visie te worden
aangemerkt |
| 447 |
De
2e Balkenende-norm. Je
mag alleen iets zeggen als je het met mij eens bent. De mensen moeten bang
worden om tegen mijn beleid te ageren. Feitelijk zeg ik hiermee tegen
iedereen die kritiek laat horen dat de Staat wel manieren vindt (116, 220,
137, 84, 300, 450, 234)
om je persoonlijk en individueel te schaden. De Staat heeft het recht
ieder individu die zich kritisch opstelt persoonlijk aan te ( laten)
vallen. Bron: Communicatie Hop/MINISTER-PRESIDENT 091103-280205
kort samengevat. |
| 448 |
De
derde Balkenende-norm. Milieu. Ik vervuil het milieu met een enorme
berg papierafval om u ervan te overtuigen het met me eens te zijn |
| 449 |
De
vierde Balkenende norm. Om het gewone volk te kunnen naaien,
financieel uit te kleden en kapot te maken worden medewerkers van Justitie
opgeleid "om toe te schrijven naar de conclusie" |
| 450 |
De
vijfde Balkenende norm. Om kritiek van buitenaf op de overheid te
onderdrukken en de gesubsidieerde rechtspraak en hun handlangers steeds
verder te verrijken worden burgers dus aangepakt met rechtspraak in strijd
met de WET en de stelselmatige weigering om in zaken van het gewone volk
aan waarheidsvinding te doen. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
top