GROEP HOP ERMELO ©

Informant mw. Jeanne Dijkstra eindredacteur Ermelo Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek: "Van alle kanten komen berichten dat Groep Hop moet worden doodgezwegen"

De CDA PR commissie eiste meermalig geld van Hop om mee te mogen doen aan politiek debat. Antwoord Hop: Donder op! De CDA PR commissie eiste verwijdering van de CDA brieven aan Hop van internet. Antwoord Hop: Eed van een raadslid. Raadsleden moeten alvorens hun functie te kunnen uitoefenen een ambtseed afleggen, waarin zij trouw aan de Grondwet beloven. Ze moeten verklaren dat ze om tot lid van de raad te worden benoemd geen gift of gunst hebben gegeven of beloofd en dat ze bij de uitoefening van hun ambt 'rechtstreeks noch middellijk' enig geschenk of enige belofte hebben aangenomen of zullen aannemen.

Alleen Hop maakte bezwaar tegen de totaal verrotte CDA mentaliteit het knippen en plakken in verkiezingsformulieren. Alleen Hop maakte steeds bezwaar tegen de verrotte mentaliteit die heerste in het Ermelose gemeentehuis waarbij leden van de stembureaus zelf ook kandidaat waren voor de gemeenteraad om verkiezingsuitslagen te kunnen manipuleren.

Stem Wijzer! Stem Groep Hop.Kent u iemand in Ermelo vraag of hij/zij in 2018 Groep Hop wil stemmen om een frisse wind door het gemeentehuis te laten waaien en/of wil helpen met het snel verkrijgen van het wettelijk aantal benodigde ondersteuningsverklaringen om mee te mogen doen met de verkiezingen in Ermelo?

 

Kent u iemand in Ermelo? Vraag of hij/zij Groep Hop wil stemmen...

Contact: lees verder

 

 

Bijlmerramp II CDA rechter Rein Jan Hoekstra kan vrachtbrieven en mannen en witte pakken niet vinden

De Bijlmerramp I
De Bijlmerramp II

(25-01)  Stenografisch verslag van het gesprek tussen de PEC en Rein-Jan Hoekstra op 21 januari 1999
 
OVBO50 (vastgesteld)                                                                                             1
                                 
ONDERZOEK VLIEGRAMP BIJLMERMEER  

Stenografisch verslag van het gesprek van de parlementaire
 
enquÍtecommissie Vliegramp Bijlmermeer op donderdag 21 januari
 
1999 in het gebouw van de Eerste Kamer der Staten-Generaal te
 
Den Haag
 
Gehoord wordt mr R.J. Hoekstra
 
 
Aanvang 15.00 uur
 
 
Voorzitter: Th.A.M .Meijer
 
Aanwezig zijn voorts de leden van de commissie: Augusteijn-Esser, Van den Doel, Oedayraj Singh Varma en Oudkerk, alsmede de heer Roovers, griffier ,
mevrouw Abbas en mevrouw Van Traa, leden van de staf van de commissie

De voorzitter: Mijnheer Hoekstra, ik heet u van harte welkom. De parlementaire onderzoekscommissie verricht onderzoek naar de Bijlmerramp, voor u geen onbekend onderwerp. De Kamer heeft besloten, een enquÍte te houden. Wij hopen uiteindelijk de boeken te kunnen sluiten. Momenteel worden, vooruitlopend op de officiŽle verhoren onder ede, de voorgesprekken gehouden met personen waarvan wij denken dat zij relevante informatie hebben die de commissie bij haar verder onderzoek en de officiŽle verhoren onder ede, kan gebruiken. De commissie bestaat uit de leden Oedayraj Singh Varma, de heer Oudkerk, mevrouw Augusteijn-Esser en de heer Van den Doel. Ik ben voorzitter. Verder zijn aanwezig de heer Roovers, griffier, mevrouw Abbas, lid van de staf' van de commissie, mevrouw Van Traa, juridisch adviseur van de commissie, en twee medewerkers van de stenografische dienst. Van dit gesprek zal een verslag worden gemaakt, dat u ter accordering krijgt toegezonden. Ik verzoek u, het verslag intern te houden, zodat hierover tijdens het onderzoek niets naar buiten komt, want wellicht kan dat het onderzoek nadelig beÔnvloeden.  

Mijnheer Hoekstra, u bent onder andere uitgenodigd als voorzitter van de commissie informatiestroom luchtvaartdocumentatie. Klopt deze omschrijving?
 
De heer Hoekstra: In die hoedanigheid ben ik opgetreden. De formele kwalificatie heb ik niet in mijn hoofd, maar ik dacht dat deze term de letterlijke tekst is van het besluit.
 
De voorzitter: Wat was uw betrokkenheid bij het vrachtdossier op het moment dat u daarmee in aanraking kwam ?
 
De heer Hoekstra: Op dat moment geen,
 
De voorzitter: Op welk moment bent u daarbij betrokken geraakt?
 
De heer Hoekstra: Ik ben in het najaar van 1997 door de DG van de RLD, de heer Weck, opgebeld voor een gesprek. Dat mondde uit in het verzoek of ik bereid was om mee te werken aan een onderzoek naar de vrachtdocumentatie van het neergestorte vliegtuig in de Bijlmer. Daarnaast werden nog twee andere mensen gevraagd. Na overleg van de minister met de andere betrokkenen hebben zij geen plaats genomen in de commissie. Vervolgens zijn twee andere leden gevraagd. Pas in februari is de commissie rondgekomen en is zij aan de slag gegaan.  

De voorzitter: U bent verder niet gehoord ten aanzien van de laatste twee personen die zijn toegevoegd aan de commissie? Men heeft u niet gevraagd of u daarmee kon instemmen?
 
De heer Hoekstra: Jawel. Dat is een bijna gebruikelijke clausule die ik hanteer. Als ik mensen niet ken, wil ik graag eerst een gesprek met betrokkenen om in ieder geval ongeveer te weten of ik daarmee kan werken. Van de eerste kandidaten kende ik er ťťn. Ik heb toen gezegd, dat het mij goed leek.
 
De voorzitter: U hebt tijdens het onderzoek van vele kanten medewerking gekregen om uw werkzaamheden optimaal te kunnen uitvoeren, maar u zult ook beperkingen hebben gehad. Kunt u daar iets over vertellen'? Of is alles van een leien dakje verlopen en is er u niets in de weg gelegd? Had u beperkingen in uw opdracht?
 
De heer Hoekstra: Naar mijn gevoel niet. De opdracht kende in formele zin wel beperkingen. Zij was toegespitst op het onderzoek naar de luchtvrachtdocumentatie: het verzamelen van gegevens van wat zich had voorgedaan vanat' de ramp op 4 oktober 1992 tot moment x en hoe de informatie-uitwisseling tussen de verschillende betrokken autoriteiten was verlopen. Dat was dus een beperkte opdracht. Ik heb begrepen dat die beperkte opdracht in concept was overlegd met de betrokken kamercommissie. Dat is dus de beperking in formele zin. Maar als u op het onderzoek zelf doelt, heb ik geen beperkingen gehad. Bedoelt u dat mensen zouden hebben geweigerd?
 
De voorzitter: Of dat u deuren gesloten hebt gevonden.
 
De heer Hoekstra: Nee. Ik heb het alleen jammer gevonden dat ik in een bepaalde fase Joost Oranje van NRC Handelsblad niet kon bereiken. Hetzelfde had ik ook met de heer Bloemen, ik neem aan u welbekend. Naarmate je met zo’n onderzoek bezig bent, krijg je iets van de onderzoeker. Dan houd je je ook niet meer strikt aan de formele taakopdracht, want je wordt geÔnteresseerd, belangstellend. Je wilt de finesses weten.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: U bent dus echt gaan speuren?
 
De heer Hoekstra: Ja, maar ik was gebonden aan de tijd. In alle eerlijkheid gezegd, dit was een deelaspect. Inmiddels was er een parlementaire werkgroep die ook aan het onderzoeken was en informatie verzamelde. Regelmatig waren er kranten- en TV -berichten die over ons heen kwamen. Ik dacht dan ook: wij moeten nu snel zijn, want straks worden wij ook op ons eigen terrein ingehaald door deze werkgroep. Dat was een beetje mijn eer te na. Ik heb sterk overwogen om niet op 15 juli te stoppen, maar nog even na de vakantie de tijd te nemen, dus na 15 augustus. Dat leek mij echter niet zo reŽel, omdat de minister van Verkeer en Waterstaat toch enige druk uitoefende, dat ik mijn taak zou afronden.
 
De heer Oudkerk: Ik ga in op de door u aangehaalde voorbeelden. U zegt: gaande het onderzoek, raak je meer geÔnteresseerd en wil je het naadje van de kous weten. Je wilt weten hoe het precies zit met die vrachtdocumentatie.
 
De heer Hoekstra: Ik ben zo benieuwd naar de achtergrond van de vraag van de voorzitter.
 
De heer Oudkerk: Dat mag hij zelf toelichten, want wij zijn nog niet zo ver dat wij vragen van elkaar kunnen toelichten, maar dat komt wellicht nog wel! U vond het jammer dat u Joost Oranje en de heer Bloemen niet hebt kunnen achterhalen. Ik kan mij dat voorstellen bij de heer Oranje, journalist. Het ligt soms vrij ingewikkeld om bepaalde dingen naar buiten te brengen waar je met derden over hebt afgesproken, dat niet te doen. Maar bij de heer Bloemen ligt dat anders. Welke pogingen hebt u gedaan om hem op te sporen?  
 
De heer Hoekstra: Ik heb geprobeerd Joost Oranje te bereiken, maar die was toen met vakantie. Dat was in juni. De heer Bloemen Toen wij Plettenberg en Nix hadden gehoord en wij weer aanliepen tegen --de politie had dat ook al gedaan --verschillende verklaringen, heb ik gevraagd --dat staat ook in het bijgesloten verslag van die hoorzitting --naar wie men is toegegaan, aan wie die stukken zijn overhandigd. Wij hebben na afloop van de bijeenkomst gevraagd waar de heer Bloemen werkte. Men dacht dat hij nog steeds bij de rijkspolitie werkte. Hij werkte overigens niet bij de rijks-, maar bij de regiopolitie. Ik heb de secretaris verzocht, contact op te nemen. De heer Bloemen bleek toen niet meer bij de regiopolitie Haarlem te werken, waaronder Schiphol ressorteert. Hij zou zijn vertrokken naar de regiopolitie Utrecht. Ik zeg dit de auditu, dus naar wat de secretaris zei, een heel goeie vent. Hem werd meegedeeld dat de heer Bloemen vertrokken was naar een of ander adviesbureau. Toen naderde ik al de datum van 15 juli en heb ik in overleg met de commissieleden besloten. dat dit het dan maar was.  
De heer Oudkerk: U geeft aan, anders zou u die twee voorbeelden niet noemen, dat u de heer Oranje en Bloemen cruciale figuren vond.
De heer Hoekstra: Nou cruciaal, in ieder geval aanvullend. Ik beoefen een rechterlijk vak. Op een bepaald moment wil je het totaalbeeld hebben. Dat wil nog niet zeggen dat het cruciale informatie is die je verwacht. Maar voor mijn eigen gevoel --dat had ik met name bij de heer Bloemen --had ik hen willen horen.
De heer Oudkerk: Met alle respect, maar gezien de tegengestelde verklaringen die zijn afgelegd, lijkt het mij zeer ter zake dat de heer Bloemen voor uw commissie verschijnt. Het is niet zomaar iemand. Dat onderschrijft u?
De heer Hoekstra: ja.
De heer Oudkerk: Begrijp ik het goed dat met name de tijdsdruk u niet zo ver heeft gebracht?
De heer Hoekstra: Twee elementen hebben toen een rol gespeeld. Ik constateer dat ik het jammer vond. De tijdsdruk heeft een rol gespeeld. Ook was er al onderzoek gedaan door de politie. Er lagen processen-verbaal en verklaringen. Helaas niet van de heer Bloemen, maar wel van de heren Plettenberg en Nix. Daar was een conclusie aan verbonden.
De heer Oudkerk: U raakte gaandeweg het onderzoek meer geÔnteresseerd. U had niet tot taak om de vrachtbrieven boven tafel te halen-
De heer Hoekstra: Daar ging ik ook naar hunkeren hoor!
De heer Oudkerk: Is gaandeweg uw opdracht bij u niet de suggestie naar boven gekomen om te verzoeken om uw opdracht dienaangaande te verbreden?
De heer Hoekstra: Die gedachte is wel opgekomen.
De heer Oudkerk: Wat heeft u met die gedachte gedaan?
De heer Hoekstra: Ik heb af' en toe wel overlegd met het ministerie. Een van de dingen die ik steeds heb gezegd, is dat ik niet in de situatie terecht wilde komen dat op het moment van het afsluiten van het onderzoek, het ministerie of de autoriteiten andere bevindingen hadden die wellicht direct of indirect voor ons van belang konden zijn.
De heer Oudkerk: Met wie van het ministerie overlegde u?
De heer Hoekstra: Dat was vooral Jan-Willem Weck en zijn medewerker Poot. Ik ben op een bepaald moment naar de secretaris-generaal toegestapt, de heer Pans, een nieuwe man. Ik heb aangegeven in welke fase mijn onderzoek verkeerde. Als het aan mij ligt, zo heb ik gezegd, dan ga ik nog even door.
De heer Oudkerk: Doorgaan met het boven water halen van de vrachtdocumentatie?
De heer Hoekstra: Nee, ik heb gezegd: om de afronding in alle rust te kunnen plegen, zou ik nog even door willen gaan. Waarop de heer Pans mij aankeek en zei: Rein-Jan zou je willen afronden of woorden met die strekking.
De heer Oudkerk: Wilde u doorgaan met bijvoorbeeld het achterhalen van de heren Bloemen of Oranje of doorgaan in de zin van een verbreding van de opdracht?
De heer Hoekstra: Ik zei: als ik heel eerlijk ben, zou ik de mogelijkheid willen hebben om nog even door te gaan tot in augustus.
De heer Oudkerk: U vroeg toen waarom niet?
De heer Hoekstra: Dan kom ik op het verhaal dat er al zoveel gaande is, zoals de parlementaire werkgroep. Ik wil zorgvuldig zijn, want ik wil geen verwijten maken. Ten slot te is het mijn eigen verantwoordelijkheid. Ik had een opdracht van de minister, niet meer en niet minder. Ik zei op een bepaald moment tegen de voorlichter: is het echt noodzakelijk om nu op te houden'? Gezegd werd: Rein-Jan, laat je toch niet verleiden tot een situatie waarin de heer Starr in de Verenigde Staten al terecht is gekomen, die maar doorgaat.  

Mevrouw Augusteijn-Esser: Men vond u een beetje een openbaar aanklager?
 
De heer Hoekstra: Ik niet.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: U vroeg toen naar de bedoeling van die opmerking?
 
De heer Hoekstra: Ik heb die discussie heel snel beŽindigd. Deze woorden waren voor mij volstrekt helder.
 
De heer Oudkerk: Door u of door de commissieleden is in het overleg met het ministerie nooit aangedrongen om het onderzoek zodanig te verbreden dat u ook het achterhalen van de vrachtbrieven tot taak kreeg?
 
De heer Hoekstra: In de beginfase heb ik wel eens gevraagd of dat ertoe hoorde. Het antwoord daarop was "nee".
 
De heer Oudkerk: Dat is iets anders dan aandringen.
 
De heer Hoekstra: Nee, ik denk dat ik wel eens tegen de heer Weck of de heer Poot heb gezegd: als ik ťťn ding zou willen, dan is het wel om nu op het vliegtuig te stappen. Dan ga ik niet naar IsraŽl, maar naar de Verenigde Staten. Dan ga ik daar bij de afzenders van de spullen na wat zij nog aan documenten hebben. Ik ben een type dat op een gegeven moment van mening is dat processen beŽindigd moeten worden. Als de commissie de enige was geweest, alleen met deze opdracht, zeg zo’n twee jaar eerder, dan had ik veel meer ruimte gehad. Politiek had ik ook nauwelijks ruimte om mijn taakopdracht nog verder te verlengen.
 
De heer Oudkerk: U zegt dat u, als u het voor het kiezen had gehad, op het vliegtuig naar Amerika was gestapt. Ervaart u dat dan niet als een beperking van uw opdracht?
 
De heer Hoekstra: Jawel, maar ik wist ook wel wat de beperking van mijn opdracht was. Ik had die geaccepteerd. En die voer ik dan uit. Ik laat op een bepaald moment dan wel blijken dat ik een aantal merkwaardige dingen inmiddels zie.
 
De heer Oudkerk: Een gemiste kans?
 
De heer Hoekstra: Op de vraag of ik het relevant had gevonden, zeg ik ja.
 
De heer Oudkerk: Dus een gemiste kans.
 
De heer Hoekstra: Van wie?
 
De heer Oudkerk: Van iedereen die achter de waarheid wil komen.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: De heer Putters heeft u uitgebreid verteld, u hebt daarop doorgevraagd
 
De heer Hoekstra: Ik geloof dat ik toen ook heb gevraagd waarom zij niet gewoon in het vliegtuig zijn gestapt.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Het antwoord was: wij hebben voor het traject via El Al gekozen en wij vinden dat er geen trajecten naast elkaar moeten lopen. U zegt zelf: als het aan mij lag, was ik op het vliegtuig gestapt en naar Amerika gegaan. Wist u op dat moment hoe cruciaal de tijd was die nog restte voor het kunnen achterhalen van de documenten en het niet meer kunnen achterhalen ervan?
 
De heer Hoekstra: Daar was ik inmiddels al erg sceptisch over geworden.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Hebt u ook gehoord dat de douane de papieren vijf jaar bewaart en daarna vernietigt?
 
De heer Hoekstra: Ik geloof dat dit in een van de verhoren aan de orde is geweest.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Hebt u daarvan mededeling gedaan aan de heren Poot en Weck'? Heeft u gezegd dat dit misschien een reden was om haast te maken om de goede weg te bewandelen? Bent u bezorgd geweest dat het traject kon worden afgesneden door de tijd?
 
De heer Hoekstra: Ja. Ik denk dat ik al bijna te laat was.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Hebt u daarvan mededeling gedaan aan uw opdrachtgevers?
 
De heer Hoekstra: Ik denk dat ik dit op verschillende momenten wel heb laten doorklinken en dat zij het
daar ook wel mee eens waren.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Maar dat leidde tot niets?
 
De heer Hoekstra: Nee.
 
De heer Oudkerk: Zij waren het ermee eens, maar hadden waarschijnlijk iets fatalistisch van "het is toch te laat, de tijd kan je niet terugdraaien", Moet ik het zo zien?
 
De heer Hoekstra: Zo iets, ja. Zelf had ik dat gevoel ook. Als je een zaak wilt afronden, moet je dat wel doen. Dat had je dan toch moeten doen. Als ik de aangewezene daarvoor was geweest, had ik daarvoor een nadere opdracht moeten krijgen. Ik heb in die tijd wel eens met Pieter Jan Biesheuvel, toentertijd voorzitter van de vaste kamercommissie, gesproken. Hij gaf mij af en toe ook wel de indruk dat ik nog maar heel weinig tijd had om te opereren. Het was veel meer een kwestie van dat op een bepaald moment mijn opdracht gewoon door externe politieke omstandigheden zou worden beŽindigd.
 
De voorzitter: De druk die op u lag, lag ook op de parlementaire werkgroep. U hebt gezegd dat er een beperking was en dat u graag een ruimere opdracht had gehad. Twee opmerkingen tijdens de persconferentie waarop uw rapport werd gepresenteerd, zijn mij opgevallen: ik zie een parlementaire enquÍte niet zitten, en: ja, als ik vandaag de kans had gekregen om op het vliegtuig te stappen, had ik graag contact met die vervrachters gehad. Het onderzoek is eigenlijk nog niet afgerond, want er is nog veel te achterhalen. Die twee zaken kan ik niet rijmen.
 
De heer Hoekstra: Door er informeel achteraan te gaan, had wellicht meer van hetgeen er nog resteerde, achterhaald kunnen worden. Ik noemde in dat verband denk ik ook het ECD-voorbeeld: gebruik maken van je contacten, je netwerk, mensen daarvoor inschakelen. Je werkt dan niet via de formele kanalen, zoals dat in mijn perceptie in de afgelopen jaren veelvuldig is gebeurd. Ik heb ooit wel eens tegen mensen in de journalistiek gezegd: als je een verzoek doet aan de minister van Buitenlandse Zaken, wordt dat op een bepaald niveau behandeld. Dat gaat naar een ambassade, die vaak onderbemand is. Wat is dan de prioriteit van dat verzoek?
 
De voorzitter: Dat was uw indruk?
 
De heer Hoekstra: Dat was ook de achtergrond van de opmerking die ik toen al maakte. Je moet er gewoon een aantal mensen op zetten dat het netwerk kan binnendringen en daar de tijd voor neemt. Dan heb je een kans dat je hetgeen nog voorhanden is, boven tafel kunt krijgen, althans informatie. Een parlementaire enquÍte vond ik op dat moment Misschien ging ik toen een stap te ver. Ik moet dan nog zien of u inderdaad een heleboel dingen boven water krijgt.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Maar u hebt meer vertrouwen in het informele circuit dan in het formele?
 
De heer Hoekstra: Ja. Dat was mijn invalshoek. Als er een parlementaire enquÍte wordt ingesteld, met formele bevoegdheden
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Dan gaan deuren net zo hard dicht als ze open zouden kunnen gaan?
 
De heer Hoekstra: Dat zeg ik niet.
 
De heer Oudkerk: Maar u denkt het wel.
 
De heer Hoekstra: Ja, want het is moeilijk om die deuren op een goede, effectieve manier open te krijgen.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Zegt u dat op basis van uw levens- en werkervaring of heeft dat ook te maken met uw eigen rapport en wat u hebt gehoord?
 
De heer Hoekstra: Voor mij was de eye-opener het gesprek met de ECD-mensen. Zij waren al in 1992 ingeschakeld. Als zij naar Buitenlandse Zaken waren gegaan met het verzoek om het groene licht te krijgen van de douane in Amerika om die documenten te krijgen, had dat nog jaren geduurd. De ECD-mensen hebben hun contacten met de douaniers in Amerika. Die geven een belletje of faxen. Dat is quid pro quo, de informele praktijk. Je kunt dat niet allemaal regelen. Veel zaken, ook in het internationaal verkeer, kun je informeel wel boven water krijgen. Er is dus geen tegenstelling.
 
De heer Oudkerk: Hebt u tijdens uw onderzoek ook de informele weg bewandeld om boven tafel te krijgen wat u 5,5 jaar na dato op een andere wijze niet boven tafel kon krijgen? Of moest u zulke gesprekken buiten de commissie om doen?
 
De heer Hoekstra: Ik heb wel eens gesprekken buiten de commissie om gevoerd.
 
De heer Oudkerk: Heeft dat wat opgeleverd?
 
De heer Hoekstra: Nee.
 
De heer Oudkerk: Dat logenstraft uw theorie. Hebt u wel de goede mensen gesproken?
 
De heer Hoekstra: Die zag ik vooral in het buitenland zitten.
 
De heer Oudkerk: Maar daar sprak u niet mee?
 
De heer Hoekstra: Nee, dan moet je daar heen reizen of bellen. Dan had ik hulp nodig van anderen om mij daar via bepaalde deuren binnen te loodsen.
 
De heer Oudkerk: Dus via de informele weg bent u niet op een route geraakt die u formeel als voorzitter van de commissie niet hebt bewandeld?
 
De heer Hoekstra: Nee.
 
De heer Oudkerk: Wat was de grootste fout in de informatievoorziening over de vrachtdocumentatie?
 
De heer Hoekstra: De grootste fout Maar dat is achteraf praten, want ik heb in de beginfase als SG Algemene Zaken en ook als coŲrdinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de eerste periode zelf meegemaakt. Wat dat betreft, ben ik dus deel van het geheel geweest. Ik kan uit dien hoofde wel een beetje beoordelen hoe de stemming was, zeker de eerste twee jaar van 1992 tot 1994. Toen was men gericht op het achterhalen van de oorzaak van het ongeval. Alles was erop gericht om te bewerkstelligen dat er eindelijk eens op een goede manier een onderzoek zou plaatsvinden naar een luchtvaartongeval in dit land, onafhankelijk. Daarover hoef ik denk ik niet uit te wijden. De nieuwe procedure, zonder dat de nieuwe wet van kracht was, is toegepast. Iedereen heeft dat toen afgewacht. In die tijd was er ook geen geweldig gedoe over wat er wel echt was gebeurd. Dat kwam pas in de loop van de tijd.
U vraagt wat de grootste fout is geweest. Op het moment dat de emotie, de psychologie… Op het moment dat de verhalen concreet en minder concreet de ronde deden, is niet alert geopereerd door het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Maar dat is achteraf bezien. Zij hebben er wel een en ander aan gedaan, veel zelfs. Maar toen zijn zij te rade gegaan bij de ongevalsonderzoeker, die zei: wij hebben alles onderzocht. U vraagt mij nog meer, namelijk om daar en daar nog eens naar te kijken. Achteraf gezien, zijn de ministeriŽle verantwoordelijkheid in directie zin van de minister van Verkeer en Waterstaat en de verantwoordelijkheid van de ongevalsonderzoeker, die een heel andere verantwoordelijkheid had, onvoldoende uit elkaar gehaald. Hij had naar eigen idee, evenals de Raad voor de luchtvaart, perfect onderzoek gepleegd naar de oorzaak. Technisch was dat goed gegaan. Vervolgens werden zij gevraagd om nog eens naar wat anders te kijken. U kunt dat in de verslagen van de gesprekken nalezen. Erhart is daar openhartig over. Hij kwam in een enigszins dubbelslachtige positie terecht in de zin van ressorteer ik onder de minister of onder de raad voor de luchtvaart? Bijna twee jaar lang ligt daar een probleem. Pas in 1996 gaat het ministerie aan de slag en wordt het actief: maar het bewandelt dan de formele weg.
 
De heer Oudkerk: Waarom wordt het actief?
 
De heer Hoekstra: Onder druk van de publieke opinie, de Tweede Kamer, kranten, de specifieke journalisten, die zeggen meer van de zaak te weten, althans dat opschrijven. Het krijgt een dimensie in politieke zin.
 
De heer Oudkerk: Het ministerie is dan reactief Vindt u achteraf dat het ministerie proactiever had moeten opereren?
 
De heer Hoekstra: Ik ben daar ook op de persconferentie al heel voorzichtig over geweest. Je kunt gemakkelijk zeggen: u hebt het fout gedaan. Veel mensen in dit land zeiden: er is echt niet zoveel aan de hand.
 
De heer Oudkerk: Ik vraag niet of het fout is gedaan, maar of er naar uw mening te reactief plaats van proactief is opgetreden.
 
De heer Hoekstra: Ik had het, achteraf bezien, veel beter gevonden dat in 1992 het besluit was genomen, de zaak niet bij Amsterdam te laten. Achteraf gezien, is dat de grondfout die is gemaakt. De nationale overheid heeft de verantwoordelijkheid kunnen laten bij de burgemeester van Amsterdam. Er zijn dingen gebeurd waarvan je achteraf moet zeggen: dat is fout gegaan. Dat er op die vrijdagavond puinopruiming plaatsvindt, was uit een bepaalde invalshoek volstrekt gerechtvaardigd, maar uit een oogpunt van wat later is gebeurd- namelijk onvoldoende scheiding van vliegtuigmateriaal en puin van de flat, is dat heel jammer, spijtig geweest.
 
De heer Oudkerk: Wat is naar uw mening de belangrijkste aanbeveling van uw commissie?
 
De heer Hoekstra: Het zal u niet verbazen dat het belangrijkste is dat voor dit soort dingen centraal verantwoordelijkheid wordt gedragen. Er moet een nationaal gremium zijn dat alert aanwezig is, interactief -- om het modieus te zeggen --met de lokale autoriteiten. Bij dit soort grootschalige rampen kun je dat niet scheiden. Dat is onmogelijk. Dit vind ik het eerste, heel belangrijke punt. Ik vind het nog steeds merkwaardig dat het heeft kunnen gebeuren, ook in het licht van wat er vroeger wel eens gebeurde ten aanzien van rampen. Een centrale verantwoordelijkheid vind ik een primaire aanbeveling. Je kunt als nationale overheid niet terugtreden in dat soort gevallen. Je moet dat goed regelen. Het landelijk coŲrdinatiecentrum --dat heet nu anders --van Binnenlandse Zaken moet het voortouw nemen. Het kan de zaak best delegeren, bijvoorbeeld de uitvoering van allerlei werkzaamheden aan de gemeente Amsterdam. Als het vliegtuig --ik kom uit het noorden van het land --op Hoogezand was gevallen, had de burgemeester van Hoogezand niet de verantwoordelijkheid gedragen. Men heeft ook niet gekozen voor de deelraad Bijlmer. Er is ook nog wel enige ruis geweest wie binnen Amsterdam verantwoordelijkheid moest dragen. Gelukkig heeft de burgemeester doorgezet: ik doe dat. Maar de nationale overheid is op te grote afstand gezet.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: U bent in uw onderzoek op meer ingegaan dan alleen de vrachtbrieven. U bent veel tegengekomen. U hebt ook veel vragen gesteld die wellicht annex waren, maar er toch wel enigszins vanaf stonden. De gesprekken die u hebt gevoerd, brengen u mede tot de conclusie dat het aan coŲrdinatie heeft ontbroken?
 
De heer Hoekstra: Ja.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: U hebt ook een heleboel aanbevelingen gedaan, zelfs meer dan over de vrachtbrieven. Hebt u het idee dat daarnaar geluisterd is?
 
De heer Hoekstra: Ik heb de brief van Netelenbos aan de Kamer nog even tevoorschijn gehaald. Ik dacht het wel.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: U denkt van wel?
 
De heer Hoekstra: Ja.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: U denkt dat als er vandaag een vliegtuig op de Bijlmer stort, het anders verloopt?
 
De heer Hoekstra: Ja. Dan zal de minister van Binnenlandse Zaken een belangrijke rol vervullen. Er zal interactie zijn tussen het landelijk coŲrdinatiecentrum  van Binnenlandse Zaken, waar vertegenwoordigers van alle departementen inzitten, en eventueel Justitie.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Maar ik wil eigenlijk naar het moment dat uzelf nog in functie was en de ramp plaatsvond.
 
De heer Hoekstra: Toen was ik in functie.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Wat was toen precies uw taak? Op welke wijze bent u betrokken geraakt bij de afhandeling, de situatie na de ramp'?  

De heer Hoekstra: Op 4 oktober is het vliegtuig neergevallen. De volgende ochtend hadden wij
stafvergadering met de minister-president. Daarin kwam het even aan de orde in die zin dat de
verantwoordelijkheid werd gedragen door de burgemeester van Amsterdam.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Dat werd besloten in die vergadering?
 
Mevrouw Hoekstra: Zondagavond is er --Van Thijn heeft dat ook verteld in zijn gesprek --contact geweest
met ik dacht Ivo Opstelten en Lubbers. Bij dat soort zaken plegen contacten onmiddellijk op hoog niveau
plaats te vinden.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Hebt u ook overleg gehad op topambtenarenniveau?
 
De heer Hoekstra: Nee. De volgende ochtend, vroeg, zat ik bij Lubbers. De vraag was, wat doen we nu? Hij had inmiddels met Ed van Thijn gesproken. Het leek mij heel goed dat Ed van Thijn, Nordholt en de
brandweer van Amsterdam, met alle knowhow, verantwoordelijkheid namen.
 
De voorzitter: U zegt dat het in een stafoverleg even werd meegedeeld. Had u 's morgens vroeg al stafoverleg?
 
De heer Hoekstra: Nee, buiten de staven had ik ook wel eens overleg met de minister-president. Aangezien Lubbers een vroegkomer was, was ik dat ook.
 
De heer Van den Doel: U was coŲrdinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De zondagavond heeft de BVD in ieder geval een rol gespeeld. Ik neem aan dat u daarvan op de hoogte was.
 
De heer Hoekstra: Nee.
 
De heer Van den Doel: Het beraad van die avond over de vraag of er mogelijk sprake was van een terroristische aanslag, zegt u dat iets?
 
De heer Hoekstra: Van een overleg op die avond weet ik niets.
 
De heer Van den Doel: Wat is uw rol geweest als coŲrdinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten?
 
De heer Hoekstra: Je komt pas aan bod als er dingen niet gebeuren die wel moeten gebeuren.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Van wie kwam het bericht dat er geen sprake was van een terroristische aanslag?
 
De heer Hoekstra: Ik geloof dat ik de volgende dag, maandag, met Arthur Docters van Leeuwen contact heb gehouden, telefonisch. Ik weet dat vrijwel zeker. Ik heb gevraagd, Arthur wat is er aan de hand? De eerste indicatie was geen terroristische aanslag.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Dus de dienst van Docters van Leeuwen was er wel bij betrokken?
 
De heer Hoekstra: Ja, althans bij deze beoordeling.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Hebt u nog een indicatie kunnen krijgen waarop dat was gebaseerd?
 
De heer Hoekstra: Nee, daar heb ik gewoon op vertrouwd; die jongens zijn alert genoeg. De vraag of het wel of niet een terroristische aanslag was, is steeds boven de markt blijven hangen tot het moment dat de Raad voor de luchtvaart het onderzoek afrondde. Toen pas stond naar de opvatting van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en politiediensten als een paal boven water dat er geen sprake was geweest van een terroristische aanslag. Dat kun je nooit op voorhand uitsluiten. Je gaat in eerste instantie uit van een beoordeling op grond van indicaties die politie/brandweer leveren aan de betrokkenen.
 
De heer Oudkerk: U bent verantwoordelijk voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Er stort een El Al- vliegtuig neer, 's avonds om 18.35 uur, op weg naar IsraŽl. Gaat u, gezien uw verantwoordelijkheid, die avond dan niet onmiddellijk aan de slag om na te gaan of er geen sprake is van iets wat je bijvoorbeeld bij British Airways veel minder snel zou denken?
 
De heer Hoekstra: Ik herinner mij niet dat ik die avond actief ben geworden. 
 
De heer Oudkerk: U bent die avond ook niet gebeld, om u tot activiteiten aan te zetten?
 
De heer Hoekstra: Of om advies te vragen, nee.
 
De voorzitter: De minister van Justitie doet in het openbaar de uitspraak dat er geen sprake is van sabotage.
Bent u gekend in die openbaarmaking?
 
De heer Hoekstra: Nee.
 
De voorzitter: Is dat niet vreemd?
 
De heer Hoekstra: In ons systeem van staatsrechtelijke verantwoordelijkheden kan dat. Een coŲrdinator van
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten draagt geen inhoudelijke, rechtstreekse verantwoordelijkheden, maar
zal kennisnemen van de opvattingen van de diensten. Daar wordt hij over geÔnformeerd, niet altijd
onmiddellijk, en soms ook helemaal niet. Maar hij treedt vooral op zoals een minister-president optreedt
wanneer er ruzie ontstaat, er een verschil van mening is of als er verschillende opvattingen geventileerd
worden. Als ik vervolgens zou hebben gemerkt dat de MID er anders tegenaan keek
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Hoe is dat in de wandelgangen gegaan? Ik kan mij voorstellen dat je, als je hoort van het ongeluk met een vrachtvliegtuig van El Al, denkt dat dit een vervelende zaak is en dat je niet in eerste instantie denkt aan een gewone ramp vanwege technische problemen. Je denkt dan even door. Is het dan niet logisch dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onmiddellijk worden ingeschakeld?
 
De heer Hoekstra: De politie heeft ook personen die oog en oor zijn van de BVD, die contacten hebben met de BVD. Als ik die zondagavond geen sein krijg van de BVD: jongens, er is er rotzooi, ben ik voorlopig even gerust.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: U was ook niet uw eigen sein? U dacht niet: ik moet snel contact opnemen?
 
De heer Hoekstra: Die avond at mijn schoonmoeder bij ons. Ik heb niet gezegd: moeder, er is een
terroristische aanslag. Nee, mijn eerste gedachte was: het is een gewoon ongeluk.
 
De voorzitter: Het woord sabotage is helemaal niet bij u opgekomen?
 
De heer Hoekstra: Natuurlijk wel. Dat was wel een zorg, maar geen primaire zorg. Als ik dat had gedacht,
was ik onmiddellijk in de telefoon geklommen.
 
De heer Oudkerk: Alle verhalen over het overleg op de avond zelf tussen de heren Lubbers, Docters van Leeuwen en u zijn uit de lucht gegrepen, althans u bent er niet bij geweest?
 
De heer Hoekstra: Ik ben er niet bij geweest. Dat is nieuw voor mij
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Maar als het wel had plaatsgevonden, had u erbij moeten zijn? Men had u dan moeten waarschuwen?
 
De heer Hoekstra: Als men dat had gewild.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: U hoorde erbij in dat geval?
 
De heer Hoekstra: Nee, niet altijd. Docters van Leeuwen kwam vaker…. Dat is een gegroeide praktijk. Al
vanaf het begin van de BVD gaat het hoofd van de BVD voor bepaalde activiteiten, zoals het halen van handtekeningen, langs bij de minister-president. Dat is een standaardprocedure. Daar bemoei ik mij niet mee.
 
De voorzitter: Vlak na de ramp laat de minister van Justitie, de heer Hirsch Ballin, de opdracht uitgaan naar Schiphol om zo snel mogelijk te achterhalen of er wel of geen sprake is van sabotage. Er komt bericht terug dat dit, voor zover men dat heeft kunnen nagaan, niet zo is. Dat bericht is terechtgekomen bij de minister van Justitie. Wellicht heeft de premier daarnaar gevraagd en is hij daarvan in kennis gesteld. Vervolgens gaat het bericht uit dat er, voor zover op dat moment bekend, geen sprake is van sabotage. Als dat bericht anders zou zijn geweest, bijvoorbeeld dat degenen die dit moesten uitzoeken, hadden gezegd dat niet kon worden uitgesloten dat er sprake was van sabotage, waren dan de heren Docters van Leeuwen en Hoekstra onmiddellijk ingelicht en was men dan welonmiddellijk bij elkaar gekomen ?
 
De heer Hoekstra: Dan had ik onmiddellijk een telefoontje gekregen van Ruud Lubbers, met de mededeling: Rein-Jan, aan de slag. Zo werkt dat. Zo was mijn relatie ook met Ruud Lubbers. Daar communiceerde ik goed mee, ook op dit soort terreinen.
 
De voorzitter: Het gaat mij om de formele weg.
 
De heer Hoekstra: Ik had de donderdag daarop een reguliere CVIN-vergadering van de hoofden van de diensten. Ik had geen reden om die vergadering te vervroegen. Ik heb destijds geÔntroduceerd, eens in de maand regulier bijeen te komen. Dat was een reguliere agenda-afspraak met de hoofden van de diensten. Ik had dus geen enkele reden om de vergadering te vervroegen in het licht van de berichten over de ramp, die inhielden dat er geen indicatie was van een terroristische aanslag.
 
De voorzitter: U zegt dat er op die avond geen contact is geweest tussen de premier, Docters van Leeuwen
en u.
 
De heer Hoekstra: Althans, ik was er niet bij betrokken.
 
De voorzitter: Er kan wel contact zijn geweest tussen Docters van Leeuwen en de premier, de heer Nordholt en de heer Van Thijn. Is u er de volgende morgen iets van gebleken dat er zondagavond een overleg is geweest waarin de heer Van Thijn de opdracht heeft gekregen, de centrale coŲrdinatie op zich te nemen?
 
De heer Hoekstra: Mij is de volgende ochtend geworden dat Van Thijn verantwoordelijkheid wilde nemen en dat het kabinet, Lubbers c.s., daarmee instemde. Men zag geen reden om de lijn via de Commissaris van de koningin enzovoorts naar Binnenlandse Zaken te volgen. Toen Lubbers mij zondagavond niet had opgebeld, was ik de volgende ochtend vroeg bij hem. Het is gegaan in de zin van: ik begrijp dit en dat en ik ga ervan uit dat er gisteravond enig contact is geweest. Is het juist dat Van Thijn de verantwoordelijkheid gaat dragen?
 
De voorzitter: Vindt u het achteraf gezien, met uw opmerkingen met betrekking tot besluiten die zijn genomen over het wel of niet snel bergen en een aantal andere besluiten die in die periode zijn genomen, een juiste procedure dat de keuzemogelijkheid er is dat de burgemeester van Amsterdam wel of niet de verantwoordelijkheid op zich neemt? Moet er bij een dergelijke ramp geen sprake zijn van een automatisme? Nu was een en ander afhankelijk van het antwoord op de vraag of hij dat wel of niet wilde doen.
 
De heer Hoekstra. U vraagt mij of er een keuzemogelijkheid moet zijn?
 
De voorzitter: Die was er blijkbaar. Als Van Thijn "nee" had gezegd, had de heer Lubbers dan iemand anders gevraagd of centraal de verantwoordelijkheid genomen?
 
De heer Hoekstra: Dan had Lubbers of primair de minister van Binnenlandse Zaken of van Justitie waarschijnlijk druk uitgeoefend. Dat had gekund: gij zult het doen. Er was in dit geval enig vertrouwen in het team Van Thijn/Nordholt.
 
De heer Oudkerk: Met wat u nu weet. U hebt op dat moment niet overwogen om te zeggen: Van Thijn, dat kan je wel willen, maar wij doen dat gewoon zelf? U had als SG ook de verantwoordelijkheid voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
 
De heer Hoekstra: Nee.
 
De heer Oudkerk: Als u nu in dezelfde positie zou zitten, zou u er waarschijnlijk niet over piekeren om het weer zo te doen.
 
De heer Hoekstra: Dat is de les van mijn onderzoek; toen ik tegen deze dingen aanliep. Je denkt dan: potverdorie, dat had anders gemoeten.
 
De heer Oudkerk: Maar ik begrijp dat u die verantwoordelijkheid die ochtend wel had genomen als het vliegtuig in Hoogeveen terecht was gekomen.
 
De heer Hoekstra: Dan was er werk aan de winkel geweest. Dan had je coŲrdinatie moeten bewerkstelligen zodat die zaak in Drenthe goed wordt geregeld. Dan was er waarschijnlijk onmiddellijk contact geweest tussen Ivo Opstelten en mij, niet eens vanuit de hoek van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, maar gewoon als SG Algemene Zaken. Als terrorisme als indicatie terzijde was geschoven, was het een bestuurlijke kwestie geworden. Dan had je een adequaat coŲrdinatiesysteem moeten opzetten. In dit geval was het Amsterdam. Toen voorlopig duidelijk was dat het niet om een terroristische aanslag ging, vond men dat het goed liep. Ook het strafrecht was terzijde gesteld. Mijn ervaring bij bijvoorbeeld gijzelingszaken is dat, als het strafrecht in het geding is, zoals bij terrorisme, er op nationaal niveau iets wordt gedaan.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Toen u in functie was, is er toen op ambtelijk of politiek-bestuurlijk niveau contact geweest tussen IsraŽl en Nederland?
 
De heer Hoekstra: Er is in ieder geval contact geweest met de IsraŽlische ambassade, maar niet van mijn kant.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Hebt u zelf contacten gehad?
 
De heer Hoekstra: Nee.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Maar u weet dat er contacten zijn geweest,
 
De heer Hoekstra: Er zijn contacten geweest, maar met wie weet ik niet. Vooral de mensen van Verkeer en Waterstaat hebben contact met de IsraŽlische ambassade gehad. Ik heb dat meer van achteraf' dan van toen.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Maandag hebt u overleg gehad. Donderdag daarna weer.
 
De heer Hoekstra: Maar heel summier hoor.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Daarna heeft er regelmatig overleg plaatsgevonden over deze zaak? 

De heer Hoekstra: Donderdag hadden wij CVIN-overleg,  het Comitť verenigde inlichtingendiensten Nederland. En marge van dat overleg is het even aan de orde geweest, verder niet.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Daarna is het niet meer aan de orde geweest?
 
De heer Hoekstra: U moet ook weten wat er in die week gebeurde. Ik heb nog even mijn agenda nagekeken. Zondagavond stortte het vliegtuig neer. De organisatie is, na overleg met Den Haag, door Amsterdam op poten gezet. De minister-president en het ganse kabinet gingen aan de slag om de algemene politieke beschouwingen te doen. Eťn van de dingen die wij maandag besproken, was wie op dinsdag bij de opening van de APB het woord zou voeren over de ramp en wat daarover gezegd kon worden. Toen is het besluit genomen dat Deetman, die toen voorzitter was, iets zou zeggen en in reactie daarop de minister-president. Daarna ging de hele Kamer aan de slag met de algemene politieke beschouwingen. Daar heb ik de hele week bij gezeten. Alleen die donderdagmiddag ben ik er uitgelopen. In het CVIN-overleg hebben we het er nog even over gehad in de zin van: Arthur, is het echt zo dat de indicatie is dat het geen terrorisme is? Hou mij op de hoogte van de ontwikkelingen als jij uit jouw bronnen wat hoort. Dat zei ik natuurlijk ook tegen de andere hoofden van de diensten.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Heeft de heer Docters van Leeuwen u daarna nog benaderd?
 
De heer Hoekstra: Nee.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Men heeft u verder niet meer op de hoogte gehouden
 
De heer Hoekstra: Jawel. Je komt elkaar regulier tegen. Dan is het een enkel woord: is er nog verandering
op dat punt? Antwoord: nee.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Moet ik nu constateren dat u eigenlijk tot het moment dat u voorzitter van de commissie werd, zich niet meer hebt beziggehouden met de ramp?  

De heer Hoekstra: Behalve dat Jan-Willem Weck, de toenmalige DG mij heeft opgebeld over het ongevalsonderzoek, met de vraag hoe dat moest worden opgezet. Dat heeft hij met mij besproken.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Daar hebt u aanbevelingen over gedaan?
 
De heer Hoekstra: Hij had de gedachte dat het goed moest gebeuren, anticiperend op de nieuwe wetgeving.
Ik heb tegen hem gezegd: dat lijkt mij een uitstekende gedachte. Het ging om een onafhankelijk onderzoek.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Bent u daar later nog bij betrokken geweest of heeft Weck dat voor de rest
geheel zelf geregeld?
 
De heer Hoekstra: Dat is allemaal door het ministerie van Verkeer en Waterstaat gedaan. Er was ook nog de reguliere voorbereiding van de ministerraad. In de ministerraad is, als ik mij dat goed herinner, over de herdenkingsbijeenkomst op die zondagmiddag en over de organisatie van het onderzoek gesproken.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Ik heb een detailvraag over uw aanbevelingen, conclusies en analyses in uw rapport. Op blz. 82 schrijft u, punt 4.1.3., naar aanleiding van mogelijk aanwezige munitie aan boord: "Op verzoek van de RLD is onderzoek gedaan naar de samenstelling van de desbetreffende zending. Uit het onderzoek bleek dat hier geen sprake is geweest van transporten van munitie". Wij hebben niet kunnen achterhalen welk onderzoek dat is.
 
De heer Hoekstra: Is dat niet het onderzoek van Dangerous Goods Management Support BV?
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Nee. Er is bij ons een brief bekend van het ministerie van Verkeer en
Waterstaat aan de Rijksluchtvaartdienst, de heer Putters. Maar het onderzoek hebben wij niet kunnen traceren.
 
De heer Hoekstra: Dat moet Dangerous Goods Management zijn geweest, de heer Van der Maat, maar dat
staat er dus niet.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Nee, dat staat er niet. Bovendien kon worden verondersteld dat het iets te maken had met in ieder geval munitie. U weet dus niet welk onderzoek wordt bedoeld.
 
De heer Hoekstra: Welke brief is het?
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Een brief van het ministerie aan de Rijksluchtvaartdienst.
 
De heer Hoekstra: Die ken ik niet.
 
Mevrouw Augusteijn-Esser: Het is ook ver na uw tijd als functionaris, maar wel binnen de periode dat u met uw onderzoek bezig was.
 
De heer Hoekstra: Ik kan het navragen.
 
Mevrouw Van Traa: U concludeert in uw rapport: uit dit onderzoek bleek dat hier geen sprake is geweest van transport van munitie. Dat is wel een snel getrokken conclusie.
 
De heer Hoekstra: De brief ken ik niet. Ik zal ernaar kijken. Ik zal de commissie daarover berichten.
 
De voorzitter: Gezien de tijd, geef ik de leden nog de gelegenheid tot het stellen van een laatste vraag.
 
Mevrouw Oedayraj Singh Varma: U heeft met veel personen gesproken. Is u iets bijzonders opgevallen in die verklaringen?
 
De heer Hoekstra: Ik vond de nogal chaotische situatie bijzonder. Ik kon begrijpen dat de eerste avond chaotisch was. Het is bijna wonderbaarlijk dat het daarna zo snel en redelijk goed is gegaan vanuit de invalshoek van Amsterdam. Dat beeld blijft mij bij. Ik vroeg regelmatig hoeveel mensen er ter plekke waren. Ik dacht honderd of meer. Erhart was daar heel sprekend over. Hij vond wat, deed dat in een mand en even later was het weg.
 
De heer Oudkerk: Klopt het dat op de dag dat uw eindrapport werd gedrukt, informatie van El Al
binnenkwam op vragen die al in een veel eerder stadium waren gesteld?
 
De heer Hoekstra: In de fase dat het werd gedrukt, dat klopt. Ik had eindeloos getrokken bij de advocaat om die informatie toch te krijgen.
 
De heer Oudkerk: "Getrokken bij de advocaat". Mag ik daaruit concluderen dat u niet de grootste juichkreten slaakt over een snelle, adequate medewerking van EI Al ten aanzien van de vragen die u stelde?
 
De heer Hoekstra: Dat duurde mij te lang.  

De heer Oudkerk: Vond u dat men bewust de zaken vertraagde?
 
De heer Hoekstra: Heeft El AI de zaak vertraagd of de advocaat.
 
De heer Oudkerk: De advocaat is in dienst van El Al.
 
De heer Hoekstra: Ik maak dat onderscheid. Ik ging mij ergeren, net zoals toen ik de heer Bloemen niet snel aan tafel kon krijgen. De advocaat van El Al had dan weer overleg nodig met een collega-advocaat die zaken voor El Al doet in Londen. Kennelijk was de zaak voor El Al zo gevoelig uit een oogpunt van wellicht aansprakelijkheidstelling op de langere of kortere duur, dat de advocaat lang heeft nagedacht of deze informatie aan de commissie verstrekt kon worden.
 
De heer Oudkerk: Nagedacht of getraineerd?
 
De heer Hoekstra: Daar heb ik geen indicatie voor.
 
De heer Oudkerk: Als u een advocaat nodig had, zou u deze niet uitzoeken?
 
De heer Hoekstra: Veel advocaten rekken zaken.
 
De heer Oudkerk: Dat is hun vak.
 
De heer Hoekstra: Zij hebben zoveel tijd nodig voor andere zaken. De zaken die in hun ogen of in die van
de cliŽnten geen prioriteit hebben, blijven even liggen. Ik heb de stellige indruk dat ik, als ik er niet bijna dagelijks achterheen had gezeten, het niet had gekregen.
 
De heer Oudkerk: Uzelf!
 
De heer Hoekstra: De heer Broeren. Ik heb steeds weer laten bellen. Soms liet ik iemand anders ook bellen.
 
De heer Oudkerk: Uiteindelijk komt men als het boekwerk wordt gedrukt met antwoorden op vragen. Bent u daar wijzer van geworden?
 
De heer Hoekstra: Zij hebben een heel verhaal gehouden, een beschouwing, een benadering gegeven. Dat is de winst ervan. Dat staat op papier en dat is belangrijk. Ik ga daar geen diskwalificatie van geven.
 
De heer Oudkerk: Een diskwalificatie is hooguit dat als u er niet achterheen had gezeten, u nog bezig was geweest.
 
De heer Hoekstra: Het kostte de nodige moeite.
 
Mevrouw Van Traa: Wij hebben herhaalde malen over de bevoegdheden gesproken en over de hoofdverantwoordelijkheid van de burgemeester van Amsterdam. Deze kwestie kwam vooral ter sprake in verband met terroristische acties. Die laat ik terzijde, maar ik plaats een en ander in het licht van een luchtvaartongeluk. Is ooit, bijvoorbeeld in het kabinet of in de besprekingen waar u bij was, aan de orde geweest dat er internationale verplichtingen waren met betrekking tot het accident investigation en dat die misschien op basis van internationaal recht voor zouden gaan op nationaal recht? Is daar ooit over gesproken?
 
De heer Hoekstra: In die tijd niet met mij. Daar heb ik niet van gehoord.
 
Mevrouw Van Traa: Heeft de Raad voor de luchtvaart zich er niet over uitgelaten dat zijn belang boven een ander zou gaan?
 
De heer Hoekstra: Ja. In de gesprekken die ik heb gevoerd, komt sterk naar voren de impliciete of expliciete kritiek van de onderzoeksautoriteiten op de geweldige spanning tussen de internationale verplichtingen ten aanzien van het onderzoek naar het ongeluk en het feit dat de bestuurlijke autoriteiten van Amsterdam geen overleg hebben gevoerd met de onderzoeksautoriteiten over wat er op die vrijdagavond gebeurde. Men is daar heel ongelukkig over geweest.
 
Mevrouw Van Traa: De minister van Verkeer en Waterstaat heeft haar zaak niet verdedigd? Zij was bewindsvrouw op het gebied van de internationale verplichtingen.
 
De heer Hoekstra: Het gebeurde. Het was een bijna exclusief Amsterdamse zaak geworden in de zin van dit doen wij gewoon.
 
Mevrouw Van Traa: De hoofdbevoegdheid van de burgemeester werd dus absoluut niet ter discussie gesteld?
 
De heer Hoekstra: Toen niet. Hij had het al zwaar genoeg. Hij had veel steun nodig van zijn directe
omgeving, hij moest geholpen worden.
 
De voorzitter: Misschien kwam dat wel goed uit, want de APB stonden voor de deur!
Mijnheer Hoekstra, hartelijk dank voor uw komst naar onze commissie. Mocht er aanleiding zijn, u uit
te nodigen voor de officiŽle verhoren onder ede, krijgt u daar zo snel mogelijk bericht over. Wij zien u
eventueel dan weer terug.
 
Sluiting 16.07 uur.
Tegenstelling inzake de gehouden CVIN-vergadering: Wat die CVIN-vergadering betreft op de donderdag na de ramp, de reguliere bijeenkomst van de chefs van alle Nederlandse inlichtingendiensten, klopt iets niet. Hij is gehouden, zegt Hoekstra, maar Docters van Leeuwen, toenmalig hoofd van de BVD, vertelt de PEC dat in het BVD-dossier geen notulen zitten van juist die vergadering. Hij heeft het er nog speciaal op nagekeken.

 

Als er dus iemand was die boter op zijn hoofd had als het mogelijke geheime wapen - en andere transporten via Schiphol naar IsraŽl betrof, dan was het Rein Jan Hoekstra. Maar voor de regering was hij natuurlijk een uitgelezen man om zo'n onderzoekscommissie voor te zitten

 

Van de Linde wijst erop dat ťťn van de 'onafhankelijke', zogenaamd 'objectieve' commissieleden Rein Jan Hoekstra heet, lid van de Raad van State en oud-coŲrdinator van de Inlichtingendiensten. Wie ook weer? In "Doemvlucht (de verzwegen geheimen van de Bijlmerramp)" van Pierre Heijboer staat op blz. 250 te lezen: "Rein Jan Hoekstra was immers de man die ten tijde van de Bijlmerramp secretaris-generaal was op het ministerie van Algemene Zaken en in die functie ook coŲrdinator van alle Nederlandse veiligheids- en geheime diensten. Als er dus iemand was die boter op zijn hoofd had als het mogelijke geheime wapen - en andere transporten via Schiphol naar IsraŽl betrof, dan was het Rein-Jan Hoekstra. Maar voor de regering was hij natuurlijk een uitgelezen man om zo'n onderzoekscommissie voor te zitten. Hij zou kunnen ingrijpen als de commissie te dicht in de buurt kwam van zaken die vanwege de betrekkingen met IsraŽl geheim moesten blijven. De Tweede kamer was te naÔef om deze connectie te zien."
De vrachtbrieven van El Al zijn nooit gevonden, zoals ook de eindbevindingen van de Commissie Van der Haak allang vast staan; Klaas de Vries, Kok, Netelenbosch en Korthals, hen treft geen enkele blaam.

 

Lariekoek, Theo van Gogh

Afgelopen Vrijdag opende de Telegraaf met een vette kop die schreeuwde dat Fortuyn afgeluisterd zou zijn door de AIVD, opvolger van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. De krant baseerde zich op verschillende bronnen en gaf aldus een miljoen lezers de indruk dat zich onder Paars een Watergate heeft afgespeeld.

Voor officieel afluisteren moeten vier ministers hun toestemming geven, dat zouden in dit geval geweest zijn ťťn VVD'er en drie PVDA'ers. Toen Klaas de Vries (PVDA) nog minister van Binnenlandse Zaken was en ondanks verzoeken van Dijkstal en de Goddelijke Kale zelf Fortuyn lijfwachten weigerde - "Wij kunnen niet willekeurig iedere particulier beschermen" -, had 'ie niet kunnen bevroeden de dag na zes Mei nog 'ns stamelend voor de camera's te zullen verschijnen: "De Heer Fortuyn zou ons waarschuwen als 'ie bedreigd werd..." 

Desgevraagd antwoordt De Vries op het Telegraaf-bericht: "Lariekoek..." En hij legt uit dat 't onzin is te veronderstellen dat 'democratische politici' afgeluisterd zouden worden. Goh! Tijdens de campagne was Fortuyn volgens De Vries' partijgenoot Melkert nog een Le Pen; zou zo'n Jean Marie uit naam van de Vrijheid, de Vooruitgang, het Progressieve Denken en de Lijdende Mensheid in het algemeen niet afgeluisterd mogen worden?

Fortuyn vertelde mij vaak genoeg: "We worden afgeluisterd", en dan voegde ik hem ietwat pesterig toe: "Wat valt er bij jou af te luisteren dan?" - ik geloofde de Geliefde Leider wat dit betreft niet blindelings -, maar dan nog... Vermoedelijk opent de Telegraaf - de hardste anti-Fortuyn-krant - niet zo stellig als een en ander niet akkoord bevonden is door een advocaat die tenminste ťťn bron serieus neemt. NaÔef was wel de opsomming in de krant van de bewindslieden die hun mogelijke toestemming voor het afluisteren zouden hebben moeten geven. De haatcampagne jegens Fortuyn werd zeker namens Kok en de zijnen georkestreerd, maar dat betekent natuurlijk niet dat die schrijftafelmoordenaars zo onverstandig zijn hun
handtekening onder een opdracht te zetten. Wie Fortuyn wil afluisteren doet dat niet namens de minister-president maar in de vorm van een lauw routineonderzoek, uit te voeren door een onderknuppelig politiecorps. Mocht er iets mis gaan - een lastige persmuskiet bijvoorbeeld die verdenkingen publiceert; uitgesloten in Nederland overigens - dan wijst geen spoor in de richting van meneer De Vries, die iedere verdachtmaking verontwaardigd als 'lariekoek' van de hand kan wijzen. De Vries is officieel kandidaat voor het lijsttrekkerschap van de PVDA. In een beschaafd land zou een politicus die over de volle breedte van de grootste krant van het land van zoiets infaams beschuldigd wordt, tenminste naar de rechter stappen met een verzoek om bronnen en feiten te openbaren teneinde zijn naam te zuiveren. Maar niets van dat al in Nederland. Als Zijne Excellentie zegt dat 't hier 'lariekoek' betreft, is er nu 'ns niemand die daar achterdochtig van wordt. Iets uitzoeken? Liever 'lariekoek' citeren en haastig over tot de orde van de dag.

't Dolste maakt NRC-Handelsblad 't, dat Vrijdag noch Zaterdag ook maar een letter besteedde aan de kwestie. Je zou kunnen zeggen als je Folkert Jensma heet: "Wij staan achter De Vries. Laat dat merken aan de lezers." Maar niks, nacco, nacco, nada, geen interesse. Excellentie zegt "Lariekoek", dus besteden wij er verder geen aandacht aan. Opeens duikt ook Jeltje van Nieuwenhoven weer op als kandidaat-aanvoerder voor de PVDA. Mijn eksteroog zweert dat haar hernieuwde kandidatuur wie weet vooral van doen heeft met het rapport Van den Haak, dat vlak voor de volgende verkiezingen uitkomt over de beveiliging, of liever gezegd het gebrek daaraan, van de grootste oppositieleider die het land gekend heeft. Want stel je voor dat De Vries als door een Godswonder Wouter Bos (PVDA) zou verslaan... Enfin, ook Bos was staatssecretaris van het kabinet dat in iedere Paarse nachtmerrie aan de schandpaal genageld zou worden mocht de Telegraaf gelijk krijgen. Kay van de Linde was campagneleider van Leefbaar Nederland en de man die er als van zelfsprekend voor zorgde dat Fortuyn beschermd werd. Ik herinner me hem hierover nog 'ns gevraagd te hebben: "Denk jij niet te Amerikaans?"

Toen Fortuyn op bespottelijke gronden werd weggetrapt bij Leefbaar Nederland - overigens met instemming van dezelfde Kay - en de LPF van de grond trok, was er geen miljonair te vinden die 't nodig vond de man bescherming aan te bieden. Dat is wrang, maar voor wie de verhoudingen in Nederland kende voor de hetze tegen Fortuyn van start ging, niet helemaal onlogisch; moord was onvoorstelbaar. Onnozelaars die we waren.

Van de Linde noemt de Commissie Van der Haak een 'doofpotcommissie' en heeft zijn verklaring teruggetrokken. Hij noemt zichzelf 'bepaald geen vriend van de LPF', maar kreeg tijdens het verhoor het vorstelijke gevoel genaaid te worden waar 'ie bij zat, tijdens een operatie om alle-boven-ons-gestelden te dekken en van handen in onschuld te voorzien. Van de Linde wijst erop dat ťťn van de 'onafhankelijke', zogenaamd 'objectieve' commissieleden Rein Jan Hoekstra heet, lid van de Raad van State en oud-coŲrdinator van de Inlichtingendiensten. Wie ook weer? In "Doemvlucht (de verzwegen geheimen van de Bijlmerramp)" van Pierre Heijboer staat op blz. 250 te lezen: "Rein Jan Hoekstra was immers de man die ten tijde van de Bijlmerramp secretaris-generaal was op het ministerie van Algemene Zaken en in die functie ook coŲrdinator van alle Nederlandse veiligheids- en geheime diensten. Als er dus iemand was die boter op zijn hoofd had als het mogelijke geheime wapen - en andere transporten via Schiphol naar IsraŽl betrof, dan was het Rein-Jan Hoekstra. Maar voor de regering was hij natuurlijk een uitgelezen man om zo'n onderzoekscommissie voor te zitten. Hij zou kunnen ingrijpen als de commissie te dicht in de buurt kwam van zaken die vanwege de betrekkingen met IsraŽl geheim moesten blijven. De Tweede kamer was te naÔef om deze connectie te zien." De vrachtbrieven van El Al zijn nooit gevonden, zoals ook de eindbevindingen van de Commissie Van der Haak allang vast staan; Klaas de Vries, Kok, Netelenbosch en Korthals, hen treft geen enkele blaam. Right!

NRC-Handelsblad neemt niet de moeite het bericht in De Telegraaf aan zijn lezers te melden, althans tot op heden, nu ik dit stukje schrijf op Maandagmorgen, niet. NRC-Handelsblad laat liever de voormalige SS-vrijwilliger Henk Hofland wat loeien over de LPF en haar barbaren, da's wel zo veilig; de krant is immers spreekbuis van deftige Excellenties en niet geneigd tot enige achterdocht als zo'n De Vries 'lariekoek' in de mond neemt. Ik heb wel 'ns gehoord dat een vrije pers 'de Koningin de Aarde' mag worden genoemd, maar Nederlandse kranten als NRC-Handelsblad zijn vooral deftig sprekende lakeien die buigend voor autoriteiten proberen met hun tong de grond te raken. Folkert Jensma, mislukt stagťaire, zal voor het stilzwijgen geen cheque krijgen; maar vast wel een bemoedigend schouderklopje van meneer De Vries. Je wordt er helemaal wee van.

In het veel gesmade Amerika namen twee journalisten de moeite een onbeduidende inbraak in het Watergate-gebouw uit te zoeken. Zulks zal in Nederland van de zich noemende 'kwaliteitspers' niet verwacht mogen worden. Want hier heerst de samenzwering van oorverdovende stilte. Wilma de Rek schreef afgelopen Zaterdag op triomfantelijke toon over hoezeer de LPF en Fortuyn door bepaalde stukjesschrijvers gemist zullen worden. Daarbij noemde Mevrouw ook mijn persoon'tje en wat kan ik anders dan eerbiedig Ja knikken? Honderdduizenden, zo niet twee miljoen Fortuyn-aanhangers, zullen nooit
meer gaan stemmen, want ook hun recht op informatie wordt dagelijks geknecht door kranten als de Volkskrant, die niet bereid blijken uit te zoeken wat uitgezocht moet worden. Vermoedelijk is Mevrouw De Rek te beperkt om het stuitende van haar lacherigheid te zien; zalig zijn de gansjes van geest. Alleen De Telegraaf probeert nog wat. Het land is diep gezonken.

 

De Bijlmerramp kenmerkt zich door de truc van de overheid om niet systematisch te werken en te zoeken naar "mannen in witte pakken"

Het vinden van de "juiste mannen in witte pakken" zou een claim van burgers immers alleen maar kunnen versterken. 

Dezelfde truc heeft de overheid ook uitgehaald in censuurzaak tegen Hop. (84) Het traceren van de juridische juiste eigenaar van de Amerikaanse websites zou direct de onrechtmatigheid van de hetze van de gezinsvoogdij tegen Hop bewijzen. 

 

Aantekeningen bij de brief d.d. 23 juni 1998 van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer

Op 23 juni heeft minister Sorgdrager van Justitie de Tweede Kamer schriftelijk geÔnformeerd over het onderzoek van de rijksrecherche naar de 'mannen in witte pakken' op de plek van de Bijlmerramp. Het onderzoek werd uitgevoerd op verzoek van de Tweede Kamer. Als gevolg van mijn vroegere werkzaamheden als journalist ben ik vrij nauw bij dit recherche-onderzoek betrokken geraakt. Mede daardoor kan ik een redelijke vergelijking maken tussen de werkelijke resultaten van het onderzoek, en de weergave van die resultaten door de minister in haar brief aan de Tweede Kamer. Het resultaat van die vergelijking is, om het voorzichtig te zeggen, nogal onthutsend.

Het nauwkeurig lezen van de alinea's in de brief van de minister die handelen over de 'mannen in witte pakken' is, het moet gezegd, een leerzame exercitie. Dat wil zeggen: voor wie geÔnteresseerd is in de kunst van het versluieren van de waarheid - en deze kunst kent en herkend. Want op het eerste gezicht staat nergens in de brief van de minister een opzichtige leugen. Maar nergens ook vertelt de brief de waarheid; de brief draait eromheen en maakt zaken ondoorzichtig. De wijze van formuleren in de brief van de minister doet sterk denken aan de manier waarop de woordvoerders van president Clinton lieten weten dat hun baas geen 'improper relationship' had gehad met Monica Lewinsky en vervolgens hardnekkig weigerden te antwoorden op de vraag of die relatie 'sexual' was geweest, ja dan nee.

Een woordenspel dus, de brief van de minister. Om dat aan te tonen is het noodzakelijk de twee door mij bedoelde alinea's zin voor zin uiteen te rafelen en van commentaar te voorzien. Zoals ik al zei: een hele exercitie, maar een interessante. We beginnen met de derde zin uit de tweede alinea over de 'mannen in witte pakken:

'Er is ťťn getuige die heeft verklaard dat zich direct na het voltrekken van de ramp, twee personen, van wie hij de indruk had dat het IsraŽliŽrs waren, beschermende pakken droegen.'

Even afgezien van het feit dat deze zin niet 'loopt' moet vastgesteld worden dat hier geen onwaarheid staat. Er wordt echter de indruk gewekt dat deze personen in beschermende pakken slechts door deze ťne getuige zijn gezien of zijn genoemd. In werkelijk zijn er minstens vijf andere, zeer duidelijke, verklaringen van getuigen over mannen in beschermende pakken die 'direct na het voltrekken van de ramp' zijn gezien. Ook de rijksrecherche heeft die verklaringen. Deze vijf getuigen hebben echter - anders dan deze ene - niet beweerd 'dat zij de indruk hadden dat het IsraŽliŽrs waren'. Dat konden zij immers niet weten. Maar ze hebben allemaal dezelfde mannen gezien. Dus zijn er over deze groep mannen minimaal zes duidelijke verklaringen, en niet 'ťťn'!

Volgende zin in de brief:

'Er zijn verder geen aanwijzingen gevonden dat zich IsraŽli in witte pakken of beschermende kleding op het rampterrein hebben bevonden.'

Van hetzelfde laken een pak. Het fijntjes toevoegen van de aanduiding 'IsraŽli' in deze zin maakt de bewering net niet tot een regelrechte leugen. Maar het is wel een schoolvoorbeeld van het verdraaien van de waarheid. Want een feit blijft dat er een groot aantal heel duidelijke getuigenverklaringen bestaat over mannen in witte pakken of beschermende kleding. Volgens de rijksrecherche is er in zo'n geval nog geen sprake van 'feiten' of 'bewijzen', hoewel in Nederland mensen na heel wat minder getuigenverklaringen voor lange tijd achter de tralies zijn gegaan.

Geen feiten of bewijzen dus volgens de rijksrecherche. Maar toch op zijn minst 'aanwijzingen'. Wie ook dat zou ontkennen zou simpelweg liegen. Maar zoals gezegd, daar heeft de minister een truc op bedacht: spreek over 'IsraŽli' en je hebt gťťn aanwijzingen. Want al die getuigen spreken alleen over 'mannen in witte pakken of beschermende kleding', en voegen daar niet de aanduiding 'IsraŽli' aan toe. Kortom: hier wordt door de minister niet gelogen, maar zij versluiert wel de waarheid.

Volgende zin:

'Voorts heeft de hoofdofficier mij bericht dat verschillende verklaringen door getuigen zijn afgelegd over personen in witte pakken.'

Dit is een halve waarheid. Want verreweg de meeste getuigen spreken niet slechts over mannen in witte pakken. Zij spreken over 'mannen in opvallend dikke, maanmanachtige pakken' of over 'mannen in een soort astronauten-outfit'. Dat is een veel duidelijker definiŽring - een heel andere zelfs - dan wat de minister suggereert. Het lijkt overigens wel begrijpelijk waarom dit hier gebeurt. Want voor de 'mannen in witte pakken' zijn door de betrokken Nederlandse autoriteiten genoeg onschuldige gegadigden op te voeren; voor de 'mannen in astronautenpakken' zijn die er niet.

Volgende twee zinnen:

'Op het terrein van de ramp zijn vele personen in witte pakken geweest. Naar het zich laat aanzien betroffen dit personen van het zogenaamde LOTT-team (Landelijk Opvang Trauma Team), de GG en GD, van het SIGMA-team (Snel Inzetbare Groep Medische Assistentie) van het Rode Kruis, en andere hulpverleners.'

De minister laat - zoals het hier staat - bewust of onbewust na een echte redactionele koppeling te maken tussen de verklaringen van de meeste getuigen (die immers spreken over een soort astronauten-outfit) en deze hulpverleners. Ze wekt de indruk dat wel te doen maar in feite doet ze het niet. En dus kan ze ook hier weer niet op een echte onwaarheid betrapt worden. Hoewel..., het niet vermelden van iets kan ook een onwaarheid zijn. En dat doet de minister hier. Zij laat de Tweede Kamer namelijk niet weten dat minstens vier vakmensen (twee brandweerlieden, een lid van de Regionale Rampenbestrijding Amsterdam en een ambulancemedewerker) uitdrukkelijk verklaard hebben, dat het bij de door hen gesignaleerde onbekende bergers NIET ging om Nederlandse hulpverleners - mensen die zij vanwege hun werk immers goed kennen.

Volgende zin:

'Er is ťťn getuige die een beschrijving reproduceert over duidelijk afwijkende kledij'

Opnieuw de suggestie dat er maar ťťn getuige is die het heeft over een andersoortige kledij dan die van de gebruikelijk hulpverleners. En deze keer is dat echt een onwaarheid. Want de teksten van heel veel andere getuigen zijn er simpel op na te lezen. Hier wordt kennelijk gesproken over de het hierboven al genoemde lid van de Regionale Rampenbestrijding Amsterdam, aan wie de rijksrecherche als enige heeft gevraagd om met hulp van een 'computertekenaar' een schets te maken van het pak dat hij onbekende mannen heeft zien dragen. En hij heeft inderdaad als enige op deze wijze 'een beschrijving gereproduceerd'. Maar hij heeft niet als enige deze beschrijving gegeven. Dat hebben veel anderen eveneens gedaan. Het verzwijgen van dit laatste is een gegeven dat in de tekst van de minister voortdurend terugkeert.

Volgende zin:

'Zijn verklaring wordt evenwel niet gestaafd door andere getuigen die toen ook ter plaatse waren.'

De kwestie is hier: wie zijn de andere getuigen die je gehoord hebt? Ik heb zelf ook brandweermensen gesproken die zich de mannen, die het betrokken lid van de RRA gezien heeft, niet herinneren. Maar ik heb daarnaast met omwonenden gesproken die ze wel degelijk gezien hebben, op het hetzelfde moment dat deze RRA-man ze zag. Ook de verklaringen van deze omwonenden zijn aan de rijksrecherche overgedragen. Derhalve is ook deze mededeling van de minister simpelweg onwaar.

Volgende zin:

'Volgens de hoofdofficier is niet, althans onvoldoende komen vast te staan dat lading of wrakstukken, door IsraŽli of anderen, op onregelmatige wijze zijn meegenomen.'

De hoofdofficier mag deze conclusie natuurlijk trekken. Maar het zou tegenover de volksvertegenwoordiging netjes zijn geweest wanneer in dit geval door de hoofdofficier of de minister tevens was vermeld, dat er wťl 'aanwijzingen' in deze richting zijn. En wel: getuigenverklaringen die bij de Raad voor de Luchtvaart berusten, en waarin sprake is van het feit dat 'getuigen mensen hebben zien slepen met iets dat wel eens een van de zwarte dozen van het vliegtuig zou kunnen zijn geweest'; en minstens ťťn min of meer identieke verklaring van een omwonende, die in het bezit is van de rijksrecherche.

Van belang zijn ook de woorden 'op onregelmatige wijze' ('onrechtmatige' zou overigens beter zijn geweest) in bovenstaande zin. Wanneer namelijk op een zeker moment toestemming is verleend aan IsraŽli's om bepaald bergingswerk te verrichten op de rampplek, dan hebben zij inderdaad niet 'op onregelmatige wijze' zaken meegenomen. Bij het beschouwen van deze twee alinea's uit de ministeriŽle brief - twee alinea's waarin welgeteld zeven keer 'nogal soepel met de waarheid wordt omgegaan' - is het wellicht zinnig te verwijzen naar hetgeen de leider van het onderzoek van de rijksrecherche, A.H. Caron, mij tijdens zijn werkzaamheden liet weten. Hij zei, letterlijk: 'Ik maak uiteraard een rapport over mijn bevindingen. Maar bedenk wel, dat wat ik opschrijf, vůůr het de Tweede Kamer bereikt, nog door minimaal twee sluizen gaat: die van de hoofdofficier in Amsterdam en die van het ministerie in Den Haag.'

Pierre Heijboer
Amsterdam.
2 juli 1998

 

 

 

Chronologisch overzicht van de activiteiten van niet-geÔdentificeerde bergingsploegen op deplaats van de Bijlmerramp, op 4 en 5 oktober 1992. (Opgesteld door Pierre Heijboer te Amsterdam.)

  •  
    1.  
    2. Vrij snel na de crash (een minuut of tien) melden zich IsraŽli's op het rampterrein, die kennelijk tot een of andere veiligheidsdienst behoren. Tegen de bezetting van de commandowagen van politie en brandweer maken zij zich althans als zodanig kenbaar. Het bericht in de GPD-bladen van 28.04.98 hierover is officieel niet bevestigd, maar reeds op 21.04.98 had mr. J. Vrakking, hoofdofficier van justitie te Amsterdam, tijdens een receptie tegenover mij verklaard: 'Er hebben zich IsraŽlische veiligheidsmensen bij onze commandowagen gemeld, maar wij hebben ze weggestuurd.'

      Wie waren deze lieden? Het antwoord op die vraag is niet moeilijk. Op Schiphol werkt een uitgebreide staf van goed opgeleide IsraŽlische veiligheidsmensen. Eenieder die op Schiphol in de vrachtafhandeling werkt zal dat bevestigen. De instelling van deze IsraŽli's is - heel begrijpelijk - dat alles wat met El Al-toestellen en El Al-vracht van doen heeft enkel en alleen hķn pakkie-an is. Daar dient niemand anders zich mee te bemoeien.

      Vandaar dat het ook volkomen logisch is dat een ploeg van deze mensen zich vanaf Schiphol naar de Bijlmer spoedt wanneer daar een El Al-vliegtuig met een 'voor IsraŽl strategisch van groot belang zijnde lading' (Brits deskundige in 'Zembla' van 04.06.98) is neergestort - en ervan uitgaat dat zij, als El Al-mensen, zich 'dirigerend' mogen bemoeien met de bergingsoperaties. De politie- en brandweercommandanten ter plekke weten echter niets van mogelijke geschreven of ongeschreven afspraken hierover en zeggen: 'Hoepel op.' Gevolg: zeer boze IsraŽli's, zoals aan de rijksrecherche beschreven door de betrokken Amsterdamse politiemensen.

      Heeft deze IsraŽlische ploeg zich 'laten wegsturen', zoals mr. Vrakking zegt? Nee, natuurlijk niet. Een ploeg van goed opgeleide leden van een IsraŽlische veiligheidsdienst, die met een 'spoedopdracht' naar de Bijlmermeer is gestuurd, laat zich niet wegsturen. Die ploeg gaat gewoon aan het werk om de opgedragen klus te klaren, toestemming of geen toestemming. In de chaos van het eerste half uur in de Bijlmermeer was dat trouwens geen enkel probleem.

      Het enige probleem dat zich voordeed, was dat de activiteiten van deze veiligheidsmensen (het 'wegslepen van de rampplek van allerlei spul') niet geheel onopgemerkt kon blijven. Er zijn dus getuigenverklaringen. Wat betreft de aanwezigheid van de IsraŽli's: verklaringen van de politiemensen in de commandowagen in de Bijlmer, die van de heer Vrakking tegenover mij, en die van de Amsterdamse politiewoordvoerder Klaas Wilting in 'Zembla' van 04.06.98. Wat betreft de activiteiten van deze IsraŽli's: getuigenverklaringen die zich bevinden in het Bijlmerramp-dossier van de Raad voor de Luchtvaart; en minstens ťťn getuigenverklaring van dezelfde aard, waarover de rijksrecherche beschikt.

    3. Min of meer gelijktijdig met de IsraŽlische veiligheidsmensen verschijnen op het terrein van de ramp 'een stuk of zes' in opvallende vuurwerende kledij gestoken 'bergers', die zich niet om bluswerk of gewondenhulp bekommeren, maar aan het 'bergen' (wegslepen van vliegtuigonderdelen) gaan op een punt links van de inslag, daar waar herkenbaar nog delen van het staartstuk van het vliegtuig liggen. Eenduidige getuigenverklaringen hierover zijn er onder meer van een vijftal omwonenden, een ambulancemedewerker en een politieman.

      Wie waren deze mensen? Naar alle waarschijnlijk hoorden zij tot een kleine bergings- en hulpverleningsploeg, die door IsraŽlische diensten op Schiphol paraat gehouden wordt (of werd) bij elke start en landing van een El Al-toestel. Deze ploegen pleegden zich te verplaatsen zich in een terreinwagen (mogelijk van het type Landrover) en hadden direct radiocontact met de bemanning van de El Al-vliegtuigen.

      Wanneer dit regiem in 1992 op Schiphol ook gold (misschien geldt het nůg wel) ligt het voor de hand dat ook dťze El Al-ploeg zich met spoed naar de Bijlmer heeft begeven, en daar aan het 'bergen' is geslagen. En dat deze mensen zich daarbij ook niet hebben bekommerd om de vraag of wat zij deden volgens de Nederlandse wetgeving (de toen nog geldende Luchtvaartrampenwet) eigenlijk wel mocht. En ook zij deden hun werk tijdens de chaos van het eerste half uur; daarbij weliswaar gesignaleerd door omwonenden en een of meer politiemensen 'die opzij moesten', maar nog zonder uitdrukkelijke toestemming van de mensen in de commandowagen.

    4. Het volgende tijdstip is ca. 22.45 uur op de avond van de ramp. De omstandigheden waaronder de dingen zich afspelen wijzen erop dat het 'plaatselijk commando' van brandweer en politie inmiddels de mededeling heeft gekregen, dat 'een speciale bergingsploeg' de ruimte moet worden gegeven. Deze ploeg bergers (in beschermende, dikke witte kledij) wordt onder meer gesignaleerd en genoemd door de enkele brandweerlieden en een radioverslaggever, wiens getuigenis ondersteund wordt door een nog bestaande geluidsband.
    5. De vroege ochtend van 5 oktober (tegen het licht worden) is het volgende tijdstip. Verslaggevers zijn dan met een smoes ('er komen gevaarlijke stoffen vrij' - niet waar) van het rampterrein verwijderd en de speciale bergingsploeg van een man of tien gaat opnieuw op de puinhopen aan het werk. Een omwonende heeft hierover tegenover de rijksrecherche een duidelijke verklaring afgelegd.
    6. Volgende moment: de ochtend van 5 oktober, tussen tien en elf uur. De bergers die aan het werk zijn moeten aan de kant want 'er komen andere mensen iets doen'. Dat blijken mannen te zijn in ruimtevaartachtige pakken (zoals de 'speciale bergingsploeg' al eerder omschreven is) die over het puin lopen en dingen wegdragen. Zij worden gesignaleerd door minstens ťťn berger en minstens twee omwonenden.
    7. Naast deze 'onbekende bergers' is ook nog een andere ploeg (werkend in groepjes van twee man - en misschien slechts ťťn groepje van twee man) actief op de rampplek. Ook deze mensen dragen een witte outfit, doch dit zijn geen 'astronautenpakken' maar witte overalls. Ze worden onder meer gesignaleerd door omwonenden en door Amsterdamse politiemensen (zie de verklaringen van de Amsterdamse politiewoordvoerder Wilting in het Algemeen Dagblad van 29.04.98 en 'Zembla' van 04.06.98).

    We hebben hier van doen met ploegjes mensen (zich verplaatsend in een of meer auto's met Franse kentekens) die niet zozeer aan 'berging' doen, maar meer aan 'onderzoek'. Ze gaan dingen na, zoeken misschien naar mogelijke sporen van een terroristische aanslag; maar 'naar slachtoffers zoeken' - nee, dat doen ze zeer beslist niet.

    Inmiddels bestaan er een kleine twintig, aan duidelijkheid niets te wensen overlatende, getuigenverklaringen over de activiteiten van de betrokken onbekende bergingsploegen. Door de justitiŽle autoriteiten in Amsterdam worden deze afgedaan als zijnde niet al te betrouwbaar. Daarbij wordt onder meer gezegd: 'De ramp was 5,5, jaar geleden.' Dit duidt op het misverstand dat de betrokken getuigenverklaringen 'teruggaan op een herinnering van 5,5 jaar geleden' en als gevolg daarvan aan betrouwbaarheid inboeten. Dit is een onjuiste gedachte. De betrokken verklaringen zijn voor het allergrootste deel vijf jaar geleden al afgelegd en voor een deel ook al opgetekend. En ze zijn in de tussentijd niet gewijzigd!

    Ook zegt men: 'Mensen hebben zich door de media laten beÔnvloeden.' Het is echter bewijsbaar omgekeerd geweest: de media hebben zich in hun berichtgeving laten beÔnvloeden door deze getuigen. Want die hebben hun verhaal, zoals gezegd, vijf jaar geleden al gedaan. Dat deze verklaringen nu opnieuw in beeld komen is een gevolg van het feit dat ze nu voor het eerst zijn opgenomen in iets officieels, in een 'dossier' bij een notaris.

     

Getuigenverklaringen over de activiteiten van niet-geÔdentificeerde 'bergers' na de Bijlmerramp

Verzameld door Pierre Heijboer,
Wethouder Driessenstraat 28
1107 XK Amsterdam - Zuidoost.
Tel. 020 - 696 70 98

Getuige 1. (omwonende) 04.10.1992, ca. 18.45 uur)

'Ik woonde indertijd in Groeneveen op tien hoog. Dat is vlak bij de hoek tot waar die flat nu is afgebroken. Door de enorme dreun van de inslag vielen bij mij meubels om en vlogen boeken uit de kast. Ik dacht eerst dat er een raket was ingeslagen. Ik keek voor langs de noordkant van het stuk Groeneveen links van mijn balkon. Ik kon zien waar het brandde. Daar woonde mijn vriendin Marcella en ik dacht meteen: 'Marcella is dood.'

Ik ben vervolgens langs de galerijkant van Groeneveen in de richting van de getroffen flats gelopen, in de hoop nog iets voor Marcella te kunnen doen. Maar halverwege werd ik door enkele mannen terug gejaagd. 'Weg hier, het is hier veel te gevaarlijk,' riepen ze. Naar beneden kijkend aan de metrokant van de rampplek zag ik het vuur op de grond aan de galerijkant. Het had allerlei kleuren. Ik kreeg de rare gedachte dat het vuur naar me knipoogde. Er waren ook voortdurend kleine ontploffingen.

Ik ging vervolgens weer terug naar mijn balkon. Ik kon vandaar af de noordwestelijke kant van het inslagpunt zien. Ook daar lag voor de flat puin te branden. Het zal hoogstens acht minuten na de klap zijn geweest, zo rond kwart voor zeven, dat ik een witte auto, een soort bestelwagen, enige tijd heen en weer zag rijden bij de onderdoorgang van Groeneveen. Even later zag ik mannen in witte pakken, die - dat verbaasde mij - gewoon met hun voeten door het vuur liepen. Het waren er een stuk of zes. Er stond geen tekst of teken op hun pakken, althans dat is me niet opgevallen. Er stond in elk geval zeker geen rood kruis op. Wat ze op hun hoofd hadden leek een soort witte puntmuts of capuchon te zijn. Aan hun bewegingen te zien droegen ze zwaar schoeisel. Ze bewogen zich een beetje traag dansend, zoals ruimtevaarders. Hun kleding was ook erg dik.

Ik heb overigens niet gezien dat deze zes mannen uit de door mij genoemde witte auto zijn gestapt. Ik neem dat wťl aan. Ik bleef me, toen ik daar op mijn balkon stond, verwonderen over het feit dat die mannen zo 'op de vlammen' konden werken. Daar waar ze bezig waren lag onder meer het staartstuk. Ze liepen er rond en raapten af en toe iets op. Dat brachten ze dan weg, waarna ze weer terugkwamen. Ik heb ze op dat moment aangezien voor reddingswerkers. Maar later heb ik bedacht: ze waren er zo ontzettend snel bij; die lui moeten al in hun pakken klaar gezeten hebben voordat het toestel neerstortte.

Ik heb tot tien over zeven vanaf mijn balkon staan kijken. Al die tijd waren de mannen in het wit beneden mij aan het werk. Om tien over zeven besefte ik plotseling dat het misschien toch wat gevaarlijk kon zijn op het balkon van mijn flat. Ik dacht aan mogelijke gasexplosies. Ik ben naar binnen gegaan, heb mijn papieren en sieraden opgepakt en ben naar buiten gegaan. Daarna heb ik andere mensen nog geholpen met kinderen naar buiten brengen en zo. Vanaf het heuveltje tussen Groeneveen en de metro heb ik vervolgens nog lange tijd naar het blussen en het bergingswerk gekeken. Later ben ik geŽvacueerd naar de sporthal, omdat ik mijn flat niet meer in mocht. Ik heb die avond heel bewust voor mezelf vastgelegd wat ik waarnam. Een van de redenen daarvan was dat ik op Schiphol had gewerkt en het een en ander begreep van wat zich op die rampplek afspeelde. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 2. (bemanningslid ambulancewagen 04.10.1992, ca 18.45 uur)

'Ik ben bij de Bijlmerramp ingezet als ambulancehulpverlener van Broeder de Vries / Ambulancedienst Gooi- en Vechtstreek. Onze dienst was voor het neerstorten van het El Al-toestel al gealarmeerd omdat er meldingen waren binnengekomen over een vliegtuig waar stukken afvielen. Er was zelfs al een wagen onderweg naar een plaats 'waar wat neergestort zou zijn'.

Ik was met mijn wagen zeer snel ter plekke in de Bijlmer - ik schat een minuut of tien na de crash. We hebben die avond geen gewonden vervoerd; wel hebben we gewonden behandeld. Onze wagen stond die avond in het parkje ten westen van Kruitberg, iets rechts (richting Kruitberg kijkend) van het inslagpunt. Niet ver van ons vandaan stond een gele wagen van de brandweer van Schiphol.

Het zal ongeveer een kwartier na de crash zijn geweest dat mij enkele mannen opvielen omdat ze geen zwarte uniformen droegen, zoals de brandweer, maar aluminiumkleurige pakken. Ze waren van kop tot teen ingepakt en hadden ook een bescherming voor hun gezicht - glas of plastic. Dat wat ze op hun hoofd hadden was echt een gesloten kap. Ze droegen geen persluchtmaskers.

Ik heb die mannen aangezien voor brandweermensen in beschermende kleding. Ik heb twee van die mannen waargenomen. Ze liepen rond vlak bij het inslagpunt, zeg maar recht tegenover de 'kloof'. Daar lag een deel van het vliegtuig dat herkenbaar was als een stuk van de staart. Het waren beslist geen mensen van het Rode Kruis, het SIGMA-team of de GG en GD. Die waren er op dat moment namelijk nog niet. Het SIGMA-team heb ik zelf nog zien arriveren. Maar dat was dus later. Die mannen in hun aluminium pakken waren er al voordat zij er waren. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 3. (omwonende - 04.10.1992, ca. 18.45 uur)

'Ik was op de avond van 4 oktober 1992 bij mijn ouders in de flat Gooioord. Van daaruit heb je geen direct zicht op de plek van de inslag. We waren aan de afwas. Ineens was er het enorme lawaai van een vliegtuig. 'Die zit veel te laag,'' zeiden we tegen elkaar. Het toestel veroorzaakte een grote luchtdruk: de bovenraampjes in de flat sloegen uit zichzelf dicht. We gingen het balkon op en zagen toen die lichtgloed. Met mijn vader ben ik meteen, tussen Kikkenstein en de garage van Gooioord door, naar de plek van de ramp gelopen. We waren er binnen vijf minuten. Er was een enorme vuurgloed, en er waren veel gillende mensen.

Toen we er een tijdje stonden te kijken vielen mij die mannen in die lichte pakken op. Ik bedoel: er was politie - die probeerde mensen op een afstand te houden -, er was brandweer - die probeerde te blussen -, er waren mensen van ambulances - die probeerden gewonden te helpen -, en er was die groep mannen in die witte (of misschien ook wel gele) pakken.

Ik registreerde dat ze niet bezig waren met blussen of hulp verlenen, maar dat ze specifiek iets voor zichzelf aan het doen waren. Ze vormden een aparte, zelfstandige groep. Ik schat ze op een man of tien. Wat me ook opviel was dat ze zeer dicht bij de vuurhaard opereerden. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 4. (omwonende) 04.10.1992, ca. 18.45 uur)

'Ik woon in de flat Groeneveen op de vijfde verdieping. Direct nadat het vliegtuig was neergestort ben ik voor het raam gaan staan en heb ik naar de brand gekeken. Ik had uitzicht op de noordoostelijk kant van de getroffen flats. In het centrum van het vuur had mijn vriendin gewoond; ik wist dat zij dood moest zijn. Het greep mij heel erg aan. Volkomen verloren en verlamd stond ik daar een tijd te kijken, niet in staat om iets te doen.

Ik heb toen daar beneden een man gezien die mij opviel door de kleding die hij droeg. Hij was helemaal in het wit en had een soort helm op. Hij had ook iets voor zijn gezicht, een scherm of een masker. Mogelijk heb ik twee van die mannen gezien, maar ťťn heb ik zeker gezien. Hij liep in de buurt van het vuur. Veel aandacht heb ik er niet aan besteed. Wel heb ik mij toen verbaasd over het feit dat deze man zo snel ter plaatse was.

Na enige tijd heb ik mijzelf weer een beetje hervonden. Ik heb die avond mijn flat verlaten om bij bekenden in Fleerde te gaan overnachten. De ramp, en de ellende van de slachtoffers, hebben mij emotioneel erg geraakt. Ik ben er nog steeds ziek van. Dat geldt ook voor mijn dochter, die nu vijftien is. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Verklaring 4b. (politieman - 04.10.1992, ca. 19.00 uur)

'Ik ben politieman, werkend in Amsterdam. Een collega van me - iemand van de Bijlmerpolitie - heeft me het volgende verteld: 'Nog geen half uur na de crash moesten politie- en brandweermensen opzij om een speciale ploeg de ruimte te laten. Het waren mannen van El Al die als een gek brokstukken van het vliegtuig begonnen te verzamelen.' Deze collega vond het vreemd dat hij daar geen getuigenis over mocht afleggen.

 

Getuige 4c. (omwonende - 04.10.1992, ca. 19.10 uur)

'Ik woonde ten tijde van de crash nog op Leerdamhof (dat is bij Nellenstein) maar was juist aan het verhuizen naar Geerdinkhof, waar ik nu nog woon. Ik was die zondagmiddag met mijn vrouw in ons nieuwe huis geweest en we waren juist weer thuis toen we een vliegtuig hoorden dat een idioot geluid maakte. Heel ongewoon: hoog en hard, heel anders dan anders.

Een paar seconden later hoorden we een zware, doffe dreun. Ik zei: 'Er is een flat ontploft.' Maar mijn vrouw zei: 'Nee, dat vliegtuig is neergestort.' En ik dacht: 'Alsjeblieft niet op ons nieuwe huis.'

Ik ben meteen op de fiets gesprongen en onder de autoweg door naar de plek van de ramp gereden. Ik was er binnen een paar minuten. Het was een pandemonium: loeiende vlammen, springende ruiten, gillende mensen. Ik zag toen ook al gele brandweerauto's met zwarte letters; ik meen dat het de brandweer van Schiphol was. Ik heb enige tijd staan kijken aan de kant van Ganzenhoef. Maar mede vanwege de smerige rook die er hing ben ik vrij snel terug gegaan naar huis.

Thuis heb ik tegen mijn vrouw gezegd: 'Je moet meekomen; kijken.' Samen zijn we toen opnieuw naar de rampplek gegaan. Dat moet tussen zeven uur en kwart over zeven zijn geweest. Er waren veel meer mensen op de been. Wij bevonden ons aan de kant van Kraaiennest. Het was op dat moment dat mij even een paar mannen in witte of zeer lichte pakken opvielen. Ik zag ze van achteren; ze liepen van mij weg. Ze waren helemaal ingepakt. 'Maanmanachtig' dacht ik op dat moment. Ze hebben mijn aandacht maar even vastgehad. Terugdenkend meen ik dat het feit dat ze iets ongewoons op hun hoofd hadden (ik weet overigens niet meer wat dat 'ongewone' was) maakte dat ik even naar hen bleef kijken.

Mijn vrouw maakte iets vreemds mee. Haar huid raakte plotseling - van het ene ogenblik op het andere, toen we daar stonden - ernstig geÔrriteerd. Het was alsof ze plotseling een zware zonnebrand had opgelopen. Haar huid werd helemaal rood en er ontstonden wat later ook blaasjes. Na een paar dagen was het weg. Mijn vrouw heeft nooit enige overgevoeligheid gehad voor, zeg: zonnestralen of de hitte van een openhaardvuur. Ze kreeg die irritatie alleen die ene keer, daar bij de rampplek.

 

Getuige 4d. (telefonische mededeling anonieme medewerker van HBM - 04.10.1992)

'In de jaren 1988 en 1989 heb ik, als employť van de Hollandse Beton Maatschappij, meegewerkt aan de aanleg van de C-pier op Schiphol. In die pier is toen ook een nieuw onderkomen voor de Mossad op Schiphol gerealiseerd. Ik ben toen meer dan eens tijdens mijn werk op bepaalde plekken door de IsraŽli's tegengehouden. Er waren plaatsen waar ik niet mocht komen.

Toen dat vliegtuig in de Bijlmer was neergestort bedacht iemand van de HBM op Schiphol dat we ook iets moesten doen. We zijn toen met een aantal personeelsleden van ons broodjes gaan brengen naar de bergers en andere hulpverleners op de rampplek. Wij waren daar voordat het Leger des Heils arriveerde en die taak van ons overnam.

Toen ik daar liep kwam ik op een gegeven moment dezelfde IsraŽli tegen die mij op Schiphol steeds had tegengehouden. Ik heb ook die mannen in de witte pakken gezien. En ik heb gezien dat ze allerlei spullen meenamen. Wat dat was kon ik niet zien, want ik kon niet dicht bij hen komen. Niet alleen ik heb die mannen gezien; collega's van de HBM die bij me waren hebben ze ook gezien.

 

Getuige 5. (omwonende - 04.10.1992, ca. 18.45 uur)

'Ik woon in Kikkenstein recht tegenover de plek van de inslag, ongeveer honderd meter van mijn flat vandaan. Ik zat op de avond van 4 oktober 1992 met bezoek in de keuken. Dat is de kant van mijn woning waar ik toen uitkeek op de flats Groeneveen en Kruitberg. Opeens hoorde ik achter me, dat is in de richting van Gooioord, een vreselijk geluid. 'Dat klopt niet,' zeiden we tegen elkaar. Vervolgens was er een harde klap op het dak van mijn flat - dat voelde je hier beneden. Vlak daarna zag ik het vliegtuig als een donkere wolk door de lucht schieten. En toen klapte het in de flats hier tegenover. Wij renden de galerij op en schrokken ons wezenloos. Een enorme vuurzee, het brandde er van boven tot beneden, en gillende mensen.

Vrij snel waren er politiemensen, brandweerlui en ambulances. De hulpverlening was, voor zover er nog iets gedaan kon worden, perfect. Hier op mijn galerij werd het spoedig enorm druk, wat niet zo vreemd was, want hier had je zo ongeveer het beste uitzicht van de hele omgeving. Dat er brandweermensen, politieagenten en andere hulpverleners waren heb ik toen, zeg maar, 'heel algemeen geregistreerd'.

Daarnaast was er echter een andere groep mensen die mij bijzonder is opgevallen. Ze waren, schat ik, met een man of acht. Ze droegen lichte kleding - naar mijn idee eerder gelig dan wit - en hadden helmen op hun hoofd. Ze stonden te rommelen rond een punt, dicht bij het vuur, dat van mijn galerij uit gezien iets links van het inslagpunt lag. Ze liepen rond, bukten zich af en toe en liepen heen en weer tussen de wrakstukken en een of twee bestelbusjes. Ze maakten op mij een gehaaste indruk.

Wat mij verbaasde was het feit dat deze mensen zo snel ter plekke waren. Ik weet nog dat ik bij mezelf heb gedacht: 'Het lijkt wel of die al onderweg zijn geweest voordat het toestel neerstortte.' Terugdenkend moet ik zeggen dat ze volgens mij binnen tien minuten na de klap hier in de Bijlmer waren. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 5b. (omwonende - 04.10.1992, ca. 18.50 uur)

'Ik woon op Leusdenhof, dat is in Nellestein, niet ver van de plaats van de ramp. Toen het toestel neerstortte was ik aan het telefoneren. Ik hoorde de klap. Ik ben daarop lopend in de richting van de rookwolk gegaan: onder de autoweg door, tussen Kelbergen en de flat Kralenbeek door, vervolgens rechtsaf en bij Kraaiennest onder de Karspeldreef door. Ik herinner me dat ik langs de apotheek kwam. Ik was niet alleen; er liepen ook veel andere mensen die kant op.

Daar in de buurt, niet ver van het gezondheidscentrum bij Kraaiennest, zag ik op een gegeven moment twee heren in keurig kaki pak, met witte overhemden en stropdassen. Ze maakten op mij een 'officiŽle' indruk. Er waren nog twee andere redenen waarom ze mij opvielen. De eerste was, dat zij de andere kant opliepen dan alle andere mensen. Ze liepen van de rampplek weg. 'Richting apotheek,' registreerde ik voor mezelf. De tweede reden was, dat zij met iets zwaars liepen te sjouwen. Iets dat ze met z'n tweeŽn met beide handen moesten dragen. Het leek op een stuk van een verwarming, iets radiatorachtigs.

Ik vond dat vreemd. Bij het passeren had ik met een van de twee oogcontact. Mij viel toen ook op dat ze een nogal panische blik in hun ogen hadden. Ik wist niet wat ik ervan denken moest. Mensen die hun bezittingen in veiligheid brachten? Ze waren beiden ongeveer hetzelfde gekleed; zoals ik al zei: een soort kaki pak. Ze zagen er niet Nederlands uit: donkerharig, getinte huidskleur. 'Egyptenaren,' was een gedachte die bij me op kwam.

Naar mijn inschatting was dit ongeveer tien minuten na de crash, maar het kan ook iets later geweest zijn. Ik dacht, toen ik naar de rampplek liep: 'Misschien kan ik helpen,' maar ik stelde al snel vast dat dit niet het geval was. Daarom ben ik vrij snel weer naar huis gegaan. Ik heb dit nooit officieel aan iemand verteld. Ook niet aan mensen van de Raad voor de Luchtvaart. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Mededeling 5c. (omwonenden - 04.10.1992, ca. 18.50 uur)

De Raad voor de Luchtvaart beschikt over enige getuigenverklaringen van omwonenden van de rampplek, die korte tijd na de inslag 'mensen hebben zien slepen met iets, dat wel eens een van de 'zwarte dozen' zou kunnen zijn geweest'.

Als verslaggever heb ik de Raad voor de Luchtvaart verzocht om inzage in de (zonodig geanonimiseerde) processen-verbaal van deze getuigenverklaringen. Dat verzoek is door de Raad van de Luchtvaart afgewezen.

 

Bericht 5d. (IsraŽli's - 04.10.1992, ca. 18.50 uur)

Op 28.04.98 schrijven de kranten van de Geassocieerde Pers Diensten (GPD), parafraserend citerend uit de aanbiedingsbrief van de Amsterdamse hoofdofficier van justitie mr. Vrakking aan de ministers Jorritsma en Sorgdrager, over een onderzoek van de rijksrecherche naar eventuele 'mannen in witte pakken' bij de Bijlmerramp:

'Zes geheime agenten hebben direct na de Bijlmerramp rondgesnuffeld op het rampterrein. Deze agenten zeiden van de IsraŽlische geheime dienst te zijn, spraken Engels en 'legitimeerden' zich door met pasjes te zwaaien. Ook probeerden ze met geweld de centrale commandowagen van de politie binnen te dringen, nadat de commandant hun de toegang had geweigerd. (...) Dat hebben politiefunctionarissen deze maand (vijfeneenhalf jaar na de ramp) verklaard tegenover de Rijksrecherche.'

De Amsterdamse justitie heeft deze gang van zaken niet willen bevestigen. Op 21.04.98 heeft hoofdofficier Vrakking echter tijdens een receptie tegenover journalist P. Heijboer het volgende verklaard:

'Er waren vrij snel na de crash mensen van een IsraŽlische veiligheidsdienst op de rampplek. Ze hebben zich gemeld bij onze commandowagen, maar wij hebben ze weggestuurd.'

 

Getuige 6. (verslaggever - 04.10.1992, ca 22.45 uur)

'Als verslaggever van Radio Noord-Holland ben ik op de avond van de 4e oktober 1992 vele uren aanwezig geweest op en nabij het rampterrein in de Bijlmermeer. Ik heb voortdurend verslag gedaan van wat ik zag en hoorde. Het ging allemaal snel en hectisch. Als gevolg daarvan heb ik veel van wat ik waarnam toen wel geregistreerd, maar niet in mijn geheugen opgeslagen. Zo herinnerde ik mij achteraf ook niets van mannen in bijzondere witte pakken, die op rampplek actief zouden zijn geweest.

Dat veranderde echter toen geruime tijd na de ramp een tv-ploeg onze geluidsbanden van de bewuste avond nog eens afluisterde. Op een van die (bewaard gebleven) banden hoort men mij duidelijke zeggen:

'Zojuist is de brandweer in beschermende pakken, in speciale asbestpakken, de puinhopen langzaam maar zeker gaan verkennen. En ze lopen nu in van die grote witte pakken, lopen ze daar - eh - doorheen, heel voorzichtig en heel - eh - ja omzichtig te speuren naar mogelijk misschien nog slachtoffers - eh - maar mogelijk ook naar resten van het vliegtuig die kunnen verklaren waarom de piloot deze manoeuvre heeft gemaakt.'

Het tijdstip waarop ik die waarneming deed was, naar ik meen, ongeveer kwart voor elf. Ik bevond mij op dat moment in een woning op de tiende verdieping van de flat Kruitberg. Dat is schuin tegenover de plek van de inslag, aan de zuidoostelijke kant daarvan. Dat wil zeggen: de metrokant. Ik keek daar met de telefoon in de hand uit een raam.

Terugdenkend is mij slechts in herinnering gekomen dat die mannen in het wit - het waren er zeker tien - mij opvielen omdat zij die speciale pakken droegen, die hen kennelijk goed tegen hitte beschermden. Hoe die kleding er heel precies uitzag kon ik niet zien, omdat ik mij op een nogal grote afstand bevond. Ik heb ze toen aangezien voor brandweerlieden, maar ik heb er wel bij gedacht: 'Wat moeten die hier nog, het ergste vuur is inmiddels toch bedwongen?'

Pas later heb ik begrepen dat de Nederlandse brandweerlieden en de andere bergers die normaal gesproken op de rampplek aanwezig mochten zijn, niet beschikten over het soort beschermende kleding dat deze mannen droegen. Mijn mededeling dat het 'de brandweer' betrof, was dus onjuist. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 7. (brandweerman - 04.10.1992, ca. 22.45 uur)

'Ik ben lid van de Amsterdamse brandweer. Onze ploeg van zes man werd ongeveer anderhalf uur na de crash ingezet op het rampterrein, en we zijn daar in eerste instantie tot ongeveer twaalf Š ťťn uur 's nachts in touw geweest. Ik heb de tijdstippen niet meer precies in mijn geheugen - dat waren zaken waar je toen niet zo op lette - maar ik schat dat het ergens tussen tien en elf uur is geweest op de avond van de ramp, dat wij met onze ploeg bezig waren met het blussen van branden in de woningen op de hogere verdiepingen van de flat Groeneveen.

Af en toe gingen we naar buiten, de galerij op, om even bij te komen. Bij die gelegenheden hadden we, van boven af, een goed uitzicht op de brandende puinhopen tussen de plek van de inslag en de metrolijn, dat wil zeggen op de oostkant van de verwoeste flats. Naar beneden kijkend zagen mijn collega's en ik op een gegeven moment mannen rondlopen op het brandende puin. Met sterke zaklantaarns schijnend liepen ze duidelijk naar iets te zoeken. Ze waren met een man of tien.

Ze hadden een witte of lichte outfit aan. Maar - dat registreerde ik als ongewoon - ze droegen geen persluchtmaskers of een andere bescherming voor hun gezicht. Ze liepen daar over de vliegtuigdelen en het puin van de flats, die nog lagen te roken. Lang heeft hun aanwezigheid niet geduurd; ik schat ongeveer een kwartier. Ze waren snel weer weg. Maar onze hele ploeg heeft ze wel gesignaleerd. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 8. (brandweerman - 04.10.1992, ca. 22.45 uur)

'Ik ben lid van de Amsterdamse brandweer. Samen met collega's van mijn kazerne ben ik rond een uur of negen op de avond van de ramp ingezet in het getroffen gebied. De puinhopen en wrakstukken brandden toen nog flink. Het terrein waar dat puin en die wrakstukken lagen was echter afgezet: ook wij mochten daar niet komen. We zijn toen gaan blussen in de nog brandende woningen van de flat Groeneveen.

Tussen half elf en elf uur bevonden we ons op een van de hoogste verdiepingen van de flat. Het was omstreeks deze tijd dat ik beneden op puinhopen - daar waar wij niet mochten komen - mannen zag lopen. Het waren er een stuk of tien. Het leek alsof ze lange witte, of althans lichte, jassen aan hadden. Ze droegen geen helmen. Aan hun voeten hadden ze donkere laarzen. Ze hadden allemaal een sterke zaklantaarn bij zich, en daarmee liepen ze duidelijk te zoeken tussen het puin en de wrakstukken van het vliegtuig.

Wij van de brandweer kenden die mensen niet. Ze waren niet van de politie, niet van de GG en GD en ook niet van het SIGMA-team. De outfit van die diensten was ons namelijk bekend. Het konden ook geen Amsterdamse brandweermensen zijn, want de Amsterdamse brandweer had indertijd geen afdeling die in een dergelijke uitrusting werkte. We hebben later nog aan de politie en aan andere brandweermensen gevraagd wie deze mensen waren, maar niemand kon ons uitsluitsel geven. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 8b.

'Ik heb als verslaggever van het dagblad Trouw uitvoerig gepubliceerd over de Bijlmerramp, met name over de nasleep ervan. Mij directe chef op de krant heeft op de avond van 4 oktober 1992 thuis naar de politieradio geluisterd. Zij heeft mij meegedeeld dat een van haar aantekeningen luidde: 'Ongeveer 23.00 uur; politie zegt: Maak even ruimte binnen de afzetting want de El Al-ploeg komt eraan.'

Een uit IsraŽl komende bergingsploeg van El Al kwam, volgens mededelingen van El Al zelf, echter pas de volgende middag in Amsterdam aan. Ik heb begrepen dat mijn chef het als journaliste niet op haar weg vindt liggen om hierover zelf een verklaring af te leggen. Wat mij betreft, ik ben ervan overtuigd dat haar aantekeningen over het gesprokene op de politieradio berusten op exact luisteren en exact noteren. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 8c.

'Ik woon in Kikkenstein, de flat recht tegenover de rampplek. Op de vroege avond van 4 oktober 1992 was ik thuis. Ik heb die jumbo van El Al vlak over het dak van mijn eigen flat zien scheren en ik heb ook gezien hoe het toestel te pletter sloeg tegen de flats aan de overkant van het groengebied tussen Kikkenstein en Kruitberg.

U kunt zich voorstellen dat ik die nacht geen oog heb dichtgedaan. Als gevolg daarvan heb ik gezien hoe tegen het einde van de nacht mannen in opvallende zilverwitte pakken de resten van de jumbo doorzochten. Ze liepen voortdurend met brokstukken te sjouwen. Het waren geen brandweerlieden, geen politiemensen, geen Rode-Kruismensen en ook geen leden van het identificatieteam. Ze maakten op mij duidelijk de indruk dat zij behoorden tot een of andere speciale unit.

Er ontstond toen zij arriveerden wat gedrang rond de plek van de inslag. De weg diende vrij gemaakt te worden voor die mannen in witte kledij. De bergers die er bezig waren werden bijna letterlijk aan de kant geduwd; ze moesten zich zo'n meter of vijftien verwijderen. Ook de brandweer diende tijdelijk het veld te ruimen. Ik heb aan een politieman gevraagd wie die mensen waren. 'Het zijn IsraŽli's,' vertelde hij me. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 9. (brandweerman - 05.10.1992, ca. 10.00 uur)

'Ik ben als lid van de Regionale Rampbestrijding Amsterdam op de ochtend van 5 oktober, dat is de ochtend na de crash, ingezet bij het bergingswerk in de Bijlmermeer. Het was tegen tien uur. We waren nog niet lang bezig. Ons was door een brandweerchef verteld dat we moesten uitkijken naar felgekleurde oranje dingen: de 'zwarte dozen'.

Rond de genoemde tijd, ongeveer tien uur, kregen we van iemand (ik geloof een man van de RLD - hij had een rood jack aan) opdracht met ons bergingswerk te stoppen. Er zouden anderen iets komen doen. Wij voelden ons aangetast in onze waarde. Het bergen van puin en het vinden van slachtoffers, dat was ons werk, en dat wilden we zo snel mogelijk doen.

Wij, brandweerlieden, moesten ons terugtrekken in het tunneltje van Klein Kruitberg, zo'n meter of vijftien van de plek van de inslag. We hadden van daaruit een redelijk uitzicht op de puinhoop aan de metrokant van de rampplek. Maar we konden niet alles zien. Er verschenen een man of zes in speciale kledij. Het leken een soort ruimtepakken. Dat idee werd versterkt doordat ze zich nogal traag bewogen, als mannen die op de maan lopen.

Ze gingen aan het zoeken tussen het puin en de wrakstukken. Dat duurde ongeveer een half uur. Op een gegeven moment zag ik duidelijk dat twee van hen een vrij zwaar voorwerp wegdroegen. Er lag een doek overheen. Als ik het me goed herinner werden ze begeleid door politiemensen. Ze liepen met hun vrachtje naar de zuidoostelijke hoek van het groengebied en verdwenen tussen de metro en de flat Kruitberg uit het zicht. Ik herinner me dat we tegen elkaar zeiden: 'Daar gaat de black box.'

Wat ik vreemd vond, was dat ze er niet mee naar de westkant van de getroffen flat gingen, want daar stonden immers alle diensten, tenten, containers en tijdelijke onderkomens van politie, bergers en anderen. Even nadat zich dit had afgespeeld mochten wij weer aan het werk. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 10. (omwonende)

'Ik woon in de flat Kruitberg, op twee hoog. Op het moment van de ramp was ik thuis. Ik heb vanaf mijn galerij staan kijken naar hetgeen zich afspeelde rond de plaats van het ongeluk. Ik had uitzicht op de oostelijke kant van Klein Kruitberg en op het plantsoen waar veel puin en wrakstukken lagen. Er zijn mij die avond geen bijzondere dingen opgevallen. Wel later.

Het was overdag; welke dag precies weet ik niet meer. Ik weet ook niet meer of het ochtend of middag was. Ik zag toen op een gegeven moment een aantal mannen in witte pakken over de puinhopen lopen. Hoeveel het er waren weet ik ook niet meer precies. Ik denk: een stuk of zes. Ze zagen eruit als astronauten. Ze hadden ook iets op hun hoofd, en voor hun gezicht hadden ze een doorzichtig scherm.

Het is mij niet opgevallen dat ze langzamer bewogen dan normaal; volgens mij gaf hun kleding ze voldoende bewegingsvrijheid. Hoe lang ze daar bezig zijn geweest zou ik niet kunnen zeggen. Ik weet alleen dat ik ze op een bepaald moment daar over het puin heb zien lopen. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 11. (omwonende)

'Ik woon in de flat Gooioord. Vanaf mijn balkon kijk ik, over het water van de vijver, op de plek van de ramp. Op die avond van de 4e oktober 1992 schrok ik van een waanzinnig lawaai. Mijn woning dreunde helemaal. Ik rende het balkon op en zag die enorme vuurzee. Het was een en al paniek. Pas rond zeven uur kwam er wat orde; toen waren er inmiddels ook politiemensen aanwezig.

Een paar dingen zijn mij in de dagen erna opgevallen; dingen die ik voor mezelf registreerde als 'ongewoon'. Allereerst verbaasde ik mij op 5 oktober over het feit dat er plotseling een paar zwarte limousines, heel chique auto's, kwamen aanrijden. Ik meen dat het er drie waren. Voor een deel heb ik ze op een foto staan, met een politieauto er achteraan.

Ook herinner ik mij dat ik op een bepaald moment een aantal mannen zag van wie ik dacht: het lijken wel maanmannetjes. Ze droegen iets wits en waren behoorlijk ingepakt. Daardoor liepen ze er, zo te zien, niet al te gemakkelijk bij. Ze hadden ook iets op hun hoofd. Ik zag een stuk of drie van die mannen terwijl ze bezig waren bij de rampplek, op het gedeelte dat ik vanaf mijn balkon kon overzien. Ik weet niet of dit ook op die 5e oktober was. Ik meen wel te weten dat het tegen de middag was. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 12. (omwonende - 05.10.1992, ochtend)

'Wij wonen in de Bijlmerflat Kleiburg. Ik stond in de keuken, dat is aan de oostkant; mijn man en mijn zoon stonden uit het raam te kijken aan de westkant, dat is richting metro en Kruitberg/Groeneveen. We waren opgeschrikt door het feit dat een vliegtuig zo'n raar geluid maakte. Mijn man en mijn zoon zagen het toestel op de flats tegenover ons storten. Ikzelf zag alleen een rode gloed en ik hoorde dat er van alles tegen en op de flat viel.

De volgende ochtend heb ik foto's gemaakt. Daarop zie je onder andere brandweermannen in zwarte en blauwe pakken, en ook mensen van het RIT, die letters stonden duidelijk op hun rug. Ik heb die ochtend - van de precieze tijd had ik geen benul meer - ook enkele mensen in witte overalls aan het werk gezien op de wrakstukken. Ik heb die niet gefotografeerd. Het was nogal veraf, maar zo te zien droegen ze kleding uit ťťn stuk. En ik meen me te herinneren dat ze ook iets wits op hun hoofd hadden. Ik ben bereid dit onder ede te herhalen.'

 

Getuige 13. (omwonende - 04.10.1992 en 05.10.1992)

'Ik woonde indertijd op het adres Kruitberg xxx, dat is op de achtste verdieping van wat Klein Kruitberg werd genoemd. Nadat ik de klap hoorde ben ik op de grond gaan liggen. Ik kreeg op dat moment weinig lucht. Met een handdoek voor mijn mond ben ik naar mijn slaapkamer gekropen en heb daar een kast opengemaakt waarin diverse militaire spullen lagen. Binnen enkele minuten was ik aangekleed. Vervolgens verliet ik de woning en liep over de galerij richting Groeneveen, tot aan de rode lift, waar een vrouw met twee kinderen woonde. Daarna ging ik terug richting Groot Kruitberg en begaf mij via het trappenhuis naar de begane grond. Daar aangekomen rende ik zo hard ik kon naar Groeneveen. Daar blokkeerde ik de lift met een stukje hout.

Nadat ik de lift geblokkeerd had van de flat Groeneveen begaf ik me naar diverse verdiepingen en haalde daar mensen uit hun benarde positie. Toen ik daarmee klaar was begaf ik mij weer naar de begane grond. Ik sprak daar met een politieman, aan wie ik liet weten dat ik zeven mensen uit de flat had gehaald. Vervolgens ben ik naar de flat Kleiburg gegaan, naar de tiende verdieping. Van daaruit kon ik alles heel goed overzien. Het was ongeveer 19.30 uur toen ik daar alleen in die flat zat. Om plusminus 20.00 uur, of mogelijk iets later, zag ik rechts onder mij, waar een kleine vijver was, twee mensen in witte pakken lopen. Ik vond het merkwaardig dat zij daar waren. Ik wist op dat moment nog niet dat het om een El Al-vliegtuig ging. Omstreeks 21.00 heb ik Kleiburg verlaten. De huismeester wilde mij weg hebben uit de flat. Toen ik weer bij Groeneveen aankwam brachten twee politiemensen die ik kende mij naar het Bijlmercentrum, waar ik goed ben opgevangen.

Op maandagmiddag 5 oktober 1992 omstreeks 16.00 uur was ik in de omgeving van de plek van de inslag van het vliegtuig. Ik had het idee: 'Ik ga er nog eens kijken voor wat bijzonderheden.' Tot mijn grote verrassing zag ik weer die twee mensen in het witte pak aldaar rondlopen. Deze mensen bevonden zich aan de linkerkant van de vijver, dus rechts van de flat Groeneveen. Ik ben vervolgens na enige aarzeling na deze twee mensen toe gelopen. Ik vroeg, eerst in het Nederlands, wat zij hier deden. De man die rechts van mij stond sprak Engels en vroeg mij 'wat ik hier zocht'. Hij liet mij in het Engels weten 'dat het gecompliceerd was' en 'dat het om een militair vliegtuig ging'. Ik was daar verbaasd over. Nadat ik diverse vragen had gesteld is een van hen pissig geworden. Ik trok mij toen maar terug en heb de twee vanaf een afstand geobserveerd. Bij Ganzenhoef stond een Franse auto, merk Peugeot, waar zij in zijn gestapt, nadat zij zich eerst van hun witte pak hadden ontdaan.'

 

Melding 14. (Klaas Wilting, Perswoordvoerder Politie Amsterdam)

Wilting verklaart op 28.04.98 tegen een verslaggever van het Algemeen Dagblad:

'We hebben gemeld dat onze mensen een Franse bergingsploeg aan het werk hebben gezien. Wat die daar te zoeken had, wisten ze niet. Dat moet de Rijksrecherche maar uitzoeken.'

(Algemeen Dagblad, 29.04.98)

 

3.23 Waren er witte pakken?

De Commissie heeft een groot aantal verklaringen van getuigen over mannen in vreemde witte pakken kunnen herleiden tot reguliere hulpverleners.
Voor een klein aantal getuigenissen heeft de Commissie geen verklaring kunnen vinden. Feit is echter dat reguliere hulpverleningsdiensten op de avond van de ramp en de dag erna geen speciale beschermende kleding hebben gedragen. Feit is ook dat Nederlandse en IsraŽlische veiligheidsdiensten niet op de rampplek aanwezig zijn geweest.
De Commissie is van oordeel dat het onderzoek van de Rijksrecherche naar de mannen in witte pakken systematischer uitgevoerd had moeten worden.
De Commissie is gebleken dat de bergingsploeg uit Frankrijk die in de Bijlmermeer is geweest geen "geheimzinnige" groep is, maar een groep vrijwillige bergingswerkers. Deze groep droeg geen witte kleding.
De Commissie gaat er vanuit dat een getuige die mannen in vreemde witte pakken in een auto met Frans kenteken heeft zien stappen, verwijst naar genoemde bergingsploeg.
De Commissie heeft geen aanwijzingen dat voorwerpen van het rampterrein zijn meegenomen door mannen in vreemde witte pakken.
Uit het onderzoek van de Commissie blijkt dat er verschillende IsraŽliŽrs het rampterrein hebben bezocht. De identiteit van deze personen is in de meeste gevallen vastgesteld: op de avond van de ramp betreft het drie managers van El Al en de IsraŽlische ambassadeur. Geen van deze personen droeg witte kleding.

 

8.1 Eindconclusies

Toedracht

1. De Commissie concludeert op basis van feitenonderzoek dat het rapport van de Raad voor de Luchtvaart inzake de toedracht van het ongeval onvolledig en oppervlakkig is daar waar het gaat om de controle op de inspectie van de motorophanging van de AXG.

2. De route van de vlucht is in het rapport van de Raad voor de Luchtvaart niet exact weergegeven.

3. De Commissie concludeert op basis van feitenonderzoek dat nader strafrechtelijk onderzoek naar vermiste elementen, inclusief de CVR, van de AXG had moeten en kunnen plaatsvinden in de eerste maanden na de ramp.

Rampenbestrijding en berging

4. De rampenbestrijding en identificatie van slachtoffers is, gegeven de omstandigheden, adequaat verlopen.

5. De berging van elementen van het vliegtuigwrak is onzorgvuldig verlopen.

6. Er had aangifte gedaan moeten worden van de verdwijning van de vermiste elementen.

7. Het onderzoek van de Rijksrecherche naar de mannen in de witte pakken is onzorgvuldig uitgevoerd.

8. De maatschappelijke reactie op de aanwezigheid van het verarmd uranium is onderschat. De risico’s van verspreiding van verarmd uranium zijn onvoldoende herkend.

9. De opperbevelhebber bij rampenbestrijding, zijnde de burgemeester van Amsterdam, en zijn adviseurs hebben zich bij de rampenbestrijding onvoldoende afgevraagd of er, naast de gemelde gevaarlijke stoffen in het vliegtuig, zich andere gevaren voor de betrokkenen konden voordoen.

Lading

10. De Commissie concludeert op basis van haar feitenonderzoek dat de ladingpapieren van vlucht LY 1862 compleet zijn en heeft geen aanwijzingen dat fraude heeft plaatsgevonden. De Commissie doet geen uitspraken over de fysieke lading, daar deze vrijwel geheel is verbrand.

11. De Commissie constateert dat de Rijkspolitie op Schiphol op de avond van de ramp slecht georganiseerd is. Hierdoor is het inzicht in de vrachtdocumentatie belemmerd.

12. De Commissie constateert dat de inspanningen van de regering om alle vrachtdocumentatie te krijgen tot onvoldoende resultaten heeft geleid. De maatschappelijke onrust had ertoe moeten leiden dat in een eerder stadium andere wegen werden bewandeld.

Gezondheid

13. Er bestaat een directe relatie tussen gezondheidsklachten en de ramp in de Bijlmermeer.

14. Traagheid en onderschatting bij lokale en landelijke overheden in combinatie met te weinig uitgaan van klachten en teveel van mogelijke oorzaken heeft uiteindelijk de gezondheidsklachten in aantal en aard doen toenemen.

15. De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft ten aanzien van het initiŽren van individueel lichamelijk onderzoek en voor wat betreft auto-immuunziekten, met onvoldoende gevoel voor maatschappelijke en medische verantwoordelijkheid haar taak uitgeoefend.

Overheid

16. De regering heeft onvoldoende aandacht gegeven aan al dan niet op waarheid berustende maatschappelijke onrust.

17. Het aantal malen dat de Tweede Kamer onduidelijk, onvolledig, ontijdig of onjuist is geÔnformeerd, is naar de mening van de Commissie te groot, juist ook gezien de langdurige nasleep van de ramp.

18. De Commissie is buitengewoon verontrust over het door ambtenaren niet doorgeven van maatschappelijk gezien cruciale informatie aan bestuurlijk verantwoordelijken en zet vraagtekens bij de bestuurlijke aansturing.

19. De Commissie is verontrust over het feit dat de aanpak van maatschappelijke vraagstukken door de departementale en parlementaire werkwijze niet leidt tot gecoŲrdineerd optreden.

 

 

8.2 Aanbevelingen: lessen voor de toekomst

Luchtvaart en ongevallenonderzoek

1. De Commissie beveelt aan dat de Raad voor de Transportveiligheid (RvTV) een draaiboek opstelt ten behoeve van het onderzoeken van grote luchtvaartongevallen. Uit het onderzoek van de Commissie blijkt dat ongevallen weliswaar altijd bijzondere kenmerken hebben, maar dat tevens sprake is van diverse stappen in het ongevallenonderzoek die elke keer terugkomen. In het draaiboek zouden werkzaamheden, coŲrdinatie, taken en bevoegdheden van onderzoekers alsmede uitvoering en fasering van het onderzoek eenduidig beschreven moeten worden.

2. Het onderzoek van een groot ongeval zou verder moeten reiken dan uitsluitend het vaststellen van de oorzaak. Aandacht voor effecten op de omgeving ten gevolge van het ongeval en ook mogelijke maatschappelijke effecten zouden inherent deel moeten uitmaken van het onderzoek. Hiervoor dient een aanvullende regeling te worden getroffen.

3. Nederland lijkt te klein om een onderzoek naar een grootschalig vliegtuigongeval voldoende grondig en tevens onafhankelijk uit te voeren. Nederland zou ontwikkelingen moeten stimuleren om ongevallenonderzoek in een Europees kader (EU) te plaatsen. Gestreefd zou kunnen worden naar een Europees equivalent van de Amerikaanse National Transport Safety Board.

4. De Commissie vindt dat bij de beschouwing van externe veiligheid, het aanbeveling verdient om noodsituaties in beschouwing te nemen. Verdere mogelijkheden voor concrete invulling van de zogenaamde aanbeveling 10 van de Raad voor de Luchtvaart met betrekking tot externe veiligheid dienen onderzocht te worden. Hierbij kan met name overwogen worden op radarschermen van verkeersleiders, in geval van noodsituaties, snel de omliggende bebouwing zichtbaar te maken.

Rampenbestrijding en berging

5. Bij rampenbestrijding zijn zowel lokaties als situaties van belang. De Commissie beveelt aan dat niet alleen rampenbestrijdingsplannen maar ook rampenplannen vaker worden gebaseerd op beleidscenario’s, waarin voor verschillende rampsituaties wordt uitgewerkt welke consequenties in het verzorgingsgebied van een gemeente kunnen optreden en welke prestaties derhalve van hulpverleners moeten worden verwacht.

6. Het toezicht op het beoefenen van rampenplannen, met name op beleidsniveau, dient te worden geÔntensiveerd. Over deze controle moet worden gerapporteerd aan de Commissaris van de Koningin.

7. De Commissie beveelt aan dat wettelijk wordt geregeld dat gegevens die betrekking hebben op handelingen en beslissingen van organisaties en personen tijdens en na rampsituaties bewaard blijven voor een periode van tenminste 10 jaar. Daarbij gaat het zowel om gegevens die schriftelijk zijn vastgelegd als om gegevens op beeld- en geluidsdragers. Dit kan de afhandeling van een ramp, onderzoek naar een ramp en het afleggen van verantwoording over de bestrijding van een ramp sterk vereenvoudigen.

8. De Commissie beveelt aan dat door de Nederlandse regering in internationaal verband wordt aangedrongen op een betere informatievoorziening richting rampenbestrijders over vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht.

9. De Commissie vindt het noodzakelijk dat tijdens en na rampen sprake is van een open, eerlijke en tijdige voorlichting. Hoe futiel een kwestie voor gezagsdragers ook mag lijken, indien een verhaal blijft opkomen, toont het negeren ervan slechts een gebrek aan maatschappelijk invoelingsvermogen. Dit aspect dient extra aandacht te krijgen bij de uitvoering van taken binnen overheidsorganisaties.

10. Een ramp eindigt niet wanneer de rampverklaring wordt ingetrokken. De Commissie beveelt aan dat wettelijk wordt geregeld dat rampenplannen een paragraaf bevatten waarin de afhandeling van een ramp wordt geregeld en gecoŲrdineerd. Hierbij dient aandacht te zijn voor nazorg op lange termijn en voor monitoring en evaluatie gedurende een langere periode.

Lading

11. De internationaal gehanteerde definitie van gevaarlijke lading in de luchtvaart is gericht op het mogelijke gevaar voor bemanning, passagiers en de verladers. De Commissie beveelt aan bij de definitie van gevaarlijke lading ook de gevaren ten aanzien van de veiligheid op de grond en de gevolgen voor de volksgezondheid te beschouwen.

12. De Commissie heeft vastgesteld dat de aard van de lading aan de hand van ladingdocumentatie moeilijk traceerbaar is. De ladingdocumentatie blijkt vaak onzorgvuldig en er bestaat te weinig corrigerend vermogen in de controlesector voor de informatie over de lading. De Commissie beveelt aan om, in internationaal kader, een betere regeling op te zetten voor de beschikbaarheid van alle benodigde ladingpapieren. De reeds bestaande internationale regels tot het elektronisch verzenden van vervoersdocumenten biedt hiertoe een goed aanknopingspunt.

13. De Commissie pleit ervoor dat op de vrachtdocumentatie de juiste gegevens worden vermeld. Dit is van groot belang bij calamiteiten, maar ook voor de controle door de verschillende overheidsinstanties, zoals de douane en de Economische Controledienst. De Commissie beveelt aan dat de overheid meer gebruik maakt van de boete-bepalingen die onderdeel uitmaken van de ICAO-afspraken.

14. Onderzoek van de Commissie geeft aan dat het wettelijk regiem met betrekking tot transitladingen in de luchtvaart risico’s met zich meebrengt. De Commissie denkt daarbij aan strijdigheid met het Nederlands buitenlands beleid en risico’s voor de veiligheid op de grond. De Commissie beveelt aan de intensiteit van de controle op de inhoud van de transitlading te vergroten. Daarvoor is vereist dat ook lading die onmiddellijk doorgevoerd wordt, steekproefsgewijs, aan controle onderworpen wordt.

Gezondheid

15. De Commissie beveelt aan zo snel mogelijk te starten met een onderzoek onder de bewoners en hulpverleners door een team van specialisten, waarbij uitgebreid gekeken wordt naar alle gezondheidsklachten die de patiŽnt in relatie brengt met de Bijlmerramp. De Commissie is zich er van bewust dat er nadelen kleven aan deze wijze van onderzoek. De Commissie is echter van mening dat de grote onzekerheid, angst en onrust bij deze groep mensen de laatste jaren op dusdanige wijze zijn gevoed dat objectiveren van klachten door onafhankelijke derden gerechtvaardigd is. Het ministerie van VWS dient dit mede te financieren. Het onderzoek moet uitmonden in een behandeladvies aan patiŽnten en de behandelend huisarts of specialist. Deze dient betrokken te worden bij de inhoud van het behandeladvies.

16. De Commissie beveelt aan dat het ministerie van VWS en de Inspectie voor de Gezondheidszorg terstond goede voorlichting geven aan bewoners en hulpverleners over de gevolgen die deze ramp kan hebben (gehad) op hun welzijn en gezondheid. Ook de voordelen en nadelen van nader medisch onderzoek dienen uitgebreid te worden toegelicht.

17. De Commissie beveelt aan dat de Hoofdinspectie de behandelend huisartsen bij een nieuwe ramp voorlicht en bijschoolt over de mogelijke gevolgen van een ramp.

18. De Commissie beveelt aan dat bij rampen, zoals de Bijlmerramp, een epidemiologisch onderzoek wordt gestart.

Functioneren van de overheid

19. Wanneer een rampverklaring wordt ingetrokken en de rol van de minister van Binnenlandse Zaken als coŲrdinerend minister is beŽindigd, beveelt de Commissie aan dat het kabinet een coŲrdinerend minister aanwijst voor de duur van de verdere afhandeling van zaken rondom de ramp.

20. Het beeld van de overheid naar buiten wordt mede bepaald door het optreden van overheidsfunctionarissen. Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat relevante informatie "onder de pet" gehouden wordt. De Commissie beveelt aan dat het project Integriteitsbeleid overheidsbestuur met voortvarendheid wordt uitgevoerd.

Functioneren van de Tweede Kamer

21. In het dossier Bijlmerramp heeft het intern de Tweede Kamer aan een goede coŲrdinatie ontbroken. De Tweede Kamer zou, wanneer een onderwerp dit vereist, eerder gebruik moeten maken van een werkwijze die afwijkt van gebruikelijke indeling in vaste commissies. De Commissie beveelt aan dat de commissie voor de Werkwijze van de Tweede Kamer dit probleem nader bestudeert en met voorstellen komt.

22. De Tweede Kamer moet de mogelijkheid krijgen om met ambtelijke diensten contact te leggen met het oog op het verzamelen van informatie, het verbreden en het verdiepen van de kennis van de leden van de Tweede Kamer.

 

 

Witte pakken

Bron NRC

Waren er mannen in witte pakken op de rampplek en heeft de commissie hun identitieit achterhaald?

Op de avond van de crash zijn geen Nederlandse en Israelische veiligheidsdiensten op de rampplek geweest. Dat stelt de commissie vast over de mannen in witte pakken.

De commissie verwijt ex-minister Sorgdrager (Justitie) dat ze de Tweede Kamer onjuist heeft ingelicht over het onderzoek door de rijksrecherche hierover. De brief van Sorgdrager aan de Kamer bevatte volgens de commissie de onjuiste suggestie dat slechts ťťn getuige de witte pakken had gezien. ,,Het onderzoek bevat tenminste negen van zulke getuigenissen.''

Eigen onderzoek van de commissie tijdens de parlementaire enquÍte heeft geen nieuwe feiten opgeleverd. De commissie heeft zelfs navraag gedaan bij leveranciers van witte pakken. Het rapport vermeldt wel de resultaten van een onderzoek van Defensie begin dit jaar onder manschappen van de marechaussee. Zij werden niet gehoord bij het eerdere onderzoek door de rijksrecherche. Twee van hen zeiden mannen in witte pakken te hebben gezien. De eerste sprak van een ploeg van vijftien personen in witte overalls met capuchon, de tweede sprak ,,gedetailleerd'' over vijf personen die Hebreeuws spraken. De commissie kan geen opheldering verschaffen over deze personen, noch over enkele IsraeliŽrs die zich kort na de ramp bij de commandowagen van de politie hebben gemeld.

 

Marieke Monden: "Het rapport had een staartje"

Sommige gebeurtenissen vrŠgen om WOB-verzoeken, de Bijlmerramp met alle onduidelijkheden was er zo een. Bijvoorbeeld: wie waren de geheimzinnige mannen in witte pakken? Journaliste Marieke Monden van Het Parool wilde daar het fijne van weten en deed samen met haar collega Addie Schulte een WOB-verzoek naar het onderzoeksrapport van de rijksrecherche. Het rapport kregen ze uiteindelijk, maar er bleek ook nog een tweede deel. En dŠt had de overheid er niet bij gezegd.

De rijksrecherche had in 1998 een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van mannen in witte pakken en IsraŽliers na de Bijlmerramp. Van het lang verwachte rapport stuurde toenmalig minister Sorgdrager uiteindelijk een samenvatting naar de Tweede Kamer. Dit was zo'n onduidelijke ambtelijke brief dat ik het echte rapport liever wilde lezen. Maar mijn collega en ik en zelfs de kamerleden mochten het niet inzien. Heel erg vreemd. Mijn irritatie over dit geheimzinnige gedoe was eigenlijk de belangrijkste reden waarom ik het rapport in handen wilde hebben. Ik vermoedde niet zozeer dat er echt iets belangrijks in zou kunnen staan.

Samen met mijn collega heb ik per fax een WOB-verzoek gestuurd naar het Ministerie van Justitie. Deze werd door het ministerie afgewezen omdat de getuigen in het rapport recht zouden hebben op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Geanonimiseerde versie
Natuurlijk wekte dat mijn nieuwsgierigheid naar de inhoud van het rapport nog meer, er zou vast wel een goede reden zijn om de informatie geheim te houden. Daarom besloten we het er niet bij te laten zitten en een juridisch adviseur in te schakelen. De kern van ons bezwaarschrift was dat het mogelijk moest zijn een geanonimiseerde versie van het rapport te krijgen, dus een versie waarin alle namen doorgestreept zijn.

Precies zes weken later kwam het antwoord van de nieuwe Minister van Justitie. Hij had geen bezwaar tegen een geanonimiseerde versie van het rijksrecherche-rapport. Dit kwam omdat het een feitenonderzoek was geweest, waarin geen mogelijke verdachten naar voren waren gekomen. Na zijn brief zijn we zo snel mogelijk naar het ministerie gegaan om de hele stapel losse papieren op te halen. We hadden er toen al bijna vier maanden op gewacht. Een hele tijd, maar toch bleek het de moeite waard.

Extra feiten
De inhoud van het rapport leverde geen nieuws op waar we de krant mee konden openen, maar er stonden wel veel feiten in die we niet uit de samenvatting van de minister in juni 1998 hadden kunnen opmaken. Het bleek dat de feiten uit de brief van Sorgdrager helemaal niet zo eenduidig waren. Zij schreef bijvoorbeeld dat de mannen in witte pakken allemaal hulpverleners waren, terwijl dat uit het rapport niet opgemaakt kon worden. Over dit feit hebben we ťťn artikel kunnen schrijven.

Deel B
Wat opviel aan het rapport was het feit dat de paginanummers niet met die van de inhoudsopgave overeen kwamen. Dit riep bij ons de vraag op of er misschien informatie achtergehouden was. Wat dit vermoeden nog versterkte was een nummer op de eerste bladzijde dat eindigde op A. Zou er ook een nummer B zijn? De minister had in de brief aan de kamer gemeld dat er nog enkele aanvullende getuigenissen zouden komen, maar dat deze geen nieuwe bijzonderheden meer zouden opleveren.

Omdat we geen concrete aanwijzingen hadden dat er nog een ander deel bestond en de parlementaire enquÍte rond die tijd al werd voorbereid, hebben we toen afgezien van een nieuwe procedure.

Gemiste kans
Achteraf gezien jammer, want de Volkskrant heeft daarna nog een WOB-verzoek gedaan om de aanvullende getuigenverklaringen te krijgen. En die bevatten informatie over ooggetuigenissen van agenten die mannen in witte pakken op de puinhopen na de Bijlmerramp hadden gezien. Hier heeft de Volkskrant toen een artikel over kunnen schrijven.

Tips
Bij het schrijven van een WOB-verzoek, is het belangrijk te weten waarnaar je moet vragen. Anders kan de overheid heel makkelijk nee zeggen. En het blijkt dat je goed moet weten wat er nog meer aan informatie zou kunnen zijn. Als je niet van het bestaan van een rapport op de hoogte bent, dan is dit moeilijk op te vragen.

Verder wil ik nog toevoegen dat niet elk verzoek tot een rechtsprocedure hoeft te leiden. Ik heb ervaren dat ermee dreigen meestal genoeg is en dat instanties dan alsnog met documenten over de brug komen."

Door: Marion van der Dennen
Juni 1999

 

De enquÍtecommissie Bijlmerramp heeft heel wat raadselen op te lossen. Witte pakken en blauwe vrachtwagens: wat deden ze op de plek waar in 1992 het El Al-toestel neerstortte? Maar wellicht het grootste raadsel is wat er met de wrakstukken is gebeurd waar mogelijk verarmd uranium in zat? Een speurtocht.

door Joeri Boom en Joris van Casteren

De Groene Amsterdammer van 30-9-98

Bijlmerraadsels

AL JAREN DOEN de wildste geruchten de ronde over de Bijlmerramp. Waarom landde de El Al-Boeing niet op het IJsselmeer? Waarom wijken officiŽle vluchtgegevens af van de route die ooggetuigen het vliegtuig zagen beschrijven? Waarom zijn belangrijke radarbeelden vernietigd? Waar is de cockpit-voice recorder? En wat vervoerde het vrachtvliegtuig nu precies?
Wat eerst machineonderdelen, parfum en medicijnen waren, is nu militaire lading. Voordat het ministerie van Verkeer en Waterstaat dat toegaf, moest eerst een halfverbrande vrachtbrief door een Bijlmerbewoner worden opgeduikeld en een hele reeks onthullingen in de pers verschijnen.
Het uitvinden van de ware toedracht van de ramp wordt nog altijd gehinderd door foutieve berichtgeving die het ministerie van Verkeer en Waterstaat ten tijde van Jorritsma de wereld in hielp. Verdachte geheimzinnigheid werd daardoor in de hand gewerkt. De beruchte mannen in witte pakken, door talloze getuigen gesignaleerd, waren volgens de Rijksrecherche gewoon hulpverleners in uniform. Verklaringen van brandweermannen die de witte mannen beschreven als dragers van een soort 'ruimtepakken', werden genegeerd. Dat terwijl advocaat Bob van der Goen beschikt over vijftien ooggetuigenverklaringen hieromtrent, onder ede afgelegd.
Een belangrijk artikel in het Algemeen Dagblad blijft zonder gevolgen. Er zijn verklaringen van mensen die zagen dat de mannen in witte pakken werden aangevoerd in een helikopter, waarin ze ook weer vertrokken. Het AD trekt de helikoptervluchten van die nacht na en wat blijkt: alle radargegevens van de Lucht Verkeersbeveiliging (LVB) op Schiphol zijn vernietigd. Ook de militaire Air Traffic Control in Nieuw Millingen blijkt alle radarberichten van de avond van de ramp gewist te hebben. Kwade opzet of opnieuw een blunder? Hoe dan ook, het bericht doet sterk denken aan de filmrolletjesaffaire bij Defensie.

NOG EEN WOLK van geheimzinnigheid. Een dag na de ramp voert koeriersbedrijf UPS een vlucht uit in opdracht van El Al. Uit de El Al-loodsen wordt onbekende lading naar IsraŽl vervoerd. De lading bevat geen gevaarlijke stoffen, melden UPS en El Al. Wat hij wel bevat (de cockpit-voice recorder, onderdelen van de lading van de Boeing die de Israelische overheid liever geheimhoudt?) wordt niet bekendgemaakt.
Het wordt nog doller. Op 31 maart '98 meldt het Vlaamse dagblad De Standaard dat 24 uur na de ramp - de hitte is dan afgenomen - wrakstukken werden afgevoerd in blauwe vrachtwagens zonder opschrift. Terwijl de wagens werden volgeladen hielden veiligheidsmensen met een donker uiterlijk die Engels spraken met een vreemde tongval, nieuwsgierigen op afstand. Israelische veiligheidsagenten? Het bericht is vaag, slechts een gerucht. Nederlandse kranten pikken het niet op.
Steven de Foer, correspondent van De Standaard in Nederland, heeft daarvoor wel een verklaring. De Foer: 'Ik heb het bericht opgetekend uit de mond van een freelance-fotograaf. Hij staat bekend als betrouwbaar en journalistiek. Maar hij had geen fotoapparatuur bij zich toen hij die blauwe vrachtwagens zag. Hij wordt kregelig als je daarnaar vraagt. Ergens is het begrijpelijk. Zijn werk zat erop, hij had al twee keer foto's doorgestuurd naar zijn opdrachtgevers. Hij was erg nieuwsgierig en ging terug naar de plek van de ramp. Maar het blijft vreemd dat een fotograaf dat doet zonder zijn camera's mee te nemen.'
Volgens de fotograaf werden de blauwe vrachtwagens volgeladen door mannen in normale brandweerkostuums en blauwe overalls. Uit nieuwsgierigheid heeft hij de wagens met wrakstukken een eindje gevolgd. Ze reden over en weer, tussen Schiphol en de Bijlmer. Twee ervan weken echter uit naar een parkeerplaats. Daar werden rollen met reclameteksten langs de zijkant neergelaten. De gecamoufleerde wagens reden niet naar Schiphol, maar gingen de andere kant op. Misschien naar Duitsland? Op de achterkant van de wagens onderscheidde de fotograaf bordjes met 'Achtung. Fšhrt langsam'. De fotograaf wil niet met zijn naam in de krant en heeft geen geld gekregen voor zijn verhaal. 'Ik heb geen zin om een kogel van de Mossad tussen mijn ogen te krijgen.'

DE VERHALEN OVER mannen in het wit en vrachtwagens in het blauw zijn onlangs in een ander daglicht komen te staan. Twee weken geleden maakte het ministerie van Buitenlandse Zaken bekend dat de Israelische veiligheidsdienst Shin Bet ten tijde van de ramp zestig geheim agenten in Nederland had gestationeerd, voornamelijk ter beveiliging van El Al-vluchten. Tegenwoordig zou dat aantal zijn uitgebreid tot tachtig. De aanwezigheid van de IsraeliŽrs is vastgelegd in een geheim protocol.
Scannerfreak Barry kijkt niet op van de aanwezigheid van Israelische veiligheidsagenten rond Schiphol, maar het hoge aantal verbaast hem. Barry: 'Een paar jaar voor de Bijlmerramp vingen we op onze scanners aardig wat commotie op. Er was een bommelding in een El Al-vliegtuig. We zijn naar Schiphol gereden om eens te kijken wat voor diensten er op zo'n bericht afkomen. We passeerden pantserwagens van de marechaussee die hun geschut op ons richtten, dus het was menens. Een deel van het radioverkeer was gecodeerd, maar sommige kanalen konden we moeiteloos afluisteren. Op een gegeven moment hoorden we een bericht over twee Audi's die over de startbaan raasden. De agent die die auto's zag, gaf de kentekens door. Die werden kennelijk nagetrokken, want even later werd bericht dat het wel goed zat, omdat die auto's van de Mossad waren. Dat kan natuurlijk net zo goed Shin Bet zijn geweest. Voor zo'n guppie achter een microfoon is elke Israelische veiligheidsdienst automatisch de Mossad.'
De aanstaande enquÍtecommissie krijgt het niet makkeijk. Zoals het er nu naar uitziet, zijn veiligheidsdiensten uit binnen- en buitenland actief bij de afwikkeling van de ramp betrokken. Of Israelische veiligheidsdiensten hun medewerking zullen geven aan een Nederlands parlementair onderzoek, valt nog te bezien. Ook medewerking van de BVD, die over Bijlmerramp-dossiers blijkt te beschikken die tot voor kort bij niemand bekend waren, staat niet vast. De minister van Binnenlandse Zaken, politiek verantwoordelijk voor de BVD, kan in het belang van de staatsveiligheid informatie uit handen van de commisie houden.

OOK HET ministerie van Verkeer en Waterstaat zal het de commissieleden niet gemakkelijk maken. De zorgvuldigheid op het departement laat te wensen over, zoals bleek uit een poging de bestemming van wrakstukken van de Boeing te traceren.
'Er is kort na de ramp een grote hoeveelheid wrakstukken afgevoerd naar een schrootbedrijf in Sliedrecht, waarbij mogelijk ook de blokken verarmd uranium zijn afgevoerd.' Dat schrijft minister Jorritsma, dan nog minister van Verkeer en Waterstaat, op 7 maart 1995 in antwoord op vragen van Yvonne Paulis-Olf van partij De Groenen in Amsterdam-Zuidoost. Deze week bevestigt een woordvoerder op het ministerie de uitspraak van Jorritsma. 'Er zijn inderdaad vliegtuigresten naar dat bedrijf in Sliedrecht gegaan.'
In Sliedrecht bevindt zich ťťn schrootbedrijf en dat is de firma van A. Zegelaar. 'Er zijn hier nooit wrakstukken van die Boeing afgeleverd. Laat staan dat er onderzoek naar uranium gedaan is', zegt Zegelaar.

IN OKTOBER 1993, precies een jaar na de Bijlmerramp, onthult de Stichting Laka dat er 390 kilo verarmd uranium in het toestel verwerkt was. Minister Alders van Milieu heeft dat destijds ook bevestigd. In het gebied rond de rampplek werd tijdens bergingswerkzaamheden ruim tweehonderd kilo teruggevonden. Er is nog altijd 153 kilo zoek. Het verarmde uranium werd gebruikt als ballast. Misschien is het verdwenen uranium verbrand, misschien is het bij bergingswerkzaamheden over het hoofd gezien en terechtgekomen tussen afgevoerd puin of vliegtuigonderdelen.
In oktober 1994 stelde het stadsdeel Amsterdam-Zuidoost het rapport Uranium vliegramp Bijlmermeer op. In dat rapport, over de verspreiding van het verarmde uranium, wordt gewag gemaakt van een 'schroothandel in Sliedrecht' waarheen VBS, een bedrijf voor recycling en sloopafval, 'zoals gebruikelijk' de ijzerresten die zich tussen het beton van de getroffen Bijlmerflats bevonden, zou hebben afgevoerd. Uit dit rapport heeft Verkeer en Waterstaat klakkeloos de 'schroothandel in Sliedrecht' overgenomen.
Maar directeur Ouds van VBS kent geen schroothandel in Sliedrecht. Zijn betonijzer is absoluut niet naar Sliedrecht afgevoerd. Waar het stadsdeel Zuidoost de informatie over Sliedrecht vandaan heeft, is onduidelijk. In elk geval is de medewerker die het rapport opstelde inmiddels ontslagen wegens fraude met bouwmaterialen.

DE RAAD VOOR de Luchtvaart gebeld. Wat Jorritsma in de brief schrijft blijkt inderdaad niet te kloppen. De brokstukken zijn niet in Sliedrecht maar in 'sGravendeel beland, en wel bij de firma Hoogovens KlŲckner Scraptrading (HKS).
Een HKS-woordvoerder: 'Wij zijn inderdaad in bezit geweest van de El Al-wrakstukken. Heel even maar. We hebben ze direct doorverkocht naar BelgiŽ, in Menen, aan smelterij Galloo, om precies te zijn. We hadden de wrakstukken gekocht van Handelsmaatschappij C. van Boekel te Haarlem. Dat was in 1994. We hebben alleen bemiddeld. Het afvoeren van het materiaal naar BelgiŽ moest wel discreet gebeuren. Niet omdat er iets te verbergen zou zijn, maar wegens de emoties.'
C. van Boekel weet van niets. 'Dat is een fantast, de man die u dat vertelt', zegt hij. Vervolgens klapt Van Boekel dicht en verwijst hij naar zijn advocaat. Na lang aandringen vertelt die een heel ander verhaal. Zijn cliŽnt beschikte wel degelijk over de wrakstukken. 'Van Boekel heeft ze gekocht van de feitelijke eigenaar van het ramptoestel. Dat is de Britse verzekeraar Lloyd.' Volgens de advocaat is er geen uraniumonderzoek gedaan naar de brokken die Van Boekel in zijn bezit heeft gehad. 'Als het goed is, was dat al gebeurd.' De advocaat vertelt dat Van Boekel de resten met bemiddelingshulp van HKS verkocht heeft aan de Belgische smelterij Galloo.
In Menen neemt Nico Rosseel van smelterij Galloo de telefoon op. Hij bevestigt dat hij restanten van het verongelukte toestel op vrijdag 7 juli 1995 binnen heeft gekregen. Het betrof een hoeveelheid van 83.240 kilo staal plus 6900 kilo aan motoren, die apart werden aangeleverd. Rosseel: 'Ik weet nog goed dat het restanten van die Boeing waren. We hebben de boel vermalen en versmolten en toen is dat teruggenomen omdat het veel waardevol nikkel bevatte. Of het onderzocht is op verarmd uranium is mij niet gezegd. Dat hadden ze best mogen doen. Dan zou ik me nu een stuk geruster voelen.'

HET MATERIAAL dat naar BelgiŽ getransporteerd werd, is volgens de eindrapportage Uranium Vliegramp Bijlmermeer, van het Amsterdamse stadsdeel Zuidoost op aanwezigheid van uranium gecontroleerd. In de eerste week van februari 1994 heeft de Rijksluchtvaartdienst, op verzoek van het stadsdeel, onderzoek gedaan op wrakafval dat nog op Schiphol Oost zou staan bij hangar 8. Er werd 48 kilo uranium gevonden en na verwijdering is het schroot vrijgegeven. Omdat onduidelijk is wanneer verzekeraar Lloyd de restanten verkocht heeft, blijft de kans aanwezig dat een deel van de brokstukken deze controle misgelopen is en al in een eerder stadium een rondgang door de metaalverwerking heeft gemaakt.
Wat in ieder geval de controle is misgelopen, is een grote hoeveelheid puinafval dat al in december 1992, twee maanden na de ramp, in het bezit van HKS is geweest. Dat onderschrijft ook Raoul Hoying, woordvoerder van de Raad voor de Luchtvaart. 'Op het terrein van HKS heeft een team van Bureau Vooronderzoek van de Raad voor de Luchtvaart in diezelfde maand gezocht naar de cockpit-voice recorder. Het valt niet uit te sluiten dat zich in die resten uranium bevonden heeft, maar daar is toen niet naar gekeken.'
Een HKS-woordvoerder kan zich de inspectie nog herinneren: 'Dat puin was hoofdzakelijk afkomstig van de flats. Het werd eerst afgevoerd naar verschillende betonbreekbedrijven. Het vrijgekomen ijzer kwam bij ons terecht. Dat hebben we later verkocht aan staalfabrieken. De kans dat daar nog vliegtuigonderdelen bij waren, is klein, schatten wij. In theorie is het evenwel mogelijk dat er uranium tussen gezeten heeft. Maar ons was daarover in die tijd nog niets bekend.' Henk van der Keur van de stichting Laka: 'De overheid zou direct een onderzoek moeten instellen om na te gaan of er nog iets is terug te vinden van dat puin en die staalresten om uitsluitsel te geven over de mogelijke aanwezigheid van verarmd uranium. Als de resten onzorgvuldig behandeld zijn tijdens dat hele traject, als het metaal geperst zou zijn bijvoorbeeld, hebben betrokkenen enorme risico's gelopen. De kans is groot dat er deeltjes zijn vrijgekomen. Ze blijven bij inademing achter in de longen en kunnen daar kanker veroorzaken. Ze kunnen eveneens opgenomen worden in de bloedbaan en zich nestelen in de botten.'

 

 

 

 

894 Ermelo CDA burgemeester: "Meneer Hop moet zijn mond houden!"
(665) Ermelose CDA bestuurders laten Hop met buurtonderzoeken in de gaten houden!
(686) Honden van Dutroux kregen meer te vreten dan Ermelose 70+ mevrouw na weerzinwekkende CDA (bestuurders) terreur
(599) Ermeloer George Elsing: Ik begrijp het (CDA)niet zo goed..........
(303) Ermelo Krijgt u dezelfde kilometervergoeding als ambtenaren van de CDA gemeente Ermelo?
(PAR) Ermelo Hop tegen chefje gemeente Ermelo: Ga jij maar lekker klagen bij je CDA burgemeester"
(CHR) Ermelo Hop mag van CDA niet meedoen aan politiek debat Christelijk College Groevenbeek
mw. Jeanne Dijkstra eindredacteur Ermelo Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek: "Van alle kanten komen berichten dat Groep Hop moet worden doodgezwegen"
Stemwijzer Groep Hop deed niet mee aan de Stemwijzer provinciale verkiezingen Gelderland omdat het belangrijkste verschil Groep Hop met alle andere partijen -Groep Hop wil de provincie Gelderland opheffen- niet in de Stemwijzer werd opgenomen. Het niet opnemen van programma verschillen is een stemwijzer truc t.b.v. CDA en andere gevestigde politieke partijen als opdrachtgever van die stemwijzer.
(175) Hop tegen Ermelo: Hop ontdekt dat de Ermelose gemeente ambtenaar een natuurlijk gezag moet kunnen uitoefenen over burgers en bestuurders
(265) Hop tegen Ermelo. Competentie ambtenaar die GEZAG over Hop wilde uitoefenen in de gemeente Ermelo
(512) Stemfraude? Dubbelfunctie lid stembureau en kandidaat raadslid bij Ermelose verkiezingen mag wel van CDA burgemeester
(648) Stemfraude? Strijd Hop met Ermelose ambtenaren levert bewijs op dat alleen originele formulieren ingeleverd mogen worden
(201) Stemfraude? Knippen en plakken in Ermelose verkiezingsformulieren mag wel van de Ermelose CDA burgemeester
(98)   Stemfraude? Nieuwsbrief 4 verkiezingen, Ministerie van Binnenlandse Zaken roept gemeenten op fraude te plegen in vastgestelde verkiezingsformulieren
(340) CDA medewerkers vernielen overal in Gelderland de verkiezingsposters van Groep Hop
(362) Alleen Groep Hop weigerde losgeld te betalen aan CDA-PRcommissie voor debat
(379) CDA kan alleen Groep Hop niet controleren. Hop weigert betaling losgeld aan CDA PR-commissie
(425) "Groep Hop wil agrarisch landschap behouden". CDA vernield overal de Groep Hop verkiezingsposters
(638) Bedrijvenkring Ermelo doet ook mee aan doodzwijgen Hop. Het bedrijf Navobi valt hierbij zeer negatief op
(544) Ermelo. Beslissing op "bedenkingen" Hop tegen nieuwe milieuvergunning voor witvleeskalveren levert meer "bedenkingen" op
(375) Welke familie(s) en bedrijven beheersen met hoeveel subsidies de markt rondom vleeskalveren in Nederland?
(781) Bedenkingen na speeddaten met Ermelose Jongerenraad. Voorstel Hop om vaker te speeddaten wordt door CDA-ers doodgezwegen
(342) Ermelo. Vragen Hop over verkeersforum levert meer bedenkingen op
(511) Een sfeerverslag uit Ermelo. Ermelo Weekblad heeft geen ruimte om correct over milieu Project 31 van Hop te berichten
(541) Doodzwijgen Groep Hop op de Veluwe IV, Verkiezingsposters Groep Hop worden overal vernield en overplakt
(452) CDA-ers betrapt op vernielen van Groep Hop verkiezingsposters
(561) "Groep Hop wil de jeugdzorg echt aanpakken". Verkiezingsposters worden overal vernield of overplakt door CDA
(646) Groep Hop deed in alle 55 gemeenten mee aan provinciale verkiezingen Gelderland 2007
(459) Kent u de geschiedenis nog van de omroepbijdrage?
(218) Als je een gesubsidieerde leugen maar vaak genoeg herhaald gaat iedereen dat vanzelf als de waarheid beschouwen
(601) Ermelo CDA "In de raadsvergadering is er geen mogelijkheid tot inspreken van burgers en andere betrokkenen"
(729) Felle succesvolle campagnes tegen vernietiging natuur door CDA-ers leverde Hop de bijnaam natuurterrorist op
(718) Stemfraude? Ermelo bezwaarschrift Hop tegen uitslag verkiezingen in Ermelo waarbij Hop verkiezingsfraude in stemlokaal bewijst
(894) Ermelo CDA burgemeester: "Meneer Hop moet zijn mond houden".

(3) De norm! De zes wetten van Hop, uitgangspunt burgers in iedere procedure tegen de overheid
(742) Ermelo Alleen Groep Hop wil kwaliteitshandvest voor ambtenarij gemeente Ermelo invoeren
(623) Akten burgerlijke stand worden elektronisch opgeslagen dus kan eenvoudig een "dubbel" worden verstuurd
(145) Ermelo. Een lawine aan onjuiste ontvangstbevestigingen gemeente Ermelo richting Hop
(470) Modelbrief Klacht GEGROND n.a.v. modelklacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen
(664) Modelbrief klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen
(20) Ermelo. WOB werkt niet. Macht is recht! Wie meer macht heeft heeft meer rechten!
(615) Ermelo Hop voorspelt: "Wet dwangsom wordt uitgehold om burgers te naaien en uit te zuigen"
(504) Klacht tegen gemeente Ermelo is bekend bij de Europese Commissie
CBS Ermelo. Commissie bezwaarschriften Ermelo weigert nevenfuncties openbaar te maken
(687) Heeft u namen en nevenfuncties leden en secretarissen commissie bezwaarschriften CBS)ontvangen?
(520) Werkt de secretaris BSC bij de gemeente? Behandeld zij ook het onderhavige dossier voor de gemeente?
(506) Ermelose commissie bezwaarschriften gaat gewoon door na wraking Hop van weerzinwekkend partijdige BSC
(86) Publicatie namen medewerkers werkzaam bij de overheid met hun telefoonnummer bij de overheid is niet in strijd met de privacy
(358) Een sfeerverslag van Hop na bijwonen hoorzitting bezwaarschriftencommissie. Welke boom is hier ziek?
(424) Een sfeerverslag van Hop na bijwonen hoorzitting bezwaarschriftencommissie. Christelijke (CDA) terreur tegen bewoners recreatiewoningen
(698) Modelbrief bezwaarschrift tegen WOZ beschikking gemeente Ermelo
DIS Ermelo CDA burgemeester discrimineerd Nederlanders tov buitenlanders
(576) Ermelo Wob van Hop mbt convenanten gemeente Ermelo met Uwoon
(125) Modelbrief Verzoek 125 aan de gemeente om uw kind weer in te schrijven in het GBA
Gemeentesecretaris Ermelo Verzet VNG in strijd Hop om afgifte bijbaantjes gemeentesecretaris
Griffier Ermelo Verzet VNG in strijd Hop om afgifte bijbaantjes griffier
Suwinet Modelbrief Heeft u al een kopietje van Suwinet Inkijk over u ontvangen?
(91) Bezwaar maken tegen de afname vingerafdrukken en opslag in digitale overheidsdatabank.
Stem Wijzer! Stem Groep Hop! Landelijk Verkiezingsprogrammapolitieke groepering Groep Hop

Hop analyseert kenmerken van CDA-ers: "Geen zelflerend vermogen, fouten wegredeneren, elkaar leuke baantjes geven, werken met gefabriceerd bewijs, succesvolle tegenwerking van andere burgers en politieke tegenstanders doodzwijgen.lees verder

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk CoŲrdinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.