CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

Kinderrechter/President Soroptemistenclub: "Geen omgangsregeling Hop met kinderen omdat hij omgang met een beschikking wil afdwingen." Directeur Raad voor de Kinderbescherming: "Indienen van klachten tegen RvdK werkt contraproductief mbt omgang vader met kinderen. Hop bijt terug met satire: SO BE IT!

Informant advocatuur: Hop moet bloeden schrijft een christelijke advocaat met bijbaantjes in kerk en school aan zijn opdrachtgever jeugdzorg. Vanwege PR-redenen niet tot het uiterste gaan.........

Informant journalistiek: mw. Jeanne Dijkstra eindredacteur Ermelo Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek: "Van alle kanten komen berichten dat Groep Hop moet worden doodgezwegen".

Informant rechtspraak: Kinderrechter wil overleg met jeugdzorg -buiten de hoorzittingen om- hoe we op de verzoek- en verweerschriften met Hop als procesvertegenwoordiger gaan beslissen en informatie bij welke zaken Hop betrokken is.

Informant Parlement: Parlement 1e en 2e Kamer Met spoed klachtwetgeving tegen jeugdzorg uithollen om effectief klagen (met Hop) te onderdrukken.

Informant Openbaar Ministerie: Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk CoŲrdinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat:Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk. Hop bijt terug: "Ik beken geen letter!" Eerste kinderrechter pleegt zelfmoord en springt voor de trein

 

Voorwoord met uitnodiging om na te denken over 20 jaar (christelijke) Staatsterreur tegen Hop

Lees verder

 

 

Negen klachten gegrond! Moeder X met Hop als gemachtigde tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie Zuid-West

mr H.A. Witsiers           - voorzitter, tevens coŲrdinerend vice-president bij de rechtbank Middelburg
mr. V.M. Smits             - lid, tevens rechter bij de rechtbank Rotterdam
de heer A.A. Peters      - lid, nevenfuncties niet bekend
mr A. Buijn - Buissink   - secretaris

Beslissing inzake de klacht

Mevrouw X, verder te noemen klager, met J. Hop als gemachtigde

tegen


Raad voor de Kinderbescherming, Directie Zuid-West, verder te noemen de Raad.

 

De klachtencommissie overweegt gelet op de ter beschikking staande stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht het volgende:

 

De beslissing klacht 1, 2.1, 2.2, 2.4, 10, 16 en 30 zijn gegrond.

De beslissing klacht 8 en 22 is zijn deels gegrond deels ongegrond

 

Klacht 1.

De commissie is van oordeel dat de raad de verblijfsomstandigheden van J. niet voldoende heeft onderzocht en weergegeven in het rapport. Het ontbreekt aan een heldere weergave van zijn woonsituatie. J. is kennelijk overgegaan van de invloedssfeer van moeder naar die van vader terwijl hij bij de grootouders-mz verbleef. Dit is niet zorgvuldig weergegeven in de rapportage, hetgeen van de raad wel had mogen worden verwacht. Ook is de onderzoeksvraag ‘om welke reden(en) woont J. bij zijn vader’ naar het oordeel van de commissie onvoldoende door de raad beantwoord.

Deze klacht is gegrond.  

 

Klacht 2.

2.1 en 2.2:

Onder verwijzing naar het sub klacht 1. overwogene worden ook deze klachten gegrond geoordeeld.

2.4:

Uit het raadsrapport blijkt niet dat de klaagster vooraf is geÔnformeerd, zodat deze klacht gegrond is.  

 

Klacht 10.

Onder verwijzing naar de motivering van de gegrondverklaring zoals bovenstaand vermeld bij beoordeling van de klachten 1, 2.1, 2.2 en 2.4, wordt ook deze klacht gegrond geoordeeld.  

 

Klacht 16.

Onder verwijzing naar de bovenstaande gegrondverklaring door de commissie van klacht 1. wordt ook deze klacht gegrond verklaard.

 

 

Klacht 30.

Onder verwijzing naar de bovenstaande gegrondverklaring door de commissie van klacht 1. wordt ook deze klacht gegrond verklaard.

 

 

 

 

 

Klacht 8.

Normenrapport II bepaalt in hoofdstuk III voor wie en onder welke voorwaarden raaddossiers openbaar zijn. In hoofdstuk II onder 2.1. is bepaald dat in een dossier aanwezig dienen te zijn:

Rapporten, interne verslaglegging, rekesten, adviezen, beschikkingen en anderen formele bescheiden, briefwisseling, spreekuurverslagen en telefoonnotities. Het is derhalve niet voorgeschreven dat werkaantekeningen zich in het dossier dienen te bevinden. Daar de commissie er niet van op de hoogte is of in deze zaak het dossier werkaantekening bevat, is deze klacht gegrond ten aanzien van de werkaantekeningen die deel uit maken van het dossier en ongegrond ten aanzien van de werkaantekeningen die daar geen deel van uit maken.  

 

 

Klacht 22.

Deze klacht is gegrond voor zover het de rapportage over de verblijfplaats van J. betreft; voor het overige is deze ongegrond daar de commissie niet de overtuiging van de juistheid van klaagsters argumenten heeft gekregen.

 

 

De beslissing is afgegeven op 7 februari 2001.

 

 

Tweede bonafide uitspraak klachtencommissie IV Raad voor de Kinderbescherming Zuid-West inzake afgifte werkaantekeningen

In de klachtzaak klager X (moeder) met gemachtigde J. Hop tegen de Raad voor de Kinderbescherming directie Zuid-West heeft de klachtencommissie IV Raad voor de Kinderbescherming Zuid-West het volgende oordeel gegeven.

Klacht 8.Normenrapport II bepaalt in hoofdstuk III voor wie en onder welke voorwaarden raaddossiers openbaar zijn. In hoofdstuk II onder 2.1. is bepaald dat in een dossier aanwezig dienen te zijn: rapporten, interne verslaglegging, rekesten, adviezen, beschikkingen en andere formele bescheiden, briefwisseling, spreekuurverslagen en telefoonnotities. Het is derhalve niet voorgeschreven dat werkaantekeningen zich in het dossier dienen te bevinden. Daar de commissie er niet van op de hoogte is of in deze zaak het dossier werkaantekeningen bevat,  is deze klacht gegrond ten aanzien van de werkaantekeningen die deel uit maken van het dossier en ongegrond ten aanzien van de werkaantekeningen die daar geen deel van uit maken.

7 februari 2001

 

 

Besluit klachtafhandeling Raad voor de Kinderbescherming"

Besluit klachtafhandeling Raad voor de Kinderbescherming

De officiŽle wettekst waarop de regeling gebaseerd is

330 Besluit van 24 juni 1996, houdende regels ter zake van de behandeling van klachten bij de raad voor de kinderbescherming (Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 7 februari 1996, nr. 538873/96/6;
Gelet op artikel 239, vijfde lid, van Boek I van het Burgerlijk Wetboek;
De Raad van State gehoord
(advies van 20 maart 196, nr.W03.96.0058);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 14 juni 1996, nr.551665/96/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit Besluit wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
directeur: ressortsdirecteur of namens deze de door hem tot de klachtbehandeling aangewezen persoon;
algemeen directeur: de algemeen directeur, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming;
gedraging: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een beslissing die gevolgen heeft voor de belanghebbende of informant.

Artikel 2

  1. Een ieder, die als belanghebbende of als informant betrokken is bij een bij de raad voor de kinderbescherming in behandeling zijnde of geweest zijnde aangelegenheid kan zich bij de directeur beklagen over gedragingen jegens hem in die aangelegenheid van een medewerker in het desbetreffende ressort. Over een gedraging van een medewerker van het landelijk bureau van de raad kan beklag worden gedaan bij de algemeen directeur van de raad. De bepalingen omtrent de behandeling van de klacht door de directeur zijn alsdan van toepassing op de algemeen directeur.

  2. De klacht wordt mondeling of schriftelijk ingediend uiterlijk binnen ťťn jaar na de dag waarop de klager kennis heeft gekregen van de gedraging. Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk, indien blijkt dat de klacht is ingediend zo spoedig als redelijkerwijs van de klager kon worden verlangd.

  3. De ontvangst van de klacht wordt onverwijld schriftelijk door de directeur bevestigd. Bij deze bevestiging wordt tevens medegedeeld dat de klager zich bij de behandeling van de klacht kan doen bijstaan door een raadsman of vertrouwenspersoon.

  4. Indien de klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover de raad een verzoek of een advies tot de rechter heeft gericht en de rechter over die aangelegenheid nog geen beslissing heeft genomen, stelt de directeur de rechter onverwijld in kennis van het indienen van de klacht.

Artikel 3

  1. De directeur onderzoekt de klacht en tracht tot een voor de klager aanvaarde oplossing te komen.

  2. Indien de directeur er niet in slaagt een voor de klager aanvaarde oplossing te bereiken, neemt de directeur schriftelijk een beslissing.

  3. De directeur neemt een dergelijke beslissing niet dan na een klager en degene over wiens gedraging is geklaagd te hebben gehoord.

  4. De beslissing wordt binnen acht weken genomen, na de bevestiging van de ontvangst van de klacht, bedoeld in artikel 2, derde lid.
    Zij is met redenen omkleed en wordt in afschrift toegezonden aan de klager en degene over wiens gedraging is geklaagd. Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden, wordt tevens medegedeeld of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie daaraan worden verbonden.

Artikel 4

  1. De klager kan binnen zes weken na ontvangst van de beslissing van de directeur dan wel binnen zes weken nadat de directeur de beslissing had behoren te nemen zijn klacht schriftelijk voorleggen aan de klachtencommissie, bedoeld in artikel 7.

  2. Indien de klacht betrekking heeft op een gedraging van de directeur zelf dan wel op een gedraging van de algemeen directeur van de raad, kan de klager zich direct tot deze klachtencommissie wenden. Artikel 2, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 5

  1. De klachtencommissie beoordeelt de klacht. Indien zij de klacht van eenvoudige aard, dan wel kennelijk niet-ontvankelijk acht, kan zij beslissen dat de klacht door de voorzitter zelfstandig wordt afgedaan.

  2. Indien de voorzitter van de klachtencommissie de zaak zelfstandig afdoet, is artikel 6 van overeenkomstige toepassing.

  3. De voorzitter kan de zaak te allen tijde verwijzen naar de klachtencommissie. Van die verwijzing wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager.

Artikel 6

  1. Indien de klachtencommissie de klacht ontvankelijk acht, hoort zij de klager alsmede degene over wiens gedraging wordt geklaagd.
    De klachtencommissie kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.

  2. Aan de klachtencommissie worden op haar schriftelijk verzoek ten behoeve van de beoordeling van de klacht de bescheiden, gebezigd in de zaak waarop de klacht betrekking heeft, al dan niet in afschrift overgelegd. Inzage of afgifte van een stuk als bedoeld in de eerste volzin kan de klager door de voorzitter van de klachtencommissie worden geweigerd op een van de onder artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wet openbaarheid van bestuur genoemde gronden.

  3. De klachtencommissie belist uiterlijk zes weken nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt. De beslissing is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de klager en degene over wiens gedraging werd geklaagd. De in de eerste volzin genoemde termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd, indien de commissie het inwinnen van nadere informatie wenselijk acht.

  4. Een afschrift van de beslissing zendt de klachtencommissie aan Onze Minister en aan de directeur die de beslissing, bedoeld in artikel 3, heeft genomen danwel had behoren te nemen.

  5. Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden, deelt de directeur binnen drie weken na ontvangst van de beslissing van de klachtencommissie aan de klager mee of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie daaraan worden verbonden.

Artikel 7

  1. Er zijn vijf klachtencommissies. Elke commissie behandelt de klachten omtrent de gedragingen van de algemeen directeur, directeur of de medewerker, werkzaam in het ressort waarvoor zij bevoegd is.
    Deze ressorten komen overeen met die van het hof.

  2. De leden van de klachtencommissies kunnen niet werkzaam zijn bij de Raad voor de Kinderbescherming.

  3. De klachtencommissie bestaat uit de volgende leden:
    a)een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters, bij voorkeur met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht, door Onze Minister benoemd op gemeenschappelijke voordracht van de presidenten van de arrondissementsrechtbanken in het ressort van het hof, waarvoor de betrokken commissie bevoegd is;
    b) een lid en een of meer plaatsvervangende leden, deskundig op het terrein van het jeugdwelzijn en betrokken bij de maatschappelijke ontwikkelingen binnen de jeugdbescherming, door Onze Minister benoemd op voordracht van het provinciaal bestuur of op gemeenschappelijke voordracht van de provinciale besturen van de provincie of de provincies waarin het desbetreffende ressort is gelegen;
    c) een lid en een of meer plaatsvervangende leden, deskundig op het terrein van het jeugdwelzijn en betrokken bij de maatschappelijke ontwikkelingen binnen de jeugdbescherming benoemd door Onze Minister;

  4. De voorzitter en de leden van de klachtencommissies worden benoemd voor de tijd van zes jaren. Zij kunnen in aansluiting op die termijn ťťn maal voor een gelijke termijn worden herbenoemd.

  5. Aan de voorzitter en aan een lid wordt op eigen verzoek tussentijds ontslag verleend.

  6. Een lid kan door Onze Minister worden ontslagen bij gebleken voortdurende achteloosheid in de uitoefening van het lidmaatschap. Omtrent het voornemen tot ontslag wordt de betrokkene door Onze Minister gehoord.

Artikel 8

  1. De klachtencommissie houdt zitting en beslist met drie leden in een zodanige samenstelling dat uit elk der in artikel 7, derde lid, onder a, b en c omschreven groeperingen een persoon aan de zitting deelneemt. De voorzitter wijst de leden aan.

  2. Onze Minister voegt aan elke klachtencommissie een secretaris toe.

Artikel 9

  1. De voorzitter van de klachtencommissie bepaalt in overleg met de secretaris plaats, dag en uur van de zittingen.

  2. De voor de klachtencommissie bestemde stukken worden ingediend bij haar secretaris.

Artikel 10

Bij de behandeling van de zaak door de klachtencommissie kan zowel de klager als degene over wiens gedraging wordt geklaagd zich door een raadsman of vertrouwenspersoon doen bijstaan.

Artikel 11

  1. De leden van de klachtencommissie genieten een vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Voor het deelnemen aan een zitting ter behandeling van klachten genieten zij een vacatiegeld overeenkomstig de door Onze Minister te stellen regelen.

  2. Aan de secretaris wordt voor zijn werkzaamheden een afzonderlijke vergoeding toegekend tot een ander door Onze Minister te bepalen bedrag.

Artikel 12

  1. In klachtzaken, waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, de directeur van een raad voor de kinderbescherming optreedt, treedt de ressortsdirecteur of de door hem tot de klachtbehandeling aangewezen persoon, in zijn plaats.

  2. Klachtzaken, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in behandeling zijn bij ťťn van de zes tot dit tijdstip bestaande klachtencommissies, worden door deze commissies afgehandeld met toepassing van het voor het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit geldende recht.Deze klachtencommissies blijven in stand totdat alle zaken die vůůr de inwerkingtreding van dit besluit aanhangig zijn gemaakt, zijn afgedaan.

  3. De op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in de in het tweede lid bedoelde klachtencommissies zitting hebbende leden, blijven in afwijking van het vervallen artikel 39, vierde lid, van het Organisatiebesluit raden voor de kinderbescherming 1982 daarin zitting houden totdat deze klachtencommissies zijn ontbonden.

Artikel 13

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de wet houdende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met reorganisatie van de raden voor de kinderbescherming in werking treedt.

Artikel 14

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 24 juni 1996

Beatrix
De Staatssecretaris van Justitie
E.M.A. Schmitz

Uitgegeven de achtentwintigste juni 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager(Staatsblad 1996330)

 

 

 

Normen 2000, Versie 2, Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming

 

Normen 2000

Versie 2

Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de

Raad voor de Kinderbescherming

Inhoudsopgave

1. Voorwoord

2. Algemeen

2.1 Grondslag en legitimatie

2.2 Kwaliteitseisen

3. Onderzoek en rapportage

3.1 .Onderzoek

3.2 Rapportage

4. Omgaan met dossiers

4.1 Aanleggen, inhoud, verantwoordelijkheid, schoning en beveiliging

4.2 Intern gebruik van dossiers door medewerkers van de Raad

4.3 Vernietiging van dossier

5. Openbaarheid van persoonsgegevens in dossiers

5.1 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)

5.1.1 Informatieverstrekking aan de betrokkene

5.1.2 Verstrekken van inzage aan de betrokkene

5.1.3 Verstrekken van inzage aan een derde

5.1.4 Verstrekken van inzage aan bijzondere categorieŽn derden

5.1.5 Wijze van informatieverstrekking

5.1.6 Beslissing / verzet / bezwaar

5.1.7 Verantwoordelijkheid

5.2 Wet openbaarheid van Bestuur (Wob)

5.2.1 Verantwoordelijkheid

6. Zittingsvertegenwoordiging

7. Klachten- en bezwarenprocedure

7.1 Klachtenprocedure (zie bijlage 1)

7.2 Bezwarenprocedure (Algemene Wet Bestuursrecht)

8. Beleidsaanwijzingen civiele zaken (bescherming)

8.1 Beschermingszaken

8.1.a Positie Raad binnen de Jeugdzorg

8.1.b Intake

8.1.c Onderzoek

8.1.1 Opvoedingsproblemen

8.1.1.1 inleiding

8.1.1.2 maatregelen van kinderbescherming

8.1.1.3 onderzoek opvoedingsproblematiek

8.1.1.4 toetsende taak tav besluitvorming GVI tijdens ots

8.1.1.5 Adviestaak n.a.v. verzoek tot ots en tijdens ots

8.1.1.6 Verderstrekkende maatregel na ots

8.1.1.7 Herstel in het ouderlijk gezag

8.1.2 Weggelopen minderjarigen

8.1.3 Opneming kind bij een ouder in een inrichting

8.1.3.1. inleiding

8.1.3.2. onderzoek

8.1.4 Internationale kinderontvoering

8.1.5 Afstand minderjarige/meerderjarige moeder/ouders

8.1.6 Gezagsvoorziening door de kantonrechter

8.1.6.1 inleiding

8.1.6.2 doel onderzoek

8.1.6.3 specifieke aanwijzingen

8.1.7 Gezagsvoorziening na overlijden ouder die alleen het gezag heeft terwijl de andere

ouder nog in leven is

8.1.8 Rechtspositie pleegouders (blokkaderecht)

8.1.8.1 Blokkaderecht

8.1.8.2 Verzoek pleegouders tot ontheffing ouders

8.1.8.3 Verzoek pleegouders tot voogdijbenoeming

8.1.9 Voogdij Antilliaanse jongeren

9.Beleidsaanwijzingen civiele advies zaken

9.1. Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang

9.1.1 Inleiding

9.1.2 Raadsondersteuning ter zitting

9.1.3 Onderzoek

9.1.4. Een andere raadsactiviteit in het kader van omgang

9.1.5. Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders

9.1.6. Voorlopige voorzieningen tijdens de (echt)scheidingsprocedure

9.1.7. BeŽindiging gezamenlijk gezag

9.1.8 Gezagswijziging

9.2 Adoptie(voorbereiding)

9.2.1 inleiding

9.2.2 onderzoek i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie

9.2.3 onderzoek vim het opnemen van een in Nederland geboren kind ter adoptie.

9.2.4 Draagmoederschap

9.2.5 Partneradoptie

9.3 Afstammingsvragen

9.4 JustitiŽle screening, toezicht pleegkinderen, toezicht voogdijpupillen

9.4.1 justitiŽle screening van (aspirant) pleegouders

9.4.2 toezicht pleegkinderenwet

9.4.3 toezicht voogdijpupillen

9.5 Meerderjarigverklaring

9.6 Huwelijksdispensatie

9.7 Naamswijziging

10.Beleidsaanwijzingen strafzaken

10.1 Inleiding

10.2 Voorlichting, advies en selectie

10.3 CoŲrdinatie Taakstraffen voor jeugdigen van 12 jaar en ouder

10.4 Casusregie

Bijlagen

1 Klachtprocedure

2 Kinderbeschermingsmaatregelen

3 Richtlijnen externe deskundigen

4 Straffen en strafrechtelijke maatregelen

5 Regeling Wet bescherming persoonsgegevens primair proces Raad voor de Kinderbescherming

6 Begrippenlijst

7 Lijst met afkortingen

1. Voorwoord

De overheid heeft de verplichting om kinderen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Om aan deze verplichting te voldoen is de Raad voor de Kinderbescherming als overheidsorganisatie met een aantal wettelijke taken belast die erop gericht zijn de belangen van de minderjarigen te beschermen. De Raad kan deze taken en bevoegdheden ter bescherming van de rechten en belangen van het kind, onder meer door het doen van onderzoek, ook ongevraagd uitoefenen. De Raad dient de taken op zorgvuldige, deskundige en kenbare wijze uit te voeren. De taken van de Raad voor de Kinderbescherming zijn: - beschermingstaken (onderzoek, rekwestreren,adviseren en toetsing); - civiele adviestaken (onderzoek en advisering), inclusief scheiding- en omgangszaken (onderzoek, inclusief bemiddeling en advisering); - straftaken (onderzoek, voorlichting, coŲrdinatie taakstraffen en casusregie). Dit rapport geldt als een algemene aanwijzing in de zin van artikel 1, vierde lid, van het Organisatiebesluit Raad voor de Kinderbescherming en beoogt een gelijke behandeling van zaken door de Raad voor de Kinderbescherming te bewerkstelligen alsmede de kenbaarheid van het handelen van de Raad voor de cliŽnt te vergroten. Dit is conform de toezegging die de toenmalige Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer heeft gedaan bij de behandeling van de inmiddels van kracht zijnde wet van 13 juni 1996 (Stbl. 1996, 328), waarin de reorganisatie van de 19 raden tot ťťn Raad voor de Kinderbescherming formeel gestalte heeft gekregen. Dit rapport bevat de fundamentele kaders en beleidsregels die van toepassing zijn op de werkwijze van de Raad en dient leidraad te zijn bij de behandeling van zaken waarmee de medewerkers van de Raad bemoeienis hebben. De in het rapport gegeven beleidsaanwijzingen zijn bindend. Bij de behandeling van een individuele zaak kan hiervan in principe niet worden afgeweken. Daarnaast hanteert de Raad werkprocessen in iedere categorie zaken. Bij de voorbereiding van Normen 2000 is advies gevraagd aan het toenmalige College van Advies voor de JustitiŽle Kinderbescherming, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming en het Platform van Samenwerkende CliŽntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht. De adviezen en voorstellen zijn in belangrijke mate verwerkt. De beleidsregels in het rapport zijn op 1 april 2001 in werking getreden en eind 2002 geŽvalueerd . Op basis hiervan is Normen 2000 aangepast en aangevuld. De citeertitel van het rapport luidt: “NORMEN 2000,”. De ondertitel luidt: “Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming.” Het onderhavige exemplaar betreft versie 2. Bij de indeling van hoofdstuk 8 in dit rapport (civiele zaken) is om praktische reden voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de huidige registratieregels voor de civiele taken zoals deze in het geautomatiseerde informatiesysteem van de Raad voor de Kinderbescherming (KIS) worden gehanteerd. Naast de in dit rapport aan de orde zijnde beleidsaanwijzingen kan de minister, indien daartoe aanleiding bestaat, in een individuele situatie concrete aanwijzingen geven.

Het rapport is als volgt opgebouwd:

- Hoofdstuk 2 bevat de grondslag en legitimatie voor het handelen van de Raad en de aan de

werkwijze van de Raad te stellen kwaliteitseisen;

- De hoofdstukken 3 t/m 5 bevatten aanwijzingen die betrekking hebben op de rapportage door de

Raad, alsmede het omgaan met en de openbaarheid van dossiers.

- Hoofdstuk 6 geeft een opsomming van de belangrijkste punten uit de op wet- en regelgeving

gebaseerde klachten- en bezwarenprocedure.

- In hoofdstuk 7 worden de uitgangspunten en aanwijzingen voor de zittingsvertegenwoordiging

door de Raad vermeld, dit vanwege een nadrukkelijke toezegging ter zake aan de Tweede Kamer.

- Hoofdstuk 8 bevat beleidsaanwijzingen met betrekking tot de werkwijze van de Raad in civiele

beschermingszaken.

- Hoofdstuk 9 bevat beleidsaanwijzingen met betrekking tot de werkwijze van de Raad in civiele

advieszaken

- Hoofdstuk 10 bevat beleidsaanwijzingen met betrekking tot de werkwijze van de Raad in

strafzaken.

- Hoofdstuk 11 bevat een aantal bijlagen, waaronder een begrippenlijst.

2. Algemeen

2.1 Grondslag en legitimatie

a. De Raad voor de Kinderbescherming dient als overheidsorganisatie daadwerkelijk op te

komen voor kinderen van wie het recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en

uitgroei naar zelfstandigheid ernstig worden bedreigd (de waarborgfunctie). De uit deze

publieke waarborgfunctie van de Raad voortvloeiende taken en bevoegdheden zijn in diverse

wet- en regelgeving neergelegd (BW1: titel 13, afdeling 3). De Raad kan deze taken en

bevoegdheden ter bescherming van de rechten en belangen van het kind gevraagd of

ongevraagd uitoefenen.

b. Kinderen hebben mede gelet op het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind recht

op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid. Ouders dragen

de eerste verantwoordelijkheid dit recht van het kind te realiseren met inachtneming van

diens leeftijd en ontwikkelingsniveau en met gebruikmaking van voorzieningen zoals

onderwijs, hulpverlening en gezondheidszorg.

c. De overheid dient de eigen verantwoordelijkheid van de ouders voor een gezonde en

evenwichtige ontwikkeling van het kind te respecteren. Wanneer de ouders deze

verantwoordelijkheid echter niet (meer) naar behoren vervullen, vrijwillige hulpverlening niet

meer tot de mogelijkheden behoort en daardoor schade wordt of dreigt te worden berokkend

aan het kind, moet de overheid maatregelen nemen om de bescherming van het kind mogelijk

te maken, zonodig door het vragen van een rechterlijke beslissing.

Aan deze overheidsverantwoordelijkheid ontleent de Raad zijn legitimatie.

d. Voorts heeft de Raad een in de wet omschreven taak om gerechtelijke autoriteiten of de

minister van justitie te adviseren over individuele minderjarigen.

2.2 Kwaliteitseisen

a. De Raad voor de Kinderbescherming draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering van zijn

wettelijk omschreven taken.

b. De inrichting van de organisatie is zodanig dat de organisatie deze taken doeltreffend,

doelmatig, controleerbaar en cliŽntgericht uitvoert. Dit houdt onder meer het volgende in:

1. Door de Raad wordt multidisciplinair gewerkt; hieronder wordt verstaan dat naast de

teamleider en de raadsonderzoeker een gedragsdeskundige en/of juridisch deskundige kan

worden ingeschakeld (zie hoofdstuk 3); een besluit wordt door tenminste twee

medewerkers genomen, onder wie de teamleider, die de verantwoordelijkheid voor de

besluitvorming draagt;

2. De Raad werkt met onderzoekstermijnen die kenbaar zijn voor de cliŽnt. Van deze

termijnen kan slechts gemotiveerd worden afgeweken. De cliŽnt wordt van de verlenging

van een termijn en van de redenen hiervoor tijdig op de hoogte gesteld; tevens wordt een

nieuwe termijn aangegeven (zie hoofdstuk 3);

3. Voor situaties waarin het recht van een kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling

en uitgroei naar zelfstandigheid ernstig wordt bedreigd en direct ingrijpen noodzakelijk is,

is de Raad 7 x 24 uur bereikbaar.

Onder verantwoordelijkheid van de Raad kunnen daartoe ook andere organisaties

ingeschakeld worden;

4. De Raad gaat conform de Wet bescherming persoonsgegevens zorgvuldig om met het

verzamelen en verstrekken van gegevens. Dit geldt in het bijzonder voor het direct of

indirect (bijv. via rapportage) doorgeven van adressen, waarvoor in beginsel toestemming

van betrokkenen nodig is (zie hoofdstuk 5);

5. Een cliŽnt kan zich laten bijstaan door iemand in wie hij vertrouwen heeft. Als met

meerdere personen tegelijkertijd wordt gesproken kan een vertrouwenspersoon slechts

worden toegelaten als alle gesprekspartners hiermee instemmen. De Raad kan de

vertrouwenspersoon onder bijzondere omstandigheden, gemotiveerd, weigeren indien

deze persoon het onderzoek verstoort;

6. Indien in het kader van het onderzoek wordt gesproken met personen die de Nederlandse

taal onvoldoende beheersen, wordt zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van een

erkende tolk.

c. Uitgangspunt voor de uitvoering van taken is, dat deze gericht is op het verklaren en

inzichtelijk maken van aangetroffen problematiek op grond waarvan besluitvorming en

voorlichting kan plaatsvinden. De besluitvorming kan bestaan uit het al dan niet indienen van

een verzoek aan de rechter of advisering. Steeds wordt in de rapportage aangegeven op welke

wijze is omgegaan met de informatie, die door de verschillende betrokkenen of informanten is

gegeven. Indien zeer uiteenlopende visies of lezingen van een gebeurtenis naar voren worden

gebracht welke relevant zijn voor de besluitvorming, worden deze in de rapportage vermeld en

wordt in de conclusie van het rapport verantwoord op welke wijze de Raad hiermee is

omgegaan. Voorts moet in de rapportage duidelijk worden onderscheiden waar de Raad visies

of lezingen van een gebeurtenis citeert en waar feiten worden vermeld die als voldoende

vaststaand kunnen worden beschouwd.

d. Ten behoeve van een verantwoorde uitvoering van zijn taken ontwikkelt en onderhoudt de

Raad een kwaliteitssysteem. Onder een kwaliteitssysteem wordt verstaan een stelsel van

vastgestelde eisen, regels en procedures dat tot doel heeft te verzekeren dat de uitvoering van

de wettelijk omschreven taken aan de gestelde eisen voldoet en blijft voldoen.

e. Het kwaliteitssysteem moet toegankelijk , aanvaardbaar en hanteerbaar zijn. Het moet

duidelijkheid bieden aan medewerkers en cliŽnten omtrent de verdeling van taken en

verantwoordelijkheden en die informatie verschaffen waaraan behoefte bestaat.

f. Via het kwaliteitssysteem draagt de Raad zorg voor een systematische bewaking, beheersing en

verbetering van de kwaliteit van de uit te oefenen taken. Over het gevoerde kwaliteitsbeleid

legt de Raad in zijn jaarverslag verantwoording af.

g. De Raad kent een gereglementeerde klachtprocedure, hiervoor moge verwezen worden naar

hoofdstuk 7 en bijlage 1.

3. Onderzoek en Rapportage

3.1 Onderzoek

Naast het instellen van een onderzoek verricht de Raad ook andere activiteiten zoals

Raadsondersteuning ter zitting, bemiddeling bij omgang buiten de procedure, toetsende taak van

besluitvorming GVI tijdens de ondertoezichtstelling en coŲrdinatie van taakstraffen etc. Deze vallen

buiten deze paragraaf en komen ter sprake in de betreffende hoofdstukken.

Bevoegdheid

Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de minderjarige

verblijft, dan wel waar het accent van het onderzoek ligt.

Verantwoordelijkheid

De teamleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale onderzoek, waaronder het

inschakelen van de gedragsdeskundige en/of de juridische deskundige en/of externe deskundigen; de

teamleider is verantwoordelijk voor de besluitvorming op grond van de uitgebrachte rapportage. De

raadsonderzoeker is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek. Indien een

gedragsdeskundige een (deel-) onderzoek instelt is deze zowel voor de inhoud als voor de uitvoering

daarvan verantwoordelijk.

Multidisciplinair overleg en onderzoek

De gedragdeskundige dient verplicht te worden ingeschakeld op de volgende momenten:

 Op het moment dat overwogen wordt om een externe gedragsdeskundige in te schakelen met

inachtneming van de daarvoor vastgestelde richtlijnen (zie bijlage 3).

 In een beschermingsonderzoek en in een vervolgonderzoek in strafzaken:

- bij de vaststelling van de onderzoeksvragen en

- bij de besluitvorming

 In een onderzoek in verband met een beginseltoestemming buitenlands kind ter adoptie, indien

een van de aspirant adoptief ouders ouder is dan 42 jaar en een zgn. IBO onderzoek moet

plaatsvinden.

 In een onderzoek in een strafzaak, zodra een advies PIJ-maatregel overwogen wordt.

Daarnaast kan de gedragsdeskundige consultatief worden ingeschakeld op initiatief van de teamleider

of de raadsonderzoeker.

De juridisch deskundige dient verplicht te worden ingeschakeld op de volgende momenten:

 In zaken waarin de Raad mogelijkerwijs hoger beroep of cassatie wenst in te stellen, of waarin de

Raad een verweerschrift in hoger beroep wenst in te dienen.

 In een beschermingsonderzoek:

- bij de rapportage met ondertoezichtstelling op tegenspraak; bij (gedwongen) ontheffing;

- bij ontzetting

- bij voorlopige maatregelen (vots en voorlopige voogdij)

 In een scheiding- en omgangsonderzoek:

- bij rapportage met advies tot ontzegging van de omgang en/of ťťnhoofdig gezag .

 In een onderzoek n.a.v. strafbare feiten:

- bij rapportage met advies tot een PIJ-maatregel.

Daarnaast kan de juridisch deskundige consultatief worden ingeschakeld op initiatief van de

teamleider of de raadsonderzoeker.

Aanvang onderzoek

Bij de start van het onderzoek geeft de raadsonderzoeker de betrokkenen uitleg over de aanleiding, het doel

en de opzet van het onderzoek en verstrekt – niet later dan het eerste persoonlijk contact - een folder over

de werkwijze van de Raad, voorzover de folder niet reeds in een eerdere fase aan betrokkenen is

toegezonden.

Betrekken van minderjarigen in onderzoek

Naast de contacten met de betreffende ouders of verzorgers wordt in ieder geval met de minderjarige van 12

jaar en ouder gesproken; minderjarigen jonger dan 12 jaar worden in het onderzoek betrokken met

inachtneming van hun leeftijd en ontwikkelingsniveau. In ieder geval worden deze kinderen gezien door de

onderzoeker. Wanneer niet met de ouders en/of verzorgers en/of de minderjarige van 12 jaar of ouder is

gesproken dan wel de jongere kinderen niet zijn gezien, wordt dit in het rapport/verslag gemotiveerd

aangegeven.

Informanten

Indien de Raad het van belang acht voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen, kan informatie

van derden in het onderzoek worden betrokken. Dit geschiedt altijd met medeweten van de

betrokkenen en in de regel met hun toestemming .Wanneer betrokkenen toestemming weigeren,

terwijl het raadplegen van een of meer informanten in het belang van het onderzoek noodzakelijk is,

kan aan deze weigering voorbij worden gegaan. Tot het raadplegen van informanten met medeweten

doch zonder toestemming van betrokkenen kan worden overgegaan nadat hiertoe, in overleg met de

teamleider, een gemotiveerd besluit is genomen en dit aan betrokkenen is meegedeeld. Dit besluit

wordt tevens in het rapport vermeld.

In alle gevallen waarin het voorstel tot het betrekken van derden als informant, dan wel het voorstel

gebruik te maken van ander materiaal in het onderzoek, afkomstig is van betrokkenen, wordt een

gemotiveerd besluit genomen. Aan betrokkenen wordt het besluit tot het al dan niet honoreren van dit

voorstel meegedeeld. Indien het voorstel niet wordt gehonoreerd, wordt dit besluit in het rapport

vermeld. Aan informanten wordt de folder voor informanten uitgereikt. De door informanten gegeven

informatie, welke inhet rapport wordt verwerkt, moet gefiatteerd zijn, zo mogelijk schriftelijk.

Afsluiting onderzoek

Ieder onderzoek wordt afgesloten met een adviesgesprek en vervolgens wordt het raadsrapport in concept

aan betrokkenen, waaronder de minderjarigen van 16 jaar en ouder, aangeboden. Deze krijgen in beginsel

een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het concept rapport te reageren, tenzij deze

termijn in het belang van de zaak ongewenst is (bijvoorbeeld in een crisissituatie). Feitelijke gegevens

worden zonodig gewijzigd; voor het overige wordt de reactie aan het einde van het rapport verwerkt dan wel

aan het rapport toegevoegd, zodat de reactie een geÔntegreerd onderdeel van het definitieve rapport

uitmaakt.

Tenzij betrokkene daartegen bezwaar heeft, kan aan de melder, informanten en externe deskundigen die

een onderzoek hebben ingesteld de afloop van het onderzoek c.q. het besluit worden meegedeeld.

Bij bemiddeling in een scheiding- en omgangszaak, welke tot overeenstemming tussen de ouders

heeft geleid, wordt geen rapportage opgemaakt maar enkel een brief door de Raad naar de rechtbank

verstuurd met de inhoud van de overeenstemming.

Uitbreiding naar beschermingsonderzoek

Indien tijdens een niet-beschermingsonderzoek een zodanige opvoedingsproblematiek vermoed

wordt, dat een kinderbeschermingsmaatregel overwogen wordt, kan de Raad ambtshalve het

aangevangen onderzoek uitbreiden tot een onderzoek naar opvoedingsproblemen. Een dergelijk

besluit wordt zo spoedigmogelijk aan betrokkenen meegedeeld, zo mogelijk schriftelijk.

Termijnen:

De termijn vangt aan op de dag dat de aanvraag om onderzoek/melding is ontvangen en eindigt op de

dag dat het definitieve rapport is verstuurd. Van deze termijnen kan slechts gemotiveerd worden

afgeweken. De betrokkenen worden van de verlenging van de termijn en de redenen daarvan tijdig in

kennis gesteld; tevens wordt een nieuwe termijn aangegeven. Indien dit niet schriftelijk aan

betrokkenen kan worden meegedeeld, maakt de raadsonderzoeker van de mondelinge mededeling

aantekening in het dossier.

De volgende termijnen gelden (dagen zijn kalenderdagen):

- Beschermingsonderzoek maximaal 115 dagen

- Scheiding- en omgangsonderzoek maximaal 135 dagen

- Overig civiele onderzoek (adoptie, naamswijziging etc.) maximaal 105 dagen

- Basisonderzoek strafbare feiten maximaal 40 dagen

- Vervolgonderzoek strafbare feiten maximaal 115 dagen

- CoŲrdinatie taakstraffen maximaal 160 dagen

Indien sprake is van onderzoek door een externe gedragsdeskundige wordt bovenstaande termijn

opgeschort voor de duur van het onderzoek door deze externe deskundige. Indien sprake is van

uitbreiding naar een beschermingsonderzoek wordt de termijn van het oorspronkelijk onderzoek

uitgebreid met de termijn van een beschermingsonderzoek.

Contactjournaal

Tijdens het onderzoek wordt in het contactjournaal chronologisch bijgehouden wanneer, op welke

wijze (telefonisch, persoonlijk), waar en met wie contact is geweest, tevens wordt kort en bondig de

essentie van het gesprek weergegeven. In het contactjournaal wordt tevens de datum en het besluit

van het interne multidisciplinair overleg vermeld. Het contactjournaal moet steeds bijgehouden

worden in verband met een mogelijk verzoek van betrokkenen om inzage/afgifte (zie ook hoofdstuk 5).

Bij afsluiting van het onderzoek wordt een uitdraai van het contactjournaal in het dossier opgeborgen.

3.2 Rapportage

Onder rapportage wordt verstaan de systematische weergave van het onderzoek van de Raad in een

bepaalde zaak. De rapporten van de Raad dienen aan de volgende richtlijnen te voldoen:

A. Het rapport is in correct en begrijpelijk Nederlands opgesteld.

B. Ieder rapport dient te zijn voorzien van een voorblad waarop tenminste staat vermeld:

 datum van het rapport

 naam raadsonderzoeker

 dossiernummer

 t.a.v. ouders: naam; voornamen; geboortedatum en –plaats; nationaliteit; verblijfstitel indien

van toepassing; beroep; godsdienst / levensovertuiging (indien in de betreffende zaak van

belang); adres en woonplaats / verblijfplaats1; huwelijksdatum; datum echtscheiding; naam

van huidige partner.

 T.a.v. alle kinderen: naam; voornamen; geboortedatum en –plaats; gezag; maatregel van

kinderbescherming; verblijfplaats; duidelijk wordt aangegeven (onderstreept) van welk kind

de situatie is onderzocht.

C. Het rapport vermeldt in ieder geval:

 de aanleiding voor het onderzoek en de op basis hiervan vastgestelde onderzoeksvragen;

 met wie als betrokkene gesproken is, hoe vaak, hoe (telefonisch/persoonlijk) en waar;

 de informatie die door de Raad bij derden, als informant, is gevraagd mits zij met de inhoud

akkoord zijn gegaan, en indien hiervan sprake is degene die is voorgesteld als informant

doch niet door de Raad is gehoord en de overwegingen die hieraan ten grondslag hebben

gelegen en indien hiervan sprake is de motivering van het horen van informanten zonder

toestemming van betrokkenen;

 een beschrijving van feiten en achtergronden, van visie en beleving van alle betrokkenen, van de

interactie die heeft plaatsgevonden tussen de raadsmedewerker en het cliŽntsysteem en van de

eventueel noodzakelijk gebleken interventies met de effecten op het onderzoeksproces;

 de gegevens en de interpretatie van deze gegevens die leiden tot de conclusie, het op grond

van deze conclusie geformuleerde raadsadvies ůf het besluit om al dan niet een rekest in te

dienen; bij conclusie en advies c.q. besluit om te rekestreren dienen de wettelijke gronden in

acht genomen te worden;

 (een weergave van) de reactie van betrokkenen op het onderzoek en de rapportage;

 welke raadsmedewerkers verantwoordelijk zijn voor (deel)onderzoek, besluitvorming en

rapportage;

 welke folders verstrekt zijn.

D. In het rapport wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen informatie (feiten en meningen van

betrokkenen) en de interpretatie daarvan door de Raad (zie in dit verband ook hoofdstuk 2.2.c).

E. Wanneer een externe gedragsdeskundige voor specialistisch onderzoek is ingeschakeld, wordt

diens rapport als bijlage aan het raadsrapport c.q. het advies of rekest van de Raad toegevoegd. De

Raad betrekt de conclusies van de externe gedragsdeskundige bij zijn besluitvorming en geeft aan

in hoeverre deze zijn overgenomen (zie bijlage 3).

F. Het definitieve, ondertekende rapport wordt aan belanghebbenden toegezonden, tenzij zij te

kennen hebben gegeven dat zij daarop geen prijs stellen, dan wel dat het belang van het kind zich

daartegen verzet; dit dient gemotiveerd in het rapport te worden vermeld. Indien een van

betrokkenen bezwaar heeft tegen toezending van het rapport aan een belanghebbende inclusief de

voorgestelde (gezins-) voogdij instelling wordt de beslissing over toezending van de rapportage

aan de rechter overgelaten.

Rapporten die worden uitgebracht naar aanleiding van verzoeken tot het verkrijgen van een

beginseltoestemming voor het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie worden niet

afgegeven,

ook niet in concept, indien het rapport een positief advies bevat.

Deze paragraaf is, behoudens hetgeen hieronder vermeld staat onder ‘Ondertekening’, niet van

toepassing op:

- rapportage naar aanleiding van basisonderzoeken in strafzaken (zie hoofdstuk 10.2.1.) en

- verslaglegging ten aanzien van taakstraffen (zie hoofdstuk 10.3).

- adoptieonderzoeken (zie hoofdstuk 9.2), afstammingsvragen ( zie hoofdstuk 9.3)

- raadsondersteuning ter zitting (zie hoofdstuk 9.1.2.)

1 Nagaan of adres geheim moet blijven (zie 2.2.b.4)

Ondertekening

Rapporten worden ondertekend door de raadsonderzoeker en de teamleider. Indien een

gedragsdeskundige een (deel-)onderzoek instelde, ondertekent deze zijn deelrapportage. Adviezen,

verzoekschriften en verweerschriften bij Hoger Beroep worden onder vermelding van “namens de

ressortsdirecteur” ondertekend door de teamleider.

4. Omgaan met dossiers

4.1 Aanleggen, inhoud, verantwoordelijkheid, schoning en beveiliging

Aanleg

Voorlopig dossier (V-status)

In een voorlopig dossier worden opgeborgen (en van een KIS2-nummer voorzien): stukken van

meldingen die (nog) niet in onderzoek worden genomen, informatie ingewonnen inzake een verzoek

tot het verkrijgen van een Verklaring van geen bezwaar en andere losse bescheiden, waarvan het van

belang wordt geacht om deze voorlopig te bewaren. Indien ten aanzien van deze zaken alsnog wordt

besloten tot een onderzoek dan wordt het dossier definitief.

Definitief dossier (D-status)

Van elke zaak die in onderzoek wordt genomen, en waarvan nog geen dossier bestaat, wordt een

(definitief) gezinsdossier aangelegd, dat wordt voorzien van een KIS-nummer.

In strafzaken wordt een dossier aangelegd per kind; indien er reeds een gezinsdossier bestaat,wordt er

een subdossier per kind aangelegd als onderdeel van het gezinsdossier. Dit strafdossier krijgt dan ook

hetzelfde KIS-nummer als het gezinsdossier.

Bij de aanleg van een definitief dossier worden de persoonsgegevens geregistreerd welke conform

het autorisatiebesluit GBA middels automatische bevraging van de Gemeentelijke

Basisadministratie verkregen worden.

Inhoud

Een dossier bevat, voorzover van toepassing, de volgende stukken:

- het contactjournaal (chronologisch overzicht van de contacten die de raadsmedewerker(s)

gedurende het onderzoek hebben gehad met betrokkenen, informanten en derden, onder

vermelding van de datum en de wijze waarop (telefonisch of persoonlijk) en met een korte

vermelding van de reden van het contact;

- rapporten;

- alle ontvangen (met stempel datum binnenkomst)en uitgaande (met paraaf) poststukken;

verzoekschriften en adviesbrieven (ondertekend); beschikkingen; verzonden en terugontvangen

conceptteksten en andere relevante bescheiden, zoals verslagen voor zover niet verwerkt rapport,

telefoonnotities van de raadsonderzoeker (voor zover meebepalend voor het verloop van de zaak)

en van andere raadsmedewerkers en niet in het contactjournaal vermeld.

- een afschrift van de klacht,de uitspraak van de directeur,van de klachtencommissie en van de

Nationale Ombudsman.

Geen onderdeel van het dossier maken uit:

- werkaantekeningen (geheugensteun voor eigen gedachtevorming van medewerker);

- testmateriaal van een gedragsdeskundige (dit materiaal wordt in het archief bij het dossier

opgeborgen en is alleen opvraagbaar door een gedragsdeskundige).

Verantwoordelijkheid

De teamleider is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit en volledigheid van de dossiers.

De dagelijkse verantwoordelijkheid berust bij degene die het dossier op dat moment onder zich heeft.

Bewaartermijn en schoning

Een dossier is op elk moment zoveel mogelijk compleet. In geval van een verzoek om inzage in het

dossier tijdens een onderzoek moet worden nagegaan of het dossier inderdaad compleet is, zonodig de

ontbrekende stukken (laten) toevoegen en de niet tot het dossier behorende stukken (laten)

verwijderen (schonen). Ook wordt ingeval een verzoek om inzage een tussentijdse uitdraai van het

contactjournaal uit KIS gemaakt en in het dossier gevoegd.

Het dossier wordt ook geschoond, zodra het wordt overgedragen aan een volgende medewerker.

Daarnaast dient het dossier te worden geschoond na beŽindiging van het onderzoek.

In KIS worden bij de administratieve afronding van het onderzoek de aldaar opgeslagen

werkaantekeningen vernietigd.

Het testmateriaal dient gedurende vijf jaar bewaard te worden (conform de richtlijnen van de

beroepsvereniging) of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit,

mits dit wetenschappelijk verantwoord is.

2 KIS = Kinderbescherming Informatie Systeem

Beveiliging

De ruimte waarin de dossiers zijn opgeborgen mag uitsluitend betreden worden door daartoe

bevoegde medewerkers. Het uitlenen en opbergen van dossiers geschiedt uitsluitend door daartoe

bevoegde medewerkers.

Dossiers die zich buiten de archiefruimte bevinden, moeten na kantooruren in afgesloten kasten zijn

opgeborgen. De informatie van het informatiesysteem (KIS) is opgeslagen op een centraal geheugen in

een beveiligde ruimte.

Klachtdossier

Een klachtdossier bevat alle documenten die betrekking hebben op de behandeling van klachten door

of namens de ressortsdirecteur en op een eventuele behandeling door de klachtencommissie en door

de Nationale Ombudsman.

Indien er sprake is van een klacht wordt een kopie van de klacht en van de uitspraak, alsmede - indien

van toepassing - correspondentie met de rechterlijke macht over het feit dat er een klacht is ingediend

in het gezinsdossier bewaard. Ingeval klachtbehandeling door of vanwege de ressortsdirecteur heeft

plaatsgevonden wordt een klachtdossier bewaard bij het desbetreffende directiebureau van het ressort.

De ressortsdirecteur is eindverantwoordelijk voor het klachtdossier.

4.2. Intern gebruik van dossiers door medewerkers van de Raad

Rapporten en/of verslagen worden opgemaakt voor een bepaald doel, waarbij rekening wordt

gehouden met de omstandigheden van het moment. Zij zijn daardoor beperkt in hun waarde voor

andere doeleinden en tevens tijdgebonden. Uitgangspunt is dat rapporten en verslagen ouder dan ťťn

jaar niet meer in een procedure worden ingebracht.

4.3. Vernietiging van dossier

Definitief dossier

Een dossier wordt in beginsel vernietigd wanneer van het gezin het jongste kind met wie de Raad

bemoeienis had, meerderjarig is geworden, behoudens de hierna genoemde uitzonderingen:

- Dossiers in adoptiezaken dienen vooralsnog voor onbeperkte duur bewaard te worden. Dit houdt

verband met de toenemende vraag naar afstammingsgegevens. Bovendien kan het geadopteerde

kind de adoptie na zijn meerderjarigheid laten herroepen.

Zodra een geadopteerd kind meerderjarig is geworden, dient het dossier gesloten te worden

bewaard en kan slechts met toestemming van de vestigingsmanager van de betreffende vestiging

worden geopend.

- De dossiers betreffende gezinsonderzoeken met het oog op een op te nemen adoptiekind worden

na een termijn van vijf jaar vernietigd, indien in deze periode geen kind ter adoptie in het gezin

wordt geplaatst.

- Een strafdossier wordt in ieder geval vernietigd nadat de betreffende jeugdige de leeftijd van 21

jaar heeft bereikt.

Een klein aantal dossiers wordt van vernietiging uitgesloten met het oog op wetenschappelijk

onderzoek. Deze dossiers worden niet bij de Raad, maar op een centrale plaats bewaard. Deze zijn

niet op persoonsnaam toegankelijk.

Voorlopig dossier

Een voorlopig dossier wordt vernietigd vijf jaar nadat voor het laatst relevante informatie is bijgevoegd,

of zoveel eerder als van het gezin het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad

meerderjarig is geworden.

Klachtdossier

Een klachtdossier wordt vernietigd vijf jaar nadat de laatste klacht bij de klachtencommissie of

Nationale ombudsman is afgehandeld of zoveel eerder als van het gezin het jongste kind met wie de

Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.

5. Openbaarheid van persoonsgegevens in dossiers

5.1 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)

Het uitoefenen van de taken door de Raad gaat gepaard met opslaan van persoonsgegevens en met

uitwisseling van persoonsgegevens van en naar verschillende personen en instellingen. Het verwerken van

deze gegevens kan een onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen met zich

meebrengen.

De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geeft algemene normen die gericht zijn op een zorgvuldige

omgang met persoonsgegevens. Onder persoonsgegevens wordt verstaan: elk gegeven betreffende een

geÔdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Onder verwerking van deze gegevens wordt

verstaan: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet

uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procťdťs (artikel 1, onder a en b, Wbp).

De verwerking van persoonsgegevens dient op behoorlijke en zorgvuldige wijze en in overeenstemming met

de wet plaats te vinden. Persoonsgegevens worden verzameld voor een bepaald doel of bepaalde

doeleinden. Dit doel moet welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd zijn. Voor de Raad voor

de Kinderbescherming betekent dit dat gegevens verwerkt worden in verband met een goede uitoefening

van de wettelijke taken.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft de verwerking van gegevens gemeld bij het College Bescherming

Persoonsgegevens. Hoe omgegaan wordt met de persoonsgegevens staat in het privacyreglement van de

Raad voor de Kinderbescherming. (zie bijlage 5)

Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wbp, welke gegevens gevoelige informatie

over betrokkene bevat, zoals gegevens over iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, seksueel leven,

gezondheid, strafrechtelijke gegevens, is in principe niet toegestaan; de Wbp kent een aantal algemene en

specifieke uitzonderingen op dit verbod. Dit betekent in het algemeen gesproken dat deze gegevens met

terughoudendheid mogen worden verwerkt indien dit voor een goede uitoefening van de wettelijke taken

noodzakelijk is. In de meeste zaken die de Raad dient te onderzoeken is een wettelijke grond voor het

gebruik van deze bijzondere persoonsgegevens; waar geen wettelijke uitzonderingsgrond vermeld is en voor

een goede uitoefening van de wettelijke taken van de raad het gebruik van deze bijzondere gegevens

noodzakelijk is, is ontheffing aan het College Bescherming Persoonsgegevens gevraagd.(Zie paragraaf 5.1.4.).

5.1.1. Informatieverstrekking aan de betrokkene

Een persoon wiens gegevens worden verwerkt, moet kunnen nagaan wat er met die gegevens gebeurt.

Indien persoonsgegevens worden verkregen bij de betrokkene zelf dan moet de Raad de betrokkene

vůůr de verkrijging informeren voor welke doel de persoonsgegevens worden verzameld en verwerkt.

Indien de Raad de gegevens buiten de betrokkene om verkrijgt, moet hij de betrokkene over het doel

van de verzameling en verwerking van deze persoonsgegevens informeren op het moment dat de raad

de gegevens vastlegt. Als de Raad de persoonsgegevens uitsluitend verzamelt om deze aan een derde

te verstrekken, moet de Raad de betrokkene uiterlijk op het moment van eerste verstrekking aan die

derde informeren.

In de volgende gevallen is de Raad niet verplicht de betrokkene te informeren:

- de Raad hoeft de betrokkene niet te informeren als deze al op de hoogte is van de informatie;

- indien dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare

feiten;

- indien dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten

en vrijheden van anderen.

Indien de Raad de gegevens niet van de betrokkene zelf heeft verkregen, kan het verstrekken van

informatie aan de betrokkene voorts achterwege blijven:

- indien het verstrekken van informatie onmogelijk blijkt of alleen met een onevenredige inspanning

kan plaatsvinden;

- indien de vastlegging of verstrekking bij of krachtens de wet is voorgeschreven.

5.1.2. Verstrekken van inzage aan de betrokkene

De betrokkene heeft (op grond van artikel 35 van de Wbp) het recht de Raad te vragen of, en zo ja

welke persoonsgegevens de Raad ten aanzien van hem verwerkt. De Raad dient op een verzoek om

informatie zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na de dag dat het verzoek is

ontvangen te beslissen (zie onder 5.1.6).

Het antwoord op het verzoek om inzage moet in begrijpelijke vorm bevatten:

- een volledig overzicht van de door de Raad verwerkte persoonsgegevens van de betrokkene;

- een omschrijving van:

- het doel of de doeleinden van de gegevensverwerking;

- de categorieŽn van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft;

- de ontvangers of categorieŽn van ontvangers

- alle beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Voordat de Raad reageert op een verzoek om inzage, waartegen een derde naar verwachting

bedenkingen zal hebben, stelt de Raad die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te

brengen indien de informatie gegevens bevat die hem betreffen.

De Raad moet zich ervan vergewissen dat degene die om informatie op grond van de Wbp vraagt, ook

degene is over wie informatie wordt gevraagd. Indien de betrokkene minderjarig is en de leeftijd van

16 jaar nog niet heeft bereikt, moet het verzoek om inzage door de wettelijk vertegenwoordiger worden

gedaan. Het antwoord van de Raad op dit verzoek moet vervolgens ook gericht zijn aan de wettelijk

vertegenwoordiger.

Uitgangspunt is dat betrokkene recht heeft op informatieverstrekking (inzage ťn afgifte) over de in

dossiers van de Raad aanwezige informatie. Voorts dient betrokkene op zijn verzoek geÔnformeerd te

worden over de wijze waarop zijn persoonsgegevens in de computer zijn opgeslagen.

Een verzoek om informatieverstrekking kan echter in een aantal gevallen worden geweigerd. Voor de

Raad zijn met name de volgende gronden van belang:

- indien dit noodzakelijk is ter voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten (hieronder

valt onder meer het uittreksel justitieel documentatieregister);

- indien dit noodzakelijk is ter bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van

anderen. Denk hierbij aan een geheim adres van de andere ouder.

Een verzoek om informatie uit documenten,welke zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt

ingewilligd met uitzondering van daarin opgenomen hoogst persoonlijke meningen.

Of een of meer van de weigeringsgronden van toepassing zijn, moet per individueel geval worden

beoordeeld. Hierbij dient de Raad speciale aandacht te schenken aan:

- de belangen van de minderjarige(n);

- bezwaren die door andere betrokkene/derden, over wie eveneens gegevens zijn opgenomen, naar voren

zijn gebracht bij de Raad.

Indien de Raad voornemens is tot afwijzing van een verzoek in het kader van de Wbp om gehele of

gedeeltelijke inzage in en afgifte van informatie uit het dossier, doet hij daarvan schriftelijk en gemotiveerd

mededeling aan verzoeker. Indien de Raad voornemens is over te gaan tot inzage of afgifte ondanks bezwaar

van een andere betrokkene/derde over wie eveneens gegevens zijn vermeld, wordt laatstgenoemde daarover

zo spoedig mogelijk geÔnformeerd en in de gelegenheid gesteld binnen twee weken een voorlopige

voorziening te vragen, alvorens to inzage/afgifte wordt overgegaan (zie paragraaf 5.1.6).

5.1.3. Verstrekken van inzage aan een derde

Een persoon over wie geen gegevens zijn vermeld in de bij de Raad berustende stukken (een derde)

heeft op grond van de Wbp geen recht op informatie over persoonsgegevens van een ander. Aan een

derde kunnen persoonsgegevens door de Raad alleen worden verstrekt, indien hiervoor een

rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Voor de Raad kunnen met name de volgende gronden van belang

zijn:

- de betrokkene heeft voor de verstrekking van informatie zijn ondubbelzinnige toestemming

verleend;

- het verstrekken van informatie vloeit voort uit een wettelijke plicht;

- het verstrekken van informatie is noodzakelijk voor de goede taakuitoefening van de Raad;

- het verstrekken van de informatie is noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigd

belang van de raad of van de derde, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van

de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer,

prevaleert.

5.1.4. Verstrekken van informatie aan bijzondere categorieŽn derden

Gelet op het doel en de uitvoering van de taken van de Raad en de door de Raad uit te brengen rapportages

zijn er - naast betrokkenen en de in paragraaf 5.1.3. genoemde derden - enkele categorieŽn verzoekers te

onderscheiden die functioneel aanspraak kunnen maken op de rapportage van de Raad. Deze categorieŽn

zijn:

- de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie in verband met adviezen, rekesten en

voorlichting inzake strafzaken en verslagen omtrent uitvoering taakstraffen;

- het Ministerie van Justitie, indien daartoe vanuit een concrete taak reden is;

- jeugdbeschermingsinstellingen voor zover deze werken in het kader van een

kinderbeschermingsmaatregel (waaronder ook justitiŽle jeugdinrichtingen);

- jeugdbeschermingsinstellingen voor zover deze werken in het kader van het jeugdstrafrecht

(waaronder ook justitiŽle jeugdinrichtingen) en andere netwerkpartners in het jeugdstrafrecht voor

zover deze in het verlengde van de doelstelling van de Raad werken (zoals politie,

volwassenreclassering, en CAD’s).

- externe deskundigen voorzover informatieverstrekking aan hen nodig is als toelichting op een

vraagstelling van de Raad om een onderzoek door een dergelijke deskundige;

- een door een betrokkene (die zelf geen inzage krijgt in testgegevens) aan te wijzen deskundige /

beroepsbeoefenaar. Laatstgenoemde kan inzage krijgen in de testgegevens van het onderzoek van

de gedragsdeskundige. De Raad ziet erop toe dat dit materiaal vertrouwelijk wordt behandeld

hetgeen impliceert dat het materiaal door de aangewezen deskundige niet wordt gekopieerd maar

wordt teruggezonden. De aangewezen beroepsbeoefenaar dient dezelfde discipline te hebben als

de gedragsdeskundige en dient bovendien ingeschreven te staan in een register genoemd in de

Wet BIG c.q. in het betreffende beroepsregister.

- De Bureaus Jeugdzorg en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling.

Naast de hierboven genoemde categorieŽn zijn er nog drie categorieŽn die gezien hun specifieke aard

vermelding behoeven:

- de advocatuur. Voor zover een procureur / advocaat als zodanig voor een betrokkene optreedt,

vindt toezending van actuele en ter zake doende rapportage aan deze plaats;

- beklaginstanties die bevoegd zijn een oordeel te geven over de handelwijze van de Raad, nadat een

of meer betrokkenen daartoe een klacht hebben ingediend. Ter toelichting kan toezending van

rapporten en andere op de klacht betrekking hebbende stukken plaatsvinden;

- medewerkers aan wetenschappelijk onderzoek. Informatieverstrekking aan hen kan plaatsvinden

indien het wetenschappelijk onderzoek is goedgekeurd door het Ministerie van Justitie en strikte

anonimiteit van de betrokkenen is gegarandeerd.

Het verstrekken van persoonsgegevens aan bovengenoemde categorieŽn is een derdeverstrekking in de

zin van de Wbp. Voor het verstrekken van persoonsgegevens aan deze derden dient een

rechtvaardigingsgrond aanwezig te zijn. Indien een betrokkene uitdrukkelijk zijn toestemming heeft

verleend, kan aan de derde informatie worden verstrekt. Daarnaast kan door de Raad – ook zonder

toestemming van de betrokkene – informatie aan een derde worden verstrekt indien dit voortvloeit

uit een wettelijke plicht of indien de informatieverstrekking ten behoeve van een goede

taakuitoefening noodzakelijk is (artikel 8 Wbp; zie tevens paragraaf 5.1).

Aan bovengenoemde categorieŽn derden kunnen tevens zgn. bijzondere gegevens worden verstrekt.

Uitgangspunt van de Wbp is dat deze gegevens niet mogen worden verstrekt, tenzij dit verbod op

grond van een (in de artikelen 17 tot en met 23 van de Wbp genoemde) specifieke of algemene

uitzondering kan worden opgeheven, dan wel het College bescherming persoonsgegevens ontheffing

heeft gegeven.

De betrokkenen moeten van de toezending van de informatie aan de derden op de hoogte zijn. De

vermelde bijzondere categorieŽn worden geacht zodanig zorgvuldig met de toegezonden rapportage

om te gaan dat de bescherming van de privacy van de betrokkenen is gewaarborgd.

5.1.5 Wijze van informatieverstrekking

Bij verstrekken informatie dient de Raad rekening te houden met de voorkeur van de verzoeker en met

het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden. In het dossier dient te worden vermeld

dat, wanneer en aan wie, welke informatie is verstrekt.

Ingevolge artikel 39 Wbp kan de Raad van een verzoeker een vergoeding in de kosten voor de

verstrekking van een afschrift verlangen conform het besluit kostenvergoeding rechten betrokkene

Wbp van 13 juni 2001 (Stb. 2001, 305) en, indien van toepassing, met in achtneming van wijzigingen

van dit besluit.

5.1.6. Beslissing/verzet/bezwaar

Beslissing

Op een verzoek om informatie in het kader van de Wbp dient de Raad zo spoedig mogelijk te

beslissen, doch uiterlijk binnen vier weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. Indien de Raad

bezwaar heeft tegen gehele of gedeeltelijke inzage in en afgifte van informatie uit het dossier, doet hij

daarvan schriftelijk en gemotiveerd mededeling aan verzoeker.

Recht van verzet

De betrokkene kan in een aantal gevallen bezwaar maken tegen een gegevensverwerking. De Wbp

noemt dit het recht van verzet. De betrokkene heeft het recht van verzet als het verwerken van zijn

persoonsgegevens plaatsvindt op de grondslag dat de verwerking:

- noodzakelijk is voor de goede vervulling van de taak van de Raad;

- noodzakelijk is voor een gerechtvaardigd belang van de Raad of een derde.

De betrokkene kan tegen een verwerking op basis van deze grondslagen verzet aantekenen in verband

met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden. De Raad moet binnen vier weken na ontvangst van

het verzet beoordelen of het verzet terecht is gedaan. Is dat het geval, dan moet de verwerking

onmiddellijk worden beŽindigd.

Bezwaar

Tegen (gedeeltelijke) weigering tot informatieverstrekking in het kader van het verzoek om inzage kan

de betrokkene bezwaar maken bij de Raad. Ook degene die zich verzette tegen de

informatieverstrekking , terwijl de Raad toch besloot tot informatieverstrekking over te gaan, kan tegen

dit besluit bezwaar maken. In dit geval dient de Raad de belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid

een voorlopige voorziening te vragen aan de rechter, aangezien uitvoering van deze beslissing

onomkeerbaar is (zie verder hoofdstuk 7.2).

Tegen een weigering om informatieverstrekking aan een derde door de Raad op basis van de Wbp

staat geen bezwaar en beroep open. Op grond van de Wbp kan de Raad uitsluitend beoordelen of hij

tot informatieverstrekking aan een derde in het concrete geval bevoegd is. Dit wil niet zeggen dat in

een dergelijke geval de Raad verplicht is de informatie te verstrekken. De Wbp biedt de derde geen

recht op informatie.

5.1.7. Correctierecht

Betrokkene kan op grond van art. 36 Wbp verzoeken zijn gegevens te corrigeren. Binnen 4 weken dient

de raad aan betrokkene aan te geven of en in hoeverre aan het correctieverzoek wordt voldaan. Een

weigering dient gemotiveerd te worden.

5.1.8 Verantwoordelijkheid

De teamleider maakt als eindverantwoordelijke voor de casuÔstiek samen met de raadsonderzoeker of

een andere betrokken medewerker een afweging van de aangevoerde argumenten en neemt een

beslissing over het al dan niet verstrekken van informatie. Ten aanzien van testmateriaal wordt de

beslissing genomen door de teamleider in overleg met de gedragsdeskundige. Deze beslissing wordt

vooraf getoetst door een gedragsdeskundige van een andere vestiging.

5.2. Wet openbaarheid van Bestuur (Wob)

Een derde kan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een verzoek om informatie bij

de Raad indienen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie

neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een

onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Op grond

van het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van de

in de artikelen 10 en 11 van de Wob genoemde weigeringsgronden.

Voor het beleid van de Raad zijn met name de volgende weigeringsgronden van belang:

- in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad,

wordt dit ingewilligd met uitzondering van daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen;

- het verstrekken van informatie blijft achterwege indien en voor zover het belang daarvan niet

opweegt tegen de volgende belangen:

- de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

- het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid

betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen.

Bij de belangenafweging van een dergelijk verzoek aan de Raad is extra aandacht nodig voor de

bescherming van de belangen en met name de privacy van degenen over wie gegevens bekend zijn bij

de Raad. Tevens moeten betrokkenen altijd ingelicht worden over het ingediende verzoek door een

derde, opdat zij hun eventuele bezwaren kenbaar kunnen maken. Aan deze bezwaren zal veel gewicht

worden toegekend, al geldt niet dat dergelijke bezwaren bij voorbaat doorslaggevend zijn.

Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het publiek belang van een goede en

democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Het komt iedere burger in gelijke

mate toe. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar

gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker.

Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene of publieke belang bij

openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen

belangen, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. Deze belangenafweging bij een Wobverzoek

kan slechts leiden tot algemene openbaarmaking, dat wil zeggen niet tot enkel

bekendmaking aan een bepaalde verzoeker met een specifiek belang.

5.2.1.Beslissing/bezwaar

Beslissing

Op een verzoek om informatie dient de Raad zo spoedig mogelijk te beslissen doch uiterlijk binnen

twee weken,na de dag, waarop het verzoek is ontvangen.deze beslissing kan voor ten hoogste twee

weken worden uitgesteld. Van dit uitstel wordt vůůr de afloop van de eerste twee weken schriftelijk en

gemotiveerd mededeling gedaan aan verzoeker. Indien sprake is van een derde-belanghebbende wordt

deze zo mogelijk in deze procedure betrokken.

Indien de Raad bezwaar heeft tegen gehele of gedeeltelijke inzage en afgifte van informatie uit het

dossier,doet hij daarvan schriftelijk en gemotiveerd mededeling aan verzoeker.

Bezwaar

Tegen een (gedeeltelijke) weigering tot informatieverstrekking kan verzoeker bezwaar maken bij de

Raad. Een derdebelanghebbende die het niet eens met de beslissing om (gedeeltelijke) informatie te

verstrekken aan verzoeker, kan bezwaar maken bij de Raad. In dit geval dient de Raad de

belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid een voorlopige voorziening te vragen aan de rechter,

aangezien uitvoering van deze beslissing onomkeerbaar is (zie ook 7.2).

5.2.2. Verantwoordelijkheid

Gelet op het specifieke karakter van een Wob verzoek (algemene openbaarmaking) dient het verzoek

zo spoedig mogelijk ter verdere afdoening doorgeleid te worden naar de algemeen directeur van de

Raad.

5.2.3. Wijze van informatieverstrekking

De informatie kan op verschillende wijze door de Raad aan verzoeker worden verstrekt, n.l. door van

de documenten die de verlangde informatie bevatten:

- kopie te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken;

- kennisneming van de inhoud toe te staan;

- een samenvatting van de inhoud te geven, of

- inlichtingen daaruit te verschaffen.

Bij het kiezen tussen deze vormen van informatie dient de Raad rekening te houden met de voorkeur

van de verzoeker en met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden. In het dossier

dient te worden vermeld dat, wanneer en aan wie, welke informatie is verstrekt.

Ingevolge artikel 12 Wob kan de Raad van een verzoeker een vergoeding in de kosten voor de

verstrekking van een afschrift verlangen conform het besluit Tarieven Openbaarheid van Bestuur van 5

februari 1993 (Stbl.1993, 112), en indien van toepassing, met inachtneming van wijzigingen van dit

besluit.

6. Zittingsvertegenwoordiging

De vestiging die het onderzoek heeft verricht, vertegenwoordigt in beginsel zelf de Raad voor deze

zaak bij de betreffende rechterlijke instantie. Binnen de Raad kunnen de vestigingen op grond van

zittingsplanning of om geografische redenen tot andere afspraken komen. In geval van vervanging

vindt vooraf overleg plaats.

Onder verantwoordelijkheid van de teamleider wordt een medewerker aangewezen om de Raad ter

zitting te vertegenwoordigen. Uitgangspunt is dat niet de raadsonderzoeker die zelf het onderzoek

heeft gedaan als zittingsvertegenwoordiger in die zaak optreedt. In Awb-zaken, de casuÔstiek

betreffende, wordt de Raad vertegenwoordigd door de ressortsdirecteur dan wel een door de

ressortsdirecteur aangewezen persoon. Alleen ingeval van voorgeleiding in strafzaken kan de

vertegenwoordiging plaatsvinden door een raadsonderzoeker, die het betreffende onderzoek heeft

gedaan.

De zittingsvertegenwoordiger dient te beschikken over adequate juridische kennis.

De zittingsvertegenwoordiger dient het besluit dat geleid heeft tot een advies of een verzoekschrift

waar nodig nader toe te lichten en te ondersteunen. Indien ter zitting nieuwe gezichtspunten naar

voren komen, is de zittingsvertegenwoordiger gemachtigd het eerder ingenomen standpunt aan te

passen. Zonodig zal aanhouding gevraagd moeten worden voor aanvullend onderzoek en /of nadere

standpuntbepaling en besluitvorming.

Civiel /Bestuursrecht

De Raad is in ieder geval vertegenwoordigd bij zittingen waar:

- de Raad verzoekende of verwerende partij is m.b.t. een kinderbeschermingsmaatregel;

- een beroep ingevolge de Awb wordt behandeld.

De Raad is in principe vertegenwoordigd bij zittingen waar:

- een zaak behandeld wordt waarin de Raad gerapporteerd en /of geadviseerd heeft;

- de rechter dit nadrukkelijk gevraagd heeft (bijv. de voorzieningenrechter in Kort Geding of op

grond van afspraken gemaakt tussen de rechter en de betreffende vestiging).

Straf

De Raad is in strafzaken in principe vertegenwoordigd bij voorgeleidingen. In overleg kan dit

overgenomen worden door de jeugdreclassering.

De Raad is in principe vertegenwoordigd in de Raadkamer en op strafzittingen indien:

- nadere toelichting door de Raad gewenst is;

- de rechter daarom verzoekt.

7. Klachten- en bezwarenprocedure

7.1 Klachtenprocedure

Voor de klachtenprocedure van de Raad voor de Kinderbescherming moge verwezen worden naar

bijlage 1.

Nationale ombudsman

Naast de klachtenprocedure van de raad voor de Kinderbescherming heeft iedereen het recht de

Nationale ombudsman schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop (een

medewerker van) de Raad zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen.

Voordat de verzoeker zijn verzoek aan de Nationale ombudsman doet, moet hij eerst een klacht

indienen bij de Raad zelf (het zgn. kenbaarheidsvereiste), tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan

worden gevergd. Of dit laatste het geval is, is ter beoordeling van de Nationale ombudsman.

De Nationale ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien een

klacht over dezelfde gedraging bij de onafhankelijke klachtencommissie van de Raad (zie paragraaf 6.1.

onder f) in behandeling is of daardoor is afgedaan. Hij is evenmin verplicht een onderzoek in te stellen

of voort te zetten indien de verzoeker een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft

plaatsgevonden.

De klacht dient binnen ťťn jaar na de gedraging of het eindigen van de klachtenprocedure bij de Raad

c.q. bij de onafhankelijke klachtencommissie aan de Nationale ombudsman te worden voorgelegd.

Indien een klacht door de Nationale ombudsman gegrond wordt verklaard, deelt de algemeen

directeur binnen vier weken na ontvangst van de beslissing van de Nationale ombudsman aan de

klager schriftelijk mee of en zo ja welke gevolgen binnen de organisatie daaraan verbonden worden.

Gedragsdeskundigen

De gedragsdeskundigen vallen als raadsmedewerkers onder de klachtenregeling van de Raad.

Daarnaast vallen zij met betrekking tot klachten over hun professioneel handelen onder het voor de

desbetreffende beroepsgroep ingestelde klachtorgaan en onder het tuchtrecht voorzover hij/zij als

beroepsbeoefenaar staan ingeschreven in een register ingevolge de Wet BIG.

Voor klachten over externe gedragsdeskundigen wordt verwezen naar de richtlijnen voor het (laten)

verrichten van extern onderzoek (zie bijlage 2).

7.2. Bezwarenprocedure (Algemene wet bestuursrecht)

De Raad voor de Kinderbescherming is een publiekrechtelijk bestuursorgaan. Besluiten van de Raad

vallen onder de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover ze aan de in deze wet gestelde

voorwaarden voldoen:

a. Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit van de Raad is betrokken (belanghebbende)

kan hiertegen schriftelijk bezwaar maken.

b. 1. Het bezwaar moet gericht zijn tegen een schriftelijke beslissing van de Raad, inhoudende

een publiekrechtelijke rechtshandeling (besluit). Dat wil zeggen dat met de beslissing van de

Raad een rechtsgevolg moet zijn beoogd. Een rapport of een advies aan de rechter of aan de

Minister van Justitie is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht omdat dat

niet op een zelfstandig of direct rechtsgevolg is gericht. Evenmin is een besluit van de Raad

om een zaak niet in onderzoek te nemen of om na onderzoek geen verzoekschrift voor een

kinderbeschermings-maatregel in te dienen een besluit in de zin van de Algemene Wet

Bestuursrecht.

Voorbeelden van een besluit waartegen door de belanghebbenden een bezwaarschrift bij de

Raad kan worden ingediend zijn:

- het niet afgeven van een Verklaring van geen bezwaar door de Raad (zie hoofdstuk

9.4.1);

- een beslissing op een verzoek om afgifte van stukken in het kader van de Wob (zie

Hoofdstuk 5);

- een besluit in het kader van de Wbp (zie Hoofdstuk 5).

2. Ook tegen een schriftelijke weigering van de Raad om een besluit in de zin van de Algemene

Wet Bestuursrecht te nemen en tegen het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit (zgn.

fictieve weigering) kan door de belanghebbende een bezwaarschrift worden ingediend.

3. Het maken van bezwaar heeft geen schorsende werking ten aanzien van het besluit

waartegen het is gericht. Wel kan aan de rechter een voorlopige voorziening worden gevraagd

met schorsende werking, om te voorkomen dat een besluit ten uitvoer wordt gelegd, terwijl dat

onomkeerbaar is (bijv. de afgifte van een rapport in het kader van de Wbp of de Wob).

c. Het bezwaarschrift moet ingediend worden bij de Raad en wel bij de vestiging of de directie

die het besluit genomen heeft of had moeten nemen.

d. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na de bekendmaking (door toezending of

uitreiking) van het besluit worden ingediend.

e. De Raad bevestigt aan de indiener en /of zijn gemachtigde schriftelijk de ontvangst van het

bezwaarschrift.

1. Voordat de Raad op het bezwaar beslist, moet de belanghebbende in de gelegenheid

worden gesteld te worden gehoord. Van dit horen kan worden afgezien, indien duidelijk is

dat het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de belanghebbende

van het horen afziet of er aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen;

2. Het horen geschiedt door een of meerder medewerker(s) die niet bij de voorbereiding van

het bestreden besluit betrokken zijn geweest;

3. De belanghebbende kan zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon of raadsman.

Ook kan hij/zij zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

f. 1. Het besluit wordt in beginsel binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift

genomen door een hogere leidinggevende. Voor de Raad betekent dit dat een bezwaar op een

besluit van een vestiging (teamleider of vestigingsmanager) behandeld wordt door de

ressortsdirecteur en een bezwaar op een besluit van een ressortsdirecteur door de algemeen

directeur;

2. In de beslissing op het bezwaarschrift moet worden aangegeven dat binnen zes weken bij de

rechtbank tegen de beslissing van de Raad beroep kan worden aangetekend;

3. In zich voordoende situaties (zie dit hoofdstuk b. onder 3.) dient betrokkene ook

geÔnformeerd te worden over de mogelijkheid een voorlopige voorziening te vragen.

Hoofdstuk 8. Beleidsaanwijzingen beschermingszaken

8.1.a. Positie van de Raad binnen de Jeugdzorg

8.1.b. Intake

8.1.c. Onderzoek

8.1.1 Opvoedingsproblemen

8.1.1.1 Inleiding

8.1.1.2 Maatregelen van kinderbescherming

a. kinderbeschermingmaatregelen

b. beleidsuitgangspunten voor keuze maatregel

8.1.1.3 Onderzoek opvoedingsproblematiek

8.1.1.4 Toetsende taak tav besluitvorming GVI tijdens ots

8.1.1.4.1 Inleiding

8.1.1.4.2 Doel toetsing

8.1.1.4.3 Procedure

8.1.1.5 Adviestaak n.a.v. verzoek tot ondertoezichtstelling en tijdens ots

8.1.1.6 Verderstrekkende maatregel na ondertoezichtstelling

8.1.1.7 Herstel in het ouderlijk gezag

8. Beleidsaanwijzingen beschermingszaken

8.1.a. De positie van de Raad binnen de Jeugdzorg

De Raad is gelegitimeerd om onderzoek te doen naar een verzorgings- of opvoedingssituatie wanneer

er sprake is van een (vermoedelijke) schending van het fundamentele recht van een minderjarige op

een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid. De Raad kan dat ook doen

als betrokkenen daarom niet zelf hebben gevraagd of dat zelf niet wensen.

De Raad doet dit als tweede lijnsorganisatie op verzoek van een Bureau Jeugdzorg of van een Adviesen

Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en bij uitzondering – met name ingeval van acute en

ernstige crisissituaties (zie 8.1.b.) – op verzoek van een belanghebbende of naar aanleiding van een

melding van derden.

Tijdens zijn onderzoek tracht de Raad te komen tot een voor het kind adequate oplossing, waarbij de

ouders hun verantwoordelijkheid al dan niet met ondersteuning van vrijwillige hulpverlening kunnen

nemen. Wanneer een vermoeden niet door feiten of omstandigheden kan worden bevestigd, dient van

verder onderzoek te worden afgezien.

Indien tijdens een onderzoek, niet zijnde een beschermingsonderzoek, een zodanige

opvoedingsproblematiek vermoed wordt, dat een kinderbeschermingsmaatregel overwogen moet

worden, kan de Raad ambtshalve het aangevangen onderzoek uitbreiden tot een

beschermingsonderzoek.

In het geheel van de jeugdzorg neemt de Raad een bijzondere positie in. De Raad onderzoekt, op basis

van zijn wettelijke opdracht, voor kinderen bedreigende verzorgings- en opvoedingssituaties teneinde

tot passende oplossingen daarvoor te komen, maar maakt geen deel uit van het Bureau Jeugdzorg

(BJZ), dat de toegang vormt voor geÔndiceerde jeugdzorg.

Omdat de ontwikkelingen in de jeugdzorg nog in volle gang zijn en er nog verschillen zijn in de mate

waarin die ontwikkelingen in de praktijk van alle dag bij AMK, BJZ en Raad worden of zijn vertaald,

kunnen zich nog enige tijd afwijkende werkwijzen in de uitvoeringspraktijk voordoen. Dat geldt met

name voor de overdracht van de intake in beschermingszaken (opvoedingsproblemen) van de Raad

aan AMK en BJZ. De Raad streeft ernaar met ingang van het moment van inwerkingtreding van de Wet

op de Jeugdzorg de intake volledig te hebben overgedragen aan BJZ en AMK, uitgezonderd acute en

levensbedreigende situaties, zoals vermeld onder 8.1 b.

Uitgangspunten voor het handelen van de Raad in beschermingzaken:

Het belang van de minderjarige vormt steeds de eerste overweging.

1. Het handelen van de Raad moet primair gericht zijn op het vinden van oplossingen voor gerezen

opvoedingsproblemen.

2. Waar mogelijk en voor zover het belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet, wordt

gezocht naar oplossingen die de ouders (weer) in staat stellen hun primaire verantwoordelijkheid

voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige zelfstandig te dragen.

3. Voorzieningen voor jeugdzorg worden daarbij, ook tijdens het onderzoek, optimaal benut.

4. Wanneer de noodzakelijke hulpverlening niet op vrijwillige basis tot stand kan worden gebracht,

zal de Raad een kinderbeschermingsmaatregel vragen.

8.1.b Intake

Uitgangspunt is dat de intake in beschermingszaken betreffende opvoedingsproblemen wordt gedaan

door Bureaus Jeugdzorg (BJZ) c.q. door de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK). Dit

betekent dat de meldingen bij deze instellingen gedaan moeten worden. De Raad zal slechts in acute,

levensbedreigende situaties rechtstreeks een melding in ontvangst nemen en de intake zelf doen.

Indien BJZ of AMK de Raad om een onderzoek vraagt, zal de Raad dat verzoek op basis van

geprotocolleerde afspraken toetsen. De Raad beoordeelt of de beschikbare informatie voldoende is om

een onderzoek in te stellen, dan wel dat eerst nadere informatie nodig is.

In een aantal situaties zal de melding van een zaak rechtstreeks bij de Raad gebeuren en zal de Raad

zelf de intake verrichten. Het gaat daarbij om de volgende situaties:

1. Beoordelen en toetsen van rechtstreekse meldingen van acute en levensbedreigende situaties voor

een kind.

Het betreft hier meldingen van opvoedingsproblemen waarbij sprake is van een acute en

levensbedreiging van het kind ťn waarbij aan het kind onmiddellijk hulp (of zorg) moet worden

geboden ťn waarbij de ouders (of wettelijke vertegenwoordigers) de hulp (of zorg) niet geven.

De Raad beoordeelt op basis van de beschikbare informatie of het instellen van een onderzoek een

adequate reactie is.

2. Toetsende taak ten aanzien van besluitvorming van een gezinsvoogdij-instelling (GVI) tijdens de

ondertoezichtstelling (OTS). (Zie paragraaf 8.1.1.4)

3. Toetsen / beoordelen van ‘ambtshalve meldingen’.

Ambtshalve meldingen van opvoedingsproblemen zijn meldingen die voortkomen uit een

raadsonderzoek in een andere categorie. (zie hoofdstuk 3.1)

4. Restintake in de categorie beschermingszaken. Er is een aantal beschermingszaken dat

rechtstreeks naar de Raad gestuurd wordt, omdat BJZ of AMK daarin geen functie heeft. Het gaat

dan bijvoorbeeld om een verzoek van de kantonrechter om een onderzoek of een verzoek van een

gezinsvoogdij-instelling om een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel (zie paragraaf

8.1.1.6.). De Raad beoordeelt of de beschikbare informatie voldoende (helder) is om een gewenste

of noodzakelijke reactie van de Raad te kunnen vaststellen en of op basis van de beschikbare

informatie het instellen van een raadsonderzoek een adequate reactie is.

5. (Overige) consult en informatiefunctie.

De Raad kan altijd gebeld worden met vragen. Indien het vragen betreft ten aanzien van hulp bij

opvoedingsproblematiek zal de Raad verwijzen naar BJZ. Indien sprake is van een vermoeden van

kindermishandeling, zal de Raad verwijzen naar het AMK.

Een aanzienlijk deel van de consult- en informatievragen betreft vragen op het gebied van

Scheiding & Omgang. In de komende tijd zal duidelijk worden of deze informatievragen te zijner

tijd eveneens door BJZ of een andere instelling beantwoord moeten/kunnen gaan worden.

Vooralsnog worden cliŽnten hierover te woord gestaan door de Raad.

Kwaliteitseisen ten aanzien van de intakewerkzaamheden:

Uitvoering geschiedt door een raadsonderzoeker met specifieke kennis en vaardigheden (o.a.

juridische kennis, kennis van de sociale kaart, inzicht in de samenwerkingsrelaties en netwerken in

de regio, vaardigheden met betrekking tot de consultfunctie);

Besluitvorming vindt plaats door tenminste twee medewerkers, onder wie de teamleider, die de

eindverantwoordelijkheid draagt;

Zo nodig wordt de gedragsdeskundige of de juridische deskundige betrokken in deze

besluitvorming;

Een voorlopige/ eerste reactie wordt, in ieder geval aan de melder, gegeven binnen 48 uur;

Het inwinnen van informatie vindt in de regel plaats met medeweten en toestemming van de

direct betrokkenen;

De intakewerkzaamheden worden in principe verricht binnen het desbetreffende

onderzoeksteam.

Ten aanzien van rechtstreekse meldingen van een acute en levensbedreigende situatie van een

kind wordt een intakebesluit door de teamleider en raadsonderzoeker van het desbetreffende

onderzoeksteam genomen.

De lokale werkwijze ten aanzien van de intakewerkzaamheden is duidelijk omschreven en is

gecommuniceerd naar de medewerkers en de instellingen en instanties waarmee de Raad

samenwerkt.

Anonieme meldingen van crisissituaties

Meldingen van een crisissituatie van een minderjarige, waarbij de melder anoniem wenst te blijven,

worden in behandeling genomen indien het evident is dat er sprake is van een (mogelijk) ernstige

acute bedreiging van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige

ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid.

Dit geldt zowel wanneer de melder anoniem wenst te blijven ten opzichte van de Raad als wanneer de

melder anoniem wenst te blijven ten opzichte van degene over wie wordt gemeld.

In het laatste geval gaat de raadsonderzoeker na welke de relatie is van de melder ten opzichte van het

gemelde gezin:

a. Gaat het om een professionele melder zoals een professionele (jeugd)hulpverlener die anoniem

wenst te blijven ten opzichte van degene over wie wordt gemeld dan wijst de raadsonderzoeker

deze op diens verantwoordelijkheid om als bekende melder op te treden. Handhaaft de

professionele melder zijn wens tot anonimiteit dan wordt deze wens slechts geaccepteerd indien

er ernstige risico’s voor de professionele melder zouden ontstaan.

b. Gaat het om een beroepsbeoefenaar zoals een huisarts, leerkracht of wijkverpleegkundige die

anoniem wil blijven ten opzichte van degene over wie wordt gemeld dan wordt deze melding in

behandeling genomen nadat is bevorderd dat niet-anoniem wordt gemeld.

c. Betreft het een particuliere melder die anoniem wenst te blijven dan poogt de raadsonderzoeker

zoveel mogelijk relevante informatie te verkrijgen over de situatie waarin de minderjarige zich

bevindt. De informatie moet de raadsonderzoeker in staat stellen een afgewogen oordeel te geven

over de ernst van de situatie en een gefundeerde rechtvaardiging bieden om de anonieme melding

in behandeling te nemen.

8.1.c. Onderzoek

zie ook hoofdstuk 3

Nadere procedure in beschermingszaken

Het onderzoek vangt aan op basis van tevoren door de raadsonderzoeker geformuleerde

onderzoeksvragen waarbij het belang van de minderjarige centraal staat. Bij de vaststelling van de

onderzoeksvragen dient de gedragsdeskundige te worden betrokken. Deze onderzoeksvragen vormen

de basis en leidraad voor het opzetten van een onderzoeksplan en geven sturing aan het onderzoek.

In het onderzoek dient aan de orde te komen:

- de feiten en de omstandigheden die aanleiding zijn voor het onderzoek;

- de ontstaansgeschiedenis van de problemen;

- het gezinspatroon en de situatie van de (overige) in het gezin verblijvende minderjarigen;

- de persoon van de ouder(s) en/of verzorgers en van de betreffende minderjarige;

- de ontwikkelingsfase waarin deze minderjarige zich bevindt;

- de opvoedingsmogelijkheden van de ouder(s) en/of verzorgers;

- indien het zich voordoet, de mogelijkheden ten aanzien van hulpverlening, de eventuele

hulpverleningsgeschiedenis;

- de toekomstverwachtingen.

Wanneer hulpverlening op vrijwillige basis niet (meer) tot de mogelijkheden behoort maar wel

aangewezen is en de minderjarige hierdoor in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, wordt een

kinderbeschermingsmaatregel overwogen. Bij de besluitvorming hierover is de gedragsdeskundige en

zonodig de juridisch deskundige betrokken (zie hoofdstuk 3). De te vragen maatregel en de

consequenties ervan worden met betrokkenen besproken; tevens worden de ouders en/of verzorgers

er op gewezen dat zij kunnen opteren voor een (gezins-)voogd met een specifieke godsdienstige of

levensbeschouwelijke overtuiging dan wel een (gezins-)voogd die deskundig is in hulpverlening aan

gehandicapte kinderen.

8.1.1 Opvoedingsproblemen

8.1.1.1 Inleiding

De Raad is gelegitimeerd om naar een verzorgings- en opvoedingssituatie van een minderjarige een

onderzoek in te stellen, wanneer sprake is van een (vermoedelijke) schending van het fundamentele

recht van die minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar

zelfstandigheid en wanneer op grond daarvan een maatregel van kinderbescherming overwogen moet

worden.

De Raad doet dit naar aanleiding van een melding van een Bureau Jeugdzorg (BJZ) of een Advies- en

Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en bij uitzondering na een rechtstreekse melding van een acute

en levensbedreigende situatie van een minderjarige.

Indien tijdens een onderzoek, niet zijnde een beschermingsonderzoek, een zodanige

opvoedingsproblematiek vermoed wordt, dat een kinderbeschermingsmaatregel overwogen moet

worden, kan de Raad ambtshalve het aangevangen onderzoek uitbreiden tot een onderzoek naar

opvoedingsproblemen.

De Raad zal de rechter verzoeken een maatregel uit te spreken indien het vermoeden van een ernstige

bedreiging van het kind tijdens het onderzoek door feiten en /of omstandigheden bevestigd wordt en

andere middelen hebben gefaald of naar is te voorzien zullen falen.

8.1.1.2 Maatregelen van kinderbescherming

a. De kinderbeschermingsmaatregelen zijn:

- de (voorlopige) ondertoezichtstelling;

- de voorlopige voogdij;

- de ontheffing;

- de ontzetting.

Voor een beschrijving van de kinderbeschermingsmaatregelen zie bijlage 2.

Alle maatregelen kunnen worden verzocht door de Raad voor de Kinderbescherming, of door de

Officier van Justitie. In sommige gevallen kan een (pleeg)ouder dan wel een bloed- of aanverwant van

het kind tot en met de vierde graad de rechter verzoeken een maatregel uit te spreken.

b. Beleidsuitgangspunten voor keuze maatregel

Met inachtneming van de in de wet neergelegde gronden dient de keuze van de te verzoeken

(voorlopige) maatregel door de Raad te worden bepaald door:

- de ernst van de bedreiging van de minderjarige;

- de hulpverlening nodig ter afwending van de bedreiging van de minderjarige;

- de toekomstige mogelijkheden van de ouders met betrekking tot de verzorging en opvoeding van

de minderjarige;

- de verwachting ten aanzien van het effect van de maatregel en, waar aan de orde, van

continuering van eerder in het vrijwillige kader verleende hulp.

- de gezagssituatie van de minderjarige

Wanneer de Raad besluit de rechter een (voorlopige) maatregel, al dan niet met een machtiging tot

uithuisplaatsing, te vragen moet in het rapport, dat deel uitmaakt van het rekest, informatie staan en

de redenen waarom de maatregel wordt gevraagd, met benoeming en onderbouwing van de in de wet

genoemde gronden. In het rekest –waarvan het raadsrapport deel uitmaakt - dient te worden

aangegeven wie belanghebbenden zijn.(zie ook 3.2 onder F.)

Nadat een kinderbeschermingsmaatregel door de rechter is uitgesproken is de raadsonderzoeker

verantwoordelijk voor de overdracht aan de (gezins)voogdij-instelling (GVI).

8.1.1.3 onderzoek opvoedingsproblematiek

Op systematische en procesmatige wijze worden relevante gegevens verzameld naar aanleiding van

een melding, op basis van tevoren geformuleerde onderzoeksvragen. Tijdens het onderzoek worden de

(opvoedings-)problematiek en de omstandigheden van de minderjarige in beeld gebracht (zie ook

paragraaf 8.1.c). Het onderzoek mondt uit in een conclusie en besluit m.b.t. de vraag hoe de

(opvoedings-)problemen met betrekking tot de minderjarige aangepakt moeten worden teneinde een

bedreiging van de ontwikkeling te voorkomen en waarom zo nodig de rechter om een

kinderbeschermingsmaatregel wordt verzocht.

8.1.1.4. Toetsende taak t.a.v. besluitvorming GVI tijdens ondertoezichtstelling

8.1.1.4.1. Inleiding

Na het uitspreken van een ondertoezichtstelling door de kinderrechter is de gezinsvoogdij-instelling

(GVI) verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatregel. Dit geldt ook voor een door de

kinderrechter aan de GVI verleende machtiging tot uithuisplaatsing.

De GVI kan dan ook zelfstandig aanwijzingen geven en beslissingen nemen. Er zijn drie situaties

waarin de wet bepaalt dat de Raad de besluitvorming moet toetsen. Dit betreft besluiten die niet

vooraf aan het oordeel van de rechter onderworpen zijn, te weten:

De situatie dat de GVI:

1. geen verlenging vraagt van de door de kinderrechter bepaalde termijn (van max. 1 jaar) van de

ondertoezichtstelling;

2. geen verlenging vraagt van de door de kinderrechter bepaalde termijn (van max. 1 jaar) van

een machtiging tot uithuisplaatsing;

3. een uithuisplaatsing tussentijds wil beŽindigen, dus vůůr het aflopen van de door de

kinderrechter bepaalde termijn.

In alle genoemde situaties moet de GVI de Raad van het voornemen tot niet verlengen of tussentijds

beŽindigen zo spoedig mogelijk mededeling doen, onder overlegging van een verslag van het verloop

van de ondertoezichtstelling en /of uithuisplaatsing. De Raad behandelt deze mededeling als melding

van een beschermingszaak. De Raad kan nadere informatie vragen, zelf een onderzoek instellen en

zonodig rekestreren.

8.1.1.4.2 Doel toetsing

De Raad beoordeelt of op grond van de informatie van de GVI of de voorgenomen beslissing van de

GVI in bovengenoemde situaties in het belang van de minderjarige is, dan wel dat meer informatie van

de GVI nodig is of een nader onderzoek door de Raad geÔndiceerd is.

8.1.1.4.3 Procedure

zie ook hoofdstuk 3

De raadsonderzoeker beoordeelt de binnenkomende stukken als een melding van een

beschermingszaak. Deze stukken betreffen het hulpverleningsplan, inclusief het verslag over het

verloop van de ondertoezichtstelling en ingeval van uithuisplaatsing tevens het verslag over het

verloop van het verblijf in het pleeggezin c.q. de rapportage van de opnemende instantie.

De raadsonderzoeker raadpleegt daarbij tevens het bestaande dossier van de Raad en recente

informatie in KIS.

De zaak wordt op stukken afgedaan, tenzij:

1. het verslag van de GVI onvoldoende inzicht geeft in de situatie van de betreffende minderjarige

en ouders dan wel verzorgers om tot een verantwoord besluit te kunnen komen;

2. het verslag aanwijzingen bevat dat de GVI en de ouders/verzorgers/minderjarige van mening

verschillen;

3. het verslag aanwijzingen bevat dat er nog steeds reden is voor ernstige zorg over de verzorgings- en

opvoedingssituatie van betreffende minderjarige;

4. de Raad anderszins informatie heeft die niet tot een conclusie leidt als het voorstel dat de GVI

inhoudt.

Reactie van de Raad op drie voorkomende situaties :

1. De rapportage van de GVI is duidelijk en de Raad ziet geen aanleiding zich (nog) ernstig zorgen te

maken over de verzorgings- en opvoedingssituatie van de minderjarige bij zijn ouders. In dit geval

wordt besloten geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen niet-verlenging van de

ondertoezichtstelling en/of de plaatsing of tegen de tussentijdse beŽindiging van de plaatsing.

2. De rapportage van de GVI biedt onvoldoende inzicht in de situatie van de minderjarige en ouders

dan wel verzorgers.

In dit geval neemt de raadsonderzoeker contact op met de GVI. Leidt dit tot nieuwe informatie,

dan wordt deze alsnog ten behoeve van de Raad door de GVI op schrift gesteld.

De GVI licht de cliŽnten in.

Heeft de Raad op basis van de aanvullende rapportage van de GVI voldoende inzicht gekregen in

de situatie van de minderjarige en zijn ouders/ verzorgers en ziet de Raad daarin geen aanleiding

om zich ernstig zorgen te maken over de verzorgings- en opvoedingssituatie van de minderjarige

bij de ouders dan wordt alsnog besloten geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen nietverlenging

van de ondertoezichtstelling en /of de plaatsing of de tussentijdse beŽindiging van de

plaatsing.

3. Heeft de Raad ook op basis van de aanvullende rapportage onvoldoende inzicht gekregen in de

situatie van het cliŽntsysteem of zijn er aanwijzingen dat er verschil van mening is tussen de GVI

en de cliŽnten of dat er nog steeds reden is voor ernstige zorg over de verzorgings- en

opvoedingssituatie dan zal de Raad besluiten een onderzoek in te stellen.

De Raad deelt zijn besluit in de hiervoor genoemde situaties a. t/m c. uiterlijk ťťn week na ontvangst

van de melding, schriftelijk mee aan de GVI. Indien de Raad niet voldoende tijd heeft om zijn

toetsende taak te vervullen, wordt een besluit genomen tot het al dan niet indienen van een

verlengingsverzoek bij de kinderrechter door de Raad.

Het in te stellen onderzoek is primair gericht op de resultaten van de hulp in het kader van de

kinderbeschermingsmaatregel, inclusief die van een eventuele plaatsing. Nagegaan wordt of de

verzorgings- en opvoedingssituatie bij de ouders/verzorgers zodanig verbeterd is dat de grond voor de

ondertoezichtstelling en /of plaatsing niet meer aanwezig is.

Het onderzoek kan alsnog leiden tot het besluit geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen niet

verlenging van de ondertoezichtstelling en /of plaatsing dan wel beŽindiging van de plaatsing. De

Raad kan ook besluiten om een verzoek in te dienen tot verlenging van de ondertoezichtstelling,

tot een nieuwe machtiging uithuisplaatsing of tot vervanging van de GVI. Indien daartoe gronden

zijn kan de Raad voorts besluiten een rekest tot ontheffing in te dienen (zie 8.1.1.6).

Het onderzoek wordt in beginsel binnen 3 weken na ontvangst van de melding, afgesloten.

8.1.1.5 Adviestaak n.a.v. verzoek tot ondertoezichtstelling en tijdens ots

zie ook paragraaf 8.1.c en hoofdstuk 3

Een ouder, al dan niet met juridisch gezag, kan een verzoek tot ondertoezichtstelling bij de

kinderrechter indienen; ook pleegouders hebben deze mogelijkheid. Eveneens kan ook de Officier van

Justitie deze maatregel verzoeken. Betreft het een verzoek van een (pleeg-)ouder of de Officier van

Justitie tot ondertoezichtstelling dan zal de Raad op verzoek van de rechter een onderzoek instellen en

adviseren over de noodzaak van de maatregel.

Tijdens de ondertoezichtstelling kunnen zowel ouders als GVI de volgende verzoeken bij de

kinderrechter indienen:

een verzoek tot - verlenging van de ondertoezichtstelling;

- tussentijdse opheffing van de ondertoezichtstelling;

- vervanging GVI.

Indien sprake is van een verzoek tijdens de ondertoezichtstelling zal de raad op verzoek van de

kinderrechter een onderzoek instellen en adviseren.

Er zijn ook verzoeken die niet door een ouder aan de rechter kunnen worden voorgelegd, zoals:

- machtiging uithuisplaatsing;

- vervangende toestemming voor medische behandeling

De rechter kan naar aanleiding van deze verzoeken de Raad vragen om advies, al dan niet met

een onderzoek. Voorzover het een verzoek betreft tijdens een ondertoezichtstelling zal de raad

uitgaan van de vraagstelling van de rechter en van de inhoud van het verzoekschrift en ingeval

van een uithuisplaatsing, tevens het verslag van het verblijf in het pleeggezin c.q. het verslag van

de opnemende instantie.

8.1.1.6. Verderstrekkende maatregel na ondertoezichtstelling (1:268 BW)

zie ook paragraaf 8.1.c en hoofdstuk 3

Zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing in het kader van deze maatregel zijn bedoeld als

(tijdelijke) hulp en steun teneinde de bedreiging van de ontwikkeling van het kind weg te nemen. Bij een

uithuisplaatsing dienen de mogelijkheden van een thuisplaatsing van de minderjarige steeds bezien te

worden. De ouder zal zo mogelijk hulp ontvangen om de opvoeding en verzorging van het kind weer zelf ter

hand te kunnen nemen. De maatregel en de machtiging kunnen slechts voor maximaal ťťn jaar worden

uitgesproken. Deze termijn kan telkens met een jaar worden verlengd.

Indien de ondertoezichtstelling door ongeschiktheid of onmacht van de ouders tot verzorging en opvoeding

onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind af te wenden, kunnen de

ouders na 6 maanden ondertoezichtstelling, of na anderhalf jaar machtiging uithuisplaatsing van het kind,

gedwongen ontheven worden van het ouderlijk gezag.

De GVI en /of pleegouders kunnen de Raad vragen een onderzoek in te stellen naar de noodzaak

of wenselijkheid van een (gedwongen) ontheffing. De Raad zal bij het onderzoek gebruik maken van het

eigen dossier, van het hulpverleningsplan van de GVI, inclusief het verslag over het verloop van de

ondertoezichtstelling en ingeval van uithuisplaatsing van het verslag over het verloop van het verblijf in het

pleeggezin c.q. van de rapportage van de opnemende instantie.

Als sprake is van een pleeggezinplaatsing zal, gezien de termijn welke de minderjarige in het pleeggezin

verblijft, bijzondere aandacht gegeven worden aan de ontwikkeling van het kind binnen het pleeggezin en

het belang van het kind om de op gang gebrachte opvoedingssituatie te continueren. Indien de wettelijke

gronden tot een verderstrekkende maatregel aanwezig zijn en besloten wordt tot een maatregel van

(gedwongen) ontheffing, dient bezien te worden of pleegouders met de voogdij over de minderjarige belast

kunnen worden.

8.1.1.7 Herstel in het ouderlijk gezag (1:277, 278 BW)

zie ook paragraaf 8.1.c en hoofdstuk 3

Een ouder die ontheven is van of ontzet is uit zijn gezag kan de rechtbank verzoeken in het gezag hersteld te

worden (dit verzoek kan ook door de Raad gedaan worden). De rechtbank zal dit verzoek toewijzen indien

hij ervan overtuigd is dat de minderjarige weer aan zijn ontheven of ontzette ouder kan worden

toevertrouwd.

Indien bij de ontheffing c.q. ontzetting het gezag was opgedragen aan de andere ouder en het verzoek tot

herstel alleen door de ontheven of ontzette ouder wordt gedaan, dan belast de rechter deze ouder niet met

het gezag tenzij de omstandigheden, waarbij het gezag werd opgedragen aan de andere ouder zijn gewijzigd

of destijds van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Naar aanleiding van dit verzoek tot herstel kan

de rechter de Raad om onderzoek en advies vragen.

Hangende het onderzoek kan zowel de Raad als de ouder die heeft verzocht in het gezag te worden hersteld,

de rechtbank verzoeken de beslissing aan te houden voor een proeftijd van maximaal 6 maanden,

gedurende welke tijd het kind bij de verzoekende ouder verblijft.

8.1.2 Weggelopen minderjarigen

Aan een weggelopen minderjarige kan hulp worden verleend, in de vorm van het verschaffen of

regelen van onderdak, door een officiŽle (d.i. een door de overheid gesubsidieerde) instelling of door

een niet-officiŽle instelling (dit kan ook een particulier zijn). Een ieder die een weggelopen

minderjarige aan onderdak helpt, moet dit onverwijld melden aan degene(n) die het gezag heeft

(hebben) over de minderjarige. Ingeval de minderjarige onder toezicht is gesteld, dient ook de

Gezinsvoogdij-instelling geÔnformeerd te worden.

Een jeugdhulpverleningsinstelling of een particulier moet tevens zijn identiteit en zijn verblijfplaats

bekendmaken aan de gezagsdrager(s). Deze melder kan er echter ook voor kiezen een melding te doen

aan de Raad voor de Kinderbescherming, waarbij de verblijfplaats van de minderjarige aan de Raad

bekend gemaakt moet worden.

Het niet melden op de voorgeschreven wijze aan de gezagsdrager(s) of aan de Raad is strafbaar.

Een officiŽle instelling die zelf geen plaatsende instelling is, moet zo spoedig mogelijk een plaatsende

instelling, met opgave van redenen, informeren over de plaatsing. Een officiŽle instelling is niet

verplicht aan de Raad te melden. De plaatsende instelling moet op haar beurt binnen 14 dagen nagaan

of verdere plaatsing en begeleiding voor de minderjarige aangewezen is. Indien uit dit onderzoek blijkt

dat de hiervoor genoemde hulpverlening wel noodzakelijk is, maar dat de gezagsdrager(s) hieraan niet

wil(len) meewerken, is nader onderzoek door de Raad aangewezen.

Procedure (zie ook hoofdstuk 3 en paragraaf 8.1.1)

Indien een niet-officiŽle instelling of een particulier aan de Raad het weglopen van een minderjarige

aan de raad meldt, wordt - gelet op art. 280 Sr. - de volgende procedure gevolgd:

1. de gegevens van de melding worden zorgvuldig genoteerd omdat deze van belang kunnen zijn

mede in een mogelijke door de gezagsdrager(s) aan te spannen strafzaak tegen de

(medewerker van de) niet-officiŽle instelling of de particulier die onderdak verleende aan de

weggelopen minderjarige ( art. 280 Sr). Het aannemen van de melding wordt gedaan door de

raadsonderzoeker die met de (spoed)intake is belast.

Naast de gebruikelijke personalia worden in ieder geval genoteerd:

- datum van melding, datum van weglopen en datum van inschakeling instelling c.q.

particulier;

- verblijfplaats minderjarige;

- naam van de instelling of van de particulier;

- adres van de instelling of van de particulier.

2. De Raad informeert de melder dat de Raad via archief, Gemeentelijke Basisadministratie (GBA)

en Justitieel Documentatieregister (JDR) zal nagaan of er bezwaren bekend zijn ten aanzien

van degene die de minderjarige opvangt. Indien degene die de minderjarige opvangt aangeeft

een erkend pleeggezin te zijn, wordt dit bij de voorziening van pleegzorg nagetrokken.

3. De Raad vraagt de melder of deze de gezagsdrager(s) reeds op de hoogte heeft gesteld. In ieder

geval informeert ook de Raad zelf onverwijld de gezagsdrager(s) over de melding. Hij deelt dan

tevens mee met welke medewerker van de Raad daarover contact kan worden opgenomen en

wat de Raad gaat doen c.q. dat nader bericht volgt. De verblijfplaats van de minderjarige moet

aan de gezagsdragers bekend worden gemaakt, tenzij het belang van de minderjarige zich

hiertegen verzet.

Zodra het belang van de minderjarige zich hier niet meer tegen verzet moet(en) degene(n) die

met het gezag over de minderjarige zijn belast door de Raad over de verblijfplaats van de

minderjarige worden ingelicht

4. De Raad raadpleegt zo spoedig mogelijk het archief, waarbij wordt nagegaan of het

opvanggezin bekend is, en vraagt informatie bij de GBA en het Justitieel Documentatieregister

overeenkomstig de procedure bij aanvraag van een Verklaring van geen bezwaar (zie hoofdstuk

9.4). Indien nodig wordt de zaak aangemeld bij een voorziening van pleegzorg.

5. Indien besloten wordt tot een onderzoek door de Raad wordt het opvangadres /gezin zo

spoedig mogelijk na de melding bezocht. Met de minderjarige wordt apart gesproken.

Bijzondere aandacht verdient het schoolbezoek van de minderjarige.

6. Indien er geen reden is voor een onderzoek wordt dit schriftelijk aan de gezagsdrager(s),

de minderjarige van 12 jaar en ouder en degene die onderdak verschafte of regelde,

meegedeeld. Bij de besluitvorming wordt de mogelijkheid van verwijzing naar een

hulpverleningsinstelling betrokken.

8.1.3 Opneming kind bij een ouder in een inrichting

8.1.3.1Inleiding

Indien een gedetineerde, een tbs-gestelde of een jeugdige, die in een penitentiaire inrichting, een tbsinrichting

of een justitiŽle jeugdinrichting verblijft, haar of zijn kind in een inrichting wil opnemen, is

hiervoor de toestemming van de directeur van de inrichting vereist. Deze kan hiertoe advies van de

Raad inwinnen. De Raad kan ook om onderzoek gevraagd worden als de directeur de toestemming tot

opneming wil intrekken en in het kader hiervan een raadsonderzoek wenst.

Voor een gezonde, evenwichtige ontwikkeling van een kind moet worden voldaan aan een aantal

voorwaarden. Zo is voor een goede persoonlijkheidsontwikkeling van het kind een duurzame

hechting- en opvoedingsrelatie tussen het kind en zijn opvoeder noodzakelijk.

Voor een goede ontwikkeling van het kind is het met name van belang dat het kind in de periode van 6

maanden tot 3 jaar in beginsel geen afstand hoeft te doen van zijn primaire hechtingsfiguur. Dit

betekent dat ernaar gestreefd moet worden, dat degene die het kind verzorgt wanneer het een half jaar

oud is, ook in de eerste jaren daarna de verzorging en opvoeding op zich zal nemen.

Voor de Raad is uitgangspunt dat kinderen alleen in uitzonderingssituaties bij hun moeder in een

penitentiaire inrichting verblijven. Het kind mag niet in detentie bij moeder verblijven als de vader het

kind kan en wil verzorgen en dat ook op de langere termijn zal kunnen blijven doen. Wanneer het

kind in detentie geboren wordt en het is te voorzien dat het kind niet bij de moeder zal blijven in

detentie, zal ernaar gestreefd moeten worden zo snel mogelijk een plaatsing buiten de penitentiaire

inrichting te realiseren.

Daarnaast is het niet verantwoord om een kind in een penitentiaire inrichting op te nemen / te

houden als er niet aan de essentiŽle voorwaarden voor een verblijf van een kind bij moeder in detentie

en aan de minimaal noodzakelijke voorzieningen voor moeder en kind in de inrichting is voldaan.

Voor het verblijf van een kind in een penitentiaire inrichting geldt als uitgangspunt: ‘nee, tenzij….’

8.1.3.2Onderzoek

Doel

Op verzoek van een directeur van een inrichting onderzoekt de Raad of bij verblijf van het kind bij de

moeder in de inrichting voldaan wordt aan de essentiŽle voorwaarden voor een gezonde en

evenwichtige ontwikkeling van het kind

Nadere procedure (zie ook hoofdstuk 3)

Wanneer de vader het kind kan verzorgen en dat ook op de langere termijn zal kunnen blijven doen,

moet daaraan de voorkeur worden gegeven. Hetzelfde geldt voor een verblijf in een pleeggezin.

Wanneer het kind bij aanvang van de detentie al verblijft bij vader of in een pleeggezin, dan dient deze

situatie niet gewijzigd te worden.

In alle gevallen moet de gezondheidstoestand van het kind meegewogen worden in het besluit om wel

of niet tot verblijf van het kind bij moeder in detentie over te gaan. De (extra) medische zorg moet

namelijk direct beschikbaar zijn voor het kind. Te denken valt aan verslaafd geboren baby's en baby's

met een bepaalde verstandelijke of lichamelijke handicap.

EssentiŽle voorwaarden voor het verblijf van een kind bij moeder in detentie zijn:

- De persoonlijke veiligheid van het kind,

- de gezondheid van het kind, zowel lichamelijk als geestelijk.

- rust en regelmaat voor het kind.

- minimaal noodzakelijke materiele voorzieningen, afgestemd op het kind.

Indien aan deze voorwaarden is voldaan, geldt verder als uitgangspunt, dat de maximale leeftijd van

het kind waarop het kind bij de moeder in detentie kan verblijven in het geval de moeder binnen die

periode in vrijheid wordt gesteld of anderszins wordt overgeplaatst naar een setting īmoeder met kindī

negen maanden bedraagt. In het geval de moeder echter in een gesloten inrichting zal moeten

verblijven, dient het kind zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen zes maanden na de geboorte

elders te worden geplaatst

8.1.4 Internationale kinderontvoering

8.1.4.1Inleiding

Van internationale kinderontvoering wordt gesproken wanneer het kind over een internationale grens is

gebracht in strijd met het gezagsrecht of een kind niet wordt teruggebracht uit een ander land na het

verstrijken van een bezoekperiode. Het gaat dus om het onttrekken van een kind aan het gezag van de

andere ouder tegen diens wil. Bij de vaststelling of er sprake is van internationale kinderontvoering is de wil

van het kind niet relevant. Ook als tijdens een huwelijk een der ouders - tegen de wil van de andere ouder -

het kind meeneemt over een internationale grens, kan er sprake zijn van internationale kinderontvoering.

Ter bestrijding van internationale kinderontvoering zijn er twee verdragen gesloten, waarbij Nederland partij

is, te weten:

- het Haags Kinderontvoeringsverdrag (‘s-Gravenhage 25 oktober 1980, in werking getreden op 1

december 1983; voor Nederland 1 september 1990);

- het Europees Kinderontvoeringsverdrag (Luxemburg 20 mei 1980, in werking getreden op1 september

1980; voor Nederland 1 september 1990);

Ter uitvoering van deze verdragen kwam de Wet van 2 mei 1990, de Uitvoeringswet, tot stand.

De landen die partij zijn bij deze verdragen hebben met elkaar afgesproken snel en adequaat te reageren op

internationale kinderontvoering. Voor beide verdragen geldt als uitgangspunt dat kinderontvoering moet

worden bestreden, c.q. voorkomen door kinderen zo snel mogelijk terug te geleiden naar het land waar het

feitelijk gezag over hen wordt uitgeoefend, alwaar zo nodig verdere maatregelen genomen kunnen worden

teneinde de ontstane problematiek op te lossen.

Beide verdragen kennen echter de mogelijkheid voor de ontvoerende ouder om een beroep te doen op de

zogenaamde weigeringsgronden (art 10 van het Europees Verdrag en art 13 van het Haags Verdrag). In de

praktijk wordt het meest een beroep gedaan op de weigeringsgrond uit artikel 13, lid 1b Haags Verdrag:

indien er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan lichamelijk of

geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, hoeft het

niet te worden teruggeleid.

In de twee verdragen wordt een grote rol toebedeeld aan het Bureau Centrale Autoriteit (onderdeel van

Ministerie van Justitie). De Centrale Autoriteit heeft als taak vrijwillige terugkeer bereiken bij concrete

verzoeken inzake internationale kinderontvoering. Levert dit geen resultaat op, dan kan de Centrale

Autoriteit zonodig juridische procedures voeren.

Ook met de behandeling van verzoeken uit landen die niet bij een verdrag is aangesloten, is de Centrale

Autoriteit belast.

De Raad voor de Kinderbescherming kan op diverse manieren worden betrokken bij internationale

kinderontvoeringen, maar het is de Centrale Autoriteit, die actieve bemoeienis heeft met de verzoeken om

teruggeleiding en met verzoeken tot vaststelling van een internationale omgangsregeling. De Raad stelt zich

marginaal op. Wel ontvangt de Raad van de Centrale Autoriteit de stukken die ingebracht worden in de

procedure.

De Raad kan door de Rechtbank ingeschakeld worden bij:

A= inkomende verzoeken tot teruggeleiding

B= inkomende verzoeken tot vaststelling van een (internationale) omgangsregeling

De Raad kan door de Centrale Autoriteit ingeschakeld worden bij:

C= uitgaande verzoeken tot teruggeleiding

D= inkomende verzoeken tot uitvoering van een onderzoek naar de maatschappelijke

omstandigheden van het kind.

Overigens, als een teruggeleidingsprocedure in Nederland wordt gevoerd, kan de Kinderrechter

op grond van artikel 13, lid 4 Uitvoeringswet de minderjarige onder voorlopige voogdij van een

voogdij-instelling plaatsen, teneinde een snelle teruggeleiding te bewerkstelligen. In de uitvoering

van deze maatregel heeft de Raad geen taak; de volledige verantwoordelijkheid ligt bij de voogdijinstelling.

Ter tenuitvoerlegging van de beschikking tot teruggeleiding wordt in het Protocol Internationale

Kinderontvoering (afkomstig van het Bureau Centrale Autoriteit) ook een (mogelijke) taak aan

de Raad toegekend, n.l. in het geval dat de (ontvoerende) ouder niet bereid is mee te werken aan

de feitelijke teruggeleiding van het kind, zoals bevolen door de rechter. Maar omdat in de praktijk

in deze gevallen er meestal een voorlopige voogdij wordt uitgesproken, zal de Raad in deze geen

taak hebben, maar zal de voogdij-instelling met deze taak belast worden.

8.1.4.2Procedure

zie ook hoofdstuk 3

ad A. Inkomende verzoeken tot teruggeleiding

waarbij de ontvoerende ouder niet akkoord gaat met de teruggeleiding, kan de Raad door de Rechtbank

verzocht worden:

- ter zitting te verschijnen

De procedure wordt gevoerd door de Centrale Autoriteit, in naam van de achtergebleven ouder tegen de

ontvoerende ouder.

De Raad zal ter zitting aanwezig zijn op uitnodiging van de rechter. Indien mogelijk wordt het kind door

de rechter ter zitting gehoord.

- een raadsonderzoek in te stellen

De rechter kan( ter zitting) de Raad om onderzoek vragen. Het raadsonderzoek heeft tot doel de rechter

informatie te verschaffen over met name de Nederlandse situatie van de minderjarige. Dit onderzoek

wordt uitgevoerd als beschermingsonderzoek . Beide verdragen bieden het kader waarbinnen het

onderzoek wordt uitgevoerd, hetgeen betekent: ‘teruggeleiding, tenzij…..’

De verdragen gaan ervan uit dat eventuele problemen en/of aandachtspunten in eerste instantie daar

moeten worden aangepakt waar het feitelijk gezag over hem wordt uitgeoefend, d.w.z. in het land waar uit

de minderjarige is ontvoerd.

Voor de werkwijze van de Raad betekent dit dat in dit onderzoek geen brede verkenning hoeft plaats te

vinden: de vraagstelling is in principe slechts gericht op het al dan niet aanwezig zijn van een

weigeringsgronden, dan wel op de door de rechter geformuleerde vragen. In dit onderzoek van de Raad

wordt altijd het kind betrokken.

Als informant kan ook de Centrale Autoriteit, namens de andere ouder betrokken worden bij het onderzoek.

Zie voorts ook hoofdstuk 3.

Termijn

De onderzoekstermijn bedraagt op grond van de verdragskaders maximaal zes weken vanaf de

dag dat de Raad het verzoek heeft ontvangen tot de dag dat het definitieve rapport is verzonden.

Ad B. Inkomende verzoeken tot vaststelling van een internationale omgangsregeling

de Raad kan door de Rechtbank verzocht worden:

- ter zitting te verschijnen

De Raad treedt in deze zitting op als adviserende instantie voor de rechter. De werkwijze en de

opstelling is hetzelfde als in scheiding -en omgangszaken

- een raadsonderzoek in te stellen en/of proefcontacten organiseren

De rechter kan ter zitting de Raad om onderzoek vragen. Deze onderzoeken worden uitgevoerd conform

de uitgangspunten en werkwijze in scheiding- en omgangszaken. Zie ook hoofdstuk 3 en 9.1.

Extra aandacht dient besteed te worden aan de praktische uitvoerbaarheid van de omgangsregeling,

aangezien de regeling over landsgrenzen heen moet worden uitgevoerd. Indien proefcontacten worden

georganiseerd, vinden deze contacten in Nederland plaats, als begeleiding van de Raad daarbij geÔndiceerd

is. De contacten vinden binnen korte periode achter elkaar plaats, teneinde de regeling werkbaar te laten

zijn voor de ouder die niet in Nederland woonachtig is.

Ad C. Uitgaande verzoeken tot teruggeleiding

waarbij de ontvoerende ouder niet akkoord gaat, kan de Raad door de Centrale Autoriteit verzocht worden

onderzoek in te stellen en informatie te verstrekken over de situatie van het kind over zijn (mogelijk) verblijf

in Nederland.

De Centrale Autoriteit kan de Raad verzoeken om informatie in het kader van een teruggeleidingsprocedure

die in een ander land wordt gevoerd. Van belang is om met de Centrale Autoriteit af te stemmen welke

informatie men nodig heeft, teneinde zo gericht mogelijk en zo snel mogelijk te kunnen handelen.

Ad D. Inkomende verzoeken onderzoeken tot uitvoering van een onderzoek naar de

maatschappelijke omstandigheden van het kind

in verband met een (vermoeden van) kinderontvoering of een probleem met het omgangsrecht, kan de

Raad door de Centrale Autoriteit verzocht worden onderzoek in te stellen en informatie te verstrekken

over de situatie van het kind in Nederland.

De Centrale Autoriteit kan de Raad verzoeken om onderzoek naar de situatie van het kind en de

toestand van het kind zelf. Van belang is om met de Centrale Autoriteit af te stemmen welke

informatie men nodig heeft, teneinde zo gericht mogelijk en zo snel mogelijk te kunnen handelen. (zie

ook hoofdstuk 3 en 8.1)

Termijn

De termijn van onderzoek bedraagt zes weken vanaf de dag dat de Raad het verzoek heeft ontvangen tot de

dag dat het definitieve rapport wordt verzonden.

8.1.5 Afstand minderjarige/meerderjarige moeder/ouders

Indien een moeder, al dan niet gehuwd, besluit afstand te doen van haar pasgeboren kind, zal de Raad

als regel door de FIOM of VBOK benaderd worden. De FIOM of VBOK begeleidt de ouder(s) bij het

nemen van de beslissing en bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de Raad.

De Raad is verantwoordelijk voor het goede verloop van de procedure en voor het bewaken van de

termijnen daarbij. Ter voorbereiding op het door de Raad in te dienen verzoek tot voorlopige voogdij

informeert de Raad een voogdij-instelling, die zorgt voor plaatsing van de baby in een zogenaamd

neutraal-terrein-gezin. Door deze plaatsing die in beginsel maximaal drie maanden mag duren, wordt

voor de ouder(s) een bedenktijd ingebouwd. Indien het een kind betreft van een moeder zonder of met

een voorlopige verblijfstatus, zal de Raad overleggen met de op grond van de Vreemdelingenwet

bevoegde instantie.

Binnen zes weken na de beschikking voorlopige voogdij maakt de Raad een vervolgprocedure

aanhangig bij de rechter. Dit is een verzoek tot gezagsvoorziening bij de kantonrechter indien de

moeder minderjarig is en een ontheffingsprocedure bij de rechtbank indien het meerderjarige ouder(s)

betreft. Hierbij wordt voorgesteld de voogdij-instelling pro forma tot voogd te benoemen. De Raad

vraagt gelijktijdig aanhouding.

Ongeveer twee maanden na de beschikking voorlopige voogdij organiseert de Raad een overleg met de

FIOM of VBOK en de voogdij-instelling waarbij aan de orde komt: de ontwikkeling van de baby, de te

verwachten beslissing van de ouder(s) ten aanzien van het wel of geen afstand doen.

In die gevallen, waarin de ouder bij het voornemen tot afstand blijft, worden de volgende stappen

richting adoptie gezet. De Raad gaat na welke twee ŗ drie aspirant adoptiegezinnen, die reeds een

raadsonderzoek met een positief advies voor opname van een kind hebben afgesloten (zie hoofdstuk

9.2.3) in aanmerking zouden kunnen komen voor opname van de baby. Daarbij wordt rekening

gehouden met de door de ouder(s) kenbaar gemaakte wensen daarover. De Raad verstrekt de gegevens

van de betreffende adoptiegezinnen anoniem aan de voogdij-instelling, die nagaat welk gezin het

meest aangewezen lijkt aan de hand van de door de Raad verstrekte anonieme informatie. Door de

Raad wordt vervolgens een overleg gepland om over de mogelijke plaatsing van gedachten te wisselen.

Na drie maanden wordt door de Raad aan de ouder gevraagd een zogenaamde afstandsverklaring te

ondertekenen.

De Raad informeert de gekozen adoptie-ouders, waarna de baby door de voogdij-instelling in het

aspirant adoptief gezin geplaatst wordt. Behoudens bijzondere omstandigheden doet de Raad zes

maanden na de beschikking voorlopige voogdij, een voorstel tot definitieve toewijzing van de voogdij

aan ťťn van de adoptief ouders aan de hand van rapportage van de voogdij-instelling.

Als de ouder binnen 3 maanden na de geboorte van het kind kenbaar maakt dat zij terug wil komen

op het eerder genomen besluit tot afstand wordt er in principe gewerkt aan een zo spoedig mogelijke

hereniging van ouder(s) en kind (zie ook 9.2.3.). Indien de moeder minderjarig is, zal bezien moeten

worden hoe het gezag geregeld moet worden. De terugplaatsing van het kind is hiervan echter niet

afhankelijk. Indien het een 16- of 17-jarige moeder betreft kan de kinderrechter haar op haar verzoek

meerderjarig verklaren en kan zij vervolgens met het gezag belast worden.

8.1.6 Gezagsvoorziening door de kantonrechter

8.1.6.1 Inleiding

In een aantal gezagssituaties is de kantonrechter de bevoegde rechter om beslissingen te nemen. De

kantonrechter kan de Raad verzoeken om aan de hand van de stukken binnen twee weken kenbaar te

maken of er van de kant van de Raad bezwaar bestaat tegen inwilliging van het verzoek. Tevens kan hij de

Raad om advies vragen. De Raad beslist dan of een onderzoek nodig is of dat aan de hand van de stukken

advies kan worden uitgebracht.

Daarnaast kan de Raad zelf, indien daartoe aanleiding is, advies uitbrengen aan de kantonrechter of een

verzoek indienen bij de kantonrechter wanneer in het gezag over een minderjarige dient te worden

voorzien.

Uitgangspunt hierbij is dat de ouders primair zelf verantwoordelijk zijn voor de regeling van het gezag over

minderjarigen. Het tweede uitgangspunt is dat het gezag als regel dient te berusten bij de feitelijke

verzorger(s) van de minderjarige.

8.1.6.2 Doel onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)

Het geven van informatie of het uitbrengen van een advies over het gezag over betreffende

minderjarige(n) naar aanleiding van een verzoek hiertoe van de kantonrechter.

8.1.6.3 Specifieke aanwijzingen

In deze paragraaf wordt onderscheid aangebracht tussen ouder(s) en voogd

Ouder(s)

Openstaand gezag

1. De moeder is minderjarig ten tijde van de geboorte van haar kind (1: 253b en d BW);

2. Het overlijden van de enige ouder of beide ouders (1:245 lid 1 / 295 BW);

Ad 1.

Indien de moeder ten tijde van de geboorte van haar kind minderjarig is, kan in het gezag over de

betreffende baby door een derde worden voorzien. Eventueel kan besloten worden (bijvoorbeeld op

grond van de leeftijd) het gezag open te laten staan tot aan de meerderjarigheid dan wel in afwachting

van een meerderjarigverklaring van de moeder door de kantonrechter. Indien de vader (erkenner) wel

meerderjarig is, kan deze de kantonrechter verzoeken hem met het gezag te belasten. Dit verzoek

wordt slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind

zouden worden verwaarloosd.

Ad 2.

Indien de enige ouder of beide ouders met gezag overlijden, en geen testamentaire voogd de voogdij

heeft aanvaard, dient in het gezag te worden voorzien. In het onderzoek waarbij wordt nagegaan wie

met het gezag over de minderjarige dient te worden belast, wordt met name aandacht besteed aan

suggesties van de familie en relevante derden die een belangrijke rol binnen de familie spelen. Bij

verschil van mening tussen de betrokkenen zal in beginsel - mede afhankelijk van de leeftijd - de wens

van de minderjarige worden gehonoreerd, tenzij daartegen vanuit het belang van de minderjarige

zwaarwegende bezwaren bestaan.

Het onderzoek en de rapportage van de Raad richten zich op de vraag of de wettelijke gronden voor de

beslissing van de kantonrechter aanwezig zijn.

Onbevoegdheid van de ouder die alleen het gezag heeft of van beide ouders

(curatele of niet-tijdelijke stoornis van de geestvermogens), (1: 253q BW)

In eerstgenoemde situatie (onbevoegdheid van ťťn ouder) belast de kantonrechter de andere ouder

met het gezag, tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden

verwaarloosd.

In de tweede situatie (onbevoegdheid van beide ouders) of indien er geen andere ouder is, richt het

onderzoek van de Raad zich op de consequenties van de curatele c.q. op de aard en de consequenties

van de niet-tijdelijke stoornis. Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met

het gezag belast moet worden en mogelijk ook wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.

Indien de grond van de onbevoegdheid is vervallen en de ouder(s) verzoeken weer met het gezag te

worden belast, wijst de kantonrechter het verzoek toe indien hij ervan overtuigd is dat het kind weer

aan de ouder(s) mag worden toevertrouwd. Bij het onderzoek spelen de leeftijd van de minderjarige,

de termijn van verzorging door anderen, het belang van het kind bij continuÔteit van de

verzorgingssituatie en de actuele omstandigheden een rol.

Al dan niet tijdelijke onmogelijkheid het gezag uit te oefenen c.q. het bestaan of verblijf van

ouder(s) onbekend

- De enige ouder of beide ouders met gezag verkeren, al dan niet tijdelijk, in de onmogelijkheid het

gezag uit te oefenen;

- Het bestaan of de verblijfplaats van de enige ouder met gezag of van beide ouders is onbekend

(1: 253r BW).

Als het in deze situaties de ouder betreft die alleen het gezag heeft, belast de kantonrechter de andere ouder

met het gezag tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Het

onderzoek van de Raad richt zich hierop.

Indien er geen andere ouder is of de situatie beide ouders betreft, richt het onderzoek van de Raad zich op

de blijvende of tijdelijke onmogelijkheid dan wel op (omstandigheden rond de) afwezigheid van de ouder(s).

Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden en

wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.

Indien de hiervoor genoemde omstandigheden zijn vervallen en de ouder(s) verzoeken weer met het gezag

te worden belast, wijst de kantonrechter het verzoek toe indien hij ervan overtuigd is dat het kind weer aan

de ouder(s) mag worden toevertrouwd. Bij het onderzoek spelen de leeftijd van de minderjarige, de termijn

van verzorging door anderen, het belang van het kind bij continuÔteit van de verzorgingssituatie en de

actuele omstandigheden een rol.

Verzoek om gezamenlijk gezag (1:253t BW)

Indien het gezag over een kind bij ťťn der ouders berust, is de rechtbank de bevoegde instantie om een

verzoek om gezamenlijk gezag te behandelen. Indien de ouder dit verzoek gezamenlijk doet met een ander

dan de ouder, die in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, zal dit verzoek worden toegewezen,

tenzij er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind worden

verwaarloosd. De rechtbank kan de Raad verzoeken een onderzoek in te stellen en van advies te dienen.

Het verzoek om gezamenlijk gezag kan vergezeld gaan met een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam

van het kind (zie ook hoofdstuk 9.1.8 en 9.7). Indien het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot

een andere ouder wordt het verzoek om gezamenlijk gezag slechts ingewilligd indien beide verzoekers

tenminste ťťn jaar de zorg over het kind hebben gehad en de ouder die het verzoek (mede) doet tenminste

drie jaar aaneengesloten allťťn het gezag over het kind heeft uitgeoefend.

Voogd(en)

Openstaand gezag (overlijden van de enige voogd of beide voogden), ( 1: 245 lid1,en 295 BW)

In het onderzoek moet aandacht worden besteed aan suggesties van de familie en relevante derden die

voor het kind een belangrijke rol binnen de familie spelen (bijv. de partner van de overleden voogd).

Bij verschil van mening tussen de betrokkenen zal in beginsel – mede afhankelijk van de leeftijd – de

wens van de minderjarige worden gehonoreerd, tenzij daartegen vanuit het belang van de

minderjarige zwaarwegende bezwaren bestaan.

Onbevoegdheid (curatele of niet-tijdelijke stoornis van de geestvermogens), (1: 324 BW)

Het onderzoek van de Raad richt zich op de consequenties van de curatele c.q. op de aard en de

consequenties van de niet-tijdelijke stoornis.

Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden

en wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.

Tijdelijke onmogelijkheid en andere omstandigheden

- er is een voogd benoemd maar de voogdij is nog niet begonnen (1: 296 BW);

- de voogd bevindt zich in de tijdelijke onmogelijkheid het gezag uit te oefenen (1: 297 BW);

- het bestaan of de verblijfplaats van de voogd is onbekend (1:297 BW);

- de voogd blijft in gebreke het gezag uit te oefenen (1:297 BW).

Het onderzoek richt zich op de noodzaak van een tijdelijke regeling, c.q. op de tijdelijke

onmogelijkheid, of op de (omstandigheden rond de) afwezigheid van de voogd dan wel op het in

gebreke blijven van de gezagsuitoefening.

Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden

en mogelijk ook wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.

Indien de hierboven genoemde omstandigheden zijn vervallen, zal de kantonrechter de (tijdelijk)

voogd op eigen verzoek of op verzoek van degene die hij vervangt ontslaan tenzij gegronde vrees

bestaat dat bij inwilliging de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd.

Het onderzoek richt zich op de mogelijke verwaarlozing van de belangen van de minderjarige wanneer

het verzoek zou worden toegewezen. De (tijdelijke) voogdij kan worden bestendigd als dit in het

belang van de minderjarige is.

Ontslagverzoek door voogd zelf (art. 322 boek 1 BW)

- als gevolg van geestelijke of lichamelijke gebreken;

- op grond van het bereiken van de 65-jarige leeftijd;

- op grond van bereidverklaring door een ander daartoe bevoegd persoon.

Indien een natuurlijk persoon verzoekt ontslagen te worden van de voogdij wordt een onderzoek

ingesteld indien tussen betrokkenen geen consensus over een voor te stellen nieuwe voogd bestaat.

Indien een voogdij-instelling vraagt om ontslagen te worden van de voogdij ten gunste van een van de

pleegouders, dient bezien te worden of op grond van het rapport van de voogdij-instelling voldoende

informatie aanwezig is om de kantonrechter te adviseren. Met name is van belang om ook de mening

van betrokken ouder te kennen; zo nodig stelt de raad een onderzoek in.

Verzoek tot gezamenlijke voogdij

Indien een voogd en een ander die in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige staat de

kantonrechter (1:282 BW) verzoeken met de gezamenlijke voogdij over de minderjarige belast te

worden, wordt nagegaan of sprake is van gegronde vrees dat bij inwilliging de belangen van de

minderjarige zouden worden verwaarloosd.

8.1.7 Gezagsvoorziening na overlijden van de ouder die alleen het

gezag heeft, terwijl de andere ouder nog in leven is.

Afhankelijk van de reden waarom het gezag bij een van de ouders berust, is de rechtbank of de

kantonrechter de bevoegde rechter om na het overlijden van deze ouder in het gezag te voorzien. Om

deze reden is de gezagsvoorziening na overlijden van de ouder die alleen het gezag heeft, apart

opgenomen in dit hoofdstuk.

De rechtbank is de bevoegde instantie wanneer:

- de overleden ouder na scheiding alleen het gezag uitoefende;

- na uitoefening van het gezamenlijk gezag buiten huwelijk alleen het gezag had gekregen;

- de overlevende ouder ontheven of ontzet was en om herstel in het gezag verzoekt.

In de overige situaties is de kantonrechter bevoegd.

Indien de ouder overlijdt die alleen het gezag heeft en geen testamentaire voogd het gezag heeft

aanvaard, belast de rechter de overlevende ouder of een derde met het gezag. De rechter doet dit op

verzoek van de overlevende ouder, de Raad of ambtshalve. Het verzoek om de overlevende ouder met

het gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het

verzoek de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd.

Ook indien na het overlijden een voogd is aangesteld, kan de rechter te allen tijde alsnog de

overlevende ouder, op diens verzoek, met het gezag belasten. Dit kan op grond van gewijzigde

omstandigheden of op grond van het feit dat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Hoe

langer de voogd voor de minderjarige heeft gezorgd, hoe meer gewichtige redenen er zullen moeten

zijn om het gezag aan de overlevende ouder over te doen dragen.

Indien de voogd bij testament was aangewezen, geniet de overlevende ouder de hiervoor genoemde

voorkeurspositie, mits het verzoek is gedaan binnen een jaar na het begin van de voogdij. Nadien vindt

een afweging plaats op grond van de omstandigheden.

Doel onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)

Het geven van informatie of het uitbrengen van advies aan de rechter over de gezagsvoorziening na

het openvallen van het gezag door het overlijden van de ouder die alleen het gezag had of over een

verzoek tot wijziging van die gezagsvoorziening.

8.1.8 Rechtspositie pleegouders (Blokkaderecht)

8.1.8.1 Blokkaderecht ( 1: 253 s en 336a BW)

zie ook paragraaf 8.1.c en hoofdstuk 3

Als een minderjarige met instemming van zijn gezagsdragers (ouder(s) of voogd) gedurende ten

minste ťťn jaar door (een) pleegouder(s) als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen

de ouders of de voogd van de minderjarige slechts met toestemming van de pleegouder(s), wijziging in

het verblijf van de minderjarige brengen.

De pleegouders kunnen gebruik maken van het zogenaamde ‘blokkaderecht’. Het blokkaderecht is niet

van toepassing indien de minderjarige bij de pleegouder(s) verblijft in het kader van een

ondertoezichtstelling of een voorlopige voogdij (opgedragen aan een voogdij-instelling).

Als de pleegouders gebruik maken van het blokkaderecht en de vereiste toestemming tot wijziging van

de verblijfplaats van de minderjarige niet geven, kŠn deze toestemming op verzoek van de ouder(s) of

voogd door die van de rechtbank worden vervangen.

Doel onderzoek.

De rechtbank kan de Raad advies vragen naar aanleiding van een verzoek van ouders met gezag

of van een voogd om wijziging in de verblijfplaats van de minderjarige te mogen brengen.

- Indien het een verzoek van ouders betreft gaat de Raad in het onderzoek na of er gegronde vrees

bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de minderjarige zouden worden

verwaarloosd (art. 1: 253 s lid 2 BW);

- Wanneer het een verzoek van een voogd betreft gaat de Raad in het onderzoek na of wijziging in

het belang van de minderjarige is (art. 1: 336a lid 2).

Tijdens het onderzoek besteedt de Raad onder meer ook aandacht aan de vraag of het in het belang

van de minderjarige is om contact te blijven houden met de ouders of voogd, dan wel met de

pleegouders.

Wanneer de rechtbank het verzoek van de ouders of voogd afwijst, bepaalt de rechtbank tevens

hoelang deze beschikking van kracht zal zijn (maximaal 6 maanden).

De Raad kan in die periode een onderzoek instellen naar de eventuele noodzaak tot het uitspreken van

een maatregel van kinderbescherming. Hiervoor gelden de beleidsaanwijzingen zoals vermeld onder

‘Opvoedingsproblemen’ (8.1.1). Leidt dit binnen de door de rechtbank bepaalde periode tot een

verzoek (van de Raad of van pleegouders of van de Officier van Justitie) tot een maatregel van

kinderbescherming dan blijft de beschikking gelden totdat over de gevraagde maatregel is beslist.

Tijdens het onderzoek wordt voorts aandacht besteed aan de vraag of de minderjarige op de hoogte is

van zijn biologische herkomst. Indien dit niet het geval is of daarover onzekerheid bestaat, dringt de

Raad erop aan, ter voorkoming van eventuele identiteitsproblemen van de minderjarige, dat deze

daarover – zonodig op termijn - wordt voorgelicht.

8.1.8.2 Verzoek pleegouders tot ontheffing c.q. ontzetting van ouder(s) (1: 268 en 269

BW).

zie ook paragraaf 8.1 en hoofdstuk 3

De pleegouders kunnen de rechtbank verzoeken de ouders gedwongen te ontheffen van dan wel te

ontzetten uit het gezag en de voogdij aan hen op te dragen als de rechtbank het blokkaderecht heeft

gehonoreerd (m.a.w. het verzoek van de ouders om wijziging in het verblijf van de minderjarige te

brengen heeft afgewezen). Indien de minderjarige door meer dan ťťn persoon wordt verzorgd en

opgevoed kan het verzoek slechts door hen gemeenschappelijk worden gedaan.

Wanneer de rechtbank de Raad advies vraagt over een verzoek van de pleegouders tot ontheffing c.q.

ontzetting van het gezag van de ouders, stelt de Raad een onderzoek in en adviseert de rechtbank.

De Raad gaat in het onderzoek na of een voortzetting van het verblijf van de minderjarige bij de

pleegouders noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouders ernstig nadeel voor de minderjarige moet

worden gevreesd en of er gronden zijn voor ontheffing dan wel ontzetting.

(NB: de Raad kan in de hier bedoelde situatie een verzoek tot ontheffing dan wel ontzetting indienen,

ook zonder dat er een afwijzende beslissing tot wijziging van het verblijf aan is voorafgegaan).

8.1.8.3. Verzoek pleegouders tot voogdijbenoeming (1: 299a BW)

zie ook paragraaf 8.1 en hoofdstuk 3

Als het gezag bij een voogd (of voogden) berust geldt het volgende:

Een pleegouder kan de kinderrechter verzoeken hem of een rechtspersoon te belasten met de voogdij

indien hij met instemming van de voogd(en) de minderjarige ten minste een jaar, anders dan uit

hoofde van ondertoezichtstelling of voorlopige voogdij, heeft verzorgd en opgevoed en voldoende is

gebleken dat de voogd niet bereid is zelf ontslag te vragen. Indien de minderjarige door meer dan ťťn

persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door hen

gezamenlijk worden gedaan.

Wanneer de kinderrechter de Raad om onderzoek en advies vraagt over een verzoek van een

pleegouder gaat de Raad in het onderzoek na of het verzoek in het belang van de minderjarige is. (NB:

Ook de Raad kan het hier bedoelde verzoek indienen).

8.1.9 Voogdij Antilliaanse jongeren

8.1.9.1Inleiding

De Ministers van Justitie van Nederland en van de Nederlandse Antillen hebben een protocol

ondertekend waarin afspraken zijn vastgelegd over de samenwerking op het gebied van

voogdijvoorzieningen ten behoeve van alleen naar Nederland migrerende minderjarigen. Het protocol

en de daarbij behorende richtlijnen zijn 1 augustus 1999 in werking getreden. Deze voogdijregeling

strekt ertoe te voorkomen dat minderjarigen met de kennelijke bedoeling zich in Nederland te

vestigen, alleen en onbegeleid de Nederlandse Antillen verlaten zonder dat wordt voorzien in het

wettelijk vereiste gezag. Vertrek uit de Nederlandse Antillen van deze jongeren is alleen mogelijk indien

zij beschikken over een verklaring van geen bezwaar tot het alleen reizen naar Nederland, verstrekt aan

de minderjarige en degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over de minderjarige op de

Nederlandse Antillen uitoefent.

De afspraken hebben betrekking op de voorziening in het gezag over een op de Nederlandse Antillen

verblijvende minderjarige, die alleen en onbegeleid dat land wenst te verlaten om zich in Nederland te

vestigen, zonder dat sprake is van gezinshereniging of anderszins aannemelijk gemaakt kan worden

dat het verblijf in Nederland van korte duur zal zijn, ten gevolge waarvan het gezag over de

minderjarige niet kan worden uitgeoefend.

Een verklaring van geen bezwaar kan in een aantal gevallen ook zonder tussenkomst van de Raad

worden afgegeven als duidelijk is dat er in het gezag wordt voorzien; bijvoorbeeld als de voorgesteld

tijdelijk voogd reeds bij de Voogdijraad op de Antillen bekend is, als er sprake is van gezinshereniging

en als de minderjarige bijna 18 jaar is. Eveneens wordt een verklaring van geen bezwaar zonder

tussenkomst van de Raad afgegeven als de minderjarige via de stichting SSNA voor studie naar

Nederland gaat. Als sprake is van begeleiding van de Stichting SSNA behoeft evenmin in de

(tijdelijke)voogdij worden voorzien.

8.1.9.2 Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)

Doel

1. Op verzoek van de Voogdijraad op de Antillen onderzoekt de Raad de bereidheid en geschiktheid

van de beoogd (tijdelijk) voogd om de minderjarige in het gezin op te nemen en de (tijdelijke)

voogdij te aanvaarden en informeert de Raad de Voogdijraad op de Antillen over zijn bevindingen,

opdat de Voogdijraad kan besluiten of een Verklaring van geen bezwaar al dan niet kan worden

afgegeven.

2. Na een melding van de gemeente dat een minderjarige zonder ouders of wettelijke

vertegenwoordiger zich gemeld heeft om zich in te laten schrijven dan wel wanneer de Raad

ambtshalve constateert dat voor een reeds in Nederland verblijvende van de Antillen afkomstige

minderjarige niet in het gezag is voorzien, gaat de Raad na of de jongere bekend is op grond van het

onderzoek naar de beoogd tijdelijk voogd. Is dat niet het geval dan start de Raad een onderzoek.

Bevoegdheid

Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de beoogde

tijdelijk voogd woont dan wel de minderjarige zich heeft laten inschrijven.

Specifieke procedure

Wanneer de minderjarige het voornemen heeft om naar Nederland af te reizen wordt de volgende

procedure gevolgd:

1. De ouders of voogd dienen ten behoeve van hun kind een aanvraag in bij de Voogdijraad op de

Antillen voor een Verklaring van geen bezwaar tot het alleen migreren naar Nederland.

2. De Voogdijraad beoordeelt of de Verklaring van geen bezwaar onmiddellijk kan worden afgegeven.

Zo niet, dan verzoekt hij de Raad voor de Kinderbescherming informatie te verschaffen over de

bereidheid en geschiktheid van de beoogd tijdelijk voogd om de minderjarige in het gezin op te

nemen en de tijdelijke voogdij te aanvaarden.

3. De bemoeienis van de Raad omvat een gesprek met de beoogd tijdelijk voogd waarin diens

bereidheid om de tijdelijke voogdij te aanvaarden en de mogelijke risicofactoren in het

gezinssysteem van de beoogd tijdelijk voogd worden onderzocht. Tevens komen andere relevante

aspecten die verbonden zijn aan het opnemen van een Antilliaanse minderjarige in het gezin aan

de orde. De aspecten kunnen zijn:

- de gezinssamenstelling en de plaats van de op te nemen minderjarige daarin;

- de woonomstandigheden;

- de keuze voor en begeleiding bij school en /of werk;

- de wijze waarop de ouder(s) of voogd(en) op de Nederlandse Antillen betrokken blijven bij de

ontwikkeling van de minderjarige;

- de wijze waarop de beoogd (tijdelijk) voogd met eventuele problemen van de minderjarige zal

omgaan.

4. Voorts vraagt de Raad met toestemming van betrokkenen gegevens op uit het JustitiŽle Documentatieregister

van alle bewoners van 12 jaar en ouder op het adres van de beoogd tijdelijk voogd en gaat na of sprake is

van bezwarende feiten en omstandigheden. Wordt de toestemming om het JDR te raadplegen geweigerd,

dan is dat een bezwarend feit. Het onderzoek zal dan beŽindigd worden. Daarnaast raadpleegt de Raad

eveneens ten aanzien van alle bewoners de Gemeentelijke Basisadministratie en het eigen archief (dat zich

op meerdere vestigingen kan bevinden). De Raad bericht de Voogdijraad zijn bevindingen. Indien de beoogd

voogd bereid is de minderjarige in zijn gezin op te nemen en de tijdelijke voogdij te accepteren legt de Raad

aan de Voogdijraad zijn bevindingen en een door de beoogd tijdelijk voogd ondertekende bereidverklaring

over.

5. De Raad bevordert voorts dat de beoogd tijdelijk voogd reeds een rekest tot tijdelijke voogdij bij de

kantonrechter indient, vooruitlopend op de komst van de minderjarige naar Nederland.

6. De Raad gaat na 3 maanden na of de minderjarige in het gezagsregister is opgenomen.

Termijn

De Raad bericht binnen zes weken na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek zijn bevindingen aan de

Voogdijraad.

Vervolgprocedure

Op basis van de door de Raad verkregen informatie kan de Voogdijraad besluiten al dan niet een

verklaring van geen bezwaar te verstrekken. Met de Verklaring van geen bezwaar kan de minderjarige

zich laten uitschrijven uit het bevolkingsregister op de Nederlandse Antillen en ontvangt een

uitschrijfbewijs. Bij vertrek van de Nederlandse Antillen moet de Verklaring van geen Bezwaar getoond

worden aan de grensautoriteit. Is de jongere niet in het bezit van de Verklaring, dan kan hij niet

vertrekken.

Indien de Voogdijraad van mening is dat op grond van de informatie van de Raad geen Verklaring van

geen bezwaar kan worden afgegeven, kan de Voogdijraad met betrekking tot dezelfde minderjarige

daarna nog ťťnmaal een verzoek aan de Raad richten voor informatieverstrekking over een andere

beoogd tijdelijk voogd.

Melding van de gemeente

Wanneer een minderjarige zich zonder ouders meldt bij een gemeente met het doel zich in te laten

schrijven wordt de volgende procedure gevolgd:

- De gemeente schrijft de minderjarige in.

- De gemeente meldt de minderjarige bij de Raad.

- De Raad gaat na of de minderjarige bekend is, op grond van een door de Voogdijraad verzocht

onderzoek naar de beoogd tijdelijk voogd. Indien blijkt dat sprake is van begeleiding van de

minderjarige door de Stichting SSNA behoeft niet in de tijdelijke voogdij te worden voorzien.

- Is de minderjarige bekend, dan gaat de Raad na of er daadwerkelijk in de tijdelijke voogdij is

voorzien.

- Als de minderjarige niet bekend is start de Raad een onderzoek met het oog op de voorziening in

de tijdelijke voogdij (hoofdstuk 8.1.6.).

De Raad neemt contact op met de Voogdijraad op de Nederlandse Antillen, die de ouder(s) zullen

benaderen.

Verblijf reeds in Nederland

Wanneer de Raad ambtshalve constateert dat voor een van de Antillen afkomstige minderjarige die

reeds in Nederland verblijft niet in het gezag is voorzien, wordt de volgende procedure gevolgd:

- de Raad gaat na of de jongere bekend is op grond van eigen onderzoek naar de beoogd tijdelijk

voogd, verricht in het kader van de voogdijregeling.

- De Raad neemt contact op met de Voogdijraad om de Nederlandse Antillen om na te gaan of de

jongeren aldaar bekend is en met het verzoek informatie te verschaffen over een beoogd tijdelijk

voogd. Indien de Voogdijraad informatie kan verschaffen vervolgt de Raad zijn onderzoek conform

de stappen 3 t/m 6.

- Indien blijkt dat sprake is van begeleiding van de minderjarige door de Stichting SSNA behoeft

niet in de tijdelijke voogdij te worden voorzien.

Indien er geen beoogd tijdelijk voogd wordt voorgesteld en/of bereid of geschikt wordt gevonden, start

de Raad een onderzoek om op andere wijze in het gezag te voorzien (Gezagsvoorziening door de

kantonrechter, hoofdstuk 9).

Hoofdstuk 9 Beleidsaanwijzingen Civiele advies zaken

9.1 Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang

9.1.1 Inleiding

9.1.2 Raadsondersteuning ter zitting

9.1.3 Onderzoek

9.1.4 Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders

9.1.5 Voorlopige voorzieningen tijdens de (echt)scheidingsprocedure

9.1.6 BeŽindiging gezamenlijk gezag

9.1.7 Gezagswijziging

9.2. Adoptie

9.2.1 Inleiding

9.2.2 Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie

(verzoek om beginseltoestemming)

9.2.3 Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een in Nederland geboren kind ter

adoptie

9.2.4 Draagmoederschap

9.2.5 Partneradoptie

9.1 Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang

9.1.1 Inleiding

De rechter kan aan de Raad advies vragen met betrekking tot zaken betreffende gezag na

(echt)scheiding, verblijfplaats van de minderjarige en omgang.

Tevens kan de rechter de Raad advies vragen met betrekking tot:

- de plicht van de verzorgende ouder de andere ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige

aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige en deze te

raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen;

- het recht van de niet-verzorgende ouder op informatie van derden die beroepshalve

beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van

de minderjarige of diens verzorging en opvoeding betreffen.

Een verzoek om omgang kan door ťťn van de ouders worden ingediend en door degene die in een

nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige (bijv. familieleden, pleegouder(s),

stiefouder(s)). Daarnaast kan een rechter, indien hem blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of

ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een omgangsregeling vaststellen of wijzigen. Hetzelfde geldt indien

de minderjarige jonger is dan twaalf jaar, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering

van zijn belangen terzake. Voorts kan door de Raad op verzoek van de rechter binnen de procedure

een aantal door de rechter vastgestelde proefomgangscontacten begeleid worden.

Wettelijke uitgangspunten bij zaken betreffende (echt)scheiding en omgang zijn:

- continuering van het gezamenlijk gezag tenzij de rechter, in het belang van het kind, op verzoek

van ťťn of beide ouders ťťn ouder met het gezag belast;

- het kind en de niet-verzorgende ouder met gezamenlijk gezag hebben recht op omgang met

elkaar (1: 377h BW);

- het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar, tenzij de

rechter dit recht ontzegt op basis van ťťn of meerdere in de wet genoemde uitzonderingsgronden

(1: 377a BW);

- de rechter kan op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en degene die in een

nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind tenzij het belang van het kind zich tegen

toewijzing verzet of het kind, dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt (1: 377f BW).

Daarnaast gelden voor de werkwijze van de Raad nog de volgende uitgangspunten:

- De primaire verantwoordelijkheid van ouders, dient te worden erkend en gerespecteerd. De Raad

spreekt de ouders uitdrukkelijk en consequent aan op hun gezamenlijke primaire opvoedingsverantwoordelijkheid

en betracht terughoudendheid bij het overnemen van deze

verantwoordelijkheid. Dit met het doel de ouders in staat te stellen gemeenschappelijk gedragen,

duurzame regelingen tot stand te brengen, met erkenning van het kind als zelfstandige drager van

rechten.

- De Raad bewaakt daarbij dat het belang van het kind bij de totstandkoming van de beoogde

duurzame regelingen, voor de ouders altijd hun allereerste zorg is. Indien bemiddeling/begeleiding

nodig is, wordt daarbij bij voorkeur en voor zover mogelijk, gebruik gemaakt van de beschikbare

voorzieningen (zoals Bureau Jeugdzorg en het Maatschappelijk Werk), teneinde de ouders te

voorzien van passende bijstand bij de uitoefening van hun opvoedingsverantwoordelijkheid.

- Het recht van het kind op het onderhouden van een relatie met zijn beide ouders brengt voor de

Raad de verplichting mee, de ouders te blijven aansporen duurzame regelingen te treffen waarbij

de relatie van het kind met beide ouders wordt behouden en veilig gesteld.

9.1.2 Raadsondersteuning ter zitting

Op verzoek van de rechter ondersteunt de raadsonderzoeker - na schorsing of aanhouding van de

behandeling ter zitting - de ouders bij het, in het belang van de minderjarige, oplossen van hun

conflict over de uitoefening van het gezag, de verblijfplaats en /of de omgang. Het doel is om met hulp

van de raadsonderzoeker alsnog tot onderlinge afspraken over hun kinderen te komen. Deze

ondersteuning vindt plaats in ťťn bemiddelingsgesprek met zonodig nog ťťn vervolggesprek.

9.1.3 Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)

Doel

Het bemiddelen en geven van informatie en/of het uitbrengen van een advies over gezag, verblijfplaats

en /of omgang, naar aanleiding van een verzoek hierover van de rechter.

Specifieke procedure

Deze activiteiten van de Raad vinden plaats binnen een juridische procedure. Met betrekking tot het

uitbrengen van advies over gezag, verblijfplaats en/of omgang, bestaat het onderzoek uit twee fasen:

fase a. - bemiddelen;

fase b. - nadere informatieverzameling en advisering.

Bemiddelingsfase.

Deze fase van het onderzoek start in principe met het uitnodigen van de ouders voor een gezamenlijk

gesprek. De raadsonderzoeker geeft de betrokkenen uitleg omtrent de aanleiding, het doel en de

opzet van het onderzoek en verstrekt, niet later dan tijdens het eerste persoonlijke contact,

foldermateriaal over de werkwijze van de Raad, voor zover dit niet reeds in een eerdere fase heeft

plaatsgevonden. Anders dan in de fase van nadere informatie verzameling en advisering is het in de

bemiddelingsfase niet verplicht de kinderen zelf hierbij te betrekken. De raadsonderzoeker zal in

eerste instantie via een bemiddelingsaanpak proberen om ouders tot gezamenlijke afspraken omtrent

hun kinderen te laten komen met betrekking tot het gezag en/of de verblijfplaats en /of over de

omgangsregeling. De bemiddelingsfase duurt maximaal zes weken. Als de bemiddeling tot resultaat

leidt, doordat de beide ouders hun gezamenlijke verantwoordelijkheid nemen, volstaat de Raad met

het schriftelijk informeren van de rechter over de overeenstemming die de ouders hebben bereikt. Er

wordt geen rapportage opgemaakt. Zodra ťťn van de ouders/ beide ouders dan wel de

raadsonderzoeker gedurende de bemiddelingsfase van oordeel is dat er geen resultaat wordt bereikt,

wordt overgegaan tot de fase van nadere informatieverzameling en advisering.

Nadere informatieverzameling en advisering

Deze fase van het onderzoek is erop gericht de rechter te kunnen adviseren over het gezag, de

verblijfplaats en /of omgangsregeling. Tegelijkertijd blijft de raadsonderzoeker gericht op de

gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders. In deze fase kunnen op initiatief van de Raad en /

of op verzoek van de rechtbank proefcontacten plaatsvinden; dit kan overigens ook in de

bemiddelingsfase. Indien de Raad adviseert geen omgangsregeling op te leggen, dient de

ontzegginggrond te worden benoemd en in het rapport te worden gemotiveerd.

Proefomgangscontacten

Naast bovenstaande activiteiten kan door de Raad op verzoek van de rechter een aantal door de

rechter vastgestelde proefomgangscontacten begeleid worden binnen de procedure. De Raad verstrekt

in dit geval informatie over het verloop van deze contacten aan de rechter en adviseert zonodig.

Uitgangspunt is hierbij dat deze contacten (maximaal 5 contacten) binnen een termijn van drie

maanden plaatsvinden. (zie ook 9.1.4.) Indien mogelijk wordt de begeleiding van deze contacten aan

een (hulpverlenings-)instelling overgedragen.

9.1.4 Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders (1:377f BW)

De rechter kan de Raad een onderzoek en advies vragen naar aanleiding van een verzoek om omgang

en/of informatie door een andere persoon dan de ouder. Deze andere persoon moet in een nauwe

persoonlijke betrekking tot het kind staan. In een dergelijk geval is het onderzoek erop gericht –

(anders dan een onderzoek op basis van artikel 1:377a BW) - de rechter te adviseren of het belang van

het kind zich niet verzet tegen vaststelling van een omgangsregeling.

Voor de verdere werkwijze wordt verwezen naar paragraaf 9.1.3.

9.1.5 Voorlopige voorzieningen tijdens de (echt)scheidingsprocedure

Gedurende de scheidingsprocedure kan door beiden of door ťťn van de ouders aan de rechter

verzocht worden de kinderen voorlopig aan ťťn van hen toe te vertrouwen dan wel de verblijfplaats

van het kind bij ťťn van hen te bepalen. Ook kan door beide of door ťťn van de ouders aan de rechter

gevraagd worden een omgangsregeling vast te stellen tussen het kind en de niet verzorgende ouder

voor de duur van de (echt)scheidingsprocedure. De rechter kan hieromtrent onderzoek en advies aan

de Raad vragen. Het onderzoek van de Raad verloopt zoals omschreven in paragraaf 9.1.3.

9.1.6 BeŽindiging gezamenlijk gezag (1:253n BW)

Op verzoek van niet of niet meer met elkaar gehuwde ouders of op verzoek van ťťn van hen kan de

rechtbank het gezamenlijk gezag beŽindigen, indien dit in het belang van het kind is.. Dit is mogelijk

op grond van gewijzigde omstandigheden of indien eerder van onjuiste of onvolledige gegevens is

uitgegaan. De rechter bepaalt, uitgaande van het belang van het kind, of en zo ja vervolgens aan wie

van de ouders voortaan het gezag toekomt. De rechter kan daartoe onderzoek en advies van de Raad

vragen. Het onderzoek van de Raad verloopt zoals beschreven in paragraaf 9.1.3.

9.1.7 Gezagswijziging

1. Indien, door een beslissing van de rechter, ťťn ouder met het gezag is belast, kan daarvan

wijziging gevraagd worden op grond van gewijzigde omstandigheden of omdat bij de beslissing is

uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Het verzoek kan worden ingediend door een of

beide ouders. Indien verzocht wordt om alsnog gezamenlijk met het gezag belast te worden, moet

het verzoek van beide ouders afkomstig zijn (1: 253o BW).

[N.B. De kantonrechter is bevoegd indien de te wijzigen beschikking door de kantonrechter werd

gegeven].

2. Indien ťťn ouder het gezag heeft kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van deze ouder en een

ander, die in een nauwe persoonlijk betrekking tot het kind staat, verzoekers gezamenlijk met het

gezag belasten. Indien er een andere ouder is, dienen verzoekers voorafgaand aan het verzoek

tenminste 1 jaar gezamenlijk de zorg voor het kind te hebben gehad, terwijl de verzoekende ouder

minstens 3 jaar alleen met het gezag belast moet zijn geweest. Het verzoek wordt afgewezen

indien, mede in het licht van de belangen van de andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij

inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (1:253t BW). Tevens kan een

dergelijk verzoek vergezeld gaan met een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind

in de geslachtsnaam van een van verzoekers. Dit verzoek tot naamswijziging wordt afgewezen als

het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen of als het belang van het kind zich tegen een

toewijzing verzet.

Alvorens tot een beslissing op een van deze verzoeken te komen kan de rechter de Raad om

onderzoek en advies vragen.

Het onderzoek van de Raad verloopt zoals beschreven in paragraaf 9.1.3.

9.2. Adoptie

9.2.1. Inleiding

Door adoptie komen de geadopteerde en de adoptiefouder(s) (en zijn /hun bloedverwanten) in

familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan. Tegelijkertijd houden de familierechtelijke betrekkingen

tussen de geadopteerde en zijn oorspronkelijke ouder(s) en hun bloedverwanten op te bestaan. Adoptie

komt tot stand door een uitspraak van de rechter op verzoek van twee personen (binnen of buiten huwelijk,

van gelijk of verschillend geslacht) of op verzoek van ťťn persoon. (1:227BW)

Het adoptieverzoek kan alleen worden toegewezen als aan de algemene en bijzondere voorwaarden

die in de wet worden gesteld is voldaan.

Als algemene voorwaarde geldt dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind moet zijn.

De bijzondere voorwaarden zijn onder meer:

a. ingeval van eenpersoonsadoptie dient de adoptant het kind gedurende tenminste drie

aaneengesloten jaren hebben verzorgd en opgevoed of, ingeval van adoptie door twee personen,

dienen zij het kind gedurende tenminste een jaar te hebben verzorgd en opgevoed en de relatie

dient tenminste drie jaar te bestaan;

b. ouders dienen niet of niet langer het gezag over het kind te hebben of ingeval van partneradoptie

dient de verzorgende ouder alleen of samen met de partner-adoptant (van het andere geslacht) het

gezag over het kind te hebben;

c. geen der ouders dient het verzoek tegen te spreken;

d. het kind van 12 jaar of ouder dient geen bezwaren te hebben tegen het adoptieverzoek.

Partneradoptie (waaronder verstaan wordt de zgn. stiefouderadoptie) is een vorm van

ťťnpersoonsadoptie. Hierdoor ontstaat een familierechtelijke relatie tussen het geadopteerde kind en

de degene die heeft geadopteerd. Bij deze vorm van adoptie blijft de familierechtelijke betrekking

tussen het geadopteerde kind en zijn verzorgende ouder (en diens familie) bestaan maar verdwijnt de

familierechtelijke relatie tussen het kind en zijn niet verzorgende ouder.

Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de

familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan de rechtbank bepalen dat deze gerechtigd blijft

tot omgang.

Voorts kunnen alleen gehuwden van verschillend geslacht of ťťn persoon in aanmerking komen voor

een beginseltoestemming om een buitenlands kind ter adoptie in hun gezin op te nemen (art. 1 Wet

opneming Buitenlandse Kinderen voor Adoptie) en derhalve kunnen alleen zij een dergelijk kind

adopteren (zie ook 9.2.2).

Op verzoek van de rechter stelt de Raad een onderzoek in het kader van adoptie in en brengt een

advies uit over de verzochte adoptie, welke in het kennelijk belang van de minderjarige dient te zijn en

waarbij voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat de minderjarige niets meer van zijn ouder(s)

in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.(dit laatste geldt niet bij partneradoptie). Zie voorts

ook hoofdstuk 3.

9.2.2. Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie

(verzoek om beginseltoestemming)

Voorwaarde voor de opneming van een buitenlands kind ter adoptie (dit is een in het buitenland

geboren en wonend kind) in zijn gezin is, dat de Minister van Justitie aan de aspirant adoptiefouder(s)

een verklaring geeft dat hij in beginsel voor die opneming toestemming verleent. Deze

beginseltoestemming wordt pas verleend nadat de Raad een onderzoek heeft ingesteld naar de

geschiktheid van de aspirant-adoptiefouder(s) om een buitenlands kind ter adoptie te verzorgen en op

te voeden en erover advies heeft uitgebracht.

De Minister van Justitie verzoekt de Raad om onderzoek en advies omtrent het verzoek van aspirant

adoptief ouders om een buitenlands kind ter adoptie in hun gezin op te nemen. Mede op basis hiervan

stelt de Minister van Justitie vast of de aspirant-adoptiefouder(s) al dan niet voldoen aan de genoemde

vereisten gesteld bij de “Wet opneming buitenlandse kinderen met het oog op adoptie” (Stbl. 1988, nr.

566, zoals gewijzigd bij de wet van 14 mei 1998, Stbl. 1998, 302).

Om tot het raadsonderzoek toegelaten te worden de volgende wettelijke bepalingen:

 Twee personen van verschillend geslacht kunnen, indien zij met elkaar gehuwd zijn, gezamenlijk

een buitenlands kind ter adoptie in hun gezin opnemen en adopteren. Zij moeten het verzoek in

dat geval dan ook gezamenlijk doen.

 Opname van een buitenlands adoptiefkind en adoptie van dit kind staat ook open voor ťťn

persoon.

 De aspirant-adoptiefouder(s) mogen ten tijde van het indienen van het verzoek bij de Minister van

Justitie de leeftijd van 42 jaar niet bereikt hebben.

 Indien ťťn of beiden de leeftijd van 42 jaar bereikt hebben, maar nog niet de leeftijd van 44 jaar,

kan uitsluitend een verzoek ingediend worden voor een beginsel toestemming indien daarbij een

beroep gedaan kan worden op bijzondere omstandigheden. Voor deze aanvragers geldt een aparte

procedure.

 Aspirant-adoptiefouder(s) moeten bereid zijn het kind preventief en curatief gangbare medische

behandelingen te doen ondergaan.

 Aspirant-adoptief ouders hebben ter voorbereiding op het onderzoek door de Raad de verplichte

voorlichting over opneming en adoptie van een buitenlands kind door de Stichting Adoptie

Voorzieningen, afdeling VIA..

Voor de definitieve toestemming tot opneming van een specifiek buitenlands kind ter adoptie gelden voorts

nog de volgende voorwaarden:

 Het op te nemen kind mag, behoudens bijzondere omstandigheden, op het moment van

binnenkomst in Nederland de leeftijd van 6 jaar nog niet bereikt hebben.

 het leeftijdsverschil tussen aspirant-adoptief ouder(s) en kind mag behoudens bijzondere

omstandigheden, niet meer dan 40 jaar zijn. (Voor bijzondere omstandigheden: zie hierna bij

specifieke procedure onder 8).

Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)

Op verzoek van de Minister van Justitie stelt de Raad een onderzoek in en adviseert over de geschiktheid

van de aspirant-adoptiefouder(s) voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind te adoptie zoals

aangegeven in het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de

interlandelijke adoptie van 29 mei 1993 en uitgewerkt in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter

adoptie.

Specifieke procedure

1. Het raadsonderzoek wordt niet aangevangen indien de aspirant-adoptiefouder(s) niet kunnen

of willen voldoen aan de volgende twee voorwaarden:

a. aspirant-adoptiefouder(s) c.q. aspirant-adoptiefouder en partner moeten zich akkoord

verklaren met het opvragen door de Raad van een uittreksel uit het Justitieel

Documentatieregister. De Raad hanteert bij de beoordeling van de gegevens uit dit

register dezelfde criteria als bij de justitiŽle screening van pleeggezinnen (zie hoofdstuk

9,4).

b. aspirant-adoptiefouder(s) c.q. aspirant-adoptief ouder en partner, moeten zich medisch

laten keuren door een arts, die niet de eigen huisarts is, en van deze keuring een

verklaring overleggen.

2. Het onderzoek wordt opgeschort indien blijkt dat:

a. de gezinssituatie gewijzigd is doordat bijvoorbeeld in het gezin een eigen kind wordt

verwacht of minder dan een jaar geleden een kind is geboren of overleden, dan wel

binnen diezelfde termijn een pleegkind is geplaatst of juist uit het gezin naar elders is

geplaatst. Voortzetting van het onderzoek vindt pas plaats een jaar nadat de wijziging in

de gezinssituatie plaatsvond.

b. aspirant-adoptiefouder(s) een vruchtbaarheidsonderzoek of -behandeling ondergaan.

c. indien sprake is van (echt)scheiding van aanvragers dan wel indien een van de

aanvragers is overleden en in beide gevallen de overgebleven aanvrager zijn/haar

verzoek handhaaft, vindt voorzetting van het onderzoek niet eerder plaats dan ťťn jaar

na de betreffende (echt)scheiding/overlijden.

Indien het onderzoek door omstandigheden langer dan twee jaar wordt opgeschort, geeft de

Raad het onderzoek terug aan het Ministerie van Justitie.

3. Het onderzoek is gericht op het verkrijgen van inzicht in de geschiktheid van de aspirantadoptiefouder(

s) en de eventuele (gehuwde) partner voor de verzorging en opvoeding van een

buitenlands adoptiekind, de mogelijke beschermings- en risicofactoren in het gezin van de

aspirant-adoptiefouder(s), die een evenwichtige ontwikkeling tot volwassenheid van het

adoptiekind zouden kunnen belemmeren. Tevens dient in het rapport duidelijk het

gezinssysteem en gezinsverhoudingen beschreven te worden ten behoeve van de matching van

kind en gezin.

De feitelijke situatie waarin het kind terecht komt, bepaalt wie betrokken wordt bij het

gezinsonderzoek. Bij de afweging van genoemde beschermings- en risicofactoren staat het

belang van het kind centraal.

4. In het onderzoek gaat de Raad na hoe de aspirant-adoptiefouder(s) en de eventuele gehuwde)

partner met de voorlichting, die zij vůůr het raadsonderzoek hebben ontvangen, zijn

omgegaan. De bereidverklaring van de aspirant adoptief ouders het kind preventief en curatief

gangbare medische behandelingen te laten ondergaan wordt met de aspirant ouders

besproken.

5. Voor de oordeelsvorming van de Raad is het van belang te weten of de aspirantadoptiefouder(

s) en de eventuele (gehuwde) partner bereid zijn het op te nemen adoptiekind

zo spoedig mogelijk voor te lichten over zijn afkomst en voor wat betreft de partner of deze

bereid is financiŽle en juridische verantwoordelijkheid (ook als de adoptiefouder iets zou

overkomen) te gaan dragen.

6. In het onderzoek van de Raad moet in het licht van het Verdrag inzake de bescherming van

kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie van 29 mei 1993 ten

minste aandacht worden besteed aan:

- de identiteit van aspirant-adoptiefouder(s) en de eventuele (gehuwde) partner;

- hun persoonlijke achtergrond;

- gezinssituatie en medisch verleden;

- hun sociale milieu;

- hun beweegredenen voor adoptie;

- hun geschiktheid om te adopteren en;

- voor welke adoptiefkinderen zij geschikt zouden zijn (eventueel oudere of gehandicapte

kinderen, meer dan ťťn kind tegelijk).

Daarnaast zijn aandachtspunten: hoe de aspirant adoptief ouders omgaan met problemen en

spanningen, waaronder het verwerken van kinderloosheid, de identiteitsvorming van het

adoptiekind, de wensen ten aanzien van het op te nemen adoptiekind, verwachtingen over de

eigen opvoedingsmogelijkheden en mogelijke discriminatie van het buitenlandse kind en

andere bijzonderheden betreffende het kind.

Bij adoptie door een alleenstaande zal extra aandacht dienen te worden besteed aan wat deze

een adoptiekind denkt te kunnen bieden op het terrein van beschikbaarheid en stabiliteit.

Daarnaast dient in het onderzoek aandacht besteed te worden aan het sociale netwerk

waarbinnen de alleenstaande functioneert en wat de personen binnen dit netwerk voor zowel

de aspirant-adoptiefouder en het toekomstige adoptiekind kunnen betekenen. Bij adoptie door

ťťn persoon zal indien deze persoon gehuwd is of duurzaam samenleeft de inhoud van het

onderzoek hetzelfde zijn als wanneer adoptie door twee gehuwden gevraagd wordt.

7. De Minister van Justitie kan de Raad eveneens onderzoek en advies vragen betreffende:

- verlenging van de geldigheidsduur van een beginseltoestemming, die op 3 jaar is

bepaald;

- een eventuele intrekking van de beginseltoestemming;

- de opneming van een tweede of volgend kind;

De Raad gaat bij een dergelijk verzoek om aanvullende informatie na of alle gegevens in het

eerder uitgebrachte gezinsrapport nog valide zijn en tevens of actuele omstandigheden

risicofactoren naar voren brengen, die een positief advies in de weg staan. Dit betekent ook

dat aanvragers opnieuw een medische verklaring (zie 1b) dienen over te leggen en dat

opnieuw informatie uit het JustitiŽle documentatieregister opgevraagd zal worden door de

Raad.

Bij een verzoek om opname van een tweede en volgend kind onderzoekt de raad naast de

beschermings- en risicofactoren voor het eventuele toekomstig kind, tevens hoe de opname

van het eerste kind is verlopen en hoe het kind in het gezin, ook ten aanzien van de reeds

aanwezige kinderen is ingegroeid en of en zo ja wat de opname van een tweede of volgend

kind voor het gezin en de daarin reeds aanwezige kinderen zal betekenen.

Daarnaast kan de Minister van Justitie de raad om een beperkt dan wel aanvullend onderzoek

advies vragen betreffende de afgifte van een vergunning tot verblijf voor een kind dat minder

dan een jaar tevoren ter adoptie is opgenomen tijdens een periode waarin de aspirantadoptiefouder(

s) hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden (art. 11 Wet opneming

buitenlandse kinderen ter adoptie).

8. De Raad gaat bij verzoeken van de Minister van Justitie om onderzoek naar de aanwezigheid

van bijzondere omstandigheden op grond van art. 5 of 8 Wet opneming buitenlandse kinderen ter

adoptie uit van de Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie van 1 december

2000, artikel 3 lid 3 (Staatscourant 234). Dit betreft respectievelijk de opneming van meer dan

ťťn kind tegelijk, overschrijding van de leeftijdsgrenzen van aspirant- adoptiefouder(s),

overschrijding van het leeftijdsverschil van 40 jaar tussen aspirant-adoptiefouder(s) en het te

adopteren kind en overschrijding van de maximale leeftijdsgrens van het kind.

Wat betreft de leeftijd van aspirant-adoptiefouder(s) is het niet meer mogelijk een beroep te

doen op bijzondere omstandigheden indien beide aspirant-adoptiefouders ten tijde van het

indienen van het verzoek aan de Minister van Justitie de leeftijd van 44 jaar hebben bereikt, of

indien redelijkerwijs te verwachten is dat de oudste aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van

de beslissing over de verlening van een beginseltoestemming de leeftijd van 46 zal hebben

bereikt. Een alleenstaande mag ten tijde van het indienen van het verzoek de leeftijd van 44

jaar niet hebben bereikt.

De beoordeling van verzoeken van aspirant-adoptiefouder(s) waarin sprake is van

overschrijding van de leeftijd van 42 jaar vindt plaats op grond van het zogenaamde “neetenzij

principe”. Dat wil zeggen dat het verzoek wordt afgewezen tenzij sprake is van

bijzondere omstandigheden. (zie art 2lid 2 van de richtlijnen opneming buitenlandse kinderen

ter adoptie). Dit geldt ook voor de opname van een tweede of volgend kind als ťťn of beide

adoptiefouders ten tijde van het verzoek om opname van een tweede of volgend kind de

leeftijd van 42 (en nog niet van 44 jaar) hebben bereikt.

Bij de start van het onderzoek stelt een gedragsdeskundige van de Raad een zgn. IBO-profiel

op (Instrumentarium Bijzondere Omstandigheden). Aan de hand van de in dit verband door

de aspirant-adoptiefouder(s) ingevulde vragenlijsten worden mogelijke risico’s voor de

opname van een ouder of gehandicapt adoptiekind afgeleid. Vanwege het hiervoor genoemde

vereiste leeftijdsverschil tussen aspirant-adoptiefouder(s) en het kind, van maximaal 40 jaar,

gaat het in deze gevallen behoudens bijzondere omstandigheden om kinderen van 2 jaar of

ouder. Zie ook de hierboven genoemde Richtlijnen.

Rapportage (zie ook hoofdstuk 3)

Voor de afgifte van de rapportage gelden aanvullende regels:

Alle rapporten met betrekking tot onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter

adoptie en welke een positief advies tot opneming bevatten mogen op grond van de wet niet worden

afgegeven aan aspirant adoptief ouders ook niet in conceptvorm.

Voorzover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd is deze zelf

verantwoordelijk voor de bespreking hiervan; ook hierbij geldt dat bij een positief advies geen afgifte

van de (deel-)rapportage plaats vindt.

Alvorens het definitieve rapport wordt verstuurd, stelt de Raad de aspirant adoptiefouders in de

gelegenheid binnen twee weken het rapport in te zien teneinde te kunnen verifiŽren of en op welke

wijze het commentaar in het rapport is verwerkt. Het definitieve rapport wordt door het Ministerie van

Justitie doorgestuurd aan de vergunninghouder. Indien de Raad negatief adviseert en het Ministerie

van Justitie op grond daarvan geen beginseltoestemming verleent, kan afgifte van de rapportage door

het Ministerie van Justitie plaatsvinden.

9.2.3. Onderzoeken voor opneming van een in Nederland geboren kind ter adoptie

Indien in Nederland een kind geboren wordt dat ter adoptie wordt afgestaan (zie 8.1.5.) of dat langs

andere weg voor adoptie in aanmerking komt, worden aspirant-adoptiefouder(s) benaderd die reeds

het onderzoek voor opname van een buitenlands kind ter adoptie positief hebben doorlopen en van

wie aantekening gemaakt is, dat zij geschikt en bereid zijn een in Nederland afgestaan kind te

adopteren.

Bij de keuze van de aspirant adoptief ouders wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de

specifieke behoeften van het kind en de eventuele wensen van de afstandsouder(s).

De Raad bevordert dat het kind in beginsel na verblijf van drie maanden op neutraal terrein (zie 8.1.5)

en de afstandsverklaring door de betreffende ouder(s), zo spoedig mogelijk bij de aspirantadoptiefouders

wordt geplaatst. De Raad wijst zowel de afstandsouder(s) als de aspirantadoptiefouder(

s) erop dat de toestemming tot adoptie door de afstandsouder(s) kan worden

ingetrokken totdat op het adoptieverzoek door de rechter is beslist.

De Raad zal met de in aanmerking komende aspirant-adoptiefouder(s) een aanvullend contact

hebben over de mogelijke plaatsing van het kind en de eventuele wensen van de afstandsouder(s) en

over de vraag hoe zij na een eventuele plaatsing van een kind denken te zullen omgaan met het

desgevraagd informeren van de afstandsouder(s) over de ontwikkeling van het kind en vragen van het

kind over zijn herkomst en de bereidheid tot eventueel contact mat de afstandsouder(s).

De bereidheid van aspirant-adoptiefouder(s) tot het geven van de gevraagde informatie is van

wezenlijk belang.

9.2.4. Draagmoederschap

Specifieke procedure (zie ook hoofdstuk 3)

De overheid in Nederland voert ten aanzien van draagmoederschap een terughoudend beleid.

Dit zal meegedeeld worden indien vůůr de bevruchting aan de Raad vragen worden gesteld. Als de

Raad vůůr de bevruchting wordt benaderd, verwijst de Raad de betrokken echtparen door naar de

Fiom en advocatuur voor voorlichting en informatie.

Indien wensouders een kind willen opnemen binnen 6 maanden na de geboorte, moeten zij daartoe

vooraf schriftelijk toestemming aan de Raad vragen (art.1: 241, lid 3 BW). Bovendien zijn zij verplicht

binnen een week na opneming van een kind in hun gezin, ook indien dit kind ouder is dan 6

maanden, Burgemeester en Wethouders van de gemeente waar het pleegkind verblijft schriftelijk

daarvan in kennis te stellen (art. 5 Pleegkinderenwet). Nalaten van een en ander is strafbaar. De

gemeente dient deze melding door te geven aan de Raad, die een onderzoek kan instellen; in dit

onderzoek komen dezelfde aandachtspunten aan de orde als bij een onderzoek voor

beginseltoestemming (zie 9.2.2.). Naast het doen van aangifte zal tevens aandacht worden geschonken

aan de belangen van het kind als deze zonder de verplichte formaliteiten toestemming van de Raad in

het gezin is opgenomen.

Als opname in het wensgezin plaats vindt en goed verloopt kan de Raad gevraagd worden de

ontheffing van de moeder c.q. de ouders aanhangig te maken, zulks ter voorbereiding op adoptie.

Zie ook 8.1.5.

9.2.5. Partneradoptie (vorm van ťťnpersoonsadoptie)

Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)

Op verzoek van de rechter stelt de Raad een onderzoek in en brengt advies uit over de verzochte

adoptie, die in het kennelijk belang van de minderjarige dient te zijn. Voorts dient de adoptie aan de

wettelijke bepalingen te voldoen .(1:227 en 228 BW).

Bijzondere voorwaarden voor partneradoptie zijn:

1. dat de verzorgende ouder alleen of samen met de partner het gezag heeft.

2. dat de adoptant en de ouder het kind gedurende ten minste drie aaneengesloten jaren hebben

verzorgd en opgevoed.

3. De ouder niet-gezagsdrager van het kind de adoptie niet tegenspreekt; in bijzondere gevallen kan

hieraan worden voorbijgegaan.(1:228BW)

In het onderzoek door de Raad wordt ook aandacht besteed aan de vraag of het kind wordt voorgelicht door

de ouder en partner over zijn biologische afkomst. Tevens dient aandacht te worden besteed aan de relatie

tussen het kind en de ouder-niet-gezagsdrager (eventuele omgangsregeling).

Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met de ouder-niet-gezagsdrager, ten aanzien

van wie de familierechtelijke betrekkingen met het kind ophouden te bestaan, kan de rechter bepalen dat zij

gerechtigd blijven tot omgang met elkaar.(1:229 BW).

9.3. Afstammingsvragen

De Raad wordt regelmatig geconfronteerd met verzoeken in verband met afstamming. Hiervan kan

sprake zijn in zogenoemde post-adoptiezaken, maar ook in beschermingszaken (in het bijzonder

terzake opvoedingsproblemen). Voor hulp bij verzoeken ten aanzien van eerstgenoemde zaken worden

cliŽnten veelal verwezen naar de FIOM.

Er kunnen twee typen verzoeken worden onderscheiden namelijk

1. verzoeken om informatie en

2. verzoeken om bemiddeling.

Beide soorten verzoeken kunnen afkomstig zijn van (afstands-)ouders, en van kinderen (al dan niet

geadopteerd) en adoptief- of pleegouders.

ad 1. Een verzoek om informatie kan betreffen:

- informatie uit eventueel bij de Raad aanwezige documenten over het kind, de adoptief- of

pleegouders en de (afstands-)ouder(s).

Op een dergelijk verzoek zijn de uitgangspunten van de Wet bescherming persoonsgegevens van

toepassing (zie hoofdstuk 5). Voor een kind geldt daarbij dat hij recht heeft te weten van wie hij

afstamt. Dit betekent echter niet dat hij zonder meer inzage in of afgifte van alle eventueel aanwezige

informatie krijgt.

ad 2. Een verzoek om bemiddeling kan betreffen:

- informatie over het kind, de adoptief- of pleegouders en de (afstands-)ouders welke niet bij de

Raad berust;

- de wens van de (afstands-)ouder(s) om in contact te komen met het kind of de wens van het

kind om in contact te komen met de (afstands-)ouder(s).

Voor zover deze verzoeken niet verwezen zijn naar de FIOM, zal de Raad een gesprek hebben met de

verzoeker voor toelichting op het verzoek. Tevens zal de raad op zeer zorgvuldige wijze pogingen doen

om in contact te komen met het kind c.q. de ouder teneinde te kunnen bemiddelen ten aanzien van

het verzoek om informatie of contact.

9.4 JustitiŽle screening,

Toezicht pleegkinderen,

Toezicht voogdijpupillen

9.4.1 De justitiŽle screening van (aspirant)pleeggezinnen (zie ook hoofdstuk 3)

Alle pleeggezinnen die in verband met de plaatsing van een minderjarige in hun gezin subsidie

ontvangen in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening, moeten over een door de Raad

afgegeven ‘Verklaring van geen bezwaar’ beschikken (artikel 19 vierde lid van het Besluit

Kwaliteitsregels Jeugdhulpverlening). Deze verklaring wordt aangevraagd door een voorziening voor

pleegzorg. De aanvrager informeert de aspirant-pleegouders hierover.

Deze justitiŽle screening gaat vooraf aan het pleegouderonderzoek door de voorziening voor pleegzorg,

die beoordeelt of een pleeggezin geschikt is om een pleegkind te verzorgen en op te voeden.

Doel van de justitiŽle screening

Onderzoeken of er sprake is van bezwarende feiten of omstandigheden die het afgeven van een

Verklaring van geen bezwaar in de weg staan.

Procedure

Via de voorziening van pleegzorg ontvangt de Raad, in wiens arrondissement de aspirant pleegouders

wonen, de schriftelijke toestemming van de aspirant pleegouders en van alle op dat adres inwonenden

vanaf 12 jaar om gegevens uit het justitieel documentatieregister op te vragen.

- De Raad beziet allereerst of de gegevens uit de Gemeentelijke Basis Administratie overeenstemmen

met de door de aspirant pleegouders en de inwonenden verstrekte gegevens. Daarna raadpleegt

de Raad het eigen archief – en indien aspirant pleegouders binnen 5 jaar vanuit een ander

arrondissement zijn verhuisd ook het archief van de vestiging van de toenmalige woonplaats van

de aspirant pleegouders;

- De Raad vraagt de gegevens op uit het justitieel documentatieregister;

- Vervolgens moet worden afgewogen of er redenen zijn die een afgifte van een Verklaring in de weg

staan. Bedoelde verklaring wordt afgegeven tenzij de ingewonnen informatie duidt op zodanige

gedragingen, mentaliteit of omstandigheden van (ťťn van) de aspirant-pleegouders, andere

gezinsleden of bewoners, dat plaatsing van een pleegkind een gevaar voor het welzijn van deze

minderjarige zou opleveren.

Dit gevaar is in beginsel aanwezig indien er sprake is geweest van:

- in eerdere contacten van de Raad met het pleeggezin in verzorgings- of

opvoedingsproblematiek

- een strafrechtelijke afdoening inzake geweldsdelicten, ernstige vermogensdelicten en

oplichtingsmisdrijven;

- strafrechtelijke afdoeningen inzake overtredingen van zodanige aard en /of frequentie dat

hieruit een gering verantwoordelijkheidsbesef blijkt;

- zaken ook als deze geseponeerd zijn, die aanleiding geven tot mogelijke bijzondere risico’s,

zoals verdenking van zedenmisdrijven of kindermishandeling;

- Bij strafrechtelijke afdoening inzake zedendelict of kindermishandeling wordt de afgifte van een

Verklaring van geen bezwaar altijd geweigerd.

Indien de Raad voornemens is de afgifte van een Verklaring van geen bezwaar te weigeren, nodigt de

Raad de aspirant-pleegouders uit om toelichting te geven en /of aanvullende informatie te vragen. De

gegeven informatie kan leiden tot wijziging van het voornemen tot weigering van de afgifte van de

Verklaring van geen bezwaar dan wel de Verklaring van geen bezwaar alleen af te geven met betrekking

tot de plaatsing van een specifiek kind.

Bij een weigering van afgifte van een Verklaring van geen bezwaar worden de aspirant pleegouders in

de gelegenheid gesteld om hun verzoek in te trekken en de Raad daarover binnen 14 dagen te

berichten. Indien de aspirant pleegouders hun verzoek niet intrekken, ontvangt de voorziening van

pleegzorg mededeling van het niet verstrekken van een Verklaring van geen bezwaar, zonder dat op de

inhoud van het justitieel documentatie register wordt ingegaan. De aspirant pleegouders ontvangen

een gemotiveerd besluit met de mededeling dat zij de mogelijkheid hebben bezwaar aan te tekenen

(zie ook hoofdstuk 6.2.).

Termijn

Indien de zaak op stukken afgedaan kan worden, wordt het onderzoek afgesloten binnen 4 weken

vanaf de ontvangst van het betreffende verzoek.

Deze termijn bedraagt 8 weken indien contact met de aspirant pleegouders noodzakelijk is.

Indien een pleeggezin voor een periode van twee jaar of langer niet feitelijk als pleeggezin heeft

gefunctioneerd, dient een nieuwe Verklaring van geen bezwaar bij de Raad voor de Kinderbescherming

te worden aangevraagd.

9.4.2. Toezicht Pleegkinderenwet

Indien er een redelijk vermoeden bestaat dat er in een pleeggezin (of een in deze wet bedoelde

inrichting) misstanden heersen of dreigen te ontstaan, stelt de Raad een onderzoek in naar het

pleegkind3 en het gezin (of de inrichting) waar het kind wordt verzorgd en opgevoed.

(NB: de wet sluit een aantal situaties uit van dit toezicht door de Raad, indien er reeds op andere wijze

toezicht wordt uitgeoefend).

De Raad heeft op grond van deze wet een aantal bevoegdheden. Zo mag de Raad vorderen dat het kind

hem getoond wordt, en is hij bevoegd zonder toestemming van de bewoner een woning te betreden

indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat daar een pleegkind wordt verzorgd en opgevoed.

De Raad kan de volgende besluiten nemen:

- verbod dat het kind langer in het pleeggezin (of de inrichting) verblijft;

- verbod om verder nog pleegkinderen te verzorgen en op te voeden;

- het stellen van voorwaarden.

De hiervoor genoemde besluiten moeten onverwijld door een deurwaarder aan betrokkenen betekend

worden. Betrokkenen kunnen binnen 14 dagen aan de rechtbank vernietiging verzoeken van het

besluit.

Met het oog op vorenstaande toezichthoudende taak van de Raad zijn degenen die de verzorging en

opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen verplicht van deze opneming binnen een week

schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het pleegkind

verblijft.

9.4.3. Toezicht voogdijpupillen (1:305 BW)

Een voogdij-instelling die een aan hem toevertrouwde minderjarige plaatst, stelt de raad schriftelijk op

de hoogte van de plaats waar de minderjarige zich bevindt.

Zo vaak als de Raad dit ter beoordeling van de situatie van de minderjarige nodig acht, bezoekt de

Raad de plaats, waar de voogdij-instelling de minderjarige heeft geplaatst. Tegenwerking door de

voogdij-instelling levert een ontzettingsgrond op (1:328 BW). Voorts kan de kantonrechter de Raad

verzoeken art 1: 365-367 BW) bij het in gebreke blijven van de wettelijke plichten de voogd, een

onderzoek in te stellen om zonodig een verzoek bij de rechtbank in te dienen tot ontzetting van de

voogd uit de voogdij.

3 Volgens art. 1, lid 1 van de Pleegkinderenwet is een pleegkind een kind jonger dan 18 jaar, dat bij anderen dan zijn ouders,

voogden of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad wordt verzorgd en opgevoed.

9.5 Meerderjarigverklaring

De minderjarige ongehuwde moeder kan, als zij de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, de kinderrechter

verzoeken om haar meerderjarig te verklaren en haar met het gezag te belasten. Als uitgangspunt

wordt gehanteerd dat de minderjarige zelf actie onderneemt richting kinderrechter. Het verzoek kan

ten behoeve van de minderjarige moeder ook door de Raad worden gedaan. Deze heeft hiervoor de

schriftelijke toestemming van de minderjarige moeder nodig. De kinderrechter willigt het verzoek in,

indien hij dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk oordeelt.

Doel van het onderzoek

Wanneer de kinderrechter de Raad om onderzoek en advies vraagt, onderzoekt de Raad of de

meerderjarigverklaring in het belang van de moeder en haar kind is en adviseert hierover de rechter..

Inhoud van het onderzoek

- Nagaan of de moeder in staat is het kind te verzorgen en op te voeden. Aan de wens van de

minderjarige moeder wordt zwaar gewicht toegekend.

- De vader-erkenner dient in het onderzoek betrokken te worden. Hij kan namelijk ook het gezag

vragen.

- Indien reeds in het gezag over het kind is voorzien, moet die gezagsdrager in het onderzoek

worden betrokken.

- De Raad overlegt met de instellingen die eventueel betrokken zijn bij de begeleiding van de

minderjarige moeder.

- In het algemeen worden degenen die het gezag over de minderjarige moeder hebben (dit kunnen

de ouders van de minderjarige moeder zijn) in het onderzoek betrokken. Indien het in het belang

van de minderjarige moeder en het kind nodig is kan ervan worden afgezien degenen die het

gezag over de minderjarige moeder hebben in het onderzoek te betrekken. De Raad zal dit moeten

motiveren in zijn rapport. Degene(n) die het gezag over de minderjarige moeder heeft /hebben zal

/zullen als belanghebbende(n) in de procedure door de kinderrechter worden opgeroepen.

9.6. Huwelijksdispensatie

Om een huwelijk te mogen aangaan moeten man en vrouw de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.

Indien degenen die met elkaar willen huwen beiden de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en de vrouw

een verklaring van een arts overlegt dat zij zwanger is of reeds een kind ter wereld heeft gebracht,

vervalt het vereiste van de 18-jarige leeftijd. Dit laat echter onverlet dat een minderjarige de

toestemming van de ouder(s) nodig heeft om te mogen huwen en indien van toepassing ook die van

de voogd(en). Een toestemming kan worden vervangen door die van de kantonrechter.

Indien iemand een huwelijk wil aangaan terwijl niet aan het leeftijdsvereiste van 18 jaar is voldaan en

evenmin sprake is van de hiervoor genoemde situatie kan de minister van justitie om gewichtige

redenen ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste (d.i. huwelijksdispensatie).

De minister vraagt daartoe een onderzoek aan het Openbaar Ministerie en stuurt gelijktijdig een kopie

van het verzoek tot huwelijksdispensatie naar de Raad met het verzoek om advies uit te brengen aan

het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie verzoekt de politie terzake een ‘staat van

inlichtingen’ op te maken. De Raad gaat na of hij gegevens heeft van (een van) de aspirant echtgenoten

en neemt contact op met de politie om te overleggen of op dat moment in het belang van de

minderjarige reeds bemoeienis van de Raad nodig is. Is dat het geval dan neemt de Raad na vier weken

opnieuw contact op met de politie. De door de Raad te verstrekken informatie zal veelal mogelijk zijn

aan de hand van de door de politie aangedragen informatie.

Voor het geval onderzoek van de Raad aangewezen is, wordt verwezen naar hoofdstuk 8.1 en 3.

Termijn

Binnen zes weken na ontvangst van het verzoek van de minister van justitie, brengt de Raad advies uit

aan de officier van justitie.

9.7 Naamswijziging

9.7.1. Inleiding

Indien aan de Minister van Justitie wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige wordt

gevraagd en ťťn van de ouders of beide ouders bezwaar maakt /maken, dient de Raad op verzoek van

de Minister van Justitie onderzoek in te stellen en advies uit te brengen.

Indien geslachtsnaamswijziging tegelijkertijd wordt gevraagd met een verzoek om gezamenlijk gezag of

voogdij is de rechter de bevoegde instantie en kan de rechter onderzoek en advies vragen aan de

Raad omtrent het verzoek om naamswijziging en gezamenlijk gezag.

9.7.2. Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)

Doel

Op basis van een verzoek van de Minister van Justitie of de rechter zal de raad een onderzoek in

stellen en op systematische en procesmatige wijze relevante gegevens verzamelen om te kunnen

adviseren met betrekking tot het verzoek om naamswijziging, waarbij wordt nagegaan of het belang

van het kind zich tegen inwilliging van het verzoek verzet.

Nadere Procedure

Uitgegaan wordt van de feitelijke omstandigheden zoals deze worden aangetroffen en niet van het

ontstaan van omstandigheden en in de rol die ieder van de ouders hierbij gespeeld heeft. Dit wordt de

betrokkenen duidelijk uitgelegd.

Zodra het verzoek of het bezwaar wordt ingetrokken, bericht de Raad dit schriftelijk aan de overige

betrokkenen en aan het Ministerie van Justitie.

Het verzoek wordt getoetst aan de volgende vijf criteria:

1. is het kind voorgelicht omtrent zijn afkomst (zgn. statusvoorlichting)?

2. eenheid van naam in het gezin;

3. voert het kind de gevraagde naam reeds in de praktijk en hoe lang doet het dit al?

4. de rol die beide ouders in het leven van het kind hebben, alsmede de contacten tussen het kind en

de beide ouders;

5. wordt de bestaande gezinssituatie door het kind geaccepteerd?

Rapportage (Zie ook hoofdstuk 3)

In het onderzoek en de rapportage wordt in elk geval aan de volgende aspecten aandacht besteed:

-de motieven van de verzoeker om naamswijziging te vragen;

-de vijf genoemde criteria worden alle belicht;

-de mening van de minderjarige (in elk geval die van de minderjarige van 12 jaar en ouder).

De Raad adviseert negatief, indien de minderjarige van twaalf jaar of ouder weigert in te stemmen met

de verzochte naamswijziging of indien de belangen van het kind zich tegen inwilliging verzetten.

9.7.3. Overgang naar /samenloop met onderzoek omgangsregeling

De (eventuele) naamswijziging is geen beletsel voor het hebben van omgang tussen het kind en de

niet- verzorgende ouder. Indien naar aanleiding van het naamswijzigingonderzoek de niet-verzorgende

ouder, die geen contact (meer) heeft met zijn kind (weer) een omgangsregeling op gang wil brengen,

legt de raadsonderzoeker de ouder de mogelijkheden voor het verkrijgen van een omgangsregeling

(vrijwillig of via een procedure) uit. Verwezen wordt naar hoofdstuk 9.1. Dit laat onverlet dat het advies

omtrent het verzoek om naamswijziging aan het Ministerie van Justitie wordt uitgebracht.

Indien de rechtbank (ingeval van een aangespannen procedure voor het verkrijgen van een

omgangsregeling) de Raad (vervolgens) om advies vraagt dan wel het de Raad wenselijk voorkomt

ongevraagd te adviseren, kan de Raad hierbij binnen een tijdsbestek van ťťn jaar gebruik maken van

de informatie die tijdens het naamswijzigingonderzoek is verkregen.

 

Beleidsaanwijzingen in Strafzaken

10.1 Inleiding

10.2 Voorlichting, advies en selectie

10.2.1 Basisonderzoek

10.2.2 Vervolgonderzoek

10.2.3 Uitbreiding naar onderzoek opvoedingsproblemen

10.3 CoŲrdinatie Taakstraffen

10.4 Casusregie

10 Strafzaken

10.1 Inleiding

De Raad heeft verschillende taken in het kader van het jeugdstrafrecht. Binnen het jeugdstrafrecht behartigt de Raad de belangen van de minderjarige in die zin dat specifiek /pedagogisch gereageerd kan worden op strafbare feiten gepleegd door minderjarigen. De Raad heeft een voorlichtings- en adviesfunctie naar de officier van justitie, de kinderrechter en de rechter commissaris; daarnaast heeft de Raad een selectiefunctie ,waarbij bezien wordt of het criminele gedrag van de minderjarige een signaal is van achterliggende problematiek en of hulpverlening noodzakelijk is. Ook voert de Raad de regiefunctie zowel in individuele zaken als algemene beleidsmatige zaken. Tenslotte voert de Raad de coŲrdinatie uit van de uitvoering van de taakstraffen. Het jeugdstraf(proces)recht is van toepassing op minderjarigen van 12 jaar en ouder. De politie bepaalt of er proces-verbaal wordt opgemaakt indien een strafbaar feit is gepleegd. Naar aanleiding van een opgemaakt proces-verbaal dan wel een inverzekeringstelling meldt de politie een minderjarige van 12 jaar en ouder aan bij de Raad. Tevens zal de politie bij het bureau Jeugdzorg en in het geval deze nog niet operationeel zijn bij de Raad minderjarigen melden, die jonger zijn dan 12 jaar wanneer - een ernstig strafbaar feit is gepleegd, waarvoor voor minderjarigen ouder dan 12 jaar geen HALTafdoening zou zijn toegestaan (HALT betreft een afdoening buiten het justitiŽle circuit voor overtredingen en voor bepaalde misdrijven met schade tot een bepaald bedrag);

- er opnieuw een strafbaar feit is gepleegd;

- er sprake is van een serieus vermoeden van achterliggende problematiek.

Naast de politie kan ook een leerplichtambtenaar een proces-verbaal opmaken tegen een minderjarige van 12 jaar en ouder en het schoolverzuim aan de Raad voor de Kinderbescherming melden.

De taken van de Raad op strafrechtsgebied betreffen:

1 Basisonderzoek:

a. Naar aanleiding van een melding door de politie of de leerplichtambtenaar stelt de Raad een kortdurend onderzoek in, het zgn. basisonderzoek.

b. Vroeghulp is een specifieke vorm van het basisonderzoek dat wordt uitgevoerd na een melding inverzekeringstelling.

2 Vervolgonderzoek:

Desgevraagd dan wel op eigen initiatief stelt de Raad in overleg met de Officier van Justitie een nader onderzoek in en verstrekt de Officier van Justitie en de rechter, als de jongen wordt gedagvaard een uitgebreid voorlichtingsrapport.

3 CoŲrdinatie Taakstraffen:

De Raad is belast met de voorbereiding, ondersteuning en afronding van de tenuitvoerlegging van taakstraffen voor minderjarigen.

4. Casusregie

De Raad voert de casusregie met als doel de samenhang tussen de ketenpartners die met jeugdreclasseringstaken zijn belast te bevorderen. Hiertoe behoren de Raad zelf, het Bureau Jeugdzorg/ de gezinsvoogdij-instelling (afdeling jeugdreclassering) en de Stichting Reclassering Nederland. Voorts betreft het de samenhang van deze jeugdreclasseringsactiviteiten met de activiteiten van andere instanties binnen de jeugdstrafrechtpleging (politie, parket van de Officier van Justitie, rechtbank en JustitiŽle Jeugdinrichtingen).

10.2 Voorlichting, advies en selectie

10.2.1 Basisonderzoek

Inleiding

Het basisonderzoek vindt plaats hetzij naar aanleiding van een melding proces-verbaal of inverzekeringstelling door de politie, hetzij naar aanleiding van een melding proces-verbaal door een leerplichtambtenaar. Ook wordt er een basisonderzoek ingesteld als de politie een minderjarige beneden de leeftijd van 12 jaar bij de Raad heeft gemeld vanwege het plegen van een strafbaar feit (zie Inleiding 10.1) Ingeval van inverzekeringstelling vindt het basisonderzoek plaats bij wijze van “vroeghulp”. Voor zover niet anders vermeld geldt het volgende voor alle basisonderzoeken.

Doel

Doel is het instellen van een onderzoek na melding proces-verbaal en maken van een selectie: de Raad beziet of het (incidenteel) delictgedrag een signaal van onderliggende problematiek betreft. Voorts vindt er ten aanzien van de minderjarige van 12 jaar en ouder op grond van dit onderzoek voorlichting aan de Officier van Justitie en/of de rechter(-commissaris) plaats over de persoon en de omstandigheden van de minderjarige al dan niet voorzien van een strafadvies.

Uitvoering van het basisonderzoek

Uitgangspunt is, dat zowel na melding proces-verbaal als na melding inverzekeringstelling steeds een basisonderzoek plaatsvindt; uitzondering hierop in de volgende gevallen:

- wanneer m.b.t. de minderjarige korter dan een half jaar tevoren een basisonderzoek is ingesteld. In dat geval beziet de Raad of een vervolgonderzoek moet worden ingesteld;

- wanneer de Raad reeds een verdergaande bemoeienis heeft (gehad), al dan niet via een strafzaak die korter dan een half jaar tevoren is afgerond. In dat geval beziet de Raad wat er moet gebeuren (bijvoorbeeld doorverwijzen naar de jeugdreclassering). Na melding inverzekeringstelling worden de minderjarige en zo mogelijk ook de ouders in principe op dezelfde dag bezocht, ook wanneer de melding in het weekend of op een feestdag plaatsvindt.

- De raadsonderzoeker geeft betrokkenen uitleg omtrent de aanleiding, het doel en de opzet van het onderzoek en verstrekt, niet later dan tijdens het eerste contact, foldermateriaal over de werkwijze van de Raad voor zover dit niet in een eerdere fase heeft plaatsgevonden;

- Direct na ontvangst van de melding raadpleegt de Raad het CliŽnt Volg Systeem (CVS);

- Het basisonderzoek vindt plaats op een gestandaardiseerde wijze, zo veel mogelijk met gebruikmaking van het screeningsinstrument strafzaken (BARO, Basis Raadsonderzoek) De Raad verzamelt informatie over de persoon van de minderjarige, diens woon- en gezinssituatie, zijn school of werk en zijn vrije tijdsbesteding. Voorts vindt bespreking plaats van het delict. In geval van inverzekeringstelling wordt zonodig spoedeisende hulp verleend aan de minderjarige. Ook heeft de raadsonderzoeker tijdens de vroeghulp aandacht voor praktische zaken die verband houden met het verblijf van de minderjarige op het politiebureau;

- In het onderzoek wordt gesproken met de minderjarige en diens ouders, en zo mogelijk met tenminste ťťn informant, bijvoorbeeld de school. Wanneer de BARO gebruikt wordt, vinden de gesprekken met de jeugdige en diens ouders afzonderlijk plaats;

- Wanneer het delict tot materiŽle schade heeft geleid gaat de Raad na of een schaderegeling met het slachtoffer is getroffen, dan wel of een schaderegeling tot de mogelijkheden behoort en vermeldt dit in het rapport. De Raad maakt niet zelf nadere afspraken over een eventuele schaderegeling en voert deze evenmin uit.

Termijn

De termijn bedraagt maximaal 40 kalenderdagen en vangt aan op de dag dat de melding procesverbaal is ontvangen en eindigt op de dag dat het definitieve rapport is verstuurd. Van deze termijn kan in uitzonderingssituaties gemotiveerd worden afgeweken. De betrokkenen worden van de verlenging van de termijn en de redenen daarvoor tijdig in kennis gesteld. Tevens wordt een nieuwe termijn aangegeven. In geval van inverzekeringstelling zorgt de Raad ervoor dat de Officier van Justitie over het rapport beschikt voordat de minderjarige aan hem wordt voorgeleid (de maximale termijn van inverzekeringstelling bedraagt 3 dagen en 15 uur).

Afsluiting onderzoek

Betreft het een minderjarige van 12 jaar of ouder dan wordt op grond van de verzamelde informatie een rapport opgesteld, ten behoeve van de eventuele voorgeleiding c.q. de verdere afdoening van de strafzaak, met advies aan de Officier van Justitie en /of de rechter(-commissaris). In het rapport wordt advies gegeven, vooral gebaseerd op pedagogische overwegingen, ten behoeve van de beslissing van de rechter en de Officier van Justitie; daartoe dient de rapportage binnen de eerdergenoemde termijnen voor hen beschikbaar te zijn. Ingeval van inverzekeringstelling dient de advisering tevens voor de beslissing van de rechtercommissaris om de voorlopige hechtenis van de minderjarige al of niet te schorsen en zo ja onder welke voorwaarden dat eventueel zou moeten gebeuren. Verder kan geadviseerd worden over de vraag of een persoonlijkheidsonderzoek gewenst is, waar en hoe (al of niet ambulant) dat eventueel het beste uitgevoerd kan worden en welke onderzoeksvragen dan van belang zouden kunnen zijn.

Het rapport wordt aan betrokkenen toegezonden onder aanbieding van de mogelijkheid tot een gesprek of een schriftelijke reactie.

Hoofdstuk 3 is wel van toepassing m.b.t. het onderzoek maar niet van toepassing op rapportage over het basisonderzoek. Wel geldt de alinea betreffende ondertekening.

 

10.2.2 Vervolgonderzoek

Inleiding

Indien daartoe blijkens het basisonderzoek aanleiding bestaat, stelt de Raad desgevraagd of uit eigen beweging een vervolgonderzoek in. Meestal zal dit op verzoek van de justitiŽle autoriteiten gebeuren. Wanneer er korter dan een half jaar tevoren reeds een basisonderzoek heeft plaatsgevonden, kan rechtstreeks tot een vervolgonderzoek worden besloten. In ieder geval dient alvorens tot een vervolgonderzoek wordt overgegaan, eerst overleg met de Officier van Justitie plaats te vinden en worden zo mogelijk afstemmingsafspraken gemaakt. Ook kan een JustitiŽle Jeugdinrichting die Pro Justitia-rapportage verricht aan de raad verzoeken het milieuonderzoek te doen Indien geen nadere rapportage voor de strafafdoening nodig is en de problematiek daartoe aanleiding geeft, kan de Raad ambtshalve beslissen tot het instellen van een beschermingsonderzoek.

Doel

Doel is het instellen van een onderzoek en het verzamelen van relevante gegevens omtrent de persoon en de levensomstandigheden van de jeugdige verdachte van 12 jaar en ouder, teneinde de Officier van Justitie en de kinderrechter uitgebreidere voorlichting te geven. Het onderzoek biedt tevens de mogelijkheid om een doeltreffende oplossing te realiseren ter afwending van de risico’s die de jeugdige in zijn ontwikkeling bedreigen alsmede om de kans op recidive te beperken.

 

Nadere procedure (zie ook hoofdstuk 3)

Het onderzoek vangt aan op basis van tevoren door de raadsonderzoeker geformuleerde vragen waarbij aansluiting gezocht wordt bij de via het basisonderzoek verkregen informatie. Ook hierbij staat het belang van de minderjarige centraal.

- In het onderzoek moeten behalve de feiten, ook de ontstaansgeschiedenis van de problemen, het gezinspatroon, de persoon van de ouders /opvoeders en de minderjarige, de opvoedingsmogelijkheden van de ouders, de mogelijkheden t.a.v. hulpverlening hulpverleningsgeschiedenis en de toekomstverwachtingen in ogenschouw worden genomen.

- In het onderzoek wordt bij voorkeur eerst met de minderjarige en daarnaast met de betrokken ouders en eventuele verzorgers gesproken. Wanneer niet met de minderjarige en genoemde gezagsdragers en /of verzorgers is gesproken dient dit in het rapport te worden gemotiveerd.

 

Termijn

De termijn bedraagt maximaal 115 dagen en vangt aan op de dag dat het verzoek tot onderzoek wordt ontvangen en eindigt op de dag dat het definitieve rapport wordt verstuurd. Van deze termijn kan in uitzonderlijke situaties gemotiveerd worden afgeweken en hierover vindt overleg plaats met de officier van justitie. De betrokkenen worden van de verlenging van de termijn en de redenen daarvoor op de hoogte gesteld; tevens wordt een nieuwe termijn aangegeven.

 

10.3 CoŲrdinatie Taakstraffen voor jeugdigen

Inleiding

Een jeugdige van 12 jaar en ouder tegen wie door de politie proces-verbaal is opgemaakt kan door de Officier van Justitie, in het kader van een transactievoorstel, of door de rechter een taakstraf opgelegd krijgen. De taakstraf is een hoofdstraf en bestaat uit een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide. Bij een werkstraf gaat het om onbetaalde, fysieke arbeid op niet-commerciŽle of semi-commerciŽle basis ten dienste van de samenleving gedurende een aantal vastgestelde uren. Bij een leerstraf worden de minderjarige in een verplichtend kader bepaalde vaardigheden bijgebracht of wordt hij geconfronteerd met de gevolgen van zijn daad voor het slachtoffer. De leerstraffen variŽren in duur en intensiteit. De Raad is verantwoordelijk voor het aanbod aan projectplaatsen ten behoeve van minderjarige taakgestraften. Hij beschikt daartoe over een gedifferentieerd aanbod van:

a. werkprojectplaatsen, die zinvolle werkzaamheden bieden en op de jeugdige gerichte begeleidingsmogelijkheden, en

b. leerprojecten, welke zoveel mogelijk in relatie staan tot het gepleegde delict en /of problematiek van de jeugdige.

De Raad ziet erop toe dat projectplaatsen zich ten aanzien van minderjarige taakgestraften houden aan de regelgeving omtrent de arbeidsomstandigheden en andere veiligheidsvoorschriften. Tevens houdt de Raadrekening met de regelgeving rond arbeidstijden voor minderjarigen. Met betrekking tot leerstraffen wordt door de Raad onder andere aandacht besteed aan de omstandigheid dat de begeleider van de leerstraf over voldoende kwalificaties beschikt. Wanneer de Raad invoering van een nieuw werk- c.q. leerproject overweegt legt hij dat ter toetsing voor aan het Openbaar Ministerie (OM), aangezien de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van straffen aldaar berust. De Raad draagt er zorg voor dat de rechter, het OM, de verdachte en diens raadsman zich steeds op de hoogte kunnen stellen van gegevens omtrent de beschikbare projectplaatsen voor de tenuitvoerlegging van een taakstraf en de aard van de te verrichten werkzaamheden of de te volgen leerprojecten.

Doel

Het coŲrdineren van taakstraffen door de Raad heeft tot doel door de selectie van een pedagogisch adequate (werk- en /of leer-) projectplaats, door het doen uitvoeren van deze taakstraf door de minderjarige, het houden van toezicht op de uitvoering van de taakstraf en het informeren van de Officier van Justitie over de afloop van de taakstraf een gedragsverandering ten goede bij de minderjarige te bevorderen.

Nadere procedure (zie ook hoofdstuk 3).

Alvorens een minderjarige taakgestrafte overeenkomstig de rechterlijke uitspraak of de door de Officier van Justitie gestelde voorwaarden op een project te plaatsen, heeft de coŲrdinator taakstraffen met hem een persoonlijk gesprek (intake). De ouders /verzorgers van de jeugdige krijgen ook een uitnodiging voor het intakegesprek, tenzij dat op grond van de leeftijd van de betrokken jeugdige of vanwege bijzondere omstandigheden contra geÔndiceerd is. Wanneer de jeugdige taakgestrafte niet op de uitnodiging reageert, volgt een herhaalde oproep. Daarbij wordt de minderjarige er uitdrukkelijk op gewezen wat de consequentie is als hij verstek laat gaan. Als, na verificatie van de adresgegevens, ook op de tweede oproep niet wordt gereageerd, wordt daarvan melding gedaan bij het OM. Tijdens het intakegesprek stelt de coŲrdinator taakstraffen de taakgestrafte op de hoogte van de regels, rechten en plichten die gelden bij de tenuitvoerlegging van een taakstraf. De beslissing tot plaatsing wordt, inclusief de gemaakte afspraken, schriftelijk vastgelegd en ondertekend door de taakgestrafte. Deze ontvangt hiervan een afschrift. De schriftelijke beslissing wordt aan het OM gezonden. Bij het bepalen van de feitelijke werkzaamheden of verplichtingen houdt de coŲrdinator taakstraffen rekening met het gepleegde delict, de capaciteiten, mogelijkheden en specifieke omstandigheden van de taakgestrafte alsmede met de reisafstand tot de projectplaats. Middagpauze en reistijden tellen niet als taakstrafuren. De dagen en aanvang- en eindtijden worden zo mogelijk in overleg met de taakgestrafte vastgesteld. De coŲrdinator taakstraffen begeleidt de minderjarige taakgestrafte tijdens diens kennismaking methet project. In het gesprek tussen de coŲrdinator taakstraffen, de betrokken jeugdige en de begeleider van de projectplaats c.q. de begeleider van het leerproject wordt ingegaan op de huisregels van de projectplaats, de werkzaamheden en /of andere verplichtingen, de aanvangsdatum en de tijden waarop de jeugdige op het (werk- c.q. leer-)project aanwezig dient te zijn. Nadat de taakstraf is uitgevoerd vindt een afsluitend contact plaats met de taakgestrafte in de vorm van een evaluerend eindgesprek tussen de coŲrdinator taakstraffen en de taakgestrafte, waarbij wordt nagegaan in hoeverre de gestelde leerdoelen zijn gehaald, althans of het pedagogisch beoogde leereffect is bereikt. Als van een eindgesprek wordt afgezien vindt er in ieder geval een schriftelijke afsluiting plaats. Op basis van het afloopbericht van de contactpersoon c.q. begeleider rapporteert de coŲrdinator taakstraffen aan de Officier van Justitie over het verloop van de taakstraf. De coŲrdinator verwerkt in deze rapportage tevens de bevindingen uit het eindgesprek met de taakgestrafte. Het rapport wordt aan de taakgestrafte en de betrokken ouders toegezonden met het aanbod voor een gesprek, indien betrokkenen aangeven dit te wensen.

Hoofdstuk 3.2 is niet van toepassing op de rapportage met betrekking tot taakstraffen. Wel geldt de alinea betreffende ondertekening.

De tenuitvoerlegging van de taakstraf in bijzondere gevallen:

- Bij bijzondere omstandigheden - zoals onvoldoende beschikbaarheid van werk, een onoplosbaar conflict op de projectplaats, ongeschiktheid van de taakgestrafte voor het werk of het niet aansluiten van verplichtingen bij de specifieke omstandigheden van de taakgestrafte - kan de Officier van Justitie, op verzoek en advies van de Raad, de projectplaats wijzigen, al dan niet met wijziging van de feitelijke werkzaamheden of verplichtingen, en eveneens de werkstraf wijzigen in een leerstraf of omgekeerd. Daarnaast kan de Officier van Justitie ambtshalve of op verzoek van de Raad de termijn waarbinnen de taakstraf moet zijn verricht ťťnmaal verlengen als blijkt dat de taakgestrafte om redenen die buiten zijn schuld liggen de taakstraf niet binnen de gestelde termijn kan afronden;

- Indien de taakgestrafte de taakstraf niet naar behoren verricht, waaronder ongeoorloofd verzuim, kan de coŲrdinator taakstraffen de taakgestrafte eenmaal een officiŽle waarschuwing geven;

- De coŲrdinator taakstraffen kan de tenuitvoerlegging van de taakstraf opschorten indien, na een waarschuwing, de taakgestrafte de taakstraf niet naar behoren verricht. Hetzelfde geldt ingeval van ernstige misdraging aan de kant van de taakgestrafte. In alle bovengenoemde gevallen wordt de taakgestrafte, zo mogelijk van tevoren gehoord. Van bovengenoemde omstandigheden wordt verslag opgemaakt, inclusief de mening van de taakgestrafte. Het besluit voor opschorting van de tenuitvoerlegging en de rapportage hierover, al dan niet met advies over het vervolg wordt zo spoedig mogelijk aan de Officier van Justitie gestuurd en in afschrift aan de taakgestrafte en zijn ouders. De taakgestrafte kan schriftelijk, onder opgave van redenen, bezwaar aantekenen tegen de beslissing tot wijziging van de projectplaats of de aard van de werkzaamheden en tegen de beslissing tot het geven van een officiŽle waarschuwing. Na ontvangst van het bezwaar wordt de verdere tenuitvoerlegging opgeschort. De coŲrdinator taakstraffen zendt het bezwaar, voorzien van de rapportage en bijhorende stukken waaronder een advies terstond naar de Officier van Justitie, die zo spoedig mogelijk op het bezwaar beslist. NB: het aantekenen van bezwaar laat onverlet de mogelijkheid om een klacht (zie hoofdstuk 7) in te dienen.

10. 4 Casusregie

De Raad voert de casusregie uit met als doel de samenhang in de jeugdstrafrechtketen te bevorderen, zodat vroegtijdig, snel en consequent kan worden opgetreden tegen een jeugdige wetsovertreder.

De Raad voert casusregie op twee gebieden:

- De individuele casusregie, met als doel zicht te krijgen en te houden en zo nodig te reageren op het verloop van iedere individuele casus, vanaf het moment dat de jeugdige door de politie, als gevolg van een proces-verbaal of in verzekering stelling, bij de Raad is gemeld tot en met de nazorg na de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel;

- De beleidsregie, welke plaatsvindt in de Arrondissementale Platforms Jeugdcriminaliteit en de beleidsmatige coŲrdinatie van de activiteiten van partners in de jeugdstrafrechtketen omvat. De individuele casusregie dient conform landelijke afspraken zoveel mogelijk uniform te worden uitgevoerd. Op arrondissementaal niveau kunnen nadere afspraken op uitvoeringsniveau tussen de ketenpartners worden gemaakt om de samenwerking op de plaatselijke situatie af te stemmen. De organisatie van de casusregie is nog in opbouw. Daarnaast wordt in ieder arrondissement een casusoverleg ingesteld met als doel dat de betrokken ketenpartners minimaal procedure afspraken maken over de strafrechtelijke afdoening ten aanzien van die jongeren tegen wie de politie proces verbaal heeft opgemaakt. Beoogd wordt om de werkzaamheden van de ketenpartners beter op elkaar af te stemmen en daardoor vroegtijdig, snel en consequent te kunnen reageren op strafbare feiten gepleegd door minderjarigen.

 

Bijlagen

1 Klachtenprocedure

2 Kinderbeschermingsmaatregelen

3 Richtlijnen externe deskundigen

4 Strafrechtelijke maatregelen

5 Reglement Wet Bescherming Persoonsgegevens primair proces van de Raad voor

de Kinderbescherming

6 Begrippenlijst

7 Lijst met afkortingen

Bijlage 1. Klachtenprocedure

NB: Het voornemen is dat in 2003 zal een nieuw klachtbesluit wordt opgesteld; onderstaand besluit blijft tot de inwerkingtreding van hiervan, van kracht behoudens waar hoofdstuk 9 van de Algemene Wet Bestuursrecht anders voorschrijft. Indien iemand verzoekt om toezending van een folder over de klachtenprocedure van de Raad wordt hem deze toegestuurd binnen vijf dagen. Indien een betrokkene tijdens het onderzoek vraagt naar de klachtmogelijkheden, wordt hem zo spoedig mogelijk de folder over de klachtenprocedure ter hand gesteld. De klachtenprocedure voor de Raad is opgenomen in het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming van 24 juni 1996 (Stbl. 1996, 330). Onderstaand zijn de belangrijkste punten hieruit opgesomd:

a. Een ieder die als belanghebbende of als informant betrokken is bij een bij de Raad in behandeling (geweest) zijnde aangelegenheid (hierna: klager) kan een klacht indienen.

b. De klacht moet een gedraging van een medewerker van de Raad betreffen die gevolgen heeft voor de klager persoonlijk. Onder gedraging wordt verstaan: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een beslissing. Bij beslissingen die ten aanzien van de klager zijn of worden genomen, moet worden gedacht aan feitelijke beslissingen die in het kader van de uitoefening van de taak worden genomen. Dit betekent dat men bijvoorbeeld over de inhoud van een raadsadvies niet kan klagen, maar wel over de wijze waarop een advies tot stand komt. Tevens sluit de regeling uit dat over het algemene beleid dat door de Minister van Justitie is vastgesteld, kan worden geklaagd. Met een klacht over het algemene beleid moet de klager zich tot de minister wenden.

c. Een klacht moet binnen een jaar na de dag waarop de klager kennis heeft gekregen van de gewraakte gedraging worden ingediend. Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk indien blijkt dat de klacht is ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van de klager kon worden verlangd. Dit laatste dient te blijken uit door klager naar voren te brengen feiten en omstandigheden.

d. De klacht moet worden ingediend bij de directeur van het ressort waar de vestiging onder valt. De directeur kan een ander persoon aanwijzen die met de klachtbehandeling wordt belast. Gaat de klacht over een gedraging van een medewerker van het Hoofdkantoor dan dient de klacht te worden ingediend bij de algemeen directeur van de Raad. Betreft een klacht een gedraging van de (algemeen) directeur zelf, dan dient de klager zich direct tot de klachtencommissie te wenden.

e. 1. Een klacht kan mondeling of schriftelijk bij de directeur worden ingediend. De ontvangst van de

klacht dient onverwijld schriftelijk door de directeur aan de klager te worden bevestigd waarbij de

klachtenfolder moet worden meegestuurd.

2. De klager kan zich bij de behandeling van zijn klacht laten bijstaan door een raadsman en/of

een vertrouwenspersoon. Van deze mogelijkheid moet aan klager in de ontvangstbevestiging van

de klacht mededeling worden gedaan.

3. Indien de klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover de Raad een verzoek of een

advies tot de rechter heeft gericht en de rechter over die aangelegenheid nog geen beslissing heeft

genomen, stelt de Raad de rechter onverwijld in kennis van het indienen van de klacht.

4. De directeur onderzoekt de klacht en tracht, samen met de klager en (eventueel) de

medewerker tegen wiens gedraging de klacht is gericht, tot een voor klager aanvaardbare oplossing

te komen. Slaagt hij hierin niet, dan moet hij binnen acht weken na de ontvangstbevestiging van

de klacht, een beslissing op de klacht nemen. De directeur neemt deze beslissing niet dan na de

klager en de medewerker te hebben gehoord.

5. Indien de directeur de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond heeft bevonden, moet deze in zijn

beslissing tevens meedelen of, en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie daaraan worden

verbonden.

f. 1. De klager kan van de beslissing van de directeur binnen zes weken schriftelijk in beroep gaan bij

de onafhankelijke klachtencommissie van het ressort.

2. De klachtencommissie hoort de klager alsmede de medewerker over wiens gedraging wordt

geklaagd en neemt in beginsel uiterlijk zes weken nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt een

schriftelijke met redenen omklede beslissing.

3. Indien een door de klachtencommissie behandelde klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is

bevonden, moet de directeur binnen drie weken na ontvangst van de beslissing van de

klachtencommissie aan de klager schriftelijk meedelen of en zo ja, welke gevolgen binnen de

organisatie daaraan worden verbonden.

4. Bij de behandeling van de zaak voor de klachtencommissie kan zowel de klager als degene over

wiens gedraging wordt geklaagd zich door een raadsman en/of vertrouwenspersoon doen bijstaan.

d. Er is geen hoger beroep mogelijk van een beslissing van de klachtencommissie.

Bijlage 2. Kinderbeschermingsmaatregelen

Ondertoezichtstelling

Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid

ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of,

naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een

gezinsvoogdij-instelling /BJZ. De kinderrechter kan dit doen op verzoek van een ouder, een

pleegouder, de partner van de met het gezag belaste ouder die het kind mede verzorgt, of de Raad voor

de Kinderbescherming, dan wel op verzoek van het Openbaar Ministerie. De duur van de

ondertoezichtstelling wordt op ten hoogste een jaar bepaald. De kinderrechter kan op verzoek de duur

telkens met een jaar verlengen.

De kinderrechter kan hangende het onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien

dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Een voorlopige ondertoezichtstelling duurt niet langer dan

drie maanden.

Spreekt de kinderrechter de ondertoezichtstelling uit, dan draagt hij de uitvoering van de

ondertoezichtstelling op aan een gezinsvoogdij-instelling/BJZ. Ter uitvoering van haar taak kan de

gezinsvoogdij-instelling schriftelijk aanwijzingen geven over de verzorging en opvoeding van de

minderjarige. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te

volgen. Binnen twee weken kunnen zij de kinderrechter verzoeken een aanwijzing geheel of

gedeeltelijk vervallen te verklaren.

Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot

onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gezinsvoogdijinstelling

op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Bij

het verzoek wordt vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de

machtiging wordt gevraagd. Voor plaatsing in een gesloten inrichting is een uitdrukkelijk daartoe

strekkende machtiging van de kinderrechter nodig.

Een uithuisplaatsing kan worden beŽindigd door de gezinsvoogdij-instelling. Deze doet hiervan zo

spoedig mogelijk en onder overlegging van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing

mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming. (artikel 1: 263, lid 1 BW)

Op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of minderjarige van twaalf

jaar of ouder, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert,

vervangen door een andere. Ook de Raad voor de Kinderbescherming is bevoegd een dergelijk verzoek

in te dienen, indien de Raad van oordeel blijft dat een uithuisplaatsing niet op de voet van artikel 263,

eerste lid, dient te worden beŽindigd.

Ontheffing en ontzetting

Ontheffing en ontzetting zijn maatregelen die leiden tot het geheel ontnemen van het gezag aan een

ouder. Ontzetting is ook mogelijk ten aanzien van een voogd.

Mits het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet, kan de rechtbank een ouder van het gezag

over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht

tot verzorging en opvoeding te vervullen. Ontheffing kan niet worden uitgesproken, indien de ouder

zich daartegen verzet, behalve in de in artikel 268, tweede lid, boek I BW genoemde gevallen van zgn.

gedwongen ontheffing.

Deze gevallen zijn:

1. Indien na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing

van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de

ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen

- onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 254 af te wenden;

2. Indien zonder de ontheffing van de ene ouder, de ontzetting van de andere ouder de kinderen niet

aan diens invloed zou onttrekken;

3. Indien de geestvermogens van de ouder zodanig zijn gestoord dat hij niet in staat is zijn wil te

bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen;

4. Indien na een verzorging en opvoeding met instemming van de ouder - anders dan uit hoofde van

een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij - van tenminste een jaar in

een ander gezin dan het ouderlijke, een voortzetting daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar

de ouder ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.

De ontheffing wordt slechts uitgesproken op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, op

verzoek van het Openbaar Ministerie en, in ťťn geval van gedwongen ontheffing, op verzoek van de

pleegouder(s). De pleegouder(s) kan /kunnen in de hiervoor onder 4. genoemde situatie een verzoek

indienen indien de kinderrechter een verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het

verblijf heeft afgewezen.

Ontzetting van het ouderlijk gezag of de voogdij wordt beschouwd als een zwaardere maatregel dan

ontheffing. Daarom kan de rechtbank ontzetting van het gezag slechts uitspreken als zij dit in het

belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt, en indien de ouder zich aan bepaalde misdragingen

heeft schuldig gemaakt.

Evenals ontheffing kan de ontzetting worden uitgesproken op verzoek van de Raad voor de

Kinderbescherming, op verzoek van het Openbaar Ministerie, en in ťťn geval op verzoek van de

pleegouder(s) n.l. op grond van het bestaan van gegronde vrees voor de verwaarlozing van de belangen

van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en

opvoeding op zich hebben genomen. Daarnaast kunnen ook de andere ouder en een van de bloed- of

aanverwanten van de kinderen t/m de vierde graad een verzoek tot ontzetting doen.

Voorlopige voogdij

Op grond van feiten die tot ontzetting of gedwongen ontheffing van een ouder kunnen leiden, kan de

kinderrechter, indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, op verzoek van de Raad voor de

Kinderbescherming, of op verzoek van het Openbaar Ministerie, de ouder(s) of voogd(en) geheel of

gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een kind schorsen en een voogdij-instelling belasten

met de voorlopige voogdij over het kind. De voorlopige voogdij vervalt als niet binnen zes weken een

verzoek of vordering tot ontheffing of ontzetting is ingediend. In zich voordoende gevallen moet

daarnaast verlenging van de door de kinderrechter bepaalde termijn gevraagd worden.

Hangende een geding tot ontzetting of gedwongen ontheffing kan de rechtbank, indien dit dringend

en onverwijld noodzakelijk is, de ouder(s) of voogd(en) geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het

gezag schorsen. Als een schorsing van het gezag ertoe leidt dat een vacuŁm in de gezagsuitoefening

ontstaat, belast de rechter een voogdij-instelling met de voorlopige voogdij over het kind.

De kinderrechter kan ook een voorlopige voogdij uitspreken, indien dit dringend en onverwijld

noodzakelijk is, ingeval van ontbrekend gezag of van niet-uitoefenen van gezag.

Ook hier geldt een wettelijke vervaltermijn van 6 weken, welke in deze situaties ondervangen kan

worden door het verzoeken van een gezagsvoorziening.

Bijlage 3. Richtlijnen externe deskundigen

- 1 -

Augustus 2004

INHOUDSOPGAVE

I INLEIDING

lI BEGRIPSAFBAKENING EN ALGEMENE UITGANGSPUNTEN

1 Begripsafbakening

2 Algemene uitgangspunten

III HET INSCHAKELEN VAN EEN EXTERN DESKUNDIGE

1 Voortraject

2 Inschakelen van een extern deskundige met toestemming van de cliŽnt

3 Contra-indicaties voor een extern onderzoek

4 Inschakeling van een extern deskundige zonder toestemming van de cliŽnt

5 Afstemming opzet diagnostisch onderzoek op vraagstelling opdrachtgever

IV KWALITEITSEISEN (EXTERNE) DESKUNDIGEN

Kwaliteitseisen externe deskundigen

V HET VERRICHTEN VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK

1 Algemeen

2 (De opzet van) het onderzoek

3 Ontwikkelingen tijdens het onderzoek

VI DE AFWIKKELING VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK

1 De afwikkeling van het onderzoek door de extern deskundige

2 Afwikkeling van een extern onderzoek door de opdrachtgever

- 2 -

Augustus 2004

VII HET VERRICHTEN EN DE AFWIKKELING VAN EEN

SECOND OPINION, EEN AANVULLEND ONDERZOEK OF EEN CONTRA

EXPERTISE

1 Inleiding

2 Verrichten van een second opinion, een aanvullend onderzoek of een

contra-expertise door een extern deskundige

3 Afwikkeling van een second-opinion, een aanvullend onderzoek dan wel een

contra-expertise door de opdrachtgever

VIII INZAGE EN OPENBAARHEID

1 Inleiding

2 Inzage

3 Openbaarheid

IX KLACHTENREGELING

1 Algemeen

2 Eisen klachtregeling

3 Informatie aan opdrachtgever

4 Reactie naar aanleiding van klachten

- 3 -

Augustus 2004

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

In het onderhavige document zijn de richtlijnen voor het laten verrichten van extern

onderzoek neergelegd. Deze richtlijnen geven waarborgen waarmee een extern

onderzoek dient te zijn omkleed.

Bij een extern onderzoek gaat het om een onderzoek, in te stellen door een deskundige

die niet in dienst is van de opdrachtgever tot het onderzoek, terwijl dit onderzoek

gericht is op het stellen van een diagnose die kan worden gebruikt voor of bij een advies

of verzoek aan een rechterlijke instantie, bijvoorbeeld inzake

- het gezag over een minderjarige, de verblijfplaats of over een

omgangsregeling;

- het uitspreken of verlengen van een beschermende maatregel;

- het verlenen of verlengen van een machtiging tot uithuisplaatsing;

- het geven van een schriftelijke aanwijzing door een stichting onder wiens

toezicht een minderjatige is gesteld;

- beslissingen in het kader van de uitoefening van de voogdij door een

stichting die jeugdbeschermende maatregelen.

Deze richtlijnen richten zich derhalve niet op deskundigenonderzoek in strafzaken.

De richtlijnen zijn in beginsel gericht op de raad voor de kinderbescherming en de

stichtingen die zijn belast met de uitoefening van voogdij en gezinsvoogdij (na de

inwerkingtreding van de Wet op de Jeugdzorg: de stichting die een bureau jeugdzorg in

stand houdt) en niet op rechterlijke instanties of het OM als opdrachtgevers aan een

deskundige of een onderzoeksbureau.

Een onderzoek door een extern deskundige is voor degenen die in een dergelijk

onderzoek worden betrokken ingrijpend. Het belang om te weten hoe hun rechtspositie

is, is daarom groot. Juist dat is echter niet eenvoudig door de veelheid aan bepalingen

uit verschillende wetten die op enig moment van belang kan zijn: Boek I van het

Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de

Jeugdhulpverlening (op termijn te vervangen door de Wet op de Jeugdzorg, de Wet

bescherming persoonsgegevens, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de

beroepen in de individuele gezondheidszorg en de bepalingen over de geneeskundige

behandelingsovereenkomst in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek .

De opzet van de richtlijnen luidt als volgt:

Voorafgaand aan de richtlijnen voor het (laten) verrichten van een deskundigenonderzoek

wordt in hoofdstuk II een omschrijving gegeven van de begrippen die

in de richtlijnen worden gebruikt. Tevens worden in dit hoofdstuk de algemene

uitgangspunten geformuleerd die bij het uitwerken van de richtlijnen in acht zijn

genomen.

In hoofdstuk III zijn de richtlijnen neergelegd die door de raad voor de

kinderbescherming en de stichtingen die zijn belast met de uitoefening van voogdij en

gezinsvoogdij dienen te worden gehanteerd bij het inschakelen van een extern

deskundige ten behoeve van de voorbereiding of uitvoering van een maatregel van

kinderbescherming of het adviseren over voorzieningen betreffende het gezag over, de

verblijfplaats van of de omgang met minderjarige kinderen. Hierbij dient opgemerkt

dat in het kader van de implementatie van het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek

in de Jeugdzorg een aantal vestigingen van de raad voor de kinderbescherming en

stichtingen het inschakelen van een extern deskundige laten verlopen via de Forensisch

Psychiatrische Dienst (FPD) die als bemiddelaar optreedt bij het aanvragen van

onderzoek en die de opgestelde rapportage beoordeelt.

- 4 -

Augustus 2004

Hoofdstuk IV geeft de kwaliteitseisen weer die aan de in te schakelen deskundigen

dienen te worden gesteld.

Hoofdstuk V bevat de richtlijnen die leidraad dienen te zijn bij het doen van een extern

deskundigenonderzoek.

Hierop volgend zijn de richtlijnen voor de afwikkeling van een deskundigenonderzoek

geformuleerd in hoofdstuk VI.

Hoofdstuk VII geeft weer hoe de gang van zaken is indien de opdrachtgever op verzoek

van de cliŽnt opdracht geeft tot een second opinion, een aanvullend onderzoek of een

contra-expertise.

In hoofdstuk VIII is neergelegd welke uitgangspunten dienen te worden gehanteerd op

het punt van inzageverstrekking aan de cliŽnt en van gegevensverstrekking aan anderen

dan de cliŽnt.

Hoofdstuk IX bevat de aan de onderzoeker te stellen eis, dat hij beschikt over of is

aangesloten bij, een regeling voor de behandeling van klachten. Bovendien zijn daarin

de aan de klachtenregelingte stellen eisen opgenomen en is vermeld welke gevolgen aan

het indienen van een klacht dienen te worden verbonden.

Deze richtlijnen gelden van 1 september 2004 tot 1 januari 2006. Daarmee komen de

richtlijnen zoals die in maart 1996 werden vastgesteld, te vervallen.

- 5 -

Augustus 2004

HOOFDSTUK 2 BEGRIPSAFBAKENING EN ALGEMENE UITGANGSPUNTEN

2.1 Begripsafbakening

In de onderhavige richtlijnen worden diverse begrippen gebruikt die voor meerdere

uitleg vatbaar zijn of nader dienen te worden omschreven. Het gaat hierbij in het

bijzonder om de hierna te noemen begrippen waaronder in het kader van deze

richtlijnen het volgende wordt verstaan:

- cliŽnt de minderjarige en/of de personen uit diens directe

omgeving (in ieder geval de met het gezag belaste ouder(s),

voogd, verzorgers, waaronder pleegouders) op wie het

onderzoek zich richt. In een onderzoek kan sprake zijn van

meerdere cliŽnten;

- belanghebbende degene op wiens rechten of verplichtingen de uitkomst van

het onderzoek rechtstreeks betrekking heeft. In een

onderzoek kan sprake zijn van meerdere belanghebbenden;

- informant een ander dan de cliŽnten of belanghebbenden aan wie in

het kader van het onderzoek informatie wordt gevraagd;

- opdrachtgever de raad voor de kinderbescherming of een stichting onder

wiens toezicht een minderjarige is gesteld of die de voogdij

over een minderjarige uitoefent;

- extern deskundige een academisch geschoold deskundige op het gebied van

menselijke gedragingen – bijvoorbeeld een pedagoog of

klinisch psycholoog - die niet in dienst is van of verbonden

is aan een opdrachtgever;

- gedragsdeskundige een academisch geschoold deskundige op het gebied van

menselijke gedragingen – zoals een pedagoog of klinisch

psycholoog - in dienst van of verbonden aan de

opdrachtgever;

- deskundigenonderzoek onderzoek dat in opdracht van een opdrachtgever wordt

ingesteld door een extern deskundige;

- dossier het geheel van de gegevens betreffende de cliŽnt die de

opdrachtgever of extern deskundige verzamelt en vastlegt,

respectievelijk ten behoeve van de uitoefening van zijn

wettelijke taken dan wel de uitvoering van een

onderzoeksopdracht. Test- en onderzoeksmateriaal dienen

afzonderlijk te worden bewaard.

Persoonlijke werkaantekeningen (geheugensteun voor eigen

gedachtevorming van de deskundige) zijn geen onderdeel

van het dossier.

- 6 -

Augustus 2004

2.2 Algemene uitgangspunten

De Richtlijnen zijn gebaseerd op de volgende algemene uitgangspunten:

 De richtlijnen worden door de opdrachtgever en de extern deskundige in acht

genomen bij het (laten) uitvoeren van een extern onderzoek.

 Van deze richtlijnen kan worden afgeweken, indien de toepassing ervan een ernstige

bedreiging zou opleveren voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van een

minderjarige cliŽnt. De motivering voor deze afwijking wordt opgenomen in de

rapportage.

 Van de richtlijnen kan voorts worden afgeweken, indien het bij of krachtens de wet

bepaalde daartoe verplicht.

 Doel van de richtlijnen is om aan cliŽnten en belanghebbenden rechtsbescherming

en rechtszekerheid te bieden.

 De verrichtingen van de opdrachtgever en de extern deskundige dienen

controleerbaar en toetsbaar te zijn.

 Gedragswetenschappelijke diagnostiek is niet gericht op waarheidsvinding in

juridische zin, maar op het verklaren en inzichtelijk maken van de aangetroffen

problematiek op grond waarvan gedragswetenschappelijke advisering kan

plaatsvinden .

 De opdrachtgever en de extern deskundige komen de uit de richtlijnen

voortvloeiende verplichting na jegens cliŽnten, belanghebbenden en informanten.

Heeft een cliŽnt de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt, dan komen de opdrachtgever en

de extern deskundige de uit de richtlijnen voortvloeiende verplichtingen na

jegens de met het gezag belaste ouder(s) of voogd van deze cliŽnt. Hetzelfde

geldt indien een cliŽnt de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, maar niet in staat

kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.

Hierbij moet worden opgemerkt, dat ook deze cliŽnten het recht hebben hun

mening te uiten. De opdrachtgever en de extern deskundige moeten aan die

mening van deze cliŽnt passend belang hechten, in overeenstemming met diens

leeftijd en het ontwikkelingsniveau.

Heeft een cliŽnt de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar bereikt, dan komen

de opdrachtgever en de extern deskundige de uit de richtlijnen voortvloeiende

verplichtingen na jegens deze cliŽnt tenzij deze niet tot een redelijke waardering

van zijn belangen terzake in staat is, alsmede jegens diens met het gezag belaste

ouder(s) of voogd.

Heeft de cliŽnt de leeftijd van zestien jaar bereikt dan komen de opdrachtgever en de extern

deskundige de uit deze richtlijnen voortvloeiende verplichtingen na jegens deze

cliŽnt, tenzij deze niet tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in

staat is.

- 7 -

Augustus 2004

HOOFDSTUK 3 HET INSCHAKELEN VAN EEN EXTERN DESKUNDIGE

3.1 Voorafgaand aan de inschakeling van de extern deskundige

Bij het inschakelen van een extern deskundige is het van groot belang dat er een

vraagstelling wordt voorgelegd, die uitsluitend gedragswetenschappelijk van aard is en

die is afgestemd op de in te schakelen discipline. Bij de formulering van de vragen dient

daarom zo mogelijk gebruik te worden gemaakt gemaakt van gestandaardiseerde vragen

(zie bijlage) waarin de vertaalslag van juridische naar gedragswetenschappelijke

vraagstelling al heeft plaatsgevonden. Bij het opstellen van de vragen dient gebruik te

worden gemaakt van de bij de opdrachtgever werkzame gedragsdeskundige, die op

grond van zijn kennis adviseert met betrekking tot de te ontwikkelen vraagstelling. Deze

adviseert tevens met betrekking tot de daarvoor benodigde deskundigheid..

Uitgangspunt is dat er geen vooroverleg plaatsvindt tussen de opdrachtgever en de

extern deskundige. Er kan echter aanleiding zijn om voorafgaand aan een opdracht voor

onderzoek, informatie in te winnen bij een extern deskundige met betrekking tot zijn

beschikbaarheid en specialisme. Dit laatste heeft tot doel vast te stellen of de

deskundige beschikt over de specifieke kennis die nodig is voor het betreffende

onderzoek. Voorwaarden hierbij zijn dat:

- de opdrachtgever niet de identiteit van cliŽnt of belanghebbenden vrijgeeft;

- het vooroverleg is gefiatteerd door de leidinggevende;

- het vooroverleg wordt vastgelegd in het dossier en ter kennis gebracht

van de cliŽnt.

Het is mogelijk dat met het oog op advisering over de noodzaak van het laten verrichten

van onderzoek door een extern deskundige een zogeheten indicatie-overleg met de FPD

plaatsvindt. Dit indicatie-overleg is aan te merken als het inwinnen van informatie bij

derden, waarbij voor de raad voor de kinderbescherming geldt wat in Normen 2000,

versie twee van april 2003 in hoofdstuk 3.1 wordt opgemerkt over het horen van

informanten. Er kan aanleiding zijn voor de opdrachtgever om, voorafgaand aan een

opdracht voor onderzoek, informatie in te winnen Waar reeds wordt gewerkt met

inachtneming van het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek zal het inwinnen van

dergelijke informatie plaatsvinden door bemiddeling van de FPD.

Het feit dat vooroverleg is gevoerd, en de resultaten van het overleg, worden vastgelegd

in het dossier.

3.2 Inschakelen van een extern deskundige met toestemming van de cliŽnt

De opdrachtgever maakt een afweging of gelet op de voorliggende problematiek een

extern onderzoek aangewezen is. De uitkomst van die overweging wordt met de cliŽnt

besproken. Daarbij wordt tevens aan de cliŽnt algemene informatie gegeven over de

gang van zaken bij het onderzoek: opzet, eventuele bemiddeling en toetsing door de

FPD, rapportage, openbaarheid en afwikkeling. De opdrachtgever dient de cliŽnt daarbij

duidelijk te maken dat de informatie die de onderzoeker verzamelt en in rapportage

verwerkt, ter kennis kan komen van een aantal personen of instanties, zoals de

opdrachtgever, de FPD en de rechter en in beginsel eveneens van degenen die op grond

van de wettelijke regels recht hebben op inzage en afschrift. Met de cliŽnten wordt

besproken welke zelfstandig werkende extern deskundige c.q. welk extern

deskundigenbureau de opdrachtgever voornemens is in te schakelen. Vereist is dat

cliŽnten instemmen met het extern deskundigen onderzoek zelf, de keuze van de

persoon van de zelfstandig werkende extern deskundige of van het extern

deskundigenbureau en met de vraagstelling. Bestaat tussen de opdrachtgever en de

- 8 -

Augustus 2004

cliŽnt overeenstemming over het te verrichten externe onderzoek en over de in te

schakelen deskundige, dan kan de opdrachtgever deze deskundige zelf inschakelen.

Tussenkomst van een (kinder)rechter is in deze gevallen niet vereist.

Na de beslissing tot een extern onderzoek, stelt de opdrachtgever een concept-brief op

aan de extern deskundige. In de brief worden in elk geval de volgende aspecten

opgenomen, waar nodig onder overlegging van documenten die daarop betrekking

hebben:

- de aanleiding tot en motivering van de beslissing tot het vragen van een

deskundigenonderzoek (gezag, verblijfplaats minderjarige, omgang, klachtaspecten,

mogelijke uithuisplaatsing, plaatsingsproblematiek, etc.);

- een korte schets van voorgeschiedenis en huidige situatie, waarin ook informatie

over lopende procedures;

- een korte beschrijving van de cliŽnt;

- een korte beschrijving van andere personen dan de cliŽnt die bij het onderzoek

dienen te worden betrokken (leeftijd, (gezags)verhouding ten aanzien van de cliŽnt,

onderlinge relaties, etc.), alsmede de reden daarvoor;

- eventuele contra-indicaties voor het onderzoek en de gemotiveerde besluitvorming

daaromtrent;

- een duidelijke en gedragswetenschappelijk geformuleerde vraagstelling, zo mogelijk

aan de hand van standaardvragen (bijlage);

- de bij het onderzoek te betrekken discipline(s);

- de termijn waarbinnen dient te worden gerapporteerd. Deze bedraagt in beginsel 12

weken vanaf het moment dat de opdracht tot het instellen van het extern onderzoek

is verstrekt. Van deze termijn kan gemotiveerd worden afgeweken, wanneer het

belang van het onderzoek dit vereist en dit in het belang van de cliŽnt is. De

termijnoverschrijding wordt met de cliŽnt en de opdrachtgever besproken.

- expliciete vermelding van de documenten die als bijlagen worden meegezonden;

- het uitgangspunt dat het onderzoek conform de Richtlijnen zal worden ingesteld.

De opdrachtgever bespreekt de concept-brief met de cliŽnt. De reactie van de cliŽnt,

alsook het gegeven dat de cliŽnt instemt met het extern deskundigenonderzoek, worden

in de definitieve brief vermeldIndien met de brief documenten worden meegezonden

waarin informatie is opgenomen, afkomstig is van een persoon of instelling die

gebonden is aan een geheimhoudingsplicht, verzekert de opdrachtgever zich ervan dat

de cliŽnt met toezending instemt. Indien een klachtprocedure aanhangig is waarin

tegen (onderdelen van) de toegezonden rapportage door de cliŽnt klachten zijn geuit,

wordt dit in de brief aangegeven. De cliŽnt ontvangt een afschrift van de definitieve

brief.

3.3 Contra-indicaties voor een extern onderzoek

CliŽnt, ouder(s) of begeleidende hulpverlenende instellingen kunnen aanvoeren dat er

contra-indicaties bestaan tegen het instellen van een (extern) deskundigenonderzoek.

Een contra-indicatie kan bijvoorbeeld zijn dat het (extern) deskundigen onderzoek een

therapeutische behandeling zou verstoren. Contra-indicaties voor een extern onderzoek

dienen in het team van raadsonderzoeker/gezinsvoogd en gedragsdeskundige onder

leiding van de teamleider te worden besproken.

De opgevoerde contra-indicaties worden betrokken in de besluitvorming om een extern

deskundige in te schakelen. Besluit de opdrachtgever voorbij te gaan aan de

geformuleerde contra-indicaties dan dient hij dit onder opgave van redenen in zijn

aanmeldingsbrief aan de extern deskundige aan te geven.

- 9 -

Augustus 2004

Deze procedure ontslaat de extern deskundige niet van een eigen verantwoordelijkheid.

Gelet op de geformuleerde contra-indicaties en de redenen die in de aanmeldingsbrief

van de opdrachtgever staan vermeld, moet de extern deskundige zelf beoordelen of de

aangegeven contra-indicaties een verantwoorde uitvoering van het

deskundigenonderzoek in de weg staan. Is de extern deskundige van mening dat het

deskundigenonderzoek niet op een verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd, dan

wijst hij het verzoek om het onderzoek te verrichten met redenen omkleed af.

3.4 Inschakeling van een extern deskundige zonder toestemming van de cliŽnt

Stemt de cliŽnt niet in met een extern onderzoek, met de geformuleerde vraagstelling

en/of met de benoeming van een bepaalde zelfstandig werkende extern deskundige

en/of bepaald extern deskundigenbureau, dan zal de opdrachtgever in onderling

overleg met hen alsnog tot overeenstemming ter zaketrachten te komen.

Blijkt dit niet mogelijk dan kan de weigering van de cliŽnt om mee te werken aan een

deskundigenonderzoek voor de raad voor de kinderbescherming aanleiding zijn de

rechter te verzoeken een maatregel van kinderbescherming op te leggen, mits overigens

is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt voor het treffen van een

kinderbeschermingsmaatregel. Met andere woorden: de weigering, al dan niet in

samenhang met andere omstandigheden, moet leiden tot een ernstige bedreiging van

de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige of van zijn gezondheid die niet

met andere middelen is af te wenden.

Indien het doel van het laten verrichten van een onderzoek is gelegen in een verzoek

van de rechter om te adviseren over het gezag over, de verblijfplaats van of de omgang

met minderjarige kinderen dan kan de weigering van de cliŽnt om mee te werken aan

een deskundigenonderzoek voor de raad voor de kinderbescherming aanleiding zijn om

de rechter te adviseren een deskundigenonderzoek te bevelen.

Voor de stichting die een ondertoezichtstelling uitvoert staat in een dergelijk geval de

mogelijkheid open om in het kader van de ondertoezichtstelling de minderjarige en/of

de met het gezag belaste ouder(s)een aanwijzing te geven. Ingevolge de artikelen 259 en

260 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de met het gezag belaste ouder of de

minderjarige van twaalf jaar of ouder deze aanwijzing ter toetsing aan de kinderrechter

voorleggen.

3.5 Afstemming opzet diagnostisch onderzoek op de vraagstelling van de opdrachtgever

Naar aanleiding van de opdracht en/of de beschikbaar gestelde stukken kan de extern

deskundige, vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid voor het diagnostisch onderzoek,

nadere informatie van de opdrachtgever wensen, alvorens hij tot onderzoek overgaat.

Te denken valt hierbij aan nadere specificering van en/of uitleg over de vraagstelling of

over de beschikbaar gestelde gegevens. Ook kan hij vanuit zijn deskundigheid

uitbreiding dan wel beperking van de te betrekken disciplines in het onderhavige

onderzoek voorstellen.

Aanvulling of wijzigiging in de opzet of vraagstelling van het onderzoek kunnen slechts

met goedkeuring van de opdrachtgever worden aangebracht. Waar de FPD optreedt als

bemiddelaar op basis van het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek in de Jeugdzorg

zal een voorstel daartoe via de FPD aan de opdrachtgever worden voorgelegd. Ook de

instemming van de cliŽnt is nodig, tenzij deze verplicht is om aan het onderzoek mee te

werken. In ieder geval wordt de cliŽnt over de gewijzigde onderzoeksopdracht

geÔnformeerd. In die gevallen waarin het Landelijk kader Fornsische Diagnostiek van

- 10 -

Augustus 2004

toepassing is, wordt e.e.a. schriftelijk vastgelegd door de opdrachtgever en in

voorkomende gevallen door de FPD.

- 11 -

Augustus 2004

HOOFDSTUK 4 KWALITEITSEISEN EXTERNE DESKUNDIGEN

De opdrachtgever voor deskundigenonderzoek dient uit een oogpunt van

zorgvuldigheid de opdracht daartoe slechts te verstrekken aan een extern deskundige

die daartoe aantoonbaar voldoende gekwalificeerd is. Voldoende gekwalificeerd zijn in

ieder geval die deskundigen die zijn geregistreerd in de krachtens artikel 3 van de Wet

op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) ingestelde registers van

artsen, gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten, en op het moment van het

onderzoek niet onderworpen aan enige krachtens de Wet BIG opgelegde beperking of

voorziening wegens ongeschiktheid.

Op termijn zullen de aan deskundigen te stellen eisen nader worden vastgesteld als

onderdeel van het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek. In afwachting van

definitieve vaststelling van die eisen zijn tevens voldoende gekwalificeerd voor het doen

van deskundigenonderzoek de extern deskundigen die lid zijn van een

beroepsvereniging en daarbij geregistreerd als diagnostisch bevoegd waarbij deze twee

jaar onder supervisie ervaring heeft opgedaan in de kinder- en jeugdpsychologie c.q. -

psychiatrie.

De kinder- en jeugdpsychiater die voor een opdrachtgever onderzoek verricht dient als

psychiater ingeschreven te zijn in het register van specialisten als bedoeld in de

Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten van de KNMG van 30 juni

1998 (Stcrt. 1998, nr. 248, blz. 42).

- 12 -

Augustus 2004

HOOFDSTUK 5 HET VERRICHTEN VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK

Algemeen

De acceptatie van de opdracht tot het verrichten van een diagnostisch onderzoek en de

uitvoering van het onderzoek zijn de verantwoordelijkheid van de extern deskundige

(conform de richtlijnen van diens beroepsgroep) die daarbij op grond van de

onderzoeksopdracht betrokken is. Deze is immers gedragswetenschappelijk geschoold

en heeft kennis van de toepassing van methoden van onderzoek op dit gebied. Toetsing

van de wijze van uitvoering van het diagnostisch onderzoek dient dan ook binnen de

beroepsgroep plaats te vinden.

5.1 (De opzet van) het onderzoek

De extern deskundige licht de cliŽnt in het eerste gesprek op duidelijke wijze, en

desgevraagd schriftelijk in over de opzet en werkwijze van het onderzoek. Tevens wijst

hij de cliŽnt op zijn rechten (bij voorbeeld het inzagerecht of het recht om een klacht in

te dienen bij het onderzoeksbureau, bij het college van toezicht van de betreffende

beroepsvereniging of bij het tuchtcollege voor de gezondheidszorg). Hiertoe krijgt een

cliŽnt ook schriftelijk informatiemateriaal (folders) uitgereikt. De extern deskundige licht

de minderjarige cliŽnt op zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen.

De extern deskundige vraagt aan de hand van de gegeven vraagstelling en informatie of

de cliŽnt met het onderzoek conform de voorgestelde onderzoeksopzet instemt. Ingeval

het onderzoek is gelast door een rechterlijke instantie of het OM is het geven van

toestemming niet noodzakelijk. De gegeven toestemming wordt in het dossier

vastgelegd.

De extern deskundige bespreekt vooraf met de cliŽnt welke personen hij in het

onderzoek zal betrekken en om welke informatie hij zal verzoeken. Indien medewerking

van de cliŽnt aan het onderzoek verplicht is, kan de informatie ook worden gevraagd als

de cliŽnt daarvoor geen toestemming geeft. In de overige gevallen moet de cliŽnt voor

de informatie-inwinning toestemming verlenen. De informatie kan zowel mondeling als

schriftelijk worden verstrekt. In ieder geval dient de verkregen informatie te worden

vastgelegd en voor akkoord te worden ondertekend door de persoon die de informatie

verstrekt. Vervolgens dient deze akkoordverklaring opgenomen te worden in het dossier

van de cliŽnt. Een cliŽnt kan de extern deskundige schriftelijk en met redenen omkleed

verzoeken om bepaalde personen te raadplegen. Ditt verzoek wordt opgenomen in het

dossier. Indien de externe deskundige besluit aan dit verzoek geen gevolg te geven, dan

motiveert hij zijn besluit in de rapportage.

Het onderzoek van de extern deskundige is gericht op rapportage aan de opdrachtgever

en beantwoording van diens onderzoeksvraag. Wordt de rapportage overgelegd aan de

rechter dan zal in veel gevallen de regeling voor het verkrijgen van afschrift en inzage

van artikel 811 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn. Het

voorgaande brengt met zich mee dat de onderzoeker de cliŽnt met betrekking tot de in

het onderzoek verstrekte informatie geen volledige geheimhouding kan garanderen. De

gegevens die de onderzoeker in het onderzoek verkrijgt van cliŽnt en andere personen

die in het onderzoek worden betrokken, worden voor zover ze zijn opgenomen in de

rapportage verstrekt aan de opdrachtgever en de rechter en in beginsel eveneens aan

degenen die op grond van de hiervoor genoemde wettelijke regels recht hebben op

inzage en afgifte van een kopie. De opdrachtgever kan op grond van de Wet

bescherming persoonsgegevens, de Wet op de jeugdhulpverlening, de Wet

openbaarheid van bestuur of het bepaalde in artikel I : 377c BW (informatieplicht

tegenover niet met het gezag belaste ouder) gehouden zijn tot het verstrekken van

bepaalde informatie. De opdrachtgever en deskundige dienen deze consequentie van

het (laten) doen van een extern deskundigenonderzoek in het kader van de

- 13 -

Augustus 2004

informatieverstrekking over de onderzoeksopzet aan de cliŽnt duidelijk te maken (zie

hoofdstuk 3).

5.2 Ontwikkelingen tijdens het onderzoek

De externe deskundige betracht naar de cliŽnt toe de grootst mogelijke openheid over

ontwikkelingen die plaatsvinden tijdens het onderzoek. Zo zal de extern deskundige de

cliŽnt zo spoedig mogelijk schriftelijk ervan in kennis stellen wanneer hij de geschetste

opzet van het onderzoek wil wijzigen. Dit is bij voorbeeld het geval indien het

onderzoek niet binnen de in de aanmeldingsbrief gestelde termijn wordt afgerond (zie

hoofdstuk 3, onder 3..2) of indien het inschakelen van een andere discipline wenselijk

wordt geacht. Wijzigingen van de onderzoeksopzet kunnen slechts met toestemming

van de opdrachtgever en cliŽnt plaatsvinden. Correspondentie, waaronder een

verklaring waaruit de instemming blijkt worden in het dossier opgenomen. De wijziging

wordt in de rapportage vermeld.

- 14 -

Augustus 2004

HOOFDSTUK 6 DE AFWIKKELING VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK

6.1 De afwikkeling van het onderzoek door de extern deskundige

Na de afronding van het onderzoek dient de extern deskundige de cliŽnt in de

gelegenheid te stellen de concept-rapportage in te zien, te bespreken en zijn mening

over de rapportage naar voren te brengen. Met toestemming van de cliŽnt, kan de

opdrachtgever bij de bespreking aanwezig zijn. Voorzover het door een cliŽnt geleverde

commentaar niet wordt overgenomen in het rapport, wordt het als bijlage aan het

definitieve rapport toegevoegd. Indien een cliŽnt niet in staat blijkt om tijdens de

bespreking van de rapportage zijn commentaar te formuleren, wordt hem de

mogelijkheid geboden om binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de

bijzondere omstandigheden van de cliŽnt, alsnog zijn commentaar kenbaar te maken.

De opdrachtgever wordt hiervan in kennis gesteld. De extern deskundige voegt het

commentaar (voorzover niet overgenomen) als bijlage toe aan het definitieve rapport en

informeert de cliŽnt over het verzenden van het rapport naar de opdrachtgever.

Indien het onderzoek plaatsvindt op basis van door de cliŽnt gegeven toestemming, is

het mogelijk dat een cliŽnt zijn toestemming om te rapporteren aan de opdrachtgever

intrekt. Dit kan slechts betrekking hebben op gegevens die de cliŽnt zelf betreffen.

Deskundigenonderzoek in jeugdzaken heeft vaak betrekking op meerdere cliŽnten. Het

rapporteren aan de opdrachtgever kan dan niet zonder meer door ťťn cliŽnt worden

geblokkeerd, de andere cliŽnten kunnen er immers belang bij hebben dat de rapportage

wel aan de opdrachtgever wordt uitgebracht.. Allereerst kan het gaan om situaties

waarin de deskundige bevoegd is om zijn beroepsgeheim te doorbreken, bijvoorbeeld

als dat nodig is om een situatie van (sexuele) kindermishandeling te doorbreken of een

vermoeden te onderzoeken. Daarnaast kan de deskundige van oordeel zijn dat het doel

van het gevraagde onderzoek hem noodzaakt om te rapporteren. Hij zal daarbij een

afweging van de verschillende betrokken belangen moeten maken. De omstandigheid

dat een cliŽnt eerder op grond van duidelijke, gerichte informatie met het onderzoek

heeft ingestemd kan daarbij als factor worden meegewogen. De beslissing om ondanks

het intrekken van toestemming te rapporteren dient te worden gemotiveerd en in het

dossier vastgelegd.

Tijdens en na de afronding van het onderzoek heeft een cliŽnt het recht op verbetering,

aanvulling of verwijdering van op hem betrekking hebbende feitelijke gegevens in het

dossier/rapport, indien hij kan aantonen dat de opgenomen gegevens onjuist of

onvolledig zijn, gelet op de doelstelling van het onderzoek niet ter zake dienend, of

onrechtmatig zijn verkregen. Het verzoek hiertoe geschiedt schriftelijk. De extern

deskundige bericht de cliŽnt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 4 weken, na

ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een

weigering dient de extern deskundige met redenen te omkleden. De rapportage zoals

die uiteindelijk is vastgesteld, verstrekt de extern deskundige in afschrift aan de cliŽnt.

De extern deskundige bewaart het rapport en de overige bescheiden gedurende vijf jaar,

te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd. De gebruiksduur van de

rapportage is beperkt tot het doel waarvoor die rapportage is opgemaakt. In beginsel

dient rapportage die ouder is dan een jaar niet meer in een procedure te worden

ingebracht.

6.2 Afwikkeling van een extern onderzoek door de opdrachtgever

De opdrachtgever beoordeelt de rapportage van de extern deskundige en gaat in dat

verband na of daarbij niet is gehandeld in strijd met de in deze richtlijnen

geformuleerde eisen. Daarbij dient hij gebruik te maken van een materie-deskundige

- 15 -

Augustus 2004

zoals de gedragsdeskundige. De gedragsdeskundige dient te bezien of de extern

deskundige in zijn rapportage de vraagstelling afdoende, volledig en op basis van

zorgvuldig en voldoende betrouwbaar onderzoek heeft beantwoord en of de

geformuleerde conclusies logisch uit het onderzoeksmateriaal voortvloeien. Toetsing

van de onderzoeksresultaten door de opdrachtgever is er op gericht, zich er van te

vergewissen dat het onderzoek waarop een advies, verzoek of aanwijzing wordt

gebaseerd, op zorgvuldige wijze en in overeenstemming met de Richtlijnen heeft

plaatsgevonden. De uiteindelijke toetsing of de opdrachtgever op goede gronden heeft

geoordeeld dat het onderzoek aan die vereisten voldoet, vindt plaats door de

rechterlijke instantie die de beslissing neemt.

Indien de gedragsdeskundige van mening is dat de vraagstelling onvoldoende is

beantwoord dan wel de zorgvuldigheid van het onderzoek niet of onvoldoende kan

worden vastgesteld, schakelt hij de teamleider en de raadsonderzoeker/gezinsvoogd in.

In samenspraak met dezen wordt een schriftelijke reactie geformuleerd, gericht aan de

extern deskundige. In die gevallen waarin het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek

van toepassing is, vindt dit plaats door tussenkomst van de FPD. De reactie kan

inhouden een verzoek om aanvullende informatie of om verduidelijking van de

beschreven bevindingen, of van de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden.

De cliŽnt wordt hiervan op de hoogte gesteld. Vervolgens zal de extern deskundige de

vraagstelling beantwoorden.

Indien de extern deskundige de opdrachtgever heeft bericht dat de cliŽnt een klacht

heeft ingediend of een procudure bij een tuchtcollege als bedoeld in de Wet BIG

aanhangig heeft gemaakt, betrekt de opdrachtgever dit gegeven bij de toetsing van de

rapportage.

Slechts indien de vraagstelling afdoende is beantwoord en de zorgvuldigheid van het

onderzoek in voldoende mate vaststaat, gebruikt de opdrachtgever de rapportage om te

komen tot een beslissing over het aan de rechterlijke instantie uit te brengen advies of

in te dienen verzoek. In de rapportage die wordt verzorgd door de opdrachtgever

worden de argumenten voor de beslissing onderbouwd met verwijzingen naar de

rapportage van de extern deskundige.

De opdrachtgever gebruikt de rapportage in beginsel slechts voor het doel waarvoor

deze is gevraagd. Gebruik voor een ander doel is slechts mogelijk indien dit met het

oorspronkelijke onderzoeksdoel verenigbaar is, en voor zover daardoor de persoonlijke

levenssfeer van betrokkenen niet onevenredig wordt geschaad.

- 16 -

Augustus 2004

HOOFDSTUK 7 EEN SECOND-OPINION, EEN AANVULLEND ONDERZOEK OF

EEN CONTRA-EXPERTISE

7.1 Inleiding

Het is mogelijk dat een cliŽnt tijdens of na een deskundigenonderzoek de bevindingen

van de (extern) deskundige en de conclusies die daaraan worden verbonden niet kan

onderschrijven. Een cliŽnt kan de opdrachtgever dan verzoeken de zaak nog eens aan

een andere deskundige voor te leggen.

Daarbij zijn te onderscheiden:

- een verzoek om de test- en onderzoeksgegevens vanuit het eerste onderzoek waarbij

de cliŽnt is gezien door de (extern) deskundige, te overleggen aan een tweede (extern)

deskundige die dezelfde discipline vertegenwoordigt als de eerste deskundige, en die

(opnieuw) de bestaande gegevens interpreteert en daarover rapporteert. Dit is een

tweede mening oftewel second-opinion.

- een verzoek om aanvullend onderzoek op het onderzoek van de eerste (extern)

deskundige, door een deskundige die een ander(e) discipline/specialisme

vertegenwoordigt. Te denken valt aan een psychiatrisch onderzoek volgend op een

psychologisch onderzoek. Dit is een aanvullend onderzoek.

- een verzoek om de vraagstelling opnieuw voor te leggen aan een extern deskundige

die dezelfde discipline vertegenwoordigt als de eerste (extern) deskundige, en die

dezelfde vraagstelling opnieuw onderzoekt. Dit is een

tegenonderzoek of wel een contra-expertise.

Uitgangspunt is dat de opdrachtgever gehoor geeft aan het verzoek indien dit kan

bijdragen aan een goede oordeelsvorming in de zaak. In ieder geval beslist de

opdrachtgever gemotiveerd en schriftelijk op het verzoek van de cliŽnt. Geeft de

opdrachtgever gehoor aan het verzoek van de cliŽnt dan zullen de opdrachtgever en de

extern deskundige zich dienen te houden aan de procedure zoals omschreven in de

hoofdstukken III, IV en V.

7.2 Verrichten van een second opinion, een aanvullend onderzoek of een

contra-expertise door een extern deskundige

- Bij een second-opinion wordt van een extern deskundige gevraagd het

basis(test)materiaal van het eerdere onderzoek te interpreteren en te voorzien van

een advies. In de praktijk betekent dit dat de extern deskundige die het eerste

onderzoek heeft verricht het testmateriaal en observatiegegevens beschikbaar stelt

aan de tweede beoordelaar. Het testmateriaal, de (eerste) opdracht en de relevante

dossierstukken vormen het basismateriaal voor de tweede beoordelaar. De

onderzoeker die de second opinion uitvoert heeft in beginsel geen persoonlijk

contact heeft met de cliŽnt. Gelet op de ter zake geldende, op jurisprudentie

berustende, normen binnen de beroepsgroep brengt dit met zich mee dat het in het

kader van een second opinion uit te brengen advies slechts een beperkte strekking

kan hebben. Ook de tweede beoordelaar is gebonden aan de hier geformuleerde

richtlijnen voor extern onderzoek. Ondanks het feit dat de tweede beoordelaar de

cliŽnt niet persoonlijk heeft onderzocht, zal hij zijn rapportage dienen te bespreken

met de cliŽnt en afgifte daarvan verzorgen.

- Een aanvullend onderzoek wordt verricht door een extern deskundige die een

ander(e) discipline/specialisme vertegenwoordigt. De extern deskundige zal van de

opdrachtgever een schriftelijke vraagstelling ontvangen, aangevuld met de

- 17 -

Augustus 2004

beschikbare relevante informatie. Ook bij een aanvullend onderzoek zijn de

richtlijnen voor extern onderzoek van toepassing.

- Ook bij het verrichten van een contra-expertise zijn de richtlijnen voor extern

onderzoek van toepassing. De extern deskundige ontvangt een brief (als genoemd in

hoofdstuk 3), waarin de vraagstelling en de reactie van de cliŽnt is opgenomen,

vergezeld van de dossierstukken die door de opdrachtgever voor de uitvoering van

de opdracht relevant worden geacht. Een overzicht van het testmateriaal dat is

gebruikt ten behoeve van het eerder uitgebrachte deskundigenrapport kan daarvan

deel uitmaken. Om de objectiviteit van de contra-expertise te waarborgen dient het

eerder uitgebrachte deskundigenrapport niet aan de dossierstukken te worden

toegevoegd.

7.3 Afwikkeling van een second-opinion, een aanvullend onderzoek dan wel

een contra-expertise door de opdrachtgever

Bij de afwikkeling van de second-opinion, het aanvullend onderzoek dan wel de

contra-expertise zijn de richtlijnen extern onderzoek eveneens van toepassing. De

resultaten van het tweede extern onderzoek dienen, nadat de gedragsdeskundige het

rapport heeft beoordeeld op beantwoording van de vraagstelling, door (het

multidisciplinaire team van) de opdrachtgever vergeleken te worden met de resultaten

van het eerste extern deskundigenonderzoek. Vervolgens dient het team te bezien welke

consequenties hieruit kunnen worden getrokken voor de eigen rapportage en eerder

geformuleerde adviezen of verzoeken. In de definitieve rapportage van de

opdrachtgever zal duidelijk moeten worden beschreven op grond van welke

bevindingen/resultaten men tot advisering is gekomen en waarom- (indien van

toepassing) men is afgeweken van het eerder ingenomen standpunt.

- 18 -

Augustus 2004

HOOFDSTUK 8 INZAGE EN OPENBAARHEID

8.1 Inleiding

In een extern deskundigenonderzoek wordt over degenen die daarin betrokken zijn

informatie verzameld die diep kan ingrijpen in hun persoonlijke levenssfeer. Het is

daarom van belang dat voor hen duidelijk is welke rechten zij hebben met betrekking

tot de de informatie die over hen is verzameld en die (deels) wordt vastgelegd in

rapportage en aan wie die informatie wordt verstrekt.

De algemene wettelijke regeling voor het verwerken van gegevens over personen is de

Wet bescherming persoonsgegevens. In andere wettelijke regelingen kan voor bepaalde

onderwerpen op het gebied van inzage, verstrekking of openbaarmaking van die

gegevens een bijzondere regeling zijn opgenomen.

8.2 Inzage

Een extern deskundige treft een schriftelijke regeling waarin het recht op inzage in en

afschrift van gegevens, alsmede de beperkingen aan het verstrekken van inlichtingen en

inzage - zoals hierna weergegeven - worden neergelegd. Deze regeling wordt bij de

aanvang van het onderzoek aan de cliŽnt beschikbaar gesteld.

CliŽnten hebben, behoudens hierna te noemen uitzonderingen, recht op inzage in, en

afschrift van, de onderzoeksopdracht, correspondentie over de opdracht, verslaglegging

van overleg over de onderzoeksopdracht en de rapportage aan de opdrachtgever. Een

cliŽnt heeft voorts, behoudens hierna te noemen uitzonderingen, recht op inzage in en

afschrift van de op hem/haar zelf betrekking hebbende gegevens in het dossier. De

extern deskundige verstrekt binnen deze grenzen aan een cliŽnt desgevraagd zo spoedig

mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die zich in het dossier van de cliŽnt

bevinden. De extern deskundige mag voor de verstrekking van het afschrift een redelijke

vergoeding bij de verzoeker in rekening brengen.

De afgifte kan (geheel of gedeeltelijk) achterwege blijven voor zover dit noodzakelijk is

in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een derde. Indien

de extern deskundige bezwaar heeft tegen de geheel of gedeeltelijke inzage van of

afschrift van bescheiden uit het dossier, doet hij daarvan schriftelijk en gemotiveerd

mededeling aan de cliŽnt en aan de opdrachtgever. De opdrachtgever maakt bij een

verzoek om inzage van de cliŽnt een eigen afweging. Een weigering kan uiteindelijk aan

de rechter worden voorgelegd.

Het recht op inzage en afschrift van de minderjarige cliŽnt wordt met inachtneming van

de in hoofdstuk 2.2 genoemde uitgangspunten namens, dan wel samen met de

minderjarige cliŽnt uitgeoefend door de met het gezag belaste ouder(s) of voogd.

Inlichtingen over de minderjarige cliŽnt, dan wel inzage in of afschrift van bescheiden

kan evenwel ook aan de met het gezag belaste ouder of voogd worden geweigerd,

indien de extern deskundige door het verstrekken van inlichtingen over, inzage in of

afgifte van bescheiden niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in

acht te nemen. Zodanige beslissingen dienen duidelijk te worden gemotiveerd en

schriftelijk te worden vastgelegd.

De belanghebbende wordt desgevraagd inzage in en afschrift van de hem betreffende

gegevens of bescheiden uit het dossier verstrekt. Indien de gegevens of bescheiden

tevens betrekking hebben op anderen dan de belanghebbende kan deze verstrekking

- 19 -

Augustus 2004

slechts plaatsvinden indien degene(n) op wie de gegevens of bescheiden betrekking

hebben daarmee instemmen of indien de onderzoeksopdracht de verstrekking

noodzakelijk maakt en de persoonlijke levenssfeer van anderen door die verstrekking

niet onevenredig wordt geschaad.

8.3 Openbaarheid

De extern deskundige zelf verstrekt aan anderen dan de cliŽnt en de opdrachtgever geen

inlichtingen over de cliŽnt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met

toestemming van de cliŽnt en de opdrachtgever. Hierbij geldt dat verstrekking alleen

geschiedt voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet

onevenredig wordt geschaad.

- 20 -

Augustus 2004

HOOFDSTUK 9 KLACHTENREGELING

9.1 Algemeen

De kwaliteitseisen die zijn geformuleerd in hoofdstuk 4 van deze Richtlijnen brengen

met zich mee dat de (extern) deskundigen die voor de opdrachtgever onderzoek

verrichten onderworpen zijn aan klacht-c.q. tuchtregelingen.

De deskundige die is geregistreerd in een register dat is ingesteld krachtens de Wet BIG

is onderworpen aan het tuchtrecht als geregeld in het Tuchtrechtbesluit BIG (Stb. 1997,

238). Het tuchtrecht op grond van het Tuchtrechtbesluit BIG heeft vooral als doel de

bewaking van de professionele standaard binnen de beroepsgroep.

Aansluiting bij een beroepsvereniging betekent dat de deskundige gehouden is aan de

door de beroepsvereniging vastgestelde beroepscode. Dit biedt de cliŽnt de

mogelijkheid om een klacht in te dienen bij een daarvoor ingesteld college, indien hij

van mening is dat een extern deskundige zich niet aan de beroepscode houdt. Ook

wanneer een extern deskundige werkzaam is binnen een maatschap, dan wel werkzaam

is in dienst van of werkzaamheden verricht voor een onderzoeksbureau, bestaat voor de

cliŽnt de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de beroepsorganisatie.

De organen die deze klacht- c.q. tuchtrechtspraak uitoefenen zijn niet gehouden het

handelen van deskundigen te toetsen aan deze Richtlijnen.

Bovenstaande laat onverlet, dat de onderzoekers of onderzoeksbureaus zelf (afzonderlijk

dan wel collectief) dienen te beschikken over een (gezamenlijke) regeling voor de

behandeling van klachten van cliŽnten over gedragingen van onderzoekers. Deze

klachtenregeling dient met voldoende (rechts)waarborgen te zijn omkleed.

9.2 Eisen klachtregeling

De klachtenregeling bevat in elk geval:

a. de groep klachtgerechtigden;

b. de beklaggronden, die aansluiten bij de beklaggronden uit artikel 9:1 Algemene

wet bestuursrecht (gedragingen) en bij de werkwijze van deze richtlijnen;

c. de klachtprocedure;

d. de instelling van een klachtencommissie, bestaande uit ten minste drie leden,

waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor de extern deskundige;

e. de waarborg dat degenen die de klacht behandelen niet betrokken zijn geweest

bij de gedraging waarover wordt geklaagd;

f. een termijn na indiening van de klacht, waarbinnen de klager en degene over

wie is geklaagd schriftelijk en met redenen omkleed worden geÔnformeerd over

het oordeel over de (gegrondheid van de) klacht, al dan niet vergezeld van

aanbevelingen;

g. de waarborg dat de klachtencommissie afwijking van de onder f bedoelde

termijn met redenen omkleed meedeelt aan de klager en degene over wie is

geklaagd, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie

haar oordeel over de klacht zal uitbrengen;

h. de waarborg dat de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachten

commissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een

toelichting te geven op de klacht

i. de waarborg dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling

van de klacht kunnen laten bijstaan.

De klachtenregeling wordt in een klachtreglement vastgelegd en (bij voorkeur in het

eerste contact) aan de cliŽnt ter beschikking gesteld.

- 21 -

Augustus 2004

9.3 Informatie aan opdrachtgever

Ten behoeve van een goede afwikkeling van het onderzoek door de opdrachtgever

informeert de extern deskundige de opdrachtgever over het feit dat naar aanleiding van

het onderzoek een klacht bij de klachtencommissie is ingediend en/of een procedure bij

een tuchtcollege als bedoeld in de Wet BIG aanhangig is, en over de uitspraak die in die

procedure is gedaan .

9.4 Reactie naar aanleiding van klachten

Klachten vormen een signaal dat in het contact van de extern deskundige met degene

die klaagt iets is misgegaan. Een zorgvuldige wijze van behandeling van klachten kan

bijdragen aan het hooghouden en verbeteren van de kwaliteit van functioneren van een

extern deskundige(nbureau). Voorwaarde daarvoor is, dat de informatie die de klacht en

de klachtbehandeling oplevert, wordt geanalyseerd en vertaald in verbeterpunten voor

de organisatie en de individuele onderzoeker.

Het is dan ook aan te bevelen dat met name

deskundigenbureaus jaarlijks een overzicht aan de

opdrachtgever doen toekomen van aantallen ingekomen

klachten, waarin opgenomen een analyse van ingekomen

klachten, een weergave van daarop gebaseerde

verbeterpunten en van de wijze waarop daaraan binnen de

organisatie uitvoering is gegeven.

- 22 -

Augustus 2004

Bijlage 4. Straffen en strafrechtelijke maatregelen

Art. 77 Wetboek van Strafrecht (Sr) somt de straffen en maatregelen volgens jeugdstrafrecht op:

De hier relevante straffen zijn (art 77h t/m 77n Sr.):

- Jeugddetentie;

- Geldboete;

- Taakstraf:

a) werkstraf - het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte;

- het verrichten van arbeid tot herstel van de door het strafbare feit

aangerichte schade;

b) leerstraf - het volgen van een leerproject

- Verbeurdverklaring.

De maatregelen (art 77s t/m 77u sr.) zijn:

- Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

- Onttrekking aan het verkeer;

- Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel;

- Schadevergoeding.

De plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ).

Criteria voor oplegging van deze jeugdmaatregel:

- Het betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

- De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het

opleggen van die maatregel;

- De maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De wet vermeldt geen gronden voor oplegging. Niettemin is uit de wetsgeschiedenis af te leiden dat als

grond voor de maatregel geldt de noodzaak van heropvoeding of behandeling ter beveiliging van de

maatschappij en ter bescherming van de jeugdige. Hieruit blijkt dat de maatregel het ultimum

remedium van het jeugdstrafrecht is (gevallen waarin meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast in

verband met de ernst van het feit buiten beschouwing gelaten). Overigens kan voor 16 - 18 jarigen met

toepassing van meerderjarigenstrafrecht ingevolge art. 77b Sr ook nog een TBS -van in beginsel

onbeperkte duur- worden opgelegd.

Duur van de maatregel

Absolute duur (art 77 t lid 2 Sr)

Hier komt het tweesporen karakter van de PIJ tot uitdrukking. De maatregel kan niet worden verlengd

indien het niet gaat om een misdrijf betreffende geweld tegen personen. De maatregel heeft een

maximumduur van vier jaar als het gaat om heropvoeding van een in beginsel ‘normale’ jeugdige en

een maximumduur van zes jaar als het een jeugdige betreft met een gebrekkige ontwikkeling of

ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het strafbare feit. Het gaat hier om

jeugdige delinquenten van meestal 16 ŗ 17 jaar oud, die een zeer ernstig delict hebben begaan en die

veelal opgegroeid zijn in ernstig gestoorde opvoedingssituaties, waarvan gevolgen zijn te verwachten

voor hun psychische ontwikkeling. Het opbouwen van een werkbare behandelingsrelatie kost in zulke

gevallen geruime tijd. In elk individueel geval wordt een behandelingsplan opgesteld, waarvan

afronding in de vorm van een proefplaatsing in vrijheid thuis of op kamers etc. een onderdeel

uitmaakt. Aangezien een leeftijdsgrens vanuit het behandelingsperspectief bezien een min of meer

willekeurig moment is, is aan dit bezwaar tegemoet gekomen en zijn de leeftijdsgrenzen als einddatum

van rechtswege van de maatregel geschrapt en is gekozen in de huidige wetgeving voor een ruimere,

op de behandelingsduur afgestemde periode.

Relatieve duur (artikelen 77 s, lid 6 en 77 t lid 1 Sr)

De maatregel geldt voor de termijn van twee jaar, welke termijn ingaat, nadat de uitspraak

onherroepelijk is geworden en welke telkens met ten hoogste twee jaar kan worden verlengd op

vordering van het Openbaar Ministerie.

Verlenging

Uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de (tweejaren-of verlengings-) termijn maakt het hoofd

van de inrichting waar de jeugdige is geplaatst een rapport op en brengt deze advies uit aan de

minister omtrent wel of niet verlenging en de termijn van eventuele verlenging. Ingeval de jeugdige

met voorwaardelijk ontslag is wordt het advies vergezeld van een beschouwing van degene die toezicht

houdt op de naleving van de voorwaarden. De minister stuurt het advies naar het Openbaar Ministerie

teneinde de Officier van Justitie in de gelegenheid te stellen verlenging te vorderen bij de rechter.

Verlenging is mogelijk tot vier jaar en ingeval de maatregel is opgelegd (met toepassing van art. 77 s lid

3 Sr) aan een verdachte die tijdens het begaan van een feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of

ziekelijke stoornis van de geestvermogens is verlenging mogelijk tot zes jaar (art. 77 t lid 2 Sr).

Voorwaarde voor verlenging is dat de maatregel is opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is

tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (art.

77t, lid 3).

Deskundigenrapportage

De rechter legt de jeugdmaatregel slechts op na advisering door tenminste twee gedragsdeskundigen

van verschillende disciplines, in veel gevallen wordt een persoonlijkheidsonderzoek (P.O.) verricht door

de inrichting waar de jeugdige in voorlopige hechtenis verblijft.

Leed de betreffende jongere ten tijde van het begaan van het feit aan een gebrekkige ontwikkeling of

ziekelijke stoornis van de geestvermogens, dan dient ťťn van deze deskundigen een psychiater te zijn.

Tenuitvoerlegging (art. 77 s lid 5 Sr art 2 en 3 Btj)

De minister kan bij de Raad voor de Kinderbescherming advies inwinnen omtrent de plaatsing. Het

Openbaar Ministerie wordt door de minister belast met de plaatsing van de jeugdige in de aangewezen

inrichting.

(Voorwaardelijk) ontslag of (voorwaardelijke) beŽindiging

De minister kan de maatregel te allen tijde beŽindigen. De beŽindiging kan voorwaardelijk of

onvoorwaardelijk zijn (art. 77 s lid 7 Sr). De minister wint eerst het advies in van de Raad voor de

Kinderbescherming. De beŽindiging vindt plaats indien het doel is bereikt of indien het doel beter op

andere wijze dan door de maatregel kan worden bereikt.

Indien de maatregel voorwaardelijk is beŽindigd geldt dat de jeugdige zich dient te gedragen

overeenkomstig de aanwijzing van de toezichthouder en hij zich niet schuldig mag maken aan een

strafbaar feit.

Voorwaardelijke plaatsing in een Inrichting voor jeugdigen

De maatregel kan ingevolge art. 77 x Sr ook voorwaardelijk worden opgelegd. Nu de strafrechtelijke

ondertoezichtstelling uit het jeugdstrafrecht is verdwenen, neemt de voorwaardelijke PIJ de functie van

maatregel voor gedwongen ambulante hulpverlening over. De minister draagt de tenuitvoerlegging op

aan een afdeling jeugdreclassering van een gezinsvoogdij-instelling. De instelling heeft tot taak hulp en

steun te verlenen en tevens toezicht te houden op de naleving van eventuele bijzondere voorwaarden

(denk bijvoorbeeld ook aan opname in een inrichting of een afkickkliniek).

Overige (bijkomende) maatregelen

Evenals verbeurdverklaring blijven de maatregelen onttrekking aan het verkeer, ontneming van het

wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding steeds mogelijk. De regels daaromtrent van

het meerderjarigenstrafrecht zijn overeenkomstig van toepassing.

De maatregel van schadevergoeding kan opgelegd worden voor zover de jeugdige civielrechtelijk

aansprakelijk is voor de schade. De maatregel van schadevergoeding is afkomstig uit de Wet Voorlopige

Regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van

slachtoffers van strafbare feiten (wet van 23 december 1992, Stbl. 1993, 29).

Bijlage 5. Reglement Wet Bescherming Persoonsgegevens primair proces van de

Raad voor de Kinderbescherming

1. Inleiding

Door de Raad voor de Kinderbescherming worden in het primair proces persoonsgegevens verwerkt.

In verband met de vele verschillende locaties en personen die bij de verwerkingen betrokken zijn, is

een regeling opgesteld voor intern gebruik van persoonsgegevens binnen de organisatie van de Raad.

De regeling is mede opgesteld voor extern gebruik: de betrokkenen van wie de gegevens worden

verwerkt, worden hiermee geÔnformeerd over de gang van zaken.

2. Wbp-regeling Primair Proces Raad voor de Kinderbescherming

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a) de verwerking: Primair Proces Raad voor de Kinderbescherming;4

b) verantwoordelijke: de Minister van Justitie;

c) beheerder: de Algemeen Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, of ťťn van de

Ressortsdirecteuren;

d) dagelijks beheerder: de vestigingsmanager van de Raad voor de Kinderbescherming op wiens

vestiging de verwerking plaats vindt;

e) betrokkene: degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft.

Artikel 2: Doel en gebruik

1. De doeleinden van de verwerking zijn:

gegevens vastleggen van zaken die de Raad behandelt conform zijn wettelijke taken en van personen

en instellingen die daarbij zijn betrokken, ten behoeve van:

a) ondersteuning van het primair proces;

b) managementinformatie met het oog op sturing, verantwoording en beleidsontwikkeling.

2. De in de verwerking opgenomen gegevens worden gebruikt ten behoeve van het verrichten van de

onderzoeks- en adviestaken van de Raad voor de Kinderbescherming en om te kunnen beschikken

over sturings- en beleidsinformatie.

Artikel 3: Verantwoordelijkheden beheerder en dagelijks beheerder

1. De beheerder is namens de verantwoordelijke belast met het integraal management over de Raad

voor de Kinderbescherming, zoals vermeld in het Mandaatbesluit hoofdkantoor Raad voor de

Kinderbescherming d.d. 10-12-1999;

2. De dagelijks beheerder is namens de beheerder belast met de dagelijkse leiding van de

werkzaamheden op de vestiging zoals vermeld in de Mandaatbesluiten van Algemeen Directeur naar

Ressortsdirecteur en van Ressortsdirecteur naar Vestigingsmanager d.d. 07-02-2002.

Artikel 4: Personen omtrent wie gegevens zijn opgenomen

In de verwerking worden uitsluitend gegevens opgenomen over:

- personen die, anders dan vanuit hun functie bij de Raad, in een of meer zaken betrokken zijn

en/of in een persoonlijke of feitelijke relatie tot de betreffende zaak staan;

- personen die werken bij instellingen die in een of meer zaken betrokken zijn;

- personen die uit hoofde van hun functie bij de Raad, of in opdracht van de Raad, direct of indirect

met de behandeling van een of meer zaken zijn belast.

Artikel 5: Opgenomen gegevens

1. Ten aanzien van de in artikel 4, onder a, bedoelde personen worden in de verwerking ten hoogste de

volgende soorten van gegevens opgenomen:

a) indien zij melder zijn van een situatie waar de Raad zich inhoudelijk mee moet bemoeien,

worden naam en adres genoteerd;

b) indien zij minderjarige cliŽnt zijn, wordt genoteerd:

c) namen, adressen en postcodes van de ouders, spreektaal van de ouders, geslachtsnaam, voornamen,

geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland, nationaliteit, geslacht, godsdienst, overlijdensdatum,

gezagssituatie, telefoonnummer, personalia broers en zussen, huwelijken/echtscheidingen ouders,

verblijfsadres, personalia grootouders, spreektaal, evt. kinderbeschermingsmaatregel, strafrechtelijke

4 Onder de verwerking van persoonsgegevens valt het verzamelen, verkrijgen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken,

wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van

ter beschikking stelling of bekendmaking, met elkaar in verband brengen, afschermen, uitwissen of vernietigen (Wet

bescherming persoonsgegevens art.1b, n en o).

gegevens, levensloop en huidige problematiek, medische gegevens, gegevens betreffende het

seksuele leven;

d) indien zij ouders/(asp.)pleegouders/(asp.)adoptief ouders of hun echtgenoten/partners zijn, worden

dezelfde gegevens genoteerd als van de minderjarige cliŽnten. Tevens wordt van deze personen

genoteerd: gegevens kinderen, gegevens betreffende onrechtmatig of hinderijk gedrag in verband

met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag

e) Indien zij niet vallen indien zij niet vallen onder artikel 5 lid 1 onder a, b, of c, maar wel als privť

persoon betrokken zijn in een zaak, worden hun naam, adres, relatie tot de zaak en/of de

minderjarige genoteerd;

2. Ten aanzien van personen, bedoeld in artikel 4 onder b, worden in de verwerking ten hoogste de

volgende soorten van gegevens opgenomen:

a. naam instelling;

b. naam contactpersoon;

c. adres, postcode, telefoonnummer;

3. Ten aanzien van de in artikel 4, onder c, bedoelde personen worden in de verwerking ten hoogste de

volgende soorten van gegevens opgenomen:

naam, voornamen, voorletters, functie en/of naam instelling.

Artikel 6: Herkomst van de gegevens

De gegevens die in de verwerking zijn opgenomen, zijn afkomstig van:

a) de betrokkene zelf;

b) een ander Justitieonderdeel: gezagsregisters, ministerie van Justitie, gerechtelijke instanties,

Openbaar Ministerie, politie, JustitiŽle Documentatiedienst;

c) andere overheidsinstellingen: gemeentes, scholen;

d) derden:

- informanten (personen die betrokken zijn in het onderzoek, maar geen cliŽnten zijn);

- advocatuur;

- personen en instellingen werkzaam op het terrein van jeugdhulpverlening, -welzijn en

reclassering en gezondheidszorg;

- werkmeesters taakstraffen of begeleiders van de werkprojecten;

e) de Cd-foongids

Artikel 7: Verstrekking van gegevens

De in artikel 5 vermelde gegevens kunnen worden verstrekt aan:

a) andere afdelingen van de Raad dan waar de gegevens werden ingevoerd;

b) andere Justitiediensten:

- ministerie van Justitie;

- gerechtelijke instanties;

- Openbaar Ministerie;

c) instanties buiten Justitie:

- advocatuur;

- personen en instellingen werkzaam op het terrein van jeugdhulpverlening, -welzijn en

reclassering;

- werkmeesters taakstraffen of begeleiders van de werkprojecten;

- politie;

d. instanties in het buitenland:

- in de overige Koninkrijksdelen;

- in de EU landen;

- in alle landen buiten de EU.

Artikel 8: Invoer, bewerking en verwijdering

1. De invoer van de in de verwerking op te nemen gegevens, alsmede de correctie, aanvulling en

verwijdering van in de verwerking opgenomen gegevens, geschiedt door: personen die werkzaam zijn

in het primair proces op een vestiging van de Raad voor de Kinderbescherming en met toestemming

van de dagelijks beheerder zijn geautoriseerd door de technisch beheerder om op de betreffende

vestiging persoonsgegevens te verwerken;

2. Indien blijkt dat gegevens feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter

zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift in de verwerking voorkomen, draagt

de dagelijks beheerder zorg voor een zo spoedig mogelijke correctie, aanvulling of verwijdering van die

gegevens.

Artikel 9: Rechtstreekse toegang tot de verwerking

1. Rechtstreekse toegang uitsluitend ten behoeve van werkzaamheden in het kader van het primair

proces van de Raad voor de Kinderbescherming hebben de personen die werkzaam zijn op een

vestiging van de Raad voor de Kinderbescherming en die met toestemming van de dagelijks beheerder

zijn geautoriseerd door de technisch beheerder om op de betreffende vestiging persoonsgegevens te

verwerken;

2. Rechtstreekse toegang uitsluitend ten behoeve van technische werkzaamheden hebben de personen

die daartoe schriftelijk door de beheerder zijn aangewezen.

Artikel 10: Verbanden

1. Via verbinding met de geautomatiseerde bestanden van de Gemeentelijke Basis Administratie

ontvangt de Raad voor de Kinderbescherming familiegegevens van cliŽnten;

2. Op basis van het persoonsnummer van de Gemeentelijke Basis Administratie heeft de Raad voor de

Kinderbescherming toegang tot het CliŽnt Volg Systeem Jeugdcriminaliteit.

Artikel 11: Beveiliging

De beheerder en de dagelijks beheerder zijn verantwoordelijk voor het beheer en goed functioneren

van de persoonsverwerking. Zij treffen daartoe voorzieningen van technische en organisatorische aard

overeenkomstig het Handboek Beveiliging Justitie.

Artikel 12: Rechten betrokkenen

Betrokkenen kunnen zich voor de uitoefening van de rechten uit de Wet bescherming

persoonsgegevens wenden tot de vestigingsmanager van de vestiging waar hun persoonsgegevens

worden of zijn verwerkt.5

Artikel 13: Geheimhouding

Een ieder die binnen dit reglement de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is

verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover een bij of krachtens de Wbp en deze

regeling gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met het oog

waarop de gegevens zijn verstrekt tot het ter kennis brengen daarvan noodzaakt.

55 zie voor de rechten van de betrokkenen de Wet bescherming persoonsgegevens, art. 35 t/m 40.

Bijlage 6. Begrippenlijst

A.

Arrondissement

Werkgebied van een rechtbank (in totaal 19).

Adoptiefouder

Degene met wie een kind door een uitspraak van de rechter in een familierechtelijke betrekking komt

te staan, terwijl die betrekking tussen het kind en zijn oorspronkelijke ouder(s) ophoudt te bestaan. Dit

laatste geldt niet voor een ouder wiens partner het kind adopteert.

B

Belanghebbende

Degene op wiens rechten of verplichtingen een zaak rechtstreeks betrekking heeft.

Betrokkene

Degene die een zaak aangaat en met wie om die reden door de Raad in het kader van het onderzoek

gesproken is; deze behoeft geen juridisch belang te hebben.

C.

CliŽnt(systeem)

De minderjarige en de personen uit diens directe omgeving, op wie het onderzoek zich richt, zoals

ouder(s), voogd, verzorger(s), waaronder pleegouder(s). Ook de minderjarige die in het kader van een

taakstraf wordt begeleid en de personen uit diens directe omgeving.

CliŽntvolgsysteem

Geautomatiseerd systeem waarin gegevens worden opgenomen van verschillende instanties die dit

systeem ook kunnen raadplegen. Bij de Raad toegepast bij minderjarigen die met de politie in

aanraking zijn gekomen. Instanties: Raad, politie en Openbaar Ministerie.

D.

Directeur

In de tekst gebruikt voor de betreffende ressortsdirecteur (de Raad heeft vijf ressortsdirecteuren en ťťn

algemeen directeur).

E.

Externe gedragsdeskundige

Deskundige op het gebied van menselijke gedragingen (zoals een psycholoog of pedagoog of een

(kinder- en jeugd-)psychiater die niet in dienst is van of verbonden is aan de Raad en die op verzoek

van de Raad een onderzoek instelt, dan wel door de Raad geconsulteerd wordt .

G.

Gedragsdeskundige

Deskundige op het gebied van menselijke gedragingen, zoals een psycholoog of een pedagoog, in

dienst van de Raad.

Gezag

Bij de Raad in het bijzonder gebruikt als juridische zeggenschap van een of twee meerderjarige(n) over

een minderjarige. Dit kan zijn ouderlijk gezag of voogdij (dit is gezag van een of twee niet-ouder(s)).

Zie ook gezamenlijk gezag en gezamenlijke voogdij.

Gezamenlijk gezag

Gezag van twee ouders of van een ouder en diens partner over een minderjarige.

Gezamenlijke voogdij

Gezag van twee niet-ouders over een minderjarige.

H.

Hofressort

Het werkgebied van een (gerechts-)hof (in totaal vijf).

I.

Inverzekeringstelling

Het vasthouden van een verdachte op bevel van de Officier van Justitie voor verder verhoor. Dit

kan zijn vanwege de ingewikkeldheid van de strafzaak of vanwege de ernst van het strafbare feit (duur

3 dagen, met maximaal 3 dagen te verlengen). Vůůr de inverzekeringstelling kan de verdachte

gedurende 6 uur verhoord worden door de politie. Hierbij wordt de periode van 12 uur ‘s nachts tot 9

uur ‘s morgens niet meegeteld.

Informant

Een persoon of instantie die geen belanghebbende of betrokkene is, maar die, naar het oordeel van de

Raad, wel zodanig de situatie van de minderjarige of van het gezin kent, dat zijn informatie van nut

kan zijn voor een juiste beoordeling van de zaak en die om die reden ook wordt gehoord.

J Jeugdreclassering

Activiteiten die door een instelling voor (gezins-)voogdij/BJZ (en soms door de volwassenreclassering)

worden uitgevoerd en omvatten: het bieden van hulpverlening, gericht op verbetering van de

leefsituatie van de jongere en diens maatschappelijke integratie; toezicht houden op jongeren die

onder voorwaarden in vrijheid zijn gesteld en tenslotte voorlichting en advisering aan de rechterlijke

macht omtrent de omstandigheden waarin strafbare feiten zijn gepleegd. Deze niet-vrijblijvende hulp

wordt opgelegd door het Openbaar Ministerie of de rechter.

Juridisch deskundige

Jurist in dienst van de Raad

M.

Minderjarige

Een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft en niet op andere wijze meerderjarig is

geworden (bijv. door huwelijk).

Moeder

De vrouw uit wie het kind geboren is of die het kind heeft geadopteerd. Tussen haar en het kind

bestaan van rechtswege (c.q. door adoptie) familierechtelijke betrekkingen (zie ook ouder).

Multidisciplinair

Meer dan ťťn vakgebied omvattend. Bij de Raad betreft dit de gezamenlijkheid van: maatschappelijk

werkdiscipline, pedagogische, psychologische en juridische discipline.

N.

Nationale ombudsman

De bij wet ingestelde instantie die onderzoek kan doen naar de wijze waarop een (medewerker van

een) overheidsinstantie zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen. Iedere burger heeft het

recht een dergelijk onderzoek te vragen.

Niet-ontvankelijkheidsverklaring

Het niet in behandeling nemen van een verzoek, bezwaar of klacht wegens onjuiste wijze van indienen

(niet door de bevoegde persoon, niet bij de bevoegde instantie, niet op tijd, niet voldaan aan

vormvereisten)

O.

Officier van Justitie

Functionaris van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank

Openbaar Ministerie

Overheidsdienst belast met de handhaving van wetten, de vervolging van alle strafbare feiten en

verantwoordelijk voor het (doen) uitvoeren van alle strafvonnissen.

Ouder(s)

Man en/of vrouw met wie het kind een wettelijke afstammingsrelatie heeft, ook wel familierechtelijke

betrekkingen genoemd.

P.

Pleegouder

Meerderjarige die optreedt als de verzorger en opvoeder van een minderjarige die (tijdelijk) in diens

gezin is geplaatst (pleeggezin). In tegenstelling tot een adoptief situatie zijn de familierechtelijke

betrekkingen tussen de minderjarige en diens ouder(s) niet verbroken.

Proces-verbaal

Een door een officiŽle instantie opgesteld verslag van een gebeurtenis. Dit kan bijvoorbeeld een verslag

zijn van een melding van een strafbaar feit, van een verhoor door de rechter of van schoolverzuim van

een leerplichtambtenaar.

R.

Raadsonderzoeker

Medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming die verantwoordelijk is voor de uitvoering van

het onderzoek.

Rekest

Schriftelijk verzoek aan de rechter (bijvoorbeeld een verzoek van de Raad om een maatregel van

kinderbescherming uit te spreken).

Ressort

zie Hofressort

T.

Taakstraf

Reactie van de officier van justitie of straf opgelegd door de rechter naar aanleiding van een procesverbaal

van de politie. Een taakstraf kan zijn een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide.

Teamleider

Leidinggevende medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming die eindverantwoordelijk is voor

de behandeling van meldingen, voor de uitvoering van onderzoeken, de coŲrdinatie van taakstraffen

en voor de daardoor voortvloeiende besluiten van de Raad.

V.

Vader

De man tussen wie en het kind familierechtelijke betrekkingen bestaan (zie ook onder ouder).

Vestiging

Locatie voor het uitvoerende werk van de Raad (totaal 22). Op enkele uitzonderingen na ťťn per

arrondissement. Een vestiging omvat meerdere teams.

Vestigingsmanager

De medewerker van de Raad die leiding geeft aan de medewerkers van een vestiging en die

verantwoordelijk is voor de aansturing van die vestiging.

Voogdij

zie onder Gezag.

Voorlopige hechtenis

Indien de Officier van Justitie de verdachte, naar aanleiding van het verhoor, nog langer wil

vasthouden, dan moet deze worden voorgeleid bij de rechter-commissaris (d.i. bij minderjarigen de

kinderrechter). Indien de rechter-commissaris het verzoek inwilligt, wordt de verdachte in bewaring

gesteld voor maximaal 10 dagen. Zonodig kan de Officier van Justitie verzoeken de verdachte nog

langer vast te houden. Dit wordt gevangenhouding genoemd. Gevangenhouding kan voor ten hoogste

30 dagen worden uitgesproken en kan tweemaal verlengd worden met 30 dagen. De voorlopige

hechtenis omvat bewaring en gevangenhouding.

Vroeghulp

Specifieke vorm van het basisonderzoek in een strafzaak, dat wordt uitgevoerd na een melding

inverzekeringstelling (zie paragraaf 10.2.1).

Bijlage 7. Lijst van afkortingen

Awb Algemene wet bestuursrecht

AMK Advies- en Meldpunt Kindermishandeling

AMW algemeen maatschappelijk werk

BARO Basis Raadsonderzoek (in strafzaken)

bk Boek (onderdeel van het Burgerlijk Wetboek)

BIG (wet) (wet) op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg

BJZ Bureau Jeugdzorg

BW Burgerlijk Wetboek

CAD Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs

FIOM Federatie van Instelling voor Ongehuwde Moeders

GBA Gemeentelijke Basis administratie

GVI Gezinsvoogdij-instelling

IBO Instrumentarium Bijzondere Omstandigheden

JDR Justitieel Documentatie Register

KIS Kinderbescherming Informatie Systeem

OM Openbaar Ministerie

ots ondertoezichtstelling

PIJ maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Sr wetboek van Strafrecht

Stbl. Staatsblad

VIA Voorlichting Interlandelijke Adoptie

Wbp Wet bescherming persoonsgegevens

Wob Wet openbaarheid van bestuur

 

 

 
Van harte gefeliciteerd "overheidsambtenaren" van de Raad voor de Kinderbescherming en "rechtbank Zutphen" met het behaalde resultaat verkregen met "gefabriceerd bewijs" en "succesvolle tegenwerking". Een rechterlijke beschikking "geen omgang meer tussen vader en zijn drie kinderen"

1995-2016. En weet je wat "SO BE IT!"


3 De norm! De zes wetten van Hop, uitgangspunt voor burgers in iedere procedure tegen "overheidsambtenaren"
1 Hop bijt flink terug met satire op internet naar kinderrechter en RvdK in de zaak Hop
16 SOGM publicatie over Hop. "Mede door Hop werd internetsite soort rebellenclub"
177 President rechtbank Zutphen: "Lachwekkend om de vertegenwoordiger RvdK telkens de zaal te doen verlaten en bij de volgende zaak weer te zien terugkeren
81 Hop bijt terug: Klop Klop werd gepresenteerd op een landelijke bijeenkomst Stichting Dwaze Vaders
547 Hop bijt terug: "Het was lachwekkend te lezen dat Meesje maatregelen eiste tegen Hop na publicatie Klop Klop!"
17 Kamerlid Hendriks: Hop ga zo door! Oorkonde voor Kamerlid Hendriks voor open democratie
184 Het complot! Kinderrechter ook President Soroptemistenclub om belangen van vrouwen te bevorderen
Hop bijt terug: Bijbanenregisters rechters van Hop op internet sloeg in als een bom! Kinderrechters op hun congres verbijsterd achterlatend..... (A) (B) (C) (D) (E) (F) (G) (H) (I) (J) (K) (L) (M) (N) (O) (P) (Q) (R) (S) (T) (U) (V) (W) (Y) (Z)
327 Hop bij terug:Lachwekkend President Mr. J.J. van Oostveen: "na inzage in ons bijbanenregister is het recht van Hop om kritiek te geven uitgewerkt"
143 Het complot! Voorgedrukte griffieformulieren Voogdij: De moeder
302 Het complot! Referteverklaring rechtbank Zwolle alweer representatief voorbeeld partijdigheid voor de moeder
363 Het complot! Arnhemse rechter namens Rijksmuseum Amsterdam: "Moeders zijn beter geschikt dan vaders om leuke dingen met hun kinderen te doen"
8 Het complot! Griffier kinderrechter is dezelfde persoon als secretaris klachtencommissie RvdK
12 Het complot! RvdK en KIR overleggen over Hop voor, na en tijdens schorsing hoorzitting kinderrechter
142 Het complot! Gebruik voornamen kinderrechter en RvdK medewerker bij rechtbank Utrecht voortaan taboe
14 Resultaat: RvdK maakt einde aan (geheim) overleg voor, na, en tijdens schorsing hoorzitting rechter
83 Resultaat: Landelijk directeur RvdK Hooymans schrijft brief aan de gerechten mbt belangenverstrengeling
13 Het complot! Vereniging rechters ASZM probeert onderzoek Hop tegen te werken
148 Het complot! RvdK: Indienen klachten tegen RvdK werkt contraproductief mbt gevraagde omgangsregeling
106 Het complot! Kinderrechter weigert vader meermalig inzage dossier bij de rechtbank
112 Het complot! Een vader heeft geen recht op inzage dossier van zijn kinderen bij de politie
289 Het complot! Gelderse Verhoormethode! Een vader mag minderjarige niet bijstaan bij verhoor door politie
9 Het complot! RvdK/Kinderrechter weigert (verplichte) waarheidsvinding na "RvdK verzonnen verhalen" in de zaak Hop
10 Het complot! Hoe schrijft de raadsmedewerker het raadsrapport? Gegevens verzwijgen, toeschrijven naar conclusie!
11 Het complot! Competentieprofiel praktijkleider: Als raadsrapport niet deugt gaan we toch lekker door!
93 Het complot! RvdK laat belang moeder zwaarder wegen dan belang vader
136 Het complot! RvdK: Omgangsregeling afwijzen omdat omgang niet met een rechterlijke beschikking kan worden afgedwongen
139 Het complot! Vraag Hop in Justitiekrant: "Is het gewenst dat de Raad zelf onderzoek mag verrichten als belanghebbende bij de uitslag"
445 Resultaat: Analyse klachtafhandeling kinderbescherming 2000 citaat:"Dhr Hop vanwege groot aantal apart vermeld"
18 Het complot! Klacht Hop tegen Staat der Nederlanden mbt 8 EVRM niet-ontvankelijk bij Europese commissie
19 Het complot! Klacht Hop tegen Staat der Nederlanden mbt 6 EVRM niet-ontvankelijk bij Europese commissie
337 Het complot! PvdA Kamervoorzitter Deetman bleef Kamerlid Hendriks in kwaad daglicht plaatsen
459 - 218 Het complot! Denk eens na over geschiedenis (gefiscaliseerde) omroepbijdrage en censuur gesubsidieerde media
137 Stiekem overleg (overheid) over Hop in een achterkamertje van de Vereniging Directeuren Gezinsvoogdij-instellingen.
80 Twintig jaar later er is nog niets veranderd! Hop krijgt Openbaar Ministerie Gevoelige Zaken Overleg MEMO'S OVER HOP te pakken.
574 De eerste kinderrechter springt voor de trein na het wederom naaien van Hop met "gefabriceerd bewijs" en "succesvolle tegenwerking"

Citaat raadsrapport in de zaak: De vader (Hop) wil dat de uitspraak van de rechter inzake de omgangsregeling wordt uitgevoerd.

TEGEN

Raad voor de Kinderbescherming: "Een omgang tussen vader en kinderen, kan niet op deze wijze (met een beschikking van de kinderrechter) worden afgedwongen".

Beschikking kinderrechter/President Soroptemistenclub R.A.J. Mees: Geen omgang meer tussen vader en zijn kinderen.

1995-2016. En weet je wat "SO BE IT!"

top
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop I
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop II
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop III
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop IV
Stem wijzer! Stem Groep Hop ©
Referenties J. Hop
Activiteiten