| Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming! Openbare aanklachten van burgers tegen het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming (Ministerie van Justitie) in de volksmond nog veel beter bekend als Raad voor de Leugenbescherming en Raad voor de Kindermishandeling |
Achteraf is het lachwekkend om klachten in te dienen tegen het bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming
Negen klachten gegrond! Moeder X met Hop als gemachtigde tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie Zuid-West
mr
H.A. Witsiers -
voorzitter, tevens coördinerend vice-president bij de rechtbank Middelburg
mr. V.M. Smits
- lid, tevens rechter bij de rechtbank Rotterdam
de heer A.A. Peters
- lid, nevenfuncties niet bekend
mr A. Buijn - Buissink
- secretaris
Beslissing inzake de klacht
Mevrouw X, verder te noemen klager, met J. Hop als gemachtigde
tegen
Raad voor de Kinderbescherming, Directie Zuid-West, verder te noemen de Raad.
De klachtencommissie overweegt gelet op de ter beschikking staande stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht het volgende:
De beslissing klacht 1, 2.1, 2.2, 2.4, 10, 16 en 30 zijn gegrond.
De beslissing klacht 8 en 22 is zijn deels gegrond deels ongegrond
Klacht 1.
De commissie is van oordeel
dat de raad de verblijfsomstandigheden van J. niet voldoende heeft onderzocht en
weergegeven in het rapport. Het ontbreekt aan een heldere weergave van zijn
woonsituatie. J. is kennelijk overgegaan van de invloedssfeer van moeder naar
die van vader terwijl hij bij de grootouders-mz verbleef. Dit is niet zorgvuldig
weergegeven in de rapportage, hetgeen van de raad wel had mogen worden verwacht.
Ook is de onderzoeksvraag ‘om welke reden(en) woont J. bij zijn vader’ naar
het oordeel van de commissie onvoldoende door de raad beantwoord.
Deze klacht is gegrond.
Klacht 2.
2.1 en 2.2:
Onder verwijzing naar het
sub klacht 1. overwogene worden ook deze klachten gegrond geoordeeld.
2.4:
Uit het raadsrapport blijkt
niet dat de klaagster vooraf is geïnformeerd, zodat deze klacht gegrond is.
Klacht 10.
Onder verwijzing naar de
motivering van de gegrondverklaring zoals bovenstaand vermeld bij beoordeling
van de klachten 1, 2.1, 2.2 en 2.4, wordt ook deze klacht gegrond geoordeeld.
Klacht 16.
Onder verwijzing naar de bovenstaande gegrondverklaring door de commissie van klacht 1. wordt ook deze klacht gegrond verklaard.
Klacht 30.
Onder verwijzing naar de
bovenstaande gegrondverklaring door de commissie van klacht 1. wordt ook deze
klacht gegrond verklaard.
Klacht 8.
Normenrapport II bepaalt in
hoofdstuk III voor wie en onder welke voorwaarden raaddossiers openbaar zijn. In
hoofdstuk II onder 2.1. is bepaald dat in een dossier aanwezig dienen te zijn:
Rapporten, interne
verslaglegging, rekesten, adviezen, beschikkingen en anderen formele bescheiden,
briefwisseling, spreekuurverslagen en telefoonnotities. Het is derhalve niet
voorgeschreven dat werkaantekeningen zich in het dossier dienen te bevinden.
Daar de commissie er niet van op de hoogte is of in deze zaak het dossier
werkaantekening bevat, is deze klacht gegrond ten aanzien van de
werkaantekeningen die deel uit maken van het dossier en ongegrond ten aanzien
van de werkaantekeningen die daar geen deel van uit maken.
Klacht 22.
Deze klacht is gegrond voor zover het de rapportage over de verblijfplaats van J. betreft; voor het overige is deze ongegrond daar de commissie niet de overtuiging van de juistheid van klaagsters argumenten heeft gekregen.
De beslissing is afgegeven op 7 februari 2001.
Tweede bonafide uitspraak klachtencommissie IV Raad voor de Kinderbescherming Zuid-West inzake afgifte werkaantekeningen
In de klachtzaak klager X (moeder) met gemachtigde J. Hop tegen de Raad voor de Kinderbescherming directie Zuid-West heeft de klachtencommissie IV Raad voor de Kinderbescherming Zuid-West het volgende oordeel gegeven.
Klacht 8.Normenrapport II bepaalt in hoofdstuk III voor wie en onder welke voorwaarden raaddossiers openbaar zijn. In hoofdstuk II onder 2.1. is bepaald dat in een dossier aanwezig dienen te zijn: rapporten, interne verslaglegging, rekesten, adviezen, beschikkingen en andere formele bescheiden, briefwisseling, spreekuurverslagen en telefoonnotities. Het is derhalve niet voorgeschreven dat werkaantekeningen zich in het dossier dienen te bevinden. Daar de commissie er niet van op de hoogte is of in deze zaak het dossier werkaantekeningen bevat, is deze klacht gegrond ten aanzien van de werkaantekeningen die deel uit maken van het dossier en ongegrond ten aanzien van de werkaantekeningen die daar geen deel van uit maken.
7 februari 2001
Normen 2000, Versie 2, Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming
Normen 2000
Versie 2
Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de
Raad voor de Kinderbescherming
Inhoudsopgave
1. Voorwoord
2. Algemeen
2.1 Grondslag en legitimatie
2.2 Kwaliteitseisen
3. Onderzoek en rapportage
3.1 .Onderzoek
3.2 Rapportage
4. Omgaan met dossiers
4.1 Aanleggen, inhoud, verantwoordelijkheid, schoning en beveiliging
4.2 Intern gebruik van dossiers door medewerkers van de Raad
4.3 Vernietiging van dossier
5. Openbaarheid van persoonsgegevens in dossiers
5.1 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)
5.1.1 Informatieverstrekking aan de betrokkene
5.1.2 Verstrekken van inzage aan de betrokkene
5.1.3 Verstrekken van inzage aan een derde
5.1.4 Verstrekken van inzage aan bijzondere categorieën derden
5.1.5 Wijze van informatieverstrekking
5.1.6 Beslissing / verzet / bezwaar
5.1.7 Verantwoordelijkheid
5.2 Wet openbaarheid van Bestuur (Wob)
5.2.1 Verantwoordelijkheid
6. Zittingsvertegenwoordiging
7. Klachten- en bezwarenprocedure
7.1 Klachtenprocedure (zie bijlage 1)
7.2 Bezwarenprocedure (Algemene Wet Bestuursrecht)
8. Beleidsaanwijzingen civiele zaken (bescherming)
8.1 Beschermingszaken
8.1.a Positie Raad binnen de Jeugdzorg
8.1.b Intake
8.1.c Onderzoek
8.1.1 Opvoedingsproblemen
8.1.1.1 inleiding
8.1.1.2 maatregelen van kinderbescherming
8.1.1.3 onderzoek opvoedingsproblematiek
8.1.1.4 toetsende taak tav besluitvorming GVI tijdens ots
8.1.1.5 Adviestaak n.a.v. verzoek tot ots en tijdens ots
8.1.1.6 Verderstrekkende maatregel na ots
8.1.1.7 Herstel in het ouderlijk gezag
8.1.2 Weggelopen minderjarigen
8.1.3 Opneming kind bij een ouder in een inrichting
8.1.3.1. inleiding
8.1.3.2. onderzoek
8.1.4 Internationale kinderontvoering
8.1.5 Afstand minderjarige/meerderjarige moeder/ouders
8.1.6 Gezagsvoorziening door de kantonrechter
8.1.6.1 inleiding
8.1.6.2 doel onderzoek
8.1.6.3 specifieke aanwijzingen
8.1.7 Gezagsvoorziening na overlijden ouder die alleen het gezag heeft terwijl de andere
ouder nog in leven is
8.1.8 Rechtspositie pleegouders (blokkaderecht)
8.1.8.1 Blokkaderecht
8.1.8.2 Verzoek pleegouders tot ontheffing ouders
8.1.8.3 Verzoek pleegouders tot voogdijbenoeming
8.1.9 Voogdij Antilliaanse jongeren
9.Beleidsaanwijzingen civiele advies zaken
9.1. Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang
9.1.1 Inleiding
9.1.2 Raadsondersteuning ter zitting
9.1.3 Onderzoek
9.1.4. Een andere raadsactiviteit in het kader van omgang
9.1.5. Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders
9.1.6. Voorlopige voorzieningen tijdens de (echt)scheidingsprocedure
9.1.7. Beëindiging gezamenlijk gezag
9.1.8 Gezagswijziging
9.2 Adoptie(voorbereiding)
9.2.1 inleiding
9.2.2 onderzoek i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie
9.2.3 onderzoek vim het opnemen van een in Nederland geboren kind ter adoptie.
9.2.4 Draagmoederschap
9.2.5 Partneradoptie
9.3 Afstammingsvragen
9.4 Justitiële screening, toezicht pleegkinderen, toezicht voogdijpupillen
9.4.1 justitiële screening van (aspirant) pleegouders
9.4.2 toezicht pleegkinderenwet
9.4.3 toezicht voogdijpupillen
9.5 Meerderjarigverklaring
9.6 Huwelijksdispensatie
9.7 Naamswijziging
10.Beleidsaanwijzingen strafzaken
10.1 Inleiding
10.2 Voorlichting, advies en selectie
10.3 Coördinatie Taakstraffen voor jeugdigen van 12 jaar en ouder
10.4 Casusregie
Bijlagen
1 Klachtprocedure
2 Kinderbeschermingsmaatregelen
3 Richtlijnen externe deskundigen
4 Straffen en strafrechtelijke maatregelen
5 Regeling Wet bescherming persoonsgegevens primair proces Raad voor de Kinderbescherming
6 Begrippenlijst
7 Lijst met afkortingen
1. Voorwoord
De overheid heeft de verplichting om kinderen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Om aan deze verplichting te voldoen is de Raad voor de Kinderbescherming als overheidsorganisatie met een aantal wettelijke taken belast die erop gericht zijn de belangen van de minderjarigen te beschermen. De Raad kan deze taken en bevoegdheden ter bescherming van de rechten en belangen van het kind, onder meer door het doen van onderzoek, ook ongevraagd uitoefenen. De Raad dient de taken op zorgvuldige, deskundige en kenbare wijze uit te voeren. De taken van de Raad voor de Kinderbescherming zijn: - beschermingstaken (onderzoek, rekwestreren,adviseren en toetsing); - civiele adviestaken (onderzoek en advisering), inclusief scheiding- en omgangszaken (onderzoek, inclusief bemiddeling en advisering); - straftaken (onderzoek, voorlichting, coördinatie taakstraffen en casusregie). Dit rapport geldt als een algemene aanwijzing in de zin van artikel 1, vierde lid, van het Organisatiebesluit Raad voor de Kinderbescherming en beoogt een gelijke behandeling van zaken door de Raad voor de Kinderbescherming te bewerkstelligen alsmede de kenbaarheid van het handelen van de Raad voor de cliënt te vergroten. Dit is conform de toezegging die de toenmalige Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer heeft gedaan bij de behandeling van de inmiddels van kracht zijnde wet van 13 juni 1996 (Stbl. 1996, 328), waarin de reorganisatie van de 19 raden tot één Raad voor de Kinderbescherming formeel gestalte heeft gekregen. Dit rapport bevat de fundamentele kaders en beleidsregels die van toepassing zijn op de werkwijze van de Raad en dient leidraad te zijn bij de behandeling van zaken waarmee de medewerkers van de Raad bemoeienis hebben. De in het rapport gegeven beleidsaanwijzingen zijn bindend. Bij de behandeling van een individuele zaak kan hiervan in principe niet worden afgeweken. Daarnaast hanteert de Raad werkprocessen in iedere categorie zaken. Bij de voorbereiding van Normen 2000 is advies gevraagd aan het toenmalige College van Advies voor de Justitiële Kinderbescherming, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming en het Platform van Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht. De adviezen en voorstellen zijn in belangrijke mate verwerkt. De beleidsregels in het rapport zijn op 1 april 2001 in werking getreden en eind 2002 geëvalueerd . Op basis hiervan is Normen 2000 aangepast en aangevuld. De citeertitel van het rapport luidt: “NORMEN 2000,”. De ondertitel luidt: “Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming.” Het onderhavige exemplaar betreft versie 2. Bij de indeling van hoofdstuk 8 in dit rapport (civiele zaken) is om praktische reden voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de huidige registratieregels voor de civiele taken zoals deze in het geautomatiseerde informatiesysteem van de Raad voor de Kinderbescherming (KIS) worden gehanteerd. Naast de in dit rapport aan de orde zijnde beleidsaanwijzingen kan de minister, indien daartoe aanleiding bestaat, in een individuele situatie concrete aanwijzingen geven.
Het rapport is als volgt opgebouwd:
- Hoofdstuk 2 bevat de grondslag en legitimatie voor het handelen van de Raad en de aan de
werkwijze van de Raad te stellen kwaliteitseisen;
- De hoofdstukken 3 t/m 5 bevatten aanwijzingen die betrekking hebben op de rapportage door de
Raad, alsmede het omgaan met en de openbaarheid van dossiers.
- Hoofdstuk 6 geeft een opsomming van de belangrijkste punten uit de op wet- en regelgeving
gebaseerde klachten- en bezwarenprocedure.
- In hoofdstuk 7 worden de uitgangspunten en aanwijzingen voor de zittingsvertegenwoordiging
door de Raad vermeld, dit vanwege een nadrukkelijke toezegging ter zake aan de Tweede Kamer.
- Hoofdstuk 8 bevat beleidsaanwijzingen met betrekking tot de werkwijze van de Raad in civiele
beschermingszaken.
- Hoofdstuk 9 bevat beleidsaanwijzingen met betrekking tot de werkwijze van de Raad in civiele
advieszaken
- Hoofdstuk 10 bevat beleidsaanwijzingen met betrekking tot de werkwijze van de Raad in
strafzaken.
- Hoofdstuk 11 bevat een aantal bijlagen, waaronder een begrippenlijst.
2. Algemeen
2.1 Grondslag en legitimatie
a. De Raad voor de Kinderbescherming dient als overheidsorganisatie daadwerkelijk op te
komen voor kinderen van wie het recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en
uitgroei naar zelfstandigheid ernstig worden bedreigd (de waarborgfunctie). De uit deze
publieke waarborgfunctie van de Raad voortvloeiende taken en bevoegdheden zijn in diverse
wet- en regelgeving neergelegd (BW1: titel 13, afdeling 3). De Raad kan deze taken en
bevoegdheden ter bescherming van de rechten en belangen van het kind gevraagd of
ongevraagd uitoefenen.
b. Kinderen hebben mede gelet op het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind recht
op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid. Ouders dragen
de eerste verantwoordelijkheid dit recht van het kind te realiseren met inachtneming van
diens leeftijd en ontwikkelingsniveau en met gebruikmaking van voorzieningen zoals
onderwijs, hulpverlening en gezondheidszorg.
c. De overheid dient de eigen verantwoordelijkheid van de ouders voor een gezonde en
evenwichtige ontwikkeling van het kind te respecteren. Wanneer de ouders deze
verantwoordelijkheid echter niet (meer) naar behoren vervullen, vrijwillige hulpverlening niet
meer tot de mogelijkheden behoort en daardoor schade wordt of dreigt te worden berokkend
aan het kind, moet de overheid maatregelen nemen om de bescherming van het kind mogelijk
te maken, zonodig door het vragen van een rechterlijke beslissing.
Aan deze overheidsverantwoordelijkheid ontleent de Raad zijn legitimatie.
d. Voorts heeft de Raad een in de wet omschreven taak om gerechtelijke autoriteiten of de
minister van justitie te adviseren over individuele minderjarigen.
2.2 Kwaliteitseisen
a. De Raad voor de Kinderbescherming draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering van zijn
wettelijk omschreven taken.
b. De inrichting van de organisatie is zodanig dat de organisatie deze taken doeltreffend,
doelmatig, controleerbaar en cliëntgericht uitvoert. Dit houdt onder meer het volgende in:
1. Door de Raad wordt multidisciplinair gewerkt; hieronder wordt verstaan dat naast de
teamleider en de raadsonderzoeker een gedragsdeskundige en/of juridisch deskundige kan
worden ingeschakeld (zie hoofdstuk 3); een besluit wordt door tenminste twee
medewerkers genomen, onder wie de teamleider, die de verantwoordelijkheid voor de
besluitvorming draagt;
2. De Raad werkt met onderzoekstermijnen die kenbaar zijn voor de cliënt. Van deze
termijnen kan slechts gemotiveerd worden afgeweken. De cliënt wordt van de verlenging
van een termijn en van de redenen hiervoor tijdig op de hoogte gesteld; tevens wordt een
nieuwe termijn aangegeven (zie hoofdstuk 3);
3. Voor situaties waarin het recht van een kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling
en uitgroei naar zelfstandigheid ernstig wordt bedreigd en direct ingrijpen noodzakelijk is,
is de Raad 7 x 24 uur bereikbaar.
Onder verantwoordelijkheid van de Raad kunnen daartoe ook andere organisaties
ingeschakeld worden;
4. De Raad gaat conform de Wet bescherming persoonsgegevens zorgvuldig om met het
verzamelen en verstrekken van gegevens. Dit geldt in het bijzonder voor het direct of
indirect (bijv. via rapportage) doorgeven van adressen, waarvoor in beginsel toestemming
van betrokkenen nodig is (zie hoofdstuk 5);
5. Een cliënt kan zich laten bijstaan door iemand in wie hij vertrouwen heeft. Als met
meerdere personen tegelijkertijd wordt gesproken kan een vertrouwenspersoon slechts
worden toegelaten als alle gesprekspartners hiermee instemmen. De Raad kan de
vertrouwenspersoon onder bijzondere omstandigheden, gemotiveerd, weigeren indien
deze persoon het onderzoek verstoort;
6. Indien in het kader van het onderzoek wordt gesproken met personen die de Nederlandse
taal onvoldoende beheersen, wordt zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van een
erkende tolk.
c. Uitgangspunt voor de uitvoering van taken is, dat deze gericht is op het verklaren en
inzichtelijk maken van aangetroffen problematiek op grond waarvan besluitvorming en
voorlichting kan plaatsvinden. De besluitvorming kan bestaan uit het al dan niet indienen van
een verzoek aan de rechter of advisering. Steeds wordt in de rapportage aangegeven op welke
wijze is omgegaan met de informatie, die door de verschillende betrokkenen of informanten is
gegeven. Indien zeer uiteenlopende visies of lezingen van een gebeurtenis naar voren worden
gebracht welke relevant zijn voor de besluitvorming, worden deze in de rapportage vermeld en
wordt in de conclusie van het rapport verantwoord op welke wijze de Raad hiermee is
omgegaan. Voorts moet in de rapportage duidelijk worden onderscheiden waar de Raad visies
of lezingen van een gebeurtenis citeert en waar feiten worden vermeld die als voldoende
vaststaand kunnen worden beschouwd.
d. Ten behoeve van een verantwoorde uitvoering van zijn taken ontwikkelt en onderhoudt de
Raad een kwaliteitssysteem. Onder een kwaliteitssysteem wordt verstaan een stelsel van
vastgestelde eisen, regels en procedures dat tot doel heeft te verzekeren dat de uitvoering van
de wettelijk omschreven taken aan de gestelde eisen voldoet en blijft voldoen.
e. Het kwaliteitssysteem moet toegankelijk , aanvaardbaar en hanteerbaar zijn. Het moet
duidelijkheid bieden aan medewerkers en cliënten omtrent de verdeling van taken en
verantwoordelijkheden en die informatie verschaffen waaraan behoefte bestaat.
f. Via het kwaliteitssysteem draagt de Raad zorg voor een systematische bewaking, beheersing en
verbetering van de kwaliteit van de uit te oefenen taken. Over het gevoerde kwaliteitsbeleid
legt de Raad in zijn jaarverslag verantwoording af.
g. De Raad kent een gereglementeerde klachtprocedure, hiervoor moge verwezen worden naar
hoofdstuk 7 en bijlage 1.
3. Onderzoek en Rapportage
3.1 Onderzoek
Naast het instellen van een onderzoek verricht de Raad ook andere activiteiten zoals
Raadsondersteuning ter zitting, bemiddeling bij omgang buiten de procedure, toetsende taak van
besluitvorming GVI tijdens de ondertoezichtstelling en coördinatie van taakstraffen etc. Deze vallen
buiten deze paragraaf en komen ter sprake in de betreffende hoofdstukken.
Bevoegdheid
Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de minderjarige
verblijft, dan wel waar het accent van het onderzoek ligt.
Verantwoordelijkheid
De teamleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale onderzoek, waaronder het
inschakelen van de gedragsdeskundige en/of de juridische deskundige en/of externe deskundigen; de
teamleider is verantwoordelijk voor de besluitvorming op grond van de uitgebrachte rapportage. De
raadsonderzoeker is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek. Indien een
gedragsdeskundige een (deel-) onderzoek instelt is deze zowel voor de inhoud als voor de uitvoering
daarvan verantwoordelijk.
Multidisciplinair overleg en onderzoek
De gedragdeskundige dient verplicht te worden ingeschakeld op de volgende momenten:
Op het moment dat overwogen wordt om een externe gedragsdeskundige in te schakelen met
inachtneming van de daarvoor vastgestelde richtlijnen (zie bijlage 3).
In een beschermingsonderzoek en in een vervolgonderzoek in strafzaken:
- bij de vaststelling van de onderzoeksvragen en
- bij de besluitvorming
In een onderzoek in verband met een beginseltoestemming buitenlands kind ter adoptie, indien
een van de aspirant adoptief ouders ouder is dan 42 jaar en een zgn. IBO onderzoek moet
plaatsvinden.
In een onderzoek in een strafzaak, zodra een advies PIJ-maatregel overwogen wordt.
Daarnaast kan de gedragsdeskundige consultatief worden ingeschakeld op initiatief van de teamleider
of de raadsonderzoeker.
De juridisch deskundige dient verplicht te worden ingeschakeld op de volgende momenten:
In zaken waarin de Raad mogelijkerwijs hoger beroep of cassatie wenst in te stellen, of waarin de
Raad een verweerschrift in hoger beroep wenst in te dienen.
In een beschermingsonderzoek:
- bij de rapportage met ondertoezichtstelling op tegenspraak; bij (gedwongen) ontheffing;
- bij ontzetting
- bij voorlopige maatregelen (vots en voorlopige voogdij)
In een scheiding- en omgangsonderzoek:
- bij rapportage met advies tot ontzegging van de omgang en/of éénhoofdig gezag .
In een onderzoek n.a.v. strafbare feiten:
- bij rapportage met advies tot een PIJ-maatregel.
Daarnaast kan de juridisch deskundige consultatief worden ingeschakeld op initiatief van de
teamleider of de raadsonderzoeker.
Aanvang onderzoek
Bij de start van het onderzoek geeft de raadsonderzoeker de betrokkenen uitleg over de aanleiding, het doel
en de opzet van het onderzoek en verstrekt – niet later dan het eerste persoonlijk contact - een folder over
de werkwijze van de Raad, voorzover de folder niet reeds in een eerdere fase aan betrokkenen is
toegezonden.
Betrekken van minderjarigen in onderzoek
Naast de contacten met de betreffende ouders of verzorgers wordt in ieder geval met de minderjarige van 12
jaar en ouder gesproken; minderjarigen jonger dan 12 jaar worden in het onderzoek betrokken met
inachtneming van hun leeftijd en ontwikkelingsniveau. In ieder geval worden deze kinderen gezien door de
onderzoeker. Wanneer niet met de ouders en/of verzorgers en/of de minderjarige van 12 jaar of ouder is
gesproken dan wel de jongere kinderen niet zijn gezien, wordt dit in het rapport/verslag gemotiveerd
aangegeven.
Informanten
Indien de Raad het van belang acht voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen, kan informatie
van derden in het onderzoek worden betrokken. Dit geschiedt altijd met medeweten van de
betrokkenen en in de regel met hun toestemming .Wanneer betrokkenen toestemming weigeren,
terwijl het raadplegen van een of meer informanten in het belang van het onderzoek noodzakelijk is,
kan aan deze weigering voorbij worden gegaan. Tot het raadplegen van informanten met medeweten
doch zonder toestemming van betrokkenen kan worden overgegaan nadat hiertoe, in overleg met de
teamleider, een gemotiveerd besluit is genomen en dit aan betrokkenen is meegedeeld. Dit besluit
wordt tevens in het rapport vermeld.
In alle gevallen waarin het voorstel tot het betrekken van derden als informant, dan wel het voorstel
gebruik te maken van ander materiaal in het onderzoek, afkomstig is van betrokkenen, wordt een
gemotiveerd besluit genomen. Aan betrokkenen wordt het besluit tot het al dan niet honoreren van dit
voorstel meegedeeld. Indien het voorstel niet wordt gehonoreerd, wordt dit besluit in het rapport
vermeld. Aan informanten wordt de folder voor informanten uitgereikt. De door informanten gegeven
informatie, welke inhet rapport wordt verwerkt, moet gefiatteerd zijn, zo mogelijk schriftelijk.
Afsluiting onderzoek
Ieder onderzoek wordt afgesloten met een adviesgesprek en vervolgens wordt het raadsrapport in concept
aan betrokkenen, waaronder de minderjarigen van 16 jaar en ouder, aangeboden. Deze krijgen in beginsel
een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het concept rapport te reageren, tenzij deze
termijn in het belang van de zaak ongewenst is (bijvoorbeeld in een crisissituatie). Feitelijke gegevens
worden zonodig gewijzigd; voor het overige wordt de reactie aan het einde van het rapport verwerkt dan wel
aan het rapport toegevoegd, zodat de reactie een geïntegreerd onderdeel van het definitieve rapport
uitmaakt.
Tenzij betrokkene daartegen bezwaar heeft, kan aan de melder, informanten en externe deskundigen die
een onderzoek hebben ingesteld de afloop van het onderzoek c.q. het besluit worden meegedeeld.
Bij bemiddeling in een scheiding- en omgangszaak, welke tot overeenstemming tussen de ouders
heeft geleid, wordt geen rapportage opgemaakt maar enkel een brief door de Raad naar de rechtbank
verstuurd met de inhoud van de overeenstemming.
Uitbreiding naar beschermingsonderzoek
Indien tijdens een niet-beschermingsonderzoek een zodanige opvoedingsproblematiek vermoed
wordt, dat een kinderbeschermingsmaatregel overwogen wordt, kan de Raad ambtshalve het
aangevangen onderzoek uitbreiden tot een onderzoek naar opvoedingsproblemen. Een dergelijk
besluit wordt zo spoedigmogelijk aan betrokkenen meegedeeld, zo mogelijk schriftelijk.
Termijnen:
De termijn vangt aan op de dag dat de aanvraag om onderzoek/melding is ontvangen en eindigt op de
dag dat het definitieve rapport is verstuurd. Van deze termijnen kan slechts gemotiveerd worden
afgeweken. De betrokkenen worden van de verlenging van de termijn en de redenen daarvan tijdig in
kennis gesteld; tevens wordt een nieuwe termijn aangegeven. Indien dit niet schriftelijk aan
betrokkenen kan worden meegedeeld, maakt de raadsonderzoeker van de mondelinge mededeling
aantekening in het dossier.
De volgende termijnen gelden (dagen zijn kalenderdagen):
- Beschermingsonderzoek maximaal 115 dagen
- Scheiding- en omgangsonderzoek maximaal 135 dagen
- Overig civiele onderzoek (adoptie, naamswijziging etc.) maximaal 105 dagen
- Basisonderzoek strafbare feiten maximaal 40 dagen
- Vervolgonderzoek strafbare feiten maximaal 115 dagen
- Coördinatie taakstraffen maximaal 160 dagen
Indien sprake is van onderzoek door een externe gedragsdeskundige wordt bovenstaande termijn
opgeschort voor de duur van het onderzoek door deze externe deskundige. Indien sprake is van
uitbreiding naar een beschermingsonderzoek wordt de termijn van het oorspronkelijk onderzoek
uitgebreid met de termijn van een beschermingsonderzoek.
Contactjournaal
Tijdens het onderzoek wordt in het contactjournaal chronologisch bijgehouden wanneer, op welke
wijze (telefonisch, persoonlijk), waar en met wie contact is geweest, tevens wordt kort en bondig de
essentie van het gesprek weergegeven. In het contactjournaal wordt tevens de datum en het besluit
van het interne multidisciplinair overleg vermeld. Het contactjournaal moet steeds bijgehouden
worden in verband met een mogelijk verzoek van betrokkenen om inzage/afgifte (zie ook hoofdstuk 5).
Bij afsluiting van het onderzoek wordt een uitdraai van het contactjournaal in het dossier opgeborgen.
3.2 Rapportage
Onder rapportage wordt verstaan de systematische weergave van het onderzoek van de Raad in een
bepaalde zaak. De rapporten van de Raad dienen aan de volgende richtlijnen te voldoen:
A. Het rapport is in correct en begrijpelijk Nederlands opgesteld.
B. Ieder rapport dient te zijn voorzien van een voorblad waarop tenminste staat vermeld:
datum van het rapport
naam raadsonderzoeker
dossiernummer
t.a.v. ouders: naam; voornamen; geboortedatum en –plaats; nationaliteit; verblijfstitel indien
van toepassing; beroep; godsdienst / levensovertuiging (indien in de betreffende zaak van
belang); adres en woonplaats / verblijfplaats1; huwelijksdatum; datum echtscheiding; naam
van huidige partner.
T.a.v. alle kinderen: naam; voornamen; geboortedatum en –plaats; gezag; maatregel van
kinderbescherming; verblijfplaats; duidelijk wordt aangegeven (onderstreept) van welk kind
de situatie is onderzocht.
C. Het rapport vermeldt in ieder geval:
de aanleiding voor het onderzoek en de op basis hiervan vastgestelde onderzoeksvragen;
met wie als betrokkene gesproken is, hoe vaak, hoe (telefonisch/persoonlijk) en waar;
de informatie die door de Raad bij derden, als informant, is gevraagd mits zij met de inhoud
akkoord zijn gegaan, en indien hiervan sprake is degene die is voorgesteld als informant
doch niet door de Raad is gehoord en de overwegingen die hieraan ten grondslag hebben
gelegen en indien hiervan sprake is de motivering van het horen van informanten zonder
toestemming van betrokkenen;
een beschrijving van feiten en achtergronden, van visie en beleving van alle betrokkenen, van de
interactie die heeft plaatsgevonden tussen de raadsmedewerker en het cliëntsysteem en van de
eventueel noodzakelijk gebleken interventies met de effecten op het onderzoeksproces;
de gegevens en de interpretatie van deze gegevens die leiden tot de conclusie, het op grond
van deze conclusie geformuleerde raadsadvies óf het besluit om al dan niet een rekest in te
dienen; bij conclusie en advies c.q. besluit om te rekestreren dienen de wettelijke gronden in
acht genomen te worden;
(een weergave van) de reactie van betrokkenen op het onderzoek en de rapportage;
welke raadsmedewerkers verantwoordelijk zijn voor (deel)onderzoek, besluitvorming en
rapportage;
welke folders verstrekt zijn.
D. In het rapport wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen informatie (feiten en meningen van
betrokkenen) en de interpretatie daarvan door de Raad (zie in dit verband ook hoofdstuk 2.2.c).
E. Wanneer een externe gedragsdeskundige voor specialistisch onderzoek is ingeschakeld, wordt
diens rapport als bijlage aan het raadsrapport c.q. het advies of rekest van de Raad toegevoegd. De
Raad betrekt de conclusies van de externe gedragsdeskundige bij zijn besluitvorming en geeft aan
in hoeverre deze zijn overgenomen (zie bijlage 3).
F. Het definitieve, ondertekende rapport wordt aan belanghebbenden toegezonden, tenzij zij te
kennen hebben gegeven dat zij daarop geen prijs stellen, dan wel dat het belang van het kind zich
daartegen verzet; dit dient gemotiveerd in het rapport te worden vermeld. Indien een van
betrokkenen bezwaar heeft tegen toezending van het rapport aan een belanghebbende inclusief de
voorgestelde (gezins-) voogdij instelling wordt de beslissing over toezending van de rapportage
aan de rechter overgelaten.
Rapporten die worden uitgebracht naar aanleiding van verzoeken tot het verkrijgen van een
beginseltoestemming voor het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie worden niet
afgegeven,
ook niet in concept, indien het rapport een positief advies bevat.
Deze paragraaf is, behoudens hetgeen hieronder vermeld staat onder ‘Ondertekening’, niet van
toepassing op:
- rapportage naar aanleiding van basisonderzoeken in strafzaken (zie hoofdstuk 10.2.1.) en
- verslaglegging ten aanzien van taakstraffen (zie hoofdstuk 10.3).
- adoptieonderzoeken (zie hoofdstuk 9.2), afstammingsvragen ( zie hoofdstuk 9.3)
- raadsondersteuning ter zitting (zie hoofdstuk 9.1.2.)
1 Nagaan of adres geheim moet blijven (zie 2.2.b.4)
Ondertekening
Rapporten worden ondertekend door de raadsonderzoeker en de teamleider. Indien een
gedragsdeskundige een (deel-)onderzoek instelde, ondertekent deze zijn deelrapportage. Adviezen,
verzoekschriften en verweerschriften bij Hoger Beroep worden onder vermelding van “namens de
ressortsdirecteur” ondertekend door de teamleider.
4. Omgaan met dossiers
4.1 Aanleggen, inhoud, verantwoordelijkheid, schoning en beveiliging
Aanleg
Voorlopig dossier (V-status)
In een voorlopig dossier worden opgeborgen (en van een KIS2-nummer voorzien): stukken van
meldingen die (nog) niet in onderzoek worden genomen, informatie ingewonnen inzake een verzoek
tot het verkrijgen van een Verklaring van geen bezwaar en andere losse bescheiden, waarvan het van
belang wordt geacht om deze voorlopig te bewaren. Indien ten aanzien van deze zaken alsnog wordt
besloten tot een onderzoek dan wordt het dossier definitief.
Definitief dossier (D-status)
Van elke zaak die in onderzoek wordt genomen, en waarvan nog geen dossier bestaat, wordt een
(definitief) gezinsdossier aangelegd, dat wordt voorzien van een KIS-nummer.
In strafzaken wordt een dossier aangelegd per kind; indien er reeds een gezinsdossier bestaat,wordt er
een subdossier per kind aangelegd als onderdeel van het gezinsdossier. Dit strafdossier krijgt dan ook
hetzelfde KIS-nummer als het gezinsdossier.
Bij de aanleg van een definitief dossier worden de persoonsgegevens geregistreerd welke conform
het autorisatiebesluit GBA middels automatische bevraging van de Gemeentelijke
Basisadministratie verkregen worden.
Inhoud
Een dossier bevat, voorzover van toepassing, de volgende stukken:
- het contactjournaal (chronologisch overzicht van de contacten die de raadsmedewerker(s)
gedurende het onderzoek hebben gehad met betrokkenen, informanten en derden, onder
vermelding van de datum en de wijze waarop (telefonisch of persoonlijk) en met een korte
vermelding van de reden van het contact;
- rapporten;
- alle ontvangen (met stempel datum binnenkomst)en uitgaande (met paraaf) poststukken;
verzoekschriften en adviesbrieven (ondertekend); beschikkingen; verzonden en terugontvangen
conceptteksten en andere relevante bescheiden, zoals verslagen voor zover niet verwerkt rapport,
telefoonnotities van de raadsonderzoeker (voor zover meebepalend voor het verloop van de zaak)
en van andere raadsmedewerkers en niet in het contactjournaal vermeld.
- een afschrift van de klacht,de uitspraak van de directeur,van de klachtencommissie en van de
Nationale Ombudsman.
Geen onderdeel van het dossier maken uit:
- werkaantekeningen (geheugensteun voor eigen gedachtevorming van medewerker);
- testmateriaal van een gedragsdeskundige (dit materiaal wordt in het archief bij het dossier
opgeborgen en is alleen opvraagbaar door een gedragsdeskundige).
Verantwoordelijkheid
De teamleider is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit en volledigheid van de dossiers.
De dagelijkse verantwoordelijkheid berust bij degene die het dossier op dat moment onder zich heeft.
Bewaartermijn en schoning
Een dossier is op elk moment zoveel mogelijk compleet. In geval van een verzoek om inzage in het
dossier tijdens een onderzoek moet worden nagegaan of het dossier inderdaad compleet is, zonodig de
ontbrekende stukken (laten) toevoegen en de niet tot het dossier behorende stukken (laten)
verwijderen (schonen). Ook wordt ingeval een verzoek om inzage een tussentijdse uitdraai van het
contactjournaal uit KIS gemaakt en in het dossier gevoegd.
Het dossier wordt ook geschoond, zodra het wordt overgedragen aan een volgende medewerker.
Daarnaast dient het dossier te worden geschoond na beëindiging van het onderzoek.
In KIS worden bij de administratieve afronding van het onderzoek de aldaar opgeslagen
werkaantekeningen vernietigd.
Het testmateriaal dient gedurende vijf jaar bewaard te worden (conform de richtlijnen van de
beroepsvereniging) of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit,
mits dit wetenschappelijk verantwoord is.
2 KIS = Kinderbescherming Informatie Systeem
Beveiliging
De ruimte waarin de dossiers zijn opgeborgen mag uitsluitend betreden worden door daartoe
bevoegde medewerkers. Het uitlenen en opbergen van dossiers geschiedt uitsluitend door daartoe
bevoegde medewerkers.
Dossiers die zich buiten de archiefruimte bevinden, moeten na kantooruren in afgesloten kasten zijn
opgeborgen. De informatie van het informatiesysteem (KIS) is opgeslagen op een centraal geheugen in
een beveiligde ruimte.
Klachtdossier
Een klachtdossier bevat alle documenten die betrekking hebben op de behandeling van klachten door
of namens de ressortsdirecteur en op een eventuele behandeling door de klachtencommissie en door
de Nationale Ombudsman.
Indien er sprake is van een klacht wordt een kopie van de klacht en van de uitspraak, alsmede - indien
van toepassing - correspondentie met de rechterlijke macht over het feit dat er een klacht is ingediend
in het gezinsdossier bewaard. Ingeval klachtbehandeling door of vanwege de ressortsdirecteur heeft
plaatsgevonden wordt een klachtdossier bewaard bij het desbetreffende directiebureau van het ressort.
De ressortsdirecteur is eindverantwoordelijk voor het klachtdossier.
4.2. Intern gebruik van dossiers door medewerkers van de Raad
Rapporten en/of verslagen worden opgemaakt voor een bepaald doel, waarbij rekening wordt
gehouden met de omstandigheden van het moment. Zij zijn daardoor beperkt in hun waarde voor
andere doeleinden en tevens tijdgebonden. Uitgangspunt is dat rapporten en verslagen ouder dan één
jaar niet meer in een procedure worden ingebracht.
4.3. Vernietiging van dossier
Definitief dossier
Een dossier wordt in beginsel vernietigd wanneer van het gezin het jongste kind met wie de Raad
bemoeienis had, meerderjarig is geworden, behoudens de hierna genoemde uitzonderingen:
- Dossiers in adoptiezaken dienen vooralsnog voor onbeperkte duur bewaard te worden. Dit houdt
verband met de toenemende vraag naar afstammingsgegevens. Bovendien kan het geadopteerde
kind de adoptie na zijn meerderjarigheid laten herroepen.
Zodra een geadopteerd kind meerderjarig is geworden, dient het dossier gesloten te worden
bewaard en kan slechts met toestemming van de vestigingsmanager van de betreffende vestiging
worden geopend.
- De dossiers betreffende gezinsonderzoeken met het oog op een op te nemen adoptiekind worden
na een termijn van vijf jaar vernietigd, indien in deze periode geen kind ter adoptie in het gezin
wordt geplaatst.
- Een strafdossier wordt in ieder geval vernietigd nadat de betreffende jeugdige de leeftijd van 21
jaar heeft bereikt.
Een klein aantal dossiers wordt van vernietiging uitgesloten met het oog op wetenschappelijk
onderzoek. Deze dossiers worden niet bij de Raad, maar op een centrale plaats bewaard. Deze zijn
niet op persoonsnaam toegankelijk.
Voorlopig dossier
Een voorlopig dossier wordt vernietigd vijf jaar nadat voor het laatst relevante informatie is bijgevoegd,
of zoveel eerder als van het gezin het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad
meerderjarig is geworden.
Klachtdossier
Een klachtdossier wordt vernietigd vijf jaar nadat de laatste klacht bij de klachtencommissie of
Nationale ombudsman is afgehandeld of zoveel eerder als van het gezin het jongste kind met wie de
Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.
5. Openbaarheid van persoonsgegevens in dossiers
5.1 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)
Het uitoefenen van de taken door de Raad gaat gepaard met opslaan van persoonsgegevens en met
uitwisseling van persoonsgegevens van en naar verschillende personen en instellingen. Het verwerken van
deze gegevens kan een onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen met zich
meebrengen.
De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geeft algemene normen die gericht zijn op een zorgvuldige
omgang met persoonsgegevens. Onder persoonsgegevens wordt verstaan: elk gegeven betreffende een
geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Onder verwerking van deze gegevens wordt
verstaan: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet
uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procédés (artikel 1, onder a en b, Wbp).
De verwerking van persoonsgegevens dient op behoorlijke en zorgvuldige wijze en in overeenstemming met
de wet plaats te vinden. Persoonsgegevens worden verzameld voor een bepaald doel of bepaalde
doeleinden. Dit doel moet welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd zijn. Voor de Raad voor
de Kinderbescherming betekent dit dat gegevens verwerkt worden in verband met een goede uitoefening
van de wettelijke taken.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft de verwerking van gegevens gemeld bij het College Bescherming
Persoonsgegevens. Hoe omgegaan wordt met de persoonsgegevens staat in het privacyreglement van de
Raad voor de Kinderbescherming. (zie bijlage 5)
Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wbp, welke gegevens gevoelige informatie
over betrokkene bevat, zoals gegevens over iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, seksueel leven,
gezondheid, strafrechtelijke gegevens, is in principe niet toegestaan; de Wbp kent een aantal algemene en
specifieke uitzonderingen op dit verbod. Dit betekent in het algemeen gesproken dat deze gegevens met
terughoudendheid mogen worden verwerkt indien dit voor een goede uitoefening van de wettelijke taken
noodzakelijk is. In de meeste zaken die de Raad dient te onderzoeken is een wettelijke grond voor het
gebruik van deze bijzondere persoonsgegevens; waar geen wettelijke uitzonderingsgrond vermeld is en voor
een goede uitoefening van de wettelijke taken van de raad het gebruik van deze bijzondere gegevens
noodzakelijk is, is ontheffing aan het College Bescherming Persoonsgegevens gevraagd.(Zie paragraaf 5.1.4.).
5.1.1. Informatieverstrekking aan de betrokkene
Een persoon wiens gegevens worden verwerkt, moet kunnen nagaan wat er met die gegevens gebeurt.
Indien persoonsgegevens worden verkregen bij de betrokkene zelf dan moet de Raad de betrokkene
vóór de verkrijging informeren voor welke doel de persoonsgegevens worden verzameld en verwerkt.
Indien de Raad de gegevens buiten de betrokkene om verkrijgt, moet hij de betrokkene over het doel
van de verzameling en verwerking van deze persoonsgegevens informeren op het moment dat de raad
de gegevens vastlegt. Als de Raad de persoonsgegevens uitsluitend verzamelt om deze aan een derde
te verstrekken, moet de Raad de betrokkene uiterlijk op het moment van eerste verstrekking aan die
derde informeren.
In de volgende gevallen is de Raad niet verplicht de betrokkene te informeren:
- de Raad hoeft de betrokkene niet te informeren als deze al op de hoogte is van de informatie;
- indien dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare
feiten;
- indien dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten
en vrijheden van anderen.
Indien de Raad de gegevens niet van de betrokkene zelf heeft verkregen, kan het verstrekken van
informatie aan de betrokkene voorts achterwege blijven:
- indien het verstrekken van informatie onmogelijk blijkt of alleen met een onevenredige inspanning
kan plaatsvinden;
- indien de vastlegging of verstrekking bij of krachtens de wet is voorgeschreven.
5.1.2. Verstrekken van inzage aan de betrokkene
De betrokkene heeft (op grond van artikel 35 van de Wbp) het recht de Raad te vragen of, en zo ja
welke persoonsgegevens de Raad ten aanzien van hem verwerkt. De Raad dient op een verzoek om
informatie zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na de dag dat het verzoek is
ontvangen te beslissen (zie onder 5.1.6).
Het antwoord op het verzoek om inzage moet in begrijpelijke vorm bevatten:
- een volledig overzicht van de door de Raad verwerkte persoonsgegevens van de betrokkene;
- een omschrijving van:
- het doel of de doeleinden van de gegevensverwerking;
- de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft;
- de ontvangers of categorieën van ontvangers
- alle beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.
Voordat de Raad reageert op een verzoek om inzage, waartegen een derde naar verwachting
bedenkingen zal hebben, stelt de Raad die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te
brengen indien de informatie gegevens bevat die hem betreffen.
De Raad moet zich ervan vergewissen dat degene die om informatie op grond van de Wbp vraagt, ook
degene is over wie informatie wordt gevraagd. Indien de betrokkene minderjarig is en de leeftijd van
16 jaar nog niet heeft bereikt, moet het verzoek om inzage door de wettelijk vertegenwoordiger worden
gedaan. Het antwoord van de Raad op dit verzoek moet vervolgens ook gericht zijn aan de wettelijk
vertegenwoordiger.
Uitgangspunt is dat betrokkene recht heeft op informatieverstrekking (inzage én afgifte) over de in
dossiers van de Raad aanwezige informatie. Voorts dient betrokkene op zijn verzoek geïnformeerd te
worden over de wijze waarop zijn persoonsgegevens in de computer zijn opgeslagen.
Een verzoek om informatieverstrekking kan echter in een aantal gevallen worden geweigerd. Voor de
Raad zijn met name de volgende gronden van belang:
- indien dit noodzakelijk is ter voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten (hieronder
valt onder meer het uittreksel justitieel documentatieregister);
- indien dit noodzakelijk is ter bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van
anderen. Denk hierbij aan een geheim adres van de andere ouder.
Een verzoek om informatie uit documenten,welke zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt
ingewilligd met uitzondering van daarin opgenomen hoogst persoonlijke meningen.
Of een of meer van de weigeringsgronden van toepassing zijn, moet per individueel geval worden
beoordeeld. Hierbij dient de Raad speciale aandacht te schenken aan:
- de belangen van de minderjarige(n);
- bezwaren die door andere betrokkene/derden, over wie eveneens gegevens zijn opgenomen, naar voren
zijn gebracht bij de Raad.
Indien de Raad voornemens is tot afwijzing van een verzoek in het kader van de Wbp om gehele of
gedeeltelijke inzage in en afgifte van informatie uit het dossier, doet hij daarvan schriftelijk en gemotiveerd
mededeling aan verzoeker. Indien de Raad voornemens is over te gaan tot inzage of afgifte ondanks bezwaar
van een andere betrokkene/derde over wie eveneens gegevens zijn vermeld, wordt laatstgenoemde daarover
zo spoedig mogelijk geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld binnen twee weken een voorlopige
voorziening te vragen, alvorens to inzage/afgifte wordt overgegaan (zie paragraaf 5.1.6).
5.1.3. Verstrekken van inzage aan een derde
Een persoon over wie geen gegevens zijn vermeld in de bij de Raad berustende stukken (een derde)
heeft op grond van de Wbp geen recht op informatie over persoonsgegevens van een ander. Aan een
derde kunnen persoonsgegevens door de Raad alleen worden verstrekt, indien hiervoor een
rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Voor de Raad kunnen met name de volgende gronden van belang
zijn:
- de betrokkene heeft voor de verstrekking van informatie zijn ondubbelzinnige toestemming
verleend;
- het verstrekken van informatie vloeit voort uit een wettelijke plicht;
- het verstrekken van informatie is noodzakelijk voor de goede taakuitoefening van de Raad;
- het verstrekken van de informatie is noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigd
belang van de raad of van de derde, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van
de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
prevaleert.
5.1.4. Verstrekken van informatie aan bijzondere categorieën derden
Gelet op het doel en de uitvoering van de taken van de Raad en de door de Raad uit te brengen rapportages
zijn er - naast betrokkenen en de in paragraaf 5.1.3. genoemde derden - enkele categorieën verzoekers te
onderscheiden die functioneel aanspraak kunnen maken op de rapportage van de Raad. Deze categorieën
zijn:
- de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie in verband met adviezen, rekesten en
voorlichting inzake strafzaken en verslagen omtrent uitvoering taakstraffen;
- het Ministerie van Justitie, indien daartoe vanuit een concrete taak reden is;
- jeugdbeschermingsinstellingen voor zover deze werken in het kader van een
kinderbeschermingsmaatregel (waaronder ook justitiële jeugdinrichtingen);
- jeugdbeschermingsinstellingen voor zover deze werken in het kader van het jeugdstrafrecht
(waaronder ook justitiële jeugdinrichtingen) en andere netwerkpartners in het jeugdstrafrecht voor
zover deze in het verlengde van de doelstelling van de Raad werken (zoals politie,
volwassenreclassering, en CAD’s).
- externe deskundigen voorzover informatieverstrekking aan hen nodig is als toelichting op een
vraagstelling van de Raad om een onderzoek door een dergelijke deskundige;
- een door een betrokkene (die zelf geen inzage krijgt in testgegevens) aan te wijzen deskundige /
beroepsbeoefenaar. Laatstgenoemde kan inzage krijgen in de testgegevens van het onderzoek van
de gedragsdeskundige. De Raad ziet erop toe dat dit materiaal vertrouwelijk wordt behandeld
hetgeen impliceert dat het materiaal door de aangewezen deskundige niet wordt gekopieerd maar
wordt teruggezonden. De aangewezen beroepsbeoefenaar dient dezelfde discipline te hebben als
de gedragsdeskundige en dient bovendien ingeschreven te staan in een register genoemd in de
Wet BIG c.q. in het betreffende beroepsregister.
- De Bureaus Jeugdzorg en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling.
Naast de hierboven genoemde categorieën zijn er nog drie categorieën die gezien hun specifieke aard
vermelding behoeven:
- de advocatuur. Voor zover een procureur / advocaat als zodanig voor een betrokkene optreedt,
vindt toezending van actuele en ter zake doende rapportage aan deze plaats;
- beklaginstanties die bevoegd zijn een oordeel te geven over de handelwijze van de Raad, nadat een
of meer betrokkenen daartoe een klacht hebben ingediend. Ter toelichting kan toezending van
rapporten en andere op de klacht betrekking hebbende stukken plaatsvinden;
- medewerkers aan wetenschappelijk onderzoek. Informatieverstrekking aan hen kan plaatsvinden
indien het wetenschappelijk onderzoek is goedgekeurd door het Ministerie van Justitie en strikte
anonimiteit van de betrokkenen is gegarandeerd.
Het verstrekken van persoonsgegevens aan bovengenoemde categorieën is een derdeverstrekking in de
zin van de Wbp. Voor het verstrekken van persoonsgegevens aan deze derden dient een
rechtvaardigingsgrond aanwezig te zijn. Indien een betrokkene uitdrukkelijk zijn toestemming heeft
verleend, kan aan de derde informatie worden verstrekt. Daarnaast kan door de Raad – ook zonder
toestemming van de betrokkene – informatie aan een derde worden verstrekt indien dit voortvloeit
uit een wettelijke plicht of indien de informatieverstrekking ten behoeve van een goede
taakuitoefening noodzakelijk is (artikel 8 Wbp; zie tevens paragraaf 5.1).
Aan bovengenoemde categorieën derden kunnen tevens zgn. bijzondere gegevens worden verstrekt.
Uitgangspunt van de Wbp is dat deze gegevens niet mogen worden verstrekt, tenzij dit verbod op
grond van een (in de artikelen 17 tot en met 23 van de Wbp genoemde) specifieke of algemene
uitzondering kan worden opgeheven, dan wel het College bescherming persoonsgegevens ontheffing
heeft gegeven.
De betrokkenen moeten van de toezending van de informatie aan de derden op de hoogte zijn. De
vermelde bijzondere categorieën worden geacht zodanig zorgvuldig met de toegezonden rapportage
om te gaan dat de bescherming van de privacy van de betrokkenen is gewaarborgd.
5.1.5 Wijze van informatieverstrekking
Bij verstrekken informatie dient de Raad rekening te houden met de voorkeur van de verzoeker en met
het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden. In het dossier dient te worden vermeld
dat, wanneer en aan wie, welke informatie is verstrekt.
Ingevolge artikel 39 Wbp kan de Raad van een verzoeker een vergoeding in de kosten voor de
verstrekking van een afschrift verlangen conform het besluit kostenvergoeding rechten betrokkene
Wbp van 13 juni 2001 (Stb. 2001, 305) en, indien van toepassing, met in achtneming van wijzigingen
van dit besluit.
5.1.6. Beslissing/verzet/bezwaar
Beslissing
Op een verzoek om informatie in het kader van de Wbp dient de Raad zo spoedig mogelijk te
beslissen, doch uiterlijk binnen vier weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. Indien de Raad
bezwaar heeft tegen gehele of gedeeltelijke inzage in en afgifte van informatie uit het dossier, doet hij
daarvan schriftelijk en gemotiveerd mededeling aan verzoeker.
Recht van verzet
De betrokkene kan in een aantal gevallen bezwaar maken tegen een gegevensverwerking. De Wbp
noemt dit het recht van verzet. De betrokkene heeft het recht van verzet als het verwerken van zijn
persoonsgegevens plaatsvindt op de grondslag dat de verwerking:
- noodzakelijk is voor de goede vervulling van de taak van de Raad;
- noodzakelijk is voor een gerechtvaardigd belang van de Raad of een derde.
De betrokkene kan tegen een verwerking op basis van deze grondslagen verzet aantekenen in verband
met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden. De Raad moet binnen vier weken na ontvangst van
het verzet beoordelen of het verzet terecht is gedaan. Is dat het geval, dan moet de verwerking
onmiddellijk worden beëindigd.
Bezwaar
Tegen (gedeeltelijke) weigering tot informatieverstrekking in het kader van het verzoek om inzage kan
de betrokkene bezwaar maken bij de Raad. Ook degene die zich verzette tegen de
informatieverstrekking , terwijl de Raad toch besloot tot informatieverstrekking over te gaan, kan tegen
dit besluit bezwaar maken. In dit geval dient de Raad de belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid
een voorlopige voorziening te vragen aan de rechter, aangezien uitvoering van deze beslissing
onomkeerbaar is (zie verder hoofdstuk 7.2).
Tegen een weigering om informatieverstrekking aan een derde door de Raad op basis van de Wbp
staat geen bezwaar en beroep open. Op grond van de Wbp kan de Raad uitsluitend beoordelen of hij
tot informatieverstrekking aan een derde in het concrete geval bevoegd is. Dit wil niet zeggen dat in
een dergelijke geval de Raad verplicht is de informatie te verstrekken. De Wbp biedt de derde geen
recht op informatie.
5.1.7. Correctierecht
Betrokkene kan op grond van art. 36 Wbp verzoeken zijn gegevens te corrigeren. Binnen 4 weken dient
de raad aan betrokkene aan te geven of en in hoeverre aan het correctieverzoek wordt voldaan. Een
weigering dient gemotiveerd te worden.
5.1.8 Verantwoordelijkheid
De teamleider maakt als eindverantwoordelijke voor de casuïstiek samen met de raadsonderzoeker of
een andere betrokken medewerker een afweging van de aangevoerde argumenten en neemt een
beslissing over het al dan niet verstrekken van informatie. Ten aanzien van testmateriaal wordt de
beslissing genomen door de teamleider in overleg met de gedragsdeskundige. Deze beslissing wordt
vooraf getoetst door een gedragsdeskundige van een andere vestiging.
5.2. Wet openbaarheid van Bestuur (Wob)
Een derde kan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een verzoek om informatie bij
de Raad indienen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie
neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een
onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Op grond
van het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van de
in de artikelen 10 en 11 van de Wob genoemde weigeringsgronden.
Voor het beleid van de Raad zijn met name de volgende weigeringsgronden van belang:
- in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad,
wordt dit ingewilligd met uitzondering van daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen;
- het verstrekken van informatie blijft achterwege indien en voor zover het belang daarvan niet
opweegt tegen de volgende belangen:
- de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
- het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid
betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen.
Bij de belangenafweging van een dergelijk verzoek aan de Raad is extra aandacht nodig voor de
bescherming van de belangen en met name de privacy van degenen over wie gegevens bekend zijn bij
de Raad. Tevens moeten betrokkenen altijd ingelicht worden over het ingediende verzoek door een
derde, opdat zij hun eventuele bezwaren kenbaar kunnen maken. Aan deze bezwaren zal veel gewicht
worden toegekend, al geldt niet dat dergelijke bezwaren bij voorbaat doorslaggevend zijn.
Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het publiek belang van een goede en
democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Het komt iedere burger in gelijke
mate toe. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar
gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker.
Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene of publieke belang bij
openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen
belangen, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. Deze belangenafweging bij een Wobverzoek
kan slechts leiden tot algemene openbaarmaking, dat wil zeggen niet tot enkel
bekendmaking aan een bepaalde verzoeker met een specifiek belang.
5.2.1.Beslissing/bezwaar
Beslissing
Op een verzoek om informatie dient de Raad zo spoedig mogelijk te beslissen doch uiterlijk binnen
twee weken,na de dag, waarop het verzoek is ontvangen.deze beslissing kan voor ten hoogste twee
weken worden uitgesteld. Van dit uitstel wordt vóór de afloop van de eerste twee weken schriftelijk en
gemotiveerd mededeling gedaan aan verzoeker. Indien sprake is van een derde-belanghebbende wordt
deze zo mogelijk in deze procedure betrokken.
Indien de Raad bezwaar heeft tegen gehele of gedeeltelijke inzage en afgifte van informatie uit het
dossier,doet hij daarvan schriftelijk en gemotiveerd mededeling aan verzoeker.
Bezwaar
Tegen een (gedeeltelijke) weigering tot informatieverstrekking kan verzoeker bezwaar maken bij de
Raad. Een derdebelanghebbende die het niet eens met de beslissing om (gedeeltelijke) informatie te
verstrekken aan verzoeker, kan bezwaar maken bij de Raad. In dit geval dient de Raad de
belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid een voorlopige voorziening te vragen aan de rechter,
aangezien uitvoering van deze beslissing onomkeerbaar is (zie ook 7.2).
5.2.2. Verantwoordelijkheid
Gelet op het specifieke karakter van een Wob verzoek (algemene openbaarmaking) dient het verzoek
zo spoedig mogelijk ter verdere afdoening doorgeleid te worden naar de algemeen directeur van de
Raad.
5.2.3. Wijze van informatieverstrekking
De informatie kan op verschillende wijze door de Raad aan verzoeker worden verstrekt, n.l. door van
de documenten die de verlangde informatie bevatten:
- kopie te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken;
- kennisneming van de inhoud toe te staan;
- een samenvatting van de inhoud te geven, of
- inlichtingen daaruit te verschaffen.
Bij het kiezen tussen deze vormen van informatie dient de Raad rekening te houden met de voorkeur
van de verzoeker en met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden. In het dossier
dient te worden vermeld dat, wanneer en aan wie, welke informatie is verstrekt.
Ingevolge artikel 12 Wob kan de Raad van een verzoeker een vergoeding in de kosten voor de
verstrekking van een afschrift verlangen conform het besluit Tarieven Openbaarheid van Bestuur van 5
februari 1993 (Stbl.1993, 112), en indien van toepassing, met inachtneming van wijzigingen van dit
besluit.
6. Zittingsvertegenwoordiging
De vestiging die het onderzoek heeft verricht, vertegenwoordigt in beginsel zelf de Raad voor deze
zaak bij de betreffende rechterlijke instantie. Binnen de Raad kunnen de vestigingen op grond van
zittingsplanning of om geografische redenen tot andere afspraken komen. In geval van vervanging
vindt vooraf overleg plaats.
Onder verantwoordelijkheid van de teamleider wordt een medewerker aangewezen om de Raad ter
zitting te vertegenwoordigen. Uitgangspunt is dat niet de raadsonderzoeker die zelf het onderzoek
heeft gedaan als zittingsvertegenwoordiger in die zaak optreedt. In Awb-zaken, de casuïstiek
betreffende, wordt de Raad vertegenwoordigd door de ressortsdirecteur dan wel een door de
ressortsdirecteur aangewezen persoon. Alleen ingeval van voorgeleiding in strafzaken kan de
vertegenwoordiging plaatsvinden door een raadsonderzoeker, die het betreffende onderzoek heeft
gedaan.
De zittingsvertegenwoordiger dient te beschikken over adequate juridische kennis.
De zittingsvertegenwoordiger dient het besluit dat geleid heeft tot een advies of een verzoekschrift
waar nodig nader toe te lichten en te ondersteunen. Indien ter zitting nieuwe gezichtspunten naar
voren komen, is de zittingsvertegenwoordiger gemachtigd het eerder ingenomen standpunt aan te
passen. Zonodig zal aanhouding gevraagd moeten worden voor aanvullend onderzoek en /of nadere
standpuntbepaling en besluitvorming.
Civiel /Bestuursrecht
De Raad is in ieder geval vertegenwoordigd bij zittingen waar:
- de Raad verzoekende of verwerende partij is m.b.t. een kinderbeschermingsmaatregel;
- een beroep ingevolge de Awb wordt behandeld.
De Raad is in principe vertegenwoordigd bij zittingen waar:
- een zaak behandeld wordt waarin de Raad gerapporteerd en /of geadviseerd heeft;
- de rechter dit nadrukkelijk gevraagd heeft (bijv. de voorzieningenrechter in Kort Geding of op
grond van afspraken gemaakt tussen de rechter en de betreffende vestiging).
Straf
De Raad is in strafzaken in principe vertegenwoordigd bij voorgeleidingen. In overleg kan dit
overgenomen worden door de jeugdreclassering.
De Raad is in principe vertegenwoordigd in de Raadkamer en op strafzittingen indien:
- nadere toelichting door de Raad gewenst is;
- de rechter daarom verzoekt.
7. Klachten- en bezwarenprocedure
7.1 Klachtenprocedure
Voor de klachtenprocedure van de Raad voor de Kinderbescherming moge verwezen worden naar
bijlage 1.
Nationale ombudsman
Naast de klachtenprocedure van de raad voor de Kinderbescherming heeft iedereen het recht de
Nationale ombudsman schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop (een
medewerker van) de Raad zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen.
Voordat de verzoeker zijn verzoek aan de Nationale ombudsman doet, moet hij eerst een klacht
indienen bij de Raad zelf (het zgn. kenbaarheidsvereiste), tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan
worden gevergd. Of dit laatste het geval is, is ter beoordeling van de Nationale ombudsman.
De Nationale ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien een
klacht over dezelfde gedraging bij de onafhankelijke klachtencommissie van de Raad (zie paragraaf 6.1.
onder f) in behandeling is of daardoor is afgedaan. Hij is evenmin verplicht een onderzoek in te stellen
of voort te zetten indien de verzoeker een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft
plaatsgevonden.
De klacht dient binnen één jaar na de gedraging of het eindigen van de klachtenprocedure bij de Raad
c.q. bij de onafhankelijke klachtencommissie aan de Nationale ombudsman te worden voorgelegd.
Indien een klacht door de Nationale ombudsman gegrond wordt verklaard, deelt de algemeen
directeur binnen vier weken na ontvangst van de beslissing van de Nationale ombudsman aan de
klager schriftelijk mee of en zo ja welke gevolgen binnen de organisatie daaraan verbonden worden.
Gedragsdeskundigen
De gedragsdeskundigen vallen als raadsmedewerkers onder de klachtenregeling van de Raad.
Daarnaast vallen zij met betrekking tot klachten over hun professioneel handelen onder het voor de
desbetreffende beroepsgroep ingestelde klachtorgaan en onder het tuchtrecht voorzover hij/zij als
beroepsbeoefenaar staan ingeschreven in een register ingevolge de Wet BIG.
Voor klachten over externe gedragsdeskundigen wordt verwezen naar de richtlijnen voor het (laten)
verrichten van extern onderzoek (zie bijlage 2).
7.2. Bezwarenprocedure (Algemene wet bestuursrecht)
De Raad voor de Kinderbescherming is een publiekrechtelijk bestuursorgaan. Besluiten van de Raad
vallen onder de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover ze aan de in deze wet gestelde
voorwaarden voldoen:
a. Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit van de Raad is betrokken (belanghebbende)
kan hiertegen schriftelijk bezwaar maken.
b. 1. Het bezwaar moet gericht zijn tegen een schriftelijke beslissing van de Raad, inhoudende
een publiekrechtelijke rechtshandeling (besluit). Dat wil zeggen dat met de beslissing van de
Raad een rechtsgevolg moet zijn beoogd. Een rapport of een advies aan de rechter of aan de
Minister van Justitie is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht omdat dat
niet op een zelfstandig of direct rechtsgevolg is gericht. Evenmin is een besluit van de Raad
om een zaak niet in onderzoek te nemen of om na onderzoek geen verzoekschrift voor een
kinderbeschermings-maatregel in te dienen een besluit in de zin van de Algemene Wet
Bestuursrecht.
Voorbeelden van een besluit waartegen door de belanghebbenden een bezwaarschrift bij de
Raad kan worden ingediend zijn:
- het niet afgeven van een Verklaring van geen bezwaar door de Raad (zie hoofdstuk
9.4.1);
- een beslissing op een verzoek om afgifte van stukken in het kader van de Wob (zie
Hoofdstuk 5);
- een besluit in het kader van de Wbp (zie Hoofdstuk 5).
2. Ook tegen een schriftelijke weigering van de Raad om een besluit in de zin van de Algemene
Wet Bestuursrecht te nemen en tegen het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit (zgn.
fictieve weigering) kan door de belanghebbende een bezwaarschrift worden ingediend.
3. Het maken van bezwaar heeft geen schorsende werking ten aanzien van het besluit
waartegen het is gericht. Wel kan aan de rechter een voorlopige voorziening worden gevraagd
met schorsende werking, om te voorkomen dat een besluit ten uitvoer wordt gelegd, terwijl dat
onomkeerbaar is (bijv. de afgifte van een rapport in het kader van de Wbp of de Wob).
c. Het bezwaarschrift moet ingediend worden bij de Raad en wel bij de vestiging of de directie
die het besluit genomen heeft of had moeten nemen.
d. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na de bekendmaking (door toezending of
uitreiking) van het besluit worden ingediend.
e. De Raad bevestigt aan de indiener en /of zijn gemachtigde schriftelijk de ontvangst van het
bezwaarschrift.
1. Voordat de Raad op het bezwaar beslist, moet de belanghebbende in de gelegenheid
worden gesteld te worden gehoord. Van dit horen kan worden afgezien, indien duidelijk is
dat het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de belanghebbende
van het horen afziet of er aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen;
2. Het horen geschiedt door een of meerder medewerker(s) die niet bij de voorbereiding van
het bestreden besluit betrokken zijn geweest;
3. De belanghebbende kan zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon of raadsman.
Ook kan hij/zij zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
f. 1. Het besluit wordt in beginsel binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift
genomen door een hogere leidinggevende. Voor de Raad betekent dit dat een bezwaar op een
besluit van een vestiging (teamleider of vestigingsmanager) behandeld wordt door de
ressortsdirecteur en een bezwaar op een besluit van een ressortsdirecteur door de algemeen
directeur;
2. In de beslissing op het bezwaarschrift moet worden aangegeven dat binnen zes weken bij de
rechtbank tegen de beslissing van de Raad beroep kan worden aangetekend;
3. In zich voordoende situaties (zie dit hoofdstuk b. onder 3.) dient betrokkene ook
geïnformeerd te worden over de mogelijkheid een voorlopige voorziening te vragen.
Hoofdstuk 8. Beleidsaanwijzingen beschermingszaken
8.1.a. Positie van de Raad binnen de Jeugdzorg
8.1.b. Intake
8.1.c. Onderzoek
8.1.1 Opvoedingsproblemen
8.1.1.1 Inleiding
8.1.1.2 Maatregelen van kinderbescherming
a. kinderbeschermingmaatregelen
b. beleidsuitgangspunten voor keuze maatregel
8.1.1.3 Onderzoek opvoedingsproblematiek
8.1.1.4 Toetsende taak tav besluitvorming GVI tijdens ots
8.1.1.4.1 Inleiding
8.1.1.4.2 Doel toetsing
8.1.1.4.3 Procedure
8.1.1.5 Adviestaak n.a.v. verzoek tot ondertoezichtstelling en tijdens ots
8.1.1.6 Verderstrekkende maatregel na ondertoezichtstelling
8.1.1.7 Herstel in het ouderlijk gezag
8. Beleidsaanwijzingen beschermingszaken
8.1.a. De positie van de Raad binnen de Jeugdzorg
De Raad is gelegitimeerd om onderzoek te doen naar een verzorgings- of opvoedingssituatie wanneer
er sprake is van een (vermoedelijke) schending van het fundamentele recht van een minderjarige op
een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid. De Raad kan dat ook doen
als betrokkenen daarom niet zelf hebben gevraagd of dat zelf niet wensen.
De Raad doet dit als tweede lijnsorganisatie op verzoek van een Bureau Jeugdzorg of van een Adviesen
Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en bij uitzondering – met name ingeval van acute en
ernstige crisissituaties (zie 8.1.b.) – op verzoek van een belanghebbende of naar aanleiding van een
melding van derden.
Tijdens zijn onderzoek tracht de Raad te komen tot een voor het kind adequate oplossing, waarbij de
ouders hun verantwoordelijkheid al dan niet met ondersteuning van vrijwillige hulpverlening kunnen
nemen. Wanneer een vermoeden niet door feiten of omstandigheden kan worden bevestigd, dient van
verder onderzoek te worden afgezien.
Indien tijdens een onderzoek, niet zijnde een beschermingsonderzoek, een zodanige
opvoedingsproblematiek vermoed wordt, dat een kinderbeschermingsmaatregel overwogen moet
worden, kan de Raad ambtshalve het aangevangen onderzoek uitbreiden tot een
beschermingsonderzoek.
In het geheel van de jeugdzorg neemt de Raad een bijzondere positie in. De Raad onderzoekt, op basis
van zijn wettelijke opdracht, voor kinderen bedreigende verzorgings- en opvoedingssituaties teneinde
tot passende oplossingen daarvoor te komen, maar maakt geen deel uit van het Bureau Jeugdzorg
(BJZ), dat de toegang vormt voor geïndiceerde jeugdzorg.
Omdat de ontwikkelingen in de jeugdzorg nog in volle gang zijn en er nog verschillen zijn in de mate
waarin die ontwikkelingen in de praktijk van alle dag bij AMK, BJZ en Raad worden of zijn vertaald,
kunnen zich nog enige tijd afwijkende werkwijzen in de uitvoeringspraktijk voordoen. Dat geldt met
name voor de overdracht van de intake in beschermingszaken (opvoedingsproblemen) van de Raad
aan AMK en BJZ. De Raad streeft ernaar met ingang van het moment van inwerkingtreding van de Wet
op de Jeugdzorg de intake volledig te hebben overgedragen aan BJZ en AMK, uitgezonderd acute en
levensbedreigende situaties, zoals vermeld onder 8.1 b.
Uitgangspunten voor het handelen van de Raad in beschermingzaken:
Het belang van de minderjarige vormt steeds de eerste overweging.
1. Het handelen van de Raad moet primair gericht zijn op het vinden van oplossingen voor gerezen
opvoedingsproblemen.
2. Waar mogelijk en voor zover het belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet, wordt
gezocht naar oplossingen die de ouders (weer) in staat stellen hun primaire verantwoordelijkheid
voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige zelfstandig te dragen.
3. Voorzieningen voor jeugdzorg worden daarbij, ook tijdens het onderzoek, optimaal benut.
4. Wanneer de noodzakelijke hulpverlening niet op vrijwillige basis tot stand kan worden gebracht,
zal de Raad een kinderbeschermingsmaatregel vragen.
8.1.b Intake
Uitgangspunt is dat de intake in beschermingszaken betreffende opvoedingsproblemen wordt gedaan
door Bureaus Jeugdzorg (BJZ) c.q. door de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK). Dit
betekent dat de meldingen bij deze instellingen gedaan moeten worden. De Raad zal slechts in acute,
levensbedreigende situaties rechtstreeks een melding in ontvangst nemen en de intake zelf doen.
Indien BJZ of AMK de Raad om een onderzoek vraagt, zal de Raad dat verzoek op basis van
geprotocolleerde afspraken toetsen. De Raad beoordeelt of de beschikbare informatie voldoende is om
een onderzoek in te stellen, dan wel dat eerst nadere informatie nodig is.
In een aantal situaties zal de melding van een zaak rechtstreeks bij de Raad gebeuren en zal de Raad
zelf de intake verrichten. Het gaat daarbij om de volgende situaties:
1. Beoordelen en toetsen van rechtstreekse meldingen van acute en levensbedreigende situaties voor
een kind.
Het betreft hier meldingen van opvoedingsproblemen waarbij sprake is van een acute en
levensbedreiging van het kind én waarbij aan het kind onmiddellijk hulp (of zorg) moet worden
geboden én waarbij de ouders (of wettelijke vertegenwoordigers) de hulp (of zorg) niet geven.
De Raad beoordeelt op basis van de beschikbare informatie of het instellen van een onderzoek een
adequate reactie is.
2. Toetsende taak ten aanzien van besluitvorming van een gezinsvoogdij-instelling (GVI) tijdens de
ondertoezichtstelling (OTS). (Zie paragraaf 8.1.1.4)
3. Toetsen / beoordelen van ‘ambtshalve meldingen’.
Ambtshalve meldingen van opvoedingsproblemen zijn meldingen die voortkomen uit een
raadsonderzoek in een andere categorie. (zie hoofdstuk 3.1)
4. Restintake in de categorie beschermingszaken. Er is een aantal beschermingszaken dat
rechtstreeks naar de Raad gestuurd wordt, omdat BJZ of AMK daarin geen functie heeft. Het gaat
dan bijvoorbeeld om een verzoek van de kantonrechter om een onderzoek of een verzoek van een
gezinsvoogdij-instelling om een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel (zie paragraaf
8.1.1.6.). De Raad beoordeelt of de beschikbare informatie voldoende (helder) is om een gewenste
of noodzakelijke reactie van de Raad te kunnen vaststellen en of op basis van de beschikbare
informatie het instellen van een raadsonderzoek een adequate reactie is.
5. (Overige) consult en informatiefunctie.
De Raad kan altijd gebeld worden met vragen. Indien het vragen betreft ten aanzien van hulp bij
opvoedingsproblematiek zal de Raad verwijzen naar BJZ. Indien sprake is van een vermoeden van
kindermishandeling, zal de Raad verwijzen naar het AMK.
Een aanzienlijk deel van de consult- en informatievragen betreft vragen op het gebied van
Scheiding & Omgang. In de komende tijd zal duidelijk worden of deze informatievragen te zijner
tijd eveneens door BJZ of een andere instelling beantwoord moeten/kunnen gaan worden.
Vooralsnog worden cliënten hierover te woord gestaan door de Raad.
Kwaliteitseisen ten aanzien van de intakewerkzaamheden:
Uitvoering geschiedt door een raadsonderzoeker met specifieke kennis en vaardigheden (o.a.juridische kennis, kennis van de sociale kaart, inzicht in de samenwerkingsrelaties en netwerken in
de regio, vaardigheden met betrekking tot de consultfunctie);
Besluitvorming vindt plaats door tenminste twee medewerkers, onder wie de teamleider, die deeindverantwoordelijkheid draagt;
Zo nodig wordt de gedragsdeskundige of de juridische deskundige betrokken in dezebesluitvorming;
Een voorlopige/ eerste reactie wordt, in ieder geval aan de melder, gegeven binnen 48 uur; Het inwinnen van informatie vindt in de regel plaats met medeweten en toestemming van dedirect betrokkenen;
De intakewerkzaamheden worden in principe verricht binnen het desbetreffendeonderzoeksteam.
Ten aanzien van rechtstreekse meldingen van een acute en levensbedreigende situatie van eenkind wordt een intakebesluit door de teamleider en raadsonderzoeker van het desbetreffende
onderzoeksteam genomen.
De lokale werkwijze ten aanzien van de intakewerkzaamheden is duidelijk omschreven en isgecommuniceerd naar de medewerkers en de instellingen en instanties waarmee de Raad
samenwerkt.
Anonieme meldingen van crisissituaties
Meldingen van een crisissituatie van een minderjarige, waarbij de melder anoniem wenst te blijven,
worden in behandeling genomen indien het evident is dat er sprake is van een (mogelijk) ernstige
acute bedreiging van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige
ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid.
Dit geldt zowel wanneer de melder anoniem wenst te blijven ten opzichte van de Raad als wanneer de
melder anoniem wenst te blijven ten opzichte van degene over wie wordt gemeld.
In het laatste geval gaat de raadsonderzoeker na welke de relatie is van de melder ten opzichte van het
gemelde gezin:
a. Gaat het om een professionele melder zoals een professionele (jeugd)hulpverlener die anoniem
wenst te blijven ten opzichte van degene over wie wordt gemeld dan wijst de raadsonderzoeker
deze op diens verantwoordelijkheid om als bekende melder op te treden. Handhaaft de
professionele melder zijn wens tot anonimiteit dan wordt deze wens slechts geaccepteerd indien
er ernstige risico’s voor de professionele melder zouden ontstaan.
b. Gaat het om een beroepsbeoefenaar zoals een huisarts, leerkracht of wijkverpleegkundige die
anoniem wil blijven ten opzichte van degene over wie wordt gemeld dan wordt deze melding in
behandeling genomen nadat is bevorderd dat niet-anoniem wordt gemeld.
c. Betreft het een particuliere melder die anoniem wenst te blijven dan poogt de raadsonderzoeker
zoveel mogelijk relevante informatie te verkrijgen over de situatie waarin de minderjarige zich
bevindt. De informatie moet de raadsonderzoeker in staat stellen een afgewogen oordeel te geven
over de ernst van de situatie en een gefundeerde rechtvaardiging bieden om de anonieme melding
in behandeling te nemen.
8.1.c. Onderzoek
zie ook hoofdstuk 3
Nadere procedure in beschermingszaken
Het onderzoek vangt aan op basis van tevoren door de raadsonderzoeker geformuleerde
onderzoeksvragen waarbij het belang van de minderjarige centraal staat. Bij de vaststelling van de
onderzoeksvragen dient de gedragsdeskundige te worden betrokken. Deze onderzoeksvragen vormen
de basis en leidraad voor het opzetten van een onderzoeksplan en geven sturing aan het onderzoek.
In het onderzoek dient aan de orde te komen:
- de feiten en de omstandigheden die aanleiding zijn voor het onderzoek;
- de ontstaansgeschiedenis van de problemen;
- het gezinspatroon en de situatie van de (overige) in het gezin verblijvende minderjarigen;
- de persoon van de ouder(s) en/of verzorgers en van de betreffende minderjarige;
- de ontwikkelingsfase waarin deze minderjarige zich bevindt;
- de opvoedingsmogelijkheden van de ouder(s) en/of verzorgers;
- indien het zich voordoet, de mogelijkheden ten aanzien van hulpverlening, de eventuele
hulpverleningsgeschiedenis;
- de toekomstverwachtingen.
Wanneer hulpverlening op vrijwillige basis niet (meer) tot de mogelijkheden behoort maar wel
aangewezen is en de minderjarige hierdoor in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, wordt een
kinderbeschermingsmaatregel overwogen. Bij de besluitvorming hierover is de gedragsdeskundige en
zonodig de juridisch deskundige betrokken (zie hoofdstuk 3). De te vragen maatregel en de
consequenties ervan worden met betrokkenen besproken; tevens worden de ouders en/of verzorgers
er op gewezen dat zij kunnen opteren voor een (gezins-)voogd met een specifieke godsdienstige of
levensbeschouwelijke overtuiging dan wel een (gezins-)voogd die deskundig is in hulpverlening aan
gehandicapte kinderen.
8.1.1 Opvoedingsproblemen
8.1.1.1 Inleiding
De Raad is gelegitimeerd om naar een verzorgings- en opvoedingssituatie van een minderjarige een
onderzoek in te stellen, wanneer sprake is van een (vermoedelijke) schending van het fundamentele
recht van die minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar
zelfstandigheid en wanneer op grond daarvan een maatregel van kinderbescherming overwogen moet
worden.
De Raad doet dit naar aanleiding van een melding van een Bureau Jeugdzorg (BJZ) of een Advies- en
Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en bij uitzondering na een rechtstreekse melding van een acute
en levensbedreigende situatie van een minderjarige.
Indien tijdens een onderzoek, niet zijnde een beschermingsonderzoek, een zodanige
opvoedingsproblematiek vermoed wordt, dat een kinderbeschermingsmaatregel overwogen moet
worden, kan de Raad ambtshalve het aangevangen onderzoek uitbreiden tot een onderzoek naar
opvoedingsproblemen.
De Raad zal de rechter verzoeken een maatregel uit te spreken indien het vermoeden van een ernstige
bedreiging van het kind tijdens het onderzoek door feiten en /of omstandigheden bevestigd wordt en
andere middelen hebben gefaald of naar is te voorzien zullen falen.
8.1.1.2 Maatregelen van kinderbescherming
a. De kinderbeschermingsmaatregelen zijn:
- de (voorlopige) ondertoezichtstelling;
- de voorlopige voogdij;
- de ontheffing;
- de ontzetting.
Voor een beschrijving van de kinderbeschermingsmaatregelen zie bijlage 2.
Alle maatregelen kunnen worden verzocht door de Raad voor de Kinderbescherming, of door de
Officier van Justitie. In sommige gevallen kan een (pleeg)ouder dan wel een bloed- of aanverwant van
het kind tot en met de vierde graad de rechter verzoeken een maatregel uit te spreken.
b. Beleidsuitgangspunten voor keuze maatregel
Met inachtneming van de in de wet neergelegde gronden dient de keuze van de te verzoeken
(voorlopige) maatregel door de Raad te worden bepaald door:
- de ernst van de bedreiging van de minderjarige;
- de hulpverlening nodig ter afwending van de bedreiging van de minderjarige;
- de toekomstige mogelijkheden van de ouders met betrekking tot de verzorging en opvoeding van
de minderjarige;
- de verwachting ten aanzien van het effect van de maatregel en, waar aan de orde, van
continuering van eerder in het vrijwillige kader verleende hulp.
- de gezagssituatie van de minderjarige
Wanneer de Raad besluit de rechter een (voorlopige) maatregel, al dan niet met een machtiging tot
uithuisplaatsing, te vragen moet in het rapport, dat deel uitmaakt van het rekest, informatie staan en
de redenen waarom de maatregel wordt gevraagd, met benoeming en onderbouwing van de in de wet
genoemde gronden. In het rekest –waarvan het raadsrapport deel uitmaakt - dient te worden
aangegeven wie belanghebbenden zijn.(zie ook 3.2 onder F.)
Nadat een kinderbeschermingsmaatregel door de rechter is uitgesproken is de raadsonderzoeker
verantwoordelijk voor de overdracht aan de (gezins)voogdij-instelling (GVI).
8.1.1.3 onderzoek opvoedingsproblematiek
Op systematische en procesmatige wijze worden relevante gegevens verzameld naar aanleiding van
een melding, op basis van tevoren geformuleerde onderzoeksvragen. Tijdens het onderzoek worden de
(opvoedings-)problematiek en de omstandigheden van de minderjarige in beeld gebracht (zie ook
paragraaf 8.1.c). Het onderzoek mondt uit in een conclusie en besluit m.b.t. de vraag hoe de
(opvoedings-)problemen met betrekking tot de minderjarige aangepakt moeten worden teneinde een
bedreiging van de ontwikkeling te voorkomen en waarom zo nodig de rechter om een
kinderbeschermingsmaatregel wordt verzocht.
8.1.1.4. Toetsende taak t.a.v. besluitvorming GVI tijdens ondertoezichtstelling
8.1.1.4.1. Inleiding
Na het uitspreken van een ondertoezichtstelling door de kinderrechter is de gezinsvoogdij-instelling
(GVI) verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatregel. Dit geldt ook voor een door de
kinderrechter aan de GVI verleende machtiging tot uithuisplaatsing.
De GVI kan dan ook zelfstandig aanwijzingen geven en beslissingen nemen. Er zijn drie situaties
waarin de wet bepaalt dat de Raad de besluitvorming moet toetsen. Dit betreft besluiten die niet
vooraf aan het oordeel van de rechter onderworpen zijn, te weten:
De situatie dat de GVI:
1. geen verlenging vraagt van de door de kinderrechter bepaalde termijn (van max. 1 jaar) van de
ondertoezichtstelling;
2. geen verlenging vraagt van de door de kinderrechter bepaalde termijn (van max. 1 jaar) van
een machtiging tot uithuisplaatsing;
3. een uithuisplaatsing tussentijds wil beëindigen, dus vóór het aflopen van de door de
kinderrechter bepaalde termijn.
In alle genoemde situaties moet de GVI de Raad van het voornemen tot niet verlengen of tussentijds
beëindigen zo spoedig mogelijk mededeling doen, onder overlegging van een verslag van het verloop
van de ondertoezichtstelling en /of uithuisplaatsing. De Raad behandelt deze mededeling als melding
van een beschermingszaak. De Raad kan nadere informatie vragen, zelf een onderzoek instellen en
zonodig rekestreren.
8.1.1.4.2 Doel toetsing
De Raad beoordeelt of op grond van de informatie van de GVI of de voorgenomen beslissing van de
GVI in bovengenoemde situaties in het belang van de minderjarige is, dan wel dat meer informatie van
de GVI nodig is of een nader onderzoek door de Raad geïndiceerd is.
8.1.1.4.3 Procedure
zie ook hoofdstuk 3
De raadsonderzoeker beoordeelt de binnenkomende stukken als een melding van een
beschermingszaak. Deze stukken betreffen het hulpverleningsplan, inclusief het verslag over het
verloop van de ondertoezichtstelling en ingeval van uithuisplaatsing tevens het verslag over het
verloop van het verblijf in het pleeggezin c.q. de rapportage van de opnemende instantie.
De raadsonderzoeker raadpleegt daarbij tevens het bestaande dossier van de Raad en recente
informatie in KIS.
De zaak wordt op stukken afgedaan, tenzij:
1. het verslag van de GVI onvoldoende inzicht geeft in de situatie van de betreffende minderjarige
en ouders dan wel verzorgers om tot een verantwoord besluit te kunnen komen;
2. het verslag aanwijzingen bevat dat de GVI en de ouders/verzorgers/minderjarige van mening
verschillen;
3. het verslag aanwijzingen bevat dat er nog steeds reden is voor ernstige zorg over de verzorgings- en
opvoedingssituatie van betreffende minderjarige;
4. de Raad anderszins informatie heeft die niet tot een conclusie leidt als het voorstel dat de GVI
inhoudt.
Reactie van de Raad op drie voorkomende situaties :
1. De rapportage van de GVI is duidelijk en de Raad ziet geen aanleiding zich (nog) ernstig zorgen te
maken over de verzorgings- en opvoedingssituatie van de minderjarige bij zijn ouders. In dit geval
wordt besloten geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen niet-verlenging van de
ondertoezichtstelling en/of de plaatsing of tegen de tussentijdse beëindiging van de plaatsing.
2. De rapportage van de GVI biedt onvoldoende inzicht in de situatie van de minderjarige en ouders
dan wel verzorgers.
In dit geval neemt de raadsonderzoeker contact op met de GVI. Leidt dit tot nieuwe informatie,
dan wordt deze alsnog ten behoeve van de Raad door de GVI op schrift gesteld.
De GVI licht de cliënten in.
Heeft de Raad op basis van de aanvullende rapportage van de GVI voldoende inzicht gekregen in
de situatie van de minderjarige en zijn ouders/ verzorgers en ziet de Raad daarin geen aanleiding
om zich ernstig zorgen te maken over de verzorgings- en opvoedingssituatie van de minderjarige
bij de ouders dan wordt alsnog besloten geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen nietverlenging
van de ondertoezichtstelling en /of de plaatsing of de tussentijdse beëindiging van de
plaatsing.
3. Heeft de Raad ook op basis van de aanvullende rapportage onvoldoende inzicht gekregen in de
situatie van het cliëntsysteem of zijn er aanwijzingen dat er verschil van mening is tussen de GVI
en de cliënten of dat er nog steeds reden is voor ernstige zorg over de verzorgings- en
opvoedingssituatie dan zal de Raad besluiten een onderzoek in te stellen.
De Raad deelt zijn besluit in de hiervoor genoemde situaties a. t/m c. uiterlijk één week na ontvangst
van de melding, schriftelijk mee aan de GVI. Indien de Raad niet voldoende tijd heeft om zijn
toetsende taak te vervullen, wordt een besluit genomen tot het al dan niet indienen van een
verlengingsverzoek bij de kinderrechter door de Raad.
Het in te stellen onderzoek is primair gericht op de resultaten van de hulp in het kader van de
kinderbeschermingsmaatregel, inclusief die van een eventuele plaatsing. Nagegaan wordt of de
verzorgings- en opvoedingssituatie bij de ouders/verzorgers zodanig verbeterd is dat de grond voor de
ondertoezichtstelling en /of plaatsing niet meer aanwezig is.
Het onderzoek kan alsnog leiden tot het besluit geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen niet
verlenging van de ondertoezichtstelling en /of plaatsing dan wel beëindiging van de plaatsing. De
Raad kan ook besluiten om een verzoek in te dienen tot verlenging van de ondertoezichtstelling,
tot een nieuwe machtiging uithuisplaatsing of tot vervanging van de GVI. Indien daartoe gronden
zijn kan de Raad voorts besluiten een rekest tot ontheffing in te dienen (zie 8.1.1.6).
Het onderzoek wordt in beginsel binnen 3 weken na ontvangst van de melding, afgesloten.
8.1.1.5 Adviestaak n.a.v. verzoek tot ondertoezichtstelling en tijdens ots
zie ook paragraaf 8.1.c en hoofdstuk 3
Een ouder, al dan niet met juridisch gezag, kan een verzoek tot ondertoezichtstelling bij de
kinderrechter indienen; ook pleegouders hebben deze mogelijkheid. Eveneens kan ook de Officier van
Justitie deze maatregel verzoeken. Betreft het een verzoek van een (pleeg-)ouder of de Officier van
Justitie tot ondertoezichtstelling dan zal de Raad op verzoek van de rechter een onderzoek instellen en
adviseren over de noodzaak van de maatregel.
Tijdens de ondertoezichtstelling kunnen zowel ouders als GVI de volgende verzoeken bij de
kinderrechter indienen:
een verzoek tot - verlenging van de ondertoezichtstelling;
- tussentijdse opheffing van de ondertoezichtstelling;
- vervanging GVI.
Indien sprake is van een verzoek tijdens de ondertoezichtstelling zal de raad op verzoek van de
kinderrechter een onderzoek instellen en adviseren.
Er zijn ook verzoeken die niet door een ouder aan de rechter kunnen worden voorgelegd, zoals:
- machtiging uithuisplaatsing;
- vervangende toestemming voor medische behandeling
De rechter kan naar aanleiding van deze verzoeken de Raad vragen om advies, al dan niet met
een onderzoek. Voorzover het een verzoek betreft tijdens een ondertoezichtstelling zal de raad
uitgaan van de vraagstelling van de rechter en van de inhoud van het verzoekschrift en ingeval
van een uithuisplaatsing, tevens het verslag van het verblijf in het pleeggezin c.q. het verslag van
de opnemende instantie.
8.1.1.6. Verderstrekkende maatregel na ondertoezichtstelling (1:268 BW)
zie ook paragraaf 8.1.c en hoofdstuk 3
Zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing in het kader van deze maatregel zijn bedoeld als
(tijdelijke) hulp en steun teneinde de bedreiging van de ontwikkeling van het kind weg te nemen. Bij een
uithuisplaatsing dienen de mogelijkheden van een thuisplaatsing van de minderjarige steeds bezien te
worden. De ouder zal zo mogelijk hulp ontvangen om de opvoeding en verzorging van het kind weer zelf ter
hand te kunnen nemen. De maatregel en de machtiging kunnen slechts voor maximaal één jaar worden
uitgesproken. Deze termijn kan telkens met een jaar worden verlengd.
Indien de ondertoezichtstelling door ongeschiktheid of onmacht van de ouders tot verzorging en opvoeding
onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind af te wenden, kunnen de
ouders na 6 maanden ondertoezichtstelling, of na anderhalf jaar machtiging uithuisplaatsing van het kind,
gedwongen ontheven worden van het ouderlijk gezag.
De GVI en /of pleegouders kunnen de Raad vragen een onderzoek in te stellen naar de noodzaak
of wenselijkheid van een (gedwongen) ontheffing. De Raad zal bij het onderzoek gebruik maken van het
eigen dossier, van het hulpverleningsplan van de GVI, inclusief het verslag over het verloop van de
ondertoezichtstelling en ingeval van uithuisplaatsing van het verslag over het verloop van het verblijf in het
pleeggezin c.q. van de rapportage van de opnemende instantie.
Als sprake is van een pleeggezinplaatsing zal, gezien de termijn welke de minderjarige in het pleeggezin
verblijft, bijzondere aandacht gegeven worden aan de ontwikkeling van het kind binnen het pleeggezin en
het belang van het kind om de op gang gebrachte opvoedingssituatie te continueren. Indien de wettelijke
gronden tot een verderstrekkende maatregel aanwezig zijn en besloten wordt tot een maatregel van
(gedwongen) ontheffing, dient bezien te worden of pleegouders met de voogdij over de minderjarige belast
kunnen worden.
8.1.1.7 Herstel in het ouderlijk gezag (1:277, 278 BW)
zie ook paragraaf 8.1.c en hoofdstuk 3
Een ouder die ontheven is van of ontzet is uit zijn gezag kan de rechtbank verzoeken in het gezag hersteld te
worden (dit verzoek kan ook door de Raad gedaan worden). De rechtbank zal dit verzoek toewijzen indien
hij ervan overtuigd is dat de minderjarige weer aan zijn ontheven of ontzette ouder kan worden
toevertrouwd.
Indien bij de ontheffing c.q. ontzetting het gezag was opgedragen aan de andere ouder en het verzoek tot
herstel alleen door de ontheven of ontzette ouder wordt gedaan, dan belast de rechter deze ouder niet met
het gezag tenzij de omstandigheden, waarbij het gezag werd opgedragen aan de andere ouder zijn gewijzigd
of destijds van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Naar aanleiding van dit verzoek tot herstel kan
de rechter de Raad om onderzoek en advies vragen.
Hangende het onderzoek kan zowel de Raad als de ouder die heeft verzocht in het gezag te worden hersteld,
de rechtbank verzoeken de beslissing aan te houden voor een proeftijd van maximaal 6 maanden,
gedurende welke tijd het kind bij de verzoekende ouder verblijft.
8.1.2 Weggelopen minderjarigen
Aan een weggelopen minderjarige kan hulp worden verleend, in de vorm van het verschaffen of
regelen van onderdak, door een officiële (d.i. een door de overheid gesubsidieerde) instelling of door
een niet-officiële instelling (dit kan ook een particulier zijn). Een ieder die een weggelopen
minderjarige aan onderdak helpt, moet dit onverwijld melden aan degene(n) die het gezag heeft
(hebben) over de minderjarige. Ingeval de minderjarige onder toezicht is gesteld, dient ook de
Gezinsvoogdij-instelling geïnformeerd te worden.
Een jeugdhulpverleningsinstelling of een particulier moet tevens zijn identiteit en zijn verblijfplaats
bekendmaken aan de gezagsdrager(s). Deze melder kan er echter ook voor kiezen een melding te doen
aan de Raad voor de Kinderbescherming, waarbij de verblijfplaats van de minderjarige aan de Raad
bekend gemaakt moet worden.
Het niet melden op de voorgeschreven wijze aan de gezagsdrager(s) of aan de Raad is strafbaar.
Een officiële instelling die zelf geen plaatsende instelling is, moet zo spoedig mogelijk een plaatsende
instelling, met opgave van redenen, informeren over de plaatsing. Een officiële instelling is niet
verplicht aan de Raad te melden. De plaatsende instelling moet op haar beurt binnen 14 dagen nagaan
of verdere plaatsing en begeleiding voor de minderjarige aangewezen is. Indien uit dit onderzoek blijkt
dat de hiervoor genoemde hulpverlening wel noodzakelijk is, maar dat de gezagsdrager(s) hieraan niet
wil(len) meewerken, is nader onderzoek door de Raad aangewezen.
Procedure (zie ook hoofdstuk 3 en paragraaf 8.1.1)
Indien een niet-officiële instelling of een particulier aan de Raad het weglopen van een minderjarige
aan de raad meldt, wordt - gelet op art. 280 Sr. - de volgende procedure gevolgd:
1. de gegevens van de melding worden zorgvuldig genoteerd omdat deze van belang kunnen zijn
mede in een mogelijke door de gezagsdrager(s) aan te spannen strafzaak tegen de
(medewerker van de) niet-officiële instelling of de particulier die onderdak verleende aan de
weggelopen minderjarige ( art. 280 Sr). Het aannemen van de melding wordt gedaan door de
raadsonderzoeker die met de (spoed)intake is belast.
Naast de gebruikelijke personalia worden in ieder geval genoteerd:
- datum van melding, datum van weglopen en datum van inschakeling instelling c.q.
particulier;
- verblijfplaats minderjarige;
- naam van de instelling of van de particulier;
- adres van de instelling of van de particulier.
2. De Raad informeert de melder dat de Raad via archief, Gemeentelijke Basisadministratie (GBA)
en Justitieel Documentatieregister (JDR) zal nagaan of er bezwaren bekend zijn ten aanzien
van degene die de minderjarige opvangt. Indien degene die de minderjarige opvangt aangeeft
een erkend pleeggezin te zijn, wordt dit bij de voorziening van pleegzorg nagetrokken.
3. De Raad vraagt de melder of deze de gezagsdrager(s) reeds op de hoogte heeft gesteld. In ieder
geval informeert ook de Raad zelf onverwijld de gezagsdrager(s) over de melding. Hij deelt dan
tevens mee met welke medewerker van de Raad daarover contact kan worden opgenomen en
wat de Raad gaat doen c.q. dat nader bericht volgt. De verblijfplaats van de minderjarige moet
aan de gezagsdragers bekend worden gemaakt, tenzij het belang van de minderjarige zich
hiertegen verzet.
Zodra het belang van de minderjarige zich hier niet meer tegen verzet moet(en) degene(n) die
met het gezag over de minderjarige zijn belast door de Raad over de verblijfplaats van de
minderjarige worden ingelicht
4. De Raad raadpleegt zo spoedig mogelijk het archief, waarbij wordt nagegaan of het
opvanggezin bekend is, en vraagt informatie bij de GBA en het Justitieel Documentatieregister
overeenkomstig de procedure bij aanvraag van een Verklaring van geen bezwaar (zie hoofdstuk
9.4). Indien nodig wordt de zaak aangemeld bij een voorziening van pleegzorg.
5. Indien besloten wordt tot een onderzoek door de Raad wordt het opvangadres /gezin zo
spoedig mogelijk na de melding bezocht. Met de minderjarige wordt apart gesproken.
Bijzondere aandacht verdient het schoolbezoek van de minderjarige.
6. Indien er geen reden is voor een onderzoek wordt dit schriftelijk aan de gezagsdrager(s),
de minderjarige van 12 jaar en ouder en degene die onderdak verschafte of regelde,
meegedeeld. Bij de besluitvorming wordt de mogelijkheid van verwijzing naar een
hulpverleningsinstelling betrokken.
8.1.3 Opneming kind bij een ouder in een inrichting
8.1.3.1Inleiding
Indien een gedetineerde, een tbs-gestelde of een jeugdige, die in een penitentiaire inrichting, een tbsinrichting
of een justitiële jeugdinrichting verblijft, haar of zijn kind in een inrichting wil opnemen, is
hiervoor de toestemming van de directeur van de inrichting vereist. Deze kan hiertoe advies van de
Raad inwinnen. De Raad kan ook om onderzoek gevraagd worden als de directeur de toestemming tot
opneming wil intrekken en in het kader hiervan een raadsonderzoek wenst.
Voor een gezonde, evenwichtige ontwikkeling van een kind moet worden voldaan aan een aantal
voorwaarden. Zo is voor een goede persoonlijkheidsontwikkeling van het kind een duurzame
hechting- en opvoedingsrelatie tussen het kind en zijn opvoeder noodzakelijk.
Voor een goede ontwikkeling van het kind is het met name van belang dat het kind in de periode van 6
maanden tot 3 jaar in beginsel geen afstand hoeft te doen van zijn primaire hechtingsfiguur. Dit
betekent dat ernaar gestreefd moet worden, dat degene die het kind verzorgt wanneer het een half jaar
oud is, ook in de eerste jaren daarna de verzorging en opvoeding op zich zal nemen.
Voor de Raad is uitgangspunt dat kinderen alleen in uitzonderingssituaties bij hun moeder in een
penitentiaire inrichting verblijven. Het kind mag niet in detentie bij moeder verblijven als de vader het
kind kan en wil verzorgen en dat ook op de langere termijn zal kunnen blijven doen. Wanneer het
kind in detentie geboren wordt en het is te voorzien dat het kind niet bij de moeder zal blijven in
detentie, zal ernaar gestreefd moeten worden zo snel mogelijk een plaatsing buiten de penitentiaire
inrichting te realiseren.
Daarnaast is het niet verantwoord om een kind in een penitentiaire inrichting op te nemen / te
houden als er niet aan de essentiële voorwaarden voor een verblijf van een kind bij moeder in detentie
en aan de minimaal noodzakelijke voorzieningen voor moeder en kind in de inrichting is voldaan.
Voor het verblijf van een kind in een penitentiaire inrichting geldt als uitgangspunt: ‘nee, tenzij….’
8.1.3.2Onderzoek
Doel
Op verzoek van een directeur van een inrichting onderzoekt de Raad of bij verblijf van het kind bij de
moeder in de inrichting voldaan wordt aan de essentiële voorwaarden voor een gezonde en
evenwichtige ontwikkeling van het kind
Nadere procedure (zie ook hoofdstuk 3)
Wanneer de vader het kind kan verzorgen en dat ook op de langere termijn zal kunnen blijven doen,
moet daaraan de voorkeur worden gegeven. Hetzelfde geldt voor een verblijf in een pleeggezin.
Wanneer het kind bij aanvang van de detentie al verblijft bij vader of in een pleeggezin, dan dient deze
situatie niet gewijzigd te worden.
In alle gevallen moet de gezondheidstoestand van het kind meegewogen worden in het besluit om wel
of niet tot verblijf van het kind bij moeder in detentie over te gaan. De (extra) medische zorg moet
namelijk direct beschikbaar zijn voor het kind. Te denken valt aan verslaafd geboren baby's en baby's
met een bepaalde verstandelijke of lichamelijke handicap.
Essentiële voorwaarden voor het verblijf van een kind bij moeder in detentie zijn:
- De persoonlijke veiligheid van het kind,
- de gezondheid van het kind, zowel lichamelijk als geestelijk.
- rust en regelmaat voor het kind.
- minimaal noodzakelijke materiele voorzieningen, afgestemd op het kind.
Indien aan deze voorwaarden is voldaan, geldt verder als uitgangspunt, dat de maximale leeftijd van
het kind waarop het kind bij de moeder in detentie kan verblijven in het geval de moeder binnen die
periode in vrijheid wordt gesteld of anderszins wordt overgeplaatst naar een setting ´moeder met kind´
negen maanden bedraagt. In het geval de moeder echter in een gesloten inrichting zal moeten
verblijven, dient het kind zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen zes maanden na de geboorte
elders te worden geplaatst
8.1.4 Internationale kinderontvoering
8.1.4.1Inleiding
Van internationale kinderontvoering wordt gesproken wanneer het kind over een internationale grens is
gebracht in strijd met het gezagsrecht of een kind niet wordt teruggebracht uit een ander land na het
verstrijken van een bezoekperiode. Het gaat dus om het onttrekken van een kind aan het gezag van de
andere ouder tegen diens wil. Bij de vaststelling of er sprake is van internationale kinderontvoering is de wil
van het kind niet relevant. Ook als tijdens een huwelijk een der ouders - tegen de wil van de andere ouder -
het kind meeneemt over een internationale grens, kan er sprake zijn van internationale kinderontvoering.
Ter bestrijding van internationale kinderontvoering zijn er twee verdragen gesloten, waarbij Nederland partij
is, te weten:
- het Haags Kinderontvoeringsverdrag (‘s-Gravenhage 25 oktober 1980, in werking getreden op 1
december 1983; voor Nederland 1 september 1990);
- het Europees Kinderontvoeringsverdrag (Luxemburg 20 mei 1980, in werking getreden op1 september
1980; voor Nederland 1 september 1990);
Ter uitvoering van deze verdragen kwam de Wet van 2 mei 1990, de Uitvoeringswet, tot stand.
De landen die partij zijn bij deze verdragen hebben met elkaar afgesproken snel en adequaat te reageren op
internationale kinderontvoering. Voor beide verdragen geldt als uitgangspunt dat kinderontvoering moet
worden bestreden, c.q. voorkomen door kinderen zo snel mogelijk terug te geleiden naar het land waar het
feitelijk gezag over hen wordt uitgeoefend, alwaar zo nodig verdere maatregelen genomen kunnen worden
teneinde de ontstane problematiek op te lossen.
Beide verdragen kennen echter de mogelijkheid voor de ontvoerende ouder om een beroep te doen op de
zogenaamde weigeringsgronden (art 10 van het Europees Verdrag en art 13 van het Haags Verdrag). In de
praktijk wordt het meest een beroep gedaan op de weigeringsgrond uit artikel 13, lid 1b Haags Verdrag:
indien er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan lichamelijk of
geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, hoeft het
niet te worden teruggeleid.
In de twee verdragen wordt een grote rol toebedeeld aan het Bureau Centrale Autoriteit (onderdeel van
Ministerie van Justitie). De Centrale Autoriteit heeft als taak vrijwillige terugkeer bereiken bij concrete
verzoeken inzake internationale kinderontvoering. Levert dit geen resultaat op, dan kan de Centrale
Autoriteit zonodig juridische procedures voeren.
Ook met de behandeling van verzoeken uit landen die niet bij een verdrag is aangesloten, is de Centrale
Autoriteit belast.
De Raad voor de Kinderbescherming kan op diverse manieren worden betrokken bij internationale
kinderontvoeringen, maar het is de Centrale Autoriteit, die actieve bemoeienis heeft met de verzoeken om
teruggeleiding en met verzoeken tot vaststelling van een internationale omgangsregeling. De Raad stelt zich
marginaal op. Wel ontvangt de Raad van de Centrale Autoriteit de stukken die ingebracht worden in de
procedure.
De Raad kan door de Rechtbank ingeschakeld worden bij:
A= inkomende verzoeken tot teruggeleiding
B= inkomende verzoeken tot vaststelling van een (internationale) omgangsregeling
De Raad kan door de Centrale Autoriteit ingeschakeld worden bij:
C= uitgaande verzoeken tot teruggeleiding
D= inkomende verzoeken tot uitvoering van een onderzoek naar de maatschappelijke
omstandigheden van het kind.
Overigens, als een teruggeleidingsprocedure in Nederland wordt gevoerd, kan de Kinderrechter
op grond van artikel 13, lid 4 Uitvoeringswet de minderjarige onder voorlopige voogdij van een
voogdij-instelling plaatsen, teneinde een snelle teruggeleiding te bewerkstelligen. In de uitvoering
van deze maatregel heeft de Raad geen taak; de volledige verantwoordelijkheid ligt bij de voogdijinstelling.
Ter tenuitvoerlegging van de beschikking tot teruggeleiding wordt in het Protocol Internationale
Kinderontvoering (afkomstig van het Bureau Centrale Autoriteit) ook een (mogelijke) taak aan
de Raad toegekend, n.l. in het geval dat de (ontvoerende) ouder niet bereid is mee te werken aan
de feitelijke teruggeleiding van het kind, zoals bevolen door de rechter. Maar omdat in de praktijk
in deze gevallen er meestal een voorlopige voogdij wordt uitgesproken, zal de Raad in deze geen
taak hebben, maar zal de voogdij-instelling met deze taak belast worden.
8.1.4.2Procedure
zie ook hoofdstuk 3
ad A. Inkomende verzoeken tot teruggeleiding
waarbij de ontvoerende ouder niet akkoord gaat met de teruggeleiding, kan de Raad door de Rechtbank
verzocht worden:
- ter zitting te verschijnen
De procedure wordt gevoerd door de Centrale Autoriteit, in naam van de achtergebleven ouder tegen de
ontvoerende ouder.
De Raad zal ter zitting aanwezig zijn op uitnodiging van de rechter. Indien mogelijk wordt het kind door
de rechter ter zitting gehoord.
- een raadsonderzoek in te stellen
De rechter kan( ter zitting) de Raad om onderzoek vragen. Het raadsonderzoek heeft tot doel de rechter
informatie te verschaffen over met name de Nederlandse situatie van de minderjarige. Dit onderzoek
wordt uitgevoerd als beschermingsonderzoek . Beide verdragen bieden het kader waarbinnen het
onderzoek wordt uitgevoerd, hetgeen betekent: ‘teruggeleiding, tenzij…..’
De verdragen gaan ervan uit dat eventuele problemen en/of aandachtspunten in eerste instantie daar
moeten worden aangepakt waar het feitelijk gezag over hem wordt uitgeoefend, d.w.z. in het land waar uit
de minderjarige is ontvoerd.
Voor de werkwijze van de Raad betekent dit dat in dit onderzoek geen brede verkenning hoeft plaats te
vinden: de vraagstelling is in principe slechts gericht op het al dan niet aanwezig zijn van een
weigeringsgronden, dan wel op de door de rechter geformuleerde vragen. In dit onderzoek van de Raad
wordt altijd het kind betrokken.
Als informant kan ook de Centrale Autoriteit, namens de andere ouder betrokken worden bij het onderzoek.
Zie voorts ook hoofdstuk 3.
Termijn
De onderzoekstermijn bedraagt op grond van de verdragskaders maximaal zes weken vanaf de
dag dat de Raad het verzoek heeft ontvangen tot de dag dat het definitieve rapport is verzonden.
Ad B. Inkomende verzoeken tot vaststelling van een internationale omgangsregeling
de Raad kan door de Rechtbank verzocht worden:
- ter zitting te verschijnen
De Raad treedt in deze zitting op als adviserende instantie voor de rechter. De werkwijze en de
opstelling is hetzelfde als in scheiding -en omgangszaken
- een raadsonderzoek in te stellen en/of proefcontacten organiseren
De rechter kan ter zitting de Raad om onderzoek vragen. Deze onderzoeken worden uitgevoerd conform
de uitgangspunten en werkwijze in scheiding- en omgangszaken. Zie ook hoofdstuk 3 en 9.1.
Extra aandacht dient besteed te worden aan de praktische uitvoerbaarheid van de omgangsregeling,
aangezien de regeling over landsgrenzen heen moet worden uitgevoerd. Indien proefcontacten worden
georganiseerd, vinden deze contacten in Nederland plaats, als begeleiding van de Raad daarbij geïndiceerd
is. De contacten vinden binnen korte periode achter elkaar plaats, teneinde de regeling werkbaar te laten
zijn voor de ouder die niet in Nederland woonachtig is.
Ad C. Uitgaande verzoeken tot teruggeleiding
waarbij de ontvoerende ouder niet akkoord gaat, kan de Raad door de Centrale Autoriteit verzocht worden
onderzoek in te stellen en informatie te verstrekken over de situatie van het kind over zijn (mogelijk) verblijf
in Nederland.
De Centrale Autoriteit kan de Raad verzoeken om informatie in het kader van een teruggeleidingsprocedure
die in een ander land wordt gevoerd. Van belang is om met de Centrale Autoriteit af te stemmen welke
informatie men nodig heeft, teneinde zo gericht mogelijk en zo snel mogelijk te kunnen handelen.
Ad D. Inkomende verzoeken onderzoeken tot uitvoering van een onderzoek naar de
maatschappelijke omstandigheden van het kind
in verband met een (vermoeden van) kinderontvoering of een probleem met het omgangsrecht, kan de
Raad door de Centrale Autoriteit verzocht worden onderzoek in te stellen en informatie te verstrekken
over de situatie van het kind in Nederland.
De Centrale Autoriteit kan de Raad verzoeken om onderzoek naar de situatie van het kind en de
toestand van het kind zelf. Van belang is om met de Centrale Autoriteit af te stemmen welke
informatie men nodig heeft, teneinde zo gericht mogelijk en zo snel mogelijk te kunnen handelen. (zie
ook hoofdstuk 3 en 8.1)
Termijn
De termijn van onderzoek bedraagt zes weken vanaf de dag dat de Raad het verzoek heeft ontvangen tot de
dag dat het definitieve rapport wordt verzonden.
8.1.5 Afstand minderjarige/meerderjarige moeder/ouders
Indien een moeder, al dan niet gehuwd, besluit afstand te doen van haar pasgeboren kind, zal de Raad
als regel door de FIOM of VBOK benaderd worden. De FIOM of VBOK begeleidt de ouder(s) bij het
nemen van de beslissing en bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de Raad.
De Raad is verantwoordelijk voor het goede verloop van de procedure en voor het bewaken van de
termijnen daarbij. Ter voorbereiding op het door de Raad in te dienen verzoek tot voorlopige voogdij
informeert de Raad een voogdij-instelling, die zorgt voor plaatsing van de baby in een zogenaamd
neutraal-terrein-gezin. Door deze plaatsing die in beginsel maximaal drie maanden mag duren, wordt
voor de ouder(s) een bedenktijd ingebouwd. Indien het een kind betreft van een moeder zonder of met
een voorlopige verblijfstatus, zal de Raad overleggen met de op grond van de Vreemdelingenwet
bevoegde instantie.
Binnen zes weken na de beschikking voorlopige voogdij maakt de Raad een vervolgprocedure
aanhangig bij de rechter. Dit is een verzoek tot gezagsvoorziening bij de kantonrechter indien de
moeder minderjarig is en een ontheffingsprocedure bij de rechtbank indien het meerderjarige ouder(s)
betreft. Hierbij wordt voorgesteld de voogdij-instelling pro forma tot voogd te benoemen. De Raad
vraagt gelijktijdig aanhouding.
Ongeveer twee maanden na de beschikking voorlopige voogdij organiseert de Raad een overleg met de
FIOM of VBOK en de voogdij-instelling waarbij aan de orde komt: de ontwikkeling van de baby, de te
verwachten beslissing van de ouder(s) ten aanzien van het wel of geen afstand doen.
In die gevallen, waarin de ouder bij het voornemen tot afstand blijft, worden de volgende stappen
richting adoptie gezet. De Raad gaat na welke twee à drie aspirant adoptiegezinnen, die reeds een
raadsonderzoek met een positief advies voor opname van een kind hebben afgesloten (zie hoofdstuk
9.2.3) in aanmerking zouden kunnen komen voor opname van de baby. Daarbij wordt rekening
gehouden met de door de ouder(s) kenbaar gemaakte wensen daarover. De Raad verstrekt de gegevens
van de betreffende adoptiegezinnen anoniem aan de voogdij-instelling, die nagaat welk gezin het
meest aangewezen lijkt aan de hand van de door de Raad verstrekte anonieme informatie. Door de
Raad wordt vervolgens een overleg gepland om over de mogelijke plaatsing van gedachten te wisselen.
Na drie maanden wordt door de Raad aan de ouder gevraagd een zogenaamde afstandsverklaring te
ondertekenen.
De Raad informeert de gekozen adoptie-ouders, waarna de baby door de voogdij-instelling in het
aspirant adoptief gezin geplaatst wordt. Behoudens bijzondere omstandigheden doet de Raad zes
maanden na de beschikking voorlopige voogdij, een voorstel tot definitieve toewijzing van de voogdij
aan één van de adoptief ouders aan de hand van rapportage van de voogdij-instelling.
Als de ouder binnen 3 maanden na de geboorte van het kind kenbaar maakt dat zij terug wil komen
op het eerder genomen besluit tot afstand wordt er in principe gewerkt aan een zo spoedig mogelijke
hereniging van ouder(s) en kind (zie ook 9.2.3.). Indien de moeder minderjarig is, zal bezien moeten
worden hoe het gezag geregeld moet worden. De terugplaatsing van het kind is hiervan echter niet
afhankelijk. Indien het een 16- of 17-jarige moeder betreft kan de kinderrechter haar op haar verzoek
meerderjarig verklaren en kan zij vervolgens met het gezag belast worden.
8.1.6 Gezagsvoorziening door de kantonrechter
8.1.6.1 Inleiding
In een aantal gezagssituaties is de kantonrechter de bevoegde rechter om beslissingen te nemen. De
kantonrechter kan de Raad verzoeken om aan de hand van de stukken binnen twee weken kenbaar te
maken of er van de kant van de Raad bezwaar bestaat tegen inwilliging van het verzoek. Tevens kan hij de
Raad om advies vragen. De Raad beslist dan of een onderzoek nodig is of dat aan de hand van de stukken
advies kan worden uitgebracht.
Daarnaast kan de Raad zelf, indien daartoe aanleiding is, advies uitbrengen aan de kantonrechter of een
verzoek indienen bij de kantonrechter wanneer in het gezag over een minderjarige dient te worden
voorzien.
Uitgangspunt hierbij is dat de ouders primair zelf verantwoordelijk zijn voor de regeling van het gezag over
minderjarigen. Het tweede uitgangspunt is dat het gezag als regel dient te berusten bij de feitelijke
verzorger(s) van de minderjarige.
8.1.6.2 Doel onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)
Het geven van informatie of het uitbrengen van een advies over het gezag over betreffende
minderjarige(n) naar aanleiding van een verzoek hiertoe van de kantonrechter.
8.1.6.3 Specifieke aanwijzingen
In deze paragraaf wordt onderscheid aangebracht tussen ouder(s) en voogd
Ouder(s)
Openstaand gezag
1. De moeder is minderjarig ten tijde van de geboorte van haar kind (1: 253b en d BW);
2. Het overlijden van de enige ouder of beide ouders (1:245 lid 1 / 295 BW);
Ad 1.
Indien de moeder ten tijde van de geboorte van haar kind minderjarig is, kan in het gezag over de
betreffende baby door een derde worden voorzien. Eventueel kan besloten worden (bijvoorbeeld op
grond van de leeftijd) het gezag open te laten staan tot aan de meerderjarigheid dan wel in afwachting
van een meerderjarigverklaring van de moeder door de kantonrechter. Indien de vader (erkenner) wel
meerderjarig is, kan deze de kantonrechter verzoeken hem met het gezag te belasten. Dit verzoek
wordt slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind
zouden worden verwaarloosd.
Ad 2.
Indien de enige ouder of beide ouders met gezag overlijden, en geen testamentaire voogd de voogdij
heeft aanvaard, dient in het gezag te worden voorzien. In het onderzoek waarbij wordt nagegaan wie
met het gezag over de minderjarige dient te worden belast, wordt met name aandacht besteed aan
suggesties van de familie en relevante derden die een belangrijke rol binnen de familie spelen. Bij
verschil van mening tussen de betrokkenen zal in beginsel - mede afhankelijk van de leeftijd - de wens
van de minderjarige worden gehonoreerd, tenzij daartegen vanuit het belang van de minderjarige
zwaarwegende bezwaren bestaan.
Het onderzoek en de rapportage van de Raad richten zich op de vraag of de wettelijke gronden voor de
beslissing van de kantonrechter aanwezig zijn.
Onbevoegdheid van de ouder die alleen het gezag heeft of van beide ouders
(curatele of niet-tijdelijke stoornis van de geestvermogens), (1: 253q BW)
In eerstgenoemde situatie (onbevoegdheid van één ouder) belast de kantonrechter de andere ouder
met het gezag, tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd.
In de tweede situatie (onbevoegdheid van beide ouders) of indien er geen andere ouder is, richt het
onderzoek van de Raad zich op de consequenties van de curatele c.q. op de aard en de consequenties
van de niet-tijdelijke stoornis. Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met
het gezag belast moet worden en mogelijk ook wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.
Indien de grond van de onbevoegdheid is vervallen en de ouder(s) verzoeken weer met het gezag te
worden belast, wijst de kantonrechter het verzoek toe indien hij ervan overtuigd is dat het kind weer
aan de ouder(s) mag worden toevertrouwd. Bij het onderzoek spelen de leeftijd van de minderjarige,
de termijn van verzorging door anderen, het belang van het kind bij continuïteit van de
verzorgingssituatie en de actuele omstandigheden een rol.
Al dan niet tijdelijke onmogelijkheid het gezag uit te oefenen c.q. het bestaan of verblijf van
ouder(s) onbekend
- De enige ouder of beide ouders met gezag verkeren, al dan niet tijdelijk, in de onmogelijkheid het
gezag uit te oefenen;
- Het bestaan of de verblijfplaats van de enige ouder met gezag of van beide ouders is onbekend
(1: 253r BW).
Als het in deze situaties de ouder betreft die alleen het gezag heeft, belast de kantonrechter de andere ouder
met het gezag tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Het
onderzoek van de Raad richt zich hierop.
Indien er geen andere ouder is of de situatie beide ouders betreft, richt het onderzoek van de Raad zich op
de blijvende of tijdelijke onmogelijkheid dan wel op (omstandigheden rond de) afwezigheid van de ouder(s).
Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden en
wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.
Indien de hiervoor genoemde omstandigheden zijn vervallen en de ouder(s) verzoeken weer met het gezag
te worden belast, wijst de kantonrechter het verzoek toe indien hij ervan overtuigd is dat het kind weer aan
de ouder(s) mag worden toevertrouwd. Bij het onderzoek spelen de leeftijd van de minderjarige, de termijn
van verzorging door anderen, het belang van het kind bij continuïteit van de verzorgingssituatie en de
actuele omstandigheden een rol.
Verzoek om gezamenlijk gezag (1:253t BW)
Indien het gezag over een kind bij één der ouders berust, is de rechtbank de bevoegde instantie om een
verzoek om gezamenlijk gezag te behandelen. Indien de ouder dit verzoek gezamenlijk doet met een ander
dan de ouder, die in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, zal dit verzoek worden toegewezen,
tenzij er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind worden
verwaarloosd. De rechtbank kan de Raad verzoeken een onderzoek in te stellen en van advies te dienen.
Het verzoek om gezamenlijk gezag kan vergezeld gaan met een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam
van het kind (zie ook hoofdstuk 9.1.8 en 9.7). Indien het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot
een andere ouder wordt het verzoek om gezamenlijk gezag slechts ingewilligd indien beide verzoekers
tenminste één jaar de zorg over het kind hebben gehad en de ouder die het verzoek (mede) doet tenminste
drie jaar aaneengesloten alléén het gezag over het kind heeft uitgeoefend.
Voogd(en)
Openstaand gezag (overlijden van de enige voogd of beide voogden), ( 1: 245 lid1,en 295 BW)
In het onderzoek moet aandacht worden besteed aan suggesties van de familie en relevante derden die
voor het kind een belangrijke rol binnen de familie spelen (bijv. de partner van de overleden voogd).
Bij verschil van mening tussen de betrokkenen zal in beginsel – mede afhankelijk van de leeftijd – de
wens van de minderjarige worden gehonoreerd, tenzij daartegen vanuit het belang van de
minderjarige zwaarwegende bezwaren bestaan.
Onbevoegdheid (curatele of niet-tijdelijke stoornis van de geestvermogens), (1: 324 BW)
Het onderzoek van de Raad richt zich op de consequenties van de curatele c.q. op de aard en de
consequenties van de niet-tijdelijke stoornis.
Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden
en wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.
Tijdelijke onmogelijkheid en andere omstandigheden
- er is een voogd benoemd maar de voogdij is nog niet begonnen (1: 296 BW);
- de voogd bevindt zich in de tijdelijke onmogelijkheid het gezag uit te oefenen (1: 297 BW);
- het bestaan of de verblijfplaats van de voogd is onbekend (1:297 BW);
- de voogd blijft in gebreke het gezag uit te oefenen (1:297 BW).
Het onderzoek richt zich op de noodzaak van een tijdelijke regeling, c.q. op de tijdelijke
onmogelijkheid, of op de (omstandigheden rond de) afwezigheid van de voogd dan wel op het in
gebreke blijven van de gezagsuitoefening.
Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden
en mogelijk ook wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.
Indien de hierboven genoemde omstandigheden zijn vervallen, zal de kantonrechter de (tijdelijk)
voogd op eigen verzoek of op verzoek van degene die hij vervangt ontslaan tenzij gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd.
Het onderzoek richt zich op de mogelijke verwaarlozing van de belangen van de minderjarige wanneer
het verzoek zou worden toegewezen. De (tijdelijke) voogdij kan worden bestendigd als dit in het
belang van de minderjarige is.
Ontslagverzoek door voogd zelf (art. 322 boek 1 BW)
- als gevolg van geestelijke of lichamelijke gebreken;
- op grond van het bereiken van de 65-jarige leeftijd;
- op grond van bereidverklaring door een ander daartoe bevoegd persoon.
Indien een natuurlijk persoon verzoekt ontslagen te worden van de voogdij wordt een onderzoek
ingesteld indien tussen betrokkenen geen consensus over een voor te stellen nieuwe voogd bestaat.
Indien een voogdij-instelling vraagt om ontslagen te worden van de voogdij ten gunste van een van de
pleegouders, dient bezien te worden of op grond van het rapport van de voogdij-instelling voldoende
informatie aanwezig is om de kantonrechter te adviseren. Met name is van belang om ook de mening
van betrokken ouder te kennen; zo nodig stelt de raad een onderzoek in.
Verzoek tot gezamenlijke voogdij
Indien een voogd en een ander die in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige staat de
kantonrechter (1:282 BW) verzoeken met de gezamenlijke voogdij over de minderjarige belast te
worden, wordt nagegaan of sprake is van gegronde vrees dat bij inwilliging de belangen van de
minderjarige zouden worden verwaarloosd.
8.1.7 Gezagsvoorziening na overlijden van de ouder die alleen het
gezag heeft, terwijl de andere ouder nog in leven is.
Afhankelijk van de reden waarom het gezag bij een van de ouders berust, is de rechtbank of de
kantonrechter de bevoegde rechter om na het overlijden van deze ouder in het gezag te voorzien. Om
deze reden is de gezagsvoorziening na overlijden van de ouder die alleen het gezag heeft, apart
opgenomen in dit hoofdstuk.
De rechtbank is de bevoegde instantie wanneer:
- de overleden ouder na scheiding alleen het gezag uitoefende;
- na uitoefening van het gezamenlijk gezag buiten huwelijk alleen het gezag had gekregen;
- de overlevende ouder ontheven of ontzet was en om herstel in het gezag verzoekt.
In de overige situaties is de kantonrechter bevoegd.
Indien de ouder overlijdt die alleen het gezag heeft en geen testamentaire voogd het gezag heeft
aanvaard, belast de rechter de overlevende ouder of een derde met het gezag. De rechter doet dit op
verzoek van de overlevende ouder, de Raad of ambtshalve. Het verzoek om de overlevende ouder met
het gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het
verzoek de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd.
Ook indien na het overlijden een voogd is aangesteld, kan de rechter te allen tijde alsnog de
overlevende ouder, op diens verzoek, met het gezag belasten. Dit kan op grond van gewijzigde
omstandigheden of op grond van het feit dat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Hoe
langer de voogd voor de minderjarige heeft gezorgd, hoe meer gewichtige redenen er zullen moeten
zijn om het gezag aan de overlevende ouder over te doen dragen.
Indien de voogd bij testament was aangewezen, geniet de overlevende ouder de hiervoor genoemde
voorkeurspositie, mits het verzoek is gedaan binnen een jaar na het begin van de voogdij. Nadien vindt
een afweging plaats op grond van de omstandigheden.
Doel onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)
Het geven van informatie of het uitbrengen van advies aan de rechter over de gezagsvoorziening na
het openvallen van het gezag door het overlijden van de ouder die alleen het gezag had of over een
verzoek tot wijziging van die gezagsvoorziening.
8.1.8 Rechtspositie pleegouders (Blokkaderecht)
8.1.8.1 Blokkaderecht ( 1: 253 s en 336a BW)
zie ook paragraaf 8.1.c en hoofdstuk 3
Als een minderjarige met instemming van zijn gezagsdragers (ouder(s) of voogd) gedurende ten
minste één jaar door (een) pleegouder(s) als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen
de ouders of de voogd van de minderjarige slechts met toestemming van de pleegouder(s), wijziging in
het verblijf van de minderjarige brengen.
De pleegouders kunnen gebruik maken van het zogenaamde ‘blokkaderecht’. Het blokkaderecht is niet
van toepassing indien de minderjarige bij de pleegouder(s) verblijft in het kader van een
ondertoezichtstelling of een voorlopige voogdij (opgedragen aan een voogdij-instelling).
Als de pleegouders gebruik maken van het blokkaderecht en de vereiste toestemming tot wijziging van
de verblijfplaats van de minderjarige niet geven, kán deze toestemming op verzoek van de ouder(s) of
voogd door die van de rechtbank worden vervangen.
Doel onderzoek.
De rechtbank kan de Raad advies vragen naar aanleiding van een verzoek van ouders met gezag
of van een voogd om wijziging in de verblijfplaats van de minderjarige te mogen brengen.
- Indien het een verzoek van ouders betreft gaat de Raad in het onderzoek na of er gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de minderjarige zouden worden
verwaarloosd (art. 1: 253 s lid 2 BW);
- Wanneer het een verzoek van een voogd betreft gaat de Raad in het onderzoek na of wijziging in
het belang van de minderjarige is (art. 1: 336a lid 2).
Tijdens het onderzoek besteedt de Raad onder meer ook aandacht aan de vraag of het in het belang
van de minderjarige is om contact te blijven houden met de ouders of voogd, dan wel met de
pleegouders.
Wanneer de rechtbank het verzoek van de ouders of voogd afwijst, bepaalt de rechtbank tevens
hoelang deze beschikking van kracht zal zijn (maximaal 6 maanden).
De Raad kan in die periode een onderzoek instellen naar de eventuele noodzaak tot het uitspreken van
een maatregel van kinderbescherming. Hiervoor gelden de beleidsaanwijzingen zoals vermeld onder
‘Opvoedingsproblemen’ (8.1.1). Leidt dit binnen de door de rechtbank bepaalde periode tot een
verzoek (van de Raad of van pleegouders of van de Officier van Justitie) tot een maatregel van
kinderbescherming dan blijft de beschikking gelden totdat over de gevraagde maatregel is beslist.
Tijdens het onderzoek wordt voorts aandacht besteed aan de vraag of de minderjarige op de hoogte is
van zijn biologische herkomst. Indien dit niet het geval is of daarover onzekerheid bestaat, dringt de
Raad erop aan, ter voorkoming van eventuele identiteitsproblemen van de minderjarige, dat deze
daarover – zonodig op termijn - wordt voorgelicht.
8.1.8.2 Verzoek pleegouders tot ontheffing c.q. ontzetting van ouder(s) (1: 268 en 269
BW).
zie ook paragraaf 8.1 en hoofdstuk 3
De pleegouders kunnen de rechtbank verzoeken de ouders gedwongen te ontheffen van dan wel te
ontzetten uit het gezag en de voogdij aan hen op te dragen als de rechtbank het blokkaderecht heeft
gehonoreerd (m.a.w. het verzoek van de ouders om wijziging in het verblijf van de minderjarige te
brengen heeft afgewezen). Indien de minderjarige door meer dan één persoon wordt verzorgd en
opgevoed kan het verzoek slechts door hen gemeenschappelijk worden gedaan.
Wanneer de rechtbank de Raad advies vraagt over een verzoek van de pleegouders tot ontheffing c.q.
ontzetting van het gezag van de ouders, stelt de Raad een onderzoek in en adviseert de rechtbank.
De Raad gaat in het onderzoek na of een voortzetting van het verblijf van de minderjarige bij de
pleegouders noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouders ernstig nadeel voor de minderjarige moet
worden gevreesd en of er gronden zijn voor ontheffing dan wel ontzetting.
(NB: de Raad kan in de hier bedoelde situatie een verzoek tot ontheffing dan wel ontzetting indienen,
ook zonder dat er een afwijzende beslissing tot wijziging van het verblijf aan is voorafgegaan).
8.1.8.3. Verzoek pleegouders tot voogdijbenoeming (1: 299a BW)
zie ook paragraaf 8.1 en hoofdstuk 3
Als het gezag bij een voogd (of voogden) berust geldt het volgende:
Een pleegouder kan de kinderrechter verzoeken hem of een rechtspersoon te belasten met de voogdij
indien hij met instemming van de voogd(en) de minderjarige ten minste een jaar, anders dan uit
hoofde van ondertoezichtstelling of voorlopige voogdij, heeft verzorgd en opgevoed en voldoende is
gebleken dat de voogd niet bereid is zelf ontslag te vragen. Indien de minderjarige door meer dan één
persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door hen
gezamenlijk worden gedaan.
Wanneer de kinderrechter de Raad om onderzoek en advies vraagt over een verzoek van een
pleegouder gaat de Raad in het onderzoek na of het verzoek in het belang van de minderjarige is. (NB:
Ook de Raad kan het hier bedoelde verzoek indienen).
8.1.9 Voogdij Antilliaanse jongeren
8.1.9.1Inleiding
De Ministers van Justitie van Nederland en van de Nederlandse Antillen hebben een protocol
ondertekend waarin afspraken zijn vastgelegd over de samenwerking op het gebied van
voogdijvoorzieningen ten behoeve van alleen naar Nederland migrerende minderjarigen. Het protocol
en de daarbij behorende richtlijnen zijn 1 augustus 1999 in werking getreden. Deze voogdijregeling
strekt ertoe te voorkomen dat minderjarigen met de kennelijke bedoeling zich in Nederland te
vestigen, alleen en onbegeleid de Nederlandse Antillen verlaten zonder dat wordt voorzien in het
wettelijk vereiste gezag. Vertrek uit de Nederlandse Antillen van deze jongeren is alleen mogelijk indien
zij beschikken over een verklaring van geen bezwaar tot het alleen reizen naar Nederland, verstrekt aan
de minderjarige en degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over de minderjarige op de
Nederlandse Antillen uitoefent.
De afspraken hebben betrekking op de voorziening in het gezag over een op de Nederlandse Antillen
verblijvende minderjarige, die alleen en onbegeleid dat land wenst te verlaten om zich in Nederland te
vestigen, zonder dat sprake is van gezinshereniging of anderszins aannemelijk gemaakt kan worden
dat het verblijf in Nederland van korte duur zal zijn, ten gevolge waarvan het gezag over de
minderjarige niet kan worden uitgeoefend.
Een verklaring van geen bezwaar kan in een aantal gevallen ook zonder tussenkomst van de Raad
worden afgegeven als duidelijk is dat er in het gezag wordt voorzien; bijvoorbeeld als de voorgesteld
tijdelijk voogd reeds bij de Voogdijraad op de Antillen bekend is, als er sprake is van gezinshereniging
en als de minderjarige bijna 18 jaar is. Eveneens wordt een verklaring van geen bezwaar zonder
tussenkomst van de Raad afgegeven als de minderjarige via de stichting SSNA voor studie naar
Nederland gaat. Als sprake is van begeleiding van de Stichting SSNA behoeft evenmin in de
(tijdelijke)voogdij worden voorzien.
8.1.9.2 Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)
Doel
1. Op verzoek van de Voogdijraad op de Antillen onderzoekt de Raad de bereidheid en geschiktheid
van de beoogd (tijdelijk) voogd om de minderjarige in het gezin op te nemen en de (tijdelijke)
voogdij te aanvaarden en informeert de Raad de Voogdijraad op de Antillen over zijn bevindingen,
opdat de Voogdijraad kan besluiten of een Verklaring van geen bezwaar al dan niet kan worden
afgegeven.
2. Na een melding van de gemeente dat een minderjarige zonder ouders of wettelijke
vertegenwoordiger zich gemeld heeft om zich in te laten schrijven dan wel wanneer de Raad
ambtshalve constateert dat voor een reeds in Nederland verblijvende van de Antillen afkomstige
minderjarige niet in het gezag is voorzien, gaat de Raad na of de jongere bekend is op grond van het
onderzoek naar de beoogd tijdelijk voogd. Is dat niet het geval dan start de Raad een onderzoek.
Bevoegdheid
Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de beoogde
tijdelijk voogd woont dan wel de minderjarige zich heeft laten inschrijven.
Specifieke procedure
Wanneer de minderjarige het voornemen heeft om naar Nederland af te reizen wordt de volgende
procedure gevolgd:
1. De ouders of voogd dienen ten behoeve van hun kind een aanvraag in bij de Voogdijraad op de
Antillen voor een Verklaring van geen bezwaar tot het alleen migreren naar Nederland.
2. De Voogdijraad beoordeelt of de Verklaring van geen bezwaar onmiddellijk kan worden afgegeven.
Zo niet, dan verzoekt hij de Raad voor de Kinderbescherming informatie te verschaffen over de
bereidheid en geschiktheid van de beoogd tijdelijk voogd om de minderjarige in het gezin op te
nemen en de tijdelijke voogdij te aanvaarden.
3. De bemoeienis van de Raad omvat een gesprek met de beoogd tijdelijk voogd waarin diens
bereidheid om de tijdelijke voogdij te aanvaarden en de mogelijke risicofactoren in het
gezinssysteem van de beoogd tijdelijk voogd worden onderzocht. Tevens komen andere relevante
aspecten die verbonden zijn aan het opnemen van een Antilliaanse minderjarige in het gezin aan
de orde. De aspecten kunnen zijn:
- de gezinssamenstelling en de plaats van de op te nemen minderjarige daarin;
- de woonomstandigheden;
- de keuze voor en begeleiding bij school en /of werk;
- de wijze waarop de ouder(s) of voogd(en) op de Nederlandse Antillen betrokken blijven bij de
ontwikkeling van de minderjarige;
- de wijze waarop de beoogd (tijdelijk) voogd met eventuele problemen van de minderjarige zal
omgaan.
4. Voorts vraagt de Raad met toestemming van betrokkenen gegevens op uit het Justitiële Documentatieregister
van alle bewoners van 12 jaar en ouder op het adres van de beoogd tijdelijk voogd en gaat na of sprake is
van bezwarende feiten en omstandigheden. Wordt de toestemming om het JDR te raadplegen geweigerd,
dan is dat een bezwarend feit. Het onderzoek zal dan beëindigd worden. Daarnaast raadpleegt de Raad
eveneens ten aanzien van alle bewoners de Gemeentelijke Basisadministratie en het eigen archief (dat zich
op meerdere vestigingen kan bevinden). De Raad bericht de Voogdijraad zijn bevindingen. Indien de beoogd
voogd bereid is de minderjarige in zijn gezin op te nemen en de tijdelijke voogdij te accepteren legt de Raad
aan de Voogdijraad zijn bevindingen en een door de beoogd tijdelijk voogd ondertekende bereidverklaring
over.
5. De Raad bevordert voorts dat de beoogd tijdelijk voogd reeds een rekest tot tijdelijke voogdij bij de
kantonrechter indient, vooruitlopend op de komst van de minderjarige naar Nederland.
6. De Raad gaat na 3 maanden na of de minderjarige in het gezagsregister is opgenomen.
Termijn
De Raad bericht binnen zes weken na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek zijn bevindingen aan de
Voogdijraad.
Vervolgprocedure
Op basis van de door de Raad verkregen informatie kan de Voogdijraad besluiten al dan niet een
verklaring van geen bezwaar te verstrekken. Met de Verklaring van geen bezwaar kan de minderjarige
zich laten uitschrijven uit het bevolkingsregister op de Nederlandse Antillen en ontvangt een
uitschrijfbewijs. Bij vertrek van de Nederlandse Antillen moet de Verklaring van geen Bezwaar getoond
worden aan de grensautoriteit. Is de jongere niet in het bezit van de Verklaring, dan kan hij niet
vertrekken.
Indien de Voogdijraad van mening is dat op grond van de informatie van de Raad geen Verklaring van
geen bezwaar kan worden afgegeven, kan de Voogdijraad met betrekking tot dezelfde minderjarige
daarna nog éénmaal een verzoek aan de Raad richten voor informatieverstrekking over een andere
beoogd tijdelijk voogd.
Melding van de gemeente
Wanneer een minderjarige zich zonder ouders meldt bij een gemeente met het doel zich in te laten
schrijven wordt de volgende procedure gevolgd:
- De gemeente schrijft de minderjarige in.
- De gemeente meldt de minderjarige bij de Raad.
- De Raad gaat na of de minderjarige bekend is, op grond van een door de Voogdijraad verzocht
onderzoek naar de beoogd tijdelijk voogd. Indien blijkt dat sprake is van begeleiding van de
minderjarige door de Stichting SSNA behoeft niet in de tijdelijke voogdij te worden voorzien.
- Is de minderjarige bekend, dan gaat de Raad na of er daadwerkelijk in de tijdelijke voogdij is
voorzien.
- Als de minderjarige niet bekend is start de Raad een onderzoek met het oog op de voorziening in
de tijdelijke voogdij (hoofdstuk 8.1.6.).
De Raad neemt contact op met de Voogdijraad op de Nederlandse Antillen, die de ouder(s) zullen
benaderen.
Verblijf reeds in Nederland
Wanneer de Raad ambtshalve constateert dat voor een van de Antillen afkomstige minderjarige die
reeds in Nederland verblijft niet in het gezag is voorzien, wordt de volgende procedure gevolgd:
- de Raad gaat na of de jongere bekend is op grond van eigen onderzoek naar de beoogd tijdelijk
voogd, verricht in het kader van de voogdijregeling.
- De Raad neemt contact op met de Voogdijraad om de Nederlandse Antillen om na te gaan of de
jongeren aldaar bekend is en met het verzoek informatie te verschaffen over een beoogd tijdelijk
voogd. Indien de Voogdijraad informatie kan verschaffen vervolgt de Raad zijn onderzoek conform
de stappen 3 t/m 6.
- Indien blijkt dat sprake is van begeleiding van de minderjarige door de Stichting SSNA behoeft
niet in de tijdelijke voogdij te worden voorzien.
Indien er geen beoogd tijdelijk voogd wordt voorgesteld en/of bereid of geschikt wordt gevonden, start
de Raad een onderzoek om op andere wijze in het gezag te voorzien (Gezagsvoorziening door de
kantonrechter, hoofdstuk 9).
Hoofdstuk 9 Beleidsaanwijzingen Civiele advies zaken
9.1 Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang
9.1.1 Inleiding
9.1.2 Raadsondersteuning ter zitting
9.1.3 Onderzoek
9.1.4 Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders
9.1.5 Voorlopige voorzieningen tijdens de (echt)scheidingsprocedure
9.1.6 Beëindiging gezamenlijk gezag
9.1.7 Gezagswijziging
9.2. Adoptie
9.2.1 Inleiding
9.2.2 Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie
(verzoek om beginseltoestemming)
9.2.3 Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een in Nederland geboren kind ter
adoptie
9.2.4 Draagmoederschap
9.2.5 Partneradoptie
9.1 Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang
9.1.1 Inleiding
De rechter kan aan de Raad advies vragen met betrekking tot zaken betreffende gezag na
(echt)scheiding, verblijfplaats van de minderjarige en omgang.
Tevens kan de rechter de Raad advies vragen met betrekking tot:
- de plicht van de verzorgende ouder de andere ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige
aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige en deze te
raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen;
- het recht van de niet-verzorgende ouder op informatie van derden die beroepshalve
beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van
de minderjarige of diens verzorging en opvoeding betreffen.
Een verzoek om omgang kan door één van de ouders worden ingediend en door degene die in een
nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige (bijv. familieleden, pleegouder(s),
stiefouder(s)). Daarnaast kan een rechter, indien hem blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of
ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een omgangsregeling vaststellen of wijzigen. Hetzelfde geldt indien
de minderjarige jonger is dan twaalf jaar, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering
van zijn belangen terzake. Voorts kan door de Raad op verzoek van de rechter binnen de procedure
een aantal door de rechter vastgestelde proefomgangscontacten begeleid worden.
Wettelijke uitgangspunten bij zaken betreffende (echt)scheiding en omgang zijn:
- continuering van het gezamenlijk gezag tenzij de rechter, in het belang van het kind, op verzoek
van één of beide ouders één ouder met het gezag belast;
- het kind en de niet-verzorgende ouder met gezamenlijk gezag hebben recht op omgang met
elkaar (1: 377h BW);
- het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar, tenzij de
rechter dit recht ontzegt op basis van één of meerdere in de wet genoemde uitzonderingsgronden
(1: 377a BW);
- de rechter kan op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en degene die in een
nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind tenzij het belang van het kind zich tegen
toewijzing verzet of het kind, dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt (1: 377f BW).
Daarnaast gelden voor de werkwijze van de Raad nog de volgende uitgangspunten:
- De primaire verantwoordelijkheid van ouders, dient te worden erkend en gerespecteerd. De Raad
spreekt de ouders uitdrukkelijk en consequent aan op hun gezamenlijke primaire opvoedingsverantwoordelijkheid
en betracht terughoudendheid bij het overnemen van deze
verantwoordelijkheid. Dit met het doel de ouders in staat te stellen gemeenschappelijk gedragen,
duurzame regelingen tot stand te brengen, met erkenning van het kind als zelfstandige drager van
rechten.
- De Raad bewaakt daarbij dat het belang van het kind bij de totstandkoming van de beoogde
duurzame regelingen, voor de ouders altijd hun allereerste zorg is. Indien bemiddeling/begeleiding
nodig is, wordt daarbij bij voorkeur en voor zover mogelijk, gebruik gemaakt van de beschikbare
voorzieningen (zoals Bureau Jeugdzorg en het Maatschappelijk Werk), teneinde de ouders te
voorzien van passende bijstand bij de uitoefening van hun opvoedingsverantwoordelijkheid.
- Het recht van het kind op het onderhouden van een relatie met zijn beide ouders brengt voor de
Raad de verplichting mee, de ouders te blijven aansporen duurzame regelingen te treffen waarbij
de relatie van het kind met beide ouders wordt behouden en veilig gesteld.
9.1.2 Raadsondersteuning ter zitting
Op verzoek van de rechter ondersteunt de raadsonderzoeker - na schorsing of aanhouding van de
behandeling ter zitting - de ouders bij het, in het belang van de minderjarige, oplossen van hun
conflict over de uitoefening van het gezag, de verblijfplaats en /of de omgang. Het doel is om met hulp
van de raadsonderzoeker alsnog tot onderlinge afspraken over hun kinderen te komen. Deze
ondersteuning vindt plaats in één bemiddelingsgesprek met zonodig nog één vervolggesprek.
9.1.3 Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)
Doel
Het bemiddelen en geven van informatie en/of het uitbrengen van een advies over gezag, verblijfplaats
en /of omgang, naar aanleiding van een verzoek hierover van de rechter.
Specifieke procedure
Deze activiteiten van de Raad vinden plaats binnen een juridische procedure. Met betrekking tot het
uitbrengen van advies over gezag, verblijfplaats en/of omgang, bestaat het onderzoek uit twee fasen:
fase a. - bemiddelen;
fase b. - nadere informatieverzameling en advisering.
Bemiddelingsfase.
Deze fase van het onderzoek start in principe met het uitnodigen van de ouders voor een gezamenlijk
gesprek. De raadsonderzoeker geeft de betrokkenen uitleg omtrent de aanleiding, het doel en de
opzet van het onderzoek en verstrekt, niet later dan tijdens het eerste persoonlijke contact,
foldermateriaal over de werkwijze van de Raad, voor zover dit niet reeds in een eerdere fase heeft
plaatsgevonden. Anders dan in de fase van nadere informatie verzameling en advisering is het in de
bemiddelingsfase niet verplicht de kinderen zelf hierbij te betrekken. De raadsonderzoeker zal in
eerste instantie via een bemiddelingsaanpak proberen om ouders tot gezamenlijke afspraken omtrent
hun kinderen te laten komen met betrekking tot het gezag en/of de verblijfplaats en /of over de
omgangsregeling. De bemiddelingsfase duurt maximaal zes weken. Als de bemiddeling tot resultaat
leidt, doordat de beide ouders hun gezamenlijke verantwoordelijkheid nemen, volstaat de Raad met
het schriftelijk informeren van de rechter over de overeenstemming die de ouders hebben bereikt. Er
wordt geen rapportage opgemaakt. Zodra één van de ouders/ beide ouders dan wel de
raadsonderzoeker gedurende de bemiddelingsfase van oordeel is dat er geen resultaat wordt bereikt,
wordt overgegaan tot de fase van nadere informatieverzameling en advisering.
Nadere informatieverzameling en advisering
Deze fase van het onderzoek is erop gericht de rechter te kunnen adviseren over het gezag, de
verblijfplaats en /of omgangsregeling. Tegelijkertijd blijft de raadsonderzoeker gericht op de
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders. In deze fase kunnen op initiatief van de Raad en /
of op verzoek van de rechtbank proefcontacten plaatsvinden; dit kan overigens ook in de
bemiddelingsfase. Indien de Raad adviseert geen omgangsregeling op te leggen, dient de
ontzegginggrond te worden benoemd en in het rapport te worden gemotiveerd.
Proefomgangscontacten
Naast bovenstaande activiteiten kan door de Raad op verzoek van de rechter een aantal door de
rechter vastgestelde proefomgangscontacten begeleid worden binnen de procedure. De Raad verstrekt
in dit geval informatie over het verloop van deze contacten aan de rechter en adviseert zonodig.
Uitgangspunt is hierbij dat deze contacten (maximaal 5 contacten) binnen een termijn van drie
maanden plaatsvinden. (zie ook 9.1.4.) Indien mogelijk wordt de begeleiding van deze contacten aan
een (hulpverlenings-)instelling overgedragen.
9.1.4 Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders (1:377f BW)
De rechter kan de Raad een onderzoek en advies vragen naar aanleiding van een verzoek om omgang
en/of informatie door een andere persoon dan de ouder. Deze andere persoon moet in een nauwe
persoonlijke betrekking tot het kind staan. In een dergelijk geval is het onderzoek erop gericht –
(anders dan een onderzoek op basis van artikel 1:377a BW) - de rechter te adviseren of het belang van
het kind zich niet verzet tegen vaststelling van een omgangsregeling.
Voor de verdere werkwijze wordt verwezen naar paragraaf 9.1.3.
9.1.5 Voorlopige voorzieningen tijdens de (echt)scheidingsprocedure
Gedurende de scheidingsprocedure kan door beiden of door één van de ouders aan de rechter
verzocht worden de kinderen voorlopig aan één van hen toe te vertrouwen dan wel de verblijfplaats
van het kind bij één van hen te bepalen. Ook kan door beide of door één van de ouders aan de rechter
gevraagd worden een omgangsregeling vast te stellen tussen het kind en de niet verzorgende ouder
voor de duur van de (echt)scheidingsprocedure. De rechter kan hieromtrent onderzoek en advies aan
de Raad vragen. Het onderzoek van de Raad verloopt zoals omschreven in paragraaf 9.1.3.
9.1.6 Beëindiging gezamenlijk gezag (1:253n BW)
Op verzoek van niet of niet meer met elkaar gehuwde ouders of op verzoek van één van hen kan de
rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigen, indien dit in het belang van het kind is.. Dit is mogelijk
op grond van gewijzigde omstandigheden of indien eerder van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan. De rechter bepaalt, uitgaande van het belang van het kind, of en zo ja vervolgens aan wie
van de ouders voortaan het gezag toekomt. De rechter kan daartoe onderzoek en advies van de Raad
vragen. Het onderzoek van de Raad verloopt zoals beschreven in paragraaf 9.1.3.
9.1.7 Gezagswijziging
1. Indien, door een beslissing van de rechter, één ouder met het gezag is belast, kan daarvan
wijziging gevraagd worden op grond van gewijzigde omstandigheden of omdat bij de beslissing is
uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Het verzoek kan worden ingediend door een of
beide ouders. Indien verzocht wordt om alsnog gezamenlijk met het gezag belast te worden, moet
het verzoek van beide ouders afkomstig zijn (1: 253o BW).
[N.B. De kantonrechter is bevoegd indien de te wijzigen beschikking door de kantonrechter werd
gegeven].
2. Indien één ouder het gezag heeft kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van deze ouder en een
ander, die in een nauwe persoonlijk betrekking tot het kind staat, verzoekers gezamenlijk met het
gezag belasten. Indien er een andere ouder is, dienen verzoekers voorafgaand aan het verzoek
tenminste 1 jaar gezamenlijk de zorg voor het kind te hebben gehad, terwijl de verzoekende ouder
minstens 3 jaar alleen met het gezag belast moet zijn geweest. Het verzoek wordt afgewezen
indien, mede in het licht van de belangen van de andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (1:253t BW). Tevens kan een
dergelijk verzoek vergezeld gaan met een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind
in de geslachtsnaam van een van verzoekers. Dit verzoek tot naamswijziging wordt afgewezen als
het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen of als het belang van het kind zich tegen een
toewijzing verzet.
Alvorens tot een beslissing op een van deze verzoeken te komen kan de rechter de Raad om
onderzoek en advies vragen.
Het onderzoek van de Raad verloopt zoals beschreven in paragraaf 9.1.3.
9.2. Adoptie
9.2.1. Inleiding
Door adoptie komen de geadopteerde en de adoptiefouder(s) (en zijn /hun bloedverwanten) in
familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan. Tegelijkertijd houden de familierechtelijke betrekkingen
tussen de geadopteerde en zijn oorspronkelijke ouder(s) en hun bloedverwanten op te bestaan. Adoptie
komt tot stand door een uitspraak van de rechter op verzoek van twee personen (binnen of buiten huwelijk,
van gelijk of verschillend geslacht) of op verzoek van één persoon. (1:227BW)
Het adoptieverzoek kan alleen worden toegewezen als aan de algemene en bijzondere voorwaarden
die in de wet worden gesteld is voldaan.
Als algemene voorwaarde geldt dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind moet zijn.
De bijzondere voorwaarden zijn onder meer:
a. ingeval van eenpersoonsadoptie dient de adoptant het kind gedurende tenminste drie
aaneengesloten jaren hebben verzorgd en opgevoed of, ingeval van adoptie door twee personen,
dienen zij het kind gedurende tenminste een jaar te hebben verzorgd en opgevoed en de relatie
dient tenminste drie jaar te bestaan;
b. ouders dienen niet of niet langer het gezag over het kind te hebben of ingeval van partneradoptie
dient de verzorgende ouder alleen of samen met de partner-adoptant (van het andere geslacht) het
gezag over het kind te hebben;
c. geen der ouders dient het verzoek tegen te spreken;
d. het kind van 12 jaar of ouder dient geen bezwaren te hebben tegen het adoptieverzoek.
Partneradoptie (waaronder verstaan wordt de zgn. stiefouderadoptie) is een vorm van
éénpersoonsadoptie. Hierdoor ontstaat een familierechtelijke relatie tussen het geadopteerde kind en
de degene die heeft geadopteerd. Bij deze vorm van adoptie blijft de familierechtelijke betrekking
tussen het geadopteerde kind en zijn verzorgende ouder (en diens familie) bestaan maar verdwijnt de
familierechtelijke relatie tussen het kind en zijn niet verzorgende ouder.
Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de
familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan de rechtbank bepalen dat deze gerechtigd blijft
tot omgang.
Voorts kunnen alleen gehuwden van verschillend geslacht of één persoon in aanmerking komen voor
een beginseltoestemming om een buitenlands kind ter adoptie in hun gezin op te nemen (art. 1 Wet
opneming Buitenlandse Kinderen voor Adoptie) en derhalve kunnen alleen zij een dergelijk kind
adopteren (zie ook 9.2.2).
Op verzoek van de rechter stelt de Raad een onderzoek in het kader van adoptie in en brengt een
advies uit over de verzochte adoptie, welke in het kennelijk belang van de minderjarige dient te zijn en
waarbij voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat de minderjarige niets meer van zijn ouder(s)
in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.(dit laatste geldt niet bij partneradoptie). Zie voorts
ook hoofdstuk 3.
9.2.2. Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie
(verzoek om beginseltoestemming)
Voorwaarde voor de opneming van een buitenlands kind ter adoptie (dit is een in het buitenland
geboren en wonend kind) in zijn gezin is, dat de Minister van Justitie aan de aspirant adoptiefouder(s)
een verklaring geeft dat hij in beginsel voor die opneming toestemming verleent. Deze
beginseltoestemming wordt pas verleend nadat de Raad een onderzoek heeft ingesteld naar de
geschiktheid van de aspirant-adoptiefouder(s) om een buitenlands kind ter adoptie te verzorgen en op
te voeden en erover advies heeft uitgebracht.
De Minister van Justitie verzoekt de Raad om onderzoek en advies omtrent het verzoek van aspirant
adoptief ouders om een buitenlands kind ter adoptie in hun gezin op te nemen. Mede op basis hiervan
stelt de Minister van Justitie vast of de aspirant-adoptiefouder(s) al dan niet voldoen aan de genoemde
vereisten gesteld bij de “Wet opneming buitenlandse kinderen met het oog op adoptie” (Stbl. 1988, nr.
566, zoals gewijzigd bij de wet van 14 mei 1998, Stbl. 1998, 302).
Om tot het raadsonderzoek toegelaten te worden de volgende wettelijke bepalingen:
Twee personen van verschillend geslacht kunnen, indien zij met elkaar gehuwd zijn, gezamenlijk
een buitenlands kind ter adoptie in hun gezin opnemen en adopteren. Zij moeten het verzoek in
dat geval dan ook gezamenlijk doen.
Opname van een buitenlands adoptiefkind en adoptie van dit kind staat ook open voor één
persoon.
De aspirant-adoptiefouder(s) mogen ten tijde van het indienen van het verzoek bij de Minister van
Justitie de leeftijd van 42 jaar niet bereikt hebben.
Indien één of beiden de leeftijd van 42 jaar bereikt hebben, maar nog niet de leeftijd van 44 jaar,
kan uitsluitend een verzoek ingediend worden voor een beginsel toestemming indien daarbij een
beroep gedaan kan worden op bijzondere omstandigheden. Voor deze aanvragers geldt een aparte
procedure.
Aspirant-adoptiefouder(s) moeten bereid zijn het kind preventief en curatief gangbare medische
behandelingen te doen ondergaan.
Aspirant-adoptief ouders hebben ter voorbereiding op het onderzoek door de Raad de verplichte
voorlichting over opneming en adoptie van een buitenlands kind door de Stichting Adoptie
Voorzieningen, afdeling VIA..
Voor de definitieve toestemming tot opneming van een specifiek buitenlands kind ter adoptie gelden voorts
nog de volgende voorwaarden:
Het op te nemen kind mag, behoudens bijzondere omstandigheden, op het moment van
binnenkomst in Nederland de leeftijd van 6 jaar nog niet bereikt hebben.
het leeftijdsverschil tussen aspirant-adoptief ouder(s) en kind mag behoudens bijzondere
omstandigheden, niet meer dan 40 jaar zijn. (Voor bijzondere omstandigheden: zie hierna bij
specifieke procedure onder 8).
Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)
Op verzoek van de Minister van Justitie stelt de Raad een onderzoek in en adviseert over de geschiktheid
van de aspirant-adoptiefouder(s) voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind te adoptie zoals
aangegeven in het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de
interlandelijke adoptie van 29 mei 1993 en uitgewerkt in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter
adoptie.
Specifieke procedure
1. Het raadsonderzoek wordt niet aangevangen indien de aspirant-adoptiefouder(s) niet kunnen
of willen voldoen aan de volgende twee voorwaarden:
a. aspirant-adoptiefouder(s) c.q. aspirant-adoptiefouder en partner moeten zich akkoord
verklaren met het opvragen door de Raad van een uittreksel uit het Justitieel
Documentatieregister. De Raad hanteert bij de beoordeling van de gegevens uit dit
register dezelfde criteria als bij de justitiële screening van pleeggezinnen (zie hoofdstuk
9,4).
b. aspirant-adoptiefouder(s) c.q. aspirant-adoptief ouder en partner, moeten zich medisch
laten keuren door een arts, die niet de eigen huisarts is, en van deze keuring een
verklaring overleggen.
2. Het onderzoek wordt opgeschort indien blijkt dat:
a. de gezinssituatie gewijzigd is doordat bijvoorbeeld in het gezin een eigen kind wordt
verwacht of minder dan een jaar geleden een kind is geboren of overleden, dan wel
binnen diezelfde termijn een pleegkind is geplaatst of juist uit het gezin naar elders is
geplaatst. Voortzetting van het onderzoek vindt pas plaats een jaar nadat de wijziging in
de gezinssituatie plaatsvond.
b. aspirant-adoptiefouder(s) een vruchtbaarheidsonderzoek of -behandeling ondergaan.
c. indien sprake is van (echt)scheiding van aanvragers dan wel indien een van de
aanvragers is overleden en in beide gevallen de overgebleven aanvrager zijn/haar
verzoek handhaaft, vindt voorzetting van het onderzoek niet eerder plaats dan één jaar
na de betreffende (echt)scheiding/overlijden.
Indien het onderzoek door omstandigheden langer dan twee jaar wordt opgeschort, geeft de
Raad het onderzoek terug aan het Ministerie van Justitie.
3. Het onderzoek is gericht op het verkrijgen van inzicht in de geschiktheid van de aspirantadoptiefouder(
s) en de eventuele (gehuwde) partner voor de verzorging en opvoeding van een
buitenlands adoptiekind, de mogelijke beschermings- en risicofactoren in het gezin van de
aspirant-adoptiefouder(s), die een evenwichtige ontwikkeling tot volwassenheid van het
adoptiekind zouden kunnen belemmeren. Tevens dient in het rapport duidelijk het
gezinssysteem en gezinsverhoudingen beschreven te worden ten behoeve van de matching van
kind en gezin.
De feitelijke situatie waarin het kind terecht komt, bepaalt wie betrokken wordt bij het
gezinsonderzoek. Bij de afweging van genoemde beschermings- en risicofactoren staat het
belang van het kind centraal.
4. In het onderzoek gaat de Raad na hoe de aspirant-adoptiefouder(s) en de eventuele gehuwde)
partner met de voorlichting, die zij vóór het raadsonderzoek hebben ontvangen, zijn
omgegaan. De bereidverklaring van de aspirant adoptief ouders het kind preventief en curatief
gangbare medische behandelingen te laten ondergaan wordt met de aspirant ouders
besproken.
5. Voor de oordeelsvorming van de Raad is het van belang te weten of de aspirantadoptiefouder(
s) en de eventuele (gehuwde) partner bereid zijn het op te nemen adoptiekind
zo spoedig mogelijk voor te lichten over zijn afkomst en voor wat betreft de partner of deze
bereid is financiële en juridische verantwoordelijkheid (ook als de adoptiefouder iets zou
overkomen) te gaan dragen.
6. In het onderzoek van de Raad moet in het licht van het Verdrag inzake de bescherming van
kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie van 29 mei 1993 ten
minste aandacht worden besteed aan:
- de identiteit van aspirant-adoptiefouder(s) en de eventuele (gehuwde) partner;
- hun persoonlijke achtergrond;
- gezinssituatie en medisch verleden;
- hun sociale milieu;
- hun beweegredenen voor adoptie;
- hun geschiktheid om te adopteren en;
- voor welke adoptiefkinderen zij geschikt zouden zijn (eventueel oudere of gehandicapte
kinderen, meer dan één kind tegelijk).
Daarnaast zijn aandachtspunten: hoe de aspirant adoptief ouders omgaan met problemen en
spanningen, waaronder het verwerken van kinderloosheid, de identiteitsvorming van het
adoptiekind, de wensen ten aanzien van het op te nemen adoptiekind, verwachtingen over de
eigen opvoedingsmogelijkheden en mogelijke discriminatie van het buitenlandse kind en
andere bijzonderheden betreffende het kind.
Bij adoptie door een alleenstaande zal extra aandacht dienen te worden besteed aan wat deze
een adoptiekind denkt te kunnen bieden op het terrein van beschikbaarheid en stabiliteit.
Daarnaast dient in het onderzoek aandacht besteed te worden aan het sociale netwerk
waarbinnen de alleenstaande functioneert en wat de personen binnen dit netwerk voor zowel
de aspirant-adoptiefouder en het toekomstige adoptiekind kunnen betekenen. Bij adoptie door
één persoon zal indien deze persoon gehuwd is of duurzaam samenleeft de inhoud van het
onderzoek hetzelfde zijn als wanneer adoptie door twee gehuwden gevraagd wordt.
7. De Minister van Justitie kan de Raad eveneens onderzoek en advies vragen betreffende:
- verlenging van de geldigheidsduur van een beginseltoestemming, die op 3 jaar is
bepaald;
- een eventuele intrekking van de beginseltoestemming;
- de opneming van een tweede of volgend kind;
De Raad gaat bij een dergelijk verzoek om aanvullende informatie na of alle gegevens in het
eerder uitgebrachte gezinsrapport nog valide zijn en tevens of actuele omstandigheden
risicofactoren naar voren brengen, die een positief advies in de weg staan. Dit betekent ook
dat aanvragers opnieuw een medische verklaring (zie 1b) dienen over te leggen en dat
opnieuw informatie uit het Justitiële documentatieregister opgevraagd zal worden door de
Raad.
Bij een verzoek om opname van een tweede en volgend kind onderzoekt de raad naast de
beschermings- en risicofactoren voor het eventuele toekomstig kind, tevens hoe de opname
van het eerste kind is verlopen en hoe het kind in het gezin, ook ten aanzien van de reeds
aanwezige kinderen is ingegroeid en of en zo ja wat de opname van een tweede of volgend
kind voor het gezin en de daarin reeds aanwezige kinderen zal betekenen.
Daarnaast kan de Minister van Justitie de raad om een beperkt dan wel aanvullend onderzoek
advies vragen betreffende de afgifte van een vergunning tot verblijf voor een kind dat minder
dan een jaar tevoren ter adoptie is opgenomen tijdens een periode waarin de aspirantadoptiefouder(
s) hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden (art. 11 Wet opneming
buitenlandse kinderen ter adoptie).
8. De Raad gaat bij verzoeken van de Minister van Justitie om onderzoek naar de aanwezigheid
van bijzondere omstandigheden op grond van art. 5 of 8 Wet opneming buitenlandse kinderen ter
adoptie uit van de Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie van 1 december
2000, artikel 3 lid 3 (Staatscourant 234). Dit betreft respectievelijk de opneming van meer dan
één kind tegelijk, overschrijding van de leeftijdsgrenzen van aspirant- adoptiefouder(s),
overschrijding van het leeftijdsverschil van 40 jaar tussen aspirant-adoptiefouder(s) en het te
adopteren kind en overschrijding van de maximale leeftijdsgrens van het kind.
Wat betreft de leeftijd van aspirant-adoptiefouder(s) is het niet meer mogelijk een beroep te
doen op bijzondere omstandigheden indien beide aspirant-adoptiefouders ten tijde van het
indienen van het verzoek aan de Minister van Justitie de leeftijd van 44 jaar hebben bereikt, of
indien redelijkerwijs te verwachten is dat de oudste aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van
de beslissing over de verlening van een beginseltoestemming de leeftijd van 46 zal hebben
bereikt. Een alleenstaande mag ten tijde van het indienen van het verzoek de leeftijd van 44
jaar niet hebben bereikt.
De beoordeling van verzoeken van aspirant-adoptiefouder(s) waarin sprake is van
overschrijding van de leeftijd van 42 jaar vindt plaats op grond van het zogenaamde “neetenzij
principe”. Dat wil zeggen dat het verzoek wordt afgewezen tenzij sprake is van
bijzondere omstandigheden. (zie art 2lid 2 van de richtlijnen opneming buitenlandse kinderen
ter adoptie). Dit geldt ook voor de opname van een tweede of volgend kind als één of beide
adoptiefouders ten tijde van het verzoek om opname van een tweede of volgend kind de
leeftijd van 42 (en nog niet van 44 jaar) hebben bereikt.
Bij de start van het onderzoek stelt een gedragsdeskundige van de Raad een zgn. IBO-profiel
op (Instrumentarium Bijzondere Omstandigheden). Aan de hand van de in dit verband door
de aspirant-adoptiefouder(s) ingevulde vragenlijsten worden mogelijke risico’s voor de
opname van een ouder of gehandicapt adoptiekind afgeleid. Vanwege het hiervoor genoemde
vereiste leeftijdsverschil tussen aspirant-adoptiefouder(s) en het kind, van maximaal 40 jaar,
gaat het in deze gevallen behoudens bijzondere omstandigheden om kinderen van 2 jaar of
ouder. Zie ook de hierboven genoemde Richtlijnen.
Rapportage (zie ook hoofdstuk 3)
Voor de afgifte van de rapportage gelden aanvullende regels:
Alle rapporten met betrekking tot onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter
adoptie en welke een positief advies tot opneming bevatten mogen op grond van de wet niet worden
afgegeven aan aspirant adoptief ouders ook niet in conceptvorm.
Voorzover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd is deze zelf
verantwoordelijk voor de bespreking hiervan; ook hierbij geldt dat bij een positief advies geen afgifte
van de (deel-)rapportage plaats vindt.
Alvorens het definitieve rapport wordt verstuurd, stelt de Raad de aspirant adoptiefouders in de
gelegenheid binnen twee weken het rapport in te zien teneinde te kunnen verifiëren of en op welke
wijze het commentaar in het rapport is verwerkt. Het definitieve rapport wordt door het Ministerie van
Justitie doorgestuurd aan de vergunninghouder. Indien de Raad negatief adviseert en het Ministerie
van Justitie op grond daarvan geen beginseltoestemming verleent, kan afgifte van de rapportage door
het Ministerie van Justitie plaatsvinden.
9.2.3. Onderzoeken voor opneming van een in Nederland geboren kind ter adoptie
Indien in Nederland een kind geboren wordt dat ter adoptie wordt afgestaan (zie 8.1.5.) of dat langs
andere weg voor adoptie in aanmerking komt, worden aspirant-adoptiefouder(s) benaderd die reeds
het onderzoek voor opname van een buitenlands kind ter adoptie positief hebben doorlopen en van
wie aantekening gemaakt is, dat zij geschikt en bereid zijn een in Nederland afgestaan kind te
adopteren.
Bij de keuze van de aspirant adoptief ouders wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de
specifieke behoeften van het kind en de eventuele wensen van de afstandsouder(s).
De Raad bevordert dat het kind in beginsel na verblijf van drie maanden op neutraal terrein (zie 8.1.5)
en de afstandsverklaring door de betreffende ouder(s), zo spoedig mogelijk bij de aspirantadoptiefouders
wordt geplaatst. De Raad wijst zowel de afstandsouder(s) als de aspirantadoptiefouder(
s) erop dat de toestemming tot adoptie door de afstandsouder(s) kan worden
ingetrokken totdat op het adoptieverzoek door de rechter is beslist.
De Raad zal met de in aanmerking komende aspirant-adoptiefouder(s) een aanvullend contact
hebben over de mogelijke plaatsing van het kind en de eventuele wensen van de afstandsouder(s) en
over de vraag hoe zij na een eventuele plaatsing van een kind denken te zullen omgaan met het
desgevraagd informeren van de afstandsouder(s) over de ontwikkeling van het kind en vragen van het
kind over zijn herkomst en de bereidheid tot eventueel contact mat de afstandsouder(s).
De bereidheid van aspirant-adoptiefouder(s) tot het geven van de gevraagde informatie is van
wezenlijk belang.
9.2.4. Draagmoederschap
Specifieke procedure (zie ook hoofdstuk 3)
De overheid in Nederland voert ten aanzien van draagmoederschap een terughoudend beleid.
Dit zal meegedeeld worden indien vóór de bevruchting aan de Raad vragen worden gesteld. Als de
Raad vóór de bevruchting wordt benaderd, verwijst de Raad de betrokken echtparen door naar de
Fiom en advocatuur voor voorlichting en informatie.
Indien wensouders een kind willen opnemen binnen 6 maanden na de geboorte, moeten zij daartoe
vooraf schriftelijk toestemming aan de Raad vragen (art.1: 241, lid 3 BW). Bovendien zijn zij verplicht
binnen een week na opneming van een kind in hun gezin, ook indien dit kind ouder is dan 6
maanden, Burgemeester en Wethouders van de gemeente waar het pleegkind verblijft schriftelijk
daarvan in kennis te stellen (art. 5 Pleegkinderenwet). Nalaten van een en ander is strafbaar. De
gemeente dient deze melding door te geven aan de Raad, die een onderzoek kan instellen; in dit
onderzoek komen dezelfde aandachtspunten aan de orde als bij een onderzoek voor
beginseltoestemming (zie 9.2.2.). Naast het doen van aangifte zal tevens aandacht worden geschonken
aan de belangen van het kind als deze zonder de verplichte formaliteiten toestemming van de Raad in
het gezin is opgenomen.
Als opname in het wensgezin plaats vindt en goed verloopt kan de Raad gevraagd worden de
ontheffing van de moeder c.q. de ouders aanhangig te maken, zulks ter voorbereiding op adoptie.
Zie ook 8.1.5.
9.2.5. Partneradoptie (vorm van éénpersoonsadoptie)
Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)
Op verzoek van de rechter stelt de Raad een onderzoek in en brengt advies uit over de verzochte
adoptie, die in het kennelijk belang van de minderjarige dient te zijn. Voorts dient de adoptie aan de
wettelijke bepalingen te voldoen .(1:227 en 228 BW).
Bijzondere voorwaarden voor partneradoptie zijn:
1. dat de verzorgende ouder alleen of samen met de partner het gezag heeft.
2. dat de adoptant en de ouder het kind gedurende ten minste drie aaneengesloten jaren hebben
verzorgd en opgevoed.
3. De ouder niet-gezagsdrager van het kind de adoptie niet tegenspreekt; in bijzondere gevallen kan
hieraan worden voorbijgegaan.(1:228BW)
In het onderzoek door de Raad wordt ook aandacht besteed aan de vraag of het kind wordt voorgelicht door
de ouder en partner over zijn biologische afkomst. Tevens dient aandacht te worden besteed aan de relatie
tussen het kind en de ouder-niet-gezagsdrager (eventuele omgangsregeling).
Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met de ouder-niet-gezagsdrager, ten aanzien
van wie de familierechtelijke betrekkingen met het kind ophouden te bestaan, kan de rechter bepalen dat zij
gerechtigd blijven tot omgang met elkaar.(1:229 BW).
9.3. Afstammingsvragen
De Raad wordt regelmatig geconfronteerd met verzoeken in verband met afstamming. Hiervan kan
sprake zijn in zogenoemde post-adoptiezaken, maar ook in beschermingszaken (in het bijzonder
terzake opvoedingsproblemen). Voor hulp bij verzoeken ten aanzien van eerstgenoemde zaken worden
cliënten veelal verwezen naar de FIOM.
Er kunnen twee typen verzoeken worden onderscheiden namelijk
1. verzoeken om informatie en
2. verzoeken om bemiddeling.
Beide soorten verzoeken kunnen afkomstig zijn van (afstands-)ouders, en van kinderen (al dan niet
geadopteerd) en adoptief- of pleegouders.
ad 1. Een verzoek om informatie kan betreffen:
- informatie uit eventueel bij de Raad aanwezige documenten over het kind, de adoptief- of
pleegouders en de (afstands-)ouder(s).
Op een dergelijk verzoek zijn de uitgangspunten van de Wet bescherming persoonsgegevens van
toepassing (zie hoofdstuk 5). Voor een kind geldt daarbij dat hij recht heeft te weten van wie hij
afstamt. Dit betekent echter niet dat hij zonder meer inzage in of afgifte van alle eventueel aanwezige
informatie krijgt.
ad 2. Een verzoek om bemiddeling kan betreffen:
- informatie over het kind, de adoptief- of pleegouders en de (afstands-)ouders welke niet bij de
Raad berust;
- de wens van de (afstands-)ouder(s) om in contact te komen met het kind of de wens van het
kind om in contact te komen met de (afstands-)ouder(s).
Voor zover deze verzoeken niet verwezen zijn naar de FIOM, zal de Raad een gesprek hebben met de
verzoeker voor toelichting op het verzoek. Tevens zal de raad op zeer zorgvuldige wijze pogingen doen
om in contact te komen met het kind c.q. de ouder teneinde te kunnen bemiddelen ten aanzien van
het verzoek om informatie of contact.
9.4 Justitiële screening,
Toezicht pleegkinderen,
Toezicht voogdijpupillen
9.4.1 De justitiële screening van (aspirant)pleeggezinnen (zie ook hoofdstuk 3)
Alle pleeggezinnen die in verband met de plaatsing van een minderjarige in hun gezin subsidie
ontvangen in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening, moeten over een door de Raad
afgegeven ‘Verklaring van geen bezwaar’ beschikken (artikel 19 vierde lid van het Besluit
Kwaliteitsregels Jeugdhulpverlening). Deze verklaring wordt aangevraagd door een voorziening voor
pleegzorg. De aanvrager informeert de aspirant-pleegouders hierover.
Deze justitiële screening gaat vooraf aan het pleegouderonderzoek door de voorziening voor pleegzorg,
die beoordeelt of een pleeggezin geschikt is om een pleegkind te verzorgen en op te voeden.
Doel van de justitiële screening
Onderzoeken of er sprake is van bezwarende feiten of omstandigheden die het afgeven van een
Verklaring van geen bezwaar in de weg staan.
Procedure
Via de voorziening van pleegzorg ontvangt de Raad, in wiens arrondissement de aspirant pleegouders
wonen, de schriftelijke toestemming van de aspirant pleegouders en van alle op dat adres inwonenden
vanaf 12 jaar om gegevens uit het justitieel documentatieregister op te vragen.
- De Raad beziet allereerst of de gegevens uit de Gemeentelijke Basis Administratie overeenstemmen
met de door de aspirant pleegouders en de inwonenden verstrekte gegevens. Daarna raadpleegt
de Raad het eigen archief – en indien aspirant pleegouders binnen 5 jaar vanuit een ander
arrondissement zijn verhuisd ook het archief van de vestiging van de toenmalige woonplaats van
de aspirant pleegouders;
- De Raad vraagt de gegevens op uit het justitieel documentatieregister;
- Vervolgens moet worden afgewogen of er redenen zijn die een afgifte van een Verklaring in de weg
staan. Bedoelde verklaring wordt afgegeven tenzij de ingewonnen informatie duidt op zodanige
gedragingen, mentaliteit of omstandigheden van (één van) de aspirant-pleegouders, andere
gezinsleden of bewoners, dat plaatsing van een pleegkind een gevaar voor het welzijn van deze
minderjarige zou opleveren.
Dit gevaar is in beginsel aanwezig indien er sprake is geweest van:
- in eerdere contacten van de Raad met het pleeggezin in verzorgings- of
opvoedingsproblematiek
- een strafrechtelijke afdoening inzake geweldsdelicten, ernstige vermogensdelicten en
oplichtingsmisdrijven;
- strafrechtelijke afdoeningen inzake overtredingen van zodanige aard en /of frequentie dat
hieruit een gering verantwoordelijkheidsbesef blijkt;
- zaken ook als deze geseponeerd zijn, die aanleiding geven tot mogelijke bijzondere risico’s,
zoals verdenking van zedenmisdrijven of kindermishandeling;
- Bij strafrechtelijke afdoening inzake zedendelict of kindermishandeling wordt de afgifte van een
Verklaring van geen bezwaar altijd geweigerd.
Indien de Raad voornemens is de afgifte van een Verklaring van geen bezwaar te weigeren, nodigt de
Raad de aspirant-pleegouders uit om toelichting te geven en /of aanvullende informatie te vragen. De
gegeven informatie kan leiden tot wijziging van het voornemen tot weigering van de afgifte van de
Verklaring van geen bezwaar dan wel de Verklaring van geen bezwaar alleen af te geven met betrekking
tot de plaatsing van een specifiek kind.
Bij een weigering van afgifte van een Verklaring van geen bezwaar worden de aspirant pleegouders in
de gelegenheid gesteld om hun verzoek in te trekken en de Raad daarover binnen 14 dagen te
berichten. Indien de aspirant pleegouders hun verzoek niet intrekken, ontvangt de voorziening van
pleegzorg mededeling van het niet verstrekken van een Verklaring van geen bezwaar, zonder dat op de
inhoud van het justitieel documentatie register wordt ingegaan. De aspirant pleegouders ontvangen
een gemotiveerd besluit met de mededeling dat zij de mogelijkheid hebben bezwaar aan te tekenen
(zie ook hoofdstuk 6.2.).
Termijn
Indien de zaak op stukken afgedaan kan worden, wordt het onderzoek afgesloten binnen 4 weken
vanaf de ontvangst van het betreffende verzoek.
Deze termijn bedraagt 8 weken indien contact met de aspirant pleegouders noodzakelijk is.
Indien een pleeggezin voor een periode van twee jaar of langer niet feitelijk als pleeggezin heeft
gefunctioneerd, dient een nieuwe Verklaring van geen bezwaar bij de Raad voor de Kinderbescherming
te worden aangevraagd.
9.4.2. Toezicht Pleegkinderenwet
Indien er een redelijk vermoeden bestaat dat er in een pleeggezin (of een in deze wet bedoelde
inrichting) misstanden heersen of dreigen te ontstaan, stelt de Raad een onderzoek in naar het
pleegkind3 en het gezin (of de inrichting) waar het kind wordt verzorgd en opgevoed.
(NB: de wet sluit een aantal situaties uit van dit toezicht door de Raad, indien er reeds op andere wijze
toezicht wordt uitgeoefend).
De Raad heeft op grond van deze wet een aantal bevoegdheden. Zo mag de Raad vorderen dat het kind
hem getoond wordt, en is hij bevoegd zonder toestemming van de bewoner een woning te betreden
indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat daar een pleegkind wordt verzorgd en opgevoed.
De Raad kan de volgende besluiten nemen:
- verbod dat het kind langer in het pleeggezin (of de inrichting) verblijft;
- verbod om verder nog pleegkinderen te verzorgen en op te voeden;
- het stellen van voorwaarden.
De hiervoor genoemde besluiten moeten onverwijld door een deurwaarder aan betrokkenen betekend
worden. Betrokkenen kunnen binnen 14 dagen aan de rechtbank vernietiging verzoeken van het
besluit.
Met het oog op vorenstaande toezichthoudende taak van de Raad zijn degenen die de verzorging en
opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen verplicht van deze opneming binnen een week
schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het pleegkind
verblijft.
9.4.3. Toezicht voogdijpupillen (1:305 BW)
Een voogdij-instelling die een aan hem toevertrouwde minderjarige plaatst, stelt de raad schriftelijk op
de hoogte van de plaats waar de minderjarige zich bevindt.
Zo vaak als de Raad dit ter beoordeling van de situatie van de minderjarige nodig acht, bezoekt de
Raad de plaats, waar de voogdij-instelling de minderjarige heeft geplaatst. Tegenwerking door de
voogdij-instelling levert een ontzettingsgrond op (1:328 BW). Voorts kan de kantonrechter de Raad
verzoeken art 1: 365-367 BW) bij het in gebreke blijven van de wettelijke plichten de voogd, een
onderzoek in te stellen om zonodig een verzoek bij de rechtbank in te dienen tot ontzetting van de
voogd uit de voogdij.
3 Volgens art. 1, lid 1 van de Pleegkinderenwet is een pleegkind een kind jonger dan 18 jaar, dat bij anderen dan zijn ouders,
voogden of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad wordt verzorgd en opgevoed.
9.5 Meerderjarigverklaring
De minderjarige ongehuwde moeder kan, als zij de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, de kinderrechter
verzoeken om haar meerderjarig te verklaren en haar met het gezag te belasten. Als uitgangspunt
wordt gehanteerd dat de minderjarige zelf actie onderneemt richting kinderrechter. Het verzoek kan
ten behoeve van de minderjarige moeder ook door de Raad worden gedaan. Deze heeft hiervoor de
schriftelijke toestemming van de minderjarige moeder nodig. De kinderrechter willigt het verzoek in,
indien hij dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk oordeelt.
Doel van het onderzoek
Wanneer de kinderrechter de Raad om onderzoek en advies vraagt, onderzoekt de Raad of de
meerderjarigverklaring in het belang van de moeder en haar kind is en adviseert hierover de rechter..
Inhoud van het onderzoek
- Nagaan of de moeder in staat is het kind te verzorgen en op te voeden. Aan de wens van de
minderjarige moeder wordt zwaar gewicht toegekend.
- De vader-erkenner dient in het onderzoek betrokken te worden. Hij kan namelijk ook het gezag
vragen.
- Indien reeds in het gezag over het kind is voorzien, moet die gezagsdrager in het onderzoek
worden betrokken.
- De Raad overlegt met de instellingen die eventueel betrokken zijn bij de begeleiding van de
minderjarige moeder.
- In het algemeen worden degenen die het gezag over de minderjarige moeder hebben (dit kunnen
de ouders van de minderjarige moeder zijn) in het onderzoek betrokken. Indien het in het belang
van de minderjarige moeder en het kind nodig is kan ervan worden afgezien degenen die het
gezag over de minderjarige moeder hebben in het onderzoek te betrekken. De Raad zal dit moeten
motiveren in zijn rapport. Degene(n) die het gezag over de minderjarige moeder heeft /hebben zal
/zullen als belanghebbende(n) in de procedure door de kinderrechter worden opgeroepen.
9.6. Huwelijksdispensatie
Om een huwelijk te mogen aangaan moeten man en vrouw de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.
Indien degenen die met elkaar willen huwen beiden de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en de vrouw
een verklaring van een arts overlegt dat zij zwanger is of reeds een kind ter wereld heeft gebracht,
vervalt het vereiste van de 18-jarige leeftijd. Dit laat echter onverlet dat een minderjarige de
toestemming van de ouder(s) nodig heeft om te mogen huwen en indien van toepassing ook die van
de voogd(en). Een toestemming kan worden vervangen door die van de kantonrechter.
Indien iemand een huwelijk wil aangaan terwijl niet aan het leeftijdsvereiste van 18 jaar is voldaan en
evenmin sprake is van de hiervoor genoemde situatie kan de minister van justitie om gewichtige
redenen ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste (d.i. huwelijksdispensatie).
De minister vraagt daartoe een onderzoek aan het Openbaar Ministerie en stuurt gelijktijdig een kopie
van het verzoek tot huwelijksdispensatie naar de Raad met het verzoek om advies uit te brengen aan
het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie verzoekt de politie terzake een ‘staat van
inlichtingen’ op te maken. De Raad gaat na of hij gegevens heeft van (een van) de aspirant echtgenoten
en neemt contact op met de politie om te overleggen of op dat moment in het belang van de
minderjarige reeds bemoeienis van de Raad nodig is. Is dat het geval dan neemt de Raad na vier weken
opnieuw contact op met de politie. De door de Raad te verstrekken informatie zal veelal mogelijk zijn
aan de hand van de door de politie aangedragen informatie.
Voor het geval onderzoek van de Raad aangewezen is, wordt verwezen naar hoofdstuk 8.1 en 3.
Termijn
Binnen zes weken na ontvangst van het verzoek van de minister van justitie, brengt de Raad advies uit
aan de officier van justitie.
9.7 Naamswijziging
9.7.1. Inleiding
Indien aan de Minister van Justitie wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige wordt
gevraagd en één van de ouders of beide ouders bezwaar maakt /maken, dient de Raad op verzoek van
de Minister van Justitie onderzoek in te stellen en advies uit te brengen.
Indien geslachtsnaamswijziging tegelijkertijd wordt gevraagd met een verzoek om gezamenlijk gezag of
voogdij is de rechter de bevoegde instantie en kan de rechter onderzoek en advies vragen aan de
Raad omtrent het verzoek om naamswijziging en gezamenlijk gezag.
9.7.2. Onderzoek (zie ook hoofdstuk 3)
Doel
Op basis van een verzoek van de Minister van Justitie of de rechter zal de raad een onderzoek in
stellen en op systematische en procesmatige wijze relevante gegevens verzamelen om te kunnen
adviseren met betrekking tot het verzoek om naamswijziging, waarbij wordt nagegaan of het belang
van het kind zich tegen inwilliging van het verzoek verzet.
Nadere Procedure
Uitgegaan wordt van de feitelijke omstandigheden zoals deze worden aangetroffen en niet van het
ontstaan van omstandigheden en in de rol die ieder van de ouders hierbij gespeeld heeft. Dit wordt de
betrokkenen duidelijk uitgelegd.
Zodra het verzoek of het bezwaar wordt ingetrokken, bericht de Raad dit schriftelijk aan de overige
betrokkenen en aan het Ministerie van Justitie.
Het verzoek wordt getoetst aan de volgende vijf criteria:
1. is het kind voorgelicht omtrent zijn afkomst (zgn. statusvoorlichting)?
2. eenheid van naam in het gezin;
3. voert het kind de gevraagde naam reeds in de praktijk en hoe lang doet het dit al?
4. de rol die beide ouders in het leven van het kind hebben, alsmede de contacten tussen het kind en
de beide ouders;
5. wordt de bestaande gezinssituatie door het kind geaccepteerd?
Rapportage (Zie ook hoofdstuk 3)
In het onderzoek en de rapportage wordt in elk geval aan de volgende aspecten aandacht besteed:
-de motieven van de verzoeker om naamswijziging te vragen;
-de vijf genoemde criteria worden alle belicht;
-de mening van de minderjarige (in elk geval die van de minderjarige van 12 jaar en ouder).
De Raad adviseert negatief, indien de minderjarige van twaalf jaar of ouder weigert in te stemmen met
de verzochte naamswijziging of indien de belangen van het kind zich tegen inwilliging verzetten.
9.7.3. Overgang naar /samenloop met onderzoek omgangsregeling
De (eventuele) naamswijziging is geen beletsel voor het hebben van omgang tussen het kind en de
niet- verzorgende ouder. Indien naar aanleiding van het naamswijzigingonderzoek de niet-verzorgende
ouder, die geen contact (meer) heeft met zijn kind (weer) een omgangsregeling op gang wil brengen,
legt de raadsonderzoeker de ouder de mogelijkheden voor het verkrijgen van een omgangsregeling
(vrijwillig of via een procedure) uit. Verwezen wordt naar hoofdstuk 9.1. Dit laat onverlet dat het advies
omtrent het verzoek om naamswijziging aan het Ministerie van Justitie wordt uitgebracht.
Indien de rechtbank (ingeval van een aangespannen procedure voor het verkrijgen van een
omgangsregeling) de Raad (vervolgens) om advies vraagt dan wel het de Raad wenselijk voorkomt
ongevraagd te adviseren, kan de Raad hierbij binnen een tijdsbestek van één jaar gebruik maken van
de informatie die tijdens het naamswijzigingonderzoek is verkregen.
Beleidsaanwijzingen in Strafzaken
10.1 Inleiding
10.2 Voorlichting, advies en selectie
10.2.1 Basisonderzoek
10.2.2 Vervolgonderzoek
10.2.3 Uitbreiding naar onderzoek opvoedingsproblemen
10.3 Coördinatie Taakstraffen
10.4 Casusregie
10 Strafzaken
10.1 Inleiding
De Raad heeft verschillende taken in het kader van het jeugdstrafrecht. Binnen het jeugdstrafrecht behartigt de Raad de belangen van de minderjarige in die zin dat specifiek /pedagogisch gereageerd kan worden op strafbare feiten gepleegd door minderjarigen. De Raad heeft een voorlichtings- en adviesfunctie naar de officier van justitie, de kinderrechter en de rechter commissaris; daarnaast heeft de Raad een selectiefunctie ,waarbij bezien wordt of het criminele gedrag van de minderjarige een signaal is van achterliggende problematiek en of hulpverlening noodzakelijk is. Ook voert de Raad de regiefunctie zowel in individuele zaken als algemene beleidsmatige zaken. Tenslotte voert de Raad de coördinatie uit van de uitvoering van de taakstraffen. Het jeugdstraf(proces)recht is van toepassing op minderjarigen van 12 jaar en ouder. De politie bepaalt of er proces-verbaal wordt opgemaakt indien een strafbaar feit is gepleegd. Naar aanleiding van een opgemaakt proces-verbaal dan wel een inverzekeringstelling meldt de politie een minderjarige van 12 jaar en ouder aan bij de Raad. Tevens zal de politie bij het bureau Jeugdzorg en in het geval deze nog niet operationeel zijn bij de Raad minderjarigen melden, die jonger zijn dan 12 jaar wanneer - een ernstig strafbaar feit is gepleegd, waarvoor voor minderjarigen ouder dan 12 jaar geen HALTafdoening zou zijn toegestaan (HALT betreft een afdoening buiten het justitiële circuit voor overtredingen en voor bepaalde misdrijven met schade tot een bepaald bedrag);
- er opnieuw een strafbaar feit is gepleegd;
- er sprake is van een serieus vermoeden van achterliggende problematiek.
Naast de politie kan ook een leerplichtambtenaar een proces-verbaal opmaken tegen een minderjarige van 12 jaar en ouder en het schoolverzuim aan de Raad voor de Kinderbescherming melden.
De taken van de Raad op strafrechtsgebied betreffen:
1 Basisonderzoek:
a. Naar aanleiding van een melding door de politie of de leerplichtambtenaar stelt de Raad een kortdurend onderzoek in, het zgn. basisonderzoek.
b. Vroeghulp is een specifieke vorm van het basisonderzoek dat wordt uitgevoerd na een melding inverzekeringstelling.
2 Vervolgonderzoek:
Desgevraagd dan wel op eigen initiatief stelt de Raad in overleg met de Officier van Justitie een nader onderzoek in en verstrekt de Officier van Justitie en de rechter, als de jongen wordt gedagvaard een uitgebreid voorlichtingsrapport.
3 Coördinatie Taakstraffen:
De Raad is belast met de voorbereiding, ondersteuning en afronding van de tenuitvoerlegging van taakstraffen voor minderjarigen.
4. Casusregie
De Raad voert de casusregie met als doel de samenhang tussen de ketenpartners die met jeugdreclasseringstaken zijn belast te bevorderen. Hiertoe behoren de Raad zelf, het Bureau Jeugdzorg/ de gezinsvoogdij-instelling (afdeling jeugdreclassering) en de Stichting Reclassering Nederland. Voorts betreft het de samenhang van deze jeugdreclasseringsactiviteiten met de activiteiten van andere instanties binnen de jeugdstrafrechtpleging (politie, parket van de Officier van Justitie, rechtbank en Justitiële Jeugdinrichtingen).
10.2 Voorlichting, advies en selectie
10.2.1 Basisonderzoek
Inleiding
Het basisonderzoek vindt plaats hetzij naar aanleiding van een melding proces-verbaal of inverzekeringstelling door de politie, hetzij naar aanleiding van een melding proces-verbaal door een leerplichtambtenaar. Ook wordt er een basisonderzoek ingesteld als de politie een minderjarige beneden de leeftijd van 12 jaar bij de Raad heeft gemeld vanwege het plegen van een strafbaar feit (zie Inleiding 10.1) Ingeval van inverzekeringstelling vindt het basisonderzoek plaats bij wijze van “vroeghulp”. Voor zover niet anders vermeld geldt het volgende voor alle basisonderzoeken.
Doel
Doel is het instellen van een onderzoek na melding proces-verbaal en maken van een selectie: de Raad beziet of het (incidenteel) delictgedrag een signaal van onderliggende problematiek betreft. Voorts vindt er ten aanzien van de minderjarige van 12 jaar en ouder op grond van dit onderzoek voorlichting aan de Officier van Justitie en/of de rechter(-commissaris) plaats over de persoon en de omstandigheden van de minderjarige al dan niet voorzien van een strafadvies.
Uitvoering van het basisonderzoek
Uitgangspunt is, dat zowel na melding proces-verbaal als na melding inverzekeringstelling steeds een basisonderzoek plaatsvindt; uitzondering hierop in de volgende gevallen:
- wanneer m.b.t. de minderjarige korter dan een half jaar tevoren een basisonderzoek is ingesteld. In dat geval beziet de Raad of een vervolgonderzoek moet worden ingesteld;
- wanneer de Raad reeds een verdergaande bemoeienis heeft (gehad), al dan niet via een strafzaak die korter dan een half jaar tevoren is afgerond. In dat geval beziet de Raad wat er moet gebeuren (bijvoorbeeld doorverwijzen naar de jeugdreclassering). Na melding inverzekeringstelling worden de minderjarige en zo mogelijk ook de ouders in principe op dezelfde dag bezocht, ook wanneer de melding in het weekend of op een feestdag plaatsvindt.
- De raadsonderzoeker geeft betrokkenen uitleg omtrent de aanleiding, het doel en de opzet van het onderzoek en verstrekt, niet later dan tijdens het eerste contact, foldermateriaal over de werkwijze van de Raad voor zover dit niet in een eerdere fase heeft plaatsgevonden;
- Direct na ontvangst van de melding raadpleegt de Raad het Cliënt Volg Systeem (CVS);
- Het basisonderzoek vindt plaats op een gestandaardiseerde wijze, zo veel mogelijk met gebruikmaking van het screeningsinstrument strafzaken (BARO, Basis Raadsonderzoek) De Raad verzamelt informatie over de persoon van de minderjarige, diens woon- en gezinssituatie, zijn school of werk en zijn vrije tijdsbesteding. Voorts vindt bespreking plaats van het delict. In geval van inverzekeringstelling wordt zonodig spoedeisende hulp verleend aan de minderjarige. Ook heeft de raadsonderzoeker tijdens de vroeghulp aandacht voor praktische zaken die verband houden met het verblijf van de minderjarige op het politiebureau;
- In het onderzoek wordt gesproken met de minderjarige en diens ouders, en zo mogelijk met tenminste één informant, bijvoorbeeld de school. Wanneer de BARO gebruikt wordt, vinden de gesprekken met de jeugdige en diens ouders afzonderlijk plaats;
- Wanneer het delict tot materiële schade heeft geleid gaat de Raad na of een schaderegeling met het slachtoffer is getroffen, dan wel of een schaderegeling tot de mogelijkheden behoort en vermeldt dit in het rapport. De Raad maakt niet zelf nadere afspraken over een eventuele schaderegeling en voert deze evenmin uit.
Termijn
De termijn bedraagt maximaal 40 kalenderdagen en vangt aan op de dag dat de melding procesverbaal is ontvangen en eindigt op de dag dat het definitieve rapport is verstuurd. Van deze termijn kan in uitzonderingssituaties gemotiveerd worden afgeweken. De betrokkenen worden van de verlenging van de termijn en de redenen daarvoor tijdig in kennis gesteld. Tevens wordt een nieuwe termijn aangegeven. In geval van inverzekeringstelling zorgt de Raad ervoor dat de Officier van Justitie over het rapport beschikt voordat de minderjarige aan hem wordt voorgeleid (de maximale termijn van inverzekeringstelling bedraagt 3 dagen en 15 uur).
Afsluiting onderzoek
Betreft het een minderjarige van 12 jaar of ouder dan wordt op grond van de verzamelde informatie een rapport opgesteld, ten behoeve van de eventuele voorgeleiding c.q. de verdere afdoening van de strafzaak, met advies aan de Officier van Justitie en /of de rechter(-commissaris). In het rapport wordt advies gegeven, vooral gebaseerd op pedagogische overwegingen, ten behoeve van de beslissing van de rechter en de Officier van Justitie; daartoe dient de rapportage binnen de eerdergenoemde termijnen voor hen beschikbaar te zijn. Ingeval van inverzekeringstelling dient de advisering tevens voor de beslissing van de rechtercommissaris om de voorlopige hechtenis van de minderjarige al of niet te schorsen en zo ja onder welke voorwaarden dat eventueel zou moeten gebeuren. Verder kan geadviseerd worden over de vraag of een persoonlijkheidsonderzoek gewenst is, waar en hoe (al of niet ambulant) dat eventueel het beste uitgevoerd kan worden en welke onderzoeksvragen dan van belang zouden kunnen zijn.
Het rapport wordt aan betrokkenen toegezonden onder aanbieding van de mogelijkheid tot een gesprek of een schriftelijke reactie.
Hoofdstuk 3 is wel van toepassing m.b.t. het onderzoek maar niet van toepassing op rapportage over het basisonderzoek. Wel geldt de alinea betreffende ondertekening.
10.2.2 Vervolgonderzoek
Inleiding
Indien daartoe blijkens het basisonderzoek aanleiding bestaat, stelt de Raad desgevraagd of uit eigen beweging een vervolgonderzoek in. Meestal zal dit op verzoek van de justitiële autoriteiten gebeuren. Wanneer er korter dan een half jaar tevoren reeds een basisonderzoek heeft plaatsgevonden, kan rechtstreeks tot een vervolgonderzoek worden besloten. In ieder geval dient alvorens tot een vervolgonderzoek wordt overgegaan, eerst overleg met de Officier van Justitie plaats te vinden en worden zo mogelijk afstemmingsafspraken gemaakt. Ook kan een Justitiële Jeugdinrichting die Pro Justitia-rapportage verricht aan de raad verzoeken het milieuonderzoek te doen Indien geen nadere rapportage voor de strafafdoening nodig is en de problematiek daartoe aanleiding geeft, kan de Raad ambtshalve beslissen tot het instellen van een beschermingsonderzoek.
Doel
Doel is het instellen van een onderzoek en het verzamelen van relevante gegevens omtrent de persoon en de levensomstandigheden van de jeugdige verdachte van 12 jaar en ouder, teneinde de Officier van Justitie en de kinderrechter uitgebreidere voorlichting te geven. Het onderzoek biedt tevens de mogelijkheid om een doeltreffende oplossing te realiseren ter afwending van de risico’s die de jeugdige in zijn ontwikkeling bedreigen alsmede om de kans op recidive te beperken.
Nadere procedure (zie ook hoofdstuk 3)
Het onderzoek vangt aan op basis van tevoren door de raadsonderzoeker geformuleerde vragen waarbij aansluiting gezocht wordt bij de via het basisonderzoek verkregen informatie. Ook hierbij staat het belang van de minderjarige centraal.
- In het onderzoek moeten behalve de feiten, ook de ontstaansgeschiedenis van de problemen, het gezinspatroon, de persoon van de ouders /opvoeders en de minderjarige, de opvoedingsmogelijkheden van de ouders, de mogelijkheden t.a.v. hulpverlening hulpverleningsgeschiedenis en de toekomstverwachtingen in ogenschouw worden genomen.
- In het onderzoek wordt bij voorkeur eerst met de minderjarige en daarnaast met de betrokken ouders en eventuele verzorgers gesproken. Wanneer niet met de minderjarige en genoemde gezagsdragers en /of verzorgers is gesproken dient dit in het rapport te worden gemotiveerd.
Termijn
De termijn bedraagt maximaal 115 dagen en vangt aan op de dag dat het verzoek tot onderzoek wordt ontvangen en eindigt op de dag dat het definitieve rapport wordt verstuurd. Van deze termijn kan in uitzonderlijke situaties gemotiveerd worden afgeweken en hierover vindt overleg plaats met de officier van justitie. De betrokkenen worden van de verlenging van de termijn en de redenen daarvoor op de hoogte gesteld; tevens wordt een nieuwe termijn aangegeven.
10.3 Coördinatie Taakstraffen voor jeugdigen
Inleiding
Een jeugdige van 12 jaar en ouder tegen wie door de politie proces-verbaal is opgemaakt kan door de Officier van Justitie, in het kader van een transactievoorstel, of door de rechter een taakstraf opgelegd krijgen. De taakstraf is een hoofdstraf en bestaat uit een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide. Bij een werkstraf gaat het om onbetaalde, fysieke arbeid op niet-commerciële of semi-commerciële basis ten dienste van de samenleving gedurende een aantal vastgestelde uren. Bij een leerstraf worden de minderjarige in een verplichtend kader bepaalde vaardigheden bijgebracht of wordt hij geconfronteerd met de gevolgen van zijn daad voor het slachtoffer. De leerstraffen variëren in duur en intensiteit. De Raad is verantwoordelijk voor het aanbod aan projectplaatsen ten behoeve van minderjarige taakgestraften. Hij beschikt daartoe over een gedifferentieerd aanbod van:
a. werkprojectplaatsen, die zinvolle werkzaamheden bieden en op de jeugdige gerichte begeleidingsmogelijkheden, en
b. leerprojecten, welke zoveel mogelijk in relatie staan tot het gepleegde delict en /of problematiek van de jeugdige.
De Raad ziet erop toe dat projectplaatsen zich ten aanzien van minderjarige taakgestraften houden aan de regelgeving omtrent de arbeidsomstandigheden en andere veiligheidsvoorschriften. Tevens houdt de Raadrekening met de regelgeving rond arbeidstijden voor minderjarigen. Met betrekking tot leerstraffen wordt door de Raad onder andere aandacht besteed aan de omstandigheid dat de begeleider van de leerstraf over voldoende kwalificaties beschikt. Wanneer de Raad invoering van een nieuw werk- c.q. leerproject overweegt legt hij dat ter toetsing voor aan het Openbaar Ministerie (OM), aangezien de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van straffen aldaar berust. De Raad draagt er zorg voor dat de rechter, het OM, de verdachte en diens raadsman zich steeds op de hoogte kunnen stellen van gegevens omtrent de beschikbare projectplaatsen voor de tenuitvoerlegging van een taakstraf en de aard van de te verrichten werkzaamheden of de te volgen leerprojecten.
Doel
Het coördineren van taakstraffen door de Raad heeft tot doel door de selectie van een pedagogisch adequate (werk- en /of leer-) projectplaats, door het doen uitvoeren van deze taakstraf door de minderjarige, het houden van toezicht op de uitvoering van de taakstraf en het informeren van de Officier van Justitie over de afloop van de taakstraf een gedragsverandering ten goede bij de minderjarige te bevorderen.
Nadere procedure (zie ook hoofdstuk 3).
Alvorens een minderjarige taakgestrafte overeenkomstig de rechterlijke uitspraak of de door de Officier van Justitie gestelde voorwaarden op een project te plaatsen, heeft de coördinator taakstraffen met hem een persoonlijk gesprek (intake). De ouders /verzorgers van de jeugdige krijgen ook een uitnodiging voor het intakegesprek, tenzij dat op grond van de leeftijd van de betrokken jeugdige of vanwege bijzondere omstandigheden contra geïndiceerd is. Wanneer de jeugdige taakgestrafte niet op de uitnodiging reageert, volgt een herhaalde oproep. Daarbij wordt de minderjarige er uitdrukkelijk op gewezen wat de consequentie is als hij verstek laat gaan. Als, na verificatie van de adresgegevens, ook op de tweede oproep niet wordt gereageerd, wordt daarvan melding gedaan bij het OM. Tijdens het intakegesprek stelt de coördinator taakstraffen de taakgestrafte op de hoogte van de regels, rechten en plichten die gelden bij de tenuitvoerlegging van een taakstraf. De beslissing tot plaatsing wordt, inclusief de gemaakte afspraken, schriftelijk vastgelegd en ondertekend door de taakgestrafte. Deze ontvangt hiervan een afschrift. De schriftelijke beslissing wordt aan het OM gezonden. Bij het bepalen van de feitelijke werkzaamheden of verplichtingen houdt de coördinator taakstraffen rekening met het gepleegde delict, de capaciteiten, mogelijkheden en specifieke omstandigheden van de taakgestrafte alsmede met de reisafstand tot de projectplaats. Middagpauze en reistijden tellen niet als taakstrafuren. De dagen en aanvang- en eindtijden worden zo mogelijk in overleg met de taakgestrafte vastgesteld. De coördinator taakstraffen begeleidt de minderjarige taakgestrafte tijdens diens kennismaking methet project. In het gesprek tussen de coördinator taakstraffen, de betrokken jeugdige en de begeleider van de projectplaats c.q. de begeleider van het leerproject wordt ingegaan op de huisregels van de projectplaats, de werkzaamheden en /of andere verplichtingen, de aanvangsdatum en de tijden waarop de jeugdige op het (werk- c.q. leer-)project aanwezig dient te zijn. Nadat de taakstraf is uitgevoerd vindt een afsluitend contact plaats met de taakgestrafte in de vorm van een evaluerend eindgesprek tussen de coördinator taakstraffen en de taakgestrafte, waarbij wordt nagegaan in hoeverre de gestelde leerdoelen zijn gehaald, althans of het pedagogisch beoogde leereffect is bereikt. Als van een eindgesprek wordt afgezien vindt er in ieder geval een schriftelijke afsluiting plaats. Op basis van het afloopbericht van de contactpersoon c.q. begeleider rapporteert de coördinator taakstraffen aan de Officier van Justitie over het verloop van de taakstraf. De coördinator verwerkt in deze rapportage tevens de bevindingen uit het eindgesprek met de taakgestrafte. Het rapport wordt aan de taakgestrafte en de betrokken ouders toegezonden met het aanbod voor een gesprek, indien betrokkenen aangeven dit te wensen.
Hoofdstuk 3.2 is niet van toepassing op de rapportage met betrekking tot taakstraffen. Wel geldt de alinea betreffende ondertekening.
De tenuitvoerlegging van de taakstraf in bijzondere gevallen:
- Bij bijzondere omstandigheden - zoals onvoldoende beschikbaarheid van werk, een onoplosbaar conflict op de projectplaats, ongeschiktheid van de taakgestrafte voor het werk of het niet aansluiten van verplichtingen bij de specifieke omstandigheden van de taakgestrafte - kan de Officier van Justitie, op verzoek en advies van de Raad, de projectplaats wijzigen, al dan niet met wijziging van de feitelijke werkzaamheden of verplichtingen, en eveneens de werkstraf wijzigen in een leerstraf of omgekeerd. Daarnaast kan de Officier van Justitie ambtshalve of op verzoek van de Raad de termijn waarbinnen de taakstraf moet zijn verricht éénmaal verlengen als blijkt dat de taakgestrafte om redenen die buiten zijn schuld liggen de taakstraf niet binnen de gestelde termijn kan afronden;
- Indien de taakgestrafte de taakstraf niet naar behoren verricht, waaronder ongeoorloofd verzuim, kan de coördinator taakstraffen de taakgestrafte eenmaal een officiële waarschuwing geven;
- De coördinator taakstraffen kan de tenuitvoerlegging van de taakstraf opschorten indien, na een waarschuwing, de taakgestrafte de taakstraf niet naar behoren verricht. Hetzelfde geldt ingeval van ernstige misdraging aan de kant van de taakgestrafte. In alle bovengenoemde gevallen wordt de taakgestrafte, zo mogelijk van tevoren gehoord. Van bovengenoemde omstandigheden wordt verslag opgemaakt, inclusief de mening van de taakgestrafte. Het besluit voor opschorting van de tenuitvoerlegging en de rapportage hierover, al dan niet met advies over het vervolg wordt zo spoedig mogelijk aan de Officier van Justitie gestuurd en in afschrift aan de taakgestrafte en zijn ouders. De taakgestrafte kan schriftelijk, onder opgave van redenen, bezwaar aantekenen tegen de beslissing tot wijziging van de projectplaats of de aard van de werkzaamheden en tegen de beslissing tot het geven van een officiële waarschuwing. Na ontvangst van het bezwaar wordt de verdere tenuitvoerlegging opgeschort. De coördinator taakstraffen zendt het bezwaar, voorzien van de rapportage en bijhorende stukken waaronder een advies terstond naar de Officier van Justitie, die zo spoedig mogelijk op het bezwaar beslist. NB: het aantekenen van bezwaar laat onverlet de mogelijkheid om een klacht (zie hoofdstuk 7) in te dienen.
10. 4 Casusregie
De Raad voert de casusregie uit met als doel de samenhang in de jeugdstrafrechtketen te bevorderen, zodat vroegtijdig, snel en consequent kan worden opgetreden tegen een jeugdige wetsovertreder.
De Raad voert casusregie op twee gebieden:
- De individuele casusregie, met als doel zicht te krijgen en te houden en zo nodig te reageren op het verloop van iedere individuele casus, vanaf het moment dat de jeugdige door de politie, als gevolg van een proces-verbaal of in verzekering stelling, bij de Raad is gemeld tot en met de nazorg na de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel;
- De beleidsregie, welke plaatsvindt in de Arrondissementale Platforms Jeugdcriminaliteit en de beleidsmatige coördinatie van de activiteiten van partners in de jeugdstrafrechtketen omvat. De individuele casusregie dient conform landelijke afspraken zoveel mogelijk uniform te worden uitgevoerd. Op arrondissementaal niveau kunnen nadere afspraken op uitvoeringsniveau tussen de ketenpartners worden gemaakt om de samenwerking op de plaatselijke situatie af te stemmen. De organisatie van de casusregie is nog in opbouw. Daarnaast wordt in ieder arrondissement een casusoverleg ingesteld met als doel dat de betrokken ketenpartners minimaal procedure afspraken maken over de strafrechtelijke afdoening ten aanzien van die jongeren tegen wie de politie proces verbaal heeft opgemaakt. Beoogd wordt om de werkzaamheden van de ketenpartners beter op elkaar af te stemmen en daardoor vroegtijdig, snel en consequent te kunnen reageren op strafbare feiten gepleegd door minderjarigen.
Bijlagen
1 Klachtenprocedure
2 Kinderbeschermingsmaatregelen
3 Richtlijnen externe deskundigen
4 Strafrechtelijke maatregelen
5 Reglement Wet Bescherming Persoonsgegevens primair proces van de Raad voor
de Kinderbescherming
6 Begrippenlijst
7 Lijst met afkortingen
Bijlage 1. Klachtenprocedure
NB: Het voornemen is dat in 2003 zal een nieuw klachtbesluit wordt opgesteld; onderstaand besluit blijft tot de inwerkingtreding van hiervan, van kracht behoudens waar hoofdstuk 9 van de Algemene Wet Bestuursrecht anders voorschrijft. Indien iemand verzoekt om toezending van een folder over de klachtenprocedure van de Raad wordt hem deze toegestuurd binnen vijf dagen. Indien een betrokkene tijdens het onderzoek vraagt naar de klachtmogelijkheden, wordt hem zo spoedig mogelijk de folder over de klachtenprocedure ter hand gesteld. De klachtenprocedure voor de Raad is opgenomen in het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming van 24 juni 1996 (Stbl. 1996, 330). Onderstaand zijn de belangrijkste punten hieruit opgesomd:
a. Een ieder die als belanghebbende of als informant betrokken is bij een bij de Raad in behandeling (geweest) zijnde aangelegenheid (hierna: klager) kan een klacht indienen.
b. De klacht moet een gedraging van een medewerker van de Raad betreffen die gevolgen heeft voor de klager persoonlijk. Onder gedraging wordt verstaan: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een beslissing. Bij beslissingen die ten aanzien van de klager zijn of worden genomen, moet worden gedacht aan feitelijke beslissingen die in het kader van de uitoefening van de taak worden genomen. Dit betekent dat men bijvoorbeeld over de inhoud van een raadsadvies niet kan klagen, maar wel over de wijze waarop een advies tot stand komt. Tevens sluit de regeling uit dat over het algemene beleid dat door de Minister van Justitie is vastgesteld, kan worden geklaagd. Met een klacht over het algemene beleid moet de klager zich tot de minister wenden.
c. Een klacht moet binnen een jaar na de dag waarop de klager kennis heeft gekregen van de gewraakte gedraging worden ingediend. Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk indien blijkt dat de klacht is ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van de klager kon worden verlangd. Dit laatste dient te blijken uit door klager naar voren te brengen feiten en omstandigheden.
d. De klacht moet worden ingediend bij de directeur van het ressort waar de vestiging onder valt. De directeur kan een ander persoon aanwijzen die met de klachtbehandeling wordt belast. Gaat de klacht over een gedraging van een medewerker van het Hoofdkantoor dan dient de klacht te worden ingediend bij de algemeen directeur van de Raad. Betreft een klacht een gedraging van de (algemeen) directeur zelf, dan dient de klager zich direct tot de klachtencommissie te wenden.
e. 1. Een klacht kan mondeling of schriftelijk bij de directeur worden ingediend. De ontvangst van de
klacht dient onverwijld schriftelijk door de directeur aan de klager te worden bevestigd waarbij de
klachtenfolder moet worden meegestuurd.
2. De klager kan zich bij de behandeling van zijn klacht laten bijstaan door een raadsman en/of
een vertrouwenspersoon. Van deze mogelijkheid moet aan klager in de ontvangstbevestiging van
de klacht mededeling worden gedaan.
3. Indien de klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover de Raad een verzoek of een
advies tot de rechter heeft gericht en de rechter over die aangelegenheid nog geen beslissing heeft
genomen, stelt de Raad de rechter onverwijld in kennis van het indienen van de klacht.
4. De directeur onderzoekt de klacht en tracht, samen met de klager en (eventueel) de
medewerker tegen wiens gedraging de klacht is gericht, tot een voor klager aanvaardbare oplossing
te komen. Slaagt hij hierin niet, dan moet hij binnen acht weken na de ontvangstbevestiging van
de klacht, een beslissing op de klacht nemen. De directeur neemt deze beslissing niet dan na de
klager en de medewerker te hebben gehoord.
5. Indien de directeur de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond heeft bevonden, moet deze in zijn
beslissing tevens meedelen of, en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie daaraan worden
verbonden.
f. 1. De klager kan van de beslissing van de directeur binnen zes weken schriftelijk in beroep gaan bij
de onafhankelijke klachtencommissie van het ressort.
2. De klachtencommissie hoort de klager alsmede de medewerker over wiens gedraging wordt
geklaagd en neemt in beginsel uiterlijk zes weken nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt een
schriftelijke met redenen omklede beslissing.
3. Indien een door de klachtencommissie behandelde klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is
bevonden, moet de directeur binnen drie weken na ontvangst van de beslissing van de
klachtencommissie aan de klager schriftelijk meedelen of en zo ja, welke gevolgen binnen de
organisatie daaraan worden verbonden.
4. Bij de behandeling van de zaak voor de klachtencommissie kan zowel de klager als degene over
wiens gedraging wordt geklaagd zich door een raadsman en/of vertrouwenspersoon doen bijstaan.
d. Er is geen hoger beroep mogelijk van een beslissing van de klachtencommissie.
Bijlage 2. Kinderbeschermingsmaatregelen
Ondertoezichtstelling
Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid
ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of,
naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een
gezinsvoogdij-instelling /BJZ. De kinderrechter kan dit doen op verzoek van een ouder, een
pleegouder, de partner van de met het gezag belaste ouder die het kind mede verzorgt, of de Raad voor
de Kinderbescherming, dan wel op verzoek van het Openbaar Ministerie. De duur van de
ondertoezichtstelling wordt op ten hoogste een jaar bepaald. De kinderrechter kan op verzoek de duur
telkens met een jaar verlengen.
De kinderrechter kan hangende het onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien
dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Een voorlopige ondertoezichtstelling duurt niet langer dan
drie maanden.
Spreekt de kinderrechter de ondertoezichtstelling uit, dan draagt hij de uitvoering van de
ondertoezichtstelling op aan een gezinsvoogdij-instelling/BJZ. Ter uitvoering van haar taak kan de
gezinsvoogdij-instelling schriftelijk aanwijzingen geven over de verzorging en opvoeding van de
minderjarige. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te
volgen. Binnen twee weken kunnen zij de kinderrechter verzoeken een aanwijzing geheel of
gedeeltelijk vervallen te verklaren.
Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot
onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gezinsvoogdijinstelling
op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Bij
het verzoek wordt vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de
machtiging wordt gevraagd. Voor plaatsing in een gesloten inrichting is een uitdrukkelijk daartoe
strekkende machtiging van de kinderrechter nodig.
Een uithuisplaatsing kan worden beëindigd door de gezinsvoogdij-instelling. Deze doet hiervan zo
spoedig mogelijk en onder overlegging van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing
mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming. (artikel 1: 263, lid 1 BW)
Op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of minderjarige van twaalf
jaar of ouder, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert,
vervangen door een andere. Ook de Raad voor de Kinderbescherming is bevoegd een dergelijk verzoek
in te dienen, indien de Raad van oordeel blijft dat een uithuisplaatsing niet op de voet van artikel 263,
eerste lid, dient te worden beëindigd.
Ontheffing en ontzetting
Ontheffing en ontzetting zijn maatregelen die leiden tot het geheel ontnemen van het gezag aan een
ouder. Ontzetting is ook mogelijk ten aanzien van een voogd.
Mits het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet, kan de rechtbank een ouder van het gezag
over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht
tot verzorging en opvoeding te vervullen. Ontheffing kan niet worden uitgesproken, indien de ouder
zich daartegen verzet, behalve in de in artikel 268, tweede lid, boek I BW genoemde gevallen van zgn.
gedwongen ontheffing.
Deze gevallen zijn:
1. Indien na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing
van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de
ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen
- onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 254 af te wenden;
2. Indien zonder de ontheffing van de ene ouder, de ontzetting van de andere ouder de kinderen niet
aan diens invloed zou onttrekken;
3. Indien de geestvermogens van de ouder zodanig zijn gestoord dat hij niet in staat is zijn wil te
bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen;
4. Indien na een verzorging en opvoeding met instemming van de ouder - anders dan uit hoofde van
een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij - van tenminste een jaar in
een ander gezin dan het ouderlijke, een voortzetting daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar
de ouder ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.
De ontheffing wordt slechts uitgesproken op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, op
verzoek van het Openbaar Ministerie en, in één geval van gedwongen ontheffing, op verzoek van de
pleegouder(s). De pleegouder(s) kan /kunnen in de hiervoor onder 4. genoemde situatie een verzoek
indienen indien de kinderrechter een verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het
verblijf heeft afgewezen.
Ontzetting van het ouderlijk gezag of de voogdij wordt beschouwd als een zwaardere maatregel dan
ontheffing. Daarom kan de rechtbank ontzetting van het gezag slechts uitspreken als zij dit in het
belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt, en indien de ouder zich aan bepaalde misdragingen
heeft schuldig gemaakt.
Evenals ontheffing kan de ontzetting worden uitgesproken op verzoek van de Raad voor de
Kinderbescherming, op verzoek van het Openbaar Ministerie, en in één geval op verzoek van de
pleegouder(s) n.l. op grond van het bestaan van gegronde vrees voor de verwaarlozing van de belangen
van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en
opvoeding op zich hebben genomen. Daarnaast kunnen ook de andere ouder en een van de bloed- of
aanverwanten van de kinderen t/m de vierde graad een verzoek tot ontzetting doen.
Voorlopige voogdij
Op grond van feiten die tot ontzetting of gedwongen ontheffing van een ouder kunnen leiden, kan de
kinderrechter, indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, op verzoek van de Raad voor de
Kinderbescherming, of op verzoek van het Openbaar Ministerie, de ouder(s) of voogd(en) geheel of
gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een kind schorsen en een voogdij-instelling belasten
met de voorlopige voogdij over het kind. De voorlopige voogdij vervalt als niet binnen zes weken een
verzoek of vordering tot ontheffing of ontzetting is ingediend. In zich voordoende gevallen moet
daarnaast verlenging van de door de kinderrechter bepaalde termijn gevraagd worden.
Hangende een geding tot ontzetting of gedwongen ontheffing kan de rechtbank, indien dit dringend
en onverwijld noodzakelijk is, de ouder(s) of voogd(en) geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het
gezag schorsen. Als een schorsing van het gezag ertoe leidt dat een vacuüm in de gezagsuitoefening
ontstaat, belast de rechter een voogdij-instelling met de voorlopige voogdij over het kind.
De kinderrechter kan ook een voorlopige voogdij uitspreken, indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, ingeval van ontbrekend gezag of van niet-uitoefenen van gezag.
Ook hier geldt een wettelijke vervaltermijn van 6 weken, welke in deze situaties ondervangen kan
worden door het verzoeken van een gezagsvoorziening.
Bijlage 3. Richtlijnen externe deskundigen
- 1 -
Augustus 2004
INHOUDSOPGAVE
I INLEIDING
lI BEGRIPSAFBAKENING EN ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
1 Begripsafbakening
2 Algemene uitgangspunten
III HET INSCHAKELEN VAN EEN EXTERN DESKUNDIGE
1 Voortraject
2 Inschakelen van een extern deskundige met toestemming van de cliënt
3 Contra-indicaties voor een extern onderzoek
4 Inschakeling van een extern deskundige zonder toestemming van de cliënt
5 Afstemming opzet diagnostisch onderzoek op vraagstelling opdrachtgever
IV KWALITEITSEISEN (EXTERNE) DESKUNDIGEN
Kwaliteitseisen externe deskundigen
V HET VERRICHTEN VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK
1 Algemeen
2 (De opzet van) het onderzoek
3 Ontwikkelingen tijdens het onderzoek
VI DE AFWIKKELING VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK
1 De afwikkeling van het onderzoek door de extern deskundige
2 Afwikkeling van een extern onderzoek door de opdrachtgever
- 2 -
Augustus 2004
VII HET VERRICHTEN EN DE AFWIKKELING VAN EEN
SECOND OPINION, EEN AANVULLEND ONDERZOEK OF EEN CONTRA
EXPERTISE
1 Inleiding
2 Verrichten van een second opinion, een aanvullend onderzoek of een
contra-expertise door een extern deskundige
3 Afwikkeling van een second-opinion, een aanvullend onderzoek dan wel een
contra-expertise door de opdrachtgever
VIII INZAGE EN OPENBAARHEID
1 Inleiding
2 Inzage
3 Openbaarheid
IX KLACHTENREGELING
1 Algemeen
2 Eisen klachtregeling
3 Informatie aan opdrachtgever
4 Reactie naar aanleiding van klachten
- 3 -
Augustus 2004
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
In het onderhavige document zijn de richtlijnen voor het laten verrichten van extern
onderzoek neergelegd. Deze richtlijnen geven waarborgen waarmee een extern
onderzoek dient te zijn omkleed.
Bij een extern onderzoek gaat het om een onderzoek, in te stellen door een deskundige
die niet in dienst is van de opdrachtgever tot het onderzoek, terwijl dit onderzoek
gericht is op het stellen van een diagnose die kan worden gebruikt voor of bij een advies
of verzoek aan een rechterlijke instantie, bijvoorbeeld inzake
- het gezag over een minderjarige, de verblijfplaats of over een
omgangsregeling;
- het uitspreken of verlengen van een beschermende maatregel;
- het verlenen of verlengen van een machtiging tot uithuisplaatsing;
- het geven van een schriftelijke aanwijzing door een stichting onder wiens
toezicht een minderjatige is gesteld;
- beslissingen in het kader van de uitoefening van de voogdij door een
stichting die jeugdbeschermende maatregelen.
Deze richtlijnen richten zich derhalve niet op deskundigenonderzoek in strafzaken.
De richtlijnen zijn in beginsel gericht op de raad voor de kinderbescherming en de
stichtingen die zijn belast met de uitoefening van voogdij en gezinsvoogdij (na de
inwerkingtreding van de Wet op de Jeugdzorg: de stichting die een bureau jeugdzorg in
stand houdt) en niet op rechterlijke instanties of het OM als opdrachtgevers aan een
deskundige of een onderzoeksbureau.
Een onderzoek door een extern deskundige is voor degenen die in een dergelijk
onderzoek worden betrokken ingrijpend. Het belang om te weten hoe hun rechtspositie
is, is daarom groot. Juist dat is echter niet eenvoudig door de veelheid aan bepalingen
uit verschillende wetten die op enig moment van belang kan zijn: Boek I van het
Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de
Jeugdhulpverlening (op termijn te vervangen door de Wet op de Jeugdzorg, de Wet
bescherming persoonsgegevens, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg en de bepalingen over de geneeskundige
behandelingsovereenkomst in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek .
De opzet van de richtlijnen luidt als volgt:
Voorafgaand aan de richtlijnen voor het (laten) verrichten van een deskundigenonderzoek
wordt in hoofdstuk II een omschrijving gegeven van de begrippen die
in de richtlijnen worden gebruikt. Tevens worden in dit hoofdstuk de algemene
uitgangspunten geformuleerd die bij het uitwerken van de richtlijnen in acht zijn
genomen.
In hoofdstuk III zijn de richtlijnen neergelegd die door de raad voor de
kinderbescherming en de stichtingen die zijn belast met de uitoefening van voogdij en
gezinsvoogdij dienen te worden gehanteerd bij het inschakelen van een extern
deskundige ten behoeve van de voorbereiding of uitvoering van een maatregel van
kinderbescherming of het adviseren over voorzieningen betreffende het gezag over, de
verblijfplaats van of de omgang met minderjarige kinderen. Hierbij dient opgemerkt
dat in het kader van de implementatie van het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek
in de Jeugdzorg een aantal vestigingen van de raad voor de kinderbescherming en
stichtingen het inschakelen van een extern deskundige laten verlopen via de Forensisch
Psychiatrische Dienst (FPD) die als bemiddelaar optreedt bij het aanvragen van
onderzoek en die de opgestelde rapportage beoordeelt.
- 4 -
Augustus 2004
Hoofdstuk IV geeft de kwaliteitseisen weer die aan de in te schakelen deskundigen
dienen te worden gesteld.
Hoofdstuk V bevat de richtlijnen die leidraad dienen te zijn bij het doen van een extern
deskundigenonderzoek.
Hierop volgend zijn de richtlijnen voor de afwikkeling van een deskundigenonderzoek
geformuleerd in hoofdstuk VI.
Hoofdstuk VII geeft weer hoe de gang van zaken is indien de opdrachtgever op verzoek
van de cliënt opdracht geeft tot een second opinion, een aanvullend onderzoek of een
contra-expertise.
In hoofdstuk VIII is neergelegd welke uitgangspunten dienen te worden gehanteerd op
het punt van inzageverstrekking aan de cliënt en van gegevensverstrekking aan anderen
dan de cliënt.
Hoofdstuk IX bevat de aan de onderzoeker te stellen eis, dat hij beschikt over of is
aangesloten bij, een regeling voor de behandeling van klachten. Bovendien zijn daarin
de aan de klachtenregelingte stellen eisen opgenomen en is vermeld welke gevolgen aan
het indienen van een klacht dienen te worden verbonden.
Deze richtlijnen gelden van 1 september 2004 tot 1 januari 2006. Daarmee komen de
richtlijnen zoals die in maart 1996 werden vastgesteld, te vervallen.
- 5 -
Augustus 2004
HOOFDSTUK 2 BEGRIPSAFBAKENING EN ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
2.1 Begripsafbakening
In de onderhavige richtlijnen worden diverse begrippen gebruikt die voor meerdere
uitleg vatbaar zijn of nader dienen te worden omschreven. Het gaat hierbij in het
bijzonder om de hierna te noemen begrippen waaronder in het kader van deze
richtlijnen het volgende wordt verstaan:
- cliënt de minderjarige en/of de personen uit diens directe
omgeving (in ieder geval de met het gezag belaste ouder(s),
voogd, verzorgers, waaronder pleegouders) op wie het
onderzoek zich richt. In een onderzoek kan sprake zijn van
meerdere cliënten;
- belanghebbende degene op wiens rechten of verplichtingen de uitkomst van
het onderzoek rechtstreeks betrekking heeft. In een
onderzoek kan sprake zijn van meerdere belanghebbenden;
- informant een ander dan de cliënten of belanghebbenden aan wie in
het kader van het onderzoek informatie wordt gevraagd;
- opdrachtgever de raad voor de kinderbescherming of een stichting onder
wiens toezicht een minderjarige is gesteld of die de voogdij
over een minderjarige uitoefent;
- extern deskundige een academisch geschoold deskundige op het gebied van
menselijke gedragingen – bijvoorbeeld een pedagoog of
klinisch psycholoog - die niet in dienst is van of verbonden
is aan een opdrachtgever;
- gedragsdeskundige een academisch geschoold deskundige op het gebied van
menselijke gedragingen – zoals een pedagoog of klinisch
psycholoog - in dienst van of verbonden aan de
opdrachtgever;
- deskundigenonderzoek onderzoek dat in opdracht van een opdrachtgever wordt
ingesteld door een extern deskundige;
- dossier het geheel van de gegevens betreffende de cliënt die de
opdrachtgever of extern deskundige verzamelt en vastlegt,
respectievelijk ten behoeve van de uitoefening van zijn
wettelijke taken dan wel de uitvoering van een
onderzoeksopdracht. Test- en onderzoeksmateriaal dienen
afzonderlijk te worden bewaard.
Persoonlijke werkaantekeningen (geheugensteun voor eigen
gedachtevorming van de deskundige) zijn geen onderdeel
van het dossier.
- 6 -
Augustus 2004
2.2 Algemene uitgangspunten
De Richtlijnen zijn gebaseerd op de volgende algemene uitgangspunten:
De richtlijnen worden door de opdrachtgever en de extern deskundige in acht
genomen bij het (laten) uitvoeren van een extern onderzoek.
Van deze richtlijnen kan worden afgeweken, indien de toepassing ervan een ernstige
bedreiging zou opleveren voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van een
minderjarige cliënt. De motivering voor deze afwijking wordt opgenomen in de
rapportage.
Van de richtlijnen kan voorts worden afgeweken, indien het bij of krachtens de wet
bepaalde daartoe verplicht.
Doel van de richtlijnen is om aan cliënten en belanghebbenden rechtsbescherming
en rechtszekerheid te bieden.
De verrichtingen van de opdrachtgever en de extern deskundige dienen
controleerbaar en toetsbaar te zijn.
Gedragswetenschappelijke diagnostiek is niet gericht op waarheidsvinding in
juridische zin, maar op het verklaren en inzichtelijk maken van de aangetroffen
problematiek op grond waarvan gedragswetenschappelijke advisering kan
plaatsvinden .
De opdrachtgever en de extern deskundige komen de uit de richtlijnen
voortvloeiende verplichting na jegens cliënten, belanghebbenden en informanten.
Heeft een cliënt de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt, dan komen de opdrachtgever en
de extern deskundige de uit de richtlijnen voortvloeiende verplichtingen na
jegens de met het gezag belaste ouder(s) of voogd van deze cliënt. Hetzelfde
geldt indien een cliënt de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, maar niet in staat
kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.
Hierbij moet worden opgemerkt, dat ook deze cliënten het recht hebben hun
mening te uiten. De opdrachtgever en de extern deskundige moeten aan die
mening van deze cliënt passend belang hechten, in overeenstemming met diens
leeftijd en het ontwikkelingsniveau.
Heeft een cliënt de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar bereikt, dan komen
de opdrachtgever en de extern deskundige de uit de richtlijnen voortvloeiende
verplichtingen na jegens deze cliënt tenzij deze niet tot een redelijke waardering
van zijn belangen terzake in staat is, alsmede jegens diens met het gezag belaste
ouder(s) of voogd.
Heeft de cliënt de leeftijd van zestien jaar bereikt dan komen de opdrachtgever en de extern
deskundige de uit deze richtlijnen voortvloeiende verplichtingen na jegens deze
cliënt, tenzij deze niet tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in
staat is.
- 7 -
Augustus 2004
HOOFDSTUK 3 HET INSCHAKELEN VAN EEN EXTERN DESKUNDIGE
3.1 Voorafgaand aan de inschakeling van de extern deskundige
Bij het inschakelen van een extern deskundige is het van groot belang dat er een
vraagstelling wordt voorgelegd, die uitsluitend gedragswetenschappelijk van aard is en
die is afgestemd op de in te schakelen discipline. Bij de formulering van de vragen dient
daarom zo mogelijk gebruik te worden gemaakt gemaakt van gestandaardiseerde vragen
(zie bijlage) waarin de vertaalslag van juridische naar gedragswetenschappelijke
vraagstelling al heeft plaatsgevonden. Bij het opstellen van de vragen dient gebruik te
worden gemaakt van de bij de opdrachtgever werkzame gedragsdeskundige, die op
grond van zijn kennis adviseert met betrekking tot de te ontwikkelen vraagstelling. Deze
adviseert tevens met betrekking tot de daarvoor benodigde deskundigheid..
Uitgangspunt is dat er geen vooroverleg plaatsvindt tussen de opdrachtgever en de
extern deskundige. Er kan echter aanleiding zijn om voorafgaand aan een opdracht voor
onderzoek, informatie in te winnen bij een extern deskundige met betrekking tot zijn
beschikbaarheid en specialisme. Dit laatste heeft tot doel vast te stellen of de
deskundige beschikt over de specifieke kennis die nodig is voor het betreffende
onderzoek. Voorwaarden hierbij zijn dat:
- de opdrachtgever niet de identiteit van cliënt of belanghebbenden vrijgeeft;
- het vooroverleg is gefiatteerd door de leidinggevende;
- het vooroverleg wordt vastgelegd in het dossier en ter kennis gebracht
van de cliënt.
Het is mogelijk dat met het oog op advisering over de noodzaak van het laten verrichten
van onderzoek door een extern deskundige een zogeheten indicatie-overleg met de FPD
plaatsvindt. Dit indicatie-overleg is aan te merken als het inwinnen van informatie bij
derden, waarbij voor de raad voor de kinderbescherming geldt wat in Normen 2000,
versie twee van april 2003 in hoofdstuk 3.1 wordt opgemerkt over het horen van
informanten. Er kan aanleiding zijn voor de opdrachtgever om, voorafgaand aan een
opdracht voor onderzoek, informatie in te winnen Waar reeds wordt gewerkt met
inachtneming van het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek zal het inwinnen van
dergelijke informatie plaatsvinden door bemiddeling van de FPD.
Het feit dat vooroverleg is gevoerd, en de resultaten van het overleg, worden vastgelegd
in het dossier.
3.2 Inschakelen van een extern deskundige met toestemming van de cliënt
De opdrachtgever maakt een afweging of gelet op de voorliggende problematiek een
extern onderzoek aangewezen is. De uitkomst van die overweging wordt met de cliënt
besproken. Daarbij wordt tevens aan de cliënt algemene informatie gegeven over de
gang van zaken bij het onderzoek: opzet, eventuele bemiddeling en toetsing door de
FPD, rapportage, openbaarheid en afwikkeling. De opdrachtgever dient de cliënt daarbij
duidelijk te maken dat de informatie die de onderzoeker verzamelt en in rapportage
verwerkt, ter kennis kan komen van een aantal personen of instanties, zoals de
opdrachtgever, de FPD en de rechter en in beginsel eveneens van degenen die op grond
van de wettelijke regels recht hebben op inzage en afschrift. Met de cliënten wordt
besproken welke zelfstandig werkende extern deskundige c.q. welk extern
deskundigenbureau de opdrachtgever voornemens is in te schakelen. Vereist is dat
cliënten instemmen met het extern deskundigen onderzoek zelf, de keuze van de
persoon van de zelfstandig werkende extern deskundige of van het extern
deskundigenbureau en met de vraagstelling. Bestaat tussen de opdrachtgever en de
- 8 -
Augustus 2004
cliënt overeenstemming over het te verrichten externe onderzoek en over de in te
schakelen deskundige, dan kan de opdrachtgever deze deskundige zelf inschakelen.
Tussenkomst van een (kinder)rechter is in deze gevallen niet vereist.
Na de beslissing tot een extern onderzoek, stelt de opdrachtgever een concept-brief op
aan de extern deskundige. In de brief worden in elk geval de volgende aspecten
opgenomen, waar nodig onder overlegging van documenten die daarop betrekking
hebben:
- de aanleiding tot en motivering van de beslissing tot het vragen van een
deskundigenonderzoek (gezag, verblijfplaats minderjarige, omgang, klachtaspecten,
mogelijke uithuisplaatsing, plaatsingsproblematiek, etc.);
- een korte schets van voorgeschiedenis en huidige situatie, waarin ook informatie
over lopende procedures;
- een korte beschrijving van de cliënt;
- een korte beschrijving van andere personen dan de cliënt die bij het onderzoek
dienen te worden betrokken (leeftijd, (gezags)verhouding ten aanzien van de cliënt,
onderlinge relaties, etc.), alsmede de reden daarvoor;
- eventuele contra-indicaties voor het onderzoek en de gemotiveerde besluitvorming
daaromtrent;
- een duidelijke en gedragswetenschappelijk geformuleerde vraagstelling, zo mogelijk
aan de hand van standaardvragen (bijlage);
- de bij het onderzoek te betrekken discipline(s);
- de termijn waarbinnen dient te worden gerapporteerd. Deze bedraagt in beginsel 12
weken vanaf het moment dat de opdracht tot het instellen van het extern onderzoek
is verstrekt. Van deze termijn kan gemotiveerd worden afgeweken, wanneer het
belang van het onderzoek dit vereist en dit in het belang van de cliënt is. De
termijnoverschrijding wordt met de cliënt en de opdrachtgever besproken.
- expliciete vermelding van de documenten die als bijlagen worden meegezonden;
- het uitgangspunt dat het onderzoek conform de Richtlijnen zal worden ingesteld.
De opdrachtgever bespreekt de concept-brief met de cliënt. De reactie van de cliënt,
alsook het gegeven dat de cliënt instemt met het extern deskundigenonderzoek, worden
in de definitieve brief vermeldIndien met de brief documenten worden meegezonden
waarin informatie is opgenomen, afkomstig is van een persoon of instelling die
gebonden is aan een geheimhoudingsplicht, verzekert de opdrachtgever zich ervan dat
de cliënt met toezending instemt. Indien een klachtprocedure aanhangig is waarin
tegen (onderdelen van) de toegezonden rapportage door de cliënt klachten zijn geuit,
wordt dit in de brief aangegeven. De cliënt ontvangt een afschrift van de definitieve
brief.
3.3 Contra-indicaties voor een extern onderzoek
Cliënt, ouder(s) of begeleidende hulpverlenende instellingen kunnen aanvoeren dat er
contra-indicaties bestaan tegen het instellen van een (extern) deskundigenonderzoek.
Een contra-indicatie kan bijvoorbeeld zijn dat het (extern) deskundigen onderzoek een
therapeutische behandeling zou verstoren. Contra-indicaties voor een extern onderzoek
dienen in het team van raadsonderzoeker/gezinsvoogd en gedragsdeskundige onder
leiding van de teamleider te worden besproken.
De opgevoerde contra-indicaties worden betrokken in de besluitvorming om een extern
deskundige in te schakelen. Besluit de opdrachtgever voorbij te gaan aan de
geformuleerde contra-indicaties dan dient hij dit onder opgave van redenen in zijn
aanmeldingsbrief aan de extern deskundige aan te geven.
- 9 -
Augustus 2004
Deze procedure ontslaat de extern deskundige niet van een eigen verantwoordelijkheid.
Gelet op de geformuleerde contra-indicaties en de redenen die in de aanmeldingsbrief
van de opdrachtgever staan vermeld, moet de extern deskundige zelf beoordelen of de
aangegeven contra-indicaties een verantwoorde uitvoering van het
deskundigenonderzoek in de weg staan. Is de extern deskundige van mening dat het
deskundigenonderzoek niet op een verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd, dan
wijst hij het verzoek om het onderzoek te verrichten met redenen omkleed af.
3.4 Inschakeling van een extern deskundige zonder toestemming van de cliënt
Stemt de cliënt niet in met een extern onderzoek, met de geformuleerde vraagstelling
en/of met de benoeming van een bepaalde zelfstandig werkende extern deskundige
en/of bepaald extern deskundigenbureau, dan zal de opdrachtgever in onderling
overleg met hen alsnog tot overeenstemming ter zaketrachten te komen.
Blijkt dit niet mogelijk dan kan de weigering van de cliënt om mee te werken aan een
deskundigenonderzoek voor de raad voor de kinderbescherming aanleiding zijn de
rechter te verzoeken een maatregel van kinderbescherming op te leggen, mits overigens
is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt voor het treffen van een
kinderbeschermingsmaatregel. Met andere woorden: de weigering, al dan niet in
samenhang met andere omstandigheden, moet leiden tot een ernstige bedreiging van
de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige of van zijn gezondheid die niet
met andere middelen is af te wenden.
Indien het doel van het laten verrichten van een onderzoek is gelegen in een verzoek
van de rechter om te adviseren over het gezag over, de verblijfplaats van of de omgang
met minderjarige kinderen dan kan de weigering van de cliënt om mee te werken aan
een deskundigenonderzoek voor de raad voor de kinderbescherming aanleiding zijn om
de rechter te adviseren een deskundigenonderzoek te bevelen.
Voor de stichting die een ondertoezichtstelling uitvoert staat in een dergelijk geval de
mogelijkheid open om in het kader van de ondertoezichtstelling de minderjarige en/of
de met het gezag belaste ouder(s)een aanwijzing te geven. Ingevolge de artikelen 259 en
260 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de met het gezag belaste ouder of de
minderjarige van twaalf jaar of ouder deze aanwijzing ter toetsing aan de kinderrechter
voorleggen.
3.5 Afstemming opzet diagnostisch onderzoek op de vraagstelling van de opdrachtgever
Naar aanleiding van de opdracht en/of de beschikbaar gestelde stukken kan de extern
deskundige, vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid voor het diagnostisch onderzoek,
nadere informatie van de opdrachtgever wensen, alvorens hij tot onderzoek overgaat.
Te denken valt hierbij aan nadere specificering van en/of uitleg over de vraagstelling of
over de beschikbaar gestelde gegevens. Ook kan hij vanuit zijn deskundigheid
uitbreiding dan wel beperking van de te betrekken disciplines in het onderhavige
onderzoek voorstellen.
Aanvulling of wijzigiging in de opzet of vraagstelling van het onderzoek kunnen slechts
met goedkeuring van de opdrachtgever worden aangebracht. Waar de FPD optreedt als
bemiddelaar op basis van het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek in de Jeugdzorg
zal een voorstel daartoe via de FPD aan de opdrachtgever worden voorgelegd. Ook de
instemming van de cliënt is nodig, tenzij deze verplicht is om aan het onderzoek mee te
werken. In ieder geval wordt de cliënt over de gewijzigde onderzoeksopdracht
geïnformeerd. In die gevallen waarin het Landelijk kader Fornsische Diagnostiek van
- 10 -
Augustus 2004
toepassing is, wordt e.e.a. schriftelijk vastgelegd door de opdrachtgever en in
voorkomende gevallen door de FPD.
- 11 -
Augustus 2004
HOOFDSTUK 4 KWALITEITSEISEN EXTERNE DESKUNDIGEN
De opdrachtgever voor deskundigenonderzoek dient uit een oogpunt van
zorgvuldigheid de opdracht daartoe slechts te verstrekken aan een extern deskundige
die daartoe aantoonbaar voldoende gekwalificeerd is. Voldoende gekwalificeerd zijn in
ieder geval die deskundigen die zijn geregistreerd in de krachtens artikel 3 van de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) ingestelde registers van
artsen, gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten, en op het moment van het
onderzoek niet onderworpen aan enige krachtens de Wet BIG opgelegde beperking of
voorziening wegens ongeschiktheid.
Op termijn zullen de aan deskundigen te stellen eisen nader worden vastgesteld als
onderdeel van het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek. In afwachting van
definitieve vaststelling van die eisen zijn tevens voldoende gekwalificeerd voor het doen
van deskundigenonderzoek de extern deskundigen die lid zijn van een
beroepsvereniging en daarbij geregistreerd als diagnostisch bevoegd waarbij deze twee
jaar onder supervisie ervaring heeft opgedaan in de kinder- en jeugdpsychologie c.q. -
psychiatrie.
De kinder- en jeugdpsychiater die voor een opdrachtgever onderzoek verricht dient als
psychiater ingeschreven te zijn in het register van specialisten als bedoeld in de
Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten van de KNMG van 30 juni
1998 (Stcrt. 1998, nr. 248, blz. 42).
- 12 -
Augustus 2004
HOOFDSTUK 5 HET VERRICHTEN VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK
Algemeen
De acceptatie van de opdracht tot het verrichten van een diagnostisch onderzoek en de
uitvoering van het onderzoek zijn de verantwoordelijkheid van de extern deskundige
(conform de richtlijnen van diens beroepsgroep) die daarbij op grond van de
onderzoeksopdracht betrokken is. Deze is immers gedragswetenschappelijk geschoold
en heeft kennis van de toepassing van methoden van onderzoek op dit gebied. Toetsing
van de wijze van uitvoering van het diagnostisch onderzoek dient dan ook binnen de
beroepsgroep plaats te vinden.
5.1 (De opzet van) het onderzoek
De extern deskundige licht de cliënt in het eerste gesprek op duidelijke wijze, en
desgevraagd schriftelijk in over de opzet en werkwijze van het onderzoek. Tevens wijst
hij de cliënt op zijn rechten (bij voorbeeld het inzagerecht of het recht om een klacht in
te dienen bij het onderzoeksbureau, bij het college van toezicht van de betreffende
beroepsvereniging of bij het tuchtcollege voor de gezondheidszorg). Hiertoe krijgt een
cliënt ook schriftelijk informatiemateriaal (folders) uitgereikt. De extern deskundige licht
de minderjarige cliënt op zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen.
De extern deskundige vraagt aan de hand van de gegeven vraagstelling en informatie of
de cliënt met het onderzoek conform de voorgestelde onderzoeksopzet instemt. Ingeval
het onderzoek is gelast door een rechterlijke instantie of het OM is het geven van
toestemming niet noodzakelijk. De gegeven toestemming wordt in het dossier
vastgelegd.
De extern deskundige bespreekt vooraf met de cliënt welke personen hij in het
onderzoek zal betrekken en om welke informatie hij zal verzoeken. Indien medewerking
van de cliënt aan het onderzoek verplicht is, kan de informatie ook worden gevraagd als
de cliënt daarvoor geen toestemming geeft. In de overige gevallen moet de cliënt voor
de informatie-inwinning toestemming verlenen. De informatie kan zowel mondeling als
schriftelijk worden verstrekt. In ieder geval dient de verkregen informatie te worden
vastgelegd en voor akkoord te worden ondertekend door de persoon die de informatie
verstrekt. Vervolgens dient deze akkoordverklaring opgenomen te worden in het dossier
van de cliënt. Een cliënt kan de extern deskundige schriftelijk en met redenen omkleed
verzoeken om bepaalde personen te raadplegen. Ditt verzoek wordt opgenomen in het
dossier. Indien de externe deskundige besluit aan dit verzoek geen gevolg te geven, dan
motiveert hij zijn besluit in de rapportage.
Het onderzoek van de extern deskundige is gericht op rapportage aan de opdrachtgever
en beantwoording van diens onderzoeksvraag. Wordt de rapportage overgelegd aan de
rechter dan zal in veel gevallen de regeling voor het verkrijgen van afschrift en inzage
van artikel 811 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn. Het
voorgaande brengt met zich mee dat de onderzoeker de cliënt met betrekking tot de in
het onderzoek verstrekte informatie geen volledige geheimhouding kan garanderen. De
gegevens die de onderzoeker in het onderzoek verkrijgt van cliënt en andere personen
die in het onderzoek worden betrokken, worden voor zover ze zijn opgenomen in de
rapportage verstrekt aan de opdrachtgever en de rechter en in beginsel eveneens aan
degenen die op grond van de hiervoor genoemde wettelijke regels recht hebben op
inzage en afgifte van een kopie. De opdrachtgever kan op grond van de Wet
bescherming persoonsgegevens, de Wet op de jeugdhulpverlening, de Wet
openbaarheid van bestuur of het bepaalde in artikel I : 377c BW (informatieplicht
tegenover niet met het gezag belaste ouder) gehouden zijn tot het verstrekken van
bepaalde informatie. De opdrachtgever en deskundige dienen deze consequentie van
het (laten) doen van een extern deskundigenonderzoek in het kader van de
- 13 -
Augustus 2004
informatieverstrekking over de onderzoeksopzet aan de cliënt duidelijk te maken (zie
hoofdstuk 3).
5.2 Ontwikkelingen tijdens het onderzoek
De externe deskundige betracht naar de cliënt toe de grootst mogelijke openheid over
ontwikkelingen die plaatsvinden tijdens het onderzoek. Zo zal de extern deskundige de
cliënt zo spoedig mogelijk schriftelijk ervan in kennis stellen wanneer hij de geschetste
opzet van het onderzoek wil wijzigen. Dit is bij voorbeeld het geval indien het
onderzoek niet binnen de in de aanmeldingsbrief gestelde termijn wordt afgerond (zie
hoofdstuk 3, onder 3..2) of indien het inschakelen van een andere discipline wenselijk
wordt geacht. Wijzigingen van de onderzoeksopzet kunnen slechts met toestemming
van de opdrachtgever en cliënt plaatsvinden. Correspondentie, waaronder een
verklaring waaruit de instemming blijkt worden in het dossier opgenomen. De wijziging
wordt in de rapportage vermeld.
- 14 -
Augustus 2004
HOOFDSTUK 6 DE AFWIKKELING VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK
6.1 De afwikkeling van het onderzoek door de extern deskundige
Na de afronding van het onderzoek dient de extern deskundige de cliënt in de
gelegenheid te stellen de concept-rapportage in te zien, te bespreken en zijn mening
over de rapportage naar voren te brengen. Met toestemming van de cliënt, kan de
opdrachtgever bij de bespreking aanwezig zijn. Voorzover het door een cliënt geleverde
commentaar niet wordt overgenomen in het rapport, wordt het als bijlage aan het
definitieve rapport toegevoegd. Indien een cliënt niet in staat blijkt om tijdens de
bespreking van de rapportage zijn commentaar te formuleren, wordt hem de
mogelijkheid geboden om binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de
bijzondere omstandigheden van de cliënt, alsnog zijn commentaar kenbaar te maken.
De opdrachtgever wordt hiervan in kennis gesteld. De extern deskundige voegt het
commentaar (voorzover niet overgenomen) als bijlage toe aan het definitieve rapport en
informeert de cliënt over het verzenden van het rapport naar de opdrachtgever.
Indien het onderzoek plaatsvindt op basis van door de cliënt gegeven toestemming, is
het mogelijk dat een cliënt zijn toestemming om te rapporteren aan de opdrachtgever
intrekt. Dit kan slechts betrekking hebben op gegevens die de cliënt zelf betreffen.
Deskundigenonderzoek in jeugdzaken heeft vaak betrekking op meerdere cliënten. Het
rapporteren aan de opdrachtgever kan dan niet zonder meer door één cliënt worden
geblokkeerd, de andere cliënten kunnen er immers belang bij hebben dat de rapportage
wel aan de opdrachtgever wordt uitgebracht.. Allereerst kan het gaan om situaties
waarin de deskundige bevoegd is om zijn beroepsgeheim te doorbreken, bijvoorbeeld
als dat nodig is om een situatie van (sexuele) kindermishandeling te doorbreken of een
vermoeden te onderzoeken. Daarnaast kan de deskundige van oordeel zijn dat het doel
van het gevraagde onderzoek hem noodzaakt om te rapporteren. Hij zal daarbij een
afweging van de verschillende betrokken belangen moeten maken. De omstandigheid
dat een cliënt eerder op grond van duidelijke, gerichte informatie met het onderzoek
heeft ingestemd kan daarbij als factor worden meegewogen. De beslissing om ondanks
het intrekken van toestemming te rapporteren dient te worden gemotiveerd en in het
dossier vastgelegd.
Tijdens en na de afronding van het onderzoek heeft een cliënt het recht op verbetering,
aanvulling of verwijdering van op hem betrekking hebbende feitelijke gegevens in het
dossier/rapport, indien hij kan aantonen dat de opgenomen gegevens onjuist of
onvolledig zijn, gelet op de doelstelling van het onderzoek niet ter zake dienend, of
onrechtmatig zijn verkregen. Het verzoek hiertoe geschiedt schriftelijk. De extern
deskundige bericht de cliënt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 4 weken, na
ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een
weigering dient de extern deskundige met redenen te omkleden. De rapportage zoals
die uiteindelijk is vastgesteld, verstrekt de extern deskundige in afschrift aan de cliënt.
De extern deskundige bewaart het rapport en de overige bescheiden gedurende vijf jaar,
te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd. De gebruiksduur van de
rapportage is beperkt tot het doel waarvoor die rapportage is opgemaakt. In beginsel
dient rapportage die ouder is dan een jaar niet meer in een procedure te worden
ingebracht.
6.2 Afwikkeling van een extern onderzoek door de opdrachtgever
De opdrachtgever beoordeelt de rapportage van de extern deskundige en gaat in dat
verband na of daarbij niet is gehandeld in strijd met de in deze richtlijnen
geformuleerde eisen. Daarbij dient hij gebruik te maken van een materie-deskundige
- 15 -
Augustus 2004
zoals de gedragsdeskundige. De gedragsdeskundige dient te bezien of de extern
deskundige in zijn rapportage de vraagstelling afdoende, volledig en op basis van
zorgvuldig en voldoende betrouwbaar onderzoek heeft beantwoord en of de
geformuleerde conclusies logisch uit het onderzoeksmateriaal voortvloeien. Toetsing
van de onderzoeksresultaten door de opdrachtgever is er op gericht, zich er van te
vergewissen dat het onderzoek waarop een advies, verzoek of aanwijzing wordt
gebaseerd, op zorgvuldige wijze en in overeenstemming met de Richtlijnen heeft
plaatsgevonden. De uiteindelijke toetsing of de opdrachtgever op goede gronden heeft
geoordeeld dat het onderzoek aan die vereisten voldoet, vindt plaats door de
rechterlijke instantie die de beslissing neemt.
Indien de gedragsdeskundige van mening is dat de vraagstelling onvoldoende is
beantwoord dan wel de zorgvuldigheid van het onderzoek niet of onvoldoende kan
worden vastgesteld, schakelt hij de teamleider en de raadsonderzoeker/gezinsvoogd in.
In samenspraak met dezen wordt een schriftelijke reactie geformuleerd, gericht aan de
extern deskundige. In die gevallen waarin het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek
van toepassing is, vindt dit plaats door tussenkomst van de FPD. De reactie kan
inhouden een verzoek om aanvullende informatie of om verduidelijking van de
beschreven bevindingen, of van de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden.
De cliënt wordt hiervan op de hoogte gesteld. Vervolgens zal de extern deskundige de
vraagstelling beantwoorden.
Indien de extern deskundige de opdrachtgever heeft bericht dat de cliënt een klacht
heeft ingediend of een procudure bij een tuchtcollege als bedoeld in de Wet BIG
aanhangig heeft gemaakt, betrekt de opdrachtgever dit gegeven bij de toetsing van de
rapportage.
Slechts indien de vraagstelling afdoende is beantwoord en de zorgvuldigheid van het
onderzoek in voldoende mate vaststaat, gebruikt de opdrachtgever de rapportage om te
komen tot een beslissing over het aan de rechterlijke instantie uit te brengen advies of
in te dienen verzoek. In de rapportage die wordt verzorgd door de opdrachtgever
worden de argumenten voor de beslissing onderbouwd met verwijzingen naar de
rapportage van de extern deskundige.
De opdrachtgever gebruikt de rapportage in beginsel slechts voor het doel waarvoor
deze is gevraagd. Gebruik voor een ander doel is slechts mogelijk indien dit met het
oorspronkelijke onderzoeksdoel verenigbaar is, en voor zover daardoor de persoonlijke
levenssfeer van betrokkenen niet onevenredig wordt geschaad.
- 16 -
Augustus 2004
HOOFDSTUK 7 EEN SECOND-OPINION, EEN AANVULLEND ONDERZOEK OF
EEN CONTRA-EXPERTISE
7.1 Inleiding
Het is mogelijk dat een cliënt tijdens of na een deskundigenonderzoek de bevindingen
van de (extern) deskundige en de conclusies die daaraan worden verbonden niet kan
onderschrijven. Een cliënt kan de opdrachtgever dan verzoeken de zaak nog eens aan
een andere deskundige voor te leggen.
Daarbij zijn te onderscheiden:
- een verzoek om de test- en onderzoeksgegevens vanuit het eerste onderzoek waarbij
de cliënt is gezien door de (extern) deskundige, te overleggen aan een tweede (extern)
deskundige die dezelfde discipline vertegenwoordigt als de eerste deskundige, en die
(opnieuw) de bestaande gegevens interpreteert en daarover rapporteert. Dit is een
tweede mening oftewel second-opinion.
- een verzoek om aanvullend onderzoek op het onderzoek van de eerste (extern)
deskundige, door een deskundige die een ander(e) discipline/specialisme
vertegenwoordigt. Te denken valt aan een psychiatrisch onderzoek volgend op een
psychologisch onderzoek. Dit is een aanvullend onderzoek.
- een verzoek om de vraagstelling opnieuw voor te leggen aan een extern deskundige
die dezelfde discipline vertegenwoordigt als de eerste (extern) deskundige, en die
dezelfde vraagstelling opnieuw onderzoekt. Dit is een
tegenonderzoek of wel een contra-expertise.
Uitgangspunt is dat de opdrachtgever gehoor geeft aan het verzoek indien dit kan
bijdragen aan een goede oordeelsvorming in de zaak. In ieder geval beslist de
opdrachtgever gemotiveerd en schriftelijk op het verzoek van de cliënt. Geeft de
opdrachtgever gehoor aan het verzoek van de cliënt dan zullen de opdrachtgever en de
extern deskundige zich dienen te houden aan de procedure zoals omschreven in de
hoofdstukken III, IV en V.
7.2 Verrichten van een second opinion, een aanvullend onderzoek of een
contra-expertise door een extern deskundige
- Bij een second-opinion wordt van een extern deskundige gevraagd het
basis(test)materiaal van het eerdere onderzoek te interpreteren en te voorzien van
een advies. In de praktijk betekent dit dat de extern deskundige die het eerste
onderzoek heeft verricht het testmateriaal en observatiegegevens beschikbaar stelt
aan de tweede beoordelaar. Het testmateriaal, de (eerste) opdracht en de relevante
dossierstukken vormen het basismateriaal voor de tweede beoordelaar. De
onderzoeker die de second opinion uitvoert heeft in beginsel geen persoonlijk
contact heeft met de cliënt. Gelet op de ter zake geldende, op jurisprudentie
berustende, normen binnen de beroepsgroep brengt dit met zich mee dat het in het
kader van een second opinion uit te brengen advies slechts een beperkte strekking
kan hebben. Ook de tweede beoordelaar is gebonden aan de hier geformuleerde
richtlijnen voor extern onderzoek. Ondanks het feit dat de tweede beoordelaar de
cliënt niet persoonlijk heeft onderzocht, zal hij zijn rapportage dienen te bespreken
met de cliënt en afgifte daarvan verzorgen.
- Een aanvullend onderzoek wordt verricht doo