| (143)
Voogdij: De moeder! (93)
De Le Poole norm. Vaste
Kamercommissie voor Justitie: "Raad voor de Kinderbescherming laat
belang moeder zwaarder wegen dan belang vader" Hun advisering lijkt
daardoor uiterst partijdig, waarbij de rapportage vaak te wensen overlaat.
Hoe wil de staatssecretaris dit voorkomen?"
(546) Geld is Macht! Macht is Recht! Nederlandse rechtspraak met smerige streken! 030806-270509 DOORLOOPTIJD BIJNA DRIE JAAR procedure bezwaarschrift tegen Plan van Aanpak als representatief voorbeeld van die geweldige onpartijdige rechtspraak in Nederland als burgers tegen jeugdzorg procederen! Lachwekkend! Kinderbescherming zit niet meer bij rechter aan tafel. (1) (12) Lachwekkend! Nu bellen de vertegenwoordigers van de Staat met de kinderrechter buiten de hoorzitting om nog voordat een verzoek wordt ingediend! (101) (124) (180) Lachwekkend! UN heeft nog steeds niet op klacht van Hop tegen Nederland beslist als representatief voorbeeld van "corruptie van coalities" tussen UN en Nederland (95) (710) |
Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel
Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd
Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen
Project
beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger 11 juni 1997 - heden
11
juni 1997 President rechtbank Zutphen mr. J.J.
Oostveen schrijft in brief over J. Hop Ermelo
aan Procureur-Generaal Hoge Raad citaat:
"Partijen gaan en komen in de zittingzaal, maar de vertegenwoordiger van de
Raad voor de Kinderbescherming treedt in iedere zaak
weer op als adviseur; het komt niet efficiënt en
ook overigens niet opportuun voor, ZELFS WELLICHT ENIGSZINS LACHWEKKEND om de
betreffende vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming telkens de
zaal te doen verlaten en bij de volgende zaak weer te
zien terugkeren. Hoogachtend, Mr. J.J. van Oostveen."
(1)
(12)
18 november 1997 De Telegraaf: "Rechters rechtbank Den Bosch eisen
juridische stappen tegen publicatie van hun bijbaantjes door Hop (131)
Vereniging Directeuren Gezinsvoogdij besluiten tot hetze tegen Hop openen
"helpdesk" in strijd om afgifte contactjournalen gezinsvoogd (137)
(50)
5 november 2007 Rechtbank Zutphen tegen (wraking) door Hop. Hop ontdekt
kinderrechter is rechter, aanklager en belanghebbende (95)
(710)
Vereniging van Nederlandse Gemeenten opent helpdesk tegen Hop om bijbaantjes
TOP-ambtenaren GEHEIM te houden (GRI)
(GEM) (BSC)
De norm! Betere
rechters in Nederland kenmerken zich door waarheidsvinding
en niet als een PAPEGAAI de jeugdzorg
NAPRATEN!
Boycot
de Raad voor de Kinderbescherming
Een uitnodiging van Jan Hop
om over de volgende stelling na te denken. Geld en de waarde welk er
aangehecht wordt is een illusie. Besluit men zich anderzijds op te stellen, is
het terstond onbruikbaar. Het hele systeem van Nederland en elders staat of valt
domweg of er voldoende 'mensen' zijn die meewerken. Is men bewust heeft men de
macht.
Het is lachwekkend dat Rijksmuseum Arnhemse rechter inhuurt voor verdediging tegen Hop
Reclame Code Commissie probeert vitale uitspraak Rijksmuseum Amsterdam "Moeders zijn beter geschikt om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" (dossiernummer 05.0149) te verzwijgen om klacht van Hop ongegrond te kunnen verklaren
363 De Mw. Hees van Walraven-norm. Het doel van de Reclame Code Commissie is klachtzaken tegen reclame te onderdrukken. Bijvoorbeeld met een oneerlijk rechtsproces waarbij geen proces-verbaal van de hoorzitting wordt opgemaakt om een vitale uitspraak van beklaagde die de klacht ondersteunt te onderdrukken. Bron 050149 klachtzaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam.
Inhoudsopgave.
Hop wraakt alle leden College van Beroep Reclame Code Commissie
Memo deskundigenrapport 185 Rijksmuseum Amsterdam: "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Derde ronde Hop tegen RCC inzake klachtzaak tegen Rijksmuseum Amsterdam "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Hoger beroep Hop tegen uitspraak Reclame Code Commissie: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"
De drie belangrijkste reacties van advocaat/rechter-plv Mr. H.J.M. Boukema namens het Rijksmuseum Amsterdam op de pleitnotitie van Hop kort samengevat
Pleitnoties en toelichting Hop op de hoorzitting bij de Reclame Code Commissie 10 mei 2005 in de klachtzaak Hop tegen het Rijksmuseum Amsterdam
Schriftelijke reactie Rijksmuseum Amsterdam op de klacht van Hop naar de Reclame Code Commissie
Klachtzaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam na pagina advertentie: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"
Voorbereiding klachtzaak! Check Mr. H.J.M. Boukema raadsman Rijksmuseum Amsterdam. Hij blijkt advocaat en rechter-plaatsvervanger te zijn
Voorbereiding klachtzaak! Check op elite en rechtersleger. Wie hebben er bijbaantjes bij het Rijksmuseum Amsterdam?
Voorbereiding klachtzaak! Check namen en nevenfuncties van de leden Reclame Code Commissie en Commissie van Beroep
Voorbereiding klachtzaak! Check Skip Intro Reclamebureau Rijksmuseum Amsterdam: "Zoals wij graag mogen zeggen: there's no such thing as bad publicity"
Hop wraakt alle leden College van Beroep Reclame Code Commissie
Stichting Reclame Code,
College van Beroep,
Postbus 12352,
1100 AJ Amsterdam.
Betreft: Wraking van ALLE LEDEN van het College van Beroep van de Stichting Reclame Code inzake de klachtzaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam "Moeders zijn beter geschikt om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" (dossiernummer 05.0149).
Ermelo, 31 augustus 2005.
Geacht College,
Inleiding. Ik heb een jarenlange en rijke ervaring met niet-onafhankelijke rechtspraak en niet-onafhankelijke klachtafhandeling in Nederland en beschik daarom over inzicht, expertise en jurisprudentie om deze wraking met gegevens uit eerdere zaken goed gemotiveerd te onderbouwen. Bij de Stichting Reclame Code wordt door mij een soortgelijke situatie aangetroffen zoals ik die ik al eens eerder heb meegemaakt in de klachtzaak Hop tegen Raad voor de Kinderbescherming Oost. Over die situatie zijn zelfs kamervragen gesteld waarop de Minister van Justitie heeft geantwoord dat zo'n situatie ontoelaatbaar is.
Ondergetekende J. Hop, wraakt hierbij ALLE LEDEN van het College van Beroep van de Stichting Reclame Code en verzoekt voor de afhandeling van dit wrakingsverzoek nieuwe onafhankelijke leden te benoemen, zodat die nieuwe leden over ieder onderdeel van dit "wrakingsverzoek" gemotiveerd kunnen beslissen. De wraking van ALLE LEDEN van het College van Beroep van de stichting Reclame Code wordt met de onderstaande gronden onderbouwd.
Grond 1. Rechtsweigering. Tot op heden hebben de benoemde leden van het College van Beroep meermalig geweigerd op het ingediende beroep van Hop te beslissen.
Grond 2. De betrokkenheid van mr. P.E.C. Ancion-Kors vanaf de indiening van de klacht, de klachtafhandeling in eerste aanleg en nu nog steeds bij de afhandeling van deze klachtzaak in beroep. Op 18 augustus 2005 verstuurd het College van Beroep een beslissing op de brief van klager van 12 augustus 2005. (dossier 05.0149).
Namens het College van Beroep ondertekent mr. P.E.C. Ancion-Kors de brief van 18 augustus 2005.
Het voortraject vanaf het indienen van de klacht tot aan deze beslissing 18 augustus 2005 is geheel door deze mr. P.E.C. Ancion-Kors gedaan. Dit betekent dat ik hierbij op basis van briefpapier verificatie aantoon dat deze mr. P.E.C. Ancion-Kors ook bij de beroepszaak is betrokken wat vergeleken zou kunnen worden met een griffier van een rechtbank die vervolgens ook gaat beslissen over dezelfde zaak bij de gerechtshoven. Een situatie die denk ik zo onaanvaardbaar is dat zelfs de Nederlandse rechtspraak waar ik overigens flinke kritiek op heb begrijpt dat dit onaanvaardbaar is en zo'n situatie heb ik binnen de gerechten dan ook niet eerder aangetroffen.
Wat ik wel heb aangetroffen was de situatie in mijn klachtzaak Hop tegen de Raad voor de Kinderbescherming Oost waarbij de griffier die rechts naast de kinderrechter zat aan dezelfde tafel en betrokken was bij de afhandeling van de zaak Hop "omgangsregeling kinderen" vervolgens werd aangetroffen als secretaris van de klachtencommissie. Oud Tweede Kamerlid Hendriks heeft hier vragen over gesteld aan de Minister van Justitie
citaat vraag aan de Minister van Justitie.
In het geval waar hier kennelijk op gedoeld wordt, is inmiddels de afspraak gemaakt dat de secretaris van de klachtencommissie niet optreedt als secretaris in zaken bij de behandeling waarvan zij bij de rechtbank griffier is geweest. Een secretaris van een klachtencommissie, noch een griffier bij een rechtbank heeft overigens een rechtsprekende taak. Beide functionarissen vervullen een ondersteunende rol op juridisch en administratief terrein
citaat antwoord van de Minister van Justitie.
In het geval waar hier kennelijk op gedoeld wordt, is inmiddels de afspraak gemaakt dat de secretaris van de klachtencommissie niet optreedt als secretaris in zaken bij de behandeling waarvan zij bij de rechtbank griffier is geweest. Een secretaris van een klachtencommissie, noch een griffier bij een rechtbank heeft overigens een rechtsprekende taak. Beide functionarissen vervullen een ondersteunende rol op juridisch en administratief terrein]
De leden van het College van Beroep ten onrechte mr. P.E.C. Ancion-Kors ook de zaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam laten behandelen terwijl zij ook betrokken is geweest bij de afhandeling van deze zaak in eerste aanleg waardoor belangenverstrengeling is aangetoond. Dit klemt des te meer omdat zelfs de Minister van Justitie op kamervragen heeft geantwoord dat zulke situaties onaanvaardbaar zijn. Onderbouwing en toelichting www.burojeugdzorg.nl/8.htm
Grond 3. Opnieuw betreft het hier de betrokkenheid van mr. P.E.C. Ancion-Kors bij de zaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam bij het College van Beroep.
mr. P.E.C. Ancion-Kors ten onrechte bij het College van Beroep een rechtsprekende taak vervuld. Op de laatste brief die door Hop naar het College van Beroep is gestuurd (brief Hop 12 augustus 2005) wordt ten onrechte door mr. P.E.C. Ancion-Kors inzake de "ontvankelijkheid" beslist. (brief college van beroep 180805) Dit klemt des te meer omdat nergens uit blijkt dat mr. P.E.C. Ancion-Kors lid is van het College van Beroep. Wellicht is hier zelfs sprake van het uitoefenen van een functie in valse hoedanigheid waarmee in het verleden beroepszaken van klagers systematisch ten onrechte door de Stichting Reclame Code zijn afgedaan.
Samengevat wraakt ondergetekende ALLE leden van het College van Beroep omdat er niet alleen sprake is van zeer ernstige belangenverstrengeling waarbij dezelfde persoon bij dezelfde zaak zowel in eerste aanleg als in beroep betrokken is. Ook is er sprake van het uitoefenen van een rechtsprekende functie in valse hoedanigheid bij het College van Beroep bij de Stichting Reclame Code waartegen door geen enkel lid van het College van Beroep is opgetreden kennelijk met als doel systematisch beroepszaken van burgers met klachten tegen reclame te onderdrukken.
Grond 4.
Grond 4 betreft uitsluitend de leden van het College van Beroep die tevens een baantje als rechterlijk ambtenaar vervullen waarbij als grondslag wordt verwezen naar Nederlandse wetgeving. Deze wetgeving kunt u vinden op de website www.burojeugdzorg.nl/135.htm
Wet 14 juni 1822, Artikel 11 Rechtspreken volgens de wet: "De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen"
Hop verwijst naar de brief van het College van Beroep waarin staat citaat:
In antwoord op uw brief van 12 augustus jl. deel ik u mede dat de inhoud van uw brief geen aanleiding geeft u anders te berichten dan dat, ingevolge het Reglement betreffende de Reclame Code Commissie en het College van Beroep etc.
Het College van Beroep bevestigt schriftelijk dat er hier sprake is van rechtspraak op een grond een reglement. Hop verwijst als onderbouwing naar deze wet van 14 juni 1822.
Wet 14 juni 1822, Artikel 11 Rechtspreken volgens de wet: "De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen"
Art. 11.
Rechtspreken volgens de wet
De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke
waarde of billijkheid der wet beoordelen.
Art. 12.
Recht doen voor individueel geval
Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement,
uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn.
Bij de Stichting Reclame Code blijken dus rechterlijke ambtenaren bijbanen te hebben waarbij ze rechtspreken op grond van een reglement en dat is op grond van de wet 14 juni 1822 verboden en zelfs strafbaar.
Gelet op het bovenstaande wil ik van dit schrijven inzake wraking gelijk gebruik maken om mijn gronden voor beroep tegen de beslissing van de Reclame Code Commissie d.d. 2 juni 2005 in dossiernummer 05.0149 verder aan te vullen met de nummers 17 en 18 aan te vullen.
Grond 17 . De beslissing is genomen door een commissie waarin zitting had een lid (voorzitter) die een functie heeft bij de rechterlijke macht. Het is leden van de rechterlijke macht op grond van de wet Wet 14 juni 1822 verboden recht te spreken op grond van een reglement. Artikel 11 Rechtspreken volgens de wet: "De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen" Art. 12. Recht doen voor individueel geval Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn.
Grond 18. De beslissing is genomen door een commissie waarin zitting had een lid (voorzitter) die een functie heeft bij de rechterlijke macht. Het is leden van de rechterlijke macht op grond van de wet Wet 14 juni 1822 verboden "stil te zwijgen". Er is sprake van het stilzwijgen van de vitale uitspraak van de raadsman van het Rijksmuseum Amsterdam tijdens de hoorzitting: "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" is strafbaar op grond van de wet 14 juni 1822. Met deze methode worden vaders al decennia benadeeld in de familie rechtspraak om systematisch moeders te bevoordelen. Zie de inhoud van het deskundigenrapport 185.
Er is dus sprake van tenminste ëën strafbaar feit met als grondslag de Wet 14 juni 1822 bij de beslissing die de Reclame Code Commissie heeft genomen in de klachtzaak Hop tegen het Rijksmuseum Amsterdam om de klacht van Hop jegens het Rijksmuseum niet gegrond te kunnen verklaren.
Nevenfuncties rechterlijke ambtenaren bij de Reclame Code Commissie in strijd met de wet 14 juni 1822
Hop verzoekt de Stichting Reclame Code onverwijld maatregelen te nemen tegen rechterlijke ambtenaren die bij deze Stichting een rechtsprekend bijbaantje hebben door onmiddellijk een einde aan deze praktijk te maken die strafbaar is op grond van de Wet 14 juni 1822. Indien deze Stichting toch blijft doorgaan met het inzetten van rechterlijke ambtenaren om klachten tegen reclame te onderdrukken ben ik van mening dat ook de Stichting Reclame Code zich MET OPZET strafbaar maakt aan strafbare feiten. U dient daar zeer goede nota van te nemen.
Voordat ik dit schrijven naar uw toestuurde keek ik nog even een schrijven van de CDA-fractie uit de Tweede kamer na welk schrijven u kunt vinden op de website www.burojeugdzorg.nl/89.htm citaat:
De CDA-fractie prijst zich gelukkig, dat het waardevolle instituut van de rechter-plaatsvervanger niet is prijsgegeven in de modieuze neiging om direct toe te geven aan de waan van de dag. Het belangrijkste daarbij is, zo komt het de CDA-fractie voor, de mogelijkheid om zinvolle verbindingen aan te brengen tussen rechterlijke macht en samenleving. Moge het ambt van rechter op zich tot enige isolatie kunnen leiden, via deelname van andere juristen niet rechters aan de rechtspraak wordt een interne dialoog tussen rechter en samenleving op gepaste wijze mogelijk gemaakt.
Zelf ben ik van mening dat het aanzien van de beroepsgroep rechterlijke macht ernstig wordt geschaad door bijbaantjes van leden van deze beroepsgroep bij een organisatie die ons land met gigantische bergen reclamedrukwerk vervuild om "zinvolle verbindingen aan te brengen tussen rechterlijke macht en samenleving". Ik vind het ook geen zinvolle verbinding tussen rechterlijke macht en samenleving om bijbaantjes te vervullen in strijd met wetgeving (Wet 14 juni 1822) bij een stichting die de belangen van een beroepsgroep behartigt die het milieu met enorme afvalbergen drukwerk aan het vervuilen is.
Ik hoop dan ook van harte dat er steeds meer verzet komt tegen deze CDA-praktijken om het rechtersleger overal bijbaantjes te laten vervullen terwijl het in de door belasting betalers betaalde rechtspraak een enorme puinhoop is met enorme wachtlijsten. Ik denk dan ook dat dit veroorzaakt wordt door rechters die niet meer in staat zijn op basis van gezond verstand en wetgeving recht te spreken door hun illegale bijbaantjes bij stichtingen die op basis van een reglement recht laten spreken.
Als ik hier gelijk heb op basis van de wet 14 juni 1822 dan ben ik benieuwd hoe de Stichting Reclame Code alle illegale uitspraken waarbij rechterlijke ambtenaren in het verleden bij betrokken zijn geweest gaat herstellen door nieuwe uitspraken en/of deze Stichting van plan is gewoon door te gaan met hun illegale uitspraken. Net doet of er niets aan de hand is vanuit de wetenschap dat hun maatjes bij het CDA-rechtersleger ook dit probleem weer zullen afdekken om het gewone volk te bedonderen met mooie praatjes.
Hoogachtend,
J. Hop.
Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.
Uitspraak Mr. H.J.M. Boukema advocaat (rechter-plaatsvervanger Arnhem) namens het Rijksmuseum Amsterdam op de hoorzitting van de Reclame Code Commissie op 10 mei 2005. Tijdens de behandeling van de klachtzaak Hop tegen het Rijksmuseum Amsterdam tegen de pagina advertentie in de Telegraaf: "Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm.
Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke
dingen met kinderen te doen dan vaders"
Stichting Reclame Code,
College van Beroep,
Postbus 12352,
1100 AJ Amsterdam.
Betreft: Derde ronde Hop tegen Reclame Code Commissie inzake klachtzaak tegen Rijksmuseum Amsterdam "Moeders zijn beter geschikt om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" (dossiernummer 05.0149).
Ermelo, 12 augustus 2005.
Geacht College,
"Hierbij bericht ik u dat ik beroep heb ingesteld tegen de beslissing van de Reclame Code Commissie en in het hoger beroep heb aangegeven dat de Reclame Code Commissie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een eerlijk rechtsproces (6 EVRM) en dat ik door het handelen van de Commissie op een schandalige manier ben behandeld door niet op de door mij ingediende klacht(alle door mij ingediende klachtonderdelen) te beslissen
Er geen proces-verbaal van de hoorzitting is toegestuurd wat des te meer klemt door de uitspraak van het Rijksmuseum Amsterdam op de hoorzitting "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" welke vitale uitspraak ter zitting mijn klacht alleen maar verder onderbouwt en ook niet is beslist op basis van de regels van de RCC waarnaar ik expliciet heb verwezen.
Van de Reclame Code Commissie ontving ik een brief waarin zij schrijft: "Aangezien wij tot op heden geen appelbijdrage van u ontvingen, gaan wij ervan uit dat geen prijs stelt op (verdere) behandeling van uw beroepschrift en zullen wij het dossier sluiten".
Ik maak bezwaar tegen de beslissing op mijn appelschrift door de Reclame Code Commissie. De Reclame Code Commissie heeft geen enkele bevoegdheid om in een appelzaak te beslissen. Bovendien staat in het boekje "De Nederlandse Reclame Code" met subtitel "Informatie betreffende de werkwijze van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep" expliciet vermeld dat het College van Beroep beslist over de ontvankelijkheid van de appellant. Zie hoofdstuk 10 "De uitspraken naar aanleiding van een beroep". De volledige tekst van dit hoofdstuk luidt:
"10. De uitspraken naar aanleiding van een beroep.
Het College kan de volgende uitspraken doen:
1. het beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaren en de uitspraak van de Reclame Code Commissie (gedeeltelijk) vernietigen;
2. het beroep (gedeeltelijk) ongegrond verklaren en de uitspraak van de Reclame Code Commissie (gedeeltelijk) bevestigen;
3. de zaak terugverwijzen naar de Reclame Code Commissie;
4. appellant niet ontvankelijk verklaren in zijn beroep."
Indien het College mij in deze zaak niet ontvankelijk verklaart vanwege het niet betalen van de appelkosten, maak ik daartegen bezwaar. Ik heb aangegeven dat ik de appelkosten niet betaal omdat de Reclame Code Commissie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een eerlijk rechtsproces (6 EVRM). Ik onderbouw mijn bezwaar met een uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch. In de onderhavige zaak werd beroep ingesteld zonder betaling van appelkosten en zonder tussenkomst van de verplichte (dure) procureur. De griffier van het hof probeerde ook de zaak eerst af te poeieren. Ik maakte daar bezwaar tegen en toen heeft het Hof toch een beslissing genomen op het hoger beroep dat ik zonder betaling van appelkosten en zonder verplichte procureur instelde. U kunt de informatie over deze uitspraak vinden op de website
www.burojeugdzorg.nl/238.htm inzake "Ontvankelijkheid zonder verplichte procureurstelling ex art, 429o jo. 429d Rv"
Ik hoop dat u en iedereen bij de Reclame Code Commissie de kracht van mijn klacht in hoger beroep gaat onderkennen indien burgers zich vaker gaan verweren tegen prutswerk in de "(RCC)rechtspraak" door te gaan weigeren om appelbijdragen te betalen indien in zulke zaken niet volledig op de te behandelen klacht is beslist. Burgers gaan zoeken naar nieuwe wegen om door te kunnen procederen tegen de RCC in soortgelijke zaken waarin ook geweigerd wordt om appelbijdragen voor prutswerk in strijd met 6 EVRM te betalen.
Hoogachtend,
J. Hop.
Stichting Reclame Code College van Beroep,
Postbus 12352,
1100 AJ Amsterdam.
Ermelo, 14 juni 2005.
Geacht College,
Ondergetekende tekent beroep aan tegen de beslissing van de Reclame Code Commissie d.d. 2 juni 2005 in dossiernummer 05.0149. De beslissing is verzonden op 2 juni 2005 naar klager. Het beroep van klager is naar het College van Beroep verzonden op 14 juni 2005 en vanaf 14 juni 2005 in het openbaar gepubliceerd op internet op de website www.burojeugdzorg.nl/167.htm
1.1 Ontvankelijkheid van het Beroep. Het beroep is door klager tijdig verzonden naar de College van Beroep.
1.2 Ontvankelijkheid van het Beroep. Klager weigert de administratiekosten van 28 Euro voor het beroep over te maken en voert daartoe de volgende argumenten aan:
klager heeft een jarenlange ervaring met procedureel procederen en is van mening dat het aantal beroepszaken teruggebracht kan worden als de rechtspraak in eerste aanleg goed werk verricht en op een ingediende klacht netjes en correct afhandelt en goed gemotiveerd op een ingediende klacht beslist. In de onderhavige zaak is daarvan geen sprake en klager is van mening dat de Reclame Code Commissie zo partijdig is als de pest voor de beklaagden.
Klager onderbouwd zijn stelling dat de Reclame Code Commissie zo partijdig is als de pest voor beklaagden met de volgende argumenten:
1. De bestreden reclame-uiting staat niet volledig omschreven en correct weergegeven in de beslissing onder 2. Een gedeelte waartegen de klacht is gericht is weggelaten.
2. De klacht van klager wordt samengevat. In de samenvatting worden klachten van klager weggelaten.
3. Klager is van mening dat het een bekende truc is om onder leiding van een persoon afkomstig uit het rechtersleger klachten van het gewone volk tegen de elite in Nederland te onderdrukken door stelselmatig klachten van het gewone volk samen te vatten en in die samenvatting klachten van klagers weg te laten zodat met die truc niet op de ingediende klachten hoeft te worden beslist.
4. Klager is van mening dat het een bekende truc is om onder leiding van een persoon afkomstig uit het rechtersleger klachten van het gewone volk tegen de elite in Nederland te onderdrukken de aandacht af te leiden van waar het om gaat door klachtwaardige teksten waartegen een klacht wordt ingediend uit de beslissing weg te laten zodat ook met die truc niet op die klachtwaardige teksten hoeft te worden beslist.
5. Het bovenstaande verwoord in de onderdelen 1, 2, 3 en 4 klemt des te meer omdat het verweer van beklaagden wel compleet wordt overgenomen onder punt 4 in de beslissing daarin wordt niet samengevat. Klager is van mening dat hier met twee maten wordt gemeten en klager heeft hier maar een woord voor: KLASSENJUSTITIE!
6. Dit betekent ook dat de uitspraken van de Reclame Code Commissie mogelijk onbetrouwbaar zijn in die zin dat er door de werkwijze verwoord onder 1, 2, 3, 4 en 5 er kennelijk censuur wordt toegepast omdat ingediende klachten, niet behandeld worden, niet in beslissingen worden vermeld er ook niet op wordt beslist en dus ook niet zijn terug te vinden in de uitspraken van de Reclame Code Commissie.
7. De vermeende partijdigheid van de Reclame Code Commissie wordt volgens klager ook bewezen omdat de commissie zich bij beantwoording van een vraag of een reclame uiting is strijd is met goede smaak en/of fatsoen dan wel nodeloos kwetsend is "stelt de Commissie zich terughoudend op gelet op het subjectieve karakter van deze criteria".
8. Klager heeft goed nagedacht voordat hij de klacht indiende en dat ook aan de Reclame Code Commissie meegedeeld. Hij heeft ook informatie ingewonnen over het werk van de Reclame Code Commissie en de afpoeiermethode op grote schaal op grond van "stelt de Commissie zich terughoudend op gelet op het subjectieve karakter van deze criteria". Met deze criteria kan iedere klacht steeds worden afgepoeierd.
9. Klager heeft in zijn pleitnotitie als hoofdargument dus wetgeving aangevoerd "discriminatie van vrouwen". Op het hoofdargument van klager gaat de commissie niet in en daar is ook niets over terug te vinden in de beslissing.
10. Klager heeft in zijn pleitnotities expliciet verwezen naar genummerde regelgeving afkomstig van de Stichting Reclame Code zelf en ook in die argumenten van klager gaat de commissie niet in en ook daar is niets over terug te vinden in de beslissing.
11. Nummer 11. Zou het toeval zijn? Is het gek als een klager(s) een zaak verliest als klachten van het gewone volk stelselmatig worden afgepoeierd met beslissingen op basis van subjectieve karakter, waarbij de argumenten van klagers(s) op basis van wet- en regelgeving buiten beschouwing worden gelaten en niet in beslissingen zijn terug te vinden. Klager is van mening dat dit niet het geval is omdat deze werkwijze stelselmatig de praktijk is om onder leiding van het rechtersleger de klachten van het gewone volk te onderdrukken. Een praktijk die op een zeer grote schaal plaats vind bij de behandeling van klachten bijvoorbeeld tegen de jeugdzorg om klachten van het gewone volk tegen de gevestigde elite rondom de "jeugdzorg" te onderdrukken.
12. Ronduit weerzinwekkend in de beslissing van de Reclame Code Commissie is het feit dat in de beslissing van de Reclame Code Commissie niets staat over hetgeen partijen op de hoorzitting hebben gezegd in reactie op de pleitnotities. Ook daar staat niets over te lezen, ook is geen proces-verbaal bijgevoegd. Klager is van mening dat hij ook daarin weer stevig is benadeeld omdat klager van mening is dat de uitspraak van het Rijksmuseum op de hoorzitting 10 mei 2005 over vaders:
Rijksmuseum Amsterdam: "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
alleen maar bevestigd dat het Rijksmuseum erop uit is om vaders nodeloos te kwetsen en te diskwalificeren. Dit klemt des te meer omdat ook deze belangrijke uitspraak en de reactie van klager op deze uitspraak tijdens de hoorzitting ook weer compleet wordt weggelaten om toe te kunnen schrijven naar de conclusie: klacht ongegrond.
13. Een bekende truc in de Nederlandse rechtspraak is om in eerste aanleg zulk beroerd werk af te leveren dat klagers aangezet worden om in beroep te gaan om vervolgens nog meer gesubsidieerde hulpverlening, meer rechtspraak, en griffierecht (administratiekosten) te kunnen verkopen. Kort samengevat de sector zelf levert slecht werk af om de oplossing steeds duurder te kunnen blijven verkopen bijvoorbeeld om griffierechten te kunnen blijven innen om dit geld van het gewone volk afhandig te kunnen maken.
Klager verzet zich tegen deze praktijken en stelt nu een daad bij het College van Beroep door te weigeren administratiekosten te betalen voor beroep tegen een beslissing waarin de partijdigheid afdruipt en SLECHT WERK is geleverd doordat op ingediende klachten niet eens is beslist. Een werkwijze kenmerkend voor de elite om klachten van het gewone volk te onderdrukken.
14. Expliciet wordt door klager vermeld dat hij wel beschikt over 28 Euro en die 28 Euro ook gereserveerd had voor beroep maar zo de kwaliteit van de uitspraak zo beroerd is is hij van mening dat hij het bedrag van 28 Euro beter ergens anders aan kan besteden dan aan het in standhouden van de schijnvertoning die Reclame Code Commissie heet.
15. In plaats van geld te betalen aan de Stichting Reclame Code verzoekt klager de Stichting Reclame Code aan hem de prijs Euro 17.40 voor het treinkaartje Ermelo Duivendrecht aan hem te vergoeden omdat klager wel de moeite heeft genomen naar de hoorzitting te komen om de ingediende klacht nader toe te lichten (de ingediende klacht serieus nam) maar dat de Reclame Code Commissie klager kennelijk niet serieus nam en prutswerk afleverde door niet op de ingediende klachten van klager te beslissen.
16. Op basis van deze praktijkervaring is klager van mening dat burgers (vaders) er verstandiger aan doen om niet meer te klagen over reclame-uitingen, geen geld moeten besteden aan klachtzaken om de Stichting Reclame Code in stand te houden maar nodig ik burgers (vaders) uit over de enorme financiële belangen die zich achter reclame verschuilen na te denken. Ongevraagd drukwerk systematisch aan de afzenders geweigerd gaan retourneren omdat de RCC op ingediende genummerde klachten toch niet beslist
Door het geweigerd retourneren van ongevraagd drukwerk wilt meewerken aan de vermindering van de enorme papierafvalbergen met giftige inkt geproduceerd door een sector die van mening is dat
Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders
Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel
Een kopie van dit beroep is per e-mail op dinsdag 14 mei 2005 11:37 uur verzonden naar beklaagde het Rijksmuseum te Amsterdam.
Hoogachtend,
J. Hop (auteur website Censuur in Nederland www.burojeugdzorg.nl
Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.
Mr. H.J.M. Boukema. Discriminatie van vrouwen staat niet in de klacht die is ingediend.
Hop: In de klacht die ik heb ingediend blijkt duidelijk dat ik klaag over de ongelijke behandeling van moeders ten opzichte van vaders.
Citaat ingediende klacht: "Ik onderbouw ieder van de bovengenoemde klachtonderdelen met het verwijt aan het Rijksmuseum te Amsterdam dat het Rijksmuseum in de gewraakte reclame een verschil maakt tussen gescheiden vaders door primair niet gescheiden moeders in dezelfde advertentie te noemen. Secundair. Het Rijksmuseum in de gewraakte advertentie niet het woord ouders heeft gebruikt in deze advertentie. Door de positie van gescheiden vaders in de gewraakte advertentie expliciet te benadrukken is de gewraakte reclame volgens klager klachtwaardig.
Mr. H.J.M. Boukema. Klager stelt dat na een bezoek aan het bordeel in het Rijksmuseum er strijd tussen ouders kan ontstaan met als gevolg jarenlange rechtszaken omdat dit bordeelbezoek niet aansluit bij de pedagogische opvattingen van de moeder. Klager stelt dat dit ook niet goed is voor de betrokken kinderen. Een rechter zal in deze strijd altijd ten gunste van de museumbezoekende ouder beslissen.
Slotzin Mr. H.J.M. Boukema: "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Reactie Hop: Het diskwalificeren van vaders door het Rijksmuseum gaat ook op deze zitting gewoon door.
Voorzitter mevrouw Hees van Walraven: Uitspraak over ongeveer vier weken. U kunt tegen deze uitspraak in beroep gaan.
Einde hoorzitting.
Pleitnotitie Hop.
Dossier 050149 RCC
Reclame Code Commissie
Plaats: Paasheuvelweg 15, Amsterdam Z.O.
Pleitnotitie Hop in dossier 050149 Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam bij RCC
Geachte Commissie,
Mijn pleitnotitie bestaat uit 5 onderdelen.
1. Linken van, via, naar de samenstelling van deze commissie.
Gistermiddag belde ik de Stichting Reclame Code en vroeg de namen van de commissieleden voor deze zitting.. De volgende namen werden aan mij doorgegeven.
Boerma AJM aangewezen door media, directeur is van uitgeversmaatschappij De Telegraaf.
M. van der Heij, aangewezen door VEA, vervanger Liefering DBB
J.T. Peters, aangewezen door consumentenbond
L.G. Schram, aangewezen door bond van adverteerders
Mw. Hees van Walraven, vice-president rechtbank Amsterdam
Vos, secretaresse.
Hop: "Ik zie aan de naambordjes dat A.J.M. Boerma er niet is."
Voorzitter mevrouw Hees van Walraven: "Meneer Boerma van de Telegraaf heeft voor de behandeling van deze zaak de zaal verlaten. Mevrouw Vos secretaresse vervangt hem voor deze zaak. Ik wist niet dat u gisteren heeft gebeld."
Hop: "Deel 1 van mijn pleitnotitie kan hiermee vervallen".
2. Discriminatie van vrouwen. Het gaat hier immers om een zeer ernstige klachtzaak. Ik ben van mening dat de advertentie strafbaar is omdat er sprake is van discriminatie van vrouwen. Er wordt immers expliciet gescheiden vaders in de advertentie vermeld en niet gescheiden moeders. Onderscheid op grond van geslacht is verboden en strafbaar in Nederland. Bron: Elisabeth Venekatte. Open normen in de reclame. Venekatte is nu rechter in Almelo.
3. Zoals ik al in eerste aanleg in mijn klacht heb vermeld wordt er ten onrechte onderscheid gemaakt tussen gescheiden vaders en gescheiden moeders. In het antwoord van het Rijksmuseum begon de directeur de ernst van de klacht in de gaten te krijgen. Er werd nu geschreven dat het de bedoeling was om ouders tot museumbezoek op te roepen. Dat staat echter niet in de advertentie en daarom heeft het Rijksmuseum nu met een klachtzaak te maken gekregen. Het Rijksmuseum heeft na de klacht schriftelijk toegegeven dat het de bedoeling was ouders tot museumbezoek op te roepen. Feit is dat dit niet in de advertentie staat. Er is volgens klager dus sprake van onderscheid op grond van geslacht en misleiding.
Voordat ik de klacht indiende heb ik daar eerst goed over nagedacht. Ik ben ook nagegaan wat de normen zijn die door de rechterlijke macht gehanteerd worden inzake activiteiten van (gescheiden) vaders met hun kinderen en wat de gevolgen van die activiteiten kunnen zijn.
Norm 136. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kinderen als hij daar een rechterlijke beschikking voor nodig heeft. Bron: Hop tegen RvdK Oost.
Norm 156. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kind als hij met haar liedjes zingt. Bron: Zander tegen RvdK Oost.
Norm 156. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kind als hij met haar door de stad fietst. Bron: Zander tegen RvdK Oost.
Norm 160. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kind als de moeder het vermoeden heeft dat er in de toekomst incest zou kunnen gebeuren. Bron Moszkowics Sr. Andere tijden in de Telegraaf.
Norm 212. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kind als de ouders naar een naturistenstrand gaan. Bron: Moszkowics Sr. Signalen in de Telegraaf.
Bron: normen website www.burojeugdzorg.nl/nummer van de norm.htm
Er zijn dus al diverse normen vastgesteld voor omgang tussen vaders en kinderen. In de Telegraaf worden in een pagina kleurenadvertentie gescheiden vaders nu opgeroepen om een bordeel te bezoeken. Met als grondslag bovengenoemde normen die al zijn vastgesteld is volgens klager de gewraakte advertentie in strijd met goed fatsoen, goede smaak enz. omdat in familiezaken niet aan waarheidsvinding wordt gedaan en de "beleving" van kinderen al voldoende is om omgang tussen kinderen en vader te ontzeggen na een bordeelbezoek van vader en kinderen aan het Rijksmuseum met jarenlange rechtszaken om vervolgens vader zijn kinderen af te pakken en financieel kapot te procederen want zo werkt dat hier in Nederland. Het Rijksmuseum maar ook de Telegraaf hadden ook hier beter moeten weten.
4. Om het geheel nog veel erger te maken wordt in de advertentie expliciet vermeld dat gescheiden vaders bij een pretpark niet in staat zijn om met hun kinderen een goed gesprek te beginnen maar bij het Rijksmuseum wel. De vader wordt in de gewraakte advertentie dus als vader gediskwalificeerd er wordt immers gesteld dat vaders in pretparken niet gemakkelijk tot een goed gesprek kunnen komen.
5. Als norm en grondslag voor de klacht stelt klager vast de uitgangsformule van de site Censuur in Nederland. In Nederland worden onafhankelijke producerende personen en bedrijven kapot gemaakt om de gesubsidieerde hulpverlening steeds verder te verrijken.
DEMONSTRATIE. Ik licht dit verder toe. Ik heb hier twee bierviltjes. Het ene bierviltje staat voor de onafhankelijke producerende bedrijven en personen in Nederland. Het twee bierviltje staat voor de gesubsidieerde hulpverlening. Zoals u nu ziet wordt het eerst bierviltje nu langzaam kapot gemaakt en wordt de massa van en op het tweede bierviltje steeds groter. Dit gebeurt al meerdere jaren en is de dagelijkse praktijk in Nederland. De problemen zijn in Nederland niet meer op te lossen omdat de gesubsidieerde hulplening alle onafhankelijke producerende personen en bedrijven steeds verder aan het kapot maken is. In de gewraakte advertentie wordt deze "verborgen agenda" nu voor het eerst ook openlijk vermeld.
4. wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
Laatste lokmiddel gratis toegang voor kinderen tot 18 jaar om kinderen uit de pretparken weg te halen en het gesubsidieerde Rijksmuseum binnen te lokken.
Ik geef een persoonlijk voorbeeld om de klacht nader toe te lichten. Zelf ben ik met mijn kinderen meermalig naar het Apeldoornse pretpark Julianatoren geweest. Dat was niet alleen leuk maar we hadden daar ook goede gesprekken. Julianatoren is een onafhankelijk producerend bedrijf. Op 16 april 2005 dus na het indienen van mijn klacht bij uw commissie stond het volgende bericht in de media:
Apeldoorn 16 april 2005. Het Apeldoornse pretpark Koningin Julianatoren dreigt te stoppen als de gemeente Apeldoorn een voorgenomen belastingmaatregel doorvoert. De gemeente wil dat voor attracties die jaarlijks meer dan 100.000 bezoekers trekken een kwartje per bezoeker wordt afgedragen. Volgens directeur Krekel van de Julianatoren wil de gemeente zo 380.000,-- Euro ophalen. Voor het personeel betekent de maatregel dat een deel van het personeel wordt ontslagen. Als de gemeente de plannen doorzet wil Krekel de attracties verkopen en een pannenkoekhuis gaan exploiteren.
In Nederland wordt een onafhankelijk pretpark dus kapot gemaakt en het gesubsidieerde Rijksmuseum lokt alle bezoekers tot 18 jaar gratis het gesubsidieerde Rijksmuseum binnen en dan kan allemaal omdat de belastingbetalers dit allemaal moeten betalen en het Rijksmuseum een gratis kleurenpagina advertentie in de grootste krant van Nederland kreeg van 70.000,-- Op deze manier worden in Nederland onafhankelijke personen en bedrijven kapot gemaakt en zijn de problemen dus niet meer op te lossen omdat onafhankelijk burgers zo financieel kapot worden gemaakt dat zij een krantenabonnement niet meer kunnen betalen en dat wordt natuurlijk ook weer opgelost met megasubsidies via de gefiscaliseerde omroepbijdrage.
Hoeveel subsidie krijgt de Telegraaf jaarlijks via de gefiscaliseerde omroepbijdrage? Als de belastingbetaler betaald kun je dan een gratis advertentie van 70.000,-- Euro weggeven aan een gesubsidieerde maatje die eet uit dezelfde subsidiepotten van de overheid?
De tekstpassages gericht op het weglokken van burgers bij (onafhankelijke) producerende pretparken om ze gratis het gesubsidieerde Rijksmuseum in te lokken zijn daarom volgens klager in strijd met fatsoen en goede smaak waarbij bovendien sprake is van oneerlijke concurrentie in de advertentie waarbij onafhankelijke pretparken met het gesubsidieerde Rijksmuseum wordt vergeleken. Klager verzoekt u tegen deze praktijk maatregelen te nemen?
J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo. Auteur Censuur in Nederland.
Schriftelijke reactie Rijksmuseum Amsterdam op de klacht van Hop naar de Reclame Code Commissie
Rijksmuseum Amsterdam, Postbus 74888, 1070 DN Amsterdam, Telefoon 020-6747000, Telefax 020-6747001, www.rijksmuseum.nl
aan
Per fax en per post, Reclame Code Commissie, Mevrouw mr. P.E.C. Ancion-Kors , Postbus 12352, 1100 AJ Amsterdam.
Uw referentie Dossier 05.0149
Uw brief van 21 maart 2003
Onze referentie 05.0610-u
Datum 30 maart 2005.
Geachte mevrouw,
Wij ontvingen uw brief van 21 maart jl. met de klacht van de heer J. Hop over onze advertentie in de Telegraaf van zondag 20 februari jl. Voor de duidelijkheid sluiten wij een afdruk van deze advertentie nogmaals bij (in achtvoud). De heer Hop heeft een aantal klachten over deze advertentie. Deze zou in strijd zijn met de waarheid, de goed smaak, het fatsoen, zou nodeloos kwetsend zijn, er zou sprake zijn van oneerlijke concurrentie, er zou een verborgen agenda achter zitten, enz.
De gewraakte advertentie is speciaal gemaakt voor de zondagseditie van de krant en bevat een oproep tot museumbezoek. Het doel is om ouders op het idee te brengen dat een bezoek aan het Rijksmuseum spannend en leerzaam is voor ouders en kind. Enigszins raillerend (memo Hop railleren is spotten) is een pakkende kopregel geformuleerd. De onder de afbeelding van een schilderij in het Rijksmuseum geplaatste tekst legt aard en bedoeling van de advertentie uit. Van misleiding is geen sprake.
In de reclamewereld is deze advertentie met veel instemming ontvangen. De Telegraaf bood zelfs een 1/1 pagina advertentieruimte in de zondagseditie gratis aan. Daarom richt de advertentie zich - met een duidelijke knipoog - tot een speciale "zondagse doelgroep" De klachten van de heer Hop hebben vooral betrekking op de zijns inziens moeilijke positie van gescheiden vaders. Uiteraard is het niet aan ons om daarover een mening te hebben. In de advertentie wordt ook niets gezegd of gesuggereerd dat aan die positie afbreuk zou doen.
Naar onze mening is het voor iedereen die de advertentie ziet of leest onmiddellijk duidelijk dat het hier gaat om een verrassende, soms zelfs humoristische oproep tot bezoek aan het Rijksmuseum. De advertentie is ons inziens verre van kwetsend of in strijd met de waarheid, de goed smaak of het fatsoen. De Code Commissie pleegt op goede gronden terughoudend aan deze maatstaven te toetsen. Voor zo'n toetsing is ook nu aanleiding, temeer nu de advertentie evident "over the top"is. De advertentie is zelfs eerder moralistisch, maar dan op een leuke manier.
Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Het lijkt ons niet nodig dat we deze kwestie mondeling toelichten tenzij klager aangeeft zelf te verschijnen op de zitting
Hoogachtend,
Prof. drs. R. de Leeuw
Hoofddirecteur
Bijlage
010405 Eerste reactie Hop klager na ontvangst reactie Rijksmuseum op zijn klacht.
De kop van de gratis pagina advertentie in de Telegraaf luidde "Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"
Ik nodig u uit mee te kijken hoe het Rijksmuseum in hun antwoord aan de Reclame Code Commissie de woorden uit de kop van de advertentie "gescheiden vaders" meermalig vervangt door "ouders" terwijl een deel van mijn klacht er juist om gaat dat het Rijksmuseum de woorden "gescheiden vaders" en niet "ouders" in hun advertentie heeft gebruikt. Vervolgens spreekt het Rijksmuseum zich in hetzelfde antwoord weer tegen met de passage citaat "Daarom richt de advertentie zich - met een duidelijke knipoog - tot een speciale "zondagse doelgroep"
Kennelijk zit de klacht hen toch niet lekker, waarom zouden ze anders de woorden "gescheiden vaders" niet gebruiken zoals in de kop van hun advertentie staat? Ik nodig de lezers van mijn website uit mijn klacht en de reactie van het Rijksmuseum kritisch te bekijken? Uw reactie naar mij toe te sturen zodat ik waar nodig mijn pleitnotitie met de inzichten van mijn lezers nog verder kan verbeteren.
Stichting Reclame Code, Reclame Code Commissie, Paasheuvelweg 15, Amsterdam Zuidoost
Ermelo, 1 maart 2005.
Geachte heer/mevrouw,
Ondergetekende dient hierbij een klacht in tegen een reclame door:
Rijksmuseum te Amsterdam, hierna te noemen beklaagde.
Datum van de reclame: 20 februari 2005
Plaats van de reclame: Pagina reclame in het Dagblad De Telegraaf.
Complete tekst van de aangeklaagde reclame
Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel.
Elke tweede zondag naar een pretpark is leuk, maar het komt niet makkelijk tot een echt goed gesprek. Tip: Neem uw kinderen eens mee naar het Rijksmuseum. Daar steken ze niet alleen wat van op, maar het biedt ook leuke aanknopingspunten voor gesprekken die u misschien al veel te lang heeft uitgesteld.
Neem de Bordeelscène van Nicolaus Knüpfer, één van de leermeesters van Jan Steen. Dat is een losbandig tafereel, maar het is natuurlijk moralistisch bedoeld. En dat biedt weer openingen voor gesprekken over normen en waarden, desnoods bloemen en bijen - we doen maar een wilde suggestie - de verlokkingen des levens.
Wilt u het wat minder heftig aanpakken, of heeft u kinderen die nog iets te jong zijn voor bordeelbezoek, dan heeft het Rijksmuseum ook een speciale Semsamstraat Audiotour.
Laatste lokmiddel: kinderen t/m 18 jaar hebben gratis toegang.
Om de klacht zo goed mogelijk te formuleren heb ik gebruik gemaakt van uw eigen publicatie citaat: "In de Nederlandse Reclame Code is een veelheid van regels vastgelegd waar reclame aan moet voldoen. De Code bestaat uit een Algemeen Gedeelte en een Bijzonder Gedeelte. In het Algemeen Gedeelte wordt onder meer bepaald dat reclame niet mag misleiden en niet in strijd met de waarheid mag zijn. Ook subjectieve normen zijn in dit gedeelte opgenomen. Zo mag reclame niet nodeloos kwetsen en niet in strijd zijn met de goede smaak en het fatsoen. Het Bijzondere Gedeelte bevat bijzondere reclamecodes met de bijbehorende bepalingen ten aanzien van specifieke producten en diensten. Deze bepalingen gelden als aanvulling op het Algemene Gedeelte van de Nederlandse Reclame Code."
Klacht 1. De aangeklaagde reclame is ten onrechte misleidend.
Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Elke tweede zondag naar een pretpark is leuk, maar het komt niet makkelijk tot een echt goed gesprek.
Deze reclameuiting is volgens klager misleidend omdat gescheiden vaders geen geld hebben om elke tweede zondag naar een pretpark te gaan.
Deze reclameuiting is volgens klager misleidend omdat naar een pretpark gaan juist wel een manier is om tot een goed gesprek tussen vader en kinderen te komen.
Klacht 2. De aangeklaagde reclame is ten onrechte in strijd met de waarheid.
Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Elke tweede zondag naar een pretpark is leuk, maar het komt niet makkelijk tot een echt goed gesprek.
Deze reclameuiting is volgens klager misleidend omdat gescheiden vaders geen geld hebben om elke tweede zondag naar een pretpark te gaan.
Deze reclameuiting is volgens klager misleidend omdat naar een pretpark gaan juist wel een manier is om tot een goed gesprek tussen vader en kinderen te komen.
Klacht 3. De aangeklaagde reclame is ten onrechte nodeloos kwetsend.
Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Elke tweede zondag naar een pretpark is leuk, maar het komt niet makkelijk tot een echt goed gesprek.
Deze reclameuiting is volgens klager nodeloos kwetsend omdat hiermee de suggestie wordt gewekt dat gescheiden vaders niet in staat zijn in een pretpark tot een goed gesprek met hun kinderen te komen waarbij ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat dit door bordeelbezoek in het Rijksmuseum te Amsterdam wel mogelijk is.
Klacht 4. De aangeklaagde reclame is ten onrechte in strijd met goede smaak.
Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Neem de Bordeelscène van Nicolaus Knüpfer, één van de leermeesters van Jan Steen. Dat is een losbandig tafereel, maar het is natuurlijk moralistisch bedoeld. En dat biedt weer openingen voor gesprekken over normen en waarden, desnoods bloemen en bijen - we doen maar een wilde suggestie - de verlokkingen des levens.
De positie van een vader in het familierecht is totaal uitgehold. Bordeelbezoek in het Rijksmuseum kan onmiddellijk een grond zijn voor een moeder om de omgangsregeling tussen vader en kinderen stop te zetten omdat in de rechtspraak niet aan waarheidsvinding wordt gedaan. Gelet op de positie van een vader in het Nederlandse familierecht is het in strijd met goede smaak om een gescheiden vader met een omgangsregeling een keer in de 14 dagen aan te zetten tot bordeelbezoek in het Rijksmuseum
Klacht 5. De aangeklaagde reclame is ten onrechte in strijd met het fatsoen.
Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Neem de Bordeelscène van Nicolaus Knüpfer, één van de leermeesters van Jan Steen. Dat is een losbandig tafereel, maar het is natuurlijk moralistisch bedoeld. En dat biedt weer openingen voor gesprekken over normen en waarden, desnoods bloemen en bijen - we doen maar een wilde suggestie - de verlokkingen des levens.
De positie van een vader in het familierecht is totaal uitgehold. Bordeelbezoek in het Rijksmuseum kan onmiddellijk een grond zijn voor een moeder om de omgangsregeling tussen vader en kinderen stop te zetten omdat in de rechtspraak niet aan waarheidsvinding wordt gedaan. Gelet op de positie van een vader in het Nederlandse familierecht is het in strijd met het fatsoen om een gescheiden vader met een omgangsregeling een keer in de 14 dagen aan te zetten tot bordeelbezoek in het Rijksmuseum.
Zelf heb ik er de volgende klachtonderdelen eraan toegevoegd met als onderbouwing de uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.
Klacht 6. De aangeklaagde reclame is ten onrechte gevaarlijk voor een veilige toekomst van kinderen in Nederland.
Onderbouwing. De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.
Klacht 7. Bij de aangeklaagde reclame is ten onrechte sprake van oneerlijke concurrentie.
Onderbouwing. De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.
Klacht 8. Er zit ten onrechte een verborgen agenda achter deze reclame.
Onderbouwing. De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.
Klacht 9.
De reclame is in strijd met de 'De Kinderreclame Wijzer - Handleiding voor verantwoorde kinderreclame'.
Amsterdam, 23 februari 2005: De Stichting Reclame Code en Stichting Reklame Rakkers hebben besloten samen te werken en introduceren binnenkort 'De Kinderreclame Wijzer - Handleiding voor verantwoorde kinderreclame'. De Kinderreclame wijzer is een pro-actief hulpmiddel voor het bedrijfsleven en de communicatiebranche en geeft aanwijzingen over het kader waarbinnen verantwoorde kinderreclame kan worden gecreëerd. Het kader wordt vastgesteld op basis van de huidige bepalingen in de Nederlandse Reclame Code aangevuld met de uitkomsten van het recentelijk gepresenteerde onderzoek van Stichting Reklame Rakkers, in combinatie met bestaand wetenschappelijk onderzoek, naar de commerciële kennis en vaardigheden van kinderen. De Kinderreclame Wijzer is gericht op reclame in alle media en in al zijn vormen voor kinderen tot 14 jaar.
Ik onderbouw ieder van de bovengenoemde klachtonderdelen met het verwijt aan het Rijksmuseum te Amsterdam dat het Rijksmuseum in de gewraakte reclame een verschil maakt tussen gescheiden vaders door primair niet gescheiden moeders in dezelfde advertentie te noemen. Secundair. Het Rijksmuseum in de gewraakte advertentie niet het woord ouders heeft gebruikt in deze advertentie.
Door de positie van gescheiden vaders in de gewraakte advertentie expliciet te benadrukken is de gewraakte reclame volgens klager klachtwaardig.
In onderbouw mijn klacht met de volgende documenten op de website www.burojeugdzorg.nl/index.htm
De uitgangsformule van de website
Censuur in Nederland.
In Nederland worden onafhankelijke producerende bedrijven en personen financieel
uitgekleed en kapot gemaakt om de gesubsidieerde hulpverlening en de elite
steeds verder te verrijken". Met een verborgen agenda kan een kleine
groep van voorname mensen (elite) burgers in dit land hun wil opleggen. Zij
maken door het onder elkaar verdelen van vrijwel alle belangrijke posities bij
overheden, bedrijfsleven, media en politiek hier feitelijk de dienst uit.
In onderbouw mijn klacht met de volgende documenten op de website www.burojeugdzorg.nl/185.htm
Deskundigenrapport 185.
Welke documenten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Een kopie van de website van het Rijksmuseum over Bordeelscène gemaakt op 1 maart 2005.
Scène in een bordeel. Vier mannen vermaken zich in een bordeel. Links ligt een man op bed tussen twee vrouwen, in de rechterhand een glas. Op tafel staan twee mannen uit het venster te kijken. Een vierde man valt op de voorgrond dronken van zijn stoel terwijl hij zijn zwaard probeert te trekken. Naast hem staat een vrouw met een luit. Links op de voorgrond een grote wijnkoeler met een wijnrank.
|
Titel |
Bordeelscène, mogelijk episode uit een toneelstuk |
|
Titel |
Bordeelscène (verkorte titel) |
|
Kunstenaar |
Knüpfer, Nicolaes (schilder) |
|
Collectie |
|
|
Objectnaam |
|
|
Materiaal |
|
|
Periode |
|
|
Periode |
|
|
Opschrift |
signatuur linksonder bij de druivenrank: NKnüpfer |
|
Datering |
ca. 1645 tot ca. 1655 |
|
Afmeting |
hoogte: 60 cm breedte: 74.5 cm diepte: 5.2 cm |
|
Verwervingswijze |
schenking |
|
Datum verwerving |
1981 |
|
Standplaats |
extern |
|
Objectnummer |
SK-A-4779 |
Het gevaar! Bij het indienen van de klacht kon ik ten onrechte niet ALLE REGELS vinden op de website van de Reclame Code Commissie waaraan reclame moet voldoen. Hieronder verzoek ik de Stichting Reclame Code dit gevaar op te heffen. Na toegang tot ALLE REGELS verzoek ik indien nodig toe te staan de klacht verder te onderbouwen.
"In de Nederlandse Reclame Code is een veelheid van regels vastgelegd waar reclame aan moet voldoen. De Code bestaat uit een Algemeen Gedeelte en een Bijzonder Gedeelte. In het Algemeen Gedeelte wordt onder meer bepaald dat reclame niet mag misleiden en niet in strijd met de waarheid mag zijn. Ook subjectieve normen zijn in dit gedeelte opgenomen. Zo mag reclame niet nodeloos kwetsen en niet in strijd zijn met de goede smaak en het fatsoen. Het Bijzondere Gedeelte bevat bijzondere reclamecodes met de bijbehorende bepalingen ten aanzien van specifieke producten en diensten. Deze bepalingen gelden als aanvulling op het Algemene Gedeelte van de Nederlandse Reclame Code."
Op uw website heb ik gezocht naar de veelheid van regels vastgelegd waar reclame aan moet voldoen. Ik kon dat niet vinden. Ik verzoek u onverwijld aan mij mee te delen op welke website van de Stichting Reclame Code ik ALLE REGELS kan vinden waar reclame aan moet voldoen om mijn klacht nog beter te kunnen formuleren en te onderbouwen.
Indien NIET ALLE REGELS waaraan reclame moet voldoen op uw website te vinden zijn verzoek ik u beleefd aan mij mede te delen waarom ALLE REGELS niet op uw website staan om het voor gewone burgers makkelijker te maken klachten beter geformuleerd in te dienen met een grotere kans om een ingediende klacht gegrond te verkrijgen.
Op uw website heb ik gezocht naar een complete lijst van ALLE LEDEN die in de klachtencommissie van de Stichting Reclame Code zitten. Ik kon dat niet vinden. Ik verzoek u onverwijld aan mij mede te delen op welke website van de Stichting Reclame Code ik alle namen van ALLE LEDEN met hun nevenfuncties kan vinden of een complete lijst van namen onverwijld naar mij toe te sturen zodat ik, indien daar aanleiding voor is, bezwaar tegen een bepaald lid kan maken.
Ik geef een voorbeeld. Op 1 maart heb ik een kopietje gemaakt van zijn bijbanenopgave van de heer V. Hij is voorzitter van het College van Beroep van de Reclame Code Commissie. Naar deze heer V. is ook de V-norm genoemd. Deze heer V. is dus direct te linken aan de tekst van de aangeklaagde advertentie en ik heb er als klager dus bezwaar tegen als hij in beroep deze klachtzaak zou gaan behandelen.
Op 1 maart 2005 heeft klager per e-mail een kopie van onderstaande klacht gestuurd naar het Rijksmuseum naar het e-mailadres sales@rijksmuseum.nl De klacht is dus bij het Rijksmuseum bekend. De klacht is gepubliceerd op de website www.burojeugdzorg.nl/363.htm
In afwachting van de ontvangstbevestiging van deze klacht en de gevraagde informatie, verblijf ik,
hoogachtend,
J. Hop.
Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo. E-mail j.hop3@chello.nl
22 De informatie bij Mr. H.J.M. Boukema opgenomen in het openbaar bijbanenregister rechterlijke macht op internet wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
Dr. H.H.F. Wijffels
Voorzitter Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm.
Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke
dingen met kinderen te doen dan vaders"
Voorzitter Sociaal-economische Raad
Mw. prof. mr. I.P. Asscher-Vonk
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm.
Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke
dingen met kinderen te doen dan vaders"
Hoogleraar sociaal recht Radboud Universiteit Nijmegen
Het gevaar! Mr. A.S. Fransen van de Putte,
onderbouwing lid van rechtersleger en de beruchte
Nederlandse Orde van advocaten
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm.
Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke
dingen met kinderen te doen dan vaders"
Advocaat Van Doorne
Het gevaar!
Wim Kok, onderbouwing
gewezen wordt op zijn gevaarlijke uitspraken jegens Pim Fortuyn
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm.
Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke
dingen met kinderen te doen dan vaders"
Minister-president van augustus 1994 tot juli 2002
Mw. drs. P.M. Noordervliet-Bol
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm.
Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke
dingen met kinderen te doen dan vaders"
Auteur
Mr. A. Ruys
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm.
Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke
dingen met kinderen te doen dan vaders"
Voorzitter Raad van Bestuur Heineken N.V.
Drs. W.M.J.Pijbes
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm.
Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke
dingen met kinderen te doen dan vaders"
Directeur Kunsthal Rotterdam
Bij het Rijksmuseum Amsterdam zit een rechter in de Raad van Toezicht. Wordt een rechter als raadsman namens het Rijksmuseum ingezet om de klacht van Hop ongegrond te verklaren bij de Reclame Code Commissie met een rechter als voorzitter
Het rechtersleger is dus op alle fronten vertegenwoordigd om klachten van buitenaf tegen het Rijksmuseum Amsterdam te onderdrukken. Drie rechters, drie verschillende bijbaantjes die nu te linken zijn aan het Rijksmuseum Amsterdam.
Op 14 juni 2005 kijk ik dus even de namen van de personen die bij het Rijksmuseum in de Raad van Toezicht zitten na ik zie dat daar een advocaat bij zit. De norm voor het werk van de advocaat is liegen en bedriegen" om kost wat kost gelijk te krijgen en ik kijk dus even snel ik het bijbanenregister Amsterdam. Bingo deze advocaat die bij de Raad van Toezicht bij het Rijksmuseum zit blijkt een rechterlijk ambtenaar uit Amsterdam te zijn en representatief voor de beroepsgroep besodemietert hij de boel met zijn bijbanenopgave en verzwijgt in zijn bijbanen opgave dat hij ook advocaat is bij van Doorne:
Kopie bijbanenopgave 14 juni 2005.
dhr. mr. A.S. Fransen
van de Putte
|
Beroepsgegevens |
||
|
|
||
|
|
|
|
|
Functie: |
Raadsheer-plaatsvervanger |
|
|
Instantie: |
Gerechtshof Amsterdam |
|
|
Datum ingang : |
21-06-1993 |
|
|
|
|
|
![]()
|
Nevenbetrekkingen |
||
|
|
||
|
|
|
|
|
Functie: |
Lid Raad van Toezicht |
|
|
Instantie: |
Rijksmuseum |
|
|
Plaats: |
Amsterdam |
|
|
Datum ingang: |
01-07-2003 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Functie: |
Voorzitter |
|
|
Instantie: |
LOHC-bestuur |
|
|
Datum ingang: |
01-11-2002 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Functie: |
Voorzitter medezeggenschapsraad |
|
|
Instantie: |
Stedelijk Museum Leiden |
|
|
Plaats: |
Leiden |
|
|
Datum ingang: |
01-09-2001 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Functie: |
Voorzitter commissie van beroep |
|
|
Instantie: |
Stichting Calamiteitenfonds Reisgelden |
|
|
Datum ingang: |
01-01-1999 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Functie: |
Voorzitter commissie van beroep |
|
|
Instantie: |
Stichting Garantiefonds Reisgelden |
|
|
Datum ingang: |
01-01-1996 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Functie: |
Commissaris |
|
|
Instantie: |
m.n. Lions B.V. |
|
|
Datum ingang: |
01-01-1990 |
Hop nodigt u uit uw kennis over nevenfuncties van onderstaande leden in gratis informatie voor andere burgers om te zetten door deze informatie op juistheid te controleren, verder te verbeteren door die informatie met gegevens aan te vullen?
(21) Mr E.E. Aberson Lid Reclame Code Commissie aangewezen de Consumentenbond
(21) Dr. J.H.J. Aders, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders, Rabobank Nederland, Eindhoven
(22) Mr C.A.A.M. Barge-Coebergh, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de Consumentenbond
(22) Mr D.H. Beukenhorst Voorzitter Reclame Code Commissie
(22) A.J.M. Boerma, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Uitgeversmaatschappij De Telegraaf BV, Amsterdam
(22) Mr J.J. Born, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, BSUR Concepting B.V., Amsterdam
(22) P. Boswinkel, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, DialogKHY, Amstelveen
(23) Drs. P. van der Chijs, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Verenigde Noord-Hollandse Dagbladen BV, Alkmaar
(26) Mr J.P. Fokker Voorzitter Reclame Code Commissie
(28) Mr M. van Hees-van Walraven Voorzitter Reclame Code Commissie
(28) W. Huinder, , Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders, Retail & Communicatie, Amsterdam
(30) Mr P.J. Jansen, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Audax Publishing BV, Gilze
(31) Prof. Mr J.J.C. Kabel Voorzitter Reclame Code Commissie
(32) D.C. van der Lecq, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, Van Walbeek Etcetera, Amsterdam
(32) Drs. R.C. Leijns, , Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders, ABN/Amro Bank NV, Amsterdam
(32) Mr M.E. Leijten Voorzitter Reclame Code Commissie
(32) M.Lieferink, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, DDB Amsterdam, Amstelveen
(33) H. van der Meer, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de media, PCM Dagbladen, Amsterdam
(33) W.L.Th.A. van der Meer Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders
(34) Th.D. Nobels, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, PMSvW/Young & Rubicam, Amsterdam
(35) Mr F.W. Obertop, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, N.U.V., Amsterdam
(36) W. van der Palm, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Ster, Hilversum
(36) Mr J.A.J. Peeters Voorzitter Reclame Code Commissie
(36) Mr J.T. Peters Lid Reclame Code Commissie aangewezen de Consumentenbond
(38) J. Rademaker, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, Euro RSCG Human-I, Schiphol
(38) Mr P.R. Rodrigues Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de Consumentenbond
(38) I. Roefs, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, DDB Amsterdam, Amstelveen
(39) A. Schellinkhout, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, NormadBlend reclamebureau, Schiphol-Rijk
(39) Mr W.A.M. van Schendel Voorzitter College van Beroep Reclame Code Commissie
(39) D. Schor, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, A.N.W.B. Media, ’s Gravenhage
(39) Mr J.R.A. Schouten Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus
(39) L.G. Schram , Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders
(39) G.C. Sluis , Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders
(39) Mr R.A. van Sluyters van Nimwegen Lid Reclame Code Commissie aangewezen de Consumentenbond
(39) Mr F.T.M. Smulders, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders Essent Milieu Zwolle
(39) R.J. Steetskamp, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders, Campina Nederland Holding BV, Zaltbommel
(39) H.C. Straat, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Uitgeversmaatschappij De Limburger BV, Sittard
(40) Mr E.C.W. Timmermans, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, N.U.V., Amsterdam
(40) P.G. Tramontin, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, DDB Amsterdam, Amstelveen
(42) Drs. R. Verhaar, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders, ING, Amsterdam
(42) R. Visser, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, Euro RSCG BLRS, Amstelveen
(42) Mr J.M. Vrakking Voorzitter College van Beroep Reclame Code Commissie
(43) J.M.F.M. Waaijer, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, Nijgh, Rotterdam
(43) Mr M.M. Wolff Lid
Reclame Code Commissie aangewezen de Consumentenbond
1700205 Skipintro wint wedstrijd Telegraaf en het Rijksmuseum Amsterdam krijgt een gratis een 1/1 pagina full colour ter waarde van 70.000 Euro "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"
Wij waren altijd al zondagskinderen, maar nu helemaal. Skipintro heeft met een advertentie voor Het Rijksmuseum de wedstrijd gewonnen die de Telegraaf uitschreef voor de zondageditie. Wij mogen nu een weekend naar Londen; dat is altijd leuk, maar nog leuker: de klant krijgt gratis een 1/1 pagina full colour ter waarde van 70.000.
http://www.skipintro.nl/nieuws/media/rijksmuseum_bordeelscene.pdf
Af en toe hebben we een nieuwtje soms zijn we zelf in het nieuws.Hieronder een overzicht van alles wat onze moeders hebben ingeplakt. Zoals wij graag mogen zeggen: there's no such thing as bad publicity.
Wij waren altijd al zondagskinderen, maar nu helemaal. Skipintro heeft met een advertentie voor Het Rijksmuseum de wedstrijd gewonnen die de Telegraaf uitschreef voor de zondageditie. Wij mogen nu een weekend naar Londen; dat is altijd leuk, maar nog leuker: de klant krijgt gratis een 1/1 pagina full colour ter waarde van 70.000. De opdracht van de Telegraaf was: "pak een van je klanten en bedenk de beste zondaginhaker ooit". Dus spendeerde Skipintro weer eens een middag in het museum - altijd leuk - en kreeg in Zaal 11 ineens last van een idee. Daar hangt namelijk het even prachtige als vermakelijke schilderij van Nicolaus Knüpfer. Bekijk dat online hier en u begrijpt meteen hoe wij op het winnende idee kwamen. Wat u daar niet ziet, maar wel moet weten is dat Mont Blanc razendsnel de lithografie deed. Bekijk de advertentie (pdf).
Wie is die mr. P.E.C. Ancion-Kors van de Reclame Code Commissie eigenlijk en wat voor nevenfuncties heeft zij (gehad)?
Wie is wie?
Directeur mr. P.E.C. Ancion-Kors van de Reclame Code Commissie werkte bij hetzelfde advocatenkantoor als de raadsman van het Rijksmuseum Amsterdam De Brauw & Westbroek te Den Haag in de klachtzaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam.
Prisca Ancion-Kors (SRC, the
Netherlands) - SRO Vice
Chairman
EUROPEAN ADVERTISING STANDARDS ALLIANCE
Two new members appointed to SIDN Management Board Prisca Ancion-Kors has been Managing Director of the Advertising Code
Foundation since November 1989. She is also a member of the Executive Committee
of the Brussels-based European Advertising Standards Alliance (EASA) and a
member of the editorial committee responsible for Kluwer’s Praktijkboek
Reclamerecht (Practical Handbook on Advertising Law). Prior to her appointment
to SIDN’s Management Board, Ms Ancion-Kors worked on the foundation’s
Appeals Body. Farewell to Piet Beertema and Ted Lindgreen
Raad van Toezicht
De Raad van Toezicht van SIDN, die uit minimaal
zes en maximaal negen personen bestaat, kent de volgende samenstelling:
Eddy Schuyer, voorzitter 1e Kamerfractie D66, voorzitter bestuur
DeltaBouman (voorzitter RvT SIDN); Fred Eisner, onafhankelijk adviseur en voormalig
bestuursvoorzitter NLIP; Erik Huizer, directeur Business Development NOB en voormalig lid
IAB; Rob Matthijssen, lid Raad van Commissarissen TGG, voormalig IT
manager Shell en voorzitter BTG; Hanneke Slager, partner van het advocatenkantoor Cordemeyer &
Slager Advocaten te Haarlem; Christiaan van der Valk, ondernemer Internet Veiligheid en
voormalig medewerker ICC; Michiel Westermann, oprichter Pink Elephant, CEO Motek BV.
Bijzonder Raadgevers
Piet Beertema Ted Lindgreen Boudewijn Nederkoorn Bedrijf SIDN
Vanaf 1 december 2004 zijn er drie afdelingen
binnen SIDN:
Het bedrijf SIDN bestaat uit:
Roelof Meijer - directeur Staf Hanneke Kroneman - hr-functionaris Johan Melein - security officer Afdeling Control en Ondersteuning Marjan de Beer - manager Marijke Demmink Miranda Jansen Danielle Nieuwenhuijse Sidika Pulas-Avci Angelika Takes Inge Temming Andros Vijge
Registratie & Services
Patrick Follon - manager Sjaak Bakker Martin Buurman Tino Dekkers Marzieh Fakhraie Ben Geerlings John Giezen Gerrit-Jan van den Ham Carolien Jongerius Rob van Kesteren Elise Parijs Jan van Pijkeren Suganthi Ramanathan Chiel van Spaandonk Reiner Sulter Uzoma Uzegbu Karin Vink Jorrit Wensink
ICT
Hans Pijnenburg - manager Anne van Bemmelen Hans ten Boden Marc Groeneweg Gerard Hartgers Freddy Keurntjes Rene Kolkman Rob van der Molen Harrie Roelofs Ton Sanders Rico Vermeulen Rob van Voorbergen
Policy & Business Development
Bart Vastenburg - manager Agnes Balhuizen Antoin Verschuren
ADVIESRAAD
MW DRS. S. NAS (SJOERA) MR. A.J.M. VAN BELLEN (ARIE) MR. B.A. KIST (BAS) DRS. A. EISNER (FRED) MR. D.J.G. VISSER (DIRK) MW MR P.F.C. ANCION- KORS (PRISCA) DRS. J.W. STUMPEL (JAN-WILLEM) MR. C.B. VAN DER NET (CYRIL) DRS. J.J. BORKING (JOHN) DRS. K. BOUMA (KLAAS PROF.MR. H. FRANKEN (HANS) EASA Members - SRO
From November 2001, the EASA has in membership both
Self-Regulatory organisations (SROs) and Industry
organisations supportive of advertising self-regulation. These
members are represented throughout the main EASA structure on a
50/50 basis. Currently 28 self-regulatory bodies (SRO's) are in EASA
membership. 24 of these are from 22 European countries and the other
4 are from non-European countries. Click on any country name below
for contact information on a SRO member website.
Industry organisations in EASA membership can
be found here. Austria Österreichischer Werberat
(ÖWR)
Belgium Jury d'Ethique Publicitaire/Jury
voor Ethische Praktijken Inzake Reclame (JEP)
Rada Pro Reklamu (CRPR)
Denmark Reklame Forum (RF)
Finland Liiketapalautakunta (LTL)
France Bureau de Vérification de la
Publicité (BVP)
Germany for issues of taste and decency
Deutscher Werberat (DW) for issues of misleading advertising and unfair
competition Zentrale zur Bekämpfung unlauteren
Wettbewerbs e.V. (ZEN)
Greece Advertising Self-Regulation Council (SEE)
Hungary Önszabályozó Reklám Testület
(ÖRT)
Ireland Advertising Standards Authority for Ireland
(ASAI)
Italy Istituto dell'Autodisciplina Pubblicitaria
(IAP)
Luxembourg Commission Luxembourgeoise pour l'Ethique en
Publicité (CLEP)
Netherlands Stichting Reclame Code
(SRC)
Portugal Instituto Civil da Autodisciplina da
Publicidade (ICAP)
Romania Consiliul Roman Pentru Publicitate / The
Romanian Advertising Council Union (RAC)
Russia
Rada Pre Reklamu (SRPR)
Slovenia Slovenska Oglaševalska Zbornica
(SOZ)
Spain Asociación para la Autorregulación de la
Comunicación Comercial (Autocontrol)
Sweden MarknadsEtiska Rådet (MER)
Switzerland Commission Suisse pour la Loyauté
(CSL)
Turkey Reklam Özdenetim Kurulu
(RÖK)
The Advertising Standards Authority Limited
(ASA) Broadcast Advertising Clearance Centre
(BACC) Canada Advertising
Standards Canada (ASC) New Zealand South Africa. Het tweede Kroondebat, Of: ’n varend
lunchtafelgesprek, Publicatie in Business Haaglanden &
Business Amsterdam
Communicatiebureau VWM/TOPIQ, Business Haaglanden en Business Amsterdam
organiseerden op vrijdag 10 december het tweede Kroondebat met als thema de
houding van de communicatiebranche ten opzichte van de multiculturele
samenleving. Net als het eerste Kroondebat was het een discussie tussen
aanbieders van reclame-, marketing-, pr- en andere communicatiepartners en
anderen die dagelijks te maken hebben met het thema van het debat. Voor het
tweede Kroondebat was weer afgesproken op een niet-alledaagse plek. Een varende
dit keer, en wel de vissermanaak BINT. In het vooronder van het schip wachtte de
goed gedekte tafel op haar gasten. Reclame is in principe verdacht Terug naar de vraag of je als
communicatiebranche iets moet doen aan de maatschappelijke ontwikkelingen in de
multiculturele samenleving. Prisca Ancion-Kors vindt van niet: ‘De reclame
moet geen trendsetter proberen te zijn. Op maatschappelijk gebied moet je
volgen.’ Engine Celikbas: ‘Reclame is in principe verdacht. Dus kun je daar
minder impact van verwachten dan bijvoorbeeld muziek. Maar daarnaast vind ik dat
je in je vak zeker verantwoordelijkheden hebt.’ Andere deelnemers vallen hem
bij: ‘Inderdaad neem je verantwoordelijkheid voor jezelf en ook voor je
klanten.’ Een aantal wil nog verder gaan: ‘als reclamemakers zich gaan
engageren, zit er nu eenmaal ijdelheid bij. De eindconclusie luidt dat je niet
collectief als branche iets positiefs kan bijdragen aan de ontwikkelingen in
onze samenleving. En particuliere initiatieven worden slechts gewaardeerd als ze
zuiver en transparant zijn. Inmiddels heeft schipper Laurens het gezelschap weer
veilig teruggeloodst, en begeven de deelnemers van het tweede Kroondebat zich
naar hun auto. Dank aan de deelnemers voor een geanimeerd debat, dat eigenlijk
vier kantjes tekst zou beslaan.
AANGEPASTE BESLUITVORMINGSSTRUCTUUR VOOR
AANNAME EN EVALUATIE VAN RECLAMECODES DOOR STICHTING RECLAME CODE RECLAMECODE
VOOR VOEDINGSMIDDELEN AANGENOMEN
Amsterdam, 3 juni 2005, dit is een origineel persbericht
Kamervragen
Vragen van het lid Van der Staaij (SGP) aan de minister van Justitie en
de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen , Dhr. Van der
Ploeg, over mevrouw Venekatte en de Reclame Code Commissie 1
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Postbus 20018,
2500 EA Den Haag
Uw brief van 24 januari 2004
Uw kenmerk 2040506670
vragen van het lid Halsema 1. Kent u het recente onderzoek van de Stichting “Reclame Rakkers”
naar de ontvankelijkheid van kinderen tot 12 jaar voor Reclame? 2. Ziet u in dit onderzoek aanleiding om uw verzet tegen een experiment
met een reclamevrij kinderblok op televisie te staken?
Antwoord: De conclusies van het onderzoek wijken mijn inziens niet af
van hetgeen ik hierover in mijn brief van november 2003 aan de Kamer
uiteen heb gezet (Kamerstukken II, Op grond van een uitgebreide
inventarisatie van wetenschappelijke onderzoeken op dit terrein, heb ik
aangegeven dat kinderen ontvankelijk kunnen zijn voor Reclame. Daarbij is
een onderscheid geconstateerd tussen jonge kinderen (tot 7 á 8 jaar) en
oudere kinderen (8 tot 12 jaar) in mogelijke mate van vatbaarheid voor
Reclame. Het onderzoek van Reclame Rakkers sluit hierbij aan. Uit
onderzoek blijkt dat ontvankelijkheid van Reclame en het leren doorzien
ervan meer afhankelijk is van leeftijd en sociale omgeving dan van
reclameconfrontatie. Mede op grond daarvan heb ik de conclusie getrokken
dat het uitvoeren van een experiment met een reclamevrij kinderblok niet
effectief is. Op grond van het bovenstaande zie ik vooralsnog geen
aanleiding voor een experiment.
3. Welke maatregelen bent u in reactie op dit onderzoek van plan te
nemen, bijvoorbeeld om aan kinderen uit te leggen wat Reclame is?
Antwoord: In bovenvermelde brief heb ik aangegeven dat ik het van
belang acht dat kinderen opgevoed worden tot kritische consumenten.
Scholen zijn hierbij de plek bij uitstek waar kinderen kunnen leren een
kritische kijk op allerlei onderwerpen te ontwikkelen en waar onderwerpen
als deze aan bod kunnen komen. Om scholen hiertoe te stimuleren zal ik het
initiatief Reclamerakkers financiële steun bieden.
4. Heeft u sinds uw brief over een reclamevrij jeugdblok van 18
november 2003 waarin u aangaf dat de Reclame Code Commissie (RCC) gebaat
is bij een meer diverse samenstelling, bijvoorbeeld door het opnemen van
onafhankelijke deskundigen; maatregelen genomen om dit te bewerkstelligen?
Zo ja, welke? Zo neen, waarom is dit niet gebeurd?
Antwoord: Hierover is overleg met de Stichting Reclame Code (SRC)
geweest. Daarbij is inzichtelijk gemaakt dat de Reclame Code Commissie is
samengesteld uit onafhankelijke generieke juristen die na ontvangst van
een klacht beoordelen of een norm uit de Nederlandse Reclame Code is
overtreden. Twee partijen, te weten de klager en de adverteerder zijn als
het ware met elkaar in discussie en een onafhankelijke partij, de RCC,
beslist welke partij gelijk heeft. Klachten over Reclame gericht op
kinderen kunnen adequaat worden beoordeeld op basis van reeds in de code
opgenomen normenzoals misleiding, goede smaak en fatsoen. Daarnaast gelden
er specifieke normen in bijzondere reclamecodes zoals Reclamecode voor
Alcoholhoudende dranken en Reclamecode voor Casinospelen en
kansspelautomaten. De RCC beschikt dus over de deskundigheid en
onafhankelijkheid die nodig is om te beslissen of een Reclame-uiting al
dan niet in strijd is met de Nederlandse Reclame Code. Daarnaast kan de
RCC ambtshalve of op verzoek van partijen één of meer deskundigen horen.
De Reclame Code Commissie functioneert als een rechter, die indien nodig
zich kan laten bijstaan door ofhankelijke deskundigen op specifieke
terreinen. In de praktijk wordt hier ook gebruik van gemaakt.
5. Heeft u sinds het verschijnen van genoemde brief überhaupt stappen
genomen om een strenger reclameregime voor kinderen onder 7 jaar te
bewerkstelligen? Zo ja, welke? Zo neen, waarom is dit niet gebeurd?
2959 Antwoord: De Nederlandse Reclame Code is gebaseerd op de code van
ICC (International Chamber of Commerce). Alle leden van EASA (European
Advertising Standards Alliance) baseren hun zelfreguleringcodes op de ICC
Code. Binnen Europa wordt één norm gehanteerd ten aanzien van de
leeftijd van kinderen en minderjarigen. De huidige normen bieden voldoende
houvast om er voor te zorgen dat kinderen onder de 12 jaar, dus ook
kinderen van 7 jaar, niet met vormen van Reclame worden geconfronteerd die
in strijd zijn met de normen uit de Nederlandse Reclame Code. De RCC kan
er nu al voor zorgen dat voor kinderen ongeschikte Reclame niet wordt
uitgezonden op tijdstippen waarop kinderen meestal kijken. Juist door het
stellen van ( open normenzoals goede smaak en fatsoen heeft de RCC altijd
de mogelijkheid direct te reageren op wat er in de maatschappij leeft.
Niettemin zal SRC samen met de Stichting Reclame Rakkers bekijken of de
huidige normendie in Europa en de NRC worden gehanteerd op grond van de
bevindingen uit het onderzoek nader geconcretiseerd kunnen worden.
3201 6. Heeft u bij het bestuderen van de diverse reclameregimes rond
kinderen in andere EU lidstaten ook
Promotie-onderzoek
Wat is de norm voor 'bloot'?
Met een klacht over reclame kan bijna iedereen er terecht. Gratis of
voor weinig geld. De rechter neemt de uitspraken van de Reclame Code
Commissie doorgaans serieus. Conclusie: de RCC doet het zo slecht nog
niet.
Toch is er wel wat af te dingen op de uitspraken, vindt juriste
Liesbeth Venekatte die alle zaken tussen 1982 en 2000 -zesduizend in
totaal- onderzocht. De RCC motiveert haar uitspraken slordig en de rechter
neemt ze nogal eens klakkeloos over, concludeert zij. Voor klager én
adverteerder mag het allemaal wel wat helderder, zodat ze ook juridisch
sterker staan. Venekatte promoveert op 20 juni aan de faculteit Techologie
& Management, op haar proefschrift 'Open normen in de reclame'.
Bloot in de reclame is een treffend voorbeeld, aldus Venekatte: 'Dat
was sinds 1985 volgens de Reclame Code Commissie maatschappelijk
geaccepteerd. In 1996 moest het functioneel zijn, anders kon het echt niet
door de beugel. Vanaf 1997 was het opeens weer maatschappelijk aanvaard.
Ook werd redelijk grof taalgebruik toen toelaatbaar. Geen van deze
beleidswijzigingen is toegelicht.' De RCC motiveert slordig, aldus
Venekatte, en dat komt de rechtszekerheid van de partijen en de status van
de RCC en het College van Beroep niet ten goede.
Bij de 'open normen' die Venekatte heeft onderzocht, gaat het over dit
soort fatsoensnormen, maar in belangrijker mate gaan ze over 'misleiding'.
Daarnaast rangschikt zij onder open normen 'strijd met algemeen belang',
'bedreiging van de gezondheid', 'schending van het vertrouwen in de
reclame' en 'appelleren aan angst'. Met een klacht kan iedereen bij de
Reclame Code Commissie terecht, op basis van het recht op vrije
meningsuiting. De bij de RCC aangesloten reclamebureaus, adverteerders en
media hebben zich verplicht tot het nakomen van de uitspraken. Is een
schade of dreigende schade aan de orde, dan kan de klager ook naar de
rechter stappen.
Juriste Venekatte spitte alle uitspraken van de RCC en het College van
Beroep door, in de periode 1982-2000. Maar liefst zesduizend waren dat er:
'De RCC en het College van Beroep voorzien dus duidelijk in een vraag.
Maar de uitspraken zijn in veel gevallen niet consistent en lijken een
sterk ad hoc karakter te hebben.'
Ook de rechter blijkt de waarde van de RCC-uitspraken niet altijd in
het goede perspectief te zien, en maakt nogal eens de fout ze klakkeloos
als maatgevend te beschouwen.
Aan de andere kant wil de RCC wel eens roomser zijn dan de paus als het
gaat om gezondheidsclaims die in reclame-uitingen worden gelegd. Moet een
alom gerespecteerde merknaam als 'Pleegzuster Bloedwijn' nu echt wijken
voor een eigen RCC-code voor alcoholhoudende dranken, is het niet gewoon
helderder daar de misleidingscriteria op los te laten? Onnodige
betutteling moet voorkomen worden, en enige deregulering is hier juist op
zijn plaats, aldus Venekatte.
Om helderheid te scheppen heeft Venekatte in haar proefschrift een
checklist opgenomen waaraan uitspraken zouden moeten voldoen.
Mr. Liesbeth Venekatte (1967, Enschede) heeft haar promotie-onderzoek
gedaan bij de leerstoel Bedrijfsrecht van haar promotor prof.mr.dr. Antoni
Brack. Venekatte is nu verbonden aan de rechtbank in Almelo. De perssector is een belangrijke
bedrijfstak, waar men gewend is aan grote getallen. Zo verschijnen er dagelijks ruim 4,4
miljoen kranten in ons land (betaalde oplage) en nog eens circa 700.000
gratis kranten. Elke week vinden ruim 19 miljoen tijdschriften hun weg
naar de lezers. In totaal werken in de uitgeefsector circa 22.000
personen. De totale dagbladomzet (abonnementen, losse verkoop en
advertenties) beliep in 2000 ruim ƒ 4,4 miljard; bij de consumenten- en
vaktijdschriften was dat bijna ƒ 2,5 miljard. Kortom, een
industriële activiteit met grote betekenis. De pers is echter méér dan een
industriële activiteit. Zij vervult van oudsher een cruciale functie
bij de informatievoorziening en opinievorming over een breed scala van
maatschappelijke en politieke vraagstukken ten behoeve van het algemeen
publiek in ons land. De politieke erkenning van het belang van die
functie komt tot uitdrukking in onze Grondwet, waarin de vrijheid van
drukpers wordt gewaarborgd. In het kabinetsstandpunt inzake
Grondrechten in het digitale tijdperk (2000) staat het als volgt
geformuleerd: Een pluriform informatieaanbod vormt de spil waarop een open
en democratische samenleving draait. Voorkomen moet worden dat de vrije
meningsuiting door de afwezigheid van een pluriforme
informatievoorziening feitelijk wordt uitgehold. Indien de markt op dit
punt tekortschiet, dient de overheid hier actief en voorwaardenscheppend
op te treden, opdat de mogelijkheden om van de uitingsvrijheid gebruik
te maken worden vergroot. De zorgverplichting werkt hierbij naar twee
kanten: enerzijds worden burgers in staat gesteld om hun mening te
uiten, terwijl anderzijds burgers de beschikking hebben over pluriforme
informatie. In het huidige beleid van de overheid
ziet men de actieve opstelling van de overheid op dit terrein onder meer
terug in de financiering van de publieke omroep, de steunverlening aan
persorganen door middel van het Bedrijfsfonds voor de Pers, het bieden
van garanties voor een diverse programma-aanbod op de kabel, het
bevorderen van een evenwichtig aanbod van commerciële radio in de ether
en het tegengaan van concentraties in de mediasector.1 De overheid rekent het nadrukkelijk
tot haar taak om een actief, voorwaardenscheppend mediabeleid te voeren
ter stimulering van de pluriformiteit, niet alleen op terrein van de
omroep, maar ook op dat van de pers. Dit specifieke persbeleid van de
overheid heeft als doelstelling: het beschermen en stimuleren van de
verscheidenheid in de pers, voor zover die van belang is voor de
informatie en opinievorming van de Nederlandse bevolking.2 Dit
beleid krijgt op diverse manieren gestalte. Zo krijgen uitgevers van persorganen
zoveel mogelijk de gelegenheid om zich multimediaal te ontplooien. Zie
de ontwikkeling van uitgeverijen in de richting van multimedia-concerns,
met activiteiten op terrein van pers, commerciële omroep en nieuwe
media, zoals die zich de afgelopen jaren heeft voltrokken. Anderzijds worden, uit oogpunt van
mededinging en pluriformiteit, grenzen gesteld aan de mate waarin
concerns door middel van concentraties en cross-ownerships marktaandelen
op de diverse terreinen van media en informatievoorziening kunnen
verwerven. Een belangrijk instrument van de
overheid ter bescherming en stimulering van de verscheidenheid in de
pers is het Bedrijfsfonds voor de Pers, dat werd opgericht in 1974 en
een wettelijke basis kreeg in de Mediawet van 1988. Als zelfstandig
bestuursorgaan heeft het Bedrijfsfonds expliciet tot doel het handhaven
en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voor zover die van
belang is voor de informatie en opinievorming.3 De werkingssfeer
van het Bedrijfsfonds en het instrumentarium waarover het beschikt om
deze doelstelling te realiseren, staan omschreven in de Mediawet.4 In de achter ons liggende jaren
hebben zich binnen de samenleving ingrijpende veranderingen voorgedaan,
die het wenselijk maken om het overheidsbeleid jegens de pers te
herijken. Het gaat daarbij niet alleen om sociale veranderingen -
individualisering, vergrijzing, ontlezing, toename van etnisch-culturele
minderheden - maar ook om economische en technologische ontwikkelingen
binnen en buiten de perssector. Die hebben ertoe geleid dat de
werkingssfeer en het instrumentarium van het Bedrijfsfonds niet langer
toereikend zijn om de centrale doelstelling, handhaving en stimulering
van pluriformiteit in het informatieaanbod, op de drempel van de 21e
eeuw adequaat gestalte te geven. Deze brief bevat een aantal voorstellen
ter aanpassing van werkingssfeer en instrumentarium van het
Bedrijfsfonds voor de Pers. Geruime tijd geleden is, met de
opkomst van radio en televisie, een einde gekomen aan de
monopoliepositie van de gedrukte media waar het gaat om de publieke
informatievoorziening. De laatste jaren komt regelmatig de
vraag aan de orde of de gedrukte media, en dan met name de dagbladen,
aan het eind van hun levenscyclus zijn gekomen. Daarbij wijst men op de
dalende dagbladoplagen, de ontlezing onder jongeren en de toenemende
concurrentie die de krant ondervindt van andere (nieuws)media. Hoewel dit reden tot zorg kan zijn is
het anderzijds niet goed te voorspellen in welke richting en met welke
snelheid deze ontwikkelingen zullen voortgaan. McKinsey analyseert in
zijn recente rapport over de nieuwe-mediastrategie van de publieke
omroep dat het nog 3 tot 5 jaar kan duren voordat de veranderingen echt
grote invloed gaan hebben op het mediagebruik en de marktverhoudingen.5
De groei van de zogeheten nieuwe media kan wisselvallig worden genoemd
en leidt niet rechtstreeks tot aanwijzingen dat de gedrukte media worden
gemarginaliseerd, kwantitatief noch kwalitatief. De pluriforme informatievoorziening
door de pers met name gaat het dan om dagbladen, nieuwsbladen en
opiniebladen maakt deel uit van de totale informatievoorziening binnen
onze samenleving en vervult daarbinnen zon wezenlijke rol dat ook de
komende jaren een specifiek persbeleid deel behoort uit te maken van het
bredere mediabeleid c.q. informatiebeleid van de overheid. Diverse
Europese landen kennen een specifiek persbeleid. In de bijlage bij deze
brief wordt een actueel overzicht daarvan gegeven. Het lijkt verstandig om de
ontwikkeling van de perssector nauwkeurig te volgen en het specifieke
persbeleid adequaat aan de wijzigende omstandigheden te toetsen en
eventueel aan te passen. Daartoe dient ook deze brief. Het specifieke persbeleid heeft
betrekking op die categorieën van persorganen, die bij uitstek van
belang zijn voor de informatie en opinievorming. In de praktijk gaat het
dan met name om dagbladen, nieuwsbladen en opiniebladen. Deze
persorganen bevatten in belangrijke mate nieuws, analyse, commentaar en
achtergrondinformatie over een gevarieerd deel van de maatschappelijke
actualiteit, mede in het belang van politieke meningsvorming.6
Daarmee is niets gezegd ten nadele van andere categorieën persorganen
zoals vaktijdschriften, omroepbladen en publieksbladen, maar
hiermee is wel aangegeven tot welke bladen de specifieke overheidszorg
zich uitstrekt. De hierna volgende schets van het Nederlandse
perslandschap heeft dan ook uitsluitend betrekking op dagbladen,
nieuwsbladen en opiniebladen. Dagbladen Tussen 1990 en 1994 steeg de
gezamenlijke krantenoplage naar circa 4,7 miljoen exemplaren. Daarna
trad een fase van stabilisatie in; de laatste paar jaar vertoont de
dagbladoplage een (geleidelijke) achteruitgang naar ruim 4,4 miljoen
exemplaren (2000). De Telegraaf
781.550
627.250 80.3 % 154.300
19.7 % Algemeen Dagblad
353.378
292.274 82.7 % 61.104
17.3 % De Volkskrant
343.064
294.339 85.8 % 48.725
14.2 % NRC Handelsblad
266.429
250.272 93.9 % 16.157
6.1 % Trouw
125.352
114.220 91.1 % 11.132
8.9 % Reformatorisch Dagbl.
58.023
57.830 99.7 %
193 0.3 % Nederlands Dagblad
32.006
31.595 98.7 %
411 1.3 % Landelijke dagbladen
1.959.802 1.667.780
85.1 % 292.022
14.9 % Regionale dagbladen8
2.362.727 Speciale dagbladen9
109.094
Totaal
4.431.623
Ca. 90 %
Ca. 10 % Sedert de zomer van 1999 kennen we
een nieuw fenomeen in dagbladland: de gratis krant, die op werkdagen
verspreid wordt onder reizigers van het openbaar vervoer. Het begon
met de ochtendbladen Metro en Sp!ts en naderhand is daar de
middagkrant News.nl bijgekomen, die inmiddels weer van de markt is
verdwenen. De twee gratis kranten hebben inmiddels een gezamenlijke
oplage van circa 700.000 exemplaren per dag bereikt (april 2001). Hun komst lijkt (nog) geen grote
invloed te hebben gehad op de oplagecijfers van de reguliere
dagbladen: de eerder genoemde stagnatie en daling zetten zich immers
in voordat de gratis kranten op de markt verschenen. Voor dit
verschijnsel zijn twee verklaringen mogelijk: het kan zijn dat de
gratis kranten veelal gelezen worden door personen die daarnaast ook
een betaalde krant lezen; het kan ook zijn dat de gratis kranten
veelal gelezen worden door personen die voorheen (nog) geen kranten
lazen. Waarschijnlijk spelen beide factoren een rol. Aangenomen mag worden dat de gratis
kranten op den duur zullen leiden tot een verdere afkalving van de
oplagecijfers van de betaalde kranten, waarbij bepaalde titels
gevoeliger lijken voor deze prijsconcurrentie dan andere. Een korte omschrijving van
nieuwsbladen luidt: het zijn lokale kranten, die ten minste 1 keer en
ten hoogste 5 keer per week verschijnen. Bij de NNP, de organisatie
van lokale nieuwsmedia, zijn meer dan 100 plaatselijke kranten
aangesloten, met een gezamenlijke oplage van bijna 2 miljoen
exemplaren.10 Ongeveer de helft van de bij de NNP aangesloten
kranten verschijnt op abonnementsbasis. Nieuwsbladen worden, net
als dagbladen, tegen betaling uitgegeven en moeten daarom niet verward
worden met de eveneens lokaal verschijnende gratis
huis-aan-huisbladen. De NNP-nieuwsbladen worden
uitgegeven door 51 uitgeverijen, waarvan 44 niet een onderdeel zijn
van een groot dagbladconcern. Tabel 2.
Nieuwsbladen met de hoogste oplage (1999)11 Meppeler Courant
18.915
verschijnt 3 keer per week Peel en Maas
11.880
1 Soester Courant
11.700
1 Woerdense Courant
10.935
1 De Katwijksche Post
10.800
1 Hoogeveensche Courant
9.581
2 Doornse Krant
8.893
1 Woudenberger/Scherpenzeelse
Krant
8.700
1 Hoog en Laag (Renkum)
8.355
1 Nieuwsblad van Noord-Oost
Friesland
8.250
2 Met deze categorie persorganen
worden die bladen bedoeld die bij uitstek gericht zijn op het
verstrekken van analyse, commentaar en opinies ten aanzien van
actuele maatschappelijke ontwikkelingen, zowel nationaal als
internationaal. Het tonen van samenhang tussen ontwikkelingen, het
verhelderen van achtergronden en het bepalen van de eigen plaats bij
de gebeurtenissen (opinie) vormen de belangrijkste uitgangspunten
voor de redacties van deze bladen. Meest bekend zijn de traditionele
opinieweekbladen: Elsevier, Vrij Nederland, HP/De Tijd en De Groene
Amsterdammer. Hun gezamenlijke oplage per nummer bedraagt circa
253.000 exemplaren.12 De opiniebladen moeten in
toenemende mate vechten om de aandacht van het publiek en
ondervinden concurrentie door het uitdijend aanbod van dagbladen: de
gespecialiseerde katernen over cultuur, economie en wetenschap
alsmede de weekend-magazines die bij diverse kranten verschijnen. Daarnaast verschijnt er een groot
aantal week- en maandbladen, die in meer of mindere mate aandacht
besteden aan actuele maatschappelijke ontwikkelingen en daarbij
gericht zijn op het algemeen publiek of op bepaalde doelgroepen:
vrouwen, jongeren, ouderen, minderheden. Zij dragen op die manier bij aan
de pluriformiteit van de informatievoorziening, maar ze worden
doorgaans niet gerekend tot de specifieke categorie van
opiniebladen. De afgelopen jaren hebben zich
ontwikkelingen voorgedaan op terrein van de pers zelf, die van
belang zijn voor het persbeleid. Daarnaast zijn er bredere
maatschappelijke, economische en technologische ontwikkelingen die
ook relevant zijn voor het toekomstig persbeleid. In dit hoofdstuk komen
achtereenvolgens aan de orde: de concentratietendens binnen de
dagbladsector; de ontlezing bij jongeren en minderheden;
distributieproblemen, met name bij de dagbladen; opkomst van
internet en veranderend mediagebruik; verschuivingen op de
advertentiemarkt. De afgelopen jaren heeft een
sterke concentratie in de dagbladsector plaats gevonden. Meest in
het oog springend waren de verkoop van de VNU-dagbladen aan Wegener
en het Telegraaf-concern in 2000 en de overname van de Nederlandse
Dagblad Unie (NDU) door PCM in 1995, waarmee vier van de vijf grote
landelijke dagbladen onder één dak kwamen. Dat levert het
volgende beeld op. Tabel 3.
Marktaandelen binnen de Nederlandse dagbladpers (2000)13
2000
1999
1998
1997
1996 PCM
30.36
30.32
30.55
30.46
30.33 Telegraaf Hold.
29.76
25.78
25.53
24.85
24.23 Wegener
27.95
14.85
14.98
15.91
14.55 Noordelijke Dg
6.75
6.71
6.73
6.62
6.64 Financieel Dg.
1.41
1.20
1.08
0.98
0.92 Reform. Dg.
1.31
1.30
1.28
1.21
1.19 Nederl. Dg
0.72
0.74
0.68
0.64
0.63 Friesch Dg
0.45
0.47
0.47
0.48
0.46 Cobouw
0.42
0.41
0.41
0.40
0.39 Agrarisch Dg
0.40
0.45
0.49
0.46
0.48 BDU
0.25
0.26
0.26
0.23
0.23 Staatscourant
0.24
0.25
0.26
0.29
0.28 VNU-Dagbl.
-
17.27
17.28
17.47
17.28 PZC
-
-
-
-
1.28 Gooi/Eemland
-
-
-
-
1.09 De concentratietendens binnen
de Nederlandse mediasector-in-ruime-zin heeft in 1998 geleid
tot instelling van de commissie-mediaconcentraties.14 Deze
commissie bracht in 1999 het rapport Profijt van Pluriformiteit
uit.15 Ten aanzien van de dagbladpers merkt de commissie op:
De concentratie op de dagbladenmarkt is in de afgelopen
jaren aanzienlijk toegenomen, zowel gezien de vermindering van het
aantal aanbieders als de vermindering van het aantal titels in
veel deelmarkten. Een verdergaande concentratie acht de Commissie
onwenselijk. Zij zal door de NMa getoetst worden. (…) Zij zal in
voorkomende gevallen op basis van een analyse van de relevante
markt oordelen over de toelaatbaarheid van concentraties.16
De Commissie benadrukt dat haar conclusies en aanbevelingen gezien
moeten worden tegen de achtergrond van de grote dynamiek die de
markt van informatie, telecommunicatie en media kenmerkt. Adviezen
dragen dan per definitie een tijdgebonden karakter. De Commissie
beveelt daarom aan om de media-ontwikkelingen in brede zin
voortdurend nauwlettend te volgen. In het kabinetsstandpunt over
het advies van de commissie-mediaconcentraties17 wordt kortelings
uiteengezet hoe het persbeleid van de overheid gericht is op
handhaving en bevordering van de pluriformiteit binnen de
(dagblad)pers. Met betrekking tot het vraagstuk van generiek dan
wel specifiek toezicht op mediaconcentraties merkt het kabinet op
dat algemeen mededingingstoezicht het uitgangspunt is bij
voldoende marktwerking. De door de Commissie aanbevolen
monitoring van media-ontwikkelingen heeft het kabinet opgedragen
aan het Commissariaat voor de Media, gelet op de positie die het
Commissariaat in de media-ontwikkelingen in brede zin inneemt waar
het gaat om pluriformiteit en onafhankelijkheid. Doel van deze monitoring is,
ontwikkelingen die de pluriformiteit en onafhankelijkheid van de
informatievoorziening (kunnen) bedreigen, vroegtijdig te
onderkennen opdat de maatschappelijke en politieke beoordeling
daarvan min of meer permanent plaats kan vinden en niet achter de
feiten aan loopt. De thematiek van pluriformiteit en
onafhankelijkheid van de informatievoorziening is van een andere
orde dan alleen de (economische) mededingingsaspecten. Dat is ook
naar voren gekomen in diverse commentaren op het advies van de
commissie-mediaconcentraties. De Tweede Kamer steunde het
kabinetsstandpunt en drong aan op een snelle start van de
monitoring. Het Commissariaat voor de Media is inmiddels volop
hiermee bezig. Het Commissariaat zal jaarlijks
aan het parlement een overzicht aanbieden van zijn bevindingen
betreffende (concentratie)ontwikkelingen op het terrein van media
en informatie. Het eerste rapport wordt februari
2002 verwacht. Uiteraard kan het Commissariaat
ook tussentijds berichten, indien de omstandigheden daartoe
aanleiding geven. Het is vervolgens aan de toezichthouders, NMa en
OPTA, en andere overheidsinstanties om op basis van die informatie
eventuele maatregelen te nemen. Tijdens het wetgevingsoverleg
media op 26 november 2001 spraken diverse woordvoerders hun zorg
uit over de voortgaande concentraties in de mediasector, over de
gevolgen daarvan voor de pluriformiteit en over de rolverdeling
tussen de diverse instanties die hierbij een rol spelen. Hiervoor
ben ik reeds ingegaan op de monitoring-rol van het Commissariaat
voor de Media; het generieke toezicht op concentraties is
opgedragen aan de NMa, terwijl de OPTA belast is met het
specifieke toezicht op de telecomsector. Tenslotte is er het
Bedrijfsfonds voor de Pers dat een specifieke taak heeft ter
bescherming en stimulering van de pluriformiteit van de pers.18
In het wetgevingsoverleg is ook
gesproken over de publiciteit rond PCM naar aanleiding van het
zgn. advies-Bouw, dat voorstellen bevat voor wijziging van de
zeggenschapsverhoudingen binnen het concern en pleit voor het
voeren van een portfoliomanagement voor de diverse PCM-titels. Dit
heeft geleid tot discussie over de redactionele identiteit en
autonomie van de PCM-dagbladen, zowel binnen het concern als
daarbuiten. Vanuit de overheid bezien
kunnen hierover op dit moment twee dingen gezegd worden. In de eerste plaats is PCM een
private onderneming. Het ligt derhalve niet voor de hand dat de
overheid zich met de interne concernstrategie bemoeit. Dat is een
zaak tussen de directie, de aandeelhouders en de betrokken
redacties. Anderzijds is van belang dat de PCM-bladen een
vooraanstaande plaats innemen binnen de dagbladsector, in het
bijzonder op de landelijke dagbladmarkt. Vanuit de overheidszorg
voor een pluriforme en onafhankelijke nieuwsvoorziening is dus
aandacht voor deze ontwikkelingen op zijn plaats. Mocht daartoe
aanleiding zijn, dan zal ik mij met PCM verstaan en de Kamer nader
informeren. Ik ga ervan uit dat de
ontwikkelingen betreffende de pluriformiteit van de dagbladsector
onderwerp van bespreking met de Kamer zullen zijn. In
eerdergenoemd overleg werden enige suggesties gedaan, zoals
subsidiëring van het ANP of belastingverlagingen. Vanuit het
uitgangspunt van de particuliere marktordening van deze sector
zijn voorstellen voor zulke maatregelen van de kant van het
kabinet niet te verwachten.
In weerwil van het gestegen
opleidingsniveau en de vele leespromotie-activiteiten van diverse
organisaties, besteedt de Nederlandse bevolking steeds minder
vrije tijd aan lezen. Vooral onder jongeren is sprake van een
drastische daling. Voor deze dalende populariteit van het lezen
worden diverse verklaringen gegeven: er wordt meer (vrije)tijd
besteed aan andere media: met name aan televisie en internet;
lezen strijdt in toenemende mate met andere vormen van
vrijetijdsbesteding: met name sport en uitgaan; het sterk
toegenomen informatie-aanbod men spreekt ook wel van een
informatie-bombardement op de burger zou leiden tot afgenomen
waardering voor het lezen; er zou sprake zijn van een afgenomen
vermogen om informatie op zinvolle wijze te ordenen; last but not
least wordt gewezen op de opvoedingsperiode als verklarende
factor: kinderen en jongeren zouden van-huis-uit minder vertrouwd
raken met lezen.19 Sinds de Letterenbrief van
199020 is deze ontwikkeling de legitimatie geweest voor het nemen
van gerichte maatregelen voor de instandhouding van een
leescultuur. Het lezen van gestructureerde informatie (fictie en
non-fictie) in de vorm van boeken, kranten en tijdschriften is nog
steeds van groot belang voor de samenleving en voor het individu. Er is voldoende aanleiding om
het overheidsbeleid op het terrein van leesbevordering voort te
zetten, met daarbij bijzondere aandacht voor doelgroepen als
jongeren en allochtonen.21 In de Cultuurnota 2001-2004 is
vastgesteld dat de Stichting Lezen een belangrijke taak heeft ten
aanzien van de coördinatie van activiteiten op het gebied van
leesbevordering en die taak ook de komende jaren zal behouden.
Stichting Lezen ontvangt jaarlijks ƒ 4,7 miljoen voor
ontwikkeling van activiteiten ten behoeve van leesbevordering. In
deze cultuurnotaperiode zal de effectiviteit van de door Stichting
Lezen gesteunde projecten worden getoetst. De perssector ontplooit al
jarenlang activiteiten om het lezen van kranten en tijdschriften
onder schoolgaande jongeren te stimuleren22. In 1975 werd voor dit
doel Stichting Krant in de Klas (KiK) opgericht. Via KiK kunnen
docenten gratis twee weken lang alle landelijke en de regionale
dagbladen uit de eigen regio op school bezorgd krijgen. Daarnaast
maakt KiK lesmateriaal voor alle schooltypen en organiseert zij
tal van activiteiten, zoals de Krantenfoto Kinderjury en de
Nieuwsquizfinale. Hetzelfde geschiedt op tijdschriftgebied door
Tijdschriften in de Klas (TiK). Kenmerkend voor het Nederlandse
dagbladlandschap is de hoge abonnementsgraad, zowel bij de
landelijke als bij de regionale kranten (circa 90%). Losse verkoop
speelt eigenlijk alleen bij De Telegraaf, Algemeen Dagblad en De
Volkskrant een substantiële rol. Deze hoge abonnementsgraad
vormt een illustratie van de sterke binding tussen krant en lezer,
maar heeft ook een keerzijde: de bezorging aan huis. Elke dag weer
moeten in een kort tijdsbestek bijna vier miljoen kranten hun weg
vinden naar de abonnees. Daarvoor wordt traditioneel een sterk
beroep gedaan op jongeren/scholieren. De krappe arbeidsmarkt en de
grotere keuzemogelijkheden voor jeugdigen plaatsen veel uitgevers
voor aanzienlijke problemen. Zij trachten dan ook andere categorieën
bezorgers aan te boren. Er is de afgelopen jaren veel
energie en creativiteit gestoken in de werving van bezorgers (de
jonge helden) en daarnaast wordt ook geëxperimenteerd met
gezamenlijke bezorging van dagbladen. Onlangs hebben PCM, De
Telegraaf, Wegener en NDC (Noordelijke Dagblad Combinatie) een
intentieverklaring getekend om tot een gezamenlijke bezorging te
komen: de drie eerstgenoemde zullen beginnen met een proef in de
gebieden in en rond Utrecht en Amersfoort. Bij succes zal de
samenwerking zich over geheel Nederland gaan uitstrekken. Op dat
moment zal ook de NDC toetreden en zal de samenwerking worden
opengesteld voor de overige dagbladuitgeverijen. Het is duidelijk dat de
bezorging een belangrijk aandachtspunt vormt voor de
dagbladsector. Gelet op het grote
maatschappelijk belang is het noodzakelijk om in goed overleg
tussen betrokken partijen een duurzame oplossing hiervoor te
vinden. De jaren negentig kenmerkten
zich door uitbreiding en verbijzondering van het media-aanbod. Op
de dagbladmarkt was sprake van (titel)concentratie, maar de
tijdschriftsector bracht steeds weer nieuwe, gesegmenteerde titels
voort. Op omroepgebied was sprake van een sterke toename van
commerciële zenders (radio en televisie), zowel vanuit het
buitenland als op de binnenlandse markt. Naast grote, algemene
zenders deden ook doelgroep- en themakanalen hun intrede: CNN, MTV,
Discovery, National Geographic, Euro-Sport, TMF, etc. Dit heeft
grote gevolgen voor het programma-aanbod: zo bedroeg de totale
zendtijd van de 3 Nederlandse zenders in 1988 nog 23 uur per dag,
terwijl dat in 1998 was gegroeid naar 170 uur per dag, verzorgd
door 10 Nederlandstalige zenders. Meest in het oog springend is
naast de sterke opkomst van de mobiele telefonie - de zeer snelle
groei die het internet (world wide web) de afgelopen jaren heeft
doorgemaakt, wereldwijd en zeker in de meeste West-Europese
landen. Internet herbergt een heel scala aan diensten:
informatiepaginas, databanken, real audio (van muziekfragmenten
tot complete radiostations) en real video, alsmede e-commerce.
Andere functies van internet zijn Usenet (nieuwsgroepen),
e-mail en file transfer. Uiteraard heeft deze groei van
het informatie-aanbod gevolgen gehad voor tijdbesteding en
mediagebruik van de burgers/consumenten. Zo nam de gemiddelde
kijktijd aanzienlijk toe: van 13 uur per week (1989) naar 19 uur
per week (2000). De tijd die men besteedt aan radio luisteren is
enigszins toegenomen: van 20 uur per week (1989) naar 22 uur per
week (2000). Een opvallend fenomeen is de zogeheten ontlezing: de
tijd die men besteedt aan het lezen van boek, krant of tijdschrift
is over de periode 1975-1995 gestaag gedaald. Naar verwachting
heeft deze dalende trend zich de afgelopen jaren voortgezet.23 De groei van het
internetgebruik is indrukwekkend. Eind 2000 had 46% van de
Nederlanders toegang tot internet, tegenover 4% in 199524.
Internetters brengen gemiddeld ruim 7 uur per week door op het
net. Het gebruik van computer en internet neemt toe in alle
sociale categorieën. Jongeren, hoger opgeleiden en mensen met
hogere inkomens hebben nog wel een voorsprong op ouderen, lager
opgeleiden en mensen met lagere inkomens, maar geleidelijk vormt
de internetbevolking een goede afspiegeling van de gehele
bevolking. De eerste internetgebruikers -early adopters- brachten
meer tijd op het internet door dan de huidige aanwas van nieuwe
gebruikers de volgers en terwijl de eerste groep veel
gebruik maakte van file transfer, chatten en nieuwsgroepen, zijn
tegenwoordig e-mail en het world wide web de meest gebruikte
internet-functies. Het is lastig om te bepalen
hoeveel tijd internet afsnoept van de overige media. Het eerder
genoemde McKinsey-rapport over de nieuwe mediastrategie van de
publieke omroep komt tot de stelling dat het nog 3 tot 5
jaar zal duren voordat de veranderingen echt grote invloed gaan
hebben op het mediagebruik en de marktverhoudingen.25
Waarschijnlijk zal het op den duur ten koste gaan van de tijd die
besteed wordt aan tv-kijken, maar ook de teruglopende leestijd kan
voor een deel op het conto van internet worden geschreven. Het paradoxale zit natuurlijk
in het feit dat het grootste deel van internetgebruik bestaat uit
het raadplegen van informatiepaginas, databanken en e-mails: lezen
dus ! Nog een paradox: de
belangrijkste nieuws-sites op internet worden verzorgd door oude
media zoals de (publieke) omroep en de (dagblad)uitgevers.
Kennelijk is het vertrouwen van het publiek in deze gevestigde
organisaties doorslaggevend in hun zoekgedrag naar nieuws op het
internet. Dat biedt omroep én uitgevers
volop de kans om hun uitgeeffunctie ook in de nieuwe media
gestalte te geven. Een groot deel van de
advertentiebestedingen gaat van oudsher naar de pers (dagbladen,
nieuwsbladen, publiekstijdschriften), maar met name in de
categorie merken & diensten ondervindt de pers in toenemende
mate concurrentie van radio en televisie. In bepaalde
advertentiecategorieën heeft de pers vanouds een sterke positie:
personeel, detailhandel, rubrieksadvertenties, huizenmarkt. Maar
op deze terreinen doet met name het internet de pers stevige
concurrentie aan. Een andere concurrentiebron is de toename van
buitenreclame, direct mail en sponsoring. Al deze ontwikkelingen
zetten de advertentie-inkomsten van de pers onder druk. Die advertentie-inkomsten zijn
van groot belang voor de exploitatie van de pers: bij de dagbladen
was de exploitatie tot voor enkele jaren terug 50/50 gebaseerd op
lezersinkomsten versus advertentie-inkomsten. De laatste jaren is
de afhankelijkheid van reclame-inkomsten
aanzienlijk toegenomen: voor het jaar 2000 geeft de NDP een
verdeling van 41/59 over beide inkomstenbronnen.26 Bij de
tijdschriften ligt de verhouding lezersmarkt/advertentiemarkt
gemiddeld op 63/37, maar rond dat gemiddelde doen zich
aanzienlijke variaties voor, die bepaalde tijdschriften sterk
afhankelijk maken van hun advertentie-inkomsten.27 Overigens bestaat er een fraaie
paradox wanneer het gaat om bedreiging van de krant door internet
en nieuwe media: het blijkt dat internetaanbieders en
communicatiebedrijven een zeer belangrijke categorie van
adverteerders vormen voor de dagbladen. Om de nieuwe media te
introduceren, zijn de oude media onontbeerlijk ! De advertentiemarkt is voor een
belangrijk gedeelte conjunctuurgevoelig. Dat ervaart niet
enkel de (dagblad)pers, maar dat geldt ook voor de advertenties
via radio en televisie. Het totale advertentievolume is gedurende
de eerste helft van 2001 voor de landelijke dagbladen afgenomen
met 9 % en voor de regionale met een kleine 3 %. Dit komt met name
doordat de landelijke dagbladen altijd het eerst getroffen worden
door de lagere bestedingen van nationale adverteerders. De daling
wordt vooral veroorzaakt door teruglopende bestedingen van telecom-
en IT-bedrijven.
Advertenties voor personeel en onroerend goed groeien nog steeds,
zij het minder onstuimig dan in 2000. 28 Het is moeilijk om
voorspellingen te doen over ontwikkelingen op de advertentiemarkt
en over de verdeling van het totale reclamebudget over de diverse
media: omroep, pers, direct mail, internet, buitenreclame,
sponsoring. Vanwege de ontwikkeling van de (wereld)economie in de
tweede helft van 2001 houden zowel pers als omroep rekening met
vermindering van de reclame-inkomsten. Het Bedrijfsfonds voor de Pers
werd in 1974 opgericht als Stichting en functioneerde op basis van
statuten. Sedert 1 januari 1988 functioneert het Bedrijfsfonds
voor de Pers op basis van de Mediawet als een zelfstandig
bestuursorgaan. Het Bedrijfsfonds heeft ten
doel het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de
pers, voorzover die van belang is voor de informatie en
opinievorming. Om dat doel te realiseren kan het financiële steun
verlenen aan persorganen, voor zover die vallen binnen de
werkingssfeer van het Bedrijfsfonds, zoals omschreven in de
Mediawet29. Door de jaren heen heeft het
Bedrijfsfonds aan een groot aantal persorganen steun verleend,
zowel in de vorm van subsidie als in de vorm van kredieten30. Deze
zogeheten individuele steunverlening beloopt over de periode
1974-2000 een totaalbedrag van circaƒ 42,5 miljoen, die ten goede
kwam aan een 40-tal dagbladen, nieuwsbladen en tijdschriften: o.a.
De Groene Amsterdammer, HP/De Tijd, Nederlands Dagblad, De Gay
Krant, Nieuw Israëlitisch Weekblad, Het Parool, Weekkrant
Suriname, Trouw, De Waarheid, Friesch Dagblad, HN-Magazine en
Yaprak Gazetesi. Daarnaast heeft het
Bedrijfsfonds over datzelfde tijdvak steun verleend aan een 30-tal
onderzoekprojecten en gezamenlijke projecten van persorganen;
hiermee was totaal ƒ 3,9 miljoen gemoeid. In het kader van de
zogeheten Compensatieregeling voor Dagbladen keerde het
Bedrijfsfonds in totaal ƒ 90 miljoen uit aan een 16-tal
dagbladen.31 De middelen van het
Bedrijfsfonds voor de Pers zijn oorspronkelijk afkomstig uit de
STER-opbrengsten. In de periode 1967 (invoering STER) tot en met
1976 vonden dotaties plaats. In verband met de Compensatieregeling
voor Dagbladen werden ook in de jaren 1983, 1985, 1987 en 1988
dotaties gedaan. Na invoering van binnenlandse
commerciële omroep (1991) bepaalt de staatssecretaris van OCenW
welk percentage van de reclame-inkomsten
van de STER, de lokale en regionale publieke omroepen en de
commerciële omroepinstellingen jaarlijks wordt uitgekeerd ten
behoeve van het Bedrijfsfonds voor de Pers.32 Op grond van
de overweging dat het Bedrijfsfonds vooralsnog over voldoende middelen beschikt om zijn taak
naar behoren uit te voeren, heeft sedert 1989 tot heden geen
dotatie meer plaats gevonden. Per oktober 2001 beschikt het
Bedrijfsfonds over een vermogen van circa ƒ 37 miljoen In 1997 bracht het
Bedrijfsfonds voor de Pers zijn beleidsessay Vernieuwend
persbeleid33 uit. Daarin staan diverse
aanbevelingen voor herziening van de werkingssfeer en het
instrumentarium van het Fonds. In het vervolg van deze brief wordt
daar nader op ingegaan. Deze regeling is opgezet in de
jaren tachtig en was gericht op het compenseren van structurele
handicaps waarmee bepaalde dagbladen werden geconfronteerd op de
advertentiemarkt. Deze dagbladen hadden een
relatief geringe oplage en een daarmee samenhangende geringe
verspreidingsdichtheid, hetgeen ze minder aantrekkelijk maakte als
advertentie-medium. De regeling is toegepast over
de boekjaren 1981-1983, 1985, 1986 en 1989 en heeft sindsdien een
slapend bestaan gekend. In totaal werd ƒ 90 miljoen uitgekeerd
aan een 16-tal kranten, waaronder de Leidsche Courant, Het Nieuws
van de Dag, Het Parool, Trouw, Rijn en Gouwe, Het Vrije Volk en
het Rotterdams Nieuwsblad. Inmiddels is het perslandschap
ingrijpend gewijzigd door de voortgaande concentratie en de
veranderingen op terrein van informatie- en
communicatietechnologie. De kranten die destijds voor deze steun
in aanmerking kwamen, zijn intussen in een concernverband
opgenomen of bestaan niet langer als zelfstandige dagbladtitel.
Tegen deze achtergrond meent het Bedrijfsfonds dat de
Compensatieregeling voor Dagbladen niet opnieuw tot leven zou
moeten worden gewekt. Ik ben het eens met deze
aanbeveling en stel daarom voor om de Compensatieregeling voor
Dagbladen te schrappen uit het instrumentarium van het
Bedrijfsfonds voor de Pers. Dat kan door wijziging van het
Mediabesluit, waarin deze regeling is opgenomen.34 Het Bedrijfsfonds stelt vast
dat er een knelpunt bestaat bij de informatievoorziening van en
voor minderheden.35 Deze groepen missen vaak informatie door het
ontbreken van informatiebronnen in de eigen taal. Televisie en
radio blijken de voornaamste informatiebronnen te zijn.
Nederlandse kranten worden door hen weinig gelezen: dat komt niet
alleen door het taalprobleem, maar ook omdat deze groepen in
Nederlandse kranten (te) weinig vinden wat aansluit bij de eigen
leefwereld. Eigentalige kranten, afkomstig
uit de herkomstlanden, zijn voor de meeste
minderhedengroepen van redelijk groot belang, maar die zijn
evenmin toegesneden op de Nederlandse leefomgeving. Dit
geldt overigens niet voor de jongeren: zij zijn vaak opgegroeid in
de Nederlandse samenleving en daarom gewend aan het westerse beeld
dat in de media wordt gegeven. Hun behoefte aan media uit het
herkomstland is daarom beduidend geringer. Uit onderzoek dat in opdracht
van het Bedrijfsfonds is verricht, blijkt dat allochtonen
kritische mediagebruikers zijn, omdat ze de Nederlandse media en
de media uit het moederland met elkaar kunnen vergelijken.36
Wanneer Nederlandse media over het herkomstland berichten, hebben
zij behoefte aan een andere visie op dat onderwerp in de eigen
media. Buitenlandse media vormen een voorname aanvullende
informatiebron voor allochtonen. Met name onder oudere allochtonen
bestaat een sterke behoefte aan informatie in de eigen taal en
informatie over het land van herkomst. De informatiehonger over de
eigen kring en over het herkomstland wordt door het bestaande
media-aanbod slechts ten dele gestild. Dit geldt voor alle
leeftijdsgroepen. Deze informatie zoekt men voornamelijk in de
buitenlandse media. Een andere belangrijke informatiebron zijn de
eigen intermediaire kaders: onderling wordt veel informatie
uitgewisseld. Deze informatie wordt vaak verkregen via familie en
vrienden die in het land van herkomst verblijven. Een derde belangrijke conclusie
uit het onderzoek is dat allochtonen zich te weinig herkennen in
de Nederlandse media. Het beeld in die media wordt niet gezien als
een juiste afspiegeling van de Nederlandse multiculturele
samenleving. Ook dit verklaart de belangstelling voor media
afkomstig uit de herkomstlanden. Zoals hierboven opgemerkt geldt
dit niet voor de meeste allochtone jongeren, die zijn opgegroeid
in de Nederlandse samenleving en gewend zijn aan het westerse
beeld dat de media geven. Allochtone jongeren hebben wel
behoefte aan meer informatie voor en over jongeren. Dit heeft ook
met een gebrek aan herkenning te maken, maar dan op ander vlak:
jongeren vinden dikwijls het taalgebruik in de media te moeilijk
en/of de nieuws-onderwerpen te saai. Dit weerhoudt ze ervan om een
krant te lezen of het journaal te bekijken. Alleen wanneer ze
toevallig een onderwerp tegenkomen dat op henzelf betrekking heeft
of voor hen belangrijk is (Bijlmerramp, Kosovo) dan is hun
belangstelling gewekt. Met andere woorden: zowel bij
oudere als jongere allochtonen bestaat een duidelijke behoefte aan
informatie over de Nederlandse samenleving en - met name voor de
ouderen -informatie over de landen van herkomst. In het
takenpakket van de landelijke publieke omroep wordt rekening
gehouden met deze doelgroepen door middel van speciale programma's
via radio en televisie. Zowel de landelijke als de
niet-landelijke publieke omroep heeft tot taak om programma's te
verzorgen die bijdragen aan de ontwikkeling en verspreiding van de
pluriformiteit en culturele diversiteit in Nederland en die
gericht zijn op zowel een breed en algemeen publiek als op
bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en
samenstelling.37 Ik wijs in dit verband ook op de
intensiveringen die gaande zijn inzake migrantentelevisie en
migrantenradio in de vier grote steden, zoals uiteengezet in de
Notitie Media en Minderhedenbeleid en de Voortgangsbrief Media- en
Minderhedenbeleid.38 Uit het hierboven genoemde
onderzoek van het Bedrijfsfonds voor de Pers blijkt, dat daarnaast
grote behoefte bestaat aan dit type informatie in gedrukte vorm,
via nieuwsbladen en tijdschriften die speciaal gericht zijn op de
belangstellingssfeer van oude en jonge allochtonen. De markt van minderheden-bladen
is diffuus. Het Bedrijfsfonds heeft in 1999 een inventarisatie
uitgevoerd van alle persorganen die in ons land verschijnen voor
en door minderheden, maar tekent daarbij aan dat het moeilijk is
om een betrouwbaar en volledig overzicht te bieden.39 Het gaat in hoofdzaak om kleine
kranten, vaak verschijnend als nieuwsblad. Deze bladen worden
veelal onaangekondigd in de markt gezet en verdwijnen doorgaans
ook weer snel. Blijkens deze inventarisatie
verschenen (ultimo 1999) 192 bladen voor minderheden. Hiervan
werden 102 uitgegeven via een adres in Nederland; de overige 90
werden niet in Nederland gemaakt maar waren hier wel verkrijgbaar. Van de 102 in Nederland
vervaardigde bladen waren 33 op een grote doelgroep gericht,
namelijk op alle culturele minderheden in Nederland of geïnteresseerden
in de multiculturele samenleving. De andere 69 richtten zich op
één of meer specifieke groepen culturele minderheden. Tweederde van de 102 bladen
werd landelijk uitgegeven en eenderde regionaal. Vele bladen kenden een lage
verschijningsfrequentie: bijna de helft (47 van de 102) werd
minder dan zes keer per jaar uitgebracht. Meer dan de helft (58
van de 102) had een oplage van minder dan 10.000 exemplaren. Het Bedrijfsfonds voor de Pers
is voornemens om een dergelijke inventarisatie periodiek te laten
vervaardigen. Ik acht dat een goede zaak, aangezien op die manier
een beter beeld ontstaat van de ontwikkelingen die zich op deze
specifieke markt voordoen. Overigens doen we er verstandig
aan om het belang van het aantal persorganen (192) sterk te
relativeren. In de eerste plaats constateert het Bedrijfsfonds dat
deze bladen doorgaans een korte levenscyclus hebben: ze verdwijnen
al weer snel van de markt. In de tweede plaats kennen ze veelal
een zeer lage verschijningsfrequentie: bijna de helft (47%)
werd/wordt minder dan zes keer per jaar uitgebracht. In de derde
plaats heeft meer dan de helft (58%) een oplage van minder dan
10.000 exemplaren, hetgeen in tijdschrift-termen een (zeer)
bescheiden oplage genoemd moet worden. De korte levenscyclus, de
geringe verschijningsfrequentie en de bescheiden oplage
illustreren een fundamenteel gebrek bij veel van dit type bladen:
een gebrek aan professionaliteit, zowel waar het gaat om de
redactionele inhoud als waar het gaat om de exploitatie. Om een
serieuze bijdrage te leveren aan de informatievoorziening voor de
allochtonen doelgroepen, is een stimulering van deze
professionaliteit gewenst. Dat draagt bij aan de pluriformiteit
van de pers en vergroot de betrokkenheid van deze doelgroepen bij
de maatschappelijke en politieke actualiteit van ons land. Het Bedrijfsfonds voor de Pers
merkt op, dat de huidige werkingssfeer van het Fonds belemmerend
werkt bij ondersteuning van dit type bladen vanuit het
Bedrijfsfonds. Die beperkingen worden vooral ervaren bij de eis
dat persorganen binnen de werkingssfeer ten minste maandelijks
dienen te verschijnen, alsmede de eis dat steun aan nieuwe
persorganen beperkt is tot de categorie dagbladen. Het Bedrijfsfonds adviseert een
experimentele regeling uit te werken, die erin voorziet dat ook
aan nieuwe persorganen voor culturele minderheden op tijdelijke
basis steun kan worden geboden, en dat bestaande persorganen voor
tijdelijke steun in aanmerking kunnen komen, ook wanneer ze een
lagere verschijningsfrequentie hebben dan eenmaal per maand. Het
Fonds adviseert de eis te stellen dat deze bladen ten minste
eenmaal per kwartaal verschijnen. Dat zou dan moeten gelden zowel
voor nieuwe als bestaande persorganen gericht op culturele
minderheden. De door het Bedrijfsfonds
voorgestane experimentele regeling zou voor vier jaar moeten
gelden, met een evaluatie in het derde jaar. Hiervoor zou maximaal
ƒ 6 miljoen moeten worden gereserveerd (ƒ 1,5 miljoen per jaar)
die voor dit doel binnen de huidige middelen van het Fonds kunnen
worden geoormerkt. Om te bereiken dat deze aanvullende
steunmogelijkheid voor meerdere persorganen open
staat, adviseert het Fonds om de hoogte van het steunbedrag te
bepalen op ten hoogste ƒ 250.000,= per persorgaan per jaar. Zoals reeds blijkt uit de
Notitie Media en Minderhedenbeleid (1999) staat het kabinet
positief jegens deze adviezen van het Bedrijfsfonds.40 Deze
plannen zijn met de Kamer besproken en konden daarbij op brede
ondersteuning rekenen.41 Bij een dergelijke verruiming
van de steunmogelijkheden moeten we uiteraard waken tegen
concurrentievervalsing jegens andere bladen die zich op dezelfde
doelgroep richten. Daar staat tegenover dat niet of nauwelijks
sprake is van een bestaande markt zodat het gevaar van
concurrentievervalsing niet echt een rol speelt. Bovendien is de
behoefte aan dit type bladen blijkens het eerder genoemde
onderzoek dermate groot, dat een tijdelijke stimuleringsregeling
alleszins gerechtvaardigd is. Ik acht het wenselijk om de
werkingssfeer van het Fonds langs de aangegeven lijnen te
verruimen. Een daartoe strekkende regeling zal op korte termijn in
procedure worden gebracht. In zijn beleidsessay
Vernieuwend persbeleid nam het Bedrijfsfonds voor de Pers de
aanbeveling op om zijn werkingssfeer te verruimen, opdat ook steun
kan worden geboden aan journalistieke informatieproducten, die op
elektronische wijze en ondernemingsgewijs worden uitgegeven en
gericht zijn op het algemeen publiek in ons land. Het
Bedrijfsfonds gaf zelf reeds aan, dat het noodzakelijk is om het
begrip journalistiek informatieproduct nader te preciseren,
teneinde te kunnen komen tot een verantwoorde afbakening van de
werkingssfeer. In ieder geval meende het Fonds dat
omroepachtige producten zouden moeten worden uitgesloten.42 Het Bedrijfsfonds heeft deze
globale aanbeveling nader uitgewerkt in zijn onlangs uitgebrachte
advies Kaderregeling voor het stimuleren van journalistieke
informatieproducten via het internet.43 Het Fonds stelt vast dat via
het internet in toenemende mate allerlei informatieproducten
worden aangeboden, die onderling sterk variëren wat betreft hun
journalistieke kwaliteit, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid.
Wellicht heeft dit te maken met de aard van het internet: de
toetredingsdrempel is laag iedereen kan tegen een geringe
investering informatie op het internet aanbieden44 en de consument
is gewend om de informatie gratis tot zich te nemen, waardoor het
lastig is om met informatieproducten op het internet geld te
verdienen. In dit verband zij verwezen naar het recente besluit
van uitgever PCM om de internet-activiteiten aanzienlijk te
beperken, aangezien de aanzienlijke investeringen vooralsnog niet
opwegen tegen de bescheiden inkomsten uit reclame
en sponsoring op de internet-sites. Overigens liet uitgever
Wegener tezelfdertijd weten, onverdroten voort te gaan met de
geleidelijke uitbouw van de internet-activiteiten. Ook de
landelijke publieke omroep is voornemens om langs de weg der
geleidelijkheid te werken naar uitbouw van de
internet-activiteiten. Hoe het ook zij, we kunnen
constateren dat het internet zich ontwikkelt tot een steeds
belangrijker informatiebron voor de burger. Het Bedrijfsfonds
meent, dat veel mogelijkheden die het internet biedt nog onbenut
worden gelaten en dat sommige persorganen moeite hebben om de
overgang naar het internet te maken. Aangezien het garanderen en
stimuleren van een hoogwaardig aanbod van informatie binnen de
Nederlandse samenleving behoort tot de kernpunten van het
overheidsbeleid45, bepleit het Bedrijfsfonds dat de overheid
de journalistieke informatieproducten via internet stimuleert. Dat
zou moeten geschieden door middel van een tijdelijke,
experimentele kaderregeling. Een dergelijke regeling sluit
bovendien aan bij het mediabeleid en bij het ICT-beleid46 van de
overheid, aldus het Bedrijfsfonds. Ik wijs in dit verband ook naar
Europese stimuleringsprogramma's zoals het eContent Programma, dat
onder meer gericht is op stimulering van publieke sector
informatie via het internet.47 Stimuleringsfonds voor publieke
digitale diensten Bij de behandeling van de
Tweede Kabelnota (juni 2000) heeft de Kamer de motie-Halsema c.s.
aanvaard, waarin de regering verzocht wordt een onderzoek te doen
naar het oprichten van een stimuleringsfonds voor publieke
digitale dienstenontwikkeling.48 Dit onderzoek is inmiddels
door TNO-STB afgerond en naar de Kamer gezonden.49 Conclusie
van het onderzoek is dat het belangrijkste knelpunt voor de groei
en bloei van publieke internetdiensten niet de ontwikkeling van
content is; belangrijker zijn zaken in de sfeer van technische
ondersteuning, servercapaciteit, hosting etc. TNO-STB stelt
een fonds voor multimediaprojecten voor, gericht op initiatieven
die niet binnen de huidige fondsen passen. Middelen zouden
aangewend moeten worden voor het starten van nieuwe diensten, voor
ondersteuning en voor hosting. Deze conclusies en aanbevelingen
zal ik betrekken bij de brief over het kabelbeleid, die ik de
Kamer voor dit najaar heb toegezegd. Ik ben van mening dat de door
het Bedrijfsfonds voorgestelde stimuleringsregeling gezien kan
worden als een tegemoetkoming aan de wens van de Kamer, voor zover
het gaat om digitale journalistieke informatievoorziening via het
internet. De Kaderregeling in hoofdlijnen De regeling staat open
voor bestaande of nieuwe journalistieke (1) informatieproducten
(2), die via het internet (3) en ondernemingsgewijs (4) worden
uitgegeven en bestemd zijn voor een algemeen publiek (5). Het Bedrijfsfonds voor de Pers
adviseert deze Kaderregeling vanwege zijn experimentele karakter
een looptijd van 3 jaar te geven, met een evaluatie na 2 jaar.
Voor deze regeling zou per jaar een budget van maximaal ƒ 5
miljoen moeten worden gereserveerd. Om zoveel mogelijk projecten
in aanmerking te laten komen, adviseert het Fonds een maximum
subsidie van ƒ 400.000,= per project te hanteren. Gelet op
het sterk risicodragend karakter van dergelijke projecten zouden
deze overwegend door de aanvrager c.q. door derden gefinancierd
moeten worden: de uitkering per project zou ten hoogste 40% van de
projectkosten moeten bedragen. Het Fonds adviseert om een
onderscheid te maken tussen te subsidiëren en niet te subsidiëren
projectkosten: zo dient de regeling enkel betrekking te hebben op
nog te maken kosten en komen enkel rechtstreeks aan het project
toe te rekenen kosten voor subsidie in aanmerking. Projectkosten
boven de grens van ƒ 1 miljoen worden niet meegenomen bij de
berekening van de subsidie. Ook zou moeten worden vastgelegd dat
een project slechts éénmaal in aanmerking kan komen voor
ondersteuning vanuit deze Kaderregeling. Beoordeling van de regeling Het kabinet kan en wil niet
voorbijgaan aan de toenemende rol die internet speelt bij de
informatievoorziening van de burger. Gevoegd bij de overheidszorg
voor een kwalitatief hoogwaardige informatievoorziening voor de
samenleving, leidt dit tot een positieve houding ten aanzien van
de voorgestelde Kaderregeling. Het gaat hier om een tijdelijke,
experimentele en te evalueren regeling. Dat biedt de gelegenheid
om de resultaten van de regeling te toetsen en eventuele
bijstellingen bijtijds te realiseren. Vanwege de bescheiden inzet
van middelen en de non-discriminatoire openstelling van deze
regeling bestaat geen gevaar voor concurrentievervalsing. De regeling komt tegemoet aan
de wens van de Tweede Kamer om de ontwikkeling van digitale
diensten ten behoeve van het publiek te stimuleren. Min of meer
vergelijkbare regelingen bestaan inmiddels in België en Portugal,
terwijl diverse andere Europese landen initiatieven in deze
richting ontwikkelen.53 Zie ook de eerder gemelde aandacht
op Europees niveau in het zgn eContent Programma van de Europese
Commissie. Op grond van deze overwegingen
zal ik de benodigde regelgeving voor deze Kaderregeling zo spoedig mogelijk uitwerken. Zo nu en dan klinkt de roep om
een wettelijke regeling van het redactiestatuut voor dagbladen,
onder verwijzing naar de regeling in de Mediawet inzake het
programmastatuut voor publieke en commerciële
omroepinstellingen54, dat qua strekking met een redactiestatuut
overeenkomt. Zo heeft de Nederlandse
Vereniging van Journalisten (NVJ) zich in het verleden
voorstander betoond van een wettelijk geregeld redactiestatuut,
omdat de overheid daarmee zou aangeven dat de instandhouding van
onafhankelijke en redactioneel zelfstandige dagbladen haar ter
harte gaat. De commissie-mediaconcentraties
wees in zijn advies (1999) erop, dat het redactiestatuut zoals dat
bestaat in de dagbladsector een bijdrage levert aan de
journalistieke onafhankelijkheid en daarmee aan de pluriformiteit.
De overheid zou daarom moeten bewerkstelligen dat een dergelijk
redactiestatuut niet alleen wordt ingevoerd bij alle dag- en
opiniebladen, maar ook op gelijke wijze bij andere voor de
pluriformiteit relevante media zoals de omroep en bepaalde
internetdiensten.55 In het kabinetsstandpunt
mediaconcentraties (2000) wijst het kabinet erop dat de Mediawet
reeds de verplichting kent voor publieke en commerciële
omroepinstellingen om een programmastatuut tot stand te brengen na
overleg met hun werknemers die belast zijn met de samenstelling
van programma's, waarin de journalistieke rechten en plichten van
deze werknemers worden geregeld. Het redactiestatuut bij de pers
is het resultaat van CAO-afspraken tussen werkgevers en
werknemers, waarbij de feitelijke inhoud van het redactiestatuut
tot stand komt in overleg tussen uitgever en redactie.56 Als bezwaar jegens een
wettelijk redactiestatuut voor dagbladen wordt gewezen op een
mogelijke strijdigheid met de Grondwet, waar het gaat om het recht
van de uitgever op vrijheid van meningsuiting en daarmee het recht
om zijn bedrijf naar eigen inzicht in te richten. Een bijkomend
bezwaar vormt de afbakening van taken tussen een redactieraad en
een ondernemingsraad. Op zichzelf lijkt het mogelijk
een verplicht redactiestatuut voor dagbladen in te voeren, zonder
in strijd te komen met de Grondwet of verzeild te raken in
genoemde afbakeningsproblemen. Volstaan kan worden met in de
Mediawet de bepaling op te nemen dat dagbladen dienen te
beschikken over een redactiestatuut, dat door de uitgever in
overeenstemming met de redactie wordt opgesteld. Op basis van de eerder genoemde
CAO-afspraken beschikken alle dagbladen en opiniebladen echter
reeds over een redactiestatuut. Het invoeren van een wettelijk
verplicht redactiestatuut zou weliswaar het signaal afgeven dat de
overheid belang hecht aan redactionele onafhankelijkheid, maar zou
de facto niets wijzigen aan de reeds bestaande situatie. Op grond
daarvan ziet het kabinet af van een wettelijke regeling van het
redactiestatuut bij dagbladen. 9.
Verschoningsrecht voor journalisten Het belang van journalistieke
bronbescherming werd door het Europese Hof voor de Rechten van de
Mens onderstreept in het Goodwin-arrest.57 Het Europese Hof
overweegt, dat het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht van
vrijheid van meningsuiting en de daaruit voor de persvrijheid
voortvloeiende waarborgen impliceren, dat een journalist in
beginsel gerechtigd is zijn bronnen geheim te houden, tenzij een
overwegend maatschappelijk belang onthulling vereist. Met andere woorden: het gaat om
een belangenafweging. Uitgangspunt is dat bescherming van
journalistieke bronnen van belang is voor de persvrijheid en voor
de rol die de media in een democratische samenleving moeten
vervullen. Dat is een zwaarwegend publiek belang. Een inbreuk hierop is alleen
gerechtvaardigd op grond van een nog zwaarder wegend publiek
belang: zulks moet bij wet voorzien zijn en noodzakelijk zijn in
een democratische samenleving in het belang van de nationale
veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het
voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming
van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede
naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van
vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de
onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Enkele maanden later nam de
Hoge Raad dit standpunt over.58 In de Aanbeveling van het comité
van Ministers van de Raad van Europa van 8 maart 2000 over het
onderwerp bronbescherming van journalisten bepaalt de Raad dat het
onthullen van bronnen niet nodig wordt geacht tenzij op
overtuigende wijze vaststaat dat kort gezegd geen alternatieven
beschikbaar zijn voor het onthullen en het gewettigd belang bij
onthulling duidelijk meer gewicht in de schaal legt dan het
algemeen belang bij het anoniem blijven van de bron, waarbij
bovendien in acht genomen zij dat een doorslaggevende noodzaak tot
het onthullen kan worden aangetoond, de omstandigheden voldoende
wezenlijk en serieus van aard zijn en de reden voor de onthulling
direct verband houdt met een urgent maatschappelijk belang. Deze uitspraken worden gezien
als een gedeeltelijke erkenning van het verschoningsrecht voor
journalisten in concrete gevallen. Dit betekent echter niet dat
een journalist daarmee dezelfde status heeft als de leden van
beroepsgroepen die op grond van art. 218 Wetboek van
Strafvordering verschoningsrecht bezitten: artsen, geestelijken,
advocaten en notarissen. Bij die beroepsgroepen is een
vergaande bescherming van de geheimhoudingsplicht mogelijk, omdat
zij een sterke mate van zelfregulering kennen: eigen gedragscodes
die uiteraard ook de geheimhouding omvatten -, en de naleving van
die codes wordt afgedwongen door een stelsel van tuchtrecht. Deze
verschoningsgerechtigden behoren tot gesloten beroepsgroepen:
toetreding is enkel mogelijk als men aan bepaalde opleidingseisen
voldoet en toezegt zich te zullen conformeren aan de normen
die binnen de beroepsgroep leven. Degene die zich niet aan de
gedragscode houdt, loopt de kans niet langer het betreffende
beroep te mogen uitoefenen. De journalistiek kent een
dergelijke beslotenheid niet. Het staat eenieder vrij zich als
journalist te presenteren. Er bestaan weliswaar diverse
journalistieke gedragscodes en de Raad voor de Journalistiek
behandelt klachten omtrent journalistieke gedragingen, maar bij de
journalistiek is geen sprake van een uniforme gedragscode met
daaraan gekoppeld een tuchtrechtelijk systeem om het handelen van
leden van de beroepsgroep te beoordelen en eventueel te
bestraffen. Deze openheid van de
beroepsgroep leidt ertoe dat geen sprake is van een absoluut
journalistiek verschoningsrecht, maar dat de rechter van geval tot
geval een belangenafweging maakt, zich baserend op de voornoemde
uitspraken van het Europese Hof en de Hoge Raad. In dit verband kan ook gewezen
worden op de conclusie van de Commissie Verschoningsrecht, die
werd ingesteld door het Genootschap van Hoofdredacteuren (GvH) en
de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) om onderzoek te
doen naar de knelpunten die zich voordoen in verband met
bronbescherming en de inbeslagneming van journalistiek
materiaal.59 De commissie concludeert dat wetgeving
ter bescherming van journalistieke bronnen niet nodig is,
gezien de bestaande jurisprudentie op Europees en nationaal
niveau. De commissie wijst er bovendien op dat een wettelijk
verschoningsrecht ook nadelen kent: dan zou moeten worden
vastgelegd wie journalist is en in welke gevallen het
verschoningsrecht zou moeten gelden. Men heeft meer vertrouwen in
de jurisprudentie, waarbij van geval tot geval kan worden
vastgesteld of de journalist terecht een beroep doet op het
verschoningsrecht. Het kabinet ziet gelet op de
Nederlandse praktijk geen reden om te komen tot een wettelijk
geregeld verschoningsrecht voor journalisten. De Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dr. F. van der Ploeg
Vragen van het lid Van der Staaij
(SGP) aan de minister van Justitie en de staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Dhr. Van der
Ploeg, over mevrouw Venekatte en de Reclame Code
Commissie. (Ingezonden 20 juni 2002); Antwoord
Reclamemaker niet zelden blij met berisping ,,Het is voor veel adverteerders uitermate vervelend om
aan de schandpaal te worden genageld'', meende
VVD-Kamerlid Vos. Dat vond zijn RPF-collega Rouvoet 'naïef'.
Na de verspreiding van een filmposter met een gekruisigde
man tegen een bikinibroekje, in april, had Rouvoet de
distributeur gebeld om te vragen of dat nou nodig was. Het
antwoord luidde: ,,Stelt u vooral Kamervragen, dat levert
extra publiciteit op.''
Waar de VVD betoogde dat reclamemakers een produkt
willen aanprijzen en niet in opspraak willen brengen,
waardoor de bedrijfstak zichzelf redelijk onder controle
houdt, verwoordde Rouvoet de praktijk een slagje anders.
,,Reclamemakers willen de meerderheid van de bevolking
prikkelen, maar dat doen zij soms door een minderheid
bewust te kwetsen.''
Aanleiding voor het overleg in de Kamer waren enkele
incidenten begin dit jaar. Onder andere een
'plasseksposter' en een afbeelding van een naakt meisje
met een pizzadoos zorgden toen voor enige opschudding, en
niet alleen bij het christelijke volksdeel. De RPF vroeg
Sorgdrager om een notitie over de toelaatbaarheid van dit
soort reclames en die werd gisteren besproken.
De minister vindt met de kleine christelijke partijen
dat niet alles 'moet kunnen'. De vraag waar precies de
grenzen liggen wordt volgens haar echter door iedereen
anders beantwoord. ,,Het is een kwestie van ethiek, van
normen die per groep mensen verschillen en die je moeilijk
in een wet kunt vastleggen'', zei ze. Het debat erover
juicht de minister toe: ,,Dat doet het bewustzijn toenemen
en dat scherpt de maatschappelijke opvattingen over wat nu
wel en niet kan.''
Voor nieuwe initiatieven om reclamemakers in toom te
houden voelt Sorgdrager niets. De Reclame Code Commissie,
een organisatie van de reclamebranche zelf die toeziet op
naleving van een door de reclamemakers zelf opgestelde
gedragscode, functioneert volgens haar afdoende. RPF en
SGP voerden daartegen aan dat de berispingen vaak pas
achteraf komen en slechts beperkte kracht hebben. Beide
partijen willen toetsing vooraf, waarbij de RPF een
parallel met de filmkeuring trok. De SGP wil de commissie
ook wettelijke status geven, inclusief de mogelijkheid om
boetes op te leggen.
De regeringsfracties PvdA, VVD en D66 zien hier niets
in. De Koning (D66) bekende dat zij zich ook vaak aan
'onsmakelijke' reclames ergerde, zoals die van de
krasloterij ('stuur je schoonmoeder met de kerst naar een
ver land'). ,,Maar ik denk dan: wie ben ik? Hier hebben we
de Reclame Code Commissie voor.''
Sorgdrager wil op verzoek van het CDA wel nagaan hoe
meer bekendheid kan worden gegeven aan de Commissie, zodat
verontruste burgers zich er ook daadwerkelijk toe wenden.
Het aantal klachten dat de commissie binnen krijgt wisselt
per jaar sterk. In 1995 kwamen er alleen al over een
reclame van het mannenmodewinkelconcern 'Hij' meer dan
1900 klachten binnen. 'Hij is er ook voor u' luidde de
tekst bij een afbeelding van een man in vrome houding.
Niet in strijd met de goede smaak en het fatsoen, maar wel
nodeloos kwetsend voor christenen, oordeelde de Commissie.
Hij bood zijn excuses aan. Wakker dier wint zaak
tegen vleessector bij reclame code commissie
Persbericht Wakker Dier,
6 aug 2003
De Reclame Code Commissie vindt de lespakketten van de
landbouworganisatie het Kleine Loo voor scholen
misleidend. Ten onrechte worden de lespakketten aan
scholen verstuurd als objectieve educatieve uitgave
terwijl het volgens de Commissie misleidende reclame
betreft. Het lespakket schetst een rooskleuriger beeld
over het welzijn van dieren in de bio-industrie dan zich
in werkelijkheid achter de gesloten staldeuren afspeelt.
Ook vorige week werd een andere campagne van de
vleessector die gericht was op schoolkinderen al als
misleidend betiteld door de Reclame Code Commissie. Die
klacht was ingediend door een diervriendelijke directeur
van een groot electronica-bedrijf. De Stichting Reclame Code, waarin 7 organisaties
deelnemen die op enigerlei wijze bij (het maken van)
reclame zijn betrokken, heeft tot doel ervoor te zorgen
dat in Nederland op verantwoorde wijze reclame wordt
gemaakt. De controle op de naleving van de Reclame Code wordt
uitgeoefend door de Reclame Code Commissie en in appèl
door het College van Beroep. Onder reclame wordt verstaan: iedere openbare
aanprijzing van goederen, diensten of denkbeelden. Onder
reclame wordt mede verstaan het vragen van diensten (zie
artikel 1 van de Reclame Code). De Reclame Code is van toepassing op alle reclame
ongeacht het medium waarvan gebruik is gemaakt, tenzij in
de Reclame Code uitdrukkelijk anders is bepaald. De werkwijze van de Reclame Code Commissie en het
College van Beroep is vastgelegd in een Reglement. De Reclame Code Commissie bestaat uit vijf leden, te
weten: * momenteel nemen STER, Roos, OLON en het NUV deel in
de Stichting Reclame Code De commissieleden oordelen overigens onafhankelijk van
de organisatie die hen heeft aangewezen. Er is sprake van een klacht tegen grensoverschrijdende
reclame indien geklaagd wordt tegen een reclame-uiting die
openbaar is gemaakt in klagers land, terwijl de
betreffende reclame-uiting uit een ander land afkomstig
is. De procedure geldt voor alle klachten binnen de landen
waarin de zelfreguleringsmaatregelen van de EASA-leden van
toepassing zijn. Er wordt een datum bepaald waarop de klacht, het
verweerschrift en eventuele andere schriftelijke stukken
ter vergadering van de Reclame Code Commissie worden
behandeld. Desgewenst kunnen de klager en de adverteerder
in die vergadering hun standpunt mondeling toelichten. De vergaderingen zijn openbaar, indien en voorzover
één of beide partijen een mondelinge toelichting
geeft/geven. Elk van partijen kan echter gemotiveerd
bezwaar maken tegen een openbare behandeling. Een verzoek
de behandeling achter gesloten deuren te doen
plaatsvinden, wordt alleen ingewilligd indien
zwaarwichtige redenen zich tegen een openbare behandeling
verzetten. Indien de voorzitter van de Reclame Code Commissie van
oordeel is dat een zaak spoedeisend is, kan hij bepalen
dat deze binnen 14 dagen wordt behandeld. Als een klacht door de voorzitter terzijde is gelegd,
wordt klager daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht. Als een klacht door de voorzitter is toegewezen dan
worden de klager en adverteerder daarvan schriftelijk op
de hoogte gebracht. Is de adverteerder van mening dat de
klacht ten onrechte is toegewezen, dan kan hij daartegen
(kosteloos) bezwaar maken bij de voltallige Reclame Code
Commissie (zie hoofdstuk 7). In het laatste geval doet de Commissie een
”aanbeveling” of geeft zij, indien de klacht reclame
betreft waarin denkbeelden worden gepropageerd een
”vrijblijvend advies”. Dat wil zeggen dat zij de
adverteerder aanbeveelt c.q. adviseert de betreffende
reclame niet meer te plaatsen/te gebruiken. Een aanbeveling kan op twee manieren worden gedaan. Van een openbare aanbeveling kan kennis gegeven worden
aan: Een vrijblijvend advies kan zijn onderhands of openbaar
zoals hiervoor onder a. en b. weergegeven. Wanneer de Commissie de klacht toewijst, kan zij
bovendien: Een uitspraak van de Reclame Code Commissie is na 14
dagen onherroepelijk. Was een zaak spoedeisend dan is de
uitspraak na 7 dagen onherroepelijk. Als de klager en/of
de adverteerder het niet eens zijn met de uitspraak,
kunnen zij binnen 14 respectievelijk 7 dagen daartegen in
beroep gaan bij het College van Beroep. Heeft de voorzitter van de Reclame Code Commissie de
klacht toegewezen en is dat volgens de adverteerder niet
terecht, dan kan deze gemotiveerd binnen 14 dagen bezwaar
aantekenen bij de voltallige Reclame Code Commissie. De adverteerder kan tegen een dergelijke beslissing
-schriftelijk en met redenen omkleed- bezwaar aantekenen
bij de Reclame Code Commissie. Voor de behandeling van het
bezwaar is €228 terzake van administratiekosten
verschuldigd. Het beroepschrift dient op verzoek van het College van
Beroep in 8-voud te worden ingediend. Wanneer iemand tegen
een uitspraak van de Reclame Code Commissie in beroep
wenst te gaan, is hij daarvoor klachtengeld verschuldigd. Is het bezwaar respectievelijk het beroep geheel of
gedeeltelijk gegrond, dan wordt het bedrag terugbetaald,
al naar gelang de Reclame Code Commissie c.q. het College
van Beroep dit beslist. Voor leden van in de Stichting Reclame Code deelnemende
organisaties van ondernemers of van een organisatie in
overleg waarmee een Bijzondere Reclame Code tot stand is
gekomen en die aan de Stichting Reclame Code daarvoor een
financiële bijdrage levert, geldt een bijdrage in de
behandelingskosten van €114. Het verschuldigde bedrag komt terzake van
administratiekosten te vervallen aan de Stichting Reclame
Code. Het Postbankrekeningnummer van de Stichting is:
5349417. Het College van Beroep is op dezelfde wijze
samengesteld als de Reclame Code Commissie. De volgende organisatie is als toehoorder betrokken bij
de Stichting Reclame Code: In overleg met de volgende organisaties zijn Bijzondere
Reclame Codes van de Reclame Code tot stand gekomen. En: de op grond van de Mediawet verplicht bij de
Stichting Reclame Code aangesloten zendgemachtigden.
Het bestuur van de Stichting Reclame Code is als volgt
samengesteld:
Conclusie
Hop op basis van (eigen) informatie van informanten uit verleden en heden
BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming (445) Ik vind het
volkomen terecht dat het bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming in de
volksmond de bijnaam Raad voor de Leugenbescherming heeft opgelopen. Risico-analyse
werkwijze Raad voor de Kinderbescherming. De grootste fout die
(groot)ouders maken als zij in contact komen met personeel van de Raad voor
de Kinderbescherming is dat (groot)ouders denken dat de Raad voor de
Kinderbescherming aan waarheidsvinding doet. Dit is namelijk niet het geval.
De Raad gaat af op de "beleving van kinderen onder toezicht van
de moeder of jeugdzorg". Het kan volgens mij dan ook niet anders dat
(door dit soort smerige streken van de RVDK) kinderen ongelukkig opgesloten
zitten in kindertehuizen of pleeggezinnen. Kinderen van hun (groot)ouders
afgepakt worden om steeds meer (gesubsidieerde) hulpverlening te kunnen
blijven verkopen. Dat past dus
ook maar één advies bij BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming (445)
en ga NIET met personeel van RVDK in gesprek! DIEN
NOOIT EEN KLACHT IN
maar als u toch weerwerk wilt leveren dien gelijk bezwaarschriften in ieder
RVDK besluit. Deze bezwaarschriften kunt u GRATIS van internet afhalen. Vaders STOP
MET PROCEDEREN om een omgangsregeling maar BOYCOT het hele circus dat GELD
WIL VERDIENEN aan uw omgangsregeling. Besteed er geen geld aan en ga met
het bespaarde geld leukere dingen doen. Als vaders massaal geen geld meer
uitgeven aan het hele circus om een omgangsregeling dan wil ik wel eens zien
wat er gebeurt in die ivoren torens van rechtbanken, peperdure
advocatenkantoren en jeugdzorg gericht op schaalvergroting................ Vaders weiger
onderzoek RVDK! BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming! Vraag een rechter
in iedere echtscheidingszaak gelijk uitspraak te doen zonder onderzoek RVDK!
Vraag een rechter in iedere echtscheidingszaak gelijk uitspraak te doen
zonder peperdure MEDIATION die ook moet worden betaald! Kort
samengevat u als vader gaat niet werken om het hele echtscheidingscircus TE
VRETEN TE GEVEN terwijl voor de echtscheiding niemand zich zorgen maakte of
u als vader wel of niet met uw kinderen om kon gaan. Ik waarschuw u ZORG
ERVOOR dat u financieel niet kapot wordt gemaakt! Geen
omgangsregeling? Dan maar NIET! J. Hop,
redacteur websites Censuur in Nederland en Groep Hop.
BOYCOT de Raad voor
de Kinderbescherming Het gevaar! Raad voor
de Kinderbescherming laat belang moeder zwaarder wegen dan belang
vader
Prisca Ancion-Kors has been the Managing Director of the Stichting Reclame
Code - SRC (Dutch Advertising Code Foundation) since 1990.
She holds a Law degree from the Vrije Universiteit of Amsterdam and
previously worked at the international law firm of De Brauw &
Westbroek in The Hague and Amsterdam. Prisca is a member of the editorial
staff of an Advertising Law publication series and has written many
articles on advertising and self-regulation in The Netherlands. She is
also a member of the Board of Appeal of the Stichting Internet
Domeinregistratie Nederland (Netherlands Internet Domain Registry
Foundation).
Prisca was Chairman of the EASA Board of Directors between 1997 and 1999.
Ancion-Kors, directeur van de Stichting Reclame Code, benoemd tot voorzitter van
de European Advertising Standards Alliance (EASA).
In 1997 werd een werkbezoek gebracht aan Bonn en Londen, teneinde meer inzicht
te krijgen in het Duitse en Engelse systeem. In verband met de Europese
eenwording is het van belang op de hoogte te zijn van de verschillende systemen
opdat een soepele samenwerking in geval van klachten betreffende
grensoverschrijdende reclame kan plaatsvinden.
On 16 May 2002, Prisca Ancion-Kors and Kees Prins were appointed to the SIDN
Management Board, each for a period of three years. They succeed Piet Beertema
and Ted Lindgreen.
Kees Prins is a founder-partner in M&I/Partners. M&I represents a group
of consultancies that together offer management-support services in almost all
information and technology-related fields. Over the last fifteen years, M&I
has become one of the Netherlands’ leading consultancy operations. Kees Prins
holds a number of positions in addition to the chairmanship of the M&I
group’s Management Board. These include sitting on the Management Board of
ISOC-NL.
Along with Boudewijn Nederkoorn, Piet Beertema and Ted Lindgreen were the men
behind SIDN’s creation on 30 January 1996. As the representative of the Centre
for Mathematics and Informatics, Piet Beertema had previously been responsible
for the issue of ‘.nl’ domain names since 25 April 1986. This responsibility
was transferred to SIDN in January 1996, since which time Beertema has been a
member of the foundation’s Management Board. Ted Lindgreen has been SIDN’s
Secretary since the foundation came into being.
![]()
Registratie & Services – Het epicentrum van alle controles,
registraties, mutaties, etc. U belt of mailt
met deze afdeling wanneer u vragen heeft over uw registraties.
Relatiebeheer en de communicatie met deelnemers wordt ook door deze
afdeling verzorgd.
ICT – Deze afdeling is verantwoordelijk voor het beschikbaar
maken en houden van de .nl zone op het internet. Ook is zij
verantwoordelijk voor ontwikkeling, onderhoud, exploitatie en beheer van
alle overige ICT Services die nodig zijn voor SIDN, zowel intern als
extern.
Policy & Business Development – Verantwoordelijk voor de
naming policy van SIDN. Nieuwe ontwikkelingen worden door deze afdeling
opgepakt en de wens van de lokale internet-gemeenschap wordt getoetst.
![]()
Sjoera Nas (1969), heeft vanaf 1987 geschiedenis gestudeerd aan de
Universiteit van Amsterdam. In die tijd heeft ze jarenlang als
freelancer gewerkt voor dagblad Trouw. Na haar afstuderen is ze in
1994 gaan werken voor de Rotterdamse Kunststichting, als
programma-organisator nieuwe media in Zaal de Unie. Tevens was ze
nieuwe media coordinator van het Studium Generale van de Erasmus
Universiteit Rotterdam. Van 1996 tot 1998 werkte Sjoera als
debatorganisator voor De Balie in Amsterdam, waar ze tal van
manifestaties, debatten en lezingen heeft georganiseerd op het
gebied van internet, media, (nieuwe) technologie en maatschappij.
Sinds het voorjaar van 1998 werkt Sjoera bij XS4ALL, aanvankelijk
als p.r. medewerker, maar sinds medio 1999 als woordvoerder/public
affairs officer.
Arie van Bellen (38) is directeur van het Electronic Commerce
Platform Nederland (ECP.NL) in Leidschendam.
Van Bellen leidt een staf van 15 medewerkers die samen met de
inmiddels 188 aangesloten partijen (aanbieders, gebruikers,
overheid, onderwijs- en onderzoeksinstellingen, intermediaire
organisaties) werkt aan de bevordering en acceptatie van
elektronisch zakendoen in Nederland. ECP.NL geeft voorlichting en
werkt door middel van concrete projecten aan belangrijke themas
rondom elektronisch zakendoen. Lopende activiteiten van ECP.NL
betreffen onder andere thema's als: veiligheid, betrouwbaarheid,
online geschillenbeslechting, elektronisch inkopen, elektronische
marktplaatsen, technieken, betalen via internet, Europese wetgeving
en de digitale handtekening.
Van Bellen presenteert regelmatig standpunten en ontwikkelingen
tijdens seminars, congressen en andere bijeenkomsten. In
verschillende nationale fora op het gebied van elektronisch
zakendoen heeft hij zitting of de voorzittersrol. In internationaal
verband leidt hij in opdracht van de Nederlandse overheid de
nationale delegatie (o.a. UN) en treedt ad-hoc op als adviseur van
bedrijfsleven en overheid (o.a. Lissabon 2000, OESO
Mr Bas Kist (1959) is sinds 1990 juridisch adviseur op het gebied
van het merkenrecht. Hij publiceert met een zekere regelmaat
artikelen over merken in NRC Handelsblad en is medewerker van het
reclamevakblad Adformatie. Daarnaast heeft hij een maandelijkse
column in Adfo-Juridisch, een spin-off van Adformatie en in het
tijdschrift De Zaak.
Bas Kist schreef samen met Mr Erwin Arkenbout de boeken "En U
dacht dat u merkrechten bezat" (1995) en Handelsnaamrecht
(1997). Tevens is hij co-auteur van het in september 1996 verschenen
boek "Merkenmanagement" van Dr. Rik Riezebos. In 1998
publiceerde Kist het boek Merkenmisser, waarin een vijftigtal
spectaculaire conflicten over merken worden beschreven en oktober
2000 verscheen van zijn hand Domeinnamen.nl, een boek over de
ontwikkelingen rondom domeinnamen.
Bas Kist is thans mede-directeur van Shield Mark, een merkenbureau
met ruim 40 medewerkers gevestigd in Amsterdam. Shield Mark
adviseert en assisteert bedrijven bij onderzoek en registratie van
merken en industri묥 vormgeving in binnen- en buitenland.
Daarnaast verzorgt Shield Mark registraties van domeinnamen en
adviseert zij bij conflicten over domeinnamen.
Sinds augustus 2000 maakt Bas Kist deel uit van het bestuur van de
Stichting Beeldrecht.
Bestuurskundige / Beleids- en Managementadviseur, recent onder
andere (vooral over Internetaangelegenheden) voor:
Nederlandse overheid (ministeries)
Nederlands bedrijfsleven (branches en individuele bedrijven)
Onderwijs en Onderzoek (Hogescholen, Universiteiten,
Onderzoeksinstituten)
Europese Unie / Europese Commissie
Raad van Europa, Unesco, OESO
- Zowel een technische achtergrond (HBS-B, radar- en
computeropleidingen en
-functies, Internetprovider) als een bestuurlijk-juridische
achtergrond
(WO-Bestuurskunde, beleids- en managementfuncties bij overheid en in
industrie, waarvan recent 3 jaar voorzitterschap NLIP =
Branchevereniging van Nederlandse Internetproviders).
Mr. Dirk J.G. Visser (1969) is advocaat bij Stibbe in Amsterdam,
gespecialiseerd in intellectuele eigendom, in het bijzonder in
relatie tot nieuwe media. Hij behandelt als advocaat veel
domeinnaamzaken en andere internet gerelateerde juridische kwesties,
zoals de kranten.com-zaak.
Daarnaast is hij universitair docent auteurs- en informatierecht aan
de Universiteit Leiden In 1997 is hij gepromoveerd op een
proefschrift over de exploitatierechten van de auteur in het
tijdperk van digitale informatie en netwerkcommunicatie, onder de
titel Auteursrecht op toegang . Visser is lid van de redactie van
twee juridische vakbladen, Mediaforum en ami, van de redactieraad
van de domeinaam-jurisprudentie-site, van verschillende commissie
van verschillende juridische vakverenigingen. Verder is hij
medewerker voor intellectuele eigendom van het Nederlands
Juristenblad.
Hij schrijft veel boeken en artikelen over auteursrecht en
merkenrecht en aanverwante onderwerpen. In 2000 verscheen van zijn
hand het boekje Internet domeinnamen en website content in de reeks
Adfo Juridisch (Samsom, Alphen a/d Rijn)
Mr Prisca E.C. Ancion-Kors (43) heeft na haar rechtenstudie aan de
Vrije Universiteit te Amsterdam als advocaat gewerkt bij het
advocaten en notarissenkantoor De Brauw & Westbroek te Den Haag
en Amsterdam.
Sinds november 1989 is zij directeur bij de Stichting Reclame Code.
Zij is vice-voorzitter van de European Advertising Standards
Alliance (EASA) te Brussel.
Tevens is mevrouw Ancion redactielid van Kluwers Praktijkboek
Reclamerecht en is zij lid van het College van Beroep van de
Stichting Internet Domeinregistratie Nederland.
Jan Willem Stumpel (1946) studeerde natuurkunde in Utrecht en werkt
sinds 1980 bij het Ministerie van Economische Zaken. Van 1984 tot
1995 was hij namens EZ gestationeerd bij de Nederlandse ambassade in
Japan als technisch-wetenschappelijk attach鮠Sinds 1995
behandelt hij telecom- en mediadossiers, nu in het nieuwe
Directoraat-Generaal voor Innovatie. Is (o.a.) ge﮴eresseerd
in alles wat met Japan, en alles wat met computers te maken heeft.
Cyril Bastiaan van der Net (1970) studeerde Nederlands Recht aan de
Rijksuniversiteit Leiden. Na zijn studie was hij verbonden aan de
afdeling Recht & Informatica van de Rijksuniversiteit Leiden,
thans de Universiteit Leiden, als assistent in opleiding,
onderzoeker en universitair docent. Hij promoveerde op het
proefschrift "Grenzen stellen op het Internet,
Aansprakelijkheid van Internet-providers en rechtsmacht".
Momenteel is hij werkzaam bij de Directie Wetgeving van het
Ministerie van Justitie als wetgevingsjurist. In die hoedanigheid
houdt hij zich voornamelijk bezig met het auteursrecht, de naburige
rechten en het databankenrecht.
Drs. John J. Borking (1945) is Plaatsvervangend Voorzitter van de
Registratiekamer te
Den Haag en is verantwoordelijk voor Technology Assessment en
Auditing. Tevens is hij
Secretaris van de Stichting Geschillenoplossing Automatisering.
Voorheen werkte hij bij COSSO Branchevereniging voor
Informatietechnologie te 's-Gravenhage als directeur. Daarvoor
werkte hij bij Rank Xerox Ltd. in Londen als Senior Legal Counsel (European
Counsel).
Hij is auteur van "Third Party Protection of Software and
Firmware" (1985 Amsterdam, New York) en heeft meegewerkt aan
verschillende boeken o.a. "Achter de schermen van
automatiseringscontracten" (1989) en aan vele artikelen, alle
handelend over softwarebeveiliging,privacybescherming en
computercontracten.
Hij heeft rechten, filosofie en sociale psychologie gestudeerd aan
de universiteit van Leiden en hij heeft computerrecht aan het Noors
Onderzoekscentrum voor Computers en Recht aan de universiteit van
Oslo gestudeerd
Klaas Bouma (1959) werkt sinds 1982 bij het Ministerie van Verkeer
en
Waterstaat. Hij heeft daar tot 1996 bij verschillende
specialistische
diensten van Rijkswaterstaat gewerkt, als systeemanalist,
projectleider en
adviseur informatie-infrastructuur. In diezelfde periode heeft hij
de
opleiding Wetenschappelijk Rekenen-A (Numerieke wiskunde) bij de
Stichting
Hogere Beroepsopleidingen Delft afgerond en vervolgens de studie
Informatica
aan de Universiteit van Leiden.
Sinds 1996 werkt Klaas bij het Directoraat-Generaal Telecommunicatie
en Post. Hij coordineert als senior beleidsmedewerker het
nummerbeleid (voor telefonie en internet). Hij is betrokken geweest
bij de beleidsvoorbereiding rond Nummerportabiliteit en
Carrierselectie. Verder neemt hij deel aan het overheidscomite (GAC)
van de Internet Corporation for Assigned Names and Numbers.
Studie aan de Rijksuniversiteit te Leiden en de Sorbonne te Parijs.
Was achtereenvolgens advocaat en rechter te Rotterdam.
Sinds 1974 hoogleraar aan respectievelijk de Erasmus Universiteit te
Rotterdam en de Rijksuniversiteit te Leiden in de Inleiding tot de
Rechtswetenschap. Van 1983-1987 lid van de Raad van State, sindsdien
hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden in de Encyclopedie van
de Rechtswetenschap en het Informaticarecht en tot 1 januari 1997
tevens aan de Rijksuniversiteit te Groningen in de Juridische
Informatica.
Van 1995 tot september 1998 decaan van de Faculteit der
Rechtsgeleerdheid.
Is lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen,
sinds mei 1999 tevens algemeen secretaris van de KNAW,
raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof te 's-Gravenhage,
plaatsvervangend lid van de Registratiekamer, plaatsvervangend
Kroonlid van de Sociaal?Economische Raad en voorzitter van de
Stichting Geschillenoplossing in de Automatiseringsbranche.
Treedt veelvuldig op als arbiter.
Was voorzitter van de Commissie Computercriminaliteit en is thans
voorzitter van de Commissie grondrechten in het digitale tijdperk.
Heeft vele publicaties het licht doen zien op het gebied van
rechtstheorie en juridische informatica.
Address: c/o Wirtschaftskammer Wien, Schwartzenbergplatz 14, A - 1040
VIENNA
Telephone: +43 1 514 502 296
Fax: +43 1 512 954 83796
E-mail: Manfred.Pichelmayer@wkw.at
Website: http://www.werberat.or.at
Main Contact: Dr. Manfred PICHELMAYER
Cross-Border Complaints Contact: Dr. Manfred PICHELMAYER
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Ave Louise 120 / Louisalaan 120, Bte / Bus 5, B - 1050
BRUXELLES / BRUSSEL
Telephone: +32 2 502 70 70
Fax: +32 2 502 77 33
E-mail: info@jepbelgium.be
Website: http://www.jepbelgium.be
Main Contact: Mr. Jean-Claude DASTOT
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Karin LAES
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Malostranské námestí 23, CZ - 11800 PRAHA 1
Telephone and Fax: +420 2 57 53 14 41
Telephone (reception): + 420 2 57 53 37 67, ext. 128 or 130
E-mail: rpr@rpr.cz
Website: http://www.rpr.cz
Main Contact: Mr. Zbynek ROUBAL
Cross-Border Complaints Contact: Mr. Zbynek ROUBAL
Other Language Spoken: English
![]()
Address: c/o Dansk Annoncørforening, Søborg Hovedgade 65b 1, DK - 2860
Søborg
Telephone: +45 3927 4346
Fax: +45 3927 4946
E-mail: daf@annoncoer.dk
Website: http://www.annoncoer.dk
Main Contact: Mr Otto CHRISTIANSEN
Cross-Border Complaints Contact: Mr Otto CHRISTIANSEN
Other Language Spoken: English
![]()
Address: P.O. Box 1000, FIN - 00101 HELSINKI
Telephone: +35 8 969 69 69
Fax: +35 8 965 03 03
E-mail: paula.paloranta@wtc.fi
Website: http://www.keskuskauppakamari.fi
Main Contact: Ms. Paula PALORANTA
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Paula PALORANTA
Other Language Spoken: English
![]()
Address: 11 rue Saint Florentin, F - 75008 PARIS
Telephone: +33 1 40 15 15 40
Fax: +33 1 40 15 15 41/2
E-mail: contact@bvp.org
Website: http://www.bvp.org
Main Contact: Ms. Anne CHANON
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Magali JALADE
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Verbändehaus, Am Weidendamm 1A, D
- 10117 Berlin
Telephone: +49 (030) 59 00 99 700
Fax: +49 (030) 59 00 99 722
E-mail: zaw@zaw.de
Website: http://www.werberat.de
Main Contact: Dr. Friedrich KLEIN
Cross-Border Complaints Contact: Dr. Friedrich KLEIN
Other Language Spoken: English
Address: Landgrafenstrasse 24 B D-61348 BAD HOMBURG v.d.H.
Telephone: +49 617 212 15 30
Fax: +49 617 28 44 22
E-mail: mail@wettbewerbszentrale.de
Website: http://www.wettbewerbszentrale.de
Main Contact: Dr. Reiner MÜNKER
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Jennifer BEAL (ZEN, Berlin:
Telephone + 49 30 326 5656; E-mail: beal@wettbewerbszentrale.de)
Other Language Spoken: English
![]()
Address: 19, Astronafton str., 151 25 Athens
Telephone: +30 210 68 99 331
Fax: +30 210 68 95 711
E-mail: info@see.gr
Website: http://www.see.gr
Contact: Mr George PAPAZISSIS
Cross-Border Complaints Contact: Mr George PAPAZISSIS
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Borbély u.5-7, H - 1132 BUDAPEST
Telephone: +36 1 349 2717
Fax: +36 1 239 9866/349 3223
E-mail: ort@ort.hu
Website: http://www.ort.hu
Main Contact: Ms. Ildikö FAZEKAS
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Ildikö FAZEKAS
Other Language Spoken: English
![]()
Address: IPC House 35-39 Shelbourne Road, Ballsbridge, IRL - DUBLIN 4
Telephone: +353 1 66 08 766
Fax: +353 1 66 08 113
E-mail: info@asai.ie
Website: http://www.asai.ie
Main Contact: Mr. Frank GOODMAN
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Orla TWOMEY
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Via Larga 15, 20122 MILAN
Telephone: +39 02 58 30 49 41
Fax: +39 02 58 30 37 17
E-mail: iap@iap.it
Website: http://www.iap.it
Main Contact: Dr. Vincenzo GUGGINO / Ms Monica DAVO
Cross-Border Complaints Contact: Ms Monica DAVO
Other Language Spoken: English
![]()
Address: c/o Confédération Luxembourgeoise du Commerce (CLC)
31, Blvd Konrad Adenauer, L - 1115 LUXEMBOURG
Telephone: +35 2 49 68 68
Fax: +35 2 48 87 70
E-mail: binsfeld@binsfeld.lu
Website: Member without Website
Main Contact: Mr. Marc BINSFELD
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Marc BINSFELD
Other Language Spoken: English
![]()
Address: PO Box 12 352, NL - 1100 AJ AMSTERDAM
Telephone: +31 20 696 00 19
Fax: +31 20 696 56 59
E-mail: prisca.ancion@reclamecode.nl
Website: http://www.reclamecode.nl
Main Contact: Ms. Prisca ANCION-KORS
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Prisca ANCION-KORS
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Av. da Republica 62 F - 6, P - 1050-197 LISBON
Telephone: +351 21 796 67 31 / 796 96 92
Fax: +351 21 793 85 76
E-mail: icap@icap.pt
Website: http://www.icap.pt
Main Contact: Mr. Miguel Morais VAZ
Cross-Border Complaints Contact: Mr. Miguel Morais VAZ
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Str Buzesti 61, Bl A6, Et 8, Ap 55, Sector 1
Telephone: +4021 312 2583
Fax: +4021 312 2583 (same as tel#)
E-mail: liseg@xnet.ro
Website:http://www.rac.ro
Main Contact: Ms Liana SEGA
Other Contact: Ms Mihaela UNGAR, President RAC
Cross-Border Complaints Contact: Ms Liana SEGA
Other Language Spoken: English
![]()
![]()
Address: Grösslingova 51, 81-109 BRATISLAVA
Telephone: +421 2 529 62 370
Fax: +421 2 529 62 370
E-mail: rpr@rpr.sk
Website: http://www.rpr.sk
Main Contact: Ms. Zuzana SANGALOVA
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Zuzana SANGALOVA
Other Language Spoken: German, English
![]()
Address: Parmova ul. 53, 1000 LJUBLJANA
Telephone: +386 1 439 60 50/55
Fax: +386 1 430 60 59
E-mail: info@soz.si
Website: http://www.soz.si
Main Contact: Ms. Ana PREDOVIC
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Ana PREDOVIC
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Conde de Peñalver, 52, 1º D, E - 28006 MADRID
Telephone: +34 91 309 66 37
Fax: +34 91 402 98 24
E-mail: autocontrol@autocontrol.es
Website: http://www.autocontrol.es
Main Contact: Ms. Carmen FERNANDEZ-NEIRA
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Carmen FERNANDEZ-NEIRA
Other Language Spoken: English, French, Italian
![]()
Address: c/o Confederation of Swedish Enterprise, SE - 114 82 STOCKHOLM
Telephone: +46 8 553 430 45
Fax: +46 8 553 431 81
E-mail: anders.stenlund@svensktnaringsliv.se
Website: http://www.marknadsetiskaradet.org
Main Contact: Mr. Anders STENLUND
Cross-Border Complaints Contact: Mr. Anders STENLUND
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Kappelergasse 14, Postfach 2744, CH - 8022 ZURICH
Telephone: +41 1 211 79 22
Fax: +41 1 211 80 18
E-mail: info@lauterkeit.ch
Website: http://www.lauterkeit.ch
Main Contact: Ms. Bernadette VIVIANI
Cross-Border Complaints Contact: Ms. Bernadette VIVIANI
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Yİstiklal Caddesi No:407, Kat:4 34433
TR - ISTANBUL
Telephone: +90 212 243 93 69
Fax: +90 212 257 93 70
E-mail general: rok@rok.org.tr
Website: http://www.rok.org.tr
Main Contact: Mr. Zühtü SEZER (KanalD)
E-mail direct contact: zsezer@kanald.com.tr
Tel: +90 212 283 17 00 Fax +90 212 281 55 50
Cross-Border Complaints Contact: Mr. Zühtü SEZER
Other Language Spoken: English
![]()
Address: Mid City Place, 71, High Holborn, London WC1V 6QT
Telephone: +44 20 7492 2222
Fax: +44 020 7242 3696
E-mail: enquiries@asa.org.uk
Website: http://www.asa.org.uk
Main Contact: Mr. Christopher GRAHAM
Cross-Border Complaints Contact: Mr. Guy PARKER
For more information on how to make a complaint please visit the ASA
web-site.
Address: 16 Hatfields, London SE1 8DJ, UK
Telephone: +44 207 633 2935
Fax: +44 207 633 3023
E-mail: contact@bacc.org.uk
Website: http://www.bacc.org.uk
Main Contact: Mr. Paul DENHAM
Cross-Border Complaints Contact: Mr. Paul DENHAM
Address: 175 Bloor Street East, Suite
1801, Toronto, ON M4W 3R8
Telephone: +1 416 961 6311
Fax: (1 416) 961 7904
E-mail: linda.nagel@adstandards.com
Website: http://www.adstandards.com
Main Contact: Ms. Linda J. NAGEL
Other Languages Spoken: English
The Advertising Standards Authority (ASANZ)
Address: Ground Floor, 79 Boulcott Street PO Box 10-675, WELLINGTON
Main Contact: Mr Glen WIGGS, Cross-Border Complaints Contact: Mr Glen WIGGS
South Africa Advertising Standards Aurthority of South Africa (ASASA)
Address: Burnside Island Willowview 410 Jan Smuts Avenue, CRAIGHALL PARK
Main Contact: Ms. Deline BEUKES, Cross-Border Complaints Contact: Ms. Deline
BEUKES
door Marjon Burger
De auto’s werden achtergelaten langs het IJ, waarna de deelnemers van het
tweede Kroondebat voorzichtig een andere wereld betraden. Eenmaal aan boord van
de traditionele vissermanaak, schudden de deelnemers elkaar vast de hand en
namen een welkomstdrankje in ontvangst. De cateraars Anne-Marth en Gijs waren al
druk in de kombuis, dat veelbelovende geuren verspreidde. De lunch zou tijdens
het zeilen geserveerd worden, binnen in het vooronder. Enigszins opgelucht waren
de deelnemers hier wel over, want al was het prachtig weer, koud was het zeker.
Neem plaats
De tafel voor het tweede Kroondebat was gedekt voor acht deelnemers plus de
voorzitter in de persoon van Dick van Nes , directeur van trainings- en
adviesbureau Gooiconsult, die de discussie alert en met verve leidde. Van Nes
nam zelf nauwelijks de kans te genieten van de geweldige vissoep, die op tafel
kwam met knapperig brood en een mooie roux. De getuigen (in de vorm van
fotograaf en schrijvers) konden tot hun vreugde ook ‘een aardappeltje
meeprikken’
Tafelgenoten
Dankbaar voor de gezellige warmte binnen in het schip zijn de volgende
deelnemers aan het tweede Kroondebat aangeschoven: Prisca Ancion-Kors directeur
Reclame Code Commissie, Steve Badloe directeur Imamin Food, Engine Celikbas CEO
Kessels Kramer, Frits van Exter hoofdredacteur Trouw, Jacomien de Leeuw
directeur instituut de Leeuw, Koos Mosterd partner VWM/TOPIQ, Herman Nieuwenhuis
partner Lindblom en Arjan Pomper directeur Universal Media. Dick van Nes vraagt
of de deelnemers zich willen voorstellen en wellicht vermelden wat zij hebben
met het thema van dit debat.
Van sociaal hart tot poldermoslim
Engine Celikbas : ‘Kessels Kramers is een internationaal communicatiebureau,
waar mensen werken van verschillende nationaliteiten en culturen. Het is een
onderneming met een goed ontwikkeld sociaal hart. Het onderwerp van het debat
speelt duidelijk binnen ons bureau.’ Grinnikend voegt hij toe: ‘Daarbij denk
ik dat ik ben uitgenodigd omdat ik van Turkse afkomst ben en moslim.’ Naast
hem zit Steve Badloe . ‘Ik probeer het merk Imamin Food neer te zetten als een
merk voor moslims, de doelgroep is in Nederland 10% van de markt. Wij leveren
een productenrange van kant en klare maaltijden en gerechten tot babyvoeding die
moslims kunnen eten, omdat ze volgens halal bereid zijn. Multi culti dus. Zelf
ben ik van Hindoestaans Surinaamse achtergrond en noem mezelf een
Poldermoslim.’
Je mond houden wellicht?
Herman Nieuwenhuis : ‘Met een PR adviesbureau als Lindblom heb je uiteraard
steeds te maken met de multiculturele samenleving waarin je werkt. Concreet
betekent dat bijvoorbeeld dat als we met een project voor StiVA (Stichting
Verantwoord Alcoholgebruik) bezig zijn, we speciaal ook moslimjongeren
uitnodigen om aan de tafel te zitten. Simpel omdat zij door hun
moslimachtergrond specifieke ideeën hebben over alcohol. Ik merk dat er aan
bedrijven de laatste tijd andere communicatieadviezen gegeven worden. Daarnaast
vraag ik me af of we de discussie over de dood van Van Gogh moeten betrekken in
deze discussie.’ Koos Mosterd haakt erop in: ‘Na Van Gogh is er heel veel,
direct gereageerd uit veel verschillende hoeken. Veel kretologie is bepaald door
communicatie in de media. Maar een vraag is: Hoe kijkt de communicatiebranche
tegen deze ontwikkelingen in de samenleving aan? Hoe zou je iets kunnen
bijdragen? Misschien moet je je mond wel houden en naar jezelf kijken.’
In de reclame mag je al jaren niet alles zeggen
Prisca Ancion-Kors heeft een heldere uiteenzetting: ‘In de reclame mag al
jaren niet zomaar alles gezegd en getoond worden. Daaraan zijn wij allemaal al
lang gewend. Er zijn allerlei beperkingen bij reclame voor alcohol en
bijvoorbeeld de ja/nee sticker op de brievenbus. En andere onderwerpen zijn in
de loop der jaren weer toegestaan. Zoals blote borsten in de reclame, die werden
in de jaren ’60 verboden, later mochten ze alleen in zeepreclames, weer later
waren de borsten toegestaan als ze een functie hadden en inmiddels is de
beperking losgelaten. Zoiets evalueert in de tijd.’ Komen er de laatste tijd
meer klachten bij de reclamecodecommissie binnen? ‘Nee, heb ik niets van
gemerkt. Zowel de hoeveelheid als de sterk variërende ernst van de klachten is
gelijk gebleven.’ Jacomien de Leeuw is naar eigen zeggen bezorgd. Ze werkt in
Amsterdam als onderwijskundige met jongeren die door allerlei factoren
uitvallen. ‘Wat mij opvalt is een gebrek aan communicatie binnen de
gezinssituatie. Dat zou een reden kunnen zijn dat ik jongeren soms zodanig
ongenuanceerde uitspraken hoor doen, dat mijn haren ervan te berge rijzen.’
'De media' bestaan niet
Frits van Exter is bezig met de actualiteit op dagelijks niveau. Hij is vooral
nieuwsgierig. Waar hij zich aan stoort is de geluiden dat de media ongenuanceerd
zijn en een slechte invloed hebben op de situatie zoals die ook is ontstaan na
Van Gogh. ‘De media bestaan niet. We nuanceren ons rot, maar dat moet je dan
wel lezen. Dus wie kritiek wil hebben, moet de krant, het artikel of het tv
programma dan maar met name noemen. Daarbij komt dat lezers niet altijd goed
onderscheid maken in journalistiek en andere communicatie. En kunnen ze door
humor en satire heenkijken?’
De Stichting Reclame Code heeft op 2 juni 2005 een aangepaste
besluitvormingsstructuur vastgesteld voor het aannemen van nieuwe bijzondere
reclamecodes. Nieuwe bijzondere reclamecodes zullen in principe tot standkomen
in een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van het betreffende
bedrijfsleven en de Consumentenbond, onder leiding van een neutrale voorzitter.
Uitgangspunt daarbij is het streven naar consensus. Ook de evaluatie van
bestaande bijzondere reclamecodes zal op deze wijze gebeuren.
Door deze structuur blijven zelfregulering en het bereiken van een
maatschappelijk draagvlak ook in de toekomst de basis vormen van de Stichting
Reclame Code.
Reclamecode voor Voedingsmiddelen onderdeel Nederlandse Reclame Code
Het bestuur van de Stichting Reclame Code heeft op verzoek van de Federatie
Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) de Reclamecode voor voedingsmiddelen
aanvaard.
Omdat de Consumentenbond, lid van het bestuur van de Stichting Reclame Code, de
beperkingen die in de Reclamecode voor voedingsmiddelen zijn opgenomen niet
vergaand genoeg vindt, heeft deze Code niet de instemming van de Bond.
De Reclamecode voor Voedingsmiddelen zal evenwel als bijzondere reclame code
worden aangehaakt bij de Nederlandse Reclame Code.
De Code treedt met ingang van 2 juni 2005 in werking en zal na 1 jaar - conform
de nieuwe besluitvormingsstructuur - worden geëvalueerd.
De Stichting Reclame Code heeft tot doel te bewerkstellingen dat op verantwoorde
wijze reclame wordt gemaakt. Om deze doelstelling te bereiken heeft Stichting
Reclame Code regels opgesteld waaraan reclame dient te voldoen: de Nederlandse
Reclame Code. De controle op de naleving van de regels wordt verricht door de
Reclame Code Commissie en in appel, door het College van Beroep.
Voor nadere informatie: Mr . P.E.C. Ancion-Kors, directeur, Stichting Reclame
Code, Postbus 12352, 1100 AJ AMSTERDAM0 696.00.19
(Ingezonden 20 juni 2002)
Hebt u kennisgenomen van het proefschrift van mw. L. Venekatte, “Open
normen in de reclame’?
2
Hoe oordeelt u over de belangrijkste conclusies van het proefschrift,
namelijk dat in het optreden van de Reclame Code Commissie een aantal
structurele onvolkomenheden waar te nemen is (geen deugdelijke motivering
van uitspraken, in veel gevallen geen consistentie tussen uitspraken, geen
eenduidig bewijs met betrekking tot het te leveren bewijs? bent u van
mening dat dit de rechtszekerheid van de partijen en de status van de RCC
niet ten goede komt?
3
Wat is uw opvatting over de suggesties van mr. Venekatte ter verbetering
van het functioneren van de RCC waar het gaat het om de consistentie van
uitspraken, expliciete bewijscriteria en het zich conformeren van de RCC
aan rechtelijke uitspraken?
4
Zal deze instelling gezien de enorme hoeveelheid uitspraken van de RCC in
de achterliggende jaren niet in een duidelijke behoefte voorzien? Bent u
bereid te overwegen om, mede gezien de conclusies van mr. Venekatte, de
Reclame Code en de positie van de RCC op te nemen in een wettelijke
regeling?
Hierbij zend ik u, het antwoord op de vragen van het lid Halsema van uw
Kamer over op kinderen gerichte Reclame.
De vragen werden mij toegezonden bij uw bovenaangehaalde brief met kenmerk
2040506670.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (mr. Medy C. van
der Laan) OCW 051
Antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Halsema van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal, over op kinderen gerichte Reclame.
Antwoord: Ja
3218 onderzocht welke positieve effecten deze regimes opleveren en wat
Nederland daarvan kan
3235 overnemen? Zo neen, waarom niet?
3270 Antwoord: Omdat het bewijs voor positieve effecten van een strenger
Reclame regime ontbreekt,
3287 kunnen ook geen meetbare positieve effecten worden aangetoond. Vanuit
de wetenschap is ook
3304 aangegeven dat verschil in gedragingen en houdingen van kinderen in
landen met een strenger
3322 reclameregime, in vergelijking met landen met een minder streng
reclameregime, vrijwel onmogelijk
3339 betrouwbaar te meten is. De effecten van Reclame zijn namelijk niet
te isoleren van andere effecten op
3356 kinderen in nationaal verband noch van maatschappelijke en culturele
verschillen tussen landen.
3408 7. Zijn door de RCC extra regels vastgesteld met als doel het
vermijden van op kinderen gerichte
3425 Reclame met gewelddadige, seksuele of angstwekkende elementen, naar
het voorbeeld van de
3442 aanvullende regels die de Ster hanteert? Zo neen, waarom niet?
3477 Antwoord: Nader onderzoek naar de praktijk en uitspraken van de RCC
heeft aangetoond dat de
3494 huidige normenin de Nederlandse Reclame Code voldoende houvast bieden
om te voorkomen dat
3511 gewelddadige, seksuele of angstwekkende elementen op kinderen worden
gericht. De RCC stelt
3529 regelmatig voorwaarden aan het tijdstip van uitzending van
Reclame-uitingen waarin sprake is van
3546 gewelddadige, seksuele of angstwekkende elementen. Het feit dat de
Ster ervoor heeft gekozen om uit
3563 eigen beweging op dit punt aanvullende regels op te stellen is in
lijn met zijn publieke karakter.
3597 8. Zijn door de RCC regels toegevoegd die leiden tot een beperking
van het aantal identieke reclames
3615 per uur tijdens kinderprogramma’s voor met name jonge kinderen? Zo
neen, waarom niet?
3649 Antwoord: De RCC toetst Reclame-uitingen alleen op inhoud en niet op
kwantiteit. Beperking van het
3667 aantal identieke reclames per uur betekent het opleggen van een
kwantiteitslimiet. Dit zou via de weg
3684 van de Mediawet vastgelegd moeten worden. In de praktijk zijn bij de
SRC overigens nooit klachten
3701 binnengekomen over de frequentie van identieke reclames binnen een
bepaald tijdsbestek. Ook vind ik
3718 dat verdere wettelijke beperkingen van Reclame niet wenselijk is. Ik
zie daarom op dit moment geen
3735 reden om aan de Mediawet een dergelijke regel toe te voegen.
3787 9. Welke stappen heeft u gezet ter invoering van het algemeen, dat
wil zeggen niet alleen door de Ster,
3804 toepassen van het zogenaamde “pré-copy-systeem”, waarbij een
adverteerder die twijfelt of een
3822 Reclame-uiting voldoet aan de Reclame Code, deze Reclame op voorhand
door de Reclame Code
3839 Commissie kan laten toetsen?
4171 Antwoord: De Stichting Reclame Code wordt sinds 2004 op een nieuwe
wijze gefinancierd. Dit biedt de
4188 SRC waarschijnlijk financiële ruimte om op termijn vormen van pré-copy-diensten
aan te bieden aan
4205 het bedrijfsleven. Daardoor worden adverteerders in staat gesteld om
op een verantwoorde wijze
4222 Reclame te maken. Pré-copy-diensten zijn bijvoorbeeld pro-actieve
monitoring van Reclame-uitingen
4240 door de stichting zelf. Ook kan vrijwillig copy-advies worden
ingewonnen. SRC heeft het voornemen
4257 allereerst een monitoring-unit op te zetten en wanneer deze goed
functioneert en het bedrijfsleven
4274 daar behoefte aan heeft de unit uit te bouwen met een vrijwillige
copy-advisering. De verwachting is
4291 dat binnen een jaar hiermee gestart kan worden.
4343 10. Hoe verhoudt in uw ogen het belang van het kind zich tot het
belang van de commerciële
4360 omroepen, gezien uw vaststelling in genoemde brief dat het toepassen
van een reclamevrij kinderblok
4378 voor commerciële omroepen niet realistisch is, aangezien Reclame de
belangrijkste inkomstenbron
4395 voor deze omroepen is en een dergelijke maatregel het bestaansrecht
van kinderzenders als Foxkids,
4412 Yorkiddin’ en Nickelodeon/Kindernet regelrecht zou bedreigen?
4447 Antwoord: Het is mijn inziens niet een kwestie van een keuze uit het
een of ander maar van een goede
4464 balans. In mijn brief heb ik de volgende mogelijke gevolgen van een
dergelijk experiment uiteengezet.
4481 Indien de eis van een reclamevrije kinderblok zou gelden voor zowel
publieke als commerciële
4498 omroepen zullen commerciële Nederlandse kinderzenders als Foxkids en
Nickelodeon niet meer
4516 kunnen bestaan. Bovendien zal een dergelijke beperking alleen kunnen
gelden voor (kinder)zenders die
4533 onder Nederlandse bevoegdheid vallen. Dat geldt bijvoorbeeld nu al
niet voor RTL 4 en 5. Ook is niet
4550 ondenkbaar dat in zo’n situatie andere commerciële zenders vanuit
het buitenland (waar minder
4567 strenge regels gelden) zullen gaan opereren. Verder zal een dergelijk
experiment voor de publieke
4585 omroep betekenen dat door de wegvallende reclamegelden een
verschraling van onder meer de
4602 kinderprogrammering kan plaatsvinden. Ik ben daarom vooralsnog van
mening dat - afgezien van het
4619 geringe effect- kinderen daarmee niet zijn geholpen.
4671 11. Hebt u naast het project “Reclame Rakkers” nog andere
maatregelen in voorbereiding om kinderen
4688 tegen Reclame te beschermen? Zo ja welke? Zo neen, waarom niet?
4723 Antwoord.: In de branche zelf zijn sinds het afgelopen jaar positieve
ontwikkelingen te signaleren op
4740 het gebied van kinderen en Reclame. Zo hebben de brancheorganisaties
VAI (voedingsmiddelen) en de
4757 STIVA (alcoholhoudende dranken) ieder een gedragscode opgesteld op
het gebied van Reclame en
4774 minderjarigen. De bedoeling is dat deze codes op korte termijn zullen
worden geïntegreerd in de
4792 Nederlandse Reclame Code. Verder hebben begin 2004 de Bond van
Adverteerders (BvA), de
4809 Vereniging van communicatieadviesbureau’s (VEA) en het Genootschap
voor Reclame (GVR) het
4826 samenwerkingsverband Centrum voor Merk en Communicatie (CMC)
opgericht. Een van de doelen van
4843 het CMC is om signalen uit de maatschappij met betrekking tot Reclame
in de zelfregulering mee te
4860 nemen.
4878 Op grond van het bovenstaande gaat mijn voorkeur vooralsnog uit naar
inspanningen vanuit de
4895 branche om waar nodig de zelfregulering te verbeteren.
1. Inleiding
Tabel 1. Dagbladen
in Nederland (2000) 7
oplage
abonnement
losse verkoop
Nieuwsbladen
Opiniebladen
3.
Ontwikkelingen die relevant zijn voor het persbeleid
3.1.
Concentraties in de dagbladsector
Tijdens het wetgevingsoverleg heb ik toegezegd dat ik hierover
graag met de Kamer zal spreken op basis van deze persbrief,
alsmede op basis van het monitoringrapport van het Commissariaat
voor de Media.
Op deze plaats past de constatering dat het Bedrijfsfonds voor de
Pers naast de vanouds bestaande vangnet-functie in de vorm van
financiële steunverlening aan noodlijdende persorganen ook met
kracht gestalte dient te geven aan modernisering en vernieuwing
van het perslandschap. Het louter in stand houden van het
bestaande zou neerkomen op een soort monumentenzorg en om in deze
beeldspraak te blijven er is ook behoefte aan nieuwbouw. Binnen de
perssector is het besef inmiddels aanwezig dat nieuwe vormen van
uitgeven noodzakelijk zijn om een goede positie op de mediamarkt
veilig te stellen. Het Bedrijfsfonds voor de Pers dient daarbij
een stimulerende rol te spelen; om dat goed tot uitdrukking te
brengen, is een naamswijziging gewenst. Ik stel voor om het Fonds
om te dopen tot Stimuleringsfonds voor de Pers.
5.
Compensatieregeling voor Dagbladen
6.
Verruiming van de werkingssfeer ten behoeve van bladen voor
minderheden
Nederlandse markt van
minderhedenbladen
Verruiming van
steunmogelijkheid voor minderhedenbladen
Stimulering van
journalistieke informatieproducten via het internet
De term journalistiek houdt in dat deze producten geredigeerd
worden door een redactie op basis van een redactioneel
statuut, waarin de redactionele identiteit en
onafhankelijkheid is neergelegd. Dat redigeren wil zeggen: de
redactie selecteert berichten en verwerkt deze in het
uiteindelijke product Dat houdt in dat de geselecteerde
berichten naar vorm en inhoud worden bewerkt en dat
achtergrondinformatie en commentaar worden toegevoegd.
Producten die uitsluitend of hoofdzakelijk zijn samengesteld
door overname van berichten uit andere bronnen (zgn.
knipselkranten) worden dus niet tot de journalistieke
internetproducten gerekend die binnen deze Kaderregeling
kunnen vallen.
De bedoelde producten bevatten in belangrijke mate nieuws,
analyse, commentaar en achtergrondinformatie over een
gevarieerd deel van de maatschappelijke actualiteit, mede in
het belang van politieke meningsvorming.50 Voorts moeten
deze producten voldoen aan de vier gebruikelijke criteria van
persorganen:
- periodiciteit: ze verschijnen op van tevoren vaststaande
tijdstippen met een vaste frequentie dus niet eenmalig;
- publiciteit: ze opereren op markten die principieel openbaar
toegankelijk zijn voor eenieder;
- actualiteit: ze volgen de actualiteit, dat wil zeggen het
nieuwe, recente, het thans aan de orde zijnde, op de voet;
- universaliteit: ze informeren over uiteenlopende onderwerpen
en worden daardoor gekenmerkt door een zekere alomvattendheid.
Bedoelde informatieproducten dienen te verschijnen op het
internet en geven voortdurend informatie die overwegend of in
belangrijke mate uit tekst en illustraties bestaat en in
mindere mate uit geluid en/of bewegende beelden. Deze
producten vragen een hoge communicatieve betrokkenheid van de
burger, anders dan radio en televisie.51 De gebruiker
dient een actieve selectie te maken uit de informatie die, net
als bij persorganen, als een afgerond geheel wordt aangeboden.
Omroepachtige producten of audiovisuele diensten via het
internet zijn van deze Kaderregeling uitgesloten. Hiermee
wordt gedoeld op diensten die informatie brengen overwegend in
de vorm van geluid en/of bewegende beelden, in real time of
bijna real time en die zich daarmee richten op een
niet-gespecificeerd publiek.
De bedoelde journalistieke informatieproducten worden door een
uitgever52 op de markt gebracht. Het gaat uitdrukkelijk om
producten die als hoofdactiviteit van deze uitgever kunnen
worden gezien, teneinde ze te onderscheiden van producten die
door personen of instanties op de markt worden gebracht om
andere activiteiten te bevorderen.
Om deze reden vallen informatie-carriers zoals telecom- en
kabelbedrijven buiten deze Kaderregeling: instanties die niet
tot hoofdtaak hebben het (doen) uitgeven van
informatieproducten, maar slechts gericht zijn op het
doorgeven of doorverkopen daarvan, worden uitdrukkelijk
uitgesloten van de regeling.
De Kaderregeling heeft uitsluitend betrekking op producten die
gericht zijn op het algemeen publiek. Ze moeten voor iedereen
verkrijgbaar zijn.
Wettelijk
redactiestatuut voor dagbladen ?
![]()
![]()
![]()
Bestand:
![]()
Inhoud:
Vragen naar aanleiding van het proefschrift van mr. L.
Venekatte, 'Open normen in de reclame', waarin een
wettelijke status wordt bepleit voor de Reclame Code
Commissie (RCC).
![]()
Rubriek(en):
Communicatie, media en informatievoorziening (Reclame)
![]()
Trefwoorden:
Reclame
![]()
Vindplaats:
Kamervragen met antwoord 2001-2002, nr. 1392, Tweede
Kamer
![]()
Vraagnr. bij
indiening:
2010211820
![]()
Afkomstig van:
Justitie (JUS)
![]()
Indiener:
Van der Staaij(SGP)
![]()
Datum reaktie:
10-07-2002
![]()
Datum indiening:
20-06-2002
![]()
Document-id:
KVR15948
![]()
Omvang:
Door onze politieke redactie DEN HAAG, 9 OKT. 'Nodeloos
kwetsend', 'in strijd met de goede smaak',
'aanstootgevend' - de Reclame Code Commissie berispt
regelmatig reclamemakers, maar hoe afdoende zijn die
berispingen? Dat was een steeds terugkerende vraag
gisteren tijdens overleg tussen minister Sorgdrager
(Justitie) en de Tweede Kamer over krenkende reclame. De
vraag werd niet eensluidend beantwoord.
In het lespakket worden dieren die nooit stro zien
afgebeeld in een dik pak stro en lopen jonge dieren lekker
bij de moeder terwijl ze in werkelijkheid vrijwel gelijk
na de geboorte bij de moeder worden weggehaald. Reclame in
lespakketten is verboden op grond van het convenant over
sponsoring op scholen . Op meer dan 2000 scholen is
ondertussen met het misleidende reclamemateriaal
lesgegeven. Wakker Dier roept de scholen op het lespakket
niet te gebruiken en aan de veesector te retourneren. Het
Kleine Loo moet alle scholen die het lespakket hebben
waarschuwen dat het misleidende informatie bevat, vindt
Wakker Dier.
Wakker Dier had de klacht bij de Reclame Code Commissie
ingediend vanwege de vele feitelijke onjuistheden en het
eenzijdige beeld dat aan kinderen wordt geschetst. Het
Kleine Loo heeft het lespakket afgelopen jaren verspreid
over alle lagere scholen en vele middelbare scholen. Meer
dan 2000 scholen hebben het lespakket gebruikt en
gebruiken het pakket wellicht weer. Ondertussen wordt het
pakket ook via internet verpreid . Wakker Dier wil nu dat
de lespakketten actief bij de scholen worden
teruggevraagd, geen nieuwe lespakketten meer worden
verspreid en dat de internetsite wordt aangepast. In de
lespakketten staat onder meer dat biggen en kalveren lang
bij de moeder konden blijven terwijl ze in de
bio-industrie snel worden weggehaald om zo snel mogelijk
vet te mesten. Gestoord gedrag en diarree door de stress
zijn het gevolg. Daarnaast werden onder andere de
huisvesting van kippen in kooien en vleesstieren afgebeeld
als ruime hokken met veel stro terwijl de meeste dieren in
hun leven in krappe hokken nooit een strootje zien.
Ter verwezenlijking van dit doel heeft de Stichting regels
opgesteld waaraan reclame moet voldoen: de Nederlandse
Reclame Code (hierna: de Reclame Code).
Een ieder die van mening is dat reclame in strijd is met
de Reclame Code, kan een klacht indienen bij de Reclame
Code Commissie.
De inhoud daarvan wordt in grote lijnen beschreven in de
hierna volgende hoofdstukken 2 tot en met 11. De volledige
tekst van het Reglement betreffende de werkwijze van de
Reclame Code Commissie en het College van Beroep is op
aanvraag verkrijgbaar bij het secretariaat van de
Stichting Reclame Code.
2 De Reclame Code Commissie
De Reclame Code Commissie is een Commissie die beoordeelt
of adverteerders en anderen die verantwoordelijk zijn voor
het maken van reclame, zich aan de Reclame Code hebben
gehouden.
Een ieder die meent dat reclame in strijd is met de
Reclame Code, kan bij de Reclame Code Commissie een klacht
indienen. De Commissie beoordeelt, na de adverteerder te
hebben gehoord, of de reclame in strijd is met de Reclame
Code.
De Reclame Code Commissie kan ook reclame beoordelen
zonder dat daarover bij haar een klacht is ingediend.
Een overzicht van leden van de Reclame Code Commissie
staat in hoofdstuk 12.
3 Indiening van een klacht
Een klacht moet (onder vermelding van naam en adres)
schriftelijk of - met behulp van het via
www.reclamecode.nl beschikbare elektronisch
klachtenformulier - door middel van e-mail worden
ingediend.
De klager dient te motiveren waarom hij een bepaalde
reclame in strijd met de Reclame Code vindt.
Bij zijn klacht moeten, als dat mogelijk is, de
betreffende reclame en eventuele andere gegevens waarop de
klacht is gebaseerd, worden gevoegd.
Het adres van de Reclame Code Commissie is Postbus 12352,
1100 AJ Amsterdam.
De Commissie kan verlangen dat de klacht en de daarbij
behorende bijlagen in 8-voud worden ingediend.
Wanneer een particulier een klacht indient, is de
behandeling van die klacht kosteloos (zie ook hoofdstuk
11).
Bedrijven, personen in de uitoefening van hun beroep en
organisaties die een klacht indienen, zijn klachtengeld
verschuldigd. Zie voor de hoogte daarvan hoofdstuk 11.
4 Grensoverschrijdende reclame
De Stichting Reclame Code is lid van de European
Advertising Standards Alliance (EASA) te Brussel. EASA
heeft onder andere tot doel ervoor te zorgen dat klachten
over reclame snel en doeltreffend worden behandeld, ook al
betreft het een reclame van een adverteerder gevestigd in
een ander EASA land of een reclame waarvoor gebruik is
gemaakt van een grensoverschrijdend medium. Ter
verwezenlijking van dit doel hebben de leden van EASA voor
klachten met betrekking tot grensoverschrijdende reclame
afspraken gemaakt.
Hieronder wordt deze procedure summier uiteengezet.
Een klacht tegen grensoverschrijdende reclame dient
schriftelijk te worden ingediend bij het secretariaat van
de Stichting Reclame Code.
De betreffende reclame en eventuele andere gegevens waarop
de klacht is gebaseerd, dienen zo mogelijk te worden
overgelegd.
De voorzitter van de Reclame Code Commissie stelt vast of
er sprake is van een klacht tegen grensoverschrijdende
reclame en indien dat het geval is en hij geen termen
aanwezig acht de klacht zelf te behandelen, wordt deze
klacht verwezen naar het EASA-lid dat voor onderzoek c.q.
verdere afhandeling van de klacht verantwoordelijk is. In
geval de klacht in behandeling wordt genomen, zijn de
regels van het EASA lid dat de klacht in behandeling heeft
genomen van toepassing.
De klager wordt door het secretariaat van de Stichting
Reclame Code op de hoogte gehouden van het verdere verloop
van zijn klacht.
5 De behandeling van een klacht
I Algemeen
Als de Reclame Code Commissie een klacht heeft ontvangen,
stuurt zij een kopie van de klacht (met vermelding van
naam en adres van klager) naar de adverteerder. De
adverteerder krijgt 14 dagen de tijd tegen de klacht
verweer te voeren. Een kopie van het verweerschrift wordt
naar de klager gestuurd.
Indien de voorzitter van de Reclame Code Commissie
daarvoor redenen aanwezig acht, kan hij partijen
uitnodigen nadere schriftelijke opmerkingen te maken.
De voorzitter van de Reclame Code Commissie (dan wel van
het College van Beroep) dient over een dergelijk verzoek
te beslissen.
Partijen kunnen uiterlijk ter zitting verzoeken de
behandeling achter gesloten deuren te doen plaatsvinden.
Het raadkameroverleg is niet openbaar.
De Commissie doet schriftelijk uitspraak. Deze wordt aan
partijen toegezonden.
II Terzijdelegging
Soms wordt een klacht niet door de Reclame Code Commissie
behandeld.
De voorzitter van de Commissie kan een klacht namelijk
terzijde leggen als hij van oordeel is dat:
Is klager van mening dat de klacht ten onrechte terzijde
is gelegd, dan kan hij daar bezwaar tegen maken bij de
voltallige Reclame Code Commissie (zie hoofdstuk 7).
III Voorzitterstoewijzing
Ook is de voorzitter bevoegd een zogenaamde
voorzitterstoewijzing te geven. De voorzitter kan van deze
bevoegdheid gebruik maken wanneer hij van oordeel is dat
de klacht de Commissie aanleiding zal geven een
onderhandse aanbeveling te doen.
Daarvan kan sprake zijn:
IV Identieke klachten
De voorzitter kan, indien tegen een reclame een groot
aantal klachten wordt ingediend, bepalen dat klachten van
dezelfde aard of strekking, ingediend na een bepaalde
datum, niet in behandeling worden genomen. De klagers
worden schriftelijk van deze beslissing op de hoogte
gebracht.
6 De uitspraken naar aanleiding van
een klacht
De Reclame Code Commissie kan onder meer de volgende
uitspraken doen:
a.
Onderhands. Dan wordt de
aanbeveling door de Commissie alleen bekend
gemaakt aan betrokken partijen.
N.B. De beslissingen van de Commissie zijn op
verzoek voor een ieder toegankelijk en kunnen
daardoor bij een breed publiek bekend zijn.
b.
Openbaar. De aanbeveling
wordt dan door de Commissie niet alleen bekend
gemaakt aan partijen, maar ook aan derden.
Zie voor de beroepsprocedure hoofdstuk 9.
De bij de Stichting op grond van de Mediawet aangesloten
organisaties hebben zich op voorhand verbonden de
aanbevelingen van de Reclame Code Commissie en die van het
College van Beroep te volgen.
7 Bezwaar tegen
terzijdelegging/voorzitterstoewijzing
Heeft de voorzitter van de Reclame Code Commissie de
klacht terzijde gelegd en is dat volgens de klager niet
terecht, dan kan deze gemotiveerd binnen 14 dagen bezwaar
aantekenen bij de voltallige Reclame Code Commissie.
D.w.z. dat het bezwaarschrift binnen 14 dagen na
dagtekening van de terzijdelegging in het bezit van de
Commissie dient te zijn.
Voor de behandeling van een bezwaar tegen de
terzijdelegging is klachtengeld verschuldigd. Zie voor de
hoogte daarvan hoofdstuk 11. Het verschuldigde
klachtengeld dient eveneens binnen 14 dagen in het bezit
te zijn van de Stichting Reclame Code.
Voor de behandeling van een bezwaar tegen een
voorzitterstoewijzing is geen klachtengeld verschuldigd.
8 Bezwaar tegen afwijzing van een
reclame door een op grond van de mediawet aangesloten
organisatie
Indien een op grond van de Mediawet aangesloten
organisatie een haar aangeboden reclame voor uitzending op
TV/radio c.q. doorgifte door de kabel op grond van de
Nederlandse Reclame Code niet toelaatbaar acht, brengt zij
dit oordeel met spoed, en zo mogelijk binnen twee weken na
ontvangst van de reclame, schriftelijk en met opgaaf van
redenen ter kennis van de adverteerder.
9 De beroepsprocedure
Als de klager en/of de adverteerder het niet eens zijn met
de uitspraak van de Reclame Code Commissie kunnen zij
daartegen in beroep komen bij het College van Beroep.
De appellant dient ervoor zorg te dragen dat zijn
beroepschrift binnen 14 dagen of, in het geval de zaak
spoedeisend was, binnen 7 dagen na dagtekening van de
uitspraak in het bezit is van het College van Beroep.
In het beroepschrift moeten staan:
a.
de naam en het adres van degene die
in beroep gaat;
b.
de datum van de uitspraak waartegen
in beroep wordt gegaan;
c.
de bezwaren tegen de uitspraak;
d.
de handtekening van appellant (of
van diens gemachtigde).
Zie voor de hoogte daarvan hoofdstuk 11.
Pas wanneer de Stichting Reclame Code deze appèlbijdrage
heeft ontvangen, kan het College van Beroep het beroep
behandelen. Het stuurt dan een kopie van het beroepschrift
naar de wederpartij. Deze krijgt 14 dagen de tijd om
verweer te voeren.
Beide partijen krijgen desgewenst de gelegenheid hun
standpunt ter zitting van het College van Beroep mondeling
toe te lichten.
De schriftelijke uitspraak van het College van Beroep
wordt aan partijen toegestuurd. Met deze uitspraak is de
procedure definitief beëindigd.
10 De uitspraken naar aanleiding van
een beroep
Het College kan de volgende uitspraken doen:
11 De kosten van het indienen van
een klacht, bezwaar of beroep
I.
Wanneer een particulier een klacht
indient, hoeft hij voor de behandeling daarvan
geen klachtengeld te betalen.
Op deze regel bestaan de volgende
twee uitzonderingen:
a.
als de voorzitter de klacht
terzijde heeft gelegd en klager daartegen
bezwaar maakt bij de voltallige Reclame
Code Commissie moet hij voor de
behandeling €12 betalen.
b.
als klager van een uitspraak
van de Reclame Code Commissie in beroep
gaat bij het College van Beroep moet hij
voor de behandeling €23 betalen.
II.
Degene die in de uitoefening van een
bedrijf of beroep of namens een organisatie:
dient voor de behandeling een bedrag
van €228 te betalen.
Een overzicht van deze organisaties staat in hoofdstuk 13.
Wordt de klacht c.q. het beroep ingetrokken nadat het
verweerschrift van de wederpartij is ontvangen, dan
vervallen de eerdergenoemde bedragen eveneens terzake van
administratiekosten aan de Stichting Reclame Code.
III.
In Nederland gevestigde kerkelijke,
levensbeschouwelijke, liefdadige, culturele,
wetenschappelijke of andere het algemeen
nut-beogende organisaties c.q. instellingen zijn -
afgezien van het onder I.a en I.b. bepaalde - geen
klachtengeld verschuldigd.
12 Overzicht van de leden van de
Reclame Code Commissie en het College van Beroep
Alle klachten over reclame worden behandeld door de
Reclame Code Commissie bestaande uit:
a.
een lid aangewezen door de
organisaties van media die in de Stichting Reclame
Code deelnemen;
b.
een lid aangewezen door de BVA bond
van adverteerders;
c.
een lid aangewezen door de VEA/Vereniging
van communicatie-adviesbureaus;
d.
een lid aangewezen door de
Consumentenbond;
e.
een onafhankelijk lid, tevens
voorzitter, aangewezen door de Stichting Reclame
Code.
13 De organisaties die betrokken
zijn bij de Stichting Reclame Code
De volgende organisaties zijn verenigd in de Stichting
Reclame Code en hebben de Reclame Code goedgekeurd en
aanvaard.
groep Nederlandse Dagbladpers;
groep Publiekstijdschriften;
groep Uitgevers voor Vak en Wetenschap
Mr H.J. Bruggink, voorzitter
Drs K. de Jonge, secretaris, namens CB
Drs G.R. Zaal, penningmeester, namens ROOS/OLON
T. Nauta, lid, namens het Uitgeversverbond (dagbladen)
Drs O.V. van der Harst, lid, namens VEA
B.H. Kamp, lid, namens de BVA bond van adverteerders
Drs. A. Buurman, lid, namens Ster
H. Wilbrink, lid, namens het Uitgeversverbond
(tijdschriften)
Mr J. Sprey, lid, namens Dutch Dialogue Marketing
Association
direkteur:
Mr P.E.C. Ancion-Kors
secretariaat:
Mr J.H.M. Bouritius
J. Lorang-Revius
Mr A.E. de Gelder
S. de Jongh-Wijnberg
Mr S.O. Vos
A.J.E. Thijssen-Abel
Informatie
over de werkwijze en mentaliteit bij de Raad voor de
Kinderbescherming:
445
093
010
Het
gevaar! Raad voor de Kinderbescherming verzwijgt gegevens om toe te
kunnen schrijven naar de conclusie
011
Het
gevaar! Raad voor de Kinderbescherming blijft doorgaan op ingeslagen
weg ook als hun rapport niet deugt
009
Weigering
RvdK om aan waarheidsvinding te doen leverde bijnaam Raad voor de
Leugenbescherming op
012
Het
gevaar! Raad voor de Kinderbescherming zat in de zaak Hop links naast
de rechter aan dezelfde tafel
010
Ook
kinderen van raadsmedewerkers lezen website van Hop, zelfs van een
raadsmedewerkster die Hop goed kent
Hop
geeft burgers inzicht in de werkwijze en mentaliteit bij de Raad voor
de Kinderbescherming
445
BOYCOT
de Raad voor de Kinderbescherming
010
Hoe
schrijft een raadsmedewerker zijn rapport? Door zaken te verzwijgen en
toe te schrijven naar de conclusie
011
Ook
als ons onderzoek niet deugt zal de RvdK
bij de kinderrechter proberen een verzoek te handhaven
047
Waarom
deed de Raad voor de Kinderbescherming niets tegen giftig afval in
houten speeltoestellen?
009
Weigering
RvdK om aan waarheidsvinding te doen levert terecht de bijnaam Raad
voor de Leugenbescherming op
139
Vraag
Hop in Justitiekrant: "Is het gewenst dat de Raad zelf onderzoek
mag verrichten als belanghebbende bij de uitslag"
357
Normen
2000, versie 2, beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de
Raad voor de Kinderbescherming
Geschiedenis
de zaak Hop! Het is onterecht dat echtscheiding aanleiding is om RvdK
onderzoek naar de vader te laten doen
445
BOYCOT
de Raad voor de Kinderbescherming
001
Kinderrechter
mevrouw mr. R.A.J. Mees verzocht om maatregelen tegen Hop na
publicatie van "Klop klop" op internet
016
Stichting
Organisatie Gescheiden Mensen: "Mede door Jan Hop werd
internetsite soort rebellenclub"
009
Kernpunt
in de zaak Hop! Raad voor de Kinderbescherming en rechters weigeren
stelselmatig om aan waarheidsvinding te doen
136
Kernpunt
in de zaak Hop! Omgangsregeling afwijzen omdat omgang niet met een
rechterlijke beschikking kan worden afgedwongen
018
Klachtzaak
Hop tegen Staat der Nederlanden inzake 6 en 8 EVRM niet ontvankelijk
019
Klachtzaak
Hop tegen Staat der Nederlanden inzake 6 EVRM niet ontvankelijk
112
Een
vader niet belast met het gezag heeft geen recht op inzage dossier van
zijn dochter bij de politie
131
Actie
vaders bij RvdK Zutphen! Medewerkers RvdK onderworpen aan
"verhoor" door vaders. Politie greep niet in!
143
Griffierformulier
waarop stond voorgedrukt VOOGDIJ: DE MOEDER na klacht van J. Hop bij
rechtbank Arnhem vervangen
363
Rechter
Arnhem namens Rijksmuseum Amsterdam: "Moeders zijn beter geschikt
dan vaders om leuke dingen met hun kinderen te doen"
RvdK
Analyse
klachtafhandeling kinderbescherming 2000 citaat:"Dhr Hop vanwege
groot aantal apart vermeld"
Geconditioneerde
marketing in de rechtspraak. Een uitnodiging om na te denken over geld
betalen voor "doorgestoken kaart in de rechtspraak" en de
waarde die eraan gehecht wordt als een illusie waarbij de vader
stelselmatig door het rechtersleger financieel worden uitgekleed
445
BOYCOT
de Raad voor de Kinderbescherming
070
Dick
Hillenius: "Achter de deur heb ik een bijl klaar staan voor als
de kinderbescherming komt"
158
In
Memoriam Püper tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie Noord
333
In
Memoriam Tjerk Bakker (13 juli 1953 - 12 juni 2006)
009
De
zaak Hop (KIR Mees) tegen de Raad voor de Kinderbescherming
Directie Oost
156
De
zaak Joep Zander (KIR Mees) tegen Raad voor de Kinderbescherming
Directie Oost
195
De
zaak Geert van Spronsen tegen Raad voor de Leugenbescherming Directie
Oost
222
De
zaak Oma Admiraal/Vader Vermaas tegen Raad voor de Kinderbescherming
Directie Oost
157
De
zaak L. (KIR Mees) tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie Oost
415
Oma
Sanne/Vader Jansen tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie
Noord-West
233
De
zaak Willem Zweverink tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie
Noord
268
De
zaak Gerben Rorije tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie Noord
146
De
zaak Pieter Koole tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie Noord
231
De
zaak V. tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie Zuid-West
Vestiging Rotterdam
320
De
zaak H. tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie Noord en AMK
Assen
650
De
zaak Ad Smits tegen Raad voor de Kinderbescherming Directie Zuid en
Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant
261
Jongen
in ouderlijk huis doodgemarteld na advies Raad voor de
Kinderbescherming Alkmaar "Voogdij: De moeder"
166
Kinderrechter
Doek in de Telegraaf: "Advocaten zijn bang voor de Raad voor de
Kinderbescherming"
093
Vaste
Kamercommissie voor Justitie: "Raad voor de Kinderbescherming
laat belang moeder zwaarder wegen dan belang vader"
196
Raad
voor de Kinderbescherming kan niet worden verplicht beslissingen van
kinderrechters uit te voeren
249
Raad
voor de Kinderbescherming faalt omdat door belangenverstrengeling
ouders nergens hun recht kunnen halen
261
Professor
Hoefnagels: "Alle raadsrapporten die ik onder ogen kreeg
zondigden op een reeks van punten met gezond verstand
STEM
Stemwijzer!
Stem NIET op CDA,
PVDA, VVD en GroenLinks bij geconditioneerde marketing
rechtspraak jegens vaders
Klopt
het proces-verbaal hoorzitting? Worden belangrijke uitspraken
verdraaid weergegeven of uit PV weggelaten?
(1)
619
Verzoek
619
om
1. CORRECTIE
proces-verbaal
hoorzitting 2. Correctie beschikking. NAMEN vertegenwoordigers jeugdzorg
ontbreken!
263
Verzoek
263
om
TOEZENDING
proces-verbaal
hoorzitting met
als grondslag het doel, de eisen en functie van het proces-verbaal
384
Klacht
naar President rechtbank over weigering afschrift proces-verbaal (PV)
hoorzitting kinderrechter
614
Verzoek
om CORRECTIE
proces-verbaal
hoorzitting met
als grondslag het doel, de eisen en functie van het proces-verbaal
435
Kent
u het doel, de eisen, functie van het proces-verbaal? Klopt de
feitelijke chronologische weergave in het proces-verbaal?
226
Klopt
de feitelijke chronologische weergave hoorzitting in het
proces-verbaal na WRAKING (605)
van een kinderrechter?
106
De
zaak Hop. Kinderrechter mevrouw R.A.J. Mees had veel geel gestreepte
passages te verbergen, weigerde inzage dossier
117
De
zaak Hop. Klacht gegrond bij gerechtshof Arnhem over inzage dossier,
griffier hoort wet te kennen!
078
De
zaak Burhoven Jaspers. Rechtbank kan proces-verbaal hoorzitting
Burhoven Jaspers niet vinden!
251
Jeugdzorg
hetze tegen Hop in de strijd om openbaarmaking van contactjournaal
gezinsvoogd en werkaantekeningen
363
Reclame
Code Commissie probeert vitale uitspraak Rijksmuseum Amsterdam
"Moeders zijn beter geschikt om leuke dingen met kinderen te doen
dan vaders" (dossiernummer 05.0149) te verzwijgen om klacht van
Hop ongegrond te kunnen verklaren.
267
Politiek
en "onafhankelijke rechtspraak" in Nederland. Het verdwenen
strafdossier in de zaak Khan bij de rechtbank Amsterdam.
587
Leenders/Nienhuis:
" Gaarne ontvangen wij PV hoorzitting zodat wij EXACT weten wat
er op de hoorzitting is gezegd"
STEM
Stem
NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks als
het PV hoorzitting geweigerd aan u geweigerd wordt en/of niet deugt
zodat problemen met PV hoorzittingen rechtersleger deze gevestigde
politieke partijen gelijk stemmen gaat kosten en vraag iedereen die u
kent hetzelfde te doen
Wraking
(kinder)rechter wegens objectieve partijdigheid! Kinderrechters
overleggen met jeugdzorg buiten hoorzitting om!
500
TO
WHOM IT MAY CONCERN!
Hop bewijst dat rechtbanken en jeugdzorg overleggen in welke zaak Hop
procesvertegenwoordiger is!
653
1.
Klacht naar President rechtbank geen ontvangstbevestiging binnen 14
dagen van ingeleverde procedure bij rechtbank
2. Klacht naar President rechtbank geen NAMEN RECHTERS in oproep
vermeld
621
Het
is essentieel een wrakingsverzoek van een rechter steeds in een hoger
beroep op te nemen
435
Klopt
de feitelijke chronologische weergave hoorzitting in het PV na WRAKING
(605) van een
rechter?
605
Wraking
kinderrechter omdat de kinderrechter weigert op hoorzitting eerst op
de VOORVRAGEN te beslissen
610
IDENTIFICATIEPLICHT
RECHTER! Wraking rechter omdat de rechter weigert om haar/zijn naam te
vertellen
611
Wraking
KIR vertegenwoordiger BJZ/RVDK blijft voor/tijdens schorsing/na
hoorzitting bij kinderrechter zitten
095
Hop
bewijst dat KINDERRECHTERS in Nederland zijn KINDERRECHTERS,
AANKLAGERS en BELANGHEBBENDEN
664
Hop
bewijst dat KINDERRECHTERS buiten
de hoorzitting om met jeugdzorg overleggen hoe op verweer met Hop
beslist moet worden!
226
Hop
bewijst dat KINDERRECHTERS buiten
de hoorzitting om met jeugdzorg overleggen over in te dienen (NIEUWE)
verzoekschriften
095
Hop
bewijst dat KINDERRECHTERS in Nederland zijn KINDERRECHTERS,
AANKLAGERS en BELANGHEBBENDEN
710
Rechter
heeft geen vertrouwen in rechters rechtbank Zutphen! Een
vice-president van de Zutphense rechtbank die door een Harderwijkse
ondernemer is gewraakt, heeft op zijn beurt de wrakingskamer van de
rechtbank gewraakt. De
wrakingskamer bestond uit drie collega's, onder wie rechtbankpresident
Gert Vrieze. Drie Almelose rechters komen donderdag naar Zutphen om
dit tweede wrakingsverzoek te behandelen. Rechtzoekenden die hun
rechter partijdig vinden, mogen via een wrakingsverzoek vragen om een
andere rechter. De wrakingskamer, bestaande uit drie rechters,
behandelt zo'n verzoek. In dit geval is faillissementsrechter R. van
Valderen, tevens vice-president van de rechtbank, gewraakt door een
ondernemer. Die had tijdens de faillissementszitting de indruk dat Van
Valderen vooringenomen was. De ondernemer vond dat voor de zitting
weinig tijd was uitgetrokken. Hij beschuldigde Van Valderen van
partijdigheid; de rechter zou de aanvrager van het faillissement
kennen. Dit wrakingsverzoek werd op 26 oktober jongstleden behandeld.
Tijdens deze zitting beschuldigde Van Valderen zijn collega's van
partijdigheid. Van deze zitting is geen verslag verschenen, omdat de
zaak niet is afgerond. De rechtbankwoordvoerder wil niet inhoudelijk
op de kwestie ingaan. Volgens het Reformatorisch Dagblad, dat met de
ondernemer sprak, wilde Van Valderen geen openbare wrakingszitting,
terwijl het wrakingsprotocol van de rechtbank dat wel voorschrijft. Ook
protesteerde hij tegen het feit dat andere rechters in de
wrakingskamer zaten dan was aangekondigd. Van Valderen was niet
voor commentaar bereikbaar. "Voor zover wij weten is dit de
eerste keer dat zoiets op de Zutphense rechtbank gebeurt", stelt
een woordvoerder.
JH
Wie
is Jan Hop? Antwoord: Bekijk uitzending Omroep
Gelderland start afspelen uitzending op 09:28 over wraken rechters
STEM
Stem
NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks als
de NAAM van de RECHTER(S) niet in uw oproep hoorzitting staat vermeld
zodat iedere oproep van het rechtersleger ZONDER NAAM van de
RECHTER(S) deze gevestigde politieke partijen gelijk stemmen gaat
kosten en vraag iedereen die u kent hetzelfde te doen
Bijbanenregisters
nevenfuncties rechterlijke ambtenaren op internet sloeg in als een bom
bij de rechterlijke macht
JH
Wie
is Jan Hop? Antwoord: Bekijk uitzending Omroep
Gelderland start afspelen uitzending op 09:28 over wraken rechters
131
18
november 19997 De Telegraaf: "Rechters rechtbank Den Bosch willen
juridische stappen tegen Hop Ermelo na publicatie van hun bijbaantjes
op internet
610
Modelverzoek
wraking van een rechter die haar/zijn naam NIET wil zeggen
006
Modelverzoek
wraking leden en secretarissen bezwaarcommissie die hun/haar/zijn naam
NIET wil zeggen
001
De
zaak Hop gaf niet alleen zicht op onderonsjes tussen rechters en
kinderbescherming maar ook op bijbaantjes van rechters
184
Bijbanenregisters
nevenfuncties rechterlijke ambtenaren op internet sloeg in als een bom
bij de rechterlijke macht
431
Lijst
leden selectiecommissie rechterlijke macht met ingang van 24 mei 2007
008
Kamervragen
over (mogelijke) belangenverstrengeling bij de Raad voor de
Kinderbescherming in de zaak Hop
327
Zutphen,
President Oostveen: Na inzage in het bijbanenregister is het recht van
Hop om kritiek te geven uitgespeeld
469
Rechtbank
Utrecht wist computerdata van Hop om bijbanengegevens rechters
verborgen te kunnen houden
326
Grote
schoonmaak begint in Arnhem, President D.J. van Dijk stelt zich
krachtig op achter de Minister van Justitie
210
Minister
van Justitie adviseert Hop te procederen tegen de rechters als hij
geen inzage kan krijgen in nevenfuncties
328
Vragen
Kamerlid Th.J.M. Hendriks aan Minister van Justitie over tegenwerking
Hop bij inzage bijbanenregisters
329
Antwoord
Minister van Justitie op kamervragen inzake tegenwerking van Hop bij
inzage bijbanenregisters
049
Brief
van het Ministerie van Justitie aan gerechten en parketten over het
niet opgeven van nevenfuncties
353
De
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak hecht aan een goede
registratie volledig, eenduidig, actueel en toegankelijk
114
Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak: "Rechters en Officieren van Justitie
willen bijbanen gegevens verwijderen van internet
390
211004
President mr. Mr. H.A.E. Uniken Venema heeft een klacht van Hop over
onvolledige opgave bijbanen gegrond verklaard
607
Rechtbank
Zutphen heeft klacht van Hop over een verouderd register nevenfuncties
rechterlijke macht gegrond verklaard
480
Leidraad
voor onpartijdigheid rechterlijke macht door beroepsgroep zelf
opgesteld
389
Project
389 Openbaar Ministerie. Juiste weergave gegevens OM over namen en
(neven)functies met KB-informatie op internet
176
Nevenfuncties
leden Eerste Kamer Staten-Generaal op internet
094
Nevenfuncties
leden Tweede Kamer Staten-Generaal op internet 1999, 2006, 2007, 2008
GPH
Project
(bestuurlijke) nevenfuncties bestuurders Nederlandse gemeenten op
internet
GEM
Project
(bestuurlijke) nevenfuncties gemeentesecretarissen Nederlandse
gemeenten op internet
GRI
Project
(bestuurlijke) nevenfuncties griffiers Nederlandse gemeenten op
internet
BSC
Project
(bestuurlijke) nevenfuncties leden en secretarissen bezwaarcommissies
Nederlandse gemeenten op internet
102
Project
(bestuurlijke) nevenfuncties leden en secretarissen bezwaarcommissies
"jeugdzorg" op internet
STEM
Stem
NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks als
u
TEGEN de dubbelfuncties advocaat/rechter en/of OvJ/rechter bent zodat
deze dubbelfuncties deze gevestigde politieke partijen gelijk stemmen
gaat kosten en vraag iedereen die u kent hetzelfde te doen