CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

Informant advocatuur: Hop moet bloeden schrijft een christelijke advocaat met bijbaantjes in kerk en school aan zijn opdrachtgever jeugdzorg. Vanwege PR-redenen niet tot het uiterste gaan.........

Informant journalistiek: mw. Jeanne Dijkstra eindredacteur Ermelo Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek: "Van alle kanten komen berichten dat Groep Hop moet worden doodgezwegen".

Informant Openbaar Ministerie: Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk CoŲrdinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat:Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Informant rechtspraak: Kinderrechter wil overleg met jeugdzorg -buiten de hoorzittingen om- hoe we op de verzoek- en verweerschriften met Hop als procesvertegenwoordiger gaan beslissen en informatie bij welke zaken Hop betrokken is.

Informant Parlement: Parlement 1e en 2e Kamer Met spoed klachtwetgeving tegen jeugdzorg uithollen om effectief klagen (met Hop) te onderdrukken.

 

Voorwoord met uitnodiging om na te denken over 20 jaar (christelijke) Staatsterreur tegen Hop

Lees verder

 

 

Het is lachwekkend dat Rijksmuseum een Arnhemse rechter inhuurt voor verdediging tegen Hop

Reclame Code Commissie probeert vitale uitspraak Rijksmuseum Amsterdam "Moeders zijn beter geschikt om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" (dossiernummer 05.0149) te verzwijgen om klacht van Hop ongegrond te kunnen verklaren

363 De Mw. Hees van Walraven-norm. Het doel van de Reclame Code Commissie is klachtzaken tegen reclame te onderdrukken. Bijvoorbeeld met een oneerlijk rechtsproces waarbij geen proces-verbaal van de hoorzitting wordt opgemaakt om een vitale uitspraak van beklaagde die de klacht ondersteunt te onderdrukken. Bron 050149 klachtzaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam.

 

Inhoudsopgave.
Hop wraakt alle leden College van Beroep Reclame Code Commissie
Memo deskundigenrapport 185 Rijksmuseum Amsterdam: "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Derde ronde Hop tegen RCC inzake klachtzaak tegen Rijksmuseum Amsterdam "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Hoger beroep Hop tegen uitspraak Reclame Code Commissie: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"
De drie belangrijkste reacties van advocaat/rechter-plv Mr. H.J.M. Boukema namens het Rijksmuseum Amsterdam op de pleitnotitie van Hop kort samengevat
Pleitnoties en toelichting Hop op de hoorzitting bij de Reclame Code Commissie 10 mei 2005 in de klachtzaak Hop tegen het Rijksmuseum Amsterdam
Schriftelijke reactie Rijksmuseum Amsterdam op de klacht van Hop naar de Reclame Code Commissie
Klachtzaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam na pagina advertentie: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"
Voorbereiding klachtzaak! Check Mr. H.J.M. Boukema raadsman Rijksmuseum Amsterdam. Hij blijkt advocaat en rechter-plaatsvervanger te zijn
Voorbereiding klachtzaak! Check op elite en rechtersleger. Wie hebben er bijbaantjes bij het Rijksmuseum Amsterdam?
Voorbereiding klachtzaak! Check namen en nevenfuncties van de leden Reclame Code Commissie en Commissie van Beroep
Voorbereiding klachtzaak! Check Skip Intro Reclamebureau Rijksmuseum Amsterdam: "Zoals wij graag mogen zeggen: there's no such thing as bad publicity"

 

Hop wraakt alle leden College van Beroep Reclame Code Commissie

 

Stichting Reclame Code,

College van Beroep,

Postbus 12352,

1100 AJ Amsterdam.

Betreft: Wraking van ALLE LEDEN van het College van Beroep van de Stichting Reclame Code inzake de klachtzaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam "Moeders zijn beter geschikt om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" (dossiernummer 05.0149). 

Ermelo, 31 augustus 2005.

Geacht College,

Inleiding. Ik heb een jarenlange en rijke ervaring met niet-onafhankelijke rechtspraak en niet-onafhankelijke klachtafhandeling in Nederland en beschik daarom over inzicht, expertise en jurisprudentie om deze wraking met gegevens uit eerdere zaken goed gemotiveerd te onderbouwen. Bij de Stichting Reclame Code wordt door mij een soortgelijke situatie aangetroffen zoals ik die ik al eens eerder heb meegemaakt in de klachtzaak Hop tegen Raad voor de Kinderbescherming Oost. Over die situatie zijn zelfs kamervragen gesteld waarop de Minister van Justitie heeft geantwoord dat zo'n situatie ontoelaatbaar is. 

Ondergetekende J. Hop, wraakt hierbij ALLE LEDEN van het College van Beroep van de Stichting Reclame Code en verzoekt voor de afhandeling van dit wrakingsverzoek nieuwe onafhankelijke leden te benoemen, zodat die nieuwe leden over ieder onderdeel van dit "wrakingsverzoek" gemotiveerd kunnen beslissen. De wraking van ALLE LEDEN van het College van Beroep van de stichting Reclame Code wordt met de onderstaande gronden onderbouwd.

Grond 1. Rechtsweigering. Tot op heden hebben de benoemde leden van het College van Beroep meermalig geweigerd op het ingediende beroep van Hop te beslissen.

Grond 2. De betrokkenheid van mr. P.E.C. Ancion-Kors vanaf de indiening van de klacht, de klachtafhandeling in eerste aanleg en nu nog steeds bij de afhandeling van deze klachtzaak in beroep. Op 18 augustus 2005 verstuurd het College van Beroep een beslissing op de brief van klager van 12 augustus 2005. (dossier 05.0149).

Namens het College van Beroep ondertekent  mr. P.E.C. Ancion-Kors  de brief van 18 augustus 2005.

Het voortraject vanaf het indienen van de klacht tot aan deze beslissing 18 augustus 2005 is geheel door deze  mr. P.E.C. Ancion-Kors  gedaan. Dit betekent dat ik hierbij op basis van briefpapier verificatie aantoon dat deze  mr. P.E.C. Ancion-Kors  ook bij de beroepszaak is betrokken wat vergeleken zou kunnen worden met een griffier van een rechtbank die vervolgens ook gaat beslissen over dezelfde zaak bij de gerechtshoven. Een situatie die denk ik zo onaanvaardbaar is dat zelfs de Nederlandse rechtspraak waar ik overigens flinke kritiek op heb begrijpt dat dit onaanvaardbaar is en zo'n situatie heb ik binnen de gerechten dan ook niet eerder aangetroffen.

Wat ik wel heb aangetroffen was de situatie in mijn klachtzaak Hop tegen de Raad voor de Kinderbescherming Oost waarbij de griffier die rechts naast de kinderrechter zat aan dezelfde tafel en betrokken was bij de afhandeling van de zaak Hop "omgangsregeling kinderen" vervolgens werd aangetroffen als secretaris van de klachtencommissie. Oud Tweede Kamerlid Hendriks heeft hier vragen over gesteld aan de Minister van Justitie 

citaat vraag aan de Minister van Justitie.

In het geval waar hier kennelijk op gedoeld wordt, is inmiddels de afspraak gemaakt dat de secretaris van de klachtencommissie niet optreedt als secretaris in zaken bij de behandeling waarvan zij bij de rechtbank griffier is geweest. Een secretaris van een klachtencommissie, noch een griffier bij een rechtbank heeft overigens een rechtsprekende taak. Beide functionarissen vervullen een ondersteunende rol op juridisch en administratief terrein

citaat antwoord van de Minister van Justitie.

In het geval waar hier kennelijk op gedoeld wordt, is inmiddels de afspraak gemaakt dat de secretaris van de klachtencommissie niet optreedt als secretaris in zaken bij de behandeling waarvan zij bij de rechtbank griffier is geweest. Een secretaris van een klachtencommissie, noch een griffier bij een rechtbank heeft overigens een rechtsprekende taak. Beide functionarissen vervullen een ondersteunende rol op juridisch en administratief terrein]

De leden van het College van Beroep ten onrechte  mr. P.E.C. Ancion-Kors  ook de zaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam laten behandelen terwijl zij ook betrokken is geweest bij de afhandeling van deze zaak in eerste aanleg waardoor belangenverstrengeling is aangetoond. Dit klemt des te meer omdat zelfs de Minister van Justitie op kamervragen heeft geantwoord dat zulke situaties onaanvaardbaar zijn. Onderbouwing en toelichting www.burojeugdzorg.nl/8.htm

Grond 3. Opnieuw betreft het hier de betrokkenheid van  mr. P.E.C. Ancion-Kors  bij de zaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam bij het College van Beroep.

 mr. P.E.C. Ancion-Kors  ten onrechte bij het College van Beroep een rechtsprekende taak vervuld.  Op de laatste brief die door Hop naar het College van Beroep is gestuurd (brief Hop 12 augustus 2005) wordt ten onrechte door  mr. P.E.C. Ancion-Kors  inzake de "ontvankelijkheid" beslist. (brief college van beroep 180805) Dit klemt des te meer omdat nergens uit blijkt dat  mr. P.E.C. Ancion-Kors lid is van het College van Beroep. Wellicht is hier zelfs sprake van het uitoefenen van een functie in valse hoedanigheid waarmee in het verleden beroepszaken van klagers systematisch ten onrechte door de Stichting Reclame Code zijn afgedaan.

Samengevat wraakt ondergetekende ALLE leden van het College van Beroep omdat er niet alleen sprake is van zeer ernstige belangenverstrengeling waarbij dezelfde persoon bij dezelfde zaak zowel in eerste aanleg als in beroep betrokken is. Ook is er sprake van het uitoefenen van een rechtsprekende functie in valse hoedanigheid bij het College van Beroep bij de Stichting Reclame Code waartegen door geen enkel lid van het College van Beroep is opgetreden kennelijk met als doel systematisch beroepszaken van burgers met klachten tegen reclame te onderdrukken.

Grond 4. 

Grond 4 betreft uitsluitend de leden van het College van Beroep die tevens een baantje als rechterlijk ambtenaar vervullen waarbij als grondslag wordt verwezen naar Nederlandse wetgeving. Deze wetgeving kunt u vinden op de website www.burojeugdzorg.nl/135.htm

Wet 14 juni 1822, Artikel 11 Rechtspreken volgens de wet: "De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen"

Hop verwijst naar de brief van het College van Beroep waarin staat citaat:

In antwoord op uw brief van 12 augustus jl. deel ik u mede dat de inhoud van uw brief geen aanleiding geeft u anders te berichten dan dat, ingevolge het Reglement betreffende de Reclame Code Commissie en het College van Beroep etc.

Het College van Beroep bevestigt schriftelijk dat er hier sprake is van rechtspraak op een grond een reglement. Hop verwijst als onderbouwing naar deze wet van 14 juni 1822.

Wet 14 juni 1822, Artikel 11 Rechtspreken volgens de wet: "De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen"

Art. 11.
Rechtspreken volgens de wet
De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen.

Art. 12.
Recht doen voor individueel geval
Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn.

Bij de Stichting Reclame Code blijken dus rechterlijke ambtenaren bijbanen te hebben waarbij ze rechtspreken op grond van een reglement en dat is op grond van de wet 14 juni 1822 verboden en zelfs strafbaar.

 

Gelet op het bovenstaande wil ik van dit schrijven inzake wraking gelijk gebruik maken om mijn gronden voor beroep tegen de beslissing van de Reclame Code Commissie d.d. 2 juni 2005 in dossiernummer 05.0149 verder aan te vullen met de nummers 17 en 18 aan te vullen.

Grond 17 . De beslissing is genomen door een commissie waarin zitting had een lid (voorzitter) die een functie heeft bij de rechterlijke macht. Het is leden van de rechterlijke macht op grond van de wet Wet 14 juni 1822 verboden recht te spreken op grond van een reglement.  Artikel 11 Rechtspreken volgens de wet: "De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen" Art. 12. Recht doen voor individueel geval Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn.

Grond 18. De beslissing is genomen door een commissie waarin zitting had een lid (voorzitter) die een functie heeft bij de rechterlijke macht. Het is leden van de rechterlijke macht op grond van de wet Wet 14 juni 1822 verboden "stil te zwijgen". Er is sprake van het stilzwijgen van de vitale uitspraak van de raadsman van het Rijksmuseum Amsterdam tijdens de hoorzitting: "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" is strafbaar op grond van de wet 14 juni 1822. Met deze methode worden vaders al decennia benadeeld in de familie rechtspraak om systematisch moeders te bevoordelen. Zie de inhoud van het deskundigenrapport 185.

Er is dus sprake van tenminste ŽŽn strafbaar feit met als grondslag de Wet 14 juni 1822 bij de beslissing die de Reclame Code Commissie heeft genomen in de klachtzaak Hop tegen het Rijksmuseum Amsterdam om de klacht van Hop jegens het Rijksmuseum niet gegrond te kunnen verklaren. 

 

Nevenfuncties rechterlijke ambtenaren bij de Reclame Code Commissie in strijd met de wet 14 juni 1822

Hop verzoekt de Stichting Reclame Code onverwijld maatregelen te nemen tegen rechterlijke ambtenaren die bij deze Stichting een rechtsprekend bijbaantje hebben door onmiddellijk een einde aan deze praktijk te maken die strafbaar is op grond van de Wet 14 juni 1822. Indien deze Stichting toch blijft doorgaan met het inzetten van rechterlijke ambtenaren om klachten tegen reclame te onderdrukken ben ik van mening dat ook de Stichting Reclame Code zich MET OPZET strafbaar maakt aan strafbare feiten. U dient daar zeer goede nota van te nemen. 

Voordat ik dit schrijven naar uw toestuurde keek ik nog even een schrijven van de CDA-fractie uit de Tweede kamer na welk schrijven u kunt vinden op de website www.burojeugdzorg.nl/89.htm citaat:

De CDA-fractie prijst zich gelukkig, dat het waardevolle instituut van de rechter-plaatsvervanger niet is prijsgegeven in de modieuze neiging om direct toe te geven aan de waan van de dag. Het belangrijkste daarbij is, zo komt het de CDA-fractie voor, de mogelijkheid om zinvolle verbindingen aan te brengen tussen rechterlijke macht en samenleving. Moge het ambt van rechter op zich tot enige isolatie kunnen leiden, via deelname van andere juristen niet rechters aan de rechtspraak wordt een interne dialoog tussen rechter en samenleving op gepaste wijze mogelijk gemaakt.

Zelf ben ik van mening dat het aanzien van de beroepsgroep rechterlijke macht ernstig wordt geschaad door bijbaantjes van leden van deze beroepsgroep bij een organisatie die ons land met gigantische bergen reclamedrukwerk vervuild om "zinvolle verbindingen aan te brengen tussen rechterlijke macht en samenleving". Ik vind het ook geen zinvolle verbinding tussen rechterlijke macht en samenleving om bijbaantjes te vervullen in strijd met wetgeving (Wet 14 juni 1822) bij een stichting die de belangen van een beroepsgroep behartigt die het milieu met enorme afvalbergen drukwerk aan het vervuilen is.

Ik hoop dan ook van harte dat er steeds meer verzet komt tegen deze CDA-praktijken om het rechtersleger overal bijbaantjes te laten vervullen terwijl het in de door belasting betalers betaalde rechtspraak een enorme puinhoop is met enorme wachtlijsten. Ik denk dan ook dat dit veroorzaakt wordt door rechters die niet meer in staat zijn op basis van gezond verstand en wetgeving recht te spreken door hun illegale bijbaantjes bij stichtingen die op basis van een reglement recht laten spreken.

Als ik hier gelijk heb op basis van de wet 14 juni 1822 dan ben ik benieuwd hoe de Stichting Reclame Code alle illegale uitspraken waarbij rechterlijke ambtenaren in het verleden bij betrokken zijn geweest gaat herstellen door nieuwe uitspraken en/of deze Stichting van plan is gewoon door te gaan met hun illegale uitspraken. Net doet of er niets aan de hand is vanuit de wetenschap dat hun maatjes bij het CDA-rechtersleger ook dit probleem weer zullen afdekken om het gewone volk te bedonderen met mooie praatjes. 

Zo worden de burgers in Nederland dus door de reclamewereld belazerd in hun klachtzaken tegen reclame.............

Hoogachtend,

J. Hop.

Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.

 

Memo deskundigenrapport 185 Rijksmuseum Amsterdam: "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"

Uitspraak Mr. H.J.M. Boukema advocaat (rechter-plaatsvervanger Arnhem) namens het Rijksmuseum Amsterdam op de hoorzitting van de Reclame Code Commissie op 10 mei 2005.  Tijdens de behandeling van de klachtzaak  Hop tegen het Rijksmuseum Amsterdam tegen de pagina advertentie in de Telegraaf: "Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"

Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm. Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"

 

Derde ronde Hop tegen RCC inzake klachtzaak tegen Rijksmuseum Amsterdam "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"

 

Stichting Reclame Code,

College van Beroep,

Postbus 12352,

1100 AJ Amsterdam.

Betreft: Derde ronde Hop tegen Reclame Code Commissie inzake klachtzaak tegen Rijksmuseum Amsterdam "Moeders zijn beter geschikt om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" (dossiernummer 05.0149). 

Ermelo, 12 augustus 2005.

Geacht College,

"Hierbij bericht ik u dat ik beroep heb ingesteld tegen de beslissing van de Reclame Code Commissie en in het hoger beroep heb aangegeven dat de Reclame Code Commissie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een eerlijk rechtsproces (6 EVRM) en dat ik door het handelen van de Commissie op een schandalige manier ben behandeld door niet op de door mij ingediende klacht(alle door mij ingediende klachtonderdelen) te beslissen

Er geen proces-verbaal van de hoorzitting is toegestuurd wat des te meer klemt door de uitspraak van het Rijksmuseum Amsterdam op de hoorzitting "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders" welke vitale uitspraak ter zitting mijn klacht alleen maar verder onderbouwt  en ook niet is beslist op basis van de regels van de RCC waarnaar ik expliciet heb verwezen.

Van de Reclame Code Commissie ontving ik een brief waarin zij schrijft: "Aangezien wij tot op heden geen appelbijdrage van u ontvingen, gaan wij ervan uit dat geen prijs stelt op (verdere) behandeling van uw beroepschrift en zullen wij het dossier sluiten".

Ik maak bezwaar tegen de beslissing op mijn appelschrift door de Reclame Code Commissie. De Reclame Code Commissie heeft geen enkele bevoegdheid om in een appelzaak te beslissen. Bovendien staat in het boekje "De Nederlandse Reclame Code" met subtitel "Informatie betreffende de werkwijze van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep" expliciet vermeld dat het College van Beroep beslist over de ontvankelijkheid van de appellant. Zie hoofdstuk 10 "De uitspraken naar aanleiding van een beroep". De volledige tekst van dit hoofdstuk luidt:

"10. De uitspraken naar aanleiding van een beroep.

Het College kan de volgende uitspraken doen:

1. het beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaren en de uitspraak van de Reclame Code Commissie (gedeeltelijk) vernietigen;

2. het beroep (gedeeltelijk) ongegrond verklaren en de uitspraak van de Reclame Code Commissie (gedeeltelijk) bevestigen;

3. de zaak terugverwijzen naar de Reclame Code Commissie;

4. appellant niet ontvankelijk verklaren in zijn beroep."

Indien het College mij in deze zaak niet ontvankelijk verklaart vanwege het niet betalen van de appelkosten, maak ik daartegen bezwaar. Ik heb aangegeven dat ik de appelkosten niet betaal omdat de Reclame Code Commissie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een eerlijk rechtsproces (6 EVRM). Ik onderbouw mijn bezwaar met een uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch. In de onderhavige zaak werd beroep ingesteld zonder betaling van appelkosten en zonder tussenkomst van de verplichte (dure) procureur. De griffier van het hof probeerde ook de zaak eerst af te poeieren. Ik maakte daar bezwaar tegen en toen heeft het Hof toch een beslissing genomen op het hoger beroep dat ik zonder betaling van appelkosten en zonder verplichte procureur instelde. U kunt de informatie over deze uitspraak vinden op de website

 www.burojeugdzorg.nl/238.htm inzake "Ontvankelijkheid zonder verplichte procureurstelling ex art, 429o jo. 429d Rv"

Ik hoop dat u en iedereen bij de Reclame Code Commissie de kracht van mijn klacht in hoger beroep gaat onderkennen indien burgers zich vaker gaan verweren tegen prutswerk in de "(RCC)rechtspraak" door te gaan weigeren om appelbijdragen te betalen indien in zulke zaken niet volledig op de te behandelen klacht is beslist. Burgers gaan zoeken naar nieuwe wegen om door te kunnen procederen tegen de RCC in soortgelijke zaken waarin ook geweigerd wordt om appelbijdragen voor prutswerk in strijd met 6 EVRM te betalen.

Hoogachtend,

J. Hop.

 

Hoger beroep Hop tegen uitspraak Reclame Code Commissie: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"

Stichting Reclame Code College van Beroep,
Postbus 12352,
1100 AJ Amsterdam.

Ermelo,  14 juni 2005.

Geacht College,

Ondergetekende tekent beroep aan tegen de beslissing van de Reclame Code Commissie d.d. 2 juni 2005 in dossiernummer 05.0149. De beslissing is verzonden op 2 juni 2005 naar klager. Het beroep van klager is naar het College van Beroep verzonden op 14 juni 2005 en vanaf 14 juni 2005 in het openbaar gepubliceerd op internet op de website www.burojeugdzorg.nl/167.htm

1.1 Ontvankelijkheid van het Beroep. Het beroep is door klager tijdig verzonden naar de College van Beroep.

1.2 Ontvankelijkheid van het Beroep. Klager weigert de administratiekosten van 28 Euro voor het beroep over te maken en voert daartoe de volgende argumenten aan:

klager heeft een jarenlange ervaring met procedureel procederen en is van mening dat het aantal beroepszaken teruggebracht kan worden als de rechtspraak in eerste aanleg goed werk verricht en op een ingediende klacht netjes en correct afhandelt en goed gemotiveerd op een ingediende klacht beslist. In de onderhavige zaak is daarvan geen sprake en klager is van mening dat de Reclame Code Commissie zo partijdig is als de pest voor de beklaagden. 

Klager onderbouwd zijn stelling dat de Reclame Code Commissie zo partijdig is als de pest voor beklaagden met de volgende argumenten:

1. De bestreden reclame-uiting staat niet volledig omschreven en correct weergegeven  in de beslissing onder 2. Een gedeelte waartegen de klacht is gericht is weggelaten.

2. De klacht van klager wordt samengevat. In de samenvatting worden klachten van klager weggelaten.

3. Klager is van mening dat het een bekende truc is om onder leiding van een persoon afkomstig uit het rechtersleger klachten van het gewone volk tegen de elite in Nederland te onderdrukken door stelselmatig klachten van het gewone volk samen te vatten en in die samenvatting klachten van klagers weg te laten zodat met die truc niet op de ingediende klachten hoeft te worden beslist.

4. Klager is van mening dat het een bekende truc is om onder leiding van een persoon afkomstig uit het rechtersleger klachten van het gewone volk tegen de elite in Nederland te onderdrukken de aandacht af te leiden van waar het om gaat door klachtwaardige teksten waartegen een klacht wordt ingediend uit de beslissing weg te laten zodat ook met die truc niet op die klachtwaardige teksten hoeft te worden beslist.

5. Het bovenstaande verwoord in de onderdelen 1, 2, 3 en 4 klemt des te meer omdat het verweer van beklaagden wel compleet wordt overgenomen onder punt 4 in de beslissing daarin wordt niet samengevat. Klager is van mening dat hier met twee maten wordt gemeten en klager heeft hier maar een woord voor: KLASSENJUSTITIE!

6. Dit betekent ook dat de uitspraken van de Reclame Code Commissie mogelijk onbetrouwbaar zijn in die zin dat er door de werkwijze verwoord onder 1, 2, 3, 4 en 5 er kennelijk censuur wordt toegepast omdat ingediende klachten, niet behandeld worden, niet in beslissingen worden vermeld er ook niet op wordt beslist en dus ook niet zijn terug te vinden in de uitspraken van de Reclame Code Commissie.

7. De vermeende partijdigheid van de Reclame Code Commissie wordt volgens klager ook bewezen omdat de commissie zich bij beantwoording van een vraag of een reclame uiting is strijd is met goede smaak en/of fatsoen dan wel nodeloos kwetsend is "stelt de Commissie zich terughoudend op gelet op het subjectieve karakter van deze criteria".

8. Klager heeft goed nagedacht voordat hij de klacht indiende en dat ook aan de Reclame Code Commissie meegedeeld. Hij heeft ook informatie ingewonnen over het werk van de Reclame Code Commissie en de afpoeiermethode op grote schaal op grond van "stelt de Commissie zich terughoudend op gelet op het subjectieve karakter van deze criteria". Met deze criteria kan iedere klacht steeds worden afgepoeierd.

9. Klager heeft in zijn pleitnotitie als hoofdargument dus wetgeving aangevoerd "discriminatie van vrouwen". Op het hoofdargument van klager gaat de commissie niet in en daar is ook niets over terug te vinden in de beslissing.

10. Klager heeft in zijn pleitnotities expliciet verwezen naar genummerde regelgeving afkomstig van de Stichting Reclame Code zelf en ook in die argumenten van klager gaat de commissie niet in en ook daar is niets over terug te vinden in de beslissing.

11. Nummer 11. Zou het toeval zijn? Is het gek als een klager(s) een zaak verliest als klachten van het gewone volk stelselmatig worden afgepoeierd met beslissingen op basis van subjectieve karakter, waarbij de argumenten van klagers(s) op basis van wet- en regelgeving buiten beschouwing worden gelaten en niet in beslissingen zijn terug te vinden. Klager is van mening dat dit niet het geval is omdat deze werkwijze stelselmatig de praktijk is om onder leiding van het rechtersleger de klachten van het gewone volk te onderdrukken. Een praktijk die op een zeer grote schaal plaats vind bij de behandeling van klachten bijvoorbeeld tegen de jeugdzorg om klachten van het gewone volk tegen de gevestigde elite rondom de "jeugdzorg" te onderdrukken. 

12. Ronduit weerzinwekkend in de beslissing van de Reclame Code Commissie is het feit dat in de beslissing van de Reclame Code Commissie niets staat over hetgeen partijen op de hoorzitting hebben gezegd in reactie op de pleitnotities. Ook daar staat niets over te lezen, ook is geen proces-verbaal bijgevoegd. Klager is van mening dat hij ook daarin weer stevig is benadeeld omdat klager van mening is dat de uitspraak van het Rijksmuseum op de hoorzitting 10 mei 2005 over vaders:

Rijksmuseum Amsterdam: "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"

alleen maar bevestigd dat het Rijksmuseum erop uit is om vaders nodeloos te kwetsen en te diskwalificeren. Dit klemt des te meer omdat ook deze belangrijke uitspraak en de reactie van klager op deze uitspraak tijdens de hoorzitting ook weer compleet wordt weggelaten om toe te kunnen schrijven naar de conclusie: klacht ongegrond.

13. Een bekende truc in de Nederlandse rechtspraak is om in eerste aanleg zulk beroerd werk af te leveren dat klagers aangezet worden om in beroep te gaan om vervolgens nog meer gesubsidieerde hulpverlening, meer rechtspraak, en griffierecht (administratiekosten) te kunnen verkopen. Kort samengevat de sector zelf levert slecht werk af om de oplossing steeds duurder te kunnen blijven verkopen bijvoorbeeld om griffierechten te kunnen blijven innen om dit geld van het gewone volk afhandig te kunnen maken.

Klager verzet zich tegen deze praktijken en stelt nu een daad bij het College van Beroep door te weigeren administratiekosten te betalen voor beroep tegen een beslissing waarin de partijdigheid afdruipt en SLECHT WERK is geleverd doordat op ingediende klachten niet eens is beslist. Een werkwijze kenmerkend voor de elite om klachten van het gewone volk te onderdrukken.

14. Expliciet wordt door klager vermeld dat hij wel beschikt over 28 Euro en die 28 Euro ook gereserveerd had voor beroep maar zo de kwaliteit van de uitspraak zo beroerd is is hij van mening dat hij het bedrag van 28 Euro beter ergens anders aan kan besteden dan aan het in standhouden van de schijnvertoning die Reclame Code Commissie heet. 

15. In plaats van geld te betalen aan de Stichting Reclame Code verzoekt klager de Stichting Reclame Code aan hem de prijs Euro 17.40 voor het treinkaartje  Ermelo Duivendrecht aan hem te vergoeden omdat klager wel de moeite heeft genomen naar de hoorzitting te komen om de ingediende klacht nader toe te lichten (de ingediende klacht serieus nam) maar dat de Reclame Code Commissie klager kennelijk niet serieus nam en prutswerk afleverde door niet op de ingediende klachten van klager te beslissen.

16. Op basis van deze praktijkervaring is klager van  mening dat burgers (vaders) er verstandiger aan doen om niet meer te klagen over reclame-uitingen, geen geld moeten besteden aan klachtzaken om de Stichting Reclame Code in stand te houden maar nodig ik burgers (vaders) uit over de enorme financiŽle belangen die zich achter reclame verschuilen na te denken. Ongevraagd drukwerk systematisch aan de afzenders geweigerd gaan retourneren omdat de RCC op ingediende genummerde klachten toch niet beslist 

Door het geweigerd retourneren van ongevraagd drukwerk wilt meewerken aan de vermindering van de enorme papierafvalbergen met giftige inkt geproduceerd door een sector die van mening is dat

Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders

Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel

Een kopie van dit beroep is per e-mail op dinsdag 14 mei 2005 11:37 uur verzonden naar beklaagde het Rijksmuseum te Amsterdam.

Hoogachtend,

J. Hop (auteur website Censuur in Nederland www.burojeugdzorg.nl

Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.

 

De drie belangrijkste reacties van advocaat/rechter-plv Mr. H.J.M. Boukema namens het Rijksmuseum Amsterdam op de pleitnotitie van Hop kort samengevat

Mr. H.J.M. Boukema. Discriminatie van vrouwen staat niet in de klacht die is ingediend.

Hop: In de klacht die ik heb ingediend blijkt duidelijk dat ik klaag over de ongelijke behandeling van moeders ten opzichte van vaders.

Citaat ingediende klacht: "Ik onderbouw ieder van de bovengenoemde klachtonderdelen met het verwijt aan het Rijksmuseum te Amsterdam dat het Rijksmuseum in de gewraakte reclame een verschil maakt tussen gescheiden vaders door primair niet gescheiden moeders in dezelfde advertentie te noemen. Secundair. Het Rijksmuseum in de gewraakte advertentie niet het woord ouders heeft gebruikt in deze advertentie. Door de positie van gescheiden vaders in de gewraakte advertentie expliciet te benadrukken is de gewraakte reclame volgens klager klachtwaardig.

Mr. H.J.M. Boukema. Klager stelt dat na een bezoek aan het bordeel in het Rijksmuseum er strijd tussen ouders kan ontstaan met als gevolg jarenlange rechtszaken omdat dit bordeelbezoek niet aansluit bij de pedagogische opvattingen van de moeder. Klager stelt dat dit ook niet goed is voor de betrokken kinderen. Een rechter zal in deze strijd altijd ten gunste van de museumbezoekende ouder beslissen.

Slotzin Mr. H.J.M. Boukema:  "Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"

Reactie Hop: Het diskwalificeren van vaders door het Rijksmuseum gaat ook op deze zitting gewoon door.

Voorzitter mevrouw Hees van Walraven: Uitspraak over ongeveer vier weken. U kunt tegen deze uitspraak in beroep gaan.

Einde hoorzitting.

 

Pleitnoties en toelichting Hop op de hoorzitting bij de Reclame Code Commissie 10 mei 2005 in de klachtzaak Hop tegen het Rijksmuseum Amsterdam

Pleitnotitie Hop.

Dossier 050149 RCC

Reclame Code Commissie

Plaats: Paasheuvelweg 15, Amsterdam Z.O.

Pleitnotitie Hop in dossier 050149 Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam bij RCC

Geachte Commissie,

Mijn pleitnotitie bestaat uit 5 onderdelen.

 

1. Linken van, via, naar de samenstelling van deze commissie.

Gistermiddag belde ik de Stichting Reclame Code en vroeg de namen van de commissieleden voor deze zitting.. De volgende namen werden aan mij doorgegeven.

Boerma AJM aangewezen door media, directeur is van uitgeversmaatschappij De Telegraaf.

M. van der Heij, aangewezen door VEA, vervanger Liefering DBB

J.T. Peters, aangewezen door consumentenbond

L.G. Schram, aangewezen door bond van adverteerders

Mw. Hees van Walraven, vice-president rechtbank Amsterdam

Vos, secretaresse.

Hop: "Ik zie aan de naambordjes dat A.J.M. Boerma er niet is."

Voorzitter mevrouw Hees van Walraven: "Meneer Boerma van de Telegraaf heeft voor de behandeling van deze zaak de zaal verlaten. Mevrouw Vos secretaresse vervangt hem voor deze zaak. Ik wist niet dat u gisteren heeft gebeld."

Hop: "Deel 1 van mijn pleitnotitie kan hiermee vervallen".

 

2. Discriminatie van vrouwen. Het gaat hier immers om een zeer ernstige klachtzaak. Ik ben van mening dat de advertentie strafbaar is omdat er sprake is van discriminatie van vrouwen. Er wordt immers expliciet gescheiden vaders in de advertentie vermeld en niet gescheiden moeders. Onderscheid op grond van geslacht is verboden en strafbaar in Nederland. Bron: Elisabeth Venekatte. Open normen in de reclame. Venekatte is nu rechter in Almelo.

 

3. Zoals ik al in eerste aanleg in mijn klacht heb vermeld wordt er ten onrechte onderscheid gemaakt tussen gescheiden vaders en gescheiden moeders. In het antwoord van het Rijksmuseum begon de directeur de ernst van de klacht in de gaten te krijgen. Er werd nu geschreven dat het de bedoeling was om ouders tot museumbezoek op te roepen. Dat staat echter niet in de advertentie en daarom heeft het Rijksmuseum nu met een klachtzaak te maken gekregen. Het Rijksmuseum heeft na de klacht schriftelijk toegegeven dat het de bedoeling was ouders tot museumbezoek op te roepen. Feit is dat dit niet in de advertentie staat. Er is volgens klager dus sprake van onderscheid op grond van geslacht en misleiding.

Voordat ik de klacht indiende heb ik daar eerst goed over nagedacht. Ik ben ook nagegaan wat de normen zijn die door de rechterlijke macht gehanteerd worden inzake activiteiten van (gescheiden) vaders met hun kinderen en wat de gevolgen van die activiteiten kunnen zijn.

Norm 136. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kinderen als hij daar een rechterlijke beschikking voor nodig heeft. Bron: Hop tegen RvdK Oost.

Norm 156. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kind als hij met haar liedjes zingt. Bron: Zander tegen RvdK Oost.

Norm 156. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kind als hij met haar door de stad fietst. Bron: Zander tegen RvdK Oost.

Norm 160. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kind als de moeder het vermoeden heeft dat er in de toekomst incest zou kunnen gebeuren. Bron Moszkowics Sr. Andere tijden in de Telegraaf.

Norm 212. Een vader is niet geschikt voor omgang met zijn kind als de ouders naar een naturistenstrand gaan. Bron: Moszkowics Sr. Signalen in de Telegraaf.

Bron: normen website www.burojeugdzorg.nl/nummer van de norm.htm

Er zijn dus al diverse normen vastgesteld voor omgang tussen vaders en kinderen. In de Telegraaf worden in een pagina kleurenadvertentie gescheiden vaders nu opgeroepen om een bordeel te bezoeken. Met als grondslag bovengenoemde normen die al zijn vastgesteld is volgens klager de gewraakte advertentie in strijd met goed fatsoen, goede smaak enz. omdat in familiezaken niet aan waarheidsvinding wordt gedaan en de "beleving" van kinderen al voldoende is om omgang tussen kinderen en vader te ontzeggen na een bordeelbezoek van vader en kinderen aan het Rijksmuseum met jarenlange rechtszaken om vervolgens vader zijn kinderen af te pakken en financieel kapot te procederen want zo werkt dat hier in Nederland. Het Rijksmuseum maar ook de Telegraaf hadden ook hier beter moeten weten.

4. Om het geheel nog veel erger te maken wordt in de advertentie expliciet vermeld dat gescheiden vaders bij een pretpark niet in staat zijn om met hun kinderen een goed gesprek te beginnen maar bij het Rijksmuseum wel. De vader wordt in de gewraakte advertentie dus als vader gediskwalificeerd er wordt immers gesteld dat vaders in pretparken niet gemakkelijk tot een goed gesprek kunnen komen.

5. Als norm en grondslag voor de klacht stelt klager vast de uitgangsformule van de site Censuur in Nederland. In Nederland worden onafhankelijke producerende personen en bedrijven kapot gemaakt om de gesubsidieerde hulpverlening steeds verder te verrijken.

DEMONSTRATIE. Ik licht dit verder toe. Ik heb hier twee bierviltjes. Het ene bierviltje staat voor de onafhankelijke producerende bedrijven en personen in Nederland. Het twee bierviltje staat voor de gesubsidieerde hulpverlening. Zoals u nu ziet wordt het eerst bierviltje nu langzaam kapot gemaakt en wordt de massa van en op het tweede bierviltje steeds groter. Dit gebeurt al meerdere jaren en is de dagelijkse praktijk in Nederland. De problemen zijn in Nederland niet meer op te lossen omdat de gesubsidieerde hulplening alle onafhankelijke producerende personen en bedrijven steeds verder aan het kapot maken is. In de gewraakte advertentie wordt deze "verborgen agenda" nu voor het eerst ook openlijk vermeld.

4. wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Laatste lokmiddel gratis toegang voor kinderen tot 18 jaar om kinderen uit de pretparken weg te halen en het gesubsidieerde Rijksmuseum binnen te lokken.

Ik geef een persoonlijk voorbeeld om de klacht nader toe te lichten. Zelf ben ik met mijn kinderen meermalig naar het Apeldoornse pretpark Julianatoren geweest. Dat was niet alleen leuk maar we hadden daar ook goede gesprekken. Julianatoren is een onafhankelijk producerend bedrijf. Op 16 april 2005 dus na het indienen van mijn klacht bij uw commissie stond het volgende bericht in de media:

Apeldoorn 16 april 2005. Het Apeldoornse pretpark Koningin Julianatoren dreigt te stoppen als de gemeente Apeldoorn een voorgenomen belastingmaatregel doorvoert. De gemeente wil dat voor attracties die jaarlijks meer dan 100.000 bezoekers trekken een kwartje per bezoeker wordt afgedragen. Volgens directeur Krekel van de Julianatoren wil de gemeente zo 380.000,-- Euro ophalen. Voor het personeel betekent de maatregel dat een deel van het personeel wordt ontslagen. Als de gemeente de plannen doorzet wil Krekel de attracties verkopen en een pannenkoekhuis gaan exploiteren.

In Nederland wordt een onafhankelijk pretpark dus kapot gemaakt en het gesubsidieerde Rijksmuseum lokt alle bezoekers tot 18 jaar gratis het gesubsidieerde Rijksmuseum binnen en dan kan allemaal omdat de belastingbetalers dit allemaal moeten betalen en het Rijksmuseum een gratis kleurenpagina advertentie in de grootste krant van Nederland kreeg van 70.000,-- Op deze manier worden in Nederland onafhankelijke personen en bedrijven kapot gemaakt en zijn de problemen dus niet meer op te lossen omdat onafhankelijk burgers zo financieel kapot worden gemaakt dat zij een krantenabonnement niet meer kunnen betalen en dat wordt natuurlijk ook weer opgelost met megasubsidies via de gefiscaliseerde omroepbijdrage.

Hoeveel subsidie krijgt de Telegraaf jaarlijks via de gefiscaliseerde omroepbijdrage? Als de belastingbetaler betaald kun je dan een gratis advertentie van 70.000,-- Euro weggeven aan een gesubsidieerde maatje die eet uit dezelfde subsidiepotten van de overheid?

De tekstpassages gericht op het weglokken van burgers bij (onafhankelijke) producerende pretparken om ze gratis het gesubsidieerde Rijksmuseum in te lokken zijn daarom volgens klager in strijd met fatsoen en goede smaak waarbij bovendien sprake is van oneerlijke concurrentie in de advertentie waarbij onafhankelijke pretparken met het gesubsidieerde Rijksmuseum wordt vergeleken. Klager verzoekt u tegen deze praktijk maatregelen te nemen?

J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo. Auteur Censuur in Nederland.

 

Schriftelijke reactie Rijksmuseum Amsterdam op de klacht van Hop naar de Reclame Code Commissie

Rijksmuseum Amsterdam, Postbus 74888, 1070 DN Amsterdam, Telefoon 020-6747000, Telefax 020-6747001, www.rijksmuseum.nl

aan

Per fax en per post, Reclame Code Commissie, Mevrouw  mr. P.E.C. Ancion-Kors , Postbus 12352, 1100 AJ Amsterdam.

Uw referentie Dossier 05.0149

Uw brief van 21 maart 2003

Onze referentie 05.0610-u

Datum 30 maart 2005.

Geachte mevrouw,

Wij ontvingen uw brief van 21 maart jl. met de klacht van de heer J. Hop over onze advertentie in de Telegraaf van zondag 20 februari jl. Voor de duidelijkheid sluiten wij een afdruk van deze advertentie nogmaals bij (in achtvoud). De heer Hop heeft een aantal klachten over deze advertentie. Deze zou in strijd zijn met de waarheid, de goed smaak, het fatsoen, zou nodeloos kwetsend zijn, er zou sprake zijn van oneerlijke concurrentie, er zou een verborgen agenda achter zitten, enz.

De gewraakte advertentie is speciaal gemaakt voor de zondagseditie van de krant en bevat een oproep tot museumbezoek. Het doel is om ouders op het idee te brengen dat een bezoek aan het Rijksmuseum spannend en leerzaam is voor ouders en kind. Enigszins raillerend (memo Hop railleren is spotten) is een pakkende kopregel geformuleerd. De onder de afbeelding van een schilderij in het Rijksmuseum geplaatste tekst legt aard en bedoeling van de advertentie uit. Van misleiding is geen sprake.

In de reclamewereld is deze advertentie met veel instemming ontvangen. De Telegraaf bood zelfs een 1/1 pagina advertentieruimte in de zondagseditie gratis aan. Daarom richt de advertentie zich - met een duidelijke knipoog - tot een speciale "zondagse doelgroep" De klachten van de heer Hop hebben vooral betrekking op de zijns inziens moeilijke positie van gescheiden vaders. Uiteraard is het niet aan ons om daarover een mening te hebben. In de advertentie wordt ook niets gezegd of gesuggereerd dat aan die positie afbreuk zou doen.

Naar onze mening is het voor iedereen die de advertentie ziet of leest onmiddellijk duidelijk dat het hier gaat om een verrassende, soms zelfs humoristische oproep tot bezoek aan het Rijksmuseum. De advertentie is ons inziens verre van kwetsend of in strijd met de waarheid, de goed smaak of het fatsoen. De Code Commissie pleegt op goede gronden terughoudend aan deze maatstaven te toetsen. Voor zo'n toetsing is ook nu aanleiding, temeer nu de advertentie evident "over the top"is. De advertentie is zelfs eerder moralistisch, maar dan op een leuke manier.

Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geÔnformeerd. Het lijkt ons niet nodig dat we deze kwestie mondeling toelichten tenzij klager aangeeft zelf te verschijnen op de zitting

Hoogachtend,

Prof. drs. R. de Leeuw

Hoofddirecteur

Bijlage

 

010405 Eerste reactie Hop klager na ontvangst reactie Rijksmuseum op zijn klacht.

De kop van de gratis pagina advertentie in de Telegraaf luidde "Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel" 

Ik nodig u uit mee te kijken hoe het Rijksmuseum in hun antwoord aan de Reclame Code Commissie de woorden uit de kop van de advertentie "gescheiden vaders" meermalig vervangt door "ouders" terwijl een deel van mijn klacht er juist om gaat dat het Rijksmuseum de woorden "gescheiden vaders" en niet "ouders" in hun advertentie heeft gebruikt. Vervolgens spreekt het Rijksmuseum zich in hetzelfde antwoord weer tegen met de passage citaat "Daarom richt de advertentie zich - met een duidelijke knipoog - tot een speciale "zondagse doelgroep"

Kennelijk zit de klacht hen toch niet lekker, waarom zouden ze anders de woorden "gescheiden vaders" niet gebruiken zoals in de kop van hun advertentie staat? Ik nodig de lezers van mijn website uit mijn  klacht en de reactie van het Rijksmuseum kritisch te bekijken? Uw reactie naar mij toe te sturen zodat ik waar nodig mijn pleitnotitie met de inzichten van mijn lezers nog verder kan verbeteren.

 

Klachtzaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam na pagina advertentie: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"

 

Stichting Reclame Code, Reclame Code Commissie, Paasheuvelweg 15, Amsterdam Zuidoost

Ermelo, 1 maart 2005.

Geachte heer/mevrouw,

Ondergetekende dient hierbij een klacht in tegen een reclame door:

Rijksmuseum te Amsterdam, hierna te noemen beklaagde.

Datum van de reclame: 20 februari 2005

Plaats van de reclame: Pagina reclame in het Dagblad De Telegraaf.

Complete tekst van de aangeklaagde reclame

Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel.

Elke tweede zondag naar een pretpark is leuk, maar het komt niet makkelijk tot een echt goed gesprek. Tip: Neem uw kinderen eens mee naar het Rijksmuseum. Daar steken ze niet alleen wat van op, maar het biedt ook leuke aanknopingspunten voor gesprekken die u misschien al veel te lang heeft uitgesteld.

Neem de BordeelscŤne van Nicolaus KnŁpfer, ťťn van de leermeesters van Jan Steen. Dat is een losbandig tafereel, maar het is natuurlijk moralistisch bedoeld. En dat biedt weer openingen voor gesprekken over normen en waarden, desnoods bloemen en bijen - we doen maar een wilde suggestie - de verlokkingen des levens.

Wilt u het wat minder heftig aanpakken, of heeft u kinderen die nog iets te jong zijn voor bordeelbezoek, dan heeft het Rijksmuseum ook een speciale Semsamstraat Audiotour.

Laatste lokmiddel: kinderen t/m 18 jaar hebben gratis toegang.

Om de klacht zo goed mogelijk te formuleren heb ik gebruik gemaakt van uw eigen publicatie citaat: "In de Nederlandse Reclame Code is een veelheid van regels vastgelegd waar reclame aan moet voldoen. De Code bestaat uit een Algemeen Gedeelte en een Bijzonder Gedeelte. In het Algemeen Gedeelte wordt onder meer bepaald dat reclame niet mag misleiden en niet in strijd met de waarheid mag zijn. Ook subjectieve normen zijn in dit gedeelte opgenomen. Zo mag reclame niet nodeloos kwetsen en niet in strijd zijn met de goede smaak en het fatsoen. Het Bijzondere Gedeelte bevat bijzondere reclamecodes met de bijbehorende bepalingen ten aanzien van specifieke producten en diensten. Deze bepalingen gelden als aanvulling op het Algemene Gedeelte van de Nederlandse Reclame Code."

 

Klacht 1. De aangeklaagde reclame is ten onrechte misleidend.

Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Elke tweede zondag naar een pretpark is leuk, maar het komt niet makkelijk tot een echt goed gesprek.

Deze reclameuiting is volgens klager misleidend omdat gescheiden vaders geen geld hebben om elke tweede zondag naar een pretpark te gaan.

Deze reclameuiting is volgens klager misleidend omdat naar een pretpark gaan juist wel een manier is om tot een goed gesprek tussen vader en kinderen te komen.

Klacht 2. De aangeklaagde reclame is ten onrechte in strijd met de waarheid.

Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Elke tweede zondag naar een pretpark is leuk, maar het komt niet makkelijk tot een echt goed gesprek.

Deze reclameuiting is volgens klager misleidend omdat gescheiden vaders geen geld hebben om elke tweede zondag naar een pretpark te gaan.

Deze reclameuiting is volgens klager misleidend omdat naar een pretpark gaan juist wel een manier is om tot een goed gesprek tussen vader en kinderen te komen.

Klacht 3. De aangeklaagde reclame is ten onrechte nodeloos kwetsend.

Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Elke tweede zondag naar een pretpark is leuk, maar het komt niet makkelijk tot een echt goed gesprek.

Deze reclameuiting is volgens klager nodeloos kwetsend omdat hiermee de suggestie wordt gewekt dat gescheiden vaders niet in staat zijn in een pretpark tot een goed gesprek met hun kinderen te komen waarbij ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat dit door bordeelbezoek in het Rijksmuseum te Amsterdam wel mogelijk is.

Klacht 4. De aangeklaagde reclame is ten onrechte in strijd met goede smaak.

Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Neem de BordeelscŤne van Nicolaus KnŁpfer, ťťn van de leermeesters van Jan Steen. Dat is een losbandig tafereel, maar het is natuurlijk moralistisch bedoeld. En dat biedt weer openingen voor gesprekken over normen en waarden, desnoods bloemen en bijen - we doen maar een wilde suggestie - de verlokkingen des levens.

De positie van een vader in het familierecht is totaal uitgehold. Bordeelbezoek in het Rijksmuseum kan onmiddellijk een grond zijn voor een moeder om de omgangsregeling tussen vader en kinderen stop te zetten omdat in de rechtspraak niet aan waarheidsvinding wordt gedaan. Gelet op de positie van een vader in het Nederlandse familierecht is het in strijd met goede smaak om een gescheiden vader met een omgangsregeling een keer in de 14 dagen aan te zetten tot bordeelbezoek in het Rijksmuseum

Klacht 5. De aangeklaagde reclame is ten onrechte in strijd met het fatsoen.

Gescheiden vaders, neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Neem de BordeelscŤne van Nicolaus KnŁpfer, ťťn van de leermeesters van Jan Steen. Dat is een losbandig tafereel, maar het is natuurlijk moralistisch bedoeld. En dat biedt weer openingen voor gesprekken over normen en waarden, desnoods bloemen en bijen - we doen maar een wilde suggestie - de verlokkingen des levens.

De positie van een vader in het familierecht is totaal uitgehold. Bordeelbezoek in het Rijksmuseum kan onmiddellijk een grond zijn voor een moeder om de omgangsregeling tussen vader en kinderen stop te zetten omdat in de rechtspraak niet aan waarheidsvinding wordt gedaan. Gelet op de positie van een vader in het Nederlandse familierecht is het in strijd met het fatsoen om een gescheiden vader met een omgangsregeling een keer in de 14 dagen aan te zetten tot bordeelbezoek in het Rijksmuseum.

Zelf heb ik er de volgende klachtonderdelen eraan toegevoegd met als onderbouwing de uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.

Klacht 6. De aangeklaagde reclame is ten onrechte gevaarlijk voor een veilige toekomst van kinderen in Nederland.

Onderbouwing. De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.

Klacht 7. Bij de aangeklaagde reclame is ten onrechte sprake van oneerlijke concurrentie.

Onderbouwing. De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.

Klacht 8. Er zit ten onrechte een verborgen agenda achter deze reclame.

Onderbouwing. De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.

Klacht 9.

De reclame is in strijd met de 'De Kinderreclame Wijzer - Handleiding voor verantwoorde kinderreclame'.

Amsterdam, 23 februari 2005: De Stichting Reclame Code en Stichting Reklame Rakkers hebben besloten samen te werken en introduceren binnenkort 'De Kinderreclame Wijzer - Handleiding voor verantwoorde kinderreclame'. De Kinderreclame wijzer is een pro-actief hulpmiddel voor het bedrijfsleven en de communicatiebranche en geeft aanwijzingen over het kader waarbinnen verantwoorde kinderreclame kan worden gecreŽerd. Het kader wordt vastgesteld op basis van de huidige bepalingen in de Nederlandse Reclame Code aangevuld met de uitkomsten van het recentelijk gepresenteerde onderzoek van Stichting Reklame Rakkers, in combinatie met bestaand wetenschappelijk onderzoek, naar de commerciŽle kennis en vaardigheden van kinderen. De Kinderreclame Wijzer is gericht op reclame in alle media en in al zijn vormen voor kinderen tot 14 jaar.

 

Ik onderbouw ieder van de bovengenoemde klachtonderdelen met het verwijt aan het Rijksmuseum te Amsterdam dat het Rijksmuseum in de gewraakte reclame een verschil maakt tussen gescheiden vaders door primair niet gescheiden moeders in dezelfde advertentie te noemen. Secundair. Het Rijksmuseum in de gewraakte advertentie niet het woord ouders heeft gebruikt in deze advertentie. 

Door de positie van gescheiden vaders in de gewraakte advertentie expliciet te benadrukken is de gewraakte reclame volgens klager klachtwaardig.

 

In onderbouw mijn klacht met de volgende documenten op de website www.burojeugdzorg.nl/index.htm

De uitgangsformule van de website Censuur in Nederland.
In Nederland worden onafhankelijke producerende bedrijven en personen financieel uitgekleed en kapot gemaakt om de gesubsidieerde hulpverlening en de elite steeds verder te verrijken". Met  een verborgen agenda kan een kleine groep van voorname mensen (elite) burgers in dit land hun wil opleggen. Zij  maken door het onder elkaar verdelen van vrijwel alle belangrijke posities bij overheden, bedrijfsleven, media en politiek hier feitelijk de dienst uit.

In onderbouw mijn klacht met de volgende documenten op de website www.burojeugdzorg.nl/185.htm

Deskundigenrapport 185.

Welke documenten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

Een kopie van de website van het Rijksmuseum over BordeelscŤne gemaakt op 1 maart 2005.

BordeelscŤne, mogelijk episode uit een toneelstuk

ScŤne in een bordeel. Vier mannen vermaken zich in een bordeel. Links ligt een man op bed tussen twee vrouwen, in de rechterhand een glas. Op tafel staan twee mannen uit het venster te kijken. Een vierde man valt op de voorgrond dronken van zijn stoel terwijl hij zijn zwaard probeert te trekken. Naast hem staat een vrouw met een luit. Links op de voorgrond een grote wijnkoeler met een wijnrank.

Titel

BordeelscŤne, mogelijk episode uit een toneelstuk

Titel

BordeelscŤne (verkorte titel)

Kunstenaar

KnŁpfer, Nicolaes  (schilder)

Collectie

schilderijen  

Objectnaam

schilderij

Materiaal

paneel

Periode

tweede kwart 17e eeuw

Periode

derde kwart 17e eeuw

Opschrift

signatuur linksonder bij de druivenrank: NKnŁpfer

Datering

ca. 1645 tot ca. 1655

Afmeting

hoogte: 60 cm   breedte: 74.5 cm   diepte: 5.2 cm

Verwervingswijze

schenking

Datum verwerving

1981

Standplaats

extern

Objectnummer

SK-A-4779

 

Het gevaar! Bij het indienen van de klacht kon ik ten onrechte niet ALLE REGELS vinden op de website van de Reclame Code Commissie waaraan reclame moet voldoen. Hieronder verzoek ik de Stichting Reclame Code dit gevaar op te heffen. Na toegang tot ALLE REGELS verzoek ik indien nodig toe te staan de klacht verder te onderbouwen.

"In de Nederlandse Reclame Code is een veelheid van regels vastgelegd waar reclame aan moet voldoen. De Code bestaat uit een Algemeen Gedeelte en een Bijzonder Gedeelte. In het Algemeen Gedeelte wordt onder meer bepaald dat reclame niet mag misleiden en niet in strijd met de waarheid mag zijn. Ook subjectieve normen zijn in dit gedeelte opgenomen. Zo mag reclame niet nodeloos kwetsen en niet in strijd zijn met de goede smaak en het fatsoen. Het Bijzondere Gedeelte bevat bijzondere reclamecodes met de bijbehorende bepalingen ten aanzien van specifieke producten en diensten. Deze bepalingen gelden als aanvulling op het Algemene Gedeelte van de Nederlandse Reclame Code."

Op uw website heb ik gezocht naar de veelheid van regels vastgelegd waar reclame aan moet voldoen. Ik kon dat niet vinden. Ik verzoek u onverwijld aan mij mee te delen op welke website van de Stichting Reclame Code ik ALLE REGELS kan vinden waar reclame aan moet voldoen om mijn klacht nog beter te kunnen formuleren en te onderbouwen.

Indien NIET ALLE REGELS waaraan reclame moet voldoen op uw website te vinden zijn verzoek ik u beleefd aan mij mede te delen waarom ALLE REGELS niet op uw website staan om het voor gewone burgers makkelijker te maken klachten beter geformuleerd in te dienen met een grotere kans om een ingediende klacht gegrond te verkrijgen.

Op uw website heb ik gezocht naar een complete lijst van ALLE LEDEN die in de klachtencommissie van de Stichting Reclame Code zitten. Ik kon dat niet vinden. Ik verzoek u onverwijld aan mij mede te delen op welke website van de Stichting Reclame Code ik alle namen van ALLE LEDEN met hun nevenfuncties kan vinden of een complete lijst van namen onverwijld naar mij toe te sturen zodat ik, indien daar aanleiding voor is, bezwaar tegen een bepaald lid kan maken.

Ik geef een voorbeeld. Op 1 maart heb ik een kopietje gemaakt van zijn bijbanenopgave van de heer V. Hij is voorzitter van het College van Beroep van de Reclame Code Commissie. Naar deze heer V. is ook de V-norm genoemd. Deze heer V. is dus direct te linken aan de tekst van de aangeklaagde advertentie en ik heb er als klager dus bezwaar tegen als hij in beroep deze klachtzaak zou gaan behandelen. 

Op 1 maart 2005 heeft klager per e-mail een kopie van onderstaande klacht gestuurd naar het Rijksmuseum naar het e-mailadres sales@rijksmuseum.nl De klacht is dus bij het Rijksmuseum bekend. De klacht is gepubliceerd op de website www.burojeugdzorg.nl/363.htm

In afwachting van de ontvangstbevestiging van deze klacht en de gevraagde informatie, verblijf ik,

hoogachtend,

 

J. Hop.

Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo. E-mail j.hop3@chello.nl

 

Voorbereiding klachtzaak! Check Mr. H.J.M. Boukema raadsman Rijksmuseum Amsterdam. Hij blijkt advocaat en rechter-plaatsvervanger te zijn

22 De informatie bij Mr. H.J.M. Boukema opgenomen in het openbaar bijbanenregister rechterlijke macht op internet wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

 

 

Voorbereiding klachtzaak! Check op elite en rechtersleger. Wie hebben er bijbaantjes bij het Rijksmuseum Amsterdam?

Dr. H.H.F. Wijffels
Voorzitter Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm. Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Voorzitter Sociaal-economische Raad

Mw. prof. mr. I.P. Asscher-Vonk
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm. Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Hoogleraar sociaal recht Radboud Universiteit Nijmegen

Het gevaar! Mr. A.S. Fransen van de Putte, onderbouwing lid van rechtersleger en de beruchte Nederlandse Orde van advocaten
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm. Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Advocaat Van Doorne

Het gevaar! Wim Kok, onderbouwing gewezen wordt op zijn gevaarlijke uitspraken jegens Pim Fortuyn
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm. Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Minister-president van augustus 1994 tot juli 2002

Mw. drs. P.M. Noordervliet-Bol
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm. Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Auteur

Mr. A. Ruys
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm. Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Voorzitter Raad van Bestuur Heineken N.V.

Drs. W.M.J.Pijbes
Lid Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam
Memo deskundigenrapport 185.
363 De Rijksmuseum Amsterdam-norm. Raad van Toezicht Rijksmuseum Amsterdam: "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel. Moeders zijn vindingrijker om leuke dingen met kinderen te doen dan vaders"
Directeur Kunsthal Rotterdam

Bij het Rijksmuseum Amsterdam zit een rechter in de Raad van Toezicht. Wordt een rechter als raadsman namens het Rijksmuseum ingezet om de klacht van Hop ongegrond te verklaren bij de Reclame Code Commissie met een rechter als voorzitter

Het rechtersleger is dus op alle fronten vertegenwoordigd om klachten van buitenaf tegen het Rijksmuseum Amsterdam te onderdrukken. Drie rechters, drie verschillende bijbaantjes die nu te linken zijn aan het Rijksmuseum Amsterdam.

Op 14 juni 2005 kijk ik dus even de namen van de personen die bij het Rijksmuseum in de Raad van Toezicht zitten na ik zie dat daar een advocaat bij zit. De norm voor het werk van de advocaat is liegen en bedriegen" om kost wat kost gelijk te krijgen en ik kijk dus even snel ik het bijbanenregister Amsterdam. Bingo deze advocaat die bij de Raad van Toezicht bij het Rijksmuseum zit blijkt een rechterlijk ambtenaar uit Amsterdam te zijn en representatief voor de beroepsgroep besodemietert hij de boel met zijn bijbanenopgave en verzwijgt in zijn bijbanen opgave dat hij ook advocaat is bij van Doorne:

Kopie bijbanenopgave 14 juni 2005.

 

dhr. mr. A.S. Fransen van de Putte

Beroepsgegevens

Functie:

Raadsheer-plaatsvervanger

Instantie:

Gerechtshof Amsterdam

Datum ingang :

21-06-1993

Nevenbetrekkingen

Functie:

Lid Raad van Toezicht

Instantie:

Rijksmuseum

Plaats:

Amsterdam

Datum ingang:

01-07-2003

Functie:

Voorzitter

Instantie:

LOHC-bestuur

Datum ingang:

01-11-2002

Functie:

Voorzitter medezeggenschapsraad

Instantie:

Stedelijk Museum Leiden

Plaats:

Leiden

Datum ingang:

01-09-2001

Functie:

Voorzitter commissie van beroep

Instantie:

Stichting Calamiteitenfonds Reisgelden

Datum ingang:

01-01-1999

Functie:

Voorzitter commissie van beroep

Instantie:

Stichting Garantiefonds Reisgelden

Datum ingang:

01-01-1996

Functie:

Commissaris

Instantie:

m.n. Lions B.V.

Datum ingang:

01-01-1990

 

 

Voorbereiding klachtzaak! Check namen en nevenfuncties van de leden Reclame Code Commissie en Commissie van Beroep

Hop nodigt u uit uw kennis over nevenfuncties van onderstaande leden in gratis informatie voor andere burgers om te zetten door deze informatie op juistheid te controleren, verder te verbeteren door die informatie met gegevens aan te vullen?


(21) Mr E.E. Aberson Lid Reclame Code Commissie aangewezen de Consumentenbond

(21) Dr. J.H.J. Aders, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders, Rabobank Nederland, Eindhoven

(22) Mr C.A.A.M. Barge-Coebergh, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de Consumentenbond

(22) Mr D.H. Beukenhorst Voorzitter Reclame Code Commissie

(22) A.J.M. Boerma, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Uitgeversmaatschappij De Telegraaf BV, Amsterdam

(22) Mr J.J. Born, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, BSUR Concepting B.V., Amsterdam

(22) P. Boswinkel, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, DialogKHY, Amstelveen

(23) Drs. P. van der Chijs, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Verenigde Noord-Hollandse Dagbladen BV, Alkmaar

(26) Mr J.P. Fokker Voorzitter Reclame Code Commissie

(28) Mr M. van Hees-van Walraven Voorzitter Reclame Code Commissie

(28) W. Huinder, , Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders,  Retail & Communicatie, Amsterdam

(30) Mr P.J. Jansen, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Audax Publishing BV, Gilze

(31) Prof. Mr J.J.C. Kabel Voorzitter Reclame Code Commissie

(32) D.C. van der Lecq, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, Van Walbeek Etcetera, Amsterdam

(32) Drs. R.C. Leijns, , Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders,  ABN/Amro Bank NV, Amsterdam

(32) Mr M.E. Leijten Voorzitter Reclame Code Commissie

(32) M.Lieferink, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, DDB Amsterdam, Amstelveen

(33) H. van der Meer, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de media, PCM Dagbladen, Amsterdam

(33) W.L.Th.A. van der Meer Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders

(34) Th.D. Nobels, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, PMSvW/Young & Rubicam, Amsterdam

(35) Mr F.W. Obertop, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, N.U.V., Amsterdam

(36) W. van der Palm, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Ster, Hilversum

(36) Mr J.A.J. Peeters Voorzitter Reclame Code Commissie

(36) Mr J.T. Peters Lid Reclame Code Commissie aangewezen de Consumentenbond

(38) J. Rademaker, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, Euro RSCG Human-I, Schiphol

(38) Mr P.R. Rodrigues Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de Consumentenbond

(38) I. Roefs, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, DDB Amsterdam, Amstelveen

(39) A. Schellinkhout, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, NormadBlend reclamebureau, Schiphol-Rijk

(39) Mr W.A.M. van Schendel Voorzitter College van Beroep Reclame Code Commissie

(39) D. Schor, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, A.N.W.B. Media, ’s Gravenhage

(39) Mr J.R.A. Schouten Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus

(39) L.G. Schram , Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders

(39) G.C. Sluis , Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders

(39) Mr R.A. van Sluyters van Nimwegen Lid Reclame Code Commissie aangewezen de Consumentenbond

(39) Mr F.T.M. Smulders, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders Essent Milieu Zwolle

(39) R.J. Steetskamp,  Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders,  Campina Nederland Holding BV, Zaltbommel

(39) H.C. Straat, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, Uitgeversmaatschappij De Limburger BV, Sittard

(40) Mr E.C.W. Timmermans, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de media, N.U.V., Amsterdam

(40) P.G. Tramontin, Lid College van Beroep Reclame Code Commissie aangewezen door de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, DDB Amsterdam, Amstelveen

(42) Drs. R. Verhaar, Lid Reclame Code Commissie aangewezen door de BVA bond van adverteerders,  ING, Amsterdam

(42) R. Visser, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, Euro RSCG BLRS, Amstelveen

(42) Mr J.M. Vrakking Voorzitter College van Beroep Reclame Code Commissie

(43) J.M.F.M. Waaijer, Lid Reclame Code Commissie aangewezen de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus, Nijgh, Rotterdam

(43) Mr M.M. Wolff Lid Reclame Code Commissie aangewezen de Consumentenbond

 

Voorbereiding klachtzaak! Check Skip Intro Reclamebureau Rijksmuseum Amsterdam: "Zoals wij graag mogen zeggen: there's no such thing as bad publicity"

1700205 Skipintro wint wedstrijd Telegraaf en het Rijksmuseum Amsterdam krijgt een gratis een 1/1 pagina full colour ter waarde van 70.000 Euro "Gescheiden vaders neem uw kinderen vanmiddag eens mee naar het bordeel"

Wij waren altijd al zondagskinderen, maar nu helemaal. Skipintro heeft met een advertentie voor Het Rijksmuseum de wedstrijd gewonnen die de Telegraaf uitschreef voor de zondageditie. Wij mogen nu een weekend naar Londen; dat is altijd leuk, maar nog leuker: de klant krijgt gratis een 1/1 pagina full colour ter waarde van 70.000.

http://www.skipintro.nl/nieuws/media/rijksmuseum_bordeelscene.pdf

Af en toe hebben we een nieuwtje soms zijn we zelf in het nieuws.Hieronder een overzicht van alles wat onze moeders hebben ingeplakt. Zoals wij graag mogen zeggen: there's no such thing as bad publicity.

Recent nieuws

Nieuwsarchief

Wij waren altijd al zondagskinderen, maar nu helemaal. Skipintro heeft met een advertentie voor Het Rijksmuseum de wedstrijd gewonnen die de Telegraaf uitschreef voor de zondageditie. Wij mogen nu een weekend naar Londen; dat is altijd leuk, maar nog leuker: de klant krijgt gratis een 1/1 pagina full colour ter waarde van 70.000. De opdracht van de Telegraaf was: "pak een van je klanten en bedenk de beste zondaginhaker ooit". Dus spendeerde Skipintro weer eens een middag in het museum - altijd leuk - en kreeg in Zaal 11 ineens last van een idee. Daar hangt namelijk het even prachtige als vermakelijke schilderij van Nicolaus KnŁpfer. Bekijk dat online hier en u begrijpt meteen hoe wij op het winnende idee kwamen. Wat u daar niet ziet, maar wel moet weten is dat Mont Blanc razendsnel de lithografie deed. Bekijk de advertentie (pdf).

 

 

Wie is die mr. P.E.C. Ancion-Kors van de Reclame Code Commissie eigenlijk en wat voor nevenfuncties heeft zij (gehad)?

 

Wie is wie?

Directeur mr. P.E.C. Ancion-Kors van de Reclame Code Commissie werkte bij hetzelfde advocatenkantoor als de raadsman van het Rijksmuseum Amsterdam De Brauw & Westbroek te Den Haag in de klachtzaak Hop tegen Rijksmuseum Amsterdam.

Prisca Ancion-Kors (SRC, the Netherlands) - SRO Vice Chairman

Prisca Ancion-Kors has been the Managing Director of the Stichting Reclame Code - SRC (Dutch Advertising Code Foundation) since 1990.

She holds a Law degree from the Vrije Universiteit of Amsterdam and previously worked at the international law firm of De Brauw & Westbroek in The Hague and Amsterdam. Prisca is a member of the editorial staff of an Advertising Law publication series and has written many articles on advertising and self-regulation in The Netherlands. She is also a member of the Board of Appeal of the Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (Netherlands Internet Domain Registry Foundation).

Prisca was Chairman of the EASA Board of Directors between 1997 and 1999.

 

EUROPEAN ADVERTISING STANDARDS ALLIANCE
Ancion-Kors, directeur van de Stichting Reclame Code, benoemd tot voorzitter van de European Advertising Standards Alliance (EASA).
In 1997 werd een werkbezoek gebracht aan Bonn en Londen, teneinde meer inzicht te krijgen in het Duitse en Engelse systeem. In verband met de Europese eenwording is het van belang op de hoogte te zijn van de verschillende systemen opdat een soepele samenwerking in geval van klachten betreffende grensoverschrijdende reclame kan plaatsvinden.

 

Two new members appointed to SIDN Management Board
On 16 May 2002, Prisca Ancion-Kors and Kees Prins were appointed to the SIDN Management Board, each for a period of three years. They succeed Piet Beertema and Ted Lindgreen.

Prisca Ancion-Kors has been Managing Director of the Advertising Code Foundation since November 1989. She is also a member of the Executive Committee of the Brussels-based European Advertising Standards Alliance (EASA) and a member of the editorial committee responsible for Kluwer’s Praktijkboek Reclamerecht (Practical Handbook on Advertising Law). Prior to her appointment to SIDN’s Management Board, Ms Ancion-Kors worked on the foundation’s Appeals Body.

Kees Prins is a founder-partner in M&I/Partners. M&I represents a group of consultancies that together offer management-support services in almost all information and technology-related fields. Over the last fifteen years, M&I has become one of the Netherlands’ leading consultancy operations. Kees Prins holds a number of positions in addition to the chairmanship of the M&I group’s Management Board. These include sitting on the Management Board of ISOC-NL.

Farewell to Piet Beertema and Ted Lindgreen
Along with Boudewijn Nederkoorn, Piet Beertema and Ted Lindgreen were the men behind SIDN’s creation on 30 January 1996. As the representative of the Centre for Mathematics and Informatics, Piet Beertema had previously been responsible for the issue of ‘.nl’ domain names since 25 April 1986. This responsibility was transferred to SIDN in January 1996, since which time Beertema has been a member of the foundation’s Management Board. Ted Lindgreen has been SIDN’s Secretary since the foundation came into being.

 

Raad van Toezicht

De Raad van Toezicht van SIDN, die uit minimaal zes en maximaal negen personen bestaat, kent de volgende samenstelling:

  • Eddy Schuyer, voorzitter 1e Kamerfractie D66, voorzitter bestuur DeltaBouman (voorzitter RvT SIDN);

  • Fred Eisner, onafhankelijk adviseur en voormalig bestuursvoorzitter NLIP;

  • Erik Huizer, directeur Business Development NOB en voormalig lid IAB;

  • Rob Matthijssen, lid Raad van Commissarissen TGG, voormalig IT manager Shell en voorzitter BTG;

  • Hanneke Slager, partner van het advocatenkantoor Cordemeyer & Slager Advocaten te Haarlem;

  • Christiaan van der Valk, ondernemer Internet Veiligheid en voormalig medewerker ICC;

  • Michiel Westermann, oprichter Pink Elephant, CEO Motek BV.


Bijzonder Raadgevers

  • Piet Beertema

  • Ted Lindgreen

  • Boudewijn Nederkoorn

Bedrijf SIDN

Vanaf 1 december 2004 zijn er drie afdelingen binnen SIDN:

Registratie & Services – Het epicentrum van alle controles, registraties, mutaties, etc. U belt of mailt met deze afdeling wanneer u vragen heeft over uw registraties. Relatiebeheer en de communicatie met deelnemers wordt ook door deze afdeling verzorgd.

ICT – Deze afdeling is verantwoordelijk voor het beschikbaar maken en houden van de .nl zone op het internet. Ook is zij verantwoordelijk voor ontwikkeling, onderhoud, exploitatie en beheer van alle overige ICT Services die nodig zijn voor SIDN, zowel intern als extern.

Policy & Business Development – Verantwoordelijk voor de naming policy van SIDN. Nieuwe ontwikkelingen worden door deze afdeling opgepakt en de wens van de lokale internet-gemeenschap wordt getoetst.


Het bedrijf SIDN bestaat uit:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Het tweede Kroondebat, Of: ’n varend lunchtafelgesprek, Publicatie in Business Haaglanden & Business Amsterdam

Communicatiebureau VWM/TOPIQ, Business Haaglanden en Business Amsterdam organiseerden op vrijdag 10 december het tweede Kroondebat met als thema de houding van de communicatiebranche ten opzichte van de multiculturele samenleving. Net als het eerste Kroondebat was het een discussie tussen aanbieders van reclame-, marketing-, pr- en andere communicatiepartners en anderen die dagelijks te maken hebben met het thema van het debat. Voor het tweede Kroondebat was weer afgesproken op een niet-alledaagse plek. Een varende dit keer, en wel de vissermanaak BINT. In het vooronder van het schip wachtte de goed gedekte tafel op haar gasten.
door Marjon Burger
De auto’s werden achtergelaten langs het IJ, waarna de deelnemers van het tweede Kroondebat voorzichtig een andere wereld betraden. Eenmaal aan boord van de traditionele vissermanaak, schudden de deelnemers elkaar vast de hand en namen een welkomstdrankje in ontvangst. De cateraars Anne-Marth en Gijs waren al druk in de kombuis, dat veelbelovende geuren verspreidde. De lunch zou tijdens het zeilen geserveerd worden, binnen in het vooronder. Enigszins opgelucht waren de deelnemers hier wel over, want al was het prachtig weer, koud was het zeker.

Neem plaats
De tafel voor het tweede Kroondebat was gedekt voor acht deelnemers plus de voorzitter in de persoon van Dick van Nes , directeur van trainings- en adviesbureau Gooiconsult, die de discussie alert en met verve leidde. Van Nes nam zelf nauwelijks de kans te genieten van de geweldige vissoep, die op tafel kwam met knapperig brood en een mooie roux. De getuigen (in de vorm van fotograaf en schrijvers) konden tot hun vreugde ook ‘een aardappeltje meeprikken’

Tafelgenoten
Dankbaar voor de gezellige warmte binnen in het schip zijn de volgende deelnemers aan het tweede Kroondebat aangeschoven: Prisca Ancion-Kors directeur Reclame Code Commissie, Steve Badloe directeur Imamin Food, Engine Celikbas CEO Kessels Kramer, Frits van Exter hoofdredacteur Trouw, Jacomien de Leeuw directeur instituut de Leeuw, Koos Mosterd partner VWM/TOPIQ, Herman Nieuwenhuis partner Lindblom en Arjan Pomper directeur Universal Media. Dick van Nes vraagt of de deelnemers zich willen voorstellen en wellicht vermelden wat zij hebben met het thema van dit debat.

Van sociaal hart tot poldermoslim
Engine Celikbas : ‘Kessels Kramers is een internationaal communicatiebureau, waar mensen werken van verschillende nationaliteiten en culturen. Het is een onderneming met een goed ontwikkeld sociaal hart. Het onderwerp van het debat speelt duidelijk binnen ons bureau.’ Grinnikend voegt hij toe: ‘Daarbij denk ik dat ik ben uitgenodigd omdat ik van Turkse afkomst ben en moslim.’ Naast hem zit Steve Badloe . ‘Ik probeer het merk Imamin Food neer te zetten als een merk voor moslims, de doelgroep is in Nederland 10% van de markt. Wij leveren een productenrange van kant en klare maaltijden en gerechten tot babyvoeding die moslims kunnen eten, omdat ze volgens halal bereid zijn. Multi culti dus. Zelf ben ik van Hindoestaans Surinaamse achtergrond en noem mezelf een Poldermoslim.’

Je mond houden wellicht?
Herman Nieuwenhuis : ‘Met een PR adviesbureau als Lindblom heb je uiteraard steeds te maken met de multiculturele samenleving waarin je werkt. Concreet betekent dat bijvoorbeeld dat als we met een project voor StiVA (Stichting Verantwoord Alcoholgebruik) bezig zijn, we speciaal ook moslimjongeren uitnodigen om aan de tafel te zitten. Simpel omdat zij door hun moslimachtergrond specifieke ideeŽn hebben over alcohol. Ik merk dat er aan bedrijven de laatste tijd andere communicatieadviezen gegeven worden. Daarnaast vraag ik me af of we de discussie over de dood van Van Gogh moeten betrekken in deze discussie.’ Koos Mosterd haakt erop in: ‘Na Van Gogh is er heel veel, direct gereageerd uit veel verschillende hoeken. Veel kretologie is bepaald door communicatie in de media. Maar een vraag is: Hoe kijkt de communicatiebranche tegen deze ontwikkelingen in de samenleving aan? Hoe zou je iets kunnen bijdragen? Misschien moet je je mond wel houden en naar jezelf kijken.’ 

In de reclame mag je al jaren niet alles zeggen
Prisca Ancion-Kors heeft een heldere uiteenzetting: ‘In de reclame mag al jaren niet zomaar alles gezegd en getoond worden. Daaraan zijn wij allemaal al lang gewend. Er zijn allerlei beperkingen bij reclame voor alcohol en bijvoorbeeld de ja/nee sticker op de brievenbus. En andere onderwerpen zijn in de loop der jaren weer toegestaan. Zoals blote borsten in de reclame, die werden in de jaren ’60 verboden, later mochten ze alleen in zeepreclames, weer later waren de borsten toegestaan als ze een functie hadden en inmiddels is de beperking losgelaten. Zoiets evalueert in de tijd.’ Komen er de laatste tijd meer klachten bij de reclamecodecommissie binnen? ‘Nee, heb ik niets van gemerkt. Zowel de hoeveelheid als de sterk variŽrende ernst van de klachten is gelijk gebleven.’ Jacomien de Leeuw is naar eigen zeggen bezorgd. Ze werkt in Amsterdam als onderwijskundige met jongeren die door allerlei factoren uitvallen. ‘Wat mij opvalt is een gebrek aan communicatie binnen de gezinssituatie. Dat zou een reden kunnen zijn dat ik jongeren soms zodanig ongenuanceerde uitspraken hoor doen, dat mijn haren ervan te berge rijzen.’

'De media' bestaan niet
Frits van Exter is bezig met de actualiteit op dagelijks niveau. Hij is vooral nieuwsgierig. Waar hij zich aan stoort is de geluiden dat de media ongenuanceerd zijn en een slechte invloed hebben op de situatie zoals die ook is ontstaan na Van Gogh. ‘De media bestaan niet. We nuanceren ons rot, maar dat moet je dan wel lezen. Dus wie kritiek wil hebben, moet de krant, het artikel of het tv programma dan maar met name noemen. Daarbij komt dat lezers niet altijd goed onderscheid maken in journalistiek en andere communicatie. En kunnen ze door humor en satire heenkijken?’

Reclame is in principe verdacht Terug naar de vraag of je als communicatiebranche iets moet doen aan de maatschappelijke ontwikkelingen in de multiculturele samenleving. Prisca Ancion-Kors vindt van niet: ‘De reclame moet geen trendsetter proberen te zijn. Op maatschappelijk gebied moet je volgen.’ Engine Celikbas: ‘Reclame is in principe verdacht. Dus kun je daar minder impact van verwachten dan bijvoorbeeld muziek. Maar daarnaast vind ik dat je in je vak zeker verantwoordelijkheden hebt.’ Andere deelnemers vallen hem bij: ‘Inderdaad neem je verantwoordelijkheid voor jezelf en ook voor je klanten.’ Een aantal wil nog verder gaan: ‘als reclamemakers zich gaan engageren, zit er nu eenmaal ijdelheid bij. De eindconclusie luidt dat je niet collectief als branche iets positiefs kan bijdragen aan de ontwikkelingen in onze samenleving. En particuliere initiatieven worden slechts gewaardeerd als ze zuiver en transparant zijn. Inmiddels heeft schipper Laurens het gezelschap weer veilig teruggeloodst, en begeven de deelnemers van het tweede Kroondebat zich naar hun auto. Dank aan de deelnemers voor een geanimeerd debat, dat eigenlijk vier kantjes tekst zou beslaan.

 

 

AANGEPASTE BESLUITVORMINGSSTRUCTUUR VOOR AANNAME EN EVALUATIE VAN RECLAMECODES DOOR STICHTING RECLAME CODE RECLAMECODE VOOR VOEDINGSMIDDELEN AANGENOMEN

Amsterdam, 3 juni 2005, dit is een origineel persbericht

De Stichting Reclame Code heeft op 2 juni 2005 een aangepaste besluitvormingsstructuur vastgesteld voor het aannemen van nieuwe bijzondere reclamecodes. Nieuwe bijzondere reclamecodes zullen in principe tot standkomen in een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van het betreffende bedrijfsleven en de Consumentenbond, onder leiding van een neutrale voorzitter.
Uitgangspunt daarbij is het streven naar consensus. Ook de evaluatie van bestaande bijzondere reclamecodes zal op deze wijze gebeuren.
Door deze structuur blijven zelfregulering en het bereiken van een maatschappelijk draagvlak ook in de toekomst de basis vormen van de Stichting Reclame Code.

Reclamecode voor Voedingsmiddelen onderdeel Nederlandse Reclame Code

Het bestuur van de Stichting Reclame Code heeft op verzoek van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) de Reclamecode voor voedingsmiddelen aanvaard.
Omdat de Consumentenbond, lid van het bestuur van de Stichting Reclame Code, de beperkingen die in de Reclamecode voor voedingsmiddelen zijn opgenomen niet vergaand genoeg vindt, heeft deze Code niet de instemming van de Bond.
De Reclamecode voor Voedingsmiddelen zal evenwel als bijzondere reclame code worden aangehaakt bij de Nederlandse Reclame Code.

De Code treedt met ingang van 2 juni 2005 in werking en zal na 1 jaar - conform de nieuwe besluitvormingsstructuur - worden geŽvalueerd.

De Stichting Reclame Code heeft tot doel te bewerkstellingen dat op verantwoorde wijze reclame wordt gemaakt. Om deze doelstelling te bereiken heeft Stichting Reclame Code regels opgesteld waaraan reclame dient te voldoen: de Nederlandse Reclame Code. De controle op de naleving van de regels wordt verricht door de Reclame Code Commissie en in appel, door het College van Beroep.
Voor nadere informatie: Mr . P.E.C. Ancion-Kors, directeur, Stichting Reclame Code, Postbus 12352, 1100 AJ AMSTERDAM0 696.00.19

 

 

 

 

Kamervragen

Vragen van het lid Van der Staaij (SGP) aan de minister van Justitie en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen , Dhr. Van der Ploeg, over mevrouw Venekatte en de Reclame Code Commissie
(Ingezonden 20 juni 2002)

1
Hebt u kennisgenomen van het proefschrift van mw. L. Venekatte, “Open normen in de reclame’?

2
Hoe oordeelt u over de belangrijkste conclusies van het proefschrift, namelijk dat in het optreden van de Reclame Code Commissie een aantal structurele onvolkomenheden waar te nemen is (geen deugdelijke motivering van uitspraken, in veel gevallen geen consistentie tussen uitspraken, geen eenduidig bewijs met betrekking tot het te leveren bewijs? bent u van mening dat dit de rechtszekerheid van de partijen en de status van de RCC niet ten goede komt?

3
Wat is uw opvatting over de suggesties van mr. Venekatte ter verbetering van het functioneren van de RCC waar het gaat het om de consistentie van uitspraken, expliciete bewijscriteria en het zich conformeren van de RCC aan rechtelijke uitspraken?

4
Zal deze instelling gezien de enorme hoeveelheid uitspraken van de RCC in de achterliggende jaren niet in een duidelijke behoefte voorzien? Bent u bereid te overwegen om, mede gezien de conclusies van mr. Venekatte, de Reclame Code en de positie van de RCC op te nemen in een wettelijke regeling?

 

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Postbus 20018, 2500 EA Den Haag

Uw brief van 24 januari 2004

Uw kenmerk 2040506670

vragen van het lid Halsema
Hierbij zend ik u, het antwoord op de vragen van het lid Halsema van uw Kamer over op kinderen gerichte Reclame.
De vragen werden mij toegezonden bij uw bovenaangehaalde brief met kenmerk 2040506670.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (mr. Medy C. van der Laan) OCW 051
Antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Halsema van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, over op kinderen gerichte Reclame.

1. Kent u het recente onderzoek van de Stichting “Reclame Rakkers” naar de ontvankelijkheid van kinderen tot 12 jaar voor Reclame?
Antwoord: Ja

2. Ziet u in dit onderzoek aanleiding om uw verzet tegen een experiment met een reclamevrij kinderblok op televisie te staken?

Antwoord: De conclusies van het onderzoek wijken mijn inziens niet af van hetgeen ik hierover in mijn brief van november 2003 aan de Kamer uiteen heb gezet (Kamerstukken II, Op grond van een uitgebreide inventarisatie van wetenschappelijke onderzoeken op dit terrein, heb ik aangegeven dat kinderen ontvankelijk kunnen zijn voor Reclame. Daarbij is een onderscheid geconstateerd tussen jonge kinderen (tot 7 Š 8 jaar) en oudere kinderen (8 tot 12 jaar) in mogelijke mate van vatbaarheid voor Reclame. Het onderzoek van Reclame Rakkers sluit hierbij aan. Uit onderzoek blijkt dat ontvankelijkheid van Reclame en het leren doorzien ervan meer afhankelijk is van leeftijd en sociale omgeving dan van reclameconfrontatie. Mede op grond daarvan heb ik de conclusie getrokken dat het uitvoeren van een experiment met een reclamevrij kinderblok niet effectief is. Op grond van het bovenstaande zie ik vooralsnog geen aanleiding voor een experiment.

3. Welke maatregelen bent u in reactie op dit onderzoek van plan te nemen, bijvoorbeeld om aan kinderen uit te leggen wat Reclame is?

Antwoord: In bovenvermelde brief heb ik aangegeven dat ik het van belang acht dat kinderen opgevoed worden tot kritische consumenten. Scholen zijn hierbij de plek bij uitstek waar kinderen kunnen leren een kritische kijk op allerlei onderwerpen te ontwikkelen en waar onderwerpen als deze aan bod kunnen komen. Om scholen hiertoe te stimuleren zal ik het initiatief Reclamerakkers financiŽle steun bieden.

4. Heeft u sinds uw brief over een reclamevrij jeugdblok van 18 november 2003 waarin u aangaf dat de Reclame Code Commissie (RCC) gebaat is bij een meer diverse samenstelling, bijvoorbeeld door het opnemen van onafhankelijke deskundigen; maatregelen genomen om dit te bewerkstelligen? Zo ja, welke? Zo neen, waarom is dit niet gebeurd?

Antwoord: Hierover is overleg met de Stichting Reclame Code (SRC) geweest. Daarbij is inzichtelijk gemaakt dat de Reclame Code Commissie is samengesteld uit onafhankelijke generieke juristen die na ontvangst van een klacht beoordelen of een norm uit de Nederlandse Reclame Code is overtreden. Twee partijen, te weten de klager en de adverteerder zijn als het ware met elkaar in discussie en een onafhankelijke partij, de RCC, beslist welke partij gelijk heeft. Klachten over Reclame gericht op kinderen kunnen adequaat worden beoordeeld op basis van reeds in de code opgenomen normenzoals misleiding, goede smaak en fatsoen. Daarnaast gelden er specifieke normen in bijzondere reclamecodes zoals Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken en Reclamecode voor Casinospelen en kansspelautomaten. De RCC beschikt dus over de deskundigheid en onafhankelijkheid die nodig is om te beslissen of een Reclame-uiting al dan niet in strijd is met de Nederlandse Reclame Code. Daarnaast kan de RCC ambtshalve of op verzoek van partijen ťťn of meer deskundigen horen. De Reclame Code Commissie functioneert als een rechter, die indien nodig zich kan laten bijstaan door ofhankelijke deskundigen op specifieke terreinen. In de praktijk wordt hier ook gebruik van gemaakt.

5. Heeft u sinds het verschijnen van genoemde brief Łberhaupt stappen genomen om een strenger reclameregime voor kinderen onder 7 jaar te bewerkstelligen? Zo ja, welke? Zo neen, waarom is dit niet gebeurd?

2959 Antwoord: De Nederlandse Reclame Code is gebaseerd op de code van ICC (International Chamber of Commerce). Alle leden van EASA (European Advertising Standards Alliance) baseren hun zelfreguleringcodes op de ICC Code. Binnen Europa wordt ťťn norm gehanteerd ten aanzien van de leeftijd van kinderen en minderjarigen. De huidige normen bieden voldoende houvast om er voor te zorgen dat kinderen onder de 12 jaar, dus ook kinderen van 7 jaar, niet met vormen van Reclame worden geconfronteerd die in strijd zijn met de normen uit de Nederlandse Reclame Code. De RCC kan er nu al voor zorgen dat voor kinderen ongeschikte Reclame niet wordt uitgezonden op tijdstippen waarop kinderen meestal kijken. Juist door het stellen van ( open normenzoals goede smaak en fatsoen heeft de RCC altijd de mogelijkheid direct te reageren op wat er in de maatschappij leeft. Niettemin zal SRC samen met de Stichting Reclame Rakkers bekijken of de huidige normendie in Europa en de NRC worden gehanteerd op grond van de bevindingen uit het onderzoek nader geconcretiseerd kunnen worden.

3201 6. Heeft u bij het bestuderen van de diverse reclameregimes rond kinderen in andere EU lidstaten ook
3218 onderzocht welke positieve effecten deze regimes opleveren en wat Nederland daarvan kan
3235 overnemen? Zo neen, waarom niet?
3270 Antwoord: Omdat het bewijs voor positieve effecten van een strenger Reclame regime ontbreekt,
3287 kunnen ook geen meetbare positieve effecten worden aangetoond. Vanuit de wetenschap is ook
3304 aangegeven dat verschil in gedragingen en houdingen van kinderen in landen met een strenger
3322 reclameregime, in vergelijking met landen met een minder streng reclameregime, vrijwel onmogelijk
3339 betrouwbaar te meten is. De effecten van Reclame zijn namelijk niet te isoleren van andere effecten op
3356 kinderen in nationaal verband noch van maatschappelijke en culturele verschillen tussen landen.
3408 7. Zijn door de RCC extra regels vastgesteld met als doel het vermijden van op kinderen gerichte
3425 Reclame met gewelddadige, seksuele of angstwekkende elementen, naar het voorbeeld van de
3442 aanvullende regels die de Ster hanteert? Zo neen, waarom niet?
3477 Antwoord: Nader onderzoek naar de praktijk en uitspraken van de RCC heeft aangetoond dat de
3494 huidige normenin de Nederlandse Reclame Code voldoende houvast bieden om te voorkomen dat
3511 gewelddadige, seksuele of angstwekkende elementen op kinderen worden gericht. De RCC stelt
3529 regelmatig voorwaarden aan het tijdstip van uitzending van Reclame-uitingen waarin sprake is van
3546 gewelddadige, seksuele of angstwekkende elementen. Het feit dat de Ster ervoor heeft gekozen om uit
3563 eigen beweging op dit punt aanvullende regels op te stellen is in lijn met zijn publieke karakter.
3597 8. Zijn door de RCC regels toegevoegd die leiden tot een beperking van het aantal identieke reclames
3615 per uur tijdens kinderprogramma’s voor met name jonge kinderen? Zo neen, waarom niet?
3649 Antwoord: De RCC toetst Reclame-uitingen alleen op inhoud en niet op kwantiteit. Beperking van het
3667 aantal identieke reclames per uur betekent het opleggen van een kwantiteitslimiet. Dit zou via de weg
3684 van de Mediawet vastgelegd moeten worden. In de praktijk zijn bij de SRC overigens nooit klachten
3701 binnengekomen over de frequentie van identieke reclames binnen een bepaald tijdsbestek. Ook vind ik
3718 dat verdere wettelijke beperkingen van Reclame niet wenselijk is. Ik zie daarom op dit moment geen
3735 reden om aan de Mediawet een dergelijke regel toe te voegen.
3787 9. Welke stappen heeft u gezet ter invoering van het algemeen, dat wil zeggen niet alleen door de Ster,
3804 toepassen van het zogenaamde “prť-copy-systeem”, waarbij een adverteerder die twijfelt of een
3822 Reclame-uiting voldoet aan de Reclame Code, deze Reclame op voorhand door de Reclame Code
3839 Commissie kan laten toetsen?
4171 Antwoord: De Stichting Reclame Code wordt sinds 2004 op een nieuwe wijze gefinancierd. Dit biedt de
4188 SRC waarschijnlijk financiŽle ruimte om op termijn vormen van prť-copy-diensten aan te bieden aan
4205 het bedrijfsleven. Daardoor worden adverteerders in staat gesteld om op een verantwoorde wijze
4222 Reclame te maken. Prť-copy-diensten zijn bijvoorbeeld pro-actieve monitoring van Reclame-uitingen
4240 door de stichting zelf. Ook kan vrijwillig copy-advies worden ingewonnen. SRC heeft het voornemen
4257 allereerst een monitoring-unit op te zetten en wanneer deze goed functioneert en het bedrijfsleven
4274 daar behoefte aan heeft de unit uit te bouwen met een vrijwillige copy-advisering. De verwachting is
4291 dat binnen een jaar hiermee gestart kan worden.
4343 10. Hoe verhoudt in uw ogen het belang van het kind zich tot het belang van de commerciŽle
4360 omroepen, gezien uw vaststelling in genoemde brief dat het toepassen van een reclamevrij kinderblok
4378 voor commerciŽle omroepen niet realistisch is, aangezien Reclame de belangrijkste inkomstenbron
4395 voor deze omroepen is en een dergelijke maatregel het bestaansrecht van kinderzenders als Foxkids,
4412 Yorkiddin’ en Nickelodeon/Kindernet regelrecht zou bedreigen?
4447 Antwoord: Het is mijn inziens niet een kwestie van een keuze uit het een of ander maar van een goede
4464 balans. In mijn brief heb ik de volgende mogelijke gevolgen van een dergelijk experiment uiteengezet.
4481 Indien de eis van een reclamevrije kinderblok zou gelden voor zowel publieke als commerciŽle
4498 omroepen zullen commerciŽle Nederlandse kinderzenders als Foxkids en Nickelodeon niet meer
4516 kunnen bestaan. Bovendien zal een dergelijke beperking alleen kunnen gelden voor (kinder)zenders die
4533 onder Nederlandse bevoegdheid vallen. Dat geldt bijvoorbeeld nu al niet voor RTL 4 en 5. Ook is niet
4550 ondenkbaar dat in zo’n situatie andere commerciŽle zenders vanuit het buitenland (waar minder
4567 strenge regels gelden) zullen gaan opereren. Verder zal een dergelijk experiment voor de publieke
4585 omroep betekenen dat door de wegvallende reclamegelden een verschraling van onder meer de
4602 kinderprogrammering kan plaatsvinden. Ik ben daarom vooralsnog van mening dat - afgezien van het
4619 geringe effect- kinderen daarmee niet zijn geholpen.
4671 11. Hebt u naast het project “Reclame Rakkers” nog andere maatregelen in voorbereiding om kinderen
4688 tegen Reclame te beschermen? Zo ja welke? Zo neen, waarom niet?
4723 Antwoord.: In de branche zelf zijn sinds het afgelopen jaar positieve ontwikkelingen te signaleren op
4740 het gebied van kinderen en Reclame. Zo hebben de brancheorganisaties VAI (voedingsmiddelen) en de
4757 STIVA (alcoholhoudende dranken) ieder een gedragscode opgesteld op het gebied van Reclame en
4774 minderjarigen. De bedoeling is dat deze codes op korte termijn zullen worden geÔntegreerd in de
4792 Nederlandse Reclame Code. Verder hebben begin 2004 de Bond van Adverteerders (BvA), de
4809 Vereniging van communicatieadviesbureau’s (VEA) en het Genootschap voor Reclame (GVR) het
4826 samenwerkingsverband Centrum voor Merk en Communicatie (CMC) opgericht. Een van de doelen van
4843 het CMC is om signalen uit de maatschappij met betrekking tot Reclame in de zelfregulering mee te
4860 nemen.
4878 Op grond van het bovenstaande gaat mijn voorkeur vooralsnog uit naar inspanningen vanuit de
4895 branche om waar nodig de zelfregulering te verbeteren.

 

Promotie-onderzoek

Wat is de norm voor 'bloot'?

 

Met een klacht over reclame kan bijna iedereen er terecht. Gratis of voor weinig geld. De rechter neemt de uitspraken van de Reclame Code Commissie doorgaans serieus. Conclusie: de RCC doet het zo slecht nog niet.

Toch is er wel wat af te dingen op de uitspraken, vindt juriste Liesbeth Venekatte die alle zaken tussen 1982 en 2000 -zesduizend in totaal- onderzocht. De RCC motiveert haar uitspraken slordig en de rechter neemt ze nogal eens klakkeloos over, concludeert zij. Voor klager ťn adverteerder mag het allemaal wel wat helderder, zodat ze ook juridisch sterker staan. Venekatte promoveert op 20 juni aan de faculteit Techologie & Management, op haar proefschrift 'Open normen in de reclame'.

Bloot in de reclame is een treffend voorbeeld, aldus Venekatte: 'Dat was sinds 1985 volgens de Reclame Code Commissie maatschappelijk geaccepteerd. In 1996 moest het functioneel zijn, anders kon het echt niet door de beugel. Vanaf 1997 was het opeens weer maatschappelijk aanvaard. Ook werd redelijk grof taalgebruik toen toelaatbaar. Geen van deze beleidswijzigingen is toegelicht.' De RCC motiveert slordig, aldus Venekatte, en dat komt de rechtszekerheid van de partijen en de status van de RCC en het College van Beroep niet ten goede.

Bij de 'open normen' die Venekatte heeft onderzocht, gaat het over dit soort fatsoensnormen, maar in belangrijker mate gaan ze over 'misleiding'. Daarnaast rangschikt zij onder open normen 'strijd met algemeen belang', 'bedreiging van de gezondheid', 'schending van het vertrouwen in de reclame' en 'appelleren aan angst'. Met een klacht kan iedereen bij de Reclame Code Commissie terecht, op basis van het recht op vrije meningsuiting. De bij de RCC aangesloten reclamebureaus, adverteerders en media hebben zich verplicht tot het nakomen van de uitspraken. Is een schade of dreigende schade aan de orde, dan kan de klager ook naar de rechter stappen.

Juriste Venekatte spitte alle uitspraken van de RCC en het College van Beroep door, in de periode 1982-2000. Maar liefst zesduizend waren dat er: 'De RCC en het College van Beroep voorzien dus duidelijk in een vraag. Maar de uitspraken zijn in veel gevallen niet consistent en lijken een sterk ad hoc karakter te hebben.'

Ook de rechter blijkt de waarde van de RCC-uitspraken niet altijd in het goede perspectief te zien, en maakt nogal eens de fout ze klakkeloos als maatgevend te beschouwen.

Aan de andere kant wil de RCC wel eens roomser zijn dan de paus als het gaat om gezondheidsclaims die in reclame-uitingen worden gelegd. Moet een alom gerespecteerde merknaam als 'Pleegzuster Bloedwijn' nu echt wijken voor een eigen RCC-code voor alcoholhoudende dranken, is het niet gewoon helderder daar de misleidingscriteria op los te laten? Onnodige betutteling moet voorkomen worden, en enige deregulering is hier juist op zijn plaats, aldus Venekatte.

Om helderheid te scheppen heeft Venekatte in haar proefschrift een checklist opgenomen waaraan uitspraken zouden moeten voldoen.

Mr. Liesbeth Venekatte (1967, Enschede) heeft haar promotie-onderzoek gedaan bij de leerstoel Bedrijfsrecht van haar promotor prof.mr.dr. Antoni Brack. Venekatte is nu verbonden aan de rechtbank in Almelo.

 

 

Ministerie van Onderwijs

   

Cultuur en Wetenschappen

 

Europaweg 4

Postbus 25000

2700 LZ Zoetermeer

Telefoon (079) 323 23 23

Telefax (079) 323 23 20

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

   
 

Uw brief van

Ons kenmerk

Contactpersoon

Zoetermeer

       
 

MLB/M/2001/48.019

 

10 december 2001

 

Onderwerp

 

Doorkiesnummer

 

Persbeleid

 
 
 

1.   Inleiding

 

De perssector is een belangrijke bedrijfstak, waar men gewend is aan grote getallen.

Zo verschijnen er dagelijks ruim 4,4 miljoen kranten in ons land (betaalde oplage) en nog eens circa 700.000 gratis kranten. Elke week vinden ruim 19 miljoen tijdschriften hun weg naar de lezers. In totaal werken in de uitgeefsector circa 22.000 personen. De totale dagbladomzet (abonnementen, losse verkoop en advertenties) beliep in 2000 ruim ƒ 4,4 miljard; bij de consumenten- en vaktijdschriften was dat  bijna ƒ 2,5 miljard. Kortom, een industriŽle activiteit met grote betekenis.

De pers is echter mťťr dan een industriŽle activiteit. Zij vervult van oudsher een cruciale functie bij de informatievoorziening en opinievorming over een breed scala van maatschappelijke en politieke vraagstukken ten behoeve van het algemeen publiek in ons land. De politieke erkenning van het belang van die functie komt tot uitdrukking in onze Grondwet, waarin de vrijheid van drukpers wordt gewaarborgd. 

In het kabinetsstandpunt inzake Grondrechten in het digitale tijdperk (2000) staat het als volgt geformuleerd: Een pluriform informatieaanbod vormt de spil waarop een open en democratische samenleving draait. Voorkomen moet worden dat de vrije meningsuiting door de afwezigheid van een pluriforme informatievoorziening feitelijk wordt uitgehold. Indien de markt op dit punt tekortschiet, dient de overheid hier actief en voorwaardenscheppend op te treden, opdat de mogelijkheden om van de uitingsvrijheid gebruik te maken worden vergroot. De zorgverplichting werkt hierbij naar twee kanten: enerzijds worden burgers in staat gesteld om hun mening te uiten, terwijl anderzijds burgers de beschikking hebben over pluriforme informatie. 
 
 

In het huidige beleid van de overheid ziet men de actieve opstelling van de overheid op dit terrein onder meer terug in de financiering van de publieke omroep, de steunverlening aan persorganen door middel van het Bedrijfsfonds voor de Pers, het bieden van garanties voor een diverse programma-aanbod op de kabel, het bevorderen van een evenwichtig aanbod van commerciŽle radio in de ether en het tegengaan van concentraties in de mediasector.1 

De overheid rekent het nadrukkelijk tot haar taak om een actief, voorwaardenscheppend mediabeleid te voeren ter stimulering van de pluriformiteit, niet alleen op terrein van de omroep, maar ook op dat van de pers. Dit specifieke persbeleid van de overheid heeft als doelstelling: het beschermen en stimuleren van de verscheidenheid in de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming van de Nederlandse bevolking.2  Dit beleid krijgt op diverse manieren gestalte.

Zo krijgen uitgevers van persorganen zoveel mogelijk de gelegenheid om zich multimediaal te ontplooien. Zie de ontwikkeling van uitgeverijen in de richting van multimedia-concerns, met activiteiten op terrein van pers, commerciŽle omroep en nieuwe media, zoals die zich de afgelopen jaren heeft voltrokken.

Anderzijds worden, uit oogpunt van mededinging en pluriformiteit, grenzen gesteld aan de mate waarin concerns door middel van concentraties en cross-ownerships marktaandelen op de diverse terreinen van media en informatievoorziening kunnen verwerven.

Een belangrijk instrument van de overheid ter bescherming en stimulering van de verscheidenheid in de pers is het Bedrijfsfonds voor de Pers, dat werd opgericht in 1974 en een wettelijke basis kreeg in de Mediawet van 1988. Als zelfstandig bestuursorgaan heeft het Bedrijfsfonds expliciet tot doel het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming.3  De werkingssfeer van het Bedrijfsfonds en het instrumentarium waarover het beschikt om deze doelstelling te realiseren, staan omschreven in de Mediawet.4 

In de achter ons liggende jaren hebben zich binnen de samenleving ingrijpende veranderingen voorgedaan, die het wenselijk maken om het overheidsbeleid jegens de pers te herijken. Het gaat daarbij niet alleen om sociale veranderingen - individualisering, vergrijzing, ontlezing, toename van etnisch-culturele minderheden - maar ook om economische en technologische ontwikkelingen binnen en buiten de perssector. Die hebben ertoe geleid dat de werkingssfeer en het instrumentarium van het Bedrijfsfonds niet langer toereikend zijn om de centrale doelstelling, handhaving en stimulering van pluriformiteit in het informatieaanbod, op de drempel van de 21e eeuw adequaat gestalte te geven. Deze brief bevat een aantal voorstellen ter aanpassing van werkingssfeer en instrumentarium van het Bedrijfsfonds voor de Pers. 
 
 
 
 
 
 

Geruime tijd geleden is, met de opkomst van radio en televisie, een einde gekomen aan de monopoliepositie van de gedrukte media waar het gaat om de publieke informatievoorziening.  

De laatste jaren komt regelmatig de vraag aan de orde of de gedrukte media, en dan met name de dagbladen, aan het eind van hun levenscyclus zijn gekomen. Daarbij wijst men op de dalende dagbladoplagen, de ontlezing onder jongeren en de toenemende concurrentie die de krant ondervindt van andere (nieuws)media.

Hoewel dit reden tot zorg kan zijn is het anderzijds niet goed te voorspellen in welke richting en met welke snelheid deze ontwikkelingen zullen voortgaan. McKinsey analyseert in zijn recente rapport over de nieuwe-mediastrategie van de publieke omroep dat het nog 3 tot 5 jaar kan duren voordat de veranderingen echt grote invloed gaan hebben op het mediagebruik en de marktverhoudingen.5 De groei van de zogeheten nieuwe media kan wisselvallig worden genoemd en leidt niet rechtstreeks tot aanwijzingen dat de gedrukte media worden gemarginaliseerd, kwantitatief noch kwalitatief. 

De pluriforme informatievoorziening door de pers met name gaat het dan om dagbladen, nieuwsbladen en opiniebladen maakt deel uit van de totale informatievoorziening binnen onze samenleving en vervult daarbinnen zon wezenlijke rol dat ook de komende jaren een specifiek persbeleid deel behoort uit te maken van het bredere mediabeleid c.q. informatiebeleid van de overheid.  Diverse Europese landen kennen een specifiek persbeleid. In de bijlage bij deze brief wordt een actueel overzicht daarvan gegeven. 

Het lijkt verstandig om de ontwikkeling van de perssector nauwkeurig te volgen en het specifieke persbeleid adequaat aan de wijzigende omstandigheden te toetsen en eventueel aan te passen. Daartoe dient ook deze brief. 
 

  1.   Een actuele schets van het Nederlandse perslandschap
 

Het specifieke persbeleid heeft betrekking op die categorieŽn van persorganen, die bij uitstek van belang zijn voor de informatie en opinievorming. In de praktijk gaat het dan met name om dagbladen, nieuwsbladen en opiniebladen. Deze persorganen bevatten in belangrijke mate nieuws, analyse, commentaar en achtergrondinformatie over een gevarieerd deel van de maatschappelijke actualiteit, mede in het belang van politieke meningsvorming.6  Daarmee is niets gezegd ten nadele van andere categorieŽn persorganen zoals vaktijdschriften, omroepbladen  en publieksbladen, maar hiermee is wel aangegeven tot welke bladen de specifieke overheidszorg zich uitstrekt. De hierna volgende schets van het Nederlandse perslandschap heeft dan ook uitsluitend betrekking op dagbladen, nieuwsbladen en opiniebladen. 

Dagbladen

Tussen 1990 en 1994 steeg de gezamenlijke krantenoplage naar circa 4,7 miljoen exemplaren. Daarna trad een fase van stabilisatie in; de laatste paar jaar vertoont de dagbladoplage een (geleidelijke) achteruitgang naar ruim 4,4 miljoen exemplaren (2000).

Tabel 1.    Dagbladen in Nederland (2000) 7    

                                                   oplage                              abonnement                  losse verkoop  

De Telegraaf

        781.550

     627.250     80.3 %

  154.300      19.7 %

Algemeen Dagblad

        353.378

     292.274     82.7 %

    61.104      17.3 %

De Volkskrant

        343.064

     294.339     85.8 %

    48.725      14.2 %

NRC Handelsblad

        266.429

     250.272     93.9 %

    16.157        6.1 %

Trouw

        125.352

     114.220     91.1 %

    11.132        8.9 %

Reformatorisch Dagbl.

          58.023         

       57.830     99.7 %

         193        0.3 %

Nederlands Dagblad

          32.006

       31.595     98.7 %

         411        1.3 %

       

Landelijke dagbladen

     1.959.802

  1.667.780     85.1 %

   292.022     14.9 %

       

Regionale dagbladen8

     2.362.727   

   

Speciale dagbladen9

        109.094

   

        Totaal

     4.431.623

               Ca.   90  %   

              Ca.  10  %

 

Sedert de zomer van 1999 kennen we een nieuw fenomeen in dagbladland: de gratis krant, die op werkdagen verspreid wordt onder reizigers van het openbaar vervoer. Het begon met de ochtendbladen Metro en Sp!ts en naderhand is daar de middagkrant News.nl bijgekomen, die inmiddels weer van de markt is verdwenen. De twee gratis kranten hebben inmiddels een gezamenlijke oplage van circa 700.000 exemplaren per dag bereikt (april 2001).

Hun komst lijkt (nog) geen grote invloed te hebben gehad op de oplagecijfers van de reguliere dagbladen: de eerder genoemde stagnatie en daling zetten zich immers in voordat de gratis kranten op de markt verschenen. Voor dit verschijnsel zijn twee verklaringen mogelijk: het kan zijn dat de gratis kranten veelal gelezen worden door personen die daarnaast ook een betaalde krant lezen; het kan ook zijn dat de gratis kranten veelal gelezen worden door personen die voorheen (nog) geen kranten lazen. Waarschijnlijk spelen beide factoren een rol.

Aangenomen mag worden dat de gratis kranten op den duur zullen leiden tot een verdere afkalving van de oplagecijfers van de betaalde kranten, waarbij bepaalde titels gevoeliger lijken voor deze prijsconcurrentie dan andere. 
 
 
 
 
 
 
 

Nieuwsbladen

Een korte omschrijving van nieuwsbladen luidt: het zijn lokale kranten, die ten minste 1 keer en ten hoogste 5 keer per week verschijnen. Bij de NNP, de organisatie van lokale nieuwsmedia, zijn meer dan 100 plaatselijke kranten aangesloten,  met een gezamenlijke oplage van bijna 2 miljoen exemplaren.10  Ongeveer de helft van de bij de NNP aangesloten kranten verschijnt op abonnementsbasis.  Nieuwsbladen worden, net als dagbladen, tegen betaling uitgegeven en moeten daarom niet verward worden met de eveneens lokaal verschijnende gratis huis-aan-huisbladen.

De NNP-nieuwsbladen worden uitgegeven door 51 uitgeverijen, waarvan 44 niet een onderdeel zijn van een groot dagbladconcern.  

Tabel 2.     Nieuwsbladen met de hoogste oplage (1999)11

Meppeler Courant

      18.915             verschijnt 3 keer per week

Peel en Maas                                                             

      11.880                               1

Soester Courant

      11.700                               1

Woerdense Courant

      10.935                               1

De Katwijksche Post

      10.800                               1

Hoogeveensche Courant

        9.581                               2

Doornse Krant

        8.893                               1

Woudenberger/Scherpenzeelse Krant

        8.700                               1

Hoog en Laag (Renkum)

        8.355                               1  

Nieuwsblad van Noord-Oost Friesland

        8.250                               2

Opiniebladen

Met deze categorie persorganen worden die bladen bedoeld die bij uitstek gericht zijn op het verstrekken van analyse, commentaar en opinies ten aanzien van actuele maatschappelijke ontwikkelingen, zowel nationaal als internationaal. Het tonen van samenhang tussen ontwikkelingen, het verhelderen van achtergronden en het bepalen van de eigen plaats bij de gebeurtenissen (opinie) vormen de belangrijkste uitgangspunten voor de redacties van deze bladen.

Meest bekend zijn de traditionele opinieweekbladen: Elsevier, Vrij Nederland, HP/De Tijd en De Groene Amsterdammer. Hun gezamenlijke oplage per nummer bedraagt circa 253.000 exemplaren.12

De opiniebladen moeten in toenemende mate vechten om de aandacht van het publiek en ondervinden concurrentie door het uitdijend aanbod van dagbladen: de  gespecialiseerde katernen over cultuur, economie en wetenschap alsmede de weekend-magazines die bij diverse kranten verschijnen. 
 
 
 
 
 

Daarnaast verschijnt er een groot aantal week- en maandbladen, die in meer of mindere mate aandacht besteden aan actuele maatschappelijke ontwikkelingen en daarbij gericht zijn op het algemeen publiek of op bepaalde doelgroepen: vrouwen, jongeren, ouderen, minderheden.

Zij dragen op die manier bij aan de pluriformiteit van de informatievoorziening, maar ze worden doorgaans niet gerekend tot de specifieke categorie van opiniebladen. 

3.     Ontwikkelingen die relevant zijn voor het persbeleid

 

De afgelopen jaren hebben zich ontwikkelingen voorgedaan op terrein van de pers zelf, die van belang zijn voor het persbeleid. Daarnaast zijn er bredere maatschappelijke, economische en technologische ontwikkelingen die ook relevant zijn voor het toekomstig persbeleid.

In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens aan de orde: de concentratietendens binnen de dagbladsector; de ontlezing bij jongeren en minderheden; distributieproblemen, met name bij de dagbladen; opkomst van internet en veranderend mediagebruik; verschuivingen op de advertentiemarkt.

3.1.     Concentraties in de dagbladsector

 

De afgelopen jaren heeft een sterke concentratie in de dagbladsector plaats gevonden. Meest in het oog springend waren de verkoop van de VNU-dagbladen aan Wegener en het Telegraaf-concern in 2000 en de overname van de Nederlandse Dagblad Unie (NDU) door PCM in 1995, waarmee vier van de vijf grote landelijke dagbladen onder ťťn dak kwamen.  Dat levert het volgende beeld op. 

Tabel 3.    Marktaandelen binnen de Nederlandse dagbladpers (2000)13 

                                   2000                    1999                    1998                      1997                   1996

PCM

       30.36

        30.32      

        30.55

        30.46

        30.33

Telegraaf Hold.

       29.76

        25.78

        25.53

        24.85

        24.23

Wegener

       27.95

        14.85

        14.98

        15.91

        14.55

Noordelijke Dg

        6.75

         6.71

          6.73 

          6.62

          6.64

Financieel Dg.

        1.41

         1.20

          1.08

          0.98

          0.92

Reform. Dg.

        1.31

         1.30

          1.28

          1.21

          1.19

Nederl. Dg

        0.72

         0.74

          0.68

          0.64

          0.63

Friesch Dg

        0.45

         0.47

          0.47

          0.48

          0.46

Cobouw

        0.42

         0.41

          0.41

          0.40

          0.39

Agrarisch Dg

        0.40

         0.45

          0.49

          0.46

          0.48

BDU

        0.25

         0.26

          0.26

          0.23

          0.23

Staatscourant

        0.24

         0.25

          0.26

          0.29

          0.28

VNU-Dagbl.

          -

       17.27

        17.28

        17.47

        17.28

PZC

          -

           -

            -

            -

          1.28

Gooi/Eemland

          -

           -

            -

            -

          1.09

 
 

De concentratietendens binnen de Nederlandse mediasector-in-ruime-zin heeft  in 1998 geleid tot instelling van de commissie-mediaconcentraties.14  Deze commissie bracht in 1999 het rapport Profijt van Pluriformiteit uit.15  Ten aanzien van de dagbladpers merkt de commissie op: De concentratie op de dagbladenmarkt  is in de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen, zowel gezien de vermindering van het aantal aanbieders als de vermindering van het aantal titels in veel deelmarkten. Een verdergaande concentratie acht de Commissie onwenselijk. Zij zal door de NMa getoetst worden. (…) Zij zal in voorkomende gevallen op basis van een analyse van de relevante markt oordelen over de toelaatbaarheid van concentraties.16  De Commissie benadrukt dat haar conclusies en aanbevelingen gezien moeten worden tegen de achtergrond van de grote dynamiek die de markt van informatie, telecommunicatie en media kenmerkt. Adviezen dragen dan per definitie een tijdgebonden karakter. De Commissie beveelt daarom aan om de media-ontwikkelingen in brede zin voortdurend nauwlettend te volgen. 

In het kabinetsstandpunt over het advies van de commissie-mediaconcentraties17 wordt kortelings uiteengezet hoe het persbeleid van de overheid gericht is op handhaving en bevordering van de pluriformiteit binnen de (dagblad)pers. Met betrekking tot het vraagstuk van generiek dan wel specifiek toezicht op mediaconcentraties merkt het kabinet op dat algemeen mededingingstoezicht het uitgangspunt is bij voldoende marktwerking.

De door de Commissie aanbevolen monitoring van media-ontwikkelingen heeft het kabinet opgedragen aan het Commissariaat voor de Media, gelet op de positie die het Commissariaat in de media-ontwikkelingen in brede zin inneemt waar het gaat om pluriformiteit en onafhankelijkheid.

Doel van deze monitoring is, ontwikkelingen die de pluriformiteit en onafhankelijkheid van de informatievoorziening (kunnen) bedreigen, vroegtijdig te onderkennen opdat de maatschappelijke en politieke beoordeling daarvan min of meer permanent plaats kan vinden en niet achter de feiten aan loopt. De thematiek van pluriformiteit en onafhankelijkheid van de informatievoorziening is van een andere orde dan alleen de (economische) mededingingsaspecten. Dat is ook naar voren gekomen in diverse commentaren op het advies van de commissie-mediaconcentraties. 

De Tweede Kamer steunde het kabinetsstandpunt en drong aan op een snelle start van de monitoring. Het Commissariaat voor de Media is inmiddels volop hiermee bezig.

Het Commissariaat zal jaarlijks aan het parlement een overzicht aanbieden van zijn bevindingen betreffende (concentratie)ontwikkelingen op het terrein van media en informatie. Het eerste rapport wordt februari 2002 verwacht.

Uiteraard kan het Commissariaat ook tussentijds berichten, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het is vervolgens aan de toezichthouders, NMa en OPTA, en andere overheidsinstanties om op basis van die informatie eventuele maatregelen te nemen. 
 
 
 

Tijdens het wetgevingsoverleg media op 26 november 2001 spraken diverse woordvoerders hun zorg uit over de voortgaande concentraties in de mediasector, over de gevolgen daarvan voor de pluriformiteit en over de rolverdeling tussen de diverse instanties die hierbij een rol spelen. Hiervoor ben ik reeds ingegaan op de monitoring-rol van het Commissariaat voor de Media; het generieke toezicht op concentraties is opgedragen aan de NMa, terwijl de OPTA belast is met het specifieke toezicht op de telecomsector. Tenslotte is er het Bedrijfsfonds voor de Pers dat een specifieke taak heeft ter bescherming en stimulering van de pluriformiteit van de pers.18   
Tijdens het wetgevingsoverleg heb ik toegezegd dat ik hierover graag met de Kamer zal spreken op basis van deze persbrief, alsmede op basis van het monitoringrapport van het Commissariaat voor de Media.
 

In het wetgevingsoverleg is ook gesproken over de publiciteit rond PCM naar aanleiding van het zgn. advies-Bouw, dat voorstellen bevat voor wijziging van de zeggenschapsverhoudingen binnen het concern en pleit voor het voeren van een portfoliomanagement voor de diverse PCM-titels. Dit heeft geleid tot discussie over de redactionele identiteit en autonomie van de PCM-dagbladen, zowel binnen het concern als daarbuiten.

Vanuit de overheid bezien kunnen hierover op dit moment twee dingen gezegd worden.

In de eerste plaats is PCM een private onderneming. Het ligt derhalve niet voor de hand dat de overheid zich met de interne concernstrategie bemoeit. Dat is een zaak tussen de directie, de aandeelhouders en de betrokken redacties. Anderzijds is van belang dat de PCM-bladen een vooraanstaande plaats innemen binnen de dagbladsector, in het bijzonder op de landelijke dagbladmarkt. Vanuit de overheidszorg voor een pluriforme en onafhankelijke nieuwsvoorziening is dus aandacht voor deze ontwikkelingen op zijn plaats. Mocht daartoe aanleiding zijn, dan zal ik mij met PCM verstaan en de Kamer nader informeren.

Ik ga ervan uit dat de ontwikkelingen betreffende de pluriformiteit van de dagbladsector onderwerp van bespreking met de Kamer zullen zijn. In eerdergenoemd overleg werden enige suggesties gedaan, zoals subsidiŽring van het ANP of belastingverlagingen. Vanuit het uitgangspunt van de particuliere marktordening van deze sector zijn voorstellen voor zulke maatregelen van de kant van het kabinet niet te verwachten.

 

    1. Ontlezing bij jongeren en minderheden 

In weerwil van het gestegen opleidingsniveau en de vele leespromotie-activiteiten van diverse organisaties, besteedt de Nederlandse bevolking steeds minder vrije tijd aan lezen. Vooral onder jongeren is sprake van een drastische daling. Voor deze dalende populariteit van het lezen worden diverse verklaringen gegeven: er wordt meer (vrije)tijd besteed aan andere media: met name aan televisie en internet;  lezen strijdt in toenemende mate met andere vormen van vrijetijdsbesteding: met name sport en uitgaan; het sterk toegenomen informatie-aanbod men spreekt ook wel van een informatie-bombardement op de burger zou leiden tot afgenomen waardering voor het lezen; er zou sprake zijn van een afgenomen vermogen om informatie op zinvolle wijze te ordenen; last but not least wordt gewezen op de opvoedingsperiode als verklarende factor: kinderen en jongeren zouden van-huis-uit minder vertrouwd raken met lezen.19 
 

Sinds de Letterenbrief van 199020 is deze ontwikkeling de legitimatie geweest voor het nemen van gerichte maatregelen voor de instandhouding van een leescultuur. Het lezen van gestructureerde informatie (fictie en non-fictie) in de vorm van boeken, kranten en tijdschriften is nog steeds van groot belang voor de samenleving en voor het individu.

Er is voldoende aanleiding om het overheidsbeleid op het terrein van leesbevordering voort te zetten, met daarbij bijzondere aandacht voor doelgroepen als jongeren en allochtonen.21

In de Cultuurnota 2001-2004 is vastgesteld dat de Stichting Lezen een belangrijke taak heeft ten aanzien van de coŲrdinatie van activiteiten op het gebied van leesbevordering en die taak ook de komende jaren zal behouden. Stichting Lezen ontvangt jaarlijks ƒ 4,7 miljoen voor ontwikkeling van activiteiten ten behoeve van leesbevordering. In deze cultuurnotaperiode zal de effectiviteit van de door Stichting Lezen gesteunde projecten worden getoetst. 

De perssector ontplooit al jarenlang activiteiten om het lezen van kranten en tijdschriften onder schoolgaande jongeren te stimuleren22. In 1975 werd voor dit doel Stichting Krant in de Klas (KiK) opgericht. Via KiK kunnen docenten gratis twee weken lang alle landelijke en de regionale dagbladen uit de eigen regio op school bezorgd krijgen. Daarnaast maakt KiK lesmateriaal voor alle schooltypen en organiseert zij tal van activiteiten, zoals de Krantenfoto Kinderjury en de Nieuwsquizfinale. Hetzelfde geschiedt op tijdschriftgebied door Tijdschriften in de Klas (TiK). 

    1.      Distributieproblemen, met name bij dagbladen 

Kenmerkend voor het Nederlandse dagbladlandschap is de hoge abonnementsgraad, zowel bij de landelijke als bij de regionale kranten (circa 90%). Losse verkoop speelt eigenlijk alleen bij De Telegraaf, Algemeen Dagblad en De Volkskrant een substantiŽle rol.

Deze hoge abonnementsgraad vormt een illustratie van de sterke binding tussen krant en lezer, maar heeft ook een keerzijde: de bezorging aan huis. Elke dag weer moeten in een kort tijdsbestek bijna vier miljoen kranten hun weg vinden naar de abonnees. Daarvoor wordt traditioneel een sterk beroep gedaan op jongeren/scholieren. De krappe arbeidsmarkt en de grotere keuzemogelijkheden voor jeugdigen plaatsen veel uitgevers voor aanzienlijke problemen. Zij trachten dan ook andere categorieŽn bezorgers aan te boren.

Er is de afgelopen jaren veel energie en creativiteit gestoken in de werving van bezorgers (de jonge helden) en daarnaast wordt ook geŽxperimenteerd met gezamenlijke bezorging van dagbladen. Onlangs hebben PCM, De Telegraaf, Wegener en NDC (Noordelijke Dagblad Combinatie) een intentieverklaring getekend om tot een gezamenlijke bezorging te komen: de drie eerstgenoemde zullen beginnen met een proef in de gebieden in en rond Utrecht en Amersfoort. Bij succes zal de samenwerking zich over geheel Nederland gaan uitstrekken. Op dat moment zal ook de NDC toetreden en zal de samenwerking worden opengesteld voor de overige dagbladuitgeverijen. 
 
 
 
 

Het is duidelijk dat de bezorging een belangrijk aandachtspunt vormt voor de dagbladsector.

Gelet op het grote maatschappelijk belang is het noodzakelijk om in goed overleg tussen betrokken partijen een duurzame oplossing hiervoor te vinden. 

    1. Opkomst van internet en veranderend mediagebruik
 

De jaren negentig kenmerkten zich door uitbreiding en verbijzondering van het media-aanbod. Op de dagbladmarkt was sprake van (titel)concentratie, maar de tijdschriftsector bracht steeds weer nieuwe, gesegmenteerde titels voort. Op omroepgebied was sprake van een sterke toename van commerciŽle zenders (radio en televisie), zowel vanuit het buitenland als op de binnenlandse markt. Naast grote, algemene zenders deden ook doelgroep- en themakanalen hun intrede: CNN, MTV, Discovery, National Geographic, Euro-Sport, TMF, etc. Dit heeft grote gevolgen voor het programma-aanbod: zo bedroeg de totale zendtijd van de 3 Nederlandse zenders in 1988 nog 23 uur per dag, terwijl dat in 1998 was gegroeid naar 170 uur per dag, verzorgd door 10 Nederlandstalige zenders.

Meest in het oog springend is naast de sterke opkomst van de mobiele telefonie - de zeer snelle groei die het internet (world wide web) de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, wereldwijd en zeker in de meeste West-Europese landen. Internet herbergt een heel scala aan diensten: informatiepaginas, databanken, real audio (van muziekfragmenten tot complete radiostations) en real video, alsmede e-commerce. Andere functies van internet zijn Usenet (nieuwsgroepen),  e-mail en file transfer. 

Uiteraard heeft deze groei van het informatie-aanbod gevolgen gehad voor tijdbesteding en mediagebruik van de burgers/consumenten. Zo nam de gemiddelde kijktijd aanzienlijk toe: van 13 uur per week (1989) naar 19 uur per week (2000). De tijd die men besteedt aan radio luisteren is enigszins toegenomen: van 20 uur per week (1989) naar 22 uur per week (2000). Een opvallend fenomeen is de zogeheten ontlezing: de tijd die men besteedt aan het lezen van boek, krant of tijdschrift is over de periode 1975-1995 gestaag gedaald. Naar verwachting heeft deze dalende trend zich de afgelopen jaren voortgezet.23

De groei van het internetgebruik is indrukwekkend. Eind 2000 had 46% van de Nederlanders toegang tot internet, tegenover 4% in 199524. Internetters brengen gemiddeld ruim 7 uur per week door op het net. Het gebruik van computer en internet neemt toe in alle sociale categorieŽn. Jongeren, hoger opgeleiden en mensen met hogere inkomens hebben nog wel een voorsprong op ouderen, lager opgeleiden en mensen met lagere inkomens, maar geleidelijk vormt de internetbevolking een goede afspiegeling van de gehele bevolking. De eerste internetgebruikers -early adopters- brachten meer tijd op het internet door dan de huidige aanwas van nieuwe gebruikers de  volgers en terwijl de eerste groep veel gebruik maakte van file transfer, chatten en nieuwsgroepen, zijn tegenwoordig e-mail en het world wide web de meest gebruikte internet-functies. 
 
 
 

Het is lastig om te bepalen hoeveel tijd internet afsnoept van de overige media. Het eerder genoemde McKinsey-rapport over de nieuwe mediastrategie van de publieke omroep komt tot de stelling dat  het nog 3 tot 5 jaar zal duren voordat de veranderingen echt grote invloed gaan hebben op het mediagebruik en de marktverhoudingen.25 Waarschijnlijk zal het op den duur ten koste gaan van de tijd die besteed wordt aan tv-kijken, maar ook de teruglopende leestijd kan voor een deel op het conto van internet worden geschreven.

Het paradoxale zit natuurlijk in het feit dat het grootste deel van internetgebruik bestaat uit het raadplegen van informatiepaginas, databanken en e-mails: lezen dus !

Nog een paradox: de belangrijkste nieuws-sites op internet worden verzorgd door oude media zoals de (publieke) omroep en de (dagblad)uitgevers. Kennelijk is het vertrouwen van het publiek in deze gevestigde organisaties doorslaggevend in hun zoekgedrag naar nieuws op het internet.

Dat biedt omroep ťn uitgevers volop de kans om hun uitgeeffunctie ook in de nieuwe media gestalte te geven.  

    1. Verschuivingen op de advertentiemarkt
 

Een groot deel van de advertentiebestedingen gaat van oudsher naar de pers (dagbladen, nieuwsbladen, publiekstijdschriften), maar met name in de categorie merken & diensten ondervindt de pers in toenemende mate concurrentie van radio en televisie.

In bepaalde advertentiecategorieŽn heeft de pers vanouds een sterke positie: personeel, detailhandel, rubrieksadvertenties, huizenmarkt. Maar op deze terreinen doet met name het internet de pers stevige concurrentie aan. Een andere concurrentiebron is de toename van buitenreclame, direct mail en sponsoring. Al deze ontwikkelingen zetten de advertentie-inkomsten van de pers onder druk.

Die advertentie-inkomsten zijn van groot belang voor de exploitatie van de pers: bij de dagbladen was de exploitatie tot voor enkele jaren terug 50/50 gebaseerd op lezersinkomsten versus advertentie-inkomsten. De laatste jaren is de afhankelijkheid van reclame-inkomsten aanzienlijk toegenomen: voor het jaar 2000 geeft de NDP een verdeling van 41/59 over beide inkomstenbronnen.26  Bij de tijdschriften ligt de verhouding lezersmarkt/advertentiemarkt gemiddeld op 63/37, maar rond dat gemiddelde doen zich aanzienlijke variaties voor, die bepaalde tijdschriften sterk afhankelijk maken van hun advertentie-inkomsten.27

Overigens bestaat er een fraaie paradox wanneer het gaat om bedreiging van de krant door internet en nieuwe media: het blijkt dat internetaanbieders en communicatiebedrijven een zeer belangrijke categorie van adverteerders vormen voor de dagbladen. Om de nieuwe media te introduceren, zijn de oude media onontbeerlijk ! 

De advertentiemarkt is voor een belangrijk gedeelte conjunctuurgevoelig.  Dat ervaart niet enkel de (dagblad)pers, maar dat geldt ook voor de advertenties via radio en televisie. Het totale advertentievolume is gedurende de eerste helft van 2001 voor de landelijke dagbladen afgenomen met 9 % en voor de regionale met een kleine 3 %. Dit komt met name doordat de landelijke dagbladen altijd het eerst getroffen worden door de lagere bestedingen van nationale adverteerders. De daling wordt vooral veroorzaakt door teruglopende bestedingen van telecom- en  
 

IT-bedrijven.  Advertenties voor personeel en onroerend goed groeien nog steeds, zij het minder onstuimig dan in 2000. 28

Het is moeilijk om voorspellingen te doen over ontwikkelingen op de advertentiemarkt en over de verdeling van het totale reclamebudget over de diverse media: omroep, pers, direct mail, internet, buitenreclame, sponsoring. Vanwege de ontwikkeling van de (wereld)economie in de tweede helft van 2001 houden zowel pers als omroep rekening met vermindering van de reclame-inkomsten. 
 

  1.   Bedrijfsfonds voor de Pers: werkingssfeer en instrumentarium
 

Het Bedrijfsfonds voor de Pers werd in 1974 opgericht als Stichting en functioneerde op basis van statuten. Sedert 1 januari 1988 functioneert het Bedrijfsfonds voor de Pers op basis van de Mediawet als een zelfstandig bestuursorgaan.

Het Bedrijfsfonds heeft ten doel het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voorzover die van belang is voor de informatie en opinievorming. Om dat doel te realiseren kan het financiŽle steun verlenen aan persorganen, voor zover die vallen binnen de werkingssfeer van het Bedrijfsfonds,  zoals omschreven in de Mediawet29.  

Door de jaren heen heeft het Bedrijfsfonds aan een groot aantal persorganen steun verleend, zowel in de vorm van subsidie als in de vorm van kredieten30. Deze zogeheten individuele steunverlening beloopt over de periode 1974-2000 een totaalbedrag van circaƒ 42,5 miljoen, die ten goede kwam aan een 40-tal dagbladen, nieuwsbladen en tijdschriften: o.a. De Groene Amsterdammer, HP/De Tijd, Nederlands Dagblad, De Gay Krant, Nieuw IsraŽlitisch Weekblad, Het Parool,  Weekkrant Suriname, Trouw, De Waarheid, Friesch Dagblad, HN-Magazine en Yaprak Gazetesi.

Daarnaast heeft het Bedrijfsfonds over datzelfde tijdvak steun verleend aan een 30-tal onderzoekprojecten en gezamenlijke projecten van persorganen; hiermee was totaal ƒ 3,9 miljoen gemoeid. In het kader van de zogeheten Compensatieregeling voor Dagbladen keerde het Bedrijfsfonds in totaal ƒ 90 miljoen uit aan een 16-tal dagbladen.31 

De middelen van het Bedrijfsfonds voor de Pers zijn oorspronkelijk afkomstig uit de STER-opbrengsten. In de periode 1967 (invoering STER) tot en met 1976 vonden dotaties plaats. In verband met de Compensatieregeling voor Dagbladen werden ook in de jaren 1983, 1985, 1987 en 1988 dotaties gedaan.  

Na invoering van binnenlandse commerciŽle omroep (1991) bepaalt de staatssecretaris van OCenW welk percentage van de reclame-inkomsten van de STER, de lokale en regionale publieke omroepen en de commerciŽle omroepinstellingen jaarlijks wordt uitgekeerd ten behoeve van het Bedrijfsfonds voor de Pers.32  Op grond van de overweging dat het Bedrijfsfonds vooralsnog over voldoende  
 
 

middelen beschikt om zijn taak naar behoren uit te voeren, heeft sedert 1989 tot heden geen dotatie meer plaats gevonden. Per oktober 2001 beschikt het Bedrijfsfonds over een vermogen van circa

ƒ 37 miljoen 

In 1997 bracht het Bedrijfsfonds voor de Pers zijn beleidsessay Vernieuwend persbeleid33 uit.

Daarin staan diverse aanbevelingen voor herziening van de werkingssfeer en het instrumentarium van het Fonds. In het vervolg van deze brief wordt daar nader op ingegaan. 
Op deze plaats past de constatering dat het Bedrijfsfonds voor de Pers naast de vanouds bestaande vangnet-functie in de vorm van financiŽle steunverlening aan noodlijdende persorganen ook met kracht gestalte dient te geven aan modernisering en vernieuwing van het perslandschap. Het louter in stand houden van het bestaande zou neerkomen op een soort monumentenzorg en om in deze beeldspraak te blijven er is ook behoefte aan nieuwbouw. Binnen de perssector is het besef inmiddels aanwezig dat nieuwe vormen van uitgeven noodzakelijk zijn om een goede positie op de mediamarkt veilig te stellen. Het Bedrijfsfonds voor de Pers dient daarbij een stimulerende rol te spelen; om dat goed tot uitdrukking te brengen, is een naamswijziging gewenst. Ik stel voor om het Fonds om te dopen tot Stimuleringsfonds voor de Pers.
 

5.    Compensatieregeling voor Dagbladen

 

Deze regeling is opgezet in de jaren tachtig en was gericht op het compenseren van structurele  handicaps waarmee bepaalde dagbladen werden geconfronteerd op de advertentiemarkt.

Deze dagbladen hadden een relatief geringe oplage en een daarmee samenhangende geringe verspreidingsdichtheid, hetgeen ze minder aantrekkelijk maakte als advertentie-medium.

De regeling is toegepast over de boekjaren 1981-1983, 1985, 1986 en 1989 en heeft sindsdien een slapend bestaan gekend. In totaal werd ƒ 90 miljoen uitgekeerd aan een 16-tal kranten, waaronder de Leidsche Courant, Het Nieuws van de Dag, Het Parool, Trouw, Rijn en Gouwe, Het Vrije Volk en het Rotterdams Nieuwsblad. 

Inmiddels is het perslandschap ingrijpend gewijzigd door de voortgaande concentratie en de veranderingen op terrein van informatie- en communicatietechnologie. De kranten die destijds voor deze steun in aanmerking kwamen, zijn intussen in een concernverband opgenomen of bestaan niet langer als zelfstandige dagbladtitel. Tegen deze achtergrond meent het Bedrijfsfonds dat de Compensatieregeling voor Dagbladen niet opnieuw tot leven zou moeten worden gewekt. 

Ik ben het eens met deze aanbeveling en stel daarom voor om de Compensatieregeling voor Dagbladen te schrappen uit het instrumentarium van het Bedrijfsfonds voor de Pers. Dat kan door wijziging van het Mediabesluit, waarin deze regeling is opgenomen.34

6.     Verruiming van de werkingssfeer ten behoeve van bladen voor minderheden

 

Het Bedrijfsfonds stelt vast dat er een knelpunt bestaat bij de informatievoorziening van en voor minderheden.35 Deze groepen missen vaak informatie door het ontbreken van informatiebronnen in de eigen taal. Televisie en radio blijken de voornaamste informatiebronnen te zijn. Nederlandse kranten worden door hen weinig gelezen: dat komt niet alleen door het taalprobleem, maar ook omdat deze groepen in Nederlandse kranten (te) weinig vinden wat aansluit bij de eigen leefwereld.

Eigentalige kranten, afkomstig uit de herkomstlanden,  zijn voor de meeste minderhedengroepen van redelijk groot belang, maar die zijn evenmin toegesneden op de Nederlandse leefomgeving. Dit  geldt overigens niet voor de jongeren: zij zijn vaak opgegroeid in de Nederlandse samenleving en daarom gewend aan het westerse beeld dat in de media wordt gegeven. Hun behoefte aan media uit het herkomstland is daarom beduidend geringer. 

Uit onderzoek dat in opdracht van het Bedrijfsfonds is verricht, blijkt dat allochtonen kritische mediagebruikers zijn, omdat ze de Nederlandse media en de media uit het moederland met elkaar kunnen vergelijken.36  Wanneer Nederlandse media over het herkomstland berichten, hebben zij behoefte aan een andere visie op dat onderwerp in de eigen media. Buitenlandse media vormen een voorname aanvullende informatiebron voor allochtonen. Met name onder oudere allochtonen bestaat een sterke behoefte aan informatie in de eigen taal en informatie over het land van herkomst.

De informatiehonger over de eigen kring en over het herkomstland wordt door het bestaande media-aanbod slechts ten dele gestild. Dit geldt voor alle leeftijdsgroepen. Deze informatie zoekt men voornamelijk in de buitenlandse media. Een andere belangrijke informatiebron zijn de eigen intermediaire kaders: onderling wordt veel informatie uitgewisseld. Deze informatie wordt vaak verkregen via familie en vrienden die in het land van herkomst verblijven.

Een derde belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat allochtonen zich te weinig herkennen in de Nederlandse media. Het beeld in die media wordt niet gezien als een juiste afspiegeling van de Nederlandse multiculturele samenleving. Ook dit verklaart de belangstelling voor media afkomstig uit de herkomstlanden. Zoals hierboven opgemerkt geldt dit niet voor de meeste allochtone jongeren, die zijn opgegroeid in de Nederlandse samenleving en gewend zijn aan het westerse beeld dat de media geven.

Allochtone jongeren hebben wel behoefte aan meer informatie voor en over jongeren. Dit heeft ook met een gebrek aan herkenning te maken, maar dan op ander vlak: jongeren vinden dikwijls het taalgebruik in de media te moeilijk en/of de nieuws-onderwerpen te saai. Dit weerhoudt ze ervan om een krant te lezen of het journaal te bekijken. Alleen wanneer ze toevallig een onderwerp tegenkomen dat op henzelf betrekking heeft of voor hen belangrijk is (Bijlmerramp, Kosovo) dan is hun belangstelling gewekt. 
 
 
 
 
 

Met andere woorden: zowel bij oudere als jongere allochtonen bestaat een duidelijke behoefte aan informatie over de Nederlandse samenleving en - met name voor de ouderen -informatie over de landen van herkomst. In het takenpakket van de landelijke publieke omroep wordt rekening gehouden met deze doelgroepen door middel van speciale programma's via radio en televisie.

Zowel de landelijke als de niet-landelijke publieke omroep heeft tot taak om programma's te verzorgen die bijdragen aan de ontwikkeling en verspreiding van de pluriformiteit en culturele diversiteit in Nederland  en die gericht zijn op zowel een breed en algemeen publiek als op bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling.37  Ik wijs in dit verband ook op de intensiveringen die gaande zijn inzake migrantentelevisie en migrantenradio in de vier grote steden, zoals uiteengezet in de Notitie Media en Minderhedenbeleid en de Voortgangsbrief Media- en Minderhedenbeleid.38

Uit het hierboven genoemde onderzoek van het Bedrijfsfonds voor de Pers blijkt, dat daarnaast grote behoefte bestaat aan dit type informatie in gedrukte vorm, via nieuwsbladen en tijdschriften die speciaal gericht zijn op de belangstellingssfeer van oude en jonge allochtonen.

Nederlandse markt van minderhedenbladen

De markt van minderheden-bladen is diffuus. Het Bedrijfsfonds heeft in 1999 een inventarisatie uitgevoerd van alle persorganen die in ons land verschijnen voor en door minderheden, maar tekent daarbij aan dat het moeilijk is om een betrouwbaar en volledig overzicht te bieden.39

Het gaat in hoofdzaak om kleine kranten, vaak verschijnend als nieuwsblad. Deze bladen worden veelal onaangekondigd in de markt gezet en verdwijnen doorgaans ook weer snel.

Blijkens deze inventarisatie verschenen (ultimo 1999) 192 bladen voor minderheden. Hiervan werden 102 uitgegeven via een adres in Nederland; de overige 90 werden niet in Nederland gemaakt maar waren hier wel verkrijgbaar.

Van de 102 in Nederland vervaardigde bladen waren 33 op een grote doelgroep gericht, namelijk op alle culturele minderheden in Nederland of geÔnteresseerden in de multiculturele samenleving. De andere 69 richtten zich op ťťn of meer specifieke groepen culturele minderheden.

Tweederde van de 102 bladen werd landelijk uitgegeven en eenderde regionaal.

Vele bladen kenden een lage verschijningsfrequentie: bijna de helft (47 van de 102) werd minder dan zes keer per jaar uitgebracht. Meer dan de helft (58 van de 102) had een oplage van minder dan 10.000 exemplaren.

Het Bedrijfsfonds voor de Pers is voornemens om een dergelijke inventarisatie periodiek te laten vervaardigen. Ik acht dat een goede zaak, aangezien op die manier een beter beeld ontstaat van de ontwikkelingen die zich op deze specifieke markt voordoen. 
 
 
 
 
 
 
 

Overigens doen we er verstandig aan om het belang van het aantal persorganen (192) sterk te relativeren. In de eerste plaats constateert het Bedrijfsfonds dat deze bladen doorgaans een korte levenscyclus hebben: ze verdwijnen al weer snel van de markt. In de tweede plaats kennen ze veelal een zeer lage verschijningsfrequentie: bijna de helft (47%) werd/wordt minder dan zes keer per jaar uitgebracht. In de derde plaats heeft meer dan de helft (58%) een oplage van minder dan 10.000 exemplaren, hetgeen in tijdschrift-termen een (zeer) bescheiden oplage genoemd moet worden.

De korte levenscyclus, de geringe verschijningsfrequentie en de bescheiden oplage illustreren een fundamenteel gebrek bij veel van dit type bladen: een gebrek aan professionaliteit, zowel waar het gaat om de redactionele inhoud als waar het gaat om de exploitatie. Om een serieuze bijdrage te leveren aan de informatievoorziening voor de allochtonen doelgroepen, is een stimulering van deze professionaliteit gewenst. Dat draagt bij aan de pluriformiteit van de pers en vergroot de betrokkenheid van deze doelgroepen bij de maatschappelijke en politieke actualiteit van ons land.

Verruiming van steunmogelijkheid voor minderhedenbladen

Het Bedrijfsfonds voor de Pers merkt op, dat de huidige werkingssfeer van het Fonds belemmerend werkt bij ondersteuning van dit type bladen vanuit het Bedrijfsfonds. Die beperkingen worden vooral ervaren bij de eis dat persorganen binnen de werkingssfeer ten minste maandelijks dienen te verschijnen, alsmede de eis dat steun aan nieuwe persorganen beperkt is tot de categorie dagbladen.

Het Bedrijfsfonds adviseert een experimentele regeling uit te werken, die erin voorziet dat ook aan nieuwe persorganen voor culturele minderheden op tijdelijke basis steun kan worden geboden, en dat bestaande persorganen voor tijdelijke steun in aanmerking kunnen komen, ook wanneer ze een lagere verschijningsfrequentie hebben dan eenmaal per maand. Het Fonds adviseert de eis te stellen dat deze bladen ten minste eenmaal per kwartaal verschijnen. Dat zou dan moeten gelden zowel voor nieuwe als bestaande persorganen gericht op culturele minderheden.

De door het Bedrijfsfonds voorgestane experimentele regeling zou voor vier jaar moeten gelden, met een evaluatie in het derde jaar. Hiervoor zou maximaal ƒ 6 miljoen moeten worden gereserveerd (ƒ 1,5 miljoen per jaar) die voor dit doel binnen de huidige middelen van het Fonds kunnen worden geoormerkt. Om te bereiken dat deze aanvullende steunmogelijkheid voor meerdere persorganen open staat, adviseert het Fonds om de hoogte van het steunbedrag te bepalen op ten hoogste ƒ 250.000,= per persorgaan per jaar. 

Zoals reeds blijkt uit de Notitie Media en Minderhedenbeleid (1999) staat het kabinet positief jegens deze adviezen van het Bedrijfsfonds.40  Deze plannen zijn met de Kamer besproken en konden daarbij op brede ondersteuning rekenen.41

Bij een dergelijke verruiming van de steunmogelijkheden moeten we uiteraard waken tegen concurrentievervalsing jegens andere bladen die zich op dezelfde doelgroep richten. Daar staat tegenover dat niet of nauwelijks sprake is van een bestaande markt zodat het gevaar van concurrentievervalsing niet echt een rol speelt. Bovendien is de behoefte aan dit type bladen blijkens het eerder genoemde onderzoek dermate groot, dat een tijdelijke stimuleringsregeling alleszins gerechtvaardigd is. 
 
 

Ik acht het wenselijk om de werkingssfeer van het Fonds langs de aangegeven lijnen te verruimen. Een daartoe strekkende regeling zal op korte termijn in procedure worden gebracht. 

  1. Stimulering van journalistieke informatieproducten via het internet

 

In zijn beleidsessay Vernieuwend persbeleid nam het Bedrijfsfonds voor de Pers de aanbeveling op om zijn werkingssfeer te verruimen, opdat ook steun kan worden geboden aan journalistieke informatieproducten, die op elektronische wijze en ondernemingsgewijs worden uitgegeven en gericht zijn op het algemeen publiek in ons land.  Het Bedrijfsfonds gaf zelf reeds aan, dat het noodzakelijk is om het begrip journalistiek informatieproduct nader te preciseren, teneinde te kunnen komen tot een verantwoorde afbakening van de werkingssfeer.  In ieder geval meende het Fonds dat omroepachtige producten zouden moeten worden uitgesloten.42

  

Het Bedrijfsfonds heeft deze globale aanbeveling nader uitgewerkt in zijn onlangs uitgebrachte advies Kaderregeling voor het stimuleren van journalistieke informatieproducten via het internet.43 

Het Fonds stelt vast dat via het internet in toenemende mate allerlei informatieproducten worden aangeboden, die onderling sterk variŽren wat betreft hun journalistieke kwaliteit, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid. Wellicht heeft dit te maken met de aard van het internet: de toetredingsdrempel is laag iedereen kan tegen een geringe investering informatie op het internet aanbieden44 en de consument is gewend om de informatie gratis tot zich te nemen, waardoor het lastig is om met informatieproducten op het internet geld te verdienen. In dit verband zij verwezen naar het recente besluit van uitgever PCM om de internet-activiteiten aanzienlijk te beperken, aangezien de aanzienlijke investeringen vooralsnog niet opwegen tegen de bescheiden inkomsten uit reclame en sponsoring op de internet-sites. Overigens liet uitgever Wegener tezelfdertijd weten, onverdroten voort te gaan met de geleidelijke uitbouw van de internet-activiteiten. Ook de landelijke publieke omroep is voornemens om langs de weg der geleidelijkheid te werken naar uitbouw van de internet-activiteiten. 

Hoe het ook zij, we kunnen constateren dat het internet zich ontwikkelt tot een steeds belangrijker informatiebron voor de burger. Het Bedrijfsfonds meent, dat veel mogelijkheden die het internet biedt nog onbenut worden gelaten en dat sommige persorganen moeite hebben om de overgang naar het internet te maken.

Aangezien het garanderen en stimuleren van een hoogwaardig aanbod van informatie binnen de Nederlandse samenleving behoort tot de kernpunten van het overheidsbeleid45,  bepleit het Bedrijfsfonds dat de overheid de journalistieke informatieproducten via internet stimuleert. Dat zou moeten geschieden door middel van een tijdelijke, experimentele kaderregeling. Een  
 
 

dergelijke regeling sluit bovendien aan bij het mediabeleid en bij het ICT-beleid46 van de overheid, aldus het Bedrijfsfonds. Ik wijs in dit verband ook naar Europese stimuleringsprogramma's zoals het eContent Programma, dat onder meer gericht is op stimulering van publieke sector informatie via het internet.47 

Stimuleringsfonds voor publieke digitale diensten

Bij de behandeling van de Tweede Kabelnota (juni 2000) heeft de Kamer de motie-Halsema c.s. aanvaard, waarin de regering verzocht wordt een onderzoek te doen naar het oprichten van een stimuleringsfonds voor publieke digitale dienstenontwikkeling.48  Dit onderzoek is inmiddels door TNO-STB afgerond en naar de Kamer gezonden.49  Conclusie van het onderzoek is dat het belangrijkste knelpunt voor de groei en bloei van publieke internetdiensten niet de ontwikkeling van content is; belangrijker zijn zaken in de sfeer van technische ondersteuning, servercapaciteit, hosting etc.  TNO-STB stelt een fonds voor multimediaprojecten voor, gericht op initiatieven die niet binnen de huidige fondsen passen. Middelen zouden aangewend moeten worden voor het starten van nieuwe diensten, voor ondersteuning en voor hosting. Deze conclusies en aanbevelingen zal ik betrekken bij de brief over het kabelbeleid, die ik de Kamer voor dit najaar heb toegezegd.

Ik ben van mening dat de door het Bedrijfsfonds voorgestelde stimuleringsregeling gezien kan worden als een tegemoetkoming aan de wens van de Kamer, voor zover het gaat om digitale journalistieke informatievoorziening via het internet.

 

De Kaderregeling in hoofdlijnen

De regeling staat open voor bestaande of nieuwe journalistieke (1) informatieproducten (2), die via het internet (3) en ondernemingsgewijs (4) worden uitgegeven en bestemd zijn voor een algemeen publiek (5). 

  1. journalistieke producten 
    De term journalistiek houdt in dat deze producten geredigeerd worden door een redactie op basis van een redactioneel statuut, waarin de redactionele identiteit en onafhankelijkheid is neergelegd. Dat redigeren wil zeggen: de redactie selecteert berichten en verwerkt deze in het uiteindelijke product Dat houdt in dat de geselecteerde berichten naar vorm en inhoud worden bewerkt en dat achtergrondinformatie en commentaar worden toegevoegd. Producten die uitsluitend of hoofdzakelijk zijn samengesteld door overname van berichten uit andere bronnen (zgn. knipselkranten) worden dus niet tot de journalistieke internetproducten gerekend die binnen deze Kaderregeling kunnen vallen. 
 
 
 
 
  1. informatieproducten 
    De bedoelde producten bevatten in belangrijke mate nieuws, analyse, commentaar en achtergrondinformatie over een gevarieerd deel van de maatschappelijke actualiteit, mede in het belang van politieke meningsvorming.50  Voorts moeten deze producten voldoen aan de vier gebruikelijke criteria van persorganen: 
    - periodiciteit: ze verschijnen op van tevoren vaststaande tijdstippen met een vaste frequentie dus niet eenmalig; 
    - publiciteit: ze opereren op markten die principieel openbaar toegankelijk zijn voor eenieder; 
    - actualiteit: ze volgen de actualiteit, dat wil zeggen het nieuwe, recente, het thans aan de orde zijnde, op de voet; 
    - universaliteit: ze informeren over uiteenlopende onderwerpen en worden daardoor gekenmerkt door een zekere alomvattendheid. 
  2. internetproducten 
    Bedoelde informatieproducten dienen te verschijnen op het internet en geven voortdurend informatie die overwegend of in belangrijke mate uit tekst en illustraties bestaat en in mindere mate uit geluid en/of bewegende beelden. Deze producten vragen een hoge communicatieve betrokkenheid van de burger, anders dan radio en televisie.51  De gebruiker dient een actieve selectie te maken uit de informatie die, net als bij persorganen, als een afgerond geheel wordt aangeboden. 
    Omroepachtige producten of audiovisuele diensten via het internet zijn van deze Kaderregeling uitgesloten. Hiermee wordt gedoeld op diensten die informatie brengen overwegend in de vorm van geluid en/of bewegende beelden, in real time of bijna real time en die zich daarmee richten op een niet-gespecificeerd publiek. 
  3. ondernemingsgewijs uitgeven 
    De bedoelde journalistieke informatieproducten worden door een uitgever52 op de markt gebracht. Het gaat uitdrukkelijk om producten die als hoofdactiviteit van deze uitgever kunnen worden gezien, teneinde ze te onderscheiden van producten die door personen of instanties op de markt worden gebracht om andere activiteiten te bevorderen. 
    Om deze reden vallen informatie-carriers zoals telecom- en kabelbedrijven buiten deze Kaderregeling: instanties die niet tot hoofdtaak hebben het (doen) uitgeven van informatieproducten, maar slechts gericht zijn op het doorgeven of doorverkopen daarvan, worden uitdrukkelijk uitgesloten van de regeling. 
 
 
 
 
 
 
  1. bestemd voor het algemeen publiek 
    De Kaderregeling heeft uitsluitend betrekking op producten die gericht zijn op het algemeen publiek. Ze moeten voor iedereen verkrijgbaar zijn.
 

Het Bedrijfsfonds voor de Pers adviseert deze Kaderregeling vanwege zijn experimentele karakter een looptijd van 3 jaar te geven, met een evaluatie na 2 jaar. Voor deze regeling zou per jaar een budget van maximaal ƒ 5 miljoen moeten worden gereserveerd. Om zoveel mogelijk projecten  in aanmerking te laten komen, adviseert het Fonds een maximum subsidie van ƒ 400.000,=  per project te hanteren. Gelet op het sterk risicodragend karakter van dergelijke projecten zouden deze overwegend door de aanvrager c.q. door derden gefinancierd moeten worden: de uitkering per project zou ten hoogste 40% van de projectkosten moeten bedragen.

Het Fonds adviseert om een onderscheid te maken tussen te subsidiŽren en niet te subsidiŽren projectkosten: zo dient de regeling enkel betrekking te hebben op nog te maken kosten en komen enkel rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten voor subsidie in aanmerking. Projectkosten boven de grens van ƒ 1 miljoen worden niet meegenomen bij de berekening van de subsidie. Ook zou moeten worden vastgelegd dat een project slechts ťťnmaal in aanmerking kan komen voor ondersteuning vanuit deze Kaderregeling. 

Beoordeling van de regeling

Het kabinet kan en wil niet voorbijgaan aan de toenemende rol die internet speelt bij de informatievoorziening van de burger. Gevoegd bij de overheidszorg voor een kwalitatief hoogwaardige informatievoorziening voor de samenleving, leidt dit tot een positieve houding ten aanzien van de voorgestelde Kaderregeling. Het gaat hier om een tijdelijke, experimentele en te evalueren regeling. Dat biedt de gelegenheid om de resultaten van de regeling te toetsen en eventuele bijstellingen bijtijds te realiseren. Vanwege de bescheiden inzet van middelen en de non-discriminatoire openstelling van deze regeling bestaat geen gevaar voor concurrentievervalsing.

De regeling komt tegemoet aan de wens van de Tweede Kamer om de ontwikkeling van digitale diensten ten behoeve van het publiek te stimuleren. Min of meer vergelijkbare regelingen bestaan inmiddels in BelgiŽ en Portugal, terwijl diverse andere Europese landen initiatieven in deze richting ontwikkelen.53  Zie ook de eerder gemelde aandacht op Europees niveau in het zgn eContent Programma van de Europese Commissie.

Op grond van deze overwegingen zal ik de benodigde regelgeving voor deze Kaderregeling zo

spoedig mogelijk uitwerken.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
  1. Wettelijk redactiestatuut voor dagbladen ?  

Zo nu en dan klinkt de roep om een wettelijke regeling van het redactiestatuut voor dagbladen, onder verwijzing naar de regeling in de Mediawet inzake het programmastatuut voor publieke en commerciŽle omroepinstellingen54, dat qua strekking met een redactiestatuut overeenkomt.

Zo heeft de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ)  zich in het verleden voorstander betoond van een wettelijk geregeld redactiestatuut, omdat de overheid daarmee zou aangeven dat de instandhouding van onafhankelijke en redactioneel zelfstandige dagbladen haar ter harte gaat.

De commissie-mediaconcentraties wees in zijn advies (1999) erop, dat het redactiestatuut zoals dat bestaat in de dagbladsector een bijdrage levert aan de journalistieke onafhankelijkheid en daarmee aan de pluriformiteit. De overheid zou daarom moeten bewerkstelligen dat een dergelijk redactiestatuut niet alleen wordt ingevoerd bij alle dag- en opiniebladen, maar ook op gelijke wijze bij andere voor de pluriformiteit relevante media zoals de omroep en bepaalde internetdiensten.55 

In het kabinetsstandpunt mediaconcentraties (2000) wijst het kabinet erop dat de Mediawet reeds de verplichting kent voor publieke en commerciŽle omroepinstellingen om een programmastatuut tot stand te brengen na overleg met hun werknemers die belast zijn met de samenstelling van programma's, waarin de journalistieke rechten en plichten van deze werknemers worden geregeld.

Het redactiestatuut bij de pers is het resultaat van CAO-afspraken tussen werkgevers en werknemers, waarbij de feitelijke inhoud van het redactiestatuut tot stand komt in overleg tussen uitgever en redactie.56 

Als bezwaar jegens een wettelijk redactiestatuut voor dagbladen wordt gewezen op een mogelijke strijdigheid met de Grondwet, waar het gaat om het recht van de uitgever op vrijheid van meningsuiting en daarmee het recht om zijn bedrijf naar eigen inzicht in te richten. Een bijkomend bezwaar vormt de afbakening van taken tussen een redactieraad en een ondernemingsraad.

Op zichzelf lijkt het mogelijk een verplicht redactiestatuut voor dagbladen in te voeren, zonder in strijd te komen met de Grondwet of verzeild te raken in genoemde afbakeningsproblemen. Volstaan kan worden met in de Mediawet de bepaling op te nemen dat dagbladen dienen te beschikken over een redactiestatuut, dat door de uitgever in overeenstemming met de redactie wordt opgesteld.

Op basis van de eerder genoemde CAO-afspraken beschikken alle dagbladen en opiniebladen echter reeds over een redactiestatuut. Het invoeren van een wettelijk verplicht redactiestatuut zou weliswaar het signaal afgeven dat de overheid belang hecht aan redactionele onafhankelijkheid, maar zou de facto niets wijzigen aan de reeds bestaande situatie. Op grond daarvan ziet het kabinet af van een wettelijke regeling van het redactiestatuut bij dagbladen. 
 
 
 
 
 

9.     Verschoningsrecht voor journalisten 

Het belang van journalistieke bronbescherming werd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens onderstreept in het Goodwin-arrest.57  Het Europese Hof overweegt, dat het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht van vrijheid van meningsuiting en de daaruit voor de persvrijheid voortvloeiende waarborgen impliceren, dat een journalist in beginsel gerechtigd is zijn bronnen geheim te houden, tenzij een overwegend maatschappelijk belang onthulling vereist.

Met andere woorden: het gaat om een belangenafweging. Uitgangspunt is dat bescherming van journalistieke bronnen van belang is voor de persvrijheid en voor de rol die de media in een democratische samenleving moeten vervullen. Dat is een zwaarwegend publiek belang.

Een inbreuk hierop is alleen gerechtvaardigd op grond van een nog zwaarder wegend publiek belang: zulks moet bij wet voorzien zijn en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Enkele maanden later nam de Hoge Raad dit standpunt over.58

In de Aanbeveling van het comitť van Ministers van de Raad van Europa van 8 maart 2000 over het onderwerp bronbescherming van journalisten bepaalt de Raad dat het onthullen van bronnen niet nodig wordt geacht tenzij op overtuigende wijze vaststaat dat kort gezegd geen alternatieven beschikbaar zijn voor het onthullen en het gewettigd belang bij onthulling duidelijk meer gewicht in de schaal legt dan het algemeen belang bij het anoniem blijven van de bron, waarbij bovendien in acht genomen zij dat een doorslaggevende noodzaak tot het onthullen kan worden aangetoond, de omstandigheden voldoende wezenlijk en serieus van aard zijn en de reden voor de onthulling direct verband houdt met een urgent maatschappelijk belang. 

Deze uitspraken worden gezien als een gedeeltelijke erkenning van het verschoningsrecht voor journalisten in concrete gevallen. Dit betekent echter niet dat een journalist daarmee dezelfde status heeft als de leden van beroepsgroepen die op grond van art. 218 Wetboek van Strafvordering verschoningsrecht bezitten: artsen, geestelijken, advocaten en notarissen.

Bij die beroepsgroepen is een vergaande bescherming van de geheimhoudingsplicht mogelijk, omdat zij een sterke mate van zelfregulering kennen: eigen gedragscodes die uiteraard ook de geheimhouding omvatten -, en de naleving van die codes wordt afgedwongen door een stelsel van tuchtrecht. Deze verschoningsgerechtigden behoren tot gesloten beroepsgroepen: toetreding is enkel mogelijk als men aan bepaalde opleidingseisen voldoet en toezegt zich te zullen conformeren aan de normen die binnen de beroepsgroep leven. Degene die zich niet aan de gedragscode houdt, loopt de kans niet langer het betreffende beroep te mogen uitoefenen. 
 
 
 
 
 

De journalistiek kent een dergelijke beslotenheid niet. Het staat eenieder vrij zich als journalist te presenteren. Er bestaan weliswaar diverse journalistieke gedragscodes en de Raad voor de Journalistiek behandelt klachten omtrent journalistieke gedragingen, maar bij de journalistiek is geen sprake van een uniforme gedragscode met daaraan gekoppeld een tuchtrechtelijk systeem om het handelen van leden van de beroepsgroep te beoordelen en eventueel te bestraffen.

Deze openheid van de beroepsgroep leidt ertoe dat geen sprake is van een absoluut journalistiek verschoningsrecht, maar dat de rechter van geval tot geval een belangenafweging maakt, zich baserend op de voornoemde uitspraken van het Europese Hof en de Hoge Raad.  

In dit verband kan ook gewezen worden op de conclusie van de Commissie Verschoningsrecht, die werd ingesteld door het Genootschap van Hoofdredacteuren (GvH) en de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) om onderzoek te doen naar de knelpunten die zich voordoen in verband met bronbescherming en de inbeslagneming van journalistiek materiaal.59   De commissie concludeert dat wetgeving ter bescherming van journalistieke bronnen niet nodig is,  gezien de bestaande jurisprudentie op Europees en nationaal niveau. De commissie wijst er bovendien op dat een wettelijk verschoningsrecht ook nadelen kent: dan zou moeten worden vastgelegd wie journalist is en in welke gevallen het verschoningsrecht zou moeten gelden. Men heeft meer vertrouwen in de jurisprudentie, waarbij van geval tot geval kan worden vastgesteld of de journalist terecht een beroep doet op het verschoningsrecht. 

Het kabinet ziet gelet op de Nederlandse praktijk geen reden om te komen tot een wettelijk geregeld verschoningsrecht voor journalisten. 
 

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, 
 
 
 

dr. F. van der Ploeg 
 
 
 

 

Vragen van het lid Van der Staaij (SGP) aan de minister van Justitie en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Dhr. Van der Ploeg, over mevrouw Venekatte en de Reclame Code Commissie. (Ingezonden 20 juni 2002); Antwoord

 

 

Bestand:

 

Inhoud: Vragen naar aanleiding van het proefschrift van mr. L. Venekatte, 'Open normen in de reclame', waarin een wettelijke status wordt bepleit voor de Reclame Code Commissie (RCC).

 

Rubriek(en): Communicatie, media en informatievoorziening (Reclame)

 

Trefwoorden: Reclame

 

Vindplaats: Kamervragen met antwoord 2001-2002, nr. 1392, Tweede Kamer

 

Vraagnr.  bij indiening: 2010211820

 

Afkomstig van: Justitie (JUS)

 

Indiener: Van der Staaij(SGP)

 

Datum reaktie: 10-07-2002

 

Datum indiening: 20-06-2002

 

Document-id: KVR15948

 

Omvang:

Reclamemaker niet zelden blij met berisping
Door onze politieke redactie DEN HAAG, 9 OKT. 'Nodeloos kwetsend', 'in strijd met de goede smaak', 'aanstootgevend' - de Reclame Code Commissie berispt regelmatig reclamemakers, maar hoe afdoende zijn die berispingen? Dat was een steeds terugkerende vraag gisteren tijdens overleg tussen minister Sorgdrager (Justitie) en de Tweede Kamer over krenkende reclame. De vraag werd niet eensluidend beantwoord.

,,Het is voor veel adverteerders uitermate vervelend om aan de schandpaal te worden genageld'', meende VVD-Kamerlid Vos. Dat vond zijn RPF-collega Rouvoet 'naÔef'. Na de verspreiding van een filmposter met een gekruisigde man tegen een bikinibroekje, in april, had Rouvoet de distributeur gebeld om te vragen of dat nou nodig was. Het antwoord luidde: ,,Stelt u vooral Kamervragen, dat levert extra publiciteit op.''

Waar de VVD betoogde dat reclamemakers een produkt willen aanprijzen en niet in opspraak willen brengen, waardoor de bedrijfstak zichzelf redelijk onder controle houdt, verwoordde Rouvoet de praktijk een slagje anders. ,,Reclamemakers willen de meerderheid van de bevolking prikkelen, maar dat doen zij soms door een minderheid bewust te kwetsen.''

Aanleiding voor het overleg in de Kamer waren enkele incidenten begin dit jaar. Onder andere een 'plasseksposter' en een afbeelding van een naakt meisje met een pizzadoos zorgden toen voor enige opschudding, en niet alleen bij het christelijke volksdeel. De RPF vroeg Sorgdrager om een notitie over de toelaatbaarheid van dit soort reclames en die werd gisteren besproken.

De minister vindt met de kleine christelijke partijen dat niet alles 'moet kunnen'. De vraag waar precies de grenzen liggen wordt volgens haar echter door iedereen anders beantwoord. ,,Het is een kwestie van ethiek, van normen die per groep mensen verschillen en die je moeilijk in een wet kunt vastleggen'', zei ze. Het debat erover juicht de minister toe: ,,Dat doet het bewustzijn toenemen en dat scherpt de maatschappelijke opvattingen over wat nu wel en niet kan.''

Voor nieuwe initiatieven om reclamemakers in toom te houden voelt Sorgdrager niets. De Reclame Code Commissie, een organisatie van de reclamebranche zelf die toeziet op naleving van een door de reclamemakers zelf opgestelde gedragscode, functioneert volgens haar afdoende. RPF en SGP voerden daartegen aan dat de berispingen vaak pas achteraf komen en slechts beperkte kracht hebben. Beide partijen willen toetsing vooraf, waarbij de RPF een parallel met de filmkeuring trok. De SGP wil de commissie ook wettelijke status geven, inclusief de mogelijkheid om boetes op te leggen.

De regeringsfracties PvdA, VVD en D66 zien hier niets in. De Koning (D66) bekende dat zij zich ook vaak aan 'onsmakelijke' reclames ergerde, zoals die van de krasloterij ('stuur je schoonmoeder met de kerst naar een ver land'). ,,Maar ik denk dan: wie ben ik? Hier hebben we de Reclame Code Commissie voor.''

Sorgdrager wil op verzoek van het CDA wel nagaan hoe meer bekendheid kan worden gegeven aan de Commissie, zodat verontruste burgers zich er ook daadwerkelijk toe wenden. Het aantal klachten dat de commissie binnen krijgt wisselt per jaar sterk. In 1995 kwamen er alleen al over een reclame van het mannenmodewinkelconcern 'Hij' meer dan 1900 klachten binnen. 'Hij is er ook voor u' luidde de tekst bij een afbeelding van een man in vrome houding. Niet in strijd met de goede smaak en het fatsoen, maar wel nodeloos kwetsend voor christenen, oordeelde de Commissie. Hij bood zijn excuses aan.

 

 

 

Wakker dier wint zaak tegen vleessector bij reclame code commissie

Persbericht Wakker Dier, 6 aug 2003

De Reclame Code Commissie vindt de lespakketten van de landbouworganisatie het Kleine Loo voor scholen misleidend. Ten onrechte worden de lespakketten aan scholen verstuurd als objectieve educatieve uitgave terwijl het volgens de Commissie misleidende reclame betreft. Het lespakket schetst een rooskleuriger beeld over het welzijn van dieren in de bio-industrie dan zich in werkelijkheid achter de gesloten staldeuren afspeelt. Ook vorige week werd een andere campagne van de vleessector die gericht was op schoolkinderen al als misleidend betiteld door de Reclame Code Commissie. Die klacht was ingediend door een diervriendelijke directeur van een groot electronica-bedrijf.

In het lespakket worden dieren die nooit stro zien afgebeeld in een dik pak stro en lopen jonge dieren lekker bij de moeder terwijl ze in werkelijkheid vrijwel gelijk na de geboorte bij de moeder worden weggehaald. Reclame in lespakketten is verboden op grond van het convenant over sponsoring op scholen . Op meer dan 2000 scholen is ondertussen met het misleidende reclamemateriaal lesgegeven. Wakker Dier roept de scholen op het lespakket niet te gebruiken en aan de veesector te retourneren. Het Kleine Loo moet alle scholen die het lespakket hebben waarschuwen dat het misleidende informatie bevat, vindt Wakker Dier.

Wakker Dier had de klacht bij de Reclame Code Commissie ingediend vanwege de vele feitelijke onjuistheden en het eenzijdige beeld dat aan kinderen wordt geschetst. Het Kleine Loo heeft het lespakket afgelopen jaren verspreid over alle lagere scholen en vele middelbare scholen. Meer dan 2000 scholen hebben het lespakket gebruikt en gebruiken het pakket wellicht weer. Ondertussen wordt het pakket ook via internet verpreid . Wakker Dier wil nu dat de lespakketten actief bij de scholen worden teruggevraagd, geen nieuwe lespakketten meer worden verspreid en dat de internetsite wordt aangepast. In de lespakketten staat onder meer dat biggen en kalveren lang bij de moeder konden blijven terwijl ze in de bio-industrie snel worden weggehaald om zo snel mogelijk vet te mesten. Gestoord gedrag en diarree door de stress zijn het gevolg. Daarnaast werden onder andere de huisvesting van kippen in kooien en vleesstieren afgebeeld als ruime hokken met veel stro terwijl de meeste dieren in hun leven in krappe hokken nooit een strootje zien.

De Stichting Reclame Code, waarin 7 organisaties deelnemen die op enigerlei wijze bij (het maken van) reclame zijn betrokken, heeft tot doel ervoor te zorgen dat in Nederland op verantwoorde wijze reclame wordt gemaakt.
Ter verwezenlijking van dit doel heeft de Stichting regels opgesteld waaraan reclame moet voldoen: de Nederlandse Reclame Code (hierna: de Reclame Code).

 

De controle op de naleving van de Reclame Code wordt uitgeoefend door de Reclame Code Commissie en in appŤl door het College van Beroep.
Een ieder die van mening is dat reclame in strijd is met de Reclame Code, kan een klacht indienen bij de Reclame Code Commissie.

Onder reclame wordt verstaan: iedere openbare aanprijzing van goederen, diensten of denkbeelden. Onder reclame wordt mede verstaan het vragen van diensten (zie artikel 1 van de Reclame Code).

De Reclame Code is van toepassing op alle reclame ongeacht het medium waarvan gebruik is gemaakt, tenzij in de Reclame Code uitdrukkelijk anders is bepaald.

De werkwijze van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep is vastgelegd in een Reglement.
De inhoud daarvan wordt in grote lijnen beschreven in de hierna volgende hoofdstukken 2 tot en met 11. De volledige tekst van het Reglement betreffende de werkwijze van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep is op aanvraag verkrijgbaar bij het secretariaat van de Stichting Reclame Code.

2 De Reclame Code Commissie

De Reclame Code Commissie is een Commissie die beoordeelt of adverteerders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het maken van reclame, zich aan de Reclame Code hebben gehouden.
Een ieder die meent dat reclame in strijd is met de Reclame Code, kan bij de Reclame Code Commissie een klacht indienen. De Commissie beoordeelt, na de adverteerder te hebben gehoord, of de reclame in strijd is met de Reclame Code.
De Reclame Code Commissie kan ook reclame beoordelen zonder dat daarover bij haar een klacht is ingediend.

De Reclame Code Commissie bestaat uit vijf leden, te weten:

  • ťťn lid aangewezen door de bva bond van adverteerders;
  • ťťn lid, aangewezen door de Consumentenbond;
  • ťťn lid, aangewezen door de in de Stichting Reclame Code deelnemende media*;
  • ťťn lid, aangewezen door de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus;
  • ťťn lid, tevens voorzitter, aangewezen door de Stichting Reclame Code.

* momenteel nemen STER, Roos, OLON en het NUV deel in de Stichting Reclame Code

De commissieleden oordelen overigens onafhankelijk van de organisatie die hen heeft aangewezen.
Een overzicht van leden van de Reclame Code Commissie staat in hoofdstuk 12.

3 Indiening van een klacht

Een klacht moet (onder vermelding van naam en adres) schriftelijk of - met behulp van het via www.reclamecode.nl beschikbare elektronisch klachtenformulier - door middel van e-mail worden ingediend.
De klager dient te motiveren waarom hij een bepaalde reclame in strijd met de Reclame Code vindt.
Bij zijn klacht moeten, als dat mogelijk is, de betreffende reclame en eventuele andere gegevens waarop de klacht is gebaseerd, worden gevoegd.
Het adres van de Reclame Code Commissie is Postbus 12352, 1100 AJ Amsterdam.
De Commissie kan verlangen dat de klacht en de daarbij behorende bijlagen in 8-voud worden ingediend.
Wanneer een particulier een klacht indient, is de behandeling van die klacht kosteloos (zie ook hoofdstuk 11).
Bedrijven, personen in de uitoefening van hun beroep en organisaties die een klacht indienen, zijn klachtengeld verschuldigd. Zie voor de hoogte daarvan hoofdstuk 11.

4 Grensoverschrijdende reclame

De Stichting Reclame Code is lid van de European Advertising Standards Alliance (EASA) te Brussel. EASA heeft onder andere tot doel ervoor te zorgen dat klachten over reclame snel en doeltreffend worden behandeld, ook al betreft het een reclame van een adverteerder gevestigd in een ander EASA land of een reclame waarvoor gebruik is gemaakt van een grensoverschrijdend medium. Ter verwezenlijking van dit doel hebben de leden van EASA voor klachten met betrekking tot grensoverschrijdende reclame afspraken gemaakt.
Hieronder wordt deze procedure summier uiteengezet.

Er is sprake van een klacht tegen grensoverschrijdende reclame indien geklaagd wordt tegen een reclame-uiting die openbaar is gemaakt in klagers land, terwijl de betreffende reclame-uiting uit een ander land afkomstig is.

  • Reclame moet in overeenstemming zijn met de regels die gelden in het land van waaruit de reclame openbaar wordt gemaakt.
  • Reclame verspreid door middel van direct mail dient te voldoen aan de regels van het land waarin de adverteerder is gevestigd.

De procedure geldt voor alle klachten binnen de landen waarin de zelfreguleringsmaatregelen van de EASA-leden van toepassing zijn.
Een klacht tegen grensoverschrijdende reclame dient schriftelijk te worden ingediend bij het secretariaat van de Stichting Reclame Code.
De betreffende reclame en eventuele andere gegevens waarop de klacht is gebaseerd, dienen zo mogelijk te worden overgelegd.
De voorzitter van de Reclame Code Commissie stelt vast of er sprake is van een klacht tegen grensoverschrijdende reclame en indien dat het geval is en hij geen termen aanwezig acht de klacht zelf te behandelen, wordt deze klacht verwezen naar het EASA-lid dat voor onderzoek c.q. verdere afhandeling van de klacht verantwoordelijk is. In geval de klacht in behandeling wordt genomen, zijn de regels van het EASA lid dat de klacht in behandeling heeft genomen van toepassing.
De klager wordt door het secretariaat van de Stichting Reclame Code op de hoogte gehouden van het verdere verloop van zijn klacht.

5 De behandeling van een klacht



I Algemeen

Als de Reclame Code Commissie een klacht heeft ontvangen, stuurt zij een kopie van de klacht (met vermelding van naam en adres van klager) naar de adverteerder. De adverteerder krijgt 14 dagen de tijd tegen de klacht verweer te voeren. Een kopie van het verweerschrift wordt naar de klager gestuurd.
Indien de voorzitter van de Reclame Code Commissie daarvoor redenen aanwezig acht, kan hij partijen uitnodigen nadere schriftelijke opmerkingen te maken.

Er wordt een datum bepaald waarop de klacht, het verweerschrift en eventuele andere schriftelijke stukken ter vergadering van de Reclame Code Commissie worden behandeld. Desgewenst kunnen de klager en de adverteerder in die vergadering hun standpunt mondeling toelichten.

De vergaderingen zijn openbaar, indien en voorzover ťťn of beide partijen een mondelinge toelichting geeft/geven. Elk van partijen kan echter gemotiveerd bezwaar maken tegen een openbare behandeling. Een verzoek de behandeling achter gesloten deuren te doen plaatsvinden, wordt alleen ingewilligd indien zwaarwichtige redenen zich tegen een openbare behandeling verzetten.
De voorzitter van de Reclame Code Commissie (dan wel van het College van Beroep) dient over een dergelijk verzoek te beslissen.
Partijen kunnen uiterlijk ter zitting verzoeken de behandeling achter gesloten deuren te doen plaatsvinden.
Het raadkameroverleg is niet openbaar.
De Commissie doet schriftelijk uitspraak. Deze wordt aan partijen toegezonden.

Indien de voorzitter van de Reclame Code Commissie van oordeel is dat een zaak spoedeisend is, kan hij bepalen dat deze binnen 14 dagen wordt behandeld.

II Terzijdelegging

Soms wordt een klacht niet door de Reclame Code Commissie behandeld.
De voorzitter van de Commissie kan een klacht namelijk terzijde leggen als hij van oordeel is dat:

  • de Commissie de klacht niet zal toewijzen;
  • de klacht niet door de Reclame Code Commissie behandeld dient te worden, maar ingevolge de procedure voor grensoverschrijdende reclame doorgestuurd dient te worden naar een ander lid van EASA (zie hoofdstuk 4).

Als een klacht door de voorzitter terzijde is gelegd, wordt klager daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht.
Is klager van mening dat de klacht ten onrechte terzijde is gelegd, dan kan hij daar bezwaar tegen maken bij de voltallige Reclame Code Commissie (zie hoofdstuk 7).

III Voorzitterstoewijzing

Ook is de voorzitter bevoegd een zogenaamde voorzitterstoewijzing te geven. De voorzitter kan van deze bevoegdheid gebruik maken wanneer hij van oordeel is dat de klacht de Commissie aanleiding zal geven een onderhandse aanbeveling te doen.
Daarvan kan sprake zijn:

  • indien degene tegen wie de klacht is gericht geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om schriftelijk verweer te voeren of
  • indien degene tegen wie de klacht is gericht deze heeft erkend of
  • indien na ontvangst van het verweer de voorzitter van oordeel is dat de klacht door middel van een voorzitterstoewijzing kan worden afgehandeld.

Als een klacht door de voorzitter is toegewezen dan worden de klager en adverteerder daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht. Is de adverteerder van mening dat de klacht ten onrechte is toegewezen, dan kan hij daartegen (kosteloos) bezwaar maken bij de voltallige Reclame Code Commissie (zie hoofdstuk 7).

IV Identieke klachten

De voorzitter kan, indien tegen een reclame een groot aantal klachten wordt ingediend, bepalen dat klachten van dezelfde aard of strekking, ingediend na een bepaalde datum, niet in behandeling worden genomen. De klagers worden schriftelijk van deze beslissing op de hoogte gebracht.

6 De uitspraken naar aanleiding van een klacht

De Reclame Code Commissie kan onder meer de volgende uitspraken doen:

  1. de klacht afwijzen.
  2. de klacht toewijzen.

In het laatste geval doet de Commissie een ”aanbeveling” of geeft zij, indien de klacht reclame betreft waarin denkbeelden worden gepropageerd een ”vrijblijvend advies”. Dat wil zeggen dat zij de adverteerder aanbeveelt c.q. adviseert de betreffende reclame niet meer te plaatsen/te gebruiken.

Een aanbeveling kan op twee manieren worden gedaan.

a. Onderhands. Dan wordt de aanbeveling door de Commissie alleen bekend gemaakt aan betrokken partijen.
N.B. De beslissingen van de Commissie zijn op verzoek voor een ieder toegankelijk en kunnen daardoor bij een breed publiek bekend zijn.
b. Openbaar. De aanbeveling wordt dan door de Commissie niet alleen bekend gemaakt aan partijen, maar ook aan derden.

Van een openbare aanbeveling kan kennis gegeven worden aan:

  • de betrokken partijen;
  • het bestuur van de Stichting Reclame Code;
  • de bij de Stichting Reclame Code betrokken organisaties;
  • de media;
  • andere door de Commissie te bepalen derden.

Een vrijblijvend advies kan zijn onderhands of openbaar zoals hiervoor onder a. en b. weergegeven.

Wanneer de Commissie de klacht toewijst, kan zij bovendien:

  • voorwaarden stellen aan het tijdstip van uitzending van de aan haar ter beoordeling voorgelegde radio- en/of televisiereclame;
  • degene wiens reclame in strijd met de Reclame Code is bevonden, een termijn toestaan waarbinnen de aanbeveling van de Commissie moet zijn opgevolgd;
  • maatregelen opleggen als omschreven in de overeenkomsten gesloten tussen de Stichting Reclame Code en organisaties in overleg met wie een Bijzondere Reclame Code tot stand is gekomen.

Een uitspraak van de Reclame Code Commissie is na 14 dagen onherroepelijk. Was een zaak spoedeisend dan is de uitspraak na 7 dagen onherroepelijk. Als de klager en/of de adverteerder het niet eens zijn met de uitspraak, kunnen zij binnen 14 respectievelijk 7 dagen daartegen in beroep gaan bij het College van Beroep.
Zie voor de beroepsprocedure hoofdstuk 9.
De bij de Stichting op grond van de Mediawet aangesloten organisaties hebben zich op voorhand verbonden de aanbevelingen van de Reclame Code Commissie en die van het College van Beroep te volgen.

7 Bezwaar tegen terzijdelegging/voorzitterstoewijzing

Heeft de voorzitter van de Reclame Code Commissie de klacht terzijde gelegd en is dat volgens de klager niet terecht, dan kan deze gemotiveerd binnen 14 dagen bezwaar aantekenen bij de voltallige Reclame Code Commissie.
D.w.z. dat het bezwaarschrift binnen 14 dagen na dagtekening van de terzijdelegging in het bezit van de Commissie dient te zijn.
Voor de behandeling van een bezwaar tegen de terzijdelegging is klachtengeld verschuldigd. Zie voor de hoogte daarvan hoofdstuk 11. Het verschuldigde klachtengeld dient eveneens binnen 14 dagen in het bezit te zijn van de Stichting Reclame Code.

Heeft de voorzitter van de Reclame Code Commissie de klacht toegewezen en is dat volgens de adverteerder niet terecht, dan kan deze gemotiveerd binnen 14 dagen bezwaar aantekenen bij de voltallige Reclame Code Commissie.
Voor de behandeling van een bezwaar tegen een voorzitterstoewijzing is geen klachtengeld verschuldigd.

8 Bezwaar tegen afwijzing van een reclame door een op grond van de mediawet aangesloten organisatie

Indien een op grond van de Mediawet aangesloten organisatie een haar aangeboden reclame voor uitzending op TV/radio c.q. doorgifte door de kabel op grond van de Nederlandse Reclame Code niet toelaatbaar acht, brengt zij dit oordeel met spoed, en zo mogelijk binnen twee weken na ontvangst van de reclame, schriftelijk en met opgaaf van redenen ter kennis van de adverteerder.

De adverteerder kan tegen een dergelijke beslissing -schriftelijk en met redenen omkleed- bezwaar aantekenen bij de Reclame Code Commissie. Voor de behandeling van het bezwaar is €228 terzake van administratiekosten verschuldigd.

9 De beroepsprocedure

Als de klager en/of de adverteerder het niet eens zijn met de uitspraak van de Reclame Code Commissie kunnen zij daartegen in beroep komen bij het College van Beroep.
De appellant dient ervoor zorg te dragen dat zijn beroepschrift binnen 14 dagen of, in het geval de zaak spoedeisend was, binnen 7 dagen na dagtekening van de uitspraak in het bezit is van het College van Beroep.
In het beroepschrift moeten staan:

a. de naam en het adres van degene die in beroep gaat;
b. de datum van de uitspraak waartegen in beroep wordt gegaan;
c. de bezwaren tegen de uitspraak;
d. de handtekening van appellant (of van diens gemachtigde).

Het beroepschrift dient op verzoek van het College van Beroep in 8-voud te worden ingediend. Wanneer iemand tegen een uitspraak van de Reclame Code Commissie in beroep wenst te gaan, is hij daarvoor klachtengeld verschuldigd.
Zie voor de hoogte daarvan hoofdstuk 11.
Pas wanneer de Stichting Reclame Code deze appŤlbijdrage heeft ontvangen, kan het College van Beroep het beroep behandelen. Het stuurt dan een kopie van het beroepschrift naar de wederpartij. Deze krijgt 14 dagen de tijd om verweer te voeren.
Beide partijen krijgen desgewenst de gelegenheid hun standpunt ter zitting van het College van Beroep mondeling toe te lichten.
De schriftelijke uitspraak van het College van Beroep wordt aan partijen toegestuurd. Met deze uitspraak is de procedure definitief beŽindigd.

10 De uitspraken naar aanleiding van een beroep

Het College kan de volgende uitspraken doen:

  1. het beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaren en de uitspraak van de Reclame Code Commissie (gedeeltelijk) vernietigen;
  2. het beroep (gedeeltelijk) ongegrond verklaren en de uitspraak van de Reclame Code Commissie (gedeeltelijk) bevestigen;
  3. de zaak terugverwijzen naar de Reclame Code Commissie;
  4. appellant niet ontvankelijk verklaren in zijn beroep.


11 De kosten van het indienen van een klacht, bezwaar of beroep

I. Wanneer een particulier een klacht indient, hoeft hij voor de behandeling daarvan geen klachtengeld te betalen.
   
  Op deze regel bestaan de volgende twee uitzonderingen:
 
a. als de voorzitter de klacht terzijde heeft gelegd en klager daartegen bezwaar maakt bij de voltallige Reclame Code Commissie moet hij voor de behandeling €12 betalen.
b. als klager van een uitspraak van de Reclame Code Commissie in beroep gaat bij het College van Beroep moet hij voor de behandeling €23 betalen.

Is het bezwaar respectievelijk het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond, dan wordt het bedrag terugbetaald, al naar gelang de Reclame Code Commissie c.q. het College van Beroep dit beslist.

II. Degene die in de uitoefening van een bedrijf of beroep of namens een organisatie:
 
  • een voor behandeling vatbare klacht indient bij de Reclame Code Commissie of
  • tegen een terzijdelegging van zijn klacht door de voorzitter bezwaar maakt bij de voltallig Reclame Code Commissie of
  • van een uitspraak van de Reclame Code Commissie in beroep gaat bij het College van Beroep;
  dient voor de behandeling een bedrag van €228 te betalen.

Voor leden van in de Stichting Reclame Code deelnemende organisaties van ondernemers of van een organisatie in overleg waarmee een Bijzondere Reclame Code tot stand is gekomen en die aan de Stichting Reclame Code daarvoor een financiŽle bijdrage levert, geldt een bijdrage in de behandelingskosten van €114.
Een overzicht van deze organisaties staat in hoofdstuk 13.

Het verschuldigde bedrag komt terzake van administratiekosten te vervallen aan de Stichting Reclame Code.
Wordt de klacht c.q. het beroep ingetrokken nadat het verweerschrift van de wederpartij is ontvangen, dan vervallen de eerdergenoemde bedragen eveneens terzake van administratiekosten aan de Stichting Reclame Code.

III. In Nederland gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, liefdadige, culturele, wetenschappelijke of andere het algemeen nut-beogende organisaties c.q. instellingen zijn - afgezien van het onder I.a en I.b. bepaalde - geen klachtengeld verschuldigd.

Het Postbankrekeningnummer van de Stichting is: 5349417.

12 Overzicht van de leden van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep



Alle klachten over reclame worden behandeld door de Reclame Code Commissie bestaande uit:

a. een lid aangewezen door de organisaties van media die in de Stichting Reclame Code deelnemen;
b. een lid aangewezen door de BVA bond van adverteerders;
c. een lid aangewezen door de VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus;
d. een lid aangewezen door de Consumentenbond;
e. een onafhankelijk lid, tevens voorzitter, aangewezen door de Stichting Reclame Code.

Het College van Beroep is op dezelfde wijze samengesteld als de Reclame Code Commissie.




13 De organisaties die betrokken zijn bij de Stichting Reclame Code

De volgende organisaties zijn verenigd in de Stichting Reclame Code en hebben de Reclame Code goedgekeurd en aanvaard.

  1. De BVA bond van adverteerders
  2. De Consumentenbond (CB)
  3. Nederlands Uitgeversverbond (NUV):
    groep Nederlandse Dagbladpers;
    groep Publiekstijdschriften;
    groep Uitgevers voor Vak en Wetenschap
  4. VEA/Vereniging van communicatie-adviesbureaus (VEA)
  5. DDMA Dutch Dialogue Marketing Association
  6. De Stichting Ether Reclame (Ster)
  7. Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking (ROOS)
  8. DDMA Dutch Dialogue Marketing Association

De volgende organisatie is als toehoorder betrokken bij de Stichting Reclame Code:

  • Thuiswinkel.org

In overleg met de volgende organisaties zijn Bijzondere Reclame Codes van de Reclame Code tot stand gekomen.

  1. Vereniging voor de Bakkerij- en Zoetwarenindustrie (VBZ)
  2. De Stichting Sigaretten Industrie (SSI), de Vereniging Nederlandse Kerftabakindustrie (VNK) en de Nederlandse Vereniging voor de Sigarenindustrie (NVS)
  3. De Stichting Verantwoord Alcoholgebruik (STIVA)
  4. De Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen
  5. VAN Speelautomaten branche-organisatie
  6. De vereniging Nederlandse Vereniging ”de Rijwiel- en Automobielindustrie”, afdeling Auto’s (RAI).
  7. Vereniging mailDB
  8. Platform Behoud Zelfregulering Telemarketing
  9. Thuiswinkel.org
  10. Dutch Dialogue Marketing Association (DDMA)
  11. Email Marketing Associatie Nederland (Emma.nl)

En: de op grond van de Mediawet verplicht bij de Stichting Reclame Code aangesloten zendgemachtigden.

Bestuur

 

Het bestuur van de Stichting Reclame Code is als volgt samengesteld:
Mr H.J. Bruggink, voorzitter
Drs K. de Jonge, secretaris, namens CB
Drs G.R. Zaal, penningmeester, namens ROOS/OLON
T. Nauta, lid, namens het Uitgeversverbond (dagbladen)
Drs O.V. van der Harst, lid, namens VEA
B.H. Kamp, lid, namens de BVA bond van adverteerders
Drs. A. Buurman, lid, namens Ster
H. Wilbrink, lid, namens het Uitgeversverbond (tijdschriften)
Mr J. Sprey, lid, namens Dutch Dialogue Marketing Association

direkteur: Mr P.E.C. Ancion-Kors

 

 

secretariaat: Mr J.H.M. Bouritius J. Lorang-Revius
  Mr A.E. de Gelder S. de Jongh-Wijnberg
  Mr S.O. Vos A.J.E. Thijssen-Abel

 

 

 
Van harte gefeliciteerd "overheidsambtenaren" van de Raad voor de Kinderbescherming en "rechtbank Zutphen" met het behaalde resultaat verkregen met "gefabriceerd bewijs" en "succesvolle tegenwerking". Een rechterlijke beschikking "geen omgang meer tussen vader en zijn drie kinderen"

1995-2016. En weet je wat "SO BE IT!"


3 De norm! De zes wetten van Hop, uitgangspunt voor burgers in iedere procedure tegen "overheidsambtenaren"
1 Hop bijt flink terug met satire op internet naar kinderrechter en RvdK in de zaak Hop
16 SOGM publicatie over Hop. "Mede door Hop werd internetsite soort rebellenclub"
177 President rechtbank Zutphen: "Lachwekkend om de vertegenwoordiger RvdK telkens de zaal te doen verlaten en bij de volgende zaak weer te zien terugkeren
81 Hop bijt terug: Klop Klop werd gepresenteerd op een landelijke bijeenkomst Stichting Dwaze Vaders
547 Hop bijt terug: "Het was lachwekkend te lezen dat Meesje maatregelen eiste tegen Hop na publicatie Klop Klop!"
17 Kamerlid Hendriks: Hop ga zo door! Oorkonde voor Kamerlid Hendriks voor open democratie
184 Het complot! Kinderrechter ook President Soroptemistenclub om belangen van vrouwen te bevorderen
Hop bijt terug: Bijbanenregisters rechters van Hop op internet sloeg in als een bom! Kinderrechters op hun congres verbijsterd achterlatend..... (A) (B) (C) (D) (E) (F) (G) (H) (I) (J) (K) (L) (M) (N) (O) (P) (Q) (R) (S) (T) (U) (V) (W) (Y) (Z)
327 Hop bij terug:Lachwekkend President Mr. J.J. van Oostveen: "na inzage in ons bijbanenregister is het recht van Hop om kritiek te geven uitgewerkt"
143 Het complot! Voorgedrukte griffieformulieren Voogdij: De moeder
302 Het complot! Referteverklaring rechtbank Zwolle alweer representatief voorbeeld partijdigheid voor de moeder
363 Het complot! Arnhemse rechter namens Rijksmuseum Amsterdam: "Moeders zijn beter geschikt dan vaders om leuke dingen met hun kinderen te doen"
8 Het complot! Griffier kinderrechter is dezelfde persoon als secretaris klachtencommissie RvdK
12 Het complot! RvdK en KIR overleggen over Hop voor, na en tijdens schorsing hoorzitting kinderrechter
142 Het complot! Gebruik voornamen kinderrechter en RvdK medewerker bij rechtbank Utrecht voortaan taboe
14 Resultaat: RvdK maakt einde aan (geheim) overleg voor, na, en tijdens schorsing hoorzitting rechter
83 Resultaat: Landelijk directeur RvdK Hooymans schrijft brief aan de gerechten mbt belangenverstrengeling
13 Het complot! Vereniging rechters ASZM probeert onderzoek Hop tegen te werken
148 Het complot! RvdK: Indienen klachten tegen RvdK werkt contraproductief mbt gevraagde omgangsregeling
106 Het complot! Kinderrechter weigert vader meermalig inzage dossier bij de rechtbank
112 Het complot! Een vader heeft geen recht op inzage dossier van zijn kinderen bij de politie
289 Het complot! Gelderse Verhoormethode! Een vader mag minderjarige niet bijstaan bij verhoor door politie
9 Het complot! RvdK/Kinderrechter weigert (verplichte) waarheidsvinding na "RvdK verzonnen verhalen" in de zaak Hop
10 Het complot! Hoe schrijft de raadsmedewerker het raadsrapport? Gegevens verzwijgen, toeschrijven naar conclusie!
11 Het complot! Competentieprofiel praktijkleider: Als raadsrapport niet deugt gaan we toch lekker door!
93 Het complot! RvdK laat belang moeder zwaarder wegen dan belang vader
136 Het complot! RvdK: Omgangsregeling afwijzen omdat omgang niet met een rechterlijke beschikking kan worden afgedwongen
139 Het complot! Vraag Hop in Justitiekrant: "Is het gewenst dat de Raad zelf onderzoek mag verrichten als belanghebbende bij de uitslag"
445 Resultaat: Analyse klachtafhandeling kinderbescherming 2000 citaat:"Dhr Hop vanwege groot aantal apart vermeld"
18 Het complot! Klacht Hop tegen Staat der Nederlanden mbt 8 EVRM niet-ontvankelijk bij Europese commissie
19 Het complot! Klacht Hop tegen Staat der Nederlanden mbt 6 EVRM niet-ontvankelijk bij Europese commissie
337 Het complot! PvdA Kamervoorzitter Deetman bleef Kamerlid Hendriks in kwaad daglicht plaatsen
459 - 218 Het complot! Denk eens na over geschiedenis (gefiscaliseerde) omroepbijdrage en censuur gesubsidieerde media
137 Stiekem overleg (overheid) over Hop in een achterkamertje van de Vereniging Directeuren Gezinsvoogdij-instellingen.
80 Twintig jaar later er is nog niets veranderd! Hop krijgt Openbaar Ministerie Gevoelige Zaken Overleg MEMO'S OVER HOP te pakken.
574 De eerste kinderrechter springt voor de trein na het wederom naaien van Hop met "gefabriceerd bewijs" en "succesvolle tegenwerking"

Citaat raadsrapport in de zaak: De vader (Hop) wil dat de uitspraak van de rechter inzake de omgangsregeling wordt uitgevoerd.

TEGEN

Raad voor de Kinderbescherming: "Een omgang tussen vader en kinderen, kan niet op deze wijze (met een beschikking van de kinderrechter) worden afgedwongen".

Beschikking kinderrechter/President Soroptemistenclub R.A.J. Mees: Geen omgang meer tussen vader en zijn kinderen.

1995-2016. En weet je wat "SO BE IT!"

top
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop I
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop II
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop III
Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking Hop IV
Stem wijzer! Stem Groep Hop ©
Referenties J. Hop
Activiteiten