| Lachwekkend!
Kinderbescherming zit
niet meer bij rechter aan tafel. (1)
(12) Lachwekkend!
Nu bellen de
vertegenwoordigers van de Staat met de kinderrechter buiten de
hoorzitting om nog voordat een verzoek wordt ingediend! (101)
(124) (180)
Lachwekkend!
UN heeft nog steeds niet op klacht van Hop
tegen Nederland beslist als representatief
voorbeeld van "corruptie van coalities" tussen UN en Nederland
(95) (710)
|
Het Openbaar Ministerie, de politie en de veiligheidsdiensten willen wetten aanpassen en oprekken om het opslaan en uitwisselen van gegevens, die op geen enkele manier op onjuistheid getoetst zullen worden, over niet-verdachte burgers mogelijk te maken
Het Openbaar Ministerie, de politie en de veiligheidsdiensten willen over meer 'data' beschikken om terroristen te kunnen vangen. In een rapportage maken de betrokken van politie en justitie precies duidelijk welke wetten moeten worden aangepast en opgerekt om het opslaan en uitwisselen van informatie over niet-verdachte burgers mogelijk te maken.
Stel dat er gisteren een gecoördineerde terroristische aanslag was gepleegd op belangrijk Nederlands doel. Hoeveel vragen zullen er dan achteraf gesteld worden over de terroristen, die bijvoorbeeld bleken te wonen in een bij de Sociale Dienst bekend staand illegalenpakhuis?
En had het Meldpunt Ongewone Financiële transacties niet dienen te waarschuwen dat de daders inderdaad een ongewoon financieel patroon hadden? En waarom wist de Aivd niet tijdig dat ze naar Iran of Saudi-Arabië belden met een satelliettelefoon? En had de Rabobank of de groothandel via de pintransacties niet moeten zien dat ze zakken kunstmest en liters dieselolie inkochten, terwijl het CRI opviel dat ze met hun Hotmail-account gecodeerde berichten rondstuurden? Er zouden heel veel vragen worden gesteld over 'geklungel' en gebrek aan samenwerking tussen allerhande instanties. Als opsporingsdiensten voorkom je dat liever.
Minister Donner van Justitie (470) schiet ze te hulp. Hij wil erin voorzien dat de genoemde diensten archieven kunnen aanleggen over personen. Daarin kunnen allerhande overheidsinstanties hun informatie in deponeren, een soort van digitale mapjes waar bonnetjes, transacties, foto's en andere 'zachte informatie' onbeperkt kan worden bewaard, en waar elke opsporingsambtenaar vervolgens in kan rondneuzen. Donner beval het Openbaar Ministerie, de politie en de veiligheidsdiensten rond de tafel te gaan zitten en met voorstellen te komen die een dergelijk scenario mogelijk maken. Het rapport van de werkgroep Gegevensuitwisseling en Terrorismebestrijding dat vervolgens verscheen, laat aan duidelijkheid niets te wensen over.
Het rapport,eveneens met de titel Gegevensuitwisseling en Terrorismebestrijding, is een wensenlijstje van met de politie en de geheime diensten. Zij willen graag de mogelijkheid om zogenaamde 'themaregisters' op te stellen van burgers die in principe niet van een misdaad verdacht zijn. Dit register moet gekoppeld worden met bijvoorbeeld informatie van Meldpunt Ongewone Financiële Transacties, allerhande registers en databanken van de politie.
Op die manier zijn de politie en de Aivd gezamenlijk in staat om per van elke burger een 'onbeperkt houdbare' dossier op te bouwen. En dan zouden controlerende instanties zoals College Bescherming Persoonsgegevens en zelfs 'de wetgever' (lees:het Parlement) zich, als het even kan, niet langer inhoudelijk met de dossiervorming moeten bemoeien. Ze mogen alleen nog maar kijken of de procedures juist zijn:
De wet zou dan kunnen volstaan met het beschrijven van de procedure en de waarborgen die in acht moeten worden genomen voor de besluitvorming over de inhoudelijke criteria voor de opslag van gegevens en het gebruik daarvan...Met een dergelijke regeling gebaseerd op procedurele waarborgen zal makkelijker kunnen worden ingesprongen op nieuwe ontwikkelingen die zich in de toekomst kunnen voordoen. De bemoeienis van de formele wetgever is alsdan niet steeds vereist.'
In het rapport zelf wordt een treffend voorbeeld gegeven hoe die themaregisters zouden kunnen werken:
Zo is bijvoorbeeld het enkele feit dat iemand in Nederland vlieglessen volgt op zichzelf onvoldoende om gegevens over hem op te slaan. Dit gegeven aangevuld met andere relevante informatie kan echter wel leiden tot de conclusie dat het doel van een themaregister terrorisme de opslag van gegevens over die persoon rechtvaardigt.'
De politie wil het themaregister aanvullen met gegevens uit open bronnen zoals websites en openbare registers.
De Twentse hoogleraar communicatiewetenschap en privacyexpert, professor Jan van Dijk, is desgevraagd duidelijk over de plannen van politie en justitie: 'Het is een grove aantasting van de privacy en het Nederlandse rechtssysteem, [in het rapport] verwijzen naar de algemene rechten van de mens, is minder dan een doekje voor het bloeden. Dat zijn namelijk algemene, haast filosofische waarden'.
'Ik vraag me af of het ooit zal helpen om misdaden op te lossen. Het probleem van de politie is niet dat ze te weinig informatie heeft, maar dat ze geen weg weten te vinden in de veelheid aan informatie. Ze hebben de tijd niet om alles nauwkeurig te controleren en op te slaan, iets wat erg belangrijk is bij databestanden. Het zal ze alleen maar meer werk opleveren', vertelt Van Dijk. Hij twijfelt aan de effectiviteit.
Maar waar komt die constante roep van politie en justitie om meer bevoegdheden vandaan: 'Het is niet omdat ze er direct gebruik van willen maken, maar omdat het blijkbaar frustrerend is dat ze af en toe tegen de wet oplopen. Dus als ze alvast maar die mogelijkheid krijgen, dan kunnen ze er altijd desgewenst nog gebruik van maken. Hetzelfde geld voor identificatieplicht, het gaat erom dat iemand niet even 'fuck off' tegen de politie kan zeggen, en dat de agent dan niets terug kan doen als hij om een identificatie vraagt. Het kost veel te veel werk om daadwerkelijk iedereen om een ID te vragen. In de praktijk zal het bovendien leiden tot meer discriminatie omdat vooral donkere mensen eerder aangehouden zullen worden.'
Samenleving
Volgens Van Dijk is het vooral de 'oude elite' die zich tegen de privacybeperkingen verweert, terwijl de bevolking niet weet wat haar boven het hoofd hangt. Het probleem is volgens hem dat de noodzaak van privacy soms moeilijk is uit te leggen aan burgers en politici: 'Je moet wel haast een jurist zijn om het allemaal te snappen, je moet dieper over deze zaken nadenken, dat is niet iedereen gegeven'.
Daarnaast is de roep van de overheid om 'meer veiligheid' ten koste van privacy moeilijk te ontrafelen. 'Als je het in zijn algemeenheid bekijkt, dan zijn de meeste bewering wel juist. Daarnaast gebruikt men termen als 'als je niets te verbergen hebt, dan heb je niets te vrezen.' Maar zodra je specifiek naar de cases gaat kijken, blijft er volgens Van Dijk weinig over: 'Kijk naar die identificatieplicht. Groepen mensen zullen gediscrimineerd worden, het levert voor de politie meer werk op, de aandacht gaat uit naar kleinigheden, terwijl grote zaken onaangeroerd blijven.'
Enig bewijs dat privacybeperkende, en vermeend 'veiligheidsbevorderende' bevoegdheden enig effect hebben is er niet. In absolute getallen stijgt volgens het CBS het aantal misdaden nog steeds.
Volgens de hoogleraar heeft de angst voor misdaad die 'opgeroepen' wordt onder de bevolking, ook een ideologische kant: je krijgt er dingen mee gedaan. 'En er is een enorme druk vanuit de media op het volk, er wordt een beeld geschetst als zou privacy een luxe zijn'. Massaal invoeren van een identificatieplicht geeft burgers het idee dat er 'wat gedaan wordt' aan misdaad, terwijl de uitwerking wel eens tegenovergesteld kan zijn, zo stelt de professor het.
Tijdgebrek
In het kader van samenwerking tussen verschillende diensten, is een politieambtenaar verplicht om zijn korpschef op de hoogte te stellen als hij denkt met terroristische activiteiten te maken te hebben: volgens de politiewet:
Aldus dient de politie op eigen initiatief gegevens die zij van belang acht voor de diensten, bijvoorbeeld over terrorismebestrijding, via de korpschef aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te verstrekken.
In de praktijk leidt dit volgens Van Dijk tot een veelheid aan opslag van gegevens van burgers die op geen enkele manier op onjuistheid getoetst zal worden: 'Ze hebben helemaal geen tijd om al die gegevens te gaan controleren, zoiets verdwijnt in een database of op papier. Zelf al zoeken ze uit of iets klopt of niet, dan nog zal nooit geregistreerd worden wat er dan fout is gedaan, het leidt tot een spoor registraties van volmaakt onschuldige burgers.'
De anonieme opstellers van het rapport, vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie, Politie, Openbaar Ministerie, Mivd en de Aidv reppen een aantal maal over de 'zeer ernstige dreiging voor de rechtsorde' en 'een gevaar voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde' die sommige elementen in de samenleving vormen. Die constatering blijkt met de dag aan actualiteit te winnen: 'iemand moest Jousef K. belasterd hebben...' (Vrij naar Kafka).
Wetteloze rechtspraak is jarenlang de praktijk in Nederland en daarmee is de rechtsstaat feitelijk buiten werking gesteld
De norm! Na de Franse Revolutie werd eerst een Tribunal de Cassation en later de Cour de Cassation ingesteld, die eerst figureerde als verlengstuk van de wetgevende macht, maar later hoogste rechter werd met de bevoegdheid om uitspraken die in strijd waren met de wet te vernietigen ten behoeve van de rechtseenheid
Het gevaar! De WET is buiten werking gesteld door almachtige rechterlijke ambtenaren. Is dit slordigheid, of machtswellust van de rechter? Antwoord: NEE...!! De wetgever heeft de wet als referentiekader voor het juridisch verkeer versluierd en daarmee de rechtsstaat feitelijk buiten werking gesteld. De wetgever heeft de wet als ultieme uiting van het recht en referentiekader buiten werking gesteld. Dit is gebeurd in 1963 toen in artikel 99 R.O. lid 1 sub 2, 'de schending van de WET' vervangen is door 'schending van het recht' als een van de twee cassatiegronden.
Hiermee is de weg geopend van de heilloze van de zogenaamde jurisprudentiewetgeving. Daarmee werd niet alleen de Staten Generaal als wetgever gepasseerd, maar groeit de praktijk die in flagrante strijd is met de belangrijkste en meest fundamentele wet op het gebied van recht: namelijk de wet Algemene Bepalingen uit 1829. Deze wet gebiedt immers in de artikelen 11 de rechter recht te spreken volgens de WET en verbiedt volgens artikel 12 jurisprudentie rechtspraak. De hele jurisprudentiepraktijk van de Hoge Raad is dus in flagrante strijd met deze wet! c.f.: Verheugt, Knottenbelt, Torringa, inleiding Nederlands Recht, Arnhem 1994, pagina 108.
Nawoord. Het Justitieblad Perspectief wilde het bovengenoemde artikel niet plaatsen en censureerde daarmee een discussie over het belang van burgers bij het opnieuw wijzigen van artikel 99 R.O. lid 1 sub 2 maar dan de "schending van het recht" te vervangen is door 'schending van de wet' als een van de twee cassatiegronden. J. Hop, auteur website censuur in Nederland.
Europees aanhoudingsbevel en de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie: "Het wegvallen van de cassatiemogelijkheid, het bijzondere rechtsmiddel van cassatie in het belang der wet, blijkt al een voldongen feit te zijn
Het Ministerie van Justitie
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Den Haag, 13 februari 2003
Uw kenmerk : 5191096/02/6
Ons kenmerk : adg/1.18/702
Bijlage(n) : --
Onderwerp : concept wetsvoorstel Overleveringswet
Geachte heer Donner,
Naar aanleiding van het op 22 oktober 2002 aan de wetenschappelijke commissie
van de NVvR ter advisering aangeboden concept wetsvoorstel Overleveringswet, dat
uitvoering geeft aan het kaderbesluit inzake het Europees aanhoudingsbevel en de
procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, bericht
ik U als volgt.
Een belangrijk onderwerp in het concept wetsvoorstel betreft de centralisatie
van uitleveringsverzoeken bij de rechtbank Amsterdam. De Raad voor de
Rechtspraak heeft in haar advies van 29 januari j.l. aangeven het wenselijk te
achten dat uitleveringsverzoeken worden geconcentreerd bij de rechtbank die ook
de overleveringszaken gaat behandelen.
De wetenschappelijke commissie wenst zich, met name gezien het beperkte aantal
zaken en het mogelijke kwaliteitsvoordeel, hierbij aan te sluiten.
Met betrekking tot de taalkeuze van de verzoeken heeft de wetenschappelijke
commissie voorkeur voor de Engelse taal zodat vertalingsproblemen voorkomen
kunnen worden. De wetenschappelijke commissie sluit zich ook hier aan bij het
advies van de Raad.
Een ander onderwerp in het concept wetsvoorstel betreft de keuze om te volstaan
met het bijzondere rechtsmiddel van cassatie in het belang der wet. Gezien het
feit dat het wegvallen van de cassatiemogelijkheid al een voldongen feit blijkt
te zijn, volstaat de wetenschappelijke commissie hier enkel en alleen met de
opmerking dat deze beslissing mogelijk tot kwaliteitsverlies kan leiden.
Namens de wetenschappelijke commissie,
voorzitter.
BIJLAGE MET TEKSTUELE OPMERKINGEN
- Het Kaderbesluit spreekt over “rechterlijke autoriteit”. Het wekt dan ook
verwarring dat in het wetsvoorstel de term “justitiële” autoriteit wordt
gehanteerd.
- De wetenschappelijke commissie adviseert de term “vonnis” te vervangen
door de term “uitspraak”, daar het ook arresten kan betreffen.
- Art 1: “overlevering”: kan de slotzinsnede niet beter luiden
"tenuitvoerlegging van een hem opgelegde vrijheidsbenemende straf of
maatregel" in plaats van "hem opgelegde straf of maatregel"?
Immers, het gaat toch uitsluitend om tenuitvoerlegging van straffen of
maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen.
- De wetenschappelijke commissie adviseert in art 2 f het woord
“uitvaardigende” te laten vervallen. Immers, het Europees aanhoudingsbevel
wordt opgemaakt in het uitvaardigende land.
- In art. 7 lid 2 zou in navolging van de terminologie in het Kaderbesluit in
plaats van "besluit tot herziening" moeten worden vermeld
"besluit tot uitbreiding of wijziging" en voor het woord
“gewijzigd” moeten worden opgenomen: “uitgebreid of".
- Art. 12 zou moeten luiden:” tenuitvoerlegging van een bij verstek opgelegde
vrijheidsbenemende straf of maatregel” in plaats van “ tenuitvoerlegging van
een verstek vonnis".
- In de artikelen 23 lid 4, 50 lid 1 en 70 onder d moet “overlevering” komen
in plaats van “uitlevering”.
- De wetenschappelijke commissie acht het helderder indien artikel 23 lid 5 als
volgt wordt verduidelijkt: “strafvervolging ter zake van het feit waarvoor de
overlevering verzocht is, gaande is”.
- Niet duidelijk is waarom in artikel 28 lid 5 naar artikel 4 derde lid wordt
verwezen.
- In artikel 33 moet naar artikel 27 in plaats van artikel 26 worden verwezen.
- In art 66 zal moeten worden aangevuld met: “of uit andere hoofde van zijn
vrijheid is beroofd.”
- Is de Memorie van Toelichting op pagina 26 eerste alinea taalkundig wel juist?
Notities Informele JBZ-Raad 30 september en 1 oktober, Den Haag
Agenda voor de informele JBZ-Raad, 30 september en 1 oktober 2004, Den Haag
In de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) komen de ministers van deze beleidsterreinen formeel zes keer per jaar bij elkaar. Tijdens deze bijeenkomsten wordt de voortgang in de samenwerking besproken op het gebied van JBZ. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam en geconcludeerd op de Europese raad van Tampere in 1999 zijn de centrale uitgangspunten voor JBZ samenwerking: vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.
De bedoeling is om het vrije verkeer van de burgers van de Europese Unie en van de onderdanen van derde landen op het grondgebied van de Unie tot stand te brengen en tegelijkertijd de veiligheid van allen te garanderen door iedere vorm van georganiseerde misdaad (mensenhandel, seksuele exploitatie van kinderen, drugshandel, handel in wapens, autohandel, corruptie en fraude) en terrorisme te bestrijden.
Verdrag van Maastricht
In 1993 trad het Verdrag Betreffende de Europese Unie (Verdrag van Maastricht)
in werking. Dit verdrag verschafte een nieuwe basis voor samenwerking op het
gebied van justitie en binnenlandse zaken door de bestaande communautaire
structuur aan te vullen met een derde pijler. De samenwerking bestrijkt zeven
zaken van gemeenschappelijk belang: asiel, overschrijding van de buitengrenzen,
immigratie, bestrijding van drugs en drugsverslaving, bestrijding van
internationale fraude, justitiële samenwerking in civiele en strafzaken en
samenwerking op het gebied van politie en douane. Omdat het kwesties zijn die
vaak erg gevoelig liggen is in het verdrag veel waarde gehecht aan de
soevereiniteit van lidstaten en aan die instellingen van de EU waarbij de
lidstaten direct betrokken zijn. De bevoegdheden van de Europese Commissie, het
Europees Parlement en het Hof van Justitie zijn beperkt.
Verdrag van Amsterdam
Het Verdrag van Amsterdam trad in werking op 1 mei 1999 en bracht
verandering in de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken
door een aantal zaken naar de communautaire pijler, de eerste pijler, over te
hevelen. Het ging om visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die
verband houden met het vrije verkeer van personen. Daarnaast valt justitiële
samenwerking in burgerlijke zaken onder de eerste pijler van het Verdrag van de
Europese Unie.
De politiële en justitiële samenwerking in strafzaken behoort nog steeds tot de derde pijler. Het Verdrag van Amsterdam heeft het voorkomen en bestrijden van racisme en vreemdelingenhaat aan de derde pijler toegevoegd.
Een ruimte van vrijheid,
veiligheid en rechtvaardigheid
De Europese Raad van Tampere in 1999 was gewijd aan de totstandkoming
van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.
“Een ruimte van vrijheid”: dit betekent de totstandkoming van het vrije verkeer van personen volgens het Schengen-model, de bescherming van de mensenrechten en de bestrijding van elke vorm van discriminatie.
“Een ruimte van veiligheid”: dit omvat de strijd tegen criminaliteit, met name terrorisme, mensenhandel, misdrijven tegen kinderen, drugshandel, wapenhandel, corruptie en fraude. Hier speelt Europol een centrale rol om de samenwerking tussen de lidstaten op operationeel gebied te versterken.
“Een ruimte van rechtvaardigheid”: ondanks de verschillen tussen de lidstaten streeft de Unie ernaar om de gelijke toegang van de Europese burgers tot de rechter te garanderen en de samenwerking tussen de justitiële autoriteiten te verbeteren.
Samenwerking op het gebied
van asiel en immigratie
Visa, asiel immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden
met het vrije verkeer van personen vallen met de inwerkingtreding van het
Verdrag van Amsterdam onder de eerste pijler van het Unie verdrag. Het verdrag
van Amsterdam heeft verschillende doelstelling genoemd als het gaat om een
zekere harmonisatie van asiel- en immigratiebeleid.
Tijdens de Europese Raad van Tampere zijn daarnaast vier prioriteiten opgesteld op het gebied van asiel en immigratie:
Partnerschap met landen waar veel immigranten vandaan komen;
Een gemeenschappelijk asielregime;
Een eerlijke behandeling van legale immigranten;
Het managen van migratiestromen en het tegengaan van illegale immigratie.
Samenwerking bij civiele
zaken
De justitiële samenwerking in burgerlijke zaken is vooral gericht op een betere
samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten. De samenwerking richt zich
op de verbetering en het eenvoudiger maken van samenwerking in relatie tot
grensoverschrijdende diensten en documenten, samenwerking in het vergaren van
bewijs, de erkenning en handhaving van gerechtelijke uitspraken in civiele
zaken, de regels over het toepassen van de regels en de competentie van de
rechtbanken. Ook samenwerking bij civiele zaken behoort tot de eerste pijler van
het Unie verdrag sinds de inwerkingtreding van het verdrag van Amsterdam.
Tijdens de Raad van Tampere zijn specifiek drie prioriteiten geformuleerd:
wederzijdse erkenning van gerechtelijke uitspraken;
betere regelgeving over de compensatie voor slachtoffers van misdaad;
meer convergentie van het civiele recht in de EU.
Samenwerking van politie
en justitie in de Europese Unie
Door samenwerking van de verschillende politiediensten in de EU wordt
geprobeerd voor alle burgers in de EU een hoog niveau van veiligheid en
bescherming te garanderen. De Europese politiedienst (Europol) speelt hierbij
een belangrijke rol. Samenwerking tussen de verschillende openbare ministeries
van de Unie wordt beoogd met de totstandkoming van EuroJust.
De politie en justitie
samenwerking in strafzaken behoort nog tot de derde pijler van het Unie verdrag.
Alle lidstaten hebben inmiddels wetgeving die dezelfde vormen van corruptie,
fraude, illegale handel in drugs, mensenhandel en mensensmokkel maar ook als het
gaat om het strafbaarstellen van terroristische handelingen.
Agenda informele JBZ, 30 september en 1 oktober 2004 te Den Haag
JBZ-meerjarenprogramma
Uit de eerder bekend geworden mededeling van de Commissie over de evaluatie van de conclusies van Tampere zijn de in dat programma opgenomen maatregelen grotendeels uitgevoerd. Dat gaf de Europese Raad aanleiding om in zijn bijeenkomst op 17/18 juni jl. de Raad en de Commissie te vragen met voorstellen te komen voor een nieuw meerjarenprogramma voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Het is de bedoeling om de politieke richtsnoeren voor dit programma tijdens het Nederlandse voorzitterschap vast te stellen, namelijk in de vergadering van de Europese Raad van 4 en 5 november 2004.
Met het oog daarop hebben is besloten om tijdens de eerste drie bijeenkomsten van de Raad de politieke richtsnoeren voor te bereiden. De vergadering van de Raad van 19 juli had een inventariserend karakter, terwijl tijdens de aanstaande informele Raad uitdieping zal plaatsvinden. Het streven is om in de Raad van eind oktober overeenstemming te bereiken over de politieke richtsnoeren.
Tijdens de Raad van 19 juli de algemene opvatting dat de in het discussiestuk van het voorzitterschap gesignaleerde aspecten in de politieke richtsnoeren aan de orde behoren te komen en dat de aangegeven richting instemming genoot. In de daarna ontvangen gedegen en vaak uitvoerige bijdragen werd deze opvatting bevestigd.
Een en ander heeft aanleiding gegeven om met het oog op de verdere uitdieping het overleg te concentreren op een aantal thema's. Het betreft deels thema’s ten aanzien waarvan de visies (nog) van de lidstaten nog uiteenlopen en deels thema’s die instemming genieten maar waarvan (nog) geen duidelijkheid over de invulling bestaat.
Op het terrein van politiële en justitiële samenwerking: verbetering van de informatie-uitwisseling, terrorismebestrijding, versterking van het functioneren van Europol/Eurojust, voorbereiding van het Comité interne veiligheid en crisisbeheersing; op het terrein van de civielrechtelijke samenwerking: internationaal familierecht; en op het terrein van grensbeheer, asiel en migratie: een gemeenschappelijk Europees asielstelsel, verbetering van toegang tot duurzame oplossingen, een solidariteitsmechanisme voor de grensbewaking, een gemeenschappelijk visumbeleid en partnerschap met derde landen en migratiebeheer.
Daarnaast zal worden getracht bevestiging te krijgen van de door het Nederlandse voorzitterschap geconstateerde consensus op een aantal andere punten.
Geannoteerde agenda voor de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, 19 november 2004 te Brussel
Met betrekking tot hetgeen is aangegeven over de openbaarheid van de onder de agendapunten opgenomen documenten, kan worden opgemerkt dat het de stand weergeeft d.d. 4 november 2004. Een actuele weergave is te vinden in het documentenregister van de Raad (1).
I Raad JBZ
Goedkeuring van de
voorlopige agenda
Goedkeuring van de
lijst van A-punten
Vermoedelijk zullen onderstaande punten als A-punten worden geagendeerd. De
regering kan instemmen met deze onderwerpen.
A-punten
2a. Evaluatierapport 2001-2004 en jaarverslag 2003 van het Europees Netwerk Criminaliteitspreventie
document: 13420/04 CRIMORG 101
(NL)
status document: niet openbaar
document: 13421/04 CRIMORG 102 (EN)
status document: niet openbaar
documenten: 13422/04 CRIMORG 103 + COR 1 (NL)
status documenten: niet openbaar
rechtsgrondslag: artikel 3.2 (h) Raadsbesluit 427/JBZ van 28 mei 2001
instemmingsrecht: niet van toepassing
In het evaluatierapport wordt een overzicht gegeven van de werkzaamheden van het Europees Netwerk Criminaliteitspreventie (EUCPN) sinds het besluit tot oprichting op 28 mei 2001 (2). De teneur van het evaluatierapport is dat er in de periode van 2001 -2003 met geringe menskracht veel werk verzet is en een goede basis gelegd is voor verdere ontwikkeling van de EUCPN. Geconstateerd wordt dat een aantal zaken voor verbetering vatbaar is. In het bijzonder zou de EUCPN zich moeten richten op een beperkter aantal onderwerpen en een verbeterde structuur, zodat de effectiviteit verhoogd kan worden in de komende jaren. In het JBZ-meerjarenprogramma is daartoe een aparte paragraaf opgenomen.
In het bijzonder zal de komende periode, waar nodig en mogelijk in samenwerking met de Europese Commissie, onder meer gewerkt worden aan de onderwerpen “crime proofing” van (EU) wetgeving, het ongevoelig maken van goederen en diensten voor criminaliteit, het mogelijk maken van vergelijking van misdaadcijfers van de lidstaten, het monitoren van het nationale criminaliteitspreventiebeleid van de lidstaten en het prioriteiten stellen bij de preventie van criminaliteit op Europees niveau. Waar nodig zullen voorstellen worden gedaan tot wijziging van genoemd besluit van de Raad in het bijzonder waar het de financiering van de EUCPN betreft.
Het jaarverslag 2003 geeft de werkzaamheden van de EUCPN weer in 2003. Het is inhoudelijk betrokken bij de evaluatie van het netwerk.
2b. Toegang van de
voertuigenregistratiediensten in de Lidstaten tot het Schengen Informatiesysteem
(SIS)
document: 13824/04 SIRIS 112 CODEC 1150 COMIX 638 (NL)
status document: openbaar
document: 13673/04 SIRIS 106 CODEC 1133 COMIX 628 (EN)
status document: niet openbaar
rechtsgrondslag: artikel 71, eerste lid onder d, van het EG-verdrag
instemmingsrecht : van toepassing
De Europese Commissie heeft in 2003 een voorstel ingediend voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad om voertuigregistratiediensten in de Schengen lidstaten toegang te verlenen tot het SIS. Deze toegang betreft zowel gegevens van gestolen en vermiste voertuigen als gegevens van aan voertuigen gerelateerde gestolen en vermiste documenten en kentekenplaten, vermeld in artikel 100 van de Uitvoeringsovereenkomst bij het Akkoord van Schengen (SUO). De toegang tot de gegevens zal direct zijn waar het overheidsdiensten betreft en indirect waar het private diensten betreft.
Er zijn twee lidstaten die van mening zijn dat dit voorstel gebaseerd zou moeten zijn op een derde pijler instrument; hun opvatting is verwoord in een bij document SIRIS 112 aangehechte verklaring. De inwerkingtreding van de verordening is mede afhankelijk van de goedkeuring van de Spaanse initiatieven betreffende nieuwe functionaliteiten in het SIS. Op deze voorstellen rust thans nog een parlementair voorbehoud van een enkele lidstaat.
In de verordening zijn de meeste amendementen van het Europees Parlement verwerkt, zoals aangegeven in de “Statement of Reasons” (document SIRIS 106). In geval van goedkeuring door de Raad zal het Europees Parlement het voorstel in een tweede lezing opnieuw bestuderen.
2c. Ontwerp-conclusie van
de Raad betreffende een alternatieve (bestuurlijke) aanpak van de bestrijding
van de georganiseerde criminaliteit
document: 13153/04 CRIMORG 93 (NL)
status document: niet openbaar
rechtsgrondslag: artikel 29 van het EU-verdrag
instemmingsrecht: niet van toepassing
Aan de Raad worden conclusies voorgelegd die zijn opgesteld naar aanleiding van het seminar “an alternative approach to combat organised crime” gehouden op 5 en 6 juli 2004. Doel van dit seminar was om bij de lidstaten en in het kader van de EU meer bewustwording te krijgen voor de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit.
De bestuurlijke aanpak van
georganiseerde criminaliteit is een relatief nieuw onderwerp in de Europese Unie
en heeft zijn waarde als aanvullend instrument op de strafrechtelijke aanpak van
georganiseerde criminaliteit.
De Raadsconclusies zijn er op gericht om de continuïteit van de bewustwording
en ontwikkeling van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit
gestalte te geven. In de bijlage van de Raadsconclusies wordt een aantal
operationele maatregelen voorgesteld die deze stap voorwaarts moeten waarborgen.
Tevens wordt voorgesteld om jaarlijks over de voortgang van de ontwikkelingen
aan de Raad te rapporteren.
2d. Ontwerp-besluit van de
Raad betreffende de aanpak van voertuigcriminaliteit met grensoverschrijdende
implicaties
document: 13512/04 ENFOPOL 139 (EN)
status document: niet openbaar
rechtsgrondslag: artikel 30(1)(a) en 34(2)(c) van het EU-verdrag
instemmingsrecht: van toepassing
Dit voorstel voor een besluit inzake de aanpak van voertuigcriminaliteit met grensoverschrijdende implicaties betreft een initiatief van Nederland dat in januari van dit jaar is ingediend.(3)
Nederland acht een Europese aanpak van dit fenomeen dringend noodzakelijk, aangezien de daders van deze criminaliteit zich niet houden aan de nationale grenzen van de lidstaten.
Verder is de ernst van
voertuigcriminaliteit niet te onderschatten en heeft veelal een relatie met
andere vormen van criminaliteit zoals handel in verdovende middelen, illegale
vuurwapenhandel en mensenhandel.
De politiediensten kunnen het fenomeen voertuigcriminaliteit niet alleen
terugdringen. Samenwerking is dringend geboden met andere publieke diensten als
douaneautoriteiten en voertuig registrerende autoriteiten, als ook met private
partners, zoals verzekeringsmaatschappijen en autofabrikanten.
Het is van groot belang dat gebruik wordt gemaakt van beschikbare informatie en
van de bestaande opsporing en registratiesystemen.
Het initiatief ontwerpbesluit draagt wezenlijk bij aan de bestrijding van voertuigcriminaliteit.
Het ontwerpbesluit is gericht op de internationale aspecten van de aanpak van voertuigcriminaliteit en gaat in op samenwerking tussen de rechtshandhavingdiensten zoals politie en douane, maar ook tussen de publieke diensten (registrerende autoriteit en rechtshandhavingdiensten) en tussen deze diensten en de private sector. Naast de aanwijzing van contactpunten en de jaarlijkse expertmeeting worden voorstellen gedaan op het gebied van informatie-uitwisseling, actualisering van het opsporingsregister SIS en de deskundigheidsbevordering van de politie.
Voorstellen worden gedaan dat de rechtshandhavingdiensten misbruik van registratiebewijzen voorkomen en tegengaan (artikelen 7 en 8). In verband met de gewenste samenwerking met derde landen is een verklaring van de Raad opgesteld (artikel 13).
2e. (Eventueel) Dreigingsanalyse van terroristische dreigingen in Europa
document: niet beschikbaar
rechtsgrondslag: artikel 29 van het EU-verdrag
instemmingsrecht: niet van toepassing
De geheime dreigingsanalyse is een vast onderwerp in de EU-besprekingen tijdens elk voorzitterschap. Op grond van de bijdragen van alle EU lidstaten over terroristische incidenten, dreigingen en trends wordt de dreigingsanalyse opgesteld. Dit betreft een geheim document en zal, zodra beschikbaar, ter vertrouwelijke kennisneming worden gezonden aan de vaste commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Besprekingen aangaande dit onderwerp zijn nog gaande op werkgroepniveau.
2f. Aanpassing van de
lijst van terroristische organisaties
document: niet beschikbaar
rechtsgrondslag: artikel 29 van het EU-verdrag
instemmingsrecht: niet van toepassing
De geheime lijst van terroristische organisaties is een vast onderdeel van de
werkgroep terrorisme en wordt elk halfjaar geactualiseerd. Lidstaten kunnen
nieuwe organisaties toevoegen of organisaties verwijderen. Dit betreft een
geheim document en zal, zodra beschikbaar, ter vertrouwelijke kennisneming
worden gezonden aan de vaste commissie voor de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Besprekingen
aangaande dit onderwerp zijn nog gaande op werkgroepniveau.
2g. Begroting SISNET 2005
document: 13848/04 SIRIS 113 COMIX 639 (NL)
status document: openbaar
rechtsgrondslag: artikel 8 Financieel Reglement SISNET (Raadsbesluit 2000/265 EG
van 27 maart 2000)
instemmingsrecht : van toepassing
Overeenkomstig artikel 8 van het
Financieel Reglement inzake het SISNET dienen de lidstaten het voorontwerp van
de begroting 2005 van het SISNET voor het einde van 2004 goed te keuren. Het
SISNET draagt zorg voor het gegevensverkeer tussen de centrale autoriteiten
inzake visumverlening, tussen de SIRENE bureaus en voor het transport van de SIS
gegevens.
De ontvangsten worden geraamd op 2.197.000 euro en de uitgaven voor SISNET op
2.182.000 euro. Het aandeel van Nederland in de uitgaven zal ongeveer 110.000
euro bedragen.
2h. Ontwerp-conclusies van de Raad over de ontwikkeling van een strategisch concept inzake de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit op EU-niveau
document: 13463/04 CRIMORG 105
(NL)
status document: niet openbaar
rechtsgrondslag: artikelen 29 en 31 van het EU-verdrag
instemmingsrecht: niet van toepassing
Het Nederlandse voorzitterschap heeft het initiatief genomen een aanzet te doen tot de ontwikkeling van een aanzet tot een EU strategie op het gebied van georganiseerde criminaliteit. Deze aanzet is vastgelegd in ontwerp-Raadsconclusies die thans nog onderwerp van bespreking zijn in het Comité artikel 36.
Doel van de strategie is om de samenwerking tussen lidstaten en tussen lidstaten en EU-instellingen en met derde landen te verbeteren in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit.
Binnen de EU is gebleken dat er behoefte is aan een beter inzicht in het gebruik van bestaande instrumenten en instituties, zoals Europol en Eurojust. Het is belangrijk om de rol van deze organisaties te monitoren en eventueel te verbeteren om een effectieve bestrijding van georganiseerde criminaliteit te blijven garanderen.
Daarnaast is er behoefte om meer samenhang te brengen tussen diverse initiatieven, zoals het jaarlijkse Organised Crime Situation Report (OCSR) van Europol, beleidsvorming door de Raad op het gebied van georganiseerde criminaliteit en bijvoorbeeld politieonderwijs in de EU. De uitwisseling van informatie en het vergroten van de kennis over het fenomeen georganiseerde criminaliteit spelen hierbij een belangrijke rol.
De Multidisciplinaire Raadswerkgroep Georganiseerde Criminaliteit wordt belast met de coördinatie van de verdere concretisering van het strategisch concept. Dit zal stap voor stap ingevuld worden door de verschillende Raadswerkgroepen in samenwerking met de Europese Commissie, Europol en Eurojust, het Europees Netwerk Criminaliteitspreventie en de Taskforce Europese politiechefs.
2i. Verslag van de Task
Force van Europese politiechefs
document: 14094/04 CATS 48 ENFOPOL 150 (EN)
status document: niet openbaar
rechtsgrondslag: artikelen 29 en 30 van het EU-verdrag
instemmingsrecht: niet van toepassing
De Task Force heeft op 11 en 12 oktober jl. vergaderd over diverse onderwerpen, waaronder terrorisme, het versterken van operationele politiesamenwerking (zie ook agendapunt B5), gemeenschappelijke onderzoeksteams, de Europese politie-academie CEPOL, en COSPOL (“Comprehensive Operational Planning for the Police”). Dit laatste is een beleids- en planningscyclus waarmee operationele politiesamenwerking versterkt kan worden. Het is de bedoeling om hiermee operationele invulling te geven aan de prioriteiten die door de Raad zijn vastgesteld. Lidstaten schrijven zich daarbij in voor een bepaald onderdeel (bijvoorbeeld terrorisme, drugs, cybercrime, e.d.), waarbij één lidstaat trekker is. Zo zal Polen trekker zijn op het onderdeel Oost-Europese georganiseerde criminaliteit, in nauwe samenwerking met o.m. Nederland. Europol heeft binnen COSPOL een grote rol. Nederland kan van de conclusies kennis nemen.
B-punten
3. Evaluatie van de tenuitvoerlegging van het EU-actieplan inzake drugs (2000-2004)
document: COM (2004) 707 final
(EN)
status document: openbaar
rechtsgrondslag: artikelen 29, 31, eerste lid, onder e, van het EU-Verdrag en
artikel 152 van het EG-verdrag
instemmingsrecht : niet van toepassing
Het in 1999 door de Europese Commissie voorgestelde en in 2000 door de Raad aangenomen Actieplan Drugs (2000-2004) voorzag in een (tussentijdse, alsook) eindevaluatie. Voorliggende Mededeling van de Commissie bevat de resultaten van de eindevaluatie van zowel het Actieplan Drugs (2000-2004) als de EU Drugs Strategie 2000-2004. De informatie die aan de eindevaluatie ten grondslag ligt, is afkomstig van een door de lidstaten ingevulde vragenlijst alsmede inbreng van het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving (EWDD) en Europol.
Doel van de eindevaluatie was vast te stellen in hoeverre de in het Actieplan voorgestelde acties uitgevoerd zijn, te bepalen in hoeverre deze acties hebben bijgedragen aan het behalen van de doelstellingen van de Drugsstrategie, alsook de impact van zowel Actieplan als Drugs Strategie op de drugssituatie in de EU te schatten.
De eindevaluatie geeft enerzijds aan dat voortgang is gemaakt in het bereiken van de doelstellingen van de EU Drugs Strategie 2000-2004. Voorts wordt vastgesteld dat een groot aantal van de in het Actieplan voorgestelde acties inderdaad is uitgevoerd of momenteel wordt geïmplementeerd. Anderzijds bevestigen beschikbare data niet dat, zoals de Drugs Strategie onder meer voorschreef, er een aanzienlijke vermindering in het drugsgebruik is opgetreden of dat de beschikbaarheid van drugs substantieel teruggedrongen is.
Volgens de eindevaluatie kunnen op basis van de uitkomsten de volgende conclusies getrokken worden:
Duidelijke en precieze doelen en prioriteiten moeten vertaald kunnen worden in operationele indicatoren en acties in toekomstige Actieplannen. Het is van belang dat verantwoordelijkheden en termijnen voor implementatie duidelijk gedefinieerd worden.
Ten aanzien van de beschikbaarheid, kwaliteit en vergelijkbaarheid van informatie over de monitoring van de drugssituatie zijn verbeteringen noodzakelijk, mede omdat op een aantal deelterreinen (met name uit de handhavingssfeer) vooralsnog geen vergelijkbare data voorhanden bleken te zijn.
Het Meerjarenprogramma ter versterking van vrijheid, veiligheid en recht moet de doelstellingen van de nieuwe EU Drugsstrategie 2005-2012 en de daaruit voortvloeiende Actieplannen onderschrijven.
In de nog te verschijnen Raadsconclusies over deze evaluatie van het EU-actieplan inzake drugs neemt de Raad kennis van de evaluatie, waarvan de inhoud zal worden meegenomen bij de opstelling van de nieuwe drugsstrategie.
4. Ontwerp-kaderbesluit over de bewaring van gegevens die zijn verwerkt en opgeslagen in verband met het aanbieden van openbare elektronische-communicatiediensten of gegevens in openbare communicatienetwerken met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten, daaronder begrepen terrorisme
document: 8958/04 CRIMORG 36
TELECOM 82 (NL)
status document: openbaar
rechtsgrondslag: artikel 34, tweede lid onder b, van het EU-verdrag
instemmingsrecht: van toepassing
Het gemelde ontwerpkaderbesluit is in de raadswerkgroep strafrechtelijke samenwerking op 27 en 28 september 2004 en op 19 en 20 oktober 2004 besproken. Het onderwerp is thans nog in bespreking in het Comité artikel 36 ter voorbereiding van de Raadsbijeenkomst van 19 november 2004. Aan het Comite artikel 36 zullen een aantal vragen worden voorgelegd met het oog op een richtinggevende instructie aan de werkgroep aangaande de wenselijke reikwijdte van het Kaderbesluit. Het gaat daarbij om een algemene oriëntatie met betrekking tot de vraag van de reikwijdte van een bewaarplicht en de eventuele consequenties daarvan voor de rechtsgrondslag van het kaderbesluit en de vraag in hoeverre gekomen kan worden tot verdergaande harmonisatie ten aanzien van de gegevens als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen b en c van het ontwerp-kaderbesluit (onder meer SMS- en internetdiensten).
Afhankelijk van de uitkomsten van de bespreking in het Comite artikel 36 zullen de betreffende vragen kunnen worden voorgelegd aan de Raad. De wenselijke reikwijdte is enerzijds afhankelijk van de klaarblijkelijke behoefte aan verkeers- en locatiegegevens bij de opsporingsdiensten en justitie in concrete gevallen en anderzijds van de weging van de gevolgen van de algemene bewaarplicht voor de persoonlijke levenssfeer van burgers, alsmede van de praktische en financiële gevolgen voor de telecommunicatie-aanbieders en de overheid.
Daarbij komt dat de keuze voor een bepaalde reikwijdte van het besluit niet los gezien kan worden van de rechtsgrondslag (art. 31(1) (c) en 24 (2)(b) van titel VI van het EU-Verdrag) voor behandeling in de derde pijler van de Europese Unie en de duur van het behandelingstraject. Het ontwerp strekt ertoe de bestaande wetgeving van de lidstaten met betrekking tot het bewaren van gegevens door telecommunicatieaanbieders met het oog op het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten, te harmoniseren. Dit om effectieve politiële en justitiële samenwerking in strafzaken mogelijk te maken.
Gelet op de reikwijdte van de in artikel 2, tweede lid, van het ontwerpkaderbesluit voorgestelde minimum gegevensset, is van groot belang te bepalen in hoeverre een eventueel aan de aanbieders op te leggen bewaarplicht dient te zijn beperkt uitsluitend tot gegevens die ten behoeve van commerciele of zakelijke doeleinden worden bewaard dan wel dat ook gegevens kunnen zijn betrokken die de aanbieders in het kader van de eigen bedrijfsvoering voorhanden hebben.
Nederland is van mening dat de aanbieders niet moeten worden verplicht tot het verzamelen van gegevens die niet in het kader van de eigen bedrijfvoering worden bewaard. Het standpunt is echter mede afhankelijk van de vaststelling van de minimum gegevensset van artikel 2, tweede lid, op basis van de behoeftes van de opsporingsdiensten. Uitgangspunt daarbij is dat een evenwichtige regeling van een bewaarplicht van verkeersgegevens wordt getroffen waarbij voor wat betreft de reikwijdte van de bewaarplicht en de bepaling van de bewaartermijnen rekening moet worden gehouden met de huidige praktijk van telecommunicatieaanbieders en de kosten die uit een bewaarplicht voortvloeien.
Voor een evenwichtig eindresultaat is het tevens van belang dat de behoeftes van de opsporingsdiensten op nationaal niveau nader in kaart worden gebracht. De beraadslagingen zullen na behandeling in de Raad in de werkgroep kunnen worden voortgezet, onverminderd met het oog op het bereiken van een politiek akkoord in juni 2005.
5. Ontwerp-conclusies van de Raad inzake de versterking van de operationele politie-samenwerking (Task Force Europese politiechefs)
document: niet beschikbaar
rechtsgrondslag: artikel 29, 30 en 32 van het EU-verdrag
instemmingsrecht: niet van toepassing
In de verklaring van de Europese Raad inzake terrorismebestrijding van maart 2004 is de volgende opdracht opgenomen: “Voorts onderstreept de Europese Raad de rol van de Task Force van Hoofden van Politie bij de coördinatie van de operationele maatregelen als reactie op en ter voorkoming van terroristische daden. De Europese Raad roept de Task Force op na te gaan hoe zijn operationele capaciteit kan worden versterkt en zich toe te leggen op pro-actieve inlichtingenvergaring.” Het is aan het Nederlands voorzitterschap om hieraan invulling te geven en om hierover nog dit jaar overeenstemming te bereiken.
Op dit moment wordt hierover nog op ambtelijk niveau onderhandeld. De discussie spitst zich toe op invulling van de strategische en operationele taken van de Task Force, en meer specifiek de verhouding van de Task Force Hoofden van Politie tot Europol. Nederland is voorstander van een nauwe samenwerking met Europol.
6. Ontwerp-kaderbesluit betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, met name ten aanzien van zware misdrijven, zoals terroristische daden
documenten: 10215/04 CRIMORG 46
ENFOPOL 69 COMIX 382 + ADD 1 (NL)
status documenten: openbaar
rechtsgrondslag: artikel 34, tweede lid onder b, van het EU-verdrag
instemmingsrecht: van toepassing
Dit voorstel beoogt een snellere informatie-uitwisseling tot stand te brengen tussen autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van voorkomen, onderzoeken of opsporen van strafbare feiten. De uitwisseling van informatie voor strafrechtelijke onderzoeken en onderzoeken die deze status nog niet hebben bereikt, zou plaats moeten vinden binnen een in het kaderbesluit neergelegde tijdslimiet. De verkregen informatie mag niet worden gebruikt als bewijs in een strafzaak.
Met dit voorstel wordt tegemoet gekomen aan een van de actiepunten van de EU-terrorismeverklaring van de Europese Raad van 25 maart jl. Ook wordt voldaan aan een van de deadlines van het EU Actieplan ter bestrijding van terrorisme. De Raad moet het voorstel uiterlijk 30 juni 2005 aannemen.
In de behandeling van het voorstel staat een aantal discussiepunten centraal. Een discussiepunt is de definitie van ‘bevoegde rechtshandhavingsautoriteit’. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag in hoeverre ‘gerechtelijke autoriteiten’ betrokken kunnen worden bij de uitwisseling van informatie die niet als bewijs mag worden gebruikt. Een ander discussiepunt betreft de vraag welke typen informatie in aanmerking komen voor uitwisseling onder dit voorgestelde regime. Aan de Raad wordt tussentijds verslag gedaan.
Nederland is voor praktische verbetering en vergemakkelijking van informatie-uitwisseling voor opsporingsdoeleinden. Het onderhavige voorstel moet vooral in die sleutel worden gezien.
7. Terrorisme: stand van zaken
document: geen
rechtsgrondslag: artikel 29 van het EU-verdrag
instemmingsrecht: niet van toepassing
Conform een eerdere afspraak wordt op elke Raadsbijeenkomst een toelichting gegeven over de stand van zaken in de uitvoering van het EU Actieplan terrorismebestrijding. Er is voortgang geboekt met het bespreken van de landenrapporten van de wederzijdse evaluatie terrorisme. Tijdens de bijeenkomst van de Raad van 2-3 december a.s. zal het interim rapport aangeboden worden aan de Raad waarin bevindingen uit de landenrapporten worden verwerkt.
Er zijn tevens besprekingen gaande over het ontwerp-kaderbesluit vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsdiensten van de lidstaten en het voorstel voor een kaderbesluit bewaring van verkeersgegevens. Inmiddels is de verordening tot oprichting van het agentschap buitengrenzen aangenomen en is er in het algemeen politieke overeenstemming bereikt over de verordening over standaarden voor veiligheids- en biometrische kenmerken in paspoorten van Europese burgers door de Raad.
8. Ontwerp-conclusies van de Raad inzake de voorbereiding van de JBZ-ministeriële ontmoeting met de Westelijke Balkan op 3 december 2004
document: 13657/1/04 CRIMORG 112
(NL)
status document: niet openbaar
rechtsgrondslag: niet van toepassing
instemmingsrecht : niet van toepassing
Na de Raadsbijeenkomst vindt op 3 december a.s. een JBZ Ministeriële bijeenkomst plaats tussen de EU en (onder andere) de vijf Westelijke Balkanlanden (Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Servië-Montenegro). Het Voorzitterschap heeft reeds aangegeven dat tijdens deze bijeenkomst de volgende twee onderwerpen centraal staan: de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, en het geïntegreerd beheer van de buitengrenzen. Ten aanzien van beide onderwerpen zal het Voorzitterschap de vijf Westelijke Balkanlanden vragen om een actieve bijdrage, terwijl de lidstaten en overige partijen zullen worden uitgenodigd om desgewenst een schriftelijke bijdrage aan te leveren.
Het eerste agendapunt zal waarschijnlijk uit de volgende deelonderwerpen bestaan:
Follow-up van de onder de Thessaloniki Akkoorden tussen de EU en de Westelijke Balkan overeengekomen Speciale Actiegerichte Maatregelen en monitoring van de implementatie door de Westelijke Balkanlanden van specifieke actiegerichte maatregelen ter bestrijding van georganiseerde misdaad.
Versterking van de rol van het Regional Centre for Combating Trans-border Crime van het SECI (South East European Cooperative Initiative).
Samenwerking op het gebied van rechterlijke macht en rechtshandhaving.
Presentatie van de resultaten van het rapport van de Friends of the Presidency over georganiseerde misdaad afkomstig uit de Westelijke Balkan.
Het voornoemde rapport is besproken tijdens de vergadering van de Multidisciplinaire Raadswerkgroep Georganiseerde Criminaliteit van 22 oktober 2004. Over het algemeen is het rapport goed ontvangen door de lidstaten. Het rapport bevat een aantal concrete aanbevelingen die enerzijds de samenwerking tussen de EU organisaties welke actief zijn in de regio doen verbeteren en anderzijds de samenwerking tussen de lidstaten (en hun organisaties) en de locale instellingen die belast zijn met de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit een nieuwe impuls geven. Centraal bij een aantal aanbevelingen staat de nadruk op het vergaren, uitwisselen en analyseren van criminele informatie, hetgeen wordt gezien als absolute voorwaarde om aan de georganiseerde criminaliteit het hoofd te kunnen bieden. In dit kader stelt het rapport voor om een netwerk van Intelligence Development officieren (IDO’s) op te richten dat deze taak op zich kan nemen.
Onder het tweede agendapunt zal nader worden ingegaan op de implementatie door de Westelijke Balkanlanden van maatregelen welke voortvloeien uit de Ohrid Regional Conference on Border Security and Management d.d. 22 en 23 mei 2003.
Ten aanzien van het rapport van de Groep Vrienden van het Voorzitterschap zullen schriftelijke conclusies worden aangenomen door de Raad. Ten aanzien van ministeriële bijeenkomst als geheel zal een verklaring van het voorzitterschap worden aangenomen. De tekst van deze verklaring wordt op dit moment ambtelijk voorbereid.
9. Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek
document: nog niet beschikbaar (4)
rechtsgrondslag: artikel 63, lid 3, onder a, en lid 4 van het
EG-verdrag
instemmingsrecht: van toepassing
De ontwerp-richtlijn en de daarbij behorende aanbevelingen zijn op 30 maart 2004 door de Commissie in de Raad gepresenteerd. Op de aanbevelingen is inmiddels onder het Iers voorzitterschap een akkoord verkregen. Op de ontwerp-richtlijn beoogt het Nederlands voorzitterschap een akkoord te bereiken. Momenteel staan nog twee onderdelen van de ontwerp-richtlijn ter discussie.
Het eerste punt betreft de vraag in welke mate een onderzoeksinstantie financieel verantwoordelijk kan worden gesteld voor de wetenschappelijk onderzoeker uit een derde land. Enkele lidstaten stellen zich op het standpunt dat een onderzoeksinstantie alleen verantwoordelijk kan worden gesteld in het geval de onderzoeksinstantie ook echt nalatig is geweest of dat er sprake van fraude is. Andere lidstaten, waaronder Nederland, zijn van mening dat de garantstelling in alle situaties opgeld doet. Daarnaast is er, voorzover het de garantstelling betreft, nog discussie over de vraag tot welke kosten de financiële verantwoordelijkheid zich uitstrekt. Enkele lidstaten, waaronder Nederland, vinden dat zowel verblijfskosten als terugkeerkosten daarvoor in aanmerking moeten kunnen komen. Andere lidstaten vinden dat dat alleen kosten voor terugkeer zouden moeten zijn.
Het tweede punt ziet op de mobiliteit van wetenschappelijk onderzoekers binnen de Europese Unie. Met name over de voorwaarden waaraan een wetenschappelijk onderzoeker uit een derde land moet voldoen, indien hij voor een periode die korter is dan drie maanden in een andere lidstaat wil verblijven, is nog discussie. Het kernpunt van deze discussie is of een wetenschappelijk onderzoeker uit een derde land voor voornoemde periode aan alle voorwaarden voor verblijf in de tweede of opeenvolgende lidstaat moet voldoen. Een meerderheid van de lidstaten, waaronder Nederland, vindt dat voor een dergelijk korte periode slechts aan de voorwaarden die de eerste lidstaat stelt, moet worden voldaan. Eén lidstaat is de mening toegedaan dat niet alleen aan de voorwaarden van de eerste lidstaat moet worden voldaan maar ook aan de, mogelijk daarvan afwijkende, voorwaarden van de tweede of opeenvolgende lidstaat. Dat betekent bijvoorbeeld dat het inkomen in de tweede of opeenvolgende lidstaat moet worden bijgesteld omdat er een ander minimumloon geldt.
10. Gemeenschappelijke basisbeginselen inzake het integratiebeleid in de Europese Unie
document: nog niet beschikbaar (5)
rechtsgrondslag: niet van toepassing
instemmingsrecht: niet van toepassing
Het Nederlandse voorzitterschap streeft, als uitwerking van conclusies van de Europese Raad van Thessaloniki van juni 2003, naar het bevorderen van een samenhangend kader voor de integratie van immigranten binnen de Europese Unie en naar het ontwikkelen van een Europese visie op het integratiebeleid. Om dit te bewerkstellingen legt het voorzitterschap in deze Raad een aantal gemeenschappelijke, juridisch niet bindende, basisbeginselen met een daarbij behorende toelichting over integratie voor. Het bijgevoegde document wordt nog besproken in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers.
De basisbeginselen dienen, met respect voor de nationale bevoegdheden, als hulpmiddel voor een sterkere coördinatie, samenwerking en afstemming van het integratiebeleid tussen lidstaten onderling. Voor de Europese Unie dient het als basis om bestaande Europese instrumenten, waarvan integratie-aspecten een onderdeel uitmaken, af te stemmen en verder te ontwikkelen.
De basisbeginselen gaan uit van een integrale aanpak. Samenvattend hebben de ontwerp gemeenschappelijke basisbeginselen betrekking op: integratie is een voortdurend tweerichtingsproces; respect voor de basiswaarden van de Europese Unie; arbeid; basiskennis van de taal, geschiedenis en instituties van de ontvangende samenleving; onderwijs; toegankelijkheid van instellingen, goederen en diensten; interactie tussen immigranten en de samenleving; uitoefening van cultuur en religie; participatie in het democratische proces; het beter afstemmen van integratiemaatregelen; en het ontwikkelen van doelstellingen, indicatoren en evaluatiemechanismen.
Deze basisbeginselen liggen in de lijn met hetgeen daarover wordt gesteld in het door de Raad van 25-26 oktober jl. grondig besproken ontwerp-meerjarenprogramma: "Het Haagse Programma; versterking van de vrijheid, de veiligheid en het recht in de Europese Unie".
11. (Eventueel) Raadsconclusies inzake een gemeenschappelijke minimumlijst van veilige landen van herkomst, aan te nemen als bijlage bij de ontwerp-richtlijn betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus
document: nog niet beschikbaar (6)
rechtsgrondslag: niet van toepassing
instemmingsrecht: niet van toepassing
De Raad heeft, bij het bereiken van het politiek akkoord over de ontwerp-richtlijn inzake minimumnormen voor asielprocedures op 29 april 2004, besloten dat een gemeenschappelijke minimumlijst van veilige landen van herkomst moet worden opgesteld. De gemeenschappelijke minimumlijst zal een bijlage bij de richtlijn vormen. Voordat deze bijlage kan worden vastgesteld, moet de Raad overeenstemming bereiken over de landen die hierin kunnen worden opgenomen. Hiertoe zijn ontwerp-raadsconclusies opgesteld. Hierover bent u meest recentelijk geïnformeerd bij de geannoteerde agenda voor de Raad van 25-26 oktober 2004.7
De besprekingen hebben zich toegespitst op zeven landen: Benin, Botswana, Ghana, Kaapverdië, Mali, Mauritius en Senegal. Gezien de criteria in de ontwerp-richtlijn en de criteria die thans in de Vreemdelingenwet 2000 worden gehanteerd, kan Nederland instemmen met het opnemen van deze landen op de gemeenschappelijke minimumlijst. Daarmee is overigens niet gezegd dat al deze landen uiteindelijk op de gemeenschappelijke minimumlijst zullen terechtkomen.
De besprekingen spitsen zich thans toe op de vraag of de maatregelen die met name Mali heeft genomen en nog neemt tegen het veelvuldig voorkomen van vrouwenbesnijdenis ofwel genitale verminking, als afdoende kunnen worden beschouwd om tot de conclusie te leiden dat dit land in het kader van de ontwerp-richtlijn als veilig land van herkomst beschouwd kan worden.
Belangrijk criterium daarbij is de bescherming die de autoriteiten kunnen bieden tegen onmenselijke of vernederende behandeling. Als die bescherming in het algemeen en consistent voldoende is, dient dit zwaar mee te wegen bij de beantwoording van voornoemde vraag. Bij de besprekingen over de gemeenschappelijke minimumlijst is evenwel nog geen volledige overeenstemming over het al dan niet voldoende zijn van het niveau van bescherming tegen vrouwenbesnijdenis in Mali, alsmede in enkele andere landen (met name Benin en Ghana) waar vrouwenbesnijdenis op minder grote schaal voorkomt en ook specifiek strafbaar is gesteld.
Dit probleem heeft binnen enkele lidstaten tot een interne politieke patstelling geleid tussen diverse betrokken ministers, waarbij in sommige gevallen een oplossing niet op korte termijn in zicht komt. Om tot een doorbraak te komen heeft het Nederlandse voorzitterschap daarom voorgesteld om Mali niet op de lijst op te nemen. Indien echter geen overeenstemming kan worden bereikt over het opnemen van de overige zes voorgestelde landen (Benin, Botswana, Ghana, Kaapverdië, Mauritius en Senegal) op de lijst, geeft het voorzitterschap er de voorkeur aan af te zien van het opstellen van een gemeenschappelijke lijst in dit stadium. Dat zou betekenen dat de Commissie een gemeenschappelijke minimumlijst moet voorstellen wanneer de richtlijn in werking is getreden. Bij de aanvullende geannoteerde agenda zult u hierover nader worden geïnformeerd.
Het voorzitterschap streeft naar het bereiken van een akkoord tijdens de Raad van 19 november a.s., zodat de ontwerp-richtlijn zo spoedig mogelijk voor advies naar het Europees Parlement kan worden verstuurd. Het Europees Parlement heeft aangegeven binnen zeer korte termijn over de ontwerp-richtlijn advies te willen uitbrengen, zodat de richtlijn wellicht nog tijdens het Nederlandse voorzitterschap kan worden aangenomen. In dit licht wordt aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal aandacht gevraagd voor heroverweging van het voorbehoud op de ontwerp-richtlijn.
12. Diversen
Geen
(1) http://register.consilium.eu.int/utfregister/frames/introfsNL.htm
(2) PB L 153 d.d. 8 juni 2001.
(3) PB C 34/18 d.d. 7 februari 2004.
(4) Bijgevoegd treft u aan de recentste versie van de
ontwerp-richtlijn, het Engelstalige document met nummer 14023/04 MIGR 97 RECH
202 COMPET 179 (status document: niet openbaar).
(5) Bijgevoegd treft u aan het recentste Engelstalige document
terzake, met nummer 13680/04 MIGR 87 (status document: niet openbaar).
(6) Het document zal u bij de aanvullende geannoteerde agenda
worden toegezonden.
(7) Zie voor de geannoteerde agenda van de bijeenkomst van deze
Raad, 23 490, nr. 338.
Agenda voor de JBZ-Raad, 25 en 26 oktober 2004, Luxemburg
Voorlopige agenda voor de JBZ
bijeenkomst van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, 25 en 26
oktober 2004 te Luxemburg.
Voorlopige agenda voor de JBZ bijeenkomst van de ministers van
Justitie en van Binnenlandse Zaken, 25 en 26 oktober 2004 te Luxemburg.
I Raad JBZ
1. Goedkeuring van de voorlopige agenda
2. Goedkeuring van de lijst van A-punten
B-punten
3. JBZ-meerjarenprogramma
document : nog niet
beschikbaar
rechtsgrondslag : niet van toepassing
Dit onderwerp is laatstelijk besproken tijdens de informele bijeenkomst van JBZ-ministers op 30 september en 1 oktober jl. te Scheveningen. Op dit moment wordt, in overleg met de Europese Commissie en het Secretariaat-Generaal van de Raad, de laatste hand gelegd aan het eerste concept van het meerjarenprogramma.
Dit concept zal besproken worden in de bijeenkomst van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers op 14 oktober a.s. Vervolgens vindt nogmaals bespreking plaats in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers op 20 oktober, voordat de Raad zich erover buigt tijdens zijn bijeenkomst op 25 en 26 oktober.
4. (eventueel) Terrorisme (peer evaluations)
document : nog niet
beschikbaar
rechtsgrondslag : artikel 29 en 34, eerste lid, EU-verdrag
Tijdens deze bijeenkomst van de Raad zal door het voorzitterschap een mondelinge toelichting worden gegeven met betrekking tot voortgang en de procedure van de wederzijdse evaluaties met betrekking tot terrorismebestrijding in de lidstaten. Inmiddels zijn 8 rapporten voor de wederzijdse evaluatie met betrekking tot terrorismebestrijding op werkgroepniveau afgerond: Ierland, België, Spanje, Frankrijk, Denemarken, Griekenland, Luxemburg en Portugal. De komende maanden zullen de overige 7 rapporten aan de orde komen in de raadswerkgroep terrorisme. Het streven is om tijdens de bijeenkomst van de Raad op 2 en 3 december a.s. een interim rapport te presenteren met de bevindingen van de landenrapporten van de 15 lidstaten die zijn geëvalueerd. Daarnaast is een schema opgesteld van de evaluatie van de overige EU lidstaten. Het eindrapport van alle 25 lidstaten dient in september 2005 gered te zijn.
5. (eventueel) Europees Strafregister (presentatie door de Commissie)
document : nog niet
beschikbaar
rechtsgrondslag : besluit in de zin van artikel 34, tweede lid, onder c,
Unieverdrag
Tijdens de bijeenkomst van de Raad van 19 juli 2004 is naar aanleiding van de
zaak Fourniret in België de uitwisseling van gegevens uit strafregisters onder
het agendapunt 'Diversen' aan de orde gesteld. De lidstaten waren het erover
eens dat de uitwisseling van dergelijke gegevens van groot belang is en tevens
voor verbetering vatbaar. Reeds in het Programma van maatregelen ter uitvoering
van het beginsel van wederzijdse erkenning (opgesteld naar aanleiding van de
Tampere-conclusies) zijn maatregelen op dit terrein aangekondigd. Door het
Nederlandse voorzitterschap is mede in dat licht reeds op 1 juli 2004 de
noodzaak van een verbeterde regeling van uitwisseling van gegevens uit
strafregisters in de raadswerkgroep strafrechtelijke samenwerking aan de orde
gesteld.
De Commissie heeft tijdens die bijeenkomst van de Raad aangegeven, in afwachting van (middel)lange termijn initiatieven, op korte termijn een maatregel voor te stellen ter verbetering van de uitwisseling van gegevens uit strafregisters. Deze maatregel wordt tijdens deze bijeenkomst van de Raad gepresenteerd. De maatregel gaat uit van het bestaande juridische kader voor uitwisseling van deze gegevens. Dit kader is neergelegd in de artikelen 13 en 22 van het Europees rechtshulpverdrag van 1959. Kort gezegd komt dit kader erop neer dat de staten die partij zijn bij dat verdrag zich verbinden ten minste eenmaal per jaar de veroordelingen van onderdanen van andere staten door te geven aan het land van herkomst. Tevens bestaat de verplichting op verzoek van een andere staat informatie uit het strafregister te verstrekken, wanneer die informatie nodig is in een strafprocedure in die andere staat. De voorgestelde maatregel laat dit kader intact, maar bevat bepalingen die deze uitwisseling versnellen en vergemakkelijken. De belangrijkste elementen zijn de volgende. Iedere lidstaat wijst een centrale autoriteit aan voor de uitwisseling van gegevens uit strafregisters. De communicatie tussen de lidstaten op dit terrein vindt rechtstreeks tussen deze autoriteiten plaats. Voorts wordt een standaardformulier geïntroduceerd voor het verzoeken en verstrekken van informatie uit strafregisters. Tenslotte wordt voorgesteld de spontane uitwisseling van informatie over onderdanen van andere lidstaten niet slechts eenmaal per jaar te doen plaatsvinden, maar steeds direct nadat een dergelijke uitspraak onherroepelijk is geworden.
Het Nederlandse voorzitterschap hecht prioriteit aan dit onderwerp en zal zich inzetten voor een snelle besluitvorming hierover, zo mogelijk nog tijdens ons voorzitterschap.
6. (eventueel) Ontwerp-kaderbesluit tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van verontreiniging vanaf schepen
document : 12818/04 DROIPEN
50 MAR 166 ENV 502 (NL)
status document: niet openbaar
rechtsgrondslag: kaderbesluit in de zin van artikel 34, tweede lid onder b,
Unieverdrag
Dit onderwerp is eerder aan de orde geweest in de geannoteerde agenda voor de Raad van 27 en 28 november 2003, maar het punt is uiteindelijk niet behandeld tijdens die bijeenkomst van de Raad. De onderhandelingen over het ontwerp-kaderbesluit zijn sedertdien een eind gevorderd. Het feit dat de Raad voor Transport, Telecommunicatie en Energie op 11 juni jl. een politiek akkoord heeft bereikt over het gemeenschappelijk standpunt inzake de parallelle ontwerp-richtlijn inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. Indachtig de wens van de Europese Raad van 20 en 21 maart 2003 tot spoedige voltooiing van zowel richtlijn als kaderbesluit is het Nederlandse Voorzitterschap voornemens dit ontwerp-kaderbesluit voor een politiek akkoord voor te leggen aan de eerstkomende Raad.
De onderhandelingen over het ontwerp-kaderbesluit, die momenteel nog intensief op ambtelijk niveau worden voortgezet, concentreren zich op een viertal restpunten. Ten eerste betreft het de relatie tussen het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL) enerzijds en de Richtlijn en het Kaderbesluit anderzijds. Enkele lidstaten zijn de mening toegedaan dat Richtlijn en Kaderbesluit verder gaan dan MARPOL toestaat. Ten tweede betreft het de relatie tussen het ontwerp-kaderbesluit en het UNCLOS-Verdrag op het punt van de definitie van “vreemde vaartuigen”. De discussie gaat met name over de vraag of schepen uit EU-landen al dan niet als zodanig zouden moeten worden aangemerkt. Ten derde gaat het om de hoogte van geldelijke sancties voor rechtspersonen. Een meerderheid van de lidstaten lijkt akkoord te kunnen gaan met het voorstel van het Voorzitterschap, maar een klein aantal lidstaten vindt de voorgestelde bedragen nog te hoog dan wel te laag. Ten vierde gaat het om de mate waarin lidstaten verplicht zijn rechtsmacht te vestigen voor de opsporing en vervolging van verontreiniging door schepen in de zin van het Kaderbesluit. Ook hier zijn sommige lidstaten van mening dat het ontwerp-kaderbesluit verder gaat dan vigerend internationaal recht, in het bijzonder het UNCLOS-verdrag.
7. (eventueel) Voorzitterschapspaper inzake integratie
document : nog niet
beschikbaar
rechtsgrondslag : niet van toepassing
Het Nederlandse voorzitterschap streeft, als uitwerking van conclusies van de Europese Raad van Thessaloniki van juni 2003, naar het bevorderen van een samenhangend kader voor de integratie van immigranten binnen de Europese Unie en naar het ontwikkelen van een Europese visie op het integratiebeleid. Om dit te bewerkstellingen legt het voorzitterschap ter eerste bespreking in deze Raad een aantal gemeenschappelijke, juridisch niet bindende, basisbeginselen over integratie voor.
Het bijgevoegde document zal, rekening houdend met de uitkomsten van de bespreking ervan in het Strategisch Comité voor immigratie, grenzen en asiel (SCIFA) van 7 oktober 2004, vervolgens worden besproken in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers. Na bespreking in deze Raad is het voornemen van het voorzitterschap erop gericht hierover een politiek akkoord te bereiken tijdens de eerst volgende Raad.
De basisbeginselen dienen, met respect voor de nationale bevoegdheden, als hulpmiddel voor een sterkere coördinatie, samenwerking en afstemming van het integratiebeleid tussen lidstaten onderling. Voor de Europese Unie dient het als basis om bestaande Europese instrumenten, waarvan integratie-aspecten een onderdeel uitmaken, af te stemmen en verder te ontwikkelen.
De basisbeginselen gaan uit van een integrale aanpak. Samenvattend hebben de ontwerp gemeenschappelijke basisbeginselen op het volgende betrekking: integratie is een voortdurend tweerichtingsproces; respect voor de basiswaarden van de Europese Unie; arbeid; basiskennis van de taal, geschiedenis en instituties van de ontvangende samenleving; onderwijs; toegankelijkheid van instellingen, goederen en diensten; interactie tussen immigranten en de samenleving; uitoefening van cultuur en religie; participatie in het democratische proces; het beter afstemmen van integratiemaatregelen; en het ontwikkelen van doelstellingen, indicatoren en evaluatiemechanismen.
A) Voorbereiding Ministeriële Trojka JBZ EU-Rusland (Permanente Partnerschaps Raad)
document : 12167/04 JAI
309 RELEX 374 (EN)
status document : niet openbaar
En marge van de bijeenkomst van de Raad van 25-26 oktober zal op 26 oktober een Ministeriële Trojka JBZ EU-Rusland plaatsvinden, ook wel genoemd de Permanente Partnerschaps Raad. Tijdens deze ontmoeting zal gesproken worden over de gezamenlijke ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Andere onderwerpen zijn o.a. terug- en overname, visa, asiel en grensbewaking, georganiseerde criminaliteit, terrorisme en justitiële samenwerking.
De Ministeriële Trojka JBZ EU-Rusland vormt de voorbereiding van het JBZ-deel voor de Top EU-Rusland op 11 november a.s., die in het teken staat van het Actieplan EU-Rusland voor de vier gezamenlijke ruimten (zie document). Op dit Actieplan is een tegenreactie gekomen van Rusland. Rusland ziet liever vier Road Maps voor de gezamenlijke economische ruimte, de gezamenlijke ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, de gezamenlijke ruimte voor externe veiligheid en de gezamenlijke ruimte voor onderzoek en onderwijs, inclusief culturele aspecten. De Europese Unie en Rusland onderhandelen sinds september over de inhoud van de vier Road Maps.
II Gemengd Comité
1. (eventueel) Goedkeuring van de voorlopige agenda
2. (eventueel) Voorstel voor
een verordening van Raad betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en
biometrische gegevens in paspoorten van EU-burgers
document : nog niet beschikbaar
rechtsgrondslag : artikel 62, punt 2, onder a, van het EG-Verdrag
De Europese Raad van Thessaloniki van juni 2003 heeft de Europese Commissie opgeroepen om met voorstellen te komen die de invoering van biometrische kenmerken in documenten ten behoeve van onderdanen van derde landen en paspoorten van EU-burgers mogelijk maakt. Tijdens de bijeenkomst van de Raad van 27 en 28 november 2003 is overeenstemming bereikt over het invoeren van biometrie in visa en in verblijfsdocumenten voor onderdanen van derde landen. De Raad nam nota van het voornemen van de Europese Commissie om een voorstel in te dienen over biometrie in paspoorten van EU-burgers. Het voorliggende voorstel van de Europese Commissie voorziet in de invoering van minimumnormen voor de veiligheidskenmerken die moeten worden aangebracht in paspoorten, dit met het oog op de controles voor grensoverschrijding. Bovendien wordt in het voorstel bepaald welke biometrische gegevens moeten worden gebruikt. Technische details zijn niet uitgewerkt.
Het voorstel is eerder tijdens het Gemengd Comité, dat en marge van de bijeenkomst van de Raad van 8 juni jl. bijeenkwam, besproken6. Toen is bepaald dat de paspoorten van EU-onderdanen een verplicht biometrisch kenmerk zouden moeten bevatten en wel de gelaatscan. Verder is besloten dat het tweede biometrische kenmerk optioneel is, maar indien hiervoor wordt gekozen, zouden dat de vingerafdrukken moeten zijn.
De bijgevoegde documenten zullen, rekening houdend met de uitkomsten van de bespreking ervan in het Gemengd Comité van het Strategisch Comité voor immigratie, asiel en grenzen van 6 oktober 2004, daarna worden besproken in het Comité van de Permanente Vertegenwoordigers. Het voornemen van het voorzitterschap is er vervolgens op gericht een politiek akkoord op de gehele ontwerp-verordening te bereiken in het Gemengd Comité, dat bijeenkomt en marge van deze bijeenkomst van de Raad.
Onder Nederlands voorzitterschap zijn de bepalingen inzake gegevensbescherming, zoals aanbevolen door de artikel 29 werkgroep voor gegevensbescherming, grotendeels reeds overgenomen in de tekst van de ontwerp-verordening. Er staan thans nog een tweetal punten open. Het eerste punt heeft betrekking op de termijn, die de lidstaten krijgen om de biometrische gegevens in te voeren in de paspoorten. De Europese Commissie houdt vast aan een termijn van 12 maanden, terwijl elf lidstaten, een termijn van 18 maanden voorstellen en zeven lidstaten 24 maanden. Een tweede punt dat nog openstaat, betreft de kwestie dat in artikel 3, lid 1, van de ontwerp-verordening is aangegeven dat de specificaties, zoals genoemd in artikel 2, geheim en niet gepubliceerd mogen worden. Het eerstgenoemde artikellid dient te worden aangepast, aangezien deze technische specificaties aansluiten bij ICAO-standaarden die openbaar zijn en ook al worden gepubliceerd.
|
Notities Informele JBZ-Raad 30 september en 1 oktober, Den Haag De informele raad zal in
zijn geheel gewijd zijn aan het meerjarenprogramma voor de ruimte van
vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, ter voorbereiding van de
Europese Raad van 5 november. In de Raad liggen verschillende notities voor om toe te werken naar consensus op belangrijke thema’s waarover nu nog de meningen uiteen lopen of er nog onduidelijkheid bestaat over de invulling ervan. Hieronder de onderwerpen en de doelstellingen van de notities die door het Voorzitterschap zijn voorgelegd aan de lidstaten. De doelstellingen, de betekenis van de doelstellingen en de middelen om deze doelstellingen te realiseren zijn inzet van de discussie op de informele JBZ-raad in Den Haag. Crisisbeheersing Terrorismebestrijding Informatie-uitwisseling Verbetering
functioneren van Europol/Eurojust Comité Interne
Veiligheid Internationaal
familierecht Gemeenschappelijk
Europees asielstelsel Verbetering van
toegang tot duurzame oplossingen Solidariteitsmechanisme
voor de grensbewaking Partnerschap met
derde landen en migratiebeheer Een gemeenschappelijk visumbeleid
|
| STASI NEDERLAND! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten houden door invoering van kilometerheffing | |
| 688 | STASI NEDERLAND! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten houden door invoering van kilometerheffing |
| 406 | De ontwikkeling van Nederland als informatie samenleving cruciaal voor arbeidsproductiviteit en sociale cohesi |
| 623 | Doordat akten van de burgerlijke stand elektronisch worden opgeslagen, kan er direct een zogeheten 'dubbel' worden gestuurd naar de centrale bewaarplaats van de Justitiële Informatiedienst (JustID) in Almelo |
| 124 | AANDACHTSVESTIGING! Aan ALLE burgemeesters, gemeentesecretarissen, raadsgriffiers en ambtenaren gemeente of provincie in Nederland Aan ALLE rechters in Nederland Aan ALLE pleegouders in Nederland Aan ALLE medewerkers van scholen in Nederland Aan ALLE medewerkers van ziekenhuizen in Nederland Aan ALLE gedragsdeskundigen en psychologen in Nederland Aan ALLE medewerkers van verzekeringsmaatschappijen in Nederland Aan ALLE medewerkers van kindertehuizen, kindergevangenissen of andere instellingen actief in de jeugdzorg Aan ALLE politie agenten en hun leidinggevenden in Nederland Indien u personen tegen komt bij OTS of VOTS die zich ten onrechte uitgeven voor de VOOGD wordt u vriendelijk verzocht deze persoon GELIJK AAN TE HOUDEN en over te dragen aan het BEVOEGD GEZAG voor een WAARHEIDSVINDING ONDERZOEK. Indien deze persoon zich inderdaad ten onrechte heeft uitgegeven voor een VOOGD bij OTS of VOTS aangifte tegen deze persoon te doen wegens "het vervullen van een beroep in valse hoedanigheid" met het verzoek aan het BEVOEGD GEZAG deze persoon onverwijld een BEROEPSVERBOD op te leggen om ooit nog met kinderen te werken om jeugdzorg voor kinderen en hun OUDERS BELAST MET HET GEZAG VEILIGER te maken! |
| JH11 | Geschiedenis
7 oktober 2005 Vraagjes van Hop aan College Ermelo inzake verkeer,
verkeersforum,verkeerssituaties in Ermelo Kunt u mij uitleggen welke instantie SMF is, die de gebruikersnaam controleert? Kunt u mij uitleggen welke anderen u bedoeld met de vraag "E-mailadres verbergen voor anderen"? Kunt u mij uitleggen waarom u niet kenbaar maakt dat er een profiel van de gebruiker aangemaakt én bewaard wordt? Kunt u mij uitleggen wat er met het gedaan wordt en wie er inzage in hebben? Kunt u mij uitleggen hoe het profiel tegen misbruik beschermd wordt? Kunt u mij uitleggen waarom uitsluitend de voorwaarden om aan "Ermelo forum" mee te doen, in het Engels gesteld zijn? Kunt u mij uitleggen waarom expliciet gesteld wordt dat de gegeven reactie niet strijdig mag zijn met iedere internationale _ÉN wetgeving van de Verenigde Staten_? Kunt u mij uitleggen waarom er in dit verband voorbij gegaan wordt aan de Nederlandse wetgeving? Kunt u mij uitleggen waarom er in de voorwaarden glashard gelogen wordt? Met name de laatste zin "The software does not collect or send any other form of information to your computer". |
| JH15 | “Van alle kanten in Ermelo wordt de roep gehoord om deze politieke partij (Groep Hop) dood te zwijgen en ik ben er helaas achter gekomen dat dit waarschijnlijk waar is” schrijft mevrouw Jeanne Dijkstra eindredacteur van het Ermelo's Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek |
| 308 | De norm! Een politiebeambte moet boeten voor te weinig bonnen |
| 623 | Burgers, paspoorten, voertuigen krijgen microchip met foto en vingerafdruk om boetes volautomatisch te incasseren |
| 372 | Beroepschrift tegen verkeersboete onder overlegging van aantoonbare feiten dat ik niet op die plaats geweest ben |
| 373 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete bellen met mobiele telefoon |
| 126 | Jurisprudentie, toelichting en aanvullende informatie gelinkt aan de verkeersboete bellen met mobiele telefoon |
| 191 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete "bestemmingsverkeer" |
| 412 | Beroepschrift op internet tegen IDENTIFICATIEPLICHT boete |
| 172 | Jurisprudentie, toelichting en aanvullende informatie gelinkt aan boetes IDENTIFICATIEPLICHT |
| 235 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete verplichte APK keuring |
| 330 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete gesimuleerde wegsituaties |
| 364 | Beroepschrift verkeersboete voetganger op voetgangersoversteekplaats niet voor laten gaan, feitcode R482 |
| 510 | Onderbouwing verzoek (2) met jurisprudentie van de Raad van State |
| 331 | Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete overtreding maximum snelheid |
| 386 | Jurisprudentie, toelichting en aanvullende informatie gelinkt aan de verkeersboete overtreding maximum snelheid |
| 423 | OM blijft gebruikers lasershield of laserecho vervolgen voor “belemmeren van een opsporingshandeling” (WvS, art.184) |
| 418 | Commercieel belang OvJ bij opleggen en handhaven van administratieve sancties |
| 155 | Bonnenregen richting burgers wordt door Justitie steeds beter en sneller georganiseerd |
| 336 | Troonrede 2004 Gemeenten meer mogelijkheden bestuurlijke boetes voor kleine vergrijpen en parkeerovertredingen |
| BSC | Waarom zijn namen en nevenfuncties van leden/secretarissen bezwaarschriftencommissie gemeente GEHEIM? |
| 240 | Als bewijslast tegen burgers door OM als problematisch wordt ervaren worden wetten voor het Openbaar Ministerie opgerekt |
| 475 | OM: "Verkeerscamera's kunnen we mooi gebruiken om te bepalen welke voertuigen zich waar in het land bevinden" |
| 414 | Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 270597 inzicht werkwijze OM en politie opslaan gegevens burgers geheime dossiers |
| 370 | OM, rechtersleger, politie, veiligheidsdiensten willen wetten oprekken om info over niet-verdachte burgers op te slaan |
| 371 | Vanaf 11 mei 2008 wordt op de website het woord "rechtersleger" ingevoerd als aanduiding voor beroepsgroep rechters |
| STEM | Stemwijzer! Stem NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks indien u TEGEN het in de gaten houden van burgers door de STAAT via de kilometerheffing bent |