GROEP HOP ERMELO ©

Informant mw. Jeanne Dijkstra eindredacteur Ermelo Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek: "Van alle kanten komen berichten dat Groep Hop moet worden doodgezwegen"

De CDA PR commissie eiste meermalig geld van Hop om mee te mogen doen aan politiek debat. Antwoord Hop: Donder op! De CDA PR commissie eiste verwijdering van de CDA brieven aan Hop van internet. Antwoord Hop: Eed van een raadslid. Raadsleden moeten alvorens hun functie te kunnen uitoefenen een ambtseed afleggen, waarin zij trouw aan de Grondwet beloven. Ze moeten verklaren dat ze om tot lid van de raad te worden benoemd geen gift of gunst hebben gegeven of beloofd en dat ze bij de uitoefening van hun ambt 'rechtstreeks noch middellijk' enig geschenk of enige belofte hebben aangenomen of zullen aannemen.

Alleen Hop maakte bezwaar tegen de totaal verrotte CDA mentaliteit het knippen en plakken in verkiezingsformulieren. Alleen Hop maakte steeds bezwaar tegen de verrotte mentaliteit die heerste in het Ermelose gemeentehuis waarbij leden van de stembureaus zelf ook kandidaat waren voor de gemeenteraad om verkiezingsuitslagen te kunnen manipuleren.

Stem Wijzer! Stem Groep Hop.Kent u iemand in Ermelo vraag of hij/zij in 2018 Groep Hop wil stemmen om een frisse wind door het gemeentehuis te laten waaien en/of wil helpen met het snel verkrijgen van het wettelijk aantal benodigde ondersteuningsverklaringen om mee te mogen doen met de verkiezingen in Ermelo?

 

Kent u iemand in Ermelo? Vraag of hij/zij Groep Hop wil stemmen...

Contact: lees verder

Bedrijvenkring Ermelo. Op 17 november 2005 12:20 uur schreef Johan Roseboom (SGPer) namens Navobi onderdeel van Drie Groep aan Hop Citaat: Ik vertrouw de Ermelo's samenleving zo , dat ik er 100 % van uit ga, dat je (Hop) geen enkele zetel krijg. Navobi, Alpuro is een producent van kalvermelk, kalverhouderij, voedselproductie, kalverslachterij, vleesverwerking en kalfsvellen

 

 

Bedrijvenkring Ermelo. Op 17 november 2005 12:20 uur schreef Johan Roseboom (SGPer) namens Navobi onderdeel van Drie Groep aan Hop Citaat: Ik vertrouw de Ermelo's samenleving zo , dat ik er 100 % van uit ga, dat je (Hop) geen enkele zetel krijg. Navobi, Alpuro is een producent van kalvermelk, kalverhouderij, voedselproductie, kalverslachterij, vleesverwerking en kalfsvellen.

 

De norm en het uitgangspunt van de Groep Hop. Als je het niet met de gevestigde orde eens bent, zorg dan dat je aan tafel komt te zitten bij die gevestigde orde en probeer daar je invloed uit te oefenen. 

De norm. Navobi verzette tegen vergeefs tegen openbaarmaking subsidiegegevens mengvoederbedrijven door de Minister

HET GEVAAR! Navobi is een producent van kalvermelk, kalverhouderij, voedselproductie, kalverslachterij, vleesverwerking en kalfsvellen.

Navobi: De samenstelling van het voedselpakket voor kalveren komt nauw omdat het mede van invloed is op kwaliteit en kleur van het vlees. Italianen eten bijvoorbeeld graag wit kalfsvlees, Nederlanders liever wat roder vlees.

Wakker dier wint zaak tegen vleessector bij reclame code commissie. In de lespakketten staat onder meer dat biggen en kalveren lang bij de moeder konden blijven terwijl ze in de bio-industrie snel worden weggehaald om zo snel mogelijk vet te mesten. Gestoord gedrag en diarree door de stress zijn het gevolg. Daarnaast werden onder andere de huisvesting van kippen in kooien en vleesstieren afgebeeld als ruime hokken met veel stro terwijl de meeste dieren in hun leven in krappe hokken nooit een strootje zien. Reclame Code Commissie stelde echter dat de lespakketten wel degelijk gezien moesten worden als reclame mede gezien de eenzijdige en vaak misleidende informatie over de leefsituatie van dieren in de bio-industrie.

Navobi, 17 november 2005 12:20 uur. Citaat: "Ik wens verschoond te blijven van uw informatie. Ik vertrouw de Ermelo's samenleving zo , dat ik er 100 % van uit ga, dat je (Hop) geen enkele zetel krijg. Ik verheug me, op het lijsttrekker debat, waar ik uiteraard ook ben, en waar ik graag in gesprek met je ga. Johan Roseboom (Navobi) Uiteraard lid van een politieke partij.   REDACTIE: SGP KANDIDAAT!

Milieumelding Jhr. Dr. C.J. Sandbergweg 5-7
Het college van burgemeester en wethouders van Ermelo maakt bekend, dat op 22 april 2005 een melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer is ontvangen van Navobi B.V., Jhr.Dr. C.J. Sandbergweg 5-7 in Ermelo. De melding betreft het vernieuwen van het huidige laboratorium in het bestaande gebouw van het bedrijf aan de Jhr. Dr. C.J. Sandbergweg 5-7 in Ermelo. Het bedrijf heeft al een nieuwe, de gehele inrichting omvattende milieuvergunning van 19 januari 2001 voor een inrichting voor de productie van kalvermelk en premixen aan de Jhr. Dr. C.J. Sandbergweg 5-7 in Ermelo. Er hoeft geen nieuwe aanvraag om vergunning te worden ingediend omdat de voorgenomen veranderingen niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen dan door de vergunning worden toegestaan. Wij hebben op 24 mei 2005 onder nummer 05/11178 besloten de voorgenomen veranderingen akkoord te verklaren en de melding te accepteren. De stukken liggen ter inzage in het gemeentehuis, Raadhuisplein 2, gedurende 6 weken na datum van bekendmaking van dit besluit aan de vergunninghouder. U kunt zich melden bij de afdeling Publiekszaken op werkdagen van 08.30 tot 12.30 uur.

Lees nu eerst de uitgangsformule van de Groep Hop en denk vervolgens eens na over onderstaande vier passages gelinkt aan de uitgangsformule van de Groep Hop:

Navobi: De samenstelling van het voedselpakket voor kalveren komt nauw omdat het mede van invloed is op kwaliteit en kleur van het vlees. Italianen eten bijvoorbeeld graag wit kalfsvlees, Nederlanders liever wat roder vlees.

04-11-2005 VanDrie Group wint Nederlandse Logistiek Prijs 2005. Onderscheiding toont voorsprong aan in kwaliteitszorg. De VanDrie Group beschouwt het winnen van de Nederlandse Logistiek Prijs 2005 als een bevestiging van de bedrijfscultuur, waarin kwaliteitszorg en voedselveiligheid de hoogste prioriteit hebben.

240605. Bezoek Vaste Kamer Commissie voor LNV aan de VanDrie Group. Vrijdag 24 juni jl. bracht een verrassend grote delegatie van de Tweede Kamer Commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een bezoek aan de integrale kalfsvleesproductieketen van de VanDrie Group. Ook waren er vertegenwoordigers van de PVE, COV, SKV en LTO om samen met de VanDrie Group aandacht te vragen voor de positieve bijdrage van de Nederlandse kalversector aan de Nederlandse Melkveehouderij en de Nederlandse vleessector. Centraal thema van dit bezoek was voedselveiligheid.

Navobi, 17 november 2005 12:20 uur. Ik vertrouw de Ermelo's samenleving zo , dat ik er 100 % van uit ga, dat je (Hop) geen enkele zetel krijg.

 

Afschrift email verkeer Hop met Navobi

-----Oorspronkelijk bericht-----

Van: Johan Roseboom [mailto:j.roseboom@navobi.nl]

Verzonden: donderdag 17 november 2005 12:20

Aan: j.hop3

Onderwerp: RE:

Goeden morgen.

Ik wens verschoond te blijven van uw informatie.

Een verkiezings programma wat begint met DWS, is in mijn optiek een partij die bezig is met hype's.

En niet bezig is met fundamenteel programmabeginsels.

Verder ben ik alleen geinteresserd in innovatie programma's en proactieve mensen .

Ik ben absoluut niet geintereseerd in mensen die schoppen tegen bestaande structuren.

Mijn filosofie is, als je het niet met de gevestigde orde eens bent, zorg dan dat je aan tafel komt te zitten bij die gevestigde orde, en probeer daar je invloed uit te oefenen.

Dit zijn vaak (altijd) de structuren waar met een bepaalde helikopter vieuw naar zaken gekeken wordt, en die de verschillende belangen in acht nemen.

Verder ben ik absoluut niet geinterreseerd in mensen die tijd steken in betaalde( of juist niet betaalde) neven functie''s onderzoek

Kom met innovatieve doorberekende alternatieven.

Creeer werkgelegenheid.

Durf je verantwoordelijkheid te nemen

Ik vertrouw de ermelo's samenleving zo , dat ik er 100 % van uit ga, dat je geen enkele zetel krijg.

Ik verheug me , op het lijsttrekker debat, waar ik uiteraard ook ben, en waar ik graag in gesprek met je ga.

Johan roseboom

Uiteraard lid van een politieke partij

 

-----Oorspronkelijk bericht-----

Van: j.hop3 [mailto:j.hop3@chello.nl]

Verzonden: woensdag 16 november 2005 19:19

Aan: Johan Roseboom

Onderwerp:

Onderwerp: Lijsttrekkersdebat bedrijvenkring Ermelo

Mijn naam is Jan Hop, ik ben lijsttrekker van de Groep Hop.

Informatie over de Groep Hop en het concept programma kunt u vinden op de website www.groephop.nl

Ik nodig u uit aan mij uw inzichten kenbaar te maken over dit conceptprogramma met informatie wat de gemeente Ermelo voor uw bedrijf kan doen/had moeten doen om het ondernemen in Ermelo nog leuker te maken?

Met uw informatie kan ik mij zo goed mogelijk voorbereiden op het komende lijsttrekkersdebat.

Indien u mij even kort persoonlijk wilt spreken mail even datum, plaats en tijd wat u het beste schikt.

Met vriendelijke groet,

Jan Hop

www.groephop.nl

Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo

 

Wakker dier wint zaak tegen vleessector bij reclame code commissie
Persbericht Wakker Dier, 6 aug 2003
De Reclame Code Commissie vindt de lespakketten van de landbouworganisatie het Kleine Loo voor scholen misleidend. Ten onrechte worden de lespakketten aan scholen verstuurd als objectieve educatieve uitgave terwijl het volgens de Commissie misleidende reclame betreft. Het lespakket schetst een rooskleuriger beeld over het welzijn van dieren in de bio-industrie dan zich in werkelijkheid achter de gesloten staldeuren afspeelt. Ook vorige week werd een andere campagne van de vleessector die gericht was op schoolkinderen al als misleidend betiteld door de Reclame Code Commissie. Die klacht was ingediend door een diervriendelijke directeur van een groot electronica-bedrijf.

In het lespakket worden dieren die nooit stro zien afgebeeld in een dik pak stro en lopen jonge dieren lekker bij de moeder terwijl ze in werkelijkheid vrijwel gelijk na de geboorte bij de moeder worden weggehaald. Reclame in lespakketten is verboden op grond van het convenant over sponsoring op scholen . Op meer dan 2000 scholen is ondertussen met het misleidende reclamemateriaal lesgegeven. Wakker Dier roept de scholen op het lespakket niet te gebruiken en aan de veesector te retourneren. Het Kleine Loo moet alle scholen die het lespakket hebben waarschuwen dat het misleidende informatie bevat, vindt Wakker Dier.

Wakker Dier had de klacht bij de Reclame Code Commissie ingediend vanwege de vele feitelijke onjuistheden en het eenzijdige beeld dat aan kinderen wordt geschetst. Het Kleine Loo heeft het lespakket afgelopen jaren verspreid over alle lagere scholen en vele middelbare scholen. Meer dan 2000 scholen hebben het lespakket gebruikt en gebruiken het pakket wellicht weer. Ondertussen wordt het pakket ook via internet verpreid . Wakker Dier wil nu dat de lespakketten actief bij de scholen worden teruggevraagd, geen nieuwe lespakketten meer worden verspreid en dat de internetsite wordt aangepast. In de lespakketten staat onder meer dat biggen en kalveren lang bij de moeder konden blijven terwijl ze in de bio-industrie snel worden weggehaald om zo snel mogelijk vet te mesten. Gestoord gedrag en diarree door de stress zijn het gevolg. Daarnaast werden onder andere de huisvesting van kippen in kooien en vleesstieren afgebeeld als ruime hokken met veel stro terwijl de meeste dieren in hun leven in krappe hokken nooit een strootje zien.

Al vanaf 1997 bestaat er een convenant met partijen uit de onderwijswereld over sponsoring op scholen. Dit convenant werd in januari 2002 door Staatssecretaris Adelmund van Onderwijs verlengd. Hierin is ondermeer vastgelegd dat in lesmaterialen geen reclame mag voorkomen. Het Kleine Loo was van mening dat de lespakketten geen reclame bevatten. De Reclame Code Commissie stelde echter dat de lespakketten wel degelijk gezien moesten worden als reclame mede gezien de eenzijdige en vaak misleidende informatie over de leefsituatie van dieren in de bio-industrie.

 

Navobi: De samenstelling van het voedselpakket voor kalveren komt nauw omdat het mede van invloed is op kwaliteit en kleur van het vlees. Italianen eten bijvoorbeeld graag wit kalfsvlees, Nederlanders liever wat roder vlees.

Verticale en horizontale systeemintegratie in de supply chain, kalvermelk.
dhr. Johan Roseboom, productiemanager, Navobi

Navobi is een van de belangrijkste Europese producenten van kalvermelk en maakt deel uit van de VanDrie Group. De kwaliteits- en informatie eisen die door de eigen organisatie en de overheidsinstanties aan het product kalvermelk gesteld worden zijn zeer omvangrijk.
Het grote aantal verschillende kalvermelkproducten wordt in een hoog geautomatiseerde fabriek geproduceerd. Per jaar wordt een 200.000 ton, dat zijn 8000 vrachtauto's in allerlei varianten geleverd.
Het uitgangsmateriaal zijn natuurlijke producten met sterk wisselde samenstellingen.
Voor een reproduceerbaar eindproduct zijn uitgebreide grondstofanalyses, receptuur aanpassingen en eindcontroles noodzakelijk.
Om deze informatiestroom te beheersen zijn de productie, kwaliteit en het ERP systeem met elkaar geÔntegreerd, zodat over een volledige verticale integratie gesproken kan worden.

Navobi laat (niet-)technici opleiden tot Vakbekwaam Persoon: "Markt krap? Dan zorg je toch zelf voor de juiste opleiding!"

Een bloeiend bedrijf, medewerkers die met de VUT gaan en een krappe markt. Zie daar de situatie waarvoor kalvermelk-producent Navobi in Staverden (onderdeel van een kalfsvlees-productieketen in Ermelo) zich gesteld zag. Een tekort aan technici op het niveau van Vakbekwaam Persoon dreigde. Geschikte productiemensen waren er wel. Die kenden bovendien het complexe proces van Navobi goed. Daarom besloot het bedrijf zelf elektrotechnici te 'kweken'. Een gesprek met hoofd productie & techniek Johan Roseboom.

Wat produceert Navobi?
In de kalvermelk fabriek maken we uit zuivelgrondstoffen (vetten en poeders) voer voor de kalveren. Deze worden op eigen agrarische bedrijven verzorgd tot ze slachtrijp zijn. De samenstelling van het voedselpakket komt nauw omdat het mede van invloed is op kwaliteit en kleur van het vlees. Italianen eten bijvoorbeeld graag wit kalfsvlees, Nederlanders liever wat roder vlees. Onze grondstoffen zijn afkomstig van de zuivelbedrijven die de melk van onze melkveehouderijen verwerken."

Hoe vindt de productie plaats?
"We slaan de grondstoffen op in silo's. Daaronder zitten PLC-gestuurde weegsystemen, die nauwkeurig de dosering bepalen waarin we de grondstoffen gaan mengen. Daarna wordt de grondstof gezeefd en opgeslagen als halffabrikaat. In een zestien meter hoge toren voeren we de halffabrikaat in en wordt het automatisch gemengd tot kalvermelkpoeder, het eindproduct. Het is een complex proces omdat je vetten en poeders niet makkelijk mengt."

Wat was uw opleidingsvraag?
"Vroeger werd wegen en mengen relais-bestuurd. Nu maken we gebruik van geautomatiseerde systemen. Daar zit het eerste knelpunt. Operators hebben meer technische kennis nodig. Om de apparatuur te bedienen, maar ook om eenvoudige storingen te verhelpen. Tweede knelpunt was dat nogal wat mensen met de VUT gaan en er een tekort aan elektrotechnici dreigt. In de huidige krappe markt is dat moeilijk op te vullen. Door productiepersoneel technisch op te leiden, zouden we twee vliegen in ťťn klap vangen."

Hoe zat de cursus in elkaar?
"Eerst hebben we een groep van zes medewerkers op MTS-niveau versneld laten opleiden in de procestechniek. Zij konden toen de technische dienst versterken. Daarna hebben operators op LBO-niveau een cursus gevolgd die was opgebouwd uit modules van Algemene Techniek en de cursussen Elektrisch Schakelen, NEN 3140 en VCA. Ook nieuw personeel volgt deze opleiding. Door de cursus in onze fabriek te laten plaatsvinden, worden de deelnemers meteen opgeleid in onze eigen procestechnologie."

Wat waren de ervaringen?
"Uitstekend. ROVC-docenten gaan heel praktijkgericht te werk. Dat spreekt cursisten aan die niet gewend zijn met hun neus in de boeken te zitten. Bovendien dwingen vreemde ogen het meest. Mensen zijn vaak geneigd het veiligheidsaspect uit het oog te verliezen. Zegt een extern docent iets over een gevaarlijke scherpe rand, dan nemen ze dat serieus en zit er twee dagen later een afronding op. Ook tonen ze meer eigen initiatief. Onlangs was er 's nachts een storing in een compressor. Vroeger had men meteen de externe storingsmonteur gebeld. Nu konden ze de storing analyseren en concluderen dat het wel tot de ochtend kon wachten.

VanDrie Group wint Nederlandse Logistiek Prijs 2005 Onderscheiding toont voorsprong aan in kwaliteitszorg
De VanDrie Group beschouwt het winnen van de Nederlandse Logistiek Prijs 2005 als een bevestiging van de bedrijfscultuur, waarin kwaliteitszorg en voedselveiligheid de hoogste prioriteit hebben. Directeur Corporate Affairs, Henny Swinkels, kreeg de prestigieuze onderscheiding van vereniging Logistiek management (vLm) op 3 november jl. uitgereikt in Baarn. Hij zei bij die gelegenheid trots te zijn op de prijs, die hij ziet als een erkenning dat VanDrie met het traceringsysteem Safety Guard een voorsprong heeft opgebouwd op het gebied van kwaliteitszorg in de kalfsvleesketen. We zijn niet alleen de grootste producent van kalfsvlees ter wereld, maar we willen ook met nieuwe ontwikkelingen de toon zetten. Hierbij zijn wij steeds op zoek naar het juiste evenwicht tussen de drie P s en de A van people, planet, profit en animals. Innovatie logistiek Vereniging Logistiek management (vLm) beloont elk jaar uitzonderlijke prestaties in het vakgebied logistiek. In 2005 is het zilveren beeldje met oorkonde toegekend aan de VanDrie Group in Mijdrecht. Het bedrijf krijgt de prijs voor het systeem Safety Guard waarmee kwaliteitsgaranties door de hele productieketen worden gegeven. De jury ziet dit als een duidelijk innovatief project dat aantoonbaar succesvol is uitgevoerd. Het is een voorbeeld voor andere bedrijven. Met de award wil vLm de innovatie en professionalisering van de logistiek in Nederland stimuleren. De jury staat onder voorzitterschap van prof. dr.ir. Arno de Schepper. De andere leden zijn ing. Henk van Amstel, Ben Radstaak, prof. dr. Walther Ploos van Amstel en prof. dr.ir. Jos Vermunt. Identificatiecode Safety Guard is het voedselveiligheidprogramma van de VanDrie Group. De ruggengraat ervan is tracking en tracing met als basis het unieke identificatienummer dat elk kalf direct na de geboorte meekrijgt. Aan dit nummer worden alle gegevens gekoppeld die in de verschillende stadia van het productieproces worden verzameld. Zo is het dier en later ook het vlees altijd traceerbaar. De informatie vanuit Safety Guard wordt ook gebruikt als basis van het logistieke systeem, waardoor lagere kosten en hogere marges kunnen worden gerealiseerd. Door deze ketenlogistiek heeft de VanDrie Group internationaal een sterkere concurrentiepositie opgebouwd. Familiebedrijf De VanDrie Group is een familiebedrijf dat gespecialiseerd is in de productie van kalfsvlees. Dit gaat van de aankoop van kalveren, via de productie van kalvermelkpoeder, het houden van kalveren tot en met het slachten, het uitsnijden en het verkopen van het vlees. Het produceren van melk, boter en kaas in Nederland is onlosmakelijk verbonden met de productie van kalfsvlees. Immers, om een koe melk te laten produceren moet zij elk jaar een kalf krijgen. Slechts een deel van de kalveren zal opgroeien tot melkkoe. De andere kalveren zijn de basis voor de productie van kalfsvlees

Bezoek Vaste Kamer Commissie voor LNV aan de VanDrie Group. Bezoek
Vrijdag 24 juni jl. bracht een verrassend grote delegatie van de Tweede Kamer Commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een bezoek aan de integrale kalfsvleesproductieketen van de VanDrie Group. Ook waren er vertegenwoordigers van de PVE, COV, SKV en LTO om samen met de VanDrie Group aandacht te vragen voor de positieve bijdrage van de Nederlandse kalversector aan de Nederlandse Melkveehouderij en de Nederlandse vleessector. Centraal thema van dit bezoek was voedselveiligheid. Na een introductie van de VanDrie Group door Henny Swinkels, Director Corporate Affairs, kregen de Kamerleden een rondleiding door de productieruimten van kalverslachterij Ekro BV, ťťn van de slachterijen van de VanDrie Group. Tijdens de rondleiding konden de Kamerleden met eigen ogen de volledigheid van het traceabilitysysteem, dat is ondergebracht in het kwaliteitssysteem Safety Guard aanschouwen. Uitgelegd werd hoe het I&R-nummer van het individuele kalf de basis vormt voor het volledig geautomatiseerde traceabilitysysteem en werd het belang van een sluitend nationaal I&R-systeem onderstreept. De Kamerleden waren zeer geÔnteresseerd in de uitleg die zij kregen en spraken hun respect uit voor de wijze waarop de medewerkers hun vak uitoefenden. Tijdens de lunch is onder het genot van een heerlijk stukje kalfsvlees een open en constructief gesprek gevoerd over diverse actualiteiten in de kalversector. Zo werd ondermeer aandacht gevraagd voor de “SKV-zelfcontrole” en de veranderende rol van de overheid ten aanzien van voedselveiligheid en de scheiding tussen publieke en private taken. Dat Safety Guard alle schakels in de integrale productieketen omvat, werd ook duidelijk tijdens het bezoek aan de kalvermelkpoederproductielocatie Navobi in Staverden. Hier werd de draad opgepakt met het terugtraceren van de kalvermelk die elk individueel kalf tijdens diens verblijf op de kalverhouderij gevoerd heeft gekregen. Zelfs de leverancier van de grondstoffen, de vrachtwagen die de grondstof heeft vervoerd en de overige kalveren bij collega-kalverhouders die met deze kalvermelkpoeder zijn gevoederd, verschenen op het computerscherm. Het bezoek van de Kamerleden werd afgesloten bij de KBGI, (kalvergierbewerkingsinstallatie) in Stroe. Deze installatie is ťťn van de vier kalvergierbewerkinginstallaties die op initiatief van de Nederlandse kalversector zijn opgericht om de mestproblematiek succesvol aan te pakken. Ook hier vond men bij de Kamerleden een luisterend oor. De VanDrie Group kijkt met een goed gevoel terug op het bezoek van de Leden van Vaste Kamer Commissie voor LNV aan haar integrale productieketen en wil haar waardering uitspreken voor de interesse die de Kamerleden hebben getoond. Er was duidelijk kennis van zaken bij de Kamerleden aanwezig en mede hierdoor konden diversen zaken op een prettige manier worden besproken.

Minister mag subsidiegegevens mengvoederbedrijven openbaar maken LJN: AU2892,Voorzieningenrechter Rechtbank Utrecht, SBR 05/2622, 05/2644, 05/2645, 05/2647, 05/2653, 05/2655

Datum uitspraak: 20-09-2005 Bestuursrecht overig Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie: Minister mag subsidiegegevens van mengvoederbedrijven openbaar maken
Uitspraak RECHTBANK UTRECHT
sector bestuursrecht



nrs. SBR 05/2622, SBR 05/2644, SBR 05/2645,
SBR 05/2647, SBR 05/2653 en SBR 05/2655


Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de geschillen tussen:


Tentego B.V., gevestigd te Mijdrecht,
Schils B.V., gevestigd te Sittard,
Denkavit Nederland B.V., gevestigd te Voorthuizen,
Navobi B.V., gevestigd te Ermelo,
Verveka Veevoeder B.V, gevestigd te Hoornaar en
Sloten B.V., gevestigd te Deventer,
verzoekers,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV),
verweerder.

1. INLEIDING

1.1 De verzoeken hebben betrekking op het besluit van verweerder van 23 augustus 2005 waarbij verweerder, naar aanleiding van een drietal verzoeken, waaronder het verzoek van de Evert Vermeer Stichting (EVS) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), heeft besloten tot openbaarmaking van gegevens over subsidies die in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zijn uitgekeerd.

1.2 Tentego BV heeft zijn verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht. Gelet op de inhoudelijke samenhang met de zaken van Denkavit Nederland B.V., Navobi B.V., Verveka Veevoeder B.V, Sloten B.V., en Schils BV waardoor behandeling van die zaken door ťťn voorzieningenrechter derhalve gewenst was, zijn deze zaken met toepassing van artikel 8:13 van de Awb verwezen naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht.

1.3 De verzoeken zijn op 19 september 2005 ter zitting behandeld. Verzoekers hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [directeur], directeur van Denkavit Nederland B.V., te Voorthuizen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.B. Kuijpers, mr. R.C. Valentijn, ir. J. Hazelhoff en ir. J. Schotanus, allen werkzaam bij het Ministerie van LNV. Namens de EVS is, na voorafgaand bericht, niemand ter zitting verschenen.



2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Bij brief van 23 juni 2005 heeft de EVS zich tot verweerder gewend met het op de Wob gebaseerde verzoek om openbaarmaking van alle EU-landbouwsubsidies aan Nederland, de Nederlandse landbouwsector, de boeren en agrobedrijven vanaf 2000. Doel van deze openbaarmaking is het mogelijk maken van een debat over de verdeling van de subsidies. Bij het thans bestreden besluit van 23 augustus 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant van 24 augustus 2005, nr. 163) heeft verweerder dit verzoek gehonoreerd. In het besluit is aangegeven dat de gegevens op woensdag 21 september 2005 openbaar zullen worden gemaakt.

2.4 De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van de openbaar te maken gegevens. Partijen hebben toestemming gegeven om mede op grondslag van die gegevens uitspraak te doen.

2.5 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van bij een bestuursorgaan berustende schriftelijke stukken die informatie bevatten over een bestuurlijke aangelegenheid. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder op grond van de in artikel 10 van de Wob genoemde gronden gehouden is het verstrekken van informatie achterwege te laten.

2.6 Het verstrekken van informatie blijft ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wob achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Voorts blijft op grond van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob openbaarmaking achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.7 Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat de gegevens die verweerder openbaar wenst te maken, gegevens zijn die verzoekers vertrouwelijk aan de overheid hebben meegedeeld en concurrentie gevoelige informatie bevatten. De voorzieningen-rechter ziet zich dan ook eerst voor de vraag gesteld of de gevraagde gegevens kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat dit artikelonderdeel volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar zijn aard restrictief dient te worden uitgelegd. Zoals door verweerder terecht is aangevoerd kunnen de gegevens die met name betrekking hebben op de uitgekeerde subsidiebedragen alsmede de data waarop de bedragen zijn uitgekeerd niet worden aangemerkt als gegevens die door verzoekers aan de overheid zijn meegedeeld. Reeds om die reden kan een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob niet slagen. Dat uit de gegevens eventueel indirect zou kunnen worden afgeleid welke gegevens ten behoeve van de subsidieaanvragen vertrouwelijk aan verweerder zijn verstrekt, maakt niet dat de openbaar te maken gegevens kunnen worden opgevat als gegevens die door verzoekers aan verweerder zijn verstrekt.

2.8 Bij de beoordeling of er sprake is van een weigeringgrond als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe. De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

Verzoekers hebben aangevoerd dat uit de te publiceren gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de afzet van producten en de variaties in de afzet in de opeenvolgende perioden. Verzoekers stellen dat zij daardoor in een nadeliger positie worden gebracht ten opzichte van concurrenten elders in Europa. Verweerder heeft echter gemotiveerd betwist dat uit de te publiceren subsidiebedragen zonder meer kan worden afgeleid wat de afzet van verzoekers is geweest. Verweerder heeft daartoe naar voren gebracht dat de berekening die nodig is om aan de hand van de subsidiebedragen de afzet te berekenen, diverse variabelen bevat. Deze variabelen kunnen volgens verweerder niet zonder nadere informatie worden vastgesteld. Verzoekers hebben daar tegen in gebracht dat deze variabelen slechts een zeer geringe rol spelen. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat door verzoekers onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat uit de subsidiebedragen kan worden afgeleid wat de afzet van verzoekers is geweest.

De voorzieningenrechter merkt echter op dat, ook als zou komen vast te staan dat uit de gegevens wetenswaardigheden over de afzet van verzoekers kunnen worden afgeleid, dit niet zonder meer betekent dat openbaarmaking leidt tot onevenredig nadeel in de zin van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Verzoekers hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat hun concurrentiepositie door openbaarmaking zal verslechteren, in die mate dat gesproken kan worden van onevenredige benadeling. De voorzieningenrechter acht in dit verband ook van belang dat de gegevens geen informatie prijsgeven over de kring van afnemers en voorts dat de gegevens betrekking hebben op subsidiebedragen die in het verleden zijn verstrekt.

Verzoekers hebben nog aangevoerd dat door openbaarmaking van deze gegevens het misleidende beeld wordt opgeroepen dat verzoekers gesubsidieerde activiteiten bedrijven terwijl het gaat om een prijscorrectief op de kunstmatig hoge melkprijzen. Openbaarmaking zal volgens verzoekers suggereren dat de subsidiebedragen bij een handjevol mengvoederproducenten terecht komt terwijl deze in wekelijkheid aan alle melkveehouders in de EU ten goede komen. De voorzieningenrechter deelt de mening van verweerder dat eventuele negatieve beeldvorming zal afhangen van de interpretatie van deze subsidiegegevens en openbaarmaking niet in de weg zal kunnen staan. Verweerder heeft aangegeven dat bij de publicatie van de gegevens een toelichting zal worden gegeven, waardoor dergelijke reacties zo veel mogelijk worden voorkomen. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat het verzoekers vrijstaat om na openbaarmaking deel te nemen aan een eventueel publiek debat.

De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten meer gewicht toe te kennen aan het zwaarwegende publieke belang van openbaarmaking.

2.9 De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het besluit in een bodemprocedure niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook, gelet op de betrokken belangen, afwijzen. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoekers zijn derhalve ook geen termen aanwezig.


3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af


Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2005.


De griffier:        De voorzieningenrechter:




mr. G. Delissen        mr. R.P. den Otter



Afschrift verzonden aan partijen op:

Navobi en SKV tegen Alpuro
LJN: AF1358, Rechtbank Zwolle, 80374 KG ZA 02-497
Datum uitspraak: 28-11-2002 Rechtsgebied: Civiel overig Kort geding
Uitspraak RECHTBANK ZWOLLE          Hul/Veg

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

K.G. nr. 80374 KG ZA 02-497
Uitspraak: 28 november 2002

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

1 de besloten vennootschap DENKAVIT NEDERLAND B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Voorthuizen,
2 de besloten vennootschap VAN DRIE B.V.,
statutair gevestigd te De Ronde Venen en kantoorhoudende te Mijdrecht,
3 de besloten vennootschap NAVOBI B.V.,
statutair gevestigd te Staverden, gemeente Ermelo, en kantoorhoudende te Ermelo,
procureur mr. P.F. Schepel,
advocaat mr. G.M.P. Roos te Rotterdam, en
4 de stichting STICHTING KWALITEITSGARANTIE VLEESKALVERSECTOR,
statutair gevestigd te 's-Gravenhage en kantoorhoudende te Utrecht,
procureur mr. P.F. Schepel,
advocaat mr. H. Ferment te 's-Gravenhage,
eiseressen in conventie, gedaagden in reconventie,

en

1 de besloten vennootschap ALPURO HOLDING B.V., en
2 de besloten vennootschap VEEVOEDERBEDRIJF ALPURO B.V.,
beide statutair gevestigd en kantoorhoudende te Uddel, gemeente Apeldoorn,
procureur mr. J.A. van Wijmen,
advocaat mr. J.S.W. Lucassen te Zutphen,
gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie.


PROCESGANG

Denkavit c.s. heeft Alpuro c.s. doen dagvaarden in kort geding.

De vorderingen van Denkavit c.s. strekken ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Alpuro c.s.

a) te verbieden om direct of indirect uitlatingen te doen en/of mededelingen te verspreiden, op welke wijze dan ook (publicatie op na te melden of andere websites daaronder begrepen), met de strekking dat Denkavit en/of Van Drie zich schuldig maakt aan het toedienen van verboden groeibevorderende middelen aan kalveren, tenzij Alpuro c.s. op eerste daartoe strekkend verzoek deugdelijk bewijs verschaft dat Denkavit en/of Van Drie zich schuldig maakt aan zodanige toediening, op straffe van verbeurte (hoofdelijk) jegens de partij(en) die het aangaat van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van €euro 500.000,- voor iedere overtreding van het te geven verbod;
  
b) te gelasten om binnen drie dagen na dagtekening van het vonnis

1 aan de bij hen aangesloten kalverhouders en aan anderen jegens wie de in het lichaam dezer dagvaarding bedoelde gewraakte uitlating gedaan is een brief te versturen met de volgende inhoud:

"[aanhef]
In een notitie die wij onlangs (vermoedelijk) ook aan u overhandigd hebben stelden wij dat wij twijfels hadden over de productiemethoden van een grote concurrent en dat wij redenen hadden om aan te nemen dat de winsten van die concurrent een direct gevolg waren van het stelselmatig toedienen van groeihormonen aan kalveren.

Achteraf betreuren wij deze mededeling. In werkelijkheid hebben wij geen enkele reden om aan te nemen dat de winsten van de betrokken concurrent het gevolg zijn van het stelselmatig toedienen van groeihormonen. Wij trekken de betreffende mededeling bij dezen dan ook in.

Veevoederbedrijf Alpuro B.V.
Hoofddirectie.";

2 op de homepage van de website 'www.alpuro.nl' een voldoende opvallende en toegankelijke mededeling te plaatsen, en gedurende tenminste twee maanden te handhaven, met de tekst:

"Onlangs hebben wij een grote concurrent ervan beschuldigd dat wij redenen hadden om aan te nemen dat de winsten van die concurrent een direct gevolg waren van het stelselmatig toedienen van groeihormonen aan kalveren. Achteraf betreuren wij deze beschuldiging. In werkelijkheid hebben wij geen enkele reden om aan te nemen dat de winsten van de betrokken concurrent het gevolg zijn van het stelselmatig toedienen van groeihormonen. Wij nemen de betreffende beschuldiging bij deze dan ook terug.

Veevoederbedrijf Alpuro B.V.
Hoofddirectie.";

op straffe van verbeurte (hoofdelijk) van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Alpuro nalaat om aan het te geven bevel te voldoen;

c) te gelasten om binnen drie dagen na dagtekening van het vonnis aan eiseressen opgave te doen van de namen en adressen van degenen jegens wie de in het lichaam van de dagvaarding bedoelde gewraakte uitlating is gedaan en van degenen aan wie de onder b bedoelde brief verstuurd is, op straffe van verbeurte (hoofdelijk) van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van €euro 50.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Alpuro c.s. nalaat om aan het te geven bevel te voldoen;
  
d) te veroordelen in de kosten van het geding.

Alpuro c.s. heeft tegen de vordering verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Denkavit c.s. in de kosten van het geding. Tevens heeft zij eisen in reconventie ingesteld die ertoe strekken dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1) Denkavit c.s. verbiedt direct of indirect uitlatingen te doen en /of mededelingen te verspreiden, op welke wijze dan ook, met de strekking dat Alpuro op 20 september 2002 een feitelijk onjuiste mededeling heeft gedaan;

2) Denkavit gelast om binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan de leden van Nevedi een brief te versturen met de volgende tekst:

"[aanhef]
In de algemene ledenvergadering van 8 oktober 2002 heeft de heer [naam vertegenwoordiger] als vertegenwoordiger van Denkavit er op aangedrongen dat de heer [naam bestuurslid] vrijwillig aftreedt als bestuurslid, omdat de hoofddirectie van Alpuro Group aan bij haar aangesloten kalverhouders heeft medegedeeld dat Alpuro twijfelt aan de productiemethoden van een grote concurrent en er volgens Alpuro redenen zijn om aan te nemen dat door deze grote concurrent stelselmatig groeihormonen zijn toegediend. De heer [naam vertegenwoordiger] heeft deze uitlatingen bij deze vergadering feitelijk onjuist genoemd. Achteraf bezien moet Denkavit echter erkennen dat de twijfel van Alpuro gerechtvaardigd was en dat op zijn minst niet kan worden uitgesloten dat groeihormonen zijn gebruikt.
[afsluiting]";

3) SKV gebiedt binnen drie dagen na betekening van het vonnis een persbericht te versturen aan het ANP, het Agrarisch Dagblad, de Telegraaf, het Reformatorisch Dagblad, MeatBusiness en TV Gelderland met de volgende tekst:

"[aanhef]
SKV heeft op 26 september 2002 in een persbericht een reactie gegeven op een interne mededeling van Alpuro aan de bij haar aangesloten kalverhouders. Deze mededeling kwam er op neer dat Alpuro twijfels heeft aan de productiemethoden van een "grote concurrent" en dat zij redenen heeft om aan te nemen dat deze concurrent op stelselmatige wijze groeihormonen heeft toegediend. Alpuro heeft bij haar interne mededeling geen specifieke namen genoemd. In het persbericht van 26 september 2002 heeft SKV gesteld dat de mededeling van Alpuro feitelijk onjuist was en dat er geen reden is om aan te nemen dat Van Drie en/of Denkavit stelselmatig groeihormonen toedienen. Bij nadere bestudering van de kwestie moet SKV hetgeen zij heeft medegedeeld in het persbericht ontrekken. Achteraf bezien zijn er wel redenen om aan te nemen dat stelselmatig verboden groeibevorderende middelen zijn toegediend.
[afsluiting]";

4) een en ander onder verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van €euro 75.000,- voor iedere dag dat Denkavit c.s. nalaat het verbod na te leven, met veroordeling van Denkavit c.s. in de proceskosten.

Denkavit c.s. heeft tegen de eis in reconventie verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing daarvan, en met veroordeling van Alpuro in de proceskosten.

Partijen hebben tenslotte verzocht vonnis te wijzen.

MOTIVERING

Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie en in reconventie

1 Kernvraag van deze zaak betreft of in dit geding in voldoende mate is gebleken dat Denkavit, Van Drie en Navobi (de laatste twee hierna te noemen Van Drie) stelselmatig verboden groeibevorderende middelen hebben toegediend aan kalveren. Uit de beantwoording van die vraag vloeien de beslissingen in conventie en in reconventie voort. Immers, indien de voorzieningenrechter in het bestek van dit geding tot het voorlopige oordeel komt dat de betreffende door Alpuro c.s. gedane uitlating onvoldoende grondslag heeft, zijn de vorderingen in conventie toewijsbaar. Uit dat oordeel volgt dat de vorderingen in reconventie niet toewijsbaar zijn, omdat die gebaseerd zijn op het uitgangspunt dat de uitlating feitelijk juist was.

2 Voor de beoordeling van de kernvraag is het volgende van belang.

2.1 Denkavit en Van Drie houden zich onder meer bezig met het mesten en doen mesten van kalveren. SKV heeft onder meer ten doel het behartigen van de belangen van de bij de productie en verhandeling van kalvervoeders, vleeskalveren en kalfsvlees betrokken ondernemingen. SKV onderhoudt, onder controle van en in samenwerking met het Productschap Vee en Vlees, het Productschap Diervoerder en de diensten van het Ministerie van LNV, een omvangrijk controlestelsel, in het kader waarvan bemonstering van kalveren respectievelijk onderzoek van die monsters op residuen van verboden groeibevorderende middelen door TNO plaatsvindt.

2.2 De Nederlandse kalvermesterij vindt vrijwel volledig plaats in het kader van integratiecontracten, hetgeen wil zeggen dat kalverhouders mesten voor rekening en risisco van veevoederfabrikanten als integrateurs. Naast een aantal kleine integrateurs, zijn er drie grote, te weten Denkavit, (De) VanDrie (Group) en Alpuro c.s.

2.3 In een op haar intranet geplaatste publicatie van 20 september 2002 van de hoofddirectie van Alpuro c.s. over beleidswijziging van de Alpuro Group komt de volgende passage voor:
"De bovenmatige goede prestaties van een grote concurrent hebben onze bijzondere belangstelling. Het behoeft geen betoog dat wij onze twijfels hebben over hun productiemethoden. We hebben redenen om aan te nemen dat de winsten een direct gevolg zijn van het stelselmatig toedienen van groeihormonen."

2.4 Toediening van groeibevorderende middelen bij het mesten van kalveren kan het financiŽle resultaat per mestkalf aanzienlijk verhogen, maar is in Nederland verboden.

3 Denkavit en Van Drie hebben gesteld dat Alpuro c.s. hen met de uitlating heeft beschuldigd van het stelselmatig toedienen van verboden groeimiddelen aan kalveren. Die bewering is jegens hen onrechtmatig, omdat er geen enkele reden is om aan te nemen dat zij zich schuldig maken aan een dergelijk strafbaar feit. SKV heeft gesteld dat de bewering ook jegens haar onrechtmatig is, omdat daarmee wordt gesuggereerd dat zij tekortschiet in haar statutaire taken.

4 Bij de beantwoording van de kernvraag staat voorop dat in het algemeen in rechte het uiten van beschuldigingen als die waarom het in deze zaak gaat, ongeoorloofd wordt geoordeeld en dus onrechtmatig jegens de door de beschuldiging getroffene, als ervan moet worden uitgegaan dat voor de bewering geen of onvoldoende grond bestond. Op de partij die de beschuldiging heeft gedaan rust in beginsel de last de inhoud van haar beschuldiging aannemelijk te maken, als de beschuldigde datgene waarvan hij wordt beticht, ontkent. Dit beginsel, dat de onschuldige beoogt te beschermen tegen aantijgingen die niet op waarheid berusten en die juist daardoor niet of moeilijk te weerleggen zijn, legt voorzichtigheid op aan degene die voor een ander belastende feiten wil openbaren. In verband met de aard en ernst van de in deze zaak gedane beschuldiging, mede in het licht van de grote commerciŽle en maatschappelijke belangen die hierbij betrokken zijn, mogen hoge eisen worden gesteld aan de feiten en omstandigheden die aan de beschuldiging ten grondslag zijn gelegd.

5 Alpuro c.s. heeft een aantal gronden aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat zij op goede grond mocht aannemen dat door Denkavit en Van Drie stelselmatig verboden middelen aan kalveren zijn en/of worden toegediend. Volgens haar is de uitlating dan ook niet onrechtmatig jegens Denkavit c.s. Hiernavolgend zullen die gronden, mede in het kader van het onder 4 overwogene worden beoordeeld. Voor zover nodig zal daarbij het betoog van Denkavit c.s. worden betrokken.

5.1 Ten eerste heeft Alpuro c.s. verwezen naar het volgens haar gedegen onderzoek van haarmonsters van kalveren van Denkavit en Van Drie dat door het Laboratoire Analyses ContrŰles Expertise in Parijs is uitgevoerd, welk onderzoek heeft aangetoond dat Denkavit en Van Drie stelselmatig het verboden middel clenbuterol aan kalveren hebben toegediend. Zij zijn daartoe in staat geweest zonder daarop te worden betrapt, omdat de pakkans bij het toedienen van dergelijke verboden middelen voor hen als grote marktpartijen vrijwel nihil is. Volgens Alpuro c.s. wordt dit in de hand gewerkt door hun nauwe banden en samenwerking met en door de onderzoeksprocedures van SKV alsmede door de wetenschap die zij uit de Technische Commissie van SKV in het kader van controles ontvangen. Het is dan ook niet toevallig dat SKV clenbuterol niet heeft aangetroffen in de kalveren van Denkavit en/of Van Drie. Dit duidt op zeer ernstige misstanden in de kalversector.

5.1.1  Denkavit c.s. heeft echter gemotiveerd geriposteerd dat geen van door SKV genomen monsters van kalveren van Denkavit en Van Drie en van door TNO uitgevoerde analyses van die monsters het gebruik van verboden middelen heeft aangetoond. Anders dan Alpuro c.s. heeft betoogd, kan hieraan voldoende waarde worden gehecht, te meer nu de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 20 augustus 2002 geen aanleiding tot twijfel heeft gezien bij de werkwijze van SKV en toezicht kan worden verwacht van instanties van het ministerie van LNV. Daarentegen is er wel gerede grond om te twijfelen aan de zuiverheid van (de resultaten van) het in opdracht van Alpuro c.s. uitgevoerde onderzoek van haarmonsters van kalveren van Denkavit en/of Van Drie door genoemd Frans laboratorium. Immers, voldoende is gebleken dat dat onderzoek met betrekking tot een groot aantal procedurele en materiŽle aspecten gebrekkig is geweest. Zo heeft blijkens de reactie van TNO van 5 november 2002 dat onderzoek niet op een zorgvuldige, betrouwbare en met waarborgen omklede wijze plaatsgevonden en kan op grond van de informatie van het Franse rapport niet worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van clenbuterol is aangetoond of bevestigd. In dat kader is Denkavit en Van Drie niet de mogelijkheid geboden van contra-analyse, voldoet het onderzoek niet aan EU-identificatiecriteria, is informatie incompleet en worden relevante termen op onjuiste wijze gehanteerd. Voorts is het laboratorium op grond van Franse regelgeving niet geaccrediteerd voor onderzoek gericht op de controle van het gebruik van groeibevorderaars; evenmin is het laboratorium door het Franse ministerie van Landbouw erkend voor de officiŽle controle van groeibevorderaars. Ook SKV heeft bij brief van 7 november 2002 vele onjuistheden in het rapport c.q. in het daaraan ten grondslag liggende onderzoek geconstateerd, variŽrende van onjuiste of onbekende, door Alpuro c.s. genoemde mesters en niet bestaande identificatienummers van kalveren die door Alpuro c.s. worden genoemd, tot het onbekend zijn bij SKV van het betreffende kalf. Tenslotte heeft het ministerie van LNV bij brief van 13 november 2002 aangegeven dat bij de wijze van uitvoering van het onderzoek van het Franse laboratorium sterke vraagtekens gezet kunnen worden, waardoor de door Alpuro c.s. gemelde resultaten geen juridische basis kunnen vormen voor direct bewijsmateriaal van vermeend illegaal gebruik van groeibevorderaars. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat Alpuro c.s. in onvoldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat aan kalveren van Denkavit en Van Drie het verboden middel clenbuterol is toegediend. Daarbij kan in het midden blijven of er verband bestaat tussen enerzijds de door Alpuro c.s. gestelde relatie van Denkavit en Van Drie met SKV en door SKV gehanteerde procedures en anderzijds gebruik door hen van (andersoortige) verboden groeibevorderaars, zoals Alpuro c.s. heeft gesteld. Een dergelijke aantijging is dermate ernstig dat zij in het kader van dit kort geding niet kan worden beoordeeld.

5.2 Voorts heeft Alpuro c.s. aangevoerd dat uit een door haar uitgevoerde analyse van de resultaatontwikkeling in de periode van 1995 - 2001 van Denkavit, Van Drie en Alpuro c.s. blijkt dat de resultaten per kalf van Denkavit en Van Drie structureel en beduidend hoger liggen dan de gemiddelde brancheresultaten, zelfs wanneer een zogenaamde gevoeligheidsanalyse van cijfers wordt verricht voor zover aannames en veronderstellingen van Alpuro c.s. aan de orde zijn geweest. Deloitte & Touche heeft de in de analyse gehanteerde gegevens geverifieerd op juistheid. De conclusie van Alpurio c.s. is dat bij een significante besparing op voederkosten van Denkavit en Van Drie de bovennormale hoogte van hun resultaten alleen kan worden verklaard uit toediening van verboden groeimiddelen.

5.2.1 Denkavit en Van Drie hebben evenwel voldoende gemotiveerd weersproken dat een zuivere vergelijking van de resultaten van de verschillende ondernemingen niet valt te maken en dat de analyse van Alpuro c.s. van de rentabiliteit per kalf een vertekend beeld geeft. Zo worden er weliswaar lagere kosten door hen gemaakt, maar zijn de opbrengsten ook navenant lager. Ook kunnen zij niet met Alpuro c.s. worden vergeleken, omdat zij een andere bedrijfsstructuur hebben en ook in het buitenland actief zijn. De door Alpuro c.s. gestelde gevoeligheidsanalyse maakt dat niet anders. Wat dat betreft kan het door Alpuro c.s. in het geding gebrachte schriftelijk stuk van Deloitte & Touche niet dienen ter onderbouwing van de juistheid van haar (gevoeligheids)analyse, nu dat in genoegzame mate is bestreden door PriceWaterhouseCoopers en Mazars Paardekooper Hoffman. Bovendien heeft Deloitte & Touche zelf aangegeven dat zij de door Alpuro c.s. gehanteerde aannames en veronderstellingen niet heeft kunnen toetsen. Gelet op een en ander, valt beoordeling van het door Alpuro c.s. gepresenteerde cijfermateriaal inzake de analyse van de resultaatontwikkeling van de kalversector buiten het bestek van dit kort geding.

5.3 Uit het vorenstaande volgt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond aanwezig was voor de door Alpuro c.s. gedane uitlating.

5.4 Ten verwere dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld, heeft Alpuro c.s. echter gesteld dat zij de mededeling niet publiekelijk heeft gedaan, maar slechts op haar intranet heeft geplaatst ten behoeve van alleen bij haar aangesloten kalverhouders en verder alleen ter sprake heeft gebracht tijdens twee besloten bijeenkomsten met haar kalverhouders. Daarenboven heeft zij "de grote concurrenten" niet bij name genoemd en geen ruchtbaarheid aan de uitlating gegeven. Denkavit c.s. heeft het aan zichzelf te wijten dat de uitlating in wijde kring bekend is geworden.

5.4.1 De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat uit hetgeen Denkavit c.s. onweersproken heeft gesteld over de structuur van Nederlandse kalvermarkt, voldoende gebleken is dat voor een ieder die zou komen te beschikken over de tekst van de publicatie, kenbaar was dat met de in de uitlating voorkomende substantief "een grote concurrent" uitsluitend gedoeld kan zijn op Denkavit en Van Drie. Ter zitting heeft Alpuro c.s. zelfs expliciet toegegeven dat zij Denkavit en Van Drie op het oog heeft gehad.
Voorts doet de omstandigheid dat de uitlating niet publiekelijk is medegedeeld, maar op het intranet van Alpuro c.s. en in besloten kring van haar eigen kalverhouders, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan het onrechtmatig karakter van de uitlating. Door de uitlating worden Denkavit en Van Drie ten onrechte in diskrediet gebracht. Niet uitgesloten is dat kalverhouders die tot dusverre bij Alpuro c.s. zijn aangesloten en om hen moverende redenen zich bij Denkavit of Van Drie willen aansluiten, daarvan door de uitlating worden weerhouden, in welk geval Denkavit of Van Drie direct nadeel door de uitlating wordt aangebracht. Daarenboven moet bij bekendmaking in een besloten kring van een tekst als de onderhavige, rekening worden gehouden met de geenszins denkbeeldige kans dat zij als een lopend vuurtje rondgaat buiten die kring, met alle mogelijke schadelijke gevolgen van dien. Onvoldoende is gebleken dat zulks (in overwegende mate) aan Denkavit c.s. zelf te wijten is geweest.

5.5 Voorts valt volgens Alpuro c.s. de uitlating binnen de reikwijdte van artikel 10 van het EVRM met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting, (te meer) nu voldoende grond aanwezig was voor de uitlating en het gaat om een maatschappelijk belangrijk en gevoelig onderwerp dat de voedselveiligheid en de volksgezondheid betreft.
Denkavit c.s. heeft daartegenover gesteld dat de grenzen van genoemd artikel zijn overschreden, nu de uitlating ongegrond is en hen schaadt.

5.5.1 Alpuro c.s. heeft in beginsel vrijheid van meningsuiting, maar dat is geen volledig recht en laat altijd de mogelijkheid van rechterlijke toetsing achteraf open. Tegenover het individuele recht van Denkavit c.s. om door publicaties niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen, staat het belang dat misstanden niet mogen blijven voortbestaan door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek. Dat het in deze zaak gaat om onderwerpen die de volksgezondheid en voedselveiligheid betreffen, geeft Alpuro c.s. echter geen vrijbrief tot het doen van ernstige, ongefundeerde beschuldigingen. Het tegendeel is eerder het geval: de grote commerciŽle belangen van Denkavit c.s. en van de gehele overige Nederlandse kalvermarkt, alsmede de maatschappelijke gevoeligheid van het onderhavige onderwerp, leggen juist extra voorzichtigheid op aan Alpuro c.s. met het doen van dergelijke uitspraken en zij dient, wil zij een veroordeling wegens onrechtmatige beschuldiging ontgaan, haar bewering aannemelijk te maken, nu die door Denkavit c.s. is bestreden. Nu Alpuro c.s. naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter daar niet in geslaagd is, komt haar geen disculperend beroep toe op artikel 10 EVRM.

6 Gelet op het vorenoverwogene heeft Denkavit c.s. recht en belang bij toewijzing en zijn de conventionele vorderingen als in het dictum bepaald toewijsbaar. Daaruit volgt dat de vorderingen in reconventie geen bespreking meer behoeven en dat zij dienen te worden afgewezen.

7 De verzochte dwangsommen worden als in het dictum bepaald gematigd en gemaximeerd.

8 Alpuro c.s. zal als de in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Denkavit c.s. worden veroordeeld.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

in conventie

I verbiedt Alpuro c.s. om direct of indirect uitlatingen te doen en/of mededelingen te verspreiden, op welke wijze dan ook, met de strekking dat Denkavit en/of Van Drie zich schuldig maakt aan het toedienen van verboden groeibevorderende middelen aan kalveren, tenzij Alpuro c.s. op eerste daartoe strekkend verzoek deugdelijk bewijs verschaft dat Denkavit en/of Van Drie zich schuldig maakt aan zodanige toediening, op straffe van verbeurte (hoofdelijk) jegens de partij(en) die het aangaat van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van €euro 100.000,- voor iedere overtreding van het te geven verbod, met een maximum van €euro 1.000.000,-;

II gelast Alpuro c.s. om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis aan de bij haar aangesloten kalverhouders en aan anderen jegens wie de in het lichaam van de dagvaarding bedoelde gewraakte uitlating gedaan is een brief te versturen met de volgende inhoud:

"[aanhef]
In een notitie die wij onlangs (vermoedelijk) ook aan u overhandigd hebben stelden wij dat wij twijfels hadden over de productiemethoden van een grote concurrent en dat wij redenen hadden om aan te nemen dat de winsten van die concurrent een direct gevolg waren van het stelselmatig toedienen van groeihormonen aan kalveren.

Achteraf betreuren wij deze mededeling. In werkelijkheid hebben wij geen enkele reden om aan te nemen dat de winsten van de betrokken concurrent het gevolg zijn van het stelselmatig toedienen van groeihormonen. Wij trekken de betreffende mededeling bij dezen dan ook in.

Veevoederbedrijf Alpuro B.V.
Hoofddirectie."

op straffe van verbeurte (hoofdelijk) van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van euro 50.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Alpuro c.s. nalaat om aan dit bevel te voldoen, met een maximum van euro€ 500.000,-;

III gelast Alpuro c.s. om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis op de homepage van haar website 'www.alpuro.nl' een voldoende opvallende en toegankelijke mededeling te plaatsen, en gedurende tenminste twee maanden te handhaven, met de tekst:

"Onlangs hebben wij een grote concurrent ervan beschuldigd dat wij redenen hadden om aan te nemen dat de winsten van die concurrent een direct gevolg waren van het stelselmatig toedienen van groeihormonen aan kalveren. Achteraf betreuren wij deze beschuldiging. In werkelijkheid hebben wij geen enkele reden om aan te nemen dat de winsten van de betrokken concurrent het gevolg zijn van het stelselmatig toedienen van groeihormonen. Wij nemen de betreffende beschuldiging bij deze dan ook terug.

Veevoederbedrijf Alpuro B.V.
Hoofddirectie."

op straffe van verbeurte (hoofdelijk) van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van euro€ 50.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Alpuro c.s. nalaat om aan dit bevel te voldoen, met een maximum van euro€ 500.000,-;

IV gelast Alpuro c.s. om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis aan Denkavit c.s. opgave te doen van de namen en adressen van degenen jegens wie de in het lichaam van de dagvaarding bedoelde gewraakte uitlating is gedaan en van degenen aan wie de onder II en III bedoelde brief verstuurd is, op straffe van verbeurte (hoofdelijk) van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van euro€ 50.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Alpuro c.s. nalaat om aan dit bevel te voldoen, met een maximum van euro€ 500.000,-;

V veroordeelt Alpuro c.s. in de proceskosten, welke kosten, voor zover aan de zijde van Denkavit c.s. gevallen, worden bepaald op euro€ 258,18 voor verschotten en euro€ 703,- voor salaris procureur;

VI verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VII wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

VIII wijst de vorderingen af:

IX veroordeelt Alpuro c.s. in de proceskosten, welke kosten, voor zover aan de zijde van Denkavit c.s. gevallen, worden bepaald op euro€ 352,- voor salaris procureur.

Gewezen door mr. J. van der Hulst, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.<

LJN: AL3328, Raad van State, 200206730/1
Datum uitspraak: 01-10-2003 Bestuursrecht overig Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 8 november 2002, kenmerk WM-5569, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veevoederfabriek op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Uddel, sectie A, nummers 5864, 5757 en 6299 en de vergunning geweigerd wat betreft het in werking zijn van de inrichting gedurende de periode van 23.00 uur tot 07.00 uur, met uitzondering van bepaalde nader in het besluit omschreven activiteiten.
Uitspraak 200206730/1.
Datum uitspraak: 1 oktober 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Veevoederfabriek Alpuro B.V.", gevestigd te Uddel,
appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2002, kenmerk WM-5569, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veevoederfabriek op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Uddel, sectie A, nummers 5864, 5757 en 6299 en de vergunning geweigerd wat betreft het in werking zijn van de inrichting gedurende de periode van 23.00 uur tot 07.00 uur, met uitzondering van bepaalde nader in het besluit omschreven activiteiten.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door, [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door M. Bomhof en T.P.H. Hettinga, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder de bezwaren van appellante ten aanzien van de vergunningvoorschriften 5.2.1 tot en met 5.2.5 aangaande een nulsituatieonderzoek van de bodem, de voorschriften 6.2.1 tot en met 6.2.3 aangaande brandcompartimentering, voorschrift 9.4.2 aangaande doekfilterinstallaties, voorschrift 21.6.1 aangaande de bepaling van de stofexplosie eigenschappen van alle stoffen en voorschrift 22.1.4 aangaande het uitvoeren van een storingsanalyse gegrond acht.

Gelet hierop, de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder het bestreden besluit in zoverre niet met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Bedoelde voorschriften komen dan ook voor vernietiging in aanmerking.

2.2. Appellante voert aan dat de in vergunningvoorschrift 8.1.1 bij beoordelingspunt 3 voor de nachtperiode gegeven grenswaarde voor het equivalente geluidsniveau niet kan worden gehaald.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat door het in werking zijn van koel-, ventilatie- en verwarmingsinstallaties de in vergunningvoorschrift 8.1.1 bij beoordelingspunt 3 voor de nachtperiode gegeven grenswaarde voor het equivalente geluidsniveau van 40 dB(A) ook na het uitvoeren van geluidsreducerende maatregelen wordt overschreden. Dit voorschrift heeft dan ook tot gevolg dat de blijkens de aanvraag beoogde bedrijfsvoering onmogelijk is, zodat het opnemen van dit voorschrift neerkomt op een weigering van de gevraagde vergunning. Dit verdraagt zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond is derhalve gegrond en het bestreden voorschrift komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

2.3. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte de vergunning wat betreft het in werking zijn van de inrichting gedurende de periode van 23.00 uur tot 07.00 uur heeft geweigerd. Zij betoogt dat dit een onaanvaardbare beperking van haar productietijd inhoudt, gelet op de omstandigheid dat haar in de vigerende vergunning van 10 maart 1989 bedrijfstijden zijn toegestaan van 24 uur per dag. Zij voert hierbij aan dat zij destijds weliswaar een werktijd van 16 uur per dag heeft aangevraagd, maar dat verweerder een werktijd van 24 uur heeft vergund. Zij stelt dat haar productie op deze openingstijden is afgestemd.

Tevens stelt zij dat uit het bij de aanvraag gevoegde geluidsrapport blijkt dat zij aan de gestelde equivalente geluidsnormen kan voldoen. In het geluidsrapport is volgens appellante nog geen rekening gehouden met het geen gebruik meer maken van dieselvorkheftrucks gedurende de nachtperiode zodat de geluidsemissie zelfs nog lager uitvalt dan in het rapport aangegeven.

2.3.1. Verweerder stelt dat de vigerende vergunning bedrijfstijden toestond van 16 uur per dag, gedurende vijf dagen in de week, van 04.30 uur tot 20.30 uur. In tegenstelling tot het bestreden besluit is hij thans van mening dat er een verkregen recht voor het in deze periode uitvoeren van werkzaamheden bestaat. Activiteiten in de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur waren echter niet toegestaan en in zoverre is naar de mening van verweerder dan ook geen sprake van bestaande rechten waarmee hij rekening diende te houden bij zijn beslissing op de aanvraag.

2.3.2. De Afdeling stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat er voor de onderhavige inrichting in elk geval voor de periode tussen 04.30 uur en 20.30 uur sprake is van bestaande rechten, als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer. Verweerder heeft, gelet hierop dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom hij de aanvraag wat betreft het in werking zijn van de inrichting gedurende de periode van 04.30 uur tot 07.00 uur heeft geweigerd. In zoverre treft deze beroepsgrond doel.

Voorzover deze beroepsgrond zich richt op het in werking zijn van de inrichting in de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur overweegt de Afdeling dat, in tegenstelling tot wat appellante hierover stelt, uit de vergunning van 10 maart 1989 in combinatie met de van deze vergunning deel uitmakende aanvraag blijkt dat de bedrijfstijden van de onderhavige inrichting van 04.30 uur tot 20.30 uur lopen. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt, ook dit in tegenstelling tot wat appellante hierover stelt, dat de thans aangevraagde activiteiten betreffende verruimde productietijden en verruimde tijden voor transportbewegingen een dusdanig hoge geluidsproductie met zich meebrengen dat ook met geluidsbeperkende maatregelen niet aan de hiervoor geldende geluidsgrenswaarden kan worden voldaan. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunningaanvraag geweigerd diende te worden voorzover deze zag op de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur. Mede gelet op het deskundigenbericht stelt de Afdeling vast dat het gebruiken van elektrische heftrucks in plaats van dieselheftrucks niet leidt tot een relevante afname van de geluidsproductie. In zoverre treft deze beroepsgrond derhalve geen doel.

2.4. Appellante voert aan dat in vergunningvoorschrift 8.1.2 verwezen wordt naar tabel 3.4 van het bij de aanvraag gevoegde geluidsrapport terwijl volgens henverwezen had moeten worden naar tabel 5.6. Voor beoordelingspunt 7 levert de verwijzing naar tabel 3.4 volgens appellante een overschrijding op van de aangevraagde piekgeluidsbelasting.

De Afdeling overweegt dat tabel 5.6 ziet op de aangevraagde, maar niet vergunde situatie waarbij de inrichting ook in de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur in bedrijf is en dat tabel 3.4 ziet op de huidige, wel vergunde situatie. Voor beoordelingspunt 7 betekent het continu in werking zijn van de inrichting dat in de avond- en nachtperiode een hogere geluidsnorm zou moeten gelden voor de piekgeluiden. Nu de vergunningaanvraag voorzover het de periode tussen 20.30 uur en 4.30 uur betreft is geweigerd heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat naar tabel 3.4 moest worden verwezen. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte het ontwerpbesluit “Besluit kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer” heeft toegepast. Dit ontwerpbesluit was ten tijde van het bestreden besluit niet van kracht en bovendien valt de inrichting, volgens appellante, niet onder het ontwerpbesluit.

2.5.1. Verweerder stelt dat de inrichting wel degelijk onder bedoeld ontwerpbesluit zal komen te vallen.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat uit het bestreden besluit niet valt af te leiden dat verweerder daadwerkelijk aansluiting heeft gezocht bij het ontwerpbesluit“Besluit kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer”. Uit de enkele opmerking in de considerans van het bestreden besluit dat de onderhavige inrichting onder de werking van het ontwerpbesluit zal komen te vallen volgt niet zonder meer dat het ontwerp op enigerlei wijze gevolg heeft gehad voor de beoordeling van de aanvraag. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat het besluit in genen dele berust op het ontwerpbesluit“Besluit kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer”. Deze beroepsgrond kan derhalve geen doel treffen.

2.6. Het beroep is gegrond en de vergunningvoorschriften 5.2.1 tot en met 5.2.5, 6.2.1 tot en met 6.2.3, 8.1.1 voorzover het beoordelingspunt 3 betreft, 9.4.2, 21.6.1 en 22.1.4 komen voor vernietiging in aanmerking.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 8 november 2002, WM-5569, voorzover het de vergunningvoorschriften 5.2.1 tot en met 5.2.5, 6.2.1 tot en met 6.2.3, 8.1.1 voorzover het beoordelingspunt 3 betreft, 9.4.2, 21.6.1 en 22.1.4 betreft;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn op om binnen 8 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Apeldoorn te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de gemeente Apeldoorn aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Klap
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003

LJN: AN8488, Gerechtshof Arnhem, 01/591
Datum uitspraak: 21-10-2003 Rechtsgebied: Handelszaak Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: [geÔntimeerde] vordert schadevergoeding van de gemeente omdat hij gedurende ťťn mestronde 670 kalveren minder heeft kunnen huisvesten zodat hij omzet heeft gederfd. Dit is te wijten aan het feit dat de gemeente hem een last onder dwangsom heeft opgelegd teneinde hem te houden aan het aantal kalveren dat was vergund bij besluit van 18 maart 1998. Dat dwangsombesluit was onrechtmatig jegens hem, zodat de gemeente gehouden is de geleden schade te vergoeden, aldus [geÔntimeerde].
Uitspraak 21 oktober 2003
derde civiele kamer
rolnummer 01/591


G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de gemeente Apeldoorn,
zetelend te Apeldoorn,
appellante,
procureur: mr E.A. van der Dussen,

tegen:

[geÔntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geÔntimeerde,
procureur: mr J.M. Bosnak.


1  Het geding in eerste aanleg

De rechtbank te Zutphen heeft op 12 april 2001 een tussenvonnis gewezen in het geschil tussen appellante (hierna te noemen: de gemeente) als gedaagde en geÔntimeerde (hierna te noemen: [geÔntimeerde]) als eiser. Afschrift van dit vonnis, naar de inhoud waarvan wordt verwezen, is aan dit arrest gehecht.


2  Het geding in hoger beroep

2.1  Bij exploit van 29 juni 2001 is de gemeente in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis met dagvaarding van [geÔntimeerde] voor dit hof.

2.2  Bij memorie van grieven heeft de gemeente vijf grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis, producties overgelegd, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geÔntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering dan wel hem deze zal ontzeggen met diens veroordeling in de kosten van beide instanties.

2.3  [geÔntimeerde] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, zo nodig met aanvulling dan wel verbetering van gronden, zal bekrachtigen met veroordeling van de gemeente in de kosten van het hoger beroep.

2.4  Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.


3  De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde bewijsstukken dan wel als door de rechtbank beslist en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

a.  [geÔntimeerde] exploiteert een agrarisch bedrijf in [woonplaats], waar hij in opdracht en voor rekening van derden kalveren huisvest totdat deze het gewenste slachtgewicht hebben bereikt.
Blijkens een op 15 mei 1984 verleende Hinderwetvergunning mocht hij een veestapel houden bestaande uit 1125 vleeskalveren, 210 opfokzeugen, 960 opfokbiggen, 90 kraamzeugen met biggen, 312 guste en dragende zeugen en 11 dekberen. Deze veebezetting komt overeen met 1594 mestvarkeneenheden en een jaaremissie ammoniak van 4906 kilo.

b.  In oktober 1997 heeft [geÔntimeerde] een aanvraag voor een revisievergunning ingediend, strekkende tot het mogen houden van 2201 vleeskalveren van 0 tot 6 maanden (omgerekend 2201 mestvarkeneenheden en een jaaremissie ammoniak van 3301,5 kilo).
Bij besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Apeldoorn van 18 maart 1998 is [geÔntimeerde] een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend (productie 1 bij conclusie van antwoord). Ingevolge deze vergunning was het [geÔntimeerde] toegestaan ten hoogste 1526 vleeskalveren voor de witvleesproductie te houden. De vergunning is geweigerd voor zover het betreft 675 vleeskalveren. Het aantal van 1526 vleeskalveren voor de witvleesproductie vertegenwoordigt een geurrecht van 1526 mestvarkeneenheden en een ammoniakrecht van 3815 kilo. Het tegen deze - gedeeltelijke - weigering ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard zodat deze vergunning onherroepelijk is.

c.  Tijdens een door milieu-ambtenaren van de gemeente op 17 september 1998 ingesteld onderzoek is gebleken dat [geÔntimeerde] 2210 vleeskalveren op stal had, dus 684 kalveren mťťr dan was toegestaan. Bij brief van 13 oktober 1998 van de gemeente is [geÔntimeerde] erop geattendeerd dat hij handelde in strijd met de vergunning en is hem aangezegd om vůůr 1 februari 1999 de veestapel terug te brengen tot het vergunde aantal kalveren. Op 25 januari 1999 werd tijdens een controle wederom geconstateerd dat [geÔntimeerde] mťťr kalveren dan vergund, namelijk 2121, op stal had staan.

d.  In september 1998 heeft [geÔntimeerde] een aanvraag ingediend voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning. Specifiek werd gevraagd vergunning voor het houden van 1191 witvleeskalveren en 1005 rosť vleeskalveren, waarvoor in totaal een ammoniakrecht van 5490 kilo vereist was en een geurrecht van 1526 mve. Bij brief van 15 januari 1999 (productie 3 bij conclusie van antwoord) hebben B & W kennelijk medegedeeld dat de door [geÔntimeerde] beoogde legalisatie van de feitelijke situatie niet mogelijk was en dat de gevraagde vergunning deels zou worden geweigerd.

e.  Bij besluit van 29 januari 1999 van B & W is aan [geÔntimeerde] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de milieuvergunning van 18 maart 1998, aangezien herhaaldelijk was vastgesteld dat [geÔntimeerde] mťťr kalveren hield dan ingevolge die vergunning was toegestaan. Het besluit (productie 4 bij conclusie van antwoord) houdt onder meer in:
“Legalisering
Op 17 september 1998 hebben wij uw aanvraag om een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor een vlees- en vleesstierkalverenhouderij, gelegen [adres] te [woonplaats], in behandeling genomen. In de begeleidende brief bij de aanvraag wordt aangegeven, dat onderhavige aanvraag bedoeld is om de feitelijke depositie die in 1986 en op 1 maart 1993 op het bedrijf aanwezig was te legaliseren en dat dit naar uw mening mogelijk is.
Bij brief van 15 januari 1999 hebben wij u laten weten dat uw verzoek om de nu gevraagde veebezetting te vergunnen met toepassing van het begrip legalisatie, niet kan worden gehonoreerd. Dit houdt in dat wij negatief op het door u thans ingediende verzoek om een revisievergunning zullen beslissen, hetgeen zal inhouden dat de gevraagde milieuvergunning in het belang van de bescherming van het milieu gedeeltelijk zal worden geweigerd. (…)
Duidelijk is dat wij na een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om vergunning afwijzend staan tegenover legalisering. Voor ons derhalve geen reden om toepassing van bestuurlijke handhaving achterwege te laten.”
Aan [geÔntimeerde] is de last opgelegd om vanaf het moment dat de op of rond 12 augustus 1998 aangevoerde en thans in de stallen J, K en L aanwezige kalveren vanwege het bereiken van het slachtgewicht uit de inrichting zijn afgevoerd, niet mťťr kalveren te houden dan de 1526 kalveren voor de witvleesproductie waarvoor bij besluit van 18 maart 1998 een vergunning is verleend, zulks op straffe van een dwangsom van f 6.000,- per week of gedeelte daarvan, met een maximum van f 30.000,-.
f.  Tegen dit dwangsombesluit heeft [geÔntimeerde] een bezwaarschrift ingediend (overgelegd als productie 1 bij conclusie van repliek) en tevens heeft hij schorsing daarvan verzocht.

g.  Bij uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 1999 (productie 5 bij conclusie van antwoord) is het dwangsombesluit geschorst. Naast een overweging inzake de verkeerde wettelijke grondslag van het besluit (namelijk artikel 18.9 Wm in plaats van artikel 5.32 Awb), heeft de Voorzitter onder meer overwo-gen:
“De Voorzitter ziet in de tekst van artikel 6, tweede en derde lid, van de Interimwet [bedoeld is de Interimwet ammoniak en veehouderij, toev. hof] geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verzoeker zich vanwege de op 18 maart 1998 ten behoeve van zijn inrichting verleende revisievergunning in het kader van de thans bij verweerders in behandeling zijnde nieuwe vergunningaanvraag niet meer op dit artikellid kan beroepen. De in 1998 verleende vergunning doet er immers niet aan af dat op 1 maart 1993 feitelijk een veebestand werd gehouden dat blijkens de stukken 3438 kg ammoniak produceerde en een ammoniakdepositie veroorzaakte van 1065,78 mol per jaar.
Het standpunt van verweerders dat de met de vergunning van 18 maart 1998 strijdige situatie op basis van artikel 6, tweede en derde lid, van de Interimwet niet kan worden gelegaliseerd, ontbeert daarom een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.”

h.  Naar aanleiding van deze uitspraak is de last onder dwangsom ingetrokken bij besluit van B & W van 3 juni 1999 (eveneens productie 5 bij conclusie van antwoord). Dit besluit bevat onder meer de volgende overwegingen:
“Uit de uitspraak van de Voorzitter moet worden opgemaakt dat hij in de tekst van artikel 6, tweede en derde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij geen aanknopingspunten ziet voor ons standpunt dat u zich, in het kader van de thans bij ons in behandeling zijnde nieuwe vergunningaanvraag, niet meer kan beroepen op dit artikellid. Met deze uitspraak kan onvoldoende staande worden gehouden dat geen vergunning kan worden verleend voor het houden van meer vleeskalveren dan het huidige aantal. (…)
Wij hebben, gelet op de hierboven geschetste situatie en met toepassing van art 6.18 van de Algemene wet bestuursrecht, besloten ons besluit van 29 januari 1999, waarbij u een last onder dwangsom werd opgelegd, in te trekken. (…)
Intrekking van de last onder dwangsom betekent overigens niet dat thans meer dieren op uw bedrijf mogen worden gehouden dan is toegestaan op grond van de op 18 maart 1998 verleende milieuvergunning. Het is namelijk verboden een inrichting te veranderen/uit te breiden zonder dat daartoe een vergunning is verleend. Uitbreiding van de veestapel kan eerst plaatsvinden op het moment dat een positieve beslissing op het in behandeling zijnde verzoek om vergunning van kracht is geworden.”

i.  Op 27 oktober 1999 hebben B & W beslist op de in september 1998 ingediende vergunningaanvraag van [geÔntimeerde] door hem een nieuwe revisievergunning te verlenen, thans voor het houden van ten hoogste 1191 (wit)vleeskalveren van 0 tot 6 maanden en 1005 vleesstierkalveren van 0 tot 6 maanden (rosťvleeskalveren). Dit is geheel conform de aanvraag. De vergunde veestapel komt overeen met 1526 mestvarkenseenheden en een jaaremissie van 5490 kg ammoniak (productie 3 bij conclusie van repliek).


4  De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1  [geÔntimeerde] vordert schadevergoeding van de gemeente omdat hij gedurende ťťn mestronde 670 kalveren minder heeft kunnen huisvesten zodat hij omzet heeft gederfd. Dit is te wijten aan het feit dat de gemeente hem een last onder dwangsom heeft opgelegd teneinde hem te houden aan het aantal kalveren dat was vergund bij besluit van 18 maart 1998. Dat dwangsombesluit was onrechtmatig jegens hem, zodat de gemeente gehouden is de geleden schade te vergoeden, aldus [geÔntimeerde].

4.2  De rechtbank heeft onder verwerping van de verweren van de zijde van de gemeente aangenomen dat de gemeente inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is jegens [geÔntimeerde]. Zij heeft een comparitie van partijen bepaald voor het verkrijgen van inlichtingen betreffende de omvang van de schade.

4.3  De door de gemeente geformuleerde grieven leggen het geschil in volle omvang voor aan het hof, met dien verstande dat het hoger beroep geen betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank dat de vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar is. Van de zijde van [geÔntimeerde] is hiertegen evenmin opgekomen.

De onrechtmatigheid

4.4  Primair stelt de gemeente zich op het standpunt dat de gegeven last onder dwangsom niet onrechtmatig is, nu deze niet bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter is vernietigd. Noch de omstandigheid dat dit besluit later is ingetrokken, noch de omstandigheid dat het besluit is geschorst, brengt onrechtmatigheid van dat besluit mee. Een schorsing is immers slechts een voorlopig oordeel en op grond van art 6:18 Awb staat het een bestuursorgaan vrij om een besluit in te trekken, hangende het bezwaar daartegen.

4.5  Het beoordelingskader voor de beantwoording van de onrechtmatigheidsvraag is als volgt. Vooropgesteld moet worden dat, indien tegen een bestuursbesluit een met voldoende waarborgen omgeven bestuursrechtelijke rechtsgang open staat maar die rechtsgang niet is gevolgd of niet tot het einde is vervolgd, de burgerlijke rechter in beginsel dient uit te gaan van de juistheid en de rechtmatigheid van dat bestuursbesluit. Dat besluit heeft dan formele rechtskracht (vaste rechtspraak).
Een uitzondering op die formele rechtskracht wordt niet aanvaard indien de belanghebbende de bestuursrechtelijke rechtsgang niet heeft vervolgd omdat het resultaat dat hij daarmee wilde bereiken, reeds langs andere weg is bereikt doordat het bestuursorgaan hetzij vrijwillig, hetzij onvrijwillig, alsnog de door de belanghebbende gewenste beslissing heeft genomen (HR 26 februari 1988, NJ 1989, 528: Hot Air/Staat). Het is immers mogelijk de bestuursrechtelijke rechtsgang voort te zetten ondanks inmiddels verkregen gelijk, indien de belanghebbende schadevergoeding nastreeft; hij heeft dan een voldoende procesbelang in de administratieve procedure (Afdeling rechtspraak Raad van State 1 oktober 1993, AB 1994, 180). Een uitzondering op de formele rechtskracht is wel aangewezen indien de burger en het bestuursorgaan het erover eens zijn dat de genomen beschikking onrechtmatig is (HR 26 februari 1988, NJ 1989, 528: Hot Air/Staat; HR 18 juni 1993, NJ 1993, 642: St Oedenrode/Van Aarle).
Indien het bestuursorgaan een gegeven besluit intrekt onder de mededeling dat zulks is geschied omdat dit besluit onjuist is, komt aan dat ingetrokken besluit geen formele rechtskracht toe. De burgerlijke rechter behoort in zodanig geval bij de beoordeling van de schadevergoedingsvordering de onjuistheid van dat besluit tot uitgangspunt te nemen (HR 8 december 1995, NJ 1997, 163: Bedrijfsvereniging Metaal/Heijboer).
Indien een besluit naar aanleiding van het daartegen ingestelde bezwaar wordt ingetrokken of herroepen, komt aan dat ingetrokken of herroepen besluit evenmin formele rechtskracht toe zodat de civiele rechter de vrijheid heeft dat besluit op zijn rechtmatigheid te toetsen. Of dat primaire besluit onrechtmatig is, hangt af van de redenen die hebben geleid tot intrekking of herroeping en van de omstandigheden waaronder dat primaire besluit is tot stand gekomen. Indien dit besluit berustte op een onjuiste uitleg van de wet en derhalve onrechtmatig is, moet deze onrechtmatigheid aan het bestuursorgaan worden toegerekend (HR 20 februari 1998, NJ 1998, 526, AB 1998, 231: Boeder/Staat en HR 17 december 1999, NJ 2000, 88: Gemeente Castricum/Fatels).

4.6  In de onderhavige zaak is tegen het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom bezwaar ingediend en is schorsing van het besluit gevraagd. De schorsing is uitgesproken door de bestuursrechter en op het bezwaar is kennelijk niet meer beslist, nu B & W het besluit ambtshalve hebben ingetrokken en vervangen door een ander besluit, waarbij alsnog aan de wensen van [geÔntimeerde] is tegemoet gekomen.
Aan de gemeente kan worden toegegeven dat de enkele omstandigheid dat het besluit is geschorst, nog niet meebrengt dat het ook onrechtmatig is. Echter, haar stelling dat slechts met de vernietiging van een besluit de onrechtmatigheid is gegeven, moet eveneens van de hand worden gewezen. Dit criterium is te beperkt, gelet op de hiervoor weergegeven jurisprudentie.

4.7  Naar het oordeel van het hof dient in de onderhavige zaak de ambtshalve intrekking van het besluit op gelijke voet te worden behandeld met een intrekking op bezwaar. Dat betekent dat het oorspronkelijke besluit geen formele rechtskracht heeft en dat de burgerlijke rechter bevoegd is de rechtmatigheid daarvan te beoordelen, waarbij ook van belang is hetgeen hierna in rov. 4.14 wordt overwogen. In gelijke zin: J.A.E. van der Does & G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, Mon NBW nr. A26, Kluwer 2001, p. 17-18 alsmede p. 79-80.

4.8  Het bestuursorgaan dat zich gesteld ziet voor de vraag of handhavend moet worden opgetreden tegen een illegale situatie (bijv., zoals hier, de situatie dat wordt gehandeld in afwijking van de verleende vergunning en dus in strijd met de wet) is gehouden daarbij de over en weer betrokken belangen af te wegen. In dat kader dient ook de mogelijkheid van legalisering binnen redelijke termijn in aanmerking te worden genomen, zoals voortvloeit uit vaste rechtspraak van de bestuursrechter. B & W hebben de mogelijkheid van legalisering van de feitelijke, van de vergunning afwijkende situatie bij [geÔntimeerde] onder ogen gezien, doch kwamen tot de conclusie dat de door [geÔntimeerde] verzochte legalisering op de voet van artikel 6, tweede en derde lid, Interimwet ammoniak en veehouderij (Iav), niet mogelijk was; deze bepaling zou in het geheel niet van toepassing zijn omdat de ammoniakrechten die [geÔntimeerde] aan artikel 6 tweede en derde lid Iav zou kunnen ontlenen, verloren waren gegaan door de - in verband met de geurhinder - gedeeltelijke weigering van de vergunning d.d. 18 maart 1998, die onherroepelijk was.

4.9  Deze motivering voor het afwijzende standpunt inzake de mogelijkheid van legalisering is echter door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak afgewezen. In de tekst van artikel 6, tweede en derde lid Iav zag hij geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [geÔntimeerde] zich in verband met de onherroepelijke vergunning van 18 maart 1998 niet meer op die bepaling zou kunnen beroepen.

4.10  Door de gemeente is in deze procedure niet gesteld dat dit voorlopig oordeel van de Voorzitter onjuist is. Er moet daarom vanuit worden gegaan dat het standpunt van de gemeente dat [geÔntimeerde] zich niet kon beroepen op artikel 6, tweede en derde lid Iav om de bestaande situatie te legaliseren, berustte op een onjuiste interpretatie van deze wettelijke bepaling. Dit wordt in feite ook erkend door de gemeente in haar besluit van 3 juni 1999 tot intrekking van de opgelegde last onder dwangsom, waar zij, na een weergave van het hiervoor vermelde standpunt van de Voorzitter, schrijft: “Met deze uitspraak kan onvoldoende staande worden gehouden dat geen vergunning kan worden verleend voor het houden van meer vleeskalveren dan het huidige aantal. (..) Wij hebben, gelet op de hierboven geschetste situatie en met toepassing van artikel 6.18 van de Algemene wet bestuursrecht, besloten ons besluit van 29 januari 1999, waarbij u een last onder dwangsom werd opgelegd, in te trekken.”
Dit wordt eens te meer bevestigd door het feit dat korte tijd later, op 27 oktober 1999, [geÔntimeerde] alsnog een nieuwe vergunning is verleend, conform zijn aanvraag, voor het houden van mťťr kalveren.

4.11  Uit het voorgaande volgt dat de gemeente het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom mede heeft doen steunen op haar oordeel dat legalisering van de bestaande situatie niet mogelijk was en dat dit oordeel was gebaseerd op een onjuiste uitleg van de wet. De conclusie kan dan geen andere zijn dan dat dit besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom onrechtmatig was, mede in aanmerking genomen dat de gemeente niet heeft gesteld dat er ook nog andere, rechtsgeldige redenen waren de bestaande situatie niet te legaliseren of dat het opleggen van de last onder dwangsom om andere redenen noodzakelijk was, ondanks een mogelijkheid tot legalisering. Deze onrechtmatige daad moet de gemeente worden toegerekend.

4.12  De opmerking van de gemeente dat het haar vrijstaat om ingevolge artikel 6:18 Awb haar standpunt te wijzigen en het besluit wegens gewijzigde omstandigheden c.q. andere beleidsinzichten in te trekken (memorie van grieven onder 6), is in haar algemeenheid weliswaar juist (zij het dat deze bevoegdheid niet is gebaseerd op artikel 6:18 Awb, waar dit een algemene bevoegdheid van het bestuursorgaan is en artikel 6:18 Awb alleen bepaalt dat aan het gebruik maken van die bevoegdheid de aanhangigheid van een procedure niet in de weg hoeft te staan), maar de gemeente heeft niet gesteld en in ieder geval niet onderbouwd dat zulks in de onderhavige situatie ook het geval is geweest. De gemeente heeft niet duidelijk gemaakt, indien het intrekken van de last onder dwangsom niet werd ingegeven door het inzicht dat de daaraan ten grondslag gelegde visie op de mogelijkheid van legalisering onjuist was, wat dan wel de beweegreden is geweest van die intrekking.

4.13  Een dergelijke verklaring kan in ieder geval niet zijn gelegen in de omstandigheid dat de uiteindelijk op 27 oktober 1999 verleende vergunning, waarbij de bestaande situatie werd gelegaliseerd, betrekking had op het houden van - deels - andere kalveren, namelijk naast witvleeskalveren ook rosťvleeskalveren, zoals de gemeente stelt in haar memorie van grieven onder 8 (ťťn witvleeskalf vertegenwoordigt 1 mve, ťťn rosťvleeskalf vertegenwoordigt 1/3 mve, zodat met dezelfde hoeveelheid mve’s meer kalveren kunnen worden gehouden).
De aanvraag voor deze vergunning was ingediend in september 1998 dan wel op 1 oktober 1998 (de gegevens zijn tegenstrijdig op dit punt), aangevuld in december 1998 en had betrekking op 1191 witvleeskalveren en 1005 rosťvleeskalveren (zie de vergunning d.d. 27 oktober 1999 onder 5). Dit zijn dezelfde aantallen ťn soorten kalveren ten aanzien waarvan de gemeente eerder had gezegd dat vergunningverlening niet mogelijk was en daarmee ook geen legalisering van de bestaande situatie mogelijk was en dat - dus - handhavend moest worden opgetreden. Zie de brief van 15 januari 1999.
Daaruit volgt dat het gewijzigde standpunt van de gemeente niet is te herleiden tot het feit dat het nu ineens zou gaan om een ander soort kalveren. De legalisering van oktober 1999 heeft betrekking op dezelfde veestapel als de weigering tot legaliseren van januari 1999. Hetgeen de gemeente t.a.p. stelt is dan ook onjuist. Dit volgt in feite ook uit de toelichting op grief III onder 18. Een en ander levert meteen de motivering voor afwijzing van de derde grief op. Voor zover in de toelichting op de vierde grief wordt betoogd dat het illegale handelen van [geÔntimeerde], anders dan de rechtbank oordeelde, niet kon worden gelegaliseerd, faalt dit eveneens.

4.14  [geÔntimeerde] heeft uit het besluit van 3 juni 1999 tot intrekking van de last ook redelijkerwijs kunnen afleiden dat de gemeente de onjuistheid daarvan erkende. In die omstandigheden kan hem niet worden aangerekend de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen deze dwangsomoplegging niet verder te hebben vervolgd door erop aan te dringen dat een beslissing zou worden genomen op het door hem ingediende bezwaarschrift.

4.15  De gemeente heeft dus onrechtmatig gehandeld jegens [geÔntimeerde]. Grief I faalt.

De relativiteit

4.16  Vervolgens vestigt de gemeente de aandacht op de relativiteit van de onrechtmatigheid, die volgens haar zou ontbreken, althans niet zou kunnen leiden tot aansprakelijkheid.

4.17  [geÔntimeerde] vordert schadevergoeding omdat hij als gevolg van de - onrechtmatige - dwangsomoplegging minder kalveren heeft kunnen houden (1526 kalveren) dan hij wilde (namelijk 2196 kalveren). Het verschil van 670 kalveren vormt de schade. De gemeente voert echter aan dat [geÔntimeerde] was gebonden aan de geldende milieuvergunning die maximaal 1526 witvleeskalveren toestond. De omstandigheid dat [geÔntimeerde] mťťr dan het toegestane aantal kalveren kon houden is niet een belang dat de geschonden norm beoogt te beschermen, aldus de gemeente. [geÔntimeerde] daarentegen stelt zich op het standpunt dat de gemeente in afwachting van legalisering van de bestaande situatie bij een juiste belangenafweging het dwangsombesluit achterwege had dienen te laten.

4.18  Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uitgangspunt moet zijn dat de vraag hoeveel kalveren [geÔntimeerde] mocht houden wordt beheerst door de hem verstrekte milieuvergunning; die vergunning vormt het juridisch kader voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten. Overschrijding van dat juridisch kader (handelen in strijd met de vergunning) brengt mee dat de gemeente in beginsel bevoegd is handhavend op te treden teneinde naleving van de vergunning af te dwingen. De bestuursrechter huldigt de laatste jaren het uitgangspunt dat bestuursorganen in beginsel ook gehouden zijn tot daadwerkelijk handhaven van gestelde normen (te meer indien daarom van de zijde van derden is verzocht. Van dat laatste is hier niet gebleken; de gemeente is ambtshalve overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom). Op dit uitgangspunt worden in de bestuursrechtelijke praktijk uitzonderingen aanvaard in die zin dat het bestuur in bepaalde gevallen de mogelijkheid heeft af te zien van het nemen van handhavende maatregelen, zodat de van de vergunning afwijkende situatie in feite wordt gedoogd (zie o.m. de regeringsnota “Gedogen in Nederland”, TK 1996-1997, 25 085, nr 2). Daarvan kan sprake zijn in een aantal gevallen, zoals bijv. in overmachtsituaties of in overgangssituaties. Deze laatste situatie is hier aan de orde. In een dergelijke situatie kan gedogen aanvaardbaar zijn indien de consequenties van handhaven voor betrokkene niet in redelijke verhouding staan tot de belangen die daarmee zijn gediend. Dit doet zich vooral voor indien te verwachten is dat de bestaande illegale situatie binnen afzienbare tijd kan worden gelegaliseerd door wetswijziging of door het verlenen van een toereikende vergunning. In dit soort gevallen is er veelal sprake van investeringen die de burger heeft gedaan en die door het nemen van handhavingsmaatregelen waardeloos zouden worden of juist het omgekeerde: door de handhavingsmaatregel zou de burger investeringen moeten doen die al snel hun waarde zouden verliezen doordat de wettelijke regeling wordt gewijzigd, een toereikende vergunning wordt verleend of het bedrijf naar een andere locatie verhuist. In deze situaties weegt het belang dat is gemoeid met handhaving soms niet op tegen het belang van de desbetreffende burger daarvan - gedurende een beperkte periode - verschoond te blijven. In dat kader spelen overigens ook andere factoren een rol, zoals de belangen van derden of eventuele toezeggingen van het bestuur die een gerechtvaardigde verwachting hebben gewekt, maar in de onderhavige situatie is zulks niet gesteld of gebleken. Wel staat vast dat [geÔntimeerde] ten tijde van het door het gemeente uitvaardigen van het dwangsombesluit een ontvankelijke vergunningsaanvraag had ingediend, die strekte tot legalisering van de door [geÔntimeerde] gewenste, maar nog niet toegestane situatie.

4.19  De schade waarvan [geÔntimeerde] thans vergoeding vordert, betreft gederfde omzet, welke zich in zijn vermogenssituatie vertaalt in gederfde winst. [geÔntimeerde] had circa 2.200 kalveren op stal, waar hij slechts vergunning had voor 1.526 kalveren (Wm-vergunning van 18 maart 1998) en daarvůůr 1.125 kalveren alsmede een aantal varkens (hinderwetvergunning van 15 mei 1984). Volgens zijn stelling had hij reeds vanaf 1991 meer dan 2000 kalveren op stal (conclusie van repliek onder 15). Nu vast staat dat de feitelijke situatie kon worden gelegaliseerd door middel van een nieuwe, toereikende vergunning, had de gemeente die situatie moeten gedogen, aldus [geÔntimeerde], en komt de geleden schade als gevolg van het niet gedogen, voor vergoeding in aanmerking.

4.20  Uit het voorgaande volgt dat de illegale situatie, naar in deze procedure moet worden aangenomen, in aanmerking kwam voor legalisering (hetgeen de facto ook is gebeurd enige maanden na de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak).
Daarvan uitgaande had de gemeente niet mogen overgaan tot het nemen van de onderhavige handhavingsmaatregel. Naar het oordeel van het hof strekt de norm die de gemeente daardoor heeft overtreden in beginsel mede tot bescherming van het geschonden belang van [geÔntimeerde], namelijk het mogen houden van het aantal kalveren dat vergunbaar was, ook al was dat aantal kalveren op dat moment feitelijk niet vergund.

4.21  Opmerking verdient daarbij het volgende. Nu het gedogen wordt gerelateerd aan de mogelijkheid van legalisatie, strekt de bescherming van de belangen van [geÔntimeerde] zich uitsluitend uit tot die situatie die legaliseerbaar was. In concreto gaat het daarbij om de hoeveelheid en soorten kalveren zoals die nadien zijn vergund, dat wil zeggen een gemengde veebezetting van witvleeskalveren en rosťvleeskalveren in een zodanige samenstelling dat de maximaal toegestane geurbelasting van 1526 mestvarkenseenheden niet wordt overschreden, zulks in verband met het - al eerder vermelde - gegeven dat een rosťvleeskalf slechts 1/3 mve vertegenwoordigt. Slechts in zoverre is [geÔntimeerde] getroffen in een rechtmatig belang.

4.22  [geÔntimeerde] heeft kennelijk altijd uitsluitend witvleeskalveren gestald. Eerst bij de aanvraag voor de revisievergunning in september 1998 is het plan opgekomen een deel van de witvleeskalveren te vervangen door rosťvleeskalveren omdat hij dan mťťr kalveren kon stallen dan hem bij de vergunning van 18 maart 1998 was toegestaan. Dit blijkt ook uit de brief van [geÔntimeerde]s adviseur, Adviesbureau Drieklomp, d.d. 15 februari 1999 (productie 1 bij conclusie van repliek), waar wordt gesteld dat [geÔntimeerde] voornemens is het stankprobleem bij de vergunningaanvraag op te lossen door een wijziging in de bedrijfsvoering in die zin dat ongeveer de helft van de kalveren als rosťkalveren zullen worden gehouden.
In zoverre moet worden voorbijgegaan aan de stelling van [geÔntimeerde] dat hij al jaren lang een groter aantal kalveren hield dan was toegestaan en dat de gemeente dat had moeten gedogen. Dit waren kennelijk alle witvleeskalveren en daarop heeft ook de vergunning van 18 maart 1998 kennelijk betrekking, waar wordt gesproken onder nr 5 (“De inrichting waarvoor de vergunning wordt gevraagd”) over “vleeskalveren van 0 tot 6 maand (categorie A 4)” en de aanduiding “A 4” kennelijk ziet juist op witvleeskalveren, zo valt af te leiden uit de brief van de gemeente van 15 januari 1999 en de latere vergunning van 29 oktober 1999.
Blijkens het bij conclusie van repliek als productie 6 overgelegde “Contract Vleeskalverhouderij voor de productie van melkwit kalfsvlees” d.d. 8 april 1998 met Alpuro inzake het stallen van vleeskalveren, had dit contract betrekking op witvleeskalveren, zo leidt het hof af uit het feit dat in dit contract bij voortduring wordt gesproken van “melkwit kalfsvlees”. Het contract voorziet in vier mestronden inzake witvleeskalveren tot circa mei 2000.

4.23  Waar [geÔntimeerde] zich erop beroept dat hij als gevolg van de dwangsomaanzegging minder kalveren heeft kunnen houden dan voorheen, is hij door dat handelen van de gemeente niet getroffen in een rechtmatig belang, voor zover de schade die is gelegen in het niet kunnen stallen van het gewenste aantal kalveren, betrekking heeft op witvleeskalveren boven het vergunde aantal. Die situatie is immers ook nadien niet vergund.

4.24  Voor zover [geÔntimeerde] zich erop heeft willen beroepen dat de gemeente reeds vůůr de aanvraag om een revisievergunning van in september 1998 overschrijding van het aantal van 1526 kalveren gedoogde, moet zulks worden verworpen. Bij het besluit van 18 maart 1998 was een hoger aantal dan 1526 kalveren door de gemeente geweigerd en bij brief van 13 oktober 1998 heeft de gemeente verlangd dat de overschrijding van het aantal kalveren ongedaan zou worden gemaakt. Van gedogen door de gemeente van circa 2.200 kalveren, met welk aantal zij - onbestreden - eerst in 1997 bekend raakte, is dan ook geen sprake.

4.25  Zo bezien, is de schade van [geÔntimeerde] hierin gelegen dat, waar hij niet meer dan 1526 mestvarkenseenheden ‘ter beschikking had’ hij de bedrijfsvoering wilde wijzigen en een deel van de witvleeskalveren wilde vervangen door rosťvleeskalveren, zodat hij per saldo mťťr kalveren kon houden, maar die plannen niet terstond kon verwezenlijken omdat hij de afronding van de vergunningsprocedure diende af te wachten. Dat kan evenwel geen grondslag voor aansprakelijkheid opleveren.

4.26  Slechts indien [geÔntimeerde] op het moment dat hij door het optreden van de gemeente werd genoodzaakt zijn feitelijke veebezetting terug te brengen, een veebezetting had die - achteraf bezien - in aanmerking kwam voor legalisatie (derhalve een gemengde bezetting van witvlees- en rosťvleeskalveren met een totale geurbelasting van 1526 mve), is hij getroffen in een rechtmatig belang. Dat staat evenwel niet vast (de stukken bevatten geen informatie op dit punt), zodat [geÔntimeerde] dit nader dient te bewijzen.

4.27  Alle andere beslissingen worden in afwachting hiervan aangehouden.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

  laat [geÔntimeerde] toe tot bewijslevering als bedoeld in rov. 4.26;

  bepaalt dat, indien hij dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr J.J. Makkink, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

  bepaalt dat partijen in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

  bepaalt dat het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen zullen worden opgegeven op de rolzitting van 11 november 2003, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de verhoren (ook indien voor-melde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

  houdt voor het overige alle beslissingen aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Tjittes en Brussaard en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2003.

LJN: AO3835, College van Beroep voor het bedrijfsleven, AWB 03/165
Datum uitspraak: 21-01-2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Verordening zelfcontrole runderen op het verbod gebruik van bepaalde stoffen
Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven


No.AWB 03/165        21 januari 2004
7810 Verordening zelfcontrole runderen op het
verbod gebruik van bepaalde stoffen



Uitspraak in de zaak van:

Veevoederbedrijf Alpuro B.V., te Uddel, appellante,
gemachtigde: mr. J.S.W. Lucassen, advocaat te Zutphen,
tegen
het Productschap Vee en Vlees, verweerder,
gemachtigde: mr. W.J.L. Verheul, werkzaam bij verweerder.



1.  De procedure
Op 24 januari 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 december 2002.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de in paragraaf 2.2 van deze uitspraak weergegeven mededeling in een brief van 15 juli 2002 van de voorzitter van verweerder.
Appellante heeft bij brief van 24 februari 2003 de gronden van het beroep aan het College doen toekomen.
Verweerder heeft op 23 april 2003 een verweerschrift ingediend.
Op 10 december 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigde nader hebben toegelicht.

2.  De grondslag van het geschil
2.1  De Verordening zelfcontrole runderen op het verbod gebruik van bepaalde stoffen
(PBO-blad 1999, nr. 75; hierna: de Verordening), vastgesteld door het bestuur van verweerder op 14 juli 1999, luidde ten tijde en voorzover hier van belang, als volgt:
" Artikel 4
1. Het is verboden runderen en producten afkomstig van runderen in de handel te brengen.
2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien:
(…)
d. de runderen of producten van runderen afkomstig zijn van een gecertificeerd bedrijf waar gedurende een jaar voorafgaand aan de verhandelingsdatum residuen van verboden stoffen zijn aangetroffen op voorwaarde dat ieder rund drie weken voor de afleveringsdatum aantoonbaar individueel bemonsterd is;
(…)
3. De individuele bemonstering, als bedoeld in het vorige lid onder d. (…) dient aangetoond te worden door middel van een bijgevoegde uitslag van de analyse van de monsters. De monsters dienen genomen te worden door een door de Voorzitter erkende instantie, welke voldoet aan de door het bestuur bij besluit vastgestelde erkenningsvoorwaarden. De Voorzitter kan de erkenning intrekken indien de erkende instantie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. De analyse van de monsters dient te geschieden door een laboratorium dat erkend is bij of krachtens de Diergeneesmiddelenwet.

Artikel 7
De voorzitter kan van de verboden, bedoeld in artikel 2 en 3, in noodgevallen of calamiteiten op aanvraag, ontheffing verlenen en aan een zodanige ontheffing beperkingen en voorschriften verbinden."

2.2  Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Op 12 april 2002 zijn op het bedrijf van maatschap A te X 27 van de 711 kalveren bemonsterd. Het koppel van 711 kalveren was ten tijde van belang eigendom van appellante. Twee van de zevenentwintig monsters bleken de stof b-boldenon te bevatten.
- Bij brief van 11 juli 2002 heeft appellante de voorzitter van verweerder verzocht ontheffing dan wel vrijstelling voor het slachten en via kanalisatie verkopen van het koppel kalveren te verlenen. Hierbij is onder meer opgemerkt dat de AID een aselecte steekproef heeft genomen onder een groot aantal kalveren van het koppel, dat daarbij geen gebruik van verboden middelen is aangetoond en dat de AID het koppel om die reden inmiddels heeft vrijgegeven.
- Bij besluit van 15 juli 2002 heeft de voorzitter van verweerder appellantes verzoek afgewezen, omdat er geen sprake is van een noodgeval of calamiteit als bedoeld in artikel 7 van de Verordening. In dit besluit is tevens het volgende meegedeeld:
" Overigens wil ik u erop wijzen dat bij de uitvoering van individuele bemonstering, alleen monsternames van een daartoe erkende monstername instantie worden geaccepteerd. Aangezien de AID niet in het bezit is van een dergelijke erkenning, voldoen de monsternames van de AID daarmee ook niet aan de vereisten die vanuit de Verordening worden gesteld."

- Tegen deze mededeling heeft appellante bij brief van 16 augustus 2002 bezwaar gemaakt.
- Appellante is op 27 november 2002 over haar bezwaar gehoord.
- Vervolgens is het bestreden besluit genomen.

3.  Het bestreden besluit en het verweerschrift
Bij het bestreden besluit heeft de voorzitter van verweerder inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar overwogen dat naar zijn oordeel de (als voorlichting bedoelde) mededeling dient te worden aangemerkt als een feitelijke handeling ter uitvoering van zijn bestuurstaak, waartegen op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbbo) bezwaar kan worden gemaakt.
Voorts heeft hij geoordeeld dat het bezwaar geen doel treft en hiertoe als volgt overwogen. De eerste volzin van de mededeling vermeldt niet anders dan hetgeen in artikel 4, derde lid, van de Verordening is bepaald. De tweede volzin geeft aan dat de AID niet behoort tot de groep van erkende monstername-instanties. Dat de monsternames van de AID derhalve niet voldoen aan de vereisten die vanuit de Verordening worden gesteld is louter een feitelijke constatering. Gelet op het feit dat de AID in het kader van de Verordening niet als monstername instantie is erkend, moet dan ook worden geoordeeld dat de betreffende mededeling feitelijk juist is.
In het verweerschrift is onder meer aangevoerd dat, anders dan appellante stelt, verweerder noch in het primaire besluit noch in het bestreden besluit heeft gesteld dat kalveren die al zijn bemonsterd door de SKV ten behoeve van de AID, nogmaals moeten worden bemonsterd door de SKV.

4.  Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter zake van de ontvankelijkheid van het bezwaar aangevoerd dat de mededeling een bestuurlijk rechtsoordeel is dat appellabel is. Niet kan worden geoordeeld dat het rechtsoordeel vooruit loopt op een ten aanzien van appellante te verwachten of door haar uit te lokken besluit tot toepassing van de wettelijke regeling, waartegen in rechte kan worden opgekomen zonder dat sprake is van een voor betrokkene onevenredig belastende weg naar de rechter. Het alternatief om duidelijkheid te krijgen over de noodzaak van een dubbele individuele bemonstering zou immers het uitlokken van een strafrechtelijke procedure zijn, desnoods door het OM met toepassing van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering te dwingen tot vervolging over te gaan. Deze weg is stellig onredelijk bezwarend c.q. onevenredig belastend. Voorzover er geen sprake is van een bestuurlijk rechtsoordeel is er in elk geval sprake van een handeling ten aanzien van appellante ter uitvoering van de bestuurstaak van verweerder, welke ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wbbo appellabel is.
Om redenen waarvan hierna zal blijken, zal het College een verdere weergave van het standpunt van appellante hier achterwege laten.

5.  De beoordeling van het geschil
Allereerst dient te worden beoordeeld of verweerder appellante terecht in haar bezwaar heeft ontvangen. Het bezwaar van appellante richtte zich niet tegen de afwijzing van het verzoek om ontheffing dan wel vrijstelling, maar tegen de in paragraaf 2.2 van de uitspraak weergegeven mededeling. In het bijzonder dient derhalve de vraag te worden beantwoord of de beroepen mededeling appellabel is.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de mededeling niet meer behelst dan de feitelijke constatering dat de monsternames van de AID, als niet-erkende instantie, niet voldoen aan de vereisten voor individuele bemonstering die vanuit de Verordening worden gesteld en dat met deze mededeling niet is gesteld dat kalveren die al zijn bemonsterd door de SKV ten behoeve van de AID nogmaals moeten worden bemonsterd. Het College acht dit standpunt betreffende de inhoud van de mededeling juist. De mededeling biedt tekstueel geen grond om aan te nemen dat kalveren die al zijn bemonsterd door de SKV ten behoeve van de AID nogmaals moeten worden bemonsterd. Hiervoor is te minder reden, nu de mededeling een reactie is op het herzieningsverzoek van appellante van 11 juli 2001, waaruit op geen enkele wijze blijkt dat de SKV bij de steekproefneming door de AID betrokken is geweest.
Het College is van oordeel dat de mededeling, aldus opgevat, niet als een besluit in de zin van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Wbbo juncto artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. Dat de monsternames door de AID als niet-erkende instantie niet als individuele bemonstering in de zin van de Verordening kunnen dienen, vloeit immers voort uit artikel 4, derde lid, van de Verordening. De mededeling is dan ook niet op rechtsgevolg gericht.
Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 13 augustus 2002 (gepubliceerd in AB 2003/38), kan het geven van een als zelfstandig en als definitief bedoeld rechtsoordeel omtrent de toepasselijkheid van een wettelijke bepaling in de gegeven situatie ten aanzien waarvan verweerder de bevoegdheid heeft, in zeer bijzondere gevallen worden aangemerkt als het verrichten van een op zichzelf staande publiekrechtelijke rechtshandeling, die bij de naar de materie bevoegde bestuursrechter kan worden aangevochten. Van een dergelijk rechtsoordeel is hier evenwel geen sprake, reeds niet nu (de voorzitter van) verweerder ten aanzien van de handhaving van het in artikel 4, eerste lid, van de Verordening bedoelde verbod geen bevoegdheid heeft.
Het College is ten slotte van oordeel dat de mededeling ook niet als een andere handeling in de zin van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Wbbo kan worden aangemerkt. De voorzitter van verweerder heeft de mededeling, anders dan hij heeft gesteld, niet ter uitvoering van zijn bestuurstaak gedaan. Immers, de voorzitter voornoemd is, gelet op artikel 4, derde lid, van de Verordening, weliswaar bevoegd inzake de erkenning van instanties die de aldaar bedoelde individuele bemonstering dienen te verrichten, maar de voorzitter noch verweerder zelf heeft een uitvoerende bestuurstaak ten aanzien van de handhaving van het in artikel 4, eerste lid, van de Verordening bedoelde verbod.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder appellante ten onrechte in haar bezwaar heeft ontvangen. Het beroep is mitsdien gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Er zijn tevens termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing
Het College:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 december 2002;
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van€ 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);
- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,-- (zegge:
tweehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004.

w.g. C.M. Wolters        w.g. L. van Duuren

 

 

"Voer tot nadenken" Veiligheidsrisico's diervoederketens
Een onderzoek in opdracht van de Tweede Kamer
Research voor Beleid
Q-Point BV
B2767
Leiden, 5 september 2003
2
3
Voorwoord
In opdracht van de Tweede Kamer hebben Research voor Beleid en Q-Point B.V. de structuur
van de diervoederketen in kaart gebracht en geÔnventariseerd welke veiligheidsrisico’s in de keten

optreden. Voorliggend rapport beschrijft de uitkomsten van dit onderzoek.

Het onderzoeksteam bestond uit onderzoekers van Q-Point B.V. (Inge Neessen, Irma SchŲnherr

en Jan Nauta) en van Research voor Beleid (Lilian van der Linden en Jaap Wils). De projectleiding

was in handen van Andrť Oostdijk (Research voor Beleid). Het onderzoeksteam is inhoudelijk

begeleid door een Klankbordgroep bestaande uit de volgende leden van de Vaste commissie

voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit:
∑ J.T. Atsma (voorzitter)
∑ B.J. van der Vlies

∑ G.J. Oplaat
J. Tichelaar

∑ W. van den Brink
∑ G.P.J. Koopmans
∑ A.W.J. Duyvendak
∑ mw. K. van Velzen
Tot aan het zomerreces was het voorzitterschap van de klankbordgroep in handen van Th.A.M.
Meijer. Voor de meer onderzoeksmatige en procedurele ondersteuning tijdens het onderzoek is
een begeleidingscommissie in het leven geroepen met daarin de volgende leden:
∑ S.J. Oostlander (Onderzoeksbureau- en Verificatiebureau van de Tweede Kamer; voorzitter)
G.F.C van Leiden (griffier klankbordgroep)

∑ mw. N. van der Sman
N.T.L. Hogenhuis
Aanvankelijk maakte ook K. van der Bruggen deel uit van de begeleidingscommissie.

Het onderzoeksteam dankt de klankbordgroep en de begeleidingscommissie voor hun bijdrage
aan het onderzoek en hun rol bij de totstandkoming van het rapport.
Andrť Oostdijk Irma SchŲnherr
Research voor Beleid Q-Point B.V.

4

5
Inhoudsopgave
Samenvatting 7

1 Inleiding 13
1.1 Achtergrond: incidenten rond voedselveiligheid 13
1.2 Doelstelling, onderzoeksvragen en -opzet 15
1.3 Leeswijzer 17
2 Diervoeders; samenstelling, herkomst en gebruik 19
2.1 Het product 19
2.2 Herkomst en gebruik 21
2.2.1 Voedermiddelen 21
2.2.2 Mengvoeder 24
2.2.3 Toevoegingsmiddelen (additieven) 26
2.2.4 Premixen 26
2.3 Risicofactoren 27
2.3.1 Voedermiddelen 27
2.3.2 Mengvoeder 28
2.3.3 Bijproducten 30
2.3.4 Toevoegingsmiddelen en premixen 31
2.3.5 Beoordeling van risicofactoren per type diervoeders 32
3 De diervoederketen 33
3.1 Structuur diervoederketen in vogelvlucht 33
3.2 Producenten diervoeder 34
3.3 Handel in diervoeder 35
3.4 Afnemers van diervoeder: de veehouderij 36
3.5 Risicofactoren 39
4 Wet- en regelgeving en de kwaliteitssystemen 41
4.1 Wet- en regelgeving 41
4.2 Handhaving van de wet- en regelgeving 44
4.3 Kwaliteitszorg 47
4.3.1 Gehanteerde kwaliteitszorgsystemen 47
4.3.2 Borging van het systeem 51
4.4 Toekomstige ontwikkelingen regelgeving 53
4.5 Risicofactoren 55
5 Beschouwing en conclusies 57
5.1 Inleiding 57
5.2 Diervoeding: een kwetsbaar product? 57
5.3 Structuur van de keten: een wisselend beeld 59
5.4 Veiligheid diervoeders: een mentaliteitskwestie 61
5.5 Kwaliteitssysteem: in theorie dekkend, in de praktijk niet waterdicht 63
5.6 Rol van de overheid: ‘toezicht op toezicht’ en het voorzorgprincipe 64
5.7 Risicofactoren in onderling perspectief 65
5.8 Rťsumerend: Hoe groot zijn de risico’s? 68
5.9 Mogelijke oplossingsrichtingen 69
6
Bijlage 1 Beschrijving incidenten 75
Bijlage 2 Structuur sector 95
Bijlage 3 Wet- en regelgeving 113
Bijlage 4 Respondentenlijst 117
Bijlage 5 Afkortingen en definities 119
Bijlage 6 Literatuurlijst 121
7
Samenvatting
Aanleiding tot het onderzoek

Naar aanleiding van het incident inzake het met MPA-hormoon besmette diervoeder stelde de

toenmalige Vaste kamercommissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (de huidige Vaste
commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) in september 2002 de werkgroep
Diervoederketen
in. Deze werkgroep kreeg de opdracht te bezien of nader onderzoek naar de MPAaffaire

nodig was. Gezien deze affaire en de eerdere incidenten concludeerde de commissie dat
dit inderdaad gewenst was, teneinde beter inzicht te krijgen in de complexiteit van de diervoederketen
en de risico’s die de verschillende grondstoffen met zich mee brengen. Meer concreet heeft
de Tweede Kamer de volgende vragen geformuleerd.
1. Welke verantwoordelijkheid hebben de grondstofleveranciers, de diervoederproducenten en
de afnemers van diervoeder in de diervoederketen?
2. Welke verantwoordelijkheid heeft de overheid in de diervoederketen?
3. Welke grondstofstromen zijn te onderscheiden?
4. Welke reststromen zijn te onderscheiden?
5. Wie is verantwoordelijk voor de kwaliteitswaarborging van de verschillende grondstoffen?
6. Hoe is de controlesystematiek in de diervoederketen vorm gegeven en hoe is de controle op
reststromen?
7. Op welke wijze wordt de naleving van de regelgeving vorm gegeven en wat is hierbij de rol
van het voorzorgprincipe?
8. Welke knelpunten en voedselveiligheidsrisico’s zijn zichtbaar in de controlesystematiek?
9. Is de huidige controlesystematiek, inclusief het Good Manufacturing Practice (GMP), toereikend?
Research voor Beleid en Q-Point B.V. hebben van de Tweede Kamer opdracht gekregen voor de
uitvoering van een inventariserend onderzoek om deze vragen te beantwoorden. Het onderzoek
is uitgevoerd in de maanden maart – september 2003. Voorliggend rapport beschrijft de uitkomsten
hiervan.
Onderzoeksopzet

Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen hebben we gebruik gemaakt van drie onderzoeksmethoden:

deskresearch, interviews
en workshops. In het kader van de deskresearch hebben
we openbare bronnen als beleidsnota’s, onderzoeksrapporten, wet- en regelgeving,

branchegegevens en statistieken bestudeerd. Een belangrijke insteek daarbij waren de incidenten
met diervoeder die de afgelopen jaren hebben plaats gevonden (MPA, dioxine in broodmeel,
dioxine in citruspulp, nitrofen en dioxine in vetten. Aan deze incidenten hebben we verontreinigingen
met salmonella en mycotoxinen toegevoegd.
In aanvulling op de deskresearch is een dertigtal interviews afgenomen met vertegenwoordigers
uit de diervoederketen. We hebben onder meer gesproken met overheden, productschappen,
brancheorganisaties en een groot aantal bedrijven die actief zijn in de diervoederketen. De onderzoeksresultaten
zijn tenslotte op hoofdlijnen besproken met een groot aantal betrokkenen en
deskundigen uit de praktijk door middel van een viertal workshops. Deze workshops die zich ieder
op een ander thema richtten (namelijk toepassing reststromen, optimalisering van het GMP8
systeem, structuur van de diervoederketen en handhaving) dienden voornamelijk ter toetsing van
de onderzoeksresultaten en uitwerking van mogelijke oplossingsrichtingen.
In deze samenvatting zijn de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek weergegeven. Daarbij
hanteren we de hoofdstukindeling van het hoofdrapport.
Diervoeders: samenstelling, herkomst en gebruik (vragen 3 en 4)

De samenstelling van diervoeders is zeer divers. Zo kan diervoeder bestaan uit een groot aantal

enkelvoudige bestanddelen (inclusief de bijproducten hiervan) als bijvoorbeeld granen, knollen,
wortels en voedergewassen. Vaak worden deze enkelvoudige bestanddelen gemengd en ontstaat
mengvoeder. Hieraan kunnen toevoegingsmiddelen en/of premixen worden toegevoegd om
bijvoorbeeld de ontwikkeling van het dier te bevorderen of bepaalde productkenmerken te realiseren.
Steeds vaker worden bijproducten in het mengvoeder verwerkt. Dit zijn voedermiddelen die
vrijkomen als neven- of bijproduct (reststromen) bij de productie van levensmiddelen. Een voor dit
onderzoek relevant onderscheid is dat tussen reguliere reststromen die standaard vrijkomen of
meer incidentele reststromen. Deze laatste categorie bestaat vooral uit afgekeurde levensmiddelen
als gevolg van bijvoorbeeld misproducties, foute etikettering en dergelijke.
De kosten van voedermiddelen vormen een grote component van de totale kosten voor zowel de
diervoederproducent als de veehouder. Ter illustratie: de voederkosten bedragen gemiddeld circa
40 ŗ 50% van de totale kosten voor de veehouder. Voor de diervoederproducenten bedragen de
kosten van de voedermiddelen 80 ŗ 90% van het totaal. Het belangrijkste aandachtspunt bij de
productie van diervoeders is daarom het minimaliseren van de kosten en het optimaliseren van
de voerconversie. Door het variŽren met voedermiddelen en additieven ontstaan complexe
mengsels waarmee men tracht het energiegehalte van het voer te optimaliseren en de mestproductie
te beÔnvloeden. Hiermee is overigens niet gezegd dat voedselveiligheid geen rol speelt bij
de productie van diervoeders. Wel ligt de nadruk op de productie en wordt er door veel bedrijven
voortdurend gezocht naar mogelijkheden (nieuwe voedermiddelen, mengsels en/of toevoegingen)
om deze te optimaliseren.
De risicofactoren van mengvoeder zitten vooral in de origine van grondstoffen. De in Nederland
verwerkte voedermiddelen zijn afkomstig van over de hele wereld. Circa 25% komt uit Nederland
zelf, 25% uit een andere lidstaat van de EU en 50% van buiten de EU. De herkomst en de productieomstandigheden
zijn vaak moeilijk te herleiden door de vele tussenschakels. Omdat mengvoeder
uit veel componenten bestaat, is voor een groot aantal voedermiddelen kennis nodig over
de mogelijke risico’s. Verder kan een afwijkende of verontreinigde component grote hoeveelheden
diervoeders negatief beÔnvloeden, waardoor er een olievlekwerking kan optreden. Wel is het
zo dat verontreinigingen in mengvoer vaak weggemengd worden waardoor de gevaren voor de
voedselveiligheid gereduceerd worden.
Van bijproducten is de herkomst meestal bekend. Men weet onder welke omstandigheden deze
producten tot stand zijn gekomen (meestal via industriŽle verwerking). Incidentele bijproducten
zoals bederfelijke waar (bijvoorbeeld misproducties of overdatumproducten uit supermarkten) leveren
meer potentiŽle risico’s op. Er is weinig over bekend en er is vaak geen risicoanalyse uitgevoerd.
Het onderscheid tussen afvalstroom of reststroom is moeilijk te maken.
9
Diervoederketen (vragen 1 en 5)

Voor dit onderzoek hebben we de diervoederketen onderverdeeld in drie schakels: de toeleveranciers,

de diervoederproducenten en de veehouderijen. Voor wat betreft de veehouderijen hebben
we ons beperkt tot de kalversector, melkveesector, pluimveesector en de varkenssector.
Diervoederproducenten

Bedrijven actief op het gebied van productie van diervoeder zijn relatief eenvoudig in kaart te

brengen. In totaal functioneren er in de branche circa 200 bedrijven waarvan tien zeer grote (deze
nemen 90% van de productie voor rekening) en een groot aantal kleine bedrijven. Daar waar veel
- zowel grote als kleine bedrijven – zich kenmerken door een hoge mate van professionaliteit is
dit niet in de gehele branche het geval. De kennis en kunde bij diervoederbedrijven wisselt. De
technisch complexe wet- en regelgeving en kwaliteitssystemen zijn voor sommige bedrijven lastig
te doorgronden. Het ontbreekt sommige bedrijven bovendien aan de kennis en middelen om
(zelf) risicoanalyses uit te kunnen voeren. Voor een deel wordt dit probleem ondervangen doordat
deze ondernemers vaak wel op een jarenlange ervaring kunnen bouwen en hierdoor inzicht hebben
in de potentiŽle gevaren.
Veehouders

De diverse primaire sectoren zijn minder eenvoudig in kaart te brengen. Aan de zijde van de afnemers

is enerzijds overwegend sprake van een aantal zeer grote integraties in de kalveren- en
pluimveesector, anderzijds zijn in met name de varkens- en melkveesector zeer veel veehouders
actief. Veehouders zijn voor wat betreft de kennis van wet- en regelgeving op het gebied van
diervoeder sterk afhankelijk van de diervoederleverancier waarmee ze vaak een zeer lange relatie
hebben. Gezien de complexe samenstelling van het voeder is het voor de meeste veehouders
ondoenlijk inzicht te krijgen in hetgeen men aan het vee vervoedert. Ook de etikettering biedt
weinig houvast. In feite is de enige eis die doorgaans aan het voer wordt gesteld dat de leverancier
over een GMP-erkenning beschikt. Men vaart derhalve dikwijls blind op de leverancier die
niet alleen het voer levert maar ook uitgebreide voorlichting verstrekt aan de veehouder over
hoeveelheden, inmengen en dergelijke.
De veehouders zijn vaak ook sterk afhankelijk van de voederleveranciers doordat partijen voer
worden voorgefinancierd. Verder valt op dat men niet veel verder kijkt dan de eigen schakel. De
productie van vlees, melk of eieren dient zo hoog mogelijk te zijn, wat er daarna mee gebeurt interesseert
de veehouders minder. Een gedeeld verantwoordelijkheidsgevoel door de gehele keten
lijkt te ontbreken.
Toeleveranciers

Door de zeer levendige internationale handel in grondstoffen (met name veel tussenhandelaren)

en de vele mengpunten is het lastig goed zicht te houden op de herkomst ervan. In dit verband
wordt ook wel gesproken van een ‘spaghettistructuur’. Met name grondstoffen van buiten Europa
zijn lastig te beheersen. Als gevolg hiervan is er niet altijd voldoende inzicht in de wijze van teelt
van de voedermiddelen, de opslag en het transport ervan en daarmee samenhangende risico’s
zoals bijvoorbeeld het gebruik van bestrijdingsmiddelen, aanwezigheid van dioxinen, het ontstaan
van mycotoxinen en dergelijke. Overigens dient binnenkort met behulp van een begeleidend document
te worden aangetoond wat de herkomst van leveringen voedermiddelen is en welke bewerkingen
het heeft ondergaan. In hoeverre dit het inzicht in de voorschakels vergroot, moet nog
blijken.
10
Regelgeving en kwaliteitssystemen (vragen 1, 2, 5 tot en met 9)

De wet- en regelgeving op het gebied van diervoeders is voornamelijk Europees. Door het Productschap

Diervoeder (PDV) zijn de Europese richtlijnen omgezet in Nederlandse verordeningen.
In de diervoedersector werkt men sinds 1992 met de regeling Good Manufacturing Practice
(GMP). De GMP-regeling is toegespitst op bedrijven die diervoeder produceren, maar ook van

toepassing op het transport, opslag en handel van diervoeder en voedermiddelen. In 1999 is de
HACCP-systematiek geÔntegreerd in de GMP-regeling. De hieruit ontstane GMP+-regeling is een
vertaling van de wettelijke voorschriften met bovenwettelijke elementen. Bedrijven met een
GMP+-erkenning voldoen derhalve aan de wet- en regelgeving. Deelname is vrijwillig.
Op papier is het GMP-systeem sluitend. Zo is de GMP-systematiek goed ingepast in andere kwaliteitssystemen
(IKB en KKM bepalen dat alleen van GMP-gecertificeerde leveranciers mag worden
afgenomen). Ook is een uitgebreide organisatie voor de borging van het systeem in het leven
geroepen. In de praktijk echter blijkt het systeem niet geheel waterdicht. Verschillende constateringen
liggen hieraan ten grondslag. Zo is weliswaar het grootste deel van markt gecertificeerd,
zo’n vijf procent van de bedrijven opereert nog steeds buiten het systeem om. Verder wordt het
systeem door veel bedrijven als zeer complex ervaren en is de kwaliteit van de gevaren- en risicoanalyses
van de grondstoffen wisselend en kan de borging van het systeem op onderdelen
verder worden gemaximaliseerd. Deze opmerkingen laten overigens onverlet dat het GMPsysteem
overwegend als (zeer) goed wordt beoordeeld en nog steeds in ontwikkeling is.
Het systeem is zo sterk als de zwakste schakel. Zoals eerder opgemerkt staat de diervoederketen
onder druk waardoor sommige bedrijven bewust dan wel onbewust de marges zoeken. Wellicht
is dit een reden dat diervoederbedrijven maar ook zelfmengende veehouders soms zaken
doen met niet GMP-erkende bedrijven. De mogelijke gevolgen van de incidenten worden versterkt
doordat het systeem onbedoeld een bepaalde ‘luiheid’ in de hand werkt. Een deel van de
markt vertrouwt doorgaans volledig op het GMP-certificaat en kijkt in het beste geval niet verder
dan ťťn schakel terug. Wanneer een voedermiddel of diervoeder geleverd wordt door een bedrijf
met een GMP-erkenning gaat men er zonder meer vanuit dat alles in orde is.
Toezicht

Voor wat betreft het toezicht dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het toezicht op de

naleving van de PDV-verordeningen en het toezicht op gebieden waar de rijksoverheid regels
heeft gesteld (import van diervoeders en dierlijke eiwitten). Toezicht op de regels van de rijksoverheid
is een taak van de VWA en de AID. Bij het toezicht op de verordeningen vertrouwt het
PDV – en in het verlengde daarvan de overheid (het gaat immers om taken in medebewind) –
sterk op de markt en daarmee op het GMP-systeem. De pakkans en de sancties bij overtredingen
van zowel de ‘rijksregels’ als het GMP-systeem worden als laag gekwalificeerd. De uiterste consequentie
bij overtredingen van het GMP-systeem – intrekken van het certificaat – wordt zelden
toegepast.
Aangetekend moet wel worden dat het toezicht op het GMP-systeem per 1 juli 2003 anders georganiseerd
is hetgeen de kwaliteit ervan ten goede moet komen. De toekomst zal dit leren. Ook
wijzigt het wettelijke regime met de inwerkingtreding van de Kaderwet diervoeders. Een grotere
rol van de overheid in de handhaving ligt dan voor de hand en is ook gewenst.
11
Risico’s in de diervoederketen; Hoe groot zijn ze?

Het rapport sluit af met de beschrijving van een groot aantal risicofactoren die zijn te herleiden tot

de complexiteit van het product diervoeder, de intransparantie van de markt, de economische situatie
in de gehele dierlijke sector en de borging van wetten en kwaliteitssystemen.
Als gevolg van deze factoren kunnen
zich incidenten in de diervoederketen voordoen, dit hoeft
echter niet per definitie zo te zijn. Behalve dat op voorhand niet kan worden bepaald of een risicofactor
leidt tot een incident is het ook niet mogelijk een goede inschatting te maken van de omvang
van de risico’s, laat staan te komen tot een kwantificering. Een ranking of kwantificering is in
onze optiek niet aan te brengen omdat de gevolgen voor de voedselveiligheid niet zozeer volgen
uit de risicofactoren maar vooral bepaald worden door het type verontreiniging en de concentraties
daarvan. Harde wetenschappelijke gegevens over de relatie tussen dergelijke verontreinigingen
en de gevolgen voor de voedselveiligheid zijn overigens mondjesmaat aanwezig. Met andere
woorden: een vermeende kleine risicofactor kan morgen zeer grote gevolgen hebben, terwijl bij
een grote risicofactor jarenlang geen problemen hoeven op treden. Tot slot leert de bestudering
van de incidenten dat deze zelden naar ťťn achterliggende factor te herleiden zijn, maar vooral
het gevolg zijn van een complex aan in elkaar grijpende risicofactoren. Wel zijn wij van mening
dat de professionaliteit en de mentaliteit van de diervoederketen de meest zwaarwegende risicofactoren
zijn.
Los van de moeilijkheid de risico’s kwantitatief te duiden zijn wij van mening dat de voedselveiligheid
niet direct onder druk staat. Verschillende uitkomsten van het onderzoek ondersteunen deze
conclusie. Zo worden met behulp van het als positief beoordeelde GMP-systeem veel risico’s ondervangen
en is de afgelopen jaren zeker sprake geweest van een professionaliseringsslag. Dat
het systeem op onderdelen beter geborgd kan worden, doet hier niets aan af.
Tenslotte functioneert aan het einde van de productieketens nog een waarborg, de slachterijen
en zuivelproducenten. Deze bedrijven analyseren het vlees en de melk op een aantal ongewenste
(residuen van) stoffen en zijn daardoor in staat eventuele verontreinigingen te detecteren en de
producten vervolgens uit de handel te nemen.
Wij zijn gezien het voorgaande van mening dat de voedselveiligheid in behoorlijke mate geborgd
is en niet zonder meer onder druk staat. Dit neemt niet weg dat er in de diervoederketen sprake is
van een aantal risicofactoren. Deze factoren bieden aangrijpingspunten om de voedselveiligheid
(nog) beter te borgen. Het rapport sluit af met een serie aanbevelingen aan de hand waarvan deze
aangrijpingspunten concreet kunnen worden uitgewerkt. De volgende aanbevelingen – die
overigens niet in alle gevallen op de gehele branche van toepassing zijn – hebben we geformuleerd:
intensiveer de handhaving

∑ vergroot de professionaliteit van de diervoederbranche
∑ verbeter de mentaliteit van de diervoederbranche
∑ versterk de borging van het GMP-systeem
∑ beperk de gevolgen van incidenten
∑ overweeg een ander regime voor de toepassing van incidentele reststromen
∑ bezie nogmaals de ‘voors en tegens’ van een positieve lijst.
In hoofdstuk 5 werken we deze aanbevelingen concreet uit.
12
13
1 Inleiding
1.1 Achtergrond: incidenten rond voedselveiligheid

Nederland is de laatste tien jaar meerdere malen opgeschrikt door crises en incidenten in zowel

de primaire (agrarische) als de secundaire (industriŽle) schakel van de voedselproductieketen1.
Recent werd de pluimveesector geconfronteerd met een uitbraak van vogelpest (Aviare Influenza).
Eerder deden zich onder meer de volgende crises en incidenten voor2.
∑ Dioxine in (grondstoffen voor) diervoeder: dioxine in broodmeel (begin 2003) en in Braziliaanse
citruspulp (1998).
∑ MPA-hormoon in diervoeder (juni 2002).
∑ Nitrofen in graan (mei 2002).
∑ Uitbraak van MKZ (maart 2001).
∑ Dioxine in kip- en eierproducten in BelgiŽ als gevolg van verontreiniging van voor de diervoeder
gebruikte vetten (mei 1999)
∑ Uitbraak van BSE als gevolg van verontreiniging van rundveevoeder met diermeel (maart 1997).
De oorsprong van deze crises en incidenten verschilt sterk. De vogelpest en de MKZ zijn het gevolg
van virale besmetting die op verschillende wijzen kan worden overgebracht. Zo vermoedt
men dat de vogelpest is overgebracht door eenden of ganzen. De BSE-, dioxine-, hormoon en
nitrofenaffaires zijn een direct gevolg van menselijk handelen, namelijk van de wijze waarop diervoeders
worden bereid. Ook verontreiniging met salmonella kan haar oorsprong vinden in de
veevoederproductie. Dit geldt ook voor virale besmettingen. Zo wordt een uitbraak van de Afrikaanse
varkenspest in 1986 toegeschreven aan in varkensvoer verwerkte ‘swill’ (resten van menselijk
voedsel) die onvoldoende verhit was. Naar aanleiding hiervan is het gebruik van swill in
veevoeders verboden.
Voedselaffaires leiden tot maatschappelijke onrust omdat ze mogelijk consequenties hebben voor
de voedselveiligheid en de volksgezondheid doordat verontreinigingen kunnen worden opgenomen
in dierlijke producten en daarmee in levensmiddelen. Overigens is niet bij iedere affaire de
voedselveiligheid even sterk in het geding. Van virusziekten als de vogelpest en MKZ gaat geen
reŽle dreiging uit voor de voedselveiligheid. Consumenten zullen dit onderscheid echter niet altijd
(kunnen) maken waardoor ook affaires die op zich geen bedreiging vormen voor de voedselveiligheid
kunnen bijdragen aan een afnemend consumentenvertrouwen.
Affaires in de voedselproductieketen hebben niet alleen risico’s voor de voedselveiligheid, maar
ook economische consequenties voor de agrarische sector. Daarnaast hebben ze ingrijpende
emotionele gevolgen voor de getroffen ondernemers en hun gezinnen en zorgt de ‘permanente
dreiging’ van weer een crisis voor onzekerheid.
______________
1 In het kader van dit onderzoek beperken we ons tot incidenten in de agrarische schakel (inclusief de toeleverende
industrie) van de voedselproductieketen.
2 Zie bijlage 1 voor een uitgebreidere beschrijving van de genoemde crises en incidenten.
14
Uit een in 1999 - ten tijde van de bovengenoemde ‘Belgische’ dioxineaffaire - door Research voor Beleid/
SWOKA uitgevoerd onderzoek blijkt dat een groot deel van de consumenten (in geval van genoemde
dioxinecrisis ruim 50%) op een incident reageert door extra alert te zijn bij de aankoop van ‘verdachte’ producten
of de consumptie daarvan tijdelijk te staken. Op termijn echter herstelt het vertrouwen zich weer.1
Men kan zich echter voorstellen dat de stapeling van de ene op de andere affaire, hoe verschillend ook qua
karakter en in termen van risico’s voor de volksgezondheid, het vertrouwen van consumenten in de voedselveiligheid
meer permanent onder druk zet. Ook het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel wijst erop dat
consumenten weliswaar snel over individuele affaires heenstappen, maar ze zich wel blijven herinneren. Het
bureau pleit dan ook voor snelle afname van het aantal incidenten.2
Uit bovenstaande blijkt dat de productie van diervoeders een belangrijke risicofactor is voor de
voedselveiligheid. Het onder controle krijgen van de diervoederketen vormt dan ook een belangrijk
aangrijpingspunt voor het voorkomen van voedselaffaires en het herstel van consumentenvertrouwen.
In het Beleidsbesluit Diervoeder, grondstof voor vertrouwen van januari 2000 formuleert
het kabinet een aantal maatregelen hiervoor. Ook de bij de Eerste Kamer aanhangige Kaderwet
diervoeders
dient hieraan bij te dragen.
Werkgroep Diervoederketen

Naar aanleiding van de besmetting met het MPA-hormoon stelde de toenmalige Vaste commissie

voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (de huidige Vaste commissie voor Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit
in september 2002 de werkgroep Diervoederketen in. Deze werkgroep kreeg
de opdracht te bezien of nader onderzoek naar de MPA-affaire nodig was. Gezien deze affaire en
de eerdere incidenten concludeerde de Commissie dat beter inzicht in de complexiteit van de
diervoederketen en de risico’s die de verschillende grondstoffen met zich mee brengen, gewenst
is en derhalve nader onderzoek gedaan moest worden. Meer concreet heeft de Tweede Kamer
de volgende vragen geformuleerd.
1. Welke verantwoordelijkheid hebben de grondstofleveranciers, de diervoederproducenten en
de afnemers van diervoeder in de diervoederketen?
2. Welke verantwoordelijkheid heeft de overheid in de diervoederketen?
3. Welke grondstofstromen zijn te onderscheiden?
4. Welke reststromen zijn te onderscheiden?
5. Wie is verantwoordelijk voor de kwaliteitswaarborging van de verschillende grondstoffen?
6. Hoe is de controlesystematiek in de diervoederketen vorm gegeven en hoe is de controle op
reststromen?
7. Op welke wijze wordt de naleving van de regelgeving vorm gegeven en wat is hierbij de rol
van het voorzorgprincipe?
8. Welke knelpunten en voedselveiligheidsrisico’s zijn zichtbaar in de controlesystematiek?
9. Is de huidige controlesystematiek, inclusief het Good Manufacturing Practice (GMP), toereikend?
Research voor Beleid en Q-Point B.V. hebben van de Tweede Kamer opdracht gekregen voor de
uitvoering van een inventariserend onderzoek om deze vragen te beantwoorden. Voorliggend
rapport beschrijft de uitkomsten hiervan.
______________
1 Voedingsmonitor 4e meting, 1999.
2 Agrarisch Dagblad, 20 november 2002.
15
1.2 Doelstelling, onderzoeksvragen en -opzet

Doelstelling en onderzoeksvragen

De doelstelling van het onderzoek naar de veiligheidsrisico’s in de diervoederketen luidde als

volgt1:
“Het verschaffen van inzicht in de complexiteit van de diervoederketen, de risico’s die
de verschillende grondstofstromen met zich mee brengen en het functioneren van de
controlesystematiek.”

Deze doelstelling is uiteengelegd in de volgende hoofdvragen:

1. Wat is de structuur van de diervoederketen?
2. Welke grondstof- en met name reststromen zijn te onderscheiden?
3. In hoeverre is de controlesystematiek toereikend, met het oog op het waarborgen van de
voedselveiligheid?
Op basis van deze hoofdvragen zijn concrete onderzoeksvragen geformuleerd. Deze vragen zijn
gestructureerd aan de hand van vier thema's: diervoederketens, kwaliteitssysteem, wet -en regelgeving,
risico's en oplossingsrichtingen.
Diervoederketens

1. Welke diervoederketens zijn te onderscheiden?

2. Wat is de marktordening binnen de verschillende ketens (integraties, coŲperaties, zelfstandige
bedrijven, etc). Wat is de rol van de verschillende actoren (grondstofleveranciers, producenten,
afnemers) in de keten vanuit het perspectief van de diervoederproblematiek? Hoe
zijn de verschillende actoren binnen de keten vanuit dit perspectief met elkaar verbonden?
3. Welke hoofd- en restgrondstofstromen zijn in de ketens te onderscheiden? Op welke wijze
worden deze omgezet in diervoeders?
4. Welke risico’s voor de voedselveiligheid vloeien voort uit de bovengenoemde ketenkenmerken?
Kwaliteitssystemen

1. Welke kwaliteitssystemen worden binnen de ketens gehanteerd? Op welke risico’s in de keten

grijpen ze aan?
2. Wie is verantwoordelijk voor de kwaliteitsborging?
3. Wat is de dekking (in termen van schakels en deelnemende bedrijven) van de systemen?
4. Wat is het draagvlak voor en de naleefbaarheid van de systemen?
5. Welke relatie is er tussen de kwaliteitssystemen en de wet- en regelgeving?
6. Op welke wijze worden de kwaliteitssystemen gecontroleerd? In hoeverre worden de systemen
daadwerkelijk nageleefd?
7. In hoeverre dekken de kwaliteitssystemen de risico’s in de ketens af?
______________
1 Een veiligheidsrisico is daarbij gedefinieerd als een achterliggende oorzaak waardoor een verontreiniging in de
diervoederketen wordt gebracht met mogelijke gevolgen voor mens, dier en/of milieu. De veiligheidsrisico’s hebben
betrekking op overtredingen van de wet- en regelgeving en in het verlengde daarvan een mogelijk effect op de
voedselveiligheid.
16
Wet- en regelgeving

1. Welke wet- en regelgeving is relevant? Wat wordt precies gereguleerd? Op welke risico’s in

de keten grijpen wetten en regels aan?
2. Welke overheidsinstanties zijn verantwoordelijk voor de wet- en regelgeving en de handhaving
daarvan?
3. Wat is het draagvlak voor en de naleefbaarheid van de wet- en regelgeving?
4. Welke relatie is er tussen de wet- en regelgeving en de door het bedrijfsleven zelf in het leven
geroepen kwaliteitssystemen?
5. Op welke wijze wordt de wet- en regelgeving gehandhaafd? In hoeverre worden de wet- en
regelgeving daadwerkelijk nageleefd?
6. In hoeverre dekken wet- en regelgeving en de handhaving daarvan de risico’s in de ketens af?
Risico’s en oplossingsrichtingen

1. In welke risico’s voor de voedselveiligheid resulteren de antwoorden op bovenstaande vragen?

2. Hoe kunnen deze risico’s worden verklaard?
3. Op welke wijze kunnen deze risico’s worden ondervangen?
Onderzoeksopzet

Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen hebben we gebruik gemaakt van drie onderzoeksmethoden:

deskresearch, interviews
en workshops. In het kader van de deskresearch hebben
we openbare bronnen als beleidsnota’s, onderzoeksrapporten, wet- en regelgeving,
branchegegevens en statistieken. Een belangrijke insteek daarbij waren de incidenten met diervoeder
die de afgelopen jaren hebben plaats gevonden1:
∑ MPA
∑ Dioxine in broodmeel
∑ Dioxine in citruspulp
∑ Nitrofen
∑ Dioxine in kippen en eieren
Aan deze incidenten hebben we besmettingen met salmonella en mycotoxinen toegevoegd.
In aanvulling op de deskresearch is een dertigtal interviews afgenomen met vertegenwoordigers
uit de diervoederketen. We hebben onder meer gesproken met overheden, productschappen,
brancheorganisaties en een groot aantal bedrijven. De interviews hadden een drieledige functie.
In de eerste plaats waren ze bedoeld om witte vlekken en onduidelijkheden die na de deskresearch
nog bestonden te vullen respectievelijk te verhelderen en de uitkomsten van de deskresearch
te verifiŽren. In de tweede plaats dienden ze de resultaten van de deskresearch te
verdiepen. In de derde plaats tenslotte was het de bedoeling om praktijkvoorbeelden te genereren.
De keuze voor de te interviewen instanties en bedrijven is bepaald in overleg met de begeleidingscommissie
en de klankbordgroep2.
De onderzoeksresultaten zijn tenslotte op hoofdlijnen besproken met een groot aantal betrokkenen
en deskundigen uit de praktijk door middel van een viertal workshops. Deze workshops die
ieder op een ander thema gericht waren (namelijk toepassing reststromen, GMP-systeem, structuur
van de diervoederketen en handhaving) dienden voornamelijk ter toetsing van de onderzoeksresultaten
en uitwerking van de mogelijke oplossingsrichtingen.
______________
1 In bijlage 1 is een uitgebreide beschrijving van de incidenten opgenomen.
2 Een lijst van geÔnterviewde personen is opgenomen in bijlage 4.
17
1.3 Leeswijzer

Een uitgebreide beschrijving van de samenstelling van het ‘product diervoeder’, de wijze van productie,

de gebruikte voedermiddelen en dergelijke is onderwerp van hoofdstuk 2. In dit hoofdstuk
worden derhalve de vragen 3 en 4 van de werkgroep Diervoederketen beantwoord.
Hoofdstuk 3 behandelt de structuur van de diervoederketen en geeft een eerste antwoord op de
eerste en de vijfde vraag van de werkgroep. In het hoofdstuk is een onderscheid aangebracht in
diervoederproducenten en de belangrijkste voedselproductieketens (rundvee, kalveren, pluimvee
en varkens). Per keten besteden we onder meer aandacht aan de soorten diervoeder, kenmerken
van de bedrijven in de schakels (aantallen, grootte) en de marktordening / organisatiestructuur
(integraties en coŲperaties).
Hoofdstuk 4 geeft een overzicht op hoofdlijnen van de relevante Europese en nationale wet- en
regelgeving en de door het bedrijfsleven zelf ontwikkelde kwaliteitszorgsystemen. Verder beschrijven
we in dit hoofdstuk de handhaving van de wet- en regelgeving en gaan we in op de wijze
waarop de regels en kwaliteitssystemen worden gehandhaafd. Ook de toekomstige
ontwikkelingen op het gebied van wet- en regelgeving komen aan de orde. Dit betekent dat in dit
hoofdstuk de vragen 1, 2 en 5 tot en met 9 van de werkgroep aan de orde komen.
Het rapport sluit af met een beschouwing van de belangrijkste risicofactoren en een aantal conclusies
en aanbevelingen (hoofdstuk 5). In dit hoofdstuk komen de verschillende lijnen uit het onderzoek
samen.
In het rapport is een aantal bijlagen opgenomen. Bijlage 1 geeft een overzicht van onder meer het
ontstaan en de gevolgen van de recente incidenten met betrekking tot diervoeders. Bijlage 2 gaat
in op de diverse dierlijke sectoren. In bijlage 3 wordt de wet- en regelgeving meer in detail besproken.
Bijlage 4 geeft een overzicht van de geÔnterviewde personen en de deelnemers aan de
workshops, bijlage 5 van de gebruikte afkortingen en definities en bijlage 6 tenslotte van de gebruikte
literatuur.
18
19
2 Diervoeders; samenstelling, herkomst en gebruik
Om een goed beeld te kunnen krijgen van diervoeding, geven we in dit hoofdstuk een definitie

ervan en gaan we in op de samenstelling en gebruik. De definitie komt aan de orde in paragraaf
2.1. In paragraaf 2.2 wordt het gebruik van diervoeder weergegeven, waarna in 2.3 de risicofactoren
(met name de aanwezigheid van ongewenste stoffen) die samenhangen met de producten
aan de orde komen. In dit rapport wordt alleen ingegaan op diervoeder ten behoeve van de landbouwhuisdieren.
2.1 Het product

Soorten diervoeder

Diervoeder kan bestaan uit vele grondstoffen. Een uitputtende lijst van ingrediŽnten is daardoor

niet te geven, ook al omdat steeds weer nieuwe grondstoffen worden ingezet. Wel is het mogelijk
de belangrijkste typen diervoeder met de belangrijkste grondstoffen te benoemen. De definitie
van diervoeder, zoals deze ook in de Kaderwet diervoeders wordt gebruikt, is in het onderstaand
kader weergegeven.
Diervoeder

Diervoeders zijn producten van plantaardige of dierlijke oorsprong in natuurlijke staat, vers of verduurzaamd,

afgeleide producten van de industriŽle verwerking van deze producten, alsmede organische of
anorganische stoffen, al dan niet gemengd, met of zonder toevoegingsmiddelen en bestemd voor dierlijke
voeding langs orale weg. Diervoeder bestaat over het algemeen uit een mengsel van meerdere
grondstoffen. Deze worden veelal in mengvoederbedrijven of door veehouders zelf gemengd tot het
uiteindelijke voedingsmiddel.
De diervoederwetgeving hanteert de volgende onderverdeling.
1. Voedermiddelen: grondstoffen voor het diervoeder1. Hierbij gaat het om enkelvoudige bestanddelen,
inclusief bijproducten van deze bestanddelen. De grondstoffen voor diervoeder
zijn divers. Belangrijke voedermiddelen zijn2:
∑ Granen en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Voorbeelden zijn haver, gerst,
rogge, tarwe, maÔs en rijst.
∑ Oliehoudende zaden, oliehoudende vruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten.
Voorbeelden hiervan zijn grondnoot, raapzaad, kokos, palmpit, sojabonen en
zonnebloem.
∑ Zaden van peulvruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Tot deze groep
behoren erwten, linzen, lupine en bonen.
∑ Knollen en wortels en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Voorbeelden hiervan
zijn suikerbieten, tapioca en aardappelen.
∑ Overige zaden en peulvruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Voorbeelden
hiervan zijn johannisbroodpitmeel en citruspulp.
______________
1 De benaming “grondstoffen” wordt in de diervoederwetgeving niet meer gehanteerd, er wordt uitsluitend gesproken
over “voedermiddelen”.
2 Deze classificatie komt overeen met de “niet-exclusieve lijst van de belangrijkste voedermiddelen” uit de diervoederwetgeving
in Nederland deel 1 (verordening PDV Diervoeders 1998). In deze lijst is per groep voedermiddelen te
vinden om welke voedermiddelen het gaat.
20
∑ Voedergewassen en ruwvoedergewassen, zoals luzerne, gras, stro en klaver.
∑ Overige planten en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Voorbeelden hiervan
zijn rietsuiker en zeewier.
∑ Melkproducten.
∑ Producten van landdieren. Hieronder valt diermeel en dierlijk vet.
∑ Vis en andere zeedieren en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Voorbeelden
hiervan zijn vismeel en visolie.
∑ Mineralen.
∑ Diversen. Hieronder vallen bijproducten uit de levensmiddelenindustrie en vetzuren.
2. Mengvoeder: voor dierlijke consumptie geschikt voeder dat bestaat uit minimaal twee voedermiddelen
en eventueel toevoegingsmiddelen.
3. Toevoegingsmiddelen: stoffen of preparaten, die worden gemengd met de oorspronkelijke
voedermiddelen. Dit zijn gecontroleerde stoffen die worden toegevoegd om de ontwikkeling
van het dier te bevorderen dan wel bepaalde productkenmerken te realiseren (bijvoorbeeld
de kleur van een ei). Het mengen kan op verschillende momenten gebeuren. Voorbeelden
van toevoegingsmiddelen zijn bijvoorbeeld antibiotica (via het voer toegediend en niet direct
via een spuit) en vitaminen maar ook smaak-, geur-, en kleurstoffen, conserveringsmiddelen
en eiwitvervangers. De toepassing van deze stoffen (toegestane toevoegingsmiddelen) is
door de EU gereguleerd.
4. Premixen: mengsels van verschillende toevoegingsmiddelen of mengsels van een of meerdere
toevoegingsmiddelen met stoffen die dragers vormen, die als zodanig bestemd zijn voor
de rechtstreekse verwerking in diervoeders, alsmede halffabrikaten. Ze bevatten doorgaans
veel vitaminen en mineralen.
Bijproducten

Zoals uit de opsomming van voedermiddelen blijkt, kunnen deze ook bestaan uit bijproducten. Dit

zijn voedermiddelen die vrijkomen als neven- of bijproduct bij de productie van levensmiddelen.
Ze worden ook wel restproducten of reststromen afkomstig van de agro- en levensmiddelenindustrie
genoemd. Het zijn vaste of vloeibare producten die al dan niet verder gedroogd worden. De
categorie vloeibare bijproducten worden ook wel aangeduid als vochtrijke of natte bijproducten.
Bijproducten kunnen standaard vrijkomen bij de productie van levensmiddelen (de bestemming
diervoeding is dan al te geven) of ontstaan doordat er tijdens de productie of erna iets mis is gegaan.
In dat geval krijgen de bijproducten achteraf de bestemming diervoeding.
Voorbeelden van bijproducten

Aardappelstoomschillen vormen een bijproduct uit de frites- of aardappelverwerkende industrie.

De schillen komen “automatisch” vrij bij het produceren van frites. Bierbostel dat ontstaat bij de
productie van bier is een ander voorbeeld. Perspulp komt vrij bij de bereiding van suiker uit suikerbieten.
Het waswater wordt geperst tot een product met een droge stof gehalte van circa 22%.
Het kan eventueel verder gedroogd worden tot een droge stof gehalte van 90%. Ook bij de bereiding
van penicilline ontstaan bijproducten die als gistconcentraten verder vermarkt worden. Wei
komt vrij bij de bereiding van kaas en uit de verwerking van tarwe tot tarwezetmeel komen bijproducten
vrij die worden aangeduid als tarwezetmeelconcentraten.
21
De tweede categorie bijproducten bestaat uit afgekeurde levensmiddelen. Dit kunnen zijn:
∑ producten zijn die ontstaan als gevolg van productiefouten (bijvoorbeeld door het gebruik van
een verkeerde receptuur, afweeg of mengfout, verkeerd geŽtiketteerd, producten die “van de
band gevallen zijn” of producten die ontstaan tijdens processtoringen)
∑ recallproducten (dit zijn producten die om diverse redenen zijn teruggehaald uit het schap van
de detailhandel)
∑ producten waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken. Voorbeelden van deze restproducten
zijn: snoepresten, retourpap, restmelk, producten uit de snackindustrie, kaas-koekjesmix,
wafelmix, broodmeel, broodpap (restanten uit bakkerijen).
Andere indelingen bijproducten

Bijproducten worden soms ook in de volgende categorieŽn onderverdeeld.

Structurele versus incidentele bijproducten of reststromen
In veel gevallen kan men spreken van een structurele productstroom (zoals bijvoorbeeld aardappelstoomschillen,

perspulp). In een aantal gevallen is sprake van een incidentele stroom zoals bijvoorbeeld
bij misproducties (bijv melk waarbij de sterilisator is uitgevallen). Een structurele stroom is regelmatig beschikbaar
en is in principe goed te specificeren; een incidentele stroom is af en toe beschikbaar en is
doorgaans minder goed te specificeren.
1e-2e-3e generatie restproducten/bijproducten
Er wordt ook wel een onderverdeling gemaakt naar 1e-2e-3e generatie bijproducten.

- 1e generatie is een direct bijproduct van agrarische verwerking zoals bietenperspulp;
- 2e generatie is een net iets verder verwerkt product zoals melasse en tarwegistconcentraten;
- 3e generatie zijn retourproducten, misproducties en overdatumproducten afkomstig van de levensmiddelenindustrie,
supermarkten, horeca enzovoorts.
2.2 Herkomst en gebruik

In ß 2.1 zijn de definities van diervoeder aan de orde gekomen. In deze paragraaf zullen we nader

ingaan op de omvang en het gebruik van de verschillende diervoeders. Hierbij is de indeling
van diervoeders, zoals in ß 2.1 weergegeven, aangehouden.
2.2.1 Voedermiddelen

Herkomst

De meeste voedermiddelen worden geÔmporteerd (circa 75%). In de periode juli 1999 t/m juni

2000 werden er zo’n 18,4 miljoen ton voedermiddelen geÔmporteerd. De helft hiervan was afkomstig
van buiten de EU. Overigens werd hiervan ook weer 8,6 miljoen ton geŽxporteerd. Hiervan
bleef 85% in de EU (bron: website PDV).
22
De granen (tarwe, maÔs, gerst) komen voornamelijk uit Frankrijk, Duitsland, Verenigd Koninkrijk
en Oost-Europa. De schroten en schilfers zijn bijproducten van de winning uit plantaardige oliŽn
en vetten. Sojaschroten/-schilfers komen vooral uit de Verenigde Staten en Zuid-Amerika. Zonnebloemschroten/-
schilfers komen met name uit ArgentiniŽ. Kokos- en palmpitschroten/-schilfers
komen voornamelijk uit IndonesiŽ, MaleisiŽ en Filippijnen. Raapzaadschroten/-schilfers vinden
hun origine voornamelijk in Duitsland. Verder is maÔsglutenmeel, dat met name uit de Verenigde
Staten komt, een belangrijk voedermiddel. Een ander belangrijk voedermiddel is tapioca (ook wel
als maniok aangegeven), dat geÔmporteerd wordt uit Thailand. Citruspulp komt met name uit Florida
en BraziliŽ.
Naast geÔmporteerde voedermiddelen produceert Nederland ook voedermiddelen. Dit kunnen
overigens ook weer bijproducten zijn van geÔmporteerde grondstoffen die in Nederland verder
verwerkt worden (zoals schroten en schilfers, die vrijkomen bij het crushen ten behoeve van oliewinning).
Uit cijfers van het PDV blijkt dat 1% van de beschikbaar gekomen krachtvoedergrondstoffen
voor eigen behoud is, 12% afkomstig is van binnenlandse grondstoffen en 86% uit het
buitenland.
De afzet van vochtrijke bijproducten in Nederland bedroeg in 2000 zo’n 5 miljoen ton. Per type
product zijn hoeveelheden en herkomst aangegeven in onderstaande tabel 2.1.
Tabel 2.1
Afzet van vochtrijke diervoeders in Nederland in 2000
Herkomst en producten Afzet in tonnen
Graanverwerkende industrie

∑ tarwezetmeel 1.153.500

∑ bierbostel 560.000
∑ verse maÔsgluten 130.000
∑ biergist 111.000
∑ graanspoeling 7.000
Aardappelverwerkende industrie

∑ aardappelstoomschillen 569.600

∑ aardappelpersvezel 385.000
∑ diverse aardappelproducten 440.400
Suikerindustrie

∑ perspulp 610.000

Zuivelindustrie

∑ wei/melkproducten 570.000

Fermentatie-industrie

∑ mycellium/gistspoeling 68.600

∑ overige gistconcentraten 77.000
Vleesverwerkende industrie

∑ gelatineconcentraat 48.050

∑ vetten 30.000
Diversen

∑ bakkerijproducten/wafelmix 80.000

∑ misproducties/sauzen 60.000
∑ overig 164.000
Totaal 5.064.150

Bron: Persbericht OPNV 2001

23
Van de in totaal 5 miljoen ton die in Nederland wordt afgezet aan bijproducten, wordt circa 0,5
miljoen geÔmporteerd uit omringende landen (BelgiŽ, Frankrijk en Duitsland).
Naast deze voedermiddelen zijn ook gras en snijmaÔs belangrijke voedermiddelen, zeker voor de
rundveesector. Ten aanzien van snijmaÔs, geeft de oogstraming 2002 aan dat er 3.044 (x 1.000
ton) droge stof beschikbaar zou komen in Nederland ten behoeve van diervoeder. Aan grasland
was er in 2001 993 ha beschikbaar.
Gebruik

De voedermiddelen worden grotendeels verder verwerkt tot mengvoer.

De vochtrijke bijproducten vinden hun bestemming deels bij de mengvoerbedrijven, die het verder
verwerken in het mengvoer en deels direct bij de primaire bedrijven. Van de vijf miljoen ton afgeleverde
hoeveelheid bijproducten aan de primaire sector, gaat drie miljoen ton naar de varkenshouderij
(een groot deel hiervan is tarwezetmeel) en twee miljoen ton naar de rundveehouderij
(dit bestaat vooral uit bietenperspulp, bierbostel, tarwezetmeel en aardappelpersvezel). Bij de
varkenshouderijen mengen de veehouders de bijproducten zelf met andere bijproducten en completeren
dit met mengvoeder. Dit mengen en opslaan van vochtrijke bijproducten doet men met
behulp van een zogeheten brijvoerinstallatie.
Bij de melkveebedrijven worden de bijproducten vooral ingekuild (o.a. bietenperspulp) of als zodanig
vervoederd. Mengvoeder wordt dan weer als aanvullend voer ingezet.
Toename gebruik bijproducten

Met name in de varkenshouderij is een toename van het gebruik van vochtrijke bijproducten te constateren.

Deze producten werden rond 1985 voor het eerst ingezet; anno 2003 heeft 30% van de in Nederland geslachte
varkens ťťn of meerdere vloeibare bijproducten gehad. Oorzaken van het toenemend gebruik van
bijproducten zijn de volgende.
∑ Het oplossen van een milieuprobleem: het storten van bijproducten als organisch afval, werd maatschappelijk
steeds minder als wenselijk ervaren. Daarnaast kost dit storten de producenten doorgaans veel
geld. Door het als voedermiddel aan te bieden hebben de bijproducten nog een opbrengst.
∑ De toename van “recall”-producten” en overdatumproducten.
∑ Bijproducten hebben een positieve invloed op de diergezondheid.
∑ De kostprijsverlaging is in combinatie met goede technische resultaten voor de boer een belangrijke drijfveer
geweest. De intensieve varkenshouderij in Nederland heeft geen tot weinig eigen verbouw van gewassen
en is (bijna) geheel afhankelijk van extern aangekocht voer. Kostprijsverlaging is belangrijk
geweest bij de onder druk staande prijzen van vlees. Met het gebruik van bijproducten kunnen de (variabele)
voerkosten met zo’n € 0,05 tot € 0,10/kg groei gereduceerd worden. Dit is een besparing ten opzichte
van krachtvoer van 10-20%. Daartegenover staat wel dat de varkenshouder die vochtrijke
bijproducten voert moet investeren in een brijvoerinstallatie1.
______________
1 Inclusief voeropslag bedraagt de investering zo’n € 108.800,-. De investering is interessant voor varkensbedrijven
met meer dan 2000 vleesvarkens (uit: de Boerderij 88, nr 15, 29 juli 2003).
24
2.2.2 Mengvoeder

Herkomst en productiecijfers

Zoals aangegeven wordt het merendeel van de voedermiddelen verder verwerkt tot mengvoeder.

De herkomst van deze voedermiddelen is reeds onder ß 2.2.1 aan de orde geweest.
De totale productie aan mengvoeder in Nederland is voor 2002 geraamd op 12,5 miljoen ton. Zoals
uit de tabel blijkt, vertoont de totale productie sinds 1995 een dalende lijn. Dit hangt onder andere
samen met de inkrimpende veestapel. Van de totale hoeveelheid geproduceerd
mengvoeder wordt slechts een beperkte hoeveelheid geŽxporteerd (in 1999 bedroeg dit 7,6%).
De geŽxporteerde producten vinden hun bestemming grotendeels binnen de EU. Tabel 2.2 geeft
de ontwikkeling van de mengvoederproductie in Nederland weer.
Tabel 2.2
Mengvoederproductie in Nederland naar diersector (in 1000 ton) *
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 **
Rundveevoeders 4.037 3.804 3.656 3.597 3.646 3.541 3.650 3.450
Varkensvoeders 7.481 7.459 7.054 6.951 6.729 6.001 6.495 5.200
Pluimveevoeders 3.424 3.581 3.741 3.727 3.579 3.598 3.620 3.100
Overige veevoeders 752 784 774 767 754 742 750 750
Totaal 15.694 15.628 15.225 15.042 14.708 13.882 14.515 12.500
* exclusief kunstmelkvoeders
** raming
Bron: PDV/STIGEVO
Het grootste deel mengvoeder betreft varkensvoer (zo’n 43%). Ongeveer 26% van de totale productie
is bestemd voor rundvee, 25% voor pluimvee, 4% voor kalveren en de overige diersoorten
1%1. Van de totale hoeveelheid mengvoeder wordt het grootste gedeelte (73,4%) in geperste
vorm afgeleverd (mengvoederenquÍte 2000).
Dierlijke voedermiddelen

Sinds de BSE-crisis is er een verbod op dierlijk eiwit in diervoeder. Dierlijk vet (behalve frituurvet) mag echter

wel. Sommige grote mengvoederbedrijven hebben dierlijk vet uit eigen beweging (bedrijfsbeleid) nu al uitgesloten
als een te gebruiken voedermiddel. Als gevolg van het verbod op dierlijke eiwitten mogen bepaalde
bijproducten niet meer verwerkt worden, zoals bijvoorbeeld snoepresten waar gelatine in verwerkt is. Dit laatste
roept vraagtekens in de branche op zo is uit de interviews gebleken: in het geval van gelatine is de diervoederwetgeving
strenger dan de eisen voor humane voeding.
Gebruik

Mengvoederproducten worden aangeboden voor de verschillende diersoorten, waarbij veelal

specifieke producten voor de verschillende stadia of leeftijd van het dier kunnen worden onderscheiden.
Op grond van prijs en belangrijke voederrestricties (zoals eiwitpatroon, zetmeelgehalte,
energiewaarde, nutriŽnten etc) worden de voedermiddelen zodanig gemengd, dat een eindproduct
verkregen wordt met een constante voederwaarde. Een mengvoeder kan bestaan uit wel 20
of meer voedermiddelen. De belangrijkste processtappen bij een mengvoederbedrijf zijn hierna
kort ter illustratie weergegeven.
______________
1 Opgave Nevedi, mengvoederenquÍte 2002.
25
Figuur 2.1
De hoofdprocesstappen bij een mengvoederbedrijf
1.
Ontvangst grondstoffen
& micro
componenten
2.
Opslag grondstoffen&
micro
componenten.
3.
Doseren en
wegen
4.
Malen en
mengen
5.
Pelletiseren
en conditioneren
7.
Kruimelen
coaten afzeven
6.
Expanderen
8.
Opslag halffabrikaten
en eindproducten
9.
Afzakken
10.
Verladen en
distributie
Bij varkenshouders wordt mengvoeder ingezet als volledig voer; soms wordt hier nog ruwvoeder
aan toegevoegd. Wanneer varkenshouders zelf bijproducten mengen tot veevoer, wordt meestal
aanvullend mengvoeder ingezet om de ontbrekende voedercomponenten aan te vullen.
Bij melkvee wordt mengvoeder vooral ingezet in combinatie met ruwvoeders (onder andere snijmaÔs
en gras) als aanvullend voer voor de verbetering van de prestatie. Het mengvoeder vormt
circa 30% van het totale hoeveelheid voer (op basis droge stof). Pluimvee krijgt voornamelijk
mengvoeder in ongeperste vorm (gemengde granen of als gruis of meel) aangeboden; dit vormt
98% van het rantsoen van pluimvee.
Samenstelling

Uit de diverse interviews is gebleken dat de voedingswaarde van het diervoer centraal staat. De exacte samenstelling

van het diervoeder is voor de gebruikers minder relevant. De boer vertrouwt wat betreft samenstelling
en voedingswaarde volledig op de mengvoederfabrikant en haar buitendienstmedewerkers. Voor de
gebruikers is het belangrijk dat het diervoeder veilig is, de dieren gezond blijven en vooral de voerconversie
optimaal is (met andere woorden dat ze er goed op groeien tegen zo laag mogelijke kosten en met zo min
mogelijk mestproductie). Daarnaast is de prijs per energiewaarde (VEM, EW1 ) een belangrijk gegeven voor
de keuze van het diervoeder, zodat de veehouder aan prijsvergelijking kan doen.
______________
1 VEM staat voor voedingseenheid melk, EW staat voor energiewaarde. In de rundveesector staat VEM centraal,
terwijl de varkenshouderij vooral met EW rekent.
26
2.2.3 Toevoegingsmiddelen (additieven)

Herkomst en productie

Productiegegevens zijn niet in de officiŽle statistieken van CBS en PDV terug te vinden.

De toevoegingsmiddelen worden mondiaal ingekocht bij chemische en farmaceutische bedrijven.
Gebruik

Additieven hebben als doel:

∑ de eigenschappen van de diervoeders of dierlijke producten gunstig te beÔnvloeden
∑ te voldoen aan de voedingsbehoeften van dieren, of de dierlijke productie te verbeteren (verteerbaarheid)
∑ aan de voeding elementen toe te voegen die het makkelijker maken om voedingsdoelen te
bereiken of tegemoet komen aan een specifieke, tijdelijke, behoefte inzake voeding bij dieren
∑ door dierlijke uitwerpselen veroorzaakte hinder te voorkomen of te beperken of de leefomgeving
van de dieren te verbeteren.
Toevoegingsmiddelen worden in de meeste gevallen bij de mengvoederproducent ingemengd in
het mengvoer. In een beperkt aantal gevallen worden de middelen door zelfmengende varkenshouders
toegevoegd.
2.2.4 Premixen

Herkomst en productie

Productiegegevens zijn niet in de officiŽle statistieken van CBS en PDV terug te vinden. Er vindt

wel veel export van premixen plaats (circa 1 miljoen ton), zo bleek uit de interviews.
Gebruik

Premixen worden vooral door mengvoederfabrikanten in mengvoer gemengd. Soms worden

premixen door zelfmengers toegevoegd.
Wat eten dieren op een dag ?
Rundvee

Een melkkoe consumeert op een zomerdag: 5,5 kg mengvoer, 56 kg gras, 18,7 kg ingekuilde snijmaÔs en

drinkt zo’n 100 liter water1. Een koe produceert zo’n 25-30 liter melk per dag.
In de wintermaanden bestaat het rantsoen uit: 12 kg ingekuild gras, 22 kg ingekuilde snijmaÔs en 5,5 kg
mengvoer en eveneens 100 liter water.
In dit concrete, overigens representatief voor de branche geldend praktijkgeval, bestond het mengvoeder uit
14 componenten, waaronder 1 premix. De belangrijkste voerdermiddelen waren: maÔsglutenmeel, citruspulp,
palmpitschilfers/-schroot, melasse, maÔsmeel, kokosschilfers/-schroot, sojaschroot.
______________
1 Persoonlijke communicatie met adviseurs van DLV Adviesgroep BV. Het betreft hier gemiddelde gehaltes, die representatief
worden geacht.
27
Vleesvarkens

Vleesvarkens kunnen of volledig met mengvoer gevoederd worden of zoals bij zelfmengers met een mengsel

van bijproducten, aangevuld met mengvoer.
1. Een praktijkvoorbeeld van voeren met 100% mengvoer.

Een vleesvarken consumeert gemiddeld op een dag: 2,25 kg mengvoer en 5,5 liter water. In een praktijksituatie

bleek dat dit mengvoeder heeft bestaan uit 20 componenten (voedermiddelen) waaronder 2 premixen.
De belangrijkste voedermiddelen van dit mengvoeder waren achtereenvolgens: tarwe, tapioca, soja, maÔs,
zonnebloemschroot en gerst.
2. Een praktijkvoorbeeld van voeren met bijproducten

Wanneer een vleesvarken met bijproducten wordt gevoerd, eet een vleesvarken op een dag:

0,71 kg aardappelstoomschillen
0,05 kg biergistconcentraat
0,80 kg bierbostel/tarwezetmeelmengsel
0,71 kg wei
0,64 kg tarwezetmeel
0,29 kg mengvoeder
--------
3,20 kg
Daarnaast drinkt een op dergelijke wijze gevoed varken 4 liter water. Het mengvoeder bestaat uit 14 componenten,
waaronder 2 premixen. De belangrijkste hoofdbestanddelen zijn raapschroot, tapioca, tarwe, palmpitschilfers
en bietenpulp.
2.3 Risicofactoren

De risicofactoren voor de verschillende productgroepen behandelen we aan de hand van de eerder

gepresenteerde indeling van voedermiddelen. De risicofactoren behelzen mogelijke verontreinigingen
van diervoeders met ongewenste stoffen. Deze stoffen kunnen schadelijk zijn voor
milieu, dier en/of mens. In het geval dat de voedselveiligheid (gevaar voor mens) in het geding is,
geven we dit –waar mogelijk – aan. Bedacht moet worden dat het geven van een uitputtend overzicht
van alle mogelijke verontreinigingen en bijbehorende risicobeoordelingen (kwantificering)
een studie op zich is. Uitputtend zijn we derhalve niet, wel trachten we de belangrijkste verontreinigingen
aan te geven.
2.3.1 Voedermiddelen

De risico’s op verontreiniging van voedermiddelen zijn te herleiden tot de teelt en opslag. Enkelvoudige

voedermiddelen worden ingezet in mengvoeder. Soms worden deze voedermiddelen
door de boeren zelf geteeld en gevoederd worden. Dit speelt met name bij rundveebedrijven.
Wanneer de voedermiddelen voor eigen gebruik zijn, vallen ze nog niet onder het geldende kwaliteitssysteem
KKM. Het Productschap Zuivel en PDV ontwikkelen initiatieven om dit hiaat te vullen.
Zo heeft het PDV inmiddels een standaard ontwikkeld voor de teelt van voedermiddelen
(GMP11). Deze gaat met de inzaai in 2005 in. Deze code heeft twee doelgroepen:
∑ ondernemers die voedermiddelen telen voor verkoop aan bedrijven die de producten de bestemming
diervoeder geven
∑ ondernemers die voedermiddelen telen voor vervoedering aan dieren op het eigen bedrijf.
28
Voor de varkenshouderij is er een standaard ontwikkeld voor opslag, bewaring en vervoederen
van voedermiddelen, deze wordt in het IKB-systeem geÔntegreerd. Momenteel is men bezig met
het ontwikkelen van een standaard voor het melkveebedrijf (voeders en water).
In de hiernavolgende tabel worden enkele mogelijke verontreinigingen weergegeven van belangrijke
enkelvoudige voedermiddelen. Deze tabel is echter niet uitputtend want ook microorganismen
(Bacillus cereus, Listeria, E coli, Salmonella, Coxiella burnetti etc) kunnen een risicofactor
vormen voor dier- en/of mens. Er is nog veel onbekend over het effect van verschillende
stoffen - of het nu micro-organismen of mycotoxinen betreft – op de dier- en mensgezondheid.
Nader onderzoek hiernaar vindt plaats.
Tabel 2.3
Mogelijke verontreinigingen in enkelvoudige voedermiddelen
Voedermiddel Type verontreiniging1 Met name effect op
de gezondheid van:
SnijmaÔskuil Mycotoxinen van veldschimmels (DON, T2, ZEA) en
opslagschimmels (Roquefortine C)
Dier
Graskuil Mycotoxinen van opslagschimmels (Roquefortine C) Dier
CCM (corn crob maÔs) Mycotoxinen Dier
Stro Mycotoxinen Dier
Water Micro-organismen, PCB, PAK, organochloorverbindingen Dier/mens
Uit de interviews en eigen analyse blijkt dat het GMP+ systeem midden in de schakels van dierlijke
producten staat. Aan de aanvoerkant zitten nog blinde vlekken (zoals borging van eigen teelt, buurmansteelt
en teelt van voedermiddelen in het buitenland). Ook de herkomst van grondstoffen is nog
niet altijd helder. Inmiddels heeft het bestuur van PDV een voorstel hieromtrent goedgekeurd, te weten
inzicht in voorschakels. Het doel is om bij elke levering van een diervoedergrondstof een document
toe te voegen dat aangeeft wat er met de partij gebeurd is: wie is eerste leverancier, waar zijn
goederen geladen, wie heeft iets aan bewerking gedaan. De uiteindelijke ontvanger moet dit document
controleren en bekijken of alle schakels Quality Control (QC)-erkend zijn. Het duurt waarschijnlijk
nog enige tijd voordat dit voorstel daadwerkelijk in de praktijk is geÔmplementeerd.
2.3.2 Mengvoeder

Bij mengvoeder liggen de risicofactoren met name bij de gebruikte voedermiddelen. Het mengen

zelf kent slechts een beperkt risico (namelijk op versleping of ongewenste vermenging van diverse
productieruns). Met een goede procesinrichting (bijvoorbeeld door aparte lijnen voor gemedicineerde
voeders te gebruiken) en gescheiden productielocaties kan men deze risico’s ondervangen.
Ten aanzien van de voedermiddelen liggen de risico’s op verontreiniging bij:
∑ de diversiteit aan voedermiddelen, bijproducten, toevoegmiddelen en additieven
∑ mengen van stromen van diverse origine
∑ de herkomst (producent) van deze grondstoffen en de (on)bekendheid daarvan
∑ teelt en productiewijze
∑ opslag en in veel mindere mate de transportomstandigheden.
______________
1 Voor een aantal stoffen bestaan reeds maximaal toelaatbare normen (bijvoorbeeld voor Aflatoxine, DON en dioxine).
Deze normen zijn opgenomen in de productnormen GMP (GMP14) en kunnen per voedermiddel verschillen.
Op dit moment worden verschillende normen herzien en aangepast aan nieuwe inzichten.
29
Een mengvoeder bestaat uit een veelheid aan componenten. Uit een concreet praktijkvoorbeeld
bleek een mengvoeder uit 20 componenten te bestaan waaronder ook nog eens 2 premixen.
Dit is de daadwerkelijke menging geweest. De mengvoederproducent had in zijn systeem waarschijnlijk
de keuze uit een veelvoud aan deze grondstoffen. Immers op basis van prijzen en voedergegevens
worden de recepturen op zeer regelmatige basis geoptimaliseerd. Dit betekent dat
kennis over de gevaren en risico’s voor een zeer groot aantal voedermiddelen bekend moeten
zijn. Vanwege deze grote diversiteit aan voedermiddelen ligt hierin al een risico.
Veel voedermiddelen zijn in feite reeds mengsels. Namelijk mengsels van partijen voedermiddelen
afkomstig van verschillende telers. Op het moment dat producten van verschillende origines
ook nog eens gemengd worden (tarwe uit Frankrijk mengen met tarwe uit de OekraÔne) kunnen
de specifieke gevaren en risico’s geldend voor die specifieke origines niet meer uit elkaar gehaald
worden. Van iets wat beheersbaar was, wordt op deze wijze iets onbeheersbaars gemaakt.
Om een goede gevarenanalyse, risicobeoordeling en goede beheersmaatregelen te kunnen treffen
is het noodzakelijk de herkomst van de grondstoffen te kennen. Wat is het kwaliteitsbeleid
van de producent, hoe wordt er geteeld, welke bestrijdingsmiddelen worden ingezet, hoe wordt
het opgeslagen enzovoorts. Dit zijn zaken die alleen goed ingeschat kunnen worden als de herkomst
bekend is. Andersom geldt dat als de herkomst niet bekend is, dit een risico kan vormen.
Zo kunnen in landen bepaalde specifieke omstandigheden een rol spelen bij bijvoorbeeld de teelt
en opslag. Dit kan risico’s met zich meebrengen. Voorbeelden zijn Oost-Duitsland (nitrofenaffaire)
en BraziliŽ (dioxine-affaire).
Daarnaast zullen door nieuwe inzichten, verbeterde analysemethoden en incidenten altijd nieuwe,
schadelijke stoffen ontdekt worden. Een voorbeeld, dat niets met voedselveiligheid van doen
heeft, is de recente ontdekking van een nog onbekende groeihormoonvariant.
Naast deze algemene risicofactoren, zijn er voor verschillende voedermiddelen specifieke verontreinigingen.
Enkele belangrijke (gebaseerd op de gehouden interviews) zijn in tabel 2.4 weergegeven.
Tabel 2.4
Mogelijke verontreinigingen in (grondstoffen van) mengvoeder
Voedermiddel Type verontreiniging Met name effect op
gezondheid van
Tarwe Mycotoxine (DON) Dier
Tarwegistconcentraat Mycotoxine (DON) Dier
MaÔs Mycotoxinen (ZEA, fumonisinen) Dier
Sojaschroot Wijze van drogen (dioxine)
Gebruikte bestrijdingsmiddelen
Mycotoxine (ZEA)
Gebruikte oplosmiddelen (hexaan)
Dier/mens
Vismeel PCB Dier/mens
Granen algemeen Mycotoxinen (DON, T2, ochratoxine A)
Zware metalen, bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen
Dier/mens
Schroten van oliehoudende zaden Aflatoxine Dier/mens
30
Omdat mengvoeder uit veel componenten bestaat, kan een afwijkende of verontreinigde component
grote hoeveelheden eindproduct negatief beÔnvloeden. Er kan bij mengvoeder een grote olievlekwerking
optreden. Een goede tracking en tracing kan de olievlekwerking doen verminderen; ook hier
wordt binnen GMP+ aandacht aan geschonken.
De genoemde verontreinigingen zijn allen schadelijk voor dier of mens. Echter of de voedselveiligheid
in het geding komt, wanneer deze ongewenste schadelijke stoffen in de grondstoffen zitten,
hangt – behalve van de omvang van de verontreiniging – af van twee zaken. Allereerst wordt een
voedermiddel nooit enkelvoudig gebruikt, maar in combinatie met andere middelen. Dit betekent dat
er bij een verontreiniging in een voedermiddel altijd sprake zal zijn van een verdunnend effect in het
mengvoer. Daarnaast kunnen schadelijke stoffen door dieren nog omgezet kunnen worden.
2.3.3 Bijproducten

In tegenstelling tot mengvoeder is bij bijproducten vaak wel de bron bekend; zeker bij de structurele

bijproducten. Dit is een belangrijk voordeel. Immers door het productieproces en de gebruikte
grondstoffen goed na te gaan is een goede gevaren- en risicoanalyse voor de bijproducten te maken.
Een punt van aandacht is het volgende: door gebruikte oplosmiddelen en spoelwater dient men
erop bedacht te zijn dat specifieke stoffen aanwezig in de grondstof in een geconcentreerde vorm in
het bijproduct terecht kan komen. Een voorbeeld hiervan is DON. Deze mycotoxine kan bij tarwe
aanwezig zijn, maar zal in het bijproduct tarwegistconcentraat in een verhoogde mate aanwezig zijn,
terwijl het hoofdproduct juist minder DON zal bevatten. Overigens is DON voor de voedselveiligheid
niet echt schadelijk; varkens kunnen dit deels detoxificeren.
Respondenten verschillen sterk van mening over de zwaarte van de risico’s van bijproducten. Bijproducten
worden zeer vaak genoemd als risicovolle producten. Dit lijkt in sommige gevallen echter
meer een perceptie dan dat dit echt (wetenschappelijk) gefundeerd is. In ieder geval is in de
praktijk tot nog toe nog niet bewezen dat bijproducten risicovoller zijn dan mengvoeder. Het gros
van de droge bijproducten wordt overigens ook in mengvoer verwerkt. De herkomst van vochtrijke
bijproducten is goed te bepalen. Deze komen meestal uit Nederland, soms uit omringende landen.
Reststroom versus afvalstroom

Er bestaat een onduidelijkheid in het onderscheid tussen een reststroom die in te zetten is als diervoeder en

een afvalstroom. In de wetgeving zijn hier geen duidelijke definities van gegeven. Het ministerie van VROM
geeft aan dat er in veel gevallen bij reststromen juridisch gezien sprake is van een afvalstroom, waarvoor
een vergunning nodig is voor verwerking.
Er is een duidelijke behoefte aan goede omschrijvingen van afvalstromen en reststromen. Een aangedragen
oplossing is afval als afval te bestempelen. Alleen indien via een risicoanalyse is aangetoond dat het afval vrij
is van verontreinigingen, zou het in diervoer verwerkt kunnen worden.
Enkele mogelijke verontreinigingen in voedermiddelen van een aantal belangrijke bijproducten
zijn in onderstaande tabel weergegeven.
31
Tabel 2.5
Mogelijke verontreinigingen in vochtrijke bijproducten
Voedermiddel Type verontreinigingen Met name effect op
gezondheid van
Tarwezetmeel Gewasbeschermingsmiddelen, ontsmettings- en reinigingsmiddelen,
gisten, schimmels, mycotoxinen, Salmonella
Dier/mens
Bierbostel Gewasbeschermingsmiddelen, ontsmettings- en reinigingsmiddelen,
gisten, mycotoxinen, salmonella, clostridium
Dier/mens
Aardappelstoomschillen Gewasbeschermingsmiddelen, ontsmettings- en reinigingsmiddelen,
grondontsmettingsmiddelen, solanine,
gisten, schimmels, salmonella
Dier/mens
Aardappelpersvezel Solanine, schimmels, salmonella Dier/mens
Perspulp Fluor, gewasbeschermingsmiddelen, ontsmettings- en
reinigingsmiddelen, schimmels, salmonella
Dier/mens
Wei Ontsmettings- en reinigingsmiddelen, sulfiet, gisten Dier/mens
Dierlijk vet Dioxine, PCB Dier/mens
Bron: Makkink et al, 2000, Risico’s van vochtrijke bijproducten, WUR
Vooral van de incidentele stromen (recall en overdatumproducten) is vaak weinig bekend en dat
vormt een risico op zichzelf. Deze producten worden afgekeurd in de levensmiddelenindustrie
maar weer als grondstof voor de mengvoerindustrie gebruikt. Overdatumproducten, misproducties
en recallproducten worden veelal door gespecialiseerde bedrijven verwerkt (vaak tevens afvalverwerkers).
Zij kunnen met speciaal daarvoor ontwikkelde machines de inhoud van de
verpakkingen scheiden. De inhoud wordt vervolgens aangezuurd of verhit en aangezuurd. Of
hiermee alle risico’s zijn uitgesloten is de vraag. Resten van lijmen en oplosmiddelen van etiketten,
migratie van verpakkingsmateriaal, resten van verpakkingsmateriaal en dergelijke kunnen
wel degelijk in het voedermiddel terecht komen. De gevaren- en risicoanalyse van deze productstromen
verdient nader onderzoek. De leveranciers van grondstoffen hoeven in het GMP+-
systeem niet erkend te zijn. Deze eis gaat pas in bij de verwerker.
2.3.4 Toevoegingsmiddelen en premixen

Uit de interviews is gebleken dat toevoegingsmiddelen niet gezien worden als een grondstof waar

risico’s te verwachten zijn. Dit heeft wellicht te maken met het feit dat grondstoffen van deze toevoegingsmiddelen
geproduceerd worden door grote chemische en farmaceutische bedrijven.
Omdat het echter in kleine concentraties gebruikt wordt, is het wel zo dat als er iets mis is, de
olievlekwerking enorm kan zijn (vergelijkbaar aan MPA).
Dit geldt ook voor premixen: ook hiervan wordt in interviews niet aangegeven dat bij het gebruik
specifieke risico’s liggen.
32
2.3.5 Beoordeling van risicofactoren per type diervoeders

In de voorgaande paragrafen zijn we ingegaan op mogelijke verontreinigingen van voedermiddelen.

Voor enkelvoudige voedermiddelen lijken de negatieve gevolgen van verontreinigingen doorgaans
groter voor de diergezondheid dan voor de voedselveiligheid (voor mens). Deze
enkelvoudige voedermiddelen worden soms als zodanig direct vervoederd maar meestal in
mengvoeder verwerkt.
De risicofactoren van mengvoeder zitten vooral in de origine van grondstoffen. De herkomst en
de productieomstandigheden zijn vaak moeilijk te herleiden door de vele tussenschakels. Omdat
mengvoeder uit veel componenten bestaat, is voor een groot aantal voedermiddelen kennis nodig
over de mogelijke risico’s. Verder kan een afwijkende of verontreinigde component grote hoeveelheden
eindproduct negatief beÔnvloeden, waardoor er een olievlekwerking kan optreden. Wel
is het zo dat verontreinigingen in mengvoer vaak weggemengd worden.
Van bijproducten is de herkomst meestal bekend. Men weet onder welke omstandigheden deze
producten tot stand zijn gekomen, meestal via industriŽle verwerking. Indien er iets mis is met deze
producten dan is het effect op een afzonderlijk dier waarschijnlijk groter dan bij mengvoeders
omdat deze bijproducten direct aan dieren gevoerd wordt. Hierdoor krijgen zij in hogere concentratie
verontreinigingen binnen. Als bijproducten onderdeel zijn van mengvoer dan geldt ook hier
dat het effect op een dier kleiner zal zijn maar de olievlekwerking mogelijk groter. Incidentele bijproducten
zoals bederfelijke waar (bijvoorbeeld misproducties of overdatumproducten uit supermarkten)
leveren meer risico’s op. Er is weinig over bekend en er is vaak geen risicoanalyse
uitgevoerd. Het onderscheid tussen afvalstroom of reststroom is moeilijk te maken.
Kwantificering risico’s

Het is niet mogelijk om de verschillende typen diervoeders onderling te scoren in de mate van risico’s

voor de voedsel- en voederveiligheid. Zoals gesteld zijn er wel verschillende kenmerken te
onderscheiden tussen de typen diervoeders, maar het uiteindelijk effect van mogelijke verontreiniging
hangt van vele factoren af, zoals mate van vermenging, diersoort, type verontreiniging, enzovoorts.
Evenzo is het niet mogelijk een ordening aan te brengen in de mate van risico van de verschillende
mogelijke stoffen die diervoeders verontreinigen. Ofwel: wij kunnen niet zomaar stellen dat de
ene stof gevaarlijker is voor mens of dier dan de andere. Het effect van een verontreiniging is
namelijk afhankelijk van de mate van vermenging en dus concentratie, de mate van overdracht
naar melk, vlees of eieren en de diersoort. De belangrijkste risico’s komen voort uit stoffen die
niet worden omgezet in het dier of maar ten dele en vervolgens in het product bestemd voor humane
consumptie (melk, vlees of eieren) terecht kunnen komen. Salmonella, dioxine, PCB en
enkele mycotoxinen behoren tot de meest risicovolle verontreinigingen.
33
3 De diervoederketen
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de structuur van de diervoederketen. In hoofdstuk 2 is

reeds beschreven welke type diervoeders onderscheiden kunnen worden. Dit hoofdstuk gaat in
op kenmerken van bedrijven die actief zijn in de diervoederketen. Deze bedrijven zijn te onderscheiden
in producenten, handel en afnemers van diervoeders. In paragraaf 3.2 worden de producenten
van diervoeders gekarakteriseerd. Paragraaf 3.3 gaat in op de handel. In paragraaf 3.4
presenteren we een overzicht van de afnemers van diervoeders, waarbij de verschillende primaire
sectoren met elkaar worden vergeleken. Het hoofdstuk sluit af met een overzicht van risicofactoren
die voortkomen uit de structuur van de diervoederketen (paragraaf 3.5).
3.1 Structuur diervoederketen in vogelvlucht

De structuur van de diervoederketen hebben we uiteengelegd in een drietal schakels:

∑ toeleveranciers / handel (zowel in enkelvoudige voedermiddelen als in mengvoeders)
∑ diervoederproducenten
∑ veehouders (pluimvee, rundvee, kalveren en varkens).
In onderstaande figuur zijn de verschillende actoren in de diervoederketen in kaart gebracht. De
verwerkende industrie verwerkt producten van veehouders zoals van melk, vlees en eieren. Deze
industrie is niet opgenomen in de figuur omdat zij geen onderdeel uitmaakt van de diervoederketen,
maar vormt wel een belangrijke schakel in de dierlijke keten. In de figuur zijn slechts de belangrijkste
fysieke stromen weergegeven. Soms vinden ook andere stromen plaats; bijvoorbeeld
van toevoegingsmiddelen eerst naar de handel of direct naar veehouders.
Figuur 3.1
Actoren in de diervoederketen
In de volgende paragrafen gaan we verder op de diverse schakels in.
Origine

voedermiddel

Producent

voedermiddelen

Mengvoederindustrie
Veehouders

Handel

Bijproducten

levensmiddelenfabrikant

Premix

producent

Producent

toevoegingsmiddelen

Verwerker
34

3.2 Producenten diervoeder

Mengvoederproducenten

De mengvoederindustrie is grootschalig van karakter. Er zijn in Nederland ongeveer 200 mengvoederbedrijven,

waarvan ongeveer tien bedrijven 90% van de totale mengvoederproductie voor
haar rekening neemt. Zo’n vijf tot zes mengvoederbedrijven zijn internationaal gezien zeer groot.
Vroeger waren deze mengvoederbedrijven veel meer gericht op grondstoffeninkoop, productieefficiŽntie
en schaalvergroting, nu veel meer op ketenbeheersing. Illustratief hiervoor is dat een
aantal grote mengvoederbedrijven onderdeel uitmaken van integraties met de verwerkende industrie.
Opvallend is dat de grote bedrijven in de interviews aangeven zoveel mogelijk rechtstreeks,
dat wil zeggen zonder tussenkomst van handelaren, hun voedermiddelen in te kopen. De belangrijkste
motivatie hiervoor is dat men wil weten waar het product vandaan komt, hoe het tot stand
gekomen is en wat ermee gebeurd is.
Ongeveer 20% van het aantal mengvoederbedrijven is een coŲperatie, 80% is in particuliere
handen. In 2000 namen deze coŲperatieve bedrijven samen 53% van het productievolume voor
haar rekening. De overige 47% werd geproduceerd door de particuliere bedrijven. Hieruit kan afgeleid
worden dat relatief veel grote bedrijven coŲperatief van aard zijn.
Middelgrote bedrijven opereren vaak voor nichemarkten. Veel van deze bedrijven zijn internationaal
actief, bijvoorbeeld via participaties. Behalve op prijs proberen deze bedrijven zich te onderscheiden
op kwaliteit en service, zoals stallenbouw, managementprogramma’s en adviezen.
De mengvoederbedrijven zijn redelijk gespecialiseerd in voer voor bepaalde diersoorten; in 2000
was bij 53% van de vestigingen meer dan driekwart van de productie bestemd voor ťťn diersoort.
32% van alle vestigingen is volledig gespecialiseerd in voer voor ťťn diersoort. De vijf grootste
mengvoederfabrikanten beleveren alle primaire sectoren.
Economische situatie mengvoederindustrie

Voor mengvoederbedrijven zijn de grondstofkosten veruit de belangrijkste kostenpost; 80% van

de verkoopprijs wordt gevormd door grondstofkosten. De mengvoederindustrie heeft te maken
met een krimpende markt en veel onderlinge concurrentie. De graanhandel heeft te maken met
sterke internationale concurrentie en lage marges. De economische situatie in de toekomst wordt
door de diervoedersector redelijk positief ingeschat. Bedrijven die het nu goed doen, zullen naar
verwachting goed kunnen overleven.
Producenten restproducten

Restproducten gaan of rechtstreeks van de producent naar de boer, of ondergaan een bewerking.

Rechtstreeks vervoer van de producent naar de boer speelt bij bijvoorbeeld aardappelstoomschillen,
tarwezetmeel, bierbostel, wei. Deze producten worden wel via handelaren
verkocht maar de fysieke stroom passeert de handel niet.
Een aantal restproducten wordt door verwerkers verder gemengd en geconserveerd. Voorbeelden
hiervan zijn restmelk en overdatumproducten. Deze verwerkers zijn vaak relatief kleine particuliere
bedrijven. Ze zijn gespecialiseerd in het uitpakken van verpakte producten. De aangeleverde restproducten
bestaan uit zowel structurele als incidentele stromen. De bewerkte eindproducten die zij
afleveren worden bijna uitsluitend geleverd aan varkenshouderijen met een brijvoerinstallatie.
Hiervan zijn er ongeveer 1350 in Nederland.
35
Overdatumproducten afkomstig van supermarkten

Vanuit supermarkten worden overdatumproducten aangeboden. Deze producten worden door specifieke

verwerkers uitgepakt, gemengd (gestandaardiseerd op bijvoorbeeld drogestofgehalte en voedingswaarde) en
geconserveerd (meestal door zuurtoevoeging). Hiermee zijn supermarkten ook aanbieders van voedermiddelen.
Producenten toevoegingsmiddelen/additieven

Er zijn twee grote bedrijven die toevoegingsmiddelen voor diervoeders produceren in Nederland.

Deze bedrijven zijn wereldwijd actief.
Brancheverenigingen

Leveranciers van diervoeder zijn aangesloten bij het Productschap Diervoeder. Daarnaast heeft

een groot aantal bedrijven zich verenigd in brancheverenigingen. Zo is er voor de mengvoederindustrie
Nevedi, (Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie), voor de graanhandel het Comitť
van Graanhandelaren en voor de producenten van vochtrijke bijproducten de OPNV (Overleggroep
Producenten Natte Veevoeders).
Nevedi heeft als missie dat zij het branchebeleid formuleert en de collectieve belangen behartigt
van de Nederlandse diervoederindustrie. Nevedi telt 132 leden. Hiervan zijn 90 bedrijven
industriŽle mengvoederbedrijven die produceren voor derden. Samen produceren zij 98% van het
in Nederland geproduceerde diervoeder ten behoeve van landbouwhuisdieren. De OPNV (Overleggroep
Producenten Natte Veevoeders) heeft 13 aangesloten ondernemingen en is een
branchevereniging voor producenten van vochtrijke voedermiddelen.
Het Comitť van Graanhandelaren heeft 160 leden uit handel, industrie en dienstverlening en
heeft diverse functies als informatievoorziening naar de leden, arbitrage-instituut bij handelsgeschillen
en het beheren van standaardcontracten.
3.3 Handel in diervoeder

De handel in diervoeders is ondoorzichtig, er zijn weinig gegevens bekend over aantallen bedrijven

en hun precieze activiteiten. Veel van de diervoederstromen verlopen via handelskanalen.
Ook in het buitenland is veel tussenhandel actief, met name in granen. Alvorens een partij graan
in Nederland arriveert, kunnen er tussen de 3 en 20 (handels)schakels gepasseerd zijn. Omdat
de handel het product zelf niet bewerkt, hooguit transporteert, zitten in deze schakels weinig risico’s
voor het product. Wel is de herkomst van het diervoeder door de vele handelsschakels moeilijk
te herleiden.
Uit de interviews blijkt dat de handel vooral een belangrijke rol speelt bij de import van grondstoffen
voor mengvoeder en bij de verkoop van restproducten aan veehouders.
Handel in mengvoeders

Veel Nederlandse voerleveranciers kopen in via grote tussenhandelaren, die zich met name in

Rotterdam of Hamburg bevinden. Het gaat in de diervoederindustrie met name om grote
bulkstromen in de internationale grondstoffenhandel.
36
Handel in bijproducten

Een groot deel van de bijproducten wordt via de handel aan veehouders, met name varkenshouders,

verkocht. Een aantal van deze aanbieders is onderdeel van integraties waar ook grote
mengvoederbedrijven toe behoren. Binnen deze handelsbedrijven is veel kennis aanwezig over
diervoeder en het specifieke product dat men levert. Zij hebben vaak langdurige relaties met de
toeleveranciers.
3.4 Afnemers van diervoeder: de veehouderij

Karakterisering primaire sectoren

Afnemers of gebruikers van diervoeder zijn diegenen die landbouwhuisdieren bezitten, ofwel de

boerenbedrijven. De volgende dierlijke productiesectoren zijn hierbij te onderscheiden:
∑ Pluimvee (leghennen, vleeskuikens en kalkoenen)
∑ Rundvee (melkvee, vleesvee)
∑ Kalveren
Varkens (fokbedrijven, vleesvarkensbedrijven).
In bijlage 2 is per sector een uitgebreidere karakterisering weergegeven.
37
Enkele belangrijke kengetallen en karakteriseringen van de verschillende primaire sectoren zijn
weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 3.1
Kenmerken van verschillende primaire sectoren die diervoeders gebruiken
Kenmerken Sector
Pluimvee Varkens Rundvee/melkvee Kalveren
Aantal primaire
Bedrijven
Circa 2500; waarvan
- 1126 vleeskuiken
- 1400 leg
Circa 17.000, waarvan
- 11508 vleesvarkens
Circa 41.000;
- 28.000 melkvee1
- 13.000 vlees
Circa 3.200
Tendens aantal
primaire bedrijven
Daling Daling Daling
Stijging
Totaal aantal landbouwhuisdieren
(X 1000 stuks)2
Pluimvee: 102.956
(50.127 vleeskuikens
42.726 leghennen
2.390 eenden/ kalkoenen)
11.153 4047 rundvee
1339 jongvee
1150 vlees, weide vee
1546 melk, kalfkoeien
12 stieren3
693
Voortgebrachte
producten
(x 1000 ton)
Kuikenvlees: 278
Kalkoenvlees: 41
Kip/hanenvlees: 37
Eieren: 9.6 miljard stuks
Varkensvlees: 685 Rundvlees: 287
Melk: 10.357 4
Kalfsvlees: 176
Aantal afnemers
binnenland
48 slachterijen
165 eierpakstations
25 slachterijen 8 slachterijen
13 zuivelondernemingen
6 slachterijen
Kwaliteitssysteem IKB kip IKB KKM
IKB rund
IKB en eigen systemen
van integraties
Mate van
ketenintegratie
Sterk Matig; veel handel
(in sommige gevallen
wel integratie tussen
mengvoederbedrijf en
slachterij)
Melkvee: sterk door
zuivelcoŲperaties. Matige
ketenintegratie vlees
Zeer sterk
Gevoeligheid dier
voor slechte
kwaliteit voer
Hoog Matig Laag Matig tot laag
Mengvoer-ruwvoer
verhouding
98-2 100-05 33-67 370 kg kalvermelk
300 kg maÔs6
Gebruik bijproducten Niet/zeer beperkt granen Vooral vochtrijke bijproducten
en reststromen
(1350 bedrijven met
brijvoerinstallaties)
Vooral enkelvoudige
voeders/geen reststromen
Niet
Zelfmengers Soms gedeeltelijk zelf
mengen vanwege te hoog
eiwitgehalte mengvoeder
Komt voor
(1350 bedrijven met
brijvoerinstallaties)
Niet aan de orde
(soms enkelvoudige
grondstoffen gemengd in
een mengwagen)
Niet aan de orde
Bron: PVE 2002, De Nederlandse vee, vlees en eiersector, tenzij anders aangegeven
______________
1 Opgave CBS/PZ 2001. In 2002 bedroeg aantal melkveebedrijven 26000.
2 Cijfers CBS, varkens & rundvee 2002, pluimvee 2001.
3 PVE/CBS 2001.
4 Betreft afgeleverde hoeveelheid melk aan melkfabrieken in Nederland.
5 Een gedeelte van het mengvoeder kan vervangen worden door bijproducten.
6 Om welzijnsredenen wordt aan kalveren maÔs gevoerd; dit bevat circa 30% droge stof.
38
Het meest opvallende in bovenstaande tabel is het verschil tussen de sectoren in mate van integratie
in de keten. De ketenintegratie is (zeer) sterk in de kalver- en pluimveesector, en het minst
in de rundvee- en varkenssector. Met integratie wordt bedoeld dat een bedrijf/integratie bestaat
uit meerdere bedrijven die actief zijn in alle schakels van de keten. Het voordeel van het opereren
in integraties is dat er zaken worden gedaan met vaste partners. Daardoor is het gemakkelijker
om te werken volgens vaste afspraken. Het verantwoordelijkheidsgevoel voor een veilig product
wordt hierdoor bevorderd, evenals de traceerbaarheid van de producten.
Tot slot zijn er tussen de sectoren verschillen in typen voer, waardoor ook de toeleveranciers van
diervoeders verschillen.
Gebruik van type voer per sector

In de varkenssector wordt met name mengvoeder of mengvoeder in combinatie met bijproducten

gevoederd. Er zijn in deze sector veel zelfmengers die zelf op het bedrijf de voedermiddelen (inclusief
bijproducten) mengen. In Nederland zijn er zo’n 1350 varkenshouderijen die brijvoer aan
varkens voeren; dit zijn de wat grotere bedrijven. Uit de interviews is gebleken dat circa 30% van
de in Nederland geslachte varkens ťťn of meerdere vloeibare bijproducten heeft gehad. Varkens
zijn weinig gevoelig voor afwijkingen in het voer.
Voor pluimvee geldt dat zo’n 98 % van het voer zuiver mengvoeder is, dit zijn vooral granen.
Pluimvee is uiterst gevoelig voor afwijkingen in het voer.
Voor het rundvee bestaat het voerpakket voor een derde uit krachtvoer (mengvoeder, maar ook
bietenpulp, bierbostel) en twee derde uit ruwvoer (gras, snijmaÔs) op basis van droge stof. Rundvee
is als gevolg van het complexe maag-darmstelsel weinig gevoelig voor eventuele afwijkingen
in het voer.
Voor de kalversector geldt dat de jonge dieren gevoed worden met melkpoeder, dat met water
aangemaakt wordt. Naarmate het dier wat ouder wordt, wordt maÔs om welzijnsredenen bijgevoerd.
Omdat bij jonge kalveren het maag-darm stelsel nog niet volledig is ontwikkeld, zijn ze gevoeliger
voor voerafwijkingen dan volwassen koeien.
Overige karakterisering dierlijke sectoren

Voor boeren maakt het voer een belangrijk deel uit van de kostprijs. Vooral bij varkenshouders

kunnen de voerkosten op dit moment nog bepalen of het bedrijf nog enigszins rendeert; hier vormen
de kosten van het voer zo’n 40-50% van de totale kosten. Bij melkvee vormen de kosten van
het mengvoeder zo’n 15-20% van de melkopbrengst. Bij pluimvee bedragen de voerkosten voor
vleeskuikens zo’n 50-60% van de totale kosten; bij leghennen ligt dit rond de 45-50%.
Doorgaans wordt door veehouders vastgehouden aan bestaande relaties met de voerleverancier
en wordt er weinig gewisseld. Relaties bestaan soms al sinds generaties.
Het komt regelmatig voor dat voer wordt voorgefinancierd, waarbij boeren pas na aflevering van
vee hun voerleverancier betalen. Vooral in de pluimveesector wordt veel voer voorgefinancierd. In
sommige gevallen hebben boeren soms aanzienlijke schulden bij hun voerleverancier (oplopend
tot € 100.000,-). Dit maakt het wisselen van leverancier niet gemakkelijk.
39
De grote groep primaire bedrijven in de verschillende dierlijke productiesectoren hebben te maken
met een klein aantal grote mengvoederbedrijven; het voer wordt niet of nauwelijks in collectief
verband ingekocht. Dit maakt de onderhandelingspositie zwak. Daarnaast hebben de primaire
bedrijven aan de afzetkant ook nog eens te maken met grote bedrijven, zoals slachterijen, melkverwerkers
en eierpakstations.
Economische situatie veehouderij

De primaire sector staat al jaren onder grote economische druk. In dat kader is de volgende tabel

illustratief.
Tabel 3.2
Gezinsinkomen uit bedrijf op landbouwbedrijven naar bedrijfstype (x €1.000,- per ondernemer)
varkensbedrijven pluiperiode melkvee- mvee
bedrijven fokbedrijven
vleesbedrijven
gesloten leghennen
vleeskuikens
landbouw
tot
1990/91 31,0 43,4 46,7 42,8 54,2 - 32,8
1991/92 25,8 62,0 53,0 60,3 43,7 - 30,2
1992/93 29,0 14,7 19,4 18,5 25,6 18,5 22,7
1993/94 26,2 -17,9 -1,6 -10,9 41,7 18,8 19,5
1994/95 26,5 15,9 18,1 21,3 -33,1 23,5 26,0
1995/96 21,3 28,8 14,4 33,6 38,8 14,0 22,3
1996/97 15,7 62,8 36,9 77,1 88,3 27,9 22,7
1997/98 28,0 56,7 22,2 57,1 44,7 33,6 30,9
1998/99 23,2 -46,0 -27,2 -46,9 -7,9 7,5 17,7
1999/00 20,4 0,2 -17,1 -7,2 20,9 -13,4 16,4
2000/01(r) 25,0 35,0 31,0 53,0 58,0 16,0 -
2001 (r) 25,0 21,0 9,0 25,0 39,0 37,0 -
2002(r) 19,0 -12,0 -29,0 -25,0 45,0 -38,0 -
Opvallend is dat het gezinsinkomen bij melkveebedrijven redelijk constant te noemen valt, terwijl
bij varkensbedrijven grote verschillen tussen de verschillende jaren zichtbaar zijn. Op basis van
de cijfers van 2002 wordt duidelijk dat met name de vleeskuikenproducenten en de varkensbedrijven
met een negatief gezinsinkomen onder druk staan.
3.5 Risicofactoren

De diervoedersector bestaat uit enkele grote en veel kleine voerleveranciers. Tussen deze voerleveranciers

bestaat verschil in mate van professionaliteit (houding en mentaliteit) en het niveau
van ‘kennis en kunde’ op het gebied van diervoederproducten en voedselveiligheid, hetgeen een
risico kan vormen.
Er zijn veel tussenschakels (grotendeels handelaren) actief in de diervoedersector. Dit speelt zowel
in de handel van grondstoffen, bijproducten als mengvoeder. Hierdoor is het soms moeilijk te
achterhalen wie de uiteindelijke voortbrenger is van een bepaald product. Dit wordt nog eens verder
bemoeilijkt door de vele mengpunten. Tevens zijn er hierdoor weinig directe contactmomenten
tussen producenten van diervoeders en de afnemers (boeren). Door diverse respondenten is
de term “spaghettistructuur” aangehaald. Vertegenwoordigers van de diervoedersector beweren
soms het tegenovergestelde; de structuur is juist heel inzichtelijk. Deels is dit juist. De diervoe40
derproducenten en in mindere mate de veehouderijen zijn relatief eenvoudig in kaart te brengen.
Het probleem zit met name in de voorschakels.
De veehouders, de afnemers van diervoeders, hebben zelf weinig kennis van diervoeding en
voedselveiligheid: ze vertrouwen op de adviseurs van mengvoederbedrijven. Veehouderijbedrijven
zijn vaak kleine bedrijven die te maken hebben met grote toeleveranciers, onderhandelingsmacht
is er niet. Ook is er onvoldoende massa om zelf analyses uit te kunnen voeren. Dit vormt
een risico.
De dierlijke sector is te typeren als een ‘bulkmarkt’, waarin zeer veel partijen actief zijn. Er is maar
een beperkt aantal merken. Imagobeschadiging van een merk zoals in de levensmiddelenindustrie
speelt hierdoor minder een rol.
De primaire sector en in iets mindere mate de diervoedersector staan zeker de laatste jaren economisch
onder druk. Diervoeder is een belangrijk bestanddeel van de kostprijs. Beide aspecten
kunnen een stimulans zijn op zoek te gaan naar goedkopere voedermiddelen, met mogelijkerwijs
een verhoogd risico voor het inzetten van niet-erkende of onbekende voedermiddelen.
In de varkenssector komen in vergelijking met andere sectoren de meeste risicofactoren bij elkaar.
Varkens zijn “alleseters” en zijn weinig gevoelig voor afwijkingen in het voer. Er worden veel bijproducten
gevoerd, waaronder ook incidentele stromen, die door zelfmengers worden gemengd.
De ketenintegratie in de varkenssector is zwak. Deze factoren worden nog eens versterkt door het
feit dat de varkenssector in vergelijking met andere sectoren economisch het meest onder druk
staat.
Kwantificering risicofactoren

Het is niet eenvoudig om bovenstaande risicofactoren in volgorde van belangrijkheid te ordenen.

Ze hangen sterk samen en versterken elkaar. Wel is onze indruk is dat de verschillen in mentaliteit
en het wisselende professionaliteitsniveau bij bedrijven in de diervoedersector zwaarwegende
risicofactoren zijn. Daarnaast is de aanwezigheid van vele tussenschakels en mengpunten een
belangrijke risicofactor omdat daardoor de diervoederketen intransparant wordt. De overige risicofactoren:
economische situatie en bulkmarkt zijn op zichzelf staand minder belangrijke risicofactoren
maar zijn zeker in combinatie met de andere factoren wel van belang.
41
4 Wet- en regelgeving en de kwaliteitssystemen
Het bedrijfsleven in de diervoederbranche heeft te maken met zowel Europese richtlijnen, nationale

wetten als verordeningen vanuit het Productschap Diervoeder. In paragraaf 4.2 gaan we
hierop nader in. De handhaving van de wetten is onderwerp van paragraaf 4.3. Op voorhand tekenen
we aan dat door het gekozen toezichtmodel de handhaving door het PDV en daarmee samenhangend
de overheid (het PDV voert immers taken in medebewind uit) weinig intensief is.
Wel hebben diverse respondenten de verwachting uitgesproken dat de handhaving van overheidswege
met de inwerkingtreding van de Kaderwet diervoeders (paragraaf 4.5) geÔntensiveerd
zal worden. Vooruitlopend daarop verrichten enkele organisaties ook al taken in dat verband. De
kwaliteitssystemen (met name GMP) zijn aan de orde in paragraaf 4.4. Het hoofdstuk sluit af met
een beschrijving van een aantal toekomstige ontwikkelingen op het gebied van de wet- en regelgeving
(waaronder de Kaderwet diervoeders).
4.1 Wet- en regelgeving

De wetgeving op het gebied van diervoeders is sterk Europees georiŽnteerd. Sinds de oprichting

van de Europese Gemeenschap is in Europees kader een groot aantal richtlijnen vastgesteld op
het gebied van diervoeder. In de Europese wetgeving is een aantal hoofdthema’s te onderscheiden1:
∑ Bemonsterings- en analysemethoden (RL 70/373)
∑ Toevoegingsmiddelen (additieven, RL 70/524)
∑ Handel in mengvoeders (RL 79/373)
∑ Erkenning en registratie van bedrijven (RL 96/69)
∑ Verboden stoffen (RL 96/22 en 96/23)
∑ Handel in voedermiddelen (RL 96/25)
∑ Identificatie en registratie van dieren (VO 1760/2000).
De Europese richtlijnen zijn door het Productschap Diervoeder (PDV) omgezet in een aantal nationale
verordeningen.
______________
1 Voor een verdere uitwerking verwijzen we naar bijlage3.
42
Het PDV is een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, die is ingesteld op verzoek van het Nederlandse bedrijfsleven
in de diervoedersector. Het schap richt zich op de gehele Nederlandse diervoederkolom1. Wat betreft
de aard van de taken van het Productschap Diervoeder (PDV) wordt onderscheid gemaakt in autonome
taken en taken in medebewind.
Het schap heeft de bevoegdheid naar eigen inzicht zaken te regelen en te besturen, de zogenaamde autonomie.
Deze taak kan zowel beleidsbepalend als regelend van aard zijn en bestaat vooral uit het uniformeren
en reguleren (in de vorm van verordeningen of besluiten) van gemeenschappelijke belangen van het bedrijfsleven
in de diervoedersector, zoals bijvoorbeeld het stellen van nadere kwaliteitseisen 2.
Onder medebewind wordt verstaan het medewerken van lagere rechtsgemeenschappen aan de uitvoering
van ‘hogere’ regelingen. Dit kan leiden tot een verordening, waarin deze regelingen nader worden uitgewerkt.
Het PDV voert, onder verantwoordelijkheid van het ministerie van LNV, het indirecte medebewind over de
omzetting van Europese Verordeningen in nationale wetgeving. Indirect, aangezien de wettelijke basis hiervoor
ontbreekt.
De belangrijkste nationale verordening is de Verordening Diervoeders 1998. Deze basisverordening
heeft een aantal voorgaande afzonderlijke verordeningen vervangen en geÔntegreerd. Deze
basisverordening bevat een aantal specifieke onderdelen:
∑ Erkenning en registratie van bedrijven en tussenpersonen
∑ Ongewenste stoffen
∑ Etikettering
∑ Additieven.
In bijlage 3 worden deze onderdelen van de verordening nader beschreven. Behalve bovengenoemde
basisverordening hebben de bedrijven in verschillende schakels van de keten ook te
maken met aanpalende wetgeving zoals bijvoorbeeld de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren,
de Diergeneesmiddelenwet en de Warenwet.
Oordeel over de wet- en regelgeving

De wet- en regelgeving werd door de betrokkenen doorgaans als gegeven beschouwd en weinig

ter discussie gesteld. Doorgaans heeft men de indruk dat met de huidige wetgeving de veiligheidsrisico’s
in de belangrijkste (bulk-)stromen van het diervoeder goed zijn afgedekt. De wetgeving
op het gebied van afvalstoffen uit de levensmiddelenindustrie daarentegen wordt door veel
respondenten nog onduidelijk gevonden. Wanneer is een product een afvalstof en wanneer is het
een geschikt voedermiddel voor dieren?
De bepalingen met betrekking tot ongewenste stoffen wordt door sommige respondenten niet logisch
gevonden. Gesteld wordt dat voor sommige stoffen in diervoeder strengere normen dan
voor humane voeding. “Snoepgoed waarin gelatine is verwerkt mag niet als diervoeder worden
gebruikt omdat hierin dierlijke eiwitten zitten, terwijl het wel voor humane consumptie geschikt is
verklaard.”
Verder is opgemerkt dat voor de meeste mycotoxinen (behalve voor aflatoxine en DON) nog
geen wettelijke normen zijn vastgelegd. Bovendien bleek uit de deskresearch dat er binnen de
EU nog niet op uniforme wijze wordt omgegaan met de analytische meetonzekerheid3. Tot 1 au-
______________
1 Bron: website PDV.
2 Bron: Bundel ‘Diervoederwetgeving in Nederland, deel 1 algemeen’, van het Productschap Diervoeder, Den Haag.
3 Bron: Mycotoxinen staan wereldwijd op de kaart, door Annemarie Barbier-Schenk, VMT 14 maart 2003, nr 6, pag
39-40
43
gustus 2003 lag de wettelijke limiet voor aflatoxine B1 bij 2 microgram/kg, maar in Nederland
wordt pas actie ondernomen bij gehaltes hoger dan 2,6 microgram/kg1. In andere landen kan de
actiegrens hoger of lager liggen. Dit kan tot gevolg hebben dat pinda’s in de haven van Rotterdam
worden afgekeurd vanwege een te hoog aflatoxinegehalte, maar dat ze via een haven in een
andere EU lidstaat toch de Europese Unie binnenkomen. Door vrije handel binnen de EU kunnen
ze dan op een indirecte manier Nederland binnen komen. Bij de EU zelf is men overigens van
mening dat de mogelijkheden om verontreinigde partijen die in het ene land zijn afgekeurd via
een ander land alsnog binnen te krijgen beperkt zijn. Het zogenaamde ‘portshopping’ is te voorkomen
doordat via het Rapid Alert System melding wordt gemaakt van partijen die niet in de haak
zijn. Zodra een partij in ťťn van de lidstaten wordt afgekeurd, wordt dit gemeld aan de andere
landen. Indien de partij vervolgens in een ander land wordt aangeboden wordt dit geregistreerd.
Enkele respondenten vinden de discussie over de hoeveelheid toegestaan residu in voedermiddelen
soms doorslaan. De mogelijkheden om aan te tonen dat een voedermiddel een bepaalde
(hoeveelheid van de) stof bevat, nemen steeds verder toe. Zo kunnen bijvoorbeeld door steeds
geavanceerdere methoden minuscule hoeveelheden verboden stoffen worden gevonden, die in
de optiek van de respondenten geen (grotere) gezondheidsrisico’s opleveren. Deze producten
moeten echter worden vernietigd, omdat de nultolerantie wordt gehanteerd: de stof mag er niet in
zitten.
Tijdens de interviews zijn door de brancheorganisaties opmerkingen geplaatst over de maatregelen
die de overheid heeft genomen naar aanleiding van de incidenten. Deze maatregelen waren
volgens sommige respondenten meer gebaseerd op paniekreacties dan op wetenschappelijk bewezen
risico’s voor de volksgezondheid. “Vele bedrijven werden geblokkeerd terwijl de risico’s
voor de voedselveiligheid nihil zijn geweest.” Ook de Centrale Organisatie voor de Vleessector is
deze mening toegedaan2. “De discussie over voedselveiligheid wordt te veel bepaald door emotie
en te weinig door wetenschappelijke ratio. Het is de perceptie die regeert. Wetenschappelijk is er
geen reden om diermeel in het voer voor varkens niet toe staan. Maar omdat de supermarkt dat
niet wil, wil ook de slachterij geen vlees van varkens die zijn gevoerd met diermeel. Ook bij de
MPA-affaire was de voedselveiligheid niet in het geding. Er is nooit een risico geweest voor de
volksgezondheid.”
Ten slotte worden in de interviews ook enkele opmerkingen gemaakt over de wetgeving betreffende
zelf voermengende veehouders. De zelfmengers moeten zich wel aan de Europese eisen
rondom additieven houden die zij aan het voer mogen toevoegen. “Maar voor de rest worden aan
hen geen wettelijke kwaliteitseisen gesteld”.
Naleving van de wet- en regelgeving

Door meerdere respondenten is aangegeven dat door de grote economische druk in alle schakels

van de keten, de naleefbaarheid van de regels minder makkelijk wordt. “Als de marges onder
druk staan, neemt de kans op overtredingen toe.” Ook wordt gezegd: “de neiging om naar goedkopere
oplossingen te zoeken is groter als de afzetmarkt afneemt. Zo komt het voor dat sommige
boeren een nieuw voedingssupplement graag op proef afnemen als dit aan de deur gratis wordt
______________
1 Vanaf 1 augustus 2003 gelden nieuwe normen voor aflatoxine B1. Voor voedermiddelen en volledig diervoeder
bestemd voor melkvee ligt de norm op 0,005 mg/kg, voor volledig diervoeder bestemd voor runderen op 0,05 mg/kg
en voor volledige diervoeders voor varkens en pluimvee op 0,02 mg/kg (Bron: Productnormen GMP-regeling diervoedersector,
PDV, juli 2003.
2 Visie van de heer van der Pelt, COV, Zoetermeer, in het Jaarverslag van het PDV, 2002.
44
aangeboden. Ze voeren dit vervolgens aan de dieren, zonder dat ze weten wat er eigenlijk in zit
en nagenoeg niets weten van het bedrijf dat het product aanbiedt.“
Aan de andere kant is beeld dat “het een rommeltje is in de veevoedersector” volgens de meeste
betrokkenen onjuist: “Veevoederbedrijven kunnen zich het ook niet veroorloven om niet volgens
de regels te handelen: als je betrokken bent bij een affaire dan ben je weg.” Dit neemt uiteraard
niet weg dat bedrijven soms (bewust dan wel onbewust) de marges zoeken. Zo hebben enkele
respondenten de indruk dat in de veevoederindustrie soms wordt gemengd met het doel om zich
van bepaalde stoffen te ontdoen. “Ze hebben er moeite mee verontreinigd veevoeder te vernietigen.
De eerste reactie is om een dergelijke partij liever weg te mengen in andere grote partijen,
waardoor het wel onder de wettelijke norm komt te liggen”.
4.2 Handhaving van de wet- en regelgeving

Bij de controle op de wet- en regelgeving zijn verschillende instanties betrokken. Deze worden in

deze paragraaf kort beschreven.
Voedsel en Waren Autoriteit

De VWA is op 10 juli 2002 ingesteld met als doel burgers een blijvend, hoog niveau van gezondheidsbescherming

te bieden. De VWA is een toezichthoudende, beleidsadviserende en uitvoerende
organisatie en is sinds het aantreden van het Kabinet Balkenende II een agentschap van
het ministerie van LNV. Als agentschap maakt de VWA deel uit van de rijksoverheid en valt zij
volledig onder de ministeriŽle verantwoordelijkheid. De VWA voert in opdracht van de ministers
van VWS en LNV taken uit op de terreinen van voedsel- en productveiligheid en daarmee samenhangende
gebieden, zoals consumenteninformatie, diergezondheid en dierenwelzijn. Daarnaast
heeft de VWA een bijzonder mandaat gekregen met betrekking tot het toezicht op grond
van de Gezondheidswet. Onder meer op basis van deze wet heeft de VWA de bevoegdheid om
onafhankelijk toezicht te houden en onderzoek te doen op het gebied van volksgezondheid. De
VWA is tevens de bevoegde autoriteit om certificaten af te geven bij de export van dieren en producten
1. De VWA heeft twee werkmaatschappijen: Keuringsdienst van Waren (KvW) en Rijksdienst
voor de keuring van Vee en Vlees (RVV). Deze worden hieronder kort beschreven.
Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees

De RVV is als controle-instantie door het PDV aangewezen voor wat betreft de PDVdiervoederverordeningen.

Dat betekent dat de RVV controles uitvoert op de naleving van de normen
inzake ongewenste en verboden stoffen, maar ook op de erkennings- en registratievereisten
van (al dan niet GMP-erkende) bedrijven) in het kader van Richtlijn 95/69 EG. Verder is de RVV
belast met de importcontrole van voedermiddelen en de monitoring op ongewenste stoffen. De
RVV heeft ook als taak er op toe te zien dat bij de productie en handel in dieren en dierlijke producten
wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van volksgezondheid, diergezondheid en het
welzijn van dieren. Tevens draagt de RVV zorg voor de bestrijding van dierziekten. Voor de uitvoering
van deze taken verricht de RVV onder meer de volgende werkzaamheden:
∑ toezicht houden op bedrijfskeuringen
∑ toezicht houden op de naleving van voorschriften ten aanzien van hygiŽne en inrichting
∑ toezicht houden op de diervoeders en de invoer van de diervoedergrondstoffen
______________
1 Bron: VWA, Zichtbare risicoreductie, strategische ondernemingsvisie VWA, 2002.
45
∑ uitvoeren van inspecties en audits
∑ bestrijden van besmettelijke dierziekten.
De RVV controleert dagelijks in slachthuizen en bedrijven die vlees verwerken. Verder worden
controles uitgevoerd aan de buitengrens van de EU. In Nederland zijn de havens van Rotterdam
en Amsterdam en de luchthaven Schiphol de belangrijkste buitengrensinspectieposten. Deze invoercontroles
(op voedermiddelen van buiten de EU) kunnen bestaan uit een documenten- en een

fysieke controle. De analyses van de monsternames die in het kader van de fysieke controle kunnen
plaatsvinden worden door verschillende laboratoria geanalyseerd. Ook het toezicht op het
gebruik van dierlijke eiwitten gebeurt door de RVV.
Vanaf het inwerkingtreden van de Kaderwet diervoeders (zie paragraaf 4.3) heeft de RVV een
formele taak op het gebied van toezicht. Vooruitlopend daarop verricht de RVV reeds enkele activiteiten
in de diervoedersector.
1. Het zich voorbereiden op taken die voortvloeien uit de implementatie van de Kaderwet diervoeders.
Toezicht houden op bedrijven die geen GMP-erkenning hebben (vanaf 1 juli 2003). Het
PDV voert het toezicht op de GMP-erkende bedrijven uit (via door het PDV gecertificeerde

private controle-instellingen) en de RVV ziet ten behoeve van het PDV toe op de nieterkende
bedrijven. Darbij gaat het om de controle op de naleving van de diervoederregelgeving,
inclusief de eisen die voor erkenning en registratie gelden. Zodra de Kaderwet
diervoeders van kracht wordt verricht de RVV het toezicht op alle bedrijven, dus ook op
de GMP-bedrijven. Door middel van steekproefsgewijze fysieke controles, visuele inspecties
en administratieve controles ziet de RVV er straks op toe dat de productie voldoet
aan de wettelijke voorschriften. Deze controles bestrijken alle stadia van de
productie, de handel in en de opslag van producten.
Opleiden van toezichthouders.
2. Opstellen en uitvoeren van een Nationaal Plan Monitoring Diervoeders.
Sinds twee jaar stelt de RVV jaarlijks een monsternameplan op aan de hand waarvan monsters
worden genomen en geanalyseerd. De monsters worden geanalyseerd op onder andere
diermelen, additieven, dioxines en dergelijke. Hoeveel monsters en van welk voedermiddel
wordt bepaald door het beleid van het ministerie van LNV en de EU. Momenteel vinden extra
controles op dioxine plaats, omdat daar vorig jaar nieuwe normen voor zijn opgesteld. Aanleiding
voor deze nieuwe normen vormden diverse incidenten rond met dioxine besmette
voedermiddelen zoals citruspulp en vetten (zie bijlage 1). Gemiddeld wordt ongeveer tienmaal
per maand een verontreinigde partij diervoeder aangetroffen.
3. Beoordelen van meldingen uit het Rapid Alert Systeem.
De RVV neemt de meldingen die in dit kader worden gedaan in ontvangst, beoordeelt ze en
geeft vervolgens een advies over hoe te handelen aan de Directeur-Generaal van de VWA.
In dit verband voert de RVV ook enkele afgeleide taken uit zoals internationale vertegenwoordiging
en het begeleiden van internationale missies.
46
Keuringsdienst van Waren

De belangrijkste taak van de KvW is het controleren en bevorderen van de naleving van voorschriften

voor eet- en drinkwaren, consumentenartikelen en veterinaire zaken. Vanaf 2002 maakt
de KvW deel uit van de VWA. De handhavingsinstrumenten van de KvW zijn toezicht- en opsporingsinspecties,
monsteronderzoek en de eventuele toepassing van maatregelen in de vorm van
waarschuwingen en procesverbalen.
In onderstaande tabellen zijn de handhavingsactiviteiten van de KvW in 2001 weergegeven.
Tabel 4.1
Gerealiseerde bedrijfsinspecties 2001
Gerealiseerde bedrijfsinspecties 2001
levensmiddelen 96.047
non-food 10.045
veterinair/technologisch 9.804
import 1.800
Bron: Jaarverslag KvW 2001
Tabel 4.2
Percentage maatregelen naar aanleiding van inspecties 2001
Bestuurlijke boetes /
proces verbaal
Waarschuwing
levensmiddelen 4% 17,4%
non-food 10% 10,2%
veterinair/technologisch 4% 17,5%
Bron: Jaarverslag KvW 2001
Daarnaast behoren ook signalering (ten aanzien van bedreigingen voor de volksgezondheid) en
advisering (van de ministers van LNV en VWS) tot de taken van de KvW. De Keuringsdienst van
Waren toetst in het kader van additioneel toezicht ook of de controle door bijvoorbeeld Stichting
Kwaliteitsgarantie Vleeskalverensector (SKV), het Controlebureau Pluimvee en Eieren (CPE) of
voorheen de Keuringsdienst Diervoedersector (KDD) conform de regels gebeurt en wat het effect
van deze controle is in de bedrijven.
Algemene Inspectie Dienst

De Algemene Inspectie Dienst (AID) is de algemene inspectie- en opsporingsdienst van het ministerie

van LNV. De AID houdt toezicht op de naleving van bepaalde wetten en regels, door middel
van inspectie en controle. Daarnaast verricht zij opsporingsactiviteiten indien wordt vermoed dat
een strafbaar feit is gepleegd. Worden door toezichthouders fouten geconstateerd dan wordt de
zaak overgedragen aan de AID. De AID doet vervolgens onderzoek en kan indien strafbare feiten
worden geconstateerd het Openbaar Ministerie inschakelen en eventueel een proces verbaal opstellen.
Op jaarbasis worden door de AID ongeveer een kleine 100 onderzoeken ingesteld.
De AID bestaat uit drie regionale afdelingen en een overkoepelende dienst Opsporing. De afdelingen
zijn verdeeld over verschillende vakgebieden, waaronder het vakgebied diervoeder en
diergeneesmiddelen. De bevoegdheden van de dienst Opsporing en de regio's zijn verschillend.
De dienst Opsporing richt zich op de grote en georganiseerde zaken, de regio's pakken vooral de
relatief kleine opsporingszaken op.
47
Oordeel over de controle en handhaving

Door meerdere respondenten in de primaire sector en veevoederindustrie wordt opgemerkt dat er

veel instanties zijn betrokken bij de handhaving. “Instanties zoals de AID, RVV en KvW komen
allemaal na elkaar op bezoek.” Meerdere respondenten geven aan dat tussen deze organisaties
een betere afstemming nodig is over wie, welke controles wanneer uitvoert. Daarnaast wordt
aangegeven dat de controles op locatieadres zouden moeten plaatsvinden. Nu wordt per Uniek
Bedrijfs Nummer (UBN) gecontroleerd. Omdat sommige primaire bedrijven meerdere UBNnummers
hebben, kan het voorkomen dat controlerende instanties ook verscheidene keren op
bezoek komen. Ook zouden de verschillende soorten controles (voermonsters, urinemonsters en
bloedmonsters) vaker moeten worden gekoppeld.
De pakkans bij wettelijke overtredingen wordt over het algemeen als laag gepercipieerd. Dit hangt
volgens de respondenten samen met de intensiteit van de handhaving en de grote doorloopsnelheid
van het diervoeder. “Als de uitslag van een monster na enkele weken bekend wordt, is het
dier al geslacht en opgegeten. Maatregelen treffen is dan niet meer nodig.”
4.3 Kwaliteitszorg

Ook de bedrijven in de diervoederketens zelf zijn actief bezig met de kwaliteit van het voedsel.

Door de introductie van diverse kwaliteitssystemen is een belangrijke professionaliseringslag gemaakt.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de kwaliteitszorgsystemen die in de ketens worden
gehanteerd om de veiligheid van het voedsel te optimaliseren.
4.3.1 Gehanteerde kwaliteitszorgsystemen

In de diervoedersector zijn door het bedrijfsleven regels opgesteld over de eisen die zij stellen

aan de kwaliteit van veevoeder. De sector zelf werkt volgens het kwaliteitszorgsysteem GMP
(Good Manufacturing Practice). In voor- en achterliggende schakels in de keten werkt men dikwijls
met andere systemen zoals Hazard Analysis of Critical Control Points (HACCP), Integrale
Ketenbeheersing (IKB) en Keten Kwaliteit Melk (KKM). De bovengenoemde kwaliteitssystemen
worden hieronder nader toegelicht.
Good Manufacturing Practice

In 1992 ontwikkelde het PDV de GMP-regeling. Deze regeling is toegespitst op bedrijven die veevoeder

produceren, maar ook van toepassing op het transport, opslag en handel van veevoeder
en veevoedergrondstoffen. Het GMP is als het ware een vertaling van wettelijke voorschriften met
enkele bovenwettelijke elementen. Bedrijven zijn dan ook niet verplicht deel te nemen aan de
GMP-regeling. Toch is circa 95% procent van de Nederlandse leveranciers van mengvoeders en
bijproducten GMP-gecertificeerd.
grondstoffenfabrikanten
veevoederindustrie
boeren
slachterijen/
vleesverwerkende
industrie
detailhandel
GMP+ IKB/KKM HACCP
HACCP
en/of GMP+
hygiŽnecodes
op basis van
HACCP
48
Een bedrijf kan per vestiging meerdere GMP-erkenningen hebben: indien het meerdere activiteiten
ontplooit, zoals het mengen van diervoedermiddelen, het produceren van premixen of het
transporteren van diervoeders, heeft men voor elke activiteit een erkenning nodig. Bedrijven
wordt ťťn certificaat verleend, die geldt voor alle activiteiten van het bedrijf op die locatie. Op het
GMP-certificaat wordt melding gemaakt van deze activiteiten. Een intrekking van ťťn erkenning
hoeft dus niet voor alle activiteiten of vestigingen van het bedrijf te gelden. Indien men meerdere
erkenningen voor meerdere activiteiten heeft kan een bedrijf gewoon doorgaan met de overige
activiteiten. De beslissing over een al of niet GMP-erkenning van veevoederbedrijven werd tot
voor kort genomen door het PDV. Sinds 1 juli 2003 is de certificering in handen van onafhankelijke
instellingen.
De primaire aandachtsvelden van de GMP-regeling zijn het beheersen van:
∑ omgang met toevoegingsmiddelen en diergeneesmiddelen
∑ gehaltes aan ongewenste stoffen en producten
∑ hygiŽne/microbiologische gesteldheid.
In de GMP-regeling zijn diverse eisen geformuleerd op onder andere het gebied van etikettering,
opslag, transport en handelsnormen ten behoeve van voerleveranciers en handelaren. Buitenlandse
bedrijven die grondstoffen aan Nederlandse mengvoederfabrikanten leveren bijvoorbeeld
dienen te beschikken over een Quality Control (QC)-erkenning.
GMP+

Sinds 1999 is de regeling uitgebreid naar GMP+, waarin de bestaande GMP-regeling en de

HACCP-systematiek (zie hieronder) zijn geÔntegreerd. Deze aanpassingen waren mede het gevolg
van incidenten rond voedselveiligheid, waaronder dioxine in veevoeder (zie bijlage 1). De
GMP+ regeling houdt in dat veevoederbedrijven een bepaalde monsternamefrequentie in de
grond- en hulpstoffen van diervoeders moeten hanteren. De analyses van de genomen monsters
dienen te worden uitgevoerd door bekende laboratoria (die een labcode-erkenning hebben van
het PDV) met bekende analysemethoden.
HACCP

HACCP staat voor Hazard Analysis of Critical Control Points. Dit is een systematische methode

voor het identificeren van potentiŽle gevaren en het beoordelen van risico’s voor product en - veiligheid.
Tevens wordt gekeken hoe groot de kans is dat een risico optreedt en hoe ernstig de gevolgen
zijn (Hazard Analysis). Indien sprake is van een ernstig potentieel risico wordt gesproken
over een kritisch punt (Critical Control Point). Om een dergelijk risico te elimineren of tot een minimaal
niveau te reduceren dient een beheersmaatregel te worden opgesteld.
HACCP is een voor de Europese levensmiddelenindustrie - volgens de EU-richtlijn 93/43 - wettelijk
verplichte methode om de voedselveiligheidsrisico’s te beheersen. Daarnaast is HACCP een
internationaal geaccepteerde methodiek volgens de Codex Alimentarius Commissie van de
FAO/WHO (wereldvoedsel- en wereldgezondheidsorganisatie).
De volgende voorbeelden illustreren hoe het HACCP-systeem in de praktijk werkt. De risico’s
worden voornamelijk bepaald door het type voedermiddel en het land van herkomst. Indien granen
bijvoorbeeld uit Oost-Europa of Rusland komen, is de kans op residuen van bestrijdingsmiddelen
en PAK’s (Poly Aromatische Koolwaterstoffen) groter dan wanneer deze uit West-Europa
komen. Bij het gebruik van pinda’s als diervoeder daarentegen is de kans op een verontreiniging
met aflatoxine aanwezig, aangezien deze mycotoxine van nature reeds in deze voedermiddelen
49
voorkomt (zie ook bijlage 1). Een goede analyse onderkent de gevaren, beoordeelt de risico’s en
mondt uit in concrete maatregelen.
De waarborging van de voedselveiligheid staat en valt met een goede gevarenanalyse en met
voldoende kennis en kunde om deze op te stellen. Dit is een wezenlijk punt; immers als men een
potentieel gevaar niet inziet, kan men er ook geen beheersmaatregel voor inzetten. Een aantal
incidenten laat zien, dat een goede gevarenanalyse heeft ontbroken.
∑ Het incident met nitrofen in diervoeder is aan het licht gekomen, omdat een producent van
babyvoeding haar grondstoffen testte op de aanwezigheid van nitrofen. Dit bedrijf had het gevaar
van nitrofen wel geÔdentificeerd en als beheersmaatregel het laten uitvoeren van testen
opgesteld. Nitrofen is een bestrijdingsmiddel, dat in Oost-Duitsland werd gebruikt. Een tussenhandelaar
had granen opgeslagen in een opslaglocatie waar tot 1995 overbodige plantenbestrijdingsmiddelen
lagen opgeslagen. Deze handelaar had kunnen aanvoelen dat mogelijk
contaminatie met bestrijdingsmiddelen kon optreden maar heeft hiervoor geen beheersmaatregelen
opgesteld.
∑ Bij het incident rond dioxine in broodmeel was het verontreinigd voedermiddel afkomstig van
een drogerij uit het voormalige Oost-Duitsland. Het is bekend dat stoken met natte houtsnippers
kan leiden tot dioxinevorming. Het bedrijf maakte bovendien gebruik van een oude
drooginstallatie. De Nederlandse ontvangende partij heeft het broodmeel (zonder controle op
dioxine) doorverkocht aan andere mengvoerproducenten.
IKB en KKM

Begin jaren ’90 heeft het gezamenlijke bedrijfsleven in de veehouderij een systeem ontwikkeld

om de kwaliteit van vee, vlees en eieren te bevorderen en te garanderen: Integrale Keten Beheersing
(IKB). Producten met een IKB-logo komen van bedrijven en slachterijen waar wordt gecontroleerd
op het veevoeder, medicijngebruik, toediening van groeibevorderaars, de hygiŽne en
het transport. In verschillende IKB-regelingen is ook de monitoring van salmonella opgenomen
(zie ook bijlage 1). Deelname aan de IKB-regeling is vrijwillig. Bij de varkens- en kippensector is
ongeveer 80-90% van de totale productie IKB-erkend. In de rundvee- en kalverensector ligt dit
percentage op 100%. Hieruit blijkt dat, ondanks dat de kwaliteitszorgsystemen niet verplicht zijn,
toch vrijwel iedereen mee doet. Dit lijkt voornamelijk te komen door de betere afzetmogelijkheden
en de hogere prijs die voor erkende producten wordt betaald.
De Stichting Keten Kwaliteit Melk (KKM) is verantwoordelijk voor de kwaliteitsbeoordeling van
melkveebedrijven. Melkveehouders die KKM-erkend zijn dienen in het bezit te zijn van een kwaliteitshandboek.
Dit handboek bestaat uit verschillende modules gericht op dierenwelzijn, veevoeder,
melkopslag, medicijngebruik, hygiŽne en dergelijke. Veehouders die deelnemen aan
kwaliteitszorgprogramma’s zoals IKB of KKM mogen hun diervoeder alleen betrekken van leveranciers
met een GMP-certificaat.
Oordeel over kwaliteitszorgsysteem

Het GMP is een uitgebreid en ingewikkeld systeem, met een grote hoeveelheid aan technisch

complexe en steeds veranderende regels en normen. Diverse respondenten vinden het systeem
zeer goed en soms zelfs toonaangevend in de wereld. Benadrukt wordt dat met het systeem veel
is bereikt en dat het nog steeds wordt aangescherpt.
De respondenten zijn het er over eens dat het GMP-systeem helpt bij het beperken en beheersen
van risico's. Dit blijkt onder meer uit opmerkingen zoals “het zorgt voor een grotere bewustwor50
ding” en “het geeft een minimumgarantie voor de voedselveiligheid.” Het volledig uitsluiten van
risico’s is echter niet mogelijk. Meerdere respondenten geven aan dat moedwillige fraude niet valt
uit te sluiten.
Enkele respondenten noemen als neveneffect van het GMP-systeem dat alle schakels in de keten
elkaar blindelings vertrouwen. Indien een toeleverancier van diervoeder het GMP-certificaat
laat zien, worden door de afnemer doorgaans geen verdere vragen gesteld of controles ingesteld.
Men vertrouwt er volledig op dat de leverancier de kwaliteit van het voedsel goed heeft geregeld
en dit regelmatig controleert. Dit blinde vertrouwen zorgt er (mede) voor dat de verspreiding van
een verontreinigd diervoedermiddel heel snel kan gaan. In het geval van dioxine in broodmeel
kochten vele Nederlandse bedrijven dit van een bedrijf uit Borne: dit bedrijf was GMP+ gecertificeerd.
Daarbij wordt opgemerkt dat de ‘tracking en tracing’ van een partij verontreinigd voer nog
niet optimaal is aangezien de diervoedersector (nog) niet werkt met unieke bedrijfsnummers.
Tussen de productschappen van de primaire sector en het PDV is hierover overleg geweest en
vermoedelijk wordt dit binnenkort aangepast.
Door sommige respondenten wordt opgemerkt dat de regeling wel erg gedetailleerd is. “De vraag
doet zich voor of bedrijven het nog wel kunnen behappen.” Uit de interviews is gebleken dat een
groot aantal veevoederproducenten externe kennis heeft ingehuurd om hun GMP+ systeem op te
zetten. Het is positief dat deze bedrijven hebben ingezien dat zij zelf te weinig kennis aanwezig
hadden. Of de methodiek en denkwijze daarmee ook bij de bedrijven zelf volledig is geÔmplementeerd,
met andere woorden of men het ook zelf “tussen de oren heeft en ernaar handelt”, is in
sommige gevallen de vraag. Het gaat tenslotte om de mentaliteit van het bedrijf en niet zozeer
om het wel of niet hebben van een handboek.
Om een goede gevarenanalyse te kunnen maken zou de bron of herkomst van de voedermiddelen
bekend moeten zijn. Grotere mengvoerbedrijven kopen om die reden vaak zonder tussenhandel
hun voedermiddelen in of steeds meer en gaan ter plekke kijken hoe hun toeleveranciers
werken en welke gevarenanalyses deze hebben gemaakt. “Voordat wij met een leverancier in
zee gaan, wordt een bedrijfsbezoek afgelegd teneinde de producten en het productiesysteem te
beoordelen. Ook al is het betreffende bedrijf gecertificeerd dan toch wordt een bezoek afgelegd.
Een GMP-certificaat is namelijk niet alleszeggend, het ene GMP-bedrijf is het andere niet”.
Het GMP-systeem gaat niet in alle gevallen helemaal terug naar de oorspronkelijke producent.
Vanaf een bepaald moment - dat wisselt per product - moet een product aan de GMP-regels voldoen.
Voor de meeste soorten granen is dit bijvoorbeeld het laadpunt in de haven van het land
van herkomst. Precieze gegevens over alles wat er met het product vůůr dat startpunt is gebeurd
(teelt, opslag, transport), zijn dan niet bekend. De normen voor buitenlandse bedrijven (QC) zijn
volgens meerdere respondenten minder uitgebreid dan GMP. Op de website van het PDV wordt
alleen de naam van het erkende bedrijf gemeld. Het is dan niet altijd duidelijk om welke diervoederproducten
het dan gaat. Het PDV is zich hiervan bewust en heeft een voorstel ingediend bij
het bestuur om in de toekomst daarbij ook de betreffende producten te vermelden.
Internationale vergelijking

Omdat veel voedermiddelen worden geÔmporteerd, is de vraag gerechtvaardigd hoe andere landen

de kwaliteit van de productie waarborgen. Uit de interviews blijkt dat BelgiŽ, Duitsland en
Groot-BrittanniŽ vergelijkbare systemen als GMP hebben. Deze systemen zijn door de FEFAC
(internationale organisatie voor diervoeders) onderling vergeleken. In BelgiŽ heet het systeem
ook GMP, in Duitsland is het Q&S systeem. Beide systemen lijken sterk op het Nederlandse
51
GMP+ systeem. In Groot-BrittanniŽ is er een iets ander systeem (van de UFAS). Dit is sterker gericht
op resultaatverplichtingen in plaats van inspanningsverplichting zoals bij GMP. In Spanje,
ItaliŽ en Griekenland loopt het niet goed met het invoeren van GMP-achtige systemen. Veel landen
zien het Nederlandse GMP+ systeem als een zeer goed voorbeeld.
Buitenlandse leveranciers van grondstoffen dienen QC-erkend te zijn; deze erkenning is minder
zwaar dan een GMP+-certificaat. Voor buitenlandse producten is het GMP-systeem afgebakend
tot verlading in de haven of producent; de stap ervoor (de teelt) is om praktische redenen soms
buiten het systeem gehouden. Dit maakt de keten niet 100% sluitend.
Naleving kwaliteitszorgsysteem

Meerdere respondenten signaleren een verschil in de mentaliteit van mengvoederfabrikanten in

hoe serieus wordt omgegaan met de kwaliteit. “Als veevoederleverancier moet je eigenlijk meer
doen dan dat de regels voorschrijven. Hoewel de meeste bedrijven zich hiervan bewust zijn, doet
een klein aantal bedrijven niet meer dan verreist en noodzakelijk is.”
Veel mengvoederbedrijven zijn zich er van bewust dat ze in een keten opereren en hebben de
kwaliteitszorg goed geregeld. Vaak waren zij al voorloper op het gebied van kwaliteitszorg. Dikwijls
hebben zij een eigen kwaliteitssysteem ontwikkeld omdat zij het GMP niet ver genoeg vinden
gaan en checken zelf de kwaliteitswaarborging bij hun grondstoffenleveranciers.
Ook wordt opgemerkt dat het GMP-systeem voor andere veevoederbedrijven “een noodzakelijk
kwaad is: het kost ze veel geld.” De investeringen en administratieve lasten voor bedrijven zijn
relatief hoog. “Er worden wel heel veel verklaringen gevraagd. Daarnaast komen regelmatig diverse
instanties over de vloer die er op toe zien of alles naar behoren gebeurt. Dit kost behoorlijk
wat tijd.” Terwijl grotere veevoederbedrijven een aparte kwaliteitszorgmanager in dienst hebben
die hiermee fulltime bezig is, schakelen kleinere veevoederbedrijven dikwijls een extern adviseur
in om hen over het kwaliteitszorgsysteem te adviseren.
4.3.2 Borging van het systeem

De Keuringsdienst Diervoedersector (KDD, onderdeel van PDV) voerde tot 1 juli 2003 periodiek

controles uit op de naleving van het GMP-systeem. Het juridisch kader voor de uitvoering van de
controles was voorzien in de Verordening PDV Controle Diervoedersector 1998. Het KDD beschikte
over een aantal instrumenten zoals administratieve controles, eigen waarnemingen en
monsterneming. Op basis van de beoordeling van het KDD verleende het PDV een registratie of
erkenning. Er zijn verschillende typen controles te onderscheiden.
Controle op de basiskwaliteit
Het toezicht op de wettelijke eisen, opgenomen in verordeningen van het PDV, werd de controle

op de basiskwaliteit genoemd. Hiervoor hadden onder meer visuele controles plaats op
de naleving van de regelingen met betrekking tot toevoegingsmiddelen, etikettering en hygiŽne.
Het nemen van monsters maakte deel uit van deze controle. De uitkomsten werden gerapporteerd
aan het PDV. Zware of herhaalde overtredingen werden tevens gemeld aan de
AID of de RVV.
Controle GMP en GMP+
De GMP-erkende bedrijven werden ten minste een keer per jaar geaudit. Hierbij werden de

bovenwettelijke eisen aan een veilig productieproces van diervoeder getoetst. De resultaten
worden gerapporteerd aan het PDV dat besliste over de verlening, verlenging of intrekking
van de erkenning.
52
Het aantal controles van de KDD is weergegeven in de volgende tabel.
Tabel 4.3
Controles KDD
Soort controle Afgelegde bezoeken in 2001
Basiskwaliteit, waarvan:
∑ onaangekondigd 957
∑ in combinatie met GMP 658
∑ specifiek (extra bezoeken voor monstername) 359
GMP-audits 881
Bron: Jaarverslag PDV 2002
Uit de audits van het KDD kwamen al dan niet opmerkingen naar voren die leidden tot een waarschuwing
en mogelijk tot schorsing of zelfs intrekking van het certificaat. Dit was geheel afhankelijk
van de inschatting van de auditor. Sinds 2003 zijn de beoordelingscriteria verscherpt. De
aanscherping zit vooral in het gebruik van vaste checklisten, die er voorheen niet waren. Verder
is het KDD afgeschaft en binnen het PDV het Bureau CoŲrdinatie Diervoedercertificatie en -
controle (BCD) opgezet die de coŲrdinatie over de onafhankelijke certificerende instellingen
(hierna ook wel CI’s genoemd) leidt en interpretatieverschillen tracht te voorkomen. De daadwerkelijke
controle en het beoordelen van de GMP-bedrijven ligt niet in handen van het BCD maar
wordt door de certificerende instellingen zelf gedaan.
Vanaf 1 juli 2003 verrichten de CI’s twee keer per jaar een audit waarvan minimaal 1 keer aangekondigd.
Tijdens deze audits wordt onder meer gekeken of de administratie goed wordt bijgehouden
(met name de inkoop- en leveringsgegevens), of de documentatie in het GMP-handboek in
orde is (is bijgehouden wanneer welke zelfanalyses zijn gedaan) en wordt ook gekeken naar de
hygiŽne in de fabriek: worden de silo’s goed schoongemaakt, zitten er veel vogels, etc.
Het sanctiebeleid op een overtreding van de GMP-regels is per 1 juli 2003 eveneens aangepast.
Indien bij een audit wordt geconstateerd dat iets niet in orde is (de lichtste categorie 3 overtreding)
dan heeft het bedrijf tot de volgende audit (circa een half jaar) de tijd om de tekortkomingen
op te lossen. Indien een categorie 2 overtreding is geconstateerd dan heeft men zes weken om
de zaken in orde te maken. Bij een ernstige overtreding van de eerste categorie moet het probleem
binnen twee weken zijn opgelost. Is dit niet het geval dan wordt het bedrijf geschorst. De
maximale termijn voor de schorsing is drie maanden. Een schorsing betekent een tijdelijke intrekking
van het certificaat. Het betekent ook dat het bedrijf in plaats van een keer per half jaar nu iedere
maand gecontroleerd gaat worden. Indien het certificaat wordt ingetrokken dan is een bedrijf
een jaar lang uit de roulatie en moet het daarna weer opnieuw het certificaat aanvragen.
Oordeel over pakkans en sanctiebeleid

De pakkans en sancties op overtredingen van het GMP-systeem worden als laag ervaren. Doorgaans

wordt volstaan met een waarschuwing en extra controle. De zwaarste sanctie (het intrekken
van het GMP-certificaat) wordt volgens meerdere respondenten zelden toegepast. Overigens
wordt intrekking van het certificaat door veevoederbedrijven als een zeer zware sanctie gezien.
“Het betekent dat een bedrijf heel snel out-of-business zal zijn. Het is dan bijzonder lastig een afzetmarkt
voor je producten te vinden.” De handhaving van de IKB, KKM en SKV regels lijkt over
het algemeen als strenger te worden ervaren dan die van het GMP (vier keer per jaar controle en
strengere sancties op overtreding van wettelijke eisen door middel van tuchtrecht).
53
Bovenstaande handelt uiteraard vooral over de situatie voor de aanscherping van de controlesystematiek.
In hoeverre de nieuwe situatie van invloed is op het denken over de pakkans en de
sanctionering zal moeten blijken. Volgens een van de certificerende instellingen zelf is de naleving
van de regels verbeterd nu de controle op het GMP+-systeem naar de CI’s is gegaan. In het
verleden heeft de KDD nog wel eens te maken gehad met capaciteitsproblemen waardoor controles
minder vaak werden uitgevoerd. Vanaf 1 juli 2003 is de controlefrequentie opgeschroefd.
Op basis van ervaringen uit het verleden constateren diverse gesprekspartners dat de kwaliteit
van de auditors bij de controlerende instellingen sterk wisselt. Enkele respondenten uit de diervoedersector
hebben het gevoel dat zij de auditor soms zelf moeten opleiden. Tevens wordt aangegeven
dat de auditoren van de CI’s minder expert zijn op het gebied van veiligheidsrisico’s in
diervoeder dan de vroegere controleurs van de KDD.
4.4 Toekomstige ontwikkelingen regelgeving

Zowel op nationaal als op Europees niveau zijn enkele belangrijke ontwikkelingen te constateren

op het gebied van wet- en regelgeving. Op het niveau van Europa gaat het vooral om de General
Food Law.
Op nationaal niveau speelt de Kaderwet diervoeders een belangrijke rol. Beide kaderstellende
wetten worden hieronder nader beschreven.
General Food Law

Op 28 januari 2003 heeft het Europees Parlement een verordening (178/2002) goedgekeurd om

te komen tot een General Food Law (GFL), die naar verwachting per 1 januari 2005 van kracht is.
De GFL is een brede, kaderstellende wet inzake voedselveiligheid en gezondheid. Onderdelen
hiervan zullen nog worden uitgewerkt in toekomstige (deel-)verordeningen, zoals bijvoorbeeld de
hygiŽne in bedrijven.
Het doel van de GFL is de levensmiddelenwetgeving binnen de Europese Unie te standaardiseren.
De werksfeer van deze nieuwe wet is de gehele voedselketen. In de Verordening 178/2002
is opgenomen dat de nationale overheden voor 2007 de principes van risicoanalyse, -
management en -communicatie in hun nationale wetgeving moeten hebben vastgelegd. Dit betekent
dat de HACCP-principes (zie paragraaf 4.2.1) door alle schakels in de keten gehanteerd
moeten worden. Ook voor de reststromen uit de levensmiddelenindustrie die als diervoeder worden
verwerkt, wordt het verrichten van een risicoanalyse straks verplicht. De Europese HygiŽne
Verordeningen bepalen onder meer dat een bedrijf een op HACCP-gebaseerde systeemcontrole
nodig heeft voor alle producten die worden gebruikt voor diervoeders.
HygiŽne Verordeningen

Op Europees niveau is de laatste jaren een algemene ontwikkeling zichtbaar dat richtlijnen worden

omgezet in aparte verordeningen over bijvoorbeeld de controle, registratie, etikettering, ongewenste
stoffen en hygiŽne. Deze verordeningen zijn bindend en rechtstreeks toepasselijk in
elke lidstaat: zij hoeven niet in nationale wetgeving te worden omgezet. Zo gaat de Europese
Commissie bijvoorbeeld de bestaande 17 richtlijnen op het gebied van hygiŽne reorganiseren tot
drie verordeningen. Bij deze verordeningen is de General Food Law het uitgangspunt.
In verordening 1 zijn de algemene hygiŽnevoorschriften voor alle levensmiddelen vastgelegd.
Verordening 2 omvat specifieke voorschiften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Ook de
54
eisen waaraan producenten van dierlijke oorsprong moeten voldoen zijn via zes secties in de
tweede verordening ondergebracht. Zo wordt onder meer ingegaan op eisen aan de bouwtechnische
staat, hygiŽne, opslag, vervoer en rijping van het vlees, voedermiddelen en etikettering. In
verordening 3 wordt de organisatie van officiŽle controles van producten van dierlijke oorsprong
vastgelegd. Met de eerste twee verordeningen hebben de lidstaten inmiddels ingestemd, de derde
wordt momenteel besproken. Op zijn vroegst begin 2005 worden deze drie verordeningen van
kracht.
Voorzorgprincipe

De huidige Europese regelgeving is vooral gebaseerd op het ‘
ja, mits’ principe. Momenteel kunnen
alle voedermiddelen in principe worden gebruikt in diervoeder tenzij dit expliciet verboden is.
Deze benadering is echter niet geschikt voor voedermiddelen waarvan niet zonder meer kan
worden aangenomen dat zij te allen tijde vrij zijn van ongewenste componenten. Het betreft hier
vooral voedermiddelen die worden verkregen uit reststromen die vrij komen in bijvoorbeeld het
slachtproces of bij de bereiding van levensmiddelen. Voor deze categorie voedermiddelen wordt
getracht te komen tot een ‘nee, tenzij’ principe. Dergelijke voedermiddelen mogen pas worden
verwerkt in diervoeder als vooraf is aangetoond dat zij veilig zijn. Het uitvoeren van een risicoanalyse
(volgens HACCP richtlijnen) maakt hiervan deel uit. Op Europees niveau wordt daarom
gewerkt aan een nadere concretisering van dit voorzorgprincipe. Hierbij dienen concrete aanwijzingen
voor het bestaan van mogelijke risico’s het uitgangspunt te zijn.
Kaderwet diervoeders

In december 2001 is het wetsvoorstel
Kaderwet diervoeders aan de Tweede Kamer aangeboden.
De behandeling is echter door de val van het kabinet Kok en vervolgens het kabinet Balkenende
aangehouden. Op 22 april 2003 heeft de Tweede Kamer op hoofdlijnen ingestemd met de inhoud
van de Kaderwet diervoeders. Het wetsvoorstel ligt nu in de Eerste Kamer en wordt naar verwachting
medio 2004 geÔmplementeerd.
Alle elementen van de Europese diervoederregelgeving (thans nog opgenomen in verordeningen
van het PDV) zijn in dit wetsvoorstel verwerkt. Puur inhoudelijk heeft de Kaderwet diervoeders
weinig consequenties. De voornaamste verandering die de wet met zich mee brengt is de herijking
van overheidstaken. De afgelopen jaren is gewezen op de noodzaak van een heldere afbakening
van verantwoordelijkheden tussen overheid, Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties
(PBO’s) zoals het PDV en het bedrijfsleven op het punt van de veiligheid van voedsel. De nieuwe
Kaderwet diervoeders dient te voorzien in een adequate wettelijke basis om effectief optreden
van de Rijksoverheid te waarborgen. De Kaderwet diervoeders brengt de regelgevende en uitvoerende
taken met betrekking tot de volksgezondheid en diergezondheid en implementatie van
EU-regelgeving onder regie van de rijksoverheid. PBO’s kunnen wel betrokken blijven bij de implementatie
van regelgeving (medebewind).
De bevoegdheid tot het nemen van bestuursrechtelijke maatregelen met betrekking tot diervoeder
ligt nu nog bij het PDV. Zij kan maatregelen nemen om bijvoorbeeld producten uit de handel te
nemen of een recall van een verontreinigde partij voedermiddelen te eisen. Meerdere respondenten
geven aan dat dit in het verleden echter zelden is gebeurd. Daarom noemen zij ook als voordeel
van de Kaderwet diervoeders dat de overheid (LNV/VWA) straks de mogelijkheid krijgt
om in te grijpen als overtredingen worden gesignaleerd. De nieuwe situatie betekent een uitbreiding
van de taken van de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV), de Algemene

55
Inspectie Dienst (AID) en de Keuringsdienst van Waren (KvW): zij worden betrokken bij het toezicht
op de naleving van de Kaderwet diervoeders.
De RVV ziet nu reeds toe op de niet-GMP-erkende bedrijven. Na de implementatie van de

Kaderwet diervoeders wordt de RVV verantwoordelijk voor de controles van de wettelijke eisen
aan het diervoeder op alle diervoederbedrijven. In principe toetsen de CI’s dan alleen
nog maar de bovenwettelijke (GMP/HACCP) eisen. De Kaderwet diervoeders biedt echter de
mogelijkheid om er rekening mee te houden dat een producent deelneemt aan een privaat bedrijfscontrolesysteem.
Indien een bedrijf deelneemt aan een dergelijk kwaliteitszorgsysteem (zoals
het GMP+), kan de intensiteit en frequentie van de controle door de overheid omlaag. Dit mits
het systeem voldoet aan de door het ministerie van LNV te stellen eisen.
Oordeel over de Kaderwet diervoeders

De verschuiving van verantwoordelijkheden richting de overheid wordt door de geÔnterviewden

over het algemeen niet als ongunstig ervaren. Meerdere respondenten zijn van mening dat het
toezicht in de oude situatie niet voldeed. Hoewel er met de invoering van de Kaderwet diervoeders
er in wezen inhoudelijk niets verandert in de regelgeving richting bedrijven, wordt het
concentreren van de verantwoordelijkheden bij ťťn instantie als positief ervaren. Wel wordt
opgemerkt dat de Kaderwet diervoeders voor de overheid beperkte mogelijkheden oplevert om

de risico’s te beperken. Het grootste deel van de regels voor diervoeder wordt in Europees verband
bepaald (door middel van verordeningen).
4.5 Risicofactoren

In deze paragraaf worden de risicofactoren die volgen uit de regelgeving kort samengevat.

Volledigheid regelgeving

De regelgeving wordt als dekkend ervaren. Wel is men af en toe van oordeel dat de wetgever wat

te ver doorslaat als gevolg van de incidenten. Ook gelden er internationaal wisselende normen
voor sommige mycotoxinen. Er is sprake van een weinig intensieve handhaving van de zijde van
de overheid.
GMP+- systeem

Hoewel GMP+-systeem doorgaans als (zeer) positief wordt ervaren, kan het op sommige punten

nog verder worden geoptimaliseerd.
∑ Niet IKB-erkende veehouders mogen nu nog afnemen van niet-GMP-erkende bedrijven (de
regelingen zijn vrijwillig en niet verplicht). Dit betekent dat er nog diervoederstromen zijn die
niet onder de bovengenoemde kwaliteitszorgregelingen vallen.
∑ De GMP-eisen gelden vanaf een bepaald startpunt. Wat er daarvoor met een bepaalde
grondstof gebeurt (teelt, opslag, transport), is dikwijls onbekend.
∑ De norm voor buitenlandse bedrijven (QC) is minder uitgebreid dan GMP. Bovendien geldt
QC-certificaat voor ťťn product en niet voor alle producten van buitenlandse leverancier, terwijl
dat in de praktijk soms - op dit moment - wel zo wordt ervaren. Hoe vaak een niet erkende
grondstof van een wel QC-gecertificeerd bedrijf wordt afgenomen is echter niet bekend.
56
Ook de toeleveranciers van voedermiddelen zijn nog niet allemaal GMP+ gecertificeerd. Een
voorbeeld hiervan zijn supermarkten die overdatumproducten aanbieden. Uit de interviews is gebleken
dat geen van deze supermarkten over een GMP+ erkenning beschikt, terwijl de verwerkers
wel over een GMP-certificaat beschikken. Strikt genomen zouden deze producten dan ook
niet onder GMP+ aangeboden mogen worden, tenzij supermarkten een GMP+ certificaat zouden
hebben. Tenslotte worden de pakkans en sancties bij overtredingen van het kwaliteitssysteem als
laag ervaren.
57
5 Beschouwing en conclusies
5.1 Inleiding

In dit beschouwende hoofdstuk staan de veiligheidsrisico’s in de diervoederketen centraal. Ingegaan

wordt op de risicofactoren die in de verschillende schakels zijn te onderscheiden, welke
oorzaken hieraan ten grondslag liggen en op welke wijze deze (deels) zijn te reduceren.
Aan de hand van de onderzoeksresultaten, geven we in dit hoofdstuk op beschouwende wijze
een antwoord op de in paragraaf 1.2 beschreven onderzoeksvragen. Voor de goede orde: de feitelijke
uitkomsten van het onderzoek zijn opgenomen in de inhoudelijke hoofdstukken. Dit hoofdstuk
geeft de samenvattende analyse weer van het onderzoeksteam. Achtereenvolgens gaan we
in op de risicofactoren in de diervoederketen die samenhangen met het product diervoeder, de
structuur van de keten, de kwaliteitssystemen, de wet- en regelgeving en de handhaving ervan.
Op voorhand nog het volgende. Doordat het rapport zich concentreert op de risico’s in de keten
gaan we voornamelijk in op daar waar het fout kan lopen. Bedacht moet echter worden dat er dagelijks
immense hoeveelheden diervoeder worden geproduceerd en vervoederd zonder dat sprake
is van incidenten. Ook de diervoedersector zelf zit niet stil. Door de introductie van
kwaliteitssystemen als GMP+ is een belangrijke professionaliseringsslag gemaakt. Ook de overheid
neemt haar verantwoordelijkheid met de introductie van de Kaderwet diervoeders en de
daaruit volgende herijking van verantwoordelijkheden en taken. Met andere woorden: de diervoederketen
en haar omgeving zijn sterk in beweging en zijn zich doorgaans zeer bewust van hun
verantwoordelijkheden. Aan de andere kant is echter een aantal risicofactoren te onderkennen.
Zonder afbreuk te willen doen aan de al gedane inspanningen en de goede intenties is ons streven
deze duidelijk voor het voetlicht te brengen zodat de risico’s worden (h)erkend en zo mogelijk
worden ondervangen. Echter, ondanks alle inspanningen is de keten nooit gegarandeerd risicovrij
te maken, incidenten zullen er altijd blijven.
5.2 Diervoeding: een kwetsbaar product?

Diervoeder is een complex product. Uiteraard wisselt de samenstelling per keten (rund, kalf, varken

of pluimvee), maar ook binnen de ketens is sprake van een grote diversiteit aan voeders.
Doorgaans bestaat diervoeder uit een mengsel van voedermiddelen waaraan additieven worden
toegevoegd zoals antibiotica, vitaminen en/of smaak- geur-, en kleurstoffen. De mengvoeders
worden bereid bij mengvoederfabrikanten of op het boerenbedrijf gemengd (het laatste met name
in de varkenssector).
De kosten van voedermiddelen vormen een grote component van de totale kosten voor zowel de
diervoederproducent als de veehouder. Ter illustratie: de voederkosten bedragen gemiddeld circa
40 ŗ 50% van de totale kosten voor de veehouder. Voor de voederproducenten bedragen de kosten
van de voedermiddelen 80 ŗ 90% van het totaal. Het belangrijkste aandachtspunt bij de productie
van diervoeders is daarom het minimaliseren van de kosten en het optimaliseren van de
voerconversie. Door het variŽren met voedermiddelen en additieven ontstaan complexe mengsels
waarmee men tracht het energiegehalte van het voer te optimaliseren en de mestproductie
58
te beÔnvloeden. In feite gaat het er primair om de dieren zo snel mogelijk op slachtgewicht te krijgen
dan wel ze zoveel mogelijk melk of eieren te laten produceren. Hiermee is overigens niet gezegd
dat voedselveiligheid geen rol speelt bij de productie van diervoeders. Wel ligt de nadruk op
de productie en wordt door veel bedrijven voortdurend gezocht naar mogelijkheden (nieuwe voedermiddelen,
mengsels en/of toevoegingen) om deze te optimaliseren.
Conclusie 1

Bij de productie van diervoeder ligt de nadruk op het optimaliseren van de voerconversie en het minimaliseren

van de kosten. De diervoeders zijn doorgaans complex van samenstelling en voortdurend in ontwikkeling.
Het onderzoek wijst uit dat incidenteel ongewenste stoffen (al dan niet moedwillig) in de diervoederketen
worden gebracht en in partijen voeder worden verwerkt. Op zichzelf is dit uiteraard een
kwalijke zaak. Wel dient bedacht te worden dat met name bij de productie van mengvoeder eventuele
ongewenste stoffen zeer sterk worden vermengd. Een partij verontreinigde grondstof hoeft
dan ook niet per definitie tot een partij verontreinigd mengvoer te leiden. Wel kan een kleine partij
grondstof een grote olievlekwerking hebben (zie de MPA-affaire) omdat dit in meerdere partijen
mengvoeder terecht komt en vervolgens in diverse dierlijke ketens verspreid kan worden. Dit
hoeft echter lang niet altijd het geval te zijn. Voor bijproducten geldt een soortgelijke redenering.
Ook deze worden vermengd, hetzij in mengvoeder, hetzij bij de veehouder (zelfmengers). In het
laatste geval is er geen sprake van een olievlekwerking omdat de schade wordt beperkt tot de
betreffende veehouder. Bovendien is de herkomst van bijproducten bijna altijd bekend.
Mocht ondanks de vermenging een partij diervoeder te hoge concentraties van ongewenste stoffen
bevatten, dan nog hoeft dit geen nadelige consequenties te hebben voor de voedselveiligheid.
Het dier vormt als het ware een buffer tussen voer en mens. In het dier kunnen ongewenste
stoffen worden omgezet in onschadelijke of minder schadelijke stoffen. Ook hoeft niet altijd een
overdracht plaats te vinden van deze stoffen naar melk, vlees of eieren. Zodoende kan de verontreiniging
alsnog uit de voedselketen verdwijnen. Bovendien worden de eindproducten (vlees en
melk) ook nog bemonsterd en geanalyseerd op mogelijke verontreinigingen. Wel kunnen uiteraard
het milieu, dierenwelzijn en/of de diergezondheid in het geding zijn. Een focus puur op de
voedselveiligheid is ons inziens dan ook te beperkt. Terugblikkend naar de incidenten zijn de
MPA- en nitrofenaffaires niet schadelijk geweest voor de volksgezondheid. Wel hebben de dieren
hiervan schadelijke gevolgen ondervonden. Er zijn echter ook stoffen die niet omgezet worden of
maar ten dele, waardoor deze wel in het product bestemd voor humane consumptie terecht kunnen
komen. Salmonella, dioxine, PCB en enkele mycotoxinen behoren dan ook tot de meest risicovolle
verontreinigingen.
Conclusie 2

Niet elke verontreiniging van diervoeders heeft per definitie gevolgen voor de voedselveiligheid. Integendeel,

geconstateerd kan worden dat de voedselveiligheid doorgaans niet in het geding is. Wel kunnen in dat geval
uiteraard het dierenwelzijn, de diergezondheid en/of het milieu onder druk staan. Een focus puur op voedselveiligheid
is in onze optiek dan ook te beperkt.
59
5.3 Structuur van de keten: een wisselend beeld

De structuur van de diervoederketen is lastig te doorgronden. Een onderscheid is te maken in de

diervoederbedrijven zelf, de veehouders en de toeleveranciers.
Diervoedersector

In tegenstelling tot de gehele keten zijn de bedrijven die actief zijn op het gebied van productie

van diervoeder relatief eenvoudig in kaart te brengen. In totaal functioneren in de branche circa
200 bedrijven waarvan tien zeer grote (deze nemen 90% van de productie voor rekening) en een
groot aantal kleine bedrijven. Daar waar veel – zowel grote als kleine – bedrijven zich kenmerken
door een hoge mate van professionaliteit is dit niet in de gehele branche het geval. De kennis en
kunde bij diervoederbedrijven wisselt. De technisch complexe wet- en regelgeving en kwaliteitssystemen
zijn voor sommige bedrijven lastig te doorgronden. Het ontbreekt bovendien sommige
bedrijven aan de kennis en middelen om (zelf) risicoanalyses uit te kunnen voeren. Voor een deel
wordt dit probleem ondervangen doordat deze ondernemers vaak wel op een jarenlange ervaring
kunnen bouwen en hierdoor inzicht hebben in de potentiŽle gevaren.
Conclusie 3

Hoewel het grootste deel van de diervoederbedrijven zeer professioneel omgaat met kwaliteit en veiligheid,

is dit niet bij alle bedrijven het geval. Gezien de ‘kennis en kunde’ van sommige bedrijven is het de vraag in
hoeverre zij zich bewust zijn van en om kunnen gaan met de risico’s bij de productie van diervoeders. Gebleken
is dat met name de kwaliteit van de risico- en gevarenanalyses bij de diervoederbedrijven wisselt. Dit kan
risico’s opleveren.
Veehouders

De diverse primaire sectoren zijn minder eenvoudig in kaart te brengen. Aan de zijde van de afnemers

is enerzijds overwegend sprake van een aantal zeer grote integraties in de kalveren- en
pluimveesector, anderzijds zijn in met name de varkens- en melkveesector zeer veel veehouders
actief. Veehouders zijn voor wat betreft de kennis van wet- en regelgeving op het gebied van
diervoeder sterk afhankelijk van de diervoederleverancier waarmee ze vaak een zeer lange relatie
hebben. Gezien de complexe samenstelling van het voeder is het voor de meeste veehouders
ondoenlijk inzicht te krijgen in hetgeen men aan het vee vervoedert. Ook de etikettering biedt
weinig houvast. In feite is de enige eis die doorgaans aan de leverancier wordt gesteld dat deze
over een GMP-erkenning beschikt. Men vaart derhalve dikwijls blind op de leverancier die niet
alleen het voer levert maar ook uitgebreide voorlichting verstrekt aan de veehouder over hoeveelheden,
inmengen en dergelijke. Aan meer inzicht hebben de meeste veehouders overigens
ook geen behoefte. De vraag is bovendien in hoeverre het reŽel is dat van hen te verwachten.
De veehouders zijn vaak ook sterk afhankelijk van de voederleveranciers doordat partijen voer
worden voorgefinancierd. Verder valt op dat men niet veel verder kijkt dan de eigen schakel. De
productie van vlees, melk of eieren dient zo hoog mogelijk te zijn, wat er daarna mee gebeurt interesseert
de veehouders minder. Een gedeeld verantwoordelijkheidsgevoel door de gehele keten
lijkt te ontbreken.
I
ntegratie versus zelfstandigheid

Een aantal diervoederbedrijven en veehouderijen (met name wanneer ze onderdeel zijn van een

integratie) zijn zeer professioneel en kunnen daardoor strikte eisen te stellen aan hun leveranciers.
Men heeft hierdoor een zeer goed inzicht in de samenstelling van het diervoeder en vaak
60
ook een goed beeld van de gehele keten (van vervoedering tot levering aan de markt). Mocht een
incident plaatsvinden dan zijn zij in staat binnen enkele uren te achterhalen wie het incident heeft
veroorzaakt, welk vee daardoor verontreinigd voer heeft gekregen en indien nodig een recall van
producten uit te voeren (tracking en tracing). Uiteraard is hier ook sprake van eigen belang. Een
integratie die ook diervoeder produceert en grotendeels aan zusterbedrijven levert, snijdt zichzelf
in de vingers wanneer er incidenten als gevolg van verontreinigingen in het voer optreden. Het
ketenbesef is hierdoor wel sterk aanwezig.
Conclusie 4

De verschillende primaire sectoren zijn divers van samenstelling. De kalver- en de pluimveesector kenmerken

zich door een aantal grote, vaak internationaal actieve integraties met een zeer groot marktaandeel.
Dergelijke integraties produceren vaak zelf het voer of zijn in staat strikte eisen te stellen aan de producent.
In de runder- en met name de varkenssector zijn relatief veel primaire bedrijven actief die soms in een coŲperatie
maar vaak ook geheel zelfstandig opereren. Vooral deze bedrijven zijn doorgaans sterk gericht op de
eigen schakel en missen – ook naar eigen zeggen – veelal de kennis en kunde om de veiligheid van het
diervoeder goed te kunnen beoordelen. In onze optiek kan dat gezien het complexe productieproces ook niet
van hen worden verwacht.
Toeleveranciers

Zoals gezegd is de kostencomponent zeer belangrijk bij de productie van het voeder. Het is derhalve

voor voederproducenten van groot belang de grondstoffen zo goedkoop mogelijk in te kopen.
Niet verrassend is dan ook dat de grondstoffen voor het diervoeder afkomstig zijn van over
de hele wereld: 25% uit Nederland, 25% uit andere lidstaten van de Europese Unie en 50% van
buiten de Europese Unie. Door de zeer levendige internationale handel in grondstoffen (met name
veel tussenhandelaren) en de vele mengpunten is het lastig goed zicht te houden op de herkomst
ervan. In dit verband wordt ook wel gesproken van een ‘spaghettistructuur’. Met name
grondstoffen van buiten Europa zijn lastig te beheersen. Per (type) grondstof is door het PDV (om
overigens begrijpelijke praktische redenen) aangegeven wat men als startpunt voor de GMPregeling
beschouwt. Dit hoeft niet altijd de producent te zijn. Als gevolg hiervan is er niet altijd
voldoende inzicht in de wijze van teelt van de voedermiddelen, de opslag en het transport ervan
en daarmee samenhangende risico’s zoals bijvoorbeeld het gebruik van bestrijdingsmiddelen,
aanwezigheid van dioxinen, het ontstaan van mycotoxinen en dergelijke. Overigens dient binnenkort
met behulp van een begeleidend document te worden aangetoond wat de herkomst van leveringen
voedermiddelen is en welke bewerkingen het heeft ondergaan. In hoeverre dit het
inzicht in de voorschakels vergroot, moet nog blijken.
Illustratief voor de complexiteit van de keten is dat het zeer lastig is gebleken op basis van de algemeen
beschikbare statistieken een goed inzicht in de goederenstromen te krijgen. Door wisselende
definities en andere afbakeningen bleek een accuraat beeld van import en export moeilijk
te construeren.
Conclusie 5

Een goed inzicht in de voorschakels (teelt en/of de wijze van transport en/of de opslag van de voedermiddelen)

en de daarmee samenhangende risico’s is niet altijd aanwezig. Incidenten als nitrofen, dioxine en MPA
zijn mede hiervan een uitvloeisel. Wanneer afnemers zich verdiept hadden in de herkomst van het voedermiddel
(MPA), de opslag (nitrofen) en de bewerking (dioxine) dan waren de incidenten wellicht voorkomen.
61
5.4 Veiligheid diervoeders: een mentaliteitskwestie

In de gehele dierlijke keten is sterk sprake van productiedenken. Het productietempo is hoog, de

kosten worden geminimaliseerd en de marges zijn laag. De nadruk ligt vooral op de kwantiteit van
de productie. Dit wordt voor een belangrijk deel verklaard door de economische positie van vooral
de primaire sector. Als gevolg van de recente incidenten in de voedselketen en de zware
internationale concurrentie staat de winstgevendheid onder druk.
Gezien het gegeven dat de kosten voor voedermiddelen en voeders zowel voor de diervoederproducenten
als voor de veehouders een zeer groot aandeel in de totale kosten hebben, kan een
mogelijke besparing hierop sterk doorwerken in de economische positie van de onderneming.
Een gevolg van dit streven naar kostenreductie is het zoeken naar zo goedkoop mogelijke voedermiddelen
met een hoge voedingswaarde. Met name in de varkenssector leidt dit tot een toename
van de toepassing van reststromen (ook bijproducten genoemd), behalve structureel ook
incidenteel vrijkomende. Anders dan bij structurele reststromen gaat het bij incidentele om reststromen
die af en toe ontstaan door bijvoorbeeld misproducties, retourproducten, overdatumproducten
en dergelijke. Deze producten zijn relatief goedkoop (soms worden ze zelfs gratis
aangeboden) en hebben een hoge energiewaarde. Het vermengen van deze producten wordt
door velen als een risico gezien. Het gaat immers om incidentele afvalstromen waar weinig van
bekend is (bijvoorbeeld de reden van afkeuring) en die via een omweg in de voedselproductie terecht
komen. De leveranciers van afvalstromen hoeven in het huidige GMP+- systeem niet erkend
te zijn. De erkenning gaat pas in bij de afvalverwerker. Buiten dit punt verdient ook de
gevaren- en risicoanalyse van deze productstromen – die vaak ontbreekt – nader onderzoek.
Conclusie 6

Kostenreductie is een belangrijk aandachtspunt bij de aanschaf van diervoeders. Continu wordt gezocht naar

alternatieve voedermiddelen met een hoge voedingswaarde. De laatste jaren is een toename te zien van het
gebruik van bijproducten. Over de toepassing van structurele stromen van bijproducten is weinig discussie.
Aan dit type bijproducten zijn weinig risico’s verbonden omdat de herkomst en het productieproces doorgaans
bekend zijn. De risico’s van incidentele stromen daarentegen worden niet altijd goed in kaart gebracht.
Een ander gevolg van de gespannen economische situatie kan zijn dat diervoederbedrijven bewust
de grenzen van het toelaatbare opzoeken en bijvoorbeeld groeibevorderaars aan het voer
toevoegen. Ook komt het voor dat veehouders dusdanig goedkope voeders of voedermiddelen
aankopen dat de kwaliteit ervan in twijfel moet worden getrokken. Hoewel we buiten de MPAaffaire
geen concrete gevallen hebben kunnen traceren, is dit wel diverse malen aangekaart door
onder andere veehouders die niet vreemd op zouden kijken wanneer hun collega’s hiertoe zouden
overgaan. In feite gaat het hier om een mentaliteitskwestie. Welk type bedrijven hiertoe overgaat
is niet duidelijk. Dat echter ook professionele bedrijven soms de marges zoeken blijkt uit het
feit dat de processen soms dusdanig ingericht zijn dat het gehalte van bepaalde ongewenste stoffen
net onder de wettelijk toegestane maximumnorm ligt. Hoewel deze handelswijze legaal is,
benut een producent zijn kennis en kunde in onze optiek dan op een onjuiste wijze. De verontreiniging
wordt in feite gemaximaliseerd in plaats van geminimaliseerd.
62
Conclusie 7

Het grote aandeel van de kosten voor voedermiddelen of diervoeders in de totale bedrijfskosten in combinatie

met de gespannen economische situatie in met name de primaire sector leidt ertoe dat sommige veevoederproducenten
en veehouders de grenzen van het toelaatbare opzoeken en bewust dan wel onbewust
kwalitatief laagwaardiger of verontreinigd diervoeder produceren of vervoederen. Overigens hoeft dit niet altijd
verboden te zijn. In onze optiek is hier sprake van een mentaliteitskwestie: een deel van de branche redeneert
vooral vanuit eigenbelang zonder veel oog te hebben voor de belangen van andere schakels in de
keten.
Voortvloeiend uit het hierboven staande hebben we signalen gekregen dat ook verontreinigde
voedermiddelen - in ieder geval tot voor kort – eenvoudig worden ‘weggezet’. Het wegmengen
van te hoge concentraties ongewenste stoffen leek en lijkt een geaccepteerde en overigens ook
deels verdedigbare praktijk. Het vermengen van grondstoffen is immers de core-business van de
branche. Echter, zelden wordt een partij voedermiddelen vernietigd. Illustratief in dit verband is de
opmerking van een handelaar dat hij nog nooit met een verontreinigde partij is blijven zitten. In
het verlengde hiervan kan de vraag worden gesteld in hoeverre het recent in werking getreden
‘wegmengverbod’ door de diervoedersector zal worden nageleefd. Het draagvlak hiervoor lijkt gering
en wordt als te rigide ervaren. In combinatie met een geringe traceerbaarheid van stoffen
(wanneer ze vermengd zijn, zijn ze in kleine fracties aanwezig en moeilijk te achterhalen) en dus
een kleine pakkans is het risico op overtredingen groot.
Conclusie 8

Binnen de diervoedersector lijkt het wegmengen van hoge concentraties ongewenste stoffen breed geaccepteerd.

Het draagvlak voor het wegmengverbod lijkt te ontbreken hetgeen de nalevingsbereidheid negatief
beÔnvloedt. Het risico op overtredingen is als gevolg van de kleine pakkans derhalve groot.
De bovengenoemde conclusies leiden tot de constatering dat een verandering van mentaliteit in
een deel van de diervoedersector noodzakelijk is. Eťn van de mogelijke belemmeringen hiervoor
is de gebrekkige aansprakelijkheid van de veroorzakers van een verontreiniging. De financiŽle
gevolgen van incidenten voor met name de primaire sector zijn zeer groot. De vraag zakt in, de
prijzen dalen en bedrijven worden geblokkeerd. Behalve dat individuele bedrijven hier zwaar onder
kunnen leiden worden de gevolgen nu veelal uitgesmeerd over de gehele keten. De veroorzaker
zelf wordt doorgaans niet of nauwelijks gestraft omdat het door de vele schakels in de
keten lastig te bepalen is wie waarvoor verantwoordelijk is geweest. Zelfs wanneer de veroorzaker
bekend is, duurt het vanwege allerlei juridische procedures soms jaren voordat de financiŽle
schade (deels) verhaald kan worden. Zo is de MPA-affaire nog steeds niet afgewikkeld. Dit kan
voor individuele bedrijven desastreuze gevolgen hebben. Wellicht kan het er zelfs toe leiden dat
de drempel om incidenten te melden, verhoogd wordt. Overigens wordt in de keten gediscussieerd
over mogelijke oplossingen hiervoor.
Conclusie 9

Een financieel vangnet is niet aanwezig. Het duurt te lang voordat bedrijven de schade kunnen verhalen. Behalve

dat dit in onze ogen terecht als onrechtvaardig wordt ervaren, kan dit mogelijk voor bedrijven een
drempel zijn om incidenten aanhangig te maken.
63
5.5 Kwaliteitssysteem: in theorie dekkend, in de praktijk niet
waterdicht

In de diervoedersector werkt men sinds 1992 met de regeling
Good Manufacturing Practice
(GMP). De GMP-regeling is toegespitst op bedrijven die diervoeder produceren, maar ook van

toepassing op het transport, opslag en handel van diervoeder en voedermiddelen. In 1999 is de
HACCP-systematiek geÔntegreerd in de GMP-regeling. De hieruit ontstane GMP+-regeling is een
vertaling van de wettelijke voorschriften met bovenwettelijke elementen. Bedrijven met een
GMP+-erkenning voldoen derhalve aan de wet- en regelgeving. Deelname is vrijwillig.
Op papier is het GMP-systeem sluitend. Zo is de GMP-systematiek goed ingepast in andere kwaliteitssystemen
(IKB en KKM bepalen dat alleen van GMP-gecertificeerde leveranciers mag worden
afgenomen). Ook is er een uitgebreide organisatie voor de borging van het systeem in het
leven geroepen. In de praktijk echter blijkt het systeem niet waterdicht. Verschillende constateringen
liggen hieraan ten grondslag.
Zo is weliswaar het grootste deel van de markt gecertificeerd, zo’n vijf procent van de bedrijven
opereert nog steeds buiten het systeem om. Hoewel deze groep voor een belangrijk deel bestaat
uit handelaren in toevoegingsmiddelen en petfoodproducenten zijn er ook diervoederbedrijven
zonder erkenning. Zo is er bijvoorbeeld nog steeds een klein aantal niet bij het PDV geregistreerde
bedrijven. Het is overigens niet gezegd dat deze bedrijven niet volgens de regels zouden werken,
deelname aan het systeem is immers vrijwillig. Het is mogelijk dat ze een buitenlandse
erkenning hebben of alleen aan het buitenland of niet IKB- of KKM-erkende veehouders leveren.
Verder dienen dergelijke bedrijven zich uiteraard wel aan de geldende wet- en regelgeving te
houden. Wel heeft deze situatie tot gevolg dat er een potentiŽle afzetmarkt bestaat voor niet erkende
voedermiddelen met alle mogelijke risico’s van dien.
We hebben de stellige indruk dat het GMP-systeem door veel diervoederbedrijven als technisch
en complex wordt ervaren. Veel bedrijven huren een adviseur in om hen te helpen bij de aanvraag
van een erkenning en maken gebruik van standaarden. Zo beschikken bedrijven in veel
gevallen over een soortgelijk kwaliteitshandboek waarin bij wijze van spreken alleen de namen
zijn aangepast. Dit hoeft uiteraard niet negatief te zijn. Ook bedrijven met een standaard handboek
kunnen zeer begaan zijn met hun kwaliteitssysteem en er ook daadwerkelijk van willen leren.
Indien dit niet zo is, is de vraag gerechtvaardigd in hoeverre het systeem ‘tussen de oren zit’
en men er ook naar handelt. Onze indruk is dat men in veel gevallen door gaat op de oude voet,
hetgeen niet altijd afwijkend hoeft te zijn. Overigens trachten externe auditors ook te toetsen in
hoeverre een ondernemer zich het systeem heeft eigen gemaakt.
We hebben geconstateerd dat de kwaliteit van de gevaren- en risicoanalyses van de grondstoffen
zeer wisselend is. Hoewel het PDV via de website voorbeelden van dergelijke analyses verstrekt,
varieert de praktische uitvoering sterk. Soms zijn de analyses zeer diepgaand, echter vaak ook
heel summier en hebben ze vooral het karakter van een formele verplichting. Eerder is al geconstateerd
dat een aantal incidenten naar een gebrekkige risicoanalyse zijn te herleiden.
Het systeem is zo sterk als de zwakste schakel. Zoals eerder opgemerkt staat de sector onder
druk waardoor sommige bedrijven bewust dan wel onbewust de marges zoeken. Wellicht is dit
een reden dat diervoederbedrijven maar ook zelfmengende veehouders soms zaken doen met
niet GMP-erkende bedrijven. Bij een aantal incidenten (dioxine en MPA) is hiervan sprake.
64
De mogelijke gevolgen van de incidenten worden versterkt doordat het systeem onbedoeld een
bepaalde ‘luiheid’ in de hand werkt. Een deel van de markt vertrouwt doorgaans volledig op het
GMP-certificaat en kijkt in het beste geval niet verder dan ťťn schakel terug. Wanneer een voedermiddel
of diervoeder geleverd wordt door een bedrijf met een GMP-erkenning gaat men er
zonder meer vanuit dat alles in orde is. Dit heeft tot gevolg dat wanneer een verontreiniging in de
keten sluipt deze zich– onder andere door het mengen – onopgemerkt kan verspreiden. De incidenten
leren dat deze verspreiding zeer snel kan gaan en dat de gevolgen hiervan zeer groot
zijn.
Ook is de borging van het systeem niet op alle punten maximaal. Zo is het voor iemand die niet
exact op de hoogte is van de GMP-regeling niet altijd duidelijk wie of wat is gecertificeerd. Het
certificaat wordt bijvoorbeeld verleend op locatieadres en niet op bedrijf. Een bedrijf kan derhalve
meerdere erkenningen hebben, wanneer men meerdere vestigingen of meerdere activiteiten ontplooit,
zoals het mengen en transporteren van diervoeders. Wanneer een bedrijf wordt geschorst
of een GMP-erkenning wordt ingetrokken, geldt dat alleen voor de specifieke activiteit op dat specifieke
adres. Indien het bedrijf meerdere erkenningen of meerdere vestigingen heeft, kan het bedrijf
dus nog wel andere - wel erkende - activiteiten verrichten of op andere vestigingen de
productie voortzetten. In aanvulling hierop wordt de kwaliteit van de auditors – in ieder geval in
het verleden – vaak als sterk wisselend ervaren. Bovendien worden de pakkans en de sancties
als laag gekwalificeerd. De uiterste consequentie – intrekken van het certificaat – wordt zelden
toegepast. Aangetekend moet wel worden dat het toezicht op het GMP-systeem per 1 juli 2003
anders is georganiseerd hetgeen de kwaliteit ervan ten goede moet komen. De toekomst zal dit
leren.
Verder kondigt het PDV op de website aan welke buitenlandse bedrijven voldoen aan de QCnormen.
Het is dan niet altijd duidelijk voor welke producten van deze bedrijven dit geldt. Het PDV
is zich hiervan overigens bewust en heeft een voorstel ingediend bij het bestuur om op de website
niet alleen de naam van het bedrijf maar ook de erkende grondstof te vermelden.
Conclusie 10

Met het GMP-systeem wordt een groot aantal risico’s ondervangen. De systematiek heeft in onze optiek zeker

geleid tot een professionalisering van de diervoedersector. Dat het systeem op onderdelen beter geborgd
dient te worden, doet aan deze conclusie geen afbreuk. Wel leidt de GMP-systematiek hier en daar paradoxaal
genoeg tot een bepaalde gemakzucht. Het beschikken over een certificaat is voor veel bedrijven
doorgaans voldoende waarborg voor afnemers. Een ‘gezond wantrouwen’ ontbreekt in die gevallen.
5.6 Rol van de overheid: ‘toezicht op toezicht’ en het voorzorgprincipe

Handhaving

Door bij het toezicht te bouwen op het PDV, dat voornamelijk vertrouwt op de kwaliteitssystemen

zoals de markt die heeft geÔmplementeerd, beperkte de overheid zich (in ieder geval tot voor de
inwerkingtreding van de Kaderwet diervoeders) tot ‘toezicht op toezicht’. De handhavingscapaciteit
van toezichthoudende organisaties als de Keuringsdienst van Waren en de Rijksdienst voor
Keuring van Vee en Vlees was beperkt. Hoewel de overheid formeel geredeneerd geen taak
heeft in de handhaving van de PDV-verordeningen ontslaat het de overheid in onze optiek
65
geenszins van haar verantwoordelijkheid in deze. Het gaat immers om een afgeleide bevoegdheid
van het PDV (medebewind). Het eenvoudigweg redeneren dat hierin geen taak voor de
overheid is weggelegd is in onze ogen dan ook te makkelijk. Dit staat uiteraard los van het directe
overheidstoezicht op de rijksregels (import van diervoeders en dierlijke eiwitten).
Gezien de risico’s in de keten is het hierboven beschreven handhavingsmodel naar onze mening
dan ook niet meer gerechtvaardigd. Enerzijds brengt het GMP-systeem een duidelijke ordening
aan in de markt en ligt het voor de hand daar als overheid gebruik van te maken. De Kaderwet
diervoeders houdt deze mogelijk ook open. Anderzijds is reeds eerder gesteld dat de borging van
het GMP-systeem niet altijd maximaal is. Bovendien wordt met name de pakkans en in mindere
mate de sanctionering van overtredingen als zeer laag ervaren, staat de sector economisch gezien
onder druk hetgeen kan leiden tot ongewenst gedrag, is men niet altijd even goed bekend
met de wetgeving en de GMP-eisen en zijn de (economische) gevolgen van incidenten op korte
en lange termijn zeer groot. Een grotere rol van de overheid is dan ook gewenst. De Kaderwet
diervoeders is in dit verband dan ook toe te juichen.
Conclusie 11

De handhaving vertrouwde en vertrouwt begrijpelijkerwijs sterk op de in de keten functionerende kwaliteitssystemen.

Echter, gezien de risico’s in de keten en de grote gevolgen daarvan is in onze optiek een grotere
overheidsbemoeienis gewenst.
Het voorzorgprincipe

Onze indruk is dat het voorzorgprincipe vrij strikt wordt toegepast door het ministerie van LNV.

Voorbeelden hiervan op het gebied van regelgeving zijn het verbod op diermeel en het wegmengverbod.
Maar ook in de handhaving wordt het voorzorgprincipe soms strikt gehanteerd. Zo
wordt snel overgegaan tot het blokkeren van bedrijven en/of stromen, zelfs wanneer de voedselveiligheid
niet in het geding lijkt te zijn. Verder wordt af en toe de klacht geuit dat de regelgeving
als gevolg van de incidenten wel erg ver doorschiet en soms strenger is dan de regels die gelden
voor humane voeding. Hoewel dit uiteraard mede in het belang van de keten plaats vindt en ook
Europees is voorgeschreven, is het begrip voor dergelijke maatregelen niet altijd even groot. Een
betere communicatie op dit punt kan wellicht bijdragen aan een grotere acceptatie ervan.
Conclusie 12

Het voorzorgprincipe wordt strikt gehanteerd. Hoewel dit mede in het belang is van de keten is het draagvlak

hiervoor niet altijd aanwezig. Een betere communicatie hieromtrent is gewenst.
5.7 Risicofactoren in onderling perspectief

In het voorgaande is een groot aantal risicofactoren aan de orde gekomen. Deze zijn stuk voor

stuk te herleiden tot achterliggende oorzaken als de complexiteit van het product diervoeder, de
intransparantie van de markt, de economische situatie in de keten en de borging van wetten en
kwaliteitssystemen. Het is in onze optiek niet mogelijk een rangorde te maken van de grootste risico’s
en deze systematisch uit te bannen. Er is veel meer sprake van een aantal zeer diverse factoren
die op zichzelf weliswaar ernstig genoeg zijn maar toch geen sluitende verklaring vormen voor
de opgetreden incidenten. In de praktijk grijpen de risicofactoren sterk in elkaar waardoor ze elkaar
versterken. Zo zou de complexiteit van het product geen risicofactor zijn wanneer de profes66
sionaliteit van de diervoederketen op orde zou zijn en zou de naleving van de wet- en regelgeving
minder onder druk staan wanneer de economische situatie verbeterde. Dit neemt niet weg dat een
tweetal factoren ons inziens de grootste risico’s veroorzaakt, namelijk de wisselende professionaliteit
(kennis en kunde) en de
heersende mentaliteit
(gebrek aan ketendenken) in de diervoederketen.
Hiermee willen we overigens de gehele keten geenszins over ťťn kam scheren. Bij veel
bedrijven is hierop niets aan te merken.
Conclusie 13

In de diervoederketen is een groot aantal risicofactoren te onderkennen die van invloed kunnen zijn op de

naleving van de wet- en regelgeving. Deze risico’s hangen sterk samen en versterken elkaar. Hoewel tussen
de verschillende ketens verschillen zijn te onderkennen spelen de risico’s in meer of mindere mate door alle
ketens heen. Wel zijn relatief gezien de wisselende professionaliteit en de mentaliteit van de diervoederketen
de grootste risicofactoren.
Feit blijft dat wanneer alle betrokkenen zich zouden houden aan de wet- en regelgeving de risico’s
in de veevoederketen minimaal zouden zijn. De samenhang tussen de risico’s wordt duidelijk
wanneer we deze bezien door ‘de bril’ van een aantal factoren die van invloed zijn op de naleving
van wetten en regels in het algemeen.
Professionaliteit en mentaliteit

Regelgeving moet bekend en duidelijk zijn om te kunnen worden nageleefd. Dit veronderstelt een

bepaalde professionaliteit. Ook de mentaliteit is van belang. Naarmate de mentaliteit positiever is,
wordt de (spontane) naleving bevorderd. Geconcludeerd kan worden dat de bekendheid van de
regelgeving op zichzelf niet groot is. De GMP-systematiek daarentegen is zeer breed bekend
maar de indruk bestaat dat deze door veel diervoederbedrijven als complex wordt ervaren. Sommige
bedrijven ontbreekt het aan de professionaliteit om alle regels te doorgronden en vertrouwen
daarom sterk op het certificaat van hun leveranciers.
Ook nut en noodzaak van de regelgeving en het GMP-systeem worden breed erkend. Aan de
andere kant staat het draagvlak ervoor gezien de gespannen economische situatie soms onder
druk. We hebben de indruk dat sommige bedrijven (zowel diervoederbedrijven als veehouders)
naar goedkopere oplossingen zoeken waarbij soms willens en wetens de marges worden opgezocht.
Feitelijk gaat het hier om een verkeerde mentaliteit. Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel:
als gevolg van de incidenten zijn strenge maatregelen nodig om het consumentenvertrouwen te
herwinnen en de marktpositie te verbeteren. Echter door de slechte marktpositie staat de bereidheid
om zich aan de strengere maatregelen te houden onder druk, hetgeen weer kan leiden tot
nieuwe incidenten en een dalend consumentenvertrouwen.
Naleefbaarheid

Wetten en regels dienen in de praktijk naleefbaar te zijn. Gezien de gegroeide situatie gaat het

hier vooral om de naleefbaarheid van het GMP-systeem. Wanneer men daar aan voldoet, houdt
men zich immers automatisch aan de wet- en regelgeving. Feitelijke naleving wordt mede bepaald
door de moeite (administratief of fysiek) die het kost om aan de regels te voldoen dan wel
het voordeel (tijd, geld) dat kan worden behaald door niet-naleving.
Zoals eerder opgemerkt ervaart een deel van de diervoedersector het GMP-systeem als complex.
Professionele bedrijven hebben doorgaans de capaciteit om deze te doorgronden en ook de middelen
om de regels na te kunnen leven. Bijvoorbeeld het goed uitvoeren van de verplichte geva67
ren- en risicoanalyses en het nemen en analyseren van monsters vereist een bepaalde kennis en
kunde en faciliteiten om dit uit te voeren. Minder professionele bedrijven zullen hieraan niet zo
goed kunnen voldoen. Bovendien kan het geldelijk gewin van niet-naleving groot zijn. Diervoeders
zijn een grote kostenpost. Kleine besparingen in de productie of in de aankoop kunnen tot
behoorlijke financiŽle meevallers leiden, zeker in een moeilijke markt.
Omstandigheden

Omstandigheden in de branche kunnen zowel positief als negatief van invloed zijn op de naleving.

Zoals gezegd, werkt de economische situatie zeker niet mee. Ook de marktordening is een risicofactor.
Zo is gebleken dat met name de grondstoffenmarkt lastig is te doorgronden zodat de herkomst
van grondstoffen, wijze van transport en dergelijke moeilijk zijn te achterhalen. Maar ook de
mengvoederbranche en de verschillende primaire sectoren kenmerken zich door een grote diversiteit.
Zo heeft een gering aantal grote, professionele spelers een groot marktaandeel. Daartegenover
staan zeer veel wat meer ambachtelijk werkende bedrijfjes. Gebleken is dat de
nalevingsbereidheid bij integraties zeer hoog is. Dergelijke bedrijven – die ook in de diervoederindustrie
maar met name in de kalversector en in mindere mate in de pluimveesector opereren –
snijden zichzelf direct in de vingers wanneer er een incident plaats vindt. Bovendien dwingen deze
grote bedrijven de markt tot een zekere professionalisering. Zij hebben de massa en de expertise
om strikte eisen te stellen aan toeleveranciers en afnemers. Minder professionele bedrijven hebben
deze mogelijkheid niet of zijn zich hier niet van bewust. De kans op bewuste dan wel onbewuste
niet-naleving lijkt daar groter. Dergelijke bedrijven richten zich voornamelijk op de eigen
schakel. Wat daarvoor en daarna gebeurt, is minder interessant.
Tenslotte blijkt de keten kwetsbaar. Indien een verontreiniging al dan niet opzettelijk in de keten
wordt gebracht, verspreidt deze zich razendsnel. Door het mengen kan de verontreiniging grote
hoeveelheden diervoeder besmetten. Bovendien kijken slechts weinig bedrijven verder dan ťťn
schakel terug in de keten, producten worden in groot vertrouwen afgenomen en in een hoog tempo
geproduceerd en vervoederd.
Gevolgen niet-naleving

De handhaving door de overheid laat – in ieder geval in tot aan de inwerkingtreding van de Kaderwet

diervoeders – te wensen over. In feite is de handhaving (van de kwaliteitssystemen en in
zekere zin in het verlengde daarvan ook de wet- en regelgeving) grotendeels overgelaten aan het
PDV en in het verlengde daarvan aan de diervoedersector zelf. Overigens is er op de gebieden
waar de rijksoverheid regels heeft gesteld (import van diervoeders, dierlijke eiwitten) wel rechtstreeks
overheidstoezicht.
De ervaren pakkans en gevolgen van niet-naleving van GMP+-systeem worden over het algemeen
laag ingeschat. Een aantal risicofactoren komt hier samen. Het draagvlak dat onder druk
staat, de economische belangen, de complexe regelgeving, de focus op de eigen schakel en de
geringe pakkans en de lage sancties kunnen ertoe leiden dat bedrijven willens en wetens het risico
lopen. Hoewel we geen concrete indicaties hiervoor hebben gevonden, sluiten de sectoren zelf
het zeker niet uit.
68
Conclusie 14

Geredeneerd vanuit een aantal factoren van naleving zijn de mogelijke risicofactoren te verklaren vanuit de

volgende elementen:
∑ wisselende professionaliteit (kennis en kunde)
∑ mentaliteit in de diervoederketen
∑ weinig ‘gezond wantrouwen’ waardoor de keten soms kwetsbaar is
∑ gespannen economische situatie
∑ relatief groot geldelijk gewin bij niet-naleving
∑ geringe (gepercipieerde) pakkans, als laag beoordeelde sancties
5.8 Rťsumerend: Hoe groot zijn de risico’s?

Alles overziende blijft de hoofdvraag: Welke gevolgen hebben de geÔnventariseerde risicofactoren

voor de voedselveiligheid?
Deze vraag is lastig te beantwoorden. Zo hebben we in de voorgaande paragrafen een groot aantal
risicofactoren benoemd. Als gevolg van deze factoren kunnen zich incidenten in de diervoederketen
voordoen. Dit hoeft echter niet per definitie zo te zijn. Behalve dat op voorhand niet kan
worden bepaald of een risicofactor leidt tot een incident is het ook niet mogelijk een goede inschatting
te maken van de omvang van de risico’s, laat staan te komen tot een kwantificering.
Een ranking of kwantificering is in onze optiek niet aan te brengen omdat de gevolgen voor de
voedselveiligheid niet zozeer volgen uit de risicofactoren zelf maar vooral bepaald worden door
het type verontreiniging en de concentratie daarvan. Harde wetenschappelijke gegevens over de
relatie tussen dergelijke verontreinigingen en de gevolgen voor de voedselveiligheid zijn overigens
mondjesmaat aanwezig. Met andere woorden: een vermeende kleine risicofactor kan morgen
zeer grote gevolgen hebben, terwijl bij een grote risicofactor jarenlang geen problemen
hoeven op treden. Tot slot leert de bestudering van de incidenten dat deze zelden naar ťťn achterliggende
factor te herleiden zijn, maar vooral het gevolg zijn van een complex aan in elkaar
grijpende risicofactoren. Wel zijn wij zoals eerder vermeld van mening dat de professionaliteit en
de mentaliteit van de diervoederketen de grootste risicofactoren zijn.
Los van de moeilijkheid de risico’s kwantitatief te duiden zijn wij van mening dat de voedselveiligheid
betere geborgd kan worden. Verschillende uitkomsten van het onderzoek ondersteunen deze
conclusie. Zo worden met behulp van het als positief beoordeelde GMP-systeem veel risico’s
ondervangen en is de afgelopen jaren zeker sprake geweest van een professionaliseringsslag.
Dat het systeem op onderdelen beter geborgd kan worden, doet hier niets aan af. Aan de andere
kant constateren we dat de in de vorige paragrafen beschreven risicofactoren mogelijk kunnen
leiden tot het niet volledig naleven van de wet- en regelgeving. Dit kan tot gevolg hebben dat ongewenste
stoffen (al dan niet moedwillig) in de diervoederketen worden gebracht en in partijen
voeder worden verwerkt. Dat dit niet per definitie gevolgen hoeft te hebben voor de voedselveiligheid
hebben we beschreven in paragraaf 5.2.
Tenslotte functioneert aan het einde van de productieketens nog een waarborg, de slachterijen
en zuivelproducenten. Deze bedrijven analyseren het vlees en de melk op een aantal ongewenste
(residuen van) stoffen en zijn daardoor in staat eventuele verontreinigingen te detecteren en de
producten vervolgens uit de handel te nemen.
69
Conclusie 15

De voedselveiligheid is in behoorlijke mate geborgd en staat niet zonder meer onder druk. Bovendien hoeft

niet elke verontreiniging per definitie gevolgen te hebben voor de voedselveiligheid. Integendeel, geconstateerd
kan worden dat de voedselveiligheid vaak niet in het geding is. Dit neemt niet weg dat in de diervoederketen
sprake is van een aantal risicofactoren. Deze factoren bieden aangrijpingspunten om de
voedselveiligheid (nog) beter te borgen.
5.9 Mogelijke oplossingsrichtingen

Voordat we overgaan tot de mogelijke oplossingsrichtingen eerst nog een opmerking over de Kaderwet

diervoeders. Met de inwerkingtreding van deze wet treedt een belangrijke wijziging op in
de verantwoordelijkheden en taakverdeling met name ten aanzien van de implementatie van Europese
regelgeving en het toezicht. Zo kan de minister van LNV straks– anders dan in het verleden
– rechtstreeks worden aangesproken op zijn verantwoordelijkheden met betrekking tot de
gang van zaken in de diervoederketen. Hoewel deze veranderingen bijna zonder uitzondering
positief worden ontvangen, is het de vraag in hoeverre de geÔnventariseerde risicofactoren daarmee
worden ondervangen. Duidelijk is dat de Kaderwet diervoeders 'op de werkvloer’ niet leeft.
Het bedrijfsleven verwacht weinig feitelijke veranderingen. Hooguit wordt de pakkans iets groter
en de sancties enigszins verzwaard. Dit neemt overigens niet weg dat de wijzigingen nodig waren.
Ze zijn echter niet zozeer ingegeven door de noodzaak de risico’s te minimaliseren maar
meer door het vergroten van de grip van de overheid op de diervoedersector. Dit betekent echter
geenszins dat de Kaderwet diervoeders voor de sector een ‘dode letter’ behoeft te zijn, wel ligt er
in onze optiek een belangrijke taak voor de Tweede Kamer in het bewaken dat de wet ook doorwerkt
richting de praktijk en daarmee positief van invloed is op de kwaliteit van diervoeders.
Op grond van het voorgaande is een aantal mogelijke oplossingsrichtingen te onderkennen.
Daarbij moet bedacht worden dat er altijd een kans op incidenten blijft. Het gegarandeerd risicovrij
maken van de keten is niet haalbaar. Verder is de ‘wetgevende ruimte’ voor de Nederlandse
overheid voor het stellen van eisen aan de teelt, transport, opslag en verwerking van voedermiddelen
beperkt. Niet alleen is het merendeel van de voedermiddelen niet van Nederlandse origine,
maar heeft de wetgeving voornamelijk een Europees karakter. De beleidsvrijheid is derhalve beperkt.
In onze optiek zou de overheid zich met name moeten richten op het optimaliseren van de
randvoorwaarden waarbinnen de diervoederketen opereert. Dit neemt niet weg dat de Nederlandse
overheid zich in internationaal kader sterk kan maken voor het aanscherpen van de EUwetgeving.
Een aantal van de onderstaande aanbevelingen (met name de aanbevelingen 3c, 6
en 7) moet ook in dat licht worden gezien.
We hebben de volgende aanbevelingen geformuleerd.
1. Intensiveer de handhaving door de overheid

De handhaving door de overheid laat – zo is in ieder geval de beeldvorming – te wensen over.

Ook de borging van de GMP-systematiek was zeker niet maximaal te noemen. Als gevolg hiervan
werden de pakkans en de opgelegde sancties (ongeacht of deze voortkwamen uit de wet- en regelgeving
of het kwaliteitssysteem) alom als laag beoordeeld. Dat dit niet bijdraagt aan een verhoging
van de professionaliteit en een verandering van mentaliteit ligt voor de hand. Het
vergroten van de pakkans en het passend sanctioneren van overtreders is derhalve noodzakelijk.
De Kaderwet diervoeders biedt hiervoor mogelijkheden. Immers, een adequate handhaving is
70
voor de minister noodzakelijk om zijn verantwoordelijkheden waar te kunnen maken. Deze aanbeveling
kan op de volgende wijze concreet worden ingevuld.
1a Vertrouw niet teveel op ‘toezicht op toezicht’

Het GMP-systeem biedt weliswaar waardevolle aanknopingspunten bij de handhaving, het mag

echter geenszins in de plaats komen van. Dit betekent dat de overheid een eigen handhavingsprogramma
dient te ontwikkelen, waarin het al dan niet beschikken over een GMP-certificaat uiteraard
wel een rol kan spelen, bijvoorbeeld bij het bepalen van de intensiteit van de handhaving.
1b Vergroot de handhavingscapaciteit en bezie de sanctiemogelijkheden

Een goede inschatting van de benodigde handhavingscapaciteit is pas mogelijk na uitvoering van

een gedegen risicoanalyse. Hierbij dienen naast de producenten ook andere schakels uit de diervoederketen
(handel en opslag) in beschouwing te worden genomen. Hoewel dat niet met zekerheid
is te zeggen, ligt de conclusie dat de handhavingscapaciteit dient te worden vergroot zodat
de controlefrequentie kan worden verhoogd, voor de hand. Hoewel dit in deze tijd van bezuinigen
lastig lijkt, hoeft de capaciteit waarschijnlijk niet drastisch te worden uitgebreid. Het aantal producenten
(circa 200) is immers niet al te groot. Met een beperkte uitbreiding kan een intensivering
van het toezicht dan ook worden gerealiseerd.
Bovendien dienen de sanctiemogelijkheden en –zwaarte (zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk)
kritisch te worden bezien en eventueel te worden uitgebreid. Zo voorziet de Kaderwet diervoeders
bijvoorbeeld niet in het toepassen van een bestuurlijke boete, een instrument dat op
andere terreinen als waardevol wordt ervaren. Aanpassing hiervan is gewenst.
1c Een uitgewerkte handhavingsmethode is noodzakelijk

Handhavende instanties werken doorgaans aan de hand van een handhavingsmethode (arrangement,

plan of iets dergelijks). Een dergelijke methode bevat meestal een risicoanalyse (waar
worden de meeste overtredingen verwacht) en beschrijft welke instrumenten voor welke overtredingen
dan wel misdrijven worden ingezet. Kortom, de werkwijze van de organisatie is daarin opgenomen.
Het verdient aanbeveling de uiteindelijke methode kritisch te beoordelen en de
implementatie daarvan te volgen.
1d Intensiveer de samenwerking met andere handhavingsorganisaties

De pakkans is in onze optiek te verhogen niet zozeer door meer handhavers in te zetten maar

vooral door de samenwerking te zoeken met andere handhavende instanties als gemeenten, waterschappen,
VROM-Inspectie en dergelijke. Tot op heden wordt er niet of nauwelijks samengewerkt.
Met name gemeenten en provincies komen periodiek ook over de vloer bij
diervoederbedrijven en veehouders. Hun invalshoek is echter anders. Onderzocht dient te worden
in hoeverre dergelijke organisaties – uiteraard uitgaande van de eigen taken en verantwoordelijkheden
– een rol in het toezicht op de kwaliteit van diervoeders kan vervullen. Vooralsnog
kan daarbij vooral worden gedacht aan een signalerende en adviserende taak.
2. Vergroot de professionaliteit van de diervoederbranche

De indruk bestaat dat de kennis en kunde van sommige diervoederproducenten niet altijd toereikend

zijn om op een verantwoorde wijze om te kunnen gaan met de eisen die gesteld worden aan
de productie van diervoeder. Belangrijkste aangrijpingspunt om deze professionaliteit te vergroten,
is in onze optiek voornamelijk een strikte handhaving door zowel de overheid als door de
toezichthoudende instellingen op het GMP-systeem. Verder dient te worden onderzocht in hoe71
verre het mogelijk is om de eisen die gesteld worden aan de erkenning te verzwaren en of het
mogelijk (en haalbaar) is om ook zelfmengers te registreren.
Ook dient overwogen te worden om het GMP-systeem wettelijk op te leggen. Hoewel dit uiteraard
in Europees verband dient te gebeuren, kan Nederland zich hiervoor internationaal gezien sterk
maken. Verder is het wellicht mogelijk om – conform de aanbevelingen van de ‘Commissie Tabaksblat’
– de zelfregulering in zoverre wettelijk vast te leggen dat bedrijven die niet in het systeem
participeren daarvoor goede argumenten moeten kunnen aandragen (het ‘pas toe of leg uit
principe’). In dat geval zou het systeem verder geborgd kunnen worden.
3. Verbeter de mentaliteit van de diervoederbranche

Zowel diervoederbedrijven als veehouderijen dienen zich bewust te zijn van de eigen verantwoordelijkheden

ten aanzien van het waarborgen van de voedselveiligheid. Men dient zich te realiseren
dat deze verantwoordelijkheid verder reikt dan de eigen schakel. Het zich richten op de
eigen schakel lijkt een diepgewortelde cultuur en is naar alle waarschijnlijkheid niet eenvoudig te
doorbreken. In onze optiek kan het vergroten van de transparantie daaraan wel bijdragen. Deze
aanbeveling hebben we als volgt geconcretiseerd.
3a Vergroot de transparantie van de grondstoffenmarkt

De herkomst van voedermiddelen en de wijze van opslag en transport zijn lang niet altijd bekend.

Een goede stap in het verbeteren hiervan is dat het PDV binnenkort verplicht stelt dat met behulp
van begeleidende documenten de herkomst van partijen voedermiddelen bepaald kan worden.
De verwachting is dat met name de tussenhandelaren weinig voelen voor deze verplichting. Zij
dienen hiermee immers marktgevoelige informatie openbaar te maken. Daarom dient nauwlettend
te worden toegezien op de wijze waarop het bedrijfsleven invulling geeft aan deze verplichting.
Ook de Tweede Kamer kan de vinger op dit gebied aan de pols houden.
Overigens stelt de General Food Law een goede traceerbaarheid ook op het gebied van diervoeders
vanaf 2005 verplicht. Deels is deze verplichting opgenomen in het GMP-systeem, implementatie
in nationale wetgeving is echter ook nodig. Bovendien dient hierop toezicht te worden
gehouden.
Verder verdient het aanbeveling te onderzoeken of, en zo ja onder welke voorwaarden en op
welke wijze het wenselijk en haalbaar is het aantal tussenhandelaren en mengpunten te verminderen
zodat een partij voedermiddelen niet meer ongelimiteerd verhandeld en/of gemengd kan
worden.
3b Versterk de ketenregie van de eindschakels, de slachterijen en de retail

De eindschakels (de slachterijen, de retail en uiteindelijk de consument) kunnen een sterkere rol

op zich nemen in het vergroten van de ketentransparantie dan tot nu toe. Indien zij eisen stellen
aan de inzichtelijkheid van de keten, de traceerbaarheid en dergelijke is de druk op de voorliggende
schakels om hieraan toe te geven groot. Opvallend in dit verband is wel dat hoewel er in
de markt diverse zeer grote integraties actief zijn, zij blijkbaar niet in staat zijn (of niet bereid zijn)
de ketenregie op zich te nemen. Meer inzicht in de redenen hiervoor is gewenst.
3c Zorg voor een financieel vangnet en regel de aansprakelijkheid

De gevolgen van een incident met diervoeder zijn groot. Het consumentenvertrouwen daalt, prijzen

zakken in en markten gaan verloren. Vooral bedrijven die te goeder trouw verontreinigd diervoeder
of voedermiddelen hebben afgenomen zijn de dupe. De schade wordt door onder andere
72
de vleesverwerkers steeds meer verhaald op de veehouders die deze vervolgens niet af kunnen
wentelen op de veroorzaker. Dit omdat deze niet altijd is te traceren. Wanneer de veroorzaker wel
bekend is, volgen vaak jarenlange juridische procedures voordat eventuele schadevergoeding
aan de orde is. In veel gevallen dreigt in dat geval een faillissement. Om deze reden dient onderzocht
te worden in hoeverre een waarborgfonds haalbaar is. Een dergelijk fonds – waarover zowel
de EU als de keten ook nadenken – dient veehouders in staat te stellen de periode tussen het
incident en de uiteindelijke (financiŽle) afwikkeling daarvan te overbruggen. De exacte vormgeving
van een dergelijk fonds is overigens lastig. Collectieve regelingen lijken niet gewenst omdat
de “zwakke broeders” daarvan ook profiteren. Een individuele benadering lijkt derhalve voor de
hand te liggen.
Verder kan gedacht worden aan het formuleren van standaardleveringsvoorwaarden waarin niet
alleen de aansprakelijkheid maar ook de specificatie van het geleverde diervoeder is vastgelegd.
De positie van de individuele veehouder wordt hierdoor versterkt.
3d Zorg voor een goed draagvlak

Het voorzorgprincipe is een belangrijk uitgangspunt bij het overheidshandelen. Door het bedrijfsleven

worden maatregelen in dat verband vaak als zwaar en overtrokken ervaren. Het draagvlak
lijdt daaronder. Dit terwijl doorgaans gegronde redenen die ook in het belang zijn van de keten
aan het overheidsingrijpen ten grondslag liggen. Een betere communicatie op dit punt door de
VWA is noodzakelijk.
Verder kan niet uitgesloten worden dat de overheid het voorzorgprincipe af en toe te strikt toepast
waardoor bedrijven onnodig schade lijden. Een toetsing achteraf op proportionaliteit lijkt dan ook
wenselijk. In gevallen dat de overheid te strikt is opgetreden dient de daaruit voortvloeiende
schade op een snelle en eenvoudige wijze verhaald te kunnen worden.
4. Versterk de borging van het GMP-systeem

De borging van het GMP+-systeem kan op onderdelen worden versterkt. In de eerste plaats door

het toezicht op het systeem aan te scherpen. Met name de kwaliteit van de risico- en gevarenanalyses
is voor verbetering vatbaar. Initiatieven hiervoor zijn genomen, gevolgd dient te worden
hoe deze in de praktijk uitpakken. Ook dient zoals eerder beschreven de dekking van het systeem
te worden uitgebreid.
De rol van de Tweede Kamer hierin is in principe beperkt. Het initiatief hiervoor ligt bij het bedrijfsleven.
Wel kan door de Kamer kritisch worden gevolgd welke initiatieven worden genomen en wat
de effectiviteit daarvan is. Verder kan de Kamer streven naar internationale harmonisatie van
kwaliteitssystemen. Mogelijk kan via het Europese spoor een wettelijke verankering van het
GMP-systeem worden gerealiseerd.
5. Beperk de gevolgen van incidenten

Een verontreiniging verplaatst zich zeer snel door de keten. Het optimaliseren van het Early Warning

System en het verder ontwikkelen en verplicht stellen van tracking en tracing systemen is
daarom van groot belang. Door vroegtijdig te waarschuwen en zo snel mogelijk de besmette partijen
voeders te kunnen lokaliseren, kan de verspreiding van de verontreiniging worden beperkt.
Niet alleen nationaal maar ook internationaal dienen hierover afspraken gemaakt te worden.
73
Verder kan sterker gelet worden op een mogelijke relatie met verontreinigd diervoeder wanneer
dieren ziek worden of zich anders gaan gedragen (onder andere de MPA-affaire is zo ontdekt) en
dient te worden bezien of de monsterprogramma’s bij de eindschakels (slachterijen en zuivelbedrijven)
kunnen worden uitgebreid. Zo controleren slachterijen op dit moment op onder andere
diergeneesmiddelen en hormonen. Mogelijk kan dit worden uitgebreid met bijvoorbeeld dioxine.
6. Overweeg een ander regime voor de toepassing van incidentele reststromen

De risico’s samenhangend met het verwerken van structurele reststromen worden doorgaans als

laag gekwalificeerd. Onduidelijkheid is er echter rond de toepassing van incidentele reststromen.
Deze stromen worden vaak aangeboden door niet-GMP gecertificeerde leveranciers. Een uitgebreide
gevarenanalyse vindt ook niet altijd plaats. Derhalve worden stromen ingezet waarvan niet
op voorhand duidelijk is of deze veilig zijn. Het verdient aanbeveling het wettelijk regime inzake
de toepassing van dergelijke stromen te heroverwegen. Op dit moment is het gebruik ervan – uiteraard
binnen de geldende wetten en regels – in principe toegestaan zonder dat ze aantoonbaar
‘voedselveilig’ dienen te zijn. Toepassing zou kunnen worden verboden, tenzij door middel van
een risicoanalyse is aangetoond dat het product voldoet aan de wettelijke normen.
7. Bezie nogmaals de ‘voors en tegens’ van een positieve lijst

Het al dan niet instellen van een positieve lijst van voedermiddelen die gebruikt mogen worden in

diervoeders stuit op veel discussie. Het doorslaggevende argument in deze hebben wij zeker niet.
Een belangrijk argument voor is in onze optiek dat duidelijk wordt welke stromen wel en niet als
voedermiddelen zijn gekwalificeerd. De afvalstof-grondstofdiscussie is hiermee wellicht op te lossen.
Verder zijn wij van mening dat een positieve lijst een flexibel karakter moet hebben. Na een
grondige risicoanalyse moet een grondstof opgenomen kunnen worden.
Aan de andere kant werkt een dergelijke lijst mogelijk een bepaalde luiheid in de hand. Het gevaar
bestaat dat wanneer een voedermiddel op de positieve lijst staat, een risicoanalyse achterwege
blijft of pro forma wordt uitgevoerd. Het uitvoeren van een goede gevarenanalyse blijft
echter van cruciaal belang. Het al dan niet op de lijst staan betekent immers niet dat een voedermiddel
niet verontreinigd kan zijn met ongewenste stoffen.
De afweging van de argumenten voor en tegen is een politieke. De discussie is reeds gevoerd
maar niet afgerond. Wellicht biedt voorliggend rapport aanknopingspunten om de discussie te
sluiten.
74
75
Bijlage 1 Beschrijving incidenten
Gegevens
Naam incident
Dioxine in brood- en beschuitmeel
Jaartal:
2002-2003
ALGEMEEN
1. Welke keten?

Varkens, (rose)kalveren, stierenmesterijen, slachtkuikenbedrijven, nertsen, eenden, melkvee

2. Op wat voor type voer had het incident betrekking?

In een grondstof voor mengvoeder (brood- en beschuitmeel) voor diverse typen dieren.

3. In welke schakel is incident naar voren gekomen/ontdekt?

Bij een verwerker van een grondstof voor mengvoeder. Trockenwerk ThŁringen GmbH (TWT) verwerkte

overgebleven brood uit broodfabrieken en winkels uit een groot deel van Duitsland tot broodmeel. Dit werd
rechtstreeks verkocht aan varkenshouderijen of kwam via mengvoederfabrikanten in diverse diervoeders terecht.
4. Hoe is het incident ontdekt? Evt. door welke controlerende instantie?

Het is ontdekt doordat op 4 december 2002 een routinemonster is genomen bij de drogerij TWT. Er zat 13 ng

WHO TEQ/kg dioxine in het broodmeel. De norm ligt echter veel lager: 0,75 ng WHO TEQ/kg. Daarna is
door het ThŁringer ministerie besloten een eerste proefslachting van drie varkens te doen bij een groot varkensbedrijf
dat dit broodmeel afgenomen had. De uitslagen hiervan lagen tussen de 2,1 en 2,6 ng WHO
TEQ/kg. Uit verder onderzoek van bewaarmonsters bleek dat in de gehele productieperiode (van 20 november
tot 23 december) de dioxinegehaltes te hoog waren. Dit betekende dat 250 ton broodmeel verontreinigd
was in plaats van de aanvankelijk gedachte 20 ton. Een deel van het besmette broodmeel was naar Nederland
verkocht.
5. Tijdpad (hoe lang duurde het voordat het incident werd ontdekt en de oorzaak tot de bron werd herleid)

Duitsland:

Op
4 december 2002 is een monster genomen waarvan de uitslag op 15 januari 2003 bekend werd. Op 7
februari
werd uit onderzoek van bewaarmonsters bekend dat broodmeel geproduceerd tussen 20 november
en 23 december te hoge gehaltes dioxine bevatte en dat een deel aan Nederlandse bedrijven verkocht was.
Op 10 februari kwam de schriftelijke melding via het Rapid Alert System vanuit het bondsministerie te Berlijn
binnen in Nederland. Vervolgens meldde de staatssecretaris van Landbouw van deelstaat ThŁringen op 14
februari
dat alle producten geproduceerd vanaf 23 november tot 31 januari vervuild konden zijn met dioxine.
Nederland
:
In Nederland kwam op vrijdagmiddag 7 februari telefonisch melding binnen vanuit de Duitse deelstaat over
de mogelijke besmetting bij Velthof Voeders in Borne. De volgende dag was het eerste contact tussen het ministerie
en Velthof Voeders over de leveringen tot 24 december. Op 10 februari vond contact plaats tussen
de RVV en Velthof Voeders over de leveringen in januari. Het zou gaan om 225 ton. Op 12 februari schreef
de minister van LNV een brief met deze melding aan de Tweede Kamer. Hierin werd verslag gedaan over de
gang van zaken. Er hoefde geen vlees uit de winkelschappen te worden gehaald. Wel werd gestart met
proefslachtingen. Vanaf 11 februari was de afvoer van dieren of dierlijke producten van verdachte bedrijven
strafbaar. Op dat moment waren er in Nederland 142 bedrijven - die voer met besmet broodmeel geleverd
hebben gekregen – geblokkeerd. Een paar dagen later (14 februari) werden nog eens 95 andere bedrijven
(die voer met besmet beschuitmeel geleverd hebben gekregen) geblokkeerd. De eerste 21 bedrijven werden
vrijgegeven op 17 februari. Op 6 maart mochten 59 veehouders nog steeds geen dieren afvoeren.
76
OORZAAK
6. Type verontreiniging (chemisch, microbiologisch, mycotoxine)

Dioxine en dioxine-achtige verbindingen (zoals PCB’s) zijn chemische afvalstoffen die vooral kunnen ontstaan

bij verbranding van stoffen. Hierbij kan gedacht worden aan afvalverbrandingsinstallaties waarin gechloreerd
afval wordt verbrand, bosbranden, vulkaanuitbarstingen en het afsteken van vuurwerk. Maar dioxines ontstaan
ook als ongewenste bijproducten bij de productie van chloorhoudende chemicaliŽn zoals pesticiden en PCB’s.
Dioxines hopen zich op in vetten. Bij voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong is het voer van deze dieren
vaak de oorzaak van dioxines. Als het voer dioxines bevat dan worden deze door de dieren opgenomen en
vooral in het vetweefsel opgeslagen. Doordat dit vlees geconsumeerd wordt zal ook een deel in het menselijke
vetweefsel worden opgeslagen.
7. Wat is de uiteindelijke oorzaak geweest?

De oorzaak voor de dioxineverontreiniging lijkt vooral te liggen in foutief handelen van TWT en vervolgens

achterhouden van informatie. TWT maakte gebruik van een oude drooginstallatie uit de vroegere DDR. In deze
installatie werd met houtsnippers gestookt. Door langdurige regenval in november was de berg houtsnippers
nat geworden. Door verbranding van natte houtsnippers komt er extra veel dioxine vrij. De drogerij was
bedoeld voor groenvoer waarvoor een temperatuur van 900įC nodig is. Voor het drogen van broodmeel wordt
de installatie getemperd tot 250-300įC. De automatische regeling heeft niet goed gefunctioneerd waardoor
verontreinigde rookgassen in het meel kwamen.
8. Welk bedrijf is de uiteindelijke veroorzaker? Welke schakel in de keten?

TWT verwerkte overgebleven brood uit broodfabrieken en winkels tot broodmeel. De positie van dit bedrijf is te

kenschetsen leverancier van diervoedergrondstoffen (broodmeel als grondstof voor mengvoeders) en als diervoederfabrikant
(broodmeel als een bijproduct dat rechtstreeks als diervoeder naar varkensbedrijven is gegaan).
9. Wie had de veroorzaker moeten controleren?

In Duitsland heeft elke deelstaat een eigen verantwoordelijkheid. Binnen de deelstaten gaan de ministeries

van Landbouw over het voerspoor, terwijl de ministeries van Volksgezondheid over onderzoek en eventueel
blokkades van veebedrijven gaan.
Het Nederlandse veevoederbedrijf Velthof Veevoeders was GMP-gecertificeerd en mocht alleen grondstoffen
inkopen bij GMP-gelijkwaardige/erkende bedrijven. TWT was niet gecertificeerd op het moment van de eerste
inkopen. Over de certificering bestaan twijfels: TWT was sinds 23 december 2002 gecertificeerd volgens NENISO
9001: 2000-12. Op dat moment had Velthof Veevoeders echter al drie vrachten ontvangen. In een brief
van de CI (IFTA) die gedateerd is op 25 november, is wel bevestigd dat TWT al aan de eisen voldeed.
10. Is sprake van een wetsovertreding?

Ja, aangezien de EU-normen voor veevoeders en dierlijke producten overschreden zijn.

Tabel B1: EU-normen voor veevoeders en dierlijke producten
categorie product maximum concentratie (PCCD/PCDF)

diervoeders diervoeders

plantaardig materiaal
0,75 ng WHO TEQ/kg
0,75 ng WHO TEQ/kg
dierlijke producten runderen, melk, eieren
pluimvee
varkens
3 pg WHO TEQ/g vet
2 pg WHO TEQ/g vet
1 pg WHO TEQ/g vet
77
11. Wat is de reden van de ‘overtreding’: bewust, onbewust, hiaat?

Deze overtreding is in de ogen van het ThŁringer ministerie bewust gebeurd. Volgens dit ministerie wist de

ondernemer van de storing van de automatische temperatuurregeling en had men actie moeten ondernemen.
Dit heeft het bedrijf echter nagelaten. Vervolgens heeft de bedrijfsleider in eerste instantie gelogen over de
grootte van de verontreinigde partij.
12. Hoe veel partijen zijn uiteindelijk betrokken geweest bij het incident, in 1e en 2e aanleg?
(Waar is het product naar toe gegaan?)

Het broodmeel is in Nederland gebruikt door Velthof Veevoeders BV te Borne. Deze heeft het brood- en beschuitmeel

verkocht aan vleesveebedrijf Luyerink te Overdinkel, Cebeco, Oude Elberink te Geesteren, CoŲperatie
de Valk te Lunteren en CoŲperatie Arkervaart te Nijkerk. Deze mengvoerbedrijven hebben het voer
met broodmeel doorverkocht aan 142 veehouderijen en voer met beschuitmeel aan 95 veehouderijen.
ACHTERAF
13. Omvang van de schade

Over de omvang van de schade in euro’s is (nog) geen informatie voor handen. Maar duidelijk mag zijn dat

de vele veehouderijen die een enige tijd gesloten waren en de betrokken mengvoederbedrijven inkomsten
schade hebben geleden. Voor Velthof Veevoeders heeft deze dioxine-affaire financiŽle gevolgen vanwege
het verlies van de GMP-erkenning.
14. Genomen maatregelen (bijvoorbeeld in de wetgeving, kwaliteitsregels of controle)

Omdat dit voorval zich tamelijk recent heeft voorgedaan, zijn vooralsnog alleen korte termijnmaatregelen genomen,

te weten het blokkeren van alle veehouderijbedrijven die verdacht voer ontvangen hebben. Deze zijn
weer vrij gegeven nadat de uitslagen van proefslachtingen bekend waren. Ook is het verdachte voer dat nog
niet verhandeld was geblokkeerd.
15. Gebruikte literatuur/bronnen

∑ Brief van de minister van LNV en de staatssecretaris van VWS, 12 februari 2003, Tweede Kamer, vergaderjaar

2002-2003, 26 991, nr. 84
∑ Regeling maatregelen vee dioxine in mengvoeder 11 februari 2003, Staatscourant 12 februari 2003, nr.30/
pag. 10
∑ Brief van de minister van LNV 14 februari 2003, Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 26 991, nr. 86
∑ Tweede Kamer, vragenuur, 11 februari 2003, TK 42, 42-2982 t/m 42-2984
∑ Dioxine in Duits brood en beschuitmeel, L. Gengler, De Molenaar 21 februari 2003
∑ LTO wil schade dioxine verhalen op leveranciers, 25 februari 2003-04-28
∑ Dioxines in voedsel, TNO Milieu, Energie en Procesinnovatie
www.vwa.nl
∑ Vragen over verontreinigd diervoeder uit ThŁringen, 12 februari 2003 via website www.vwa.nl
∑ RIKILT/RIVM advies 11 februari 2003, Risicoschatting normoverschrijding dioxines in broodmeel, p.1 t/m 3

∑ Duitse dioxine-broodmeel niet gecertificeerd, Vee & Gewas
16. Risicoanalyse

De volgende elementen vormen een verklaring voor dit incident.

∑ TWT kende de risico’s van verbranding van natte houtsnippers maar heeft toch onvoldoende controles
uitgevoerd. Bovendien heeft het bedrijf bewust het verontreinigde product verhandeld
∑ Nederlandse bedrijven nemen toch producten van een niet gecertificeerd bedrijf af.
78
Gegevens
Naam incident
Dioxine in Braziliaanse citruspulp
Jaartal:
1998
ALGEMEEN
1. Welke keten?

Melkvee

2. Op wat voor type voer had het incident betrekking?

Citruspulp als grondstof voor mengvoer voor melkvee

3. In welke schakel is incident naar voren gekomen/ontdekt?

De Duitse autoriteiten hebben in maart 1998 verhoogde gehaltes dioxine in melk ontdekt. De bron van besmetting

bleken Braziliaanse citrus pellets te zijn, vervaardigd van besmette citruspulp.
4. Hoe is het incident ontdekt? Evt. door welke controlerende instantie?

In de Duitse deelstaat Baden-Wurtenberg werden tijdens een routinecontrole in de tank van een melkwagen

melkmonsters met een dioxineconcentratie van 7 pg/liter (pg=picogram, dit is een miljoenste van een miljoenste
gram) aangetroffen, wat boven de toegestane norm was. De bron van de verontreiniging bleek een partij
citruspulp van Braziliaanse afkomst te zijn.
De pulp die via Amsterdam werd aangevoerd, is voor 60% in Nederland terechtgekomen en voor de rest in
Duitsland en BelgiŽ. Het is gebruikt in mengvoer voor koeien dat doorgaans 5% - 30% van deze pulp bevat.
De Braziliaanse citruspulp was zwaar verontreinigd met dioxine tot concentraties van 5-10 pg dioxine/gram
pulp. In Baden-Wurtenberg nam men onmiddellijk maatregelen door de nog niet gebruikte pulp van de boerderijen
terug te halen. In Nederland was het daarvoor te laat. Men begon pas met dioxinemetingen in pulp en
melkmonsters toen het grootste deel al was opgevoerd aan de koeien. Het ministerie van LNV heeft na de
ontdekking onmiddellijk bepaald dat de citruspulp niet meer mocht worden gebruikt, maar die was toen al verspreid
over 60 handelaren in heel Nederland.
Nader onderzoek van de AID bevestigde dat de citruspulp pellets die begin 1998 zijn geÔmporteerd en mengvoeder
waarin deze citruspulp pellets zijn verwerkt, veelal in meer of mindere mate met dioxinen verontreinigd
was. Door de AID is op 55 boerderijen een melkmonster genomen. Het gemiddelde dioxinegehalte in deze
monsters bedroeg 1.05 pg TEQ/g melkvet (TEQ = Toxiciteits Equivalenten). In welke mate het relatief hoge
gemiddelde van 1.05 pg TEQ/g melkvet een gevolg is van de toepassing van de verontreinigde Braziliaanse
citruspulp pellets in het veevoeder is niet met zekerheid aan te geven. Het dioxinegehalte in melk vertoont
namelijk altijd enige variatie. De gevonden waarden liggen evenwel ruim onder de Warenwetnorm van 6.0 pg
TEQ/g melkvet.
5. Tijdpad (hoe lang duurde het voordat het incident werd ontdekt en de oorzaak tot de bron werd herleid)

Uit correspondentie met de minister blijkt dat de Tweede Kamer
op 29 april 1998 is geÔnformeerd over de
eerste resultaten van het onderzoek naar de verontreiniging. Uit persberichten van Greenpeace blijkt dat onderzoekers
er maanden over gedaan hebben om de oorzaak te vinden.
79
OORZAAK
6. Type verontreiniging (chemisch, microbiologisch, mycotoxine)

Dioxine en dioxine-achtige verbindingen (zoals PCB’s) zijn chemische afvalstoffen die vooral kunnen ontstaan

bij verbranding van stoffen. Hierbij kan gedacht worden aan afvalverbrandingsinstallaties waarin gechloreerd
afval wordt verbrand, bosbranden, vulkaanuitbarstingen en het afsteken van vuurwerk. Maar dioxines ontstaan
ook als ongewenste bijproducten bij de productie van chloorhoudende chemicaliŽn zoals pesticiden en PCB’s.
Dioxines hopen zich op in vetten. Bij voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong is het voer van deze dieren
vaak de oorzaak van dioxines. Als het voer dioxines bevat dan worden deze door de dieren opgenomen en
vooral in het vetweefsel opgeslagen. Doordat dit vlees geconsumeerd wordt zal ook een deel in het menselijke
vetweefsel worden opgeslagen.
7. Wat is de uiteindelijke oorzaak geweest?

Naar aanleiding van de verontreiniging van Braziliaanse citruspulp pellets met dioxinen, is door de Europese

Commissie een inspectiemissie uitgevoerd in BraziliŽ. Gebleken is dat de Braziliaanse autoriteiten met dioxinen
verontreinigde kalk als de oorzaak van de verontreiniging beschouwen. De kalk werd toegevoegd tijdens het
productieproces van de citruspulp pellets. Over de exacte herkomst van de verontreinigde kalk hebben de Braziliaanse
autoriteiten geen zekerheid verschaft.
Uit persberichten en onderzoek door Greenpeace blijkt dat de veroorzaker het chemische bedrijf Solvay in
BraziliŽ is. Dit bedrijf is een Belgische multinational, die PVC produceert. Op het terrein van Solvay ligt een
berg kalk die is vervuild met dioxinen. De afvalberg lag er al ruim tien jaar. Deze besmette kalk werd gebruikt
bij de productie van de citruspulp.
8. Welk bedrijf is de uiteindelijke veroorzaker? Welke schakel in de keten?

Waarschijnlijk de PVC fabrikant Solvay te BraziliŽ: dit is een leverancier van kalk: een hulp- of grondstof - die

bij het productieproces van citruspulp nodig is.
9. Wie had de veroorzaker moeten controleren?

Dat is niet bekend. Waarschijnlijk de Braziliaanse autoriteiten.

10. Is sprake van een wetsovertreding?

Juridisch ligt dit incident lastig aangezien er sprake was van legale handel tussen BraziliŽ en Europa. Verder is

niet duidelijk waarvoor de kalk in het productieproces gebruikt werd en of er direct contact met levensmiddelen
was. Als de kalk een ingrediŽnt of grondstof was dan is er sprake van contact met levensmiddelen en is de weten
regelgeving strenger. Inkoop van gecontroleerde en gespecificeerde grondstoffen is dan belangrijk. Als de
kalk als hulpstof nodig was dan gelden andere regels.
11. Wat is de reden van de ‘overtreding’: bewust, onbewust, hiaat?

Niet bekend

12. Hoe veel partijen zijn uiteindelijk betrokken geweest bij het incident, in 1e en 2e aanleg?
(Waar is het product naar toe gegaan?)

Het ging om circa 100.000 ton citruspulp dat naar 11 Europese landen geŽxporteerd is. In Nederland ging het

om 35.500 ton citruspulp pellets waarmee circa 5.500 ton mengvoeder is geproduceerd.
80
ACHTERAF
13. Omvang van de schade

Het ministerie van LNV heeft na de ontdekking het verontreinigde materiaal bijeen laten brengen, waarbij LNV

de kosten van de recall heeft vergoed. De 60 handelaren is meegedeeld dat de vernietigingskosten en het verlies
aan waarde van de citruspulp (11 mln tot 12 mln gulden) voor hun rekening komt. In correspondentie van de
staatssecretaris met de Tweede Kamer is aangegeven dat het ministerie van LNV voor circa 1,8 miljoen gulden
aan transport-, opslag- en verbrandingskosten heeft bijgedragen. De resterende kosten, circa 9,6 miljoen gulden,
zijn voor rekening van het bedrijfsleven geweest (met name waardeverlies van de verbrande partijen).
14. Genomen maatregelen (bijvoorbeeld in de wetgeving, kwaliteitsregels of controle)

Om nieuwe verontreiniging te voorkomen is op 10 augustus 1998 de Regeling invoercontrole citruspulp 1998

ingevoerd. In de richtlijn 74/63/EEG tot vaststelling van maximumgehaltes aan ongewenste stoffen en producten
in diervoeders waren al maximumgehaltes opgenomen, ook voor citruspulp: 500 pg l-TEQ/kg (bovendetectiegrens).
De invoercontroles werden daarna gedeeltelijk gebaseerd op de Regeling in- en uitvoercontroles diervoeders
en gedeeltelijk op de Regeling invoercontrole citruspulp 1998. Nadien is de Regeling invoercontrole
citruspulp 1998 twee keer gewijzigd (op 29 juni 1999 en op 18 februari 2000). Dit had met name betrekking op
de controle-intensiteit en uitvoering van de controles.
Verder is in 1999 een Stappenplan Dioxine door de Tweede Kamer opgesteld (18 319, nr.65). Op Europees niveau
zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop wordt omgegaan met toekomstige importen van Braziliaanse
citruspulp pellets. Alle Braziliaanse citruspulp pellets zijn (voorlopig) aan de EU-buitengrens gecontroleerd op de
aanwezigheid van dioxine. De betreffende partijen worden pas tot de EU toegelaten indien gebleken is dat het
dioxinegehalte lager is dan maximumgehalte van 500 pg TEQ/kg. Daarnaast is toegezegd dat onderzoek wordt
uitgevoerd naar de aanwezigheid van dioxinen in veevoeder.
15. Gebruikte literatuur/bronnen

∑ Kamervragen met antwoord 1997-1998, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1257, Tweede Kamer, p.2571-

2572;
∑ Regeling invoercontrole citruspulp 1998, Staatscourant 1998, 151, p. 4;
∑ Kamervragen met antwoord 1998-1999, Aanhangsel van de Handelingen, nr.477, Tweede Kamer, p.973-974;
∑ Kamervragen met antwoord 1998-1999, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1493, p.2981, Tweede Kamer;
∑ Wijziging Regeling invoercontrole citruspulp 1998, Staatscourant 1999, 123, p.7 en Staatscourant 2000, 40,
p.14;
∑ Kamerstuk 2001-2002, Kaderwet diervoeders, 28 173, nr.3, Tweede Kamer;
∑ Solvay ruimt giftige erfenis niet op, Groen & geel, nieuwsbrief van milieuorganisaties over de chloorchemie, nr.
8 april 2002;
www.greenpeace.org
∑ Solvay chemical plant in Brazil identified as source of european food contamination, 25 maart 1999

∑ Solvay investigated for dioxin contamination, 13 juli 1999
www.mngm.nl:
∑ Veevoer verontreinigd met dioxine, Meldpuntennetwerk gezondheid en milieu, Nieuwsbrief juni 1998

∑ 9823263:Instructie: uit te voeren controles bij het binnenbrengen van een partij citruspulp pellets met herkomst
derde land via een aangewezen plaats van binnenkomst, 2 augustus 1999
∑ Verwerkingskosten verontreinigde citruspulp pellets (TRC 99/14944), DL.19991983, Correspondentie met het
parlement 2 juni 1999.
∑ Dioxinen in Braziliaanse citruspulp pellets (TRC 9/11425), DL. 1998392, Correspondentie met het parlement
16 december 1998.
16. Risicoanalyse

De volgende factoren vormen een verklaring voor het incident.

∑ De kalk die als ingrediŽnt/grondstof is gebruikt is waarschijnlijk onvoldoende gecontroleerd (op basis van inkoopspecificaties
en monsternames van partijen)
∑ Het is niet bekend hoe de wet- en regelgeving (controle, inkoopspecificatie, werken volgens HACCP) in BraziliŽ
geregeld is. Waarschijnlijk zijn de citruspulp pellets door de bedrijven in EU niet gekocht op basis van certificatie-
eisen. Hierover wordt niet in de stukken gesproken. Wel is overigens gemeld dat de handel legaal was.
In 1998 werd de Verordening PDV Diervoeders ingesteld met hierin de GMP-eisen. Waarschijnlijk speelde dit
incident toen het inkopen via gecertificeerde bedrijven nog niet geregeld was.
81
Gegevens
Naam incident
Dioxine in kippen en eieren
Jaartal:
1999
ALGEMEEN
1. Welke keten?

Vooral kippen en eieren, maar ook varkens

2. Op wat voor type voer had het incident betrekking?

Pluimvee- en varkensvoer

3. In welke schakel is incident naar voren gekomen/ontdekt?

In een monster van pluimveevoeder en in het kippenvet van gestorven dieren (afkomstig van een Belgisch

pluimveebedrijf waar zich begin 1999 diergezondheidsproblemen hadden voorgedaan), werden hoge gehaltes
dioxinen geconstateerd. Uit Belgisch onderzoek bleek dat ook Nederlandse pluimveebedrijven mogelijk verontreinigd
voer hebben gekregen van een Belgische vestiging van een Nederlands mengvoederbedrijf. Tevens
heeft een Nederlandse vestiging van hetzelfde mengvoederbedrijf varkensvoer gemaakt waarin de verontreinigde
grondstof na sterke verdunning mogelijk is verwerkt.
4. Hoe is het incident ontdekt? Evt. door welke controlerende instantie?

In een monster pluimveevoeders en in kippenvet van gestorven moederdieren zijn hoge gehaltes dioxinen

aangetroffen.
5. Tijdpad (hoe lang duurde het voordat het incident werd ontdekt en de oorzaak tot de bron werd herleid)

BelgiŽ:

Op 9 februari 1999 kwam de eerste melding van de veevoederproducent De Brabander binnen bij zijn verzekeringsmaatschappij
over een hogere sterfte van kuikens bij klanten. Een onderzoek door eigen voedingsdeskundige
werd gestart, waarna men half maart constateerde dat het om verhoogde concentraties dioxine ging.
Nederland:
Op 29 april 1999 werd door RIKILT vertrouwelijk gemeld aan het ministerie van LNV dat hoge gehalten dioxinen
in monsters kippenvet en kippenvoer aangetroffen waren. Op 10 mei 1999 was er overleg tussen RIKILT,
Belgische autoriteiten en KDD over mogelijkheid dat de verontreinigde partij vet door Nederlandse toeleveranciers
van vetproducten geleverd zou zijn. Op 11 mei werd aan de AID gevraagd dit te onderzoeken. Op 12 mei
1999
is Nederland formeel via een fax geÔnformeerd over het aantreffen van hoge dioxinegehalten in pluimvee
en gebruikt mengvoer op ťťn Belgisch pluimveebedrijf. Op 28 mei is de staatssecretaris via het Rapid Alert
System door BelgiŽ ingelicht over de levering van met dioxine verontreinigd vet door vetsmelterij Verkest aan
tien Belgische mengvoerbedrijven, waaronder Hendrix te Merksem. Dit bedrijf had voer aan circa 70 Nederlandse
pluimveebedrijven (uitsluitend slachtkuikens) geleverd. Ook werd gemeld dat verontreinigd vet van Verkest
via Rendac-BelgiŽ (dat dit vet sterk heeft verdund) aan Hendrix te Oosterhout is geleverd. Hendrix-O heeft
dit mengsel verwerkt tot varkensvoer voor Nederlandse varkensbedrijven. Alle pluimveebedrijven die voer hebben
betrokken van de 10 mengvoerbedrijven werden geblokkeerd, evenals 5 tot 7 betrokken opfokbedrijven en
vlees in vrieshuizen van mogelijk betrokken vervuilde partijen.
Op 29 mei werden verdere traceringsacties opgezet. Op 1 juni werden ook mogelijk betrokken varkensbedrijven
geblokkeerd. Uit de uitslagen van monsternames op 3 juni werd geconcludeerd dat voor een dioxinebesmetting
van in Nederland gebruikt veevoer geen aanwijzingen zijn. Ook in Nederlandse eieren en in vet van
Nederlandse kippen en varkens zijn geen verhoogde dioxinegehaltes aangetroffen.
82
OORZAAK
6. Type verontreiniging (chemisch, microbiologisch, mycotoxine)

Dioxine en dioxine-achtige verbindingen (zoals PCB’s) zijn chemische afvalstoffen die vooral kunnen ontstaan

bij verbranding van stoffen. Hierbij kan gedacht worden aan afvalverbrandingsinstallaties waarin gechloreerd
afval wordt verbrand, bosbranden, vulkaanuitbarstingen en het afsteken van vuurwerk. Maar dioxines ontstaan
ook als ongewenste bijproducten bij de productie van chloorhoudende chemicaliŽn zoals pesticiden en PCB’s.
Dioxines hopen zich op in vetten. Bij voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong is het voer van deze dieren
vaak de oorzaak van dioxines. Als het voer dioxines bevat dan worden deze door de dieren opgenomen en
vooral in het vetweefsel opgeslagen. Doordat dit vlees geconsumeerd wordt zal ook een deel in het menselijke
vetweefsel worden opgeslagen.
7. Wat is de uiteindelijke oorzaak geweest?

Door twee Belgische veevoerfabrikanten - De Brabander en Huys – wordt een probleem met hoge sterfte van

kuikens van hun afnemers van veevoer geconstateerd. Na tracering bleek dat beide bedrijven vetten van vetsmelter
Verkest ontvangen hadden.
8. Welk bedrijf is de uiteindelijke veroorzaker? Welke schakel in de keten?

Vetsmelterij Verkest en Rendac-BelgiŽ zijn als veroorzakers aan te wijzen.

∑ De vetsmelter heeft onder de benaming van “dierlijke vetten” een mengeling van dierlijke vetten en gerecyclede
frituurvetten geleverd. Verkest leverde dus samengestelde vetten aan zijn klanten, veevoederproducenten,
onder de benaming “dierlijke vetten”.
∑ In Belgische beschrijving van de Kamer over de dioxine-affaire staat dat Rendac besmette kuikens heeft
vernietigd en vervolgens de vetten hieruit opnieuw in de veevoederketen introduceerde.
9. Wie had de veroorzaker moeten controleren?

In BelgiŽ geldt dat het controleren van vetsmelters valt onder de bevoegdheid van DG4 (landbouw), indien de

vetten rechtstreeks bestemd zijn voor de diervoederproductie. Echter controles zijn niet uitgevoerd omdat er
geen controleprogramma tot op dat moment bestond voor dioxines/PCB’s. Indien vetten rechtstreeks bestemd
zijn voor menselijke consumptie dan ligt de bevoegdheid bij IVK (instituut voor Veterinaire Keuring Volksgezondheid).
Uit een antwoord op vragen over vetsmelterijen op 28 juni 1999 blijkt dat de import uit derde landen van dierlijke
en plantaardige vetten, niet bestemd voor humane consumptie aan een onvoldoende stringent controleregime
onderworpen is. Deze import is wel onderhevig aan de Europese regelgeving. De verwerking in
Nederland van dit slachtafval mag alleen op bedrijven die hiervoor erkend zijn door en onder toezicht staan
van de RVV.
10. Is sprake van een wetsovertreding?

De vetten waren gecontamineerd met te hoge gehalten aan dioxine, die boven de wettelijke norm uit kwamen.

Uit onderzoek van DG4 in BelgiŽ werd op 30 mei 1999 bevestigd dat de vetsmelter Verkest onder de benaming
van “dierlijke vetten” een mengeling van dierlijke vetten en gerecyclede frituurvetten leverde. Het gebruik
van gerecyclede frituurvetten was sinds 1 mei echter verboden.
11. Wat is de reden van de ‘overtreding’: bewust, onbewust, hiaat?

In het stuk van de Kamer in BelgiŽ wordt gemeld: “of en in welke mate het leveren van de vetten door Verkest

onder de benaming ‘dierlijke vetten’ een strafrechtelijke inbreuk uitmaakt, zal moeten blijken uit het lopende
strafrechtelijk onderzoek.” Waarschijnlijk is dit wel bewust gebeurd.
12. Hoe veel partijen zijn uiteindelijk betrokken geweest bij het incident, in 1e en 2e aanleg?
(Waar is het product naar toe gegaan?)

Er waren twee voersporen naar Nederland:

∑ Spoor 1: via Verkest werd vet geleverd als diervoedergrondstof voor mengvoer aan Hendrix te Merksem
dat het voer aan 70 slachtkuikenbedrijven en 6 opfokbedrijven voor pluimvee.
∑ Spoor 2: via Rendac-BelgiŽ werd vet geleverd aan Hendrix te Oosterhout dat het in varkensvoer verwerkte
en leverde aan 500 varkensbedrijven.
(indirect spoor: verder is er mogelijk besmet kippenvlees en eieren uit BelgiŽ geÔmporteerd naar Nederland)
83
ACHTERAF
13. Omvang van de schade

De omvang van de schade is niet bekend.

14. Genomen maatregelen (bijvoorbeeld in de wetgeving, kwaliteitsregels of controle)

Op 9 juni 1999 zijn naar aanleiding van deze dioxineaffaire door de minister van VWS en staatssecretaris van

LNV maatregelen aangekondigd voor versnelling en aanscherping van het kwaliteitsbeleid diervoeder:
∑ toezicht op de controles van diervoeder en het overheidsaandeel in de controle op naleving worden versterkt
∑ grondstoffen met een hoog risicoprofiel mogen niet worden gebruikt in diervoeder
∑ signalering door Inspectie Waren en Veterinaire Zaken op reststromen uit levensmiddelenindustrie
∑ alle grondstoffen moeten gaan voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als die van diervoeder
∑ invoering van verplicht garantiecertificaat voor grondstoffen diervoeder
∑ memorandum ten behoeve van heroriŽntatie Europees diervoederbeleid.
In de Voortgangsrapportage herijking diervoederbeleid van 8 oktober 1999 zijn structurele maatregelen
geformuleerd.
In juni 1999 is er door de AID en de RVV tevens een onderzoek ingesteld bij de Nederlandse vetopwerkers.
Het doel van dit onderzoek was aan de hand van de administraties en het bedrijfsprocessen in kaart te brengen
welke vetstromen de bedrijven binnenkomen en verlaten.
15. Gebruikte literatuur/bronnen

∑ DOC 50 0018/007 van de Kamer in BelgiŽ

∑ 12-02-2003 Brief aan de Kamer Dioxine in veevoeder
∑ 11-02-2003 Persbericht /Regeling Dioxine gevonden in veevoer /Regeling maatregelen vee dioxine in
mengvoeder
∑ 16-11-2001 Brief aan de Kamer Verontreiniging van dioxinen in kippeneieren
∑ 07-09-2001 Brief aan de Kamer Verontreiniging van dioxinen in kleimineralen en kippeneieren
∑ 14-06-2000 Brief aan de Kamer Onderzoeksrapport Belgisch Parlement n.a.v. dioxine-affaire in 1999
∑ 08-10-1999 Brief aan de Kamer Voortgangsrapportage herijking diervoederbeleid
∑ 31-08-1999 Brief aan de Kamer Dioxine: stand van zaken
∑ 20-08-1999 Brief aan de Kamer Beantwoording Kamervragen inzake een dioxine-onderzoek
∑ 13-07-1999 Europese Commissie: beperkende maatregelen gelden niet langer voor Nederlandse producten
∑ 28-06-1999 Brief aan de Kamer Antwoorden op Kamervragen: Vetsmelterijen (1) en (2)
∑ 17, 18 en 2906-1999 Brief aan de Kamer Dioxine: actuele ontwikkelingen
∑ 15-06-1999 Persbericht Onderzoek naar met dioxine verontreinigde kip
∑ 15-06-1999 en 11-06 Brief aan de Kamer Dioxine: actuele ontwikkelingen
∑ 14-06-1999 Persbericht Veiligheid voedselketen
∑ 09-06-1999 Brief aan de Kamer Antwoorden op vragen Algemeen Overleg inzake dioxine
∑ 08-06-1999 Brief aan de Kamer Dioxine: laatste stand van zaken
∑ 07-06-1999 Regeling Maatregelen in verband met dioxineverontreiniging
∑ 07-06-1999 Persbericht Bedrijven en vlees na dioxine-onderzoek vrijgegeven
∑ 07-06-1999 Brief aan de Kamer Verwerkingskosten verontreinigde citruspulp pellets
∑ 04-06-1999 Regeling Maatregelen Belgische vee- en pluimveeproducten
∑ 04-06-1999 Persbericht Import- en slachtverbod vee uit BelgiŽ
∑ 03-06-1999 Brief aan de Kamer Onderzoeksresultaten dioxine bij kippen en varkens
∑ 02-06-1999 Brief aan de Kamer Dioxinen in veevoer
16. Risicoanalyse

Dit incident werd veroorzaakt door de volgende factoren.

∑ De vetten die als grondstof voor veevoer gebruikt werden, zijn door Verkest als “dierlijke vetten” geleverd.
Dit betrof echter een mengeling van dierlijke vetten en gerecyclede frituurvetten.
∑ De leveranciers van vetten bleken destijds geen GMP-procedure te hanteren. Bij vetsmelter Verkest, bleek
de aanvraag van een GMP-erkenning echter zo goed als afgerond.
84
Gegevens
Naam incident
MPA
Jaartal:
2002
ALGEMEEN
1. Welke keten?

Varkens

2. Op wat voor type voer had het incident betrekking?

Brijvoedergrondstoffen (= natte bijvoeder )

3. In welke schakel is incident naar voren gekomen/ontdekt?

Bij de veehouders. Aanleiding voor de verdenkingen van verontreiniging waren diergeneeskundige klachten

(vruchtbaarheidsstoornissen) bij een drietal zeugenbedrijven vanaf begin mei 2002. De zeugen werden niet
berig of wierpen niet terwijl ze hoogzwanger waren.
4. Hoe is het incident ontdekt? Evt. door welke controlerende instantie?

Onderzoek van veeartsen en de Veterinaire Faculteit Utrecht bij de drie zeugenbedrijven deed vermoeden dat

een hormonale factor in het spel was. Na het staken van de bijvoedering verdwenen de problemen grotendeels.
In overleg met de VWA en VWS werd op 12 juni besloten tot een proefslachting van 10 van de 300
zeugen, waarbij uitgebreid onderzoek werd uitgevoerd naar hormonen.
5. Tijdpad (hoe lang duurde het voordat het incident werd ontdekt en de oorzaak tot de bron werd herleid)

Op
9 mei 2002 merkt de heer Welvaarts (varkenshouder) dat varkens niet afbiggen en niet berig worden. Op
15 mei is de veearts benaderd. Ook met voederleveranciers wordt contact gezocht om de oorzaak te achterhalen.
Op 22 mei wordt contact opgenomen met de Universiteit Utrecht. Als de resultaten bekend zijn neemt
de boer op 14 juni zelf contact op met de KvW, die het ministerie van LNV op de hoogte brengt. Slachterij
Dumeco treft op 19 juni zelf al voorzorgsmaatregelen en sluit getroffen boerenbedrijven uit van levering van
varkens.
Op 22 juni kwamen twee van de drie bedrijven onder toezicht van de AID. Het derde bedrijf later ook. Op 27
juni
maakten ministers van LNV en VWS bekend dat MPA was aangetroffen in brijvoedergrondstoffen en in
geslachte zeugen. Vanaf 2 juli 2002 is in overleg met LNV op verzoek van het PDV de recall van - de grondstoffen
voor - het diervoeder gestart. Deze recallactie was eind juli afgerond. Mengvoederfabrikant van Bunt-
Rijnsburg BV bijvoorbeeld heeft in de week van 10 tot 17 juli zijn voer teruggehaald. Op 17 juli is in een Basisoverleg
tussen verschillende actoren besloten tot het eisen van een schoonvoerverklaring (7 dagen schoon
voer gehad) voordat aan slachterij geleverd mocht worden.
Het traceren van de directe stroom van de bron (naar Bioland) naar de varkenshouders was vanaf half juni
redelijk snel gebeurd (1 week). Het traceren van het langere spoor via de melassehandelaar naar veevoederbedrijven
duurde iets langer (begin juli).
85
OORZAAK
6. Type verontreiniging (chemisch, microbiologisch, mycotoxine)

MPA (medroxy progestron acetaat) is een hormonale stof waarvan het gebruik bij dieren door de EU is verboden

sinds 1989 en in Nederland al sinds 1961. MPA is wel toegestaan als anticonceptiemiddel bij mensen,
honden en katten.
7. Wat is de uiteindelijke oorzaak geweest? Bron van besmetting?

Het Ierse farmaceutisch bedrijf Weyth vervaardigt onder meer anticonceptiepillen. Bij de productie van anticonceptiepillen

komen twee soorten glucosestroop vrij. De ene stroom wordt als ‘groene’ afvalstroom afgezet en is
niet gevaarlijk. De andere is door aanwezigheid van hormonen gevaarlijk en wordt als ‘oranje’ afvalstroom afgezet.
Deze twee stromen zijn door het Ierse afvalverwerkingsbedrijf Cara echter vermengd en als groene afvalstroom
afgezet.
Via een makelaar (tussenhandelaar) is dit afgezet naar Bioland in BelgiŽ. Dit bedrijf heeft het afvalproduct (de
glucosesiroop) vermengd met suikerwater (afval van de suikerverwerkende industrie) en vervolgens verkocht
aan een aantal Nederlandse veevoederhandelaren en varkenshouders.
8. Welk bedrijf is de uiteindelijke veroorzaker? Welke schakel in de keten?

Het Ierse bedrijf Cara (de ontdoener) had de twee soorten afvalstromen - van de producent van

anticonceptiepillen - moeten scheiden.
9. Wie had de veroorzaker moeten controleren?

Uit de reconstructie blijkt dat het Ierse afval (met het MPA-hormoon) foutief was opgenomen op de ‘groene lijst

van afvalstoffen’, zodat geen controleprocedures werden uitgevoerd. Het afval had echter op een zogenaamde
‘oranje lijst’ moeten komen. Voor de stoffen die op deze lijst staan geldt een strenge controleprocedure.
10. Is sprake van een wetsovertreding?

1. Het Ierse bedrijf Cara verkocht een gemengde (oranje) afvalstroom als (groen) veilig.

2. Het Belgische bedrijf Bioland had geen vergunning om farmaceutisch afval te verwerken, alleen een
milieuvergunning voor het verwerken van afvalstoffen.
3. Het kwaliteitsprogramma van de Nederlandse diervoederindustrie bleek eveneens niet goed te werken.
Twee Nederlandse ondernemingen (Van Genugten en Zeeland Voeders) hebben toch grondstoffen bij Bioland
ingekocht, terwijl dit bedrijf niet is erkend door het GMP-programma. De erkenning van deze twee bedrijven
is vervolgens ingetrokken.
11. Wat is de reden van de ‘overtreding’: bewust, onbewust, hiaat?

De Ierse bedrijven (de producent en afvalverwerker) die de met het MPA-hormoon besmette glucosestroop

hebben geleverd aan het Belgische bedrijf Bioland blijken volgens een gerechtelijk onderzoek “uit winstbejag”
te hebben gehandeld. Zij concluderen dit omdat uit staalnames (monsters) is gebleken dat de zogenaamde
‘groene’ stroom vrijwel even sterk vervuild was als de ‘oranje’ stroom. Verder onderzoek moet uitwijzen wie hier
verantwoordelijk voor is.
Het Belgische bedrijf Bioland heeft bewust afvalstoffen verwerkt zonder daarvoor een vergunning te hebben.
Ook de Nederlandse veevoederbedrijven/veehouders lijken bewust (vanwege de kosten) de grondstof voor het
veevoeder van Bioland te hebben te betrokken, ook al was niet gecertificeerd en was dit tegen de regels van
de GMP. Zoals de varkenshouder het zelf verwoordt: “Het voer rekende mooi. De prijs was goed.”
86
12. Hoe veel partijen zijn uiteindelijk betrokken geweest bij het incident, in 1e en 2e aanleg?
(Waar is het product naar toe gegaan?)

Via de afzet van de glucosestroop zijn meerdere sporen van besmetting te traceren.

1. Via spoor 1 (rechtstreeks aan varkenshouder) waren 52 varkenshouderijen betrokken, waarvan bij 26 bedrijven
MPA in de dieren is aangetoond.
2. Via spoor 2 (via mengvoederbedrijf die het verwerkte in melasse) waren 517 varkensbedrijven betrokken.
3. Via spoor 3 (via een tussenhandelaar en een melassehandelaar) waren in totaal 73 diervoederbedrijven,
13 handelaren en 7 buitenlandse bedrijven betrokken. Via de tussenhandel is aan ruim 40 veehouders
rechtstreeks geleverd.
ACHTERAF
13. Omvang van de schade

De Europese Commissie schrijft dat de totale schade van de MPA-affaire
tussen de 107 en 132 miljoen euro
bedraagt. Voor deze schade bestaat geen Europese compensatieregeling. Het verdachte mengvoer is ook geexporteerd

naar Duitsland, Frankrijk, Spanje en BelgiŽ. Er zijn 2.650 internationale transportbewegingen bekend,
zodat de MPA-affaire een duidelijk internationaal karakter heeft. De Europese veehouders hebben 43 miljoen
euro verloren als gevolg van vernietiging van hun dieren en inkomstenverlies. De diervoedersector heeft een
strop van 33 miljoen euro als gevolg van vernietiging en uit de handel nemen van veevoeder. Ten slotte hebben
ook de slachthuizen nog een inkomstenderving van 25 tot 50 miljoen euro door de uitvoerbeperkingen en tijdelijke
terugval van de productie. De kosten van de ruiming van varkens in Nederland bedroegen 8 miljoen euro.
14. Genomen maatregelen (bijvoorbeeld in de wetgeving, kwaliteitsregels of controle)
De Nederlandse regering heeft na afloop van de affaire 6 miljoen euro uitgegeven, hoofdzakelijk voor meer tests

en meer toezicht. Op basis van de evaluatie en in overleg met het bedrijfsleven zijn mogelijkheden voor verbetering
van de huidige kwaliteitsborging besproken. De voorgestelde verbeteringen komen op het volgende neer:
∑ verbetering van de effectiviteit van kwaliteitsborging door versterking van de inhoudelijke eisen waar dat
noodzakelijk is (bijvoorbeeld tracking en tracing, early warning system)
∑ versterken van de preventieve en repressieve controle en toezicht (minimaal 2 audits per jaar)
∑ versterken van het sanctiebeleid (boete, opschorting van de erkenning).
15. Gebruikte literatuur/bronnen
∑ www.vilt.be
(nieuwsarchief)
www.enteuropa.nl (nieuws)
∑ Evaluatie van de MPA-affaire 2002, Productschap Diervoeder, Den Haag, december 2002.
∑ ‘Varkens weer als afvoerput misbruikt’, artikel in de Boerderij, no 41, juli 2002.
∑ ‘De omweg van een partij MPA-stroop’, artikel in de Volkskrant, 11-04-2003.
∑ Hoorzitting MPA, 2e Kamer,
16. Risicoanalyse

Dit incident gaat om verontreiniging van een bijvoedergrondstof met het MPA-hormoon. De grondstof voor diervoeder

betreft een afvalproduct van een bedrijf uit een geheel andere branche, namelijk een geneesmiddelenproducent
uit het buitenland (Ierland).
De risico’s voor de voedselveiligheid zitten in drie aspecten:
∑ afvalstroom wordt als veilig bestempeld en hierdoor niet gecontroleerd
∑ bedrijf heeft geen vergunning voor het verwerken van afvalstoffen.
∑ bedrijven uit de sector nemen toch producten af van een niet gecertificeerd bedrijf.
87
Gegevens
Naam incident
Nitrofen/ nitrofeen
Jaartal:
2002
ALGEMEEN
1. Welke keten?

Pluimvee

2. Op wat voor type voer had het incident betrekking?

Tarwe voor biologisch pluimveevoeder. Een deel van de tarwe is ook bedoeld voor (menselijke) biologische

voeding.
3. In welke schakel is incident naar voren gekomen/ontdekt?

Een (Duitse) voedselproducent voor babyvoeding ontdekte een verontreiniging in kalkoenvlees. Het kalkoenvlees

werd naar verschillende (particuliere) laboratoria gezonden waar het verder werd onderzocht.
4. Hoe is het incident ontdekt? Evt. door welke controlerende instantie?

De voedselproducent van babyvoeding testte het vlees op het bestrijdingsmiddel nitrofen. Deze test maakte

deel uit van het HACCP programma van het bedrijf.
5. Tijdpad (hoe lang duurde het voordat het incident werd ontdekt en de oorzaak tot de bron werd herleid)

De voedingsproducent ontdekte in
december 2001 hoge concentraties van nitrofen. Verschillende laboratoria
zijn betrokken in het onderzoek. Ook een federaal laboratorium kreeg een monster toegestuurd voor verder
onderzoek. Hoewel de testen positief waren, werden geen verdere overheden ingeschakeld.
In maart 2002 werd een mengvoederbedrijf geÔdentificeerd als de leverancier van het besmette voer voor biologisch
pluimvee. Het mengvoederbedrijf bleek biologische granen te hebben gekocht van een tussenhandelaar
in het voormalige Oost-Duitsland. Diverse betrokken bedrijven werden in april op de hoogte gesteld. Op 21
mei
werd het federale ministerie door een vleesverwerkend bedrijf geÔnformeerd. Na verdere analyses werd
begin juni geconstateerd dat de opslagplaats van de tussenhandelaar in Malchin de bron van besmetting was.
In Nederland is in een partij voedergraan uit Duitsland (25 000 kg) nitrofen aangetroffen. Het gehalte nitrofen
lag beneden de maximum toegestane hoeveelheid. Deze partij graan is verwerkt in varkensvoeder. Andere
verdachte partijen waren kleine leveranties die grotendeels reeds geconsumeerd of vernietigd waren.
88
OORZAAK
6. Type verontreiniging (chemisch, microbiologisch, mycotoxine)

De verontreiniging is ontstaan door contaminatie van biologische tarwe met de pesticide nitrofen tijdens de opslag.

Nitrofen (2,4-dichlorophenyl-p-nitrophenylether) is een herbicide die sinds 1990 in Duitsland is verboden.
De stof is carcinogeen. In Nederland geldt een maximumgehalte van 0,01 mg/kg voor levensmiddelen bestemd
voor menselijke consumptie. De aangetroffen concentraties in pluimveevlees varieerden van 0,008 tot 0,220
mg/kg. Voor een deel van het verontreinigde vlees lag het gehalte dus boven de wettelijke norm.
7. Wat is de uiteindelijke oorzaak geweest?

De verontreinigde opslaglocatie was tot en met 1995 in gebruik als opslag voor overbodige plantenbestrijdingsmiddelen.

In het voormalige Oost-Duitsland waren meer van dit soort centra aanwezig. In augustus 2001 is de
tussenhandelaar begonnen met de opslag van granen op de betreffende locatie. De verontreiniging met nitrofen
heeft toen plaatsgevonden.
Bij de doorverkoop naar het mengvoederbedrijf is niet gecontroleerd op aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen
zoals nitrofen. Pas bij een vleesverwerkend bedrijf is de verontreiniging ontdekt.
8. Welk bedrijf is de uiteindelijke veroorzaker? Welke schakel in de keten?

De tussenhandelaar de het biologische graan heeft opgeslagen is de uiteindelijke veroorzaker.

9. Wie had de veroorzaker moeten controleren?

Voor opslag van biologische producten is toestemming nodig van een private inspectie-organisatie. De tussenhandelaar

heeft deze inspectie-organisatie niet geÔnformeerd over het gebruik van de opslaglocatie.
10. Is sprake van een wetsovertreding?

Hoewel de inspectie-organisatie niet is geÔnformeerd, lijkt geen sprake zijn van een wetsovertreding door de tussenhandelaar

van de besmette opslaglocatie.
Ook het niet informeren van de lokale autoriteiten door de voedselverwerkende bedrijven die de besmetting ontdekten,
is geen wetsovertreding. Ten tijde van de verontreiniging was het voor voedselverwerkende bedrijven
niet verplicht de verantwoordelijke autoriteiten in te schakelen. Alleen als bedrijven verwachtten dat de voedsel
op de markt een gevaar is voor de volksgezondheid waren zij verplicht dit te melden. Gezien de vastgestelde
maximumwaarden voor toxische stoffen was niet automatisch sprake van een serieus gevaar voor de volksgezondheid.
11. Wat is de reden van de ‘overtreding’: bewust, onbewust, hiaat?

Gezien de aard van de overtreding was sprake van een hiaat in de wetgeving. Dit hiaat was vooral gelegen in de

communicatie tussen de ontdekkers van de verontreiniging en de betrokken autoriteiten.
Daarnaast was een hiaat in de controle van bestrijdingsmiddelen. Slechts weinig bestrijdingsmiddelen werden
standaard geanalyseerd in de verschillende testen en monitoringsprogramma's.
Een derde hiaat was het ontbreken van controle op granen in opslagfaciliteiten. Daarnaast ontbrak een duidelijk
overzicht van de opslag van overbodige bestrijdingsmiddelen die voor de hereniging van Duitsland zijn gebruikt.
12. Hoeveel partijen zijn uiteindelijk betrokken geweest bij het incident, in 1e en 2e aanleg?
(Waar is het product naar toe gegaan?)

In totaal 499 bedrijven waren betrokken (de tussenhandelaar, een diervoederproducent, pluimveehouders en

vleesverwerkende bedrijven) bij het incident. De tussenhandelaar leverde het besmette graan vanuit de opslag
aan een diervoederproducent. Deze verwerkte het tot pluimveevoeder. Dit voeder werd gebruikt door diverse
(biologische) pluimveehouders. Via de slachterij kwam het verontreinigde vlees bij een babyvoederproducent
terecht die de besmetting ontdekte. Het is niet duidelijk wat met al het besmette diervoeder en het besmette
vlees is gebeurd. Een deel is waarschijnlijk in het buitenland (waaronder Nederland) terecht gekomen.
89
ACHTERAF
13. Omvang van de schade

Niet bekend

14. Genomen maatregelen (bijvoorbeeld in de wetgeving, kwaliteitsregels of controle)

Naar aanleiding van het incident zijn door de Duitse overheid verschillende maatregelen getroffen.

∑ Er is in kaart gebracht of opslagplaatsen voor voedsel of andere landbouwproducten in gebruik zijn geweest
als opslagplaats voor overbodige bestrijdingsmiddelen.
∑ Een specifiek controleprogramma voor nitrofen is opgezet. Verschillende voedselproducten worden gecheckt
op nitrofen. Een dergelijk programma voor diervoeder is nog niet gerealiseerd.
∑ Een lijst van actieve bestanddelen van bestrijdingsmiddelen die gevaar opleveren voor de volksgezondheid
is opgesteld. Deze lijst wordt gebruikt bij controles.
∑ Wetgeving op het gebied van voedsel en diervoeding is aangescherpt. Bedrijven zijn nu verplicht te rapporteren
in geval van verdenking van gevaar voor de volksgezondheid. In geval van een terughaalactie moeten
de autoriteiten worden ingelicht.
15. Gebruikte literatuur/bronnen

∑ European Commission, health & consumer protection directorate-generale, Final report of a mission in order

to evaluate the relevant control systems in place, in the light of the recent findings of nitrofen in food en
feedingsstuffs, 4-2-2003
∑ USDA, Nitrofen found in organic lifestock products and feeds, 6-12-2002
∑ www.voedingscentrum.nl, Nitrofen in Nederlandse kip
∑ Agrarisch Dagblad, EU: Duitse controle schoot tekort in nitrofen affaire, 28-2-2003
∑ Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 26 991, nummer 67
∑ Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 26 991, nummer 69
∑ S÷L/FiBL-Dossier: NitrofenrŁckstšnde in ÷koproducten
16. Risicoanalyse

Bij dit incident is sprake van verontreiniging van graan met het bestrijdingsmiddel nitrofen. De achterliggende

oorzaken zijn de volgende.
∑ Onwetendheid over de historie van het opslagpand maakte dat voedsel werd opgeslagen in een oude opslagplaats
voor bestrijdingsmiddelen.
∑ De opslag van het graan viel buiten het controleprogramma van de inspecties voor diervoeding en die voor
voedsel, omdat nog niet duidelijk was of het graan als voedsel of diervoeder zou worden gebruikt.
∑ In de controleprogramma’s van de vleesverwerkende bedrijven werd slechts op een bepaald aantal bestrijdingsmiddelen
gecontroleerd. Alleen doordat nitrofen bij ťťn bedrijf wel in de zelfcontrolesystematiek was
opgenomen, is het ontdekt.
∑ Het gebrek aan communicatie tussen betrokken bedrijven en de verantwoordelijke overheid maakten dat
het lang duurde voordat op grote schaal actie werd ondernomen.
90
Gegevens
Naam incident
Salmonella
Jaartal
-
ALGEMEEN
1. Inleiding

Bij salmonella is niet direct sprake van een specifiek incident. Salmonella-infecties zijn in Nederland naar

schatting verantwoordelijke voor 50.000 gevallen van gastro-enteritis (maag-darmaandoeningen veroorzaakt
door micro-organismen) per jaar. Jaarlijks leidt dit tot vele ziekenhuisopnamen. Voor mensen met een wat
zwakkere gezondheid als ouderen en jonge kinderen kan een salmonella-infectie zelfs dodelijk zijn.
2. Welke keten?

Salmonella komt met name veel voor in kip en kipproducten, maar wordt ook in varkensvlees aangetroffen.

Salmonella wordt ook door de kip overgebracht op eieren. De verwerking van rauwe eieren die besmet zijn
met salmonella (meestal salmonella enteritidis) is vaak de oorzaak van infecties bij mensen.
3. In welke schakel is incident naar voren gekomen/ontdekt?

Besmetting met salmonella kan op diverse wijzen plaatsvinden. Pluimvee raakt meestal besmet door contact

met besmet materiaal zoals voer, mest of stof. Zowel voor als na de geboorte van kuikens kan besmetting
plaatsvinden. Besmetting kan op ieder tijdstip in de schakel gebeuren, maar de belangrijkste risico's zijn op de
boerderij in de uitkomstkas en tijdens transport.
De Keuringsdienst van Waren onderzoekt jaarlijks verschillende kipproducten. In 2001 bleek 16,3% van de
monsters salmonella te bevatten. Belangrijke soorten salmonella als enteritidis en typhimurium werden in
1,9% van de monsters aangetroffen. Hoewel een deel van de kipproducten salmonella bevat, hoeft dit nog
geen infectie bij mensen te betekenen. Voldoende verhitting en voorkomen van contact met rauw vlees zijn
meestal afdoende. Indien mensen een salmonella-infectie oplopen is dit vaak het gevolg van het gebruik van
een rauwe eiwitten bij de voedselbereiding. Een recent voorbeeld is het overlijden van vijf mensen in de Isalakliniek
in Zwolle in 2001 na het consumeren van een bavarois bereid met rauwe eieren.
Daarnaast zijn in de afgelopen jaren verschillende incidenten opgetreden bij voedselfabrikanten waarbij tijdens
de productie salmonellabesmetting optrad. Voorbeelden hiervan zijn de besmetting van Brinta in 1994 en chocolade
(onder andere het merk Merci) in 2001.
4. Hoe is het incident ontdekt? Evt. door welke controlerende instantie?

De meeste incidenten worden ontdekt doordat diverse mensen klachten als buikloop en diarree ontwikkelen.

5. Tijdpad (hoe lang duurde het voordat het incident werd ontdekt en de oorzaak tot de bron werd herleid)

-

91
OORZAAK
6. Type verontreiniging (chemisch, microbiologisch, mycotoxine)

Salmonella is een bacterie die voedselinfecties (maag-darminfecties) veroorzaakt. Er zijn veel verschillende

soorten Salmonella bekend. Deze worden regelmatig bij pluimvee maar ook andere diersoorten gevonden.
In diervoeder komt salmonella in het bijzonder voor in eiwithoudende voedermiddelen. Meestal ondergaan deze
een zodanige behandeling dat de salmonella wordt gedood. Er kan echter herbesmetting optreden tijdens
koeling, bijmenging of het transport naar de afnemer.
7. Wat is de uiteindelijke oorzaak geweest?

-

8. Welk bedrijf is de uiteindelijke veroorzaker? Welke schakel in de keten?

-

9. Wie had de veroorzaker moeten controleren?

-

ACHTERAF
10. Genomen maatregelen (bijvoorbeeld in de wetgeving, kwaliteitsregels of controle)

De afgelopen jaren zijn verschillende maatregelen genomen om salmonella in de gehele voedselketen terug te

dringen.
∑ In 1997 is de pluimveehouderijsector begonnen de besmetting met salmonella te bestrijden met maatregelen
in de hele productiekolom. Binnen de pluimveesectoren wordt gewerkt volgens een drietal actieplannen
voor pluimveevlees, kalkoen en eieren. Naast salmonella moet ook de hoeveelheid Campylobacter bij
pluimvee worden verminderd. Centraal staat daarbij een hele goede hygiŽne, daarnaast worden regelmatig
controles uitgevoerd. Indien na controle een besmetting wordt geconstateerd, wordt overgegaan tot vaccinatie
voor salmonella enteritidis. De sector is per 1 januari 2002 overgegaan tot het ruimen van besmette
fok- en vermeerderingskoppels.
∑ De actieplannen zijn onderdeel van de IKB-regelingen. In de varkenssector wordt ook gewerkt aan een
beheersingsplan salmonella.
∑ Sinds augustus 2001 is op alle pluimveevlees verplicht een etiket aanwezig met daarop een waarschuwing
voor de consument. Deze verplichting geldt ook voor kippenvlees dat als salmonella-vrij wordt aangeboden,
omdat het risico op Campylobacter nog wel bestaat.
∑ Er is een wettelijk verbod ingesteld op het afleveren en verhandelen van met salmonella besmette eieren
die voor consumptie doeleinden zijn bestemd.
∑ Het gebruik van rauwe eieren bij de bereiding van producten die voor consumptie niet afdoende verhit worden
is verboden in grootkeukens, de contractcatering en de horeca.
De Keuringsdienst van Waren constateerde in 2001 dat de besmetting met salmonella weliswaar is afgenomen,
maar nog altijd in meer dan 10% van de genomen monsters voorkomt.
11. Gebruikte literatuur/bronnen

www.elsevier-voedselveiligheid.nl

www.Keuringsdienstvanwaren.nl, Salmonella en Campylobacter in kip onder controle?

www.agriplus.nl

www.NRC.nl, Voedingsschandalen dossier

www.Consumentenbond.nl
Productschap Diervoeder, Programma monitoring salmonella in de diervoeder sector 2002
Productschap Diervoeder, Evaluatie salmonella in diervoeder 1999 en 2000

www.pve.nl
Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 26991, diverse stukken onder andere nr. 64
92
Gegevens
Naam incident
mycotoxinen (aflatoxine)

Jaartal
-
ALGEMEEN
1. Inleiding

Mycotoxinen zijn toxische stoffen die geproduceerd kunnen worden door schimmels. Ze hebben een acuut

toxisch of chronisch toxisch effect op mens of dier. Mycotoxinen kunnen verdeeld worden in stoffen die gevormd
worden door schimmels die groeien tijdens de teelt van het gewas en stoffen die worden gevormd door
schimmels die groeien tijdens de opslag van een uit een gewas verkregen product. Er zijn ruim 300 mycotoxinen
bekend, een aantal hiervan kan voorkomen in diervoeders.
Aflatoxine is wellicht de bekendste en hiervoor geldt strenge Europese wetgeving. Desondanks verschijnen er
met regelmaat vermeldingen van partijen met een te hoog gehalte aan aflatoxine. Tot echte voedselincidenten
en schandalen leidt het minder.
2. Op wat voor type voer had het incident betrekking?

Granen, schroot, noten maar ook kuilvoer kunnen een belangrijke bron voor schimmels en daardoor mycotoxinen

zijn. Dit zijn belangrijke grondstoffen voor veevoeders en daarmee zijn bijna alle veevoeders in het
geding.
Van aflatoxine B1 is bekend dat dit door de koeienpens wordt omgezet in Aflatoxine M wat in melk terecht kan
komen.
3. In welke schakel is incident naar voren gekomen/ontdekt?

Vaak bij de invoer van granen. In incidentele gevallen bij melkcontrole.

4. Hoe is het incident ontdekt? Evt. door welke controlerende instantie?

De overdracht van mycotoxinen via voer naar vlees of melk is een gebied waar nog veel onderzoek naar nodig

is. Mogelijk is een koe waarbij de pens door mycotoxinen (of op andere wijze) is ontregeld minder goed in
staat mycotoxinen te detoxificeren en kunnen er grotere hoeveelheden mycotoxinen worden overgedragen
naar melk en vlees. Verder kunnen bepaalde gemodicifeerde mycotoxinen nog niet zijn getraceerd, zeker in
een complex systeem als de pens is dit niet uit te sluiten.
Voorbeelden

In juli 2002 werd in BelgiŽ verhoogde concentraties aflatoxinen in melk aangetroffen. Gebruikt diervoeder

bleek de oorzaak te zijn, wat voortkwam uit het verwerken van een grondstof “rondnoot”. De grondstof was
geleverd vanuit Nederland. Er is geen gevaar geweest voor de volksgezondheid. Wel heeft de ontdekking geleid
tot het preventief blokkeren van 83 primaire bedrijven.
Op 28-3-2003 is via het Rapid Alert System het Voedselagentschap op de hoogte gebracht van mogelijke contaminatie
van pistachenoten uit Iran met aflatoxine. Deze zijn in BelgiŽ aan twee warenhuisketens verkocht.
Consumenten werden opgeroepen producten met een bepaald lotnummer niet verder te gebruiken en eventueel
aan de winkel terug te bezorgen.
93
OORZAAK
5. Type verontreiniging (chemisch, microbiologisch, mycotoxine)

Aflatoxine wordt alleen onder warme omstandigheden (temperatuur van rond de 30 graden) gevormd. Het

komt vooral voor in producten afkomstig uit de (sub)tropen. DON en OTA kunnen echter ook onder gematigde
klimatologische omstandigheden worden gevormd (vooral bij natte zomers).
Mycotoxinen zijn zeer stabiele verbindingen en weerstaan de meeste bewerkings- en verwerkingsprocessen.
Dit betekent dat het mycotoxine nog aanwezig kan zijn terwijl de producerende schimmel niet meer wordt
teruggevonden. Bovendien kunnen mycotoxinen via verschillende wegen de voedselketen binnendringen.
Naast een primaire contaminatie kan er zich ook een secundaire contaminatie voordoen. Een mycotoxine
kan bijvoorbeeld terechtkomen in vlees of melk van dieren die werden gevoed met gecontamineerd veevoeder.
Aflatoxine M1 kan voorkomen in melk en afgeleide zuivelproducten als gevolg van de aanwezigheid van
aflatoxinen van de B- of de G-groep in het voeder.
Roquefortine C is eveneens een mycotoxine dat via voer in het vlees terecht kan komen.
ACHTERAF
6. Genomen maatregelen (bijvoorbeeld in de wetgeving, kwaliteitsregels of controle)

Uit literatuur blijkt het volgende.

∑ Internationaal hebben 100 landen specifieke regelgeving voor mycotoxinen. Een groot aantal landen
heeft dit dus nog niet.
∑ De limieten lopen soms sterk uiteen. Eind 2003 wordt een nieuw FAO rapport verwacht dat een gedetailleerd
inzicht biedt in de wereldwijde regelgeving op het gebied van mycotoxinen
∑ Er zijn erkende meetmethoden bekend en voor screeningsdoeleinden zijn immuno-assays beschikbaar.
Deze methode is veelal semi-kwalitatief , veelal niet gevalideerd in interlaboratoriumonderzoek. Er zijn
ontwikkelingen gaande om mycotoxinen op snelle wijze te detecteren.
∑ De manier van monstername en de grootte van de steekproef zijn belangrijke parameters voor het bepalen
van mycotoxinen. EU heeft voor die mycotoxinen waarvoor regelgeving bestaat bemonsteringsprotocollen
voorgeschreven.
∑ Er zijn voor een aantal mycotoxinen referentiematerialen beschikbaar, wat de betrouwbaarheid van de
analyse-uitslagen vergroot. Deze zijn er nog niet voor alle mycotoxinen
∑ Er wordt nog niet op uniforme wijze omgegaan met de analytische meetonzekerheid. De wettelijke limiet
voor aflatoxine B1 ligt bij 2 μgram/kg, maar in Nederland wordt pas actie ondernomen bij gehaltes hoger
dan 2,6 μgram/kg. In andere landen kan de actiegrens hoger of lager liggen. Dit kan tot gevolg hebben
dat pinda’s in de haven van Rotterdam worden afgekeurd vanwege een te hoog aflatoxinegehalte, maar
dat ze via een haven in een ander EU-land de Unie binnenkomen. Door de vrije handel binnen de EU
kunnen ze dan Nederland weer binnenkomen.
∑ Preventie ten aanzien van schimmelgroei (en dus eventuele mycotoxinevorming) kan in aangepaste
landbouwtechnieken gezocht worden. Gewasrotatie, ziektebeheersing, zo vroeg mogelijk oogsten, effectief
droogproces en opslag onder gekoelde omstandigheden kunnen een belangrijke bijdrage tot het beheersen
van mycotoxinen. Ook raskeuze en wijze van ploegen spelen een rol.
7. Gebruikte literatuur/bronnen

∑ De risico’s van mycotoxinen, VMT 14 maart 2003, nr 6

∑ Mycotoxinen staan wereldwijd op de kaart, VMT 14 maart 2003, nr 6
∑ www:voedselnet.nl/themas/mycotoxinen
∑ Contaminanten in tarwe, keuringsdienst van waren Noordwest, Amsterdam aug 2002, A.J.Speek
∑ Risico’s vochtrijke bijproducten, C.Makkink, WUR, mei 2002
∑ Kwaliteitsborging van het vervoederen van melkvee; ID Lelystad, Rijsman et al.
94
Tabel B2
Overzicht van mycotoxine, producerende schimmel en mogelijke effecten op de mens
Mycotoxine Producerende schimmel norm Komt voor in
levensmiddelen
Mogelijke toxische gevolgen
op de mens
Aflatoxine
B1, b2, g1, g2
Aspergillus flavus, aspergillus
parasiticus
< 5 ug/gram granen, oliezaden,
aardnoten, maÔs
carcinogeen, hepatotoxisch,
mutageen, teratogeen
Aflatoxine
M1
Secundaire contaminatie melk en andere
zuivelproducten
carcinogeen, hepatotoxisch,
mutageen, teratogeen,
Citrinine Penicillium citrinum gerst, maÔs, rijst en
walnoten
nephrotoxisch, mutageen,
mogelijk carcinogeen
ErgotalkaloÔden Claviceps purpurea rijst, sorghum neurotoxisch
Fumonisme b1 Fusarium moniliforme maÔs en sorghum nephrotoxisch, neurotoxisch,
mogelijk carcinogeen,
respiratorische aandoeningen
Luteoskyrine Penicillium islandicum rijst, sorghum hepatotoxisch, carcinogeen,
mutageen
Ochratoxine a Aspergillus ochraceus,
aspergillus verrucosum
granen, koffie,
veevoeder
nephrotoxisch, teratogeen
Patuline Penicillium expansum en
andere penicillium species
appelen en andere
vruchten, bonen, tarwe
neurotoxisch, mogelijk
carcinogeen, mutageen
Penicillinezuur Penicillium aurantiogriseum,
penicillium fennelliae
bonen, maÔs neurotoxisch
Sterigmatocystine Aspergillus versicolor maÔs, tarwe, koffie dermatoxisch, teratogeen,
mogelijk carcinogeen
Trichothecenen
(t2, don, vomitoxine)
Fusarium tricinctum, -
sporotrichioides, -
graminearum
< 5 mg/kg maÔs, veevoeder, hooi,
aardnoten
neurotoxisch, dermatoxisch
Zearaleone Fusarium graminearum maÔs, granen genitotoxisch, mutageen
Roquefortine C Penicillium roqueforti gekuild veevoeder
95
Bijlage 2 Structuur sector
VEE, VLEES EN EIERENSECTOR

I
nleiding

In het algemeen geldt voor de dierlijke productiesectoren in Nederland dat men steeds meer naar

schaalvergroting streeft. Het doel hierbij is tweeledig:
∑ Efficiency in productie bereiken (zo laag mogelijk kosten met zo hoog mogelijke productie);
∑ Grotere speler op Europese markt worden.
Organisatiegraad

Alle schakels in ketens die deel uitmaken van dierlijke productiesectoren zijn aangesloten bij de

Productschappen Vee, Vlees en Eieren. De PVE vormen het gemeenschappelijk secretariaat. De
besturen van PVV en PPE bepalen zelfstandig hun beleid. Omdat vertegenwoordigers van de
brancheorganisaties de bestuursleden aanwijzen, vormen de besturen een afspiegeling van de
sectoren (werkgevers en werknemers). De PVV en PPE zijn publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties
met een bevoegdheid om voor een sector bepaalde bindende regels (verordeningen) op te
stellen. De productschappen zijn kolomorganisaties van bedrijven van de grondstof tot het eindproduct.
De PVE vertegenwoordigt op die manier de activiteiten van veehouders, veehandelaars,
slachterijen, eierpakstations, verwerkende bedrijven, supermarkten, slagers en poeliers.
De PVE hebben het kwaliteitssysteem Integrale Ketenbeheersing (IKB) in het leven geroepen om
garanties te kunnen geven over kwaliteit. Dit is begin jaren ’90 ingevoerd en wordt regelmatig uitgebreid
en aangescherpt. Verder zijn er tal van organisaties waarbij de bedrijven uit de dierlijke
sector bij aangesloten kunnen zijn. Voorbeelden hiervan zijn LTO, COV, Nepluvi, Anevei, NVV,
NBHV, NOP, VEE, NVE. De lijst met alle organisatie met hun volledige naam en adresgegevens
is te vinden in het jaarboek van PVE uitgave 2002.
Economische positie

Het jaar 2002 resulteerde volgens de PVE voor de meeste sectoren in een slechte financiŽle

ontwikkeling. Het toenemende aanbod op de wereldmarkt van verschillende vleessoorten zorgde
voor druk op de prijzen waardoor de financiŽle positie onder druk staat.
De bruto eigen productie van de gehele Nederlandse vee- en vleessector is in 2002 is gedaald
ten opzichte van 2001 (-5%). Het grootste aandeel in de daling had de varkenssector (-9%) als
gevolg van de opkoopregelingen. Alleen de rundersector kende in 2002 een stijging (5%), met
name door een gedeeltelijk herstel van het aanbod van koeien en vaarzen na de terugval als gevolg
van BSE in 2001. De vleesstieren zijn echter verder gedaald en de kalveren weer gestegen.
Toch is de totale rundersector nog steeds 9% lager dan in 2000. In de eiersector is een daling
van bruto eigen productie terug te voeren op de daling van de leghennenstapel door opkoopregelingen.
Volgens de PVE is de bruto productiewaarde in de vee-, vlees en eiersector in 2002 met 11% gedaald
tot 4,2 miljard euro. Hiermee is de Nederlandse vee-, vlees en eiersector goed voor 21 %
van de productiewaarde van de totale agrarische sector.
96
De rundersector kent als het gevolg van gestegen productie en opbrengstprijzen een toename
van de bruto productiewaarde van 33%. De bruto productiewaarde van de kalversector is met
13% gestegen als gevolg van gestegen productie en licht herstel van de prijzen ten opzichte van
2001. Echter ten opzichte van 2000 zijn de prijzen in de kalversector nog ongeveer 11% lager.
De varkenssector kende een forse daling van de bruto productiewaarde van 24%. Dit wordt naast
afgenomen productie met name veroorzaakt door dalende opbrengstprijzen als gevolg van gestegen
aanbod op de wereldmarkt. Bovendien zorgde de MPA crisis voor een forse daling van de
opbrengstprijzen in Nederland.
In de pluimveesector daalde de bruto productiewaarde met 13%. Ook hier waren gedaalde prijzen
als gevolg van toegenomen aanbod de oorzaak. In de EU was sprake van een te groot aanbod,
terwijl de import van kipfilet uit BraziliŽ en Thailand slechts licht verminderde. In de
eiersector is de daling van de bruto productiewaarde veroorzaakt door de afname van de productie
waarbij de gemiddelde eierprijs op hetzelfde niveau lag als in 2001.
Kengetallen overzicht

In onderstaand overzicht wordt het verloop van 1990 tot en met 2002 van de invoer- en uitvoerwaarde

voor de vee-, vlees- en eiersector weergegeven.
Tabel B2.1
In- en uitvoerwaarde vee-, vlees- en eiersector (in miljoenen euro’s)
1990 1995 1999 2000 2001 2002
Invoer vee, vlees en eieren

Runder- en kalversector 485 674 747 784 598 685

Varkenssector 165 292 265 323 361 337
Schapen- en geitensector 16 30 46 46 42 52
Paardensector 53 33 28 31 38 29
o.e.s.p. 56 82 99 146 164 155
Pluimveevleessector 187 361 468 539 782 670
Eierensector 45 61 76 70 64 67
Totaal 1007 1533 1729 1939 2049 1995

Uitvoer vee, vlees en eieren

Runder- en kalversector 1231 1284 1308 1277 895 1095

Varkenssector 2692 2246 1799 2162 2294 1754
Schapen- en geitensector 73 45 47 45 41 49
Paardensector 37 29 39 83 75 77
o.e.s.p. 181 233 177 179 309 170
Pluimveevleessector 739 955 1157 1230 1359 1116
Eierensector 509 368 415 501 427 419
Totaal 5462 5160 4942 5467 5400 4680

Bron: PVE/CBS; De Nederlandse vee, vlees en eiersector in cijfers. Het jaar 2002 voorlopig.

Om een beter inzicht te verschaffen in de waardeverdeling naar soorten vee, vlees en eieren
worden onderstaande diagrammen weergegeven.
97
Figuur B2.1
Invoerwaarde (mln euro's) vee, vlees en eieren in 2002

685

29 52 337
155
670
67
runder- en kalversector
varkenssector
schapen- en geitensector
paardensector
o.e.s.p.
pluimveevleessector
eiersector
Figuur B2.2
Uitvoerwaarde (mln euro's) vee, vlees en eieren in 2002

1095

1754
77 49
170
1116
419
runder- en kalversector
varkenssector
schapen- en geitensector
paardensector
o.e.s.p.
pluimveevleessector
eiersector
98
PLUIMVEESECTOR

I
nleiding

De pluimveesector bestaat enerzijds uit de productie van vleeskuikens, kalkoenen, kippen en hanen

en overig pluimvee (tezamen slachtpluimvee genoemd) en anderzijds uit de productie van
eieren en eiproducten (legpluimvee genoemd). Daarbij wordt onder overig pluimvee verstaan:
eenden, ganzen en parelhoenders. Eerst wordt ingegaan op de slachtpluimveesector en daarna
op de legpluimveesector.
Slachtpluimveesector

Kwaliteit en veiligheid

Om de kwaliteit en veiligheid van het pluimveevlees te garanderen is IKB kip en IKB kalkoen opgesteld

met betrekking op informatieverstrekking, voer en medicijnen. Vrijwel alle bedrijven in de
productieketen nemen deel aan IKB. Verder is er een code Goede Veterinaire Praktijk (GVP) opgesteld,
waarbij de IKB-regelingen voorschrijven dat de dierenarts over de GVP-erkenning moet
beschikken.
Ketenstructuur (schematisch en in tabelvorm)

Het overgrote deel van de productie uit slachtingen (90%) bestaat uit vleeskuikenproductie (gebaseerd

op gegevens van 2002). Dit percentage is iets lager (78%) op basis van het totale pluimveevlees
beschikbaar voor gebruik.
Schematisch kan de keten van vleeskuikenproductie (slachtpluimvee) als volgt weergegeven
worden:
Figuur B2.3

Fokorganisatie

(4)
Vermeerderin
gsbedrijf
(375)
Broederij
(26)
Vleeskuiken
bedrijf
(1126)
Slachterij
(48)
Uitsnijderij
(404)
Detailhandel
Consument
Diervoeders
Grondstoffen
buitenland
Grondstoffen
binnenland Vleeskuikenketen
Import vleeskuikens

Grootouderbedrijf
(52)
Groothandel
(121)
Tussen haakjes staat het aantal bedrijven dat in 2002 in deze schakel actief was
Import
broedeieren
Import
eendagskuikens
99

Kengetallen overzicht

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste kengetallen voor de gehele

slachtpluimveesector over een periode van 1990 tot en met 2002.
Tabel B2.2
Pluimveesector (gewicht met been x 1.000 ton)
1990 1995 1999 2000 2001 2002
Productie uit slachtingen

Kuikenvlees 438 568 675 676 694 696

Kalkoenvlees 29 28 29 29 28 28
Kippen- en hanenvlees 42 33 40 36 33 27
Overig pluimveevlees 8 12 14 13 14 16
Totaal pluimveevlees* 517 641 758 754 769 767

Bruto eigen productie (geslacht gewicht) 526 610 704 696 717 711

Invoer

Levend 38 87 110 118 123 127

Vlees en bereidingen 76 198 254 283 321 352
Totaal 114 285 364 401 444 479

Uitvoer

Levend 47 56 56 59 71 71

Vlees en bereidingen 329 528 682 705 733 758
Totaal 376 584 738 764 804 829

Beschikbaar voor verbruik

Kuikenvlees 194 235 257 265 274 278

Kalkoenvlees 27 41 41 35 37 41
Kippen- en hanenvlees 38 35 37 37 39 37
Overig pluimveevlees 1 5 4 5 6 6
Totaal pluimveevlees 260 316 339 342 356 362

In kg per hoofd 17,4 20,4 21,4 21,6 22,1 22,4

Zelfvoorzieningsgraad**
202 193 208 203 202 197
Invoerwaarde
(x 1 miljoen euro)
Levend, vlees en bereidingen 187 361 468 539 782 670
Uitvoerwaarde
(x 1 miljoen euro)
Levend, vlees en bereidingen 739 955 1157 1230 1359 1116
Bron: PVE/CBS; De Nederlandse vee, vlees en eiersector in cijfers. Het jaar 2002 voorlopig
* totaal pluimveevlees = bep (geslacht gew) + levende invoer - levende uitvoer of som van alle productie van pluimveevlees uit slachtingen
** zelfvoorzieningsgraad = 100 * (bep geslacht gew / totaal pluimveevlees beschikbaar voor gebruik)
100
Omdat vleeskuikens veruit het grootste aandeel hebben in de pluimveesector worden hieronder
enkele kengetallen samengevat.
Tabel B2.3
Vleeskuikens
1999 2000 2001 2002**
(x 1.000 stuks)

Aantal vleeskuikens 53247 50937 50127 54700

Aantal bedrijven met vleeskuikens 1,23 1,09 1,03 1,13
(x 1.000 ton)

Productie uit kuikenslachterijen 675 676 694 696

Invoer geslacht 132 157 171 ***
Uitvoer geslacht 557 576 589 ***
Verbruik* 257 265 274 278
Verbruik per hoofd (kg)* 16,2 16,7 17,1 17,2
Bron: Kengetallenfolder 2001 via www.pve.nl
** Bron: De Nederlandse vee, vlees en eiersector in cijfers. Het jaar 2002 voorlopig.
*** alleen gegeven voor totale pluimvee, niet alleen voor vleeskuikens
Ter verduidelijking van de situatie in 2002 worden een aantal getallen geÔllustreerd in de volgende
figuren.
Figuur B2.4
Productie uit slachtingen pluimveesector

0

100
200
300
400
500
600
700
800
900
1990 1995 1999 2000 2001 2002
overig pluimveevlees
kippen- en hanenvlees
kalkoenvlees
kuikenvlees
101
In deze figuur is te zien dat het aandeel kuikenvlees in de pluimveevleesproductie aanzienlijk is.
Verder is te zien dat in de jaren ’90 een flinke stijging in het aantal slachtingen heeft plaats gevonden.
Dit is min of meer gestabiliseerd vanaf 1999.
Vogelpest in 2003

Door de vogelpest in 2003 is de situatie in de pluimveesector drastisch veranderd. Een fors aantal pluimvee

en kalkoenhouders zijn geruimd geweest en vanaf medio juli langzaamaan weer begonnen. Twee slachterijen
hebben uitstel van betaling aangevraagd en hebben een doorstart kunnen maken.
Marktordening

Er zijn relatief veel slachterijen (48) met een 4-tal spelers.

Karakterisering

∑ De vleeskuikenhouderij heeft de afgelopen jaren nog een behoorlijke groei doorgemaakt. De
pluimveestapel voor de vleesproductie liep in 2001 enigszins terug. Het aantal bedrijven met
vleeskuikens daalde in 2001 als gevolg van de toenemende strengere overheidsmaatregelen
ten aanzien van milieu. In de komende jaren zal door de opkoopregelingen de pluimveehouderij
naar verwachting verder inkrimpen.
∑ De groei is afgelopen jaren tot stand gekomen buiten de concentratiegebieden. In dit deel
wordt ca. 50% van de dieren gehouden. Ten opzichte van de overige intensieve veehouderij
vormt de vleeskuikenhouderij een uitzondering.
∑ Combinatie met akkerbouw komt relatief veel voor (32% van de bedrijven).
∑ Kleinschalige bedrijven (<25.000 kuikens) nemen sterk in aantal af.
∑ Het aantal bedrijven zal de komende jaren verder dalen.
∑ T.g.v. de welzijnsregelgeving zal de bezettingsgraad (dieren/m2) afnemen.
∑ De grotere bedrijven (>75.000) zijn over het algemeen onderdeel van een keten (pluimvee integraties).
∑ Deze sector is in vergelijking met de andere dierlijke productiesectoren verder met het vermarkten
en conceptontwikkeling van producten.
∑ Toenemende concurrentie uit het buitenland. Met name recent concurrentie uit BraziliŽ en
Thailand.
∑ Er wordt zeer veel geŽxporteerd (zie zelfvoorzieningsgraad).
∑ Prijzen in 2001 en 2002 waren erg laag.
∑ Voor de ontwikkeling van komend jaar zal veel afhangen hoe de sector zich kan herstellen na
de vogelpest.
Legpluimveesector

Kwaliteit en veiligheid

De legsector geeft garanties over kwaliteit van eieren en eiproducten via de regeling IKB Ei. In

2000 nam 90% van de productie deel aan IKB Ei. IKB-waardige eieren hebben in het kader van
traceerbaarheid de stempelplicht (land van herkomst, soort houderijsysteem, pluimveehouder)
verplicht ingevoerd.
Ketenstructuur

De leghennenketen (legpluimvee) ziet er als volgt uit.

102
Figuur B2.5

Vermeerderin

gsbedrijf (51)
(1 fokorganisatie)
Opfokbedrijf
(260)
Legbedrijf
(1400)
Eierverzamelaar
(31)
Eierpakstation
(165)
Grossiers (109)
Handelaren in
eiproducten (28)
Consument
Diervoeders
Grondstoffen
buitenland
Grondstoffen
binnenland Legpluimveeketen
Broederij

(13)
Eiproductenfabrikant
(19)
Detailhandel
Tussen haakjes staat het aantal bedrijven dat in 2002 in deze schakel actief was
Import
Import broedeieren
eendagskuikens
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste kengetallen voor de gehele

legpluimveesector over een periode van 1990 tot en met 2002.
Tabel B2.4
Eiersector (x 1 miljoen stuks)
1990 1995 1999 2000 2001 2002
Productie

Consumptie-eieren 9922 9188 9712 10025 9870 9550

Invoer

Eieren en eiproducten 725 1351 1755 1267 990 1199

Uitvoer

Eieren en eiproducten 7904 7747 8523 8336 7856 7691

Uitval (1%)
- 92 97 100 99 96
Beschikbaar voor gebruik

Eieren en eiproducten 2644 2792 2944 2855 2905 2962

In stuks per hoofd 176 175 180 180 181 184
Zelfvoorzieningsgraad **
375 329 330 339 329 312
Invoerwaard
(x 1 miljoen euro)
Consumptie-eieren 17 38 39 41 32 37
Eiproducten - 12 23 15 13 12
Broedeieren 5 11 14 15 20 18
Totaal - 61 76 70 64 67

Uitvoerwaard
(x 1 miljoen euro)
Consumptie-eieren 369 261 295 360 290 266
Eiproducten 86 75 89 101 91 101
Broedeieren 54 32 31 40 46 52
Totaal 509 368 416 501 427 419

Bron : PVE/CBS; De Nederlandse vee, vlees en eiersector in cijfers. Het jaar 2002 voorlopig.

103
Marktordening

Er waren in 2001 in gehele eiersector zo’n 180 pakstations actief. Hiervan zijn er 21 grote pakstations

met meer dan 100 mln eieren jaaraanvoer. In 2002 is het aantal pakstations teruggelopen
tot 165.
Karakterisering

∑ In de leghennenhouderij heeft de afgelopen 5 jaar een opschaling plaatsgevonden. Het aantal
kleine bedrijven is gehalveerd. Het aantal leghennen is in de periode 1995 – 2000 toegenomen
van 38 miljoen naar 44 miljoen.
∑ Het aantal bedrijven met volwaardige omvang (> 50.000 hennen) is beperkt, 161 (in 2001) bedrijven.
Deze bedrijven hebben ca. 50% van de leghennen stapel.
∑ Het aantal bedrijven met minder dan 5.000 hennen neemt snel af. De helft van de bedrijven
met leghennen heeft minder dan 5.000 hennen.
∑ In het oosten van Nederland zijn nog relatief veel kleine bedrijven, 41% van de bedrijven
staan in dit gebied en zij herbergen 29% van de hennen. In het Zuiden staan 27% van de bedrijven
met 48% van de hennen.
∑ Herstructurering van de leghennenhouderij zal de komende jaren doorzetten. In 2003 mogen
minder kippen per kooi worden gehouden. In 2012 wordt de huidige kooihuisvesting verboden.
∑ De scharrelproductie is afgelopen 10 jaar sterk gegroeid. De groei van de productie zal zich
doorzetten. Groei van het aantal bedrijven is beperkt. Schaalgrootte zal moeten toenemen.
∑ Het aanbod van eieren in Europees verband daalde. De prijzen zijn hierdoor gunstig beÔnvloed.
RUNDVEESECTOR

I
nleiding

De rundersector kan worden opgesplitst in enerzijds rundvee ten behoeve van de rundvleesproductie

en anderzijds rundvee ten behoeve van melkproductie. Beide onderdelen komen hieronder
apart aan de orde.
Rundvlees

Kwaliteit en veiligheid

De rundersector garandeert kwaliteit en veiligheid door te werken volgens de regeling IKB Rund.

Niet alleen de primaire sector maar ook voor vleesverwerkende bedrijven (uitsnijderij) en detailhandel
grossier en slager kunnen een IKB erkenning krijgen. IKB Rund bij veehouders en –
handelaren wordt gecontroleerd door de onafhankelijk controle-instantie Kwaliteits Controle Rund
(KCR). Melkveehouders die ook aan Keten Kwaliteit Melk (KKM) meedoen kunnen gelijktijdig de
IKB controle uit laten voeren.
Ketenstructuur

De structuur van de rundvleesketen is in figuur B.6 weergegeven.

104
Figuur B2.6

Veehouderij

(13.032)
Slachterij (8) Vleesverwerk
ende industrie
Detailhandel
Consument
Diervoeders
Grondstoffen
buitenland
Grondstoffen
binnenland Rundveeketen
Groothandel

Tussen haakjes staat het aantal bedrijven dat in 2001 in deze schakel actief was
Import
jongvee
Import
vleesvee
Handel
Kengetallen overzicht

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste kengetallen voor de

rundveesector over een periode van 1990 tot en met 2002.
Tabel B2.5
Rundveesector (gewicht met been x 1.000 ton)
1990 1995 1999 2000 2001 2002
Productie

Uit slachting 373 387 297 272 207 206

Bruto eigen productie 332 352 286 266 201 211
Invoer

Levend 51 50 27 22 12 8

Vlees en bereidingen 81 160 199 191 230 250
Totaal 132 210 226 213 242 258

Uitvoer

Levend 10 15 16 16 6 13

Vlees en bereidingen 182 250 209 179 154 169
Totaal 192 265 225 195 160 182

Beschikbaar voor gebruik

Totaal 272 297 289 284 283 287

In kg per hoofd 18,2 19,2 18,3 17,9 17,7 17,8
Zelfvoorzieningsgraad
112 118 99 94 71 73
Invoerwaarde runder –en kalversector*

(x 1 miljoen euro)

Levend 250 239 241 226 72 103
Vlees en vleeswaren 235 436 506 557 526 582
Totaal 485 675 747 783 598 685

UItvoerwaarde runder –en kalversector*

(x 1 miljoen euro)

Vlees en vleeswaren 1157 1218 1320 1208 859 1030
Totaal 1231 1284 1391 1277 895 1049

Bron: PVE/CBS; De Nederlandse vee, vlees en eiersector in cijfers. Het jaar 2002 voorlopig.

* het in niet mogelijk om de waarde van de in- en uitvoer van rund- en kalfsvlees te splitsen. In de handelsstatistieken
wordt hierin namelijk geen onderscheid meer gemaakt sinds 1993
105
Marktordening

Er zijn slechts enkele slachtplaatsen voor rundvee in Nederland. Op dit moment zijn er nog maar

zo’n 5-6 slachterijen1 voor slachtingen van rundvlees.
Karakterisering

∑ In 2001 waren er nog 8 slachterijen, inmiddels is dit teruggebracht naar 6. De grootte van deze
slachterijen is beperkt. Slechts de runderen die vrijkomen uit melkproductie worden geslacht
en op kleine schaal zijn er vleeskoeien. Veel vleesproducten zijn op basis van
varkensvlees. Rundvlees wordt door de consument over het algemeen minder gewaardeerd
(vaak lange bereidingstijd) en is dus minder vraag naar.
∑ Door de vleesverwerkers wordt relatief veel rundvlees, technische delen, geÔmporteerd bijv.
Argentijns en Iers rundvlees.
Melkveehouderij

Kwaliteit en veiligheid

Voor de Nederlandse melkproductie is het borgingssysteem Keten Kwaliteit Melk (KKM) ontwikkeld.

De kwaliteit van de melk en de zorgvuldigheid van de bedrijfsvoering worden hiermee gegarandeerd.
Melkveehouderijen met een KKM-erkenning voldoen aan vastgelegde criteria op het
gebied van diergezondheid, welzijn, voeding, hygiŽne en milieu. De KKM is een gezamenlijk initiatief
van de Nederlandse zuivelondernemingen en de organisatie van melkveehouders.
Onderwerpen die geborgd worden door KKM:
∑ criteria ten aanzien van de verzorging en huisvesting van dieren
∑ veterinaire behandelingen door dierenartsen die uitsluitend werken volgens de GVPkwaliteitscode
(Good Veterinarian Practice)
∑ verplichte registratie van alle diergeneeskundige behandelingen
∑ melk van medicinaal behandelde dieren wordt niet geleverd aan de fabriek (vastgelegde
wachttijden)
∑ gespecificeerde systeemeisen ten aanzien van de hygiŽne in de melkstal en bij de melkopslag
∑ vastgelegde regels voor de reiniging en desinfectie van de installaties
∑ wettelijke milieunormen voor ieder bedrijf
De melkveehouderijen worden periodiek beoordeeld door de Stichting KKM.
Ketenstructuur

In de onderstaande figuur is de structuur voor de rundveeketen in de melkveehouderij weergegeven.

______________
1 Afhankelijk of Brada een doorstart kan maken
106
Figuur B2.7

Veehouderij

(27.926) Detailhandel
Consument
Diervoeders
Grondstoffen
buitenland
Grondstoffen
binnenland Rundveeketen
Groothandel

Tussen haakjes staat het aantal bedrijven dat in 2001 in deze schakel actief was
Import
jongvee Import
melk
Zuivelverwerkers
(zuivelfabriek/
boerderijzuivelbereiders
Kengetallen overzicht

In de onderstaande tabel zijn de belangrijkste gegevens over de melkveehouderij van 1999 tot en

met 2001 weergegeven.
Tabel B2.6
Melkveehouderij en grondgebruik (x1.000)
1990 1995 2000 2001
Bedrijven met melkkoeien 47 37,5 29,5 27,9
Melk- en kalfkoeien 1878 1708 1504 1546
Gemiddelde melkgift (kg) 6 6,6 7,4 7,3
Bedrijven met 70 of meer koeien (%) 12,2 16,8 21,6 27,4
Koeien in melkproductiecontrole (%) 74,5 79,7 82,1 85,1
Gemiddelde melkgift gecontroleerde melkveehouderij 6,9 7,5 8,4 8,6
Cultuurgrond (ha) 2006 1965 1956 1931
Grasland (ha) 1096 1048 1012 993
Grasland in % van cultuurgrond (ha) 54,7 53,4 51,7 51,4
SnijmaÔs (ha) 202 219 205 204
SnijmaÔs in % van cultuurgrond (ha) 10,1 11,2 10,5 10,6
Bron: PZ/CBS/NRS; in Productschap Zuivel Jaaroverzicht 2001
107
Tabel 2.7
Runder- en kalverstapel (aantal x 1.000 stuks)
1990 1995 1999 2000 2001
Jongvee 1720 1581 1374 1325 1339
Vlees- en weidevee 1319 1356 1233 1231 1150
Melk- en kalfkoeien 1878 1708 1588 1504 1546
Stieren voor fokkerij 9 9 10 10 12
Totaal rundvee 4926 4654 4205 4070 4047

Bron: PVE/CBS

Marktordening

Met een aantal van 13 zuivelondernemingen en 61 productielocaties (medio 2001) bezit Nederland

een van de meest sterk geconcentreerde zuivelindustrieŽn van de wereld.
Op dit moment zijn de belangrijkste grote coŲperaties Campina (fusie Campina en Melkunie) en
FDCF (fusie Coberco en Friesland). De melkverwerkende bedrijven produceren zuivelproducten
als consumptiemelk, boter, kaas, niet-mager en mager melkpoeder, gecondenseerde melk etc.
Ook wordt melk gebruikt voor de productie van yoghurt, ijs en kwark. Naast zuivelcoŲperaties zijn
er ook een aantal grote levensmiddelenconcerns waaronder grote multinationals (o.a. Wessanen,
Unilever, Nestlť, Numico etc) actief in zuivelproducten. In Nederland zijn zo’n 600 primaire bedrijven
die zelf zuivelproducten maken en vermarkten.
Karakterisering

∑ Het aantal melkveebedrijven daalt jaarlijks sterk (daling circa 3 % per jaar gedurende laatste 5
jaar). Over een periode van 11 jaar (1990 t/m 2001) is het aantal bedrijven met 40% gedaald.
Een reductie van 20.000 in 10 jaar is opmerkelijk te noemen.
∑ Over dezelfde periode is de stapel melk- en kalfkoeien met 18% gedaald. Dit betekent dat er
meer koeien per bedrijf gehouden worden (schaalvergroting).
∑ Schaalvergroting; de blijvers ontwikkelen zich verder
∑ Groeigebieden in Groningen, Friesland en Zeeland (verplaatsers);
∑ Verwachtingen voor de toekomst: moeilijke bedrijfsovernames, veel stakende kleine bedrijven,
weinig investeringen, relatief veel verouderde ligboxstallen en meer ketenintegratie en certificering.
∑ De grote zuivelcoŲperaties in Nederland zijn op Europees en wereldniveau een belangrijke
speler. Zeer veel melkproducten worden geŽxporteerd.
∑ In de melkverwerking wordt er voortdurend gezocht naar producten met toegevoegde waarde.
KALVERENSECTOR

Kwaliteit en veiligheid

Voor de garantie van kwaliteit en veiligheid van vleeskalveren zijn twee IKB-regelingen opgesteld;

voor blanke en rosť kalveren. Met name afwezigheid van groeibevorderaars is van belang en
hierop wordt gecontroleerd door de onafhankelijke Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector
(SKV). In 2001 werkte 98% van de kalverproducenten volgens deze regelingen.
Ketenstructuur

In het onderstaande schema zijn de belangrijkste schakels, input en documentenstroom in de

kalversector weergegeven.
108
Figuur B2.8

Import

kalveren
I&R I&R I&R
Vleesverwerkende
industrie
Detailhandel
Consument
I&R
I&R I&R I&R
Diervoeders
Grondstoffen
buitenland
Grondstoffen
binnenland Kalvervleesketen
Veehouderij Kalverhandelaar

Kalverhouderij
/mesterij
Slachterij
Kengetallen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste kengetallen voor de kalversector.

Tabel B2.8
Kalveren
1999 2000 2001 2002**
(x 1.000 stuks)

Aantal vleeskalveren 753 783 712 713

Aantal bedrijven met vleeskalveren 2,6 2,9 3,2 -
Bruto eigen productie 852 839 799 825
Invoer levend 581 580 278 430
Uitvoer levend 35 33 48 55
Slachtingen 1.399 1.386 1.029 1.200
(x 1.000 ton)

Productie uit slachtingen 211 199 165 176

Invoer geslacht 2 5 4 3
Uitvoer geslacht 192 183 133 171
Verbruik* 21 20 20 21
Verbruik per hoofd (kg)* 1,3 1,3 1,3 1,3
Bron: Kengetallenfolder 2001 via www.pve.nl
** Bron: De Nederlandse vee, vlees en eiersector in cijfers. Het jaar 2002 voorlopig.
109
Marktordening

De sector wordt gedomineerd door twee integraties van bedrijven met een gezamenlijk

marktaandeel van ongeveer 80%. Met integratie wordt bedoeld dat een bedrijf (oftewel integratie
genoemd) bestaat uit meerdere bedrijven die actief zijn in alle schakels van de keten. Enkele
kleinere integraties en bedrijven die binnen ťťn of enkele schakels opereren, completeren het
beeld van de markt.
De twee grote integraties zijn gezamenlijk goed voor 83% van het productievolume in Nederland
(gebaseerd op het aantal slachtingen) op basis van gegevens uit 2001.
Er zijn 6 slachterijen in Nederland waarvan er slechts twee zelfstandig zijn. De andere 4 slachterijen
maken deel uit van de twee integraties.
Karakterisering

∑ Kenmerkend is dat het grootste deel van de kalversector geÔntegreerd werkt.
∑ Het merendeel van de mesters staat onder contract van de voederfabrikant van de integratie.
Onderdeel van het contract zijn bepalingen ten aanzien van de relatie van de mester met de
dierenarts;
∑ Integraties werken met een beperkt aantal dierenartsen;
∑ Slachterijen zijn geconcentreerd rond de Veluwe.
∑ Meer dan 40% van de kalveren werd in 2000 geÔmporteerd uit EG-lidstaten en derde landen;
∑ Er bestaat een grote diversiteit aan grondstoffen voor het voeder;
∑ Grote partijen grondstoffen voor kalvervoeder worden geÔmporteerd uit derde landen;
∑ De inkoop van voeder en kalveren en de verkoop van vlees vindt plaats op een zeer competitieve
(internationale) markt;
VARKENSSECTOR

Kwaliteit en veiligheid

Begin jaren ’90 is voor garantie van kwaliteit en veiligheid in varkenssector IKB Varkens ingevoerd.

Dit stelt eisen aan het voer, hygiŽne, gebruik van diergeneesmiddelen, traceerbaarheid
etc. In 2001 is IKB Varkens aangescherpt op onafhankelijke beoordeling en sanctionering, bewaar-
en bereidingsadvies, monitoring van verboden stoffen en uitbreiding van het vleeskeurmerk
PVE/IKB voor bereidingen. De controle is o.a. uitbesteed aan de onafhankelijke Centraal Bureau
Dierlijke Sector (CBD).
Ketenstructuur

De ketenstructuur voor de varkensvleesketen is hieronder schematisch weergegeven.

110
Figuur B2.9

Fokzeugenbe

drijf (5575)
Slachterij
(25)
Uitsnijderij Detailhandel
Consument
Diervoeders
Grondstoffen
buitenland
Grondstoffen
binnenland Varkensvleesketen
vleesvarkens

bedrijven
(11508)
Groothandel
Tussen haakjes staat het aantal bedrijven dat in 2001 in deze schakel actief was
Import
fokzeugen/bi
ggen
Import
vleesvarkens
Import
vleesvarkens
Handel
Kengetallen overzicht

De belangrijkste gegevens over de varkenssector van 1990 tot en met 2002 zijn in de volgende tabel

opgenomen.
Tabel 2.9
Varkenssector (gewicht met been x 1.000 ton)
1990 1995 1999 2000 2001 2002
Productie

Uit slachtingen 1682 1623 1711 1623 1432 1377

Bruto eigen productie 1926 1886 1851 1769 1680 1528
Invoer

Levend 5 21 38 41 19 37

Vlees en bereidingen 61 111 125 134 140 143
Totaal 66 132 163 175 159 180

Uitvoer

Levend 249 248 178 187 267 189

Vlees en bereidingen 1067 1050 1107 1065 892 835
Totaal 1316 1298 1285 1252 1159 1024

Beschikbaar voor gebruik

Totaal 675 683 688 692 680 685

In kg per hoofd 45,2 44,2 43,6 43,6 42,2 42,5
Zelfvoorzieningsgraad
285 276 269 256 247 223
Invoerwaarde
(x 1 miljoen euro)
Levend 11 36 52 60 33 46
Vlees en vleeswaren* 154 256 214 263 324 291
Totaal 165 292 266 323 355 337

Uitvoerwaarde
(x 1 miljoen euro)
Levend 471 464 241 324 536 345
Vlees en vleeswaren* 2221 1782 1549 1838 1758 1409
Totaal 2692 2246 1790 2162 2294 1754

Bron: PVE/CBS; De Nederlandse vee, vlees en eiersector in cijfers. Het jaar 2002 voorlopig

* incl. bacon
111
Marktordening

In de varkenssector zijn een aantal voerleveranciers deels eigenaar van de slachterijen. Uit de

gegevens blijkt dat er slechts twee vestigingen van slachterijen zijn die meer dan 1.000.000
slachtingen per jaar doen. De slachterijmarkt wordt gedomineerd door slechts een paar spelers.
Karakterisering

∑ De varkenssector kwam in het afgelopen jaar niet in rustig vaarwater. Milieu, dierwelzijn en
voedselveiligheid waren opnieuw centrale thema’s. De uitbraak van MKZ leidde tot aanzienlijke
knelpunten in de sector, zoals tijdelijk overvolle stallen en onderbezetting bij slachterijen.
Daarbovenop kwamen de gevolgen van de opkoopregelingen, waardoor er opnieuw een afname
van de varkensstapel is te verwachten.
∑ 50% van de bedrijven is kleinschalig (< 100 zeugen en/of minder dan 500 vleesvarkens). Bijna
de helft van deze bedrijven (54%) staan in het Oosten van Nederland.
∑ Ca. 60% van de grotere bedrijven (> 200 zeugen en/of minder dan 1.000 vleesvarkens) staan
in het Zuiden.
∑ De vleesvarkenshouderij is kleinschalig. In 2001 had 65% van het totale aantal bedrijven <
500 vleesvarkens en deze bedrijven zorgden voor 24% aandeel in de totale stapel. Het aantal
bedrijven met meer dan 2.500 vleesvarkens is 166 (2%).
∑ De groei is afgelopen jaren tot stand gekomen buiten de concentratiegebieden.
∑ Schaalvergroting zet door.
∑ Toekomstverwachting is dat er veel stakende bedrijven zullen zijn, weinig investeringen gedaan
worden, meer schaalvergroting en meer ketenintegratie en certificering plaatsvindt.
∑ De primaire sector levert aan een aantal slachterijen maar voor een groot deel ook nog via
handelaren. De slachterijen proberen wel vaste contracten af te sluiten met boeren maar veel
gaat nog via handelaren. Weinig sprake van integraties.
∑ In de slachterijwereld staat efficiŽnte productie centraal; streven is om slachthaken vol te krijgen.
Hier is wel verandering in aan het ontstaan. Er zijn veel bulkproducten in varkensvlees,
veel van hetzelfde. Langzamerhand komt er een verschuiving naar marktgericht opereren ook
naar aanleiding van kwaliteitsprogramma’s bijv. Japanstandaard, Carne Superiori.
∑ Daarnaast zijn er een paar verenigingen van varkenshouderijen die zelfstandig producten af
proberen te zetten, bijvoorbeeld streekproducten Livar.
∑ In de varkenssector zijn een aantal voerleveranciers deels eigenaar van de slachterijen.
∑ Vele slachterijen gaan nu portioneren voor de retail (voorverpakt vlees).
∑ De grootste slachterij in Nederland heeft slechts klein aandeel op Europees niveau (lager dan
5 %)
∑ In 2001 waren er 25 slachterijen voor varkens die meer dan 100.000 slachtingen per jaar uitvoerden.
Daarvan waren er 10 die meer dan 750.000 slachtingen per jaar uitvoerden. Uit gegevens
blijkt dat twee vestigingen van slachterijen meer dan 1.000.000 slachtingen per jaar
doen.
112
113
Bijlage 3 Wet- en regelgeving
Deze bijlage beschrijft de wet- en regelgeving die relevant is voor de diervoedersector. Het bedrijfsleven

in deze branche heeft te maken met zowel Europese richtlijnen, nationale wetten als
verordeningen vanuit het Productschap Diervoeder. Hieronder wordt deze regelgeving uiteengezet.
Europa

Het werkterrein van de diervoedersector strekt zich uit tot over de landsgrenzen. In toenemende

mate worden bijvoorbeeld grondstoffen voor diervoeder uit het buitenland betrokken en verwerkt
in Nederland. De branche is daarom sterk gebonden aan internationale regels.
De terreinen waarop de Europese wetgeving betrekking heeft, vallen uiteen in een aantal hoofdthema’s:
∑ Bemonsterings- en analysemethoden (RL 70/373)
Deze richtlijn heeft tot doel te bewerkstelligen dat het toezicht op de naleving van de kwaliteitsnormen
volgens dezelfde analyse- en bemonsteringsmethoden plaatsvindt. Dit om de invoering
van communautaire voorschriften betreffende de kwaliteit en samenstelling van de
gebruikte veevoeders mogelijk te maken.
Toevoegingsmiddelen (additieven, RL 70/524)
Deze richtlijn beschrijft welke antibiotica, coccidiostatica, vitaminen, koper, enzymen, microorganismen

en andere geneeskrachtige stoffen en groeibevorderende stoffen aan het veevoer
mogen worden toegevoegd en in welke hoeveelheden. Ook staat beschreven welke
personen bevoegd zijn in het verhandelen en het toedienen van deze toevoegingsmiddelen.
In de richtlijn wordt onder meer ingegaan op:
1. de procedure die geldt om een bepaald additief toegelaten te krijgen;
2. algemene regels ten aanzien van het niet tegelijk mogen gebruiken van bepaalde additieven
in ťťn diervoeder (in verband met ongewenste interacties);
3. specifieke regels voor het zo nauwkeurig mogelijk inmengen van zogenaamde ‘kritische’
toevoegingsmiddelen;
4. etiketteringsverplichtingen voor zowel ‘pure’ additieven als mengsels van additieven in
diervoeder.
Handelen in diervoeder (RL 79/373 en later RL 95/69: erkenning en registratie)
Deze richtlijn behandelt de voorwaarden en bepalingen voor de erkenning en registratie van

bedrijven en tussenpersonen in de sector diervoeding. Dit zijn bedrijven die werkzaam zijn in
de productie, be- en verwerking, handel en transport in de diervoedersector. Als algemeen
uitgangspunt is geformuleerd dat mengvoeders gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit
moeten zijn. Ze mogen niet worden aangeboden of in de handel worden gebracht
op een wijze die misleidend kan zijn.
Diervoeder met een bijzonder voedingsdoel (RL 93/74)
Deze richtlijn bepaalt dat dieetvoeders geschikt dienen te zijn voor het doel waarvoor zij zijn

bestemd. Tevens zijn etiketteringsvoorschriften opgesteld en dient de bestemming voor te
komen op een communautair vastgestelde lijst.
Controle op diervoeding (RL 93/113)
In deze richtlijn zijn de beginselen vastgelegd om te komen tot een organisatie van de officiŽle

controles op het gebied van diervoeding. Met deze richtlijn zijn de controles aan de buitengrens
van de EU geregeld en - voor zover het handelsverkeer binnen de EU betreft – de
controles bij de oorsprong en bestemming van de producten.
114
Verboden stoffen (RL 96/22 en 96/23)
De eerste richtlijn bevat een opsomming van alle verboden stofgroepen of de stoffen die aan

een limiet zijn gebonden. De controlemaatregelen om deze verboden stoffen op te sporen
zijn onderwerp van de tweede richtlijn.
Ongewenste stoffen en producten in diervoeding (RL 99/29)
Het in de handel brengen van diervoeders die niet gezond of deugdelijk zijn is verboden.

Desalniettemin kunnen in voedermiddelen verontreinigingen voorkomen. In deze richtlijn zijn
de maximumgehalten aan ongewenste stoffen en producten opgenomen die mogen voorkomen
in voedermiddelen, onderscheidenlijk mengvoeders.
Identificatie en registratie van dieren (VO 1760/2000)
Doel van deze verordening is het kunnen identificeren en relateren aan voorouders en verblijfplaatsen.

Deze verordening dient het tracking en tracing van besmette dieren bij een mogelijke
besmetting te vergemakkelijken, zodat verdere verspreiding kan worden tegengegaan
en de bron van de besmetting zo snel mogelijk wordt gevonden.
De Europese wetgeving is met zeer grote regelmaat aan wijzigingen onderhevig. Ter illustratie:
de richtlijn 70/524 (toevoegingsmiddelen) is vijftig keer gewijzigd en de richtlijn 79/373 een vijftiental
keren.
Nederland

De diervoederwetgeving in Nederland bestaat grotendeels uit een aantal verordeningen van het

Productschap Diervoeder (PDV), op basis van de voorschriften die in Europees verband zijn
vastgesteld.
De verordening Diervoeders 1998 is de basisverordening, waarmee een aantal voorgaande afzonderlijke
verordeningen zijn vervangen en geÔntegreerd. Deze basisverordening bevat een aantal
specifieke onderdelen:
A Erkenning en registratie van bedrijven en tussenpersonen

Ter vergroting van de waarborging van een zorgvuldige productie van en handel in diervoeder is

door de EU de richtlijn 95/69 vastgesteld. Deze richtlijn is in Nederland omgezet in hoofdstuk
twee van de Verordening. Productie- en handelsbedrijven die grondstoffen leveren voor diervoeder
dienen te zijn geregistreerd of erkend. Of een bedrijf een erkenning nodig heeft of kan volstaan
met een registratie hangt af van de gebruikte toevoegingsmiddelen in het veevoeder. Alle
Nederlandse bedrijven die in de diervoedersector actief zijn, zijn verplicht zich aan te melden voor
registratie bij het PDV. Bedrijven die van plan zijn om (volgens de definitie van de EU-richtlijn
95/69) risicovolle, gevoelige producten te produceren of te gebruiken dienen eerst te worden erkend.
De erkenningen en registraties worden verleend door het PDV. De voorwaarden waaraan
bedrijven voor een registratie of erkenning moeten voldoen, zijn vastgelegd in bijlage I bij de verordening.
De voorwaarden hebben o.a. betrekking op:
bedrijfsruimten en apparatuur
∑ personeel
∑ productie
∑ kwaliteitsbewaking
∑ opslag
∑ documentatie en administratie
∑ klachten en recallprocedure.
115
B Ongewenste stoffen

Met het oog op de bescherming van de gezondheid van mens en dier zijn maximale niveaus voor

ongewenste stoffen en producten vastgelegd in de EU-richtlijn 1999/29. Deze richtlijn is in Nederland
omgezet in bijlage IX en X van de Verordening. Ongewenste stoffen kunnen van organische
aard zijn, zoals zaden en delen van giftige planten of microbiŽle afbraakproducten maar ook van
anorganische aard, zoals zware metalen. Er zijn maximum gehalten voor onder meer zware metalen,
schimmeloxiden en bestrijdingsmiddelen. Uitgangspunt bij de wettelijke normering van ongewenste
stoffen en producten in de diervoedersector zijn de producten die als zodanig – dus
zonder verdere vermenging - voor diervoeding worden bestemd: de mengvoeders en voedermiddelen
voor direct gebruik op veehouderijbedrijven.
C Etikettering

Voor een juist gebruik van voer door veehouders is een goede etikettering van belang. De wettelijke

voorschriften zijn voor de enkelvoudige voedermiddelen neergelegd in hoofdstuk 3 en voor
de mengvoeders in hoofdstuk 7 van de Verordening Diervoeders 1998. Diervoeding mag pas in
de handel worden gebracht indien er duidelijk zichtbaar en duidelijk leesbaar bepaalde vermeldingen
op zijn aangebracht. Daarnaast dienen bij overschrijding van een norm voor een ongewenste
stof of product aanvullende - waarschuwende - vermeldingen plaats te vinden. Zo moet
het gehalte van de betreffende ongewenste stof of product worden gemeld, zodat de mengvoederfabrikant
hier rekening mee kan houden. De verplichte labelvermeldingen dienen bij verpakte
mengvoeders
over het algemeen op (het etiket op) de verpakking te staan, bij in bulk geleverde
mengvoeders
dienen ze op het begeleidend document te worden aangebracht. De labels dienen
als grondregel de volgende informatie te bevatten:
∑ aanduiding type mengvoer en doeldier (bijvoorbeeld volledig slachtkuikenvoer, aanvullend
diervoeder voor vleesvarkens, mineraalmengsel voor rundvee)
∑ verwerkte toevoegingsmiddelen (antibiotica, groeibevorderende stoffen, vitaminen A, D en E,
koper, enzymen, micro-organismen, etc.)
∑ analytische bestanddelen en evt. voederwaarde: ruw eiwit, vet, celstof, as (eventueel energiewaarde
en dergelijke)
∑ verwerkte voedermiddelen (grondstoffen) in afnemende volgorde van aanwezigheid in het
voer (evt. in categorieŽn)
∑ gebruiksaanwijzing
∑ uiterste gebruiksdatum
∑ partijreferentienummer of fabricagedatum
∑ hoeveelheid
∑ naam verantwoordelijk bedrijf.
D Additieven

Sinds 1970 is er al een Europese richtlijn van kracht die voorschrijft onder welke omstandigheden

additieven mogen worden gemengd met het diervoeder. In een aparte bijlage bij de richtlijn
70/524/EG is weergegeven welke (categorieŽn van) additieven zijn toegelaten, voor welke diersoorten
die toelating geldt en eventuele nadere voorschriften.
116
Aanpalende wetten

Behalve de verordeningen en besluiten van het PDV hebben bedrijven in de diervoedersector ook

te maken met zogenaamde ‘aanpalende’ nationale wetgeving van de rijksoverheid, zoals:
∑ Bestrijdingsmiddelenwet
∑ Destructiewet
∑ Diergeneesmiddelenwet
∑ Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
∑ Landbouwwet
∑ Meststoffenwet
∑ Regeling vleeskeuring
∑ Regeling uitvoer vers vlees
∑ Regeling Identificatie & Registratie van dieren (2002)
∑ Vleeskeuringswet
∑ Warenwet.
Uit bovenstaande lijst kan worden geconcludeerd dat de nationale wetgeving van de rijksoverheid
tot op heden vooral gericht is op de risico’s aan het eind van de keten: vanaf de boerderijfase via
het slachthuis naar de fase van de aankoop door de consument in supermarkten of slagerijen. Dit
met uitzondering van de Destructiewet die gericht is op het wegnemen van risico’s aan het begin
van de keten. Deze wet regelt namelijk de wijze waarop ondeugdelijk materiaal van dierlijke herkomst
voor zowel mens als dier onschadelijk met worden gemaakt.
117
Bijlage 4 Respondentenlijst
Interviews:

Organisatie/bedrijf Naam contactpersoon

Productschap Diervoeder Dhr. Den Hartog

Productschappen Vee, Vlees en Eieren Dhr. Den Hoed
Nevedi Dhr. Wiegeraadt en dhr. Jorna
Nepluvi Dhr. Vermeeren en dhr. Halbesma
Comitť van Graanhandelaren Dhr. Van Noortwijk
LTO Dhr. Boelrijk
CBL Dhr. Jansen
EU Dhr. Verstraete
LNV Dhr. Verkerk en dhr. Berg
VWA Dhr. Herbes
RVV Dhr. Rojer
BCD Mevr. Van Oers
AID Mevr. Jansen en dhr. Kolkman
SGS Dhr. Van Hartevelt en dhr. Dinjens
Rikilt Dhr. Kloet
ADM Dhr. Van Sadelhoff, dhr. Kant en dhr. Spek
Trouw Nutrition Dhr. Ouwerkerk
Smimix Dhr. Van der Aa
Van Drie Group/Navobi Dhr. Swinkels, dhr. Roseboom en dhr. Kosse
Fuite Dhr. Schouten en dhr. Roelofs
Dumeco Dhr. Urlings
Hedimix/Nutreco Dhr. De Looijer en dhr. Loof
Cehavť Dhr. Van Poppel
De Heus Brokkink Koudijs Dhr. De Lange en dhr. De Heus
Kalverenhouder Fam. Ottink
Melkveehouder Dhr. Evers
Melkveehouder Dhr Ter Haar
Varkenshouder Dhr. Luiten
Varkenshouder Heeft verzocht anoniem te blijven
Pluimveehouder Dhr. Kuipers
Pluimveehouder Dhr. Te Wierik
118
Deelnemers workshops

Thema Risico’s van restproducten:
Organisatie/bedrijf Naam deelnemers

LNV Dhr. Traa

Hedimix Dhr. de Looijer
WUR Mevr. Makkink
Rikilt Dhr. Kloet
ASG (animal science group) Dhr. Verdonk
Beuker vochtrijke diervoeders BV Dhr. Gotink
BV Duynie Dhr. Corsmit
Thema Optimalisering GMP-systeem:

Aan deze groepsdiscussie namen deel: twee pbo’s, een brancheorganisatie, twee certificerende instellingen

en vier bedrijven uit de keten.
Thema Structuur van de sector:
Organisatie/bedrijf Naam deelnemers

LNV Dhr. Verkerk, dhr. Porte, dhr. Wever, mevr. Brouwer

LTO Dhr. Boelrijk
PDV Dhr. Den Hartog
PVE Dhr. Riepma
Nepluvi Dhr. Vermeeren
Milieudefensie Mevr. Tielens
CBL Dhr. Jansen
Thema Handhaving door de overheid:
Organisatie/bedrijf Naam deelnemers

LNV Dhr. Traa, dhr. Goossens, dhr. Van Vliet

VWA Dhr. Herbes
RVV Dhr. Vis
VROM Inspectie Dhr. Westerbeek
SHEPH Mevr. van de Kop
119
Bijlage 5 Afkortingen en definities
Afkortingen

AID Algemene Inspectie Dienst

PDV Productschap Diervoeder
PVE Productschappen Vee, Vlees en Eieren
GMP Good Manufacturing Practice
HACCP Hazard Analysis of Critical Control Points
IKB Integrale Keten Beheersing
KKM Keten Kwaliteit Melk
QC Quality Control
RVV Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees
KDD KeuringsDienst Diervoedersector
BCD Bureau CoŲrdinatie Diervoedercertificatie en -controle
CI’s Certificerende instellingen
KvW Keuringsdienst van Waren
VWA Voedsel- en Waren Autoriteit
LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(sinds 1 juli 2003, daarvoor ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij)
VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
EU Europese Unie
MPA Medroxy progestron acetaat
MKZ Mond- en Klauwzeer
PAK Poly Aromatische Koolwaterstoffen
UBN Uniek Bedrijfs Nummer
PBO Publieke Bedrijfs Organisatie
120
Definities

Diervoeders

Diervoeders zijn producten van plantaardige of dierlijke oorsprong in natuurlijke staat, vers of verduurzaamd,

afgeleide producten van de industriŽle verwerking van deze producten, alsmede organische
of anorganische stoffen, al dan niet gemengd, met of zonder toevoegingsmiddelen en
bestemd voor dierlijke voeding langs orale weg.
Voedermiddelen

Voedermiddelen zijn diervoeders die bestemd zijn om te worden gebruikt voor vervoedering, hetzij

als zodanig, hetzij na be- of verwerking, voor de bereiding van mengvoeders voor dieren of als
dragers in voormengsels.
Mengvoeders

Mengvoeders zijn mengsels van voedermiddelen.

Toevoegingsmiddelen

Toevoegingsmiddelen zijn stoffen of preparaten die in diervoeding worden gebruikt,

ten einde:
∑ De eigenschappen van de diervoeders of dierlijke producten gunstig te beÔnvloeden;
∑ Te voldoen aan de voedingsbehoeften van dieren, of de dierlijke productie te verbeteren (verteerbaarheid);
∑ Aan de voeding elementen toe te voegen die het makkelijker maken om voedingsdoelen te
bereiken of tegemoet komen aan een specifieke, tijdelijke, behoefte inzake voeding bij dieren;
∑ Door dierlijke uitwerpselen veroorzaakte hinder te voorkomen of te beperken of de leefomgeving
van de dieren te verbeteren.
niet zijnde:
∑ Diergeneesmiddelen, zoals omschreven in de Diergeneesmiddelenwet;
∑ Technische hulpmiddelen;
∑ Stoffen die van nature aanwezig zijn in voedermiddelen in hun normale samenstelling.
Voormengsels

Mengsels van toevoegingsmiddelen onderling of mengsels van ťťn of meer toevoegingsmiddelen

met stoffen die dragers vormen, die als zodanig bestemd zijn voor de rechtstreekse verwerking in
diervoeders, alsmede halffabrikaten.
121
Bijlage 6 Literatuurlijst
Dit is een algemene literatuurlijst. De bronnen die zijn gebruikt voor de beschrijving van de incidenten

zijn hier niet vermeld.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 173, nummers 1 t/m 5, Tekst wetsvoorstel Kaderwet
diervoeders
, doorlopende tekst en memorie van toelichting, Den Haag, SDU, 2002.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 446, nummer 1, Grondstof voor vertrouwen, beleidsbesluit
Diervoeder, Den Haag, 1999.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 991, nummer 22, beleidsbesluit Diervoeder, Den
Haag, SDU, 2000.
VWA (2002), Quickscan Kalverketen, VWA, Den Haag, december 2002
VWA (2002), Zichtbare risicoreductie, strategische ondernemingsvisie van de VWA, Den
Haag, 2002.
Pols, Daniel en Claire Tielens (2003), De Menukaart van het varken, Milieudefensie, Amsterdam,
2003.
∑ PDV, jaarverslag PDV 2002, Den Haag, 2002.
∑ Keuringdienst van Waren, jaarverslag 2001, Keuringsdienst van Waren, 2002.
PDV bundel ‘Diervoederwetgeving in Nederland, deel 1’, Productschap Diervoeder, Den
Haag, juli 2002.
PDV bundel ‘GMP-regeling diervoedersector’, Productschap Diervoeder, Den Haag, december
2002.
∑ Rommens, C.A.M., et al. (december 2001), “Traceerbaarheid en handhaafbaarheid van
GGO’s”, Naaldwijk, DLV Adviesgroep nv en SGS AgroControl i.o.v. Ministerie van VWS en
LNV.
∑ Rommens, C.A.M., et al. (juli 2002), “Tracking & Tracing mengvoeder”, Naaldwijk, DLV Adviesgroep
nv i.o.v. Productschap Diervoeder
∑ Rommens, C.A.M., et al. (juli 2002), “Tracking “& Tracing Diervoedergrondstoffen – vanaf
laadhaven –“, Naaldwijk, DLV Adviesgroep nv i.o.v. PDV
∑ Rommens, C. A. (juli 2002), “De Tracking & Tracing methode van de VanDrie Group”, Naaldwijk,
DLV Adviesgroep nv i.o.v. VanDrie Group, juli 2002
∑ Anonymus (september 2001), “Hergebruik van reststromen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie”,
Arcadis i.o.v. Ministerie van LNV.
∑ Makkink, C.A. & A.F.B. van der Poel (mei 2002), “Risico’s van vochtrijke bijproducten”,
Naaldwijk, Wageningen Universiteit Leerstoelgroep Diervoeding i.o.v. DLV Adviesgroep N.V.
∑ PVE (januari 2003), “De Nederlandse vee, vlees en eiersector in cijfers – Het jaar 2002 voorlopig”,
Zoetermeer, Productschappen Vee, Vlees en Eieren
122
∑ PVE (april 2002), “De Productschappen Vee, Vlees en Eieren”, Zoetermeer, Productschappen
Vee, Vlees en Eieren
∑ Productschap Diervoeder (november 2002), “Uitvoeringsplan herziening diervoedercertificatie
en –controle”, Den Haag
∑ Productschap Diervoeder (januari 2003), “MengvoederenquÍte 2000”, Den Haag
∑ GGO-diervoedergrondstoffen, uitgebracht door Productschap Diervoeder
∑ Bokma- Bakker, M.H., et al. (juni 2002) “Risicoanalyse van bijproducten in brijvoersystemen
voor varkens: praktijksituaties en snel implementeerbare beheersmaatregelen”, Lelystad,
Praktijkonderzoek Veehouderij i.o.v. Ministerie van LNV en de Productschappen Vee, Vlees
en Eieren
∑ Van der Kroon, S.M.A. et al. (juni 2002), “Risicobeheersing op bedrijfsniveau – Een casus in
de varkensvoerketen”, Den Haag, LEI
∑ Rijsman, V.M.C. et al (september 2002), "Kwaliteitsborging van het voederen van melkvee",
ID-Lelystad i.o.v. Productschap Diervoeder en Productschap Zuivel.
∑ Website ministerie van LNV
∑ Website van het PDV
∑ Website van het VWA
∑ Website van de EU
123
Research voor Beleid
Schipholweg 13 - 15
Postbus 985
2300 AZ Leiden

 

 

 

 

894 Ermelo CDA burgemeester: "Meneer Hop moet zijn mond houden!"
(665) Ermelose CDA bestuurders laten Hop met buurtonderzoeken in de gaten houden!
(686) Honden van Dutroux kregen meer te vreten dan Ermelose 70+ mevrouw na weerzinwekkende CDA (bestuurders) terreur
(599) Ermeloer George Elsing: Ik begrijp het (CDA)niet zo goed..........
(303) Ermelo Krijgt u dezelfde kilometervergoeding als ambtenaren van de CDA gemeente Ermelo?
(PAR) Ermelo Hop tegen chefje gemeente Ermelo: Ga jij maar lekker klagen bij je CDA burgemeester"
(CHR) Ermelo Hop mag van CDA niet meedoen aan politiek debat Christelijk College Groevenbeek
mw. Jeanne Dijkstra eindredacteur Ermelo Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek: "Van alle kanten komen berichten dat Groep Hop moet worden doodgezwegen"
Stemwijzer Groep Hop deed niet mee aan de Stemwijzer provinciale verkiezingen Gelderland omdat het belangrijkste verschil Groep Hop met alle andere partijen -Groep Hop wil de provincie Gelderland opheffen- niet in de Stemwijzer werd opgenomen. Het niet opnemen van programma verschillen is een stemwijzer truc t.b.v. CDA en andere gevestigde politieke partijen als opdrachtgever van die stemwijzer.
(175) Hop tegen Ermelo: Hop ontdekt dat de Ermelose gemeente ambtenaar een natuurlijk gezag moet kunnen uitoefenen over burgers en bestuurders
(265) Hop tegen Ermelo. Competentie ambtenaar die GEZAG over Hop wilde uitoefenen in de gemeente Ermelo
(512) Stemfraude? Dubbelfunctie lid stembureau en kandidaat raadslid bij Ermelose verkiezingen mag wel van CDA burgemeester
(648) Stemfraude? Strijd Hop met Ermelose ambtenaren levert bewijs op dat alleen originele formulieren ingeleverd mogen worden
(201) Stemfraude? Knippen en plakken in Ermelose verkiezingsformulieren mag wel van de Ermelose CDA burgemeester
(98)   Stemfraude? Nieuwsbrief 4 verkiezingen, Ministerie van Binnenlandse Zaken roept gemeenten op fraude te plegen in vastgestelde verkiezingsformulieren
(340) CDA medewerkers vernielen overal in Gelderland de verkiezingsposters van Groep Hop
(362) Alleen Groep Hop weigerde losgeld te betalen aan CDA-PRcommissie voor debat
(379) CDA kan alleen Groep Hop niet controleren. Hop weigert betaling losgeld aan CDA PR-commissie
(425) "Groep Hop wil agrarisch landschap behouden". CDA vernield overal de Groep Hop verkiezingsposters
(638) Bedrijvenkring Ermelo doet ook mee aan doodzwijgen Hop. Het bedrijf Navobi valt hierbij zeer negatief op
(544) Ermelo. Beslissing op "bedenkingen" Hop tegen nieuwe milieuvergunning voor witvleeskalveren levert meer "bedenkingen" op
(375) Welke familie(s) en bedrijven beheersen met hoeveel subsidies de markt rondom vleeskalveren in Nederland?
(781) Bedenkingen na speeddaten met Ermelose Jongerenraad. Voorstel Hop om vaker te speeddaten wordt door CDA-ers doodgezwegen
(342) Ermelo. Vragen Hop over verkeersforum levert meer bedenkingen op
(511) Een sfeerverslag uit Ermelo. Ermelo Weekblad heeft geen ruimte om correct over milieu Project 31 van Hop te berichten
(541) Doodzwijgen Groep Hop op de Veluwe IV, Verkiezingsposters Groep Hop worden overal vernield en overplakt
(452) CDA-ers betrapt op vernielen van Groep Hop verkiezingsposters
(561) "Groep Hop wil de jeugdzorg echt aanpakken". Verkiezingsposters worden overal vernield of overplakt door CDA
(646) Groep Hop deed in alle 55 gemeenten mee aan provinciale verkiezingen Gelderland 2007
(459) Kent u de geschiedenis nog van de omroepbijdrage?
(218) Als je een gesubsidieerde leugen maar vaak genoeg herhaald gaat iedereen dat vanzelf als de waarheid beschouwen
(601) Ermelo CDA "In de raadsvergadering is er geen mogelijkheid tot inspreken van burgers en andere betrokkenen"
(729) Felle succesvolle campagnes tegen vernietiging natuur door CDA-ers leverde Hop de bijnaam natuurterrorist op
(718) Stemfraude? Ermelo bezwaarschrift Hop tegen uitslag verkiezingen in Ermelo waarbij Hop verkiezingsfraude in stemlokaal bewijst
(894) Ermelo CDA burgemeester: "Meneer Hop moet zijn mond houden".

(3) De norm! De zes wetten van Hop, uitgangspunt burgers in iedere procedure tegen de overheid
(742) Ermelo Alleen Groep Hop wil kwaliteitshandvest voor ambtenarij gemeente Ermelo invoeren
(623) Akten burgerlijke stand worden elektronisch opgeslagen dus kan eenvoudig een "dubbel" worden verstuurd
(145) Ermelo. Een lawine aan onjuiste ontvangstbevestigingen gemeente Ermelo richting Hop
(470) Modelbrief Klacht GEGROND n.a.v. modelklacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen
(664) Modelbrief klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen
(20) Ermelo. WOB werkt niet. Macht is recht! Wie meer macht heeft heeft meer rechten!
(615) Ermelo Hop voorspelt: "Wet dwangsom wordt uitgehold om burgers te naaien en uit te zuigen"
(504) Klacht tegen gemeente Ermelo is bekend bij de Europese Commissie
CBS Ermelo. Commissie bezwaarschriften Ermelo weigert nevenfuncties openbaar te maken
(687) Heeft u namen en nevenfuncties leden en secretarissen commissie bezwaarschriften CBS)ontvangen?
(520) Werkt de secretaris BSC bij de gemeente? Behandeld zij ook het onderhavige dossier voor de gemeente?
(506) Ermelose commissie bezwaarschriften gaat gewoon door na wraking Hop van weerzinwekkend partijdige BSC
(86) Publicatie namen medewerkers werkzaam bij de overheid met hun telefoonnummer bij de overheid is niet in strijd met de privacy
(358) Een sfeerverslag van Hop na bijwonen hoorzitting bezwaarschriftencommissie. Welke boom is hier ziek?
(424) Een sfeerverslag van Hop na bijwonen hoorzitting bezwaarschriftencommissie. Christelijke (CDA) terreur tegen bewoners recreatiewoningen
(698) Modelbrief bezwaarschrift tegen WOZ beschikking gemeente Ermelo
DIS Ermelo CDA burgemeester discrimineerd Nederlanders tov buitenlanders
(576) Ermelo Wob van Hop mbt convenanten gemeente Ermelo met Uwoon
(125) Modelbrief Verzoek 125 aan de gemeente om uw kind weer in te schrijven in het GBA
Gemeentesecretaris Ermelo Verzet VNG in strijd Hop om afgifte bijbaantjes gemeentesecretaris
Griffier Ermelo Verzet VNG in strijd Hop om afgifte bijbaantjes griffier
Suwinet Modelbrief Heeft u al een kopietje van Suwinet Inkijk over u ontvangen?
(91) Bezwaar maken tegen de afname vingerafdrukken en opslag in digitale overheidsdatabank.
Stem Wijzer! Stem Groep Hop! Landelijk Verkiezingsprogrammapolitieke groepering Groep Hop

Hop analyseert kenmerken van CDA-ers: "Geen zelflerend vermogen, fouten wegredeneren, elkaar leuke baantjes geven, werken met gefabriceerd bewijs, succesvolle tegenwerking van andere burgers en politieke tegenstanders doodzwijgen.lees verder

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk CoŲrdinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.