Wijziging
van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar
maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden
gedragingen van overheidsorganen
CONCEPT
Wijziging
van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar
maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden
gedragingen van overheidsorganen
VOORSTEL
VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het
opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden
gedragingen van overheidsorganen tot een strafrechtelijke veroordeling kan leiden;
Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL
I
Het
Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
In
artikel 42 wordt na `wettelijk voorschrift’ toegevoegd: dan wel een publieke
taak, bij de wet opgedragen.
B
Aan
artikel 51 wordt een lid toegevoegd dat komt te luiden:
4. De
strafvervolging kan ook worden ingesteld tegen hen die tot het feit opdracht
hebben gegeven alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de
verboden gedraging, indien het strafbaar feit is begaan door een
publiekrechtelijke rechtspersoon die daarvoor niet kan worden vervolgd.
ARTIKEL
II
Deze
wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten
en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De
Minister van Justitie,
Wijziging
van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar
maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden
gedragingen van overheidsorganen
MEMORIE
VAN TOELICHTING
1.
Inleiding
Reeds
geruime tijd is in discussie of, en zo ja in welke mate overheden, ambtsdragers
en ambtenaren strafrechtelijk aansprakelijk moeten kunnen worden gesteld voor
strafbare feiten die in de sfeer van die overheden worden begaan. Deze discussie
concentreert zich gewoonlijk op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van
overheden als publiekrechtelijke rechtspersonen. Voor beperking of uitbreiding
van de strafrechtelijke aansprakelijkheid worden dan argumenten aangevoerd, die
door anderen worden betwist.
Ondertussen ligt, naar de overtuiging van het kabinet, strafrechtelijk
het accent anders. In het strafrecht is het schuldbeginsel leidend en domineert
de aansprakelijkheid van natuurlijke personen. Bij ernstige strafbare feiten is
strafvervolging van een publiekrechtelijke rechtspersoon, die slechts tot
oplegging van een geldboete kan leiden, minder voor de hand liggend. Het gaat er
veel meer om dat natuurlijke personen die ernstige strafbare feiten opzettelijk
hebben bevorderd daarvoor aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Dit wetsvoorstel wil bereiken dat ambtsdragers en ambtenaren die opdracht
hebben gegeven tot of feitelijke leiding hebben gegeven aan strafbare feiten
begaan door overheden, daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden
gesteld. Het kabinet volgt daarmee één van de centrale aanbevelingen van de
commissie Roelvink (Kamerstukken II 2001/02, 25 294, nr. 15). Ambtsdragers en
ambtenaren kunnen thans reeds aansprakelijk worden gesteld voor zover zij
strafbare feiten plegen of daaraan deelnemen. Dat geldt ook als deze strafbare
feiten in de sfeer van de overheid worden begaan. Of zij daadwerkelijk strafbaar
zijn, wordt mede bepaald aan de hand van het stelsel van algemene
strafuitsluitingsgronden, waaronder die van het wettelijk voorschrift (artikel
42 Sr) en het ambtelijk bevel (artikel 43 Sr). Er is naar de mening van het
kabinet geen reden om vervolging van de ambtsdrager of ambtenaar als
opdrachtgever of feitelijke leidinggever, in afwijking van dit wettelijke
systeem, in zijn algemeenheid uit te sluiten. Voorgesteld wordt dan ook een
wijziging van artikel 51 Sr waarbij vervolging van deze personen mogelijk wordt
gemaakt óók indien het strafbaar feit is begaan door een publiekrechtelijke
rechtspersoon die daarvoor niet kan worden vervolgd.
Aangetekend zij daarbij nog dat deze wijziging doorwerkt in het
bestuursrecht, inzoverre bij het opleggen van bestuurlijke boetes betekenis
wordt gehecht aan de strafrechtelijke jurisprudentie die vervolging van
ambtenaren en ambtsdragers als opdrachtgevers of feitelijke leidinggevers
uitsluit (vgl. Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 82).
Tegenover deze uitbreiding van de vervolgbaarheid van individuele
ambtenaren en ambtsdragers staat wel de eis dat het wettelijk stelsel van
strafuitsluitingsgronden op adequate wijze voorziet in strafuitsluiting voor
strafbare feiten die uit de uitoefening van een publieke taak voortvloeien. Het
kabinet ziet tegen de achtergrond van dit vereiste aanleiding artikel 42 Sr in
die zin aan te vullen, dat ook strafbare feiten die verricht zijn ter uitvoering
van een bij de wet opgedragen publieke taak, van strafbaarheid worden
uitgezonderd. De algemene strafuitsluitingsgrond van overmacht (artikel 40 Sr)
brengt thans reeds met zich mee dat de rechter strafbare gedragingen
gerechtvaardigd kan achten door een ander belang. Zo’n belang kan ook gelegen
zijn in de uitvoering van een publieke taak. Het kabinet meent evenwel dat de
beoordeling van de strafbaarheid van feiten die voortvloeien uit de uitvoering
van een publieke taak, niet in de sleutel moet worden gezet van afweging van
twee in beginsel gelijkwaardige belangen. De voorgestelde uitbreiding van
artikel 42 Sr maakt expliciet dat een bij de wet opgedragen publieke taak, op
dezelfde voet als een expliciet wettelijk voorschrift, strafbare gedragingen
rechtvaardigt die ter uitvoering daarvan zijn verricht. Daarmee wordt beter
uitgedrukt dat de gehoudenheid van overheidsdienaren, hun publieke taak te
vervullen, hen feitelijk geen keuze kan laten bij het al dan niet begaan van een
strafbaar feit. De toetsing aan vereisten van proportionaliteit en
subsidiariteit, die impliciet in artikel 40 Sr besloten ligt, is in artikel 42
Sr, ook in zijn uitgebreide vorm, net als in artikel 43 Sr gekoppeld aan het
begrip `ter uitvoering van’.
2.
Opheffing immuniteit opdrachtgever/feitelijke leidinggever
In
de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 23 april 1996, NJ
1996, 513 (Pikmeer I) was de vraag aan de orde of, bij strafrechtelijke
immuniteit van een publiekrechtelijke rechtspersoon, een persoon die verdacht
wordt van het geven van feitelijke leiding aan een strafbare gedraging van die
rechtspersoon daarvoor vervolgd kan worden. De Hoge Raad beantwoordde die vraag
ontkennend. De vervolgbaarheid van de rechtspersoon en die van de opdrachtgevers
en feitelijke leidinggevers zijn, zo meende de Hoge Raad, zo nauw met elkaar
verbonden dat de omstandigheid dat de rechtspersoon zelf niet vervolgd kan
worden omdat deze een openbaar lichaam in de zin van Hoofdstuk 7 van de Grondwet
is en optreedt ter vervulling van een in de wet opgedragen bestuurstaak,
meebrengt dat een strafvervolging evenmin kan worden ingesteld tegen ambtenaren
en arbeidscontractanten in dienst van het openbaar lichaam, indien dezen in die
hoedanigheid ter uitvoering van die bestuurstaak opdracht hebben gegeven tot of
feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging als bedoeld in
artikel 51, tweede lid, onder 2o, Sr. De Hoge Raad citeert in verband met deze
nauwe verbondenheid de tekst van artikel 51, tweede lid, Sr.
In de rechtspraak en literatuur is uit deze uitspraak meer in het
algemeen de conclusie getrokken dat strafrechtelijke
immuniteit van een publiekrechtelijke rechtspersoon doorwerkt naar de
opdrachtgever en de feitelijke leidinggever. Ook de naar aanleiding van deze
problematiek ingestelde commissie Roelvink trok deze conclusie (Strafrechtelijke
aansprakelijkheid van de Staat, rapport Ministerie van Justitie, februari 2002,
p. 11). Wat de publiekrechtelijke rechtspersoon de staat betreft, wordt
dientengevolge uitgegaan van strafrechtelijke immuniteit van ambtenaren en
arbeidscontractanten die handelen in de hoedanigheid van opdrachtgever tot of
feitelijke leidinggever aan verboden gedragingen van de staat.
In het nader rapport dat is uitgebracht naar aanleiding van het advies
van de Raad van State over de strafrechtelijke immuniteit van de staat is ter
verdediging van de doorwerking van de strafrechtelijke immuniteit van
overheidsorganen naar opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers een ander
argument genoemd dan de `nauwe verbondenheid’. Aangegeven is `dat er in het
maatschappelijk verkeer gedragingen zijn die eerst en vooral als door de
(publiekrechtelijke) rechtspersoon gepleegde strafbare feiten worden gezien, ook
al impliceren zij het (veelal gezamenlijke) tekortschieten van natuurlijke
personen. Als strafrechtelijke risico’s die bij private rechtspersonen door de
rechtspersoon gedragen worden, bij publiekrechtelijke rechtspersonen door
ambtenaren en ambtsdragers gedragen zouden moeten worden, lijkt het uitgangspunt
van de rechtsgelijkheid in het gedrang te komen’ (Kamerstukken II 1999-2000,
25 294, A, p. 7).
Een
reden waarom het argument van de `nauwe verbondenheid’ door het toenmalige
kabinet niet op de voorgrond is gesteld, kan hierin gelegen zijn dat dit
argument vooral op de redactie van artikel 51 Sr gebaseerd is. De redactie van
een wetsbepaling is een argument dat bij de interpretatie van het geldend recht
een belangrijke rol speelt, maar niet bij het beantwoorden van de vraag welk
recht het meest wenselijk is.
Ook
in de kabinetsnota Strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheidsorganen
(Kamerstukken II 1996/97, 25 294, nr. 2, p. 8) is aandacht besteed aan de
positie van opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers binnen publiekrechtelijke
rechtspersonen. De situatie waarin de ambtenaar op eigen houtje opereert, is
onderscheiden van de situatie waarin `het handelen van de individuele ambtenaar
niet los kan worden gezien van de organisatie en de cultuur van het betrokken
overheidsorgaan en in de lijn lag van hetgeen van hem door de ambtelijke of
politieke leiding werd verwacht. In zo’n geval is daderschap van de publieke
rechtspersoon denkbaar en rijst dus de vraag of er grond is het overheidsorgaan
strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Ongeacht of dit laatste het geval is,
zal het in zo’n geval, waarin het in wezen om handelen van het overheidsorgaan
gaat, in de regel niet passend zijn om de individuele ambtenaar voor het
bestreden handelen te vervolgen. Dit zal slechts anders zijn indien van hem in
de gegeven omstandigheden toch een ander optreden mocht worden verwacht.’
De
argumentatie in beide kabinetsstandpunten ligt in elkaars verlengde. Waar het in
wezen om strafbaar handelen van de publiekrechtelijke rechtspersoon gaat, en dat
is het geval wanneer deze rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer als dader
wordt gezien, zal het in de regel niet passend zijn om de individuele ambtenaar
te vervolgen. Daarbij speelt een rol dat de rechtsgelijkheid ten opzichte van
opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers bij private rechtspersonen anders in
het gedrang kan komen.
Het
kabinet heeft deze argumentatie mede in het licht van het rapport van de
commissie Roelvink opnieuw gewogen. In dat rapport is voorgesteld de
opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers vervolgbaar te maken, ook wanneer de
publiekrechtelijke rechtspersoon strafrechtelijk immuun zou zijn. Een
kernoverweging van de commissie is, dat bij een strafrecht dat gebaseerd is op
het schuldbeginsel de individuele, persoonlijke aansprakelijkheid een centraal
uitgangspunt blijft (p. 19). Strafrechtelijke aansprakelijkheid van de
(publiekrechtelijke) rechtspersoon mag niet een gemakkelijke uitweg worden om
maar niet de individuele functionaris te hoeven vervolgen.
Ook in het advies van de Raad van
State is dit argument terug te vinden. De Raad merkt op dat de
publiekrechtelijke functie en taak de grondslag vormen waarop openbare lichamen
aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Niet eigen doelen beheersen hun
handelen, maar het algemeen belang dat daarmee inhoud en `handen en voeten’
krijgt. Voor strafrechtelijke aansprakelijkstelling van de staat is in de ogen
van de Raad weinig reden: strafbaar handelen is pas mogelijk, indien de
gedragingen niet beantwoorden aan de wet en de regels, dan wel sprake is van
misbruik van bevoegdheid of van feitelijk handelen. In die benadering past, zo
stelt de Raad, `dat in geval van mogelijk strafbaar handelen de vervolging niet
tegen het betrokken openbare lichaam wordt ingesteld, maar tegen de betrokken
ambtsdragers of ambtenaren; vandaar ook de regeling van ambtsdelicten in de
artikelen 356 en volgende WvS. Dat biedt voor de praktijk ook een hanteerbaar
onderscheid bij de vervolging’ (Kamerstukken II 1999/2000, 25 294, A, p. 5).
Zowel de Commissie Roelvink als de Raad van State stellen de
aansprakelijkheid van natuurlijke personen, ambtsdragers en ambtenaren, voorop.
De Commissie Roelvink wijst daarbij op het schuldbeginsel, de Raad van
State meent dat aansprakelijkstelling van natuurlijke personen meer voor de hand
ligt gelet op de omstandigheid dat het handelen van de staat door het algemeen
belang wordt beheerst. Ook het kabinet meent, de argumenten opnieuw wegend, dat
uit de omstandigheid dat een publiekrechtelijke rechtspersoon in het
maatschappelijk verkeer als dader van een strafbaar feit wordt gezien, niet
volgt dat aansprakelijkheid van opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers
deswege uitgesloten dient te zijn. De wettelijke constructie van artikel 51 Sr
suggereert dat deze aansprakelijkheid slechts een afgeleide is van die van de
rechtspersoon; de doelstellingen en beginselen van het strafrecht wijzen evenwel
in een andere richting. Aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon staat in
het strafrecht centraal, ook bij strafbaar handelen dat in de sfeer van
rechtspersonen plaatsvindt. Voorgesteld wordt daarom, artikel 51 Sr aan te
vullen met een artikellid dat opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers
vervolgbaar maakt ook als de publiekrechtelijke rechtspersoon die het strafbare
feit heeft begaan daarvoor niet vervolgd kan worden.
Het element van rechtsgelijkheid tussen opdrachtgevers en feitelijke
leidinggevers van publiekrechtelijke rechtspersonen enerzijds en die van private
rechtspersonen anderzijds is daarmee niet terzijde gesteld. In de
kabinetsreactie op het advies van de Raad van State wordt dit element terecht
gesignaleerd. De natuurlijke persoon mag niet met verwijten en straffen
getroffen worden die bij de publiekrechtelijke rechtspersoon terecht zouden zijn
gekomen als zij vervolgbaar was geweest. Dit risico zal evenwel gepareerd moeten
worden met een evenwichtig vervolgings- en strafvorderingsbeleid in concrete
strafzaken, niet met een algehele uitsluiting van strafvervolging.
Voor gevallen waarin het handelen van de individuele ambtenaar niet los
kan worden gezien van de organisatie en de cultuur van het betrokken
overheidsorgaan en in de lijn lag van hetgeen van hem door de ambtelijke of
politieke leiding werd verwacht, biedt het strafrecht andere oplossingen dan
strafrechtelijke immuniteit. Ambtelijk handelen ter uitvoering van bevoegdelijk
en onbevoegdelijk gegeven bevelen wordt al sinds 1886 wettelijk genormeerd door
artikel 43 Sr. Het begaan van een strafbaar feit ter uitvoering van een
wettelijk voorschrift wordt van strafbaarheid uitgezonderd in artikel 42 Sr; als
aangegeven wordt in dit wetsvoorstel een aanvulling van dit artikel voorgesteld.
Daarnaast bestaan nog andere geschreven en ongeschreven
strafuitsluitingsgronden, zoals overmacht en afwezigheid van alle schuld. Deze
strafuitsluitingsgronden bieden toereikende mogelijkheden om in de gevallen
waarin aan het handelen van de ambtenaar de wederrechtelijkheid of
verwijtbaarheid ontbreekt, tot een ontslag van alle rechtsvervolging te komen.
Door ook bij opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers uit te gaan van
vervolgbaarheid, en voor de vaststelling van strafbaarheid aan te sluiten bij
het systeem van wettelijke en buitenwettelijke strafuitsluitingsgronden, worden
deze aansprakelijkheden meer op één lijn gesteld met strafrechtelijke
aansprakelijkheid uit hoofde van daderschap en deelneming. Ook bij plegen,
medeplegen, uitlokken, doen plegen en medeplichtigheid is vervolgbaarheid het
uitgangspunt en bepalen, bij het vervuld zijn van de delictsomschrijving, de
strafuitsluitingsgronden of de betrokkene daadwerkelijk strafbaar is. Dit
gelijktrekken van aansprakelijkheidsconstructies komt het kabinet gelukkig voor.
Er is geen reden om aansprakelijkheid van een ambtenaar als functioneel pleger
of uitlokker fundamenteel anders te beoordelen dan diens aansprakelijkheid als
feitelijke leidinggever, zeker nu het feitelijk handelen dat door elk van deze
constructies bestreken wordt overlappingen kan vertonen.
3.
Immuniteit publiekrechtelijke rechtspersonen
In
het Volkelarrest (HR 25 januari 1994, NJ 1994/598) is bevestigd dat de Staat
voor zijn handelingen niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. En
in HR 6 januari 1998, NJ 1998/367 (Pikmeer II) heeft de Hoge Raad de grenzen van
strafrechtelijke immuniteit van lagere overheden bepaald. Immuniteit van een
openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 Gw dient, volgens de Hoge Raad,
slechts dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar
aard en gelet op het wettelijk systeem niet anders dan door
bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering
van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is
dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het
maatschappelijk verkeer deelnemen. Ook deze formulering impliceert
strafrechtelijke immuniteit van de desbetreffende overheden voor belangrijke
categorieën strafbaar handelen.
Het onderhavige wetsvoorstel brengt geen wijziging in deze bestaande
strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen. De vraag of
deze strafrechtelijke immuniteiten moeten worden uitgebreid, gehandhaafd,
ingeperkt of opgeheven, wordt in de samenleving zeer verschillend beantwoord. Ik
refereer hier aan de adviezen van de Raad van State en van de commissie Roelvink,
die zeer uiteenlopende standpunten bepleitten. Het komt het kabinet, bij die
stand van zaken, aangewezen voor de aandacht te richten op de strafrechtelijke
aansprakelijkheid van de opdrachtgever en feitelijke leidinggever aan verboden
gedragingen van de publiekrechtelijke rechtspersoon. Daar is van verschil van
mening veel minder sprake; niet alleen uit de adviezen van de commissie Roelvink
en de Raad van State, maar ook uit de literatuur blijkt dat veel steun bestaat
voor het opheffen van diens aan de publiekrechtelijke rechtspersoon gekoppelde
immuniteit (vgl. onder andere J. Remmelink, Strafrechtelijke vervolging van
openbare lichamen, NJB 1998, p. 19; Th.W. van Veen, De strafrechtelijke
aansprakelijkheid van de overheid, RMThemis 2000, p. 167). Die benadering, welke
aansluit bij de praktische benadering die de commissie Roelvink voor ogen stond,
ligt te meer voor de hand nu, zoals aangegeven, in het strafrecht de
aansprakelijkheid van natuurlijke personen voorop staat. Het kabinet verwacht,
met dit wetsvoorstel te voorzien in een mogelijkheid van strafvervolging voor de
gevallen waarin daarvoor daadwerkelijk aanleiding kan zijn na strafbaar handelen
van een publiekrechtelijke rechtspersoon. Hierbij is nog van belang dat het
wetsvoorstel geen onderscheid maakt tussen strafbare feiten gepleegd in de sfeer
van de centrale overheid en feiten gepleegd in de sfeer van decentrale
publiekrechtelijke rechtspersonen zoals gemeenten en waterschappen. In beide
gevallen maakt het voorstel vervolging van individuele ambtsdragers en
ambtenaren als opdrachtgever of feitelijke-leidinggever mogelijk, ongeacht de
eventuele immuniteit van de
rechtspersoon.
4.
De zaak Öneryildiz
Het
onderhavige wetsvoorstel regelt dat ambtsdragers en ambtenaren, in gevallen
waarin daartoe gelet op hun bijdrage aan strafbaar handelen van een
publiekrechtelijke rechtspersoon aanleiding is, strafrechtelijk aansprakelijk
kunnen worden gesteld. Daarmee draagt het wetsvoorstel eraan bij dat eventuele
twijfels of het Nederlandse strafrecht beantwoordt aan eisen die het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) daar blijkens de uitspraak in de
zaak Öneryildiz versus Turkije (EHRM 30 november 2004) aan stelt, worden
weggenomen.
Het EHRM overweegt in
de zaak Öneryildiz onder meer het volgende: `Where lives have been lost in
circumstances potentially engaging the responsibility of the State, that
provision entails a duty for the State to ensure, by all means at its disposal,
an adequate response –judicial or otherwize- so that the legislative and
administrative framework set up to protect the right to life is properly
implemented and any breaches of that right are repressed and punished’ (par.
91). `Where it is established that the negligence attributable to State
officials or bodies on that account goes beyond an error of judgment or
carelessness, in that the authorities in question, fully realising the likely
consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures
that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous
activity (…), the fact that those responsible for endangering life have not
been charged with a criminal offence or prosecuted may amount to a violation of
Article 2, irrespective of any other types of remedy which individuals may
exercise on their own initiative’(par. 93).
Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat ambtsdragers en ambtenaren
die, zich de waarschijnlijke gevolgen daarvan realiserend, nalaten de
noodzakelijke maatregelen te nemen om levensbedreigende risico’s af te wenden,
bij realisatie van die risico’s in beginsel strafrechtelijk aansprakelijk
moeten kunnen worden gesteld. Het Nederlandse strafrecht kent een
strafbaarstelling die in dergelijke gevallen gewoonlijk zal kunnen worden
toegepast: de algemene strafbaarstelling van dood door schuld (artikel 307 Sr).
In dat licht kan dan ook niet gesteld worden, dat het Nederlandse strafrecht
niet aan de maatstaven van artikel 2 EVRM voldoet. Het onderhavige wetsvoorstel
verruimt evenwel de mogelijkheden om ambtsdragers en ambtenaren te vervolgen die
vallen binnen de criteria die door het EHRM zijn ontwikkeld in het genoemde
arrest. Het strafrechtelijke verwijt zal onder omstandigheden beter omschreven
kunnen worden als het feitelijke leidinggeven aan een verboden gedraging van een
publiekrechtelijke rechtspersoon. Verder kunnen andere delictsomschrijvingen ook
andere straffen in beeld brengen.
Voorts
kan in de uitspraak van het EHRM in de zaak Öneryildiz steun worden gevonden
voor een benadering die de persoonlijke schuld van ambtsdragers en ambtenaren
centraal stelt. Het EHRM spreekt over strafrechtelijke aansprakelijkheid van `those
responsible for endangering life’. Dat is inderdaad de strafrechtelijke
aansprakelijkheid waar het in dergelijke gevallen om draait; strafvervolging van
overheden zelf vormt geen adequate reactie.
Vermeld
kan nog worden dat het centraal stellen van persoonlijke schuld ook aansluit bij
de stand van het recht in andere bij het EVRM aangesloten staten (zie voor een
weergave Roef, a.w.). Frankrijk kent een wettelijke regeling van
strafrechtelijke immuniteit van overheden, welke niet doorwerkt naar de daarin
werkzame functionarissen. Ook in België kent de wet strafrechtelijke immuniteit
toe aan overheden, doch is toerekening van strafbare feiten in de sfeer van een
overheid begaan aan natuurlijke personen mogelijk. Het Duitse strafrecht kent de
strafbaarheid van rechtspersonen niet, en derhalve ook niet de strafbaarheid van
publiekrechtelijke rechtspersonen; wel bestaat de mogelijkheid ambtenaren te
vervolgen via de constructie van de `Organ- und Vertreterhaftung’. Verder is
bestraffing van publiekrechtelijke rechtspersonen mogelijk in het
Ordnungswidrigkeitenrecht.
5.
Reikwijdte aansprakelijkheid opdrachtgever en feitelijke leidinggever
Bij
het duiden van de betekenis van de voorgestelde wetswijziging kan vooropgesteld
worden dat ook thans reeds mogelijkheden bestaan om
natuurlijke personen - individuele ambtsdragers en ambtenaren -
strafrechtelijk aansprakelijk te stellen wegens hun betrokkenheid bij strafbare
feiten gepleegd in de sfeer van een publiekrechtelijke rechtspersoon. In veel
gevallen kan, bij een dergelijke betrokkenheid, worden vervolgd wegens het
plegen van of deelnemen aan een strafbaar feit. Dat kan worden geïllustreerd
aan de hand van de casus van beide Pikmeerarresten. Aan de verdachte was primair
ten laste gelegd dat hij samen met een of meer anderen feitelijke leiding had
gegeven aan het storten van verontreinigde baggerspecie door de gemeente
Boarnsterhim; subsidiair was hem ten laste gelegd dat hij die verontreinigde
baggerspecie samen met een of meer anderen had gestort. In HR 6 januari 1998, NJ
1998/367 (Pikmeer II) wordt het Openbaar Ministerie vanwege de strafrechtelijke
immuniteit van de gemeente niet ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van de
verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit. Vervolgens verwijst
de Hoge Raad de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande
beroep te worden berecht en afgedaan ter zake van het aan de verdachte
subsidiair ten laste gelegde. Daarvoor wordt de verdachte uiteindelijk
vrijgesproken (vgl. D. Roef, Strafbare overheden, 2001, p. 126 met
verwijzingen).
Dat een natuurlijk persoon veroordeeld kan worden als medepleger van
strafbaar handelen dat in de sfeer van een rechtspersoon heeft plaatsgevonden,
kan worden afgeleid uit HR 20 mei 1986, NJ 1987/990. In deze strafzaak, die
samenhing met de zogenaamde Uniser-affaire, werd de verdachte, een werknemer van
Uniser, veroordeeld wegens het medeplegen van overtreding van een voorschrift,
vastgesteld bij artikel 1, eerste lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren,
meermalen gepleegd. De Hoge Raad overwoog `dat de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren niet slechts strekt tot bestrijding van bedrijfsmatig
ontstane verontreiniging en dat derhalve (…) het verbod van het eerste lid van
artikel 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren zich niet slechts richt tot
(rechts-)personen die in de uitoefening van hun bedrijf afvalstoffen,
verontreinigende of schadelijke stoffen brengen in oppervlaktewateren.’
Beide arresten samengenomen bieden grond voor de veronderstelling dat
ambtsdragers en ambtenaren die thans aan de vereisten van medeplegen voldoen,
kort gezegd een bewuste, nauwe en volledige samenwerking met een of meer andere
medeplegers (vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, tweede druk, Kluwer,
Deventer 2003, p. 446), strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, ook
als die strafbare feiten in de sfeer van de publiekrechtelijke rechtspersoon
plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor ambtsdragers en ambtenaren die de
publiekrechtelijke rechtspersoon of andere ambtsdragers of ambtenaren strafbare
feiten doen plegen, daartoe uitlokken of daaraan medeplichtig zijn.
Ten
slotte kan worden vastgesteld dat strafrechtelijke delictsomschrijvingen
dikwijls mogelijkheden bieden om verschillende personen als plegers van
hetzelfde delict aan te wijzen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij culpoze
delicten. Een ieder aan wiens aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid de
dood of het zwaar lichamelijk letsel van een ander te wijten is, kan als pleger
van artikel 307 of artikel 308 Sr worden gestraft (De Hullu, a.w., p. 255, 262).
Denkbaar is derhalve dat zowel de publiekrechtelijke rechtspersoon als een
ambtsdrager of ambtenaar van die rechtspersoon in een specifiek geval als
verdachte van dood door schuld kan worden aangemerkt. Bij vervolging van de
ambtenaar of ambstdrager als pleger speelt de eventuele strafrechtelijke
immuniteit van de publiekrechtelijke rechtspersoon, zo werd reeds aangegeven,
geen rol.
Het
onderhavige wetsvoorstel breidt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van
ambtsdragers, ambtenaren en arbeidscontractanten slechts uit voor zover via het
daderschap van de rechtspersoon alsmede de constructie van het feitelijk
leidinggeven/opdrachtgeven additionele aansprakelijkheid ontstaat. In verband
met de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon kan worden
gewezen op HR 21 oktober 2003, LJN AF 7938. De Hoge Raad geeft daarin antwoord
op de `vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een
rechtsperssoon kan worden toegerekend. Het antwoord op die vraag is afhankelijk
van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van
die (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk
formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is nochtans of de
gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de
rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan
de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake
kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
-
het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een
dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de
rechtspersoon,
-
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,
-
de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende
bedrijf,
-
de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou
plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedraag werd blijkens de feitelijke
gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.
Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in
redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de
voorkoming van de gedraging’.
De in verband met de vaststelling van daderschap van de rechtspersoon
genoemde omstandigheden zijn ook van belang in verband met daderschap van de
publiekrechtelijke rechtspersoon, naast –vanzelfsprekend- aanwijzingen die aan
de wetsgeschiedenis van de concreet ten laste gelegde strafbepaling alsmede de
wetssystematiek kunnen worden ontleend. Zij duiden op een ruime
aansprakelijkheid voor gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon.
De ambtsdrager, ambtenaar of arbeidscontractant kan strafrechtelijk
aansprakelijk worden gesteld als hij tot de verboden gedraging opdracht heeft
gegeven dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Voor de ondergrens van
het feitelijke leiding geven zijn nog altijd de criteria uit HR 16 december
1986, NJ 1987/321 (Slavenburg II) van groot belang (vgl. De Hullu, a.w., p.
494). De Hoge Raad overweegt daarin dat van feitelijk leidinggeven aan verboden
gedragingen onder omstandigheden sprake kan zijn `indien de desbetreffende
functionaris –hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden- maatregelen
ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke
kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. In deze
situatie wordt de functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te
bevorderen. De bewuste aanvaarding van een dergelijke aanmerkelijke kans kan
zich te dezen voordoen, indien hetgeen de verdachte bekend was omtrent het
begaan van strafbare feiten door de bank rechtstreeks verband hield met de hem
verweten verboden gedragingen.’
Uit deze criteria volgt, in welke mate dit wetsvoorstel in uitbreiding
van de strafrechtelijke aansprakelijkheid resulteert. In veel gevallen zal de
leidinggevende die strafbare feiten van een publiekrechtelijke rechtspersoon
bevordert, ook het medeplegen of uitlokken van deze strafbare feiten ten laste
kunnen worden gelegd (vgl. De Hullu, a.w., p. 496). In gevallen waarin dat niet
zo is, omdat niet van een nauwe samenwerking kan worden gesproken en de
leidinggevende meer heeft stilgezeten dan actief uitgelokt, wordt door dit
wetsvoorstel strafrechtelijke aansprakelijkheid gecreëerd.
Ik teken daarbij aan dat de uitbreiding van de strafrechtelijke
aansprakelijkheid van ambtsdragers, ambtenaren en arbeidscontractanten juist ook
tegen de achtergrond van het voorgaande wenselijk voorkomt. Bij het plegen van
strafbare feiten buiten het verband van rechtspersonen zijn een nauwe
samenwerking en gedragingen gericht op uitlokking passende aanknopingspunten
voor strafbaarheid. In hiërarchische organisaties als waarvan bij
publiekrechtelijke rechtspersonen sprake is, kan een half woord of zelfs een
bewust stilzwijgen van een leidinggevende al een zeer werkzame causale factor
zijn bij het tot stand komen van een strafbaar feit. De verantwoordelijkheden
die op deze leidinggevende zijn gelegd, kunnen meebrengen dat diens bijdrage
minstens zo zwaar gewogen wordt als de meer feitelijke uitvoering van het
delict. Deze wetswijziging maakt, dat aan dat gegeven voortaan ook bij
publiekrechtelijke rechtspersonen een adequate vertaling kan worden gegeven.
6.
Een publieke taak, bij de wet opgedragen
Voorgesteld
wordt, als aangegeven, artikel 42 Sr aan te vullen. Thans sluit dit artikel
strafbaarheid uit indien een feit is begaan `ter uitvoering van een wettelijk
voorschrift’. Voorgesteld wordt een aanvulling die meebrengt dat strafbaarheid
ook is uitgesloten indien een feit is begaan ter uitvoering van een publieke
taak, bij de wet opgedragen. Deze
toevoeging is niet slechts van belang in verband met de strafrechtelijke
aansprakelijkheid van ambtenaren en ambtsdragers. Zij is ook van belang voor de
strafrechtelijke aansprakelijkheid van andere publiekrechtelijke rechtspersonen
dan de Staat, waarvoor de Hoge Raad in het arrest Pikmeer II nadere regels heeft
gegeven.
De reikwijdte van de voorgestelde uitbreiding van artikel 42 Sr is
beperkter dan op het eerste gezicht wellicht lijkt. In de eerste plaats wordt
thans reeds uit –oudere- jurisprudentie afgeleid dat ook een wettelijk
voorschrift dat een bevoegdheid geeft, en geen plicht tot handelen, onder
omstandigheden in aanmerking komt (vgl. De Hullu, a.w., p. 336). Door in de wet
vast te leggen dat niet strafbaar zijn feiten begaan ter uitvoering van een bij
de wet opgedragen publieke taak, wordt deze opvatting bevestigd, en de
reikwijdte van de strafuitsluitingsgrond in dit opzicht beter in de wet
vastgelegd. In de tweede plaats biedt de strafuitsluitingsgrond overmacht in de
zin van noodtoestand ruimte voor strafuitsluiting op basis van feiten en
omstandigheden die ook in het kader van artikel 42 Sr strafuitsluitend werken
(De Hullu, a.w., p. 338).
De voorgestelde aanvulling van artikel 42 Sr strekt er in dit licht
vooral toe, te verduidelijken welke strafuitsluitende omstandigheden door
artikel 42 Sr bestreken worden. Daarmee wordt tevens het bijzondere karakter tot
uitdrukking gebracht van het belang dat bij de wet opgedragen publieke taken
kunnen worden uitgevoerd. Dat belang weegt zwaar, en mag niet enkel afhankelijk
zijn van een niet nader genormeerde belangenafweging in het kader van overmacht,
waarbij publieke taakuitoefening en strafrechtelijk beschermde belangen in
hetzelfde perspectief staan.
Strafbaarheid ligt wel in de rede als het strafbaar handelen de toets aan
proportionaliteit en subsidiariteit, die blijkens oudere jurisprudentie uit het
begrip `ter uitvoering van’ voortvloeit, niet kan doorstaan (De Hullu, a.w.,
p. 337). Als een ambtenaar gedurende langere tijd, zonder maatregelen te treffen
die mogelijk en redelijk zijn, structureel gedragingen in strijd met
milieuregelgeving toelaat, bijvoorbeeld, zal deze daarvoor strafrechtelijk
aansprakelijk moeten kunnen worden gesteld. Tegen deze achtergrond kan niet
worden gesteld dat door de
voorgestelde aanpassing van artikel 42 Sr gedragingen die thans strafbaar worden
geacht, buiten de grenzen van de strafwet worden gebracht. Het gaat om een
verduidelijking van artikel 42 Sr, die tot gevolg heeft dat de toepasselijkheid
van die bepaling voorop komt te staan bij gedragingen waarvan de straffeloosheid
thans gebruikelijk op de bepaling inzake overmacht wordt gebaseerd.
7.
Financiële paragraaf
Naar
verwachting zal slechts in een zeer gering aantal gevallen aanleiding bestaan
tot strafvervolging van opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers aan verboden
gedragingen van publiekrechtelijke rechtspersonen in gevallen waarin deze thans
door de strafrechtelijke immuniteit van deze rechtspersoon uitgesloten is. De
gevolgen van deze wetswijziging kunnen dan ook binnen de begroting worden
opgevangen.
8.
Artikelsgewijze toelichting
A
Graag
verwijs ik in de eerste plaats naar hetgeen hierboven in het algemeen deel van
deze toelichting, paragraaf 6, is gesteld. In aanvulling daarop kan ik
verduidelijken dat het begrip `wet’, net als het begrip `wettelijk
voorschrift’ doelt op een wet in materiële zin. Wel zal een opgedragen
publieke taak gewoonlijk uiteindelijk op een formele wet kunnen worden
teruggeleid.
B
Graag
verwijs ik in de eerste plaats naar hetgeen hierboven in het algemeen deel van
deze memorie van toelichting, paragrafen 1 tot en met 5, is gesteld. In
aansluiting daarop wil ik de keuze voor het begrip `publiekrechtelijke
rechtspersoon’ nog nader beargumenteren. Doorslaggevend voor de keuze van dit
begrip is geweest dat in artikel 51 Sr, waar de voorgestelde voorziening in
wordt ondergebracht, de strafbaarheid van de rechtspersoon is geregeld.
Begripsmatig sluit de term `publiekrechtelijke rechtspersoon’ daar het meest
bij aan. De commisie Roelvink koos voor hetzelfde begrip (a.w., p. 17).
De
Minister van Justitie,
| LJN: BH6954, Rechtbank
's-Hertogenbosch , 01/993213-07 |
|
|
 |
| Datum
uitspraak: |
24-03-2009 |
| Datum
publicatie: |
24-03-2009 |
| Rechtsgebied: |
Straf |
| Soort
procedure: |
Eerste
aanleg - meervoudig |
| Inhoudsindicatie: |
Promis-vonnis.
Verdachte is veroordeeld voor ambtelijke corruptie, valsheid in
geschrifte en oplichting tot een werkstraf van 200 uur en een
voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Verweer strekkende
tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wegens een
onregelmatige start van het onderzoek verworpen. Wegens schending
verschoningsrecht in vooronderzoek geen niet-ontvankelijkheid
officier van justitie, doch strafvermindering. |
|
 |
 |
|
|
|
|
vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector Strafrecht
Parketnummer: 01/993213-07
Datum uitspraak: 24 maart 2009
Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de
behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[ ] [verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter
terechtzitting van 9 juni 2008, 5 september 2008, 6 januari 2009, 4
februari 2009 en 11 maart 2009.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van
justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 mei 2008. De
tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter
terechtzitting van 4 februari 2009 gewijzigd.
Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht (bijlage 1). Met
inachtneming van deze wijziging is aan verdachte tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari
2005
tot en met 1 april 2006 te [plaats 1] en/of Rotterdam en/of Schiedam,
althans in
Nederland, als advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van
justitie,
in elk geval als ambtenaar, opzettelijk een gift en/of belofte heeft
aangenomen en/of gevraagd van [medeverdachte], bestaande die gift en/of
belofte
uit een toezegging van betaling van 25 (vijfentwintig) procent van het/een
(door hem, verdachte) getraceerde en/of gelokaliseerde geldbedrag, terwijl
hij, verdachte, wist of redelijkerwijs vermoedde dat die gift en/of
belofte
hem werd gedaan en/of aangeboden teneinde hem, verdachte te bewegen om in
strijd met zijn plicht in zijn (toenmalige) bediening iets te doen of na
te
laten, immers heeft hij, verdachte
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het
arrondissementsparket Maastricht en/of (een) medewerker(s) van het
Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Oost Nederland en/of (een)
medewerker(s) van het ressortsparket [plaats 1], anders dan in het kader
van een
strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen,
gevraagd/bewogen
(een) kentekenbevraging(en) bij/via het Euregionaal Politie Informatie en
Coördinatie Centrum en/of bij de Belgische liaison en/of de Rijksdienst
voor
het wegverkeer te (laten) doen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem,
verdachte te verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket
[plaats 1], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek
en/of onder
valse voorwendselen, gevraagd/bewogen het justitieel documentatie register
te
bevragen en/of (vervolgens) de verkregen gegevens aan hem, verdachte te
verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket
[plaats 1], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek
en/of onder
valse voorwendselen, gevraagd/bewogen gegevens uit een gemeentelijke basis
administratie(s) op te (laten) vragen en/of meermalen, althans eenmaal,
gegevens uit (een) gemeentelijke basis administratie(s) opgevraagd onder
vermelding van onjuiste informatie en/of (vervolgens) deze gegevens aan
hem,
verdachte te verstrekken en/of (vervolgens) de gegevens verkregen uit
deze/die
gemeentelijke basisadministratie(s) getoond aan, althans ter beschikking
gesteld aan, [medeverdachte] en/of (een) andere perso(o)n(en) welke niet
gerechtigd was/waren kennis te nemen van deze informatie en/of
- een medewerker van het ministerie van justitie, anders dan in het kader
van
een strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen,
gevraagd/bewogen (afschriften van) gratiestukken aan hem, verdachte, te
verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van de regiopolitie
[regio], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek
en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen zogenaamde N.A.W.
gegevens
van meerdere, althans een, telefoonnummer(s) en/of (persoons)gegevens
van/met
betrekking tot [persoon 1] op te vragen en/of (vervolgens) deze gegevens
aan
hem, verdachte te verstrekken en/of
- (een) medewerker(s) van het arrondissementsparket Rotterdam en/of de
rechtbank Rotterdam, anders dan in het kader van een strafrechtelijk
onderzoek
en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen strafrechtelijke
gegevens
met betrekking tot meerdere personen te achterhalen;
(artikel 363 Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari
2005
tot en met 1 april 2006 te [plaats 1] en/of Rotterdam en/of Schiedam,
althans in
Nederland, als advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van
justitie,
in elk geval als ambtenaar, opzettelijk een gift en/of belofte heeft
aangenomen en/of gevraagd van [medeverdachte], bestaande die gift en/of
belofte
uit een toezegging van betaling van 25 (vijfentwintig) procent van het/een
(door hem, verdachte) getraceerde en/of gelokaliseerde geldbedrag, terwijl
hij, verdachte, wist of redelijkerwijs vermoedde dat die gift en/of
belofte
hem werd gedaan en/of aangeboden teneinde hem, verdachte te bewegen zonder
daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn (toenmalige)
bediening
iets te doen of na te laten, immers heeft hij, verdachte
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het
arrondissementsparket Maastricht en/of (een) medewerker(s) van het
Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Oost Nederland en/of (een)
medewerker(s) van het ressortsparket [plaats 1] gevraagd/bewogen (een)
kentekenbevraging(en) bij/via het Euregionaal Politie Informatie en
Coördinatie Centrum en/of bij de Belgische liaison en/of de Rijksdienst
voor
het wegverkeer te (laten) doen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem,
verdachte te verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket
[plaats 1] gevraagd/bewogen het justitieel documentatie register te
bevragen en/of
(vervolgens) de verkregen gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket
[plaats 1] gevraagd/bewogen gegevens uit een gemeentelijke basis
administratie(s)
op te (laten) vragen en/of meermalen, althans eenmaal, gegevens uit (een)
gemeentelijke basis administratie(s) opgevraagd onder vermelding van
onjuiste
informatie en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte te
verstrekken
en/of (vervolgens) de gegevens verkregen uit deze/die gemeentelijke
basisadministratie(s) getoond aan, althans ter beschikking gesteld aan,
[medeverdachte] en/of (een) andere perso(o)n(en) welke niet gerechtigd
was/waren
kennis te nemen van deze informatie en/of
- een medewerker van het ministerie van justitie gevraagd/bewogen
(afschriften
van) gratiestukken aan hem, verdachte, te verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van de regiopolitie
[regio] gevraagd/bewogen zogenaamde N.A.W. gegevens van meerdere,
althans een, telefoonnummer(s) en/of (persoons)gegevens van/met betrekking
tot
[persoon 1] op te vragen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem,
verdachte
te verstrekken en/of
- (een) medewerker(s) van het arrondissementsparket Rotterdam en/of de
rechtbank Rotterdam gevraagd/bewogen strafrechtelijke gegevens met
betrekking
tot meerdere personen te achterhalen;
(artikel 362 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
A.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2005
tot
en met 1 april 2006 te [plaats 1] en/of Rotterdam, althans in Nederland,
een
geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit
hoofde
van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of
beroep,
van advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van justitie,
verplicht
was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte
(een) document(en) en/of pasfoto('s), verkregen uit (een) gemeentelijke
basisadministratie(s), getoond en/of ter beschikking gesteld aan (een)
perso(o)n(en) welke niet gerechtigd was/waren kennis te nemen van dit/deze
document(en) en/of pasfoto('s);
(artikel 272 Wetboek van Strafrecht)
en/of
B.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1
januari
2005 tot en met 1 april 2006 te [plaats 1], althans in Nederland, een
verzoek tot
verstrekking persoonsgegevens - zijnde een geschrift dat bestemd was om
tot
bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of
vervalst, immers heeft hij, verdachte, (telkens) valselijk op dit verzoek
verstrekking persoonsgegevens een (onjuist) parketnummer vermeld en/of
(telkens) valselijk vermeld dat hij, verdachte, de gegevens opvroeg ten
behoeve van de betekening van gerechtelijke stukken, zulks met het oogmerk
om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te
doen
gebruiken;
(artikel 225 Wetboek van Strafrecht)
2.
hij op of omstreeks 20 maart 2004, althans in de periode van 20 maart 004
tot en met de maand februari 2005, te 's-Gravenhage en/of [plaats 1],
althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,
althans alleen, een geldleningovereenkomst en/of een akte van inpandgeving
- zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van
enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft
verdachte valselijk deze geldleningsovereenkomst en/of deze akte van
inpandgeving opgesteld en/of
ondertekend als ware de inhoud van deze geldleningovereenkomst en/of deze
akte van inpandgeving waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als
echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
(artikel 225 Wetboek van Strafrecht)
3.
hij op of omstreeks 24 november 2005, althans in de periode van 24
november 2005 tot en met de maand oktober 2006, te [plaats 1] en/of
Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of
een ander, althans alleen, een schuldbekentenis en akte van geldlening
en/of een akte van inpandgeving - zijnde (een) geschrift(en) dat/die
bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft
opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk deze
schuldbekentenis en akte van geldlening en/of deze akte van inpandgeving
opgesteld en/of ondertekend als ware de inhoud van deze
schuldbekentenis en akte van geldlening en/of deze akte van inpandgeving
waar,
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken
of
door anderen te doen gebruiken;
(artikel 225 Wetboek van Strafrecht)
4.
hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2004 tot en met 27
september
2004 te [plaats 1] en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en
in
vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich
en/of
(een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een
valse
naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige
kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1]
heeft bewogen tot de afgifte van 7.335,00 euro, althans een geldbedrag, in
elk
geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -
zakelijk
weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd
met
de waarheid op een schade-aangifte aansprakelijkheidsverzekering formulier
ingevuld dat persoon 2] (zakelijk weergegeven) een plasma televisie heeft
kapot gemaakt, waardoor (een werknemer/medewerker van) [bedrijf 1] werd
bewogen tot bovenomschreven afgifte;
(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)
Tengevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan
staat in de 7e regel van het onder feit 1 primair tenlastegelegde
‘getraceerde en/of gelokaliseerde’ vermeld in plaats van ‘te
traceren/lokaliseren’. De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest
het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter
terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging begaan is in
de 11e regel van het onder feit 1 primair tenlastegelegde na het woord
‘verdachte’ weggevallen de woorden ‘ter uitvoering’. De rechtbank
herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is
vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor
niet in de verdediging geschaad.
Voorzover in de tenlastelegging overige taal- en/of schrijffouten
voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het
verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de
verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig
is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de
officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn
er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Voor wat betreft de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn
vervolging overweegt de rechtbank het navolgende.
De verdediging heeft op de navolgende gronden de niet-ontvankelijkheid van
de Officier van Justitie in zijn vervolging bepleit.
a. Er is een onjuiste voorstelling van zaken gegeven over de start van het
onderzoek. Anders dan (in ieder geval aanvankelijk) in het dossier
aangegeven, is het onderzoek tegen verdachte niet gestart met de
informatie die is weergegeven in het Cie-proces-verbaal van de
rijksrecherche 29 januari 2007. Er bestond al een eerder onderzoekstraject
onder verantwoordelijkheid van de Cie [regio], welk onderzoekstraject als
opsporingsonderzoek moet worden aangemerkt. In dat verband stelt de
verdediging zich op het standpunt dat [getuige 1] -die voordat hij als
getuige werd gehoord al was benaderd door de Cie [regio]- de cover is voor
de informant, voor [getuige 2] als informant. Door de werkelijke oorsprong
van het opsporingsonderzoek te verhullen is zozeer in strijd met de
beginselen van een goede procesorde gehandeld dat het OM het recht op
vervolging moet worden ontzegd (pleitnota punt 1, pagina 2 tot en met 6).
b. De getuige [getuige 2] heeft een veel belangrijker rol in het
Cie-traject gespeeld dan de Rijksrecherche vermeldt. Hij is informant
geweest van de politie en is volgens verschillende getuigen ook in deze
zaak de informant geweest van de politie [regio]. Omtrent dat punt heeft
het OM structureel bewust gegevens achtergehouden, hetgeen tot
niet-ontvankelijkheid van het OM moet leiden. Hierbij moet in aanmerking
worden genomen dat de plv. chef van de Cie, [getuige 3], met goedvinden
van het OM weigert nader te verbaliseren omtrent het voortraject. Hierdoor
wordt een gedeelte van een strafrechtelijk onderzoek aan de controle en
toetsing van de rechter en de verdediging onttrokken. Dit is onrechtmatig
en in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde (pleitnota
punt 1, pagina 6 en 7; pleitnota punt 2).
c. Volstrekt aannemelijk is dat de getuige [getuige 2] direct of indirect
ook de bron van de Cie-informatie van de Rijksrecherche is. Zijn
verklaring komt dus twee keer voor in de start van het onderzoek, zodat de
rechter-commissaris is misleid (pleitnota punt 2, pagina 8 tot en met 11).
d. Er is door de rechter-commissaris, het OM en het onderzoeksteam op geen
enkele manier rekening gehouden met geheimhoudercorrespondentie,
opgeslagen op de gegevensdrager(s) van de computer van verdachte (waarvan
een image is gemaakt), terwijl zij daarvan wisten of hadden kunnen weten.
Van een zeer groot aantal, waaronder 25 door de verdediging bepaald
genoemde, vertrouwelijke stukken is blijkens de documenten 468,469 en 470
uitdrukkelijk kennis genomen, waarbij op geen enkele manier het
beroepsgeheim van de verschillende geheimhouders is gerespecteerd.
Blijkens het aanvullende proces-verbaal zijn ten onrechte digitale
geheimhoudersstukken gekopieërd, geopend en geraadpleegd en zijn die
vervolgens ten onrechte niet vernietigd doch geadministreerd en aldus
toegankelijk gemaakt voor meerdere personen/instanties. Aldus is sprake
van een welbewuste en zeer ernstige schending van
geheimhoudercorrespondentie en een welbewust handelen in strijd met
artikel 8 EVRM. Dit is een onherstelbaar vormverzuim ten aanzien van
verschillende geheimhouders, te weten verdachtes advocaat, zijn arts en
zijn notaris. Gelet op de omvang waarin dit heeft plaatsgevonden dient de
sanctie daarop niet-ontvankelijkheid te zijn. (pleitnotities d.d. 4
februari 2009, punt 4, pagina 14 tot en met 20 alsmede nadere
pleitnotities d.d. 11 maart 2009, pagina 2 tot en met 12).
De rechtbank acht geen gronden tot niet-ontvankelijkheid aanwezig, waartoe
het navolgende wordt overwogen.
Ten aanzien van de punten a tot en met c
Zoals uit het verhoor van de getuige [getuige 1], het verhoor van de
getuige [getuige 3] en uit het proces-verbaal van [getuige 3] d.d. 20
oktober 2008 blijkt, heeft de Cie [regio] een gesprek gevoerd met [getuige
1] omtrent verdachte voordat bij de Cie van de Rijksrecherche in de maand
december via een informant belastende informatie (pagina 702 dossier)
omtrent verdachte binnenkwam. Hieruit moet in ieder geval worden
geconcludeerd dat er al informatie omtrent (contacten van) verdachte is
verzameld voordat de informatie van de informant bij de Rijksrecherche
binnenkwam. Dit brengt echter nog niet mee dat toen reeds een
opsporingsonderzoek als bedoeld in artikel 132a van het wetboek van
strafvordering was aangevangen. Uit genoemde verklaringen en het
proces-verbaal blijkt dat aanvankelijk kennelijk verkennende gesprekken
zijn gevoerd met [getuige 1] en dat hij -na de start van het onderzoek
door de Rijksrecherche- in februari 2007 een tactische verklaring heeft
afgelegd, die op schrift is gesteld en ondertekend. Dat de Cie [regio]
kennelijk over informatie beschikte -al dan niet via een kaartje dat
afkomstig zou zijn uit een dossier- omtrent verdachte en zijn eventuele
contacten brengt nog geenszins met zich dat er al een opsporingsonderzoek
liep. Het is nu eenmaal de taak van de Cie om informatie te verzamelen.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, kan op basis van de voorhanden
gegevens niet worden geconcludeerd dat bij de start van dit onderzoek op
straffe van niet-ontvankelijkheid van het OM openheid van zaken had moeten
worden gegeven over de informatie-inwinning door de Cie [regio]. Dat zou
anders kunnen zijn indien er aanwijzingen of aanknopingspunten zouden zijn
voor daarbij plaatsgevonden onrechtmatigheden dan wel dat ontlastende
informatie bewust achtergehouden zou zijn. Dit laatste is niet gesteld en
overigens uit het dossier ook in het geheel niet gebleken. Dat er
kennelijk contacten waren tussen de Cie [regio] en de (Cie van de)
Rijksrecherche brengt nog geenszins de plicht met zich om daarvan in een
proces-verbaal verslag te doen. Dat er enig verkennend vooronderzoek is
geweest door de Cie [regio] en/of de Rijksrecherche en dat daarover niet
in deze zaak is geverbaliseerd levert geen vormverzuim of strijd met de
goede procesorde op.
Van onrechtmatigheden bij de start van het onderzoek door de
Rijksrecherche dan wel een dubbelrol van [getuige 2] is evenmin gebleken.
De getuigen [getuige 1] en [getuige 3] hebben verklaard dat [getuige 1]
niet de informant als bedoeld in het Cie-proces-verbaal van 29 januari
2007 is. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij die informant ook
niet is en de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat er voorafgaand aan
de tactische verklaring van [getuige 2] -waarmee kennelijk zijn verklaring
d.d. 6 april 2007 wordt bedoeld- geen Cie-matige gesprekken met [getuige
2] zijn gevoerd en dat hem niets bekend is dat [getuige 2] eventueel met
een plaatselijke Cie zou hebben gesproken. Gelet op hetgeen [getuige 3]
overigens heeft verklaard omtrent de werkwijze van de Cie en de regels
waaraan zij gebonden zijn, te weten i) dat informatie van een informant
ingeschreven in een bepaald gebied/korps (in dit geval [regio]) afkomstig
is van de Cie-chef van dat korps,
ii) dat politiemensen alleen dan als informant kunnen worden ingeschreven
als er levensgevaar zou dreigen voor de politieambtenaar of zijn
persoonlijke levenssfeer aangetast zou worden alsmede iii) dat een
Cie-chef alleen informatie geeft via een proces-verbaal afkomstig van
informanten die zijn ingeschreven in het register dat onder die Cie-chef
valt,
kan op basis van de voorhanden gegevens thans niet anders worden
geconcludeerd dan dat de informatie neergelegd in het Cie-proces-verbaal
van 29 januari 2007 afkomstig is van een informant die is ingeschreven in
het informantenregister van de Rijksrecherche. Dat gecombineerd met de
verklaring van de getuige [getuige 3] dat de Rijksrecherche geen
Cie-matige gesprekken heeft gevoerd met [getuige 2], levert de conclusie
op dat die verklaring meebrengt dat de informant die in het
Cie-proces-verbaal wordt genoemd kennelijk niet [getuige 2] is. Uit de
verklaring van [getuige 3] dat hem niets bekend is dat [getuige 2]
eventueel met een plaatselijke Cie heeft gesproken, moet de rechtbank
verder afleiden dat in de contacten die [getuige 3] met de Cie [regio]
heeft gehad kennelijk in het geheel niet gesproken is over het al dan niet
informant zijn van [getuige 2] ten behoeve van de Cie [regio]. Verder is
van belang dat [getuige 2] als getuige ten overstaan van de
rechter-commissaris heeft verklaard dat hij geen contact heeft gehad met
de inlichtingendienst van de politie en dat hij ook geen contact heeft
gehad met de inlichtingendienst van de Rijksrecherche.
De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat er op basis van de
voorhanden gegevens geen dan wel onvoldoende serieuze aanwijzingen zijn
dat de (Cie van de) Rijksrecherche en/of de (Cie) officier van justitie
bij de aanvang van het onderzoek een onjuiste c.q. onvolledige
voorstelling van zaken hebben gegeven. Voor zover de verdediging betoogt
dat het onderzoek door de Rijksrecherche als het ware is gestuurd en
georganiseerd door de politie [regio] vindt dat geen grondslag in het
dossier. Hetgeen de verdediging onder punt 2 sub a tot en met j van de
pleitnota naar voren heeft gebracht kan aan dit oordeel niet afdoen,
omdat:
-de punten a en b stellingen zijn en geen vaststaande dan wel aannemelijk
geworden feiten;
-punt e geen zelfstandige betekenis heeft;
-de onder de punten f en g genoemde personen niet hebben verklaard dat
[getuige 2] in deze direct dan wel indirect de bron is van de
Cie-informatie over verdachte;
-anonieme informatie als bedoeld in punt i als zodanig niet
objectiveerbaar/toetsbaar is en daarom, mede bezien tegen het licht van de
hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen, niet voor juist c.q.
aannemelijk kan worden gehouden;
-het beroep op het krantenartikel al uit zijn aard het standpunt van de
verdediging niet kan dragen. Dat geldt in casu zeker aangezien de
relevante inhoud daarvan inhoudt dat [getuige 2] eerst in de loop van 2007
(in maart of later) naar de politie is gegaan, hetgeen zich niet verdraagt
met het standpunt van de verdediging dat [getuige 2] in deze zaak al
eerder als informant zou zijn opgetreden;
-[getuige 4] in zijn verklaring ten overstaan van de politie niet heeft
verklaard dat [getuige 2] de informant is en niet als getuige bij de
rechter-commissaris is gehoord, zodat punt j feitelijke grondslag mist;
-weliswaar kan worden vastgesteld dat de informatie die [getuige 2] geeft
en die de informant geeft in belangrijke mate hetzelfde inhouden, doch die
enkele omstandigheid onvoldoende is om aan te nemen dat [getuige 2] een
dubbelrol vervult.
Ten aanzien van punt d
Bij de beoordeling van dit verweer neemt de rechtbank het navolgende tot
uitgangspunt.
a. Artikel 98 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat bij
personen met bevoegdheid tot verschoning geen brieven of andere
geschriften “tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt” in
beslag worden genomen, tenzij met toestemming van die personen.
b. Of brieven of geschriften al dan niet aan het verschoningsrecht zijn
onderworpen is in beginsel aan de verschoningsgerechtigde te bepalen.
Diens standpunt moet in beginsel worden gerespecteerd, tenzij er
redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad.
c. Het verschoningsrecht geldt ook indien het niet gaat om de situatie van
artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering dat de doorzoeking bij een
verschonings-gerechtigde plaatsvindt, maar dat de doorzoeking plaatsvindt
bij de cliënt. Zie HR 19-11-1985; NJ 1986, 533. De HR overweegt dat
zonder toestemming van belanghebbenden justitie geen kennis mag nemen van
de correspondentie tussen advocaat en cliënt die bij cliënt is
aangetroffen en wel “op grond van het zwaarwegende belang dat wordt
gediend met de eerbiediging van het vertrouwelijke karakter van een
dergelijke briefwisseling.” Verder overweegt de HR: “Het is immers een
aanzienlijk belang dan een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en
zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan de advocaat in diens
hoedanigheid wordt toevertrouwd een advocaat te raadplegen. Dit belang,
dat voor de advocaat erkenning vindt in het hem -ter bescherming van ieder
die hem in zijn hoedanigheid van advocaat aangelegenheden toevertrouwt-
toekomende verschoningsrecht en in het verbod om bij hem als tot
verschoning bevoegde, tenzij met zijn toestemming, brieven of andere
geschriften tot welke zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt in
beslag te nemen, zou te zeer worden beperkt wanneer ieder die een advocaat
wil raadplegen niet vrijelijk en niet zonder vrees voor openbaarmaking zou
kunnen bewaren afschrift van al hetgeen hij schriftelijk aan zijn advocaat
heeft toevertrouwd en hetgeen de advocaat hem heeft geschreven”.
In deze zaak is een eigen belang van de verschoningsgerechtigde erkend bij
het beslag. Hij kan daartegen een klaagschrift indien voor zover het gaat
om geschriften die vallen onder het verschoningsrecht.
d. Een nog niet verzonden brief van een cliënt gericht aan zijn advocaat
valt ook onder het verschoningsrecht ( HR 1 november 1988; NJ 1989, 349)
e. Een deskundige die wordt ingeschakeld door een advocaat heeft een
afgeleid verschoningsrecht. Indien en voor zover brieven/geschriften zich
bij die deskundige bevinden in verband met de vervulling van een door hem
aanvaarde opdracht, welke hem is verleend door een verschoningsgerechtigde
in het kader van de behandeling van een bepaalde door een cliënt aan hem
toevertrouwde aangelegenheid, heeft deze deskundige een van die
verschoningsgerechtigde afgeleid verschoningsrecht. Zie HR 29 maart 1994;
NJ 1994, 552 en HR 12 februari 2002; NJ 2002, 440.
f. Uit de arresten HR 15 januari 1991; NJ 1991,668 en HR 20 februari 2007,
JOL 2007,123 moet in beginsel worden opgemaakt dat naast de klassieke
brieven en geschriften onder de reikwijdte van dit artikel tevens vallen
moderne gegevensdragers die tekst bevatten, zoals een cd-rom, een
USB-stick en de harde schijf van een computer. De AG in HR 20-02-07; NJ
2008,113 brengt hierover onder punt 25 van de conclusie het volgende naar
voren: “..houd ik het er op dat de Hoge Raad in computers opgeslagen
bestanden niet ziet als fenomenen die voor wat betreft het
verschoningsrecht vallen onder hetzelfde regiem als brieven en
geschriften. Zijn er voldoende waarborgen geschapen dat bij onderzoek van
computers het verschoningsrecht niet wordt geschonden, dan is het niet zo
dat niet de computer maar alleen de bestanden in beslag mogen worden
genomen die volgens de verschoningsgerechtigde niet onder zijn
verschoningsrecht vallen terwijl het niet vanzelfsprekend is dat de
verschoningsgerechtigde bij het onderzoek van de inbeslaggenomen computer
( of van een backup van de bestanden op die computer) aanwezig is om aan
te wijzen welke bestanden onder het verschoningsrecht vallen…..Ik meen
dan ook dat het hiervoor aangehaalde oordeel van de HR impliceert dat de
regel dat de verschoningsgerechtigde in beginsel zelf aanwijst wat wel en
wat niet onder zijn verschoningsrecht valt, niet opgaat wanneer
redelijkerwijs kan worden gewaarborgd -bijvoorbeeld door de aanwezigheid
van de deken- dat het aan het inbeslaggenomen geautomatiseerd werk te
verrichten onderzoek niet tot schending van het verschoningsrecht leidt.
Onjuist lijkt mij dat niet…….Is eenmaal een overzicht van de op een
computer aanwezige bestanden verkregen, dan dient een
verschoningsgerechtigde gelet op de nauwe verwantschap van brieven en
geschriften en de in gedigitaliseerde vorm vastgelegde inhoud daarvan,
zoals deze uitdrukking vond in artikel 125i(oud) Sv en thans in artikel
125i Sv voor de bevoegdheid tot het doorzoeken van een plaats ter
vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager, een
papieren of een digitale, zijn opgeslagen en vastgelegd, in beginsel
gelegenheid te worden geboden aan te geven of deze onder zijn
verschoningsrecht vallen of niet. Ondenkbaar is niet dat wordt gezocht op
een wijze waarop door het verschoningsrecht bestreken bestanden niet aan
een onderzoek worden onderworpen…Dan is er geen reden de
verschoningsgerechtigde in de gelegenheid te stellen aan te wijzen welke
bestanden onder zijn verschoningsrecht vallen”.
g. De HR overweegt in genoemd arrest NJ 2008,113; “voor de
waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen
voorwerpen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet
uitgezonderd ( HR; NJ 1994, 577). Bij een dergelijk onderzoek moet op de
voet van artikel 125l Sv het verschoningsrecht worden gerespecteerd.
Verder overweegt de HR dat computerbestanden “zich naar hun aard niet
eenvoudig lenen voor afzonderlijk onderzoek”en dat in dit specifieke
geval de rechtbank voldoende gewaarborgd heeft geacht dat de computers op
de voet van artikel 125l Sv zullen worden onderzocht op een wijze waarop
het verschoningsrecht van de klager niet in het gedrang komt.
h. De wet geeft geen specifieke voorschriften ten aanzien van de
doorzoeking bij niet verschoningsgerechtigden omtrent het beslag van
brieven/geschriften c.q. van gegevensdragers waaronder/waarop (mogelijk)
sprake is van brieven/geschriften van of aan een verschoningsgerechtigde.
De wet geeft geen voorschriften omtrent eventuele vernietiging van
gemaakte prints/kopieën van brieven e.d. van of aan een
verschoningsgerechtigde.
De rechtbank stelt -uitgaande van het voorafgaande- voorop dat het enkele
maken van een image van de harde schijf van de computer van verdachte geen
strijd oplevert met enig verschoningsrecht. Naar zijn aard lenen
computerbestanden zich niet voor afzonderlijk beslag/onderzoek, zodat het
maken van zo’n image voor de hand ligt, voor de beslagene in het
algemeen het minst bezwarend is omdat hij de beschikking blijft houden
over zijn computer en voorts niet enkel daardoor de belangen van een
(mogelijke) verschoningsgerechtigde c.q. zijn client in het gedrang komt.
De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] ter gelegenheid van de
doorzoeking van zijn woning heeft aangegeven, dat er “vertrouwelijke
correspondentie” op de computers stond. Er wordt een beroep gedaan op
een brief van [advocaat 1] waarin onder meer staat: “op dat moment heeft
[verdachte] ook aangegeven, dat er correspondentie op de computers staat,
die mogelijk onder het beroepsgeheim van een advocaat valt. De rechtbank
concludeert hieruit dat slechts in algemene termen is gewezen op
vertrouwelijke correspondentie en/of correspondentie die (mogelijk) onder
enig beroepsgeheim viel. Dergelijk algemene en ongespecificeerde
mededelingen verhinderen niet dat een image wordt gemaakt.
Bij gebreke van gespecificeerde mededelingen omtrent correspondentie met
een geheimhouder/verschoningsgerechtigde van de beslagene en bij gebreke
van enig klaagschrift tegen het beslag –de rechtbank wijst er in dit
verband op dat [verdachte] als Advocaat-Generaal/plaatsvervangend Officier
van Justitie op de hoogte was of moet zijn geweest van de relevante
wetgeving en jurisprudentie omtrent de eerbiediging van het
verschoningsrecht- mochten de opsporingsambtenaren naar het oordeel van de
rechtbank de bestanden op de image toegankelijk maken voor onderzoek.
Weliswaar geldt dat het aan de verschoningsgerechtigde is om te bepalen
wat onder het verschoningsrecht valt, maar als de doorzoeking niet
plaatsvindt bij enig verschoningsgerechtigde, door de verdachte slechts in
heel algemene termen wordt gesproken over vertrouwelijke correspondentie
en/of correspondentie die (mogelijk) onder enig beroepsgeheim valt en
beklag tegen het beslag van zowel de verdachte als de
verschoningsgerechtigde uitblijft, dan valt niet in te zien dat de
opsporingsambtenaren op eigen initiatief eerst eigen onderzoek zouden
moeten doen naar (mogelijke) verschoningsgerechtigden en hen in staat
zouden moeten stellen zich uit te laten over de vraag of, en zo ja welke,
van de bestanden op de image onder het verschoningsrecht vallen.
Naar het oordeel van de rechtbank mochten de opsporingsambtenaren dan ook
de bestanden op de image toegankelijk maken voor onderzoek. Het aanvullend
proces-verbaal houdt op dit punt, voor zover van belang, het navolgende
in:
“De bestanden, voorkomend op de image van de twee, bij [verdachte]
inbeslaggenomen computers, zijn destijds geopend en diagonaal
doorgelezen/gescand op trefwoorden, teneinde de inhoud van het document te
toetsen op relevantie voor het onderzoek…..Voor het onderzoek
vermoedelijk relevante documenten werden gemarkeerd middels het programma
Forensic Toolkit. Deze documenten zijn daarna geprint om beter gelezen en
beoordeeld te kunnen worden. De geprinte documenten zijn geadministreerd
in het bedrijfsprocessensysteem Summ-It met een uniek ibn-nummer. Een
aantal van deze uitgeprinte documenten zijn gebruikt in het onderzoek en
nader onderzocht. De overige documenten, die niet relevant bleken voor het
onderzoek, zijn niet nader onderzocht”.
Uit hetgeen verder met betrekking tot 25 specifieke bestanden wordt
opgemerkt blijkt dat geen van die documenten is aangemerkt als
vertrouwelijk stuk van geheimhouders en dat ten aanzien van al die
documenten voor de vraag of zij al dan niet zijn gebruikt en/of in het
fysieke procesdossier zijn opgenomen leidend was of die documenten
relevant waren voor het onderzoek.
De rechtbank constateert dat uit het aanvullend proces-verbaal van
bevindingen d.d. 27 februari 2009 alsmede de daarbij gevoegde documenten
blijkt dat bij dat onderzoek het verschoningsrecht van de advocaat van
verdachte niet is gerespecteerd. Hoewel een aantal digitale documenten
onmiskenbaar of zeer waarschijnlijk als geheimhoudersstukken is aan te
merken -de documenten A.01.02.002.025, A.01.02.002.032, A.01.02.002.026,
A.01.02.003.016, A.01.02.003.009, A.01.02.003.013 en A.01.02.002.103-
alsmede uit een aantal andere stukken bij aanvang van het onderzoek toch
de reële mogelijkheid naar voren kwam dat dit correspondentie tussen
verdachte en een verschoningsgerechtigde betrof, heeft de Rijksrecherche
daarin ten onrechte geen aanleiding gezien zich terughoudend op te stellen
en geen enkele maatregel genomen of waarborg geschapen om schendingen van
het verschoningsrecht te voorkomen. Uit het aanvullend proces-verbaal
blijkt - en aangenomen moet worden dat dit een algemene gedragslijn was,
ook ten aanzien van alle niet specifiek genoemde bestanden- dat voor het
onderzoek relevante documenten zijn geprint, beoordeeld en alle zijn
geadministreerd en dat enkel de relevantie van het onderzoek heeft bepaald
of deze werden gebruikt voor de (voortgang van) het onderzoek en daarbij
geen enkele rekening is gehouden met (mogelijke) schendingen van het
verschoningsrecht. Nu de rechtbank constateert dat een belangrijk aantal
documenten van de 25 specifiek genoemde documenten onder het
verschoningsrecht van de advocaat van verdachte viel en ten aanzien van
een aantal andere documenten de reële mogelijkheid bestond, had de
Rijksrecherche -die dit eveneens had moeten constateren- maatregelen
moeten nemen of waarborgen moeten scheppen om dat verschoningsrecht te
respecteren. Dat had bijvoorbeeld gekund door in overleg met de
rechter-commissaris en/of officier van justitie daarover in contact te
treden met verdachte en/of de verschoningsgerechtigde(n) en de
verschoningsgerechtigde(n) in staat te stellen hun standpunt kenbaar te
maken en vervolgens in overleg met hem/hen zonodig tot vernietiging van
specifieke geprinte documenten die onder het verschoningsrecht vielen over
te gaan. Door geen enkele actie te ondernemen is het verschoningsrecht
geschonden en aldus sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het
vooronderzoek. De rechtbank moet op basis van de door de verdediging
overgelegde brieven van [advocaat 1] en [advocaat 2] aannemen dat de
rechten van meerdere verschoningsgerechtigden in aanzienlijke mate zijn
geschonden. De officier van justitie heeft betoogd dat uit de informatie
omtrent de 25 specifieke documenten naar voren komt dat een aantal daarvan
zeker niet onder enig verschoningsrecht viel. Dat moge -echter mede op
grond van de informatie die eerst na voltooiing van het
opsporingsonderzoek beschikbaar is- zo zijn, doch dat neemt niet weg dat
de Rijksrecherche in het geheel geen oog heeft gehad voor enig
verschoningsrecht en daarmee de verschoningsgerechtigden heeft verhinderd
op enig moment na het toegankelijk maken en na eerste globale
lezing/scanning van de documenten vooraf aan te geven wat al dan niet
onder het verschoningsrecht viel.
In de omstandigheden van dit geval komt de sanctie van
niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie evenwel niet in
aanmerking, en wel op grond van het navolgende:
-allereerst acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de
opsporingsambtenaren doelbewust kennis hebben genomen van
geheimhoudersstukken met de bedoeling aan de belangen van (uiteindelijk)
verdachte tekort te doen. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt
veeleer dat zij simpelweg geen oog hebben gehad voor het
verschoningsrecht. In dit verband wijst de officier van justitie er
terecht op dat ten aanzien van de telecommunicatie wel overeenkomstig de
wet is gehandeld;
-noch verdachte, noch enig verschoningsgerechtigde heeft beklag gedaan
tegen het beslag ten aanzien van de image en/of eigener beweging specifiek
aangegeven welke stukken onder enig verschoningsrecht vielen. In de
omstandigheden van dit geval had dit wel voor de hand gelegen;
-uit niets komt naar voren -en ook niet gesteld is- dat de kennisneming
van de geheimhoudersstukken ten aanzien van het tenlastegelegde feitelijk
ten nadele van verdachte heeft gestrekt. Blijkens het proces-verbaal van
bevindingen betreffen de 25 documenten -die overigens op het eerste
gezicht niet alle als geheimhoudersstukken zijn aan te merken- telkens
niet relevante documenten ten aanzien van het tenlastegelegde en verder is
ook allerminst aannemelijk dat deze van invloed waren op de sturing van
het onderzoek naar het tenlastegelegde;
-het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde betreft een zeer ernstig
strafbaar feit, aangezien hierbij het vertrouwen dat de samenleving in de
integriteit van overheidsdienaren in het algemeen en vertegenwoordigers
van de staande magistratuur in het bijzonder moet kunnen stellen in het
geding is.
Naar het oordeel van de rechtbank zal de sanctie dan ook niet moeten
bestaan in de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, doch in
strafvermindering (de sanctie van bewijsuitsluiting komt niet in
aanmerking, omdat er geen stukken van verschonings- gerechtigden voor het
bewijs worden gebruikt). Daarop zal de rechtbank hierna verder ingaan. De
rechtbank oordeelt dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering
dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Daarvoor is het belang
dat het verschoningsrecht wordt gerespecteerd te groot en de specifieke
schending daarvan in dit geval te ernstig.
Verweren omtrent de onrechtmatigheid van de bewijsgaring.
De verdediging heeft op dezelfde c.q. vergelijkbare gronden als waarop zij
hiervoor bij de ontvankelijkheid van de officier van justitie onder a tot
en met c een beroep heeft gedaan, aangevoerd dat het bewijs uit de
doorzoekingen op het werkadres en huisadres van verdachte als onrechtmatig
verkregen moet worden uitgesloten.
De rechtbank verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als waarop het
verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar
ministerie is verworpen.
De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de Cie-informatie ten onrechte
niet is gecontroleerd en dat bij een goed uitgevoerd controle-onderzoek
zou zijn gebleken dat de Cie-informatie nagenoeg geheel op leugens en
misleidende informatie was gebaseerd. Door op -niet gecontroleerde-
onjuiste en onware Cie-informatie de verdenking te baseren en onvolkomen
processen-verbaal aanvraag doorzoeking aan de rechter-commissaris voor te
leggen, is deze misleid, zijn de doorzoekingen op onvoldoende gegevens
gebaseerd en zijn deze onrechtmatig. Het bewijs uit die doorzoekingen mag
dan ook als onrechtmatig verkregen niet worden gebruikt, aldus de
verdediging.
Naar het oordeel van de rechtbank mist dit verweer in belangrijke mate
feitelijke grondslag en gaat dit verweer voor het overige niet op. Nadat
de Cie-informatie was binnengekomen heeft de rijksrecherche nader
onderzoek naar de (on)juistheid van de informatie verricht, bestaande uit
het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] alsmede het inwinnen
van financiële informatie en informatie uit het handelsregister van de
Kamer van Koophandel. Uit niets blijkt dat de rijksrecherche hierbij enkel
oog heeft gehad voor belastende informatie. Dat mogelijk nog meer of ander
onderzoek had kunnen plaatsvinden leidt niet tot de conclusie dat er op
onrechtmatige wijze is gerechercheerd en niets verplichtte de
rijksrecherche eerst onderzoek in Turkije te doen. Het proces-verbaal
doorzoeking woningen d.d. 11 september 2007 (pagina 1236 ev van het
dossier) vormt de resultaten van het onderzoek dat tot dusver was
verricht. Anders dan de verdediging acht de rechtbank dit een adequate
weergave van het onderzoek dat tot dan toe was verricht. In dit verband
wijst de rechtbank er op dat de verdediging met haar klacht dat nader
onderzoek omtrent [getuige 4] had moeten plaatsvinden en dat dit zou
hebben opgeleverd dat hij nimmer is veroordeeld voor drugs, er volstrekt
ten onrechte aan voorbij gaat dat in genoemd proces-verbaal expliciet is
opgenomen dat de drugszaak tegen [getuige 4] is geseponeerd, omdat hij in
die zaak ten onrechte als verdachte is aangemerkt.
De conclusie is dan ook dat er geen reden is om aan te nemen dat de
rijksrecherche haar taak niet naar behoren heeft verricht en/of de
rechter-commissaris zou hebben misleid. In zoverre is er geen grond om tot
enige onrechtmatigheid van het onderzoek te concluderen. Anders dan de
verdediging kennelijk meent kon de rechter-commissaris op basis van dit
proces-verbaal in redelijkheid tot het oordeel komen dat er voldoende
verdenking was tegen verdachte voor een doorzoeking van zijn huisadres. De
rechtbank is dan ook van oordeel dat het bewijs rechtmatig is verkregen.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Vaststaande feiten feit 1.
Verdachte is van 1 september 2002 tot 2007 werkzaam in de functie van
Advocaat-generaal
te [plaats 1].1 Voorts is hij op 19 december 2002 aangewezen als
plaatsvervangend officier van justitie.2 Een Advocaat-generaal is geen
opsporingsambtenaar.3 Verdachte is zich
hiervan bewust.4
Verdachte ontmoet [medeverdachte] voor het eerst begin 2005.5 In
maart/april 2005 ontmoeten
vervolgens verdachte, zijn [echtgenote] en [medeverdachte] elkaar in
Rotterdam.6 [Medeverdachte] kwam via een zakenrelatie, [persoon 3], in
contact met verdachte. [persoon 3] heeft hem een c.v. toegestuurd van
verdachte en een kaartje van een juridisch adviesbureau.7 In het c.v.
staat vermeld dat verdachte vanaf 1 september 2002 de functie van
Advocaat-generaal te [plaats 1] bekleedt.8
Tijdens deze tweede ontmoeting vertelt [medeverdachte] over de dubieuze
gang van zaken rond zijn gratieprocedure en over een oliekwestie waarin
hij zich financieel gedupeerd voelt. [Medeverdachte] vertelt dat hij een
aanzienlijk bedrag in de oliehandel heeft geïnvesteerd en dat hij van
zijn investeringen geen cent terug heeft gezien terwijl hij wel een
bankafschrift van een bank te Macau op zijn naam heeft gezien met een
positief saldo van 125 miljoen dollar. Van [medeverdachte] voelt zich door
de bij de oliehandel betrokken personen bedrogen. Onder deze personen
bevinden zich mede personen die betrokken zijn geweest bij de
gratieprocedure van [medeverdachte]. Afgesproken wordt dat verdachte het
onderzoek naar de verdwenen bankrekening cq. het verdwenen kapitaal van
[medeverdachte] op zich neemt.9
[Medeverdachte] verstrekt ten behoeve van dit onderzoek allerlei namen,
telefoonnummers en kentekennummers van auto’s aan verdachte, teneinde de
bij de geldkwestie betrokken personen te traceren dan wel informatie over
hen te verkrijgen.10 Op basis van deze gegevens vraagt verdachte in de
periode augustus 2005 tot december 2005 vanuit [plaats 1] bij diverse
overheidsinstanties allerhande persoonlijke informatie op uit hoofde van
zijn functie van Advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van
justitie. Hierbij geeft verdachte telkens een valse voorstelling van zaken
door de bevragingen in strijd met de waarheid in een (lopend)
strafrechtelijk onderzoek/kader te plaatsen en daartoe onder meer onjuiste
parketnummers opgeeft.
De bevragingen betreffen: kentekenbevragingen, opvragingen van justitiële
documentatie, opvragingen uit gemeentelijke basis administraties, het
opvragen van gratiestukken, opvragingen van telefoonnummers en
persoonsgegevens betrekking hebbend op [persoon 1] en het opvragen van
strafrechtelijke gegevens van diverse personen, een en ander als onder de
bewezenverklaring aangegeven. De bevragingen worden gehonoreerd omdat
verdachte zich daarbij uit hoofde van genoemde functie(s) presenteert en
hij zijn bevragingen in een strafrechtelijke kader plaatst.11,12
Verdachte stelt door hem opgevraagde informatie afkomstig uit
gemeentelijke basis administraties ter beschikking aan [medeverdachte].
Het betreffen afdrukken van aanvragen reisdocumenten met daarop
pasfoto’s van personen. Verdachte verstrekt deze foto’s aan
[medeverdachte] ter mogelijke herkenning van een door [medeverdachte] in
het kader van het onderzoek opgegeven persoon, genaamd [persoon 4].13,14
In de woning van verdachte te [plaats 1] worden twee nagenoeg identieke
niet ondertekende volmachten d.d. 25 juli 2005 aangetroffen van
[medeverdachte] aan verdachte om namens hem op te treden als raadsman en
als vertegenwoordiger met volmacht tegenover alle banken en financiële
instellingen. In deze volmachten wordt verdachte ondermeer opdracht
gegeven informatie in te winnen over alle transacties en activiteiten
waarmee of waaraan of waarin [medeverdachte] van doen heeft gehad of
gemoeid is geweest en te zoeken naar zijn, [medeverdachte], vergeten
bankrekeningen teneinde diens gelden veilig te stellen. De volmachten zijn
op basis van no cure no pay met een betaling van 25% van het gevonden
kapitaal15 en zijn opgesteld door verdachte.16
Het standpunt van de officier van justitie t.a.v. feit 1.
De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en
overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging t.a.v. feit 1.
De verdediging stelt dat verdachte twee van elkaar gescheiden onderzoeken
heeft verricht, te weten het onderzoek naar de oliefraude (Macau-onderzoek)
en het onderzoek naar de gang van zaken rond de gratieverlening van
[medeverdachte]. De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte
het Macau-onderzoek op persoonlijke titel vanuit zijn juridisch
adviesbureau heeft verricht en dat de hem daarbij in het vooruitzicht
gestelde beloning volstrekt losstaat van verdachtes, strafrechtelijke,
onderzoek naar de gratieverlening.
Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte in
laatstgenoemd
onderzoek geen ongeoorloofd gebruik van zijn bevoegdheden heeft gemaakt,
omdat er
sprake was van een ‘nn’-onderzoek hetgeen hij als plaatsvervangend
officier van
justitie mocht verrichten.
Het oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 1.
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Naast de
bewijsmiddelen genoemd onder de vaststaande feiten acht de rechtbank de
navolgende verklaringen van belang.
I. [Medeverdachte]:
-(op de vraag waarom hij destijds verdachte heeft benaderd): ‘[ ]
[verdachte] kon mij helpen om mijn geld te vinden. [ ] [verdachte] had
namelijk de mogelijkheden om erachter te komen met welke personen ik te
doen had. Ik had die mogelijkheden niet. [verdachte] had namelijk als
Advocaat-generaal bij het parket in [plaats 1] de mogelijkheden om
bepaalde zaken uit te zoeken die ik niet had. Ik wilde namelijk gebruik
maken van de opsporingsbevoegdheden die [ ] [verdachte] als
Advocaat-generaal bij het parket in [plaats 1] had. Ik ging er namelijk
van uit dat als [ ] [verdachte] bepaalde zaken wilde weten dat hij dan in
het gerechtsgebouw op een paar knoppen kon drukken en dat hij dan wist hoe
de vork in de steel zat.’17
-‘[ ] [verdachte] kon in deze zaak veel betekenen voor mij…Voor [ ]
[verdachte] gaan er vanuit zijn functie als Advocaat-generaal bij het
parket te [plaats 1] deuren open die normaal voor mij gesloten blijven.
Hij kon bijvoorbeeld personen bevragen…wat Sita via internet niet kon
vinden zocht [verdachte] uit op zijn werk op de rechtbank in [plaats 1].
Op die manier kwamen we aan allerlei gegevens.’18
-‘Middels zijn mogelijkheden en bevoegdheden die hij als
Advocaat-generaal bij de rechtbank in [plaats 1] had te gebruiken kon hij
mij helpen om het geld te traceren. Als hij ([verdachte]; de rechtbank)
het geld getraceerd had kreeg hij daar 25% van zoals afgesproken. Dat was
dus voor [ ] [verdachte] een kans om uit de financiële problemen te
komen.’19
II. [getuige 5]:
-‘[ ] [verdachte] zou 25% van het deel van [medeverdachte] krijgen…Dat
is zo besproken tussen [verdachte], [medeverdachte] en mij. Deze zaak had
niets te maken met een strafrechtelijk onderzoek of zo….Ik weet dat [ ]
[verdachte] diverse betrokkenen in deze zaak heeft proberen te
traceren…Hierover had hij steeds contact met [medeverdachte].’20
-‘Het is een aantal keren voorgekomen dat [ ] [verdachte] een fax
stuurde naar het faxnummer van mijn bedrijf…deze faxen waren steeds
bestemd voor [medeverdachte] van [medeverdachte].’21
-‘Voor zover ik weet is er nooit sprake geweest van een strafrechtelijk
onderzoek in deze kwestie. [ ] [verdachte] is naast zijn werk bij justitie
bezig geweest met een privé-aangelegenheid op zoek naar geld in opdracht
van Joop van [medeverdachte]. Hiervoor is ook een volmacht opgemaakt
tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarbij ik als getuige heb
gefungeerd….Het was namelijk zo dat [ ] [verdachte] geldproblemen had en
dat hij door deze opdracht van [medeverdachte] uit de geldzorgen zou zijn
indien het zou lukken om het geld te traceren.’22
III.[echtgenote]:
‘Wij (rechtbank: [ ] [verdachte] en zijn echtgenote) waren op zoek naar
een bankrekening op naam van Joop van [medeverdachte]…Er was een
afspraak met Joop van [medeverdachte] dat hij onze uren zou betalen als er
geld zou worden gevonden in Macau. Dit was op basis van no cure no pay.
Wij hadden dit mondeling afgesproken met [medeverdachte].’23
IV.Verdachte:
‘Aan de andere kant was de verleiding om zo’n groot bedrag te kunnen
ontvangen erg groot. Er is zeker wel in die (zin) gesproken dat ik 25% van
de opbrengst zou krijgen die Van [medeverdachte] krijgen’ en ‘Er was
altijd wel een bijmotief…. Het was altijd een vechten in mij, maar het
is wel zo dat ik er toen ook wat aan wilde verdienen’ en ‘Daar is bij
gekomen dat de verleiding niet heb weerstaan, om te denken aan en mee te
gaan in het zoeken naar eventueel geldelijk voordeel’ en ‘Het deugt
niet dat ik een bijmotief had.’24
De rechtbank verwerpt het standpunt van de verdediging dat er op neerkomt
dat het handelen van verdachte enkel een geheim onderzoek inhield naar de
wijze waarop de gratie van [medeverdachte] tot stand was gekomen, dat hij
daartoe zijn bevoegdheden als plaatsvervangend officier van justitie heeft
gebruikt en dat er geen sprake van was dat verdachte die bevoegdheden uit
geldelijk gewin heeft misbruikt. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Uit de bewijsmiddelen (waaronder mede te begrijpen de vaststaande feiten)
blijkt dat verdachte de opvragingen heeft gedaan nadat hem een geldelijke
beloning in het vooruitzicht was gesteld. Dit was ook blijkens zijn eigen
verklaringen wel degelijk een drijfveer voor het handelen van verdachte.
Verdachte heeft de opvragingen ook niet beperkt tot de personen betrokken
bij de gratiekwestie en hij heeft veel naspeuringen gedaan naar aanleiding
van namen, telefoonnummers en kentekens die hij van [medeverdachte] kreeg
teneinde de bij de oliekwestie betrokken personen te traceren dan wel
informatie over hen te verkrijgen. In dat verband worden bijvoorbeeld
bevragingen gedaan gericht op [persoon 5], [persoon 6], [persoon 7],
[persoon 8] en [persoon 9]25, personen die betrokken waren bij de
oliekwestie. Verdachte heeft ook gegevens ter beschikking gesteld aan
[medeverdachte], hetgeen zich veeleer laat rijmen met particuliere
naspeuringen ten behoeve van [medeverdachte] dan met een geheim onderzoek
naar de gratiekwestie. Opvallend is in dit verband dat verdachte niet als
eerste het gratiedossier opvraagt, doch juist eerst kentekens en
persoonsgegevens opvraagt. Verder past de reis naar Macau niet in een
onderzoek naar de gratieverlening. Ook indien zou moeten worden aangenomen
dat verdachte mede naspeuringen deed naar de totstandkoming van de gratie,
doet dat dan ook aan een bewezenverklaring niets af.
Vaststaande feiten feit 2.
Op 19 september 2007 wordt in de woning van verdachte te [plaats 1] een
geldlenings-overeenkomst en een akte van inpandgeving aangetroffen met als
ondertekenaars [verdachte], [echtgenote] en [persoon 2]. De documenten
zijn gedagtekend d.d. 20 maart 2004. Het betreft een
geldleningsovereenkomst van EUR 50.000,= tussen geldgever [persoon 2] en
de geldleners [verdachte] en [echtgenote], met inpandgeving van de
complete inboedel van de woning van [verdachte] middels de akte van
inpandgeving.26 Bij het Bureau Krediet Registratie komt genoemde lening
niet voor.27
Het standpunt van de officier van justitie t.a.v. feit 2.
De officier van justitie acht de valsheid in geschrift wettig en
overtuigend bewezen op grond van de verklaringen die verdachte,
[echtgenote] en [persoon 2] bij de rijksrecherche hebben afgelegd.
Het standpunt van de verdediging t.a.v. feit 2.
Verdachte stelt zich in zijn door de raadsman ter zitting van 4 februari
2009 overgelegde schriftelijke verklaring op het standpunt dat er wel
degelijk geld is geleend van [persoon 2] en dat er aldus geen sprake is
van valselijk opgemaakte documenten.
De raadsman bepleit vrijspraak omdat de bewuste documenten niet zijn
gebruikt en
nimmer zouden worden gebruikt.
Het oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 2.
De rechtbank stelt vast de verklaring die verdachte omtrent dit feit bij
de rijksrecherche heeft afgelegd in grote lijnen en op essentiële
onderdelen overeenkomt met en wordt versterkt door de verklaringen die
[echtgenote] en [persoon 2] bij de rijksrecherche hebben afgelegd en die
[persoon 2] bij de rechter-commissaris heeft herhaald. Gelet op
dit alles ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de
juistheid van de inhoud van de verklaring die verdachte bij de
rijksrecherche heeft afgelegd.
Verdachte erkent in die verklaring dat hij nooit geld van [persoon 2]
heeft geleend en dat hij die stukken valselijk heeft opgemaakt en samen
met zijn vrouw [naam] en [persoon 2] heeft ondertekend. Het doel hiervan
was te doen alsof de inboedel van verdachte en [echtgenote] toebehoorde
aan [persoon 2] teneinde beslaglegging door een deurwaarder te
voorkomen.28 [echtgenote] en [persoon 2] bevestigen dat er nimmer geld is
(uit)geleend en dat er sprake is van valselijk opgemaakte documenten om de
inboedel van [verdachte] en [echtgenote] veilig te stellen.29 Uit
diezelfde verklaring van [echtgenote] kan worden afgeleid dat de
documenten in [plaats 1] zijn opgemaakt en door betrokkenen in februari
2005 zijn ondertekend. Volgens [echtgenote] is de datum zoals vermeld op
de documenten, zijnde 20 maart 2004, een valse datum.30
Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen en de onder het kopje
‘vaststaande feiten’ genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen
dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift als
hierna bewezenverklaard. De omstandigheid dat de bewuste documenten niet
zijn gebruikt staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Het
daaromtrent gevoerde verweer van de raadsman berust op een misvatting van
de uitleg en reikwijdte van de onderhavige strafbepaling. Anders dan de
verdediging heeft aangevoerd is er geen reden om aan te nemen dat de
documenten niet zouden worden gebruikt als daartoe feitelijk aanleiding
was. Dat was nu juist de reden om die documenten op te maken.
De rechtbank acht niet bewezen dat de valsheid in geschrift mede door
(een) ander(en) is gepleegd nu de verfeitelijking van het tenlastegelegde
zich beperkt tot verdachtes gedragingen.
Vaststaande feiten feit 3.
Op 19 september 2007 wordt in de woning van verdachte te [plaats 1] een
schuldbekentenis en akte van geldlening en een akte van inpandgeving
aangetroffen met als ondertekenaars [verdachte], [echtgenote] en [getuige
5]. De documenten zijn gedagtekend d.d. 24 november 2005. Het betreft een
schuldbekentenis en akte van geldlening van EUR 25.000,= tussen
schuldeiser [getuige 5] en schuldenaars [verdachte] en [echtgenote], met
inpandgeving van de complete inboedel van de woning van [verdachte]
middels de akte van inpandgeving.31 Bij het Bureau Krediet Registratie
komt deze lening niet voor.32
Het standpunt van de officer van justitie t.a.v. feit 3.
De officier van justitie acht de valsheid in geschrift wettig en
overtuigend bewezen op grond van de verklaringen die verdachte,
[echtgenote] en [getuige 5] bij de rijksrecherche hebben afgelegd.
Het standpunt van de verdediging t.a.v. feit 3.
Verdachte stelt zich in zijn door de raadsman ter zitting van 4 februari
2009 overgelegde schriftelijke verklaring op het standpunt dat er wel
degelijk geld is geleend van [getuige 5] en dat er aldus geen sprake is
van valselijk opgemaakte documenten.
De raadsman bepleit vrijspraak omdat de bewuste documenten niet zijn
gebruikt en
nimmer zouden worden gebruikt.
Het oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 3.
De rechtbank stelt vast de verklaring die verdachte omtrent dit feit bij
de rijksrecherche heeft afgelegd in grote lijnen en op essentiële
onderdelen overeenkomt met en wordt versterkt door de verklaringen die
[echtgenote] en [getuige 5] bij de rijksrecherche hebben afgelegd en die
[getuige 5] bij de rechter-commissaris heeft herhaald. Gelet op dit alles
ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid
van de verklaring die verdachte bij de rijksrecherche heeft afgelegd.
Verdachte erkent in die verklaring dat hij nooit 25.000 euro van [getuige
5] heeft geleend en dat hij die stukken valselijk heeft opgemaakt en samen
met zijn vrouw [echtgenote] en [getuige 5] heeft ondertekend. Het doel
hiervan was te doen alsof de inboedel van verdachte en [echtgenote]
toebehoorde aan [getuige 5] teneinde beslaglegging door een deurwaarder te
voorkomen.33 [echtgenote] en [getuige 5] bevestigen dat er nimmer geld is
(uit)geleend en dat er sprake is van valselijk opgemaakte documenten om de
inboedel van [verdachte] en [echtgenote] veilig te stellen. Uit de
verklaring van [getuige 5] kan voorts worden afgeleid dat een en ander in
oktober 2006 heeft plaatsgevonden. Volgens [echtgenote] zijn de documenten
op 3 februari 2006 in [plaats 1] opgemaakt en diezelfde dag door haar en
verdachte ondertekend. De datum zoals vermeld op documenten, zijnde 24
november 2005, is volgens [echtgenote] een valse datum.34
Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen en de onder het kopje
‘vaststaande feiten’ genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen
dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift als
hierna bewezenverklaard. De omstandigheid dat de bewuste documenten niet
zijn gebruikt staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Het
daaromtrent gevoerde verweer van de raadsman berust op een misvatting van
de uitleg en reikwijdte van de onderhavige strafbepaling. Anders dan de
verdediging heeft aangevoerd is er geen reden om aan te nemen dat de
documenten niet zouden worden gebruikt als daartoe feitelijk aanleiding
was. Dat was nu juist de reden om die documenten op te maken.
De rechtbank acht niet bewezen dat de valsheid in geschrift mede door
(een) ander(en) is gepleegd nu de verfeitelijking van het tenlastegelegde
zich beperkt tot verdachtes gedragingen.
Vaststaande feiten feit 4.
Op 19 september 2007 wordt in de woning van verdachte te [plaats 1]
diverse correspon-dentie aangetroffen betreffende geleden schade aan een
plasma-tv van verdachte veroor- zaakt door [persoon 2].35 In een schrijven
d.d. 28 augustus 2004, gedagtekend te [plaats 1], stelt verdachte [persoon
2] aansprakelijk voor de geleden schade aan een plasma tv en verzoekt hem
de schade van 8.000 euro te melden bij diens verzekeringsmaatschappij
[bedrijf 1].36 Op een op 30 augustus 2004 te ’s-Gravenhage gedagtekend
en ondertekend schade-aangifte aansprakelijkheidsverzekering formulier van
[bedrijf 1] verklaart [persoon 2] dat door zijn schuld het beeldscherm van
een plasma tv, met een inkoopprijs van 8.000 euro,
toebehorende aan verdachte, kapot is gegaan.37 In een schrijven d.d. 27
september 2004 meldt [bedrijf 1] aan verdachte dat aan hem een bedrag van
EUR 7.335.= als vergoeding voor de schade aan een plasma tv is
overgemaakt.38
Het standpunt van de officier van justitie t.a.v. feit 4.
De officier van justitie acht de oplichting van [bedrijf 1] wettig en
overtuigend bewezen op grond van de overeenstemmende verklaringen die
verdachte en [persoon 2] daaromtrent bij de rijksrecherche hebben
afgelegd.
Het standpunt van de verdediging t.a.v. feit 4.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat [persoon 2] een
onbetrouwbare getuige is en dat de bewuste plasma tv wel degelijk door hem
is vernield. De verdediging bepleit dan ook vrijspraak van de
tenlastegelegde oplichting.
Het oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 4.
De rechtbank stelt vast de verklaringen die verdachte en [persoon 2]
omtrent dit feit bij de rijksrecherche hebben afgelegd in grote lijnen en
op essentiële onderdelen met elkaar overeenkomen en elkaar versterken.
[persoon 2] heeft deze verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris
bevestigd. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de
betrouwbaarheid van getuige [persoon 2] te twijfelen en gaat dan ook uit
van de juistheid van de inhoud van de door hem afgelegde verklaringen. Dit
brengt met zich mee dat de rechtbank tevens uitgaat van de juistheid van
de inhoud van de verklaring die verdachte
bij de rijksrecherche heeft afgelegd.
Uit genoemde verklaringen leidt de rechtbank af dat [persoon 2] níet
degene is geweest die de plasma tv van verdachte heeft vernield en dat
hij, [persoon 2], ten onrechte door verdachte als aansprakelijke voor de
geleden schade is opgevoerd. Voorts kan uit die verklaringen worden
afgeleid dat verdachte degene is geweest die het door [persoon 2]
ondertekende
schadeformulier heeft ingevuld. Verdachte verklaart voorts dat hij EUR
7.735,= van [bedrijf 1] heeft ontvangen en hij erkent dat hij [bedrijf 1]
heeft opgelicht.39,40
Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen en de onder het kopje
‘vaststaande feiten’ genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen
dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [bedrijf 1]
als hierna bewezenverklaard.
De rechtbank acht niet bewezen dat de oplichting mede door (een) ander(en)
is gepleegd nu de verfeitelijking van het tenlastegelegde zich beperkt tot
verdachtes gedragingen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven
uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig
en overtuigend bewezen is
dat verdachte:
(1 primair)
in de periode van 1 januari 2005 tot 1 december 2005 te [plaats 1] en/of
Rotterdam als advocaat-generaal en plaatsvervangend officier van justitie
opzettelijk een belofte heeft aangenomen van [medeverdachte], bestaande
die belofte uit een toezegging van betaling van 25 (vijfentwintig) procent
van een door hem, verdachte, te traceren/lokaliseren geldbedrag, terwijl
hij, verdachte, wist dat die belofte hem werd gedaan teneinde hem,
verdachte te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets
te doen, immers heeft
hij, verdachte, ter uitvoering
-een medewerker van het arrondissementsparket Maastricht en een medewerker
van het
Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Oost Nederland en een medewerker
van het
ressortsparket [plaats 1], anders dan in het kader van een strafrechtelijk
onderzoek en
onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen kentekenbevragingen bij/via
het
Euregionaal Politie Informatie en Coördinatie Centrum en bij de Belgische
liaison en
de Rijksdienst voor het wegverkeer te laten doen en vervolgens deze
gegevens aan
hem, verdachte te verstrekken en
-een medewerker van het ressortsparket [plaats 1], anders dan in het kader
van een
strafrechtelijk onderzoek en onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen
het justitieel
documentatie register te bevragen en vervolgens de verkregen gegevens aan
hem,
verdachte te verstrekken en
-een medewerker van het ressortsparket [plaats 1], anders dan in het kader
van een
strafrechtelijk onderzoek en onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen
gegevens uit
gemeentelijke basis administraties op te laten vragen en
gegevens uit gemeentelijke basis administraties opgevraagd deels onder
vermelding van
onjuiste informatie en vervolgens deze gegevens aan hem, verdachte te
verstrekken en
vervolgens de gegevens verkregen uit deze gemeentelijke
basisadministraties ter
beschikking gesteld aan, [medeverdachte] welke niet gerechtigd was kennis
te nemen van
deze informatie en
-een medewerker van het ministerie van justitie, anders dan in het kader
van een
strafrechtelijk onderzoek gevraagd afschriften van gratiestukken aan hem,
verdachte, te
verstrekken en
-meermalen medewerkers van de regiopolitie [regio], anders dan in het
kader
van een strafrechtelijk onderzoek en deels onder valse voorwendselen,
gevraagd/bewogen
zogenaamde N.A.W. gegevens van meerdere telefoonnummers en/of
persoonsgegevens
van/met betrekking tot [persoon 1] op te vragen en vervolgens deze
gegevens aan hem,
verdachte te verstrekken en
-een medewerker van het arrondissementsparket Rotterdam en de rechtbank
Rotterdam,
anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/onder valse
voorwendselen,
gevraagd/bewogen strafrechtelijke gegevens met betrekking tot meerdere
personen te
achterhalen.
(2.)
in de periode van 20 maart 2004 tot en met de maand februari 2005 te
[plaats 1] een geldleningovereenkomst en een akte van inpandgeving -
zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen
- valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk deze
geldleningsovereenkomst en deze akte van inpandgeving opgesteld en
ondertekend als ware de inhoud van deze geldleningovereenkomst en deze
akte van inpandgeving waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als
echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
(3.)
in de periode van 24 november 2005 tot en met de maand oktober 2006, te
[plaats 1] een schuldbekentenis en akte van geldlening en een akte van
inpandgeving - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig
feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte
valselijk deze schuldbekentenis en akte van geldlening en deze akte van
inpandgeving opgesteld en ondertekend als ware de inhoud van deze
schuldbekentenis en akte van geldlening en deze akte van inpandgeving
waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
(4.)
in de periode van 28 augustus 2004 tot en met 27 september 2004 te [plaats
1] en/of 's-Gravenhage met het oogmerk om zich en een ander
wederrechtelijk te bevoordelen door
het aannemen van een valse hoedanigheid [bedrijf 1] heeft bewogen tot de
afgifte van 7.335,00 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk
- zakelijk
weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de
waarheid op een schade-aangifte aansprakelijkheidsverzekering formulier
ingevuld dat [persoon 2]
(zakelijk weergegeven) een plasma televisie heeft kapot gemaakt, waardoor
(een werknemer/medewerker van) [bedrijf 1] werd bewogen tot
bovenomschreven afgifte.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit
waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is
verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte
zal hiervan worden vrijgesproken.
De kwalificatie.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare
feiten.
De strafbaarheid.
t.a.v. feit 1 primair:
De verdediging voert aan dat er bij verdachte sprake is geweest van een
nagestreefd “hoger” doel, te weten de opsporing van een ambtenaar die
zich schuldig zou maken aan het plegen van strafbare feiten (waaronder
onregelmatigheden t.a.v. gratieverlening). De verdediging stelt zich op
het standpunt dat dit hogere doel de schending van strafrechtelijke
voor-schriften rechtvaardigt en dat, zo in dit geval aan de orde (quod
non), er sprake is van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid.
De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.
Dat verdachte enkel een hoger doel nastreefde waarvoor wettelijke
voorschriften moesten wijken, acht de rechtbank niet geloofwaardig en
evenmin geschraagd door de feiten. De rechtbank wijst in dit verband
allereerst op hetgeen zij ten aanzien van dit punt bij de
bewezenverklaring van feit 1 heeft overwogen en beslist. Voorts springt in
dit verband in het oog dat verdachte zijn onderzoeksactiviteiten in de
richting van de arts [persoon 1] (voor wie verdachte een rol
veronderstelde in zowel de gratie- als de Macau-zaak) vrijwel onmiddellijk
staakte toen [persoon 1] hem bij brief berichtte dat hij overwoog over hem
een klacht bij de minister van justitie in te dienen omdat verdachte
onrechtmatig naspeuringen naar hem deed.41,42
Daargelaten of er sprake was van het plegen van strafbare feiten door een
of meer ambtenaren en of een onderzoek hiernaar was geboden, het had in
elk geval op de weg van verdachte gelegen dit onder de aandacht van zijn
superieuren te brengen. Dit heeft hij niet gedaan omdat hij, naar eigen
zeggen, niemand in zijn werkomgeving vertrouwde. Verdachte heeft gekozen
voor een geheel eigenmachtig optreden en daarbij, zoals is bewezen,
diverse malen gehandeld in strijd met zijn plicht. Aan de
bewezenverklaarde feiten komt naar het oordeel van de rechtbank de
strafbaarheid niet te ontbreken indien deze zijn begaan met de bedoeling
daarmee eigenmachtig onderzoek te doen naar mogelijk strafbaar handelen,
zeker niet als daarbij de gebruikelijke procedures worden ontlopen alsmede
personen en instanties onder valse voorwendselen worden bewogen gegevens
te verschaffen.
Het is naar het oordeel van de rechtbank niet aanvaardbaar, hoe honorabel
een nagestreefd doel ook kan zijn, waarvan in casu overigens niet is
gebleken, dat de strafwet t.a.v. de methode om dat doel te verwezenlijken,
zou moeten wijken voor het door verdachte kennelijk veronderstelde betere
inzicht.
Het oordeel van de rechtbank luidt derhalve dat er geen sprake is van het
ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, zodat het bewezenverklaarde
feit strafbaar is.
Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de
strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is
daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f ,
57, 225 (oud), 225,
326 (oud) en 363.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie. (bijlage 2)
De officier van justitie vordert t.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3 en
feit 4:
*een werkstraf van 240 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 120
dagen hechtenis;
*een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2
jaren;
*toewijzing van de vordering van benadeelde partij [bedrijf 1],
hoofdelijk, met
daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd
heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de
persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank
rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare
feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking
komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor
soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft zich door een financiële toezegging laten verleiden om
uit hoofde van zijn ambtelijke functie bevoegdheden in te zetten voor privédoeleinden.
Daarnaast heeft hij - kort gezegd - drie frauduleuze delicten gepleegd.
Aangenomen mag worden dat verdachte bij het plegen van de feiten heeft
gehandeld uit puur eigen financieel gewin. In zijn algemeenheid wordt door
ambtelijke corruptie en ambtelijke fraude het vertrouwen dat de
samenleving in de integriteit van overheidsdienaren mag hebben in ernstige
mate geschaad. De betrokkenheid van een hooggeplaatste rechterlijk
ambtenaar bij dergelijke feiten levert een aanzienlijke bijdrage aan een
negatieve beeldvorming van het rechterlijke apparaat en draagt bij aan het
toenemend wantrouwen van de burger ten opzichte van de overheid als
geheel. Juist van verdachte, die jarenlang dergelijke strafbare feiten
vanuit zijn functie heeft bestreden, had een ander handelen mogen worden
verwacht.
Uit een rapport van psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle d.d. 7 december
2008 blijkt dat verdachte lijdt aan een angststoornis en dat de door hem
gepleegde strafbare feiten hem in enigszins verminderde mate moeten worden
toegerekend. De rechtbank zal hiermee in het voordeel van verdachte
rekening houden. Daarnaast houdt de rechtbank in zijn voordeel
ermee rekening dat sedert het tijdstip waarop de door verdachte strafbare
feiten hebben plaatsgehad inmiddels geruime tijd is verstreken.
Gelet op dit alles acht de rechtbank een straf als door de officier van
justitie geëist op zijn plaats . Een onvoorwaardelijke straf is
noodzakelijk om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te
brengen Een forse werkstraf is daartoe voldoende en geëigend gelet op het
tijdsverloop en de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van
verdachte. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van het
onherstelbare vormverzuim heeft overwogen zal de rechtbank de werkstraf
van 240 uur verminderen met 40 uur, zodat 200 uur werkstraf resteert. De
rechtbank acht die vermindering voldoende recht doen aan de geconstateerde
schending.
Een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden is eveneens op zijn
plaats.
De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door
verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds
door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door
verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.
De vordering van benadeelde partij [bedrijf 1]. (feit 4)
De rechtbank acht de gehele vordering toewijsbaar als rechtstreeks door
het bewezen-verklaarde feit toegebrachte schade.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de
schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht
dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde
partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld
in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van
dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte
van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover
hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot
schadevergoeding.
DE UITSPRAAK
Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd
dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1 primair:
als ambtenaar een belofte aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt
teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening
iets te doen.
t.a.v. feit 2:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
t.a.v. feit 3:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
t.a.v. feit 4:
oplichting.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
t.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4:
*Werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek
overeenkomstig
artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te
verrichten arbeid.
*Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een
proeftijd
van 2 jaren.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij. (feit 4)
Maatregel van schadevergoeding van EUR 7.335,= subsidiair 71 dagen
hechtenis.
Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat
ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1] van een bedrag van EUR 7
.335,= (zegge: zevenduizend-driehonderdvijfendertig euro), bij gebreke van
betaling en verhaal te vervangen door 71 dagen hechtenis. De toepassing
van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde
betalingsverplichting niet op.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte
mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] van een bedrag
van EUR 7 .335,= (zegge: zevenduizenddriehonderdvijfendertig euro).
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op
heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van
de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd
voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen
tot vergoeding van deze schade.
|