Het doel van de website is kennis in gratis informatie en gratis informatie in kennis om te zetten.

CENSUUR IN NEDERLAND ©

BSC
VOPO
Communicatietraining

 

 

 

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen van overheidsorganen  

 

CONCEPT

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen van overheidsorganen  

VOORSTEL VAN WET  

            Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlan­den, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.  

            Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

            Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden 

           gedragingen van overheidsorganen tot een strafrechtelijke veroordeling kan leiden;

            Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk 

          Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

ARTIKEL I  

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:  

A  

In artikel 42 wordt na `wettelijk voorschrift’ toegevoegd: dan wel een publieke taak, bij de wet opgedragen.  

B  

Aan artikel 51 wordt een lid toegevoegd dat komt te luiden:  

 4. De strafvervolging kan ook worden ingesteld tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, indien het strafbaar feit is begaan door een publiekrechtelijke rechtspersoon die daarvoor niet kan worden vervolgd.  

ARTIKEL II  

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.  

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.  

Gegeven  

De Minister van Justitie,

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen van overheidsorganen

 

MEMORIE VAN TOELICHTING  

1. Inleiding  

Reeds geruime tijd is in discussie of, en zo ja in welke mate overheden, ambtsdragers en ambtenaren strafrechtelijk aansprakelijk moeten kunnen worden gesteld voor strafbare feiten die in de sfeer van die overheden worden begaan. Deze discussie concentreert zich gewoonlijk op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden als publiekrechtelijke rechtspersonen. Voor beperking of uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid worden dan argumenten aangevoerd, die door anderen worden betwist.

Ondertussen ligt, naar de overtuiging van het kabinet, strafrechtelijk het accent anders. In het strafrecht is het schuldbeginsel leidend en domineert de aansprakelijkheid van natuurlijke personen. Bij ernstige strafbare feiten is strafvervolging van een publiekrechtelijke rechtspersoon, die slechts tot oplegging van een geldboete kan leiden, minder voor de hand liggend. Het gaat er veel meer om dat natuurlijke personen die ernstige strafbare feiten opzettelijk hebben bevorderd daarvoor aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Dit wetsvoorstel wil bereiken dat ambtsdragers en ambtenaren die opdracht hebben gegeven tot of feitelijke leiding hebben gegeven aan strafbare feiten begaan door overheden, daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Het kabinet volgt daarmee één van de centrale aanbevelingen van de commissie Roelvink (Kamerstukken II 2001/02, 25 294, nr. 15). Ambtsdragers en ambtenaren kunnen thans reeds aansprakelijk worden gesteld voor zover zij strafbare feiten plegen of daaraan deelnemen. Dat geldt ook als deze strafbare feiten in de sfeer van de overheid worden begaan. Of zij daadwerkelijk strafbaar zijn, wordt mede bepaald aan de hand van het stelsel van algemene strafuitsluitingsgronden, waaronder die van het wettelijk voorschrift (artikel 42 Sr) en het ambtelijk bevel (artikel 43 Sr). Er is naar de mening van het kabinet geen reden om vervolging van de ambtsdrager of ambtenaar als opdrachtgever of feitelijke leidinggever, in afwijking van dit wettelijke systeem, in zijn algemeenheid uit te sluiten. Voorgesteld wordt dan ook een wijziging van artikel 51 Sr waarbij vervolging van deze personen mogelijk wordt gemaakt óók indien het strafbaar feit is begaan door een publiekrechtelijke rechtspersoon die daarvoor niet kan worden vervolgd.  Aangetekend zij daarbij nog dat deze wijziging doorwerkt in het bestuursrecht, inzoverre bij het opleggen van bestuurlijke boetes betekenis wordt gehecht aan de strafrechtelijke jurisprudentie die vervolging van ambtenaren en ambtsdragers als opdrachtgevers of feitelijke leidinggevers uitsluit (vgl. Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 82).

Tegenover deze uitbreiding van de vervolgbaarheid van individuele ambtenaren en ambtsdragers staat wel de eis dat het wettelijk stelsel van strafuitsluitingsgronden op adequate wijze voorziet in strafuitsluiting voor strafbare feiten die uit de uitoefening van een publieke taak voortvloeien. Het kabinet ziet tegen de achtergrond van dit vereiste aanleiding artikel 42 Sr in die zin aan te vullen, dat ook strafbare feiten die verricht zijn ter uitvoering van een bij de wet opgedragen publieke taak, van strafbaarheid worden uitgezonderd. De algemene strafuitsluitingsgrond van overmacht (artikel 40 Sr) brengt thans reeds met zich mee dat de rechter strafbare gedragingen gerechtvaardigd kan achten door een ander belang. Zo’n belang kan ook gelegen zijn in de uitvoering van een publieke taak. Het kabinet meent evenwel dat de beoordeling van de strafbaarheid van feiten die voortvloeien uit de uitvoering van een publieke taak, niet in de sleutel moet worden gezet van afweging van twee in beginsel gelijkwaardige belangen. De voorgestelde uitbreiding van artikel 42 Sr maakt expliciet dat een bij de wet opgedragen publieke taak, op dezelfde voet als een expliciet wettelijk voorschrift, strafbare gedragingen rechtvaardigt die ter uitvoering daarvan zijn verricht. Daarmee wordt beter uitgedrukt dat de gehoudenheid van overheidsdienaren, hun publieke taak te vervullen, hen feitelijk geen keuze kan laten bij het al dan niet begaan van een strafbaar feit. De toetsing aan vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, die impliciet in artikel 40 Sr besloten ligt, is in artikel 42 Sr, ook in zijn uitgebreide vorm, net als in artikel 43 Sr gekoppeld aan het begrip `ter uitvoering van’.

 

2. Opheffing immuniteit opdrachtgever/feitelijke leidinggever  

In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 23 april 1996, NJ 1996, 513 (Pikmeer I) was de vraag aan de orde of, bij strafrechtelijke immuniteit van een publiekrechtelijke rechtspersoon, een persoon die verdacht wordt van het geven van feitelijke leiding aan een strafbare gedraging van die rechtspersoon daarvoor vervolgd kan worden. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend. De vervolgbaarheid van de rechtspersoon en die van de opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers zijn, zo meende de Hoge Raad, zo nauw met elkaar verbonden dat de omstandigheid dat de rechtspersoon zelf niet vervolgd kan worden omdat deze een openbaar lichaam in de zin van Hoofdstuk 7 van de Grondwet is en optreedt ter vervulling van een in de wet opgedragen bestuurstaak, meebrengt dat een strafvervolging evenmin kan worden ingesteld tegen ambtenaren en arbeidscontractanten in dienst van het openbaar lichaam, indien dezen in die hoedanigheid ter uitvoering van die bestuurstaak opdracht hebben gegeven tot of feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder 2o, Sr. De Hoge Raad citeert in verband met deze nauwe verbondenheid de tekst van artikel 51, tweede lid, Sr.

In de rechtspraak en literatuur is uit deze uitspraak meer in het algemeen de conclusie getrokken dat  strafrechtelijke immuniteit van een publiekrechtelijke rechtspersoon doorwerkt naar de opdrachtgever en de feitelijke leidinggever. Ook de naar aanleiding van deze problematiek ingestelde commissie Roelvink trok deze conclusie (Strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat, rapport Ministerie van Justitie, februari 2002, p. 11). Wat de publiekrechtelijke rechtspersoon de staat betreft, wordt dientengevolge uitgegaan van strafrechtelijke immuniteit van ambtenaren en arbeidscontractanten die handelen in de hoedanigheid van opdrachtgever tot of feitelijke leidinggever aan verboden gedragingen van de staat.

In het nader rapport dat is uitgebracht naar aanleiding van het advies van de Raad van State over de strafrechtelijke immuniteit van de staat is ter verdediging van de doorwerking van de strafrechtelijke immuniteit van overheidsorganen naar opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers een ander argument genoemd dan de `nauwe verbondenheid’. Aangegeven is `dat er in het maatschappelijk verkeer gedragingen zijn die eerst en vooral als door de (publiekrechtelijke) rechtspersoon gepleegde strafbare feiten worden gezien, ook al impliceren zij het (veelal gezamenlijke) tekortschieten van natuurlijke personen. Als strafrechtelijke risico’s die bij private rechtspersonen door de rechtspersoon gedragen worden, bij publiekrechtelijke rechtspersonen door ambtenaren en ambtsdragers gedragen zouden moeten worden, lijkt het uitgangspunt van de rechtsgelijkheid in het gedrang te komen’ (Kamerstukken II 1999-2000, 25 294, A, p. 7).

            Een reden waarom het argument van de `nauwe verbondenheid’ door het toenmalige kabinet niet op de voorgrond is gesteld, kan hierin gelegen zijn dat dit argument vooral op de redactie van artikel 51 Sr gebaseerd is. De redactie van een wetsbepaling is een argument dat bij de interpretatie van het geldend recht een belangrijke rol speelt, maar niet bij het beantwoorden van de vraag welk recht het meest wenselijk is.  

Ook in de kabinetsnota Strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheidsorganen (Kamerstukken II 1996/97, 25 294, nr. 2, p. 8) is aandacht besteed aan de positie van opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers binnen publiekrechtelijke rechtspersonen. De situatie waarin de ambtenaar op eigen houtje opereert, is onderscheiden van de situatie waarin `het handelen van de individuele ambtenaar niet los kan worden gezien van de organisatie en de cultuur van het betrokken overheidsorgaan en in de lijn lag van hetgeen van hem door de ambtelijke of politieke leiding werd verwacht. In zo’n geval is daderschap van de publieke rechtspersoon denkbaar en rijst dus de vraag of er grond is het overheidsorgaan strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Ongeacht of dit laatste het geval is, zal het in zo’n geval, waarin het in wezen om handelen van het overheidsorgaan gaat, in de regel niet passend zijn om de individuele ambtenaar voor het bestreden handelen te vervolgen. Dit zal slechts anders zijn indien van hem in de gegeven omstandigheden toch een ander optreden mocht worden verwacht.’

De argumentatie in beide kabinetsstandpunten ligt in elkaars verlengde. Waar het in wezen om strafbaar handelen van de publiekrechtelijke rechtspersoon gaat, en dat is het geval wanneer deze rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer als dader wordt gezien, zal het in de regel niet passend zijn om de individuele ambtenaar te vervolgen. Daarbij speelt een rol dat de rechtsgelijkheid ten opzichte van opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers bij private rechtspersonen anders in het gedrang kan komen.  

Het kabinet heeft deze argumentatie mede in het licht van het rapport van de commissie Roelvink opnieuw gewogen. In dat rapport is voorgesteld de opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers vervolgbaar te maken, ook wanneer de publiekrechtelijke rechtspersoon strafrechtelijk immuun zou zijn. Een kernoverweging van de commissie is, dat bij een strafrecht dat gebaseerd is op het schuldbeginsel de individuele, persoonlijke aansprakelijkheid een centraal uitgangspunt blijft (p. 19). Strafrechtelijke aansprakelijkheid van de (publiekrechtelijke) rechtspersoon mag niet een gemakkelijke uitweg worden om maar niet de individuele functionaris te hoeven vervolgen.

Ook in het advies van de Raad  van State is dit argument terug te vinden. De Raad merkt op dat de publiekrechtelijke functie en taak de grondslag vormen waarop openbare lichamen aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Niet eigen doelen beheersen hun handelen, maar het algemeen belang dat daarmee inhoud en `handen en voeten’ krijgt. Voor strafrechtelijke aansprakelijkstelling van de staat is in de ogen van de Raad weinig reden: strafbaar handelen is pas mogelijk, indien de gedragingen niet beantwoorden aan de wet en de regels, dan wel sprake is van misbruik van bevoegdheid of van feitelijk handelen. In die benadering past, zo stelt de Raad, `dat in geval van mogelijk strafbaar handelen de vervolging niet tegen het betrokken openbare lichaam wordt ingesteld, maar tegen de betrokken ambtsdragers of ambtenaren; vandaar ook de regeling van ambtsdelicten in de artikelen 356 en volgende WvS. Dat biedt voor de praktijk ook een hanteerbaar onderscheid bij de vervolging’ (Kamerstukken II 1999/2000, 25 294, A, p. 5).

Zowel de Commissie Roelvink als de Raad van State stellen de aansprakelijkheid van natuurlijke personen, ambtsdragers en ambtenaren, voorop.  De Commissie Roelvink wijst daarbij op het schuldbeginsel, de Raad van State meent dat aansprakelijkstelling van natuurlijke personen meer voor de hand ligt gelet op de omstandigheid dat het handelen van de staat door het algemeen belang wordt beheerst. Ook het kabinet meent, de argumenten opnieuw wegend, dat uit de omstandigheid dat een publiekrechtelijke rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer als dader van een strafbaar feit wordt gezien, niet volgt dat aansprakelijkheid van opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers deswege uitgesloten dient te zijn. De wettelijke constructie van artikel 51 Sr suggereert dat deze aansprakelijkheid slechts een afgeleide is van die van de rechtspersoon; de doelstellingen en beginselen van het strafrecht wijzen evenwel in een andere richting. Aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon staat in het strafrecht centraal, ook bij strafbaar handelen dat in de sfeer van rechtspersonen plaatsvindt. Voorgesteld wordt daarom, artikel 51 Sr aan te vullen met een artikellid dat opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers vervolgbaar maakt ook als de publiekrechtelijke rechtspersoon die het strafbare feit heeft begaan daarvoor niet vervolgd kan worden.

Het element van rechtsgelijkheid tussen opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers van publiekrechtelijke rechtspersonen enerzijds en die van private rechtspersonen anderzijds is daarmee niet terzijde gesteld. In de kabinetsreactie op het advies van de Raad van State wordt dit element terecht gesignaleerd. De natuurlijke persoon mag niet met verwijten en straffen getroffen worden die bij de publiekrechtelijke rechtspersoon terecht zouden zijn gekomen als zij vervolgbaar was geweest. Dit risico zal evenwel gepareerd moeten worden met een evenwichtig vervolgings- en strafvorderingsbeleid in concrete strafzaken, niet met een algehele uitsluiting van strafvervolging.

Voor gevallen waarin het handelen van de individuele ambtenaar niet los kan worden gezien van de organisatie en de cultuur van het betrokken overheidsorgaan en in de lijn lag van hetgeen van hem door de ambtelijke of politieke leiding werd verwacht, biedt het strafrecht andere oplossingen dan strafrechtelijke immuniteit. Ambtelijk handelen ter uitvoering van bevoegdelijk en onbevoegdelijk gegeven bevelen wordt al sinds 1886 wettelijk genormeerd door artikel 43 Sr. Het begaan van een strafbaar feit ter uitvoering van een wettelijk voorschrift wordt van strafbaarheid uitgezonderd in artikel 42 Sr; als aangegeven wordt in dit wetsvoorstel een aanvulling van dit artikel voorgesteld. Daarnaast bestaan nog andere geschreven en ongeschreven strafuitsluitingsgronden, zoals overmacht en afwezigheid van alle schuld. Deze strafuitsluitingsgronden bieden toereikende mogelijkheden om in de gevallen waarin aan het handelen van de ambtenaar de wederrechtelijkheid of verwijtbaarheid ontbreekt, tot een ontslag van alle rechtsvervolging te komen.

Door ook bij opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers uit te gaan van vervolgbaarheid, en voor de vaststelling van strafbaarheid aan te sluiten bij het systeem van wettelijke en buitenwettelijke strafuitsluitingsgronden, worden deze aansprakelijkheden meer op één lijn gesteld met strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van daderschap en deelneming. Ook bij plegen, medeplegen, uitlokken, doen plegen en medeplichtigheid is vervolgbaarheid het uitgangspunt en bepalen, bij het vervuld zijn van de delictsomschrijving, de strafuitsluitingsgronden of de betrokkene daadwerkelijk strafbaar is. Dit gelijktrekken van aansprakelijkheidsconstructies komt het kabinet gelukkig voor. Er is geen reden om aansprakelijkheid van een ambtenaar als functioneel pleger of uitlokker fundamenteel anders te beoordelen dan diens aansprakelijkheid als feitelijke leidinggever, zeker nu het feitelijk handelen dat door elk van deze constructies bestreken wordt overlappingen kan vertonen.

 

3. Immuniteit publiekrechtelijke rechtspersonen  

In het Volkelarrest (HR 25 januari 1994, NJ 1994/598) is bevestigd dat de Staat voor zijn handelingen niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. En in HR 6 januari 1998, NJ 1998/367 (Pikmeer II) heeft de Hoge Raad de grenzen van strafrechtelijke immuniteit van lagere overheden bepaald. Immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 Gw dient, volgens de Hoge Raad, slechts dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Ook deze formulering impliceert strafrechtelijke immuniteit van de desbetreffende overheden voor belangrijke categorieën strafbaar handelen.

  Het onderhavige wetsvoorstel brengt geen wijziging in deze bestaande strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen. De vraag of deze strafrechtelijke immuniteiten moeten worden uitgebreid, gehandhaafd, ingeperkt of opgeheven, wordt in de samenleving zeer verschillend beantwoord. Ik refereer hier aan de adviezen van de Raad van State en van de commissie Roelvink, die zeer uiteenlopende standpunten bepleitten. Het komt het kabinet, bij die stand van zaken, aangewezen voor de aandacht te richten op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de opdrachtgever en feitelijke leidinggever aan verboden gedragingen van de publiekrechtelijke rechtspersoon. Daar is van verschil van mening veel minder sprake; niet alleen uit de adviezen van de commissie Roelvink en de Raad van State, maar ook uit de literatuur blijkt dat veel steun bestaat voor het opheffen van diens aan de publiekrechtelijke rechtspersoon gekoppelde immuniteit (vgl. onder andere J. Remmelink, Strafrechtelijke vervolging van openbare lichamen, NJB 1998, p. 19; Th.W. van Veen, De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid, RMThemis 2000, p. 167). Die benadering, welke aansluit bij de praktische benadering die de commissie Roelvink voor ogen stond, ligt te meer voor de hand nu, zoals aangegeven, in het strafrecht de aansprakelijkheid van natuurlijke personen voorop staat. Het kabinet verwacht, met dit wetsvoorstel te voorzien in een mogelijkheid van strafvervolging voor de gevallen waarin daarvoor daadwerkelijk aanleiding kan zijn na strafbaar handelen van een publiekrechtelijke rechtspersoon. Hierbij is nog van belang dat het wetsvoorstel geen onderscheid maakt tussen strafbare feiten gepleegd in de sfeer van de centrale overheid en feiten gepleegd in de sfeer van decentrale publiekrechtelijke rechtspersonen zoals gemeenten en waterschappen. In beide gevallen maakt het voorstel vervolging van individuele ambtsdragers en ambtenaren als opdrachtgever of feitelijke-leidinggever mogelijk, ongeacht de eventuele  immuniteit van de rechtspersoon.

 

4. De zaak Öneryildiz  

Het onderhavige wetsvoorstel regelt dat ambtsdragers en ambtenaren, in gevallen waarin daartoe gelet op hun bijdrage aan strafbaar handelen van een publiekrechtelijke rechtspersoon aanleiding is, strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Daarmee draagt het wetsvoorstel eraan bij dat eventuele twijfels of het Nederlandse strafrecht beantwoordt aan eisen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) daar blijkens de uitspraak in de zaak Öneryildiz versus Turkije (EHRM 30 november 2004) aan stelt, worden weggenomen.

Het EHRM overweegt in de zaak Öneryildiz onder meer het volgende: `Where lives have been lost in circumstances potentially engaging the responsibility of the State, that provision entails a duty for the State to ensure, by all means at its disposal, an adequate response –judicial or otherwize- so that the legislative and administrative framework set up to protect the right to life is properly implemented and any breaches of that right are repressed and punished’ (par. 91). `Where it is established that the negligence attributable to State officials or bodies on that account goes beyond an error of judgment or carelessness, in that the authorities in question, fully realising the likely consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous activity (…), the fact that those responsible for endangering life have not been charged with a criminal offence or prosecuted may amount to a violation of Article 2, irrespective of any other types of remedy which individuals may exercise on their own initiative’(par. 93).

Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat ambtsdragers en ambtenaren die, zich de waarschijnlijke gevolgen daarvan realiserend, nalaten de noodzakelijke maatregelen te nemen om levensbedreigende risico’s af te wenden, bij realisatie van die risico’s in beginsel strafrechtelijk aansprakelijk moeten kunnen worden gesteld. Het Nederlandse strafrecht kent een strafbaarstelling die in dergelijke gevallen gewoonlijk zal kunnen worden toegepast: de algemene strafbaarstelling van dood door schuld (artikel 307 Sr). In dat licht kan dan ook niet gesteld worden, dat het Nederlandse strafrecht niet aan de maatstaven van artikel 2 EVRM voldoet. Het onderhavige wetsvoorstel verruimt evenwel de mogelijkheden om ambtsdragers en ambtenaren te vervolgen die vallen binnen de criteria die door het EHRM zijn ontwikkeld in het genoemde arrest. Het strafrechtelijke verwijt zal onder omstandigheden beter omschreven kunnen worden als het feitelijke leidinggeven aan een verboden gedraging van een publiekrechtelijke rechtspersoon. Verder kunnen andere delictsomschrijvingen ook andere straffen in beeld brengen.

Voorts kan in de uitspraak van het EHRM in de zaak Öneryildiz steun worden gevonden voor een benadering die de persoonlijke schuld van ambtsdragers en ambtenaren centraal stelt. Het EHRM spreekt over strafrechtelijke aansprakelijkheid van `those responsible for endangering life’. Dat is inderdaad de strafrechtelijke aansprakelijkheid waar het in dergelijke gevallen om draait; strafvervolging van overheden zelf vormt geen adequate reactie.  

Vermeld kan nog worden dat het centraal stellen van persoonlijke schuld ook aansluit bij de stand van het recht in andere bij het EVRM aangesloten staten (zie voor een weergave Roef, a.w.). Frankrijk kent een wettelijke regeling van strafrechtelijke immuniteit van overheden, welke niet doorwerkt naar de daarin werkzame functionarissen. Ook in België kent de wet strafrechtelijke immuniteit toe aan overheden, doch is toerekening van strafbare feiten in de sfeer van een overheid begaan aan natuurlijke personen mogelijk. Het Duitse strafrecht kent de strafbaarheid van rechtspersonen niet, en derhalve ook niet de strafbaarheid van publiekrechtelijke rechtspersonen; wel bestaat de mogelijkheid ambtenaren te vervolgen via de constructie van de `Organ- und Vertreterhaftung’. Verder is bestraffing van publiekrechtelijke rechtspersonen mogelijk in het Ordnungswidrigkeitenrecht.

 

5. Reikwijdte aansprakelijkheid opdrachtgever en feitelijke leidinggever  

Bij het duiden van de betekenis van de voorgestelde wetswijziging kan vooropgesteld worden dat ook thans reeds mogelijkheden bestaan om  natuurlijke personen - individuele ambtsdragers en ambtenaren - strafrechtelijk aansprakelijk te stellen wegens hun betrokkenheid bij strafbare feiten gepleegd in de sfeer van een publiekrechtelijke rechtspersoon. In veel gevallen kan, bij een dergelijke betrokkenheid, worden vervolgd wegens het plegen van of deelnemen aan een strafbaar feit. Dat kan worden geïllustreerd aan de hand van de casus van beide Pikmeerarresten. Aan de verdachte was primair ten laste gelegd dat hij samen met een of meer anderen feitelijke leiding had gegeven aan het storten van verontreinigde baggerspecie door de gemeente Boarnsterhim; subsidiair was hem ten laste gelegd dat hij die verontreinigde baggerspecie samen met een of meer anderen had gestort. In HR 6 januari 1998, NJ 1998/367 (Pikmeer II) wordt het Openbaar Ministerie vanwege de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente niet ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit. Vervolgens verwijst de Hoge Raad de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan ter zake van het aan de verdachte subsidiair ten laste gelegde. Daarvoor wordt de verdachte uiteindelijk vrijgesproken (vgl. D. Roef, Strafbare overheden, 2001, p. 126 met verwijzingen).

Dat een natuurlijk persoon veroordeeld kan worden als medepleger van strafbaar handelen dat in de sfeer van een rechtspersoon heeft plaatsgevonden, kan worden afgeleid uit HR 20 mei 1986, NJ 1987/990. In deze strafzaak, die samenhing met de zogenaamde Uniser-affaire, werd de verdachte, een werknemer van Uniser, veroordeeld wegens het medeplegen van overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij artikel 1, eerste lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren, meermalen gepleegd. De Hoge Raad overwoog `dat de Wet verontreiniging oppervlaktewateren niet slechts strekt tot bestrijding van bedrijfsmatig ontstane verontreiniging en dat derhalve (…) het verbod van het eerste lid van artikel 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren zich niet slechts richt tot (rechts-)personen die in de uitoefening van hun bedrijf afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen brengen in oppervlaktewateren.’

Beide arresten samengenomen bieden grond voor de veronderstelling dat ambtsdragers en ambtenaren die thans aan de vereisten van medeplegen voldoen, kort gezegd een bewuste, nauwe en volledige samenwerking met een of meer andere medeplegers (vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, tweede druk, Kluwer, Deventer 2003, p. 446), strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, ook als die strafbare feiten in de sfeer van de publiekrechtelijke rechtspersoon plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor ambtsdragers en ambtenaren die de publiekrechtelijke rechtspersoon of andere ambtsdragers of ambtenaren strafbare feiten doen plegen, daartoe uitlokken of daaraan medeplichtig zijn.

Ten slotte kan worden vastgesteld dat strafrechtelijke delictsomschrijvingen dikwijls mogelijkheden bieden om verschillende personen als plegers van hetzelfde delict aan te wijzen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij culpoze delicten. Een ieder aan wiens aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid de dood of het zwaar lichamelijk letsel van een ander te wijten is, kan als pleger van artikel 307 of artikel 308 Sr worden gestraft (De Hullu, a.w., p. 255, 262). Denkbaar is derhalve dat zowel de publiekrechtelijke rechtspersoon als een ambtsdrager of ambtenaar van die rechtspersoon in een specifiek geval als verdachte van dood door schuld kan worden aangemerkt. Bij vervolging van de ambtenaar of ambstdrager als pleger speelt de eventuele strafrechtelijke immuniteit van de publiekrechtelijke rechtspersoon, zo werd reeds aangegeven, geen rol.  

Het onderhavige wetsvoorstel breidt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ambtsdragers, ambtenaren en arbeidscontractanten slechts uit voor zover via het daderschap van de rechtspersoon alsmede de constructie van het feitelijk leidinggeven/opdrachtgeven additionele aansprakelijkheid ontstaat. In verband met de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon kan worden gewezen op HR 21 oktober 2003, LJN AF 7938. De Hoge Raad geeft daarin antwoord op de `vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtsperssoon kan worden toegerekend. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van die (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is nochtans of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedraag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging’.

De in verband met de vaststelling van daderschap van de rechtspersoon genoemde omstandigheden zijn ook van belang in verband met daderschap van de publiekrechtelijke rechtspersoon, naast –vanzelfsprekend- aanwijzingen die aan de wetsgeschiedenis van de concreet ten laste gelegde strafbepaling alsmede de wetssystematiek kunnen worden ontleend. Zij duiden op een ruime aansprakelijkheid voor gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon.

De ambtsdrager, ambtenaar of arbeidscontractant kan strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld als hij tot de verboden gedraging opdracht heeft gegeven dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Voor de ondergrens van het feitelijke leiding geven zijn nog altijd de criteria uit HR 16 december 1986, NJ 1987/321 (Slavenburg II) van groot belang (vgl. De Hullu, a.w., p. 494). De Hoge Raad overweegt daarin dat van feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen onder omstandigheden sprake kan zijn `indien de desbetreffende functionaris –hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden- maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. In deze situatie wordt de functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen. De bewuste aanvaarding van een dergelijke aanmerkelijke kans kan zich te dezen voordoen, indien hetgeen de verdachte bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de bank rechtstreeks verband hield met de hem verweten verboden gedragingen.’

Uit deze criteria volgt, in welke mate dit wetsvoorstel in uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid resulteert. In veel gevallen zal de leidinggevende die strafbare feiten van een publiekrechtelijke rechtspersoon bevordert, ook het medeplegen of uitlokken van deze strafbare feiten ten laste kunnen worden gelegd (vgl. De Hullu, a.w., p. 496). In gevallen waarin dat niet zo is, omdat niet van een nauwe samenwerking kan worden gesproken en de leidinggevende meer heeft stilgezeten dan actief uitgelokt, wordt door dit wetsvoorstel strafrechtelijke aansprakelijkheid gecreëerd.  

Ik teken daarbij aan dat de uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ambtsdragers, ambtenaren en arbeidscontractanten juist ook tegen de achtergrond van het voorgaande wenselijk voorkomt. Bij het plegen van strafbare feiten buiten het verband van rechtspersonen zijn een nauwe samenwerking en gedragingen gericht op uitlokking passende aanknopingspunten voor strafbaarheid. In hiërarchische organisaties als waarvan bij publiekrechtelijke rechtspersonen sprake is, kan een half woord of zelfs een bewust stilzwijgen van een leidinggevende al een zeer werkzame causale factor zijn bij het tot stand komen van een strafbaar feit. De verantwoordelijkheden die op deze leidinggevende zijn gelegd, kunnen meebrengen dat diens bijdrage minstens zo zwaar gewogen wordt als de meer feitelijke uitvoering van het delict. Deze wetswijziging maakt, dat aan dat gegeven voortaan ook bij publiekrechtelijke rechtspersonen een adequate vertaling kan worden gegeven.

 

6. Een publieke taak, bij de wet opgedragen  

Voorgesteld wordt, als aangegeven, artikel 42 Sr aan te vullen. Thans sluit dit artikel strafbaarheid uit indien een feit is begaan `ter uitvoering van een wettelijk voorschrift’. Voorgesteld wordt een aanvulling die meebrengt dat strafbaarheid ook is uitgesloten indien een feit is begaan ter uitvoering van een publieke taak, bij de wet opgedragen.  Deze toevoeging is niet slechts van belang in verband met de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren en ambtsdragers. Zij is ook van belang voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan de Staat, waarvoor de Hoge Raad in het arrest Pikmeer II nadere regels heeft gegeven.

De reikwijdte van de voorgestelde uitbreiding van artikel 42 Sr is beperkter dan op het eerste gezicht wellicht lijkt. In de eerste plaats wordt thans reeds uit –oudere- jurisprudentie afgeleid dat ook een wettelijk voorschrift dat een bevoegdheid geeft, en geen plicht tot handelen, onder omstandigheden in aanmerking komt (vgl. De Hullu, a.w., p. 336). Door in de wet vast te leggen dat niet strafbaar zijn feiten begaan ter uitvoering van een bij de wet opgedragen publieke taak, wordt deze opvatting bevestigd, en de reikwijdte van de strafuitsluitingsgrond in dit opzicht beter in de wet vastgelegd. In de tweede plaats biedt de strafuitsluitingsgrond overmacht in de zin van noodtoestand ruimte voor strafuitsluiting op basis van feiten en omstandigheden die ook in het kader van artikel 42 Sr strafuitsluitend werken (De Hullu, a.w., p. 338).

De voorgestelde aanvulling van artikel 42 Sr strekt er in dit licht vooral toe, te verduidelijken welke strafuitsluitende omstandigheden door artikel 42 Sr bestreken worden. Daarmee wordt tevens het bijzondere karakter tot uitdrukking gebracht van het belang dat bij de wet opgedragen publieke taken kunnen worden uitgevoerd. Dat belang weegt zwaar, en mag niet enkel afhankelijk zijn van een niet nader genormeerde belangenafweging in het kader van overmacht, waarbij publieke taakuitoefening en strafrechtelijk beschermde belangen in hetzelfde perspectief staan.

  Strafbaarheid ligt wel in de rede als het strafbaar handelen de toets aan proportionaliteit en subsidiariteit, die blijkens oudere jurisprudentie uit het begrip `ter uitvoering van’ voortvloeit, niet kan doorstaan (De Hullu, a.w., p. 337). Als een ambtenaar gedurende langere tijd, zonder maatregelen te treffen die mogelijk en redelijk zijn, structureel gedragingen in strijd met milieuregelgeving toelaat, bijvoorbeeld, zal deze daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk moeten kunnen worden gesteld. Tegen deze achtergrond kan niet worden gesteld dat  door de voorgestelde aanpassing van artikel 42 Sr gedragingen die thans strafbaar worden geacht, buiten de grenzen van de strafwet worden gebracht. Het gaat om een verduidelijking van artikel 42 Sr, die tot gevolg heeft dat de toepasselijkheid van die bepaling voorop komt te staan bij gedragingen waarvan de straffeloosheid thans gebruikelijk op de bepaling inzake overmacht wordt gebaseerd.

 

7. Financiële paragraaf  

Naar verwachting zal slechts in een zeer gering aantal gevallen aanleiding bestaan tot strafvervolging van opdrachtgevers en feitelijke leidinggevers aan verboden gedragingen van publiekrechtelijke rechtspersonen in gevallen waarin deze thans door de strafrechtelijke immuniteit van deze rechtspersoon uitgesloten is. De gevolgen van deze wetswijziging kunnen dan ook binnen de begroting worden opgevangen.

 

8.  Artikelsgewijze toelichting  

A  

Graag verwijs ik in de eerste plaats naar hetgeen hierboven in het algemeen deel van deze toelichting, paragraaf 6, is gesteld. In aanvulling daarop kan ik verduidelijken dat het begrip `wet’, net als het begrip `wettelijk voorschrift’ doelt op een wet in materiële zin. Wel zal een opgedragen publieke taak gewoonlijk uiteindelijk op een formele wet kunnen worden teruggeleid.

 

B  

Graag verwijs ik in de eerste plaats naar hetgeen hierboven in het algemeen deel van deze memorie van toelichting, paragrafen 1 tot en met 5, is gesteld. In aansluiting daarop wil ik de keuze voor het begrip `publiekrechtelijke rechtspersoon’ nog nader beargumenteren. Doorslaggevend voor de keuze van dit begrip is geweest dat in artikel 51 Sr, waar de voorgestelde voorziening in wordt ondergebracht, de strafbaarheid van de rechtspersoon is geregeld. Begripsmatig sluit de term `publiekrechtelijke rechtspersoon’ daar het meest bij aan. De commisie Roelvink koos voor hetzelfde begrip (a.w., p. 17).  

 

De Minister van Justitie,

 

 

 

Als zij het al doen???????????? 

LJN: BH6954, Rechtbank 's-Hertogenbosch , 01/993213-07
Datum uitspraak: 24-03-2009
Datum publicatie: 24-03-2009
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Promis-vonnis. Verdachte is veroordeeld voor ambtelijke corruptie, valsheid in geschrifte en oplichting tot een werkstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wegens een onregelmatige start van het onderzoek verworpen. Wegens schending verschoningsrecht in vooronderzoek geen niet-ontvankelijkheid officier van justitie, doch strafvermindering.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/993213-07
Datum uitspraak: 24 maart 2009  

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[ ] [verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juni 2008, 5 september 2008, 6 januari 2009, 4 februari 2009 en 11 maart 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 mei 2008. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 4 februari 2009 gewijzigd.
Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht (bijlage 1). Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005
tot en met 1 april 2006 te [plaats 1] en/of Rotterdam en/of Schiedam, althans in
Nederland, als advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van justitie,
in elk geval als ambtenaar, opzettelijk een gift en/of belofte heeft
aangenomen en/of gevraagd van [medeverdachte], bestaande die gift en/of belofte
uit een toezegging van betaling van 25 (vijfentwintig) procent van het/een
(door hem, verdachte) getraceerde en/of gelokaliseerde geldbedrag, terwijl
hij, verdachte, wist of redelijkerwijs vermoedde dat die gift en/of belofte
hem werd gedaan en/of aangeboden teneinde hem, verdachte te bewegen om in
strijd met zijn plicht in zijn (toenmalige) bediening iets te doen of na te
laten, immers heeft hij, verdachte
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het
arrondissementsparket Maastricht en/of (een) medewerker(s) van het
Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Oost Nederland en/of (een)
medewerker(s) van het ressortsparket [plaats 1], anders dan in het kader van een
strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen
(een) kentekenbevraging(en) bij/via het Euregionaal Politie Informatie en
Coördinatie Centrum en/of bij de Belgische liaison en/of de Rijksdienst voor
het wegverkeer te (laten) doen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem,
verdachte te verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket
[plaats 1], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/of onder
valse voorwendselen, gevraagd/bewogen het justitieel documentatie register te
bevragen en/of (vervolgens) de verkregen gegevens aan hem, verdachte te
verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket
[plaats 1], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/of onder
valse voorwendselen, gevraagd/bewogen gegevens uit een gemeentelijke basis
administratie(s) op te (laten) vragen en/of meermalen, althans eenmaal,
gegevens uit (een) gemeentelijke basis administratie(s) opgevraagd onder
vermelding van onjuiste informatie en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem,
verdachte te verstrekken en/of (vervolgens) de gegevens verkregen uit deze/die
gemeentelijke basisadministratie(s) getoond aan, althans ter beschikking
gesteld aan, [medeverdachte] en/of (een) andere perso(o)n(en) welke niet
gerechtigd was/waren kennis te nemen van deze informatie en/of
- een medewerker van het ministerie van justitie, anders dan in het kader van
een strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen,
gevraagd/bewogen (afschriften van) gratiestukken aan hem, verdachte, te
verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van de regiopolitie
[regio], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek
en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen zogenaamde N.A.W. gegevens
van meerdere, althans een, telefoonnummer(s) en/of (persoons)gegevens van/met
betrekking tot [persoon 1] op te vragen en/of (vervolgens) deze gegevens aan
hem, verdachte te verstrekken en/of
- (een) medewerker(s) van het arrondissementsparket Rotterdam en/of de
rechtbank Rotterdam, anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek
en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen strafrechtelijke gegevens
met betrekking tot meerdere personen te achterhalen;
(artikel 363 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005
tot en met 1 april 2006 te [plaats 1] en/of Rotterdam en/of Schiedam, althans in
Nederland, als advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van justitie,
in elk geval als ambtenaar, opzettelijk een gift en/of belofte heeft
aangenomen en/of gevraagd van [medeverdachte], bestaande die gift en/of belofte
uit een toezegging van betaling van 25 (vijfentwintig) procent van het/een
(door hem, verdachte) getraceerde en/of gelokaliseerde geldbedrag, terwijl
hij, verdachte, wist of redelijkerwijs vermoedde dat die gift en/of belofte
hem werd gedaan en/of aangeboden teneinde hem, verdachte te bewegen zonder
daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn (toenmalige) bediening
iets te doen of na te laten, immers heeft hij, verdachte
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het
arrondissementsparket Maastricht en/of (een) medewerker(s) van het
Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Oost Nederland en/of (een)
medewerker(s) van het ressortsparket [plaats 1] gevraagd/bewogen (een)
kentekenbevraging(en) bij/via het Euregionaal Politie Informatie en
Coördinatie Centrum en/of bij de Belgische liaison en/of de Rijksdienst voor
het wegverkeer te (laten) doen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem,
verdachte te verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket
[plaats 1] gevraagd/bewogen het justitieel documentatie register te bevragen en/of
(vervolgens) de verkregen gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket
[plaats 1] gevraagd/bewogen gegevens uit een gemeentelijke basis administratie(s)
op te (laten) vragen en/of meermalen, althans eenmaal, gegevens uit (een)
gemeentelijke basis administratie(s) opgevraagd onder vermelding van onjuiste
informatie en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte te verstrekken
en/of (vervolgens) de gegevens verkregen uit deze/die gemeentelijke
basisadministratie(s) getoond aan, althans ter beschikking gesteld aan,
[medeverdachte] en/of (een) andere perso(o)n(en) welke niet gerechtigd was/waren
kennis te nemen van deze informatie en/of
- een medewerker van het ministerie van justitie gevraagd/bewogen (afschriften
van) gratiestukken aan hem, verdachte, te verstrekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van de regiopolitie
[regio] gevraagd/bewogen zogenaamde N.A.W. gegevens van meerdere,
althans een, telefoonnummer(s) en/of (persoons)gegevens van/met betrekking tot
[persoon 1] op te vragen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte
te verstrekken en/of
- (een) medewerker(s) van het arrondissementsparket Rotterdam en/of de
rechtbank Rotterdam gevraagd/bewogen strafrechtelijke gegevens met betrekking
tot meerdere personen te achterhalen;
(artikel 362 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

A.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2005 tot
en met 1 april 2006 te [plaats 1] en/of Rotterdam, althans in Nederland, een
geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde
van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep,
van advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van justitie, verplicht
was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte
(een) document(en) en/of pasfoto('s), verkregen uit (een) gemeentelijke
basisadministratie(s), getoond en/of ter beschikking gesteld aan (een)
perso(o)n(en) welke niet gerechtigd was/waren kennis te nemen van dit/deze
document(en) en/of pasfoto('s);
(artikel 272 Wetboek van Strafrecht)

en/of

B.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari
2005 tot en met 1 april 2006 te [plaats 1], althans in Nederland, een verzoek tot
verstrekking persoonsgegevens - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot
bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of
vervalst, immers heeft hij, verdachte, (telkens) valselijk op dit verzoek
verstrekking persoonsgegevens een (onjuist) parketnummer vermeld en/of
(telkens) valselijk vermeld dat hij, verdachte, de gegevens opvroeg ten
behoeve van de betekening van gerechtelijke stukken, zulks met het oogmerk
om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen
gebruiken;
(artikel 225 Wetboek van Strafrecht)

2.
hij op of omstreeks 20 maart 2004, althans in de periode van 20 maart 004 tot en met de maand februari 2005, te 's-Gravenhage en/of [plaats 1], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een geldleningovereenkomst en/of een akte van inpandgeving - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk deze geldleningsovereenkomst en/of deze akte van inpandgeving opgesteld en/of
ondertekend als ware de inhoud van deze geldleningovereenkomst en/of deze akte van inpandgeving waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
(artikel 225 Wetboek van Strafrecht)

3.
hij op of omstreeks 24 november 2005, althans in de periode van 24 november 2005 tot en met de maand oktober 2006, te [plaats 1] en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een schuldbekentenis en akte van geldlening en/of een akte van inpandgeving - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk deze schuldbekentenis en akte van geldlening en/of deze akte van inpandgeving opgesteld en/of ondertekend als ware de inhoud van deze
schuldbekentenis en akte van geldlening en/of deze akte van inpandgeving waar,
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of
door anderen te doen gebruiken;
(artikel 225 Wetboek van Strafrecht)

4.
hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2004 tot en met 27 september
2004 te [plaats 1] en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of
(een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse
naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige
kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1]
heeft bewogen tot de afgifte van 7.335,00 euro, althans een geldbedrag, in elk
geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk
weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met
de waarheid op een schade-aangifte aansprakelijkheidsverzekering formulier
ingevuld dat persoon 2] (zakelijk weergegeven) een plasma televisie heeft
kapot gemaakt, waardoor (een werknemer/medewerker van) [bedrijf 1] werd
bewogen tot bovenomschreven afgifte;
(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)






Tengevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan staat in de 7e regel van het onder feit 1 primair tenlastegelegde ‘getraceerde en/of gelokaliseerde’ vermeld in plaats van ‘te traceren/lokaliseren’. De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging begaan is in de 11e regel van het onder feit 1 primair tenlastegelegde na het woord ‘verdachte’ weggevallen de woorden ‘ter uitvoering’. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voorzover in de tenlastelegging overige taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Voor wat betreft de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging overweegt de rechtbank het navolgende.

De verdediging heeft op de navolgende gronden de niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn vervolging bepleit.
a. Er is een onjuiste voorstelling van zaken gegeven over de start van het onderzoek. Anders dan (in ieder geval aanvankelijk) in het dossier aangegeven, is het onderzoek tegen verdachte niet gestart met de informatie die is weergegeven in het Cie-proces-verbaal van de rijksrecherche 29 januari 2007. Er bestond al een eerder onderzoekstraject onder verantwoordelijkheid van de Cie [regio], welk onderzoekstraject als opsporingsonderzoek moet worden aangemerkt. In dat verband stelt de verdediging zich op het standpunt dat [getuige 1] -die voordat hij als getuige werd gehoord al was benaderd door de Cie [regio]- de cover is voor de informant, voor [getuige 2] als informant. Door de werkelijke oorsprong van het opsporingsonderzoek te verhullen is zozeer in strijd met de beginselen van een goede procesorde gehandeld dat het OM het recht op vervolging moet worden ontzegd (pleitnota punt 1, pagina 2 tot en met 6).
b. De getuige [getuige 2] heeft een veel belangrijker rol in het Cie-traject gespeeld dan de Rijksrecherche vermeldt. Hij is informant geweest van de politie en is volgens verschillende getuigen ook in deze zaak de informant geweest van de politie [regio]. Omtrent dat punt heeft het OM structureel bewust gegevens achtergehouden, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van het OM moet leiden. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de plv. chef van de Cie, [getuige 3], met goedvinden van het OM weigert nader te verbaliseren omtrent het voortraject. Hierdoor wordt een gedeelte van een strafrechtelijk onderzoek aan de controle en toetsing van de rechter en de verdediging onttrokken. Dit is onrechtmatig en in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde (pleitnota punt 1, pagina 6 en 7; pleitnota punt 2).
c. Volstrekt aannemelijk is dat de getuige [getuige 2] direct of indirect ook de bron van de Cie-informatie van de Rijksrecherche is. Zijn verklaring komt dus twee keer voor in de start van het onderzoek, zodat de rechter-commissaris is misleid (pleitnota punt 2, pagina 8 tot en met 11).
d. Er is door de rechter-commissaris, het OM en het onderzoeksteam op geen enkele manier rekening gehouden met geheimhoudercorrespondentie, opgeslagen op de gegevensdrager(s) van de computer van verdachte (waarvan een image is gemaakt), terwijl zij daarvan wisten of hadden kunnen weten. Van een zeer groot aantal, waaronder 25 door de verdediging bepaald genoemde, vertrouwelijke stukken is blijkens de documenten 468,469 en 470 uitdrukkelijk kennis genomen, waarbij op geen enkele manier het beroepsgeheim van de verschillende geheimhouders is gerespecteerd. Blijkens het aanvullende proces-verbaal zijn ten onrechte digitale geheimhoudersstukken gekopieërd, geopend en geraadpleegd en zijn die vervolgens ten onrechte niet vernietigd doch geadministreerd en aldus toegankelijk gemaakt voor meerdere personen/instanties. Aldus is sprake van een welbewuste en zeer ernstige schending van geheimhoudercorrespondentie en een welbewust handelen in strijd met artikel 8 EVRM. Dit is een onherstelbaar vormverzuim ten aanzien van verschillende geheimhouders, te weten verdachtes advocaat, zijn arts en zijn notaris. Gelet op de omvang waarin dit heeft plaatsgevonden dient de sanctie daarop niet-ontvankelijkheid te zijn. (pleitnotities d.d. 4 februari 2009, punt 4, pagina 14 tot en met 20 alsmede nadere pleitnotities d.d. 11 maart 2009, pagina 2 tot en met 12).

De rechtbank acht geen gronden tot niet-ontvankelijkheid aanwezig, waartoe het navolgende wordt overwogen.

Ten aanzien van de punten a tot en met c

Zoals uit het verhoor van de getuige [getuige 1], het verhoor van de getuige [getuige 3] en uit het proces-verbaal van [getuige 3] d.d. 20 oktober 2008 blijkt, heeft de Cie [regio] een gesprek gevoerd met [getuige 1] omtrent verdachte voordat bij de Cie van de Rijksrecherche in de maand december via een informant belastende informatie (pagina 702 dossier) omtrent verdachte binnenkwam. Hieruit moet in ieder geval worden geconcludeerd dat er al informatie omtrent (contacten van) verdachte is verzameld voordat de informatie van de informant bij de Rijksrecherche binnenkwam. Dit brengt echter nog niet mee dat toen reeds een opsporingsonderzoek als bedoeld in artikel 132a van het wetboek van strafvordering was aangevangen. Uit genoemde verklaringen en het proces-verbaal blijkt dat aanvankelijk kennelijk verkennende gesprekken zijn gevoerd met [getuige 1] en dat hij -na de start van het onderzoek door de Rijksrecherche- in februari 2007 een tactische verklaring heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en ondertekend. Dat de Cie [regio] kennelijk over informatie beschikte -al dan niet via een kaartje dat afkomstig zou zijn uit een dossier- omtrent verdachte en zijn eventuele contacten brengt nog geenszins met zich dat er al een opsporingsonderzoek liep. Het is nu eenmaal de taak van de Cie om informatie te verzamelen. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, kan op basis van de voorhanden gegevens niet worden geconcludeerd dat bij de start van dit onderzoek op straffe van niet-ontvankelijkheid van het OM openheid van zaken had moeten worden gegeven over de informatie-inwinning door de Cie [regio]. Dat zou anders kunnen zijn indien er aanwijzingen of aanknopingspunten zouden zijn voor daarbij plaatsgevonden onrechtmatigheden dan wel dat ontlastende informatie bewust achtergehouden zou zijn. Dit laatste is niet gesteld en overigens uit het dossier ook in het geheel niet gebleken. Dat er kennelijk contacten waren tussen de Cie [regio] en de (Cie van de) Rijksrecherche brengt nog geenszins de plicht met zich om daarvan in een proces-verbaal verslag te doen. Dat er enig verkennend vooronderzoek is geweest door de Cie [regio] en/of de Rijksrecherche en dat daarover niet in deze zaak is geverbaliseerd levert geen vormverzuim of strijd met de goede procesorde op.

Van onrechtmatigheden bij de start van het onderzoek door de Rijksrecherche dan wel een dubbelrol van [getuige 2] is evenmin gebleken. De getuigen [getuige 1] en [getuige 3] hebben verklaard dat [getuige 1] niet de informant als bedoeld in het Cie-proces-verbaal van 29 januari 2007 is. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij die informant ook niet is en de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat er voorafgaand aan de tactische verklaring van [getuige 2] -waarmee kennelijk zijn verklaring d.d. 6 april 2007 wordt bedoeld- geen Cie-matige gesprekken met [getuige 2] zijn gevoerd en dat hem niets bekend is dat [getuige 2] eventueel met een plaatselijke Cie zou hebben gesproken. Gelet op hetgeen [getuige 3] overigens heeft verklaard omtrent de werkwijze van de Cie en de regels waaraan zij gebonden zijn, te weten i) dat informatie van een informant ingeschreven in een bepaald gebied/korps (in dit geval [regio]) afkomstig is van de Cie-chef van dat korps,
ii) dat politiemensen alleen dan als informant kunnen worden ingeschreven als er levensgevaar zou dreigen voor de politieambtenaar of zijn persoonlijke levenssfeer aangetast zou worden alsmede iii) dat een Cie-chef alleen informatie geeft via een proces-verbaal afkomstig van informanten die zijn ingeschreven in het register dat onder die Cie-chef valt,
kan op basis van de voorhanden gegevens thans niet anders worden geconcludeerd dan dat de informatie neergelegd in het Cie-proces-verbaal van 29 januari 2007 afkomstig is van een informant die is ingeschreven in het informantenregister van de Rijksrecherche. Dat gecombineerd met de verklaring van de getuige [getuige 3] dat de Rijksrecherche geen Cie-matige gesprekken heeft gevoerd met [getuige 2], levert de conclusie op dat die verklaring meebrengt dat de informant die in het Cie-proces-verbaal wordt genoemd kennelijk niet [getuige 2] is. Uit de verklaring van [getuige 3] dat hem niets bekend is dat [getuige 2] eventueel met een plaatselijke Cie heeft gesproken, moet de rechtbank verder afleiden dat in de contacten die [getuige 3] met de Cie [regio] heeft gehad kennelijk in het geheel niet gesproken is over het al dan niet informant zijn van [getuige 2] ten behoeve van de Cie [regio]. Verder is van belang dat [getuige 2] als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij geen contact heeft gehad met de inlichtingendienst van de politie en dat hij ook geen contact heeft gehad met de inlichtingendienst van de Rijksrecherche.
De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat er op basis van de voorhanden gegevens geen dan wel onvoldoende serieuze aanwijzingen zijn dat de (Cie van de) Rijksrecherche en/of de (Cie) officier van justitie bij de aanvang van het onderzoek een onjuiste c.q. onvolledige voorstelling van zaken hebben gegeven. Voor zover de verdediging betoogt dat het onderzoek door de Rijksrecherche als het ware is gestuurd en georganiseerd door de politie [regio] vindt dat geen grondslag in het dossier. Hetgeen de verdediging onder punt 2 sub a tot en met j van de pleitnota naar voren heeft gebracht kan aan dit oordeel niet afdoen, omdat:
-de punten a en b stellingen zijn en geen vaststaande dan wel aannemelijk geworden feiten;
-punt e geen zelfstandige betekenis heeft;
-de onder de punten f en g genoemde personen niet hebben verklaard dat [getuige 2] in deze direct dan wel indirect de bron is van de Cie-informatie over verdachte;
-anonieme informatie als bedoeld in punt i als zodanig niet objectiveerbaar/toetsbaar is en daarom, mede bezien tegen het licht van de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen, niet voor juist c.q. aannemelijk kan worden gehouden;
-het beroep op het krantenartikel al uit zijn aard het standpunt van de verdediging niet kan dragen. Dat geldt in casu zeker aangezien de relevante inhoud daarvan inhoudt dat [getuige 2] eerst in de loop van 2007 (in maart of later) naar de politie is gegaan, hetgeen zich niet verdraagt met het standpunt van de verdediging dat [getuige 2] in deze zaak al eerder als informant zou zijn opgetreden;
-[getuige 4] in zijn verklaring ten overstaan van de politie niet heeft verklaard dat [getuige 2] de informant is en niet als getuige bij de rechter-commissaris is gehoord, zodat punt j feitelijke grondslag mist;
-weliswaar kan worden vastgesteld dat de informatie die [getuige 2] geeft en die de informant geeft in belangrijke mate hetzelfde inhouden, doch die enkele omstandigheid onvoldoende is om aan te nemen dat [getuige 2] een dubbelrol vervult.

Ten aanzien van punt d

Bij de beoordeling van dit verweer neemt de rechtbank het navolgende tot uitgangspunt.
a. Artikel 98 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat bij personen met bevoegdheid tot verschoning geen brieven of andere geschriften “tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt” in beslag worden genomen, tenzij met toestemming van die personen.
b. Of brieven of geschriften al dan niet aan het verschoningsrecht zijn onderworpen is in beginsel aan de verschoningsgerechtigde te bepalen. Diens standpunt moet in beginsel worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad.
c. Het verschoningsrecht geldt ook indien het niet gaat om de situatie van artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering dat de doorzoeking bij een verschonings-gerechtigde plaatsvindt, maar dat de doorzoeking plaatsvindt bij de cliënt. Zie HR 19-11-1985; NJ 1986, 533. De HR overweegt dat zonder toestemming van belanghebbenden justitie geen kennis mag nemen van de correspondentie tussen advocaat en cliënt die bij cliënt is aangetroffen en wel “op grond van het zwaarwegende belang dat wordt gediend met de eerbiediging van het vertrouwelijke karakter van een dergelijke briefwisseling.” Verder overweegt de HR: “Het is immers een aanzienlijk belang dan een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd een advocaat te raadplegen. Dit belang, dat voor de advocaat erkenning vindt in het hem -ter bescherming van ieder die hem in zijn hoedanigheid van advocaat aangelegenheden toevertrouwt- toekomende verschoningsrecht en in het verbod om bij hem als tot verschoning bevoegde, tenzij met zijn toestemming, brieven of andere geschriften tot welke zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt in beslag te nemen, zou te zeer worden beperkt wanneer ieder die een advocaat wil raadplegen niet vrijelijk en niet zonder vrees voor openbaarmaking zou kunnen bewaren afschrift van al hetgeen hij schriftelijk aan zijn advocaat heeft toevertrouwd en hetgeen de advocaat hem heeft geschreven”.

In deze zaak is een eigen belang van de verschoningsgerechtigde erkend bij het beslag. Hij kan daartegen een klaagschrift indien voor zover het gaat om geschriften die vallen onder het verschoningsrecht.
d. Een nog niet verzonden brief van een cliënt gericht aan zijn advocaat valt ook onder het verschoningsrecht ( HR 1 november 1988; NJ 1989, 349)
e. Een deskundige die wordt ingeschakeld door een advocaat heeft een afgeleid verschoningsrecht. Indien en voor zover brieven/geschriften zich bij die deskundige bevinden in verband met de vervulling van een door hem aanvaarde opdracht, welke hem is verleend door een verschoningsgerechtigde in het kader van de behandeling van een bepaalde door een cliënt aan hem toevertrouwde aangelegenheid, heeft deze deskundige een van die verschoningsgerechtigde afgeleid verschoningsrecht. Zie HR 29 maart 1994; NJ 1994, 552 en HR 12 februari 2002; NJ 2002, 440.
f. Uit de arresten HR 15 januari 1991; NJ 1991,668 en HR 20 februari 2007, JOL 2007,123 moet in beginsel worden opgemaakt dat naast de klassieke brieven en geschriften onder de reikwijdte van dit artikel tevens vallen moderne gegevensdragers die tekst bevatten, zoals een cd-rom, een USB-stick en de harde schijf van een computer. De AG in HR 20-02-07; NJ 2008,113 brengt hierover onder punt 25 van de conclusie het volgende naar voren: “..houd ik het er op dat de Hoge Raad in computers opgeslagen bestanden niet ziet als fenomenen die voor wat betreft het verschoningsrecht vallen onder hetzelfde regiem als brieven en geschriften. Zijn er voldoende waarborgen geschapen dat bij onderzoek van computers het verschoningsrecht niet wordt geschonden, dan is het niet zo dat niet de computer maar alleen de bestanden in beslag mogen worden genomen die volgens de verschoningsgerechtigde niet onder zijn verschoningsrecht vallen terwijl het niet vanzelfsprekend is dat de verschoningsgerechtigde bij het onderzoek van de inbeslaggenomen computer ( of van een backup van de bestanden op die computer) aanwezig is om aan te wijzen welke bestanden onder het verschoningsrecht vallen…..Ik meen dan ook dat het hiervoor aangehaalde oordeel van de HR impliceert dat de regel dat de verschoningsgerechtigde in beginsel zelf aanwijst wat wel en wat niet onder zijn verschoningsrecht valt, niet opgaat wanneer redelijkerwijs kan worden gewaarborgd -bijvoorbeeld door de aanwezigheid van de deken- dat het aan het inbeslaggenomen geautomatiseerd werk te verrichten onderzoek niet tot schending van het verschoningsrecht leidt. Onjuist lijkt mij dat niet…….Is eenmaal een overzicht van de op een computer aanwezige bestanden verkregen, dan dient een verschoningsgerechtigde gelet op de nauwe verwantschap van brieven en geschriften en de in gedigitaliseerde vorm vastgelegde inhoud daarvan, zoals deze uitdrukking vond in artikel 125i(oud) Sv en thans in artikel 125i Sv voor de bevoegdheid tot het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager, een papieren of een digitale, zijn opgeslagen en vastgelegd, in beginsel gelegenheid te worden geboden aan te geven of deze onder zijn verschoningsrecht vallen of niet. Ondenkbaar is niet dat wordt gezocht op een wijze waarop door het verschoningsrecht bestreken bestanden niet aan een onderzoek worden onderworpen…Dan is er geen reden de verschoningsgerechtigde in de gelegenheid te stellen aan te wijzen welke bestanden onder zijn verschoningsrecht vallen”.
g. De HR overweegt in genoemd arrest NJ 2008,113; “voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd ( HR; NJ 1994, 577). Bij een dergelijk onderzoek moet op de voet van artikel 125l Sv het verschoningsrecht worden gerespecteerd. Verder overweegt de HR dat computerbestanden “zich naar hun aard niet eenvoudig lenen voor afzonderlijk onderzoek”en dat in dit specifieke geval de rechtbank voldoende gewaarborgd heeft geacht dat de computers op de voet van artikel 125l Sv zullen worden onderzocht op een wijze waarop het verschoningsrecht van de klager niet in het gedrang komt.
h. De wet geeft geen specifieke voorschriften ten aanzien van de doorzoeking bij niet verschoningsgerechtigden omtrent het beslag van brieven/geschriften c.q. van gegevensdragers waaronder/waarop (mogelijk) sprake is van brieven/geschriften van of aan een verschoningsgerechtigde. De wet geeft geen voorschriften omtrent eventuele vernietiging van gemaakte prints/kopieën van brieven e.d. van of aan een verschoningsgerechtigde.

De rechtbank stelt -uitgaande van het voorafgaande- voorop dat het enkele maken van een image van de harde schijf van de computer van verdachte geen strijd oplevert met enig verschoningsrecht. Naar zijn aard lenen computerbestanden zich niet voor afzonderlijk beslag/onderzoek, zodat het maken van zo’n image voor de hand ligt, voor de beslagene in het algemeen het minst bezwarend is omdat hij de beschikking blijft houden over zijn computer en voorts niet enkel daardoor de belangen van een (mogelijke) verschoningsgerechtigde c.q. zijn client in het gedrang komt.
De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] ter gelegenheid van de doorzoeking van zijn woning heeft aangegeven, dat er “vertrouwelijke correspondentie” op de computers stond. Er wordt een beroep gedaan op een brief van [advocaat 1] waarin onder meer staat: “op dat moment heeft [verdachte] ook aangegeven, dat er correspondentie op de computers staat, die mogelijk onder het beroepsgeheim van een advocaat valt. De rechtbank concludeert hieruit dat slechts in algemene termen is gewezen op vertrouwelijke correspondentie en/of correspondentie die (mogelijk) onder enig beroepsgeheim viel. Dergelijk algemene en ongespecificeerde mededelingen verhinderen niet dat een image wordt gemaakt.
Bij gebreke van gespecificeerde mededelingen omtrent correspondentie met een geheimhouder/verschoningsgerechtigde van de beslagene en bij gebreke van enig klaagschrift tegen het beslag –de rechtbank wijst er in dit verband op dat [verdachte] als Advocaat-Generaal/plaatsvervangend Officier van Justitie op de hoogte was of moet zijn geweest van de relevante wetgeving en jurisprudentie omtrent de eerbiediging van het verschoningsrecht- mochten de opsporingsambtenaren naar het oordeel van de rechtbank de bestanden op de image toegankelijk maken voor onderzoek. Weliswaar geldt dat het aan de verschoningsgerechtigde is om te bepalen wat onder het verschoningsrecht valt, maar als de doorzoeking niet plaatsvindt bij enig verschoningsgerechtigde, door de verdachte slechts in heel algemene termen wordt gesproken over vertrouwelijke correspondentie en/of correspondentie die (mogelijk) onder enig beroepsgeheim valt en beklag tegen het beslag van zowel de verdachte als de verschoningsgerechtigde uitblijft, dan valt niet in te zien dat de opsporingsambtenaren op eigen initiatief eerst eigen onderzoek zouden moeten doen naar (mogelijke) verschoningsgerechtigden en hen in staat zouden moeten stellen zich uit te laten over de vraag of, en zo ja welke, van de bestanden op de image onder het verschoningsrecht vallen.

Naar het oordeel van de rechtbank mochten de opsporingsambtenaren dan ook de bestanden op de image toegankelijk maken voor onderzoek. Het aanvullend proces-verbaal houdt op dit punt, voor zover van belang, het navolgende in:
“De bestanden, voorkomend op de image van de twee, bij [verdachte] inbeslaggenomen computers, zijn destijds geopend en diagonaal doorgelezen/gescand op trefwoorden, teneinde de inhoud van het document te toetsen op relevantie voor het onderzoek…..Voor het onderzoek vermoedelijk relevante documenten werden gemarkeerd middels het programma Forensic Toolkit. Deze documenten zijn daarna geprint om beter gelezen en beoordeeld te kunnen worden. De geprinte documenten zijn geadministreerd in het bedrijfsprocessensysteem Summ-It met een uniek ibn-nummer. Een aantal van deze uitgeprinte documenten zijn gebruikt in het onderzoek en nader onderzocht. De overige documenten, die niet relevant bleken voor het onderzoek, zijn niet nader onderzocht”.
Uit hetgeen verder met betrekking tot 25 specifieke bestanden wordt opgemerkt blijkt dat geen van die documenten is aangemerkt als vertrouwelijk stuk van geheimhouders en dat ten aanzien van al die documenten voor de vraag of zij al dan niet zijn gebruikt en/of in het fysieke procesdossier zijn opgenomen leidend was of die documenten relevant waren voor het onderzoek.
De rechtbank constateert dat uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2009 alsmede de daarbij gevoegde documenten blijkt dat bij dat onderzoek het verschoningsrecht van de advocaat van verdachte niet is gerespecteerd. Hoewel een aantal digitale documenten onmiskenbaar of zeer waarschijnlijk als geheimhoudersstukken is aan te merken -de documenten A.01.02.002.025, A.01.02.002.032, A.01.02.002.026, A.01.02.003.016, A.01.02.003.009, A.01.02.003.013 en A.01.02.002.103- alsmede uit een aantal andere stukken bij aanvang van het onderzoek toch de reële mogelijkheid naar voren kwam dat dit correspondentie tussen verdachte en een verschoningsgerechtigde betrof, heeft de Rijksrecherche daarin ten onrechte geen aanleiding gezien zich terughoudend op te stellen en geen enkele maatregel genomen of waarborg geschapen om schendingen van het verschoningsrecht te voorkomen. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt - en aangenomen moet worden dat dit een algemene gedragslijn was, ook ten aanzien van alle niet specifiek genoemde bestanden- dat voor het onderzoek relevante documenten zijn geprint, beoordeeld en alle zijn geadministreerd en dat enkel de relevantie van het onderzoek heeft bepaald of deze werden gebruikt voor de (voortgang van) het onderzoek en daarbij geen enkele rekening is gehouden met (mogelijke) schendingen van het verschoningsrecht. Nu de rechtbank constateert dat een belangrijk aantal documenten van de 25 specifiek genoemde documenten onder het verschoningsrecht van de advocaat van verdachte viel en ten aanzien van een aantal andere documenten de reële mogelijkheid bestond, had de Rijksrecherche -die dit eveneens had moeten constateren- maatregelen moeten nemen of waarborgen moeten scheppen om dat verschoningsrecht te respecteren. Dat had bijvoorbeeld gekund door in overleg met de rechter-commissaris en/of officier van justitie daarover in contact te treden met verdachte en/of de verschoningsgerechtigde(n) en de verschoningsgerechtigde(n) in staat te stellen hun standpunt kenbaar te maken en vervolgens in overleg met hem/hen zonodig tot vernietiging van specifieke geprinte documenten die onder het verschoningsrecht vielen over te gaan. Door geen enkele actie te ondernemen is het verschoningsrecht geschonden en aldus sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek. De rechtbank moet op basis van de door de verdediging overgelegde brieven van [advocaat 1] en [advocaat 2] aannemen dat de rechten van meerdere verschoningsgerechtigden in aanzienlijke mate zijn geschonden. De officier van justitie heeft betoogd dat uit de informatie omtrent de 25 specifieke documenten naar voren komt dat een aantal daarvan zeker niet onder enig verschoningsrecht viel. Dat moge -echter mede op grond van de informatie die eerst na voltooiing van het opsporingsonderzoek beschikbaar is- zo zijn, doch dat neemt niet weg dat de Rijksrecherche in het geheel geen oog heeft gehad voor enig verschoningsrecht en daarmee de verschoningsgerechtigden heeft verhinderd op enig moment na het toegankelijk maken en na eerste globale lezing/scanning van de documenten vooraf aan te geven wat al dan niet onder het verschoningsrecht viel.
In de omstandigheden van dit geval komt de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie evenwel niet in aanmerking, en wel op grond van het navolgende:
-allereerst acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de opsporingsambtenaren doelbewust kennis hebben genomen van geheimhoudersstukken met de bedoeling aan de belangen van (uiteindelijk) verdachte tekort te doen. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt veeleer dat zij simpelweg geen oog hebben gehad voor het verschoningsrecht. In dit verband wijst de officier van justitie er terecht op dat ten aanzien van de telecommunicatie wel overeenkomstig de wet is gehandeld;
-noch verdachte, noch enig verschoningsgerechtigde heeft beklag gedaan tegen het beslag ten aanzien van de image en/of eigener beweging specifiek aangegeven welke stukken onder enig verschoningsrecht vielen. In de omstandigheden van dit geval had dit wel voor de hand gelegen;
-uit niets komt naar voren -en ook niet gesteld is- dat de kennisneming van de geheimhoudersstukken ten aanzien van het tenlastegelegde feitelijk ten nadele van verdachte heeft gestrekt. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen betreffen de 25 documenten -die overigens op het eerste gezicht niet alle als geheimhoudersstukken zijn aan te merken- telkens niet relevante documenten ten aanzien van het tenlastegelegde en verder is ook allerminst aannemelijk dat deze van invloed waren op de sturing van het onderzoek naar het tenlastegelegde;

-het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde betreft een zeer ernstig strafbaar feit, aangezien hierbij het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit van overheidsdienaren in het algemeen en vertegenwoordigers van de staande magistratuur in het bijzonder moet kunnen stellen in het geding is.

Naar het oordeel van de rechtbank zal de sanctie dan ook niet moeten bestaan in de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, doch in strafvermindering (de sanctie van bewijsuitsluiting komt niet in aanmerking, omdat er geen stukken van verschonings- gerechtigden voor het bewijs worden gebruikt). Daarop zal de rechtbank hierna verder ingaan. De rechtbank oordeelt dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Daarvoor is het belang dat het verschoningsrecht wordt gerespecteerd te groot en de specifieke schending daarvan in dit geval te ernstig.

Verweren omtrent de onrechtmatigheid van de bewijsgaring.
De verdediging heeft op dezelfde c.q. vergelijkbare gronden als waarop zij hiervoor bij de ontvankelijkheid van de officier van justitie onder a tot en met c een beroep heeft gedaan, aangevoerd dat het bewijs uit de doorzoekingen op het werkadres en huisadres van verdachte als onrechtmatig verkregen moet worden uitgesloten.
De rechtbank verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als waarop het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is verworpen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de Cie-informatie ten onrechte niet is gecontroleerd en dat bij een goed uitgevoerd controle-onderzoek zou zijn gebleken dat de Cie-informatie nagenoeg geheel op leugens en misleidende informatie was gebaseerd. Door op -niet gecontroleerde- onjuiste en onware Cie-informatie de verdenking te baseren en onvolkomen processen-verbaal aanvraag doorzoeking aan de rechter-commissaris voor te leggen, is deze misleid, zijn de doorzoekingen op onvoldoende gegevens gebaseerd en zijn deze onrechtmatig. Het bewijs uit die doorzoekingen mag dan ook als onrechtmatig verkregen niet worden gebruikt, aldus de verdediging.

Naar het oordeel van de rechtbank mist dit verweer in belangrijke mate feitelijke grondslag en gaat dit verweer voor het overige niet op. Nadat de Cie-informatie was binnengekomen heeft de rijksrecherche nader onderzoek naar de (on)juistheid van de informatie verricht, bestaande uit het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] alsmede het inwinnen van financiële informatie en informatie uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Uit niets blijkt dat de rijksrecherche hierbij enkel oog heeft gehad voor belastende informatie. Dat mogelijk nog meer of ander onderzoek had kunnen plaatsvinden leidt niet tot de conclusie dat er op onrechtmatige wijze is gerechercheerd en niets verplichtte de rijksrecherche eerst onderzoek in Turkije te doen. Het proces-verbaal doorzoeking woningen d.d. 11 september 2007 (pagina 1236 ev van het dossier) vormt de resultaten van het onderzoek dat tot dusver was verricht. Anders dan de verdediging acht de rechtbank dit een adequate weergave van het onderzoek dat tot dan toe was verricht. In dit verband wijst de rechtbank er op dat de verdediging met haar klacht dat nader onderzoek omtrent [getuige 4] had moeten plaatsvinden en dat dit zou hebben opgeleverd dat hij nimmer is veroordeeld voor drugs, er volstrekt ten onrechte aan voorbij gaat dat in genoemd proces-verbaal expliciet is opgenomen dat de drugszaak tegen [getuige 4] is geseponeerd, omdat hij in die zaak ten onrechte als verdachte is aangemerkt.
De conclusie is dan ook dat er geen reden is om aan te nemen dat de rijksrecherche haar taak niet naar behoren heeft verricht en/of de rechter-commissaris zou hebben misleid. In zoverre is er geen grond om tot enige onrechtmatigheid van het onderzoek te concluderen. Anders dan de verdediging kennelijk meent kon de rechter-commissaris op basis van dit proces-verbaal in redelijkheid tot het oordeel komen dat er voldoende verdenking was tegen verdachte voor een doorzoeking van zijn huisadres. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bewijs rechtmatig is verkregen.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten feit 1.
Verdachte is van 1 september 2002 tot 2007 werkzaam in de functie van Advocaat-generaal
te [plaats 1].1 Voorts is hij op 19 december 2002 aangewezen als plaatsvervangend officier van justitie.2 Een Advocaat-generaal is geen opsporingsambtenaar.3 Verdachte is zich
hiervan bewust.4


Verdachte ontmoet [medeverdachte] voor het eerst begin 2005.5 In maart/april 2005 ontmoeten
vervolgens verdachte, zijn [echtgenote] en [medeverdachte] elkaar in Rotterdam.6 [Medeverdachte] kwam via een zakenrelatie, [persoon 3], in contact met verdachte. [persoon 3] heeft hem een c.v. toegestuurd van verdachte en een kaartje van een juridisch adviesbureau.7 In het c.v. staat vermeld dat verdachte vanaf 1 september 2002 de functie van Advocaat-generaal te [plaats 1] bekleedt.8

Tijdens deze tweede ontmoeting vertelt [medeverdachte] over de dubieuze gang van zaken rond zijn gratieprocedure en over een oliekwestie waarin hij zich financieel gedupeerd voelt. [Medeverdachte] vertelt dat hij een aanzienlijk bedrag in de oliehandel heeft geïnvesteerd en dat hij van zijn investeringen geen cent terug heeft gezien terwijl hij wel een bankafschrift van een bank te Macau op zijn naam heeft gezien met een positief saldo van 125 miljoen dollar. Van [medeverdachte] voelt zich door de bij de oliehandel betrokken personen bedrogen. Onder deze personen bevinden zich mede personen die betrokken zijn geweest bij de gratieprocedure van [medeverdachte]. Afgesproken wordt dat verdachte het onderzoek naar de verdwenen bankrekening cq. het verdwenen kapitaal van [medeverdachte] op zich neemt.9

[Medeverdachte] verstrekt ten behoeve van dit onderzoek allerlei namen, telefoonnummers en kentekennummers van auto’s aan verdachte, teneinde de bij de geldkwestie betrokken personen te traceren dan wel informatie over hen te verkrijgen.10 Op basis van deze gegevens vraagt verdachte in de periode augustus 2005 tot december 2005 vanuit [plaats 1] bij diverse overheidsinstanties allerhande persoonlijke informatie op uit hoofde van zijn functie van Advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van justitie. Hierbij geeft verdachte telkens een valse voorstelling van zaken door de bevragingen in strijd met de waarheid in een (lopend) strafrechtelijk onderzoek/kader te plaatsen en daartoe onder meer onjuiste parketnummers opgeeft.
De bevragingen betreffen: kentekenbevragingen, opvragingen van justitiële documentatie, opvragingen uit gemeentelijke basis administraties, het opvragen van gratiestukken, opvragingen van telefoonnummers en persoonsgegevens betrekking hebbend op [persoon 1] en het opvragen van strafrechtelijke gegevens van diverse personen, een en ander als onder de bewezenverklaring aangegeven. De bevragingen worden gehonoreerd omdat verdachte zich daarbij uit hoofde van genoemde functie(s) presenteert en hij zijn bevragingen in een strafrechtelijke kader plaatst.11,12
Verdachte stelt door hem opgevraagde informatie afkomstig uit gemeentelijke basis administraties ter beschikking aan [medeverdachte]. Het betreffen afdrukken van aanvragen reisdocumenten met daarop pasfoto’s van personen. Verdachte verstrekt deze foto’s aan [medeverdachte] ter mogelijke herkenning van een door [medeverdachte] in het kader van het onderzoek opgegeven persoon, genaamd [persoon 4].13,14

In de woning van verdachte te [plaats 1] worden twee nagenoeg identieke niet ondertekende volmachten d.d. 25 juli 2005 aangetroffen van [medeverdachte] aan verdachte om namens hem op te treden als raadsman en als vertegenwoordiger met volmacht tegenover alle banken en financiële instellingen. In deze volmachten wordt verdachte ondermeer opdracht gegeven informatie in te winnen over alle transacties en activiteiten waarmee of waaraan of waarin [medeverdachte] van doen heeft gehad of gemoeid is geweest en te zoeken naar zijn, [medeverdachte], vergeten bankrekeningen teneinde diens gelden veilig te stellen. De volmachten zijn op basis van no cure no pay met een betaling van 25% van het gevonden kapitaal15 en zijn opgesteld door verdachte.16

Het standpunt van de officier van justitie t.a.v. feit 1.
De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging t.a.v. feit 1.
De verdediging stelt dat verdachte twee van elkaar gescheiden onderzoeken heeft verricht, te weten het onderzoek naar de oliefraude (Macau-onderzoek) en het onderzoek naar de gang van zaken rond de gratieverlening van [medeverdachte]. De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte het Macau-onderzoek op persoonlijke titel vanuit zijn juridisch adviesbureau heeft verricht en dat de hem daarbij in het vooruitzicht gestelde beloning volstrekt losstaat van verdachtes, strafrechtelijke, onderzoek naar de gratieverlening.
Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte in laatstgenoemd
onderzoek geen ongeoorloofd gebruik van zijn bevoegdheden heeft gemaakt, omdat er
sprake was van een ‘nn’-onderzoek hetgeen hij als plaatsvervangend officier van
justitie mocht verrichten.

Het oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 1.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Naast de bewijsmiddelen genoemd onder de vaststaande feiten acht de rechtbank de navolgende verklaringen van belang.

I. [Medeverdachte]:
-(op de vraag waarom hij destijds verdachte heeft benaderd): ‘[ ] [verdachte] kon mij helpen om mijn geld te vinden. [ ] [verdachte] had namelijk de mogelijkheden om erachter te komen met welke personen ik te doen had. Ik had die mogelijkheden niet. [verdachte] had namelijk als Advocaat-generaal bij het parket in [plaats 1] de mogelijkheden om bepaalde zaken uit te zoeken die ik niet had. Ik wilde namelijk gebruik maken van de opsporingsbevoegdheden die [ ] [verdachte] als Advocaat-generaal bij het parket in [plaats 1] had. Ik ging er namelijk van uit dat als [ ] [verdachte] bepaalde zaken wilde weten dat hij dan in het gerechtsgebouw op een paar knoppen kon drukken en dat hij dan wist hoe de vork in de steel zat.’17

-‘[ ] [verdachte] kon in deze zaak veel betekenen voor mij…Voor [ ] [verdachte] gaan er vanuit zijn functie als Advocaat-generaal bij het parket te [plaats 1] deuren open die normaal voor mij gesloten blijven. Hij kon bijvoorbeeld personen bevragen…wat Sita via internet niet kon vinden zocht [verdachte] uit op zijn werk op de rechtbank in [plaats 1]. Op die manier kwamen we aan allerlei gegevens.’18

-‘Middels zijn mogelijkheden en bevoegdheden die hij als Advocaat-generaal bij de rechtbank in [plaats 1] had te gebruiken kon hij mij helpen om het geld te traceren. Als hij ([verdachte]; de rechtbank) het geld getraceerd had kreeg hij daar 25% van zoals afgesproken. Dat was dus voor [ ] [verdachte] een kans om uit de financiële problemen te komen.’19

II. [getuige 5]:
-‘[ ] [verdachte] zou 25% van het deel van [medeverdachte] krijgen…Dat is zo besproken tussen [verdachte], [medeverdachte] en mij. Deze zaak had niets te maken met een strafrechtelijk onderzoek of zo….Ik weet dat [ ] [verdachte] diverse betrokkenen in deze zaak heeft proberen te traceren…Hierover had hij steeds contact met [medeverdachte].’20

-‘Het is een aantal keren voorgekomen dat [ ] [verdachte] een fax stuurde naar het faxnummer van mijn bedrijf…deze faxen waren steeds bestemd voor [medeverdachte] van [medeverdachte].’21

-‘Voor zover ik weet is er nooit sprake geweest van een strafrechtelijk onderzoek in deze kwestie. [ ] [verdachte] is naast zijn werk bij justitie bezig geweest met een privé-aangelegenheid op zoek naar geld in opdracht van Joop van [medeverdachte]. Hiervoor is ook een volmacht opgemaakt tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarbij ik als getuige heb gefungeerd….Het was namelijk zo dat [ ] [verdachte] geldproblemen had en dat hij door deze opdracht van [medeverdachte] uit de geldzorgen zou zijn indien het zou lukken om het geld te traceren.’22

III.[echtgenote]:
‘Wij (rechtbank: [ ] [verdachte] en zijn echtgenote) waren op zoek naar een bankrekening op naam van Joop van [medeverdachte]…Er was een afspraak met Joop van [medeverdachte] dat hij onze uren zou betalen als er geld zou worden gevonden in Macau. Dit was op basis van no cure no pay. Wij hadden dit mondeling afgesproken met [medeverdachte].’23



IV.Verdachte:
‘Aan de andere kant was de verleiding om zo’n groot bedrag te kunnen ontvangen erg groot. Er is zeker wel in die (zin) gesproken dat ik 25% van de opbrengst zou krijgen die Van [medeverdachte] krijgen’ en ‘Er was altijd wel een bijmotief…. Het was altijd een vechten in mij, maar het is wel zo dat ik er toen ook wat aan wilde verdienen’ en ‘Daar is bij gekomen dat de verleiding niet heb weerstaan, om te denken aan en mee te gaan in het zoeken naar eventueel geldelijk voordeel’ en ‘Het deugt niet dat ik een bijmotief had.’24

De rechtbank verwerpt het standpunt van de verdediging dat er op neerkomt dat het handelen van verdachte enkel een geheim onderzoek inhield naar de wijze waarop de gratie van [medeverdachte] tot stand was gekomen, dat hij daartoe zijn bevoegdheden als plaatsvervangend officier van justitie heeft gebruikt en dat er geen sprake van was dat verdachte die bevoegdheden uit geldelijk gewin heeft misbruikt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Uit de bewijsmiddelen (waaronder mede te begrijpen de vaststaande feiten) blijkt dat verdachte de opvragingen heeft gedaan nadat hem een geldelijke beloning in het vooruitzicht was gesteld. Dit was ook blijkens zijn eigen verklaringen wel degelijk een drijfveer voor het handelen van verdachte. Verdachte heeft de opvragingen ook niet beperkt tot de personen betrokken bij de gratiekwestie en hij heeft veel naspeuringen gedaan naar aanleiding van namen, telefoonnummers en kentekens die hij van [medeverdachte] kreeg teneinde de bij de oliekwestie betrokken personen te traceren dan wel informatie over hen te verkrijgen. In dat verband worden bijvoorbeeld bevragingen gedaan gericht op [persoon 5], [persoon 6], [persoon 7], [persoon 8] en [persoon 9]25, personen die betrokken waren bij de oliekwestie. Verdachte heeft ook gegevens ter beschikking gesteld aan [medeverdachte], hetgeen zich veeleer laat rijmen met particuliere naspeuringen ten behoeve van [medeverdachte] dan met een geheim onderzoek naar de gratiekwestie. Opvallend is in dit verband dat verdachte niet als eerste het gratiedossier opvraagt, doch juist eerst kentekens en persoonsgegevens opvraagt. Verder past de reis naar Macau niet in een onderzoek naar de gratieverlening. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat verdachte mede naspeuringen deed naar de totstandkoming van de gratie, doet dat dan ook aan een bewezenverklaring niets af.

Vaststaande feiten feit 2.
Op 19 september 2007 wordt in de woning van verdachte te [plaats 1] een geldlenings-overeenkomst en een akte van inpandgeving aangetroffen met als ondertekenaars [verdachte], [echtgenote] en [persoon 2]. De documenten zijn gedagtekend d.d. 20 maart 2004. Het betreft een geldleningsovereenkomst van EUR 50.000,= tussen geldgever [persoon 2] en de geldleners [verdachte] en [echtgenote], met inpandgeving van de complete inboedel van de woning van [verdachte] middels de akte van inpandgeving.26 Bij het Bureau Krediet Registratie komt genoemde lening niet voor.27

Het standpunt van de officier van justitie t.a.v. feit 2.
De officier van justitie acht de valsheid in geschrift wettig en overtuigend bewezen op grond van de verklaringen die verdachte, [echtgenote] en [persoon 2] bij de rijksrecherche hebben afgelegd.

Het standpunt van de verdediging t.a.v. feit 2.
Verdachte stelt zich in zijn door de raadsman ter zitting van 4 februari 2009 overgelegde schriftelijke verklaring op het standpunt dat er wel degelijk geld is geleend van [persoon 2] en dat er aldus geen sprake is van valselijk opgemaakte documenten.
De raadsman bepleit vrijspraak omdat de bewuste documenten niet zijn gebruikt en
nimmer zouden worden gebruikt.

Het oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 2.
De rechtbank stelt vast de verklaring die verdachte omtrent dit feit bij de rijksrecherche heeft afgelegd in grote lijnen en op essentiële onderdelen overeenkomt met en wordt versterkt door de verklaringen die [echtgenote] en [persoon 2] bij de rijksrecherche hebben afgelegd en die [persoon 2] bij de rechter-commissaris heeft herhaald. Gelet op
dit alles ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de verklaring die verdachte bij de rijksrecherche heeft afgelegd.

Verdachte erkent in die verklaring dat hij nooit geld van [persoon 2] heeft geleend en dat hij die stukken valselijk heeft opgemaakt en samen met zijn vrouw [naam] en [persoon 2] heeft ondertekend. Het doel hiervan was te doen alsof de inboedel van verdachte en [echtgenote] toebehoorde aan [persoon 2] teneinde beslaglegging door een deurwaarder te voorkomen.28 [echtgenote] en [persoon 2] bevestigen dat er nimmer geld is (uit)geleend en dat er sprake is van valselijk opgemaakte documenten om de inboedel van [verdachte] en [echtgenote] veilig te stellen.29 Uit diezelfde verklaring van [echtgenote] kan worden afgeleid dat de documenten in [plaats 1] zijn opgemaakt en door betrokkenen in februari 2005 zijn ondertekend. Volgens [echtgenote] is de datum zoals vermeld op de documenten, zijnde 20 maart 2004, een valse datum.30

Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen en de onder het kopje ‘vaststaande feiten’ genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift als hierna bewezenverklaard. De omstandigheid dat de bewuste documenten niet zijn gebruikt staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Het daaromtrent gevoerde verweer van de raadsman berust op een misvatting van de uitleg en reikwijdte van de onderhavige strafbepaling. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is er geen reden om aan te nemen dat de documenten niet zouden worden gebruikt als daartoe feitelijk aanleiding was. Dat was nu juist de reden om die documenten op te maken.

De rechtbank acht niet bewezen dat de valsheid in geschrift mede door (een) ander(en) is gepleegd nu de verfeitelijking van het tenlastegelegde zich beperkt tot verdachtes gedragingen.

Vaststaande feiten feit 3.
Op 19 september 2007 wordt in de woning van verdachte te [plaats 1] een schuldbekentenis en akte van geldlening en een akte van inpandgeving aangetroffen met als ondertekenaars [verdachte], [echtgenote] en [getuige 5]. De documenten zijn gedagtekend d.d. 24 november 2005. Het betreft een schuldbekentenis en akte van geldlening van EUR 25.000,= tussen schuldeiser [getuige 5] en schuldenaars [verdachte] en [echtgenote], met inpandgeving van de complete inboedel van de woning van [verdachte] middels de akte van inpandgeving.31 Bij het Bureau Krediet Registratie komt deze lening niet voor.32

Het standpunt van de officer van justitie t.a.v. feit 3.
De officier van justitie acht de valsheid in geschrift wettig en overtuigend bewezen op grond van de verklaringen die verdachte, [echtgenote] en [getuige 5] bij de rijksrecherche hebben afgelegd.

Het standpunt van de verdediging t.a.v. feit 3.
Verdachte stelt zich in zijn door de raadsman ter zitting van 4 februari 2009 overgelegde schriftelijke verklaring op het standpunt dat er wel degelijk geld is geleend van [getuige 5] en dat er aldus geen sprake is van valselijk opgemaakte documenten.
De raadsman bepleit vrijspraak omdat de bewuste documenten niet zijn gebruikt en
nimmer zouden worden gebruikt.

Het oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 3.
De rechtbank stelt vast de verklaring die verdachte omtrent dit feit bij de rijksrecherche heeft afgelegd in grote lijnen en op essentiële onderdelen overeenkomt met en wordt versterkt door de verklaringen die [echtgenote] en [getuige 5] bij de rijksrecherche hebben afgelegd en die [getuige 5] bij de rechter-commissaris heeft herhaald. Gelet op dit alles ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring die verdachte bij de rijksrecherche heeft afgelegd.

Verdachte erkent in die verklaring dat hij nooit 25.000 euro van [getuige 5] heeft geleend en dat hij die stukken valselijk heeft opgemaakt en samen met zijn vrouw [echtgenote] en [getuige 5] heeft ondertekend. Het doel hiervan was te doen alsof de inboedel van verdachte en [echtgenote] toebehoorde aan [getuige 5] teneinde beslaglegging door een deurwaarder te voorkomen.33 [echtgenote] en [getuige 5] bevestigen dat er nimmer geld is (uit)geleend en dat er sprake is van valselijk opgemaakte documenten om de inboedel van [verdachte] en [echtgenote] veilig te stellen. Uit de verklaring van [getuige 5] kan voorts worden afgeleid dat een en ander in oktober 2006 heeft plaatsgevonden. Volgens [echtgenote] zijn de documenten op 3 februari 2006 in [plaats 1] opgemaakt en diezelfde dag door haar en verdachte ondertekend. De datum zoals vermeld op documenten, zijnde 24 november 2005, is volgens [echtgenote] een valse datum.34

Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen en de onder het kopje ‘vaststaande feiten’ genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift als hierna bewezenverklaard. De omstandigheid dat de bewuste documenten niet zijn gebruikt staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Het daaromtrent gevoerde verweer van de raadsman berust op een misvatting van de uitleg en reikwijdte van de onderhavige strafbepaling. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is er geen reden om aan te nemen dat de documenten niet zouden worden gebruikt als daartoe feitelijk aanleiding was. Dat was nu juist de reden om die documenten op te maken.

De rechtbank acht niet bewezen dat de valsheid in geschrift mede door (een) ander(en) is gepleegd nu de verfeitelijking van het tenlastegelegde zich beperkt tot verdachtes gedragingen.

Vaststaande feiten feit 4.
Op 19 september 2007 wordt in de woning van verdachte te [plaats 1] diverse correspon-dentie aangetroffen betreffende geleden schade aan een plasma-tv van verdachte veroor- zaakt door [persoon 2].35 In een schrijven d.d. 28 augustus 2004, gedagtekend te [plaats 1], stelt verdachte [persoon 2] aansprakelijk voor de geleden schade aan een plasma tv en verzoekt hem de schade van 8.000 euro te melden bij diens verzekeringsmaatschappij [bedrijf 1].36 Op een op 30 augustus 2004 te ’s-Gravenhage gedagtekend en ondertekend schade-aangifte aansprakelijkheidsverzekering formulier van [bedrijf 1] verklaart [persoon 2] dat door zijn schuld het beeldscherm van een plasma tv, met een inkoopprijs van 8.000 euro,
toebehorende aan verdachte, kapot is gegaan.37 In een schrijven d.d. 27 september 2004 meldt [bedrijf 1] aan verdachte dat aan hem een bedrag van EUR 7.335.= als vergoeding voor de schade aan een plasma tv is overgemaakt.38

Het standpunt van de officier van justitie t.a.v. feit 4.
De officier van justitie acht de oplichting van [bedrijf 1] wettig en overtuigend bewezen op grond van de overeenstemmende verklaringen die verdachte en [persoon 2] daaromtrent bij de rijksrecherche hebben afgelegd.

Het standpunt van de verdediging t.a.v. feit 4.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat [persoon 2] een onbetrouwbare getuige is en dat de bewuste plasma tv wel degelijk door hem is vernield. De verdediging bepleit dan ook vrijspraak van de tenlastegelegde oplichting.

Het oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 4.
De rechtbank stelt vast de verklaringen die verdachte en [persoon 2] omtrent dit feit bij de rijksrecherche hebben afgelegd in grote lijnen en op essentiële onderdelen met elkaar overeenkomen en elkaar versterken. [persoon 2] heeft deze verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de
betrouwbaarheid van getuige [persoon 2] te twijfelen en gaat dan ook uit van de juistheid van de inhoud van de door hem afgelegde verklaringen. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank tevens uitgaat van de juistheid van de inhoud van de verklaring die verdachte
bij de rijksrecherche heeft afgelegd.

Uit genoemde verklaringen leidt de rechtbank af dat [persoon 2] níet degene is geweest die de plasma tv van verdachte heeft vernield en dat hij, [persoon 2], ten onrechte door verdachte als aansprakelijke voor de geleden schade is opgevoerd. Voorts kan uit die verklaringen worden afgeleid dat verdachte degene is geweest die het door [persoon 2] ondertekende
schadeformulier heeft ingevuld. Verdachte verklaart voorts dat hij EUR 7.735,= van [bedrijf 1] heeft ontvangen en hij erkent dat hij [bedrijf 1] heeft opgelicht.39,40

Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen en de onder het kopje ‘vaststaande feiten’ genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [bedrijf 1] als hierna bewezenverklaard.

De rechtbank acht niet bewezen dat de oplichting mede door (een) ander(en) is gepleegd nu de verfeitelijking van het tenlastegelegde zich beperkt tot verdachtes gedragingen.

De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is
dat verdachte:

(1 primair)
in de periode van 1 januari 2005 tot 1 december 2005 te [plaats 1] en/of Rotterdam als advocaat-generaal en plaatsvervangend officier van justitie opzettelijk een belofte heeft aangenomen van [medeverdachte], bestaande die belofte uit een toezegging van betaling van 25 (vijfentwintig) procent van een door hem, verdachte, te traceren/lokaliseren geldbedrag, terwijl hij, verdachte, wist dat die belofte hem werd gedaan teneinde hem, verdachte te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen, immers heeft
hij, verdachte, ter uitvoering
-een medewerker van het arrondissementsparket Maastricht en een medewerker van het
Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Oost Nederland en een medewerker van het
ressortsparket [plaats 1], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en
onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen kentekenbevragingen bij/via het
Euregionaal Politie Informatie en Coördinatie Centrum en bij de Belgische liaison en
de Rijksdienst voor het wegverkeer te laten doen en vervolgens deze gegevens aan
hem, verdachte te verstrekken en
-een medewerker van het ressortsparket [plaats 1], anders dan in het kader van een
strafrechtelijk onderzoek en onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen het justitieel
documentatie register te bevragen en vervolgens de verkregen gegevens aan hem,
verdachte te verstrekken en
-een medewerker van het ressortsparket [plaats 1], anders dan in het kader van een
strafrechtelijk onderzoek en onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen gegevens uit
gemeentelijke basis administraties op te laten vragen en
gegevens uit gemeentelijke basis administraties opgevraagd deels onder vermelding van
onjuiste informatie en vervolgens deze gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en
vervolgens de gegevens verkregen uit deze gemeentelijke basisadministraties ter
beschikking gesteld aan, [medeverdachte] welke niet gerechtigd was kennis te nemen van
deze informatie en
-een medewerker van het ministerie van justitie, anders dan in het kader van een
strafrechtelijk onderzoek gevraagd afschriften van gratiestukken aan hem, verdachte, te
verstrekken en
-meermalen medewerkers van de regiopolitie [regio], anders dan in het kader
van een strafrechtelijk onderzoek en deels onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen
zogenaamde N.A.W. gegevens van meerdere telefoonnummers en/of persoonsgegevens
van/met betrekking tot [persoon 1] op te vragen en vervolgens deze gegevens aan hem,
verdachte te verstrekken en
-een medewerker van het arrondissementsparket Rotterdam en de rechtbank Rotterdam,
anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/onder valse voorwendselen,
gevraagd/bewogen strafrechtelijke gegevens met betrekking tot meerdere personen te
achterhalen.

(2.)
in de periode van 20 maart 2004 tot en met de maand februari 2005 te [plaats 1] een geldleningovereenkomst en een akte van inpandgeving - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk deze geldleningsovereenkomst en deze akte van inpandgeving opgesteld en ondertekend als ware de inhoud van deze geldleningovereenkomst en deze akte van inpandgeving waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

(3.)
in de periode van 24 november 2005 tot en met de maand oktober 2006, te [plaats 1] een schuldbekentenis en akte van geldlening en een akte van inpandgeving - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk deze schuldbekentenis en akte van geldlening en deze akte van inpandgeving opgesteld en ondertekend als ware de inhoud van deze schuldbekentenis en akte van geldlening en deze akte van inpandgeving waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

(4.)
in de periode van 28 augustus 2004 tot en met 27 september 2004 te [plaats 1] en/of 's-Gravenhage met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door
het aannemen van een valse hoedanigheid [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 7.335,00 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk
weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid op een schade-aangifte aansprakelijkheidsverzekering formulier ingevuld dat [persoon 2]
(zakelijk weergegeven) een plasma televisie heeft kapot gemaakt, waardoor (een werknemer/medewerker van) [bedrijf 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.
t.a.v. feit 1 primair:
De verdediging voert aan dat er bij verdachte sprake is geweest van een nagestreefd “hoger” doel, te weten de opsporing van een ambtenaar die zich schuldig zou maken aan het plegen van strafbare feiten (waaronder onregelmatigheden t.a.v. gratieverlening). De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit hogere doel de schending van strafrechtelijke voor-schriften rechtvaardigt en dat, zo in dit geval aan de orde (quod non), er sprake is van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Dat verdachte enkel een hoger doel nastreefde waarvoor wettelijke voorschriften moesten wijken, acht de rechtbank niet geloofwaardig en evenmin geschraagd door de feiten. De rechtbank wijst in dit verband allereerst op hetgeen zij ten aanzien van dit punt bij de bewezenverklaring van feit 1 heeft overwogen en beslist. Voorts springt in dit verband in het oog dat verdachte zijn onderzoeksactiviteiten in de richting van de arts [persoon 1] (voor wie verdachte een rol veronderstelde in zowel de gratie- als de Macau-zaak) vrijwel onmiddellijk staakte toen [persoon 1] hem bij brief berichtte dat hij overwoog over hem een klacht bij de minister van justitie in te dienen omdat verdachte onrechtmatig naspeuringen naar hem deed.41,42

Daargelaten of er sprake was van het plegen van strafbare feiten door een of meer ambtenaren en of een onderzoek hiernaar was geboden, het had in elk geval op de weg van verdachte gelegen dit onder de aandacht van zijn superieuren te brengen. Dit heeft hij niet gedaan omdat hij, naar eigen zeggen, niemand in zijn werkomgeving vertrouwde. Verdachte heeft gekozen voor een geheel eigenmachtig optreden en daarbij, zoals is bewezen, diverse malen gehandeld in strijd met zijn plicht. Aan de bewezenverklaarde feiten komt naar het oordeel van de rechtbank de strafbaarheid niet te ontbreken indien deze zijn begaan met de bedoeling daarmee eigenmachtig onderzoek te doen naar mogelijk strafbaar handelen, zeker niet als daarbij de gebruikelijke procedures worden ontlopen alsmede personen en instanties onder valse voorwendselen worden bewogen gegevens te verschaffen.
Het is naar het oordeel van de rechtbank niet aanvaardbaar, hoe honorabel een nagestreefd doel ook kan zijn, waarvan in casu overigens niet is gebleken, dat de strafwet t.a.v. de methode om dat doel te verwezenlijken, zou moeten wijken voor het door verdachte kennelijk veronderstelde betere inzicht.

Het oordeel van de rechtbank luidt derhalve dat er geen sprake is van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, zodat het bewezenverklaarde feit strafbaar is.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f , 57, 225 (oud), 225,
326 (oud) en 363.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie. (bijlage 2)
De officier van justitie vordert t.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4:
*een werkstraf van 240 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 120 dagen hechtenis;
*een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren;
*toewijzing van de vordering van benadeelde partij [bedrijf 1], hoofdelijk, met
daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging.

Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich door een financiële toezegging laten verleiden om uit hoofde van zijn ambtelijke functie bevoegdheden in te zetten voor privédoeleinden. Daarnaast heeft hij - kort gezegd - drie frauduleuze delicten gepleegd. Aangenomen mag worden dat verdachte bij het plegen van de feiten heeft gehandeld uit puur eigen financieel gewin. In zijn algemeenheid wordt door ambtelijke corruptie en ambtelijke fraude het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit van overheidsdienaren mag hebben in ernstige mate geschaad. De betrokkenheid van een hooggeplaatste rechterlijk ambtenaar bij dergelijke feiten levert een aanzienlijke bijdrage aan een negatieve beeldvorming van het rechterlijke apparaat en draagt bij aan het toenemend wantrouwen van de burger ten opzichte van de overheid als geheel. Juist van verdachte, die jarenlang dergelijke strafbare feiten vanuit zijn functie heeft bestreden, had een ander handelen mogen worden verwacht.


Uit een rapport van psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle d.d. 7 december 2008 blijkt dat verdachte lijdt aan een angststoornis en dat de door hem gepleegde strafbare feiten hem in enigszins verminderde mate moeten worden toegerekend. De rechtbank zal hiermee in het voordeel van verdachte rekening houden. Daarnaast houdt de rechtbank in zijn voordeel
ermee rekening dat sedert het tijdstip waarop de door verdachte strafbare feiten hebben plaatsgehad inmiddels geruime tijd is verstreken.

Gelet op dit alles acht de rechtbank een straf als door de officier van justitie geëist op zijn plaats . Een onvoorwaardelijke straf is noodzakelijk om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen Een forse werkstraf is daartoe voldoende en geëigend gelet op het tijdsverloop en de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van het onherstelbare vormverzuim heeft overwogen zal de rechtbank de werkstraf van 240 uur verminderen met 40 uur, zodat 200 uur werkstraf resteert. De rechtbank acht die vermindering voldoende recht doen aan de geconstateerde schending.

Een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden is eveneens op zijn plaats.
De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De vordering van benadeelde partij [bedrijf 1]. (feit 4)
De rechtbank acht de gehele vordering toewijsbaar als rechtstreeks door het bewezen-verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.














DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 primair:
als ambtenaar een belofte aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen.

t.a.v. feit 2:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 3:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 4:
oplichting.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.
t.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4:
*Werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig
artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

*Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd
van 2 jaren.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij. (feit 4)
Maatregel van schadevergoeding van EUR 7.335,= subsidiair 71 dagen hechtenis.
Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1] van een bedrag van EUR 7 .335,= (zegge: zevenduizend-driehonderdvijfendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 71 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] van een bedrag van EUR 7 .335,= (zegge: zevenduizenddriehonderdvijfendertig euro).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

 

De school als informant van AMK, BJZ, RVDK zonder toestemming van de ouders belast met het gezag over een kind
465 Heeft u afschrift van een compleet schooldossier van uw kind gekregen en iedere pagina genummerd?
464 Heeft u verzoek 464 per kind al bij de school ingeleverd? Indien neen, waarom niet?
123 Oerlemans 1, 2 en 3. SPOED VERZOEK om een verkeerde ontvangstbevestiging onverwijld te corrigeren!
516 IGB! Na 14 dagen stuurt u de school een ingebrekestelling met dwangsom indien de school niet op verzoek 465 heeft beslist
BSC Heeft u onderzoek naar het schoolbestuur, schooldirecteur, leerkracht gedaan? Welke schoolopleiding? Kandidaat voor welke politieke partij?
379
Het gevaar! Hoofdredacteur Wegener krant: "Van alle kanten kreeg ik berichten om Groep Hop dood te zwijgen"
511
School & politiek! Met SCHOOLDIRECTEUR als gespreksleider werd geprobeerd Groep Hop in een debat dood te zwijgen!
684
School & politiek In Ermelo werden de farizeeërs weer gesignaleerd bij Christelijk College Groevenbeek om Groep Hop dood te zwijgen!
111
24 augustus 1572 vermoordde Franse overheid 30.000 protestanten om het van kerk en staat afwijkende geloof de kop in te drukken
178
In Nederland werd Fortuyn vermoord! De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak
427
Nederland zet een advocaat met baantjes bij kerk en school in om vrijheid van meningsuiting over "jeugdzorg" te onderdrukken
055
Klacht GEGROND met Hop als gemachtigde tegen JJI! Minderjarige mocht ten onrechte ALS STRAFMAATREGEL niet naar school
324
Frans Groenendijk-norm! Hoe hoger persoon in partijhierarchie hoe minder kritiek hoe fanatieker eigen denkvermogen werd onderdrukt
540
Het Vrije Volk, Mark Maathuis, 2 juni 2008. Premier Balkenende is de kritiek op zijn kabinet beu. Het idee dat Nederland geen vooruitgang boekt deugt volgens hem niet. En terecht. Zijn Gristelijke greep op het land wordt met de dag steviger. Gristelijke politici hebben de jaren `90 met afgrijzen bekeken. Veroordeeld tot de oppositie konden zij weinig inbrengen tegen de triomfdagen van het liberalisme. Toen het CDA in 2002 weer mocht regeren werd het aan banden leggen van het losgeslagen Nederland Programmapunt Eén.
177 Aan de burgemeesters van alle gemeenten in Nederland inzake overleg Ministerie voor Jeugd en Gezin, VNG, GGD Nederland en ActiZ
1. ElectronischKindDossier (EKD)/lokale systemen moet GBA-gegevens inclusief het BurgerServiceNummer (BSN) kunnen ontvangen!

2. Alle digitale JGZ dossiers moeten informatie uit kunnen wisselen met entadministraties, verloskundigen, informatiebank, verwijsindex risicojongeren en moeten berichten kunnen verzenden/ontvangen om deze uitwisseling mogelijk te maken!

3. Om uitwisseling van gegevens met de zorgsector mogelijk te maken zal het digitale JGZ dossier gekoppeld worden aan het landelijk schakelpunt (LSP), waar ook het Elektronisch Patiëntendossier (EPD) gebruik van maakt. 

540 INFORMANT: "De bedreiging die ik als moeder ervaar is dat déze overheid voor al onze kinderen een risicoanalyse wil maken"
566 INFORMANT: "A. wordt gepest op school! Ouders zijn genoodzaakt haar van De Vlinder Dieren af te halen!"
567 INFORMANT: "Na verzoek 465 wordt eerst afschrift dossier geweigerd! Later wordt een geschoond dossier aan ouders gegeven!"
568 INFORMANT: "School De Vlinder Dieren met rechter in bestuur weigert pesten te stoppen en A. wordt bij andere school aangemeld"
575 INFORMANT: "260606 Vlinder neemt wraak op meisje van 9 na aanmelding andere school door bij SBJG op UHP van A. aan te dringen!"
651 Is de school lid van de Vereniging van openbare en algemeen toegankelijke scholen dan kunt u een bezwaarschrift indienen
634 Openbare Basisschool De Woordhof, Keppelseweg 30, 6999 AP Hummelo, VERZOEK 464 en 465, BEZWAAR en BEROEP
484 Jurisprudentie: "Van een school kan niet worden gevergd dat zij de ouders op ieder willekeurig moment te woord staat"
186 Gewijzigde vaststelling van de rijksbijdragen en terugvordering van de ten onrechte aan de stichting betaalde bedragen
090 Is nadenken over wat er om je heen gebeurt gevaarlijk voor kinderen en/of hun ouders
342 Geschiedenis 7 oktober 2005 Vraagjes van Hop aan College Ermelo inzake verkeer, verkeersforum,verkeerssituaties in Ermelo
Kunt u mij uitleggen welke instantie SMF is, die de gebruikersnaam controleert?
Kunt u mij uitleggen welke anderen u bedoeld met de vraag "E-mailadres verbergen voor anderen"?
Kunt u mij uitleggen waarom u niet kenbaar maakt dat er een profiel van de gebruiker aangemaakt én bewaard wordt?
Kunt u mij uitleggen wat er met het gedaan wordt en wie er inzage in hebben?
Kunt u mij uitleggen hoe het profiel tegen misbruik beschermd wordt?
Kunt u mij uitleggen waarom uitsluitend de voorwaarden om aan "Ermelo forum" mee te doen, in het Engels gesteld zijn?
Kunt u mij uitleggen waarom expliciet gesteld wordt dat de gegeven reactie niet strijdig mag zijn met iedere internationale _ÉN wetgeving van de Verenigde Staten_?
Kunt u mij uitleggen waarom er in dit verband voorbij gegaan wordt aan de Nederlandse wetgeving?
Kunt u mij uitleggen waarom er in de voorwaarden glashard gelogen wordt? Met name de laatste zin "The software does not collect or send any other form of information to your computer".
623 Doordat akten van de burgerlijke stand elektronisch worden opgeslagen, kan er direct een zogeheten 'dubbel' worden gestuurd naar de centrale bewaarplaats van de Justitiële Informatiedienst (JustID) in Almelo.
602 Rechtersleger in Nederland: "Een valse melding kindermishandeling tegen ouders is niet onrechtmatig!" 
621 Hop adviseert ouders alleen met de Algemene wet bestuursrecht als norm te procederen en een partijdige rechter gelijk te wraken
651 Is de school lid van de Vereniging van openbare en algemeen toegankelijke scholen dan kunt u een bezwaarschrift indienen
622 Iemand die 'foute' denkbeelden of activiteiten heeft of 'foute' mensen kent, loopt grootste kans om afgeluisterd te worden
273 Inzicht in "uithollen wetgeving" door rechtersleger over het afluisteren van mobiele telefoons die "stand by" staan
624 Donner CDA rechter/MvJ: Peter Plasman: "Donner wil nu de vrijheid om het doen en laten van de hele bevolking vast te leggen"
626 Donner CDA rechter/MvJ: wil dat politie gegevens opslaat over burgers die niet worden verdacht worden van strafbaar feit
246 Donner CDA rechter/MvJ: "Het is misplaatst en onverantwoord te zoeken naar de schuldigen in de zaak Savannah. We moeten ons verzetten tegen negatieve beeldvorming over de gezinsvoogdij!"
476 Donner CDA rechter/MvJ: voorbeeld van het onder elkaar verdelen van alle belangrijke bestuurs- en juridische baantjes
187 Donner CDA rechter/MvJ: verbiedt proef 'no cure no pay' wil NIET dat burgers zelf gaan/kunnen procederen zonder advocaat!
267 Donner CDA rechter/MvJ: "Om hanteerbaar te blijven moet maatschappelijke onvrede over rechtspraak politiek gekanaliseerd worden"
482 Donner CDA rechter/MvJ: Confrontatie LPF met CDA MvJ Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
382 Donner CDA rechter/MvJ: deed uitspraak als RECHTER terwijl hij helemaal geen rechter was! Niemand maakt zich daar druk over!
394 Donner CDA rechter/MvJ: Uitspraken “in naam der koningin” door meervoudige kamers de minuten, afschriften en grossen worden als regel valselijk worden opgemaakt! Deze uitspraken worden namelijk niet ondertekend door wie dat wettelijk zouden moeten doen, de voorzittende rechter/raadsheer en dienstdoende griffier, maar door onbevoegde administratieve medewerkers. Het ‘in naam der koningin’ in rechtsbesluiten is niet meer dan een “overblijfsel” en we maken deze uitspraken altijd al valselijk op laat CDA rechter en MvJ Donner op vragen hierover weten
627 Nederlanders worden massaal afgeluisterd met keur aan middelen voor politie en Justitie om mobiele telefoons af te tappen
628 De 'geheime' internet tapkamer van de overheid. Hoe weet je als burger dat je internetverkeer afgetapt wordt?
629 Verdrag Draft Convention on Cybercrime met wetgeving goed voor politie en justitie maar niet voor industrie en samenleving
188 Opslaan internetsporen 'erger dan de Stasi, Met EU richtlijn opslaan verkeersgegevens is Europa een grote politiestaat geworden
630 Nieuwe ontwikkelingen in Amerika tonen aan hoe burgers nog verder in de gaten gehouden gaan worden door overheden
631 Echelon, Amerika luistert mee ook met de meest geheime bedrijfseconomische informatie
290 Interpay betrokken bij commerciële adrescontrole: "Het op systematische wijze opschonen en actualiseren van adressenbestanden van organisaties die zich bezig houden met bedelacties"
114 Rechters en Officieren van Justitie klagen over Hop willen privé-gegevens over nevenfuncties van internet worden gehaald
BSC Interne of externe BSC? Waarom zijn namen, titels, initialen, nevenfuncties (267) leden/secretarissen bezwaarcommissies GEHEIM?
389 OM probeert namen, initialen, functieomschrijvingen en nevenfuncties OM-ambtenaren voor burgers GEHEIM te houden
377 Vraag altijd afschrift Koninklijk Besluit! Controleer of u met een echte of een pseudo Officier van Justitie te maken heeft
206 Het gevaar! Het VELDKAMP-syndroom staat voor de partners van Justitie medewerkers die gaan klagen als op internet wordt vermeldt dat hun echtgenote burgers aan de telefoon netjes en correct conform de wet behandeld
381 Als de politie uw aangifte NIET wil opnemen dient u gelijk een klacht in bij de burgemeester
380 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen van overheidsorganen
020 Macht is recht! Wie meer macht heeft heeft veel meer rechten in Nederland!
383 Stemwijzer! Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! STEM NIET OP CDA, Christen-Unie, SGP en VVD! Stem WEL op andere partij!
290 Drukwerk! Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Stuur al uw ongevraagd drukwerk DIRECT geweigerd retour!
290 Goede doelen! Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Geef geen geld aan collectes, andere (gesubsidieerde) goede doelen!
070 Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Weiger onderzoek door Raad voor de Kinderbescherming, hou ze buiten de deur!
445 Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Weiger onderzoek door Raad voor de Kinderbescherming, ga ook niet naar de RvdK!
445 Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Weiger telefoongesprekken met personeel RvdK! Gooi gelijk de hoorn op de haak!
633 Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Dien tegen ieder RvdK BESLUIT gelijk een bezwaarschrift in!
459 Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Annuleer uw abonnement op uw (gesubsidieerde) krant! Plaats ook GEEN advertenties!
445 Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Publiceer uw praktijkervaringen met personeel van de RvdK ook op internet!
091 Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Verzoek om gemeentegarantie vingerafdrukken bij nieuw paspoort of identiteitskaart!
445 Boycot de Raad voor de Kinderbescherming! Doe zelf mee met provinciale verkiezingen 2011 en verkiezingen gemeenteraad 2014!
282 Fortuyn. Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat 
267 "Iedere kritiek afzonderlijk is niet gevaarlijk, maar de druppel holt de steen uit, niet door geweld, maar door gestaag te vallen"
   

top