SLAVERNIJ IN NEDERLAND ©


(216) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de CDA/CDA-PR en Communicatie
(90) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Buurtvereniging Speuld en Omstreken
(215) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de ErmeloNieuws.nl
(103) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Ermelose Jongerenraad
(75) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Ermelo's Weekblad
(199) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Christelijk College Groevenbeek
(128) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Bedrijvenkring Ermelo (BKE)

 

Kent u iemand in Ermelo? Vraag of hij/zij Groep Hop wil stemmen...

Contact: lees verder

Bedrijvenkring Ermelo. Op 17 november 2005 12:20 uur schreef Johan Roseboom (SGPer)=SGJ namens Navobi onderdeel van Drie Groep aan Hop Citaat: Ik vertrouw de Ermelo's samenleving zo , dat ik er 100 % van uit ga, dat je (Hop) geen enkele zetel krijg. Navobi is een producent van kalvermelk, kalverhouderij, voedselproductie, kalverslachterij, vleesverwerking en kalfsvellen

 

 

(178) Pim Fortuyn : "Als mij wat gebeurd, dan zijn zij, politici van Paars, medeverantwoordelijk. Zij hebben het klimaat gecreëerd en dat moet stoppen" 

Pim Fortuyn: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"

 

07-03-2003 Telastlegging verdachte zaak Fortuyn

De verdachte in de zaak Fortuyn wordt er door officier van justitie Koos Plooy (35) van beschuldigd dat:

Feit 1
Hij op 6 mei 2002 te Hilversum opzettelijk en met voorbedachten rade W.S.P. Fortuyn van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool vijf, althans een aantal kogels in de nek en/of rug en/of de schedel van die Fortuyn geschoten, waardoor die Fortuyn zodanige verwondingen aan de hersenen en/of het hart en/of de hals en/of de linkerlong heeft opgelopen, dat hij daaraan is overleden;

(artikel 289 Wetboek van Strafrecht - Moord)

Feit 2
Hij op 6 mei 2002 te Hilversum H.A.J. Smolders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte tijdens een achtervolging door die Smolders opzettelijk dreigend zich in diens richting omgedraaid en/of een vuurwapen op hem gericht, althans aan hem getoond;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht - Bedreiging met bepaalde ernstige misdrijven)

Feit 3
Hij op 6 mei 2002 te Hilversum een wapen van de categorie III, te weten een pistool (merk Star, model Firestar 34, kaliber 9x19mm) en/of munitie van categorie III, te weten één patroon (merk MRP, kaliber 9x19mm), en/of

te Harderwijk munitie van categorie III, te weten 27 patronen (merk S&B, kaliber 9x19mm) en/of 18 patronen (merk MRP, kaliber 9x19mm) en/of één patroon (merk PMC, kaliber 9x19 mm), voorhanden heeft gehad;

[de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd]

(artikel 26 Wet wapens en munitie)

Feit 4
hij op 24 juni 2002 te Harderwijk, althans één of meerdere condooms, (elk) inhoudende een materiaal bevattende (een mengsel op basis van) kaliumchloraat en suiker, en/of één of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende zwavelzuur, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die (al dan niet in combinatie met elkaar) bestemd is/zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

[de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd]

(artikel 26 Wet wapens en munitie)

 

Overzicht gevonden anarchistische lectuur Volkert van der G. in een koffer op de zolder is te lezen in requisitoir hoger beroep

010403 Requisitoir hoger beroep

Inleiding

Verdachte heeft een politieke moord gepleegd en daarbij past een levenslange gevangenisstraf.

Dat is het standpunt van de officier van justitie en daarom is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar.
Waarom die straf en de motivering daarvan geen recht doen aan wat hier is gebeurd en op welke gronden het openbaar ministerie tot een andere afweging komt dan de rechtbank zal ik hierna uiteen zetten.
Ik stel daarbij voorop dat het vonnis van de rechtbank een heldere en gewetensvolle keuze bevat. Ik meen dan ook dat de rechtbank onrecht wordt gedaan door degene die dit een decadent vonnis noemt. (Vrij Nederland d.d. 28 juni 2003).
Dat het openbaar ministerie er geen enkele behoefte aan heeft om buiten hetgeen zich in de rechtszaal afspeelt van de raadsman van benadeelde partijen te vernemen wat het zou moeten doen moge duidelijk zijn. Ook hier wordt daarvan afstand genomen.

Voorvragen

Preliminaire verweren zijn ook in hoger beroep niet gevoerd.
Ambtshalve bestaat evenmin aanleiding tot nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechter, niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel schorsing van de vervolging.

Bewijs

Voor het onder 1, 2 en 3 telastegelegde is verdachte veroordeeld. Wat het bewijs betreft van het feitencomplex dat zich op 6 mei 2002 heeft voorgedaan kan ik kort zijn. Ik volsta met verwijzing naar de door de rechtbank genoemde en door de verdediging niet betwiste bewijsmiddelen, waaruit de bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 telastegelegde volgt.

Van het onder 4 telastegelegde heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken. Ook daartegen is het appčl gericht. Met de officier van justitie acht ik de strafrechtelijke bestemming van de op 24 juni 2002 in de garage van verdachte inbeslaggenomen voorwerpen wel bewezen.
De redenen waarom zijn door de officier van justitie helder uiteengezet in de appčlmemorie. Ik sluit mij daarbij onverkort aan en verwijs naar de betreffende passage in de appčlmemorie, die door mij is voorgedragen bij de toelichting van de reden van het appčl.

Daaraan voeg ik nog het volgende toe.
Ter zitting van het hof wil verdachte de explosieve condooms plaatsen in een onschuldig vuurwerkkader. Waar anderen rotjes afsteken bij een feestelijke gelegenheid vuurt hij condooms af.
Daarbij doet wel vreemd aan dat verdachte deze explosieven, ongeveer 40 stuks, gefabriceerd heeft begin negentiger jaren in een depressieve periode. En voorts dat het volgens verdachte bij een vijftal proeven is gebleven en gedurende lange jaren kennelijk geen enkele feestelijke gelegenheid aanleiding heeft gegeven tot het afsteken van de 35 resterende feestcondooms.
En tenslotte dat hij die condooms wel tien jaar later mee heeft verhuisd van Wageningen naar Harderwijk. Dat alles maakt de onschuldige vuurwerksetting allerminst aannemelijk.

Ik ben dan ook met de officier van justitie van mening dat verdachte ten onrechte van het onder 4 telastegelegde is vrijgesproken en dat alsnog bewezenverklaring zou moeten volgen.
Daarbij wil ik op voorhand opmerken dat ik het al dan niet bewezen zijn van het onder 4 telastegelegde niet relevant acht voor de vraag of tijdelijke dan wel levenslange gevangenisstraf zou moeten volgen. Bij die vraag gaat het om het gebeuren op 6 mei 2002.

De bewezen feiten zijn moord, bedreiging en handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie.

De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

Bij gebreke van een rechtvaardigingsgrond staat de strafbaarheid van de feiten niet ter discussie. De strafbaarheid van verdachte evenmin.
De gedragsdeskundigen komen na uitvoerig onderzoek van verdachte in het PBC immers tot de conclusie dat deze feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.
Die conclusie is door de verdediging niet betwist en wordt door mij overgenomen.
Dat betekent niet dat bij mij geen vragen zijn gerezen naar aanleiding van de rapportage.
Met name uitlatingen van deskundigen via de media over een mogelijkerwijze niet onderkend syndroom van Asperger, een autisme-variant, stemmen tot nadenken.
Temeer nu de conclusie van het PBC, dat de bij verdachte geconstateerde obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis niet van aanwijsbare invloed geweest is ten tijde van de het hem telastegelegde, niet zonder meer invoelbaar is.
Het is dan ook een goede zaak dat twee van die deskundigen ter zitting van het hof zijn gehoord, evenals de psycholoog van het PBC, die verdachte heeft onderzocht.
Mijn conclusie naar aanleiding van hun verklaringen is de volgende.

De Asperger-deskundigen, zoals ik ze gemakshalve maar zal noemen, hebben steeds vooropgesteld dat zij verdachte niet hebben onderzocht en de rapportage van het PBC niet hebben gezien. Zij onderschrijven het beginsel Never analyse the unseen patient en uiten slechts vermoedens.
Zij hebben die vermoedens uitsluitend gebaseerd op wat zij via de media hebben vernomen omtrent verdachte. Dat zij daaraan het idee hebben ontleend, dat verdachte wel eens aan dit syndroom zou kunnen lijden, is niet vreemd. Een aantal aspecten van zijn persoonlijkheid kunnen daartoe inderdaad aanleiding geven.
Nu evenwel is gebleken dat het PBC dit syndroom uitdrukkelijk heeft betrokken in het onderzoek en na ruggespraak met collega-deskundigen op ter zitting uiteengezette gronden tot de conclusie is gekomen dat van dit syndroom bij verdachte geen sprake kan zijn, meen ik daarvan uit te mogen gaan.

Op de gedragsdeskundige rapportage kom ik hierna terug in het kader van de straftoemeting.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, bedreiging en handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie en moet daarvoor worden gestraft.
De wijze waarop dit moet gebeuren staat hier ter discussie. Ik kom daarop terug.

Wat de inbeslaggenomen voorwerpen betreft kan ik kort zijn. Het beslag is inmiddels afgehandeld in onderling overleg tussen openbaar ministerie en verdediging. De enige resterende voorwerpen zijn de auto en een koffer. Met de officier van justitie ben ik van mening dat de auto moet worden verbeurd verklaard, nu de moord met behulp van deze auto is voorbereid. Tegen teruggave aan verdachte van de koffer bestaat geen bezwaar.

Wat de vorderingen van de benadeelde partijen betreft kan ik mij verenigen met de overwegingen van de rechtbank op pagina 22 tot en met 25 van het vonnis en de daaruit voortvloeiende beslissingen, zoals weergegeven op pagina 27 en 28 van het vonnis.

Vormverzuimen in de zin van 359aSv.

Volgens de verdediging zouden zich bij het voorbereidend onderzoek een aantal omstandigheden hebben voorgedaan, die zijn aan te merken als vormverzuimen in de zin van 359a Sv. Daardoor zou nadeel zijn veroorzaakt, dat zou moeten worden gecompenseerd door verlaging van de op te leggen straf.
Hetgeen daartoe is aangevoerd heeft de rechtbank gemotiveerd verworpen op pagina 17 tot en met 19 van het vonnis. Met verwijzing naar de desbetreffende overwegingen van de rechtbank sluit ik mij daarbij aan.

De door de verdediging in dit kader genoemde omstandigheden zijn de volgende:
? voorlopige hechtenis en detentieomstandigheden
? uitlatingen van politici
? ministeriële interventie in het PBC- onderzoek
? aantasting van de verklaringsvrijheid van verdachte

Alle genoemde omstandigheden zijn gedurende het voorbereidend onderzoek en de aanloop naar de inhoudelijke behandeling van deze zaak telkens op het daartoe geëigende moment door de daartoe bevoegde instantie gewogen, getoetst en beoordeeld.
Op geen enkele wijze zijn daaruit vormverzuimen als bedoeld in 359a Sv. te distilleren.
Voor een strafverlaging op basis van dat artikel bestaat dan ook geen grond, aldus de rechtbank. Die conclusie neem ik over.
Ook sinds het wijzen van het vonnis van de rechtbank hebben zich geen omstandigheden voorgedaan, die een grond tot strafverlaging op basis van artikel 359a Sv. zouden kunnen opleveren.

Een politieke moord

Ik kom nu tot de kern van deze zaak. Verdachte heeft een politieke moord gepleegd en daarbij past volgens de officier van justitie een levenslange gevangenisstraf.

Op het motief van verdachte zal ik hierna ingaan. Voor de vaststelling dat het om een politieke moord gaat is voldoende, dat verdachte een lijsttrekker kort voor de Tweede Kamer verkiezingen heeft vermoord in verband met diens opvattingen en daarmee een bij uitstek politieke daad heeft gepleegd.
Dat maakt deze zaak uniek.

Zo uniek dat men, zoekend naar gebeurtenissen die deze zaak benaderen, ver terug moet gaan in de vaderlandse geschiedenis.

In 1584 wordt in Delft Willem I, Prins van Oranje, vermoord door Balthazar Gerardts, die hem beschouwde als “de tiran van Nederland”.
De moordenaar wordt veroordeeld tot de zwaarste straf, zijnde de dood door onthoofding na vele “tormenten”.

In 1672 worden in Den Haag Johan de Witt, tot kort tevoren Raadspensionaris van de Republiek, en zijn broer Cornelis vermoord door morrend oranjegezind gepeupel. Men verwijt de net afgezette Raadspensionaris het land na tijden van voorspoed in een penibele situatie te hebben gebracht van oorlog te land met Frankrijk en ter zee met Engeland.
De daders worden niet gepakt.
Wel wordt enkele maanden eerder Jacob van der Graeff gearresteerd na een mislukte aanslag, samen met zijn broer Pieter, op de dan nog volledig in functie zijnde Raadspensionaris, die gewond weet te ontkomen.
Jacob van der Graeff bekent en verklaart te hebben gehandeld ter verdediging van de kerk tegen de vijand.
Ook hij wordt veroordeeld tot de zwaarste straf, in die tijd dood door onthoofding.

Sindsdien zijn 330 jaar verstreken totdat verdachte op 6 mei 2002 in Hilversum Pim Fortuyn vermoordt, lijsttrekker van een politieke partij, die met zeer uitgesproken standpunten “op winst” staat vlak voor de enkele dagen later te houden verkiezingen.

In die 330 jaar is het strafklimaat in Nederland uiteraard –en gelukkig maar!- sterk gewijzigd. Het algemene gevoelen over het uitzonderlijke en volstrekt onaanvaardbare van een dergelijke daad daarentegen in het geheel niet.

Dat geldt evenzeer voor andere landen.
Ik verwijs naar de moord in 1995 op de toenmalige Israëlische premier Yitzhak Rabin door een joodse rechts-radicale jongeman, Yigal Amir geheten, uit onvrede met de toenadering van Rabin tot de Palestijnen.
De dader wordt beschreven als een hoogst intelligente “loner”. Hij beschouwde Rabin als “evil” en was bang dat iemand anders hem voor zou zijn met de moord, daarmee “stealing his chance for fame”. Yigal Amir is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

Onze verdachte had, anders dan Yigal Amir, achteraf liever gezien dat een ander het had gedaan. Althans dat zegt hij na eindeloos en in alle denkbare bewoordingen te zijn doorgevraagd over eventuele gevoelens van spijt. Ik heb daar mijn twijfels over. Daarop kom ik later terug.

Men kan natuurlijk niet simpelweg volstaan met de conclusie dat deze daad sinds eeuwen uniek in Nederland en omringende landen is, dat derhalve elk referentiekader ontbreekt, dat een daad als deze onaanvaardbaar is en door niets te rechtvaardigen valt, dat de dader niet gek is en daarom maar levenslang moet worden opgesloten in een gevangenis.

Ook een unieke zaak als deze moet worden beoordeeld aan de hand van een stramien en criteria, zoals die zijn ontwikkeld gedurende lange jaren van strafrechtspleging.

Aan de hand van dat stramien moet eerst worden bezien welke strafsoort passend is.
Vervolgens moet de strafduur worden bepaald op grond van de mate van verwijtbaarheid.
Die verwijtbaarheid is te onderscheiden in objectieve en subjectieve verwijtbaarheid.

De strafsoort staat in deze zaak nauwelijks ter discussie.
Verdachte heeft iemand na kalm beraad om het leven gebracht. Dat feit alleen al is zo buitengewoon ernstig dat uit het oogpunt van vergelding alleen een langdurige vrijheidsstraf in aanmerking komt.

Vergelding is en blijft de grondgedachte, waarop ons strafrecht is gebaseerd. Straffen is vergelden. Dat houdt in: De norm van de samenleving bevestigen middels een passende reactie op een vergrijp, waardoor die norm is geschonden. Daarmee wordt herstel van het door het vergrijp verstoorde evenwicht beoogd en tevens wordt daarmee de preventie gediend.

Het gaat in deze zaak om de strafduur en met name om de vraag of deze tijdelijk of levenslang zou moeten zijn.


Is levenslang onmenselijk

Levenslange gevangenisstraf is in ons land de zwaarste strafrechtelijke sanctie.
Is deze sanctie onmenselijk?

Met een beroep op het EVRM is wel betoogd dat sprake zou zijn van een inhumane straf in de zin van artikel 3 EVRM, indien een gestrafte in de gevangenis zou moeten sterven. Ook het ontbreken van enige mogelijkheid tot terugkeer in de maatschappij zou onmenselijk zijn.
De Hoge Raad (HR 9 maart 1999, NJ 1999, 435) heeft een dergelijk beroep verworpen, nu daarvoor geen steun kan worden gevonden in het recht. Daarbij verwijst de HR naar de conclusie van de AG, die terzijde overweegt dat ook levenslang gestraften voor ambtshalve gratiëring in aanmerking kunnen komen, bij voorbeeld door omzetting van de levenslange straf in een tijdelijke. Ook wijst de AG erop dat in het resocialisatiebeginsel van de Beginselenwet Gevangeniswezen , inmiddels vervangen door de Penitentiaire Beginselenwet, niet een aanspraak van iedere veroordeelde op invrijheidstelling besloten ligt.
In hetzelfde arrest is een beroep op artikel 5 lid 4 EVRM aan de orde, vanwege het ontbreken van de mogelijkheid de rechtmatigheid van de verdere tenuitvoerlegging te laten toetsen.
Ook dat wordt verworpen met verwijzing naar de conclusie van de AG, die deze baseert op een uitspraak van Het Europese Hof (EHRM 18 juli 1994. NJ 234). In die uitspraak oordeelt het Hof, in aanmerking nemende dat levenslang ook kan worden opgelegd bij geestelijk gezonde en ongevaarlijke daders, dat de veroordeelde, gelet op het overwegend punitieve karakter van de opgelegde straf, aan artikel 5 lid 4 niet het recht kan ontlenen opnieuw de rechtmatigheid ervan te laten beoordelen. De AG wijst daarnaast op artikel 2 aanhef en onder b Gratiewet jo. 558 e.v. Sv., waaronder de zogeheten volgprocedure langgestraften ressorteert. Ook levenslang gestraften komen voor die procedure in aanmerking. De procedure kan ertoe leiden dat men op jaren wordt gesteld in een situatie waarin met verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend. Voorts wijst de AG op het recht van de veroordeelde om gratieverzoeken in te dienen op grond van artikel 2 Gratiewet. Tot slot noemt hij ook nog de mogelijkheid de rechtmatigheid van de detentie ter toetsing voor te leggen aan de burgerlijke rechter via een kort geding.

Toetsing aan het EVRM leidt tot de conclusie dat levenslange gevangenisstraf niet onmenselijk is.

Ook de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment van de Raad van Europa wijdt in zijn “Standards” een passage aan levenslange gevangenisstraf. Daarin komt tot uitdrukking dat deze niet als onmenselijk wordt beschouwd, tenzij de omstandigheden waaronder die straf ten uitvoer wordt gelegd daartoe aanleiding geven.

De strafduur vormt de crux van deze zaak.
Hoe lang moet de straf duren om recht te doen aan de ernst van het feit –en waar ik spreek over het feit doel ik daarmee op alles wat verdachte is telastegelegd, nu dit één feitencomplex vormt, waarin uiteraard de moord centraal staat- , de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ofwel: hoe verwijtbaar is het handelen van verdachte, zowel in objectieve als in subjectieve zin.

Straftoemeting

De strafoplegging dient in overeenstemming te zijn met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

In het kader van de straftoemeting moet aan de hand van objectieve en subjectieve verwijtbaarheid een passende straf worden vastgesteld. Passend bij de daad en de dader, maar ook bij de in onze samenleving aanvaarde strafdoelen, te weten vergelding, preventie en terugkeer in de samenleving.

De objectieve verwijtbaarheid wordt bepaald door de concrete factoren die het beeld van het feitencomplex vormen. Derhalve factoren die rechtstreeks met het feitencomplex samenhangen, zoals de omvang daarvan, de wijze van uitvoering, het veroorzaakte leed, de toegebrachte schade, het genomen risico en de rol van de dader.

De subjectieve verwijtbaarheid kan door tal van omstandigheden worden bepaald. Allereerst natuurlijk door de persoonlijkheid van de dader, maar ook door diens sociale achtergrond, de gevolgen van het gebeurde voor hemzelf, zijn motief, zijn proceshouding. Kortom door omstandigheden die de persoon van de dader betreffen.

In zijn uitvoerige requisitoir heeft de officier van justitie aan de hand van de concrete gegevens van deze zaak zeer helder uiteengezet waarom hij tot de door hem gevorderde straf komt. Met verwijzing naar diens requisitoir volg ik de officier van justitie in zijn overwegingen en voeg daaraan enkele bespiegelingen toe.


De objectieve verwijtbaarheid

Om de objectieve verwijtbaarheid te bepalen moeten we ons een beeld vormen van het feit.
Dat is in dit geval niet moeilijk.
De schokkende beelden van de neergeschoten politicus in het mediapark te Hilversum staan ons allen helder voor de geest. Wij hebben die beelden letterlijk voor ogen.
Ook nu nog, ruim een jaar later, vertellen willekeurige mensen spontaan wat ze aan het doen waren toen het bericht hen bereikte.
In alle denkbare bewoordingen proberen ze uitdrukking te geven aan het gevoel van verbijstering en ontreddering dat hen overviel toen het gebeurde tot hen doordrong.
Ik benadruk de verbijstering en ontreddering, want dat is wat iedereen hierbij heeft ervaren.
Dat staat geheel los van wat men vond van het slachtoffer. Pim Fortuyn was een omstreden figuur, hij was een fenomeen. Door velen geadoreerd en door velen verguisd. Maar iedereen was verbijsterd en ontredderd. En dat is nog steeds zo.
Elke moord is voor de nabestaanden een verschrikking, ook deze moord.
Elke moord is voor de direkte getuigen traumatiserend, ook deze moord.
Elke moord veroorzaakt een schok in de rechtsorde. Deze moord heeft een aardbeving veroorzaakt, waarvan de schokken niet alleen in ons land, maar ook ver daarbuiten werden gevoeld.
Schokken die werden gevoeld door vriend čn vijand.
Een aardbeving met naschokken, die nog lang niet zijn uitgewerkt.
Een aardbeving die een breuklijn veroorzaakt, waardoor op onvoorspelbare plaatsen opnieuw een aardbeving kan volgen. Waar vindt de volgende schok plaats? Wanneer slaat het noodlot weer toe? Wanneer wordt weer iemand zo onaangenaam getroffen door een publiekelijk verkondigde mening dat wordt overgaan tot liquidatie?

De verdediging stelt dat de heftigheid van de reacties op deze moord het rechtstreekse gevolg zou zijn van de reeds voor de moord bestaande onrust en instabiliteit.
Dat is volstrekt speculatief. Men zou evengoed kunnen verwachten dat een dergelijke moord in een fase van gezapige politiek nog veel explosiever zou werken.
Afgezien daarvan mag de toen bestaande politieke onrust bekend worden verondersteld bij verdachte en daarmee eveneens de te verwachten uitwerking van zijn daad op onze samenleving.

De verdediging stelt ook dat een dergelijke moord op een andere lijsttrekker niet zoveel agressieve reacties zou hebben losgemaakt.
Deze stelling gaat voorbij aan het feit dat agressie een van vele manieren is om uiting te geven aan gevoelens van verbijstering en ontreddering. Dat die gevoelens wellicht op een andere manier zouden zijn geuit, ware een andere lijsttrekker vermoord, doet aan het bestaan van die gevoelens niets af.
De reacties van afschuw zijn universeel.
De onbevangenheid van politici, de openheid van onze samenleving, de vrijheid van meningsuiting, ons gevoel van onaantastbaarheid in een vrij land, de onschendbaarheid van de democratie, op al die verworvenheden is een aanslag gepleegd.

Alle speculaties van de verdediging zijn overigens volstrekt irrelevant. Het gaat hier om het uit de weg ruimen van déze lijsttrekker in de toen bestaande politieke constellatie.

Bewust gebruik ik het woord uit de weg ruimen.
Een omstreden politicus is ijskoud uit de weg geruimd. Volgens een weldoordacht plan, dat minutieus is uitgevoerd.
Voor een uitvoerige weergave van de feiten verwijs ik graag naar het requisitoir van de officier van justitie op pagina 8 tot en met 12, voornamelijk gebaseerd op de eigen verklaringen van verdachte dienaangaande.
Verdachte was –in diens eigen bewoordingen- van mening “dat Fortuyn gestopt moest worden” en wel vanwege “de combinatie van de persoon, zijn ideeën, de manier waarop hij die ideeën naar voren bracht en de macht die hij zou krijgen”.
Met andere woorden: het fenomeen Pim Fortuyn moest worden uitgeschakeld.
Hij vond hem om op te schieten en heeft de daad bij het woord gevoegd.

IJskoud heeft verdachte, in toenemende mate geďrriteerd door het slachtoffer, bestudeerd waar, wanneer en hoe hij dit fenomeen kon laten verdwijnen.
IJskoud heeft verdachte zijn plan beraamd.
IJskoud heeft verdachte het slachtoffer uit de weg geruimd.
IJskoud heeft verdachte de levensgrote kans voor lief genomen dat volstrekt willekeurige personen in de direkte omgeving van het slachtoffer eveneens dodelijk zouden worden getroffen.
IJskoud heeft verdachte een van hen letterlijk op een haar na gemist.
IJskoud heeft verdachte zich uit de voeten gemaakt en daarbij de hem achtervolgende chauffeur van het slachtoffer met zijn vuurwapen bedreigd.

Een enkel punt uit het requisitoir van de officier van justitie wil ik hier nog eens extra onder de aandacht brengen, en wel waar hij zeer terecht elementen naar voren haalt, die het beeld van een liquidatie bevestigen.
Ik noem de verklaringen van getuigen, die de gezichtsuitdrukking van verdachte koel, emotieloos, vastbesloten en resoluut noemen. Zo zegt een van hen:
“Ik zag op het gezicht van de man met het wapen een totale leegheid en gebrek aan emoties.”
Ik noem ook een verklaring van verdachte zelf:
“Ik heb na elke keer vuren de terugslag van het wapen gevoeld. Het gevolg van een terugslag was steeds dat ik het wapen weer moest richten. Dat heb ik tijdens het schieten op Fortuyn ook steeds gedaan.”
Terecht wijst de officier van justitie op het beeld van een liquidatie, waar verdachte een plastic tas om zijn pistool had gewikkeld teneinde de hulzen op te vangen. Met als extra risico de veel grotere kans omstanders te raken door moeilijker te kunnen richten. Hetgeen ook gebeurd is, zij het dat de kogel dwars door een tas ging, die het betreffende slachtoffer voor zijn hoofd hield.
Terecht wijst de officier van justitie ook op de bivakmuts in verdachte’s jaszak op een prachtige dag in mei, waarover verdachte tot op het laatst weigert te verklaren. Pas ter zitting zegt verdachte die muts bij zich te hebben gehad tegen de kou, hetgeen niet aannemelijk is. Terecht denkt men hierbij aan nachtelijke voorverkenningen van het mediapark.
Ik noem deze elementen omdat daarmee duidelijk wordt dat verdachte zeer calculerend te werk is gegaan.

Het uitzonderlijke van deze daad vergt een uitzonderlijke reactie.
Ik gebruik nadrukkelijk het woord vergen en niet het woord rechtvaardigen.
In het woord rechtvaardigen schuilt een verontschuldiging en die is niet aan de orde.
Het uitzonderlijke van deze daad zit niet alleen in de ijskoude planning en uitvoering.
Dat zien we helaas wel vaker. Ik laat even een scala van moorden in soorten en gradaties de revue passeren.

Met name bij liquidaties in het criminele milieu viert de koelbloedigheid hoogtij. In die kringen begeeft men zich echter doorgaans vrijwillig. In die kringen opererend is men zich bewust van de goede en kwade kansen die dat milieu biedt.
Bij eerwraak wordt weldoordacht en op het oog koelbloedig iemand vermoord, die de eer van de familie heeft geschonden.
In beide genoemde categorieën hebben dader en slachtoffer iets met elkaar te maken, hetgeen van invloed is op de strafmaat. Zodra de daad gevaar voor niets vermoedende omstanders oplevert wordt de straf aanzienlijk zwaarder.
Bij roofmoord wordt het slachtoffer doorgaans echt “overvallen”. Tussen dader en slachtoffer bestaat geen connectie. Voor zover in een dergelijke situatie werkelijk sprake is van moord en niet van doodslag is de hoogste straf niet ongebruikelijk.
Dan is er nog de grote categorie van moorden in de relationele en seksuele sfeer. Meestal gaat het daarbij om min of meer ernstig gestoorde daders. Voor zover dat niet zo is ligt aan dergelijke daden veelal een langdurige geschiedenis van ellendige verhoudingen en achtergronden ten grondslag, die de daad zo niet invoelbaar dan toch tot op zekere hoogte inzichtelijk maken.

De hier voorliggende moord daarentegen is van geheel andere aard en ook daarin is deze daad uitzonderlijk.
Het slachtoffer heeft op geen enkele manier ook maar iets met de dader te maken.
Het slachtoffer is een pregnante politicus, die onomwonden taalgebruik niet schuwt.
Integendeel, hij ontleent daaraan zijn kracht.
En zelfs zoveel kracht, dat zijn nog jonge politieke partij vlak voor de verkiezingen van 15 mei 2002 een grote overwinning lijkt te gaan boeken.

De rechtbank ziet het handelen van verdachte als een inbreuk op het verkiezingsproces van mei 2002. Die inbreuk wordt door de rechtbank onmiddellijk gerelativeerd door de geruststellende toevoeging dat verdachte door zijn handelen het verkiezingsproces niet onherstelbaar heeft beschadigd, nu de omvang en de aard van de invloed daarvan in het kader van dit strafproces niet te bepalen zijn.

Deze redenering van de rechtbank is onbegrijpelijk.
De omvang en de aard van de invloed van verdachte’s handelen hoeven niet te worden bepaald, want dat het verkiezingsproces door deze daad volledig is verstoord is evident. Een belangrijke politieke factor, zo niet de belangrijkste is immers vlak voor de verkiezingen door verdachte uitgeschakeld!

Waar het om gaat is dit.
Onder het mom van bescherming van de democratische rechtsstaat heeft verdachte het meest ondemocratische gedaan dat denkbaar is.
Hij heeft iemand wiens denkbeelden hem niet aanstonden, maar die deze denkbeelden juist op democratische wijze probeerde te verwezenlijken door zijn ideeën ter discussie te stellen en door zich verkiesbaar te stellen, in de meest letterlijke zin monddood gemaakt.
Hij heeft de mogelijkheid tot ontwikkeling en bijstelling van denkbeelden middels politiek debat doorkruist.
Hij heeft alle Nederlanders de kans ontnomen zelf hun eigen politieke keuze te maken op basis van de politieke constellatie van dat moment.

Daarmee is ook de overweging van de rechtbank onbegrijpelijk, waarin zij stelt rekening te houden met –ik citeer- “de gevoelens die bij een deel van de bevolking leefden ten tijde van de moord op het slachtoffer en aan de ongekend grote schok die de moord bij dat deel van de bevolking teweeg heeft gebracht” -einde citaat.
De rechtbank doelt daarmee kennelijk op de politieke volgelingen van het slachtoffer.
Met deze overweging wordt de suggestie gewekt dat het overige deel van de bevolking min of meer onverstoorbaar zou zijn voortgegaan. Dat is duidelijk niet het geval. Wie dat wel zou hebben gedaan kan grote kortzichtigheid worden verweten. Het hele politieke krachtenveld is immers door het ingrijpen van verdachte omver gehaald.
Niet alleen het verkiezingsproces van mei 2002 is door deze daad verstoord. Ook het democratisch proces in de ruimste zin van het woord is door deze daad zwaar beschadigd.
Verdachte heeft met zijn daad de vrijheid van ieder mens aangetast om in dit land publiekelijk te zeggen wat hij vindt.
En wie zegt dat een volgende discutabele politieke stroming niet hetzelfde lot is beschoren?
Ook daarvan zou iemand kunnen denken dat deze maar beter in de kiem kan worden gesmoord!

Hier is veel meer aan de orde dan de verstoring van een verkiezingsproces, zoals de rechtbank tot op zekere hoogte wil aannemen.
Hier is ook meer aan de orde dan de frustratie van het democratisch proces, zoals de officier van justitie stelt.
Hier is de vrijheid van iedere burger in het geding zich publiekelijk sterk te maken voor een standpunt.

Die vrijheid, zonder welke geen democratie kan bestaan en die derhalve de kern van elke democratie vormt en in elke democratie als hoogste goed wordt beschouwd, heeft deze verdachte op de grofst denkbare wijze aangetast.
Door zijn optreden heeft hij het gevoel van openheid en veiligheid in onze samenleving geschonden.
Hij heeft verbijstering en ontreddering teweeg gebracht, maar ook angst bij mensen in publieke functies. De onbevangenheid is in het gedrang gekomen.

In dit verband past een verwijzing naar artikel 121 Sr., waarin met dezelfde straf als moord wordt bedreigd, onder meer het door geweld een kamerlid uit de vergadering verwijderen, dan wel het bijwonen van die vergadering of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht vervullen verhinderen.
Formeel is deze strafbepaling uiteraard niet toepasbaar; Fortuyn was immers nog net geen kamerlid. Materieel daarentegen heeft verdachte met zijn handelen hetzelfde resultaat bereikt. En wel in de meest letterlijke en definitieve zin door Fortuyn te verwijderen, niet alleen uit het politieke circuit, maar ook uit het leven.
De wetgever heeft met deze strafbepaling duidelijk gemaakt, dat een heel veel minder vergaande inbreuk op het democratische proces al een levenslange gevangenisstraf kan rechtvaardigen.

Dit is geen gewone moord. Deze moord op een politicus is óók een moord op het onvervreemdbare recht op vrijheid van meningsuiting.
Alleen de hoogste straf kan duidelijk maken, niet alleen jegens verdachte, maar jegens iedereen, hoe zwaar onze democratie daaraan tilt.

Conclusie met betrekking tot de objectieve verwijtbaarheid:
De objectieve verwijtbaarheid is maximaal en vergt derhalve een maximale strafduur.

De subjectieve verwijtbaarheid

Om de subjectieve verwijtbaarheid te bepalen moeten we alle omstandigheden in aanmerking nemen, die de persoon van de verdachte betreffen.

De gedragsdeskundige rapportage

Allereerst is daarbij uiteraard diens persoonlijkheid relevant.
Uitvoerig gedragsdeskundig onderzoek in het PBC leidt tot de conclusie dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.
Gelet op het exorbitante karakter van deze daad had men zich een andere conclusie kunnen voorstellen. Velen hadden verwacht te vernemen dat deze daad was ontsproten aan het brein van een gevaarlijke gek.
In zekere zin zou dat als geruststellend zijn ervaren. Met gestoorde medemensen moeten we nu eenmaal leven; daar zijn we min of meer aan gewend.
Als zij gevaarlijke dingen doen worden ze behandeld, zonodig in een gedwongen kader.
Het feit, in dit geval een dode politicus, blijft even erg, maar de daad wordt op slag als minder ernstig ervaren. De vergeldingsdrang is beperkt. De dader moet voornamelijk geholpen worden en via een gedwongen behandeling achter slot en grendel tevens uit onze gemeenschap verbannen.
Zelfs een beetje gestoord zou al voldoende zijn voor deze oplossing, zij het in combinatie met enkele jaren gevangenisstraf.

Maar het rapport van het PBC biedt deze mogelijkheid om met de daad en de dader in het reine te komen niet. Integendeel.
De bij verdachte geconstateerde obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis is volgens het PBC niet van aanwijsbare invloed geweest ten tijde van de moord.
Voor zover het slachtoffer zich door verdachte verontrust voelde is die vrees niet als pathologisch motief aan te merken.
Verdachte heeft zonder aanwijsbaar ziekelijke beperking geprobeerd het slachtoffer gewapend te benaderen met de bedoeling hem te doden.
Toen het moment daar was heeft hij zonder aanwijsbare pathologische beďnvloeding het slachtoffer beschoten.
Ook bij het verdere verloop, inclusief de bedreiging van zijn achtervolger, is geen invloed van een stoornis aanwijsbaar.
Aldus het PBC.

De conclusie van het PBC geeft aldus geen enkele aanleiding tot enige strafvermindering.
Evenmin zijn er bij uitvoerig lichamelijk onderzoek afwijkingen geconstateerd, die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het gedrag van verdachte.

De strafrechtelijke afhandeling van deze daad zal derhalve moeten plaatsvinden uitsluitend in de vorm van een gevangenisstraf. Verdachte heeft immers volledig willens en wetens gehandeld, ongehinderd door enige gestoordheid.
Over de hoogte van die straf zal het debat moeten gaan.

Maar wellicht biedt de inhoud van de gedragsdeskundige rapportage, afgezien van de conclusie, toch argumenten om de verwijtbaarheid niet optimaal te achten.

Het milieuonderzoek

In het milieuonderzoek (pag. 5 e.v.) wordt een beeld geschetst van verdachte’s achtergrond.
Hij groeit op met zijn enkele jaren oudere broer, met wie hij een goede band heeft, in een degelijk gezin met kerkelijke achtergrond. Vader is leraar, moeder is onderwijzeres. Verdachte vind haar overbezorgd. Vader is zeer scrupuleus en veeleisend; hij overlijdt aan kanker als verdachte 19 jaar is.
Verdachte gaat milieuhygiëne studeren in Wageningen, maar maakt die studie niet af.
Kort nadat hij met zijn studie is gestopt en door een vriendin is verlaten doet hij eind 1990 een suďcidepoging.
In Wageningen gaat hij vegetarisch en later veganistisch leven vanuit de ideologie dat er geen ongeoorloofd verschil gemaakt mag worden tussen menselijke dieren en niet menselijke dieren.
Van meet af aan is verdachte samen met zijn vriend Sjoerd, die biologie studeert, actief in allerlei verbanden die te maken hebben met milieu en dierenwelzijn, zoals Milieudefensie, Stichting Lekker Dier en de plaatselijke politieke partij De Koevoet.
Begin 1992 richt hij samen met Sjoerd de Vereniging Milieu Offensief op, hierna de VMO te noemen. Voor deze vereniging, die de belangen van mens en dier en milieu in de ruimste zin des woords behartigt, werkt hij als vrijwilliger met behoud van uitkering. Later wordt zijn werk aangemerkt als Melkertbaan.
Hij werkt keihard en voert succesvol procedures op het terrein van milieuvergunningen.
Vanaf zomer 1994 combineert hij zijn werk met een avondstudie milieukunde aan het IJsselland-College te Deventer. De studieresultaten zijn goed, maar tot de afrondende eindscriptie komt het niet.
Hij raakt in toenemende mate gefixeerd op zijn werk en dreigt overspannen te worden door zijn perfectionisme.
In de zomer 2001 gaat hij samenwonen in Harderwijk met zijn huidige partner Petra, die hij kent via de Stichting Lekker Dier. In december 2001 wordt dochter Sabien geboren.
Verdachte bouwt zijn werk wat af om een deel van de verzorging op zich te kunnen nemen.
Opvallend is de waarneming van mensen uit zijn naaste omgeving in maart/april 2002, dat verdachte toen heel ontspannen en losjes was en er opeens weer heel zelfverzekerd uitzag.

Conclusie naar aanleiding van het milieuonderzoek:
Zoals bij vrijwel iedereen zijn er wel enkele aspecten in de achtergrond van verdachte, die een optimaal harmonieuze ontwikkeling in de weg kunnen hebben gestaan. Echter het totaalbeeld wijkt niet essentieel af van de achtergrond van een doorsnee Hollandse jongen.
In verdachte’s achtergrond kan dan ook geen reden worden gevonden voor een vermindering van de verwijtbaarheid.

Het psychologisch onderzoek

In het verslag van het psychologisch onderzoek (pag. 37 e.v.) valt het volgende op.
Verdachte mag graag provoceren, met name om mensen aan het denken te zetten en een reactie te ontlokken, om ze uit te testen.
Er is sprake van een zekere afgunst op mensen die meer onbevangen kunnen genieten, die het leven minder zwaar nemen.
Zijn suďcidepoging wijt hij aan een gebrek aan zelfvertrouwen destijds na het afbreken van zijn studie, waardoor het afgewezen worden door een vriendin hem sterk raakte.
Vrij snel is hij uit die depressie geraakt door in te zien dat hij zijn zelfvertrouwen niet aan zijn vaardigheden moet ontlenen, maar aan integriteit en morele principes.
Hij is gedreven door zijn werk voor de VMO, waarin hij zeer succesvol is.
Verdachte is rigide en ongevoelig voor kritische of relativerende opmerkingen.
Het slachtoffer is voor hem iemand die een aantal eigenschappen in zich verenigt, die hij moreel verwerpelijk vindt, zoals haantjesgedrag.
Daar staat tegenover dat hij wel ontzag heeft voor de verbale kracht van het slachtoffer, juist ook omdat hij die kracht zelf mist.
Verdachte erkent dat hij naast de politieke overwegingen ook meer persoonlijk een afkeer had van het slachtoffer vanwege diens ijdelheid en machtswellust.
Hij ontkent dat het idee om het slachtoffer te doden obsessieve vormen aannam. Integendeel, hij was er niet zoveel mee bezig. Hij was vooral bezig met zijn werk en met zijn gezin. Hij wilde er geen project van maken. Aan zijn voornemen om dodelijk geweld te gebruiken ging geen morele worsteling vooraf.
Verdachte acht geweld legitiem als daarmee meer leed voorkomen wordt dan wordt aangericht. Hij vindt het raar dat in een oorlog alles geoorloofd is en daarbuiten allerlei waarden en normen gelden.
Hij denkt niet dat hij gewetenswroeging zou hebben gekregen en zich alsnog zou hebben aangegeven als hij ontkomen was.
Wel spijt het hem dat hij vast zit voor Sabien en Petra.
Verdachte is hoogbegaafd en zijn intellectuele capaciteiten zijn harmonieus verdeeld over het gehele intellectuele spectrum.
Zijn veganistische eetpatroon heeft geen invloed op zijn vermogen om informatie uit de buitenwereld te registreren, te verwerken en te reproduceren.
Sociaal gezien is verdachte niet defectueus. Wel is hij rigide en geremd. Daardoor is er sprake van een zekere sociale onbeholpenheid en een beperkt vermogen zich af te stemmen op de ander.
Door zijn introverte temperament kan hij niet erg gemakkelijk en natuurlijk met andere mensen omgaan.
Hij is ambitieus, maar mist door zijn rigiditeit, eigenzinnigheid en koppigheid het vermogen om anderen te engageren of met hen samen te werken.
Verdachte is bedachtzaam, star, analytisch, pragmatisch, kritisch, rationeel, perfectionistisch en compromisloos.
Hij is weinig intuďtief, gepassioneerd, impulsief, spontaan, verdraagzaam en tolerant.
Er is een zekere afgunst op spontaniteit en natuurlijkheid bij anderen.
Zonder strijd zakt hij in, raakt hij gedeprimeerd.
Het slachtoffer is voor hem het symbool voor alles waarvan hij een afkeer heeft, zoals opportunisme en ijdelheid, maar ook van alles wat hij zelf mist en waarop hij bewust dan wel onbewust afgunstig is, zoals verbale kracht en het vermogen anderen te enthousiasmeren.

Conclusie naar aanleiding van het psychologisch onderzoek:
Zoals iedereen heeft verdachte een aantal positieve en een aantal negatieve eigenschappen. Geen daarvan, noch op zichzelf, noch in onderling verband beschouwd, staat een normaal functioneren in de weg.
Er zijn dan ook geen psychologische argumenten voor een vermindering van de verwijtbaarheid.

Het psychiatrisch onderzoek

Uit het verslag van het psychiatrisch onderzoek (pag.60 e.v.) komt het volgende naar voren.
Het trotse persoonlijke verzet vormt de rode draad, die vanaf de puberteit door verdachte’s levensgeschiedenis loopt. Hij is emotioneel geremd, behalve in zijn strijdlust.
Hij schakelt lichamelijk en verbaal geweld gelijk.
Verdachte ziet de moord als een actie met een hoog doel dat alle middelen heiligde.
Door de combinatie van werk en huiselijke verplichtingen voelde hij zich erg belast. Wellicht was er sprake van een dreigende overspannenheid.
Er zijn geen aanwijzingen voor beperkingen in de frustratietolerantie of in de impulscontrole.
Het geweten is star, maar vertoont geen defecten.
Hij is vanwege zijn narcistisch afhankelijke kant erg gesteld op bevestiging, maar wordt daarbij gehinderd door zijn starre, gefixeerde en verbeten gedrevenheid.
Verdachte wilde niet te veel nadenken over zijn plan en trachtte de volle omvang van zijn voornemen niet te zien door telkens de mogelijkheid open te houden het om de een of andere reden niet uit te voeren.
Zo zegt hij: “Er was nog steeds de mogelijkheid dat het niet zou gebeuren. Daarom ging ik er redelijk onbevangen naartoe.” En verder: “Ik zette mijn blik op oneindig en mijn verstand op nul.” En ook: “Ik vond het in zekere zin een bevrijding toen ik opgepakt was. De last van het dagelijks leven was eraf. Ik begon weer met een blanco lei. Je wereldje was weer overzichtelijk.”
De enige stoornis die bij verdachte wordt geconstateerd is een niet pathologische, obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis.
Deze stoornis komt tot uiting in perfectionisme dat de uitvoering van taken bemoeilijkt, in overmatige toewijding aan het werk, in overdreven gewetensvolheid en in starheid en koppigheid.
Deze stoornis komt niet tot uiting op het gebied van de beheersing van agressieve gevoelens.
Zijn persoonlijkheid vertoont voorts narcistisch afhankelijke trekken.
Hij bijt zich vast in zijn levenswerk, de gezamenlijke strijd voor de zwakkeren, en voelt op die manier zijn in de kern zwakke zelfvertrouwen en geringe gevoel van eigenwaarde groeien.
Hij is aldus afhankelijk van strijd.
Verdachte heeft zich, terwijl hij zelf het gevoel had zijn greep op zijn werk en de strijd voor het zwakkere te verliezen, in zijn gedachten op maatschappelijke schaal opgeworpen als de strijder voor die zwakkeren.

Conclusie naar aanleiding van het psychiatrisch onderzoek:
Met vele anderen is verdachte dwangmatig en lichtelijk narcistisch.
Die dwangmatigheid vormt een belemmering voor een ontspannen functioneren, maar heeft evenmin als zijn narcisme zijn handelen bepaald.
Er zijn derhalve geen psychiatrische factoren die aan de verwijtbaarheid kunnen afdoen.

Samenvattende conclusie naar aanleiding van de gedragsdeskundige rapportage:
Aan de gedragsdeskundige rapportage kan geen enkel argument worden ontleend dat zou kunnen leiden tot verminderde verwijtbaarheid.
Integendeel. Daarin kan men slechts een bevestiging zien van de volledige verwijtbaarheid, ook in subjectieve zin, van verdachte’s handelen.

Het motief

Natuurlijk is voor de beoordeling van de subjectieve verwijtbaarheid ook het motief van verdachte relevant. Zo belanden wij dan toch bij het uiteindelijk meest boeiende aspect van deze zaak.
Een daad, hoe verwerpelijk ook, kan in een ander daglicht komen te staan wanneer die wordt gepleegd vanuit een objectief gezien zeer nobel, dan wel bijzonder invoelbaar motief.
Dat nobele motief wordt hier zeker gesuggereerd.
Verdachte zou zijn gedreven door zijn compassie met kwetsbare groepen in de samenleving, voor wie hij in het slachtoffer een gevaar zag.
De rechtbank is bij de beoordeling van de strafmaat van dit motief uitgegaan. Ten onrechte, zoals hierna zal blijken.
Maar ook indien men wel zou willen uitgaan van dit motief, zou dat nimmer tot een verminderde verwijtbaarheid mogen leiden.
Eliminatie middels executie staat immers in geen enkele verhouding tot de door verdachte gesuggereerde vrees.
Daarbij komt dat verdachte een zeer intelligente, fysiek en psychisch gezonde man is, die net als ieder ander zinnig mens naar gangbare wegen had kunnen en moeten zoeken om de hem onwelgevallige politiek te beďnvloeden. Dit klemt temeer waar verdachte ervaren was in actie voeren en procederen. De alternatieven voor het door hem gekozen ultimum remedium lagen binnen handbereik.
Echter het door hem voorgewende motief is volstrekt ongeloofwaardig.
In de door de verdediging in het geding gebrachte gespreksaantekeningen van het eerste gesprek tussen verdachte en advocaat op 6 mei 2002 staat het volgende:
“Motief?-Politiek-minister Zalm vindt het een gevaarlijk man. Dat vind ik ook. Hij kriminaliseerde bepaalde groepen mensen, omdat hij weet dat hij daarmee “scoort”. Hij drijft op onvrede die er heerst maar probeert m.i. niet echte oplossingen aan te dragen. Wat dat betreft is er een parallel met de jaren 30 uit de vorige eeuw. Met hem maakt de politiek een ruk naar rechts; zodat m.i. een sociale samenleving, waar we nu al ver vanaf staan, nog verder uit zicht komt.”
Dit is het enige moment waarop men verdachte op een politiek getinte uitspraak in bredere zin kan betrappen. Zijn direkte noch zijn indirekte omgeving heeft ooit iets in deze

 

Vanaf hier verwijderenb!!!!!!!!!!!!

 

 

nderzoek gedaan naar Volkerts financiële huishouding, teruggaand tot 1991. Zijn privé correspondentie van de afgelopen jaren, tot aan die in het Huis van Bewaring toe, is in beslag genomen en onderzocht. Er is aan omringende landen rechtshulp gevraagd bij het onderzoek naar de herkomst en de historische route van het pistool, en naar de eigenaar van DNA-materiaal dat op de patroonhouder was aangetroffen. Er is onderzoek verricht naar enkele personen die als verdachte konden worden aangemerkt: Volkerts vriendin (i.v.m. de aangetroffen chemicaliën) en twee mannen van wie achtereenvolgens kon worden vermoed dat zij betrokken waren geweest bij de levering van het pistool. Hun zaken zijn geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Er is verregaand onderzoek verricht naar de identiteit van de NN-persoon wiens DNA op de patroonhouder was gevonden. Naar aanleiding een TV-programma van Peter R. de Vries, waarin hij aangaf te beschikken over stapels relevante e-mails, is hem expliciet gevraagd alles wat voor het onderzoek van belang zou kúnnen zijn, aan het onderzoeksteam af te staan. Dit heeft overigens tot niets geleid. Hetzelfde kan worden gezegd van berichten als zou programmamaker Harry Mens over vele belangwekkende e-mails beschikken. Tenslotte, het onderzoeksteam heeft een enkele maal ad hoc onderzoek verricht naar aanleiding van meldingen van de Commissie-Van den Haak, die beschikte over berichten van bedreigingen aan het adres van Fortuyn. Ook is af en toe ad hoc gereageerd op geruchten in de media over de verdachte en over mogelijke verbanden.

 

Wat kan uit al het verrichte onderzoek worden geconcludeerd? Veel onderzoek was gericht op de vraag of iets aangetoond kon worden (in de sfeer van verbanden, theorieën of motieven). Ik moet opmerken dat, als iets met de strafrechtelijke middelen die ik heb ingezet níet kon worden aangetoond, dat nog niet zonder meer betekent dat het ook niet kán bestaan. Maar ik kan wel stellen dat de kans daarop bijzonder klein is. Wie met enige nuchterheid het totaal aan onderzoeksresultaten bekijkt, moet tot die conclusie komen.
Uit de onderzoeken die verricht zijn kan het volgende worden vastgesteld:

 

argumenten voor en tegen enige twijfel

De enige vraag die na ľ jaar onderzoek nog kan blijven hangen is: maar was er dan helemaal níemand op de hoogte van wat Volkert in zijn eentje wilde gaan doen? Het laat zich immers moeilijk denken dat hij alles volledig in zichzelf heeft uitgedacht en voorbereid, zonder zijn vriendin of een ander in zijn naaste omgeving hierover ook maar iets te vertellen.
Ik stel overigens voorop dat het toch bepaald niet ondenkbaar is dat iemand geheel op zichzelf een moord van dit kaliber beraamt, zonder dit voornemen zelfs met zijn partner te delen. In de beruchte strafzaak tegen Ferdi E., ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn, bleek de dader zijn plan ook helemaal in zijn eentje te hebben uitgebroed, en voor zijn meest naaste omgeving lange tijd, ook ná de ontvoering en de moord, verborgen te hebben kunnen houden. Sommige mensen kunnen dat kennelijk. Maar misschien mag ik wel zeggen: het is niet normaal.

Bij het onderzoek naar de vraag of iemand op z'n minst op de hoogte was van de gedachte van Volkert om Fortuyn om het leven te gaan brengen, komen we op een terrein waar het strafrecht verder weinig tot niets kan, en waar hooguit de moraal en het geweten gelden. Stel dat iemand geweten heeft dat Volkert met gedachten over moord rondliep. En stel dat die persoon met die kennis verder helemaal niets heeft gedaan, dan is dat moreel verwerpelijk. Dan heeft die persoon een gewetensprobleem. Maar hij of zij is dan niet (zonder meer) strafbaar.

Het strafrechtelijk onderzoek is er wel mede op gericht geweest om hier zicht op te krijgen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat in geen enkel afgeluisterd telefoongesprek, in geen enkele brief tijdens detentie, en in geen enkele verklaring van wie dan ook, steun gevonden kan worden voor de - op zichzelf voor de hand liggende - gedachte dat Volkert op zijn minst aan iemand verteld moet hebben wat hij van plan was te gaan doen.
In de briefwisseling tussen Volkert en zijn vriendin zijn aanwijzingen te lezen dat zij niet van zijn plan en beweegreden op de hoogte is geweest, en het waarom niet kan bevatten.

De enige redenen die er wellicht zijn om te veronderstellen dat Volkert zijn plan tňch met iemand anders kan hebben gedeeld, zijn de volgende:

 

Het zijn signalen dat de verdachte voortdurend berekenend is, en mogelijk nog iets te verbergen heeft. Ik wil niet speculeren over de vraag wie hij mogelijk uit de wind wil houden; verdachtmakingen naar anderen behoren niet op deze plaats te worden gedaan, en voor déze strafzaak is het niet van belang.

Ik kom later op dit punt terug bij de vraag of Volkert over zijn voorbereidingen helemaal naar waarheid heeft verklaard. Voorlopig moet ik erbij blijven dat bewijs ontbreekt voor strafbare betrokkenheid van wie dan ook, en dat er ook geen duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand van zijn plan heeft geweten. Resterende vragen op dit laatste punt kunnen slechts beantwoord worden vanuit het hoofd van de verdachte zelf.

B. De relevante gebeurtenissen vóór en op 6 mei 2002

De feiten zijn uitvoerig door uw rechtbank doorgenomen. Ik wil er een aantal opmerkelijke aspecten uitlichten.

de aanschaf van een pistool en munitie

Waar ligt het begin? Ik ga terug naar het moment waarop Volkert het pistool kocht. Eind jaren '90, zegt hij aanvankelijk (r-c blz.13). Later preciseert hij het tot eind 1996, begin 1997 (r-c blz.15 en VERD/37), nadat hij is geconfronteerd met de verklaring van een toenmalige kennis Ferdinand G. Volgens deze kennis gaf Volkert aan dat hij bedreigd werd door boeren, en daarom een pistool wilde hebben voor zijn eigen bescherming.
Volkert was al jaren geďnteresseerd in vuurwapens, gezien de krantenknipsels uit begin jaren '90 in zijn koffer op zolder (r-c blz.15). Bij de politie zegt Volkert ook dat hij eerder wel eens had nagedacht over het aanschaffen van een vuurwapen, want bedreigingen waren er al vanaf het begin dat de VMO bestond (VERD/37). Hij had door het lezen van knipsels ook wel enig verstand van vuurwapens (VERD/38).
De zojuist bedoelde kennis heeft Volkert in contact gebracht met een Turks café in Ede, waar Volkert een pistool kocht voor Hfl. 2.000,= (verklaring G., bijlage bij brief aan rechtbank van 14 maart 2003). Volgens verdachtes eigen verklaring kostte het wapen hem Hfl. 3.000,=. Op het bedrag na stemmen de verklaring van deze kennis en die van Volkert vrij nauw overeen.
Hij had een nieuw wapen willen hebben; hij was wel zo slim om te beseffen dat een gebruikt wapen sporen kon hebben nagelaten bij een eerder misdrijf (VERD/38). Hij liet zich echter toch een tweedehands wapen verkopen.
Later kocht Volkert passende munitie bij een onbekende in Den Haag, aldus nog steeds deze kennis. Bij de rechter-commissaris verklaarde Volkert aanvankelijk nog, in strijd met de waarheid, dat hij de 2 doosjes munitie mčt het wapen in het café had gekocht (r-c blz.13). Toen ik hem later confronteerde met de verklaring van G. erkende hij dat hij de 2 volle doosjes munitie apart had gekocht in Den Haag (r-c blz.26). Het is opmerkelijk dat Van der G. in zijn verklaringen af en toe níet open was en naar waarheid sprak; ik kom daar op terug.
Naar eigen zeggen heeft hij eind jaren '90 eenmaal met het wapen geschoten, ergens in de omgeving van Wageningen. Gewoon, om het te proberen (r-c blz.13). Later heeft hij verder uitgevonden hoe het wapen werkte, en heeft hij het wapen ook wel doorgeladen.

Er is geen aanwijzing dat Volkert het wapen destijds heeft aangeschaft om er iemand mee te doden. Al is het natuurlijk ernstig genoeg dat hij het al die jaren voorhanden had, en er kennelijk aan dacht toen hij het plan opvatte om Fortuyn te vermoorden.
Hij heeft het wapen met de munitie thuis bewaard in een koffer. Op foto's is duidelijk te zien dat de koffer handmatig is voorzien van twee oogschroeven en een hangslot (AH/399); kennelijk was de inhoud van die koffer niet voor andere ogen bedoeld.

het ontstaan van het idee; zoeken op internet

Dit begon voor Volkert met de gedachte 'dat Fortuyn gestopt moest worden' (r-c blz.4). Hij haatte hem niet, maar vond hem een gevaar voor de democratische rechtsstaat (blz.4 en 6). Hij heeft Fortuyn in alle media gevolgd en het totaalbeeld bracht hem op de gedachte Fortuyn om te brengen (blz.5). Tot dit totaalbeeld behoren 'de combinatie van de persoon, zijn ideeën, de manier waarop hij de ideeën naar voren bracht en de macht die hij zou krijgen' (blz.8).

De start van Volkerts voorbereidingen ligt op het internet. Op 9 verschillende dagen, gedurende zo'n 13 uur in totaal, heeft hij gesurft en gezocht naar trefwoorden rond de naam, de woonplaats en het dagprogramma van het slachtoffer (AH/357).
Vastgesteld is dat op de computer bij Volkert thuis op 22 maart 2002 voor het eerst is gezocht op de naam van het slachtoffer, en wel op de site 'pim-fortuyn.nl'. Op 24 maart is vermoedelijk gezocht op een adres van Fortuyn in Rotterdam, met zoekvragen als 'burgerplein + rotterdam + fortuyn'.
Daarna is op 21 april 2002 verder gezocht op trefwoorden als 'fortuyn + agenda' en 'fortuyn + profiel + prive'. Op 28, 29 en 30 april is wederom gezocht, o.a. naar 'ontbijt + tv', kennelijk om het programma van optredens van Fortuyn te vinden. Op die 30e april heeft hij een print gemaakt van de mededeling dat Fortuyn op 8 mei 2002 te gast zou zijn in KRO's Ontbijt-TV. Op 4 mei heeft verdachte nog gezocht op de website 'omroep.nl'.

Verdachte was in het bezit van een GSM. Deze werd na de moord uitgeschakeld aangetroffen in de kofferbak van zijn auto (relaas-pv blz.27). Uit onderzoek is gebleken dat deze GSM op 3 mei 2002 voor het laatst contact heeft gemaakt (relaas-pv blz.35).

Op zondag 5 mei 2002 heeft verdachte 's avonds vanaf 19.59 uur zo'n twee uur lang (!) op diverse websites gespeurd op trefwoorden als 'fortuyn + 6mei', en '3fm + studio + sumatralaan' (AH/355-357). Om 21.11 uur heeft hij gezocht naar een plattegrond van het Mediapark. Om 21.50 uur heeft hij meer gedetailleerd gezocht naar beelden van het 3FM-gebouw (AH/33).

waarom het Mediapark?

Puur toeval, aldus verdachte zelf; "Ik had geen speciale reden om de aanslag op het Mediapark te plegen. Het ging mij uitsluitend om de gelegenheid om te doen wat ik wilde doen" (r-c blz.11). "De plek en tijd voor deze aanslag waren voor mij niet zo relevant. Ik heb op de computer naar een gelegenheid voor de aanslag gezocht. Toen kwamen verschillende mogelijkheden naar boven" (r-c blz.12). Dat Volkert ook plattegronden van de woonomgeving van twee andere LPF-ers bij zich had, mag volgens hem niet worden uitgelegd als bedreigend jegens hen. Net als de plattegrond van het Kurhaus had het volgens hem alleen maar betrekking op mogelijke plaatsen waar Fortuyn zou komen of zelfs overnachten (r-c blz.11).
Volkert zocht naar een plaats waarvan hij zeker wist dat hij Fortuyn daar zou treffen. Het was geen optie om Fortuyn op te wachten bij zijn woning in Rotterdam, omdat Volkert ook nog een thuis en zijn werk had (r-c blz.12). Kennelijk moest het allemaal totaal niet opvallen wat hij in zijn schild voerde. Het Mediapark was de eerste kans die zich voordeed.
Steun voor de gedachte dat het Mediapark vrij toevallig is gekozen, ligt in het feit dat in verdachtes auto ook het printje lag met de informatie dat Fortuyn op 8 mei 2002 te gast zou zijn bij KRO's Ontbijt-TV (AH/183).

een grondige voorbereiding

Volkert heeft zich terdege op 6 mei voorbereid. Uit wat in zijn auto en op zijn lichaam werd aangetroffen na zijn aanhouding kan dat zonder meer blijken:

 

Met zijn internetgedrag en zijn verklaring daarover kan worden bewezen dat Volkert "opzettelijk en met voorbedachten rade" heeft gehandeld.

de ochtend van 6 mei 2002

Er zijn geen verklaringen over waar de verdachte die vroege ochtend was. Zijn vriendin heeft niet inhoudelijk willen verklaren, dus moeten we het doen met wat verdachte er zelf over zegt. En dat is opvallend weinig. Hij weet niet meer hoe hij zich 's morgens voelde, wat hij precies heeft gedaan voordat hij de deur zegt te zijn uitgegaan.
Het verhaal begint die dag pas controleerbaar rond een uur of tien. Een collega verklaart dat hij zelf op 6 mei 2002 tussen 9.45 uur en 10.00 uur bij VMO arriveerde en dat Volkert net iets later binnenkwam. Ze hebben gewoon gewerkt. We zien dus verdachte als altijd druk bezig met dossiers, telefoontjes en een poststuk klaarmaken voor verzending. Intussen heeft hij zijn rugzak naast zich, met zijn pistool en zeven kogels. Twee werelden, die tot het middaguur gewoon naast elkaar bestaan. Omstreeks 12.30 uur zijn zij beiden het kantoor uitgegaan. "Volkert zei dat hij die middag vrij nam vanwege het mooie weer" (GET/72). Deze collega heeft een half uur lunchpauze genomen en is daarna weer teruggekeerd naar kantoor. Met Volkert heeft hij geen contact meer gehad.

de middag van 6 mei 2002

Uit informatie van de Postbank blijkt dat Volkert die dag om 12.48 uur in Wageningen € 150,= heeft opgenomen (relaas-pv blz.36, en DIV/12). Rond hetzelfde tijdstip heeft Volkert op een postkantoor in Wageningen een postpakket verzonden in verband met zijn werk bij de VMO (relaas-pv blz. 28 en 29).
Uit informatie van Albert Heijn blijkt dat hij om 13.16 uur één fles Spa rood, scheermesjes en -schuim, bananen en mueslibroodjes heeft afgerekend bij een AH-filiaal in Wageningen (relaas-pv blz.36, en DIV/13).
Op een doos in verdachtes kofferbak zat een aankoopbon van een scheerapparaat, afgerekend op 6 mei 2002 om 13.42 uur bij een winkel in Bennekom (relaas-pv blz.27).

Naar aanleiding van een later buurtonderzoek in Hilversum, in de omgeving van verdachtes auto, heeft een getuige verklaard dat hij de Toyota op 6 mei om 15.30 uur, toen hij zelf met zijn auto uit de Celebeslaan vertrok, nog niet heeft gezien, maar om 17.45 uur toen hij terugkwam wel (GET/41).
Naar eigen zeggen is Volkert onderweg van Bennekom naar Hilversum drie keer gestopt: de eerste keer om zich te scheren (langs de A12), daarna om te tanken (bij Utrecht, van de snelweg A27 af), en tenslotte nog een keer om het wapen met wasbenzine schoon te maken (voor Hilversum). Hij had bij die laatste keer zijn latex handschoenen aan (r-c blz.16 en VERD/46 en 42-43).
Volkert zelf verklaart dat hij om een uur of vier die middag bij het Mediapark aankwam. Niemand heeft hem rond die tijd gezien, dus moeten we het uitsluitend met zijn eigen verklaring doen. Hij heeft het Mediapark eerst nabij de hoofdingang verkend en daarna het fietspad aan de Insulindelaan ontdekt. Vervolgens is hij het terrein gaan bekijken en heeft hij even op een bankje rust gezocht voor zichzelf (VERD/57). Vervolgens ging hij op zoek naar het 3FM-gebouw, dat hij van buitenaf al had gezien (VERD/47). Tussen de struiken heeft hij de tas met het pistool in de grond gegraven, om in de resterende tijd niet gezien of gecontroleerd te worden met een wapen bij zich.

de laatste minuten

Daar, tussen de struiken, heeft hij naar eigen zeggen ongeveer een uur gezeten (r-c blz.17). Hij kon flarden horen van de uitzending binnen (r-c blz.19). Wie de radio-uitzending van BNN terugluistert, hoort onder meer dat aan Fortuyn wordt gevraagd hoe oud hij denkt te worden. Of Van der G. dat ook heeft opgevangen weet ik niet, maar het levert een buitengewoon griezelig beeld op: een jongeman in de struiken, en tussen de auto's, terwijl hij de radiostem hoort van zijn niets vermoedende slachtoffer. Ik denk dat iedereen die zichzelf probeert te verplaatsen in de positie van degene die daar lag, met een zojuist doorgeladen pistool op zak, zich niet kan voorstellen dat hij kort daarna in staat zou blijken te zijn om zó onopvallend - beheerst - op Fortuyn af te lopen, dat het lijkt alsof hij op die locatie hoort.

Kort voor 18.00 uur groef hij het wapen op. Naar eigen zeggen kwam hij een beetje tussen de struiken uit, ging naast een auto liggen, met zijn gezicht richting de uitgang van het 3FM-gebouw, zodat hij onder de auto door die richting uit kon kijken (VERD/48). Hij kon buiten het 3FM-gebouw horen dat de uitzending was afgelopen, en zag Fortuyn naar buiten komen lopen met een paar andere mensen. Hij stond op en liep met een boogje om Fortuyn heen om hem van achteren te kunnen neerschieten. Wat Volkert hierover zegt is even doeltreffend als kil en berekenend: "Ik had bedacht dat als ik Fortuyn van voren zou benaderen hij het misschien zou zien aankomen. Het van achteren beschieten van Fortuyn zou de minste problemen opleveren. Hij zou dan niet wegduiken wat dan weer gevaar voor anderen zou hebben opgeleverd. Het was ook mijn bedoeling om Fortuyn niet onnodig te laten lijden. Van achteren zou ik hem direct dodelijk kunnen verwonden" (r-c blz.19).

Volkert beschrijft zijn gedachten op het laatste moment als "ogen op oneindig en verstand op nul (…) Van tevoren had ik nog wel twijfels, maar op het laatste moment niet meer. Dat ik op het laatste moment niet meer twijfelde, had ook met mijn overtuiging te maken. (…) Ik bedoel daarmee het plan, in de zin van dat ik op dat moment het gevoel had dat ik met iets goeds bezig was. U vraagt mij of ik daarmee doel op het ombrengen van Fortuyn en de gedachte daarachter. Ja, zo bedoel ik dat." (r-c blz.21).

hoe Volkert overkwam tijdens het schieten

Getuigen van de aanslag zeggen ook iets over hoe de schutter op hen overkwam.
Getuige Van D. (medewerkster van een omroep): "Hij kwam heel vastbesloten, koelbloedig over. Ik zeg dat met name omdat de man geen pauze liet vallen tussen de schoten" (r-c blz.18).
Getuige Zeroual (LPF-Kamerlid): "Ik ervoer de uitdrukking op zijn gezicht als koel en emotieloos" (r-c blz.3), en "ik zag op het gezicht van de man met het wapen een totale leegheid en gebrek aan emoties. Dit is me met name opgevallen omdat je van iemand die zojuist op iemand heeft geschoten, emoties zou verwachten van bijvoorbeeld schrik of kwaadheid" (r-c blz.5).
Getuige P. (medewerker van een omroep) noemt het optreden van de schutter "resoluut. De Cap maakte op mij de indruk dat hij duidelijk met 1 doel bezig was en dat hij voor niemand anders dan Fortuyn aandacht had" (r-c blz.9). Ook getuige K. (medewerker van een omroep) zag "geen moment van twijfel. Ik doel daarbij ook op het eerst onopvallend langs Fortuyn lopen om vervolgens van achteren toe te slaan" (r-c blz.4). Getuige De Wild kan het gedrag niet goed duiden, maar kan wel zeggen "dat de wijze waarop de dader onze richting op kwam lopen, op mij mij overkwam alsof hij de situatie ter plekke goed kende, alsof hij daar hoorde" (r-c blz.4).

Het is, vooral ook gelet op wat De Wild erover heeft verklaard, de vraag of Van der G. wel echt zijn 'verstand op nul, blik op oneindig' had. Hij had van te voren bedacht dat hij in alles onopvallend moest overkomen. En óók toen hij zijn laatste tien tot twintig meters in de richting liep van het kleine groepje mensen, bij wie Fortuyn stond, besefte hij dat hij normaal moest overkomen. Daarom rende hij niet. Hij kwam over als iemand die daar hoorde.

de aanslag

Hoewel Fortuyn enkele mensen dicht bij zich had staan, aarzelde Volkert niet, maar schoot hij van zeer korte afstand 5 keer van achteren op het bovenlichaam van Fortuyn. Volgens het NFI duiden de schotrestsporen op de kleding van het slachtoffer op een schootsafstand van niet meer dan 50 tot 150 centimeter (TR/115). Verdachte erkent deze korte afstand (r-c blz.21).
Volgens de verdachte zelf was hij geen geoefend schutter, en hoefde hij dat ook niet te zijn, "op zo'n korte afstand is het niet moeilijk om iemand te raken" (r-c blz.14 en 21).
De uitvoering van Volkerts voornemen was als die van een liquidatie. Om aan te geven hoe dat feitelijk werkt, citeer ik uit zijn eigen verklaring: "Ik heb hem wel ineen zien zakken en heb toen nog schoten afgevuurd. Ik heb toen doelbewust op zijn hoofd gericht en geschoten" (r-c blz.20) en "Ik heb na elke keer vuren de terugslag van het wapen gevoeld. Het gevolg van een terugslag was steeds dat ik het wapen weer moest richten. Dat heb ik tijdens het schieten op Fortuyn ook steeds gedaan" (r-c blz.22).
Bij dit beeld van een liquidatie past ook dat Van der G. een plastic tas om het pistool had gewikkeld. Wie het lef heeft om vrij open op zijn slachtoffer af te stappen en hem van zeer korte afstand durft neer te schieten, wil in ieder geval geen onnodige sporen achterlaten; kogelhulzen zijn belangrijk sporenmateriaal. Van der G. zegt door de bodem van de plastic zak heen te hebben geschoten (r-c blz.19 en ter zitting 27-03-03). Als hij dat goed had gedaan, zouden de hulzen in de zak zijn opgevangen, en waren zij niet op het Mediapark achtergebleven. Het heeft er alle schijn van dat het anders liep dan Volkert bij zijn voorbereidingen had bedacht; de hulzen rolden wel één voor één over de grond.
Extra kwalijk, want riskant, is het schieten door een plastic tas heen, doordat het richten daardoor wordt bemoeilijkt. Verdachte heeft alleen al daardoor het risico genomen dat hij één of meer anderen zou treffen.

Ruud de Wild ook bijna doodgeschoten

Om de grote ernst van de aanslag te benadrukken merk ik hier op dat getuige Ruud de Wild, die vlak bij Fortuyn stond, na het eerste schot een tas voor zijn hoofd hield (r-c blz.4). In deze tas bleek later een inschotopening te zitten. Het NFI stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat die tas van minder dan 150 cm afstand is beschoten (TR/115). De afstand is dus waarschijnlijk iets groter dan die van waaraf Fortuyn is neergeschoten; kennelijk was Volkert toen al aan het weglopen. De Wild heeft bij de rechter-commissaris verder verklaard dat hij na de aanslag een bloeding in zijn linker oor had. Volgens een KNO-arts was dit waarschijnlijk het gevolg van de druk van een dicht bij zijn oor afgevuurd schot; ook heeft hij verklaard dat Fortuyn tijdens de schoten ineen zeeg terwijl hij een arm van De Wild vasthield (r-c blz.3). Een laatste bewijs dat De Wild echt bijna in de baan van de dodelijke kogels heeft gestaan is het feit dat op zijn tas (weliswaar minuscuul) celmateriaal en bloed is aangetroffen, waarvan het DNA-profiel past bij dat van Fortuyn. Kortom, Volkert heeft - wellicht bij zijn laatste schot, dat hij naar eigen zeggen per ongeluk afvuurde bij het weglopen (r-c blz.20) - toch bewust het risico aanvaard dat hij een ander naast Fortuyn zou treffen. Het had maar een haar gescheeld of ook De Wild was doodgeschoten. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bewust geen aangifte heeft willen doen; de aanslag was volgens hem op niemand anders dan op Fortuyn gemunt, en hij meent dat het voor hem zelf beter is dat hij niets meer met deze zaak te maken heeft (r-c blz.5). Ik respecteer deze keuze, en heb daarom de verdenking dat verdachte De Wild opzettelijk bijna heeft doodgeschoten, niet in de tenlastelegging opgenomen; de vele aandacht die dit proces al krijgt zou zich dan wellicht te veel op deze getuige toespitsen.
Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat met deze omstandigheid rond de moord op Fortuyn wel rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de strafmaat; ik kom er dus op terug.

de dood van Fortuyn

Het slachtoffer Fortuyn viel terstond neer. Eén getuige noemt het met "een schokkende beweging" (NOS-medewerker, GET/53), De Wild zag hem "ineen zijgen" en dacht meteen dat het slachtoffer al stervende was (De Wild, r-c blz.3).
Fortuyn moet vrijwel direct zijn overleden, al heeft de gemeentearts - naar ik aanneem tegen beter weten in, maar het was wel Pim Fortuyn die daar lag - nog een uur lang geprobeerd te reanimeren (DIV/04). Getuige Zeroual is direct als enige bij hem neergeknield. Zij raakte enigszins in paniek, want zij merkte hoe open de plek was waar zij zat en wist niet wat er ging gebeuren. Na een korte rit met de heer De Booij over het Mediapark keerde zij bij het lichaam terug. Fortuyn vocht nog om adem, maar zei niets meer (r-c blz.4).
Uit het sectieverslag blijkt dat Fortuyn 5 keer was geraakt, eenmaal in de nek, tweemaal in de rug, tweemaal in het hoofd. De verwondingen aan de hersenen, het hart, de hals en de linker long kunnen de dood zonder meer verklaren, aldus de beide pathologen (TR/147).

had Volkert voorverkend?

Volkert stelt dat hij vóór 6 mei 2002 geen vluchtplan had; toen hij op 6 mei via het fietspad het Mediapark was opgelopen had hij bedacht dat hij zó het park zou verlaten (r-c blz.23). Het lijkt aannemelijk, maar roept toch vragen op.
Oké, hij wist pas op de avond van 5 mei dat hij op 6 mei op het Mediapark zou kunnen toeslaan, dus vóór 6 mei kon hij geen vluchtplan vanaf het Mediapark hebben. Maar het blijft voor degene die het Mediapark een beetje kent moeilijk voorstelbaar dat Volkert, die van plan was om Fortuyn te vermoorden op onbekend terrein, zijn auto zo maar ergens parkeerde, zo maar ergens het terrein opliep en alleen maar beetje onthield hoe hij gelopen was, en op díe manier probeerde zijn pakkans te verkleinen. Als we hem moeten geloven had hij aan één keer buitenom langs het Mediapark rijden, en bestudering van de uitgedraaide plattegrond (die vervolgens in de auto kon achterblijven), genoeg om te weten waar hij op het terrein moest zijn. Volkert had zich zó voorbereid op het onopvallende karakter van zijn uiterlijk (kleding, pet, geschoren, geen oorringen) en van de daadwerkelijke uitvoering van zijn plan (rustig lopen, schieten vanuit een tas). Zou hij echt voldoende hebben gehad aan één loopje over het terrein om zich tijdens zijn vlucht niet één keer in een bocht te kunnen vergissen? Het is toch eigenlijk een dwaze gedachte dat iemand die de bekendste politicus van Nederland van dat moment, op een zo belangrijk moment in de verkiezingscampagne, gaat vermoorden, over zijn eigen aftocht niet meer denkt dan: "Ik had zoiets van, ik kom wel weg, ik ren wel weg". Hij voegt daar nog aan toe dat hij ervan uitging dat mensen niet zo snel een gewapend persoon achterna zullen rennen, zeker niet nadat iemand is neergeschoten (VERD/49). Het is niet erg aannemelijk dat Volkert zó onzorgvuldig met zijn eigen vrijheid ná een succesvolle aanslag zou omgaan.

Er zijn ook een paar indicaties om aan te nemen dat hij zich toch wel iets beter op zijn aftocht heeft voorbereid:

 

Voor alle duidelijkheid, ik kan het niet aantonen dat Van der G. die nacht of ochtend is wezen 'voorverkennen'. De milieurapporten van het NFI moeten uiteraard met de nodige voorzichtigheid worden gelezen; de conclusies omtrent het verband tussen de stuifmeelsporen op twee locaties zijn niet hard. Maar alle genoemde feiten en omstandigheden roepen wel de vraag op of het niet zeer aannemelijk is dat hij de situatie wel degelijk eerder heeft bekeken, zijn positie heeft bestudeerd, en vervolgens nog enige tijd is weggegaan om later beter beslagen ten ijs te komen.

Waarom is het belangrijk dit op te merken? Het feitencomplex verandert er niet echt door. De tenlastelegging al helemaal niet.
Toch vind ik het belangrijk om hiernaar onderzoek gedaan te hebben, om beter te kunnen beoordelen hoe oprecht en betrouwbaar de verdachte in zijn verklaringen is geweest. Zowel over de feiten als over zijn drijfveren. Ik kom daarop terug bij de bespreking van zijn persoon.

de vlucht, de bedreiging en de aanhouding

We weten inmiddels goed genoeg hoe Volkert na het schieten is gevlucht. In één rechte lijn rende hij het Mediapark door en uit, achtervolgd door de getuige Smolders, halverwege gevolgd door de twee andere getuigen K. en S. De eerste keer dat 'de man met de pet', zoals getuige K. de verdachte noemde, zich naar K. omdraaide, zag deze getuige dat de man zijn hand in een jaszak had alsof hij daarin iets had waarmee hij op hem richtte (r-c blz.8). De verdachte heeft later verklaard dat hij zich inderdaad omdraaide met zijn hand in een jaszak, maar geen bedoeling had deze getuige te bedreigen; hij hield zijn hand in zijn jaszak op het wapen om te voorkomen dat het uit zijn jaszak zou vallen (r-c blz.3).
Wel erkent hij dat hij even later de getuige Smolders zijn wapen heeft laten zien om hem te weerhouden van verder achtervolgen (r-c blz.3). Smolders heeft verklaard dat de schutter zich op de Celebeslaan naar hem omdraaide en een wapen op hem richtte (r-c blz.5). Daarmee staat m.i. vast dat Volkert deze Smolders heeft bedreigd; dat hij niet de intentie heeft gehad om Smolders iets aan te doen (r-c blz.24) doet aan het karakter van bedreiging niets af.
Niet vast staat dat hij ook K. heeft bedreigd, en daarom is dat onderdeel van de tenlastelegging afgehaald.

Uit de videopresentatie van de vlucht-, loop- en rijroutes blijkt zichtbaar en duidelijk dat er niets mysterieus was aan het feit dat de politie zo snel ter plaatse was. Uit de beelden, die we hebben gezien in hetzelfde tempo als de gebeurtenissen zelf zich hebben afgespeeld, blijkt hoeveel er in enkele minuten kan gebeuren. De hoofdagenten Bosch en Lammers reden op surveillance in Bussum-Zuid, hoorden de melding van een schietincident - let wel: zij wisten toen niet wie het slachtoffer was, dus dáárop kunnen zij niet hebben gereageerd, zij deden gewoon wat zij behoorden te doen - en trokken ijlings hun kogelvrije vesten aan. De hondengeleiders Molenaar en Plantinga waren op het hoofdbureau in Hilversum, hoorden dat er geschoten was op het NOB-terrein en gingen meteen die richting uit. Via de meldkamer hoorden zij onderweg dat een getuige de locatie van de verdachte doorgaf. Toen zij iemand zagen zwaaien om hen de juiste richting op te loodsen, reden zij en vervolgens liepen zij de Celebeslaan in, steeds dichter op de verdachte aan.
Het is een samenloop geweest van bijzonder prijzenswaardig en alert optreden (primair natuurlijk van de heer Smolders, die grote moed heeft getoond door achter een schutter met vuurwapen aan te gaan čn onderweg de politie op de hoogte te houden, en vervolgens van de razendsnel optredende politieagenten) en een dosis toeval en professionaliteit (door op het juiste moment op de juiste plaats te zijn en geen fouten of vergissingen te maken), waardoor Volkert van der G. al zó snel kon worden aangehouden. Ik ben ervan overtuigd dat, als het na het schieten op Fortuyn had ontbroken aan deze moed en alertheid en dit beetje geluk, de verdachte een goede kans had gemaakt om ongezien weg te komen; en wie zou ooit op hém als mogelijke dader zijn gekomen? Volkert speculeerde daar zelfs op: hij zou in de anonimiteit kunnen verdwijnen, en daarmee oproepen dat de verdenking zou uitgaan naar ándere groeperingen of een ánder dan hijzelf. Bij de politie zegt hij daarover: "Stel nou dat ik weg was gekomen en jullie zouden niks gevonden hebben, dan was natuurlijk niet duidelijk geweest uit welke hoek dat zou zijn gekomen. Dus konden ze ook niet wijzen, in feite. Ze kunnen natuurlijk speculeren." (…) "…als er gewoon geen aanwijzingen zijn dat het uit een bepaalde richting komt, dan kan het toch nooit serieus worden. Dan denk ik ook dat als één of andere journalist allerlei suggesties zou doen, dat er dan allemaal weer tegenwerpingen zouden komen van andere zijden. Van dat zeg je nu wel, maar daar heb je geen aanwijzingen voor" (VERD/50).

Toen verdachte werd aangehouden was hij uitgeput. Hij had al eerder de energie uit zijn lichaam voelen stromen, door ontlading van de spanning en gebrek aan conditie. Hij was bekaf en kreeg een gevoel van berusting over zich (r-c blz.24-25). De twee agenten die hem aanhielden verklaren dat hij een diepe zucht slaakte, rustig bleef, buiten adem was, het schuim op de mond had staan, en heel diep ademde (Bosch, r-c blz.8, en Lammers, r-c blz.11). Nadat zij de verdachte op het politiebureau hadden gebracht, hoorden zij wie het slachtoffer van de schietpartij was. Dus nogmaals: hun optreden kan op geen enkele wijze zijn beďnvloed door de wetenschap dat het de heer Fortuyn was die kort tevoren was neergeschoten (Bosch r-c blz.9, en Lammers r-c blz.11-12).

Op het bureau heeft verdachte bij zijn verhoor ter gelegenheid van zijn inverzekeringstelling gezegd: "Ik leg geen verklaring af. Ik wil eerst overleg met mijn advocaat mr.Böhler" (DIV/05). Die zwijgzaamheid heeft hij ˝ jaar volgehouden tot zijn verhoor bij de rechter-commissaris.

C. het bewijs van de ten laste gelegde feiten

Ten aanzien van feit 1 kan de betrokkenheid van de verdachte ruimschoots worden bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

 

Over de voorbedachten rade nog dit. Volkert heeft het plan weken tevoren opgevat, en is het betrekkelijk kort tevoren goed gaan voorbereiden: waar en wanneer, hoe, met wat voor wapen, in welke outfit. Hij heeft zich niet op één locatie georiënteerd, maar ook op de mogelijkheid dat hij Fortuyn zou moeten opzoeken bij een ander LPF-partijlid bij wie Fortuyn, naar Volkert dacht, wel eens zou kunnen verblijven.
Op de vraag van de rechter-commissaris of hij de aanslag had beraamd en voorbereid, zei hij kortweg "ja" (r-c blz.2). Daarna heeft hij dit nader verwoord door te zeggen "Het idee voor de aanslag is niet opeens ontstaan, maar is gegroeid" (r-c blz.4) en "Ik heb Fortuyn in alle media gevolgd en het totaalbeeld heeft mij op deze gedachte gebracht" (r-c blz.5). Later bevestigt Volkert de verklaring van zijn vroegere vriend Robert dat hij rationeel is in het doel en de gevolgen van zijn handelen: "het gebeuren van 6 mei 2002 kwam niet voort uit een impuls. Het was niet zo van 'wat zal ik eens gaan doen op mijn vrije middag?'. Ik heb er wel over nagedacht. Ik weet dat ik slordigheden heb begaan bij de uitvoering van die aanslag (…). Misschien had het te maken met het feit dat ik er onbewust niet zoveel over wilde nadenken" (r-c blz.29).

Weliswaar heeft Volkert tegenover de psychiater van het Pieter Baan Centrum gezegd dat hij niet heel erg heeft gepeinsd over zijn voornemen om Fortuyn te doden, dat het "een idee was dat zo naar binnen flitste", dat hij er niet te lang over wilde denken, en het te snel heeft gedaan (PBC-rapport blz.72). Hierdoor kan de indruk worden gewekt dat verdachte uiteindelijk in een opwelling zegt te hebben gehandeld, en van voorbedachten rade in zijn beleving eigenlijk tňch geen sprake is geweest.
De deskundige merkt echter meteen op dat verdachte op deze manier heeft getracht "de volle omvang van zijn voornemen niet te zien door telkens de mogelijkheid open te houden om zijn voornemen om de een of andere reden niet uit te voeren" (blz.72). Volkert hield een uitweg open en voorkwam daarmee dat hij in dwangmatig piekeren of twijfelen zou vastlopen (blz.77). Volkerts verklaring op dit punt heeft dus vooral een psychische lading, die zijn langdurig voornemen om op enig moment Fortuyn door geweld uit te schakelen onverlet laat.

Het bewijs voor feit 2 is gegrond op de verklaring van de getuige Smolders (GET/ 02 en r-c blz.5) en de bekennende verklaring van de verdachte zelf (r-c blz.3 en 24, en VERD/49).

Feit 3 - wapen- en munitiebezit - kan worden bewezen o.g.v. de volgende bewijsmiddelen:

 

Ik wil nog een opmerking maken over de munitie die de verdachte in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft verklaard (r-c blz.13) dat hij het wapen geladen kocht, en (later) 2 doosjes munitie. In totaal zijn 54 patronen op hem terug te brengen, dat zijn 2 doosjes van 25 stuks en, als zijn verklaring juist is, 4 in het wapen bij de aankoop.
Naar eigen zeggen heeft hij niet zo gek lang na de aanschaf van het wapen één proefschot gelost, om het wapen uit te proberen (VERD/39). Het merk patroon van dat proefschot kennen wij (uiteraard) niet. Naast één vol doosje met 25 patronen van het merk S&B werd bij hem thuis een doosje gevonden met twee patronen van het merk S&B, één patroon van het merk PMC en 18 patronen van het merk MRP; totaal 21 patronen dus, van drie verschillende merken, in één doosje. Verder is opmerkelijk dat uit technisch onderzoek blijkt dat de zes patronen waarmee Fortuyn is beschoten en de ene patroon dat nog in het pistool werd gevonden, ook van het merk MRP zijn. Met de 18 MRP-patronen in het doosje maakt dat in oorsprong één vol doosje van 25 stuks. Twee dingen springen hier in het oog:

 

feit 4: de 35 condooms

Feit 4 vergt aparte bespreking.

Bij verdachte is op 24 juni 2002 een nadere doorzoeking van zijn woning verricht. Aanleiding was vooral een telefoongesprek tussen verdachte en zijn vriendin op 12 juni 2002 over iets in de garage. Verdachte vroeg Petra twee keer nadrukkelijk ergens even aan te denken, zonder in te gaan op wat dan precies. Petra zei dat de garage niet op slot kon, en vroeg aan haar vriend of het bekend was, en wat ze uit de garage zouden kunnen halen.
Wij interpreteerden dit gesprek als verhullend. Verdachte heeft dat later altijd bestreden, hij zou slechts bang zijn geweest voor inbraak of diefstal, maar feit is wel dat de rechter-commissaris bij een doorzoeking in de garage een kunststof container aantrof die gevuld was met chemische stoffen. Ook lag daar een kookwekker waaraan elektriciteitssnoeren en stekkers waren bevestigd. Daardoor leek het op een ontstekingsmechanisme met tijdvertraging. Ook werd een bamboe hengel met bidon en afstandsbediening gevonden. De wekker en de hengel staan afgebeeld in boeken over (ik noem het maar) chemisch actie voeren. Verder werden aantekeningen over chemicaliën gevonden.

Te veel voor iemand die het alleen maar leuk vindt scheikundige proefjes te doen. Maar ook te onwaarschijnlijk omdat deze stoffen en voorwerpen bij uitstek geschikt bleken te zijn voor het maken van brandbommen en dergelijke. Verdachte bewaarde thuis ook boekjes en brochures uit het anarchistische actiewezen, portofoons die afgesteld stonden op politiefrequenties, een scanner, een map met politiefrequenties, en bivakmutsen.
Daarom móest deze hoeveelheid stoffen en voorwerpen, in combinatie gezien, wel doen denken aan iemand die ze - ooit misschien - bedoeld heeft voor gebruik bij gewelddadige acties.
Ik heb overwogen aan verdachte ten laste te leggen dat hij zich, door het voorhanden hebben van al deze stoffen en voorwerpen, had schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 46 Wetboek van Strafrecht: voorbereidingshandelingen met het oog op brandstichting. Een redelijke verdenking was er zeker: de combinatie van al deze dingen kan tot het vermoeden leiden dat verdachte deze spullen voorhanden had, "kennelijk bestemd" tot het begaan van een misdrijf waarop acht jaar gevangenisstraf of meer is gesteld, zoals brandstichting.

Ik heb hiervan afgezien om de volgende reden. Uit het onderzoek is gebleken dat een aantal voorwerpen dateren van begin jaren '90. Verder is uit een landelijke analyse gebleken dat bij geen van de bekende aanslagen of andere gewelddadige acties, déze (mix van) chemicaliën of hulpmiddelen zijn gebruikt, en tegen deze verdachte geen verdenking kan worden geformuleerd dat hij ooit bij dergelijke feiten betrokken is geweest.
Ik meen dat, als ik artikel 46 Wetboek van Strafrecht zou tenlasteleggen, niet voldaan is aan de wettelijke eis van 'kennelijke bestemming' van de betreffende voorwerpen. Die heeft nl. een objectieve en een subjectieve kant. Dat met deze stoffen en voorwerpen brandstichting kan worden voorbereid en gepleegd, acht ik wel bewijsbaar. Maar dat zij ook onderdeel waren van een - actueel - handelingsplan van de verdachte, kan niet worden vastgesteld. De stoffen en voorwerpen waren erg oud en verdachte had ze al zo'n tien jaar in bezit. Verder is van actuele voorbereidingen tot gewelddadige acties voor milieu en dierenwelzijn bij hem niet gebleken.

Wel ben ik van oordeel dat de 35 aangetroffen condooms met een kaliumchloraat-suikermengel, in samenhang met het aangetroffen zwavelzuur, kunnen en moeten worden gezien als wapens in de zin van de Wet wapens en munitie. Met name ook acht ik bewezen dat het gaat om voorwerpen die bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing (categorie II sub 7e).
Voor het bewijs kan dienen:

 

D. Wie is Volkert van der G. precies?

De persoon van de verdachte verdient aandacht vanuit verschillende gezichtspunten:

  1. wat heeft Volkert met wapens, anarchistische lectuur en chemicaliën?

  2. welk beeld van hem rijst op uit verklaringen van anderen?

  3. heeft hij naar waarheid verklaard omtrent de feiten?

  4. heeft hij naar waarheid verklaard omtrent zijn motief?

  5. hoe ziet het Pieter Baan Centrum hem?

 

ad 1. wat heeft verdachte met wapens, anarchistische lectuur en chemicaliën?

Uit de in beslag genomen documenten blijkt dat Volkert al begin jaren '90 geďnteresseerd was in vuurwapens; hij bewaarde verschillende krantenknipsels en advertenties uit wapentijdschriften (AH/448 e.v.). Gevraagd naar zijn toen al bestaande belangstelling voor vuurwapens, doet hij dit af met: "Of ik toen in de aankoop van een vuurwapen geďnteresseerd was weet ik niet meer. Het is 10 jaar geleden" (r-c blz.15).
Het valt op dat Volkert een vraag die niet direct slaat op iets dat met de moord te maken heeft, en waarmee hij in een wat minder gunstig licht wordt geplaatst, telkens snel afdoet met "dat weet ik niet (meer)", waarmee het toch een beetje als zand tussen de vingers door glipt. Hetzelfde gebeurt als Volkert wordt gevraagd naar zijn gevoel, toen hij voor het eerst zijn pistool in handen had. Mij lijkt dat een gewone burger toch een heel vreemd, niet te vergeten gevoel krijgt, als hij voor het eerst een door hemzelf gekocht en geladen pistool in handen heeft liggen. Het móet voor ieder normaal en gewetensvol mens een bijzonder en conflicterend gevoel opleveren, wanneer je een zó direct dodelijk wapen koopt en uiteindelijk ook in handen krijgt. Niemand maakt mij wijs dat je een vuurwapen koopt, alleen maar om jezelf passief te beschermen; je móet je realiseren dat het altijd kan uitdraaien op aktief gebruik, op schieten, op kúnnen doden. Maar Volkert zegt: "ik kan me dat niet goed meer herinneren"; de enige spanning die hij zich herinnert had te maken met de leverancier die hij niet vertrouwde (r-c blz.15).
Hoe moet ik dit uitleggen? Kán hij geen gevoelens onder woorden brengen, net als toen hem werd gevraagd naar zijn gevoel over de gevolgen voor zijn vriendin en zijn dochtertje, en zegt hij daarom maar: ik herinner het me niet meer? Maar dan had hij ook op déze vraag over zijn gevoel bij het pistool kunnen antwoorden dat hij het moeilijk vindt om daarover te praten, zoals over zijn vriendin en kind (r-c blz.6, 28 en 31).

Volkert heeft verklaard dat hij al in 1992 werd bedreigd vanuit de veehouderijwereld (r-c blz.15). Toch wachtte hij, naar eigen zeggen, tot 1996-1997 met de aanschaf van een vuurwapen. Waarom had hij al niet veel eerder een wapen?

Een vroegere vriend Robert heeft hem rond 1998/1999 wel eens gezegd dat hij zich slecht voelde en zich wel eens met een vuurwapen door het hoofd zou willen schieten, als hij er één had (GET/96). Volkert herinnert zich dat hij toen heeft gezegd dat hij daar wel aan zou kunnen komen, daarbij denkend aan zijn eigen wapen (r-c blz.13).

Opmerkelijk blijft dat Van der G. zijn vuurwapen bewaarde op de plaats waar hij ook zijn anarchistische lectuur had liggen. In de koffer op zolder werden o.a. de volgende geschriften gevonden:

Verder bewaarde Volkert daarin adressen van chemicaliëngroothandels, een lijst met boeken over vuurwapens, explosieven en pyrotechniek, twee portofoons, een scanner en twee bivakmutsen. In zijn schuur bewaarde hij de al eerder genoemde box met chemicaliën, waarvan de inhoud geheel past bij de gewelddadige actievoerder die zelf eenvoudig brandbommen en dergelijke maakt. Ook werd daar een door Van der G. geschreven 'boodschappenlijstje' voor het maken van het explosief TNT aangetroffen.

 

Ik noem dit alles omdat het een nader, en niet al te fraai licht werpt op de persoon van de verdachte. Hij heeft zichzelf neergezet als verontruste burger, die zich druk maakt om de algemene politieke ontwikkelingen in het land, die daarin opkomt voor kwetsbare groepen, en min of meer toevallig is gaan werken bij een organisatie die zich inzet voor milieu en dierenwelzijn. Stuk voor stuk punten die op zichzelf sympathiek aandoen. Maar de conclusie uit het voorgaande verdachte is daarmee niet volledig geweest. Hij heeft al lang een meer dan gemiddelde belangstelling voor vuurwapens en in elk geval enigerlei betrokkenheid bij activisme (anders hoef je niet drie bivakmutsen die je alleen maar voor koude winters hebt, in die ene koffer op te bergen). Daarbij is zijn verklaring over de chemicaliën, het kopen daarvan op valse naam, de condooms in het bijzonder, de wekker, de hengel, de portofoons en de boekjes uiterst zwak: hij onderbouwt niets en doet alles af als oude koek en flauwekul. Ik kom daarop terug bij punt 3 (betrouwbaarheid van de verklaring). Voor het Openbaar Ministerie staat wel vast dat 'geweld' in het leven van deze verdachte al lange tijd een ruimere plaats heeft, dan alleen in zijn belangstelling om erover te lezen.

ad 2. Volkert als persoon vanuit de verklaringen

Drie collega's van de VMO, John, Sjoerd en Jasper, omschrijven Volkert als:

 

Uit zijn tijd op de universiteit van Wageningen kent Robert de verdachte nog erg goed. Al in 1987/1988 leerde hij Volkert kennen bij de toenmalige Nederlandse Bond voor Bestrijding van Vivisectie (NBBV). Folders uitdelen, in demonstraties lopen, geen geweld. Ze werden vrienden. Beiden vonden ze dieren gelijkwaardig aan mensen, maar Volkert was fanatieker in zijn ideeën om dierenleed tegen te gaan. Volkert werd veganist. In zijn ideeën over dierenleed was hij erg zeker en hij kon daar heftig op reageren.
Als persoon was hij wat onzeker, hij had over zichzelf niet zo'n hoge pet op.
In 1992 deed Volkert vrijwilligerswerk voor de stichting Lekker Dier; later richtte hij er een plaatselijke afdeling van op. Ook bij de oprichting van de Vereniging Milieu Offensief ging het Volkert om de bestrijding van dierenleed. "Het welzijn van dieren was zijn leven".
Hoewel Robert na maart 2001 geen contact meer met Volkert en Petra heeft gehad, zegt hij verderop in zijn verklaring: "Voor mijn gevoel is Volkert jarenlang alleen met VMO en dieren bezig geweest. Zijn leven bestond daar uit. Als er dan zo'n Fortuyn komt die bijvoorbeeld roept dat pelsdieren weer gefokt mogen worden, kan ik mij voorstellen dat Volkert daar heel flink van over de rooie gaat. Volkert is een rationele jongen die altijd nadenkt over het doel van zijn handelen en de gevolgen" (GET/91-95).
In een krantenbericht over de Wageningse afdeling van Lekker Dier, dat Robert bij zijn verklaring voegt, wordt Volkert geciteerd: "Er is geen wezenlijk verschil tussen het leven van een mens en dat van een dier" (GET/97).

Volkerts moeder zegt dat haar zoon met zijn vriendin en baby op 27 april 2002 nog bij haar op bezoek is geweest. Zij vond hem ontzettend mager, een beetje afwezig en zei dat hij ervoor moest oppassen dat hij niet overspannen werd. Volkert beaamde dat toen (GET/104).
Het is natuurlijk de vraag of de verdachte toen echt tegen overspanning aan zat. Pas sinds kort weten wij dat hij toen met het weloverwogen plan rondliep om Fortuyn om het leven te gaan brengen. Al was hij daar niet obsessief mee bezig, aldus het Pieter Baan Centrum, het lijkt mij wel logisch dat hij daar inwendig toch van onder de indruk was, en in zekere zin toch intensief mee bezig was. Dus kan ook dát zijn afwezigheid verklaren.
Zijn moeder wijt zijn mindere toestand van die dag aan drie dingen: de moeizame bevalling zo'n 4 maanden daarvoor, de zorgen om de gezondheid van het kind, en het werk dat ook door moest gaan. Zijn werk was zijn grootste hobby; hij maakte werkweken van 80 uur (GET/104-105). Tenslotte, zij beschrijft haar zoon als meer gesloten dan voorheen, vriendelijk, hulpvaardig, ijverig, rechtvaardig en eerlijk (GET/108-109).
Zelf weet Volkert bij de rechter-commissaris niet of het feit dat hij tegen overspannenheid aan zat een rol heeft gespeeld bij wat er op 6 mei is gebeurd (r-c blz.28).

Ook zijn ex-vriendin met wie hij van 1990 tot 1996 een relatie had, beschrijft hem als gesloten, op zichzelf, maar behulpzaam (GET/142). Hij werkte altijd erg hard. Ook zij vertelt dat Volkert soms zei dat hij overspannen dreigde te raken door het werk; maar hij was daarom ook een dag minder gaan werken (GET/155).

Volgens zijn broer was Volkert vrij radicaal in het begin van zijn studietijd in Wageningen (omstreeks 1990), maar toen deze broer in 2000 uit het buitenland terugkwam vond hij Volkert minder radicaal. Wel zette hij zich al die jaren in voor de belangen van dieren; hij gaf aan contacten te hebben met actievoerders op dit terrein. Zelf voerde Volkert de strijd meer met juridische middelen (GET/128-129).

Dat Volkert wat gesloten overkwam bevestigt ook de verhuurder van een paardenstalruimte (GET/167). Anderzijds beschrijven zijn Wageningse buren vanuit de periode 1999 tot najaar 2001 hem als gewoon normaal in de omgang, niet erg afgesloten (GET/204).

De conclusie uit de verklaringen van anderen over Volkert is dat hij voorheen vooral vrij radicaal was, en in elk geval altijd zeer gedreven is geweest door idealen, met name gericht op het milieu en zijn werk voor de VMO. Als mens was hij altijd vrij gesloten en gespannen.

ad 3. het waarheidsgehalte t.a.v. de feiten

Volkert heeft in zijn verklaring bij de rechter-commissaris de indruk gewekt volledig en naar waarheid te hebben verklaard. Nadat hij gedurende maanden had gezwegen, hoewel de zich opstapelende onderzoeksresultaten schreeuwden om een reaktie, wilde hij pas verklaren toen het politiedossier volledig was. Het is een proceshouding die ik natuurlijk respecteer. Wat mij betreft hóefde hij zelfs niets te zeggen, het bewijs van moord kon ook geleverd worden zonder enige verklaring van de verdachte. Maar met deze houding heeft Van der G. wel twee belangrijke vragen opgeroepen. Waarom zwijgt deze man die stelt een overtuigingsdader te zijn zo lang, en waarom neemt hij zijn verantwoordelijkheid niet meteen als zijn zaak kansloos is geworden? Daar kom ik bij de bespreking van de strafmaat nog op terug. Belangrijker hier is dat de verdachte de verdenking over zich heeft afgeroepen dat zijn latere verklaring zou kunnen worden gezien als een zorgvuldig op de resultaten van het onderzoek afgestemde verklaring. Oftewel: hij heeft zichzelf in de comfortabele positie gebracht dat hij kon erkennen in de lijn van wat tijdens het onderzoek was gevonden, en niets behoefde te verklaren over wat niet was gevonden.

En toch had hij niet voor elk onderzoeksresultaat een goede verklaring. Soms kwam dat doordat hij op het moment van zijn rc-verklaring niet wist dát er nog iets meer van belang was gevonden. Zo heeft het beeld van de uiteindelijk toch geheel open en eerlijke Volkert bij de rechter-commissaris drie deukjes opgelopen:

 

En bij nadere bestudering van de uitgebreide r-c-verklaring kan worden gezegd dat Volkerts verklaringen op enkele punten nog altijd vragen oproepen:

 

Ook de bij de politie afgelegde nadere verklaringen blijven hier en daar vragen oproepen:

 

De conclusie uit dit alles is dat er ruimte blijft om verdachtes verklaringen hier en daar van een vraagteken te voorzien. Naar de reden hiervoor kan ik slechts gissen. In het licht van wat allemaal bij verdachte thuis aan anarchistische lectuur en aanverwante spullen is aangetroffen, kan niet worden uitgesloten dat hij zich voor deze moord voor een deel heeft gedragen conform adviezen in een aantal van de gevonden brochures. Ook is niet uit te sluiten dat hij heeft willen verhullen dat hij vanuit zijn vroegere belangstelling voor - zo niet betrokkenheid bij - bepaalde acties kennis had over hoe hij zich het beste kon voorbereiden op de moord.

ad 4. het waarheidsgehalte t.a.v. het motief

Volkert heeft verklaard dat hij Fortuyn heeft vermoord omdat hij, door Fortuyn op deze wijze te stoppen, kon opkomen voor de zwakkere, kwetsbare groepen in de maatschappij, zoals hij altijd heeft gedaan (r-c blz.4). Hij zet zijn motief voor de moord aldus in het kader van zijn al langer bestaande algemene politieke betrokkenheid.

Om de juistheid van zijn verklaring op dit punt te onderstrepen heeft zijn raadsman bij brief van 6 december 2002 een notitie meegezonden, waarin de gespreksaantekeningen staan van het eerste gesprek tussen verdachte en advocaat, op 6 mei 2002 op het politiebureau in Hilversum. (Kennelijk gingen zij ervan uit dat hun gesprek zou worden afgeluisterd, en vond de dialoog schriftelijk en zwijgend plaats.) In die aantekeningen is te lezen:
"MOTIEF? - Politiek - minister Zalm vindt het een gevaarlijk man. Dat vind ik ook. Hij kriminaliseerde bepaalde groepen mensen, omdat hij weet dat hij daarmee "scoort". Hij drijft op onvrede die er heerst maar probeert m.i. niet echte oplossingen aan te dragen. Wat dat betreft is er een parallel met de jaren 30 uit de vorige eeuw. Met hem maakt de politiek een ruk naar rechts; zodat m.i. een sociale samenleving, waar we nu al ver vanaf staan, nog verder uit zicht komt."

Voor de verdediging bewijst dit de oprechtheid van Volkerts verklaring over zijn motief: pal na zijn aanhouding kwam hij daar al mee. Het is echter de vraag of dit een weerslag is van het werkelijke motief. Volkert koos ervoor er niet echt mee voor de dag te komen, dus van enige argwaan mag hij niet opkijken.
Enerzijds verschuilt Volkert zich in deze zinnen direct veilig achter de rug en woorden van een bekend politicus, die Fortuyn eens een gevaarlijk man noemde. En dat is makkelijk. Misschien zelfs voor de hand liggend. Ieder die zich de politieke situatie in het land van het begin van 2002 voor de geest kan halen, weet dat er grote opwinding heerste in brede lagen van de bevolking, over de betekenis van deze nieuwkomer in de politiek. Hij ontving dagelijks de meest uiteenlopende kwalificaties, variërend van redder, ziener, de stem van het volk, tot populist en gevaar. Iedereen die zich tegen Fortuyn wilde afzetten, met woorden of fysiek, bijvoorbeeld Volkert die van plan was hem te vermoorden en nadacht over het waarom (en, naar ik aanneem, dus ook over het waarom, mocht hij daarover moeten verklaren als hij onverhoopt zou worden aangehouden), iedereen zou al snel een argument kunnen bedenken om zijn gedrag te rechtvaardigen.
En in zoverre kon Volkert zijn officiële motief dus al lang tevoren hebben klaar liggen: veilig, in dezelfde lijn en bewoordingen als die van de felste politieke bestrijders van Fortuyn. En zijn voordeel daarbij was dat hij met dit motief een beetje kan opgaan in een veel grotere massa van mensen die de opkomst van Fortuyn met argusogen of zelfs met grote zorg gadeslagen. Met dit motief denkt verdachte wellicht dat hij, afgezien natuurlijk van zijn uiteindelijke dodelijke daad, nog op enige sympathie kan rekenen. Of dat hij in ieder geval nog wordt gezien als een overigens normale burger, waarvan er dat voorjaar van 2002 zo veel waren die niets van Fortuyn moesten hebben.

Maar de verklaringen van personen uit verdachtes naaste omgeving gaan een andere kant op. Daaruit blijkt dat Volkert helemaal niet zo algemeen politiek geëngageerd was, dat hij eigenlijk maar één hartstocht had: het welzijn van milieu en dieren.
En, ik herhaal het nog eens, ook is gebleken dat hij zelf al heeft voorzien in de mogelijkheid van een officieel ándere verklaring dan die de werkelijkheid dekt. In zijn brief aan Petra van 21 juli 2002 schreef hij: : "… mocht ik ooit nog eens een verklaring afgeven aan de rechterlijke macht of in de media dan hoeft dat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn. Voor de buitenwereld is de waarheid niet belangrijk - het hoeft slechts functioneel te zijn." Ook in het licht van zijn motief is deze passage onthutsend: grote bezorgdheid over het gevaar dat Fortuyn ging vormen, is functioneel. Zij kan hem een voor veel burgers in dit land niet onsympathiek motief verschaffen. En daarmee kán hij hopen op nog énig begrip.

Een naaste collega van Volkert (John) heeft verklaard dat hij niet wist dat Volkert zijn aandacht had gericht op Fortuyn. Hij had hem er ook nooit over horen praten. Ze spraken wel eens over politiek en dan kwam Fortuyn ook wel ter sprake, maar in algemene zin (GET/72-73).
Volkerts vriend en mede-oprichter van de VMO is Sjoerd. Die heeft bij de politie verklaard dat Volkerts interesse in de politiek "niet zo bijzonder" was. Hij zegt dat Volkert vóór de laatste gemeenteraadsverkiezingen niet of meestal niet stemde. Hij begrijpt helemaal niets van Volkerts daad (GET/76). Eerder had hij al gezegd dat het echt waanzinnig is, dat het nergens op slaat dat deze aanslag is gepleegd (GET/251). En dat is toch wel vreemd als Volkert zelf stelt dat hij vanuit grote politieke bezorgdheid over het toenemende gevaar van Fortuyns ideeën en macht heeft gehandeld. Zou hij dat niet hebben gedeeld met een vriend met wie hij, óók vanuit sterke betrokkenheid bij een maatschappelijk onderwerp, zijn geesteskind de Vereniging Milieu Offensief had opgericht?

Zijn vroegere vriend Robert beschrijft de ideeën van Volkert al sinds 1987/1988 in één rechte lijn: fanatiek en heftig tegen alles wat met dierenleed te maken heeft (GET/92).

Ook Volkerts moeder geeft niets aan dat wijst op politieke betrokkenheid van haar zoon: "Ik sprak met Volkert nooit over politiek. (…) Ik zou niet weten wat Volkert zou stemmen. Er werd eigenlijk nooit over gesproken. Ik heb nooit gehoord dat Volkert over Pim Fortuyn sprak" (GET/104). Haar partner heeft in gelijke zin verklaard; Volkert praatte nooit over andere mensen als die er zelf niet bij waren, daar was hij principieel in. Dus ook niet over Fortuyn (GET/234).

Dan de broer van Volkert. Hij zegt dat Volkert rond 1990 een politieke partij had opgericht in Wageningen, waar hij overigens al snel mee stopte. "Later had hij volgens mij niet veel belangstelling voor de politiek". Volkert had geen interesse om in mei 2002 namens zijn broer en schoonzus, die toen op vakantie waren, te gaan stemmen (GET/128 en 130). En dat betrof nota bene de verkiezingen voor de Tweede Kamer, waarin Fortuyn een grote opmars maakte!

De ex-vriendin met wie Volkert van 1990 tot 1996 een relatie had, en met wie hij nadien vriendschappelijk bleef omgaan, heeft verklaard dat hij volgens haar niet politiek geďnteresseerd was. Hij sprak er nooit met haar over; ze zou niet eens weten op welke partij hij stemde. Zij kan geen ander motief voor de moord op Fortuyn verzinnen dan dat Volkert zich opwond over Fortuyns opmerkingen over bont (GET/147-148).

Caroline, een vrijwilligster bij de VMO in de periode van augustus 2000 tot april 2001, heeft verklaard dat Volkert buiten zijn werk en vriendin weinig interesses had. Hij was een gedreven harde werker, die stond voor zijn ideaal. Toen zij bij de VMO werkte liep daar juist een projekt om de vergunningen van alle bontfokkerijen in heel Nederland door te lichten (GET/207). Alle nertsfokkers zijn toen in kaart gebracht (GET/210).

Opmerkelijk in al deze verklaringen is dat ieder heel erg verbaasd was te horen dat Volkert werd verdacht van de moord op Fortuyn. Ik zou menen dat, als in zijn omgeving bekend was dat Volkert politiek zeer betrokken was en zich openlijk grote zorgen maakte over de opkomst van de controversiële politicus Fortuyn, dan de verbazing iets minder groot was dan nu uit alle getuigenissen spreekt.

Verdachtes vriendin heeft in een gesprek met de deskundigen van het PBC gezegd dat Volkert zich voor haar niet merkbaar zorgen had gemaakt over de opkomst van Fortuyn (blz.75). In het onderzoek binnen verdachtes omgeving is er ook niemand die aangeeft dat Volkert in het algemeen voor kwetsbare groepen mensen in de samenleving opkomt. Iedereen brengt hem slechts in verband met het opkomen voor milieu- en dierenbelangen.

De PBC heeft zelf belangwekkende bevindingen gedaan met betrekking tot het motief. Vanuit de beschrijving van de persoon van Volkert zijn belangrijke conclusies getrokken over wat hem heeft gedreven, en hoe dat in zijn binnenkant heeft gewerkt.
Opvallend is dat de onderzoekers in het PBC over de oorsprong van Volkerts motief niet anders hebben geschreven dan vanuit zijn eigen mond. Enerzijds wordt verdachte beschreven als iemand die zich sinds zijn universitaire studie in Wageningen ontwikkelde van vegetariër tot veganist, niet alleen in leefpatroon maar ook in ideologie: mens en dier zijn gelijkwaardig (PBC-rapport blz.19). En ook wordt geschetst dat hij van meet af aan zeer actief was in allerlei verbanden die te maken hebben met het milieu en het dierenwelzijn (blz.20). Zelf zegt hij dat naast zijn werk zijn hobby's waren: vogels kijken, wijn maken, zeilen en tuinieren (blz. 23-24). Anderzijds vertelt verdachte zelf aan de deskundigen dat hij niet uitsluitend gericht was op dierenwelzijn. Het ging hem om het opkomen voor zwakkeren in het algemeen (blz. 20). Tegen de psycholoog zei hij dat één van zijn morele principes is "het opkomen voor zwakkeren"; maar in de uitwerking daarvan, in het gesprek met de psycholoog, heeft hij het dan toch vooral over de wezenlijke gelijkstelling van mensen en dieren (blz.39). Ook tegenover de psychiater sprak hij over de strijd voor de zwakkeren, dat destijds vooral de natuur betrof, en 'andere dieren dan de mens' (blz.64). Kortom, het zwakkere is in het dagelijkse leven van Volkert toch altijd vooral het milieu en het dierenwelzijn geweest.
Uit de verklaringen van de deskundigen ter zitting (van 31-03-03) leid ik af dat het opkomen voor milieu en dierenwelzijn voor verdachte de toegespitste en uiterlijke verschijningsvorm was van zijn dieper liggende strijdlust voor het zwakkere in het algemeen, waarvan zijn eigen ik al sinds zijn jeugd een exponent was.

Ik zie in het PBC-rapport een bevestiging van wat uit het politiedossier blijkt: verdachte zelf legt zijn motief in algemene politieke betrokkenheid, zonder die concreet te kunnen maken. In gesprekken met de deskundigen komt hij niet verder dan strijd voor milieu- en dierenwelzijn. Zijn algemene bezorgdheid is meer psychologisch ingebed, dan dat zij uit daden blijkt.

Mijn conclusie uit dit alles is deze. Verdachte heeft zijn algemeen-politieke motief niet onderbouwd. Zijn stelling dat hij zich altijd heeft ingezet voor andere belangen dan zijn eigen belang, is onvoldoende. Immers, door zich al jarenlang, volgens getuigen uit zijn omgeving exclusief en met grote inzet te wijden aan de belangenbehartiging voor dier en milieu, heeft hij zich inderdaad voor ándere belangen ingezet; ik erken: zelfs voor op zichzelf kwetsbare belangen. Maar doordat verdachte geen feitelijke onderbouwing heeft gegeven voor zijn stelling dat hij óók voor allerlei andere zwakkere groepen is opgekomen, waardoor hij als algemeen-politiek betrokken en verontrust burger zou kunnen worden erkend, verdient hij op dit punt geen geloof.
Verdachtes motief ligt, zo blijkt uit het PBC-rapport waarop ik zo verder inga, veeleer in de combinatie van twee dingen. Ten eerste zijn (meer politieke) afkeer van de opvattingen van Fortuyn over de kwetsbare milieu- en dierenbelangen die Volkert zelf al zoveel jaren met tomeloze inzet verdedigde. En ten tweede zijn (meer persoonlijke) afkeer van de ijdele, op macht gerichte, en verbaal krachtige manier waarop Fortuyn zijn opvattingen in politiek wilde en ook leek te gaan omzetten.
Ik kom op dit punt, het motief, nog eenmaal kort terug bij de bespreking van mijn conclusies uit het PBC-rapport.

ad 5. Verdachte volgens het Pieter Baan Centrum

De omstandigheden voor het onderzoek

Over de omstandigheden waaronder het gedragskundig onderzoek moest plaatsvinden is veel te doen geweest. Critici, soms zonder enige werkelijke kennis van zaken, hebben zich publiekelijk in harde bewoordingen uitgelaten over de kwaliteiten van het PBC, en al helemaal in relatie tot deze publicitaire en ook door de politiek nauwlettend gevolgde strafzaak waarin het oordeel, zo meenden sommigen, 'wel weer zou leiden tot een vorm van ontoerekeningsvatbaarheid'. De verdediging heeft het PBC, toen er een verschil van inzicht was met de Minister van Justitie, openlijk verweten aan de leiband van Justitie te lopen. Ik kon daarin niet anders zien dan een voorschot op een eventuele harde kritiek op de uitkomsten van het onderzoek, mochten die de verdachte na afloop niet bevallen.

Het OM heeft altijd groot vertrouwen gehad in het onafhankelijke en deskundige oordeel van het PBC. Ik heb alleen in een eerder stadium twee kritische opmerkingen gemaakt. Ik vreesde dat een PBC-onderzoek meer tijd zou vergen dan een ambulant onderzoek. En ik was bang dat het onderzoek, door de bijzondere positie van de verdachte die steeds in betrekkelijk isolement gedetineerd is geweest, beperkingen zou kennen die een hoogwaardig onderzoek, zoals we gewend zijn, in de weg zouden kunnen staan.
Wat de tijd betreft, het heeft misschien iets meer tijd gevergd, hoewel niet meer dan in november jl. door de rechtbank begroot. Ook de zogenoemde vertraging in het onderzoek, die een iets langer verblijf in het PBC nodig maakte, heeft er niet toe geleid dat de zitting moest worden uitgesteld. Eind maart 2003 is altijd de prognose geweest, en het PBC heeft een huzarenstukje geleverd door het rapport toch tijdig voordien gereed te hebben.
Wat het tweede punt betreft, de kwaliteit van het onderzoek heeft gelukkig totaal niet te lijden gehad van de beperkingen in het begin. De bevindingen uit de tijd dat verdachte op de separatieafdeling verbleef, geven ook een waardevol inzicht in zijn opstelling tegenover mensen en tegenover zichzelf. En ook inzicht in zijn opvattingen en drijfveren. Deze onderzoeksgegevens lopen in het rapport naadloos over in de bevindingen uit de periode dat verdachte in een groep verbleef, en zonder voortdurend toezicht in voldoende mate zichzelf kon zijn.

Het beeld van verdachte in het PBC is - kort samengevat - als volgt (NB: tussen haakjes verwijs ik naar de paginanummers van het PBC-rapport).
Ten opzichte van de onderzoekers en groepsleiders was hij, zeker in aanvang, op de vlakte, afstandelijk (28) en cynisch (30). Hij gaf aan weinig verwachtingen te hebben (28 en 37), observeerde zčlf (29), en vergat geen moment waarvoor hij in het PBC was (30). Hij schiep enig genoegen in het voeren van strijd (31 en 61) en stelde zelf ongebruikelijke (weder)vragen (37 en 60). Nadat hij vanuit de afgezonderde afdeling in een groep was geplaatst werd hij meer ontspannen (31) en openhartiger (40).
Uit de observaties blijkt dat de interactie met de groepsleiding voortdurend deed denken aan een kat-en-muisspel, waarin verdachte probeerde het personeel uit de tent te lokken en ter verantwoording te roepen, maar waarbij hij zelf zo veel mogelijk buiten schot bleef. Zijn gedrag werd gekenmerkt door het zoeken van strijd. Met zijn medegedetineerden onderhield Volkert echter een gelijkwaardig, soepel contact (33 en 31).
De beschrijving van deze bevindingen komt authentiek over; de conclusies worden gedragen door de beschreven bevindingen. Ik heb geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van de weergegeven indrukken, in die zin dat ze een verkeerd beeld van de verdachte te zien zouden geven. Ik bedoel hiermee te zeggen dat wat mij betreft Volkert in dit rapport is beschreven zoals hij is. Van 'op het verkeerde been zetten' is m.i. geen sprake geweest.

Ik wil in dit verband nog opmerken dat de beslissing van de Minister van Justitie om toe te staan dat verdachte onder voor het PBC normale omstandigheden geobserveerd te kunnen worden, een goede en juiste is geweest. Deze beslissing kwam op verzoek van het PBC en na dubbel advies van deskundigen over het veiligheidsrisico dat verdachte voor zichzelf zou kunnen opleveren. Ik behoor niet tot de critici die het de Minister verwijten dat hij deze beslissing ruim 2 weken na opname in het PBC heeft genomen. Zorgvuldigheid stond voorop; van verdachte was immers bekend dat hij in het verleden depressieve periodes had gekend, waarin hij eenmaal een suďcidepoging had gedaan. Het risico dat hij, na acht maanden detentie in isolement, zichzelf iets zou kunnen aandoen of door anderen in een groep iets aangedaan zou kunnen worden, moest verwaarloosbaar klein zijn. Dat heeft enige tijd gekost, en kon pas binnen de muren van het PBC worden onderzocht en vastgesteld. Verdachte heeft ingestemd met extra verblijf in het PBC. Niet verwonderlijk als we bedenken dat hij heeft gezegd: "Ik heb me buiten nog nooit zo veilig gevoeld als hierbinnen" (PBC, blz.32). Mede daardoor is het PBC in staat geweest hem optimaal te onderzoeken; dat wil zeggen onder omstandigheden die het PBC het meest gewenst vindt om tot goede conclusies te komen. Ik beschouw het rapport daarom als een bijzonder goed en waardevol uitgangspunt voor de beoordeling van de persoon van de verdachte, uit gedragskundig oogpunt.

De inhoud van het rapport

Volgens de vertrouwde lijnen bespreekt het rapport het omgevingsonderzoek, de observatiebevindingen, het psychologisch onderzoek, het lichamelijk onderzoek en het psychiatrisch onderzoek. Alle bevindingen hebben uiteindelijk geleid tot een samenhangende beschouwing en conclusie over de vragen naar Volkerts geestvermogens, de relatie tussen die geestvermogens en zijn gedragingen op 6 mei 2002, de toerekeningsvatbaarheid, en de kans op herhaling.

Na grondige bestudering van het rapport in al zijn facetten kom ik tot de conclusie dat de uitkomsten ervan volledig worden gedragen door de onderliggende onderzoeksbevindingen. Met grote precisie is verdachtes achtergrond en omgeving in kaart gebracht, zowel zoals anderen die zien als zoals hij die zelf heeft beschreven. Nauwkeurig is zijn gedrag ten opzichte van personeel van het PBC en medegedetineerden beschreven en geanalyseerd. Met zorg is zijn gedrags- en geestesgesteldheid beschreven en uitgelegd, door een psycholoog en een psychiater, onafhankelijk van elkaar.
Ik wil daar een aantal elementen uitlichten, en ik doe dat op een wijze die m.i. recht doet aan de totale indruk en samenhang van het rapport.

De psychiater merkt al direct op dat berekenende strijd en onverzettelijkheid als een rode draad door Volkerts leven loopt, en dat hij emotioneel geremd is, behalve in zijn strijdlust (61-62). Het onderzoek in zijn verschillende disciplines kleurt dit vervolgens in.
Volkerts voortdurende strijd tegen wat in zijn ogen onrecht is, vindt zijn wortels waarschijnlijk in zijn ouderlijk gezin (55). Het beeld wordt geschetst van een keihard werkende vader - intelligent, zeer gedegen, gewetensvol, maar gespannen en onbuigzaam (7) - en een overbezorgde, overvleugelende (63) moeder, die hem nog altijd met bijna verstikkende liefde meer als kind dan als volwassene ziet (9 en 14). Zij voedden Volkert vanuit een kerkelijke ideologie op met waarden als eerlijkheid, soberheid, behulpzaamheid, een voorbeeld zijn voor anderen. Maar daarbij was nauwelijks ruimte voor andere meningen of afwijkend gedrag (12).
Het lijkt erop dat verdachte zich daarvan als puber niet echt heeft kunnen bevrijden. Hij is zich tegenover het burgerlijke gedrag van moeder non-conformistisch gaan gedragen, maar wel met de dwangmatigheid zoals die van zijn vader (14). De psychiater constateert in dit verband gebrek aan zelfvertrouwen en onvoldoende worden geaccepteerd zoals hij is (62). Volkert herkent zich volgens de psychiater in het beeld van zijn vader (63).
Opmerking van mij: deze ontwikkeling hoeft op zichzelf nog helemaal niet zo zorgwekkend te zijn; hoeveel jongeren hebben niet vergelijkbare ouders, en in hoeveel gezinnen gaat het niet net zo in de fase dat jongeren volwassen worden en zich gaan afzetten tegen het vaste patroon van het ouderlijk huis? Volkert was een goede scholier, introvert, onopvallend maar geen eenling (17). De verhouding met zijn broer was altijd goed en hecht (14 en 64). Ook in zoverre dus nog helemaal geen aanleiding om grote problemen in de toekomst te voorzien.

Het werd allemaal wat extremer toen Volkert ging studeren. Zijn ontwikkeling van vegetariër tot veganist bracht ook mee dat hij ideologisch verscherpte. Hij bleek onbuigzaam in zijn standpunten over de gelijkwaardigheid van mens en dier (19), en had een pessimistisch mensbeeld (20). Toen zijn eerste relatie uitging werd hij depressiever en deed hij een poging zichzelf van het leven te beroven door zich in de polsen te krassen (20-21). De psychiater merkt op dat Volkert zo'n half tot heel jaar daarna nog getracht heeft pillen te kopen om zich daarmee van het leven te beroven, maar dat lukte niet (67).
In de jaren daarna richtte hij met een vriend de VMO op; in zijn werk zette hij zich tomeloos in en ging hij tot de bodem van zijn kunnen (22). Zijn werk was een heilig moeten: hij werd een gevangene van zichzelf. Een vriend zegt dat hij onder het werk leed, maar als hij niet werkte leed hij juist daar weer onder (24). Ook kreeg hij in die tijd een nieuwe relatie, waarvan hij zelf zegt dat beiden psychische problemen hadden die ze bij elkaar versterkten (21).

Eind jaren '90 kreeg Volkert een relatie met zijn huidige vriendin. Deze relatie wordt als goed omschreven. Bij de bezoeken van zijn vriendin en kind - nu ruim een jaar oud - in het PBC zien de onderzoekers oprechte betrokkenheid en intimiteit, al wil Volkert over het emotionele aspect van deze bezoeken niet veel kwijt (35-36). De periode rond de geboorte van zijn dochtertje was hectisch: zij kwam iets te vroeg en met complicaties ter wereld, het werk eiste hem daarnaast ook nog volledig op (26).
In april 2002 oogde hij echter een stuk ontspannener. Losjes, zoals zijn broer het noemt (26).

Dit lijkt goed te passen bij wat Volkert zelf tegen de psycholoog zei: het idee om Fortuyn te doden was niet obsessief en nam hem zelfs niet grotendeels in beslag. Integendeel, hij was er niet zoveel mee bezig, en was vooral bezig met zijn werk en zijn gezin (47). Dat de voorbereidingen voor zijn daad niet erg zorgvuldig waren, wijt hij zelf aan drie feiten: gebrek aan tijd, hij voelde zich tegen het overspannen zijn aan, en hij wilde van zijn voornemen geen 'project' maken (48). Met dit laatste bedoelde hij dat eindeloos rationaliseren ertoe zou kunnen leiden dat hij teveel blokkades voor zichzelf zou opwerpen waardoor het er uiteindelijk niet meer van zou komen (48-49).

Twee dingen zijn mij in het psychologisch deel van het rapport sterk opgevallen: ten eerste hoe de verdachte spreekt over de vorming van zijn idee om Fortuyn om het leven te brengen, en ten tweede hoe hij zijn daad rechtvaardigt.
In de eerste plaats, Fortuyn werd in de beleving van Volkert de belichaming van een aantal eigenschappen die hij moreel verwerpelijk vindt: opportunisme, ijdelheid, gebrek aan opofferingsgezindheid, macht als doel (46 en 55). Tegelijkertijd had Volkert wel respect voor een eigenschap van Fortuyn die hij zelf juist mist: verbale kracht (46).
De psychiater geeft nog enige verdieping aan het beeld over het ontstaan van Volkerts idee om Fortuyn om te brengen. Verdachte zag in Fortuyn een naderend grootschalig onheil, maar levert daarvoor geen feitelijke onderbouwing en verliest daarbij alle proporties uit het oog (71). Opvallend is voor de psycholoog dat verdachte niet gevoelig is voor kritische vragen en relativerende overwegingen zoals: was Fortuyn wel zo'n potentieel gevaar? Maakte Volkert Fortuyn niet veel groter en machtiger dan hij in werkelijkheid was? Was er geen andere manier om Fortuyn aan te pakken? En zo liepen, bij de vorming van zijn dodelijke plan, politieke overwegingen over in persoonlijke afkeer van het slachtoffer, vanwege diens "ijdelheid en machtswellust" (47).
In mijn eigen woorden: Fortuyn had veel waar Volkert van gruwde, maar had ook iets wat hij graag had willen hebben. Een ogenschijnlijk absolute tegenpool dus.

Ten tweede, tegenover de psycholoog rechtvaardigt Volkert zijn daad. De deskundige merkt op dat aan het voornemen om dodelijk geweld te gebruiken geen morele worsteling of conflict vooraf ging. Volkert vindt weliswaar dat geweld zo veel mogelijk voorkomen moet worden, maar acht het gebruik van geweld gerechtvaardigd als daardoor meer leed wordt voorkomen dan erdoor wordt aangericht. Hij is van mening dat Fortuyn niet geleden heeft omdat hij op slag dood was, en dat het leed voor de familie ondergeschikt is aan het leed voor grote groepen mensen en dieren, dat zou zijn aangericht als Fortuyn aan de macht was gekomen (48).

De conclusie

Volkert is een meer dan gemiddeld begaafde (50) en neurologisch gezonde man; zijn veganistisch eetpatroon heeft niet geleid tot geheugen-, aandachts- of uitvoeringsstoornissen (51).
De psycholoog en de psychiater constateren bij verdachte een obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Deze komt hierin tot uiting dat Volkert een koppige man is die zichzelf door perfectionisme belemmert, en die overmatig star en gewetensvol is in morele zaken (55). Hij bijt zich vast in zijn levenswerk en groeit daardoor in eigenwaarde; daarin is hij afhankelijk van strijd (76).
Deze stoornis kan echter niet in verband worden gebracht met het door Volkert gepleegde misdrijf. Uiterst helder is de psycholoog in zijn analyse hiervan (55-56):

 

Ik kom hier nog even kort terug op het motief voor de moord. Verdachte zet zijn motief in een algemeen politiek kader. Ik geloof dat hij in zijn dagelijkse leven de strijd voor milieu en dierenwelzijn meer op de voorgrond had staan, en zijn algemene bezorgdheid over het lot van 'de zwakkeren', meer inwendig had zitten, in psychologische zin. De wijze waarop het PBC hierover schrijft maakt het mogelijk te zien dat het beide aspecten zijn van hetzelfde: waar Volkert zichzelf ziet als strijder tegen onrecht - met name onrecht dat milieu en dieren wordt aangedaan - heeft hij zich in dat kader zorgen gemaakt over Fortuyn, die echter nog meer vertegenwoordigde waar Volkert een afkeer van had. Verdachte heeft vervolgens voor zichzelf het beeld van Fortuyn buiten proporties opgeblazen: Fortuyn als verpersoonlijking van alles wat slecht is voor de maatschappij zoals Volkert die het liefst zou zien.

Ik zie in deze verdachte niet meer dan een eenling die, vanuit een voor ieder weldenkend mens met een normaal werkend geweten ónbegrijpelijk motief, al zijn persoonlijke aversie heeft geprojecteerd op een uitgesproken politicus, die hij verfoeide om zijn ideeën, en die hij heimelijk bewonderde om zijn verbale kracht.

Terug naar de conclusie van het PBC. Beide deskundigen concluderen dat verdachte op 6 mei 2002 weliswaar leed aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens - in de vorm van de eerder genoemde persoonlijkheidsstoornis - maar dat de feiten hem volledig kunnen worden toegerekend. Verdachte heeft verklaard dat hij zich in deze conclusie herkent.

E. De invloed van de publiciteit

Laat ik voorop stellen dat, door Fortuyn te vermoorden, Volkert van der G. onontkoombaar een immense publiciteit over zichzelf heeft afgeroepen. Zijn slachtoffer was op dat moment een sterk rijzende politieke ster, in wie velen hun vertrouwen hadden gesteld, en die zo kort voor de verkiezingen letterlijk hét gesprek van de dag was. Volkert heeft dus moeten en kunnen beseffen dat hij, als hij zou worden aangehouden, voor langere tijd de meest interessante, door velen ook meest gehate, verdachte van Nederland zou zijn, over wie de media werkelijk álles zouden willen weten. Dat er van alle journalistieke kanten grote druk is geweest op zowel de privé-omgeving van de verdachte, als ook op de politie en het OM, was vanzelfsprekend.

Het is belangrijk om dit uitgangspunt te formuleren, omdat tegen die achtergrond moet worden bezien welke gevolgen zouden moeten of kunnen worden verbonden aan de volgende drie aspecten van de grote publiciteitsgolf tussen 6 mei 2002 en vandaag, die door de verdediging naar voren geschoven zouden kunnen worden:

  1. Gezegd zou kunnen worden dat er zó enorm veel over Volkert is gepubliceerd, dat hij al publiekelijk is afgestraft - en zelfs harder, ongenuanceerder, dan gerechtvaardigd is - en dat alles nog voordat de rechter heeft kunnen oordelen -> in de rechtspraak zijn voorbeelden te vinden waarin dit gevolgen voor de strafmaat heeft gehad;

  2. De verdediging zou kunnen stellen dat er over Volkert veel informatie is gepubliceerd, die van politie of OM afkomstig is, waardoor de verdachte onbehoorlijk is beschadigd, of waardoor de publieke opinie, en mogelijk ook de rechter zodanig kan zijn beďnvloed, dat eigenlijk geen sprake meer kan zijn van een eerlijke behandeling ('fair trial' in de zin van art.6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) -> dit zou gevolgen kunnen hebben voor de ontvankelijkheid van het OM in zijn vervolging, de strafmaat of een eventuele schadevergoeding of compensatie door de Staat;

  3. Tenslotte zou de verdediging kunnen stellen dat door uitlatingen van publieke personen over deze strafzaak, ruim voordat de rechter daarover heeft kunnen oordelen, het rechterlijke beslissingsproces oneigenlijk is beďnvloed. De stelling zou dan zijn dat de verdachte publiekelijk niet "voor onschuldig" is gehouden, zoals wordt geëist door art.6 lid 2 van genoemd Europees Verdrag -> ook hieraan kunnen gevolgen in de sfeer van schadevergoeding of compensatie zijn verbonden voor de Staat.

 

Ik ga op alle 3 aspecten in.

ad 1. de publiciteit als extra straf

Er zijn strafzaken waarin de verdachte door de enkele overvloedige publiciteit grote persoonlijke schade oploopt, die hij niet zou hebben opgelopen zónder die publiciteit. Te denken valt aan de casus van de huisarts in de provincie die verdacht wordt van ontucht, of van de agent die verdacht wordt van mishandeling van een zwerver. Dergelijke zaken krijgen soms meer dan gemiddelde mediabelangstelling doordat ze worden gebruikt om een maatschappelijk verschijnsel of probleem extra te belichten, en discussie daarover uit te lokken, "over de rug van de verdachte heen" zoals het dan wel heet.

Er is veel over Volkert geschreven. Journalisten hebben zo hun eigen onderzoekjes gedaan. Ze hebben open bronnen geraadpleegd, personen benaderd, portretten geschetst, foto's opgedoken en gepubliceerd, waardoor iedereen de verdachte en zijn privé-omgeving heeft kunnen leren kennen. Zijn mogelijke motieven, complottheorieën waarvan hij dan een deel zou moeten uitmaken, ze zijn breed uitgemeten.
Maar, zoals ik al opmerkte, verdachte heeft rekening moeten houden met deze publiciteitsgolf rond zijn persoon. Zij was voor hem voorzienbaar. Door Fortuyn te vermoorden, in samenhang met het feit dat hij te midden van diverse getuigen op heterdaad werd aangehouden, riep hij over zich af dat hij meteen en onontkoombaar de bekendste van moord verdachte van Nederland werd.
Hoewel de feiten voor politie en OM vanaf de aanvang keihard waren, hebben wij grote terughoudendheid betracht om de verdachte publiekelijk tot dader te verheffen. Pas in de rechtszaal behoren dergelijke kwalificaties te worden genoemd. In de publiciteit is ook te zien dat media vrij terughoudend zijn geweest om Volkert meteen definitief als dader aan te wijzen, naar mijn overtuiging juist ook omdat van de zijde van het OM geen mededelingen in die richting kwamen.

Kortom, enerzijds is er enorm veel publiciteit rond Volkert geweest (waar hij door deze daad als het ware om gevraagd heeft), anderzijds zijn de media in het algemeen genuanceerd geweest in hun stellingen over schuld en onschuld. De grootste publiciteit heeft zich overigens geconcentreerd rond de pro-formazittingen; en daar is niets mis mee, want juist daar konden de feiten en vragen in hun juiste context worden gepresenteerd.
Ik ben van oordeel dat niet gezegd kan worden dat Volkert in de publieke berichtgeving extra is 'afgestraft'. Er is geen reden voor een enigszins matigende werking op de uiteindelijke strafmaat.

ad 2. beďnvloeding van de rechter of beschadiging van de verdachte door lekken uit het onderzoek

In correspondentie heeft de verdediging een aantal malen gesuggereerd dat door politie of OM naar de media is gelekt. Ik bestrijd dat met grote klem. Alle persberichten waarvoor het OM verantwoordelijk is, zijn beschikbaar; daarbuiten is niets bekend gemaakt. De tekst van het wellicht belangrijkste persbericht, nl. over de r-c-verklaring van verdachte eind november, is in nauw overleg met de verdediging opgesteld.
Vanaf dag één is voor ieder die leiding heeft gegeven aan de opsporing en vervolging in deze zaak, volstrekt duidelijk geweest dat júist in deze mediagevoelige zaak voorzichtigheid troef moest zijn. Júist verweren op dit terrein heb ik te allen tijde willen voorkomen.
Het zou te gemakkelijk zijn om met journalistieke verhalen te komen die hun verhalen hebben gebaseerd op "bronnen rond het onderzoek" of "justitiële bronnen". Een journalist kan dit eenvoudig, immers voor niemand te controleren, opschrijven. De verdediging zal niet aannemelijk kunnen maken dat er gelekt is, in die zin dat iets feitelijk wel door politie of OM naar buiten is gebracht terwijl dat door mij openlijk wordt betwist.
Er zijn juist contra-indicaties voor het lekken vanuit dit onderzoek. Vrijwel alles wat de schrijvende pers heeft uitgebracht en wat door de verdediging in boze brieven aan mij werd toegedicht, had nauwelijks betekenis in het licht van het strafrechtelijk onderzoek. Maar al ruim vóór de eerste pro-formazitting van 9 augustus 2002 was bij mij en het gehele politieteam bekend dat het NFI het DNA-profiel van het slachtoffer had ontdekt in celmateriaal op de linker broekspijp van de verdachte. Daarmee was de verdachte definitief bij het slachtoffer te brengen op de plaats en het moment van het misdrijf, en kon hij zich dus nooit meer verschuilen achter een onbekende dader. Dit gegeven is, hoewel het uiterst interessant materiaal voor de media was, nooit uitgelekt!

Tenslotte over dit punt, áls er al sprake zou zijn van onzorgvuldigheid van politie of OM in het publiek maken van onderzoeksgegevens, buiten de terechtzitting om - wat in deze zaak dus niet aan de orde is! - zou vervolgens, om er negatieve gevolgen voor de vervolging aan te kunnen verbinden, wel moeten worden vastgesteld dat de verdachte erdoor is beschadigd, dan wel dat de rechtbank er in ongunstige zin door is beďnvloed. Van geen van beide is in dit onderzoek überhaupt sprake

ad 3. beďnvloeding van het proces door publieke personen

Art.6 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zegt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze bepaling richt zich primair tot de rechter.
De verdediging heeft bij de eerste pro-formabehandeling op 9 augustus 2002 het volgende naar voren gebracht:

 

Wat er zij van de relatie tussen artikel 6 lid 2 en het zwijgrecht van de verdachte, dat zwijgrecht is in deze strafzaak voluit gerespecteerd. De verdachte is slechts een beperkt aantal (negen) keren aan een verhoor door de politie onderworpen, op momenten dat ik het noodzakelijk oordeelde hem met bepaalde onderzoeksbevindingen en -vragen te confronteren. Geen verhoor heeft langer dan enkele uren in de ochtend geduurd.

Wat betreft de vooronderstelling van onschuld: het OM heeft er alles aan gedaan om Volkert van der G. tot op dit moment te behandelen als een verdachte. Nadat ik op 9 augustus 2002 op de openbare terechtzitting de bewijsmiddelen van dat moment aan uw rechtbank had gepresenteerd, was te verwachten dat de media Volkert als schuldige zouden portretteren. Dat is op zichzelf niet onbegrijpelijk, de ernstige bezwaren logen er toen al niet om. Daar kan het OM niets aan doen.

Tot slot, en daar heeft de verdediging het grootste punt van gemaakt: is de bepaling van art.6 lid 2 in deze zaak geschonden door enige publieke autoriteit die zich in de openbaarheid over Volkert heeft uitgelaten? De raadsman heeft zich toen beroepen op de Europese jurisprudentie inzake Allenet de Ribemont (1995), Daktaras (2001) en Butkevicius (2002).

In de eerste zaak stelde het Europees Hof vast dat een politieautoriteit bij de officiële persconferentie naar aanleiding van de moord op een parlementslid, Allenet de Ribemont, onomwonden één van de bedenkers van deze moord had genoemd. Hierdoor werd het publiek aangemoedigd te geloven dat hij schuldig was en werd de rechter beďnvloed. Dit was in strijd met art.6 lid 2. Voorlichting over een strafzaak moet het vermoeden van onschuld altijd respecteren, aldus het Hof.
Deze zaak is in ons geval totaal niet van toepassing. Niemand van degenen die bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken zijn geweest, heeft publiekelijk uitgesproken dat de verdachte schuldig is. Alleen ikzelf heb op de zitting van 9 augustus 2002 een duidelijk standpunt over de ernstige bezwaren ingenomen.

Maar de verdediging doelt eigenlijk ook op iets anders. Publieke figuren die níet voor de strafvervolging verantwoordelijk zijn, zouden art.6 lid 2 óók kunnen schenden; parlementariërs en ministers bijvoorbeeld.
In de Litouwse zaak van Daktaras stelde het Hof vast dat de "presumption of innocence" niet alleen door de rechter in acht moet worden genomen, maar ook door andere "public authorities". Op zichzelf een heel belangrijke vaststelling, maar laten we wel kijken naar wat er in dit geval aan de hand was. In deze zaak had de officier van justitie gesteld dat de schuld van de verdachte op grond van het vooronderzoek wel bewezen was. Of de officier van justitie daarmee het vermoeden van onschuld had genegeerd hing volgens het Hof af van de context waarin hij die uitlating had gedaan, en de omstandigheden van het geval.
Wat was gebeurd? De officier van justitie had zijn stelling geponeerd tijdens een strafrechtelijke bezwaarschriftprocedure tegen de dagvaarding. Het Hof vond dat hij het woord "bewezen" ongelukkig had gekozen, maar ook gezien de juridische context waarin de schuld of onschuld werd bediscussieerd door OM en verdachte was er geen sprake van schending van art.6 lid 2.
Ook inzake Daktaras was dus geen sprake van andere, niet voor de vervolging van strafbare feiten verantwoordelijke autoriteiten die zich hadden uitgelaten over de schuld van een verdachte.

De laatste zaak betrof eveneens een Litouwse kwestie. Butkevicius was minister van defensie en parlementslid, en werd verdacht van oplichting. Tijdens het onderzoek maakte de Procureur-generaal in een dagblad bekend dat er genoeg bewijs tegen de verdachte lag, en de parlementsvoorzitter verklaarde daags daarna in die krant dat hij geen twijfel had dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan strafbaar gedrag. Beide autoriteiten hadden hun uitspraken kort daarna in kranten herhaald.
Het Hof benadrukt in zijn uitspraak dat het vermoeden van onschuld ook door ándere publieke autoriteiten dan alleen rechters in acht moet worden genomen. Of een verklaring al dan niet in strijd komt met art.6 lid 2 hangt af van de bewoordingen, de context en de omstandigheden van het geval. Natuurlijk is voorlichting over een strafzaak van belang, erkent het Hof, maar dat legitimeert niet alles. De uitspraken van de Procureur-generaal konden door de beugel - begrijpelijk: ze konden worden uitgelegd als de stelling van het OM dat er genoeg bewijs was om tot een veroordeling te komen -, die van de voorzitter van het parlement niet. In dit geval was van belang dat de voorzitter zijn uitspraken meermalen had gedaan, in een periode kort na de aanhouding van de verdachte. Daardoor konden die uitspraken worden uitgelegd als een bevestiging van de schuld van de verdachte, die ertoe dienden het publiek te laten geloven dat hij schuldig was, en de vaststelling van de feiten door de rechter te beďnvloeden.

Het is de vraag of zich in Nederland iets soortgelijks heeft voorgedaan rond de verdachte Volkert van der G. Ik meen van niet. Allereerst merk ik op dat niet iedereen die een publieke functie vervult, een "public authority" is als waarop het Hof doelt: leden van het parlement vallen daar m.i. niet zonder meer onder. De "publieke autoriteit" moet zich naar mijn overtuiging wel bevinden in een zekere logische lijn boven de opsporende of de vervolgende instantie, of een duidelijke relatie tot de verdachte hebben, zodat aan de uitlatingen van die autoriteiten, gelet op hun formele posities ten opzichte van de zaak, enig gewicht kan worden toegekend. Inzake Butkevicius was dat de voorzitter van het parlement waarvan de verdachte deel had uitgemaakt.
Als wij het onderzoek naar de verdachte Van der G. bezien kan niet worden gezegd dat op enig moment een dergelijke publieke autoriteit openbare uitlatingen over de schuld of onschuld van de verdachte heeft gedaan. De enige die in de buurt komt was de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie H.Nawijn. Hoewel geen Minister van Justitie, verantwoordelijk voor de vervolging, zit hij daar wel dicht tegen aan, en is het denkbaar dat hij gezien zou kunnen worden als publieke autoriteit in de zin van art.6 lid 2.
In de Nieuwe Revu van 20 november 2002 zei hij "ja" op de vraag of de doodstraf ook in Nederland moet worden ingevoerd. Gevraagd naar het criterium: "Als je bewust, bewúst, mensen van het leven berooft, zonder enige reden". Op de vervolgvraag of Volkert van der G. daar dus ook onder valt, antwoordde hij: "Uiteindelijk is dat natuurlijk aan de rechter, maar in mijn optiek wel, ja". Meer woorden heeft hij er niet aan gewijd. Ze zijn gedaan nadat de media, op basis van mijn opsomming van de ernstige bezwaren tegen de verdachte, uitvoerig hadden bericht over de bestaande bewijzen tegen de verdachte; de minister heeft er zijn persoonlijke conclusies uit getrokken. Zijn woorden zijn echter op geen enkele wijze op één lijn te stellen met de stellige bewoordingen waarin de Litouwse parlementsvoorzitter zich uitliet over de schuld van Butkevicius, kort na diens aanhouding, in een onderzoeksfase waarin die schuld nog allerminst kon worden vastgesteld. De woorden van Nawijn kunnen moeilijk anders worden uitgelegd dan dat hij zich heeft uitgelaten over een door hem persoonlijk in het algemeen voorgestane strafmodaliteit, die hij ook toepasbaar vindt als de rechter Volkert van der G. schuldig bevindt. Ik acht dat niet in strijd met art.6 lid 2. Wat andere publieke personen over de zaak hebben gezegd - Janssen van Raaij over het complot en over de professionaliteit van de schutter, en Teeven over de voorverkenning door en de geoefendheid van de schutter, en de mogelijkheid van een mededader - komt wat mij betreft al helemaal niet voor een toets in het kader van art.6 lid 2 in aanmerking. Zij stonden in geen enkele relatie tot het onderzoek of de verdachte, zodat aan hun woorden, daargelaten dat zij niet gaan over de schuld of onschuld van de verdachte, in redelijkheid geen gewicht kan worden toegekend.

Overigens, natuurlijk is het niet verstandig als publieke personen zich in de loop van een strafrechtelijk onderzoek in de media uitlaten over de vermoedelijke toedracht, de voorbereiding en professionaliteit van de dader, de strafmaat en dergelijke; typisch vragen voor de feitenrechter. Maar we moeten er niet spastisch over doen. Wij leven in een land en in een tijd waarin de openbaarheid van de strafrechtspleging van zeer grote betekenis wordt gevonden. Nederlanders staan erom bekend dat zij altijd snel commentaar hebben. Maar ook wíllen hebben. Geen ontwikkeling in onze samenleving die boven de gemiddelde levensgebeurtenissen uitsteekt, of we hebben praatprogramma's met deskundigen. In de commentaren op het onderzoek naar de moord op Fortuyn speelde nog eens extra mee dat volgens velen een nieuwe politieke wind door ons land moest gaan waaien: alles moest gezegd kunnen worden, op de wijze die de spreker wilde.
Ik beschouw dit als een gegeven, waarbinnen ik mijn werk moet doen. Er zijn grenzen aan die ongebreidelde commentaarzin, uiteraard. Art.6 lid 2 wil blijven waarborgen dat een verdachte verdachte blijft; dat hij niet op voorhand al als schuldige wordt behandeld door de rechter of een andere hoge autoriteit die een stem heeft of lijkt te hebben in het hele beslissingsproces. Die grenzen zijn echter in de strafzaak tegen Volkert van der G. voldoende in acht genomen. Niet voor niets hanteert het Europees Hof de maatstaf dat naast de positie van de publieke autoriteit, ook de bewoordingen, de context en de omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de vraag of art.6 lid 2 is geschonden. De Nederlandse bewoordingen, context en omstandigheden kunnen dus zeer wel tot een ander oordeel leiden dan in een Litouwse casus. En zij moeten dat ook doen.

In het verlengde van deze hele discussie ligt het feit dat wij in Nederland niet toe willen naar de situatie dat een verdachte al door de media is veroordeeld, voordat de rechter heeft gesproken. "Trial by media" wordt de situatie genoemd waarin een meer dan gemiddelde mediabelangstelling ertoe leidt dat de samenleving meer afgaat op het mediaoordeel dan het rechterlijk oordeel over de strafzaak. Dat kan meebrengen dat het publiek minder waarde gaat hechten aan het rechterlijk oordeel als dat niet overeenstemt met het oordeel dat in de media al is gegeven. En daarmee komt de legitimatie van de strafrechtspleging ernstig in discussie. Nogmaals: die ontwikkeling moeten wij nooit willen.

In de uit mediaoogpunt unieke strafzaak tegen Volkert van der G. hebben de media m.i. met voldoende oog voor de belangen van een zorgvuldige rechtspleging verslag gedaan van de ontwikkelingen. Enorme nieuwsgierigheid, hier en daar tot nieuws verheffen wat niets bijzonders is, speculaties, ongevraagde deskundige adviezen, het hoort er in een unieke zaak dan allemaal bij. Ik hoop alleen wel dat deze unieke vorm en omvang van aandacht beperkt blijft tot unieke zaken. Dat zij geen trend wordt. Volkert mag niet klagen over zo veel aandacht, dan had hij niet déze daad op dít moment moeten plegen. Zolang de aandacht voor een verdachte min of meer evenredig blijft aan de impact die hij met zijn daad op de samenleving heeft gehad, is er niets aan de hand.

Tot slot over dit punt: naar mijn overtuiging is uw rechtbank in deze strafzaak, gezien de wijze waarop u het onderzoek op de zittingen heeft verricht, op geen enkele wijze door wie dan ook beďnvloed op een manier die zou kunnen meebrengen dat u de verdachte niet tot op heden voor onschuldig heeft gehouden. In uw bewoordingen, uw reacties op verzoeken en standpunten van de verdediging en mij, in uw bejegening en ondervraging van de verdachte, heeft u er blijk van gegeven dat u zich niet heeft laten bevangen door de mediagekte en de uitspraken van wie dan ook rond dit proces, en de verdachte tot aan uw eindbeslissing verdachte laat.

Kortom, art.6 lid 2 is in dit onderzoek op geen enkele wijze geschonden.

5. De van belang zijnde elementen voor de strafmaat

eerst: het beslag

Vooraf formuleer ik mijn vordering ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.
Alles wat met het wapen en de munitie te maken heeft, moet worden onttrokken aan het verkeer: de voorwerpen sub 3, 4, 5 en 6. Dit op grond van art.36c sub 2e Sr.
Alles wat met de chemicaliën te maken heeft moet eveneens worden onttrokken aan het verkeer: het gaat om de items onder 116 t/m 129. Dit op grond van art.36d Sr.
Met de auto Toyota Starlet is het misdrijf sub 1 voorbereid; hij behoort te worden verbeurd verklaard op grond van art.33a lid 1 sub c Sr.

de strafmaat

Moord is in Nederland allang geen uniek misdrijf meer. Moord op een politicus in het heetst van de democratische verkiezingsstrijd is dat wel. Het is daarom de vraag of op dit unieke misdrijf een unieke straf moet volgen.
Vast staat dat iedere straf in een Nederlandse strafzaak moet worden gemotiveerd vanuit de ernst van het bewezen feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon van de verdachte, een en ander zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

Daarom geef ik uw rechtbank in overweging de volgende elementen bij het nadenken over deze drie aspecten van de strafmaat te betrekken.

met betrekking tot de ernst

Moord is een onherstelbaar misdrijf, waarvoor de dader bewust heeft gekozen. Van de dader mag worden verondersteld dat hij zich er rekenschap van heeft gegeven dat hij onherstelbare schade aanricht voor het slachtoffer, en onpeilbaar leed berokkent aan de nabestaanden. Dat de schade onherstelbaar is wordt veroorzaakt doordat de dader het slachtoffer diens leven, het meest kostbare en kwetsbare bezit, afneemt. Niemand heeft daartoe het recht.
Door de dood van Fortuyn zijn zijn naaste familieleden, verwanten en vrienden plotseling een dierbare, die nog midden in het leven stond, kwijtgeraakt. Hoewel wij leven in een tijd vol van geweld, en de veelheid ervan kan afstompen, moet telkens weer gezegd worden dat het leed dat door een moord wordt veroorzaakt, enorm is, en door nabestaanden levenslang wordt meegedragen. Wie dit misdrijf begaat behoort alleen al hierom in het algemeen te rekenen met een zeer langdurige gevangenisstraf.

De ernst van déze moord wordt in belangrijke mate bepaald door het object ervan, en door de gevolgen die hij heeft gehad.
In Fortuyn is een politicus vermoord, niet alleen als een politicus die zijn uitgeproken mening verkondigde. Deze daad is na 6 mei 2002 veelvuldig een moord op de vrije meningsuiting genoemd. Maar zij is veel meer en ernstiger. Fortuyn stond op het punt een zeer belangrijke rol in het hart van het politieke krachtenveld en democratisch proces te gaan vervullen; de peilingen waren duidelijk, de datum voor de Tweede-Kamerverkiezingen was vlakbij. Verdachte heeft dat proces, waarin het slachtoffer met zijn politieke beweging langs democratische weg in opkomst was, onherstelbaar beschadigd, en dat ook beoogd. In zoverre is dit een politieke moord.
De samenleving behoort trots čn zuinig te zijn op de democratie zoals wij die kennen. Alleen daarbinnen kunnen burgers, met het oog op het landsbestuur, een stem vinden voor hun opvattingen, en alleen dáárbinnen kunnen politieke bewegingen opkomen (en al naar gelang de opvattingen in de samenleving zich ontwikkelen, ook weer neergaan). Zo hoort het. En ook alleen zó.
Wie de uitzonderlijke daad begaat dat hij het hart van het democratisch proces op criminele wijze en onherstelbaar doorboort, behoort ook uitzonderlijk gestraft te worden.

Na de moord op Fortuyn is de samenleving in meerdere opzichten aanzienlijk ontwricht: het politieke klimaat is ernstig veranderd doordat persoonsbeveiliging voor politici en hun gezinnen noodzakelijk werd, en veel burgers hebben lange tijd het angstige gevoel gehad dat het uitkomen voor een meer uitgesproken mening of opvatting geweld zou kunnen oproepen.
Kortom, door deze moord is de rechtsorde in uitzonderlijk ernstige mate geschokt.

Tot slot, door ook nog iemand op zijn vlucht te bedreigen met een pistool - waarvan later is vastgesteld dat het met scherpe munitie was doorgeladen - heeft verdachte getracht aan zijn terechte aanhouding te ontkomen. Hij heeft een man, die hem met niet alledaags maar zeer prijzenswaardig verantwoordelijkheidsgevoel en grote moed op de hielen zat, angst aangejaagd. Daarbij is het bezit van een vuurwapen, en van andersoortige wapens (de 35 condooms met explosief brandbare inhoud), een ernstige schending van de beginselen van onze rechtsstaat. Ik denk aan het beginsel dat mensen zich veilig moeten kunnen voelen ten opzichte van hun medeburgers, en het beginsel dat het geweldsmonopolie bij de Staat ligt.
Ook deze feiten zijn de verdachte ernstig kwalijk te nemen.

met betrekking tot de omstandigheden:

Verdachte heeft bij de uitvoering gehandeld als ware het een liquidatie. Hij bereidde zich voor op onopvallendheid. Tevoren bedacht hij hoe hij zich het best kon verschansen, en hoe hij het slachtoffer het best, nl. van achteren kon benaderen en neerschieten. Zo heeft hij ook gehandeld. Hij kwam uit het niets, en schoot in koelen bloede meermalen door een plastic tas heen. Na ieder schot moest hij, vanwege de terugslag van het wapen, opnieuw richten. Pas toen hij Fortuyn, die al na het eerste schot dodelijk was getroffen, vijf maal in hoofd, rug en nek had getroffen was het genoeg en rende hij hard weg.

Bij dit alles nam hij bewust het risico dat hij anderen in de onmiddellijke omgeving van het slachtoffer zou raken. Hij heeft echt bijna ook een ander mens (de heer De Wild) doodgeschoten. De laatste kogel ging door een tas voor diens hoofd, rakelings langs hem heen.

met betrekking tot de persoon:

Het was verdachtes bedoeling om een politicus de mond te snoeren, die zijn mening binnen de kaders van de democratie verkondigde, wiens opvattingen veelbesproken waren, en in wiens ideeën zeer veel burgers zich herkenden. Fortuyn als politicus werd door velen gezien als hun mond binnen het democratisch politieke proces. Verdachte maakte zelf in zijn werk altijd - op het scherp van de snede - gebruik van de middelen die onze rechtsstaat kent. Dat juist híj deze politicus, en daarmee de vertolker van de gevoelens en opvattingen van veel mensen, de mond heeft willen snoeren op een zó criminele wijze, die op geen enkele wijze past binnen datgene waarvoor hij zegt te staan, is even onbegrijpelijk als onvergeeflijk.
Verdachte heeft zijn daad meermalen gerechtvaardigd. Het leed dat Fortuyn zou brengen was veel groter dan het leed dat zijn dood zou teweeg brengen. De verdachte heeft zich door (ook blijkens het PBC-rapport) ongefundeerde en irreële opvattingen laten leiden tot een kille moord. Dat valt hem volledig en zeer zwaar aan te rekenen.

De feiten zijn hem volledig toe te rekenen. Ik neem de conclusies van het PBC over. Verdachte aanvaardt zijn verantwoordelijkheid ook geheel. Misschien is dat het enige dat in hem valt te prijzen.

Verdachte is in alles berekenend geweest. Zijn gedachten om tot de moord te komen, zijn voorbereidingen, zijn handelingen op de dag van het feit, heeft hij met niemand gedeeld, en ook daarin heeft hij het nodige gedaan om ontdekking te voorkomen. Hij had alles erop gericht om ná de moord rustig en onopvallend verder te leven als harde werker voor de VMO en als vader van zijn dochtertje.
Nadat hij was aangehouden heeft hij ervoor gekozen om eerst het totale onderzoek af te wachten, om daarna pas met een daarop afgestemde verklaring te komen. Zo kon hij erkennen wat erkend moest worden, en zwijgen over wat aan vraagpunten nog open stond. En of zijn verklaring volledig naar waarheid is geweest, is in dit proces niet komen vast te staan, zeker niet nu bekend is dat hij zijn vriendin in detentie schreef dat zijn verklaring voor de rechter niet noodzakelijkerwijs de waarheid zou hoeven te bevatten; zijn verklaring behoefde wat hem betreft slechts functioneel te zijn.
Niet alleen ten aanzien van de feiten, ook bij zijn beweegredenen staat berekening voorop. Hij heeft het leed door de dood van Fortuyn bijna als een boekhouder gekwantificeerd, en lichter bevonden dan het leed dat Fortuyn als politicus zou veroorzaken. Veel gevoel past daar niet bij, zoals uit de stukken maar ook uit het onderzoek op de terechtzitting ruimschoots is gebleken.

Heeft verdachte spijt? Bij de rechter-commissaris reageerde hij al vrij koeltjes (r-c blz.6): hij antwoordde met 'ja en nee'. Hij dacht daarbij - en denkt nog steeds - vooral aan de gevolgen voor zijn vriendin en kind, en voor organisaties die proberen de wereld te verbeteren.
In zijn spijtbetuiging, waar hij toch al heel lang over had kunnen nadenken, en waar hem toen voor het eerst in alle rust naar werd gevraagd, noemde hij niet de nabestaanden en de verwerpelijkheid van zijn daad. Toen de rechter-commissaris opmerkte dat hij de familie van Fortuyn niet had genoemd, reageerde Volkert vrij zakelijk met: "Ik wist dat Fortuyn geen ouders, gezin of partner had. U vraagt mij of dat een rol heeft gespeeld bij mijn beslissing om Fortuyn om het leven te brengen. In die zin, dat als ze er niet zijn, er daar dus geen verdriet kan ontstaan. Je kon wel verwachten, hoewel ik dat niet wist, dat Fortuyn broers of zussen zou hebben. Niemand is alleen op deze wereld."
En dat was het dan.

Dat hij geen wezenlijke spijt, berouw of wroeging omtrent zijn daad heeft, is de afgelopen zittingsdagen meermalen gebleken. Verdachte is er van alle kanten over bevraagd, maar het komt niet over zijn lippen. En het kan ook worden afgeleid uit de opmerking bij de psychiater, dat hij "achteraf liever (had) gezien dat een ander de delicten had gepleegd" (PBC-rapport blz.76). Volkert vond het terecht dat Fortuyn dood is, en het maximale dat hij naar aanleiding van deze uitspraak heeft gezegd is dat hij nu twijfelt of hij dat nog zo vindt (verklaring zitting 31-03-03). Het in zichzelf te allen tijde verwerpelijke en ontoelaatbare van het doden van de heer Fortuyn, die hem niets had misdaan, ziet hij niet in.

Aan zijn voornemen om Fortuyn om het leven te brengen is geen morele worsteling of conflict vooraf gegaan, aldus het PBC-rapport (blz.48). De afwezigheid van morele twijfel moet worden gezien tegen de achtergrond van verdachtes bereidheid om de uiterste consequenties te trekken uit zijn politieke overtuigingen en principes (blz.56). Gezien verdachtes starheid in opvattingen laat het zich denken dat hij, bij het opkomen van een nieuwe politieke figuur in wie hij een gevaar voor de samenleving ziet, tot herhaling van een soortgelijk misdrijf in staat is. De straf moet mede tot doel hebben hem hiervan te weerhouden.

Volkert had de bedoeling om niet aangehouden te worden. Hij was voornemens terug te keren in de anonimiteit van zijn gezin, zonder ooit de moord op Fortuyn te claimen. Dat anderen van de moord beschuldigd zouden kunnen gaan worden, met alle mogelijke gevolgen vandien, deerde hem niet. In zoverre is zijn daad uitermate laf te noemen.

Alle gevolgen die de moord voor verdachte heeft gehad, variërend van de enorme mediabelangstelling voor hem en zijn gezin, tot de omstandigheden waaronder hij gedetineerd is geweest, zijn voor hem in zekere zin voorzienbaar geweest. Over de aandacht van de media heb ik het al gehad.
Volkert werd en wordt in detentie als mens en volgens de regels van onze beschaving behandeld. Hij heeft vanaf het begin ingestemd met afgezonderde detentie, om gevaar van derden jegens hem te vermijden. Dat de Minister van Justitie, verantwoordelijk voor de kwaliteit van de rechtspleging in Nederland, er alles aan gelegen was om verdachte in leven terecht te doen staan, is begrijpelijk. Verdachte zweeg een half jaar, over alles, terwijl wel bekend was dat hij ooit suďcidaal was geweest. En het was in redelijkheid voorzienbaar was dat verdachte zich in zijn cel zou gaan afvragen of het leven bij de huidige stand van zaken nog wel zinvol was. Ik wil hiermee zeggen dat het cameratoezicht een redelijk doel heeft gediend. Het heeft ook niet geleid tot onmenselijke omstandigheden. Waar verdachte zich erdoor bezwaard voelde heeft hij alle ruimte gehad en benut om daartegen langs de geëigende weg op te komen.

Tot slot, verdachte heeft geen strafblad. Dit valt echter in het niet bij de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden. Dat hij een onschuldige partner en kind achterlaat is voor hem voorzienbaar geweest.

de eis

Bij de bepaling van mijn eis maak ik de afweging tussen de hoogste tijdelijke en een levenslange gevangenisstraf. Behoort deze verdachte, met nog een groot stuk leven vóór zich, na een bijzonder langdurige gevangenisstraf ooit de kans krijgen om de rest van zijn leven weer op de rails te zetten? Of heeft hij met deze kille moord úit overtuiging en ňm overtuiging, die in zijn ernst en gevolgen zo uitzonderlijk is, zijn recht op vrijheid verspeeld?
Levenslange gevangenisstraf wordt in het algemeen opgelegd terzake meervoudige moord, tenzij sprake is van soortgelijke recidive. Dat deze zaak zich voor die straf niet zou lenen is op zichzelf niet juist, als bedacht wordt dat deze moord in zijn object, zijn motief, en zijn gevolgen van uitzonderlijke ernst is, en daarbij ook bijna een andere burger is omgekomen.

In mijn overwegingen betrek ik ook de strafdoelen. Deze moord is zonder precedent, en mag ook nooit meer plaatsvinden. Daarom behoort bij de strafdoelen die uw rechtbank moet overwegen, naast de vergelding van wat verdachte heeft gedaan, ook de algemene preventie. In mijn eis breng ik tot uitdrukking dat niemand het zich ooit in het hoofd moet halen om het voorbeeld van Volkert van der G. te volgen, om zo het democratisch proces in ons land op criminele en ondemocratische wijze te frustreren. Omdat de prijs die daarvoor betaald moet worden te hoog is.

Ik ben van oordeel dat de balans moet doorslaan naar de grote ernst en gevolgen van deze moord. In de weegschaal aan de zijde van de persoon ligt te weinig om hierover anders te denken. Zijn spijt is slechts gericht op de gevolgen voor zijn gezin, niet op het verwerpelijke en weerzinwekkende van wat hij heeft gedaan; voor oprecht, doorleefd en verdergaand berouw is het in dit proces te laat.

Een en ander brengt mee dat in deze zaak een tijdelijke gevangenisstraf niet kan volstaan, en dat de enig passende vrijheidsstraf is die van levenslange gevangenisstraf.


Amsterdam, 01 april 2003,

(w.g.)

J.Plooy,
officier van justitie.

 

Gevraagd of mijn geweld tegen Fortuyn naar mijn mening gerechtvaardigd is: Toen, ja. Nu vind ik het moeilijk om daarover een standpunt te bepalen. 

Bron Requisitoir hoger beroep (vervolg)

De rechtbank acht herhaling niet aannemelijk. Waarom wordt niet duidelijk.
Als men al een inschatting wil maken van de kans op herhaling kan men evengoed komen tot de aanname dat het best weer zou kunnen gebeuren. Even oninvoelbaar als verdachte tot deze daad is gekomen zou hij immers tot een soortgelijke daad kunnen overgaan.
Hij oogt niet gewelddadig, maar de affiniteit met geweld is evident: de explosieve condooms in de garage, de handleidingen op zolder, het lange jaren in huis hebben van een pistool met munitie.
Verdachte heeft iets met wapens; hij heeft iets met geweld.

Tijdens zijn verhoren bij de rechter-commissaris doet hij de volgende uitspraken:

Ik ben er ook niet trots op wat ik heb gedaan, je doet het ook niet zo maar; dit was een exceptioneel geval. Met een exceptionele remedie? Ja.
………………
U vraagt mij of ik spijt heb van wat ik gedaan heb. Ja en nee. U vraagt mij wat ik daarmee bedoel. Ik bedoel daarmee dat ik deze vraag niet gemakkelijk kan beantwoorden. Ik denk er veel over na.
……………
Desgevraagd merk ik op dat het doden van een mens onder omstandigheden geoorloofd kan zijn.
…………………
Gevraagd of mijn geweld tegen Fortuyn naar mijn mening gerechtvaardigd is: toen, ja. Nu vind ik het moeilijk om daarover een standpunt te bepalen.

Ter zitting van de rechtbank laat hij zich als volgt uit:

Met betrekking tot het feit worstel ik nog steeds met de vraag of het middel wel het doel rechtvaardigt. Destijds zag ik gevaar en dat was op zichzelf wel reëel.
………………
Ik zag het toen ook al als iets exceptioneels.
………………
Het stadium van de morele afweging was ik voorbij. Er was in mijn afweging geen andere optie. Geweld gebruik je niet zomaar.
………………
Bij de aanschaf van het wapen wilde ik het in eerste instantie als afschrikking gebruiken. Ik wilde ermee oefenen. Als afschrikking niet zou baten dan sluit ik niet uit dat ik ermee wilde schieten.
……………
Ik denk niet dat ik schrok van het feit dat ik dit soort plannen kon maken. Het belang van mijn gezin, van mijzelf en het werk prevaleerde.
………………
Fortuyn was op een bepaalde manier gewelddadig. Dat mocht beantwoord worden met geweld van mijn kant.
……………
Ik heb met betrekking tot de methode meteen gedacht aan het vuurwapen.
……………………
Het uitgangspunt om geen mensen te doden is een goed uitgangspunt. Normaal gesproken is het moreel verwerpelijk. Toen vond ik het wel moreel aanvaardbaar en nu worstel ik met die vraag.
……………………
Geweld kan in zeer uitzonderlijke gevallen soms nodig zijn, maar veel vaker is het niet te rechtvaardigen.

Dit laatste zegt verdachte in zijn laatste woord bij de rechtbank. Moet ons geruststellen dat volgens verdachte geweld veel vaker niet te rechtvaardigen is?
Wanneer sprake is van een zeer uitzonderlijk geval, waarin geweld wel te rechtvaardigen is, maakt verdachte immers zelf uit.
Verdachte ziet zichzelf als de maat der dingen en dat maakt hem gevaarlijk.
Zoals blijkt uit het verslag van het psychiatrisch onderzoek schakelt verdachte lichamelijk en verbaal geweld gelijk. Het absoluut verwerpelijke van zijn daad ziet hij niet. Geweld kan soms immers nodig zijn. Verdachte neemt uitdrukkelijk geen afstand van zijn daad.

Dat blijft zo ter zitting van het hof.
Gevraagd naar zijn bedoeling bij de aanschaf van het pistool zegt verdachte onder meer:

In het uiterste geval kun je het ook gebruiken.

Verdachte blijft worstelen met de vraag of de moord een fout was en probeert middels abstracties een concreet antwoord te omzeilen.
Daarmee geconfronteerd blijft zijn standpunt:

Ik ben er nog niet uit.
…………………………
Ik ben er nog steeds mee bezig.

Gevraagd of hij het in een vergelijkbare situatie weer zo zou doen zegt hij:

Ik zou het zeker niet nog eens doen.
……………………………
Ik kan mijzelf achteraf verwijten dat ik over de consequenties onvoldoende heb nagedacht.
……………………………
Geweld is een beroerd middel om je doelen te bereiken.
Daarnaast is het zo dat ik een flinke douw zal krijgen. De volgende keer zal ik denken: ik heb mijnportie wel gehad.
……………………………
Ik vond dat er iets moest gebeuren. Het doel heiligde alle middelen.

Ook tegenover het hof distantieert hij zich niet van zijn daad.
Geweld is een beroerd middel, maar –zoals verdachte eerder stelde- het kan soms nodig zijn.
De reden om het niet nog eens te doen is puur instrumenteel; hij heeft zijn portie wel gehad.
Uit niets blijkt een overtuiging van het absoluut verkeerde van zijn daad.
En dŕt is alleen begrijpelijk tegen de achtergrond van zijn ideologische fanatisme. Zoals hij zich fanatiek inzet voor het milieu, is hij fanatiek in alles waarvan hij een afkeer heeft. Fanatiek én extremistisch!

Hěj maakt wel uit wat nodig is.
Hěj maakt wel uit wat van belang is.
Dat laatste valt ook weer op bij het verhoor ter zitting van het hof aan de hand van een simpel voorbeeld.
Op een vraag van de voorzitter waarom verdachte niet meteen gezegd heeft, dat hij het wapen had gekocht van iemand van Turkse afkomst, volgt het antwoord dat de etniciteit of de nationaliteit van iemand niet van belang is.

Verdachte ziet zichzelf als de maat der dingen.

Verwoede pogingen hem een teken van spijt te ontlokken zijn gestrand. In dit geval was geweld immers nodig. In een volgend geval wellicht ook. Dat maakt verdachte wel uit. De kans op herhaling is dan ook allerminst denkbeeldig.

Maar ook indien men zou willen aannemen dat verdachte niet nog eens “getriggerd” zal worden door een uitgesproken persoonlijkheid en de maximale straf derhalve uit het oogpunt van speciale preventie niet strikt noodzakelijk zou zijn, laat dit de noodzaak van een maximale straf voor dit feit onverlet.
Alleen de maximale straf kan voorkomen dat met deze daad een trend wordt gezet van terreur tegenover controversiële standpunten. Ook de generale preventie vereist deze straf.
Met deze straf moet voor eens en voor altijd duidelijk worden gemaakt, dat een daad als deze wordt gezien als de ultieme aantasting van de kern van onze rechtsorde en dat daarop alleen de zwaarste reactie kan volgen.

Conclusie:
Overwegingen omtrent recidive rechtvaardigen niet verlaging van de straf.

Terugkeer in de samenleving

De grondgedachte waarop ons strafrecht is gebaseerd is en blijft de vergelding. Straffen is vergelden. Andere strafdoelen spelen daarbij zeker een rol, zoals speciale en generale preventie. Al die strafdoelen vereisen i.c. de maximale straf.
Er is maar één strafdoel dat daaraan iets zou kunnen afdoen. Dat is het belang van terugkeer van verdachte in de samenleving. Indien enigszins mogelijk moet een straf ook dat doel dienen. Maar niet tot elke prijs. In dit geval is de prijs daarvoor te hoog. Dit doel zou immers alleen gediend kunnen worden met een tijdelijke gevangenisstraf.
Gelet op het thans bestaande maximum van 20 jaar in combinatie met de thans bestaande regeling van de vervroegde invrijheidstelling zou dat neerkomen op een vrijheidsbeneming van ruim 13 jaar.
Een detentie van ruim 13 jaar is een heel zware straf, maar doet geen recht aan de gevoelens die verdachte met deze daad heeft teweeg gebracht. Gevoelens van verdriet en woede bij de nabestaanden en bij de volgelingen van het slachtoffer. Gevoelens van verbijstering, ontzetting, ontreddering, onrust en angst bij onze hele samenleving. Gevoelens die nog steeds niet voorbij zijn. Aan het wegnemen van die gevoelens moet de op te leggen straf bijdragen.
Dat kan alleen als die straf recht doet aan die gevoelens.

Conclusie:
Het belang van terugkeer in de samenleving rechtvaardigt niet verlaging van de straf.

Conclusie met betrekking tot de subjectieve verwijtbaarheid:
De subjectieve verwijtbaarheid is maximaal en vergt derhalve de maximale strafduur.

De geest van een gewoon mens en de banaliteit van het kwaad

“Het is buitengewoon moeilijk de geest van een gewoon mens te doorgronden.”
Dat is de titel van reflecties van rechtssocioloog Cees Schuyt naar aanleiding van dit strafproces.
“Verdachte is een doodgewoon mens en zijn daad blijft onbegrijpelijk, waarschijnlijk ook voor hemzelf”, aldus Schuyt, die verder stelt:
“Het kwaad lijkt hier zijn banaliteit te hebben behouden.”
Inderdaad lijkt het uiteindelijk een banale misdaad te zijn.
Des te erger, gelet op de gevolgen.
Des te belangrijker om het gewicht van deze misdaad in de straf tot uitdrukking te brengen.

Het proces is nog niet ten einde. Hier in hoger beroep ligt opnieuw de zaak in volle omvang voor. Opnieuw zal beoordeeld worden of een eis van levenslang gerechtvaardigd is. Opnieuw moet een poging worden gedaan verdachte te doorgronden. Opnieuw moet worden gespeurd naar het werkelijke motief.

Dat werkelijke motief zou wel eens ontleend kunnen worden aan de gedragsrapportage.
Op basis daarvan ligt misschien niet zozeer een rationeel politiek motief voor de hand, maar veel meer een irrationeel motief, dat als excuus politiek wordt getint.
Ik memoreer de eerder door mij genoemde passage uit het verslag van het psychologisch onderzoek, waarin het volgende wordt gesteld:
Het slachtoffer is voor hem het symbool van alles waarvan hij een afkeer heeft, zoals opportunisme en ijdelheid, maar ook van alles wat hij zelf mist en waarop hij bewust dan wel onbewust afgunstig is, zoals verbale kracht en het vermogen anderen te enthousiasmeren.
Dit lijkt wel de kern.
Verdachte is een gewoon mens volgens de gedragsdeskundigen. Wellicht heeft hij ook een gewoon motief.

Het blijft speculatief, maar zou het niet als volgt kunnen zijn.
In het fenomeen Pim Fortuyn ziet verdachte een combinatie van eigenschappen die hijzelf ook heeft.
Net als hijzelf is het slachtoffer zeer intelligent, ambitieus, pragmatisch, rationeel, analytisch, kritisch, eigenzinnig, rigide, koppig en compromisloos.
Heel anders dan hijzelf is het slachtoffer daarbij ook nog zelfbewust, sociaal behendig, ongeremd, spontaan, extravert, temperamentvol, gepassioneerd, verbaal begaafd en bedreven in het bespelen van sentimenten.
En al die eigenschappen, die door de verdachte naar ik aanneem smartelijk gemist en misschien zelfs wel fel begeerd worden, zet het slachtoffer in, kennelijk met succes, voor een in de ogen van verdachte verwerpelijk doel.
Verdachte moet dit aanzien, terwijl hijzelf met alle wčl met het slachtoffer gedeelde kwaliteiten niet verder komt dan een Melkertbaan, die hij ternauwernood aankan en een zeer bescheiden huiselijk leven te Harderwijk, waarvoor hij te weinig tijd heeft.
De dagelijkse confrontatie met het fenomeen Pim Fortuyn in de aanloop naar de verkiezingen, juist in de periode waarin de combinatie van werk en vaderschap hem te veel dreigt te worden, moet voor verdachte een tantaluskwelling zijn geweest. Daaraan moet en zal hij ontkomen. Hij moet zich sterker tonen. En aangezien voor verdachte vanuit zijn fanatiek extremistische levenshouding verbaal geweld gelijk is aan fysiek geweld ligt de oplossing voor de hand. Het wapen op zolder! Het slachtoffer is om op te schieten en dat is wat hij gaat doen. Hij gaat de daad bij het woord voegen. Hij is pragmatisch. Opeens is hij heel ontspannen en losjes. Opeens is hij weer zelfverzekerd.
Niet te lang nadenken. Niet te veel nadenken. Het mag geen project worden. Blik op oneindig en verstand op nul.
En achteraf….Het voelt als een bevrijding. De last van het dagelijks leven, dat niet is zoals zou passen bij zijn vele kwaliteiten, is eraf. Hij begint met een blanco lei. Zijn wereldje is weer overzichtelijk.
Het fenomeen, maar meer nog het spook dat hem heeft geteisterd is uit de weg geruimd.
Hij probeert te ontkomen. Hij wil gewoon verder in zijn kleine, opnieuw overzichtelijke wereldje, maar nu met de wetenschap dat hij toch sterker is dan zijn kwelgeest.
Maar hij wordt gepakt. En in zekere zin is dat een opluchting. Hij beseft dat zijn wereldje na deze daad nooit meer overzichtelijk kan zijn.

Anders dan Yigal Amir, de dader van de aanslag op Rabin, had verdachte achteraf liever gezien dat een ander het had gedaan. Maar gebeuren moest het!
Wenst verdachte echt dat een ander het had gedaan? Verdachte was uiteraard liever niet gepakt. Hij had graag na de daad zijn leventje voortgezet met vrouw en kind, ongehinderd door zijn persoonlijke kwelgeest Pim Fortuyn. Maar zijn ultieme overwinning is en blijft dat hěj en niet een ander deze onverdraaglijke levenskunstenaar definitief heeft uitgeschakeld.
Natuurlijk heeft verdachte geen spijt. Het moest immers gebeuren. En hěj moest het doen!
Hij vindt zijn daad niet verwerpelijk, integendeel!
Hij was liever niet gepakt, maar hij heeft het er graag voor over. Op een zorgvuldig voorbereide en uitgevoerde aanslag volgt een vlucht waaraan duidelijk geen aandacht is besteed.
Het moest gebeuren en hěj moest het doen!

Het blijft speculatief, maar verdachte’s motief zou wel eens een persoonlijk motief kunnen zijn met een politiek gelegenheidstintje.
Een irrationeel motief van een gewoon, volledig toerekeningsvatbaar mens; van iemand die geweld soms nodig acht en daarmee vertrouwd is vanuit het actiewezen.
Een irrationeel motief, ingegeven door frustraties van een normaal mens.
Frustraties waaraan het slachtoffer part noch deel had. Het slachtoffer was gewoon zichzelf en kwam uit voor zijn eigenschappen, ook de minder aangename, en voor zijn standpunten, ook de aanvechtbare.
Dat moet kunnen in onze samenleving. Het is de kracht van onze samenleving, waarin gevaarlijk extremisme juist dankzij de mogelijkheid gehoord te worden nimmer onaanvaardbare vormen heeft aangenomen.
Het is die kracht die hier fel verdedigd moet worden met het allersterkste middel, dus met de hoogste straf voor degene die deze kracht onherroepelijk heeft aangetast, uit welk motief dan ook.

Ongeacht het motief, algemeen dan wel beperkt politiek, irrationeel persoonlijk of geheel afwezig, past hier de hoogste straf.

Zekerheid omtrent het werkelijke motief is er nog steeds niet en zal er wellicht nooit komen.
Zekerheid over het absoluut verwerpelijke van deze daad is en blijft er wel.

Met mijn betoog hoop ik duidelijk te hebben gemaakt dat het openbaar ministerie in deze zaak allerminst automatisch, maar slechts met de grootste terughoudendheid, na scrupuleuze weging van alle factoren, de allerhoogste straf heeft geëist en weer zal gaan eisen.
Ook hoop ik daarmee te hebben aangetoond waarom de allerhoogste straf in dit geval de enige passende straf kan zijn. Een straf die zal moeten benadrukken hoe zwaar de Nederlandse samenleving tilt aan een dergelijke extreme inbreuk op het democratisch bestel. Een straf dient immers niet alleen gebaseerd te zijn op het heersende strafklimaat, maar zal dat strafklimaat ook moeten vorm geven voor de toekomst. Hier past een signaal. Alle seinen moeten op rood bij elke gedachte aan een soortgelijke daad!
CONCLUSIE

Dit is geen gewone moord. Het is een moord op een politicus čn op de vrijheid van meningsuiting.
Dit is een paradoxale daad. Onder het mom van bescherming van de democratische rechtsstaat heeft de verdachte het meest ondemocratische gedaan dat denkbaar is.
In het heetst van de verkiezingsstrijd heeft hij een politicus vanwege diens denkbeelden letterlijk monddood gemaakt.
Hij heeft daarmee het functioneren van onze democratie ondermijnd.

Dit is geen gewone verdachte.

Het is een verdachte die zelf bepaalt wanneer geweld gerechtvaardigd is.
Die dat geweld toepast op de grofst denkbare wijze.
Die zich vervolgens langdurig hult in stilzwijgen.
Die heel veel later summier zijn motief schetst.
Die dat motief baseert op het belang van de samenleving.
Die vervolgens bepaalt dat de waarheid voor diezelfde samenleving niet belangrijk is.
Kortom, die zichzelf ziet als de maat der dingen.

Dit is geen gewone zaak.

Het is een zaak die in Nederland geen precedent heeft, een unieke zaak. Dat neemt niet weg dat ook op deze unieke zaak gewoon recht gedaan moet worden.
Dat betekent dat alle overwegingen die bij elke straftoemeting een rol spelen de revue moeten passeren en vervolgens moeten leiden tot een bij deze zaak passende straf.
Al die overwegingen heb ik in dit requisitoir uiteengezet.
Op grond van die overwegingen kom ik tot de enige passende straf.
De enige straf die kan bijdragen aan herstel van de door deze moord zo zwaar geschonden maatschappelijke orde.
Dat is een levenslange gevangenisstraf.

Verdachte heeft een politicus in verband met diens opvattingen definitief tot zwijgen gebracht en uit de weg geruimd.
Daarop dient een verwijdering van verdachte uit de samenleving te volgen.

Verdachte heeft een politieke moord gepleegd en daarbij past een levenslange gevangenisstraf.
Mijn requisitoir strekt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en tot veroordeling van verdachte terzake van het hem telastegelegde tot een levenslange gevangenisstraf.

 

 

Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" ‘Niemand moet het ooit in z’n kop halen om nog een keer zoiets te doen’

Den Haag, 15 april 2003
In Opportuun, het maandelijks verschijnend magazine van het Openbaar Ministerie (OM), verschijnt volgende week een interview met mr. Koos Plooy, de officier van justitie in de zaak tegen de moordenaar van Pim Fortuyn.
Op de landelijke internetsite van het OM (www.om.nl) vandaag reeds de voorpublicatie van dit interview.

‘Niemand moet het ooit in z’n kop halen om nog een keer zoiets te doen’

Officier van justitie Koos Plooy weet nog precies wat hij aan het doen was toen hij op 6 mei 2002 hoorde van de aanslag op Pim Fortuyn. ‘Ik zat thuis het journaal van 6 uur te bekijken, zoals veel Nederlanders, denk ik. Aan het einde van de uitzending werd als een soort laatste nieuws gezegd dat Fortuyn zou zijn neergeschoten.’ Plooy beleefde die avond zoals veel landgenoten: in verbijstering over de gebeurtenissen. De volgende dag kreeg hij van zijn parketleiding de vraag of hij de zaaksofficier wilde worden van deze zaak die ‘heel Nederland’ bezig hield. Dat wilde hij graag. ‘Begrijp me niet verkeerd. Dat bedoel ik professioneel gezien. Het is prachtig om als officier van justitie sturing te geven aan een dergelijk grootschalig en diepgaand onderzoek. Ik realiseerde me meteen dat de zaak een enorme impact had en dat heel Nederland zou meekijken. Dat trok me aan. Ik doe graag grote onderzoeken die iets nieuws bieden ten opzichte van mijn vorige onderzoeken. Het liefst steeds gecompliceerder.’ Koos Plooy, veertig jaar, 11,5 jaar officier van justitie, daarvoor zes jaar raio. Van 1985 tot en met 1998 werkte hij op het parket in Utrecht, in 1998 werd hij door de toenmalige Amsterdamse hoofdofficier Vrakking gevraagd over te stappen. In de hoofdstad ging hij meteen zware criminaliteit doen.
Leverde de zaak-Fortuyn hem landelijke bekendheid op, het was bepaald niet zijn eerste grote zaak. De bekende liquidaties in de hoofdstad, de zaak Charles Z. en het wapenarsenaal van Mink K., Plooy was zaaksofficier. ‘Ik wil niet onbescheiden zijn, maar ik heb in de afgelopen jaren een aantal zaken mogen doen die veel belangstelling trokken. We werken op het Amsterdamse parket überhaupt vrij vaak onder druk en aandacht van de media. Ik heb er dus aan kunnen wennen. Het is even slikken als je voor de eerste keer met zoveel belangstelling wordt geconfronteerd, maar ik heb er in dit onderzoek geen hinder van ondervonden.’ 
Plooy oogt op zijn kamer op het parket niet anders dan op televisie. Een stel heldere ogen in een vertrouwenwekkend gezicht, een kuif die terugkomt in alle rechtbanktekeningen en antwoorden die even afgewogen als to-the-point zijn. Hoe ga je om met een zaak waarover ‘heel Nederland’ een mening heeft? ‘Tja, ik heb veel gevraagde en ongevraagde adviezen gekregen. Gevraagd vooral van mijn collega’s Theo Hofstee en Frits Posthumus. Die hebben steeds meegedacht, meegelezen, mee gewikt en gewogen. En ongevraagd vooral vanuit de media. We kregen in het begin veel kritiek dat we te weinig vertelden aan de buitenwereld. Met name rond de zittingen kreeg ik via de media veel adviezen van deskundigen hoe ik het zou kunnen of moeten aanpakken. Ik heb het meeste niet eens gelezen. Expres niet. Vanaf het begin heb ik mijn eigen lijn bepaald. Ik wilde zo min mogelijk naar buiten brengen van wat er gebeurde, ik vond dat ik dat op de zitting moest vertellen. Voorzichtigheid was troef. Ik wilde de verdediging niet in de kaart spelen door allerlei dingen in de krant te laten zetten. Mijn bedoeling was om op de eerste pro-formazitting duidelijkheid te verschaffen. Dat zag je ook terug. Die enorme hoeveelheid bewijsmiddelen, overweldigend, waterdicht. Dat had een grote impact, precies mijn bedoeling. Ik wist: dán kijkt en luistert heel Nederland. Daar wilde ik het in mijn eigen bewoordingen kunnen zeggen. De mensen mochten dan zelf hun conclusie trekken. Dat werkte.’ Ook het requisitoir was gericht op een breed publiek. ‘Een requisitoir is normaal vooral gericht op de rechter. Want díe wil je overtuigen. Doorgaans laat je veel van wat op de zitting is besproken weg in het requisitoir, omdat de rechter dat wel weet. Dat was nu anders. Hier speelden veel dingen waarvan het publiek recht had die te weten.’

Complottheorieën
Terug naar het begin. De opdracht als zaaksofficier. ‘Het bewijs was overweldigend. Dat was ook niet de moeilijkheid. Mijn opdracht was echter ook iets te onderzoeken waarvan we niet wisten of het er was. Namelijk: zijn er meerdere daders of heeft hij het alleen gedaan? Er waren geen concrete aanwijzingen dat er meerdere daders waren, maar we wilden het zeker weten. Zo zeker als mogelijk. In strafvorderlijk opzicht was dat een uitdaging. Strafvordering is toegesneden op situaties waarin een redelijke verdenking van iets bestaat, niet zozeer op gevallen waarin je moet zoeken zonder concrete aanwijzingen. Wij hebben met een grote mate van creativiteit het uiterste gedaan om in de ruime omgeving van de verdachte onderzoek te doen, met toepassing van bijzondere bevoegdheden zoals tappen en observeren. Dat is behoorlijk gelukt. Bij zo’n onderzoek stuit je dan wel op de grenzen van je strafrechtelijke mogelijkheden. En je komt er achter dat je eigenlijk vooral dingen kunt aantonen of aannemelijk maken, maar vrijwel nooit iets helemaal kunt uitsluiten.’ En dat brengt hem op de moeilijkste opdracht die hij impliciet meekreeg. ‘Mijn belangrijkste opdracht was in feite ervoor te zorgen dat er aan het eind van het onderzoek geen echt openstaande vragen meer zouden zijn. Er waren vanaf het begin geen aanwijzingen dat er meer daders waren, maar er waren wel veel complottheorieën. De opdracht was om die maatschappelijke onrust weg te nemen. Of ik daarin ben geslaagd? De tijd zal het leren. Ik heb op de zitting laten zien wat we allemaal hebben gedaan, en wat we daarbij hebben gevonden. Hier zullen we het mee moeten doen. Ik heb overigens na de zitting vrijwel niets meer gelezen over die complotten. Eén krant vroeg zich nog af of ik dan dacht dat de CIA Volkert giraal zou betalen. Tsja. Zelf vind ik dat we deze opdracht voldoende hebben uitgevoerd. In mijn requisitoir heb ik aangegeven waarover nog enige twijfel kan bestaan. Bijvoorbeeld of iemand geweten heeft van hetgeen Van der G. van plan was te doen. Dat beetje twijfel komt doordat de hele waarheid alleen in het hoofd van de verdachte zit, en hij volgens mij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Zijn verklaring maakte een op het dossier afgestemde indruk. Daar is met het oog op een vonnis op zichzelf niet zoveel mis mee. Maar als je zegt: ik wil dat er geen vragen na dit onderzoek overblijven, dan blijft dit toch een beetje hangen.’ Is dit niet toch een beetje frustrerend? ‘Nee, ik ervaar dat zeker niet zo. En dat heeft te maken met het totaalbeeld vanuit het onderzoek: het was een éénmansactie. Dat was ook gedragskundig te verklaren. De zeer belangrijke rapportage van het Pieter Baan Centrum gaat er ook uitgebreid op in. Het tactische čn het gedragskundige onderzoek wijzen op een éénmansactie en dat past bij het beeld dat ik van de verdachte heb gekregen uit de verhoren en op de zittingsdagen. Ik zou wčl gefrustreerd zijn als ik het vermoeden zou hebben dat er in verband met deze moord nog een hele wereld achter Van der G. schuil gaat die ik totaal niet ken. Maar dat gevoel heb ik niet. Sterker: ik heb geen redenen te vermoeden dat het zo is. De overgebleven mogelijkheid dat iemand toch geweten kan hebben wat hij van plan was, dat vind ik niet frustrerend. Het is veel frustrerender als er een moord is die je maar niet kunt ophelderen. De moord op Sam Klepper bijvoorbeeld die na 2,5 jaar nog niet is opgelost.’

Menselijk gevoel
Plooy heeft door het intensieve onderzoek een goed beeld gekregen van de persoon van de dader. Maar dat heeft er niet toe geleid dat hij enig begrip kreeg voor de daad of de dader. ‘Ik heb een meer dan gemiddeld inzicht in zijn persoon en achtergrond. Er blijven echter blinde vlekken. Hij is zelf ook niet spraakzaam. Van der G. is een beetje een black box van gevoelens. Of die ontbrekende gevoelens nou van wezenlijke betekenis zijn? Zijn denkwereld en zijn manier van redeneren staan dermate ver van mij af dat ik nog steeds niet kan begrijpen waarom hij het heeft gedaan. Wat ik vooral niet begrijp is waarom hij geen alternatieven heeft gezocht om Fortuyn te bestrijden. Juist iemand als hij die afkomstig is uit de wereld van alternatief actie voeren. Juist iemand als hij die de juridische wegen kent als geen ander. Ik heb al die tijd geen enkel alternatief gehoord. Hij heeft verklaard dat er geen alternatieven waren, maar hij heeft ze volgens mij niet eens overwogen. Hij heeft vrij direct de beslissing genomen: Fortuyn moet dood. Dat begrijp ik niet van iemand die zegt pacifistisch van aard te zijn.’
Het was je eerste eis tot levenslang. Vond je het moeilijk om aan de rechter te vragen iemand voor de rest van zijn leven op te sluiten? ‘Nee’, klinkt het zeer beslist. ‘Dit is een vraag die je op twee niveaus kunt beantwoorden. Als officier en als mens. Als officier had ik er geen moeite mee. We hebben de strafmaat heel kort voor het begin van de zitting besproken binnen het parket. Uit elk team heb ik een officier gevraagd mee te denken. Na een korte presentatie en de discussie kwam het beeld naar voren dat er een breed draagvlak was voor de eis van levenslang. Ik heb ook ad hoc nog een aantal collega’s uit het land geraadpleegd. Ook daar vond ik een groot draagvlak voor deze eis. Alle argumenten uit die gesprekken vind je terug in mijn requisitoir. Het zijn argumenten die breed leven binnen het OM. Dat geeft een zekere steun. Overigens blijkt inmiddels uit Nipo-onderzoek dat 65 procent van de bevolking het met deze eis eens is.’ Er is ook een andere kant van de weegschaal. ‘Van der G. is niet de traditionele zware crimineel die zijn gruwelijke misdrijf koppelt aan een lang strafblad. Hij past niet in het rijtje waarvan je zegt: levenslang is zonder meer op zijn plaats. Zoals bijvoorbeeld Louis H., die is veroordeeld voor de moord op de twee kinderen van zijn ex-vriendin. Gruwelijke daad, tegen de klippen op ontkennen, een fors strafblad. Dan zegt iedereen al snel: levenslang, punt uit. Hier paste veel meer afweging.’ Plooy schakelt in zijn afwegingen zijn menselijke gevoel zeker niet uit. ‘Officier van justitie is een verantwoordelijk vak, dat brengt dus grote verplichtingen met zich mee. Dat heb ik van huis uit meegekregen. Bij ernstige misdrijven probeer ik mij altijd te verplaatsen in de positie van de verschillende betrokkenen. Slachtoffer, nabestaanden, maar ook in die van de verdachte. Hoe moet het zijn om daar zo te zitten? Ook de reactie van de samenleving telt mee. Die reageerde enorm geschokt op deze moord. Je bent nooit alleen maar officier. Je bent geen machine, geen stijve wetstoepasser. Als mens behoor je je te verplaatsen in de gevoelens van alle mensen die samenkomen in zo’n procedure. Dat maakte het wel moeilijk met deze eis. Niet in de zin dat ik er twijfels bij had. Maar ik realiseerde me verdomd goed wat ik deed toen ik de eis van levenslang uitsprak.’

Argumenten
Drie argumenten gaven voor hem de doorslag om de zwaarst mogelijke straf te eisen. ‘Ten eerste het feit dat Van der G. doelbewust het democratisch proces naar zijn hand heeft willen zetten; ‘Ik, Van der G., beďnvloed de geschiedenis’. Dat heeft hij ook beoogd. Dat is hoogst uniek en ergerlijk.” De tweede reden is dat Van der G. tot op het laatst geen inzicht heeft getoond in het moreel verwerpelijke van zijn daad. ‘Iedereen vroeg zich af of hij spijt zou betuigen over zijn daad. Als hij op de zitting plotseling daaraan had toegegeven, zou hij over zich afroepen dat men zou zeggen: ja, ja, nu komt het hem uit, lekker gemeend. Maar daar ging het mij ook niet zozeer om. Het ging mij erom of hij kon zeggen dat het achteraf gezien toch volstrekt verwerpelijk was wat hij had gedaan. Maar dat kwam er niet uit. Hij vond het nog steeds moreel verantwoord dat je onder bijzondere omstandigheden iemand doodt. Het derde argument was de generale preventie. Van der G. is een calculerende dader. We moeten het niet nog eens hebben dat iemand gaat denken: als twintig jaar celstraf het maximum is, is dat in de praktijk 13 jaar en 4 maanden, dan ben ik er vanaf. Dat heb ik er wel voor over als ik daarmee een in mijn ogen gevaarlijke politicus kan elimineren.’ Ben je met een eis van levenslang teleurgesteld als een rechterlijk college niet verder gaat dan 20 jaar? ‘Nee, dat kan ik zo niet zeggen. Het is een zaak met een uniek karakter, zonder vergelijkingsmateriaal. Ik heb bovendien de wijsheid niet in pacht. Het zal afhangen van de motivering van de rechter. Het is meestal zo dat je je als officier in de ene motivering wel kunt vinden, in een andere minder. Ik zou het wel een teleurstelling vinden als er uiteindelijk een veel lagere straf uitkomt. Waarom? Omdat niemand het ooit in z’n kop moet halen om nog een keer zoiets te doen.’
Had je het gevoel dat je het, gezien de publieke opinie, nog kon maken om 20 jaar te eisen in plaats van levenslang?
‘Ja’, zegt hij zonder enige aarzeling. ‘Als ik ervan overtuigd was geweest dat dat de juiste straf was, dan had ik dat gemotiveerd gevraagd. Ongeacht of mij dat afkeuring had opgeleverd. Ik vond de geluiden voorafgaand aan de zitting van strafrechtwetenschappers en advocaten juist heel genuanceerd. Je sluit je ogen natuurlijk niet voor de publieke opinie. Die heeft een invloed. Het is een van de vele factoren. Je mag als OM nooit zeggen: beste burger, wij magistraten bedenken in onze ivoren toren wat het beste is, u hoort van ons. Het is echter ook zo dat in deze zaak iedereen om een bepaalde straf riep. Je moet als officier van justitie goed weten wat er leeft. Niet iedereen die ik in vertrouwen heb geraadpleegd zat op levenslang, daar zijn dus ook argumenten voor. Ik heb de argumenten voor en tegen heel scherp op een rijtje gezet en daaruit op het laatst een gemotiveerde keuze gemaakt. Dat heb ik duidelijk gemaakt aan de rechter. Als die er dan anders over denkt, dan zij dat zo.’

In een reactie op het vonnis zei Koos Plooy vandaag 'niet teleurgesteld' te zijn: ,,Het blijft een strafzaak zonder vergelijkingsmateriaal, verschil in waardering van strafmaatoverwegingen blijft mogelijk. De strafmaat is wel bovengemiddeld, de rechtbank heeft dit niet gezien als een 'gewone' moord, zoals door de verdediging bepleit. Al vind ik mijn eis nog steeds gerechtvaardigd." ,,De rechtbank heeft een aantal van mijn overwegingen voor de strafmaat overgenomen, zij het iets anders gewogen dan ik heb gedaan. Gelukkig is ook vastgesteld dat, anders dan de verdediging stelde, er geen sprake is van strafverminderende 'verzuimen' in het vooronderzoek."

 

 

Pim Fortuyn REQUISITOIR van de officier van justitie te Amsterdam in de strafzaak tegen (parketnr.13/123078-02)Volkert VAN DER G.


REQUISITOIR

van de officier van justitie te Amsterdam in de strafzaak tegen

(parketnr.13/123078-02)

Volkert VAN DER G.,
geboren op 09 juli 1969 te Middelburg,
wonende te Harderwijk,
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Demersluis te Amsterdam,

ter terechtzitting van 1 april 2003.


President, Edelachtbaar College,


Inleiding
Waarom had Volkert bij zijn aanhouding een bivakmuts op zak? Waarom had hij zich die ochtend niet geschoren, hoewel hij het zó belangrijk vond om bij de uitvoering van zijn moordplan qua kleding en oorringen niet op te vallen, en terwijl hij een stoppelbaard juist wel te opvallend vond (r-c blz.16 en 18)?
Waarom vertelde Volkert aan de politie dat een latex handschoen helemaal stuk gaat als je daarmee in de bosjes tussen takken en wortels graaft (VERD/47), terwijl zijn handschoenen níet stuk waren (verklaring zitting 27-3-03), maar slechts het linker pinktopje miste?
Waarom kan hij zich niet herinneren hoe hij zich zijn laatste avond, nacht en ochtend thuis heeft gevoeld (verklaring zitting 27-03-03)?
En waarom heeft de verdachte zich voor zijn motief beroepen op zijn politieke betrokkenheid en bezorgdheid voor kwetsbare groepen in het algemeen?
Vragen. Naast talloze antwoorden, die er gelukkig ook zijn; antwoorden die voor de vragen naar bewijs, strafbaarheid, schuld, en straftoemeting van groot belang zijn. Daarvoor lijken misschien sommige overgebleven vragen, wat minder essentieel. Toch zal in de loop van mijn betoog duidelijk worden dat, bij de vele heldere antwoorden die ons onderzoek heeft opgeleverd, een aantal vragen is blijven openstaan, waarvan de antwoorden van betekenis zijn. Sommige, zoals die over zijn motief, voor de strafmaat. Alle andere in elk geval ook voor de geschiedschrijving. Ik weet, het strafproces is daar niet in de eerste plaats voor bedoeld. maar deze zitting is wel dé gelegenheid bij uitstek om alle vragen over de verdachte, zijn drijfveren en zijn handelingen met betrekking tot deze moord - die enig in zijn soort is en waarover dus nog lang zal worden geschreven - zo veel mogelijk op tafel te leggen en te beantwoorden. De samenleving die als geheel bijzonder geschokt is geweest, heeft daar recht op en belang bij. In al mijn kritische vragen aan de verdachte ben ik bezig geweest met mijn taak: waarheidsvinding.
Vanaf 6 mei 2002 heeft een groot team vanuit verschillende politiekorpsen diepgaand onderzoek gedaan naar de moord op de politicus Pim Fortuyn. Met sterk gevoel voor de vele vragen vanuit de samenleving, en vanzelfsprekend uiterst gemotiveerd, is met grote precisie gespeurd naar het antwoord op de volgende vragen:
is deze verdachte de dader, en de énige dader?
wie is hij eigenlijk precies?
vanuit welk motief of welke context heeft hij de moord beraamd?
zijn wellicht anderen betrokken geweest bij zijn plan, of daarvan op de hoogte geweest?

De belangrijkste antwoorden zijn gevonden; ik ga daar uiteraard dieper op in. Maar het is natuurlijk onontkoombaar dat niet ŕlles met 100% zekerheid kan worden beantwoord. Strafrechtelijk onderzoek is in het algemeen niet geschikt om in absolute zin zekerheden op álle vragen te krijgen. Sommige antwoorden liggen uitsluitend in het hoofd van een verdachte. Zelfs in dít feitenonderzoek zitten een paar kleine onzekerheden (zoals de nacht van 5 op 6 mei 2002, en de werkelijke drijfveren van verdachte). Maar ik zeg er meteen bij: die onzekerheden zijn voor uw uiteindelijke beoordeling over bewijs en schuld niet van belang.
Voor mij is na dit onderzoek één vraag blijven leven: heeft Volkert in zijn verklaringen bij de rechter-commissaris, en later de politie en uw rechtbank, volledig de waarheid verteld over de toedracht van de moord en zijn motief?
Als aannemelijk zou worden dat hij over - misschien kleine - onderdelen van zijn verhaal onwaarheid heeft gesproken, en ook waarom hij dat heeft gedaan, zegt dat wel iets over zijn persoon, en is dat in zoverre van belang voor uw eindoordeel. En, ik zei het al, het is ook van belang voor de wijze waarop hierna nog over de toedracht en achtergronden van deze moord zal worden geschreven.
Ik zal in mijn requisitoir in het bijzonder aandacht besteden aan de volgende onderwerpen:
hoe is in dit opsporingsonderzoek antwoord gevonden op de vragen die werden gesteld?
wat is, voor zover hier van belang, vóór en op 6 mei 2002 exact gebeurd?
het bewijs van de tenlastegelegde feiten
wie is de verdachte Volkert van der G. precies?
wat was de invloed van de enorme publiciteit en het commentaar van buitenstaanders?
hoe moeten de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder ze zijn begaan, en de persoon van de verdachte, worden vertaald in een passende strafmaat?

A. Het onderzoek naar de feiten
het team en de opdracht
Onmiddellijk na de aanslag was duidelijk dat deze moord buitengewoon ernstig was en diep in de samenleving zou ingrijpen. Door de leiding van mijn parket en die van de regiopolitie Gooi & Vechtstreek werd besloten tot de vorming van een omvangrijk opsporingsteam uit verschillende regio's. Glashelder was meteen dat het onderzoek diepgaand en volledig moest zijn, en uiterst zorgvuldig moest plaatsvinden.
Op de avond van de moord stond al vast dat er in ieder geval één zeer duidelijke verdachte was: de Harderwijker Volkert van der G. Hij was vanaf het moment van neerschieten op heterdaad en onophoudelijk gevolgd door de chauffeur van het slachtoffer, de getuige Smolders. De verdachte kon binnen nog geen tien minuten worden aangehouden, had een pistool op zak, handschoenen aan en kruitsporen op zijn handen.
De eerste en belangrijkste opdracht was vanzelfsprekend om met zekerheid aan te tonen dat deze verdachte ook werkelijk de dader was. Uitgesloten moest worden dat hij, hoe onwaarschijnlijk het ook kon klinken, zou kunnen zeggen dat niet hij maar een onbekende persoon Fortuyn moest hebben neergeschoten en op de vlucht het wapen in zijn handen had geduwd. Vooral forensisch-technisch onderzoek zou hierbij van grote betekenis kunnen zijn; vandaar dat de hulp van diverse disciplines van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is ingeroepen.
Al heel snel was duidelijk dat Van der G. een zeer uitgesproken milieuachtergrond had; daarmee kwam de vraag naar het motief om Fortuyn te vermoorden meer dan levensgroot op ons af. En daarom kon het niet anders of het onderzoek zou zich in de tweede plaats moeten uitstrekken tot de vraag: had de verdachte gehandeld vanuit deze achtergrond? Of - en de verschillende theorieën waren in de media al snel geboren - was hij slechts een uitvoerder voor anderen? Had hij misschien uit persoonlijke rancune gehandeld?
En had hij in de voorbereiding van zijn daad wellicht één of meer anderen, mogelijk geestverwanten, betrokken? Het zóu kunnen zijn geweest dat iemand anders op strafbare wijze betrokken was geweest bij de planning, de voorbereiding of de uitvoering. Maar ook was denkbaar dat een ander 'slechts' kennis had van zijn voornemen, zonder strafrechtelijk aansprakelijk te zijn. Allemaal vragen die bij de enorme commotie na de moord niet uit de weg gegaan konden worden, en daarom nadrukkelijk in het onderzoek zijn betrokken. De leidende gedachte was: na dit onderzoek zouden er in redelijkheid geen vragen meer op de hier genoemde punten mogen open staan.
Niet het hele politieteam 'Onderzoek Moord Fortuyn' kon op één locatie werken. De taken werden als vanzelf gesplitst: het onderzoek naar de feitelijke betrokkenheid van Volkert van der G. werd verricht door opsporingsambtenaren op het politiebureau in Hilversum, en het 'omgevingsonderzoek' rond de verdachte werd verricht door recher-cheurs die hun tijdelijk onderkomen bij het KLPD in Driebergen hadden. Vanzelfsprekend lag de justitiële leiding van beide deelonderzoeken in één hand.
het onderzoek en de antwoorden
Uit het onderzoeksdossier blijkt dat er breed en diepgaand onderzoek is verricht:
Er is technisch onderzoek verricht naar vingerafdrukken, vezels, haren, DNA, schotrestsporen, handschriften en stuifmeelpollen.
Er is diepgaand onderzoek verricht in de bestanden van de computers van Volkert thuis en op zijn werk, alsmede die van zijn vriendin Petra, en die van het slachtoffer.
Ook overigens zijn nagenoeg alle voorwerpen en papieren die bij de verdachte zijn gevonden en in beslag zijn genomen, op hun herkomst en relevantie onderzocht.
Bij verdachte thuis is meerdere keren gezocht naar aanknopingspunten voor verder onderzoek. Dit is vrij uitzonderlijk, maar werd telkens gerechtvaardigd door nieuwe onderzoeksinformatie.
Veel personen uit de vroegere, meer recente en huidige omgeving van de verdachte zijn als getuigen gehoord, over wie hij is, zijn vroegere en huidige drijfveren en zijn recente gedrag.
Binnen de grenzen van wat mogelijk was, is onderzocht of bij de ontwikkeling van zijn plan of bij de aanloop naar 6 mei enigerlei betrokkenheid kon worden vastgesteld van iemand uit verdachtes omgeving, waarbij uiteraard is gedacht aan zijn milieuachtergrond. (Ik merk niet voor niets op: binnen de grenzen van wat mogelijk is. Om bijzondere opsporingsbevoegdheden te gebruiken tegen personen die geen verdachte zijn, moet altijd voldaan zijn aan wettelijke vereisten, en is in een aantal gevallen rechterlijke toetsing vooraf nodig. Er kan heel veel in Nederland, maar er zijn terecht grenzen.) De resultaten zijn verantwoord in een proces-verbaal van opsporingsmethoden.
Van de verdachte en van verschillende personen in zijn naaste omgeving zijn telefoongesprekken afgeluisterd en opgenomen, en enkele van die personen zijn gedurende enige tijd geobserveerd geweest. Conform de Aanwijzing van het College van Procureurs-generaal zijn alle gesprekken met advocaten vernietigd en gewist.
Er is historisch onderzoek verricht naar het belgedrag van telefoons van een aantal personen uit de omgeving van de verdachte, en naar de vraag of via een aantal GSM-basisstations in Hilversum relevante belcontacten waren te ontdekken.
Onderzocht is of verdachte in het verleden schietinstructie heeft gekregen. Hoewel hij vanaf zeer korte afstand heeft geschoten, en naar eigen zeggen daarmee niet had kunnen missen, was het relevant om te weten of hij ooit geoefend had.
Er is onderzoek gedaan naar Volkerts financiële huishouding, teruggaand tot 1991.
Zijn privé correspondentie van de afgelopen jaren, tot aan die in het Huis van Bewaring toe, is in beslag genomen en onderzocht.
Er is aan omringende landen rechtshulp gevraagd bij het onderzoek naar de herkomst en de historische route van het pistool, en naar de eigenaar van DNA-materiaal dat op de patroonhouder was aangetroffen.
Er is onderzoek verricht naar enkele personen die als verdachte konden worden aangemerkt: Volkerts vriendin (i.v.m. de aangetroffen chemicaliën) en twee mannen van wie achtereenvolgens kon worden vermoed dat zij betrokken waren geweest bij de levering van het pistool. Hun zaken zijn geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Er is verregaand onderzoek verricht naar de identiteit van de NN-persoon wiens DNA op de patroonhouder was gevonden.
Naar aanleiding een TV-programma van Peter R. de Vries, waarin hij aangaf te beschikken over stapels relevante e-mails, is hem expliciet gevraagd alles wat voor het onderzoek van belang zou kúnnen zijn, aan het onderzoeksteam af te staan. Dit heeft overigens tot niets geleid. Hetzelfde kan worden gezegd van berichten als zou programmamaker Harry Mens over vele belangwekkende e-mails beschikken.
Tenslotte, het onderzoeksteam heeft een enkele maal ad hoc onderzoek verricht naar aanleiding van meldingen van de Commissie-Van den Haak, die beschikte over berichten van bedreigingen aan het adres van Fortuyn. Ook is af en toe ad hoc gereageerd op geruchten in de media over de verdachte en over mogelijke verbanden.

Wat kan uit al het verrichte onderzoek worden geconcludeerd? Veel onderzoek was gericht op de vraag of iets aangetoond kon worden (in de sfeer van verbanden, theorieën of motieven). Ik moet opmerken dat, als iets met de strafrechtelijke middelen die ik heb ingezet níet kon worden aangetoond, dat nog niet zonder meer betekent dat het ook niet kán bestaan. Maar ik kan wel stellen dat de kans daarop bijzonder klein is. Wie met enige nuchterheid het totaal aan onderzoeksresultaten bekijkt, moet tot die conclusie komen.
Uit de onderzoeken die verricht zijn kan het volgende worden vastgesteld:
In geen enkele verklaring, in geen enkel document, is enige steun te vinden voor de gedachte dat Volkert en het slachtoffer elkaar persoonlijk hebben gekend, en dat het motief voor de moord in de privé-sfeer kan hebben gelegen.
Er is geen enkele aanleiding om te vermoeden dat Volkert door wie dan ook voor de moord zou worden of zijn betaald. Nergens zijn aanwijzingen gevonden voor aanzienlijke inkomsten, verschuivingen of bestedingen.
Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat verdachte schietlessen heeft gevolgd. Naar mijn overtuiging was het voor de wijze van neerschieten van Fortuyn niet nodig om geoefend schutter te zijn. Maar gezien verdachtes belangstelling voor vuurwapens was de gedachte aan schietinstructie wel redelijk. Maar de verklaringen van twee schietinstructeurs die zeggen 'rond 1995' respectievelijk 'eind 1998' instructie aan Volkert te hebben gegeven zijn onvoldoende betrouwbaar om instructie aan te nemen: de één zegt verdachte eind 1998 'maar enkele minuten' te hebben gezien zonder hem gesproken te hebben, de ander zou hem zo'n 8 ŕ 9 jaar geleden gedurende maximaal 3 kwartier hebben gezien. Beiden zijn niet overtuigend in hun herkenning zo vele jaren later.
De reden voor de aanschaf van het vuurwapen in 1996/1997 kan niet anders worden gezien, dan om zichzelf veiliger te voelen in zijn werk. Niemand anders dan een kennis die had bemiddeld wist ervan.
Er is niets gevonden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat achter Volkert iemand anders schuil gaat, die belang had bij de moord op Fortuyn en die Van der G. daarvoor heeft gebruikt. Eén opmerking over Al Qaeda was op niets gebaseerd, en dat Volkert tot een zeer gevaarlijk groepje behoorde was een zichzelf opblazend bericht uit kringen van landbouwers op de Veluwe, die veel last hadden van Volkerts Vereniging Milieu Offensief.
Evenmin is gebleken dat Van der G. bij de vorming van zijn voornemen, bij de voorbereidingen en/of bij de uitvoering van de aanslag heeft samengewerkt met wie dan ook. Zo zijn alleen uit zíjn pistool kogeldelen gevonden. In Bennekom bij het boodschappen doen, en vooraf bij de studio in Hilversum zijn geen personen gesignaleerd, althans, niemand verklaart daarover. Niemand heeft hem bij zijn vlucht hulp geboden. Afgaand op de bevindingen van de technische recher-che die zijn auto heeft doorzocht, is hij zeer vermoedelijk de enige inzittende geweest van de Toyota waarmee hij was gekomen. De plattegrond en nadere informatie over het interview van Fortuyn op 6 mei zijn opgevraagd op zijn eigen computer. De munitie voor het wapen was op de zolder van zijn eigen woonadres voorhanden.
Tenslotte kan worden vastgesteld dat de berichten over zogenaamd belangrijke e-mails die bij media in het land zouden zijn binnengekomen, zwaar overtrokken waren. Ze hebben voor het onderzoek niets van enig belang opgeleverd. Wellicht waren deze berichten vooral bedoeld geweest om aandacht te trekken in de hectische tijd na 6 mei 2002. Hooguit ging het om berichten van verontruste burgers die er het hunne van dachten of achter meenden te kunnen zien, en die hun vertrouwen stelden in TV-programmamakers.

argumenten voor en tegen enige twijfel
De enige vraag die na ľ jaar onderzoek nog kan blijven hangen is: maar was er dan helemaal níemand op de hoogte van wat Volkert in zijn eentje wilde gaan doen? Het laat zich immers moeilijk denken dat hij alles volledig in zichzelf heeft uitgedacht en voorbereid, zonder zijn vriendin of een ander in zijn naaste omgeving hierover ook maar iets te vertellen.
Ik stel overigens voorop dat het toch bepaald niet ondenkbaar is dat iemand geheel op zichzelf een moord van dit kaliber beraamt, zonder dit voornemen zelfs met zijn partner te delen. In de beruchte strafzaak tegen Ferdi E., ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn, bleek de dader zijn plan ook helemaal in zijn eentje te hebben uitgebroed, en voor zijn meest naaste omgeving lange tijd, ook ná de ontvoering en de moord, verborgen te hebben kunnen houden. Sommige mensen kunnen dat kennelijk. Maar misschien mag ik wel zeggen: het is niet normaal.
Bij het onderzoek naar de vraag of iemand op z'n minst op de hoogte was van de gedachte van Volkert om Fortuyn om het leven te gaan brengen, komen we op een terrein waar het strafrecht verder weinig tot niets kan, en waar hooguit de moraal en het geweten gelden. Stel dat iemand geweten heeft dat Volkert met gedachten over moord rondliep. En stel dat die persoon met die kennis verder helemaal niets heeft gedaan, dan is dat moreel verwerpelijk. Dan heeft die persoon een gewetensprobleem. Maar hij of zij is dan niet (zonder meer) strafbaar.
Het strafrechtelijk onderzoek is er wel mede op gericht geweest om hier zicht op te krijgen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat in geen enkel afgeluisterd telefoongesprek, in geen enkele brief tijdens detentie, en in geen enkele verklaring van wie dan ook, steun gevonden kan worden voor de - op zichzelf voor de hand liggende - gedachte dat Volkert op zijn minst aan iemand verteld moet hebben wat hij van plan was te gaan doen.
In de briefwisseling tussen Volkert en zijn vriendin zijn aanwijzingen te lezen dat zij niet van zijn plan en beweegreden op de hoogte is geweest, en het waarom niet kan bevatten.
De enige redenen die er wellicht zijn om te veronderstellen dat Volkert zijn plan tňch met iemand anders kan hebben gedeeld, zijn de volgende:
Al in het begin van de briefwisseling en ook uit de telefoongesprekken blijkt dat verdachte en zijn vriendin zich heel goed bewust waren dat anderen meelazen en meeluisterden. Volkerts moeder heeft verklaard dat ze allemaal in het begin bij de advocaat van Volkert op kantoor zijn geweest, en zijn geďnstrueerd dat de telefoons konden worden afgeluisterd, en dat zij tijdens bezoek niet over de zaak moesten spreken (GET/109). Het weinige dat Volkert en zijn vriendin schrijven en zeggen over de inhoud van de zaak hoeft dus bepaald niet de waarheid te zijn. Of zoals Volkert zelf schreef in zijn brief van 21 juli 2002: "… mocht ik ooit nog eens een verklaring afgeven aan de rechterlijke macht of in de media dan hoeft dat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn. Voor de buitenwereld is de waarheid niet belangrijk - het hoeft slechts funktioneel te zijn."
Uit de verklaringen van de verdachte bij de rechter-commissaris en de politie blijkt dat hij op geen enkele manier anderen bij de zaak wil betrekken; consequent heeft hij de leveranciers van het wapen en van de munitie (r-c blz.13 en 26), degenen die portofoons hebben geleend (VERD/69), degene van wie hij tekeningen van pelsdierfokkerijen had gekregen (VERD/62), en zijn eigen vriendin buiten de zaak willen laten.
Verdachte heeft een half jaar gezwegen, tegen een groeiende berg bewijsmiddelen op. Ondanks dat hij uit overtuiging had gehandeld, en een 'statement' kort na zijn aanhouding in de lijn der verwachtingen had gelegen, wilde hij eerst precies weten wat er allemaal aan onderzoeksmateriaal lag. Zo kon hij eerst zien of alleen tegen hčm aanwijzingen en verdenkingen bestonden, en kon hij later dienovereenkomstig verklaringen afleggen.

Het zijn signalen dat de verdachte voortdurend berekenend is, en mogelijk nog iets te verbergen heeft. Ik wil niet speculeren over de vraag wie hij mogelijk uit de wind wil houden; verdachtmakingen naar anderen behoren niet op deze plaats te worden gedaan, en voor déze strafzaak is het niet van belang.
Ik kom later op dit punt terug bij de vraag of Volkert over zijn voorbereidingen helemaal naar waarheid heeft verklaard. Voorlopig moet ik erbij blijven dat bewijs ontbreekt voor strafbare betrokkenheid van wie dan ook, en dat er ook geen duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand van zijn plan heeft geweten. Resterende vragen op dit laatste punt kunnen slechts beantwoord worden vanuit het hoofd van de verdachte zelf.
B. De relevante gebeurtenissen vóór en op 6 mei 2002
De feiten zijn uitvoerig door uw rechtbank doorgenomen. Ik wil er een aantal opmerkelijke aspecten uitlichten.
de aanschaf van een pistool en munitie
Waar ligt het begin? Ik ga terug naar het moment waarop Volkert het pistool kocht. Eind jaren '90, zegt hij aanvankelijk (r-c blz.13). Later preciseert hij het tot eind 1996, begin 1997 (r-c blz.15 en VERD/37), nadat hij is geconfronteerd met de verklaring van een toenmalige kennis Ferdinand G. Volgens deze kennis gaf Volkert aan dat hij bedreigd werd door boeren, en daarom een pistool wilde hebben voor zijn eigen bescherming.
Volkert was al jaren geďnteresseerd in vuurwapens, gezien de krantenknipsels uit begin jaren '90 in zijn koffer op zolder (r-c blz.15). Bij de politie zegt Volkert ook dat hij eerder wel eens had nagedacht over het aanschaffen van een vuurwapen, want bedreigingen waren er al vanaf het begin dat de VMO bestond (VERD/37). Hij had door het lezen van knipsels ook wel enig verstand van vuurwapens (VERD/38).
De zojuist bedoelde kennis heeft Volkert in contact gebracht met een Turks café in Ede, waar Volkert een pistool kocht voor Hfl. 2.000,= (verklaring G., bijlage bij brief aan rechtbank van 14 maart 2003). Volgens verdachtes eigen verklaring kostte het wapen hem Hfl. 3.000,=. Op het bedrag na stemmen de verklaring van deze kennis en die van Volkert vrij nauw overeen.
Hij had een nieuw wapen willen hebben; hij was wel zo slim om te beseffen dat een gebruikt wapen sporen kon hebben nagelaten bij een eerder misdrijf (VERD/38). Hij liet zich echter toch een tweedehands wapen verkopen.
Later kocht Volkert passende munitie bij een onbekende in Den Haag, aldus nog steeds deze kennis. Bij de rechter-commissaris verklaarde Volkert aanvankelijk nog, in strijd met de waarheid, dat hij de 2 doosjes munitie mčt het wapen in het café had gekocht (r-c blz.13). Toen ik hem later confronteerde met de verklaring van G. erkende hij dat hij de 2 volle doosjes munitie apart had gekocht in Den Haag (r-c blz.26). Het is opmerkelijk dat Van der G. in zijn verklaringen af en toe níet open was en naar waarheid sprak; ik kom daar op terug.
Naar eigen zeggen heeft hij eind jaren '90 eenmaal met het wapen geschoten, ergens in de omgeving van Wageningen. Gewoon, om het te proberen (r-c blz.13). Later heeft hij verder uitgevonden hoe het wapen werkte, en heeft hij het wapen ook wel doorgeladen.
Er is geen aanwijzing dat Volkert het wapen destijds heeft aangeschaft om er iemand mee te doden. Al is het natuurlijk ernstig genoeg dat hij het al die jaren voorhanden had, en er kennelijk aan dacht toen hij het plan opvatte om Fortuyn te vermoorden.
Hij heeft het wapen met de munitie thuis bewaard in een koffer. Op foto's is duidelijk te zien dat de koffer handmatig is voorzien van twee oogschroeven en een hangslot (AH/399); kennelijk was de inhoud van die koffer niet voor andere ogen bedoeld.
het ontstaan van het idee; zoeken op internet
Dit begon voor Volkert met de gedachte 'dat Fortuyn gestopt moest worden' (r-c blz.4). Hij haatte hem niet, maar vond hem een gevaar voor de democratische rechtsstaat (blz.4 en 6). Hij heeft Fortuyn in alle media gevolgd en het totaalbeeld bracht hem op de gedachte Fortuyn om te brengen (blz.5). Tot dit totaalbeeld behoren 'de combinatie van de persoon, zijn ideeën, de manier waarop hij de ideeën naar voren bracht en de macht die hij zou krijgen' (blz.8).
De start van Volkerts voorbereidingen ligt op het internet. Op 9 verschillende dagen, gedurende zo'n 13 uur in totaal, heeft hij gesurft en gezocht naar trefwoorden rond de naam, de woonplaats en het dagprogramma van het slachtoffer (AH/357).
Vastgesteld is dat op de computer bij Volkert thuis op 22 maart 2002 voor het eerst is gezocht op de naam van het slachtoffer, en wel op de site 'pim-fortuyn.nl'. Op 24 maart is vermoedelijk gezocht op een adres van Fortuyn in Rotterdam, met zoekvragen als 'burgerplein + rotterdam + fortuyn'.
Daarna is op 21 april 2002 verder gezocht op trefwoorden als 'fortuyn + agenda' en 'fortuyn + profiel + prive'. Op 28, 29 en 30 april is wederom gezocht, o.a. naar 'ontbijt + tv', kennelijk om het programma van optredens van Fortuyn te vinden. Op die 30e april heeft hij een print gemaakt van de mededeling dat Fortuyn op 8 mei 2002 te gast zou zijn in KRO's Ontbijt-TV. Op 4 mei heeft verdachte nog gezocht op de website 'omroep.nl'.
Verdachte was in het bezit van een GSM. Deze werd na de moord uitgeschakeld aangetroffen in de kofferbak van zijn auto (relaas-pv blz.27). Uit onderzoek is gebleken dat deze GSM op 3 mei 2002 voor het laatst contact heeft gemaakt (relaas-pv blz.35).
Op zondag 5 mei 2002 heeft verdachte 's avonds vanaf 19.59 uur zo'n twee uur lang (!) op diverse websites gespeurd op trefwoorden als 'fortuyn + 6mei', en '3fm + studio + sumatralaan' (AH/355-357). Om 21.11 uur heeft hij gezocht naar een plattegrond van het Mediapark. Om 21.50 uur heeft hij meer gedetailleerd gezocht naar beelden van het 3FM-gebouw (AH/33).
waarom het Mediapark?
Puur toeval, aldus verdachte zelf; "Ik had geen speciale reden om de aanslag op het Mediapark te plegen. Het ging mij uitsluitend om de gelegenheid om te doen wat ik wilde doen" (r-c blz.11). "De plek en tijd voor deze aanslag waren voor mij niet zo relevant. Ik heb op de computer naar een gelegenheid voor de aanslag gezocht. Toen kwamen verschillende mogelijkheden naar boven" (r-c blz.12). Dat Volkert ook plattegronden van de woonomgeving van twee andere LPF-ers bij zich had, mag volgens hem niet worden uitgelegd als bedreigend jegens hen. Net als de plattegrond van het Kurhaus had het volgens hem alleen maar betrekking op mogelijke plaatsen waar Fortuyn zou komen of zelfs overnachten (r-c blz.11).
Volkert zocht naar een plaats waarvan hij zeker wist dat hij Fortuyn daar zou treffen. Het was geen optie om Fortuyn op te wachten bij zijn woning in Rotterdam, omdat Volkert ook nog een thuis en zijn werk had (r-c blz.12). Kennelijk moest het allemaal totaal niet opvallen wat hij in zijn schild voerde. Het Mediapark was de eerste kans die zich voordeed.
Steun voor de gedachte dat het Mediapark vrij toevallig is gekozen, ligt in het feit dat in verdachtes auto ook het printje lag met de informatie dat Fortuyn op 8 mei 2002 te gast zou zijn bij KRO's Ontbijt-TV (AH/183).
een grondige voorbereiding
Volkert heeft zich terdege op 6 mei voorbereid. Uit wat in zijn auto en op zijn lichaam werd aangetroffen na zijn aanhouding kan dat zonder meer blijken:
hij had al enige tijd eerder een baseball petje gekocht bij de V&D, als kledingstuk om minder herkenbaar te zijn als hij zijn voornemen zou gaan uitvoeren (verdachte ter zitting 27-03-03);
hij had de vorige avond plattegronden van het Mediapark en de omgeving, en van enkele mogelijke slaapadressen van Fortuyn, uitgeprint en meegenomen;
hij wist, blijkens aantekeningen op enkele stukken, precies waar en wanneer Fortuyn op 6 mei in de middag zou optreden;
hij had zijn wapen, de patronen, en een bivakmuts uit de beige koffer op zolder gepakt en in zijn rugzak gedaan (verdachte ter zitting 27-03-03);
hij had alles gedaan om onopvallend te zijn: baard geschoren met nog speciaal daartoe gekocht scheergerei, onopvallende kleding, een zonnebril en pet op, oorringen uit (r-c blz.17);
om geen sporen op het wapen na te laten droeg hij latex handschoenen (r-c blz.14);
het wapen verborg hij, ook tijdens het schieten, in een plastic tas om niet op te vallen (r-c blz.14 en 19, VERD/49);
in zijn auto had hij wasbenzine om vóór de aanslag vingerafdrukken te verwijderen van gladde dingen die hij had meegenomen, zoals de plastic tas en het wapen (r-c blz.18); bij de politie verklaart hij ook dat hij op 6 mei het wapen nog heeft schoongemaakt (VERD/39);
hoewel hij tot het moment dat hij op Fortuyn afliep niet zeker wist dat het zou gaan gebeuren, heeft hij ook verklaard dat hij tevoren wel wist dat hij op de vitale delen van Fortuyn zou schieten, dus op zijn bovenlichaam en hoofd, en dat hij zou schieten op het moment dat Fortuyn lopend de studio zou verlaten (r-c blz.20).

Met zijn internetgedrag en zijn verklaring daarover kan worden bewezen dat Volkert "opzettelijk en met voorbedachten rade" heeft gehandeld.
de ochtend van 6 mei 2002
Er zijn geen verklaringen over waar de verdachte die vroege ochtend was. Zijn vriendin heeft niet inhoudelijk willen verklaren, dus moeten we het doen met wat verdachte er zelf over zegt. En dat is opvallend weinig. Hij weet niet meer hoe hij zich 's morgens voelde, wat hij precies heeft gedaan voordat hij de deur zegt te zijn uitgegaan.
Het verhaal begint die dag pas controleerbaar rond een uur of tien. Een collega verklaart dat hij zelf op 6 mei 2002 tussen 9.45 uur en 10.00 uur bij VMO arriveerde en dat Volkert net iets later binnenkwam. Ze hebben gewoon gewerkt. We zien dus verdachte als altijd druk bezig met dossiers, telefoontjes en een poststuk klaarmaken voor verzending. Intussen heeft hij zijn rugzak naast zich, met zijn pistool en zeven kogels. Twee werelden, die tot het middaguur gewoon naast elkaar bestaan. Omstreeks 12.30 uur zijn zij beiden het kantoor uitgegaan. "Volkert zei dat hij die middag vrij nam vanwege het mooie weer" (GET/72). Deze collega heeft een half uur lunchpauze genomen en is daarna weer teruggekeerd naar kantoor. Met Volkert heeft hij geen contact meer gehad.
de middag van 6 mei 2002
Uit informatie van de Postbank blijkt dat Volkert die dag om 12.48 uur in Wageningen € 150,= heeft opgenomen (relaas-pv blz.36, en DIV/12). Rond hetzelfde tijdstip heeft Volkert op een postkantoor in Wageningen een postpakket verzonden in verband met zijn werk bij de VMO (relaas-pv blz. 28 en 29).
Uit informatie van Albert Heijn blijkt dat hij om 13.16 uur één fles Spa rood, scheermesjes en -schuim, bananen en mueslibroodjes heeft afgerekend bij een AH-filiaal in Wageningen (relaas-pv blz.36, en DIV/13).
Op een doos in verdachtes kofferbak zat een aankoopbon van een scheerapparaat, afgerekend op 6 mei 2002 om 13.42 uur bij een winkel in Bennekom (relaas-pv blz.27).
Naar aanleiding van een later buurtonderzoek in Hilversum, in de omgeving van verdachtes auto, heeft een getuige verklaard dat hij de Toyota op 6 mei om 15.30 uur, toen hij zelf met zijn auto uit de Celebeslaan vertrok, nog niet heeft gezien, maar om 17.45 uur toen hij terugkwam wel (GET/41).
Naar eigen zeggen is Volkert onderweg van Bennekom naar Hilversum drie keer gestopt: de eerste keer om zich te scheren (langs de A12), daarna om te tanken (bij Utrecht, van de snelweg A27 af), en tenslotte nog een keer om het wapen met wasbenzine schoon te maken (voor Hilversum). Hij had bij die laatste keer zijn latex handschoenen aan (r-c blz.16 en VERD/46 en 42-43).
Volkert zelf verklaart dat hij om een uur of vier die middag bij het Mediapark aankwam. Niemand heeft hem rond die tijd gezien, dus moeten we het uitsluitend met zijn eigen verklaring doen. Hij heeft het Mediapark eerst nabij de hoofdingang verkend en daarna het fietspad aan de Insulindelaan ontdekt. Vervolgens is hij het terrein gaan bekijken en heeft hij even op een bankje rust gezocht voor zichzelf (VERD/57). Vervolgens ging hij op zoek naar het 3FM-gebouw, dat hij van buitenaf al had gezien (VERD/47). Tussen de struiken heeft hij de tas met het pistool in de grond gegraven, om in de resterende tijd niet gezien of gecontroleerd te worden met een wapen bij zich.
de laatste minuten
Daar, tussen de struiken, heeft hij naar eigen zeggen ongeveer een uur gezeten (r-c blz.17). Hij kon flarden horen van de uitzending binnen (r-c blz.19). Wie de radio-uitzending van BNN terugluistert, hoort onder meer dat aan Fortuyn wordt gevraagd hoe oud hij denkt te worden. Of Van der G. dat ook heeft opgevangen weet ik niet, maar het levert een buitengewoon griezelig beeld op: een jongeman in de struiken, en tussen de auto's, terwijl hij de radiostem hoort van zijn niets vermoedende slachtoffer. Ik denk dat iedereen die zichzelf probeert te verplaatsen in de positie van degene die daar lag, met een zojuist doorgeladen pistool op zak, zich niet kan voorstellen dat hij kort daarna in staat zou blijken te zijn om zó onopvallend - beheerst - op Fortuyn af te lopen, dat het lijkt alsof hij op die locatie hoort.
Kort voor 18.00 uur groef hij het wapen op. Naar eigen zeggen kwam hij een beetje tussen de struiken uit, ging naast een auto liggen, met zijn gezicht richting de uitgang van het 3FM-gebouw, zodat hij onder de auto door die richting uit kon kijken (VERD/48). Hij kon buiten het 3FM-gebouw horen dat de uitzending was afgelopen, en zag Fortuyn naar buiten komen lopen met een paar andere mensen. Hij stond op en liep met een boogje om Fortuyn heen om hem van achteren te kunnen neerschieten. Wat Volkert hierover zegt is even doeltreffend als kil en berekenend: "Ik had bedacht dat als ik Fortuyn van voren zou benaderen hij het misschien zou zien aankomen. Het van achteren beschieten van Fortuyn zou de minste problemen opleveren. Hij zou dan niet wegduiken wat dan weer gevaar voor anderen zou hebben opgeleverd. Het was ook mijn bedoeling om Fortuyn niet onnodig te laten lijden. Van achteren zou ik hem direct dodelijk kunnen verwonden" (r-c blz.19).
Volkert beschrijft zijn gedachten op het laatste moment als "ogen op oneindig en verstand op nul (…) Van tevoren had ik nog wel twijfels, maar op het laatste moment niet meer. Dat ik op het laatste moment niet meer twijfelde, had ook met mijn overtuiging te maken. (…) Ik bedoel daarmee het plan, in de zin van dat ik op dat moment het gevoel had dat ik met iets goeds bezig was. U vraagt mij of ik daarmee doel op het ombrengen van Fortuyn en de gedachte daarachter. Ja, zo bedoel ik dat." (r-c blz.21).
hoe Volkert overkwam tijdens het schieten
Getuigen van de aanslag zeggen ook iets over hoe de schutter op hen overkwam.
Getuige Van D. (medewerkster van een omroep): "Hij kwam heel vastbesloten, koelbloedig over. Ik zeg dat met name omdat de man geen pauze liet vallen tussen de schoten" (r-c blz.18).
Getuige Zeroual (LPF-Kamerlid): "Ik ervoer de uitdrukking op zijn gezicht als koel en emotieloos" (r-c blz.3), en "ik zag op het gezicht van de man met het wapen een totale leegheid en gebrek aan emoties. Dit is me met name opgevallen omdat je van iemand die zojuist op iemand heeft geschoten, emoties zou verwachten van bijvoorbeeld schrik of kwaadheid" (r-c blz.5).
Getuige P. (medewerker van een omroep) noemt het optreden van de schutter "resoluut. De Cap maakte op mij de indruk dat hij duidelijk met 1 doel bezig was en dat hij voor niemand anders dan Fortuyn aandacht had" (r-c blz.9). Ook getuige K. (medewerker van een omroep) zag "geen moment van twijfel. Ik doel daarbij ook op het eerst onopvallend langs Fortuyn lopen om vervolgens van achteren toe te slaan" (r-c blz.4). Getuige De Wild kan het gedrag niet goed duiden, maar kan wel zeggen "dat de wijze waarop de dader onze richting op kwam lopen, op mij mij overkwam alsof hij de situatie ter plekke goed kende, alsof hij daar hoorde" (r-c blz.4).
Het is, vooral ook gelet op wat De Wild erover heeft verklaard, de vraag of Van der G. wel echt zijn 'verstand op nul, blik op oneindig' had. Hij had van te voren bedacht dat hij in alles onopvallend moest overkomen. En óók toen hij zijn laatste tien tot twintig meters in de richting liep van het kleine groepje mensen, bij wie Fortuyn stond, besefte hij dat hij normaal moest overkomen. Daarom rende hij niet. Hij kwam over als iemand die daar hoorde.
de aanslag
Hoewel Fortuyn enkele mensen dicht bij zich had staan, aarzelde Volkert niet, maar schoot hij van zeer korte afstand 5 keer van achteren op het bovenlichaam van Fortuyn. Volgens het NFI duiden de schotrestsporen op de kleding van het slachtoffer op een schootsafstand van niet meer dan 50 tot 150 centimeter (TR/115). Verdachte erkent deze korte afstand (r-c blz.21).
Volgens de verdachte zelf was hij geen geoefend schutter, en hoefde hij dat ook niet te zijn, "op zo'n korte afstand is het niet moeilijk om iemand te raken" (r-c blz.14 en 21).
De uitvoering van Volkerts voornemen was als die van een liquidatie. Om aan te geven hoe dat feitelijk werkt, citeer ik uit zijn eigen verklaring: "Ik heb hem wel ineen zien zakken en heb toen nog schoten afgevuurd. Ik heb toen doelbewust op zijn hoofd gericht en geschoten" (r-c blz.20) en "Ik heb na elke keer vuren de terugslag van het wapen gevoeld. Het gevolg van een terugslag was steeds dat ik het wapen weer moest richten. Dat heb ik tijdens het schieten op Fortuyn ook steeds gedaan" (r-c blz.22).
Bij dit beeld van een liquidatie past ook dat Van der G. een plastic tas om het pistool had gewikkeld. Wie het lef heeft om vrij open op zijn slachtoffer af te stappen en hem van zeer korte afstand durft neer te schieten, wil in ieder geval geen onnodige sporen achterlaten; kogelhulzen zijn belangrijk sporenmateriaal. Van der G. zegt door de bodem van de plastic zak heen te hebben geschoten (r-c blz.19 en ter zitting 27-03-03). Als hij dat goed had gedaan, zouden de hulzen in de zak zijn opgevangen, en waren zij niet op het Mediapark achtergebleven. Het heeft er alle schijn van dat het anders liep dan Volkert bij zijn voorbereidingen had bedacht; de hulzen rolden wel één voor één over de grond.
Extra kwalijk, want riskant, is het schieten door een plastic tas heen, doordat het richten daardoor wordt bemoeilijkt. Verdachte heeft alleen al daardoor het risico genomen dat hij één of meer anderen zou treffen.
Ruud de Wild ook bijna doodgeschoten
Om de grote ernst van de aanslag te benadrukken merk ik hier op dat getuige Ruud de Wild, die vlak bij Fortuyn stond, na het eerste schot een tas voor zijn hoofd hield (r-c blz.4). In deze tas bleek later een inschotopening te zitten. Het NFI stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat die tas van minder dan 150 cm afstand is beschoten (TR/115). De afstand is dus waarschijnlijk iets groter dan die van waaraf Fortuyn is neergeschoten; kennelijk was Volkert toen al aan het weglopen. De Wild heeft bij de rechter-commissaris verder verklaard dat hij na de aanslag een bloeding in zijn linker oor had. Volgens een KNO-arts was dit waarschijnlijk het gevolg van de druk van een dicht bij zijn oor afgevuurd schot; ook heeft hij verklaard dat Fortuyn tijdens de schoten ineen zeeg terwijl hij een arm van De Wild vasthield (r-c blz.3). Een laatste bewijs dat De Wild echt bijna in de baan van de dodelijke kogels heeft gestaan is het feit dat op zijn tas (weliswaar minuscuul) celmateriaal en bloed is aangetroffen, waarvan het DNA-profiel past bij dat van Fortuyn. Kortom, Volkert heeft - wellicht bij zijn laatste schot, dat hij naar eigen zeggen per ongeluk afvuurde bij het weglopen (r-c blz.20) - toch bewust het risico aanvaard dat hij een ander naast Fortuyn zou treffen. Het had maar een haar gescheeld of ook De Wild was doodgeschoten. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bewust geen aangifte heeft willen doen; de aanslag was volgens hem op niemand anders dan op Fortuyn gemunt, en hij meent dat het voor hem zelf beter is dat hij niets meer met deze zaak te maken heeft (r-c blz.5). Ik respecteer deze keuze, en heb daarom de verdenking dat verdachte De Wild opzettelijk bijna heeft doodgeschoten, niet in de tenlastelegging opgenomen; de vele aandacht die dit proces al krijgt zou zich dan wellicht te veel op deze getuige toespitsen.
Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat met deze omstandigheid rond de moord op Fortuyn wel rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de strafmaat; ik kom er dus op terug.
de dood van Fortuyn
Het slachtoffer Fortuyn viel terstond neer. Eén getuige noemt het met "een schokkende beweging" (NOS-medewerker, GET/53), De Wild zag hem "ineen zijgen" en dacht meteen dat het slachtoffer al stervende was (De Wild, r-c blz.3).
Fortuyn moet vrijwel direct zijn overleden, al heeft de gemeentearts - naar ik aanneem tegen beter weten in, maar het was wel Pim Fortuyn die daar lag - nog een uur lang geprobeerd te reanimeren (DIV/04). Getuige Zeroual is direct als enige bij hem neergeknield. Zij raakte enigszins in paniek, want zij merkte hoe open de plek was waar zij zat en wist niet wat er ging gebeuren. Na een korte rit met de heer De Booij over het Mediapark keerde zij bij het lichaam terug. Fortuyn vocht nog om adem, maar zei niets meer (r-c blz.4).
Uit het sectieverslag blijkt dat Fortuyn 5 keer was geraakt, eenmaal in de nek, tweemaal in de rug, tweemaal in het hoofd. De verwondingen aan de hersenen, het hart, de hals en de linker long kunnen de dood zonder meer verklaren, aldus de beide pathologen (TR/147).
had Volkert voorverkend?
Volkert stelt dat hij vóór 6 mei 2002 geen vluchtplan had; toen hij op 6 mei via het fietspad het Mediapark was opgelopen had hij bedacht dat hij zó het park zou verlaten (r-c blz.23). Het lijkt aannemelijk, maar roept toch vragen op.
Oké, hij wist pas op de avond van 5 mei dat hij op 6 mei op het Mediapark zou kunnen toeslaan, dus vóór 6 mei kon hij geen vluchtplan vanaf het Mediapark hebben. Maar het blijft voor degene die het Mediapark een beetje kent moeilijk voorstelbaar dat Volkert, die van plan was om Fortuyn te vermoorden op onbekend terrein, zijn auto zo maar ergens parkeerde, zo maar ergens het terrein opliep en alleen maar beetje onthield hoe hij gelopen was, en op díe manier probeerde zijn pakkans te verkleinen. Als we hem moeten geloven had hij aan één keer buitenom langs het Mediapark rijden, en bestudering van de uitgedraaide plattegrond (die vervolgens in de auto kon achterblijven), genoeg om te weten waar hij op het terrein moest zijn. Volkert had zich zó voorbereid op het onopvallende karakter van zijn uiterlijk (kleding, pet, geschoren, geen oorringen) en van de daadwerkelijke uitvoering van zijn plan (rustig lopen, schieten vanuit een tas). Zou hij echt voldoende hebben gehad aan één loopje over het terrein om zich tijdens zijn vlucht niet één keer in een bocht te kunnen vergissen? Het is toch eigenlijk een dwaze gedachte dat iemand die de bekendste politicus van Nederland van dat moment, op een zo belangrijk moment in de verkiezingscampagne, gaat vermoorden, over zijn eigen aftocht niet meer denkt dan: "Ik had zoiets van, ik kom wel weg, ik ren wel weg". Hij voegt daar nog aan toe dat hij ervan uitging dat mensen niet zo snel een gewapend persoon achterna zullen rennen, zeker niet nadat iemand is neergeschoten (VERD/49). Het is niet erg aannemelijk dat Volkert zó onzorgvuldig met zijn eigen vrijheid ná een succesvolle aanslag zou omgaan.
Er zijn ook een paar indicaties om aan te nemen dat hij zich toch wel iets beter op zijn aftocht heeft voorbereid:
Hij had zich die ochtend niet geschoren. Goed, het kan gebeuren dat je dat vergeet. Maar het is niet logisch als je je voorbereidt om geheel onopvallend van uiterlijk te zijn, en een stoppelbaard juist opvallend vindt. Het kan dus ook zo zijn dat Volkert die ochtend geen tijd of gelegenheid heeft gehad zich te scheren. Misschien omdat hij niet of nauwelijks thuis was? Toen de politie hem vroeg of hij zich zijn stoppelbaard die ochtend niet had gerealiseerd toen hij voor de spiegel stond, antwoordde hij: "Misschien omdat ik niet voor de spiegel heb gestaan. Ik weet het niet. Niet aan gedacht" (VERD/37). Zou hij inderdaad niet thuis zijn geweest die nacht of vroege ochtend? Als dát zo zou zijn geweest, had zijn vriendin dat moeten merken.
Hij had een bivakmuts in zijn jaszak (AH/347). Bij de rechter-commissaris wilde hij daarover, op advies van zijn raadsvrouwe, niets zeggen (r-c blz.26), terwijl hij voor het overige zo open was. Pas recent verklaarde hij dat hij deze muts uitsluitend tegen de kou in zijn bezit had (verklaring zitting 27-03-03); geen echte reden om dat niet al meteen bij de rechter-commissaris te zeggen, dunkt mij. Ik vond het plotselinge zwijgen daarover verdacht.
Van der G. heeft verklaard dat hij die 's avonds op 5 mei uit de beige koffer had gehaald, samen met zijn pistool (verklaring zitting 27-03-03). Op 6 mei rond 18.00 uur had hij zich niet opvallender kunnen gedragen dan met een bivakmuts over zijn hoofd, dus het is niet waarschijnlijk dat hij deze muts bij zich had met het oog op de aanslag. Het was een mooie dag, die 6e mei; Volkert had tegen zijn collega nog gezegd dat hij vanwege het mooie weer een middag vrij nam (GET/72). Bij de rechter-commissaris wilde verdachte op advies van zijn raadsvrouwe nadrukkelijk niet ingaan op mijn vraag waarom hij überhaupt een bivakmuts in zijn bezit had (r-c blz.26). "Ik had hem bij me voor 'je weet maar nooit'" was het toen nog. Volgens mij is het waarschijnlijker dat je een bivakmuts hebt om te dragen tijdens het donker, om nooit herkenbaar te zijn, en is het ook waarschijnlijker dat verdachte vergeten is deze muts uit zijn jaszak te verwijderen, dan dat hij de muts voor alle zekerheid bij zich had.
Ik heb verdachte gevraagd of het mogelijk is dat hij zijn idee om uitdrukkelijk onopvallende kleding en handschoenen te gebruiken, heeft geput uit oude brochures zoals "Verzet is mogelijk", dat in dezelfde koffer is gevonden. Hij heeft verklaard dat dat wel zo kan zijn (zitting 27-03-03). Het is heel opmerkelijk dat in datzelfde blad wordt aangeraden om de plaats waar je een actie wilt uitvoeren, tevoren te gaan bekijken, liefst 's nachts en met een bivakmuts op. Ik wil niet stellen dat Van der G. zich kort tevoren nog had georiënteerd in dit soort boekjes. Maar het mag dan misschien wel jaren geleden zijn dat hij belangstelling had voor dit soort lectuur, de strekking van een aantal algemene adviezen voor het voeren van acties kan hem prima zijn bijgebleven.
Volkert weet niet meer precies wanneer hij, met het oog op de aanslag, zijn pistool uit de koffer haalde: zondagavond 5 mei of maandagochtend 6 mei. Nader bij de rechter-commissaris en bij de politie, maar ook op de zitting (27-03-03) houdt hij het op 5 mei 's avonds (r-c blz.14 en VERD/41). Ook dat is opmerkelijk: een zó spannende gebeurtenis als het uit de koffer halen van een pistool dat daar al zó lang onaangeroerd en ongebruikt ligt, met het doel om daarmee het ergste misdrijf te begaan tegen een dagelijks in het nieuws zijnde politicus, dát moment moet toch in het geheugen gegrift staan? In dezelfde lijn is het voor mij onbegrijpelijk dat hij zich niet kan herinneren hoe hij die nacht in slaap is gekomen, hoe hij heeft geslapen, en hoe het 's morgens was om op te staan, en zijn vriendin en kind gedag te zeggen. Bijna elf maanden heeft verdachte de film van dat laatste etmaal kunnen terugdraaien.
Het lijkt mij eerder aannemelijk dat Volkert, die zich vele andere details wel herinnert, dit niet meer precies kan aanduiden omdat hij al vanaf het begin dat hij ging verklaren, iets ánders uit zijn verklaringen heeft weggefilterd, nl. dat hij op enig moment die nacht, ochtend of dag voorafgaand aan de aanslag de locatie van het Mediapark wat beter in zich heeft opgenomen dan hij ons nu wil doen geloven.
Hij had de plattegrond van het Mediapark in zijn auto laten liggen. Het park is groot, als je er nog nooit eerder bent geweest is het niet vanzelfsprekend dat je er goed de weg vindt naar, en vooral ook vanaf de plaats waar je iemand wilt gaan vermoorden, zonder dat je de plattegrond bij je hebt. Verdachte zegt bij de rechter-commissaris dat hij in zijn dagelijkse werk ook veel met kaarten te maken heeft, en daar goed mee kan omgaan (r-c blz.25). Het klinkt logisch, maar de plattegrond van het Mediapark lijkt niet op bedrijfsplattegronden die je voor milieuprocedures nodig hebt. Het gaat in dit geval om een tamelijk grof geschetst plaatje dat niet voldoende lijkt om verder ongezien je weg te vinden.
Er zijn stuifmeelsporen op Volkerts handschoenen aangetroffen, die overeenkomsten vertonen met die van de locatie waar hij in de bosjes heeft gezeten. Deze plek kan - in tegenstelling tot 5 andere locaties in het mediapark - de locatie van herkomst zijn (rapport NFI d.d. 1 november 2002). Dit beeld, dat weliswaar voorzichtig is geformuleerd, past wonderwel bij de eigen verklaring van de verdachte over de plaats waar hij zich die middag heeft schuilgehouden. In zoverre is het eerste NFI-milieuonderzoek een bevestiging van de verklaring van verdachte zelf.
Nu is er echter iets heel opmerkelijks. Enerzijds zegt verdachte dat hij die middag maar één keer op het Mediapark is geweest, nl. conform wat hij er zelf over heeft verklaard (VERD/59). Anderzijds zijn op de radio, de vloermat, de pedalen en één Spa-fles in zijn auto wčl - en zelfs veel - stuifmeelsporen gevonden (het nagezonden NFI-rapport 21 maart 2003). Het tweede NFI-milieurapport geeft aan dat het stuifmeel op die voorwerpen gelijksoortig van samenstelling is, en sterk overeenkomt met de verse component van het stuifmeel op verdachtes handschoenen en in de monsters uit het Mediapark. Er is dus sprake van mogelijk één bron, het Mediapark. Het kán ook van elders komen, maar niet uit verdachtes tuin in Harderwijk, en ook Bennekom is niet aannemelijk. Daar zijn de stuifmeelcomponenten te verschillend voor. Voor de aanwezigheid in zijn auto van dit stuifmeel, afkomstig van vermoedelijk het Mediapark, heeft verdachte tot op heden geen goede verklaring gegeven.
Kortom, er is op zijn minst aanleiding te vermoeden dat Volkert op enig moment in de nacht of vroege ochtend van 6 mei 2002 op het Mediapark is geweest, en daarna nog terug is geweest in zijn auto buiten het Mediapark.

Voor alle duidelijkheid, ik kan het niet aantonen dat Van der G. die nacht of ochtend is wezen 'voorverkennen'. De milieurapporten van het NFI moeten uiteraard met de nodige voorzichtigheid worden gelezen; de conclusies omtrent het verband tussen de stuifmeelsporen op twee locaties zijn niet hard. Maar alle genoemde feiten en omstandigheden roepen wel de vraag op of het niet zeer aannemelijk is dat hij de situatie wel degelijk eerder heeft bekeken, zijn positie heeft bestudeerd, en vervolgens nog enige tijd is weggegaan om later beter beslagen ten ijs te komen.
Waarom is het belangrijk dit op te merken? Het feitencomplex verandert er niet echt door. De tenlastelegging al helemaal niet.
Toch vind ik het belangrijk om hiernaar onderzoek gedaan te hebben, om beter te kunnen beoordelen hoe oprecht en betrouwbaar de verdachte in zijn verklaringen is geweest. Zowel over de feiten als over zijn drijfveren. Ik kom daarop terug bij de bespreking van zijn persoon.
de vlucht, de bedreiging en de aanhouding
We weten inmiddels goed genoeg hoe Volkert na het schieten is gevlucht. In één rechte lijn rende hij het Mediapark door en uit, achtervolgd door de getuige Smolders, halverwege gevolgd door de twee andere getuigen K. en S. De eerste keer dat 'de man met de pet', zoals getuige K. de verdachte noemde, zich naar K. omdraaide, zag deze getuige dat de man zijn hand in een jaszak had alsof hij daarin iets had waarmee hij op hem richtte (r-c blz.8). De verdachte heeft later verklaard dat hij zich inderdaad omdraaide met zijn hand in een jaszak, maar geen bedoeling had deze getuige te bedreigen; hij hield zijn hand in zijn jaszak op het wapen om te voorkomen dat het uit zijn jaszak zou vallen (r-c blz.3).
Wel erkent hij dat hij even later de getuige Smolders zijn wapen heeft laten zien om hem te weerhouden van verder achtervolgen (r-c blz.3). Smolders heeft verklaard dat de schutter zich op de Celebeslaan naar hem omdraaide en een wapen op hem richtte (r-c blz.5). Daarmee staat m.i. vast dat Volkert deze Smolders heeft bedreigd; dat hij niet de intentie heeft gehad om Smolders iets aan te doen (r-c blz.24) doet aan het karakter van bedreiging niets af.
Niet vast staat dat hij ook K. heeft bedreigd, en daarom is dat onderdeel van de tenlastelegging afgehaald.
Uit de videopresentatie van de vlucht-, loop- en rijroutes blijkt zichtbaar en duidelijk dat er niets mysterieus was aan het feit dat de politie zo snel ter plaatse was. Uit de beelden, die we hebben gezien in hetzelfde tempo als de gebeurtenissen zelf zich hebben afgespeeld, blijkt hoeveel er in enkele minuten kan gebeuren. De hoofdagenten Bosch en Lammers reden op surveillance in Bussum-Zuid, hoorden de melding van een schietincident - let wel: zij wisten toen niet wie het slachtoffer was, dus dáárop kunnen zij niet hebben gereageerd, zij deden gewoon wat zij behoorden te doen - en trokken ijlings hun kogelvrije vesten aan. De hondengeleiders Molenaar en Plantinga waren op het hoofdbureau in Hilversum, hoorden dat er geschoten was op het NOB-terrein en gingen meteen die richting uit. Via de meldkamer hoorden zij onderweg dat een getuige de locatie van de verdachte doorgaf. Toen zij iemand zagen zwaaien om hen de juiste richting op te loodsen, reden zij en vervolgens liepen zij de Celebeslaan in, steeds dichter op de verdachte aan.
Het is een samenloop geweest van bijzonder prijzenswaardig en alert optreden (primair natuurlijk van de heer Smolders, die grote moed heeft getoond door achter een schutter met vuurwapen aan te gaan čn onderweg de politie op de hoogte te houden, en vervolgens van de razendsnel optredende politieagenten) en een dosis toeval en professionaliteit (door op het juiste moment op de juiste plaats te zijn en geen fouten of vergissingen te maken), waardoor Volkert van der G. al zó snel kon worden aangehouden. Ik ben ervan overtuigd dat, als het na het schieten op Fortuyn had ontbroken aan deze moed en alertheid en dit beetje geluk, de verdachte een goede kans had gemaakt om ongezien weg te komen; en wie zou ooit op hém als mogelijke dader zijn gekomen? Volkert speculeerde daar zelfs op: hij zou in de anonimiteit kunnen verdwijnen, en daarmee oproepen dat de verdenking zou uitgaan naar ándere groeperingen of een ánder dan hijzelf. Bij de politie zegt hij daarover: "Stel nou dat ik weg was gekomen en jullie zouden niks gevonden hebben, dan was natuurlijk niet duidelijk geweest uit welke hoek dat zou zijn gekomen. Dus konden ze ook niet wijzen, in feite. Ze kunnen natuurlijk speculeren." (…) "…als er gewoon geen aanwijzingen zijn dat het uit een bepaalde richting komt, dan kan het toch nooit serieus worden. Dan denk ik ook dat als één of andere journalist allerlei suggesties zou doen, dat er dan allemaal weer tegenwerpingen zouden komen van andere zijden. Van dat zeg je nu wel, maar daar heb je geen aanwijzingen voor" (VERD/50).
Toen verdachte werd aangehouden was hij uitgeput. Hij had al eerder de energie uit zijn lichaam voelen stromen, door ontlading van de spanning en gebrek aan conditie. Hij was bekaf en kreeg een gevoel van berusting over zich (r-c blz.24-25). De twee agenten die hem aanhielden verklaren dat hij een diepe zucht slaakte, rustig bleef, buiten adem was, het schuim op de mond had staan, en heel diep ademde (Bosch, r-c blz.8, en Lammers, r-c blz.11). Nadat zij de verdachte op het politiebureau hadden gebracht, hoorden zij wie het slachtoffer van de schietpartij was. Dus nogmaals: hun optreden kan op geen enkele wijze zijn beďnvloed door de wetenschap dat het de heer Fortuyn was die kort tevoren was neergeschoten (Bosch r-c blz.9, en Lammers r-c blz.11-12).
Op het bureau heeft verdachte bij zijn verhoor ter gelegenheid van zijn inverzekeringstelling gezegd: "Ik leg geen verklaring af. Ik wil eerst overleg met mijn advocaat mr.Böhler" (DIV/05). Die zwijgzaamheid heeft hij ˝ jaar volgehouden tot zijn verhoor bij de rechter-commissaris.
C. het bewijs van de ten laste gelegde feiten
Ten aanzien van feit 1 kan de betrokkenheid van de verdachte ruimschoots worden bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:
Fortuyn is gedood door vijf dodelijke kogels in zijn hoofd, nek en rug;
één getuige is de schutter onophoudelijk gevolgd tot aan zijn aanhouding door de politie;
verdachte had een pistool op zak, waarvan later is vastgesteld dat daarmee de zes afgeschoten kogels zeer waarschijnlijk zijn verschoten, en dat daarop een bloedspoor van het slachtoffer is aangetroffen;
verdachte had celmateriaal van het slachtoffer op zijn linker broekspijp;
ook had hij een grote hoeveelheid schotrestsporen op zijn handschoenen en mouwen;
hij heeft uiteindelijk bekend Fortuyn met het pistool te hebben doodgeschoten en deze daad tevoren beraamd te hebben. Daarom kan worden bewezen dat verdachte de heer Fortuyn met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.

Over de voorbedachten rade nog dit. Volkert heeft het plan weken tevoren opgevat, en is het betrekkelijk kort tevoren goed gaan voorbereiden: waar en wanneer, hoe, met wat voor wapen, in welke outfit. Hij heeft zich niet op één locatie georiënteerd, maar ook op de mogelijkheid dat hij Fortuyn zou moeten opzoeken bij een ander LPF-partijlid bij wie Fortuyn, naar Volkert dacht, wel eens zou kunnen verblijven.
Op de vraag van de rechter-commissaris of hij de aanslag had beraamd en voorbereid, zei hij kortweg "ja" (r-c blz.2). Daarna heeft hij dit nader verwoord door te zeggen "Het idee voor de aanslag is niet opeens ontstaan, maar is gegroeid" (r-c blz.4) en "Ik heb Fortuyn in alle media gevolgd en het totaalbeeld heeft mij op deze gedachte gebracht" (r-c blz.5). Later bevestigt Volkert de verklaring van zijn vroegere vriend Robert dat hij rationeel is in het doel en de gevolgen van zijn handelen: "het gebeuren van 6 mei 2002 kwam niet voort uit een impuls. Het was niet zo van 'wat zal ik eens gaan doen op mijn vrije middag?'. Ik heb er wel over nagedacht. Ik weet dat ik slordigheden heb begaan bij de uitvoering van die aanslag (…). Misschien had het te maken met het feit dat ik er onbewust niet zoveel over wilde nadenken" (r-c blz.29).
Weliswaar heeft Volkert tegenover de psychiater van het Pieter Baan Centrum gezegd dat hij niet heel erg heeft gepeinsd over zijn voornemen om Fortuyn te doden, dat het "een idee was dat zo naar binnen flitste", dat hij er niet te lang over wilde denken, en het te snel heeft gedaan (PBC-rapport blz.72). Hierdoor kan de indruk worden gewekt dat verdachte uiteindelijk in een opwelling zegt te hebben gehandeld, en van voorbedachten rade in zijn beleving eigenlijk tňch geen sprake is geweest.
De deskundige merkt echter meteen op dat verdachte op deze manier heeft getracht "de volle omvang van zijn voornemen niet te zien door telkens de mogelijkheid open te houden om zijn voornemen om de een of andere reden niet uit te voeren" (blz.72). Volkert hield een uitweg open en voorkwam daarmee dat hij in dwangmatig piekeren of twijfelen zou vastlopen (blz.77). Volkerts verklaring op dit punt heeft dus vooral een psychische lading, die zijn langdurig voornemen om op enig moment Fortuyn door geweld uit te schakelen onverlet laat.
Het bewijs voor feit 2 is gegrond op de verklaring van de getuige Smolders (GET/ 02 en r-c blz.5) en de bekennende verklaring van de verdachte zelf (r-c blz.3 en 24, en VERD/49).
Feit 3 - wapen- en munitiebezit - kan worden bewezen o.g.v. de volgende bewijsmiddelen:
bij verdachtes aanhouding werd op hem een pistool van het merk Star aangetroffen (AH/16), met nog één patroon in de kamer (AH/101). Het betreft een wapen en munitie van de categorie III ingevolge de Wet wapens en munitie (AH/16-17).
bij de doorzoeking van verdachtes woning in Harderwijk werden, in een koffer op zolder, 46 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm aangetroffen (AH/99). Dit betreft munitie van de categorie III (AH/102).
verdachte heeft het voorhanden hebben van het wapen en de munitie bekend (r-c blz.3).

Ik wil nog een opmerking maken over de munitie die de verdachte in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft verklaard (r-c blz.13) dat hij het wapen geladen kocht, en (later) 2 doosjes munitie. In totaal zijn 54 patronen op hem terug te brengen, dat zijn 2 doosjes van 25 stuks en, als zijn verklaring juist is, 4 in het wapen bij de aankoop.
Naar eigen zeggen heeft hij niet zo gek lang na de aanschaf van het wapen één proefschot gelost, om het wapen uit te proberen (VERD/39). Het merk patroon van dat proefschot kennen wij (uiteraard) niet. Naast één vol doosje met 25 patronen van het merk S&B werd bij hem thuis een doosje gevonden met twee patronen van het merk S&B, één patroon van het merk PMC en 18 patronen van het merk MRP; totaal 21 patronen dus, van drie verschillende merken, in één doosje. Verder is opmerkelijk dat uit technisch onderzoek blijkt dat de zes patronen waarmee Fortuyn is beschoten en de ene patroon dat nog in het pistool werd gevonden, ook van het merk MRP zijn. Met de 18 MRP-patronen in het doosje maakt dat in oorsprong één vol doosje van 25 stuks. Twee dingen springen hier in het oog:
Uit het feit dat hij over patronen beschikte van 3 verschillende merken, die niet geheel logisch in één van de doosjes waren opgeborgen, kan worden vermoed dat hij met de gekochte patronen wat heeft geëxperimenteerd voordat hij met het geladen wapen naar het Mediapark ging, en uiteindelijk 7 patronen uit het nieuwe volle doosje heeft gebruikt voor zijn plan.
Het is zeer de vraag of juist is dat verdachte ooit maar één keer een (proef)schot heeft gelost. Als zijn verklaring juist zou zijn, heeft hij een 'geladen wapen' gekocht met niet meer dan 4 patronen. Dat lijkt bij een capaciteit van 8 patronen (TR/101) niet erg waarschijnlijk. Maar goed, Volkert verklaart zelf dat hij 4 patronen bij het wapen kreeg (VERD/38-39). Bewijs dat hij bij de aankoop meer patronen had is er niet.

feit 4: de 35 condooms
Feit 4 vergt aparte bespreking.
Bij verdachte is op 24 juni 2002 een nadere doorzoeking van zijn woning verricht. Aanleiding was vooral een telefoongesprek tussen verdachte en zijn vriendin op 12 juni 2002 over iets in de garage. Verdachte vroeg Petra twee keer nadrukkelijk ergens even aan te denken, zonder in te gaan op wat dan precies. Petra zei dat de garage niet op slot kon, en vroeg aan haar vriend of het bekend was, en wat ze uit de garage zouden kunnen halen.
Wij interpreteerden dit gesprek als verhullend. Verdachte heeft dat later altijd bestreden, hij zou slechts bang zijn geweest voor inbraak of diefstal, maar feit is wel dat de rechter-commissaris bij een doorzoeking in de garage een kunststof container aantrof die gevuld was met chemische stoffen. Ook lag daar een kookwekker waaraan elektriciteitssnoeren en stekkers waren bevestigd. Daardoor leek het op een ontstekingsmechanisme met tijdvertraging. Ook werd een bamboe hengel met bidon en afstandsbediening gevonden. De wekker en de hengel staan afgebeeld in boeken over (ik noem het maar) chemisch actie voeren. Verder werden aantekeningen over chemicaliën gevonden.
Te veel voor iemand die het alleen maar leuk vindt scheikundige proefjes te doen. Maar ook te onwaarschijnlijk omdat deze stoffen en voorwerpen bij uitstek geschikt bleken te zijn voor het maken van brandbommen en dergelijke. Verdachte bewaarde thuis ook boekjes en brochures uit het anarchistische actiewezen, portofoons die afgesteld stonden op politiefrequenties, een scanner, een map met politiefrequenties, en bivakmutsen.
Daarom móest deze hoeveelheid stoffen en voorwerpen, in combinatie gezien, wel doen denken aan iemand die ze - ooit misschien - bedoeld heeft voor gebruik bij gewelddadige acties.
Ik heb overwogen aan verdachte ten laste te leggen dat hij zich, door het voorhanden hebben van al deze stoffen en voorwerpen, had schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 46 Wetboek van Strafrecht: voorbereidingshandelingen met het oog op brandstichting. Een redelijke verdenking was er zeker: de combinatie van al deze dingen kan tot het vermoeden leiden dat verdachte deze spullen voorhanden had, "kennelijk bestemd" tot het begaan van een misdrijf waarop acht jaar gevangenisstraf of meer is gesteld, zoals brandstichting.
Ik heb hiervan afgezien om de volgende reden. Uit het onderzoek is gebleken dat een aantal voorwerpen dateren van begin jaren '90. Verder is uit een landelijke analyse gebleken dat bij geen van de bekende aanslagen of andere gewelddadige acties, déze (mix van)

 

 

 

Opstand Openbaar Ministerie tegen de rechtstaat! De moord op Pim kost Nederlanders veel vrijheid (van meningsuiting) en een Fortuyn

1. Pim Fortuyn over Openbaar Ministerie: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"

2. Ministerie van Justitie: Toch wist justitie zo ongeveer een uur na de moord al te melden, dat Folkert van der G. in zijn eentje opereerde.

3. Openbaar Ministerie: Politie en de voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) hebben een zeer vergevorderd onderzoek naar links-radicale dierenactivisten moeten staken omdat het openbaar ministerie de geldkraan vorig jaar pardoes dichtdraaide.

332 POM & Fortuyn Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"
193 POM & Fortuyn Toeschrijven naar conclusie bekende truc overheid om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat
482 POM & Fortuyn Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
487 POM & Fortuyn Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden"
183 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers
182 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd
288 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor kamerleden/onderhandelaars LPF
178 POM & Fortuyn De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak 
281 POM & Fortuyn Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers
280 POM & Fortuyn Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn
282 POM & Fortuyn Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat 
275 POM & Fortuyn Demmink zou LPF-minister Nawijn hebben gewaarschuwd geen lijsttrekker te worden omdat LPF uit criminelen zou bestaan
485 POM & Fortuyn Rene Diekstra op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn
486 POM & Fortuyn Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy 
286 POM & Fortuyn Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond
391 POM & Fortuyn Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" 
105 POM & Fortuyn Toelichting officier ter terechtzitting Amsterdam in strafzaak verdachte moord Fortuyn
483 POM & Fortuyn Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuyn

Eerbetoon aan openbare kritiek op de rechtspraak in Nederland van Moszkowics advocaten
285 Mr. Moszkowicz: Hijheeft als enige mij correct behandeld en was naar eigen zeggen niet thuis in het gezondheidsrecht
160 Mr. Moszkowicz: Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest
212 Mr. Moszkowicz: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft in handen van de gesubsidieerde voogdij
089 Mr. Moszkowicz: "Onbegrijpelijk dat zoveel advocaten dubbelfunctie rechter-plaatsvervanger vervullen
332 Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk Coördinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.