| Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304. |
Stockholmsyndroom
Project
strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd
Project
bijbanen bestuurders Nederlandse gemeenten op internet
Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen
Schriftelijke
Aanwijzing
Project
bijbanen raadsgriffier op internet
Project
bijbanen gemeentesecretaris op internet
Project
namen en nevenfuncties commissie bezwaarschriften op internet
Innovatief
en toekomstgericht: Project 31
Project
beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger
In strijd om afschrift
contactjournaal gezinsvoogd werd door jeugdzorg een advocaat met baantjes bij
kerk en school ingezet! (427)
(137) (51)
www.burojeugdzorg.nl/50.htm Strijd
om afschrift contactjournaal geeft prima inzicht in de mentaliteit die heerst in
de "jeugdzorg"
www.burojeugdzorg.nl/636.htm
VERZOEK afschrift compleet contactjournaal "jeugdzorg"
www.burojeugdzorg.nl/255.htm
BEZWAARSCHRIFT tegen BESLUIT weigering afschrift compleet contactjournaal
"jeugdzorg"
www.burojeugdzorg.nl/637.htm
VERZOEK afschrift compleet contactjournaal Raad voor de Kinderbescherming
www.burojeugdzorg.nl/170.htm
BEZWAARSCHRIFT tegen BESLUIT weigering afschrift compleet contactjournaal "RvdK"
(178) Pim Fortuyn : "Als mij wat gebeurd, dan zijn zij, politici van Paars, medeverantwoordelijk. Zij hebben het klimaat gecreëerd en dat moet stoppen"
Pim Fortuyn: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"
07-03-2003 Telastlegging verdachte zaak Fortuyn
De verdachte in de zaak Fortuyn wordt er door officier van justitie Koos Plooy (35) van beschuldigd dat:
Feit 1
Hij op 6 mei 2002 te Hilversum opzettelijk en met voorbedachten rade W.S.P.
Fortuyn van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na
kalm beraad en rustig overleg, met een pistool vijf, althans een aantal kogels
in de nek en/of rug en/of de schedel van die Fortuyn geschoten, waardoor die
Fortuyn zodanige verwondingen aan de hersenen en/of het hart en/of de hals en/of
de linkerlong heeft opgelopen, dat hij daaraan is overleden;
(artikel 289 Wetboek van Strafrecht - Moord)
Feit 2
Hij op 6 mei 2002 te Hilversum H.A.J. Smolders heeft bedreigd met enig misdrijf
tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte
tijdens een achtervolging door die Smolders opzettelijk dreigend zich in diens
richting omgedraaid en/of een vuurwapen op hem gericht, althans aan hem getoond;
(artikel 285 Wetboek van Strafrecht - Bedreiging met bepaalde ernstige
misdrijven)
Feit 3
Hij op 6 mei 2002 te Hilversum een wapen van de categorie III, te weten een
pistool (merk Star, model Firestar 34, kaliber 9x19mm) en/of munitie van
categorie III, te weten één patroon (merk MRP, kaliber 9x19mm), en/of
te Harderwijk munitie van categorie III, te weten 27 patronen (merk S&B,
kaliber 9x19mm) en/of 18 patronen (merk MRP, kaliber 9x19mm) en/of één patroon
(merk PMC, kaliber 9x19 mm), voorhanden heeft gehad;
[de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd]
(artikel 26 Wet wapens en munitie)
Feit 4
hij op 24 juni 2002 te Harderwijk, althans één of meerdere condooms, (elk)
inhoudende een materiaal bevattende (een mengsel op basis van) kaliumchloraat en
suiker, en/of één of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende
zwavelzuur, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die (al dan niet in combinatie met
elkaar) bestemd is/zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur of door
middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
[de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd]
(artikel 26 Wet wapens en munitie)
Overzicht gevonden anarchistische lectuur Volkert van der G. in een koffer op de zolder is te lezen in requisitoir hoger beroep
010403 Requisitoir hoger beroep
Inleiding
Verdachte heeft een politieke moord gepleegd en daarbij past een levenslange
gevangenisstraf.
Dat is het standpunt van de officier van justitie en daarom is hoger beroep
ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld
tot een gevangenisstraf van 18 jaar.
Waarom die straf en de motivering daarvan geen recht doen aan wat hier is
gebeurd en op welke gronden het openbaar ministerie tot een andere afweging komt
dan de rechtbank zal ik hierna uiteen zetten.
Ik stel daarbij voorop dat het vonnis van de rechtbank een heldere en
gewetensvolle keuze bevat. Ik meen dan ook dat de rechtbank onrecht wordt gedaan
door degene die dit een decadent vonnis noemt. (Vrij Nederland d.d. 28 juni
2003).
Dat het openbaar ministerie er geen enkele behoefte aan heeft om buiten hetgeen
zich in de rechtszaal afspeelt van de raadsman van benadeelde partijen te
vernemen wat het zou moeten doen moge duidelijk zijn. Ook hier wordt daarvan
afstand genomen.
Voorvragen
Preliminaire verweren zijn ook in hoger beroep niet gevoerd.
Ambtshalve bestaat evenmin aanleiding tot nietigheid van de dagvaarding,
onbevoegdheid van de rechter, niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie,
dan wel schorsing van de vervolging.
Bewijs
Voor het onder 1, 2 en 3 telastegelegde is verdachte veroordeeld. Wat het bewijs
betreft van het feitencomplex dat zich op 6 mei 2002 heeft voorgedaan kan ik
kort zijn. Ik volsta met verwijzing naar de door de rechtbank genoemde en door
de verdediging niet betwiste bewijsmiddelen, waaruit de bewezenverklaring van
het onder 1, 2 en 3 telastegelegde volgt.
Van het onder 4 telastegelegde heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken. Ook
daartegen is het appèl gericht. Met de officier van justitie acht ik de
strafrechtelijke bestemming van de op 24 juni 2002 in de garage van verdachte
inbeslaggenomen voorwerpen wel bewezen.
De redenen waarom zijn door de officier van justitie helder uiteengezet in de
appèlmemorie. Ik sluit mij daarbij onverkort aan en verwijs naar de betreffende
passage in de appèlmemorie, die door mij is voorgedragen bij de toelichting van
de reden van het appèl.
Daaraan voeg ik nog het volgende toe.
Ter zitting van het hof wil verdachte de explosieve condooms plaatsen in een
onschuldig vuurwerkkader. Waar anderen rotjes afsteken bij een feestelijke
gelegenheid vuurt hij condooms af.
Daarbij doet wel vreemd aan dat verdachte deze explosieven, ongeveer 40 stuks,
gefabriceerd heeft begin negentiger jaren in een depressieve periode. En voorts
dat het volgens verdachte bij een vijftal proeven is gebleven en gedurende lange
jaren kennelijk geen enkele feestelijke gelegenheid aanleiding heeft gegeven tot
het afsteken van de 35 resterende feestcondooms.
En tenslotte dat hij die condooms wel tien jaar later mee heeft verhuisd van
Wageningen naar Harderwijk. Dat alles maakt de onschuldige vuurwerksetting
allerminst aannemelijk.
Ik ben dan ook met de officier van justitie van mening dat verdachte ten
onrechte van het onder 4 telastegelegde is vrijgesproken en dat alsnog
bewezenverklaring zou moeten volgen.
Daarbij wil ik op voorhand opmerken dat ik het al dan niet bewezen zijn van het
onder 4 telastegelegde niet relevant acht voor de vraag of tijdelijke dan wel
levenslange gevangenisstraf zou moeten volgen. Bij die vraag gaat het om het
gebeuren op 6 mei 2002.
De bewezen feiten zijn moord, bedreiging en handelen in strijd met de Wet Wapens
en Munitie.
De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
Bij gebreke van een rechtvaardigingsgrond staat de strafbaarheid van de feiten
niet ter discussie. De strafbaarheid van verdachte evenmin.
De gedragsdeskundigen komen na uitvoerig onderzoek van verdachte in het PBC
immers tot de conclusie dat deze feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.
Die conclusie is door de verdediging niet betwist en wordt door mij overgenomen.
Dat betekent niet dat bij mij geen vragen zijn gerezen naar aanleiding van de
rapportage.
Met name uitlatingen van deskundigen via de media over een mogelijkerwijze niet
onderkend syndroom van Asperger, een autisme-variant, stemmen tot nadenken.
Temeer nu de conclusie van het PBC, dat de bij verdachte geconstateerde
obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis niet van aanwijsbare invloed
geweest is ten tijde van de het hem telastegelegde, niet zonder meer invoelbaar
is.
Het is dan ook een goede zaak dat twee van die deskundigen ter zitting van het
hof zijn gehoord, evenals de psycholoog van het PBC, die verdachte heeft
onderzocht.
Mijn conclusie naar aanleiding van hun verklaringen is de volgende.
De Asperger-deskundigen, zoals ik ze gemakshalve maar zal noemen, hebben steeds
vooropgesteld dat zij verdachte niet hebben onderzocht en de rapportage van het
PBC niet hebben gezien. Zij onderschrijven het beginsel Never analyse the unseen
patient en uiten slechts vermoedens.
Zij hebben die vermoedens uitsluitend gebaseerd op wat zij via de media hebben
vernomen omtrent verdachte. Dat zij daaraan het idee hebben ontleend, dat
verdachte wel eens aan dit syndroom zou kunnen lijden, is niet vreemd. Een
aantal aspecten van zijn persoonlijkheid kunnen daartoe inderdaad aanleiding
geven.
Nu evenwel is gebleken dat het PBC dit syndroom uitdrukkelijk heeft betrokken in
het onderzoek en na ruggespraak met collega-deskundigen op ter zitting
uiteengezette gronden tot de conclusie is gekomen dat van dit syndroom bij
verdachte geen sprake kan zijn, meen ik daarvan uit te mogen gaan.
Op de gedragsdeskundige rapportage kom ik hierna terug in het kader van de
straftoemeting.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, bedreiging en handelen in
strijd met de Wet Wapens en Munitie en moet daarvoor worden gestraft.
De wijze waarop dit moet gebeuren staat hier ter discussie. Ik kom daarop terug.
Wat de inbeslaggenomen voorwerpen betreft kan ik kort zijn. Het beslag is
inmiddels afgehandeld in onderling overleg tussen openbaar ministerie en
verdediging. De enige resterende voorwerpen zijn de auto en een koffer. Met de
officier van justitie ben ik van mening dat de auto moet worden verbeurd
verklaard, nu de moord met behulp van deze auto is voorbereid. Tegen teruggave
aan verdachte van de koffer bestaat geen bezwaar.
Wat de vorderingen van de benadeelde partijen betreft kan ik mij verenigen met
de overwegingen van de rechtbank op pagina 22 tot en met 25 van het vonnis en de
daaruit voortvloeiende beslissingen, zoals weergegeven op pagina 27 en 28 van
het vonnis.
Vormverzuimen in de zin van 359aSv.
Volgens de verdediging zouden zich bij het voorbereidend onderzoek een aantal
omstandigheden hebben voorgedaan, die zijn aan te merken als vormverzuimen in de
zin van 359a Sv. Daardoor zou nadeel zijn veroorzaakt, dat zou moeten worden
gecompenseerd door verlaging van de op te leggen straf.
Hetgeen daartoe is aangevoerd heeft de rechtbank gemotiveerd verworpen op pagina
17 tot en met 19 van het vonnis. Met verwijzing naar de desbetreffende
overwegingen van de rechtbank sluit ik mij daarbij aan.
De door de verdediging in dit kader genoemde omstandigheden zijn de volgende:
? voorlopige hechtenis en detentieomstandigheden
? uitlatingen van politici
? ministeriële interventie in het PBC- onderzoek
? aantasting van de verklaringsvrijheid van verdachte
Alle genoemde omstandigheden zijn gedurende het voorbereidend onderzoek en de
aanloop naar de inhoudelijke behandeling van deze zaak telkens op het daartoe geëigende
moment door de daartoe bevoegde instantie gewogen, getoetst en beoordeeld.
Op geen enkele wijze zijn daaruit vormverzuimen als bedoeld in 359a Sv. te
distilleren.
Voor een strafverlaging op basis van dat artikel bestaat dan ook geen grond,
aldus de rechtbank. Die conclusie neem ik over.
Ook sinds het wijzen van het vonnis van de rechtbank hebben zich geen
omstandigheden voorgedaan, die een grond tot strafverlaging op basis van artikel
359a Sv. zouden kunnen opleveren.
Een politieke moord
Ik kom nu tot de kern van deze zaak. Verdachte heeft een politieke moord
gepleegd en daarbij past volgens de officier van justitie een levenslange
gevangenisstraf.
Op het motief van verdachte zal ik hierna ingaan. Voor de vaststelling dat het
om een politieke moord gaat is voldoende, dat verdachte een lijsttrekker kort
voor de Tweede Kamer verkiezingen heeft vermoord in verband met diens
opvattingen en daarmee een bij uitstek politieke daad heeft gepleegd.
Dat maakt deze zaak uniek.
Zo uniek dat men, zoekend naar gebeurtenissen die deze zaak benaderen, ver terug
moet gaan in de vaderlandse geschiedenis.
In 1584 wordt in Delft Willem I, Prins van Oranje, vermoord door Balthazar
Gerardts, die hem beschouwde als “de tiran van Nederland”.
De moordenaar wordt veroordeeld tot de zwaarste straf, zijnde de dood door
onthoofding na vele “tormenten”.
In 1672 worden in Den Haag Johan de Witt, tot kort tevoren Raadspensionaris van
de Republiek, en zijn broer Cornelis vermoord door morrend oranjegezind
gepeupel. Men verwijt de net afgezette Raadspensionaris het land na tijden van
voorspoed in een penibele situatie te hebben gebracht van oorlog te land met
Frankrijk en ter zee met Engeland.
De daders worden niet gepakt.
Wel wordt enkele maanden eerder Jacob van der Graeff gearresteerd na een
mislukte aanslag, samen met zijn broer Pieter, op de dan nog volledig in functie
zijnde Raadspensionaris, die gewond weet te ontkomen.
Jacob van der Graeff bekent en verklaart te hebben gehandeld ter verdediging van
de kerk tegen de vijand.
Ook hij wordt veroordeeld tot de zwaarste straf, in die tijd dood door
onthoofding.
Sindsdien zijn 330 jaar verstreken totdat verdachte op 6 mei 2002 in Hilversum
Pim Fortuyn vermoordt, lijsttrekker van een politieke partij, die met zeer
uitgesproken standpunten “op winst” staat vlak voor de enkele dagen later te
houden verkiezingen.
In die 330 jaar is het strafklimaat in Nederland uiteraard –en gelukkig maar!-
sterk gewijzigd. Het algemene gevoelen over het uitzonderlijke en volstrekt
onaanvaardbare van een dergelijke daad daarentegen in het geheel niet.
Dat geldt evenzeer voor andere landen.
Ik verwijs naar de moord in 1995 op de toenmalige Israëlische premier Yitzhak
Rabin door een joodse rechts-radicale jongeman, Yigal Amir geheten, uit onvrede
met de toenadering van Rabin tot de Palestijnen.
De dader wordt beschreven als een hoogst intelligente “loner”. Hij
beschouwde Rabin als “evil” en was bang dat iemand anders hem voor zou zijn
met de moord, daarmee “stealing his chance for fame”. Yigal Amir is
veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.
Onze verdachte had, anders dan Yigal Amir, achteraf liever gezien dat een ander
het had gedaan. Althans dat zegt hij na eindeloos en in alle denkbare
bewoordingen te zijn doorgevraagd over eventuele gevoelens van spijt. Ik heb
daar mijn twijfels over. Daarop kom ik later terug.
Men kan natuurlijk niet simpelweg volstaan met de conclusie dat deze daad sinds
eeuwen uniek in Nederland en omringende landen is, dat derhalve elk
referentiekader ontbreekt, dat een daad als deze onaanvaardbaar is en door niets
te rechtvaardigen valt, dat de dader niet gek is en daarom maar levenslang moet
worden opgesloten in een gevangenis.
Ook een unieke zaak als deze moet worden beoordeeld aan de hand van een stramien
en criteria, zoals die zijn ontwikkeld gedurende lange jaren van
strafrechtspleging.
Aan de hand van dat stramien moet eerst worden bezien welke strafsoort passend
is.
Vervolgens moet de strafduur worden bepaald op grond van de mate van
verwijtbaarheid.
Die verwijtbaarheid is te onderscheiden in objectieve en subjectieve
verwijtbaarheid.
De strafsoort staat in deze zaak nauwelijks ter discussie.
Verdachte heeft iemand na kalm beraad om het leven gebracht. Dat feit alleen al
is zo buitengewoon ernstig dat uit het oogpunt van vergelding alleen een
langdurige vrijheidsstraf in aanmerking komt.
Vergelding is en blijft de grondgedachte, waarop ons strafrecht is gebaseerd.
Straffen is vergelden. Dat houdt in: De norm van de samenleving bevestigen
middels een passende reactie op een vergrijp, waardoor die norm is geschonden.
Daarmee wordt herstel van het door het vergrijp verstoorde evenwicht beoogd en
tevens wordt daarmee de preventie gediend.
Het gaat in deze zaak om de strafduur en met name om de vraag of deze tijdelijk
of levenslang zou moeten zijn.
Is levenslang onmenselijk
Levenslange gevangenisstraf is in ons land de zwaarste strafrechtelijke sanctie.
Is deze sanctie onmenselijk?
Met een beroep op het EVRM is wel betoogd dat sprake zou zijn van een inhumane
straf in de zin van artikel 3 EVRM, indien een gestrafte in de gevangenis zou
moeten sterven. Ook het ontbreken van enige mogelijkheid tot terugkeer in de
maatschappij zou onmenselijk zijn.
De Hoge Raad (HR 9 maart 1999, NJ 1999, 435) heeft een dergelijk beroep
verworpen, nu daarvoor geen steun kan worden gevonden in het recht. Daarbij
verwijst de HR naar de conclusie van de AG, die terzijde overweegt dat ook
levenslang gestraften voor ambtshalve gratiëring in aanmerking kunnen komen,
bij voorbeeld door omzetting van de levenslange straf in een tijdelijke. Ook
wijst de AG erop dat in het resocialisatiebeginsel van de Beginselenwet
Gevangeniswezen , inmiddels vervangen door de Penitentiaire Beginselenwet, niet
een aanspraak van iedere veroordeelde op invrijheidstelling besloten ligt.
In hetzelfde arrest is een beroep op artikel 5 lid 4 EVRM aan de orde, vanwege
het ontbreken van de mogelijkheid de rechtmatigheid van de verdere
tenuitvoerlegging te laten toetsen.
Ook dat wordt verworpen met verwijzing naar de conclusie van de AG, die deze
baseert op een uitspraak van Het Europese Hof (EHRM 18 juli 1994. NJ 234). In
die uitspraak oordeelt het Hof, in aanmerking nemende dat levenslang ook kan
worden opgelegd bij geestelijk gezonde en ongevaarlijke daders, dat de
veroordeelde, gelet op het overwegend punitieve karakter van de opgelegde straf,
aan artikel 5 lid 4 niet het recht kan ontlenen opnieuw de rechtmatigheid ervan
te laten beoordelen. De AG wijst daarnaast op artikel 2 aanhef en onder b
Gratiewet jo. 558 e.v. Sv., waaronder de zogeheten volgprocedure langgestraften
ressorteert. Ook levenslang gestraften komen voor die procedure in aanmerking.
De procedure kan ertoe leiden dat men op jaren wordt gesteld in een situatie
waarin met verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht
erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend. Voorts wijst de AG op het recht
van de veroordeelde om gratieverzoeken in te dienen op grond van artikel 2
Gratiewet. Tot slot noemt hij ook nog de mogelijkheid de rechtmatigheid van de
detentie ter toetsing voor te leggen aan de burgerlijke rechter via een kort
geding.
Toetsing aan het EVRM leidt tot de conclusie dat levenslange gevangenisstraf
niet onmenselijk is.
Ook de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading
Treatment or Punishment van de Raad van Europa wijdt in zijn “Standards” een
passage aan levenslange gevangenisstraf. Daarin komt tot uitdrukking dat deze
niet als onmenselijk wordt beschouwd, tenzij de omstandigheden waaronder die
straf ten uitvoer wordt gelegd daartoe aanleiding geven.
De strafduur vormt de crux van deze zaak.
Hoe lang moet de straf duren om recht te doen aan de ernst van het feit –en
waar ik spreek over het feit doel ik daarmee op alles wat verdachte is
telastegelegd, nu dit één feitencomplex vormt, waarin uiteraard de moord
centraal staat- , de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van
verdachte.
Ofwel: hoe verwijtbaar is het handelen van verdachte, zowel in objectieve als in
subjectieve zin.
Straftoemeting
De strafoplegging dient in overeenstemming te zijn met de ernst van het feit, de
omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
In het kader van de straftoemeting moet aan de hand van objectieve en
subjectieve verwijtbaarheid een passende straf worden vastgesteld. Passend bij
de daad en de dader, maar ook bij de in onze samenleving aanvaarde strafdoelen,
te weten vergelding, preventie en terugkeer in de samenleving.
De objectieve verwijtbaarheid wordt bepaald door de concrete factoren die het
beeld van het feitencomplex vormen. Derhalve factoren die rechtstreeks met het
feitencomplex samenhangen, zoals de omvang daarvan, de wijze van uitvoering, het
veroorzaakte leed, de toegebrachte schade, het genomen risico en de rol van de
dader.
De subjectieve verwijtbaarheid kan door tal van omstandigheden worden bepaald.
Allereerst natuurlijk door de persoonlijkheid van de dader, maar ook door diens
sociale achtergrond, de gevolgen van het gebeurde voor hemzelf, zijn motief,
zijn proceshouding. Kortom door omstandigheden die de persoon van de dader
betreffen.
In zijn uitvoerige requisitoir heeft de officier van justitie aan de hand van de
concrete gegevens van deze zaak zeer helder uiteengezet waarom hij tot de door
hem gevorderde straf komt. Met verwijzing naar diens requisitoir volg ik de
officier van justitie in zijn overwegingen en voeg daaraan enkele bespiegelingen
toe.
De objectieve verwijtbaarheid
Om de objectieve verwijtbaarheid te bepalen moeten we ons een beeld vormen van
het feit.
Dat is in dit geval niet moeilijk.
De schokkende beelden van de neergeschoten politicus in het mediapark te
Hilversum staan ons allen helder voor de geest. Wij hebben die beelden
letterlijk voor ogen.
Ook nu nog, ruim een jaar later, vertellen willekeurige mensen spontaan wat ze
aan het doen waren toen het bericht hen bereikte.
In alle denkbare bewoordingen proberen ze uitdrukking te geven aan het gevoel
van verbijstering en ontreddering dat hen overviel toen het gebeurde tot hen
doordrong.
Ik benadruk de verbijstering en ontreddering, want dat is wat iedereen hierbij
heeft ervaren.
Dat staat geheel los van wat men vond van het slachtoffer. Pim Fortuyn was een
omstreden figuur, hij was een fenomeen. Door velen geadoreerd en door velen
verguisd. Maar iedereen was verbijsterd en ontredderd. En dat is nog steeds zo.
Elke moord is voor de nabestaanden een verschrikking, ook deze moord.
Elke moord is voor de direkte getuigen traumatiserend, ook deze moord.
Elke moord veroorzaakt een schok in de rechtsorde. Deze moord heeft een
aardbeving veroorzaakt, waarvan de schokken niet alleen in ons land, maar ook
ver daarbuiten werden gevoeld.
Schokken die werden gevoeld door vriend èn vijand.
Een aardbeving met naschokken, die nog lang niet zijn uitgewerkt.
Een aardbeving die een breuklijn veroorzaakt, waardoor op onvoorspelbare
plaatsen opnieuw een aardbeving kan volgen. Waar vindt de volgende schok plaats?
Wanneer slaat het noodlot weer toe? Wanneer wordt weer iemand zo onaangenaam
getroffen door een publiekelijk verkondigde mening dat wordt overgaan tot
liquidatie?
De verdediging stelt dat de heftigheid van de reacties op deze moord het
rechtstreekse gevolg zou zijn van de reeds voor de moord bestaande onrust en
instabiliteit.
Dat is volstrekt speculatief. Men zou evengoed kunnen verwachten dat een
dergelijke moord in een fase van gezapige politiek nog veel explosiever zou
werken.
Afgezien daarvan mag de toen bestaande politieke onrust bekend worden
verondersteld bij verdachte en daarmee eveneens de te verwachten uitwerking van
zijn daad op onze samenleving.
De verdediging stelt ook dat een dergelijke moord op een andere lijsttrekker
niet zoveel agressieve reacties zou hebben losgemaakt.
Deze stelling gaat voorbij aan het feit dat agressie een van vele manieren is om
uiting te geven aan gevoelens van verbijstering en ontreddering. Dat die
gevoelens wellicht op een andere manier zouden zijn geuit, ware een andere
lijsttrekker vermoord, doet aan het bestaan van die gevoelens niets af.
De reacties van afschuw zijn universeel.
De onbevangenheid van politici, de openheid van onze samenleving, de vrijheid
van meningsuiting, ons gevoel van onaantastbaarheid in een vrij land, de
onschendbaarheid van de democratie, op al die verworvenheden is een aanslag
gepleegd.
Alle speculaties van de verdediging zijn overigens volstrekt irrelevant. Het
gaat hier om het uit de weg ruimen van déze lijsttrekker in de toen bestaande
politieke constellatie.
Bewust gebruik ik het woord uit de weg ruimen.
Een omstreden politicus is ijskoud uit de weg geruimd. Volgens een weldoordacht
plan, dat minutieus is uitgevoerd.
Voor een uitvoerige weergave van de feiten verwijs ik graag naar het requisitoir
van de officier van justitie op pagina 8 tot en met 12, voornamelijk gebaseerd
op de eigen verklaringen van verdachte dienaangaande.
Verdachte was –in diens eigen bewoordingen- van mening “dat Fortuyn gestopt
moest worden” en wel vanwege “de combinatie van de persoon, zijn ideeën, de
manier waarop hij die ideeën naar voren bracht en de macht die hij zou
krijgen”.
Met andere woorden: het fenomeen Pim Fortuyn moest worden uitgeschakeld.
Hij vond hem om op te schieten en heeft de daad bij het woord gevoegd.
IJskoud heeft verdachte, in toenemende mate geïrriteerd door het slachtoffer,
bestudeerd waar, wanneer en hoe hij dit fenomeen kon laten verdwijnen.
IJskoud heeft verdachte zijn plan beraamd.
IJskoud heeft verdachte het slachtoffer uit de weg geruimd.
IJskoud heeft verdachte de levensgrote kans voor lief genomen dat volstrekt
willekeurige personen in de direkte omgeving van het slachtoffer eveneens
dodelijk zouden worden getroffen.
IJskoud heeft verdachte een van hen letterlijk op een haar na gemist.
IJskoud heeft verdachte zich uit de voeten gemaakt en daarbij de hem
achtervolgende chauffeur van het slachtoffer met zijn vuurwapen bedreigd.
Een enkel punt uit het requisitoir van de officier van justitie wil ik hier nog
eens extra onder de aandacht brengen, en wel waar hij zeer terecht elementen
naar voren haalt, die het beeld van een liquidatie bevestigen.
Ik noem de verklaringen van getuigen, die de gezichtsuitdrukking van verdachte
koel, emotieloos, vastbesloten en resoluut noemen. Zo zegt een van hen:
“Ik zag op het gezicht van de man met het wapen een totale leegheid en gebrek
aan emoties.”
Ik noem ook een verklaring van verdachte zelf:
“Ik heb na elke keer vuren de terugslag van het wapen gevoeld. Het gevolg van
een terugslag was steeds dat ik het wapen weer moest richten. Dat heb ik tijdens
het schieten op Fortuyn ook steeds gedaan.”
Terecht wijst de officier van justitie op het beeld van een liquidatie, waar
verdachte een plastic tas om zijn pistool had gewikkeld teneinde de hulzen op te
vangen. Met als extra risico de veel grotere kans omstanders te raken door
moeilijker te kunnen richten. Hetgeen ook gebeurd is, zij het dat de kogel dwars
door een tas ging, die het betreffende slachtoffer voor zijn hoofd hield.
Terecht wijst de officier van justitie ook op de bivakmuts in verdachte’s
jaszak op een prachtige dag in mei, waarover verdachte tot op het laatst weigert
te verklaren. Pas ter zitting zegt verdachte die muts bij zich te hebben gehad
tegen de kou, hetgeen niet aannemelijk is. Terecht denkt men hierbij aan
nachtelijke voorverkenningen van het mediapark.
Ik noem deze elementen omdat daarmee duidelijk wordt dat verdachte zeer
calculerend te werk is gegaan.
Het uitzonderlijke van deze daad vergt een uitzonderlijke reactie.
Ik gebruik nadrukkelijk het woord vergen en niet het woord rechtvaardigen.
In het woord rechtvaardigen schuilt een verontschuldiging en die is niet aan de
orde.
Het uitzonderlijke van deze daad zit niet alleen in de ijskoude planning en
uitvoering.
Dat zien we helaas wel vaker. Ik laat even een scala van moorden in soorten en
gradaties de revue passeren.
Met name bij liquidaties in het criminele milieu viert de koelbloedigheid
hoogtij. In die kringen begeeft men zich echter doorgaans vrijwillig. In die
kringen opererend is men zich bewust van de goede en kwade kansen die dat milieu
biedt.
Bij eerwraak wordt weldoordacht en op het oog koelbloedig iemand vermoord, die
de eer van de familie heeft geschonden.
In beide genoemde categorieën hebben dader en slachtoffer iets met elkaar te
maken, hetgeen van invloed is op de strafmaat. Zodra de daad gevaar voor niets
vermoedende omstanders oplevert wordt de straf aanzienlijk zwaarder.
Bij roofmoord wordt het slachtoffer doorgaans echt “overvallen”. Tussen
dader en slachtoffer bestaat geen connectie. Voor zover in een dergelijke
situatie werkelijk sprake is van moord en niet van doodslag is de hoogste straf
niet ongebruikelijk.
Dan is er nog de grote categorie van moorden in de relationele en seksuele
sfeer. Meestal gaat het daarbij om min of meer ernstig gestoorde daders. Voor
zover dat niet zo is ligt aan dergelijke daden veelal een langdurige
geschiedenis van ellendige verhoudingen en achtergronden ten grondslag, die de
daad zo niet invoelbaar dan toch tot op zekere hoogte inzichtelijk maken.
De hier voorliggende moord daarentegen is van geheel andere aard en ook daarin
is deze daad uitzonderlijk.
Het slachtoffer heeft op geen enkele manier ook maar iets met de dader te maken.
Het slachtoffer is een pregnante politicus, die onomwonden taalgebruik niet
schuwt.
Integendeel, hij ontleent daaraan zijn kracht.
En zelfs zoveel kracht, dat zijn nog jonge politieke partij vlak voor de
verkiezingen van 15 mei 2002 een grote overwinning lijkt te gaan boeken.
De rechtbank ziet het handelen van verdachte als een inbreuk op het
verkiezingsproces van mei 2002. Die inbreuk wordt door de rechtbank onmiddellijk
gerelativeerd door de geruststellende toevoeging dat verdachte door zijn
handelen het verkiezingsproces niet onherstelbaar heeft beschadigd, nu de omvang
en de aard van de invloed daarvan in het kader van dit strafproces niet te
bepalen zijn.
Deze redenering van de rechtbank is onbegrijpelijk.
De omvang en de aard van de invloed van verdachte’s handelen hoeven niet te
worden bepaald, want dat het verkiezingsproces door deze daad volledig is
verstoord is evident. Een belangrijke politieke factor, zo niet de belangrijkste
is immers vlak voor de verkiezingen door verdachte uitgeschakeld!
Waar het om gaat is dit.
Onder het mom van bescherming van de democratische rechtsstaat heeft verdachte
het meest ondemocratische gedaan dat denkbaar is.
Hij heeft iemand wiens denkbeelden hem niet aanstonden, maar die deze
denkbeelden juist op democratische wijze probeerde te verwezenlijken door zijn
ideeën ter discussie te stellen en door zich verkiesbaar te stellen, in de
meest letterlijke zin monddood gemaakt.
Hij heeft de mogelijkheid tot ontwikkeling en bijstelling van denkbeelden
middels politiek debat doorkruist.
Hij heeft alle Nederlanders de kans ontnomen zelf hun eigen politieke keuze te
maken op basis van de politieke constellatie van dat moment.
Daarmee is ook de overweging van de rechtbank onbegrijpelijk, waarin zij stelt
rekening te houden met –ik citeer- “de gevoelens die bij een deel van de
bevolking leefden ten tijde van de moord op het slachtoffer en aan de ongekend
grote schok die de moord bij dat deel van de bevolking teweeg heeft gebracht”
-einde citaat.
De rechtbank doelt daarmee kennelijk op de politieke volgelingen van het
slachtoffer.
Met deze overweging wordt de suggestie gewekt dat het overige deel van de
bevolking min of meer onverstoorbaar zou zijn voortgegaan. Dat is duidelijk niet
het geval. Wie dat wel zou hebben gedaan kan grote kortzichtigheid worden
verweten. Het hele politieke krachtenveld is immers door het ingrijpen van
verdachte omver gehaald.
Niet alleen het verkiezingsproces van mei 2002 is door deze daad verstoord. Ook
het democratisch proces in de ruimste zin van het woord is door deze daad zwaar
beschadigd.
Verdachte heeft met zijn daad de vrijheid van ieder mens aangetast om in dit
land publiekelijk te zeggen wat hij vindt.
En wie zegt dat een volgende discutabele politieke stroming niet hetzelfde lot
is beschoren?
Ook daarvan zou iemand kunnen denken dat deze maar beter in de kiem kan worden
gesmoord!
Hier is veel meer aan de orde dan de verstoring van een verkiezingsproces, zoals
de rechtbank tot op zekere hoogte wil aannemen.
Hier is ook meer aan de orde dan de frustratie van het democratisch proces,
zoals de officier van justitie stelt.
Hier is de vrijheid van iedere burger in het geding zich publiekelijk sterk te
maken voor een standpunt.
Die vrijheid, zonder welke geen democratie kan bestaan en die derhalve de kern
van elke democratie vormt en in elke democratie als hoogste goed wordt
beschouwd, heeft deze verdachte op de grofst denkbare wijze aangetast.
Door zijn optreden heeft hij het gevoel van openheid en veiligheid in onze
samenleving geschonden.
Hij heeft verbijstering en ontreddering teweeg gebracht, maar ook angst bij
mensen in publieke functies. De onbevangenheid is in het gedrang gekomen.
In dit verband past een verwijzing naar artikel 121 Sr., waarin met dezelfde
straf als moord wordt bedreigd, onder meer het door geweld een kamerlid uit de
vergadering verwijderen, dan wel het bijwonen van die vergadering of daarin vrij
en onbelemmerd zijn plicht vervullen verhinderen.
Formeel is deze strafbepaling uiteraard niet toepasbaar; Fortuyn was immers nog
net geen kamerlid. Materieel daarentegen heeft verdachte met zijn handelen
hetzelfde resultaat bereikt. En wel in de meest letterlijke en definitieve zin
door Fortuyn te verwijderen, niet alleen uit het politieke circuit, maar ook uit
het leven.
De wetgever heeft met deze strafbepaling duidelijk gemaakt, dat een heel veel
minder vergaande inbreuk op het democratische proces al een levenslange
gevangenisstraf kan rechtvaardigen.
Dit is geen gewone moord. Deze moord op een politicus is óók een moord op het
onvervreemdbare recht op vrijheid van meningsuiting.
Alleen de hoogste straf kan duidelijk maken, niet alleen jegens verdachte, maar
jegens iedereen, hoe zwaar onze democratie daaraan tilt.
Conclusie met betrekking tot de objectieve verwijtbaarheid:
De objectieve verwijtbaarheid is maximaal en vergt derhalve een maximale
strafduur.
De subjectieve verwijtbaarheid
Om de subjectieve verwijtbaarheid te bepalen moeten we alle omstandigheden in
aanmerking nemen, die de persoon van de verdachte betreffen.
De gedragsdeskundige rapportage
Allereerst is daarbij uiteraard diens persoonlijkheid relevant.
Uitvoerig gedragsdeskundig onderzoek in het PBC leidt tot de conclusie dat
verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.
Gelet op het exorbitante karakter van deze daad had men zich een andere
conclusie kunnen voorstellen. Velen hadden verwacht te vernemen dat deze daad
was ontsproten aan het brein van een gevaarlijke gek.
In zekere zin zou dat als geruststellend zijn ervaren. Met gestoorde medemensen
moeten we nu eenmaal leven; daar zijn we min of meer aan gewend.
Als zij gevaarlijke dingen doen worden ze behandeld, zonodig in een gedwongen
kader.
Het feit, in dit geval een dode politicus, blijft even erg, maar de daad wordt
op slag als minder ernstig ervaren. De vergeldingsdrang is beperkt. De dader
moet voornamelijk geholpen worden en via een gedwongen behandeling achter slot
en grendel tevens uit onze gemeenschap verbannen.
Zelfs een beetje gestoord zou al voldoende zijn voor deze oplossing, zij het in
combinatie met enkele jaren gevangenisstraf.
Maar het rapport van het PBC biedt deze mogelijkheid om met de daad en de dader
in het reine te komen niet. Integendeel.
De bij verdachte geconstateerde obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis
is volgens het PBC niet van aanwijsbare invloed geweest ten tijde van de moord.
Voor zover het slachtoffer zich door verdachte verontrust voelde is die vrees
niet als pathologisch motief aan te merken.
Verdachte heeft zonder aanwijsbaar ziekelijke beperking geprobeerd het
slachtoffer gewapend te benaderen met de bedoeling hem te doden.
Toen het moment daar was heeft hij zonder aanwijsbare pathologische beïnvloeding
het slachtoffer beschoten.
Ook bij het verdere verloop, inclusief de bedreiging van zijn achtervolger, is
geen invloed van een stoornis aanwijsbaar.
Aldus het PBC.
De conclusie van het PBC geeft aldus geen enkele aanleiding tot enige
strafvermindering.
Evenmin zijn er bij uitvoerig lichamelijk onderzoek afwijkingen geconstateerd,
die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het gedrag van verdachte.
De strafrechtelijke afhandeling van deze daad zal derhalve moeten plaatsvinden
uitsluitend in de vorm van een gevangenisstraf. Verdachte heeft immers volledig
willens en wetens gehandeld, ongehinderd door enige gestoordheid.
Over de hoogte van die straf zal het debat moeten gaan.
Maar wellicht biedt de inhoud van de gedragsdeskundige rapportage, afgezien van
de conclusie, toch argumenten om de verwijtbaarheid niet optimaal te achten.
Het milieuonderzoek
In het milieuonderzoek (pag. 5 e.v.) wordt een beeld geschetst van verdachte’s
achtergrond.
Hij groeit op met zijn enkele jaren oudere broer, met wie hij een goede band
heeft, in een degelijk gezin met kerkelijke achtergrond. Vader is leraar, moeder
is onderwijzeres. Verdachte vind haar overbezorgd. Vader is zeer scrupuleus en
veeleisend; hij overlijdt aan kanker als verdachte 19 jaar is.
Verdachte gaat milieuhygiëne studeren in Wageningen, maar maakt die studie niet
af.
Kort nadat hij met zijn studie is gestopt en door een vriendin is verlaten doet
hij eind 1990 een suïcidepoging.
In Wageningen gaat hij vegetarisch en later veganistisch leven vanuit de
ideologie dat er geen ongeoorloofd verschil gemaakt mag worden tussen menselijke
dieren en niet menselijke dieren.
Van meet af aan is verdachte samen met zijn vriend Sjoerd, die biologie
studeert, actief in allerlei verbanden die te maken hebben met milieu en
dierenwelzijn, zoals Milieudefensie, Stichting Lekker Dier en de plaatselijke
politieke partij De Koevoet.
Begin 1992 richt hij samen met Sjoerd de Vereniging Milieu Offensief op, hierna
de VMO te noemen. Voor deze vereniging, die de belangen van mens en dier en
milieu in de ruimste zin des woords behartigt, werkt hij als vrijwilliger met
behoud van uitkering. Later wordt zijn werk aangemerkt als Melkertbaan.
Hij werkt keihard en voert succesvol procedures op het terrein van
milieuvergunningen.
Vanaf zomer 1994 combineert hij zijn werk met een avondstudie milieukunde aan
het IJsselland-College te Deventer. De studieresultaten zijn goed, maar tot de
afrondende eindscriptie komt het niet.
Hij raakt in toenemende mate gefixeerd op zijn werk en dreigt overspannen te
worden door zijn perfectionisme.
In de zomer 2001 gaat hij samenwonen in Harderwijk met zijn huidige partner
Petra, die hij kent via de Stichting Lekker Dier. In december 2001 wordt dochter
Sabien geboren.
Verdachte bouwt zijn werk wat af om een deel van de verzorging op zich te kunnen
nemen.
Opvallend is de waarneming van mensen uit zijn naaste omgeving in maart/april
2002, dat verdachte toen heel ontspannen en losjes was en er opeens weer heel
zelfverzekerd uitzag.
Conclusie naar aanleiding van het milieuonderzoek:
Zoals bij vrijwel iedereen zijn er wel enkele aspecten in de achtergrond van
verdachte, die een optimaal harmonieuze ontwikkeling in de weg kunnen hebben
gestaan. Echter het totaalbeeld wijkt niet essentieel af van de achtergrond van
een doorsnee Hollandse jongen.
In verdachte’s achtergrond kan dan ook geen reden worden gevonden voor een
vermindering van de verwijtbaarheid.
Het psychologisch onderzoek
In het verslag van het psychologisch onderzoek (pag. 37 e.v.) valt het volgende
op.
Verdachte mag graag provoceren, met name om mensen aan het denken te zetten en
een reactie te ontlokken, om ze uit te testen.
Er is sprake van een zekere afgunst op mensen die meer onbevangen kunnen
genieten, die het leven minder zwaar nemen.
Zijn suïcidepoging wijt hij aan een gebrek aan zelfvertrouwen destijds na het
afbreken van zijn studie, waardoor het afgewezen worden door een vriendin hem
sterk raakte.
Vrij snel is hij uit die depressie geraakt door in te zien dat hij zijn
zelfvertrouwen niet aan zijn vaardigheden moet ontlenen, maar aan integriteit en
morele principes.
Hij is gedreven door zijn werk voor de VMO, waarin hij zeer succesvol is.
Verdachte is rigide en ongevoelig voor kritische of relativerende opmerkingen.
Het slachtoffer is voor hem iemand die een aantal eigenschappen in zich
verenigt, die hij moreel verwerpelijk vindt, zoals haantjesgedrag.
Daar staat tegenover dat hij wel ontzag heeft voor de verbale kracht van het
slachtoffer, juist ook omdat hij die kracht zelf mist.
Verdachte erkent dat hij naast de politieke overwegingen ook meer persoonlijk
een afkeer had van het slachtoffer vanwege diens ijdelheid en machtswellust.
Hij ontkent dat het idee om het slachtoffer te doden obsessieve vormen aannam.
Integendeel, hij was er niet zoveel mee bezig. Hij was vooral bezig met zijn
werk en met zijn gezin. Hij wilde er geen project van maken. Aan zijn voornemen
om dodelijk geweld te gebruiken ging geen morele worsteling vooraf.
Verdachte acht geweld legitiem als daarmee meer leed voorkomen wordt dan wordt
aangericht. Hij vindt het raar dat in een oorlog alles geoorloofd is en
daarbuiten allerlei waarden en normen gelden.
Hij denkt niet dat hij gewetenswroeging zou hebben gekregen en zich alsnog zou
hebben aangegeven als hij ontkomen was.
Wel spijt het hem dat hij vast zit voor Sabien en Petra.
Verdachte is hoogbegaafd en zijn intellectuele capaciteiten zijn harmonieus
verdeeld over het gehele intellectuele spectrum.
Zijn veganistische eetpatroon heeft geen invloed op zijn vermogen om informatie
uit de buitenwereld te registreren, te verwerken en te reproduceren.
Sociaal gezien is verdachte niet defectueus. Wel is hij rigide en geremd.
Daardoor is er sprake van een zekere sociale onbeholpenheid en een beperkt
vermogen zich af te stemmen op de ander.
Door zijn introverte temperament kan hij niet erg gemakkelijk en natuurlijk met
andere mensen omgaan.
Hij is ambitieus, maar mist door zijn rigiditeit, eigenzinnigheid en koppigheid
het vermogen om anderen te engageren of met hen samen te werken.
Verdachte is bedachtzaam, star, analytisch, pragmatisch, kritisch, rationeel,
perfectionistisch en compromisloos.
Hij is weinig intuïtief, gepassioneerd, impulsief, spontaan, verdraagzaam en
tolerant.
Er is een zekere afgunst op spontaniteit en natuurlijkheid bij anderen.
Zonder strijd zakt hij in, raakt hij gedeprimeerd.
Het slachtoffer is voor hem het symbool voor alles waarvan hij een afkeer heeft,
zoals opportunisme en ijdelheid, maar ook van alles wat hij zelf mist en waarop
hij bewust dan wel onbewust afgunstig is, zoals verbale kracht en het vermogen
anderen te enthousiasmeren.
Conclusie naar aanleiding van het psychologisch onderzoek:
Zoals iedereen heeft verdachte een aantal positieve en een aantal negatieve
eigenschappen. Geen daarvan, noch op zichzelf, noch in onderling verband
beschouwd, staat een normaal functioneren in de weg.
Er zijn dan ook geen psychologische argumenten voor een vermindering van de
verwijtbaarheid.
Het psychiatrisch onderzoek
Uit het verslag van het psychiatrisch onderzoek (pag.60 e.v.) komt het volgende
naar voren.
Het trotse persoonlijke verzet vormt de rode draad, die vanaf de puberteit door
verdachte’s levensgeschiedenis loopt. Hij is emotioneel geremd, behalve in
zijn strijdlust.
Hij schakelt lichamelijk en verbaal geweld gelijk.
Verdachte ziet de moord als een actie met een hoog doel dat alle middelen
heiligde.
Door de combinatie van werk en huiselijke verplichtingen voelde hij zich erg
belast. Wellicht was er sprake van een dreigende overspannenheid.
Er zijn geen aanwijzingen voor beperkingen in de frustratietolerantie of in de
impulscontrole.
Het geweten is star, maar vertoont geen defecten.
Hij is vanwege zijn narcistisch afhankelijke kant erg gesteld op bevestiging,
maar wordt daarbij gehinderd door zijn starre, gefixeerde en verbeten
gedrevenheid.
Verdachte wilde niet te veel nadenken over zijn plan en trachtte de volle omvang
van zijn voornemen niet te zien door telkens de mogelijkheid open te houden het
om de een of andere reden niet uit te voeren.
Zo zegt hij: “Er was nog steeds de mogelijkheid dat het niet zou gebeuren.
Daarom ging ik er redelijk onbevangen naartoe.” En verder: “Ik zette mijn
blik op oneindig en mijn verstand op nul.” En ook: “Ik vond het in zekere
zin een bevrijding toen ik opgepakt was. De last van het dagelijks leven was
eraf. Ik begon weer met een blanco lei. Je wereldje was weer overzichtelijk.”
De enige stoornis die bij verdachte wordt geconstateerd is een niet
pathologische, obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis.
Deze stoornis komt tot uiting in perfectionisme dat de uitvoering van taken
bemoeilijkt, in overmatige toewijding aan het werk, in overdreven
gewetensvolheid en in starheid en koppigheid.
Deze stoornis komt niet tot uiting op het gebied van de beheersing van
agressieve gevoelens.
Zijn persoonlijkheid vertoont voorts narcistisch afhankelijke trekken.
Hij bijt zich vast in zijn levenswerk, de gezamenlijke strijd voor de zwakkeren,
en voelt op die manier zijn in de kern zwakke zelfvertrouwen en geringe gevoel
van eigenwaarde groeien.
Hij is aldus afhankelijk van strijd.
Verdachte heeft zich, terwijl hij zelf het gevoel had zijn greep op zijn werk en
de strijd voor het zwakkere te verliezen, in zijn gedachten op maatschappelijke
schaal opgeworpen als de strijder voor die zwakkeren.
Conclusie naar aanleiding van het psychiatrisch onderzoek:
Met vele anderen is verdachte dwangmatig en lichtelijk narcistisch.
Die dwangmatigheid vormt een belemmering voor een ontspannen functioneren, maar
heeft evenmin als zijn narcisme zijn handelen bepaald.
Er zijn derhalve geen psychiatrische factoren die aan de verwijtbaarheid kunnen
afdoen.
Samenvattende conclusie naar aanleiding van de gedragsdeskundige rapportage:
Aan de gedragsdeskundige rapportage kan geen enkel argument worden ontleend dat
zou kunnen leiden tot verminderde verwijtbaarheid.
Integendeel. Daarin kan men slechts een bevestiging zien van de volledige
verwijtbaarheid, ook in subjectieve zin, van verdachte’s handelen.
Het motief
Natuurlijk is voor de beoordeling van de subjectieve verwijtbaarheid ook het
motief van verdachte relevant. Zo belanden wij dan toch bij het uiteindelijk
meest boeiende aspect van deze zaak.
Een daad, hoe verwerpelijk ook, kan in een ander daglicht komen te staan wanneer
die wordt gepleegd vanuit een objectief gezien zeer nobel, dan wel bijzonder
invoelbaar motief.
Dat nobele motief wordt hier zeker gesuggereerd.
Verdachte zou zijn gedreven door zijn compassie met kwetsbare groepen in de
samenleving, voor wie hij in het slachtoffer een gevaar zag.
De rechtbank is bij de beoordeling van de strafmaat van dit motief uitgegaan.
Ten onrechte, zoals hierna zal blijken.
Maar ook indien men wel zou willen uitgaan van dit motief, zou dat nimmer tot
een verminderde verwijtbaarheid mogen leiden.
Eliminatie middels executie staat immers in geen enkele verhouding tot de door
verdachte gesuggereerde vrees.
Daarbij komt dat verdachte een zeer intelligente, fysiek en psychisch gezonde
man is, die net als ieder ander zinnig mens naar gangbare wegen had kunnen en
moeten zoeken om de hem onwelgevallige politiek te beïnvloeden. Dit klemt
temeer waar verdachte ervaren was in actie voeren en procederen. De
alternatieven voor het door hem gekozen ultimum remedium lagen binnen
handbereik.
Echter het door hem voorgewende motief is volstrekt ongeloofwaardig.
In de door de verdediging in het geding gebrachte gespreksaantekeningen van het
eerste gesprek tussen verdachte en advocaat op 6 mei 2002 staat het volgende:
“Motief?-Politiek-minister Zalm vindt het een gevaarlijk man. Dat vind ik ook.
Hij kriminaliseerde bepaalde groepen mensen, omdat hij weet dat hij daarmee
“scoort”. Hij drijft op onvrede die er heerst maar probeert m.i. niet echte
oplossingen aan te dragen. Wat dat betreft is er een parallel met de jaren 30
uit de vorige eeuw. Met hem maakt de politiek een ruk naar rechts; zodat m.i.
een sociale samenleving, waar we nu al ver vanaf staan, nog verder uit zicht
komt.”
Dit is het enige moment waarop men verdachte op een politiek getinte uitspraak
in bredere zin kan betrappen. Zijn direkte noch zijn indirekte omgeving heeft
ooit iets in deze
Vanaf hier verwijderenb!!!!!!!!!!!!
nderzoek gedaan naar Volkerts financiële huishouding, teruggaand tot 1991. Zijn privé correspondentie van de afgelopen jaren, tot aan die in het Huis van Bewaring toe, is in beslag genomen en onderzocht. Er is aan omringende landen rechtshulp gevraagd bij het onderzoek naar de herkomst en de historische route van het pistool, en naar de eigenaar van DNA-materiaal dat op de patroonhouder was aangetroffen. Er is onderzoek verricht naar enkele personen die als verdachte konden worden aangemerkt: Volkerts vriendin (i.v.m. de aangetroffen chemicaliën) en twee mannen van wie achtereenvolgens kon worden vermoed dat zij betrokken waren geweest bij de levering van het pistool. Hun zaken zijn geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Er is verregaand onderzoek verricht naar de identiteit van de NN-persoon wiens DNA op de patroonhouder was gevonden. Naar aanleiding een TV-programma van Peter R. de Vries, waarin hij aangaf te beschikken over stapels relevante e-mails, is hem expliciet gevraagd alles wat voor het onderzoek van belang zou kúnnen zijn, aan het onderzoeksteam af te staan. Dit heeft overigens tot niets geleid. Hetzelfde kan worden gezegd van berichten als zou programmamaker Harry Mens over vele belangwekkende e-mails beschikken. Tenslotte, het onderzoeksteam heeft een enkele maal ad hoc onderzoek verricht naar aanleiding van meldingen van de Commissie-Van den Haak, die beschikte over berichten van bedreigingen aan het adres van Fortuyn. Ook is af en toe ad hoc gereageerd op geruchten in de media over de verdachte en over mogelijke verbanden.
Wat kan uit al het verrichte
onderzoek worden geconcludeerd? Veel onderzoek was gericht op de vraag of iets
aangetoond kon worden (in de sfeer van verbanden, theorieën of motieven). Ik
moet opmerken dat, als iets met de strafrechtelijke middelen die ik heb ingezet
níet kon worden aangetoond, dat nog niet zonder meer betekent dat het ook niet
kán bestaan. Maar ik kan wel stellen dat de kans daarop bijzonder klein is. Wie
met enige nuchterheid het totaal aan onderzoeksresultaten bekijkt, moet tot die
conclusie komen.
Uit de onderzoeken die verricht zijn kan het volgende worden vastgesteld:
In geen enkele verklaring, in geen enkel document, is enige steun te vinden voor de gedachte dat Volkert en het slachtoffer elkaar persoonlijk hebben gekend, en dat het motief voor de moord in de privé-sfeer kan hebben gelegen.
Er is geen enkele aanleiding om te vermoeden dat Volkert door wie dan ook voor de moord zou worden of zijn betaald. Nergens zijn aanwijzingen gevonden voor aanzienlijke inkomsten, verschuivingen of bestedingen.
Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat verdachte schietlessen heeft gevolgd. Naar mijn overtuiging was het voor de wijze van neerschieten van Fortuyn niet nodig om geoefend schutter te zijn. Maar gezien verdachtes belangstelling voor vuurwapens was de gedachte aan schietinstructie wel redelijk. Maar de verklaringen van twee schietinstructeurs die zeggen 'rond 1995' respectievelijk 'eind 1998' instructie aan Volkert te hebben gegeven zijn onvoldoende betrouwbaar om instructie aan te nemen: de één zegt verdachte eind 1998 'maar enkele minuten' te hebben gezien zonder hem gesproken te hebben, de ander zou hem zo'n 8 à 9 jaar geleden gedurende maximaal 3 kwartier hebben gezien. Beiden zijn niet overtuigend in hun herkenning zo vele jaren later.
De reden voor de aanschaf van het vuurwapen in 1996/1997 kan niet anders worden gezien, dan om zichzelf veiliger te voelen in zijn werk. Niemand anders dan een kennis die had bemiddeld wist ervan.
Er is niets gevonden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat achter Volkert iemand anders schuil gaat, die belang had bij de moord op Fortuyn en die Van der G. daarvoor heeft gebruikt. Eén opmerking over Al Qaeda was op niets gebaseerd, en dat Volkert tot een zeer gevaarlijk groepje behoorde was een zichzelf opblazend bericht uit kringen van landbouwers op de Veluwe, die veel last hadden van Volkerts Vereniging Milieu Offensief.
Evenmin is gebleken dat Van der G. bij de vorming van zijn voornemen, bij de voorbereidingen en/of bij de uitvoering van de aanslag heeft samengewerkt met wie dan ook. Zo zijn alleen uit zíjn pistool kogeldelen gevonden. In Bennekom bij het boodschappen doen, en vooraf bij de studio in Hilversum zijn geen personen gesignaleerd, althans, niemand verklaart daarover. Niemand heeft hem bij zijn vlucht hulp geboden. Afgaand op de bevindingen van de technische recher-che die zijn auto heeft doorzocht, is hij zeer vermoedelijk de enige inzittende geweest van de Toyota waarmee hij was gekomen. De plattegrond en nadere informatie over het interview van Fortuyn op 6 mei zijn opgevraagd op zijn eigen computer. De munitie voor het wapen was op de zolder van zijn eigen woonadres voorhanden.
Tenslotte kan worden vastgesteld dat de berichten over zogenaamd belangrijke e-mails die bij media in het land zouden zijn binnengekomen, zwaar overtrokken waren. Ze hebben voor het onderzoek niets van enig belang opgeleverd. Wellicht waren deze berichten vooral bedoeld geweest om aandacht te trekken in de hectische tijd na 6 mei 2002. Hooguit ging het om berichten van verontruste burgers die er het hunne van dachten of achter meenden te kunnen zien, en die hun vertrouwen stelden in TV-programmamakers.
argumenten voor en tegen enige twijfel
De enige vraag die na ¾ jaar
onderzoek nog kan blijven hangen is: maar was er dan helemaal níemand op de
hoogte van wat Volkert in zijn eentje wilde gaan doen? Het laat zich immers
moeilijk denken dat hij alles volledig in zichzelf heeft uitgedacht en
voorbereid, zonder zijn vriendin of een ander in zijn naaste omgeving hierover
ook maar iets te vertellen.
Ik stel overigens voorop dat het toch bepaald niet ondenkbaar is dat iemand
geheel op zichzelf een moord van dit kaliber beraamt, zonder dit voornemen zelfs
met zijn partner te delen. In de beruchte strafzaak tegen Ferdi E., ontvoerder
en moordenaar van Gerrit Jan Heijn, bleek de dader zijn plan ook helemaal in
zijn eentje te hebben uitgebroed, en voor zijn meest naaste omgeving lange tijd,
ook ná de ontvoering en de moord, verborgen te hebben kunnen houden. Sommige
mensen kunnen dat kennelijk. Maar misschien mag ik wel zeggen: het is niet
normaal.
Bij het onderzoek naar de vraag of iemand op z'n minst op de hoogte was van de gedachte van Volkert om Fortuyn om het leven te gaan brengen, komen we op een terrein waar het strafrecht verder weinig tot niets kan, en waar hooguit de moraal en het geweten gelden. Stel dat iemand geweten heeft dat Volkert met gedachten over moord rondliep. En stel dat die persoon met die kennis verder helemaal niets heeft gedaan, dan is dat moreel verwerpelijk. Dan heeft die persoon een gewetensprobleem. Maar hij of zij is dan niet (zonder meer) strafbaar.
Het strafrechtelijk onderzoek is
er wel mede op gericht geweest om hier zicht op te krijgen. Maar de eerlijkheid
gebiedt te zeggen dat in geen enkel afgeluisterd telefoongesprek, in geen enkele
brief tijdens detentie, en in geen enkele verklaring van wie dan ook, steun
gevonden kan worden voor de - op zichzelf voor de hand liggende - gedachte dat
Volkert op zijn minst aan iemand verteld moet hebben wat hij van plan was te
gaan doen.
In de briefwisseling tussen Volkert en zijn vriendin zijn aanwijzingen te lezen
dat zij niet van zijn plan en beweegreden op de hoogte is geweest, en het waarom
niet kan bevatten.
De enige redenen die er wellicht zijn om te veronderstellen dat Volkert zijn plan tòch met iemand anders kan hebben gedeeld, zijn de volgende:
Al in het begin van de briefwisseling en ook uit de telefoongesprekken blijkt dat verdachte en zijn vriendin zich heel goed bewust waren dat anderen meelazen en meeluisterden. Volkerts moeder heeft verklaard dat ze allemaal in het begin bij de advocaat van Volkert op kantoor zijn geweest, en zijn geïnstrueerd dat de telefoons konden worden afgeluisterd, en dat zij tijdens bezoek niet over de zaak moesten spreken (GET/109). Het weinige dat Volkert en zijn vriendin schrijven en zeggen over de inhoud van de zaak hoeft dus bepaald niet de waarheid te zijn. Of zoals Volkert zelf schreef in zijn brief van 21 juli 2002: "… mocht ik ooit nog eens een verklaring afgeven aan de rechterlijke macht of in de media dan hoeft dat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn. Voor de buitenwereld is de waarheid niet belangrijk - het hoeft slechts funktioneel te zijn."
Uit de verklaringen van de verdachte bij de rechter-commissaris en de politie blijkt dat hij op geen enkele manier anderen bij de zaak wil betrekken; consequent heeft hij de leveranciers van het wapen en van de munitie (r-c blz.13 en 26), degenen die portofoons hebben geleend (VERD/69), degene van wie hij tekeningen van pelsdierfokkerijen had gekregen (VERD/62), en zijn eigen vriendin buiten de zaak willen laten.
Verdachte heeft een half jaar gezwegen, tegen een groeiende berg bewijsmiddelen op. Ondanks dat hij uit overtuiging had gehandeld, en een 'statement' kort na zijn aanhouding in de lijn der verwachtingen had gelegen, wilde hij eerst precies weten wat er allemaal aan onderzoeksmateriaal lag. Zo kon hij eerst zien of alleen tegen hèm aanwijzingen en verdenkingen bestonden, en kon hij later dienovereenkomstig verklaringen afleggen.
Het zijn signalen dat de verdachte voortdurend berekenend is, en mogelijk nog iets te verbergen heeft. Ik wil niet speculeren over de vraag wie hij mogelijk uit de wind wil houden; verdachtmakingen naar anderen behoren niet op deze plaats te worden gedaan, en voor déze strafzaak is het niet van belang.
Ik kom later op dit punt terug bij de vraag of Volkert over zijn voorbereidingen helemaal naar waarheid heeft verklaard. Voorlopig moet ik erbij blijven dat bewijs ontbreekt voor strafbare betrokkenheid van wie dan ook, en dat er ook geen duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand van zijn plan heeft geweten. Resterende vragen op dit laatste punt kunnen slechts beantwoord worden vanuit het hoofd van de verdachte zelf.
B. De relevante gebeurtenissen vóór en op 6 mei 2002
De feiten zijn uitvoerig door uw rechtbank doorgenomen. Ik wil er een aantal opmerkelijke aspecten uitlichten.
de aanschaf van een pistool en munitie
Waar ligt het begin? Ik ga terug
naar het moment waarop Volkert het pistool kocht. Eind jaren '90, zegt hij
aanvankelijk (r-c blz.13). Later preciseert hij het tot eind 1996, begin 1997 (r-c
blz.15 en VERD/37), nadat hij is geconfronteerd met de verklaring van een
toenmalige kennis Ferdinand G. Volgens deze kennis gaf Volkert aan dat hij
bedreigd werd door boeren, en daarom een pistool wilde hebben voor zijn eigen
bescherming.
Volkert was al jaren geïnteresseerd in vuurwapens, gezien de krantenknipsels
uit begin jaren '90 in zijn koffer op zolder (r-c blz.15). Bij de politie zegt
Volkert ook dat hij eerder wel eens had nagedacht over het aanschaffen van een
vuurwapen, want bedreigingen waren er al vanaf het begin dat de VMO bestond (VERD/37).
Hij had door het lezen van knipsels ook wel enig verstand van vuurwapens (VERD/38).
De zojuist bedoelde kennis heeft Volkert in contact gebracht met een Turks café
in Ede, waar Volkert een pistool kocht voor Hfl. 2.000,= (verklaring G., bijlage
bij brief aan rechtbank van 14 maart 2003). Volgens verdachtes eigen verklaring
kostte het wapen hem Hfl. 3.000,=. Op het bedrag na stemmen de verklaring van
deze kennis en die van Volkert vrij nauw overeen.
Hij had een nieuw wapen willen hebben; hij was wel zo slim om te beseffen dat
een gebruikt wapen sporen kon hebben nagelaten bij een eerder misdrijf (VERD/38).
Hij liet zich echter toch een tweedehands wapen verkopen.
Later kocht Volkert passende munitie bij een onbekende in Den Haag, aldus nog
steeds deze kennis. Bij de rechter-commissaris verklaarde Volkert aanvankelijk
nog, in strijd met de waarheid, dat hij de 2 doosjes munitie mèt het wapen in
het café had gekocht (r-c blz.13). Toen ik hem later confronteerde met de
verklaring van G. erkende hij dat hij de 2 volle doosjes munitie apart had
gekocht in Den Haag (r-c blz.26). Het is opmerkelijk dat Van der G. in zijn
verklaringen af en toe níet open was en naar waarheid sprak; ik kom daar op
terug.
Naar eigen zeggen heeft hij eind jaren '90 eenmaal met het wapen geschoten,
ergens in de omgeving van Wageningen. Gewoon, om het te proberen (r-c blz.13).
Later heeft hij verder uitgevonden hoe het wapen werkte, en heeft hij het wapen
ook wel doorgeladen.
Er is geen aanwijzing dat Volkert
het wapen destijds heeft aangeschaft om er iemand mee te doden. Al is het
natuurlijk ernstig genoeg dat hij het al die jaren voorhanden had, en er
kennelijk aan dacht toen hij het plan opvatte om Fortuyn te vermoorden.
Hij heeft het wapen met de munitie thuis bewaard in een koffer. Op foto's is
duidelijk te zien dat de koffer handmatig is voorzien van twee oogschroeven en
een hangslot (AH/399); kennelijk was de inhoud van die koffer niet voor andere
ogen bedoeld.
het ontstaan van het idee; zoeken op internet
Dit begon voor Volkert met de gedachte 'dat Fortuyn gestopt moest worden' (r-c blz.4). Hij haatte hem niet, maar vond hem een gevaar voor de democratische rechtsstaat (blz.4 en 6). Hij heeft Fortuyn in alle media gevolgd en het totaalbeeld bracht hem op de gedachte Fortuyn om te brengen (blz.5). Tot dit totaalbeeld behoren 'de combinatie van de persoon, zijn ideeën, de manier waarop hij de ideeën naar voren bracht en de macht die hij zou krijgen' (blz.8).
De start van Volkerts
voorbereidingen ligt op het internet. Op 9 verschillende dagen, gedurende zo'n
13 uur in totaal, heeft hij gesurft en gezocht naar trefwoorden rond de naam, de
woonplaats en het dagprogramma van het slachtoffer (AH/357).
Vastgesteld is dat op de computer bij Volkert thuis op 22 maart 2002 voor het
eerst is gezocht op de naam van het slachtoffer, en wel op de site 'pim-fortuyn.nl'.
Op 24 maart is vermoedelijk gezocht op een adres van Fortuyn in Rotterdam, met
zoekvragen als 'burgerplein + rotterdam + fortuyn'.
Daarna is op 21 april 2002 verder gezocht op trefwoorden als 'fortuyn + agenda'
en 'fortuyn + profiel + prive'. Op 28, 29 en 30 april is wederom gezocht, o.a.
naar 'ontbijt + tv', kennelijk om het programma van optredens van Fortuyn te
vinden. Op die 30e april heeft hij een print gemaakt van de mededeling dat
Fortuyn op 8 mei 2002 te gast zou zijn in KRO's Ontbijt-TV. Op 4 mei heeft
verdachte nog gezocht op de website 'omroep.nl'.
Verdachte was in het bezit van een GSM. Deze werd na de moord uitgeschakeld aangetroffen in de kofferbak van zijn auto (relaas-pv blz.27). Uit onderzoek is gebleken dat deze GSM op 3 mei 2002 voor het laatst contact heeft gemaakt (relaas-pv blz.35).
Op zondag 5 mei 2002 heeft verdachte 's avonds vanaf 19.59 uur zo'n twee uur lang (!) op diverse websites gespeurd op trefwoorden als 'fortuyn + 6mei', en '3fm + studio + sumatralaan' (AH/355-357). Om 21.11 uur heeft hij gezocht naar een plattegrond van het Mediapark. Om 21.50 uur heeft hij meer gedetailleerd gezocht naar beelden van het 3FM-gebouw (AH/33).
waarom het Mediapark?
Puur toeval, aldus verdachte zelf;
"Ik had geen speciale reden om de aanslag op het Mediapark te plegen. Het
ging mij uitsluitend om de gelegenheid om te doen wat ik wilde doen" (r-c
blz.11). "De plek en tijd voor deze aanslag waren voor mij niet zo
relevant. Ik heb op de computer naar een gelegenheid voor de aanslag gezocht.
Toen kwamen verschillende mogelijkheden naar boven" (r-c blz.12). Dat
Volkert ook plattegronden van de woonomgeving van twee andere LPF-ers bij zich
had, mag volgens hem niet worden uitgelegd als bedreigend jegens hen. Net als de
plattegrond van het Kurhaus had het volgens hem alleen maar betrekking op
mogelijke plaatsen waar Fortuyn zou komen of zelfs overnachten (r-c blz.11).
Volkert zocht naar een plaats waarvan hij zeker wist dat hij Fortuyn daar zou
treffen. Het was geen optie om Fortuyn op te wachten bij zijn woning in
Rotterdam, omdat Volkert ook nog een thuis en zijn werk had (r-c blz.12).
Kennelijk moest het allemaal totaal niet opvallen wat hij in zijn schild voerde.
Het Mediapark was de eerste kans die zich voordeed.
Steun voor de gedachte dat het Mediapark vrij toevallig is gekozen, ligt in het
feit dat in verdachtes auto ook het printje lag met de informatie dat Fortuyn op
8 mei 2002 te gast zou zijn bij KRO's Ontbijt-TV (AH/183).
een grondige voorbereiding
Volkert heeft zich terdege op 6 mei voorbereid. Uit wat in zijn auto en op zijn lichaam werd aangetroffen na zijn aanhouding kan dat zonder meer blijken:
hij had al enige tijd eerder een baseball petje gekocht bij de V&D, als kledingstuk om minder herkenbaar te zijn als hij zijn voornemen zou gaan uitvoeren (verdachte ter zitting 27-03-03);
hij had de vorige avond plattegronden van het Mediapark en de omgeving, en van enkele mogelijke slaapadressen van Fortuyn, uitgeprint en meegenomen;
hij wist, blijkens aantekeningen op enkele stukken, precies waar en wanneer Fortuyn op 6 mei in de middag zou optreden;
hij had zijn wapen, de patronen, en een bivakmuts uit de beige koffer op zolder gepakt en in zijn rugzak gedaan (verdachte ter zitting 27-03-03);
hij had alles gedaan om onopvallend te zijn: baard geschoren met nog speciaal daartoe gekocht scheergerei, onopvallende kleding, een zonnebril en pet op, oorringen uit (r-c blz.17);
om geen sporen op het wapen na te laten droeg hij latex handschoenen (r-c blz.14);
het wapen verborg hij, ook tijdens het schieten, in een plastic tas om niet op te vallen (r-c blz.14 en 19, VERD/49);
in zijn auto had hij wasbenzine om vóór de aanslag vingerafdrukken te verwijderen van gladde dingen die hij had meegenomen, zoals de plastic tas en het wapen (r-c blz.18); bij de politie verklaart hij ook dat hij op 6 mei het wapen nog heeft schoongemaakt (VERD/39);
hoewel hij tot het moment dat hij op Fortuyn afliep niet zeker wist dat het zou gaan gebeuren, heeft hij ook verklaard dat hij tevoren wel wist dat hij op de vitale delen van Fortuyn zou schieten, dus op zijn bovenlichaam en hoofd, en dat hij zou schieten op het moment dat Fortuyn lopend de studio zou verlaten (r-c blz.20).
Met zijn internetgedrag en zijn verklaring daarover kan worden bewezen dat Volkert "opzettelijk en met voorbedachten rade" heeft gehandeld.
de ochtend van 6 mei 2002
Er zijn geen verklaringen over
waar de verdachte die vroege ochtend was. Zijn vriendin heeft niet inhoudelijk
willen verklaren, dus moeten we het doen met wat verdachte er zelf over zegt. En
dat is opvallend weinig. Hij weet niet meer hoe hij zich 's morgens voelde, wat
hij precies heeft gedaan voordat hij de deur zegt te zijn uitgegaan.
Het verhaal begint die dag pas controleerbaar rond een uur of tien. Een collega
verklaart dat hij zelf op 6 mei 2002 tussen 9.45 uur en 10.00 uur bij VMO
arriveerde en dat Volkert net iets later binnenkwam. Ze hebben gewoon gewerkt.
We zien dus verdachte als altijd druk bezig met dossiers, telefoontjes en een
poststuk klaarmaken voor verzending. Intussen heeft hij zijn rugzak naast zich,
met zijn pistool en zeven kogels. Twee werelden, die tot het middaguur gewoon
naast elkaar bestaan. Omstreeks 12.30 uur zijn zij beiden het kantoor uitgegaan.
"Volkert zei dat hij die middag vrij nam vanwege het mooie weer" (GET/72).
Deze collega heeft een half uur lunchpauze genomen en is daarna weer
teruggekeerd naar kantoor. Met Volkert heeft hij geen contact meer gehad.
de middag van 6 mei 2002
Uit informatie van de Postbank
blijkt dat Volkert die dag om 12.48 uur in Wageningen € 150,= heeft opgenomen
(relaas-pv blz.36, en DIV/12). Rond hetzelfde tijdstip heeft Volkert op een
postkantoor in Wageningen een postpakket verzonden in verband met zijn werk bij
de VMO (relaas-pv blz. 28 en 29).
Uit informatie van Albert Heijn blijkt dat hij om 13.16 uur één fles Spa rood,
scheermesjes en -schuim, bananen en mueslibroodjes heeft afgerekend bij een
AH-filiaal in Wageningen (relaas-pv blz.36, en DIV/13).
Op een doos in verdachtes kofferbak zat een aankoopbon van een scheerapparaat,
afgerekend op 6 mei 2002 om 13.42 uur bij een winkel in Bennekom (relaas-pv
blz.27).
Naar aanleiding van een later
buurtonderzoek in Hilversum, in de omgeving van verdachtes auto, heeft een
getuige verklaard dat hij de Toyota op 6 mei om 15.30 uur, toen hij zelf met
zijn auto uit de Celebeslaan vertrok, nog niet heeft gezien, maar om 17.45 uur
toen hij terugkwam wel (GET/41).
Naar eigen zeggen is Volkert onderweg van Bennekom naar Hilversum drie keer
gestopt: de eerste keer om zich te scheren (langs de A12), daarna om te tanken
(bij Utrecht, van de snelweg A27 af), en tenslotte nog een keer om het wapen met
wasbenzine schoon te maken (voor Hilversum). Hij had bij die laatste keer zijn
latex handschoenen aan (r-c blz.16 en VERD/46 en 42-43).
Volkert zelf verklaart dat hij om een uur of vier die middag bij het Mediapark
aankwam. Niemand heeft hem rond die tijd gezien, dus moeten we het uitsluitend
met zijn eigen verklaring doen. Hij heeft het Mediapark eerst nabij de
hoofdingang verkend en daarna het fietspad aan de Insulindelaan ontdekt.
Vervolgens is hij het terrein gaan bekijken en heeft hij even op een bankje rust
gezocht voor zichzelf (VERD/57). Vervolgens ging hij op zoek naar het
3FM-gebouw, dat hij van buitenaf al had gezien (VERD/47). Tussen de struiken
heeft hij de tas met het pistool in de grond gegraven, om in de resterende tijd
niet gezien of gecontroleerd te worden met een wapen bij zich.
de laatste minuten
Daar, tussen de struiken, heeft hij naar eigen zeggen ongeveer een uur gezeten (r-c blz.17). Hij kon flarden horen van de uitzending binnen (r-c blz.19). Wie de radio-uitzending van BNN terugluistert, hoort onder meer dat aan Fortuyn wordt gevraagd hoe oud hij denkt te worden. Of Van der G. dat ook heeft opgevangen weet ik niet, maar het levert een buitengewoon griezelig beeld op: een jongeman in de struiken, en tussen de auto's, terwijl hij de radiostem hoort van zijn niets vermoedende slachtoffer. Ik denk dat iedereen die zichzelf probeert te verplaatsen in de positie van degene die daar lag, met een zojuist doorgeladen pistool op zak, zich niet kan voorstellen dat hij kort daarna in staat zou blijken te zijn om zó onopvallend - beheerst - op Fortuyn af te lopen, dat het lijkt alsof hij op die locatie hoort.
Kort voor 18.00 uur groef hij het wapen op. Naar eigen zeggen kwam hij een beetje tussen de struiken uit, ging naast een auto liggen, met zijn gezicht richting de uitgang van het 3FM-gebouw, zodat hij onder de auto door die richting uit kon kijken (VERD/48). Hij kon buiten het 3FM-gebouw horen dat de uitzending was afgelopen, en zag Fortuyn naar buiten komen lopen met een paar andere mensen. Hij stond op en liep met een boogje om Fortuyn heen om hem van achteren te kunnen neerschieten. Wat Volkert hierover zegt is even doeltreffend als kil en berekenend: "Ik had bedacht dat als ik Fortuyn van voren zou benaderen hij het misschien zou zien aankomen. Het van achteren beschieten van Fortuyn zou de minste problemen opleveren. Hij zou dan niet wegduiken wat dan weer gevaar voor anderen zou hebben opgeleverd. Het was ook mijn bedoeling om Fortuyn niet onnodig te laten lijden. Van achteren zou ik hem direct dodelijk kunnen verwonden" (r-c blz.19).
Volkert beschrijft zijn gedachten op het laatste moment als "ogen op oneindig en verstand op nul (…) Van tevoren had ik nog wel twijfels, maar op het laatste moment niet meer. Dat ik op het laatste moment niet meer twijfelde, had ook met mijn overtuiging te maken. (…) Ik bedoel daarmee het plan, in de zin van dat ik op dat moment het gevoel had dat ik met iets goeds bezig was. U vraagt mij of ik daarmee doel op het ombrengen van Fortuyn en de gedachte daarachter. Ja, zo bedoel ik dat." (r-c blz.21).
hoe Volkert overkwam tijdens het schieten
Getuigen van de aanslag zeggen ook
iets over hoe de schutter op hen overkwam.
Getuige Van D. (medewerkster van een omroep): "Hij kwam heel vastbesloten,
koelbloedig over. Ik zeg dat met name omdat de man geen pauze liet vallen tussen
de schoten" (r-c blz.18).
Getuige Zeroual (LPF-Kamerlid): "Ik ervoer de uitdrukking op zijn gezicht
als koel en emotieloos" (r-c blz.3), en "ik zag op het gezicht van de
man met het wapen een totale leegheid en gebrek aan emoties. Dit is me met name
opgevallen omdat je van iemand die zojuist op iemand heeft geschoten, emoties
zou verwachten van bijvoorbeeld schrik of kwaadheid" (r-c blz.5).
Getuige P. (medewerker van een omroep) noemt het optreden van de schutter
"resoluut. De Cap maakte op mij de indruk dat hij duidelijk met 1 doel
bezig was en dat hij voor niemand anders dan Fortuyn aandacht had" (r-c
blz.9). Ook getuige K. (medewerker van een omroep) zag "geen moment van
twijfel. Ik doel daarbij ook op het eerst onopvallend langs Fortuyn lopen om
vervolgens van achteren toe te slaan" (r-c blz.4). Getuige De Wild kan het
gedrag niet goed duiden, maar kan wel zeggen "dat de wijze waarop de dader
onze richting op kwam lopen, op mij mij overkwam alsof hij de situatie ter
plekke goed kende, alsof hij daar hoorde" (r-c blz.4).
Het is, vooral ook gelet op wat De Wild erover heeft verklaard, de vraag of Van der G. wel echt zijn 'verstand op nul, blik op oneindig' had. Hij had van te voren bedacht dat hij in alles onopvallend moest overkomen. En óók toen hij zijn laatste tien tot twintig meters in de richting liep van het kleine groepje mensen, bij wie Fortuyn stond, besefte hij dat hij normaal moest overkomen. Daarom rende hij niet. Hij kwam over als iemand die daar hoorde.
de aanslag
Hoewel Fortuyn enkele mensen dicht
bij zich had staan, aarzelde Volkert niet, maar schoot hij van zeer korte
afstand 5 keer van achteren op het bovenlichaam van Fortuyn. Volgens het NFI
duiden de schotrestsporen op de kleding van het slachtoffer op een
schootsafstand van niet meer dan 50 tot 150 centimeter (TR/115). Verdachte
erkent deze korte afstand (r-c blz.21).
Volgens de verdachte zelf was hij geen geoefend schutter, en hoefde hij dat ook
niet te zijn, "op zo'n korte afstand is het niet moeilijk om iemand te
raken" (r-c blz.14 en 21).
De uitvoering van Volkerts voornemen was als die van een liquidatie. Om aan te
geven hoe dat feitelijk werkt, citeer ik uit zijn eigen verklaring: "Ik heb
hem wel ineen zien zakken en heb toen nog schoten afgevuurd. Ik heb toen
doelbewust op zijn hoofd gericht en geschoten" (r-c blz.20) en "Ik heb
na elke keer vuren de terugslag van het wapen gevoeld. Het gevolg van een
terugslag was steeds dat ik het wapen weer moest richten. Dat heb ik tijdens het
schieten op Fortuyn ook steeds gedaan" (r-c blz.22).
Bij dit beeld van een liquidatie past ook dat Van der G. een plastic tas om het
pistool had gewikkeld. Wie het lef heeft om vrij open op zijn slachtoffer af te
stappen en hem van zeer korte afstand durft neer te schieten, wil in ieder geval
geen onnodige sporen achterlaten; kogelhulzen zijn belangrijk sporenmateriaal.
Van der G. zegt door de bodem van de plastic zak heen te hebben geschoten (r-c
blz.19 en ter zitting 27-03-03). Als hij dat goed had gedaan, zouden de hulzen
in de zak zijn opgevangen, en waren zij niet op het Mediapark achtergebleven.
Het heeft er alle schijn van dat het anders liep dan Volkert bij zijn
voorbereidingen had bedacht; de hulzen rolden wel één voor één over de
grond.
Extra kwalijk, want riskant, is het schieten door een plastic tas heen, doordat
het richten daardoor wordt bemoeilijkt. Verdachte heeft alleen al daardoor het
risico genomen dat hij één of meer anderen zou treffen.
Ruud de Wild ook bijna doodgeschoten
Om de grote ernst van de aanslag
te benadrukken merk ik hier op dat getuige Ruud de Wild, die vlak bij Fortuyn
stond, na het eerste schot een tas voor zijn hoofd hield (r-c blz.4). In deze
tas bleek later een inschotopening te zitten. Het NFI stelt vast dat er geen
aanwijzingen zijn dat die tas van minder dan 150 cm afstand is beschoten (TR/115).
De afstand is dus waarschijnlijk iets groter dan die van waaraf Fortuyn is
neergeschoten; kennelijk was Volkert toen al aan het weglopen. De Wild heeft bij
de rechter-commissaris verder verklaard dat hij na de aanslag een bloeding in
zijn linker oor had. Volgens een KNO-arts was dit waarschijnlijk het gevolg van
de druk van een dicht bij zijn oor afgevuurd schot; ook heeft hij verklaard dat
Fortuyn tijdens de schoten ineen zeeg terwijl hij een arm van De Wild vasthield
(r-c blz.3). Een laatste bewijs dat De Wild echt bijna in de baan van de
dodelijke kogels heeft gestaan is het feit dat op zijn tas (weliswaar minuscuul)
celmateriaal en bloed is aangetroffen, waarvan het DNA-profiel past bij dat van
Fortuyn. Kortom, Volkert heeft - wellicht bij zijn laatste schot, dat hij naar
eigen zeggen per ongeluk afvuurde bij het weglopen (r-c blz.20) - toch bewust
het risico aanvaard dat hij een ander naast Fortuyn zou treffen. Het had maar
een haar gescheeld of ook De Wild was doodgeschoten. Hij heeft bij de
rechter-commissaris verklaard dat hij bewust geen aangifte heeft willen doen; de
aanslag was volgens hem op niemand anders dan op Fortuyn gemunt, en hij meent
dat het voor hem zelf beter is dat hij niets meer met deze zaak te maken heeft (r-c
blz.5). Ik respecteer deze keuze, en heb daarom de verdenking dat verdachte De
Wild opzettelijk bijna heeft doodgeschoten, niet in de tenlastelegging
opgenomen; de vele aandacht die dit proces al krijgt zou zich dan wellicht te
veel op deze getuige toespitsen.
Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat met deze omstandigheid rond de moord op
Fortuyn wel rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de strafmaat; ik
kom er dus op terug.
de dood van Fortuyn
Het slachtoffer Fortuyn viel
terstond neer. Eén getuige noemt het met "een schokkende beweging" (NOS-medewerker,
GET/53), De Wild zag hem "ineen zijgen" en dacht meteen dat het
slachtoffer al stervende was (De Wild, r-c blz.3).
Fortuyn moet vrijwel direct zijn overleden, al heeft de gemeentearts - naar ik
aanneem tegen beter weten in, maar het was wel Pim Fortuyn die daar lag - nog
een uur lang geprobeerd te reanimeren (DIV/04). Getuige Zeroual is direct als
enige bij hem neergeknield. Zij raakte enigszins in paniek, want zij merkte hoe
open de plek was waar zij zat en wist niet wat er ging gebeuren. Na een korte
rit met de heer De Booij over het Mediapark keerde zij bij het lichaam terug.
Fortuyn vocht nog om adem, maar zei niets meer (r-c blz.4).
Uit het sectieverslag blijkt dat Fortuyn 5 keer was geraakt, eenmaal in de nek,
tweemaal in de rug, tweemaal in het hoofd. De verwondingen aan de hersenen, het
hart, de hals en de linker long kunnen de dood zonder meer verklaren, aldus de
beide pathologen (TR/147).
had Volkert voorverkend?
Volkert stelt dat hij vóór 6 mei
2002 geen vluchtplan had; toen hij op 6 mei via het fietspad het Mediapark was
opgelopen had hij bedacht dat hij zó het park zou verlaten (r-c blz.23). Het
lijkt aannemelijk, maar roept toch vragen op.
Oké, hij wist pas op de avond van 5 mei dat hij op 6 mei op het Mediapark zou
kunnen toeslaan, dus vóór 6 mei kon hij geen vluchtplan vanaf het Mediapark
hebben. Maar het blijft voor degene die het Mediapark een beetje kent moeilijk
voorstelbaar dat Volkert, die van plan was om Fortuyn te vermoorden op onbekend
terrein, zijn auto zo maar ergens parkeerde, zo maar ergens het terrein opliep
en alleen maar beetje onthield hoe hij gelopen was, en op díe manier probeerde
zijn pakkans te verkleinen. Als we hem moeten geloven had hij aan één keer
buitenom langs het Mediapark rijden, en bestudering van de uitgedraaide
plattegrond (die vervolgens in de auto kon achterblijven), genoeg om te weten
waar hij op het terrein moest zijn. Volkert had zich zó voorbereid op het
onopvallende karakter van zijn uiterlijk (kleding, pet, geschoren, geen
oorringen) en van de daadwerkelijke uitvoering van zijn plan (rustig lopen,
schieten vanuit een tas). Zou hij echt voldoende hebben gehad aan één loopje
over het terrein om zich tijdens zijn vlucht niet één keer in een bocht te
kunnen vergissen? Het is toch eigenlijk een dwaze gedachte dat iemand die de
bekendste politicus van Nederland van dat moment, op een zo belangrijk moment in
de verkiezingscampagne, gaat vermoorden, over zijn eigen aftocht niet meer denkt
dan: "Ik had zoiets van, ik kom wel weg, ik ren wel weg". Hij voegt
daar nog aan toe dat hij ervan uitging dat mensen niet zo snel een gewapend
persoon achterna zullen rennen, zeker niet nadat iemand is neergeschoten (VERD/49).
Het is niet erg aannemelijk dat Volkert zó onzorgvuldig met zijn eigen vrijheid
ná een succesvolle aanslag zou omgaan.
Er zijn ook een paar indicaties om aan te nemen dat hij zich toch wel iets beter op zijn aftocht heeft voorbereid:
Hij had zich die ochtend niet geschoren. Goed, het kan gebeuren dat je dat vergeet. Maar het is niet logisch als je je voorbereidt om geheel onopvallend van uiterlijk te zijn, en een stoppelbaard juist opvallend vindt. Het kan dus ook zo zijn dat Volkert die ochtend geen tijd of gelegenheid heeft gehad zich te scheren. Misschien omdat hij niet of nauwelijks thuis was? Toen de politie hem vroeg of hij zich zijn stoppelbaard die ochtend niet had gerealiseerd toen hij voor de spiegel stond, antwoordde hij: "Misschien omdat ik niet voor de spiegel heb gestaan. Ik weet het niet. Niet aan gedacht" (VERD/37). Zou hij inderdaad niet thuis zijn geweest die nacht of vroege ochtend? Als dát zo zou zijn geweest, had zijn vriendin dat moeten merken.
Hij had een bivakmuts in zijn
jaszak (AH/347). Bij de rechter-commissaris wilde hij daarover, op advies
van zijn raadsvrouwe, niets zeggen (r-c blz.26), terwijl hij voor het
overige zo open was. Pas recent verklaarde hij dat hij deze muts uitsluitend
tegen de kou in zijn bezit had (verklaring zitting 27-03-03); geen echte
reden om dat niet al meteen bij de rechter-commissaris te zeggen, dunkt mij.
Ik vond het plotselinge zwijgen daarover verdacht.
Van der G. heeft verklaard dat hij die 's avonds op 5 mei uit de beige
koffer had gehaald, samen met zijn pistool (verklaring zitting 27-03-03). Op
6 mei rond 18.00 uur had hij zich niet opvallender kunnen gedragen dan met
een bivakmuts over zijn hoofd, dus het is niet waarschijnlijk dat hij deze
muts bij zich had met het oog op de aanslag. Het was een mooie dag, die 6e
mei; Volkert had tegen zijn collega nog gezegd dat hij vanwege het mooie
weer een middag vrij nam (GET/72). Bij de rechter-commissaris wilde
verdachte op advies van zijn raadsvrouwe nadrukkelijk niet ingaan op mijn
vraag waarom hij überhaupt een bivakmuts in zijn bezit had (r-c blz.26).
"Ik had hem bij me voor 'je weet maar nooit'" was het toen nog.
Volgens mij is het waarschijnlijker dat je een bivakmuts hebt om te dragen
tijdens het donker, om nooit herkenbaar te zijn, en is het ook
waarschijnlijker dat verdachte vergeten is deze muts uit zijn jaszak te
verwijderen, dan dat hij de muts voor alle zekerheid bij zich had.
Ik heb verdachte gevraagd of het mogelijk is dat hij zijn idee om uitdrukkelijk onopvallende kleding en handschoenen te gebruiken, heeft geput uit oude brochures zoals "Verzet is mogelijk", dat in dezelfde koffer is gevonden. Hij heeft verklaard dat dat wel zo kan zijn (zitting 27-03-03). Het is heel opmerkelijk dat in datzelfde blad wordt aangeraden om de plaats waar je een actie wilt uitvoeren, tevoren te gaan bekijken, liefst 's nachts en met een bivakmuts op. Ik wil niet stellen dat Van der G. zich kort tevoren nog had georiënteerd in dit soort boekjes. Maar het mag dan misschien wel jaren geleden zijn dat hij belangstelling had voor dit soort lectuur, de strekking van een aantal algemene adviezen voor het voeren van acties kan hem prima zijn bijgebleven.
Volkert weet niet meer precies
wanneer hij, met het oog op de aanslag, zijn pistool uit de koffer haalde:
zondagavond 5 mei of maandagochtend 6 mei. Nader bij de rechter-commissaris
en bij de politie, maar ook op de zitting (27-03-03) houdt hij het op 5 mei
's avonds (r-c blz.14 en VERD/41). Ook dat is opmerkelijk: een zó spannende
gebeurtenis als het uit de koffer halen van een pistool dat daar al zó lang
onaangeroerd en ongebruikt ligt, met het doel om daarmee het ergste misdrijf
te begaan tegen een dagelijks in het nieuws zijnde politicus, dát moment
moet toch in het geheugen gegrift staan? In dezelfde lijn is het voor mij
onbegrijpelijk dat hij zich niet kan herinneren hoe hij die nacht in slaap
is gekomen, hoe hij heeft geslapen, en hoe het 's morgens was om op te
staan, en zijn vriendin en kind gedag te zeggen. Bijna elf maanden heeft
verdachte de film van dat laatste etmaal kunnen terugdraaien.
Het lijkt mij eerder aannemelijk dat Volkert, die zich vele andere details
wel herinnert, dit niet meer precies kan aanduiden omdat hij al vanaf het
begin dat hij ging verklaren, iets ánders uit zijn verklaringen heeft
weggefilterd, nl. dat hij op enig moment die nacht, ochtend of dag
voorafgaand aan de aanslag de locatie van het Mediapark wat beter in zich
heeft opgenomen dan hij ons nu wil doen geloven.
Hij had de plattegrond van het Mediapark in zijn auto laten liggen. Het park is groot, als je er nog nooit eerder bent geweest is het niet vanzelfsprekend dat je er goed de weg vindt naar, en vooral ook vanaf de plaats waar je iemand wilt gaan vermoorden, zonder dat je de plattegrond bij je hebt. Verdachte zegt bij de rechter-commissaris dat hij in zijn dagelijkse werk ook veel met kaarten te maken heeft, en daar goed mee kan omgaan (r-c blz.25). Het klinkt logisch, maar de plattegrond van het Mediapark lijkt niet op bedrijfsplattegronden die je voor milieuprocedures nodig hebt. Het gaat in dit geval om een tamelijk grof geschetst plaatje dat niet voldoende lijkt om verder ongezien je weg te vinden.
Er zijn stuifmeelsporen op
Volkerts handschoenen aangetroffen, die overeenkomsten vertonen met die van
de locatie waar hij in de bosjes heeft gezeten. Deze plek kan - in
tegenstelling tot 5 andere locaties in het mediapark - de locatie van
herkomst zijn (rapport NFI d.d. 1 november 2002). Dit beeld, dat weliswaar
voorzichtig is geformuleerd, past wonderwel bij de eigen verklaring van de
verdachte over de plaats waar hij zich die middag heeft schuilgehouden. In
zoverre is het eerste NFI-milieuonderzoek een bevestiging van de verklaring
van verdachte zelf.
Nu is er echter iets heel opmerkelijks. Enerzijds zegt verdachte dat hij die
middag maar één keer op het Mediapark is geweest, nl. conform wat hij er
zelf over heeft verklaard (VERD/59). Anderzijds zijn op de radio, de
vloermat, de pedalen en één Spa-fles in zijn auto wèl - en zelfs veel -
stuifmeelsporen gevonden (het nagezonden NFI-rapport 21 maart 2003). Het
tweede NFI-milieurapport geeft aan dat het stuifmeel op die voorwerpen
gelijksoortig van samenstelling is, en sterk overeenkomt met de verse
component van het stuifmeel op verdachtes handschoenen en in de monsters uit
het Mediapark. Er is dus sprake van mogelijk één bron, het Mediapark. Het
kán ook van elders komen, maar niet uit verdachtes tuin in Harderwijk, en
ook Bennekom is niet aannemelijk. Daar zijn de stuifmeelcomponenten te
verschillend voor. Voor de aanwezigheid in zijn auto van dit stuifmeel,
afkomstig van vermoedelijk het Mediapark, heeft verdachte tot op heden geen
goede verklaring gegeven.
Kortom, er is op zijn minst aanleiding te vermoeden dat Volkert op enig
moment in de nacht of vroege ochtend van 6 mei 2002 op het Mediapark is
geweest, en daarna nog terug is geweest in zijn auto buiten het Mediapark.
Voor alle duidelijkheid, ik kan het niet aantonen dat Van der G. die nacht of ochtend is wezen 'voorverkennen'. De milieurapporten van het NFI moeten uiteraard met de nodige voorzichtigheid worden gelezen; de conclusies omtrent het verband tussen de stuifmeelsporen op twee locaties zijn niet hard. Maar alle genoemde feiten en omstandigheden roepen wel de vraag op of het niet zeer aannemelijk is dat hij de situatie wel degelijk eerder heeft bekeken, zijn positie heeft bestudeerd, en vervolgens nog enige tijd is weggegaan om later beter beslagen ten ijs te komen.
Waarom is het belangrijk dit op te
merken? Het feitencomplex verandert er niet echt door. De tenlastelegging al
helemaal niet.
Toch vind ik het belangrijk om hiernaar onderzoek gedaan te hebben, om beter te
kunnen beoordelen hoe oprecht en betrouwbaar de verdachte in zijn verklaringen
is geweest. Zowel over de feiten als over zijn drijfveren. Ik kom daarop terug
bij de bespreking van zijn persoon.
de vlucht, de bedreiging en de aanhouding
We weten inmiddels goed genoeg hoe
Volkert na het schieten is gevlucht. In één rechte lijn rende hij het
Mediapark door en uit, achtervolgd door de getuige Smolders, halverwege gevolgd
door de twee andere getuigen K. en S. De eerste keer dat 'de man met de pet',
zoals getuige K. de verdachte noemde, zich naar K. omdraaide, zag deze getuige
dat de man zijn hand in een jaszak had alsof hij daarin iets had waarmee hij op
hem richtte (r-c blz.8). De verdachte heeft later verklaard dat hij zich
inderdaad omdraaide met zijn hand in een jaszak, maar geen bedoeling had deze
getuige te bedreigen; hij hield zijn hand in zijn jaszak op het wapen om te
voorkomen dat het uit zijn jaszak zou vallen (r-c blz.3).
Wel erkent hij dat hij even later de getuige Smolders zijn wapen heeft laten
zien om hem te weerhouden van verder achtervolgen (r-c blz.3). Smolders heeft
verklaard dat de schutter zich op de Celebeslaan naar hem omdraaide en een wapen
op hem richtte (r-c blz.5). Daarmee staat m.i. vast dat Volkert deze Smolders
heeft bedreigd; dat hij niet de intentie heeft gehad om Smolders iets aan te
doen (r-c blz.24) doet aan het karakter van bedreiging niets af.
Niet vast staat dat hij ook K. heeft bedreigd, en daarom is dat onderdeel van de
tenlastelegging afgehaald.
Uit de videopresentatie van de
vlucht-, loop- en rijroutes blijkt zichtbaar en duidelijk dat er niets
mysterieus was aan het feit dat de politie zo snel ter plaatse was. Uit de
beelden, die we hebben gezien in hetzelfde tempo als de gebeurtenissen zelf zich
hebben afgespeeld, blijkt hoeveel er in enkele minuten kan gebeuren. De
hoofdagenten Bosch en Lammers reden op surveillance in Bussum-Zuid, hoorden de
melding van een schietincident - let wel: zij wisten toen niet wie het
slachtoffer was, dus dáárop kunnen zij niet hebben gereageerd, zij deden
gewoon wat zij behoorden te doen - en trokken ijlings hun kogelvrije vesten aan.
De hondengeleiders Molenaar en Plantinga waren op het hoofdbureau in Hilversum,
hoorden dat er geschoten was op het NOB-terrein en gingen meteen die richting
uit. Via de meldkamer hoorden zij onderweg dat een getuige de locatie van de
verdachte doorgaf. Toen zij iemand zagen zwaaien om hen de juiste richting op te
loodsen, reden zij en vervolgens liepen zij de Celebeslaan in, steeds dichter op
de verdachte aan.
Het is een samenloop geweest van bijzonder prijzenswaardig en alert optreden
(primair natuurlijk van de heer Smolders, die grote moed heeft getoond door
achter een schutter met vuurwapen aan te gaan èn onderweg de politie op de
hoogte te houden, en vervolgens van de razendsnel optredende politieagenten) en
een dosis toeval en professionaliteit (door op het juiste moment op de juiste
plaats te zijn en geen fouten of vergissingen te maken), waardoor Volkert van
der G. al zó snel kon worden aangehouden. Ik ben ervan overtuigd dat, als het
na het schieten op Fortuyn had ontbroken aan deze moed en alertheid en dit
beetje geluk, de verdachte een goede kans had gemaakt om ongezien weg te komen;
en wie zou ooit op hém als mogelijke dader zijn gekomen? Volkert speculeerde
daar zelfs op: hij zou in de anonimiteit kunnen verdwijnen, en daarmee oproepen
dat de verdenking zou uitgaan naar ándere groeperingen of een ánder dan
hijzelf. Bij de politie zegt hij daarover: "Stel nou dat ik weg was gekomen
en jullie zouden niks gevonden hebben, dan was natuurlijk niet duidelijk geweest
uit welke hoek dat zou zijn gekomen. Dus konden ze ook niet wijzen, in feite. Ze
kunnen natuurlijk speculeren." (…) "…als er gewoon geen
aanwijzingen zijn dat het uit een bepaalde richting komt, dan kan het toch nooit
serieus worden. Dan denk ik ook dat als één of andere journalist allerlei
suggesties zou doen, dat er dan allemaal weer tegenwerpingen zouden komen van
andere zijden. Van dat zeg je nu wel, maar daar heb je geen aanwijzingen
voor" (VERD/50).
Toen verdachte werd aangehouden was hij uitgeput. Hij had al eerder de energie uit zijn lichaam voelen stromen, door ontlading van de spanning en gebrek aan conditie. Hij was bekaf en kreeg een gevoel van berusting over zich (r-c blz.24-25). De twee agenten die hem aanhielden verklaren dat hij een diepe zucht slaakte, rustig bleef, buiten adem was, het schuim op de mond had staan, en heel diep ademde (Bosch, r-c blz.8, en Lammers, r-c blz.11). Nadat zij de verdachte op het politiebureau hadden gebracht, hoorden zij wie het slachtoffer van de schietpartij was. Dus nogmaals: hun optreden kan op geen enkele wijze zijn beïnvloed door de wetenschap dat het de heer Fortuyn was die kort tevoren was neergeschoten (Bosch r-c blz.9, en Lammers r-c blz.11-12).
Op het bureau heeft verdachte bij zijn verhoor ter gelegenheid van zijn inverzekeringstelling gezegd: "Ik leg geen verklaring af. Ik wil eerst overleg met mijn advocaat mr.Böhler" (DIV/05). Die zwijgzaamheid heeft hij ½ jaar volgehouden tot zijn verhoor bij de rechter-commissaris.
C. het bewijs van de ten laste gelegde feiten
Ten aanzien van feit 1 kan de betrokkenheid van de verdachte ruimschoots worden bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:
Fortuyn is gedood door vijf dodelijke kogels in zijn hoofd, nek en rug;
één getuige is de schutter onophoudelijk gevolgd tot aan zijn aanhouding door de politie;
verdachte had een pistool op zak, waarvan later is vastgesteld dat daarmee de zes afgeschoten kogels zeer waarschijnlijk zijn verschoten, en dat daarop een bloedspoor van het slachtoffer is aangetroffen;
verdachte had celmateriaal van het slachtoffer op zijn linker broekspijp;
ook had hij een grote hoeveelheid schotrestsporen op zijn handschoenen en mouwen;
hij heeft uiteindelijk bekend Fortuyn met het pistool te hebben doodgeschoten en deze daad tevoren beraamd te hebben. Daarom kan worden bewezen dat verdachte de heer Fortuyn met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.
Over de voorbedachten rade nog
dit. Volkert heeft het plan weken tevoren opgevat, en is het betrekkelijk kort
tevoren goed gaan voorbereiden: waar en wanneer, hoe, met wat voor wapen, in
welke outfit. Hij heeft zich niet op één locatie georiënteerd, maar ook op de
mogelijkheid dat hij Fortuyn zou moeten opzoeken bij een ander LPF-partijlid bij
wie Fortuyn, naar Volkert dacht, wel eens zou kunnen verblijven.
Op de vraag van de rechter-commissaris of hij de aanslag had beraamd en
voorbereid, zei hij kortweg "ja" (r-c blz.2). Daarna heeft hij dit
nader verwoord door te zeggen "Het idee voor de aanslag is niet opeens
ontstaan, maar is gegroeid" (r-c blz.4) en "Ik heb Fortuyn in alle
media gevolgd en het totaalbeeld heeft mij op deze gedachte gebracht" (r-c
blz.5). Later bevestigt Volkert de verklaring van zijn vroegere vriend Robert
dat hij rationeel is in het doel en de gevolgen van zijn handelen: "het
gebeuren van 6 mei 2002 kwam niet voort uit een impuls. Het was niet zo van 'wat
zal ik eens gaan doen op mijn vrije middag?'. Ik heb er wel over nagedacht. Ik
weet dat ik slordigheden heb begaan bij de uitvoering van die aanslag (…).
Misschien had het te maken met het feit dat ik er onbewust niet zoveel over
wilde nadenken" (r-c blz.29).
Weliswaar heeft Volkert tegenover
de psychiater van het Pieter Baan Centrum gezegd dat hij niet heel erg heeft
gepeinsd over zijn voornemen om Fortuyn te doden, dat het "een idee was dat
zo naar binnen flitste", dat hij er niet te lang over wilde denken, en het
te snel heeft gedaan (PBC-rapport blz.72). Hierdoor kan de indruk worden gewekt
dat verdachte uiteindelijk in een opwelling zegt te hebben gehandeld, en van
voorbedachten rade in zijn beleving eigenlijk tòch geen sprake is geweest.
De deskundige merkt echter meteen op dat verdachte op deze manier heeft getracht
"de volle omvang van zijn voornemen niet te zien door telkens de
mogelijkheid open te houden om zijn voornemen om de een of andere reden niet uit
te voeren" (blz.72). Volkert hield een uitweg open en voorkwam daarmee dat
hij in dwangmatig piekeren of twijfelen zou vastlopen (blz.77). Volkerts
verklaring op dit punt heeft dus vooral een psychische lading, die zijn
langdurig voornemen om op enig moment Fortuyn door geweld uit te schakelen
onverlet laat.
Het bewijs voor feit 2 is gegrond op de verklaring van de getuige Smolders (GET/ 02 en r-c blz.5) en de bekennende verklaring van de verdachte zelf (r-c blz.3 en 24, en VERD/49).
Feit 3 - wapen- en munitiebezit - kan worden bewezen o.g.v. de volgende bewijsmiddelen:
bij verdachtes aanhouding werd op hem een pistool van het merk Star aangetroffen (AH/16), met nog één patroon in de kamer (AH/101). Het betreft een wapen en munitie van de categorie III ingevolge de Wet wapens en munitie (AH/16-17).
bij de doorzoeking van verdachtes woning in Harderwijk werden, in een koffer op zolder, 46 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm aangetroffen (AH/99). Dit betreft munitie van de categorie III (AH/102).
verdachte heeft het voorhanden hebben van het wapen en de munitie bekend (r-c blz.3).
Ik wil nog een opmerking maken
over de munitie die de verdachte in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft verklaard
(r-c blz.13) dat hij het wapen geladen kocht, en (later) 2 doosjes munitie. In
totaal zijn 54 patronen op hem terug te brengen, dat zijn 2 doosjes van 25 stuks
en, als zijn verklaring juist is, 4 in het wapen bij de aankoop.
Naar eigen zeggen heeft hij niet zo gek lang na de aanschaf van het wapen één
proefschot gelost, om het wapen uit te proberen (VERD/39). Het merk patroon van
dat proefschot kennen wij (uiteraard) niet. Naast één vol doosje met 25
patronen van het merk S&B werd bij hem thuis een doosje gevonden met twee
patronen van het merk S&B, één patroon van het merk PMC en 18 patronen van
het merk MRP; totaal 21 patronen dus, van drie verschillende merken, in één
doosje. Verder is opmerkelijk dat uit technisch onderzoek blijkt dat de zes
patronen waarmee Fortuyn is beschoten en de ene patroon dat nog in het pistool
werd gevonden, ook van het merk MRP zijn. Met de 18 MRP-patronen in het doosje
maakt dat in oorsprong één vol doosje van 25 stuks. Twee dingen springen hier
in het oog:
Uit het feit dat hij over patronen beschikte van 3 verschillende merken, die niet geheel logisch in één van de doosjes waren opgeborgen, kan worden vermoed dat hij met de gekochte patronen wat heeft geëxperimenteerd voordat hij met het geladen wapen naar het Mediapark ging, en uiteindelijk 7 patronen uit het nieuwe volle doosje heeft gebruikt voor zijn plan.
Het is zeer de vraag of juist is dat verdachte ooit maar één keer een (proef)schot heeft gelost. Als zijn verklaring juist zou zijn, heeft hij een 'geladen wapen' gekocht met niet meer dan 4 patronen. Dat lijkt bij een capaciteit van 8 patronen (TR/101) niet erg waarschijnlijk. Maar goed, Volkert verklaart zelf dat hij 4 patronen bij het wapen kreeg (VERD/38-39). Bewijs dat hij bij de aankoop meer patronen had is er niet.
feit 4: de 35 condooms
Feit 4 vergt aparte bespreking.
Bij verdachte is op 24 juni 2002
een nadere doorzoeking van zijn woning verricht. Aanleiding was vooral een
telefoongesprek tussen verdachte en zijn vriendin op 12 juni 2002 over iets in
de garage. Verdachte vroeg Petra twee keer nadrukkelijk ergens even aan te
denken, zonder in te gaan op wat dan precies. Petra zei dat de garage niet op
slot kon, en vroeg aan haar vriend of het bekend was, en wat ze uit de garage
zouden kunnen halen.
Wij interpreteerden dit gesprek als verhullend. Verdachte heeft dat later altijd
bestreden, hij zou slechts bang zijn geweest voor inbraak of diefstal, maar feit
is wel dat de rechter-commissaris bij een doorzoeking in de garage een kunststof
container aantrof die gevuld was met chemische stoffen. Ook lag daar een
kookwekker waaraan elektriciteitssnoeren en stekkers waren bevestigd. Daardoor
leek het op een ontstekingsmechanisme met tijdvertraging. Ook werd een bamboe
hengel met bidon en afstandsbediening gevonden. De wekker en de hengel staan
afgebeeld in boeken over (ik noem het maar) chemisch actie voeren. Verder werden
aantekeningen over chemicaliën gevonden.
Te veel voor iemand die het alleen
maar leuk vindt scheikundige proefjes te doen. Maar ook te onwaarschijnlijk
omdat deze stoffen en voorwerpen bij uitstek geschikt bleken te zijn voor het
maken van brandbommen en dergelijke. Verdachte bewaarde thuis ook boekjes en
brochures uit het anarchistische actiewezen, portofoons die afgesteld stonden op
politiefrequenties, een scanner, een map met politiefrequenties, en bivakmutsen.
Daarom móest deze hoeveelheid stoffen en voorwerpen, in combinatie gezien, wel
doen denken aan iemand die ze - ooit misschien - bedoeld heeft voor gebruik bij
gewelddadige acties.
Ik heb overwogen aan verdachte ten laste te leggen dat hij zich, door het
voorhanden hebben van al deze stoffen en voorwerpen, had schuldig gemaakt aan
overtreding van artikel 46 Wetboek van Strafrecht: voorbereidingshandelingen met
het oog op brandstichting. Een redelijke verdenking was er zeker: de combinatie
van al deze dingen kan tot het vermoeden leiden dat verdachte deze spullen
voorhanden had, "kennelijk bestemd" tot het begaan van een misdrijf
waarop acht jaar gevangenisstraf of meer is gesteld, zoals brandstichting.
Ik heb hiervan afgezien om de
volgende reden. Uit het onderzoek is gebleken dat een aantal voorwerpen dateren
van begin jaren '90. Verder is uit een landelijke analyse gebleken dat bij geen
van de bekende aanslagen of andere gewelddadige acties, déze (mix van)
chemicaliën of hulpmiddelen zijn gebruikt, en tegen deze verdachte geen
verdenking kan worden geformuleerd dat hij ooit bij dergelijke feiten betrokken
is geweest.
Ik meen dat, als ik artikel 46 Wetboek van Strafrecht zou tenlasteleggen, niet
voldaan is aan de wettelijke eis van 'kennelijke bestemming' van de betreffende
voorwerpen. Die heeft nl. een objectieve en een subjectieve kant. Dat met deze
stoffen en voorwerpen brandstichting kan worden voorbereid en gepleegd, acht ik
wel bewijsbaar. Maar dat zij ook onderdeel waren van een - actueel -
handelingsplan van de verdachte, kan niet worden vastgesteld. De stoffen en
voorwerpen waren erg oud en verdachte had ze al zo'n tien jaar in bezit. Verder
is van actuele voorbereidingen tot gewelddadige acties voor milieu en
dierenwelzijn bij hem niet gebleken.
Wel ben ik van oordeel dat de 35
aangetroffen condooms met een kaliumchloraat-suikermengel, in samenhang met het
aangetroffen zwavelzuur, kunnen en moeten worden gezien als wapens in de zin van
de Wet wapens en munitie. Met name ook acht ik bewezen dat het gaat om
voorwerpen die bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur of
door middel van ontploffing (categorie II sub 7e).
Voor het bewijs kan dienen:
De deskundige van het NFI heeft vastgesteld dat de enige bekende toepassing van het gevonden mengsel is: geïmproviseerde pyrotechniek.
Uit proeven blijkt dat een gevulde condoom na geruime tijd vanzelf ontbrandt onder invloed van het zich invretende zwavelzuur. Een indrukwekkende steekvlam - heel wat meer dan het "vlammetje" waarover de verdachte bij de politie spreekt - zorgt ervoor dat het condoom enige tijd blijft branden en ook de directe omgeving kan ontbranden, zéker als daar een simpel brandversnellend middel zoals een lapje met benzine bij wordt gelegd.
Simpele middelen als deze worden beschreven in boeken voor plegers van gewelddadige acties. Zo is bij de verdachte het Anarchistisch Kookboek gevonden, waarin tal van scheikundige samenstellingen van stoffen worden beschreven, die kunnen worden gebruikt bij zorgvuldig te plannen acties;
De verdachte heeft erkend dat hij deze condooms zelf heeft gemaakt. De door hem opgegeven reden, nl. uitsluitend dat hij ooit geïnteresseerd was in scheikundige proefjes, is niet aannemelijk, vooral in het licht van wat overigens bij hem is aangetroffen.
D. Wie is Volkert van der G. precies?
De persoon van de verdachte verdient aandacht vanuit verschillende gezichtspunten:
wat heeft Volkert met wapens, anarchistische lectuur en chemicaliën?
welk beeld van hem rijst op uit verklaringen van anderen?
heeft hij naar waarheid verklaard omtrent de feiten?
heeft hij naar waarheid verklaard omtrent zijn motief?
hoe ziet het Pieter Baan Centrum hem?
ad 1. wat heeft verdachte met wapens, anarchistische lectuur en chemicaliën?
Uit de in beslag genomen
documenten blijkt dat Volkert al begin jaren '90 geïnteresseerd was in
vuurwapens; hij bewaarde verschillende krantenknipsels en advertenties uit
wapentijdschriften (AH/448 e.v.). Gevraagd naar zijn toen al bestaande
belangstelling voor vuurwapens, doet hij dit af met: "Of ik toen in de
aankoop van een vuurwapen geïnteresseerd was weet ik niet meer. Het is 10 jaar
geleden" (r-c blz.15).
Het valt op dat Volkert een vraag die niet direct slaat op iets dat met de moord
te maken heeft, en waarmee hij in een wat minder gunstig licht wordt geplaatst,
telkens snel afdoet met "dat weet ik niet (meer)", waarmee het toch
een beetje als zand tussen de vingers door glipt. Hetzelfde gebeurt als Volkert
wordt gevraagd naar zijn gevoel, toen hij voor het eerst zijn pistool in handen
had. Mij lijkt dat een gewone burger toch een heel vreemd, niet te vergeten
gevoel krijgt, als hij voor het eerst een door hemzelf gekocht en geladen
pistool in handen heeft liggen. Het móet voor ieder normaal en gewetensvol mens
een bijzonder en conflicterend gevoel opleveren, wanneer je een zó direct
dodelijk wapen koopt en uiteindelijk ook in handen krijgt. Niemand maakt mij
wijs dat je een vuurwapen koopt, alleen maar om jezelf passief te beschermen; je
móet je realiseren dat het altijd kan uitdraaien op aktief gebruik, op
schieten, op kúnnen doden. Maar Volkert zegt: "ik kan me dat niet goed
meer herinneren"; de enige spanning die hij zich herinnert had te maken met
de leverancier die hij niet vertrouwde (r-c blz.15).
Hoe moet ik dit uitleggen? Kán hij geen gevoelens onder woorden brengen, net
als toen hem werd gevraagd naar zijn gevoel over de gevolgen voor zijn vriendin
en zijn dochtertje, en zegt hij daarom maar: ik herinner het me niet meer? Maar
dan had hij ook op déze vraag over zijn gevoel bij het pistool kunnen
antwoorden dat hij het moeilijk vindt om daarover te praten, zoals over zijn
vriendin en kind (r-c blz.6, 28 en 31).
Volkert heeft verklaard dat hij al in 1992 werd bedreigd vanuit de veehouderijwereld (r-c blz.15). Toch wachtte hij, naar eigen zeggen, tot 1996-1997 met de aanschaf van een vuurwapen. Waarom had hij al niet veel eerder een wapen?
Een vroegere vriend Robert heeft hem rond 1998/1999 wel eens gezegd dat hij zich slecht voelde en zich wel eens met een vuurwapen door het hoofd zou willen schieten, als hij er één had (GET/96). Volkert herinnert zich dat hij toen heeft gezegd dat hij daar wel aan zou kunnen komen, daarbij denkend aan zijn eigen wapen (r-c blz.13).
Opmerkelijk blijft dat Van der G. zijn vuurwapen bewaarde op de plaats waar hij ook zijn anarchistische lectuur had liggen. In de koffer op zolder werden o.a. de volgende geschriften gevonden:
"Verzet is mogelijk - handboek voor aktievoerders";
"Gramschap - vuur & vlammen";
"Spelen met vuur - tientallen avontuurlijke proeven met vuur, rook, stank, vergif, agressieve stoffen, knaleffecten en zelfgemaakt vuurwerk";
"Het anarchistisch kookboek" (ook in een Engelstalige versie);
"Moderne handvuurwapens";
"pistolen en revolvers encyclopedie";
"handboek tegen de smeris";
"verhoormethoden".
Verder bewaarde Volkert daarin adressen van chemicaliëngroothandels, een lijst met boeken over vuurwapens, explosieven en pyrotechniek, twee portofoons, een scanner en twee bivakmutsen. In zijn schuur bewaarde hij de al eerder genoemde box met chemicaliën, waarvan de inhoud geheel past bij de gewelddadige actievoerder die zelf eenvoudig brandbommen en dergelijke maakt. Ook werd daar een door Van der G. geschreven 'boodschappenlijstje' voor het maken van het explosief TNT aangetroffen.
Ik noem dit alles omdat het een nader, en niet al te fraai licht werpt op de persoon van de verdachte. Hij heeft zichzelf neergezet als verontruste burger, die zich druk maakt om de algemene politieke ontwikkelingen in het land, die daarin opkomt voor kwetsbare groepen, en min of meer toevallig is gaan werken bij een organisatie die zich inzet voor milieu en dierenwelzijn. Stuk voor stuk punten die op zichzelf sympathiek aandoen. Maar de conclusie uit het voorgaande verdachte is daarmee niet volledig geweest. Hij heeft al lang een meer dan gemiddelde belangstelling voor vuurwapens en in elk geval enigerlei betrokkenheid bij activisme (anders hoef je niet drie bivakmutsen die je alleen maar voor koude winters hebt, in die ene koffer op te bergen). Daarbij is zijn verklaring over de chemicaliën, het kopen daarvan op valse naam, de condooms in het bijzonder, de wekker, de hengel, de portofoons en de boekjes uiterst zwak: hij onderbouwt niets en doet alles af als oude koek en flauwekul. Ik kom daarop terug bij punt 3 (betrouwbaarheid van de verklaring). Voor het Openbaar Ministerie staat wel vast dat 'geweld' in het leven van deze verdachte al lange tijd een ruimere plaats heeft, dan alleen in zijn belangstelling om erover te lezen.
ad 2. Volkert als persoon vanuit de verklaringen
Drie collega's van de VMO, John, Sjoerd en Jasper, omschrijven Volkert als:
kalm, nauwkeurig, systematisch en gedreven, "vanuit zijn gedachte omtrent het welzijn van dieren. Dat was zijn drijfveer", aldus John (GET/70);
"zijn hobby was eigenlijk ook zijn werk", volgens Sjoerd (GET/76), die ook zegt dat Volkert al langere tijd aangaf overspannen aan het worden te zijn;
erg gedreven en hard werkend, zegt Jasper: "Hij weegt over het algemeen zijn handelen zeer goed af en overziet de gevolgen van zijn daden" (GET/78).
Uit zijn tijd op de universiteit
van Wageningen kent Robert de verdachte nog erg goed. Al in 1987/1988 leerde hij
Volkert kennen bij de toenmalige Nederlandse Bond voor Bestrijding van
Vivisectie (NBBV). Folders uitdelen, in demonstraties lopen, geen geweld. Ze
werden vrienden. Beiden vonden ze dieren gelijkwaardig aan mensen, maar Volkert
was fanatieker in zijn ideeën om dierenleed tegen te gaan. Volkert werd
veganist. In zijn ideeën over dierenleed was hij erg zeker en hij kon daar
heftig op reageren.
Als persoon was hij wat onzeker, hij had over zichzelf niet zo'n hoge pet op.
In 1992 deed Volkert vrijwilligerswerk voor de stichting Lekker Dier; later
richtte hij er een plaatselijke afdeling van op. Ook bij de oprichting van de
Vereniging Milieu Offensief ging het Volkert om de bestrijding van dierenleed.
"Het welzijn van dieren was zijn leven".
Hoewel Robert na maart 2001 geen contact meer met Volkert en Petra heeft gehad,
zegt hij verderop in zijn verklaring: "Voor mijn gevoel is Volkert
jarenlang alleen met VMO en dieren bezig geweest. Zijn leven bestond daar uit.
Als er dan zo'n Fortuyn komt die bijvoorbeeld roept dat pelsdieren weer gefokt
mogen worden, kan ik mij voorstellen dat Volkert daar heel flink van over de
rooie gaat. Volkert is een rationele jongen die altijd nadenkt over het doel van
zijn handelen en de gevolgen" (GET/91-95).
In een krantenbericht over de Wageningse afdeling van Lekker Dier, dat Robert
bij zijn verklaring voegt, wordt Volkert geciteerd: "Er is geen wezenlijk
verschil tussen het leven van een mens en dat van een dier" (GET/97).
Volkerts moeder zegt dat haar zoon
met zijn vriendin en baby op 27 april 2002 nog bij haar op bezoek is geweest.
Zij vond hem ontzettend mager, een beetje afwezig en zei dat hij ervoor moest
oppassen dat hij niet overspannen werd. Volkert beaamde dat toen (GET/104).
Het is natuurlijk de vraag of de verdachte toen echt tegen overspanning aan zat.
Pas sinds kort weten wij dat hij toen met het weloverwogen plan rondliep om
Fortuyn om het leven te gaan brengen. Al was hij daar niet obsessief mee bezig,
aldus het Pieter Baan Centrum, het lijkt mij wel logisch dat hij daar inwendig
toch van onder de indruk was, en in zekere zin toch intensief mee bezig was. Dus
kan ook dát zijn afwezigheid verklaren.
Zijn moeder wijt zijn mindere toestand van die dag aan drie dingen: de moeizame
bevalling zo'n 4 maanden daarvoor, de zorgen om de gezondheid van het kind, en
het werk dat ook door moest gaan. Zijn werk was zijn grootste hobby; hij maakte
werkweken van 80 uur (GET/104-105). Tenslotte, zij beschrijft haar zoon als meer
gesloten dan voorheen, vriendelijk, hulpvaardig, ijverig, rechtvaardig en
eerlijk (GET/108-109).
Zelf weet Volkert bij de rechter-commissaris niet of het feit dat hij tegen
overspannenheid aan zat een rol heeft gespeeld bij wat er op 6 mei is gebeurd (r-c
blz.28).
Ook zijn ex-vriendin met wie hij van 1990 tot 1996 een relatie had, beschrijft hem als gesloten, op zichzelf, maar behulpzaam (GET/142). Hij werkte altijd erg hard. Ook zij vertelt dat Volkert soms zei dat hij overspannen dreigde te raken door het werk; maar hij was daarom ook een dag minder gaan werken (GET/155).
Volgens zijn broer was Volkert vrij radicaal in het begin van zijn studietijd in Wageningen (omstreeks 1990), maar toen deze broer in 2000 uit het buitenland terugkwam vond hij Volkert minder radicaal. Wel zette hij zich al die jaren in voor de belangen van dieren; hij gaf aan contacten te hebben met actievoerders op dit terrein. Zelf voerde Volkert de strijd meer met juridische middelen (GET/128-129).
Dat Volkert wat gesloten overkwam bevestigt ook de verhuurder van een paardenstalruimte (GET/167). Anderzijds beschrijven zijn Wageningse buren vanuit de periode 1999 tot najaar 2001 hem als gewoon normaal in de omgang, niet erg afgesloten (GET/204).
De conclusie uit de verklaringen van anderen over Volkert is dat hij voorheen vooral vrij radicaal was, en in elk geval altijd zeer gedreven is geweest door idealen, met name gericht op het milieu en zijn werk voor de VMO. Als mens was hij altijd vrij gesloten en gespannen.
ad 3. het waarheidsgehalte t.a.v. de feiten
Volkert heeft in zijn verklaring bij de rechter-commissaris de indruk gewekt volledig en naar waarheid te hebben verklaard. Nadat hij gedurende maanden had gezwegen, hoewel de zich opstapelende onderzoeksresultaten schreeuwden om een reaktie, wilde hij pas verklaren toen het politiedossier volledig was. Het is een proceshouding die ik natuurlijk respecteer. Wat mij betreft hóefde hij zelfs niets te zeggen, het bewijs van moord kon ook geleverd worden zonder enige verklaring van de verdachte. Maar met deze houding heeft Van der G. wel twee belangrijke vragen opgeroepen. Waarom zwijgt deze man die stelt een overtuigingsdader te zijn zo lang, en waarom neemt hij zijn verantwoordelijkheid niet meteen als zijn zaak kansloos is geworden? Daar kom ik bij de bespreking van de strafmaat nog op terug. Belangrijker hier is dat de verdachte de verdenking over zich heeft afgeroepen dat zijn latere verklaring zou kunnen worden gezien als een zorgvuldig op de resultaten van het onderzoek afgestemde verklaring. Oftewel: hij heeft zichzelf in de comfortabele positie gebracht dat hij kon erkennen in de lijn van wat tijdens het onderzoek was gevonden, en niets behoefde te verklaren over wat niet was gevonden.
En toch had hij niet voor elk onderzoeksresultaat een goede verklaring. Soms kwam dat doordat hij op het moment van zijn rc-verklaring niet wist dát er nog iets meer van belang was gevonden. Zo heeft het beeld van de uiteindelijk toch geheel open en eerlijke Volkert bij de rechter-commissaris drie deukjes opgelopen:
hij wilde aanvankelijk niet zeggen door wiens bemiddeling hij zijn pistool had gekocht (r-c blz.13), en erkende pas na confrontatie met de verklaring van een getuige dat het deze getuige was geweest (r-c blz.15);
hij verklaarde aanvankelijk dat hij het wapen met 2 doosjes munitie van dezelfde onbekende man in een café had gekocht (r-c blz.13), en erkende pas na nadere confrontatie met de verklaring van de zojuist bedoelde getuige dat hij de munitie later in Den Haag had gekocht (r-c blz.26);
gevraagd naar de misschien wel heel onschuldige verklaring voor het feit dat hij überhaupt een bivakmuts in bezit had, wilde hij daarop - op spontaan advies van zijn raadsvrouwe - geen enkel antwoord geven (r-c blz.26).
En bij nadere bestudering van de uitgebreide r-c-verklaring kan worden gezegd dat Volkerts verklaringen op enkele punten nog altijd vragen oproepen:
de ongeveer 200 bestanden die van zijn computer thuis zijn verwijderd, zijn in ieder geval ten dele niet door Volkert verwijderd, zoals hij zelf verklaarde (r-c blz.11 en VERD/44), maar door iemand anders in zijn woning, en wel op maandag 6 mei 2002 ná 22.00 uur (AH/600));
zijn verklaringen met betrekking tot zijn pistool zijn soms vreemd. Hij wist aanvankelijk niet meer wanneer hij het wapen gereed legde om op 6 mei mee te nemen: zondagavond 5 mei, of maandagochtend 6 mei. Hij heeft het sinds de aanschaf nooit echt uitgeprobeerd, en ging er, met een beetje droog oefenen, zonder meer van uit dat het wapen goed zou werken (r-c blz. 15). Bij de politie zegt hij zelfs dat hij het wapen vóór 6 mei helemaal niet eens meer heeft geprobeerd (VERD/42). Verder is het moment waarop Volkert naar eigen zeggen besloot een pistool te kopen niet logisch in de tijd te plaatsen: hij werd al vanaf 1992, de begintijd van VMO, bedreigd, en had al die jaren al krantenartikelen en brochures over vuurwapens in huis.
Ook de bij de politie afgelegde nadere verklaringen blijven hier en daar vragen oproepen:
Verdachte verklaart dat hij de werking van het wapen heeft leren kennen door 'droog te oefenen', dus door het wapen te laden, door te laden en weer te legen (VERD/39 en 44). Dat lijkt niet logisch, daarvoor is een vuurwapen te ingewikkeld in zijn werking, en is de reaktie van het wapen bij het schieten te heftig. Dat de trekkerdruk na het eerste schot heel licht is - doordat de slede bij de terugslag de haan meteen weer spant - leer je pas echt door te schieten, niet door droog te oefenen.
De verklaring van Volkert over
de bij hem thuis aangetroffen geschriften, voorwerpen en chemicaliën komt
in het algemeen ook niet erg betrouwbaar over. Vragen naar zijn interesse in
activistische literatuur kaatste hij eerst terug als 'te onspecifiek',
daarna zei hij van diverse geschriften en onderwerpen alleen maar dat hij ze
'wel interessant' vond (VERD/67). Hij was geïnteresseerd in anarchistische
lectuur, maar dat betekent toch niet dat je anarchist bent (VERD/64)? Over
twee plattegronden van nertsfokkerijen waarop makkelijk door te knippen gaas
is aangegeven, of een schutting waarover makkelijk via olievaten kan worden
heen geklommen, zegt hij dat hij die voor zijn werk nodig had (VERD/62 en
64). Dit acht ik volstrekt ongeloofwaardig. Over de ontstekingswekker (time
power unit) zei hij dat het een kick gaf om iets te maken waar een lampje op
gaat branden (VERD/63), terwijl zo'n voorwerp precies zo is beschreven in
een actiehandboek. En over een bamboehengel met bidonhouder en
afstandsbediening zei hij dat hij dat als verfspuit had gebruik (VERD/64).
In redelijkheid is verdachte hier totaal niet serieus te nemen.
Over de chemicaliën heeft hij verklaard dat hij het vroeger - begin jaren
'90 - "wel leuk vond" om scheikundige proefjes te doen (VERD/59).
Zijn broer heeft verklaard dat hij tijdens zijn studietijd regelmatig en
goed contact met Volkert had. Ze waren niet alleen broers maar ook vrienden
(GET/128). Juist hij verklaart dat hij Volkert nooit heeft gehoord over
"experimenten of zo met chemicaliën" (GET/131).
Ook zijn moeder heeft nooit iets gemerkt van interesse in dat soort dingen (GET/107).
En als zijn ex-vriendin uit de periode 1990-1996 wordt gevraagd naar zijn
hobby's, noemt zij uitsluitend tuinieren, wijn maken, en de natuur (GET/154).
Niets over scheikundige proefjes of iets dergelijks.
Ook zelf heeft Volkert niets over deze oude hobby verklaard: bij de
rechter-commissaris en in het Pieter Baan Centrum heeft hij het over
grotendeels dezelfde dingen als zijn ex-vriendin: schaken, de natuur,
tuinieren, zeilen en wijn maken (r-c blz.28, PBC-rapport blz.23-24).
De conclusie uit dit alles is dat er ruimte blijft om verdachtes verklaringen hier en daar van een vraagteken te voorzien. Naar de reden hiervoor kan ik slechts gissen. In het licht van wat allemaal bij verdachte thuis aan anarchistische lectuur en aanverwante spullen is aangetroffen, kan niet worden uitgesloten dat hij zich voor deze moord voor een deel heeft gedragen conform adviezen in een aantal van de gevonden brochures. Ook is niet uit te sluiten dat hij heeft willen verhullen dat hij vanuit zijn vroegere belangstelling voor - zo niet betrokkenheid bij - bepaalde acties kennis had over hoe hij zich het beste kon voorbereiden op de moord.
ad 4. het waarheidsgehalte t.a.v. het motief
Volkert heeft verklaard dat hij Fortuyn heeft vermoord omdat hij, door Fortuyn op deze wijze te stoppen, kon opkomen voor de zwakkere, kwetsbare groepen in de maatschappij, zoals hij altijd heeft gedaan (r-c blz.4). Hij zet zijn motief voor de moord aldus in het kader van zijn al langer bestaande algemene politieke betrokkenheid.
Om de juistheid van zijn
verklaring op dit punt te onderstrepen heeft zijn raadsman bij brief van 6
december 2002 een notitie meegezonden, waarin de gespreksaantekeningen staan van
het eerste gesprek tussen verdachte en advocaat, op 6 mei 2002 op het
politiebureau in Hilversum. (Kennelijk gingen zij ervan uit dat hun gesprek zou
worden afgeluisterd, en vond de dialoog schriftelijk en zwijgend plaats.) In die
aantekeningen is te lezen:
"MOTIEF? - Politiek - minister Zalm vindt het een gevaarlijk man. Dat vind
ik ook. Hij kriminaliseerde bepaalde groepen mensen, omdat hij weet dat hij
daarmee "scoort". Hij drijft op onvrede die er heerst maar probeert
m.i. niet echte oplossingen aan te dragen. Wat dat betreft is er een parallel
met de jaren 30 uit de vorige eeuw. Met hem maakt de politiek een ruk naar
rechts; zodat m.i. een sociale samenleving, waar we nu al ver vanaf staan, nog
verder uit zicht komt."
Voor de verdediging bewijst dit de
oprechtheid van Volkerts verklaring over zijn motief: pal na zijn aanhouding
kwam hij daar al mee. Het is echter de vraag of dit een weerslag is van het
werkelijke motief. Volkert koos ervoor er niet echt mee voor de dag te komen,
dus van enige argwaan mag hij niet opkijken.
Enerzijds verschuilt Volkert zich in deze zinnen direct veilig achter de rug en
woorden van een bekend politicus, die Fortuyn eens een gevaarlijk man noemde. En
dat is makkelijk. Misschien zelfs voor de hand liggend. Ieder die zich de
politieke situatie in het land van het begin van 2002 voor de geest kan halen,
weet dat er grote opwinding heerste in brede lagen van de bevolking, over de
betekenis van deze nieuwkomer in de politiek. Hij ontving dagelijks de meest
uiteenlopende kwalificaties, variërend van redder, ziener, de stem van het
volk, tot populist en gevaar. Iedereen die zich tegen Fortuyn wilde afzetten,
met woorden of fysiek, bijvoorbeeld Volkert die van plan was hem te vermoorden
en nadacht over het waarom (en, naar ik aanneem, dus ook over het waarom, mocht
hij daarover moeten verklaren als hij onverhoopt zou worden aangehouden),
iedereen zou al snel een argument kunnen bedenken om zijn gedrag te
rechtvaardigen.
En in zoverre kon Volkert zijn officiële motief dus al lang tevoren hebben
klaar liggen: veilig, in dezelfde lijn en bewoordingen als die van de felste
politieke bestrijders van Fortuyn. En zijn voordeel daarbij was dat hij met dit
motief een beetje kan opgaan in een veel grotere massa van mensen die de opkomst
van Fortuyn met argusogen of zelfs met grote zorg gadeslagen. Met dit motief
denkt verdachte wellicht dat hij, afgezien natuurlijk van zijn uiteindelijke
dodelijke daad, nog op enige sympathie kan rekenen. Of dat hij in ieder geval
nog wordt gezien als een overigens normale burger, waarvan er dat voorjaar van
2002 zo veel waren die niets van Fortuyn moesten hebben.
Maar de verklaringen van personen
uit verdachtes naaste omgeving gaan een andere kant op. Daaruit blijkt dat
Volkert helemaal niet zo algemeen politiek geëngageerd was, dat hij eigenlijk
maar één hartstocht had: het welzijn van milieu en dieren.
En, ik herhaal het nog eens, ook is gebleken dat hij zelf al heeft voorzien in
de mogelijkheid van een officieel ándere verklaring dan die de werkelijkheid
dekt. In zijn brief aan Petra van 21 juli 2002 schreef hij: : "… mocht ik
ooit nog eens een verklaring afgeven aan de rechterlijke macht of in de media
dan hoeft dat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn. Voor de
buitenwereld is de waarheid niet belangrijk - het hoeft slechts functioneel te
zijn." Ook in het licht van zijn motief is deze passage onthutsend: grote
bezorgdheid over het gevaar dat Fortuyn ging vormen, is functioneel. Zij kan hem
een voor veel burgers in dit land niet onsympathiek motief verschaffen. En
daarmee kán hij hopen op nog énig begrip.
Een naaste collega van Volkert
(John) heeft verklaard dat hij niet wist dat Volkert zijn aandacht had gericht
op Fortuyn. Hij had hem er ook nooit over horen praten. Ze spraken wel eens over
politiek en dan kwam Fortuyn ook wel ter sprake, maar in algemene zin (GET/72-73).
Volkerts vriend en mede-oprichter van de VMO is Sjoerd. Die heeft bij de politie
verklaard dat Volkerts interesse in de politiek "niet zo bijzonder"
was. Hij zegt dat Volkert vóór de laatste gemeenteraadsverkiezingen niet of
meestal niet stemde. Hij begrijpt helemaal niets van Volkerts daad (GET/76).
Eerder had hij al gezegd dat het echt waanzinnig is, dat het nergens op slaat
dat deze aanslag is gepleegd (GET/251). En dat is toch wel vreemd als Volkert
zelf stelt dat hij vanuit grote politieke bezorgdheid over het toenemende gevaar
van Fortuyns ideeën en macht heeft gehandeld. Zou hij dat niet hebben gedeeld
met een vriend met wie hij, óók vanuit sterke betrokkenheid bij een
maatschappelijk onderwerp, zijn geesteskind de Vereniging Milieu Offensief had
opgericht?
Zijn vroegere vriend Robert beschrijft de ideeën van Volkert al sinds 1987/1988 in één rechte lijn: fanatiek en heftig tegen alles wat met dierenleed te maken heeft (GET/92).
Ook Volkerts moeder geeft niets aan dat wijst op politieke betrokkenheid van haar zoon: "Ik sprak met Volkert nooit over politiek. (…) Ik zou niet weten wat Volkert zou stemmen. Er werd eigenlijk nooit over gesproken. Ik heb nooit gehoord dat Volkert over Pim Fortuyn sprak" (GET/104). Haar partner heeft in gelijke zin verklaard; Volkert praatte nooit over andere mensen als die er zelf niet bij waren, daar was hij principieel in. Dus ook niet over Fortuyn (GET/234).
Dan de broer van Volkert. Hij zegt dat Volkert rond 1990 een politieke partij had opgericht in Wageningen, waar hij overigens al snel mee stopte. "Later had hij volgens mij niet veel belangstelling voor de politiek". Volkert had geen interesse om in mei 2002 namens zijn broer en schoonzus, die toen op vakantie waren, te gaan stemmen (GET/128 en 130). En dat betrof nota bene de verkiezingen voor de Tweede Kamer, waarin Fortuyn een grote opmars maakte!
De ex-vriendin met wie Volkert van 1990 tot 1996 een relatie had, en met wie hij nadien vriendschappelijk bleef omgaan, heeft verklaard dat hij volgens haar niet politiek geïnteresseerd was. Hij sprak er nooit met haar over; ze zou niet eens weten op welke partij hij stemde. Zij kan geen ander motief voor de moord op Fortuyn verzinnen dan dat Volkert zich opwond over Fortuyns opmerkingen over bont (GET/147-148).
Caroline, een vrijwilligster bij de VMO in de periode van augustus 2000 tot april 2001, heeft verklaard dat Volkert buiten zijn werk en vriendin weinig interesses had. Hij was een gedreven harde werker, die stond voor zijn ideaal. Toen zij bij de VMO werkte liep daar juist een projekt om de vergunningen van alle bontfokkerijen in heel Nederland door te lichten (GET/207). Alle nertsfokkers zijn toen in kaart gebracht (GET/210).
Opmerkelijk in al deze verklaringen is dat ieder heel erg verbaasd was te horen dat Volkert werd verdacht van de moord op Fortuyn. Ik zou menen dat, als in zijn omgeving bekend was dat Volkert politiek zeer betrokken was en zich openlijk grote zorgen maakte over de opkomst van de controversiële politicus Fortuyn, dan de verbazing iets minder groot was dan nu uit alle getuigenissen spreekt.
Verdachtes vriendin heeft in een gesprek met de deskundigen van het PBC gezegd dat Volkert zich voor haar niet merkbaar zorgen had gemaakt over de opkomst van Fortuyn (blz.75). In het onderzoek binnen verdachtes omgeving is er ook niemand die aangeeft dat Volkert in het algemeen voor kwetsbare groepen mensen in de samenleving opkomt. Iedereen brengt hem slechts in verband met het opkomen voor milieu- en dierenbelangen.
De PBC heeft zelf belangwekkende
bevindingen gedaan met betrekking tot het motief. Vanuit de beschrijving van de
persoon van Volkert zijn belangrijke conclusies getrokken over wat hem heeft
gedreven, en hoe dat in zijn binnenkant heeft gewerkt.
Opvallend is dat de onderzoekers in het PBC over de oorsprong van Volkerts
motief niet anders hebben geschreven dan vanuit zijn eigen mond. Enerzijds wordt
verdachte beschreven als iemand die zich sinds zijn universitaire studie in
Wageningen ontwikkelde van vegetariër tot veganist, niet alleen in leefpatroon
maar ook in ideologie: mens en dier zijn gelijkwaardig (PBC-rapport blz.19). En
ook wordt geschetst dat hij van meet af aan zeer actief was in allerlei
verbanden die te maken hebben met het milieu en het dierenwelzijn (blz.20). Zelf
zegt hij dat naast zijn werk zijn hobby's waren: vogels kijken, wijn maken,
zeilen en tuinieren (blz. 23-24). Anderzijds vertelt verdachte zelf aan de
deskundigen dat hij niet uitsluitend gericht was op dierenwelzijn. Het ging hem
om het opkomen voor zwakkeren in het algemeen (blz. 20). Tegen de psycholoog zei
hij dat één van zijn morele principes is "het opkomen voor
zwakkeren"; maar in de uitwerking daarvan, in het gesprek met de
psycholoog, heeft hij het dan toch vooral over de wezenlijke gelijkstelling van
mensen en dieren (blz.39). Ook tegenover de psychiater sprak hij over de strijd
voor de zwakkeren, dat destijds vooral de natuur betrof, en 'andere dieren dan
de mens' (blz.64). Kortom, het zwakkere is in het dagelijkse leven van Volkert
toch altijd vooral het milieu en het dierenwelzijn geweest.
Uit de verklaringen van de deskundigen ter zitting (van 31-03-03) leid ik af dat
het opkomen voor milieu en dierenwelzijn voor verdachte de toegespitste en
uiterlijke verschijningsvorm was van zijn dieper liggende strijdlust voor het
zwakkere in het algemeen, waarvan zijn eigen ik al sinds zijn jeugd een exponent
was.
Ik zie in het PBC-rapport een bevestiging van wat uit het politiedossier blijkt: verdachte zelf legt zijn motief in algemene politieke betrokkenheid, zonder die concreet te kunnen maken. In gesprekken met de deskundigen komt hij niet verder dan strijd voor milieu- en dierenwelzijn. Zijn algemene bezorgdheid is meer psychologisch ingebed, dan dat zij uit daden blijkt.
Mijn conclusie uit dit alles is
deze. Verdachte heeft zijn algemeen-politieke motief niet onderbouwd. Zijn
stelling dat hij zich altijd heeft ingezet voor andere belangen dan zijn eigen
belang, is onvoldoende. Immers, door zich al jarenlang, volgens getuigen uit
zijn omgeving exclusief en met grote inzet te wijden aan de belangenbehartiging
voor dier en milieu, heeft hij zich inderdaad voor ándere belangen ingezet; ik
erken: zelfs voor op zichzelf kwetsbare belangen. Maar doordat verdachte geen
feitelijke onderbouwing heeft gegeven voor zijn stelling dat hij óók voor
allerlei andere zwakkere groepen is opgekomen, waardoor hij als
algemeen-politiek betrokken en verontrust burger zou kunnen worden erkend,
verdient hij op dit punt geen geloof.
Verdachtes motief ligt, zo blijkt uit het PBC-rapport waarop ik zo verder inga,
veeleer in de combinatie van twee dingen. Ten eerste zijn (meer politieke)
afkeer van de opvattingen van Fortuyn over de kwetsbare milieu- en
dierenbelangen die Volkert zelf al zoveel jaren met tomeloze inzet verdedigde.
En ten tweede zijn (meer persoonlijke) afkeer van de ijdele, op macht gerichte,
en verbaal krachtige manier waarop Fortuyn zijn opvattingen in politiek wilde en
ook leek te gaan omzetten.
Ik kom op dit punt, het motief, nog eenmaal kort terug bij de bespreking van
mijn conclusies uit het PBC-rapport.
ad 5. Verdachte volgens het Pieter Baan Centrum
De omstandigheden voor het onderzoek
Over de omstandigheden waaronder het gedragskundig onderzoek moest plaatsvinden is veel te doen geweest. Critici, soms zonder enige werkelijke kennis van zaken, hebben zich publiekelijk in harde bewoordingen uitgelaten over de kwaliteiten van het PBC, en al helemaal in relatie tot deze publicitaire en ook door de politiek nauwlettend gevolgde strafzaak waarin het oordeel, zo meenden sommigen, 'wel weer zou leiden tot een vorm van ontoerekeningsvatbaarheid'. De verdediging heeft het PBC, toen er een verschil van inzicht was met de Minister van Justitie, openlijk verweten aan de leiband van Justitie te lopen. Ik kon daarin niet anders zien dan een voorschot op een eventuele harde kritiek op de uitkomsten van het onderzoek, mochten die de verdachte na afloop niet bevallen.
Het OM heeft altijd groot
vertrouwen gehad in het onafhankelijke en deskundige oordeel van het PBC. Ik heb
alleen in een eerder stadium twee kritische opmerkingen gemaakt. Ik vreesde dat
een PBC-onderzoek meer tijd zou vergen dan een ambulant onderzoek. En ik was
bang dat het onderzoek, door de bijzondere positie van de verdachte die steeds
in betrekkelijk isolement gedetineerd is geweest, beperkingen zou kennen die een
hoogwaardig onderzoek, zoals we gewend zijn, in de weg zouden kunnen staan.
Wat de tijd betreft, het heeft misschien iets meer tijd gevergd, hoewel niet
meer dan in november jl. door de rechtbank begroot. Ook de zogenoemde vertraging
in het onderzoek, die een iets langer verblijf in het PBC nodig maakte, heeft er
niet toe geleid dat de zitting moest worden uitgesteld. Eind maart 2003 is
altijd de prognose geweest, en het PBC heeft een huzarenstukje geleverd door het
rapport toch tijdig voordien gereed te hebben.
Wat het tweede punt betreft, de kwaliteit van het onderzoek heeft gelukkig
totaal niet te lijden gehad van de beperkingen in het begin. De bevindingen uit
de tijd dat verdachte op de separatieafdeling verbleef, geven ook een waardevol
inzicht in zijn opstelling tegenover mensen en tegenover zichzelf. En ook
inzicht in zijn opvattingen en drijfveren. Deze onderzoeksgegevens lopen in het
rapport naadloos over in de bevindingen uit de periode dat verdachte in een
groep verbleef, en zonder voortdurend toezicht in voldoende mate zichzelf kon
zijn.
Het beeld van verdachte in het PBC
is - kort samengevat - als volgt (NB: tussen haakjes verwijs ik naar de
paginanummers van het PBC-rapport).
Ten opzichte van de onderzoekers en groepsleiders was hij, zeker in aanvang, op
de vlakte, afstandelijk (28) en cynisch (30). Hij gaf aan weinig verwachtingen
te hebben (28 en 37), observeerde zèlf (29), en vergat geen moment waarvoor hij
in het PBC was (30). Hij schiep enig genoegen in het voeren van strijd (31 en
61) en stelde zelf ongebruikelijke (weder)vragen (37 en 60). Nadat hij vanuit de
afgezonderde afdeling in een groep was geplaatst werd hij meer ontspannen (31)
en openhartiger (40).
Uit de observaties blijkt dat de interactie met de groepsleiding voortdurend
deed denken aan een kat-en-muisspel, waarin verdachte probeerde het personeel
uit de tent te lokken en ter verantwoording te roepen, maar waarbij hij zelf zo
veel mogelijk buiten schot bleef. Zijn gedrag werd gekenmerkt door het zoeken
van strijd. Met zijn medegedetineerden onderhield Volkert echter een
gelijkwaardig, soepel contact (33 en 31).
De beschrijving van deze bevindingen komt authentiek over; de conclusies worden
gedragen door de beschreven bevindingen. Ik heb geen enkele reden te twijfelen
aan de juistheid van de weergegeven indrukken, in die zin dat ze een verkeerd
beeld van de verdachte te zien zouden geven. Ik bedoel hiermee te zeggen dat wat
mij betreft Volkert in dit rapport is beschreven zoals hij is. Van 'op het
verkeerde been zetten' is m.i. geen sprake geweest.
Ik wil in dit verband nog opmerken dat de beslissing van de Minister van Justitie om toe te staan dat verdachte onder voor het PBC normale omstandigheden geobserveerd te kunnen worden, een goede en juiste is geweest. Deze beslissing kwam op verzoek van het PBC en na dubbel advies van deskundigen over het veiligheidsrisico dat verdachte voor zichzelf zou kunnen opleveren. Ik behoor niet tot de critici die het de Minister verwijten dat hij deze beslissing ruim 2 weken na opname in het PBC heeft genomen. Zorgvuldigheid stond voorop; van verdachte was immers bekend dat hij in het verleden depressieve periodes had gekend, waarin hij eenmaal een suïcidepoging had gedaan. Het risico dat hij, na acht maanden detentie in isolement, zichzelf iets zou kunnen aandoen of door anderen in een groep iets aangedaan zou kunnen worden, moest verwaarloosbaar klein zijn. Dat heeft enige tijd gekost, en kon pas binnen de muren van het PBC worden onderzocht en vastgesteld. Verdachte heeft ingestemd met extra verblijf in het PBC. Niet verwonderlijk als we bedenken dat hij heeft gezegd: "Ik heb me buiten nog nooit zo veilig gevoeld als hierbinnen" (PBC, blz.32). Mede daardoor is het PBC in staat geweest hem optimaal te onderzoeken; dat wil zeggen onder omstandigheden die het PBC het meest gewenst vindt om tot goede conclusies te komen. Ik beschouw het rapport daarom als een bijzonder goed en waardevol uitgangspunt voor de beoordeling van de persoon van de verdachte, uit gedragskundig oogpunt.
De inhoud van het rapport
Volgens de vertrouwde lijnen bespreekt het rapport het omgevingsonderzoek, de observatiebevindingen, het psychologisch onderzoek, het lichamelijk onderzoek en het psychiatrisch onderzoek. Alle bevindingen hebben uiteindelijk geleid tot een samenhangende beschouwing en conclusie over de vragen naar Volkerts geestvermogens, de relatie tussen die geestvermogens en zijn gedragingen op 6 mei 2002, de toerekeningsvatbaarheid, en de kans op herhaling.
Na grondige bestudering van het
rapport in al zijn facetten kom ik tot de conclusie dat de uitkomsten ervan
volledig worden gedragen door de onderliggende onderzoeksbevindingen. Met grote
precisie is verdachtes achtergrond en omgeving in kaart gebracht, zowel zoals
anderen die zien als zoals hij die zelf heeft beschreven. Nauwkeurig is zijn
gedrag ten opzichte van personeel van het PBC en medegedetineerden beschreven en
geanalyseerd. Met zorg is zijn gedrags- en geestesgesteldheid beschreven en
uitgelegd, door een psycholoog en een psychiater, onafhankelijk van elkaar.
Ik wil daar een aantal elementen uitlichten, en ik doe dat op een wijze die m.i.
recht doet aan de totale indruk en samenhang van het rapport.
De psychiater merkt al direct op
dat berekenende strijd en onverzettelijkheid als een rode draad door Volkerts
leven loopt, en dat hij emotioneel geremd is, behalve in zijn strijdlust
(61-62). Het onderzoek in zijn verschillende disciplines kleurt dit vervolgens
in.
Volkerts voortdurende strijd tegen wat in zijn ogen onrecht is, vindt zijn
wortels waarschijnlijk in zijn ouderlijk gezin (55). Het beeld wordt geschetst
van een keihard werkende vader - intelligent, zeer gedegen, gewetensvol, maar
gespannen en onbuigzaam (7) - en een overbezorgde, overvleugelende (63) moeder,
die hem nog altijd met bijna verstikkende liefde meer als kind dan als
volwassene ziet (9 en 14). Zij voedden Volkert vanuit een kerkelijke ideologie
op met waarden als eerlijkheid, soberheid, behulpzaamheid, een voorbeeld zijn
voor anderen. Maar daarbij was nauwelijks ruimte voor andere meningen of
afwijkend gedrag (12).
Het lijkt erop dat verdachte zich daarvan als puber niet echt heeft kunnen
bevrijden. Hij is zich tegenover het burgerlijke gedrag van moeder
non-conformistisch gaan gedragen, maar wel met de dwangmatigheid zoals die van
zijn vader (14). De psychiater constateert in dit verband gebrek aan
zelfvertrouwen en onvoldoende worden geaccepteerd zoals hij is (62). Volkert
herkent zich volgens de psychiater in het beeld van zijn vader (63).
Opmerking van mij: deze ontwikkeling hoeft op zichzelf nog helemaal niet zo
zorgwekkend te zijn; hoeveel jongeren hebben niet vergelijkbare ouders, en in
hoeveel gezinnen gaat het niet net zo in de fase dat jongeren volwassen worden
en zich gaan afzetten tegen het vaste patroon van het ouderlijk huis? Volkert
was een goede scholier, introvert, onopvallend maar geen eenling (17). De
verhouding met zijn broer was altijd goed en hecht (14 en 64). Ook in zoverre
dus nog helemaal geen aanleiding om grote problemen in de toekomst te voorzien.
Het werd allemaal wat extremer
toen Volkert ging studeren. Zijn ontwikkeling van vegetariër tot veganist
bracht ook mee dat hij ideologisch verscherpte. Hij bleek onbuigzaam in zijn
standpunten over de gelijkwaardigheid van mens en dier (19), en had een
pessimistisch mensbeeld (20). Toen zijn eerste relatie uitging werd hij
depressiever en deed hij een poging zichzelf van het leven te beroven door zich
in de polsen te krassen (20-21). De psychiater merkt op dat Volkert zo'n half
tot heel jaar daarna nog getracht heeft pillen te kopen om zich daarmee van het
leven te beroven, maar dat lukte niet (67).
In de jaren daarna richtte hij met een vriend de VMO op; in zijn werk zette hij
zich tomeloos in en ging hij tot de bodem van zijn kunnen (22). Zijn werk was
een heilig moeten: hij werd een gevangene van zichzelf. Een vriend zegt dat hij
onder het werk leed, maar als hij niet werkte leed hij juist daar weer onder
(24). Ook kreeg hij in die tijd een nieuwe relatie, waarvan hij zelf zegt dat
beiden psychische problemen hadden die ze bij elkaar versterkten (21).
Eind jaren '90 kreeg Volkert een
relatie met zijn huidige vriendin. Deze relatie wordt als goed omschreven. Bij
de bezoeken van zijn vriendin en kind - nu ruim een jaar oud - in het PBC zien
de onderzoekers oprechte betrokkenheid en intimiteit, al wil Volkert over het
emotionele aspect van deze bezoeken niet veel kwijt (35-36). De periode rond de
geboorte van zijn dochtertje was hectisch: zij kwam iets te vroeg en met
complicaties ter wereld, het werk eiste hem daarnaast ook nog volledig op (26).
In april 2002 oogde hij echter een stuk ontspannener. Losjes, zoals zijn broer
het noemt (26).
Dit lijkt goed te passen bij wat Volkert zelf tegen de psycholoog zei: het idee om Fortuyn te doden was niet obsessief en nam hem zelfs niet grotendeels in beslag. Integendeel, hij was er niet zoveel mee bezig, en was vooral bezig met zijn werk en zijn gezin (47). Dat de voorbereidingen voor zijn daad niet erg zorgvuldig waren, wijt hij zelf aan drie feiten: gebrek aan tijd, hij voelde zich tegen het overspannen zijn aan, en hij wilde van zijn voornemen geen 'project' maken (48). Met dit laatste bedoelde hij dat eindeloos rationaliseren ertoe zou kunnen leiden dat hij teveel blokkades voor zichzelf zou opwerpen waardoor het er uiteindelijk niet meer van zou komen (48-49).
Twee dingen zijn mij in het
psychologisch deel van het rapport sterk opgevallen: ten eerste hoe de verdachte
spreekt over de vorming van zijn idee om Fortuyn om het leven te brengen, en ten
tweede hoe hij zijn daad rechtvaardigt.
In de eerste plaats, Fortuyn werd in de beleving van Volkert de belichaming van
een aantal eigenschappen die hij moreel verwerpelijk vindt: opportunisme,
ijdelheid, gebrek aan opofferingsgezindheid, macht als doel (46 en 55).
Tegelijkertijd had Volkert wel respect voor een eigenschap van Fortuyn die hij
zelf juist mist: verbale kracht (46).
De psychiater geeft nog enige verdieping aan het beeld over het ontstaan van
Volkerts idee om Fortuyn om te brengen. Verdachte zag in Fortuyn een naderend
grootschalig onheil, maar levert daarvoor geen feitelijke onderbouwing en
verliest daarbij alle proporties uit het oog (71). Opvallend is voor de
psycholoog dat verdachte niet gevoelig is voor kritische vragen en relativerende
overwegingen zoals: was Fortuyn wel zo'n potentieel gevaar? Maakte Volkert
Fortuyn niet veel groter en machtiger dan hij in werkelijkheid was? Was er geen
andere manier om Fortuyn aan te pakken? En zo liepen, bij de vorming van zijn
dodelijke plan, politieke overwegingen over in persoonlijke afkeer van het
slachtoffer, vanwege diens "ijdelheid en machtswellust" (47).
In mijn eigen woorden: Fortuyn had veel waar Volkert van gruwde, maar had ook
iets wat hij graag had willen hebben. Een ogenschijnlijk absolute tegenpool dus.
Ten tweede, tegenover de psycholoog rechtvaardigt Volkert zijn daad. De deskundige merkt op dat aan het voornemen om dodelijk geweld te gebruiken geen morele worsteling of conflict vooraf ging. Volkert vindt weliswaar dat geweld zo veel mogelijk voorkomen moet worden, maar acht het gebruik van geweld gerechtvaardigd als daardoor meer leed wordt voorkomen dan erdoor wordt aangericht. Hij is van mening dat Fortuyn niet geleden heeft omdat hij op slag dood was, en dat het leed voor de familie ondergeschikt is aan het leed voor grote groepen mensen en dieren, dat zou zijn aangericht als Fortuyn aan de macht was gekomen (48).
De conclusie
Volkert is een meer dan gemiddeld
begaafde (50) en neurologisch gezonde man; zijn veganistisch eetpatroon heeft
niet geleid tot geheugen-, aandachts- of uitvoeringsstoornissen (51).
De psycholoog en de psychiater constateren bij verdachte een
obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Deze komt hierin tot uiting dat
Volkert een koppige man is die zichzelf door perfectionisme belemmert, en die
overmatig star en gewetensvol is in morele zaken (55). Hij bijt zich vast in
zijn levenswerk en groeit daardoor in eigenwaarde; daarin is hij afhankelijk van
strijd (76).
Deze stoornis kan echter niet in verband worden gebracht met het door Volkert
gepleegde misdrijf. Uiterst helder is de psycholoog in zijn analyse hiervan
(55-56):
Fortuyn werd symbool voor allerlei eigenschappen waarvan Volkert een afkeer heeft, en dat werd versterkt door het feit dat Fortuyn die eigenschappen gebruikte voor een politieke agenda die Volkert verwerpelijk vond.
Volkerts inschatting dat Fortuyn potentieel gevaarlijk was, maar ook zijn overschatting van de invloed van Fortuyn, komt niet voort uit zijn persoonlijkheidsstoornis, maar uit zijn politieke overtuiging en idealen en uit zijn duurzame strijd tegen het onrecht en voor de zwakkeren. Twee kenmerkende aspecten van Volkerts daad dragen bij aan deze conclusie van de deskundige:
Ten eerste, Volkerts doorgaans perfectionistische en dwangmatige houding en gedrag zijn in de aanloop naar de moord op Fortuyn juist afwezig. (Hij was druk met zijn werk en zijn gezin, en wilde er voor zichzelf geen 'project' van maken.)
Ten tweede, ook het feit dat hij geen morele twijfel had om tot deze daad over te gaan, kwam niet voort uit zijn stoornis: het behoort tot Volkerts bereidheid om de uiterste consequentie te trekken uit zijn politieke overtuigingen en principes.
Ik kom hier nog even kort terug op het motief voor de moord. Verdachte zet zijn motief in een algemeen politiek kader. Ik geloof dat hij in zijn dagelijkse leven de strijd voor milieu en dierenwelzijn meer op de voorgrond had staan, en zijn algemene bezorgdheid over het lot van 'de zwakkeren', meer inwendig had zitten, in psychologische zin. De wijze waarop het PBC hierover schrijft maakt het mogelijk te zien dat het beide aspecten zijn van hetzelfde: waar Volkert zichzelf ziet als strijder tegen onrecht - met name onrecht dat milieu en dieren wordt aangedaan - heeft hij zich in dat kader zorgen gemaakt over Fortuyn, die echter nog meer vertegenwoordigde waar Volkert een afkeer van had. Verdachte heeft vervolgens voor zichzelf het beeld van Fortuyn buiten proporties opgeblazen: Fortuyn als verpersoonlijking van alles wat slecht is voor de maatschappij zoals Volkert die het liefst zou zien.
Ik zie in deze verdachte niet meer dan een eenling die, vanuit een voor ieder weldenkend mens met een normaal werkend geweten ónbegrijpelijk motief, al zijn persoonlijke aversie heeft geprojecteerd op een uitgesproken politicus, die hij verfoeide om zijn ideeën, en die hij heimelijk bewonderde om zijn verbale kracht.
Terug naar de conclusie van het PBC. Beide deskundigen concluderen dat verdachte op 6 mei 2002 weliswaar leed aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens - in de vorm van de eerder genoemde persoonlijkheidsstoornis - maar dat de feiten hem volledig kunnen worden toegerekend. Verdachte heeft verklaard dat hij zich in deze conclusie herkent.
E. De invloed van de publiciteit
Laat ik voorop stellen dat, door Fortuyn te vermoorden, Volkert van der G. onontkoombaar een immense publiciteit over zichzelf heeft afgeroepen. Zijn slachtoffer was op dat moment een sterk rijzende politieke ster, in wie velen hun vertrouwen hadden gesteld, en die zo kort voor de verkiezingen letterlijk hét gesprek van de dag was. Volkert heeft dus moeten en kunnen beseffen dat hij, als hij zou worden aangehouden, voor langere tijd de meest interessante, door velen ook meest gehate, verdachte van Nederland zou zijn, over wie de media werkelijk álles zouden willen weten. Dat er van alle journalistieke kanten grote druk is geweest op zowel de privé-omgeving van de verdachte, als ook op de politie en het OM, was vanzelfsprekend.
Het is belangrijk om dit uitgangspunt te formuleren, omdat tegen die achtergrond moet worden bezien welke gevolgen zouden moeten of kunnen worden verbonden aan de volgende drie aspecten van de grote publiciteitsgolf tussen 6 mei 2002 en vandaag, die door de verdediging naar voren geschoven zouden kunnen worden:
Gezegd zou kunnen worden dat er zó enorm veel over Volkert is gepubliceerd, dat hij al publiekelijk is afgestraft - en zelfs harder, ongenuanceerder, dan gerechtvaardigd is - en dat alles nog voordat de rechter heeft kunnen oordelen -> in de rechtspraak zijn voorbeelden te vinden waarin dit gevolgen voor de strafmaat heeft gehad;
De verdediging zou kunnen stellen dat er over Volkert veel informatie is gepubliceerd, die van politie of OM afkomstig is, waardoor de verdachte onbehoorlijk is beschadigd, of waardoor de publieke opinie, en mogelijk ook de rechter zodanig kan zijn beïnvloed, dat eigenlijk geen sprake meer kan zijn van een eerlijke behandeling ('fair trial' in de zin van art.6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) -> dit zou gevolgen kunnen hebben voor de ontvankelijkheid van het OM in zijn vervolging, de strafmaat of een eventuele schadevergoeding of compensatie door de Staat;
Tenslotte zou de verdediging kunnen stellen dat door uitlatingen van publieke personen over deze strafzaak, ruim voordat de rechter daarover heeft kunnen oordelen, het rechterlijke beslissingsproces oneigenlijk is beïnvloed. De stelling zou dan zijn dat de verdachte publiekelijk niet "voor onschuldig" is gehouden, zoals wordt geëist door art.6 lid 2 van genoemd Europees Verdrag -> ook hieraan kunnen gevolgen in de sfeer van schadevergoeding of compensatie zijn verbonden voor de Staat.
Ik ga op alle 3 aspecten in.
ad 1. de publiciteit als extra straf
Er zijn strafzaken waarin de verdachte door de enkele overvloedige publiciteit grote persoonlijke schade oploopt, die hij niet zou hebben opgelopen zónder die publiciteit. Te denken valt aan de casus van de huisarts in de provincie die verdacht wordt van ontucht, of van de agent die verdacht wordt van mishandeling van een zwerver. Dergelijke zaken krijgen soms meer dan gemiddelde mediabelangstelling doordat ze worden gebruikt om een maatschappelijk verschijnsel of probleem extra te belichten, en discussie daarover uit te lokken, "over de rug van de verdachte heen" zoals het dan wel heet.
Er is veel over Volkert
geschreven. Journalisten hebben zo hun eigen onderzoekjes gedaan. Ze hebben open
bronnen geraadpleegd, personen benaderd, portretten geschetst, foto's opgedoken
en gepubliceerd, waardoor iedereen de verdachte en zijn privé-omgeving heeft
kunnen leren kennen. Zijn mogelijke motieven, complottheorieën waarvan hij dan
een deel zou moeten uitmaken, ze zijn breed uitgemeten.
Maar, zoals ik al opmerkte, verdachte heeft rekening moeten houden met deze
publiciteitsgolf rond zijn persoon. Zij was voor hem voorzienbaar. Door Fortuyn
te vermoorden, in samenhang met het feit dat hij te midden van diverse getuigen
op heterdaad werd aangehouden, riep hij over zich af dat hij meteen en
onontkoombaar de bekendste van moord verdachte van Nederland werd.
Hoewel de feiten voor politie en OM vanaf de aanvang keihard waren, hebben wij
grote terughoudendheid betracht om de verdachte publiekelijk tot dader te
verheffen. Pas in de rechtszaal behoren dergelijke kwalificaties te worden
genoemd. In de publiciteit is ook te zien dat media vrij terughoudend zijn
geweest om Volkert meteen definitief als dader aan te wijzen, naar mijn
overtuiging juist ook omdat van de zijde van het OM geen mededelingen in die
richting kwamen.
Kortom, enerzijds is er enorm veel
publiciteit rond Volkert geweest (waar hij door deze daad als het ware om
gevraagd heeft), anderzijds zijn de media in het algemeen genuanceerd geweest in
hun stellingen over schuld en onschuld. De grootste publiciteit heeft zich
overigens geconcentreerd rond de pro-formazittingen; en daar is niets mis mee,
want juist daar konden de feiten en vragen in hun juiste context worden
gepresenteerd.
Ik ben van oordeel dat niet gezegd kan worden dat Volkert in de publieke
berichtgeving extra is 'afgestraft'. Er is geen reden voor een enigszins
matigende werking op de uiteindelijke strafmaat.
ad 2. beïnvloeding van de rechter of beschadiging van de verdachte door lekken uit het onderzoek
In correspondentie heeft de
verdediging een aantal malen gesuggereerd dat door politie of OM naar de media
is gelekt. Ik bestrijd dat met grote klem. Alle persberichten waarvoor het OM
verantwoordelijk is, zijn beschikbaar; daarbuiten is niets bekend gemaakt. De
tekst van het wellicht belangrijkste persbericht, nl. over de r-c-verklaring van
verdachte eind november, is in nauw overleg met de verdediging opgesteld.
Vanaf dag één is voor ieder die leiding heeft gegeven aan de opsporing en
vervolging in deze zaak, volstrekt duidelijk geweest dat júist in deze
mediagevoelige zaak voorzichtigheid troef moest zijn. Júist verweren op dit
terrein heb ik te allen tijde willen voorkomen.
Het zou te gemakkelijk zijn om met journalistieke verhalen te komen die hun
verhalen hebben gebaseerd op "bronnen rond het onderzoek" of
"justitiële bronnen". Een journalist kan dit eenvoudig, immers voor
niemand te controleren, opschrijven. De verdediging zal niet aannemelijk kunnen
maken dat er gelekt is, in die zin dat iets feitelijk wel door politie of OM
naar buiten is gebracht terwijl dat door mij openlijk wordt betwist.
Er zijn juist contra-indicaties voor het lekken vanuit dit onderzoek. Vrijwel
alles wat de schrijvende pers heeft uitgebracht en wat door de verdediging in
boze brieven aan mij werd toegedicht, had nauwelijks betekenis in het licht van
het strafrechtelijk onderzoek. Maar al ruim vóór de eerste pro-formazitting
van 9 augustus 2002 was bij mij en het gehele politieteam bekend dat het NFI het
DNA-profiel van het slachtoffer had ontdekt in celmateriaal op de linker
broekspijp van de verdachte. Daarmee was de verdachte definitief bij het
slachtoffer te brengen op de plaats en het moment van het misdrijf, en kon hij
zich dus nooit meer verschuilen achter een onbekende dader. Dit gegeven is,
hoewel het uiterst interessant materiaal voor de media was, nooit uitgelekt!
Tenslotte over dit punt, áls er al sprake zou zijn van onzorgvuldigheid van politie of OM in het publiek maken van onderzoeksgegevens, buiten de terechtzitting om - wat in deze zaak dus niet aan de orde is! - zou vervolgens, om er negatieve gevolgen voor de vervolging aan te kunnen verbinden, wel moeten worden vastgesteld dat de verdachte erdoor is beschadigd, dan wel dat de rechtbank er in ongunstige zin door is beïnvloed. Van geen van beide is in dit onderzoek überhaupt sprake
ad 3. beïnvloeding van het proces door publieke personen
Art.6 lid 2 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
zegt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt
gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze bepaling
richt zich primair tot de rechter.
De verdediging heeft bij de eerste pro-formabehandeling op 9 augustus 2002 het
volgende naar voren gebracht:
in het verlengde van deze bepaling ligt het zwijgrecht van de verdachte;
deze bepaling beoogt te voorkomen dat de verdachte al voor het vonnis als schuldige wordt behandeld;
en zij wil voorkomen dat de rechter op oneigenlijke wijze in zijn beslissingsproces wordt beïnvloed.
Wat er zij van de relatie tussen artikel 6 lid 2 en het zwijgrecht van de verdachte, dat zwijgrecht is in deze strafzaak voluit gerespecteerd. De verdachte is slechts een beperkt aantal (negen) keren aan een verhoor door de politie onderworpen, op momenten dat ik het noodzakelijk oordeelde hem met bepaalde onderzoeksbevindingen en -vragen te confronteren. Geen verhoor heeft langer dan enkele uren in de ochtend geduurd.
Wat betreft de vooronderstelling van onschuld: het OM heeft er alles aan gedaan om Volkert van der G. tot op dit moment te behandelen als een verdachte. Nadat ik op 9 augustus 2002 op de openbare terechtzitting de bewijsmiddelen van dat moment aan uw rechtbank had gepresenteerd, was te verwachten dat de media Volkert als schuldige zouden portretteren. Dat is op zichzelf niet onbegrijpelijk, de ernstige bezwaren logen er toen al niet om. Daar kan het OM niets aan doen.
Tot slot, en daar heeft de verdediging het grootste punt van gemaakt: is de bepaling van art.6 lid 2 in deze zaak geschonden door enige publieke autoriteit die zich in de openbaarheid over Volkert heeft uitgelaten? De raadsman heeft zich toen beroepen op de Europese jurisprudentie inzake Allenet de Ribemont (1995), Daktaras (2001) en Butkevicius (2002).
In de eerste zaak stelde het
Europees Hof vast dat een politieautoriteit bij de officiële persconferentie
naar aanleiding van de moord op een parlementslid, Allenet de Ribemont,
onomwonden één van de bedenkers van deze moord had genoemd. Hierdoor werd het
publiek aangemoedigd te geloven dat hij schuldig was en werd de rechter beïnvloed.
Dit was in strijd met art.6 lid 2. Voorlichting over een strafzaak moet het
vermoeden van onschuld altijd respecteren, aldus het Hof.
Deze zaak is in ons geval totaal niet van toepassing. Niemand van degenen die
bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken zijn geweest, heeft publiekelijk
uitgesproken dat de verdachte schuldig is. Alleen ikzelf heb op de zitting van 9
augustus 2002 een duidelijk standpunt over de ernstige bezwaren ingenomen.
Maar de verdediging doelt
eigenlijk ook op iets anders. Publieke figuren die níet voor de strafvervolging
verantwoordelijk zijn, zouden art.6 lid 2 óók kunnen schenden; parlementariërs
en ministers bijvoorbeeld.
In de Litouwse zaak van Daktaras stelde het Hof vast dat de "presumption of
innocence" niet alleen door de rechter in acht moet worden genomen, maar
ook door andere "public authorities". Op zichzelf een heel belangrijke
vaststelling, maar laten we wel kijken naar wat er in dit geval aan de hand was.
In deze zaak had de officier van justitie gesteld dat de schuld van de verdachte
op grond van het vooronderzoek wel bewezen was. Of de officier van justitie
daarmee het vermoeden van onschuld had genegeerd hing volgens het Hof af van de
context waarin hij die uitlating had gedaan, en de omstandigheden van het geval.
Wat was gebeurd? De officier van justitie had zijn stelling geponeerd tijdens
een strafrechtelijke bezwaarschriftprocedure tegen de dagvaarding. Het Hof vond
dat hij het woord "bewezen" ongelukkig had gekozen, maar ook gezien de
juridische context waarin de schuld of onschuld werd bediscussieerd door OM en
verdachte was er geen sprake van schending van art.6 lid 2.
Ook inzake Daktaras was dus geen sprake van andere, niet voor de vervolging van
strafbare feiten verantwoordelijke autoriteiten die zich hadden uitgelaten over
de schuld van een verdachte.
De laatste zaak betrof eveneens
een Litouwse kwestie. Butkevicius was minister van defensie en parlementslid, en
werd verdacht van oplichting. Tijdens het onderzoek maakte de Procureur-generaal
in een dagblad bekend dat er genoeg bewijs tegen de verdachte lag, en de
parlementsvoorzitter verklaarde daags daarna in die krant dat hij geen twijfel
had dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan strafbaar gedrag. Beide
autoriteiten hadden hun uitspraken kort daarna in kranten herhaald.
Het Hof benadrukt in zijn uitspraak dat het vermoeden van onschuld ook door ándere
publieke autoriteiten dan alleen rechters in acht moet worden genomen. Of een
verklaring al dan niet in strijd komt met art.6 lid 2 hangt af van de
bewoordingen, de context en de omstandigheden van het geval. Natuurlijk is
voorlichting over een strafzaak van belang, erkent het Hof, maar dat legitimeert
niet alles. De uitspraken van de Procureur-generaal konden door de beugel -
begrijpelijk: ze konden worden uitgelegd als de stelling van het OM dat er
genoeg bewijs was om tot een veroordeling te komen -, die van de voorzitter van
het parlement niet. In dit geval was van belang dat de voorzitter zijn
uitspraken meermalen had gedaan, in een periode kort na de aanhouding van de
verdachte. Daardoor konden die uitspraken worden uitgelegd als een bevestiging
van de schuld van de verdachte, die ertoe dienden het publiek te laten geloven
dat hij schuldig was, en de vaststelling van de feiten door de rechter te beïnvloeden.
Het is de vraag of zich in
Nederland iets soortgelijks heeft voorgedaan rond de verdachte Volkert van der
G. Ik meen van niet. Allereerst merk ik op dat niet iedereen die een publieke
functie vervult, een "public authority" is als waarop het Hof doelt:
leden van het parlement vallen daar m.i. niet zonder meer onder. De
"publieke autoriteit" moet zich naar mijn overtuiging wel bevinden in
een zekere logische lijn boven de opsporende of de vervolgende instantie, of een
duidelijke relatie tot de verdachte hebben, zodat aan de uitlatingen van die
autoriteiten, gelet op hun formele posities ten opzichte van de zaak, enig
gewicht kan worden toegekend. Inzake Butkevicius was dat de voorzitter van het
parlement waarvan de verdachte deel had uitgemaakt.
Als wij het onderzoek naar de verdachte Van der G. bezien kan niet worden gezegd
dat op enig moment een dergelijke publieke autoriteit openbare uitlatingen over
de schuld of onschuld van de verdachte heeft gedaan. De enige die in de buurt
komt was de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie H.Nawijn. Hoewel geen
Minister van Justitie, verantwoordelijk voor de vervolging, zit hij daar wel
dicht tegen aan, en is het denkbaar dat hij gezien zou kunnen worden als
publieke autoriteit in de zin van art.6 lid 2.
In de Nieuwe Revu van 20 november 2002 zei hij "ja" op de vraag of de
doodstraf ook in Nederland moet worden ingevoerd. Gevraagd naar het criterium:
"Als je bewust, bewúst, mensen van het leven berooft, zonder enige
reden". Op de vervolgvraag of Volkert van der G. daar dus ook onder valt,
antwoordde hij: "Uiteindelijk is dat natuurlijk aan de rechter, maar in
mijn optiek wel, ja". Meer woorden heeft hij er niet aan gewijd. Ze zijn
gedaan nadat de media, op basis van mijn opsomming van de ernstige bezwaren
tegen de verdachte, uitvoerig hadden bericht over de bestaande bewijzen tegen de
verdachte; de minister heeft er zijn persoonlijke conclusies uit getrokken. Zijn
woorden zijn echter op geen enkele wijze op één lijn te stellen met de
stellige bewoordingen waarin de Litouwse parlementsvoorzitter zich uitliet over
de schuld van Butkevicius, kort na diens aanhouding, in een onderzoeksfase
waarin die schuld nog allerminst kon worden vastgesteld. De woorden van Nawijn
kunnen moeilijk anders worden uitgelegd dan dat hij zich heeft uitgelaten over
een door hem persoonlijk in het algemeen voorgestane strafmodaliteit, die hij
ook toepasbaar vindt als de rechter Volkert van der G. schuldig bevindt. Ik acht
dat niet in strijd met art.6 lid 2. Wat andere publieke personen over de zaak
hebben gezegd - Janssen van Raaij over het complot en over de professionaliteit
van de schutter, en Teeven over de voorverkenning door en de geoefendheid van de
schutter, en de mogelijkheid van een mededader - komt wat mij betreft al
helemaal niet voor een toets in het kader van art.6 lid 2 in aanmerking. Zij
stonden in geen enkele relatie tot het onderzoek of de verdachte, zodat aan hun
woorden, daargelaten dat zij niet gaan over de schuld of onschuld van de
verdachte, in redelijkheid geen gewicht kan worden toegekend.
Overigens, natuurlijk is het niet
verstandig als publieke personen zich in de loop van een strafrechtelijk
onderzoek in de media uitlaten over de vermoedelijke toedracht, de voorbereiding
en professionaliteit van de dader, de strafmaat en dergelijke; typisch vragen
voor de feitenrechter. Maar we moeten er niet spastisch over doen. Wij leven in
een land en in een tijd waarin de openbaarheid van de strafrechtspleging van
zeer grote betekenis wordt gevonden. Nederlanders staan erom bekend dat zij
altijd snel commentaar hebben. Maar ook wíllen hebben. Geen ontwikkeling in
onze samenleving die boven de gemiddelde levensgebeurtenissen uitsteekt, of we
hebben praatprogramma's met deskundigen. In de commentaren op het onderzoek naar
de moord op Fortuyn speelde nog eens extra mee dat volgens velen een nieuwe
politieke wind door ons land moest gaan waaien: alles moest gezegd kunnen
worden, op de wijze die de spreker wilde.
Ik beschouw dit als een gegeven, waarbinnen ik mijn werk moet doen. Er zijn
grenzen aan die ongebreidelde commentaarzin, uiteraard. Art.6 lid 2 wil blijven
waarborgen dat een verdachte verdachte blijft; dat hij niet op voorhand al als
schuldige wordt behandeld door de rechter of een andere hoge autoriteit die een
stem heeft of lijkt te hebben in het hele beslissingsproces. Die grenzen zijn
echter in de strafzaak tegen Volkert van der G. voldoende in acht genomen. Niet
voor niets hanteert het Europees Hof de maatstaf dat naast de positie van de
publieke autoriteit, ook de bewoordingen, de context en de omstandigheden van
het geval bepalend zijn voor de vraag of art.6 lid 2 is geschonden. De
Nederlandse bewoordingen, context en omstandigheden kunnen dus zeer wel tot een
ander oordeel leiden dan in een Litouwse casus. En zij moeten dat ook doen.
In het verlengde van deze hele discussie ligt het feit dat wij in Nederland niet toe willen naar de situatie dat een verdachte al door de media is veroordeeld, voordat de rechter heeft gesproken. "Trial by media" wordt de situatie genoemd waarin een meer dan gemiddelde mediabelangstelling ertoe leidt dat de samenleving meer afgaat op het mediaoordeel dan het rechterlijk oordeel over de strafzaak. Dat kan meebrengen dat het publiek minder waarde gaat hechten aan het rechterlijk oordeel als dat niet overeenstemt met het oordeel dat in de media al is gegeven. En daarmee komt de legitimatie van de strafrechtspleging ernstig in discussie. Nogmaals: die ontwikkeling moeten wij nooit willen.
In de uit mediaoogpunt unieke strafzaak tegen Volkert van der G. hebben de media m.i. met voldoende oog voor de belangen van een zorgvuldige rechtspleging verslag gedaan van de ontwikkelingen. Enorme nieuwsgierigheid, hier en daar tot nieuws verheffen wat niets bijzonders is, speculaties, ongevraagde deskundige adviezen, het hoort er in een unieke zaak dan allemaal bij. Ik hoop alleen wel dat deze unieke vorm en omvang van aandacht beperkt blijft tot unieke zaken. Dat zij geen trend wordt. Volkert mag niet klagen over zo veel aandacht, dan had hij niet déze daad op dít moment moeten plegen. Zolang de aandacht voor een verdachte min of meer evenredig blijft aan de impact die hij met zijn daad op de samenleving heeft gehad, is er niets aan de hand.
Tot slot over dit punt: naar mijn overtuiging is uw rechtbank in deze strafzaak, gezien de wijze waarop u het onderzoek op de zittingen heeft verricht, op geen enkele wijze door wie dan ook beïnvloed op een manier die zou kunnen meebrengen dat u de verdachte niet tot op heden voor onschuldig heeft gehouden. In uw bewoordingen, uw reacties op verzoeken en standpunten van de verdediging en mij, in uw bejegening en ondervraging van de verdachte, heeft u er blijk van gegeven dat u zich niet heeft laten bevangen door de mediagekte en de uitspraken van wie dan ook rond dit proces, en de verdachte tot aan uw eindbeslissing verdachte laat.
Kortom, art.6 lid 2 is in dit onderzoek op geen enkele wijze geschonden.
5. De van belang zijnde elementen voor de strafmaat
eerst: het beslag
Vooraf formuleer ik mijn vordering
ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.
Alles wat met het wapen en de munitie te maken heeft, moet worden onttrokken aan
het verkeer: de voorwerpen sub 3, 4, 5 en 6. Dit op grond van art.36c sub 2e Sr.
Alles wat met de chemicaliën te maken heeft moet eveneens worden onttrokken aan
het verkeer: het gaat om de items onder 116 t/m 129. Dit op grond van art.36d
Sr.
Met de auto Toyota Starlet is het misdrijf sub 1 voorbereid; hij behoort te
worden verbeurd verklaard op grond van art.33a lid 1 sub c Sr.
de strafmaat
Moord is in Nederland allang geen
uniek misdrijf meer. Moord op een politicus in het heetst van de democratische
verkiezingsstrijd is dat wel. Het is daarom de vraag of op dit unieke misdrijf
een unieke straf moet volgen.
Vast staat dat iedere straf in een Nederlandse strafzaak moet worden gemotiveerd
vanuit de ernst van het bewezen feit, de omstandigheden waaronder het is begaan,
en de persoon van de verdachte, een en ander zoals daarvan tijdens het onderzoek
op de terechtzitting is gebleken.
Daarom geef ik uw rechtbank in overweging de volgende elementen bij het nadenken over deze drie aspecten van de strafmaat te betrekken.
met betrekking tot de ernst
Moord is een onherstelbaar
misdrijf, waarvoor de dader bewust heeft gekozen. Van de dader mag worden
verondersteld dat hij zich er rekenschap van heeft gegeven dat hij onherstelbare
schade aanricht voor het slachtoffer, en onpeilbaar leed berokkent aan de
nabestaanden. Dat de schade onherstelbaar is wordt veroorzaakt doordat de dader
het slachtoffer diens leven, het meest kostbare en kwetsbare bezit, afneemt.
Niemand heeft daartoe het recht.
Door de dood van Fortuyn zijn zijn naaste familieleden, verwanten en vrienden
plotseling een dierbare, die nog midden in het leven stond, kwijtgeraakt. Hoewel
wij leven in een tijd vol van geweld, en de veelheid ervan kan afstompen, moet
telkens weer gezegd worden dat het leed dat door een moord wordt veroorzaakt,
enorm is, en door nabestaanden levenslang wordt meegedragen. Wie dit misdrijf
begaat behoort alleen al hierom in het algemeen te rekenen met een zeer
langdurige gevangenisstraf.
De ernst van déze moord wordt in
belangrijke mate bepaald door het object ervan, en door de gevolgen die hij
heeft gehad.
In Fortuyn is een politicus vermoord, niet alleen als een politicus die zijn
uitgeproken mening verkondigde. Deze daad is na 6 mei 2002 veelvuldig een moord
op de vrije meningsuiting genoemd. Maar zij is veel meer en ernstiger. Fortuyn
stond op het punt een zeer belangrijke rol in het hart van het politieke
krachtenveld en democratisch proces te gaan vervullen; de peilingen waren
duidelijk, de datum voor de Tweede-Kamerverkiezingen was vlakbij. Verdachte
heeft dat proces, waarin het slachtoffer met zijn politieke beweging langs
democratische weg in opkomst was, onherstelbaar beschadigd, en dat ook beoogd.
In zoverre is dit een politieke moord.
De samenleving behoort trots èn zuinig te zijn op de democratie zoals wij die
kennen. Alleen daarbinnen kunnen burgers, met het oog op het landsbestuur, een
stem vinden voor hun opvattingen, en alleen dáárbinnen kunnen politieke
bewegingen opkomen (en al naar gelang de opvattingen in de samenleving zich
ontwikkelen, ook weer neergaan). Zo hoort het. En ook alleen zó.
Wie de uitzonderlijke daad begaat dat hij het hart van het democratisch proces
op criminele wijze en onherstelbaar doorboort, behoort ook uitzonderlijk
gestraft te worden.
Na de moord op Fortuyn is de
samenleving in meerdere opzichten aanzienlijk ontwricht: het politieke klimaat
is ernstig veranderd doordat persoonsbeveiliging voor politici en hun gezinnen
noodzakelijk werd, en veel burgers hebben lange tijd het angstige gevoel gehad
dat het uitkomen voor een meer uitgesproken mening of opvatting geweld zou
kunnen oproepen.
Kortom, door deze moord is de rechtsorde in uitzonderlijk ernstige mate
geschokt.
Tot slot, door ook nog iemand op
zijn vlucht te bedreigen met een pistool - waarvan later is vastgesteld dat het
met scherpe munitie was doorgeladen - heeft verdachte getracht aan zijn terechte
aanhouding te ontkomen. Hij heeft een man, die hem met niet alledaags maar zeer
prijzenswaardig verantwoordelijkheidsgevoel en grote moed op de hielen zat,
angst aangejaagd. Daarbij is het bezit van een vuurwapen, en van andersoortige
wapens (de 35 condooms met explosief brandbare inhoud), een ernstige schending
van de beginselen van onze rechtsstaat. Ik denk aan het beginsel dat mensen zich
veilig moeten kunnen voelen ten opzichte van hun medeburgers, en het beginsel
dat het geweldsmonopolie bij de Staat ligt.
Ook deze feiten zijn de verdachte ernstig kwalijk te nemen.
met betrekking tot de omstandigheden:
Verdachte heeft bij de uitvoering gehandeld als ware het een liquidatie. Hij bereidde zich voor op onopvallendheid. Tevoren bedacht hij hoe hij zich het best kon verschansen, en hoe hij het slachtoffer het best, nl. van achteren kon benaderen en neerschieten. Zo heeft hij ook gehandeld. Hij kwam uit het niets, en schoot in koelen bloede meermalen door een plastic tas heen. Na ieder schot moest hij, vanwege de terugslag van het wapen, opnieuw richten. Pas toen hij Fortuyn, die al na het eerste schot dodelijk was getroffen, vijf maal in hoofd, rug en nek had getroffen was het genoeg en rende hij hard weg.
Bij dit alles nam hij bewust het risico dat hij anderen in de onmiddellijke omgeving van het slachtoffer zou raken. Hij heeft echt bijna ook een ander mens (de heer De Wild) doodgeschoten. De laatste kogel ging door een tas voor diens hoofd, rakelings langs hem heen.
met betrekking tot de persoon:
Het was verdachtes bedoeling om
een politicus de mond te snoeren, die zijn mening binnen de kaders van de
democratie verkondigde, wiens opvattingen veelbesproken waren, en in wiens ideeën
zeer veel burgers zich herkenden. Fortuyn als politicus werd door velen gezien
als hun mond binnen het democratisch politieke proces. Verdachte maakte zelf in
zijn werk altijd - op het scherp van de snede - gebruik van de middelen die onze
rechtsstaat kent. Dat juist híj deze politicus, en daarmee de vertolker van de
gevoelens en opvattingen van veel mensen, de mond heeft willen snoeren op een zó
criminele wijze, die op geen enkele wijze past binnen datgene waarvoor hij zegt
te staan, is even onbegrijpelijk als onvergeeflijk.
Verdachte heeft zijn daad meermalen gerechtvaardigd. Het leed dat Fortuyn zou
brengen was veel groter dan het leed dat zijn dood zou teweeg brengen. De
verdachte heeft zich door (ook blijkens het PBC-rapport) ongefundeerde en irreële
opvattingen laten leiden tot een kille moord. Dat valt hem volledig en zeer
zwaar aan te rekenen.
De feiten zijn hem volledig toe te rekenen. Ik neem de conclusies van het PBC over. Verdachte aanvaardt zijn verantwoordelijkheid ook geheel. Misschien is dat het enige dat in hem valt te prijzen.
Verdachte is in alles berekenend
geweest. Zijn gedachten om tot de moord te komen, zijn voorbereidingen, zijn
handelingen op de dag van het feit, heeft hij met niemand gedeeld, en ook daarin
heeft hij het nodige gedaan om ontdekking te voorkomen. Hij had alles erop
gericht om ná de moord rustig en onopvallend verder te leven als harde werker
voor de VMO en als vader van zijn dochtertje.
Nadat hij was aangehouden heeft hij ervoor gekozen om eerst het totale onderzoek
af te wachten, om daarna pas met een daarop afgestemde verklaring te komen. Zo
kon hij erkennen wat erkend moest worden, en zwijgen over wat aan vraagpunten
nog open stond. En of zijn verklaring volledig naar waarheid is geweest, is in
dit proces niet komen vast te staan, zeker niet nu bekend is dat hij zijn
vriendin in detentie schreef dat zijn verklaring voor de rechter niet
noodzakelijkerwijs de waarheid zou hoeven te bevatten; zijn verklaring behoefde
wat hem betreft slechts functioneel te zijn.
Niet alleen ten aanzien van de feiten, ook bij zijn beweegredenen staat
berekening voorop. Hij heeft het leed door de dood van Fortuyn bijna als een
boekhouder gekwantificeerd, en lichter bevonden dan het leed dat Fortuyn als
politicus zou veroorzaken. Veel gevoel past daar niet bij, zoals uit de stukken
maar ook uit het onderzoek op de terechtzitting ruimschoots is gebleken.
Heeft verdachte spijt? Bij de
rechter-commissaris reageerde hij al vrij koeltjes (r-c blz.6): hij antwoordde
met 'ja en nee'. Hij dacht daarbij - en denkt nog steeds - vooral aan de
gevolgen voor zijn vriendin en kind, en voor organisaties die proberen de wereld
te verbeteren.
In zijn spijtbetuiging, waar hij toch al heel lang over had kunnen nadenken, en
waar hem toen voor het eerst in alle rust naar werd gevraagd, noemde hij niet de
nabestaanden en de verwerpelijkheid van zijn daad. Toen de rechter-commissaris
opmerkte dat hij de familie van Fortuyn niet had genoemd, reageerde Volkert vrij
zakelijk met: "Ik wist dat Fortuyn geen ouders, gezin of partner had. U
vraagt mij of dat een rol heeft gespeeld bij mijn beslissing om Fortuyn om het
leven te brengen. In die zin, dat als ze er niet zijn, er daar dus geen verdriet
kan ontstaan. Je kon wel verwachten, hoewel ik dat niet wist, dat Fortuyn broers
of zussen zou hebben. Niemand is alleen op deze wereld."
En dat was het dan.
Dat hij geen wezenlijke spijt, berouw of wroeging omtrent zijn daad heeft, is de afgelopen zittingsdagen meermalen gebleken. Verdachte is er van alle kanten over bevraagd, maar het komt niet over zijn lippen. En het kan ook worden afgeleid uit de opmerking bij de psychiater, dat hij "achteraf liever (had) gezien dat een ander de delicten had gepleegd" (PBC-rapport blz.76). Volkert vond het terecht dat Fortuyn dood is, en het maximale dat hij naar aanleiding van deze uitspraak heeft gezegd is dat hij nu twijfelt of hij dat nog zo vindt (verklaring zitting 31-03-03). Het in zichzelf te allen tijde verwerpelijke en ontoelaatbare van het doden van de heer Fortuyn, die hem niets had misdaan, ziet hij niet in.
Aan zijn voornemen om Fortuyn om het leven te brengen is geen morele worsteling of conflict vooraf gegaan, aldus het PBC-rapport (blz.48). De afwezigheid van morele twijfel moet worden gezien tegen de achtergrond van verdachtes bereidheid om de uiterste consequenties te trekken uit zijn politieke overtuigingen en principes (blz.56). Gezien verdachtes starheid in opvattingen laat het zich denken dat hij, bij het opkomen van een nieuwe politieke figuur in wie hij een gevaar voor de samenleving ziet, tot herhaling van een soortgelijk misdrijf in staat is. De straf moet mede tot doel hebben hem hiervan te weerhouden.
Volkert had de bedoeling om niet aangehouden te worden. Hij was voornemens terug te keren in de anonimiteit van zijn gezin, zonder ooit de moord op Fortuyn te claimen. Dat anderen van de moord beschuldigd zouden kunnen gaan worden, met alle mogelijke gevolgen vandien, deerde hem niet. In zoverre is zijn daad uitermate laf te noemen.
Alle gevolgen die de moord voor
verdachte heeft gehad, variërend van de enorme mediabelangstelling voor hem en
zijn gezin, tot de omstandigheden waaronder hij gedetineerd is geweest, zijn
voor hem in zekere zin voorzienbaar geweest. Over de aandacht van de media heb
ik het al gehad.
Volkert werd en wordt in detentie als mens en volgens de regels van onze
beschaving behandeld. Hij heeft vanaf het begin ingestemd met afgezonderde
detentie, om gevaar van derden jegens hem te vermijden. Dat de Minister van
Justitie, verantwoordelijk voor de kwaliteit van de rechtspleging in Nederland,
er alles aan gelegen was om verdachte in leven terecht te doen staan, is
begrijpelijk. Verdachte zweeg een half jaar, over alles, terwijl wel bekend was
dat hij ooit suïcidaal was geweest. En het was in redelijkheid voorzienbaar was
dat verdachte zich in zijn cel zou gaan afvragen of het leven bij de huidige
stand van zaken nog wel zinvol was. Ik wil hiermee zeggen dat het cameratoezicht
een redelijk doel heeft gediend. Het heeft ook niet geleid tot onmenselijke
omstandigheden. Waar verdachte zich erdoor bezwaard voelde heeft hij alle ruimte
gehad en benut om daartegen langs de geëigende weg op te komen.
Tot slot, verdachte heeft geen strafblad. Dit valt echter in het niet bij de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden. Dat hij een onschuldige partner en kind achterlaat is voor hem voorzienbaar geweest.
de eis
Bij de bepaling van mijn eis maak
ik de afweging tussen de hoogste tijdelijke en een levenslange gevangenisstraf.
Behoort deze verdachte, met nog een groot stuk leven vóór zich, na een
bijzonder langdurige gevangenisstraf ooit de kans krijgen om de rest van zijn
leven weer op de rails te zetten? Of heeft hij met deze kille moord úit
overtuiging en òm overtuiging, die in zijn ernst en gevolgen zo uitzonderlijk
is, zijn recht op vrijheid verspeeld?
Levenslange gevangenisstraf wordt in het algemeen opgelegd terzake meervoudige
moord, tenzij sprake is van soortgelijke recidive. Dat deze zaak zich voor die
straf niet zou lenen is op zichzelf niet juist, als bedacht wordt dat deze moord
in zijn object, zijn motief, en zijn gevolgen van uitzonderlijke ernst is, en
daarbij ook bijna een andere burger is omgekomen.
In mijn overwegingen betrek ik ook de strafdoelen. Deze moord is zonder precedent, en mag ook nooit meer plaatsvinden. Daarom behoort bij de strafdoelen die uw rechtbank moet overwegen, naast de vergelding van wat verdachte heeft gedaan, ook de algemene preventie. In mijn eis breng ik tot uitdrukking dat niemand het zich ooit in het hoofd moet halen om het voorbeeld van Volkert van der G. te volgen, om zo het democratisch proces in ons land op criminele en ondemocratische wijze te frustreren. Omdat de prijs die daarvoor betaald moet worden te hoog is.
Ik ben van oordeel dat de balans moet doorslaan naar de grote ernst en gevolgen van deze moord. In de weegschaal aan de zijde van de persoon ligt te weinig om hierover anders te denken. Zijn spijt is slechts gericht op de gevolgen voor zijn gezin, niet op het verwerpelijke en weerzinwekkende van wat hij heeft gedaan; voor oprecht, doorleefd en verdergaand berouw is het in dit proces te laat.
Een en ander brengt mee dat in deze zaak een tijdelijke gevangenisstraf niet kan volstaan, en dat de enig passende vrijheidsstraf is die van levenslange gevangenisstraf.
Amsterdam, 01 april 2003,
(w.g.)
J.Plooy,
officier van justitie.
Gevraagd of mijn geweld tegen Fortuyn naar mijn mening gerechtvaardigd is: Toen, ja. Nu vind ik het moeilijk om daarover een standpunt te bepalen.
Bron Requisitoir hoger beroep (vervolg)
De rechtbank acht herhaling niet
aannemelijk. Waarom wordt niet duidelijk.
Als men al een inschatting wil maken van de kans op herhaling kan men evengoed
komen tot de aanname dat het best weer zou kunnen gebeuren. Even oninvoelbaar
als verdachte tot deze daad is gekomen zou hij immers tot een soortgelijke daad
kunnen overgaan.
Hij oogt niet gewelddadig, maar de affiniteit met geweld is evident: de
explosieve condooms in de garage, de handleidingen op zolder, het lange jaren in
huis hebben van een pistool met munitie.
Verdachte heeft iets met wapens; hij heeft iets met geweld.
Tijdens zijn verhoren bij de rechter-commissaris doet hij de volgende
uitspraken:
Ik ben er ook niet trots op wat ik heb gedaan, je doet het ook niet zo maar; dit
was een exceptioneel geval. Met een exceptionele remedie? Ja.
………………
U vraagt mij of ik spijt heb van wat ik gedaan heb. Ja en nee. U vraagt mij wat
ik daarmee bedoel. Ik bedoel daarmee dat ik deze vraag niet gemakkelijk kan
beantwoorden. Ik denk er veel over na.
……………
Desgevraagd merk ik op dat het doden van een mens onder omstandigheden
geoorloofd kan zijn.
…………………
Gevraagd of mijn geweld tegen Fortuyn naar mijn mening gerechtvaardigd is: toen,
ja. Nu vind ik het moeilijk om daarover een standpunt te bepalen.
Ter zitting van de rechtbank laat hij zich als volgt uit:
Met betrekking tot het feit worstel ik nog steeds met de vraag of het middel wel
het doel rechtvaardigt. Destijds zag ik gevaar en dat was op zichzelf wel reëel.
………………
Ik zag het toen ook al als iets exceptioneels.
………………
Het stadium van de morele afweging was ik voorbij. Er was in mijn afweging geen
andere optie. Geweld gebruik je niet zomaar.
………………
Bij de aanschaf van het wapen wilde ik het in eerste instantie als afschrikking
gebruiken. Ik wilde ermee oefenen. Als afschrikking niet zou baten dan sluit ik
niet uit dat ik ermee wilde schieten.
……………
Ik denk niet dat ik schrok van het feit dat ik dit soort plannen kon maken. Het
belang van mijn gezin, van mijzelf en het werk prevaleerde.
………………
Fortuyn was op een bepaalde manier gewelddadig. Dat mocht beantwoord worden met
geweld van mijn kant.
……………
Ik heb met betrekking tot de methode meteen gedacht aan het vuurwapen.
……………………
Het uitgangspunt om geen mensen te doden is een goed uitgangspunt. Normaal
gesproken is het moreel verwerpelijk. Toen vond ik het wel moreel aanvaardbaar
en nu worstel ik met die vraag.
……………………
Geweld kan in zeer uitzonderlijke gevallen soms nodig zijn, maar veel vaker is
het niet te rechtvaardigen.
Dit laatste zegt verdachte in zijn laatste woord bij de rechtbank. Moet ons
geruststellen dat volgens verdachte geweld veel vaker niet te rechtvaardigen is?
Wanneer sprake is van een zeer uitzonderlijk geval, waarin geweld wel te
rechtvaardigen is, maakt verdachte immers zelf uit.
Verdachte ziet zichzelf als de maat der dingen en dat maakt hem gevaarlijk.
Zoals blijkt uit het verslag van het psychiatrisch onderzoek schakelt verdachte
lichamelijk en verbaal geweld gelijk. Het absoluut verwerpelijke van zijn daad
ziet hij niet. Geweld kan soms immers nodig zijn. Verdachte neemt uitdrukkelijk
geen afstand van zijn daad.
Dat blijft zo ter zitting van het hof.
Gevraagd naar zijn bedoeling bij de aanschaf van het pistool zegt verdachte
onder meer:
In het uiterste geval kun je het ook gebruiken.
Verdachte blijft worstelen met de vraag of de moord een fout was en probeert
middels abstracties een concreet antwoord te omzeilen.
Daarmee geconfronteerd blijft zijn standpunt:
Ik ben er nog niet uit.
…………………………
Ik ben er nog steeds mee bezig.
Gevraagd of hij het in een vergelijkbare situatie weer zo zou doen zegt hij:
Ik zou het zeker niet nog eens doen.
……………………………
Ik kan mijzelf achteraf verwijten dat ik over de consequenties onvoldoende heb
nagedacht.
……………………………
Geweld is een beroerd middel om je doelen te bereiken.
Daarnaast is het zo dat ik een flinke douw zal krijgen. De volgende keer zal ik
denken: ik heb mijnportie wel gehad.
……………………………
Ik vond dat er iets moest gebeuren. Het doel heiligde alle middelen.
Ook tegenover het hof distantieert hij zich niet van zijn daad.
Geweld is een beroerd middel, maar –zoals verdachte eerder stelde- het kan
soms nodig zijn.
De reden om het niet nog eens te doen is puur instrumenteel; hij heeft zijn
portie wel gehad.
Uit niets blijkt een overtuiging van het absoluut verkeerde van zijn daad.
En dàt is alleen begrijpelijk tegen de achtergrond van zijn ideologische
fanatisme. Zoals hij zich fanatiek inzet voor het milieu, is hij fanatiek in
alles waarvan hij een afkeer heeft. Fanatiek én extremistisch!
Hìj maakt wel uit wat nodig is.
Hìj maakt wel uit wat van belang is.
Dat laatste valt ook weer op bij het verhoor ter zitting van het hof aan de hand
van een simpel voorbeeld.
Op een vraag van de voorzitter waarom verdachte niet meteen gezegd heeft, dat
hij het wapen had gekocht van iemand van Turkse afkomst, volgt het antwoord dat
de etniciteit of de nationaliteit van iemand niet van belang is.
Verdachte ziet zichzelf als de maat der dingen.
Verwoede pogingen hem een teken van spijt te ontlokken zijn gestrand. In dit
geval was geweld immers nodig. In een volgend geval wellicht ook. Dat maakt
verdachte wel uit. De kans op herhaling is dan ook allerminst denkbeeldig.
Maar ook indien men zou willen aannemen dat verdachte niet nog eens
“getriggerd” zal worden door een uitgesproken persoonlijkheid en de maximale
straf derhalve uit het oogpunt van speciale preventie niet strikt noodzakelijk
zou zijn, laat dit de noodzaak van een maximale straf voor dit feit onverlet.
Alleen de maximale straf kan voorkomen dat met deze daad een trend wordt gezet
van terreur tegenover controversiële standpunten. Ook de generale preventie
vereist deze straf.
Met deze straf moet voor eens en voor altijd duidelijk worden gemaakt, dat een
daad als deze wordt gezien als de ultieme aantasting van de kern van onze
rechtsorde en dat daarop alleen de zwaarste reactie kan volgen.
Conclusie:
Overwegingen omtrent recidive rechtvaardigen niet verlaging van de straf.
Terugkeer in de samenleving
De grondgedachte waarop ons strafrecht is gebaseerd is en blijft de vergelding.
Straffen is vergelden. Andere strafdoelen spelen daarbij zeker een rol, zoals
speciale en generale preventie. Al die strafdoelen vereisen i.c. de maximale
straf.
Er is maar één strafdoel dat daaraan iets zou kunnen afdoen. Dat is het belang
van terugkeer van verdachte in de samenleving. Indien enigszins mogelijk moet
een straf ook dat doel dienen. Maar niet tot elke prijs. In dit geval is de
prijs daarvoor te hoog. Dit doel zou immers alleen gediend kunnen worden met een
tijdelijke gevangenisstraf.
Gelet op het thans bestaande maximum van 20 jaar in combinatie met de thans
bestaande regeling van de vervroegde invrijheidstelling zou dat neerkomen op een
vrijheidsbeneming van ruim 13 jaar.
Een detentie van ruim 13 jaar is een heel zware straf, maar doet geen recht aan
de gevoelens die verdachte met deze daad heeft teweeg gebracht. Gevoelens van
verdriet en woede bij de nabestaanden en bij de volgelingen van het slachtoffer.
Gevoelens van verbijstering, ontzetting, ontreddering, onrust en angst bij onze
hele samenleving. Gevoelens die nog steeds niet voorbij zijn. Aan het wegnemen
van die gevoelens moet de op te leggen straf bijdragen.
Dat kan alleen als die straf recht doet aan die gevoelens.
Conclusie:
Het belang van terugkeer in de samenleving rechtvaardigt niet verlaging van de
straf.
Conclusie met betrekking tot de subjectieve verwijtbaarheid:
De subjectieve verwijtbaarheid is maximaal en vergt derhalve de maximale
strafduur.
De geest van een gewoon mens en de banaliteit van het kwaad
“Het is buitengewoon moeilijk de geest van een gewoon mens te doorgronden.”
Dat is de titel van reflecties van rechtssocioloog Cees Schuyt naar aanleiding
van dit strafproces.
“Verdachte is een doodgewoon mens en zijn daad blijft onbegrijpelijk,
waarschijnlijk ook voor hemzelf”, aldus Schuyt, die verder stelt:
“Het kwaad lijkt hier zijn banaliteit te hebben behouden.”
Inderdaad lijkt het uiteindelijk een banale misdaad te zijn.
Des te erger, gelet op de gevolgen.
Des te belangrijker om het gewicht van deze misdaad in de straf tot uitdrukking
te brengen.
Het proces is nog niet ten einde. Hier in hoger beroep ligt opnieuw de zaak in
volle omvang voor. Opnieuw zal beoordeeld worden of een eis van levenslang
gerechtvaardigd is. Opnieuw moet een poging worden gedaan verdachte te
doorgronden. Opnieuw moet worden gespeurd naar het werkelijke motief.
Dat werkelijke motief zou wel eens ontleend kunnen worden aan de
gedragsrapportage.
Op basis daarvan ligt misschien niet zozeer een rationeel politiek motief voor
de hand, maar veel meer een irrationeel motief, dat als excuus politiek wordt
getint.
Ik memoreer de eerder door mij genoemde passage uit het verslag van het
psychologisch onderzoek, waarin het volgende wordt gesteld:
Het slachtoffer is voor hem het symbool van alles waarvan hij een afkeer heeft,
zoals opportunisme en ijdelheid, maar ook van alles wat hij zelf mist en waarop
hij bewust dan wel onbewust afgunstig is, zoals verbale kracht en het vermogen
anderen te enthousiasmeren.
Dit lijkt wel de kern.
Verdachte is een gewoon mens volgens de gedragsdeskundigen. Wellicht heeft hij
ook een gewoon motief.
Het blijft speculatief, maar zou het niet als volgt kunnen zijn.
In het fenomeen Pim Fortuyn ziet verdachte een combinatie van eigenschappen die
hijzelf ook heeft.
Net als hijzelf is het slachtoffer zeer intelligent, ambitieus, pragmatisch,
rationeel, analytisch, kritisch, eigenzinnig, rigide, koppig en compromisloos.
Heel anders dan hijzelf is het slachtoffer daarbij ook nog zelfbewust, sociaal
behendig, ongeremd, spontaan, extravert, temperamentvol, gepassioneerd, verbaal
begaafd en bedreven in het bespelen van sentimenten.
En al die eigenschappen, die door de verdachte naar ik aanneem smartelijk gemist
en misschien zelfs wel fel begeerd worden, zet het slachtoffer in, kennelijk met
succes, voor een in de ogen van verdachte verwerpelijk doel.
Verdachte moet dit aanzien, terwijl hijzelf met alle wèl met het slachtoffer
gedeelde kwaliteiten niet verder komt dan een Melkertbaan, die hij ternauwernood
aankan en een zeer bescheiden huiselijk leven te Harderwijk, waarvoor hij te
weinig tijd heeft.
De dagelijkse confrontatie met het fenomeen Pim Fortuyn in de aanloop naar de
verkiezingen, juist in de periode waarin de combinatie van werk en vaderschap
hem te veel dreigt te worden, moet voor verdachte een tantaluskwelling zijn
geweest. Daaraan moet en zal hij ontkomen. Hij moet zich sterker tonen. En
aangezien voor verdachte vanuit zijn fanatiek extremistische levenshouding
verbaal geweld gelijk is aan fysiek geweld ligt de oplossing voor de hand. Het
wapen op zolder! Het slachtoffer is om op te schieten en dat is wat hij gaat
doen. Hij gaat de daad bij het woord voegen. Hij is pragmatisch. Opeens is hij
heel ontspannen en losjes. Opeens is hij weer zelfverzekerd.
Niet te lang nadenken. Niet te veel nadenken. Het mag geen project worden. Blik
op oneindig en verstand op nul.
En achteraf….Het voelt als een bevrijding. De last van het dagelijks leven,
dat niet is zoals zou passen bij zijn vele kwaliteiten, is eraf. Hij begint met
een blanco lei. Zijn wereldje is weer overzichtelijk.
Het fenomeen, maar meer nog het spook dat hem heeft geteisterd is uit de weg
geruimd.
Hij probeert te ontkomen. Hij wil gewoon verder in zijn kleine, opnieuw
overzichtelijke wereldje, maar nu met de wetenschap dat hij toch sterker is dan
zijn kwelgeest.
Maar hij wordt gepakt. En in zekere zin is dat een opluchting. Hij beseft dat
zijn wereldje na deze daad nooit meer overzichtelijk kan zijn.
Anders dan Yigal Amir, de dader van de aanslag op Rabin, had verdachte achteraf
liever gezien dat een ander het had gedaan. Maar gebeuren moest het!
Wenst verdachte echt dat een ander het had gedaan? Verdachte was uiteraard
liever niet gepakt. Hij had graag na de daad zijn leventje voortgezet met vrouw
en kind, ongehinderd door zijn persoonlijke kwelgeest Pim Fortuyn. Maar zijn
ultieme overwinning is en blijft dat hìj en niet een ander deze onverdraaglijke
levenskunstenaar definitief heeft uitgeschakeld.
Natuurlijk heeft verdachte geen spijt. Het moest immers gebeuren. En hìj moest
het doen!
Hij vindt zijn daad niet verwerpelijk, integendeel!
Hij was liever niet gepakt, maar hij heeft het er graag voor over. Op een
zorgvuldig voorbereide en uitgevoerde aanslag volgt een vlucht waaraan duidelijk
geen aandacht is besteed.
Het moest gebeuren en hìj moest het doen!
Het blijft speculatief, maar verdachte’s motief zou wel eens een persoonlijk
motief kunnen zijn met een politiek gelegenheidstintje.
Een irrationeel motief van een gewoon, volledig toerekeningsvatbaar mens; van
iemand die geweld soms nodig acht en daarmee vertrouwd is vanuit het actiewezen.
Een irrationeel motief, ingegeven door frustraties van een normaal mens.
Frustraties waaraan het slachtoffer part noch deel had. Het slachtoffer was
gewoon zichzelf en kwam uit voor zijn eigenschappen, ook de minder aangename, en
voor zijn standpunten, ook de aanvechtbare.
Dat moet kunnen in onze samenleving. Het is de kracht van onze samenleving,
waarin gevaarlijk extremisme juist dankzij de mogelijkheid gehoord te worden
nimmer onaanvaardbare vormen heeft aangenomen.
Het is die kracht die hier fel verdedigd moet worden met het allersterkste
middel, dus met de hoogste straf voor degene die deze kracht onherroepelijk
heeft aangetast, uit welk motief dan ook.
Ongeacht het motief, algemeen dan wel beperkt politiek, irrationeel persoonlijk
of geheel afwezig, past hier de hoogste straf.
Zekerheid omtrent het werkelijke motief is er nog steeds niet en zal er wellicht
nooit komen.
Zekerheid over het absoluut verwerpelijke van deze daad is en blijft er wel.
Met mijn betoog hoop ik duidelijk te hebben gemaakt dat het openbaar ministerie
in deze zaak allerminst automatisch, maar slechts met de grootste
terughoudendheid, na scrupuleuze weging van alle factoren, de allerhoogste straf
heeft geëist en weer zal gaan eisen.
Ook hoop ik daarmee te hebben aangetoond waarom de allerhoogste straf in dit
geval de enige passende straf kan zijn. Een straf die zal moeten benadrukken hoe
zwaar de Nederlandse samenleving tilt aan een dergelijke extreme inbreuk op het
democratisch bestel. Een straf dient immers niet alleen gebaseerd te zijn op het
heersende strafklimaat, maar zal dat strafklimaat ook moeten vorm geven voor de
toekomst. Hier past een signaal. Alle seinen moeten op rood bij elke gedachte
aan een soortgelijke daad!
CONCLUSIE
Dit is geen gewone moord. Het is een moord op een politicus èn op de vrijheid
van meningsuiting.
Dit is een paradoxale daad. Onder het mom van bescherming van de democratische
rechtsstaat heeft de verdachte het meest ondemocratische gedaan dat denkbaar is.
In het heetst van de verkiezingsstrijd heeft hij een politicus vanwege diens
denkbeelden letterlijk monddood gemaakt.
Hij heeft daarmee het functioneren van onze democratie ondermijnd.
Dit is geen gewone verdachte.
Het is een verdachte die zelf bepaalt wanneer geweld gerechtvaardigd is.
Die dat geweld toepast op de grofst denkbare wijze.
Die zich vervolgens langdurig hult in stilzwijgen.
Die heel veel later summier zijn motief schetst.
Die dat motief baseert op het belang van de samenleving.
Die vervolgens bepaalt dat de waarheid voor diezelfde samenleving niet
belangrijk is.
Kortom, die zichzelf ziet als de maat der dingen.
Dit is geen gewone zaak.
Het is een zaak die in Nederland geen precedent heeft, een unieke zaak. Dat
neemt niet weg dat ook op deze unieke zaak gewoon recht gedaan moet worden.
Dat betekent dat alle overwegingen die bij elke straftoemeting een rol spelen de
revue moeten passeren en vervolgens moeten leiden tot een bij deze zaak passende
straf.
Al die overwegingen heb ik in dit requisitoir uiteengezet.
Op grond van die overwegingen kom ik tot de enige passende straf.
De enige straf die kan bijdragen aan herstel van de door deze moord zo zwaar
geschonden maatschappelijke orde.
Dat is een levenslange gevangenisstraf.
Verdachte heeft een politicus in verband met diens opvattingen definitief tot
zwijgen gebracht en uit de weg geruimd.
Daarop dient een verwijdering van verdachte uit de samenleving te volgen.
Verdachte heeft een politieke moord gepleegd en daarbij past een levenslange
gevangenisstraf.
Mijn requisitoir strekt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en tot
veroordeling van verdachte terzake van het hem telastegelegde tot een
levenslange gevangenisstraf.
Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" ‘Niemand moet het ooit in z’n kop halen om nog een keer zoiets te doen’
Den Haag, 15 april 2003
In Opportuun, het maandelijks verschijnend magazine van het Openbaar Ministerie (OM), verschijnt volgende week een interview met mr. Koos Plooy, de officier van justitie in de zaak tegen de moordenaar van Pim Fortuyn.
Op de landelijke internetsite van het OM (www.om.nl) vandaag reeds de voorpublicatie van dit interview.
‘Niemand moet het ooit in z’n kop halen om nog een keer zoiets te doen’
Officier van justitie Koos Plooy weet nog precies wat hij aan het doen was toen hij op 6 mei 2002 hoorde van de aanslag op Pim Fortuyn. ‘Ik zat thuis het journaal van 6 uur te bekijken, zoals veel Nederlanders, denk ik. Aan het einde van de uitzending werd als een soort laatste nieuws gezegd dat Fortuyn zou zijn neergeschoten.’ Plooy beleefde die avond zoals veel landgenoten: in verbijstering over de gebeurtenissen. De volgende dag kreeg hij van zijn parketleiding de vraag of hij de zaaksofficier wilde worden van deze zaak die ‘heel Nederland’ bezig hield. Dat wilde hij graag. ‘Begrijp me niet verkeerd. Dat bedoel ik professioneel gezien. Het is prachtig om als officier van justitie sturing te geven aan een dergelijk grootschalig en diepgaand onderzoek. Ik realiseerde me meteen dat de zaak een enorme impact had en dat heel Nederland zou meekijken. Dat trok me aan. Ik doe graag grote onderzoeken die iets nieuws bieden ten opzichte van mijn vorige onderzoeken. Het liefst steeds gecompliceerder.’ Koos Plooy, veertig jaar, 11,5 jaar officier van justitie, daarvoor zes jaar raio. Van 1985 tot en met 1998 werkte hij op het parket in Utrecht, in 1998 werd hij door de toenmalige Amsterdamse hoofdofficier Vrakking gevraagd over te stappen. In de hoofdstad ging hij meteen zware criminaliteit doen.
Leverde de zaak-Fortuyn hem landelijke bekendheid op, het was bepaald niet zijn eerste grote zaak. De bekende liquidaties in de hoofdstad, de zaak Charles Z. en het wapenarsenaal van Mink K., Plooy was zaaksofficier. ‘Ik wil niet onbescheiden zijn, maar ik heb in de afgelopen jaren een aantal zaken mogen doen die veel belangstelling trokken. We werken op het Amsterdamse parket überhaupt vrij vaak onder druk en aandacht van de media. Ik heb er dus aan kunnen wennen. Het is even slikken als je voor de eerste keer met zoveel belangstelling wordt geconfronteerd, maar ik heb er in dit onderzoek geen hinder van ondervonden.’
Plooy oogt op zijn kamer op het parket niet anders dan op televisie. Een stel heldere ogen in een vertrouwenwekkend gezicht, een kuif die terugkomt in alle rechtbanktekeningen en antwoorden die even afgewogen als to-the-point zijn. Hoe ga je om met een zaak waarover ‘heel Nederland’ een mening heeft? ‘Tja, ik heb veel gevraagde en ongevraagde adviezen gekregen. Gevraagd vooral van mijn collega’s Theo Hofstee en Frits Posthumus. Die hebben steeds meegedacht, meegelezen, mee gewikt en gewogen. En ongevraagd vooral vanuit de media. We kregen in het begin veel kritiek dat we te weinig vertelden aan de buitenwereld. Met name rond de zittingen kreeg ik via de media veel adviezen van deskundigen hoe ik het zou kunnen of moeten aanpakken. Ik heb het meeste niet eens gelezen. Expres niet. Vanaf het begin heb ik mijn eigen lijn bepaald. Ik wilde zo min mogelijk naar buiten brengen van wat er gebeurde, ik vond dat ik dat op de zitting moest vertellen. Voorzichtigheid was troef. Ik wilde de verdediging niet in de kaart spelen door allerlei dingen in de krant te laten zetten. Mijn bedoeling was om op de eerste pro-formazitting duidelijkheid te verschaffen. Dat zag je ook terug. Die enorme hoeveelheid bewijsmiddelen, overweldigend, waterdicht. Dat had een grote impact, precies mijn bedoeling. Ik wist: dán kijkt en luistert heel Nederland. Daar wilde ik het in mijn eigen bewoordingen kunnen zeggen. De mensen mochten dan zelf hun conclusie trekken. Dat werkte.’ Ook het requisitoir was gericht op een breed publiek. ‘Een requisitoir is normaal vooral gericht op de rechter. Want díe wil je overtuigen. Doorgaans laat je veel van wat op de zitting is besproken weg in het requisitoir, omdat de rechter dat wel weet. Dat was nu anders. Hier speelden veel dingen waarvan het publiek recht had die te weten.’
Complottheorieën
Terug naar het begin. De opdracht als zaaksofficier. ‘Het bewijs was overweldigend. Dat was ook niet de moeilijkheid. Mijn opdracht was echter ook iets te onderzoeken waarvan we niet wisten of het er was. Namelijk: zijn er meerdere daders of heeft hij het alleen gedaan? Er waren geen concrete aanwijzingen dat er meerdere daders waren, maar we wilden het zeker weten. Zo zeker als mogelijk. In strafvorderlijk opzicht was dat een uitdaging. Strafvordering is toegesneden op situaties waarin een redelijke verdenking van iets bestaat, niet zozeer op gevallen waarin je moet zoeken zonder concrete aanwijzingen. Wij hebben met een grote mate van creativiteit het uiterste gedaan om in de ruime omgeving van de verdachte onderzoek te doen, met toepassing van bijzondere bevoegdheden zoals tappen en observeren. Dat is behoorlijk gelukt. Bij zo’n onderzoek stuit je dan wel op de grenzen van je strafrechtelijke mogelijkheden. En je komt er achter dat je eigenlijk vooral dingen kunt aantonen of aannemelijk maken, maar vrijwel nooit iets helemaal kunt uitsluiten.’ En dat brengt hem op de moeilijkste opdracht die hij impliciet meekreeg. ‘Mijn belangrijkste opdracht was in feite ervoor te zorgen dat er aan het eind van het onderzoek geen echt openstaande vragen meer zouden zijn. Er waren vanaf het begin geen aanwijzingen dat er meer daders waren, maar er waren wel veel complottheorieën. De opdracht was om die maatschappelijke onrust weg te nemen. Of ik daarin ben geslaagd? De tijd zal het leren. Ik heb op de zitting laten zien wat we allemaal hebben gedaan, en wat we daarbij hebben gevonden. Hier zullen we het mee moeten doen. Ik heb overigens na de zitting vrijwel niets meer gelezen over die complotten. Eén krant vroeg zich nog af of ik dan dacht dat de CIA Volkert giraal zou betalen. Tsja. Zelf vind ik dat we deze opdracht voldoende hebben uitgevoerd. In mijn requisitoir heb ik aangegeven waarover nog enige twijfel kan bestaan. Bijvoorbeeld of iemand geweten heeft van hetgeen Van der G. van plan was te doen. Dat beetje twijfel komt doordat de hele waarheid alleen in het hoofd van de verdachte zit, en hij volgens mij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Zijn verklaring maakte een op het dossier afgestemde indruk. Daar is met het oog op een vonnis op zichzelf niet zoveel mis mee. Maar als je zegt: ik wil dat er geen vragen na dit onderzoek overblijven, dan blijft dit toch een beetje hangen.’ Is dit niet toch een beetje frustrerend? ‘Nee, ik ervaar dat zeker niet zo. En dat heeft te maken met het totaalbeeld vanuit het onderzoek: het was een éénmansactie. Dat was ook gedragskundig te verklaren. De zeer belangrijke rapportage van het Pieter Baan Centrum gaat er ook uitgebreid op in. Het tactische èn het gedragskundige onderzoek wijzen op een éénmansactie en dat past bij het beeld dat ik van de verdachte heb gekregen uit de verhoren en op de zittingsdagen. Ik zou wèl gefrustreerd zijn als ik het vermoeden zou hebben dat er in verband met deze moord nog een hele wereld achter Van der G. schuil gaat die ik totaal niet ken. Maar dat gevoel heb ik niet. Sterker: ik heb geen redenen te vermoeden dat het zo is. De overgebleven mogelijkheid dat iemand toch geweten kan hebben wat hij van plan was, dat vind ik niet frustrerend. Het is veel frustrerender als er een moord is die je maar niet kunt ophelderen. De moord op Sam Klepper bijvoorbeeld die na 2,5 jaar nog niet is opgelost.’
Menselijk gevoel
Plooy heeft door het intensieve onderzoek een goed beeld gekregen van de persoon van de dader. Maar dat heeft er niet toe geleid dat hij enig begrip kreeg voor de daad of de dader. ‘Ik heb een meer dan gemiddeld inzicht in zijn persoon en achtergrond. Er blijven echter blinde vlekken. Hij is zelf ook niet spraakzaam. Van der G. is een beetje een black box van gevoelens. Of die ontbrekende gevoelens nou van wezenlijke betekenis zijn? Zijn denkwereld en zijn manier van redeneren staan dermate ver van mij af dat ik nog steeds niet kan begrijpen waarom hij het heeft gedaan. Wat ik vooral niet begrijp is waarom hij geen alternatieven heeft gezocht om Fortuyn te bestrijden. Juist iemand als hij die afkomstig is uit de wereld van alternatief actie voeren. Juist iemand als hij die de juridische wegen kent als geen ander. Ik heb al die tijd geen enkel alternatief gehoord. Hij heeft verklaard dat er geen alternatieven waren, maar hij heeft ze volgens mij niet eens overwogen. Hij heeft vrij direct de beslissing genomen: Fortuyn moet dood. Dat begrijp ik niet van iemand die zegt pacifistisch van aard te zijn.’
Het was je eerste eis tot levenslang. Vond je het moeilijk om aan de rechter te vragen iemand voor de rest van zijn leven op te sluiten? ‘Nee’, klinkt het zeer beslist. ‘Dit is een vraag die je op twee niveaus kunt beantwoorden. Als officier en als mens. Als officier had ik er geen moeite mee. We hebben de strafmaat heel kort voor het begin van de zitting besproken binnen het parket. Uit elk team heb ik een officier gevraagd mee te denken. Na een korte presentatie en de discussie kwam het beeld naar voren dat er een breed draagvlak was voor de eis van levenslang. Ik heb ook ad hoc nog een aantal collega’s uit het land geraadpleegd. Ook daar vond ik een groot draagvlak voor deze eis. Alle argumenten uit die gesprekken vind je terug in mijn requisitoir. Het zijn argumenten die breed leven binnen het OM. Dat geeft een zekere steun. Overigens blijkt inmiddels uit Nipo-onderzoek dat 65 procent van de bevolking het met deze eis eens is.’ Er is ook een andere kant van de weegschaal. ‘Van der G. is niet de traditionele zware crimineel die zijn gruwelijke misdrijf koppelt aan een lang strafblad. Hij past niet in het rijtje waarvan je zegt: levenslang is zonder meer op zijn plaats. Zoals bijvoorbeeld Louis H., die is veroordeeld voor de moord op de twee kinderen van zijn ex-vriendin. Gruwelijke daad, tegen de klippen op ontkennen, een fors strafblad. Dan zegt iedereen al snel: levenslang, punt uit. Hier paste veel meer afweging.’ Plooy schakelt in zijn afwegingen zijn menselijke gevoel zeker niet uit. ‘Officier van justitie is een verantwoordelijk vak, dat brengt dus grote verplichtingen met zich mee. Dat heb ik van huis uit meegekregen. Bij ernstige misdrijven probeer ik mij altijd te verplaatsen in de positie van de verschillende betrokkenen. Slachtoffer, nabestaanden, maar ook in die van de verdachte. Hoe moet het zijn om daar zo te zitten? Ook de reactie van de samenleving telt mee. Die reageerde enorm geschokt op deze moord. Je bent nooit alleen maar officier. Je bent geen machine, geen stijve wetstoepasser. Als mens behoor je je te verplaatsen in de gevoelens van alle mensen die samenkomen in zo’n procedure. Dat maakte het wel moeilijk met deze eis. Niet in de zin dat ik er twijfels bij had. Maar ik realiseerde me verdomd goed wat ik deed toen ik de eis van levenslang uitsprak.’
Argumenten
Drie argumenten gaven voor hem de doorslag om de zwaarst mogelijke straf te eisen. ‘Ten eerste het feit dat Van der G. doelbewust het democratisch proces naar zijn hand heeft willen zetten; ‘Ik, Van der G., beïnvloed de geschiedenis’. Dat heeft hij ook beoogd. Dat is hoogst uniek en ergerlijk.” De tweede reden is dat Van der G. tot op het laatst geen inzicht heeft getoond in het moreel verwerpelijke van zijn daad. ‘Iedereen vroeg zich af of hij spijt zou betuigen over zijn daad. Als hij op de zitting plotseling daaraan had toegegeven, zou hij over zich afroepen dat men zou zeggen: ja, ja, nu komt het hem uit, lekker gemeend. Maar daar ging het mij ook niet zozeer om. Het ging mij erom of hij kon zeggen dat het achteraf gezien toch volstrekt verwerpelijk was wat hij had gedaan. Maar dat kwam er niet uit. Hij vond het nog steeds moreel verantwoord dat je onder bijzondere omstandigheden iemand doodt. Het derde argument was de generale preventie. Van der G. is een calculerende dader. We moeten het niet nog eens hebben dat iemand gaat denken: als twintig jaar celstraf het maximum is, is dat in de praktijk 13 jaar en 4 maanden, dan ben ik er vanaf. Dat heb ik er wel voor over als ik daarmee een in mijn ogen gevaarlijke politicus kan elimineren.’ Ben je met een eis van levenslang teleurgesteld als een rechterlijk college niet verder gaat dan 20 jaar? ‘Nee, dat kan ik zo niet zeggen. Het is een zaak met een uniek karakter, zonder vergelijkingsmateriaal. Ik heb bovendien de wijsheid niet in pacht. Het zal afhangen van de motivering van de rechter. Het is meestal zo dat je je als officier in de ene motivering wel kunt vinden, in een andere minder. Ik zou het wel een teleurstelling vinden als er uiteindelijk een veel lagere straf uitkomt. Waarom? Omdat niemand het ooit in z’n kop moet halen om nog een keer zoiets te doen.’
Had je het gevoel dat je het, gezien de publieke opinie, nog kon maken om 20 jaar te eisen in plaats van levenslang?
‘Ja’, zegt hij zonder enige aarzeling. ‘Als ik ervan overtuigd was geweest dat dat de juiste straf was, dan had ik dat gemotiveerd gevraagd. Ongeacht of mij dat afkeuring had opgeleverd. Ik vond de geluiden voorafgaand aan de zitting van strafrechtwetenschappers en advocaten juist heel genuanceerd. Je sluit je ogen natuurlijk niet voor de publieke opinie. Die heeft een invloed. Het is een van de vele factoren. Je mag als OM nooit zeggen: beste burger, wij magistraten bedenken in onze ivoren toren wat het beste is, u hoort van ons. Het is echter ook zo dat in deze zaak iedereen om een bepaalde straf riep. Je moet als officier van justitie goed weten wat er leeft. Niet iedereen die ik in vertrouwen heb geraadpleegd zat op levenslang, daar zijn dus ook argumenten voor. Ik heb de argumenten voor en tegen heel scherp op een rijtje gezet en daaruit op het laatst een gemotiveerde keuze gemaakt. Dat heb ik duidelijk gemaakt aan de rechter. Als die er dan anders over denkt, dan zij dat zo.’
In een reactie op het vonnis zei Koos Plooy vandaag 'niet teleurgesteld' te zijn: ,,Het blijft een strafzaak zonder vergelijkingsmateriaal, verschil in waardering van strafmaatoverwegingen blijft mogelijk. De strafmaat is wel bovengemiddeld, de rechtbank heeft dit niet gezien als een 'gewone' moord, zoals door de verdediging bepleit. Al vind ik mijn eis nog steeds gerechtvaardigd." ,,De rechtbank heeft een aantal van mijn overwegingen voor de strafmaat overgenomen, zij het iets anders gewogen dan ik heb gedaan. Gelukkig is ook vastgesteld dat, anders dan de verdediging stelde, er geen sprake is van strafverminderende 'verzuimen' in het vooronderzoek."
Pim Fortuyn REQUISITOIR van de officier van justitie te Amsterdam in de strafzaak tegen (parketnr.13/123078-02)Volkert VAN DER G.
REQUISITOIR
van de officier van justitie te Amsterdam in de strafzaak tegen
(parketnr.13/123078-02)
Volkert VAN DER G.,
geboren op 09 juli 1969 te Middelburg,
wonende te Harderwijk,
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Demersluis te Amsterdam,
ter terechtzitting van 1 april 2003.
President, Edelachtbaar College,
Inleiding
Waarom had Volkert bij zijn aanhouding een bivakmuts op zak? Waarom had hij zich die ochtend niet geschoren, hoewel hij het zó belangrijk vond om bij de uitvoering van zijn moordplan qua kleding en oorringen niet op te vallen, en terwijl hij een stoppelbaard juist wel te opvallend vond (r-c blz.16 en 18)?
Waarom vertelde Volkert aan de politie dat een latex handschoen helemaal stuk gaat als je daarmee in de bosjes tussen takken en wortels graaft (VERD/47), terwijl zijn handschoenen níet stuk waren (verklaring zitting 27-3-03), maar slechts het linker pinktopje miste?
Waarom kan hij zich niet herinneren hoe hij zich zijn laatste avond, nacht en ochtend thuis heeft gevoeld (verklaring zitting 27-03-03)?
En waarom heeft de verdachte zich voor zijn motief beroepen op zijn politieke betrokkenheid en bezorgdheid voor kwetsbare groepen in het algemeen?
Vragen. Naast talloze antwoorden, die er gelukkig ook zijn; antwoorden die voor de vragen naar bewijs, strafbaarheid, schuld, en straftoemeting van groot belang zijn. Daarvoor lijken misschien sommige overgebleven vragen, wat minder essentieel. Toch zal in de loop van mijn betoog duidelijk worden dat, bij de vele heldere antwoorden die ons onderzoek heeft opgeleverd, een aantal vragen is blijven openstaan, waarvan de antwoorden van betekenis zijn. Sommige, zoals die over zijn motief, voor de strafmaat. Alle andere in elk geval ook voor de geschiedschrijving. Ik weet, het strafproces is daar niet in de eerste plaats voor bedoeld. maar deze zitting is wel dé gelegenheid bij uitstek om alle vragen over de verdachte, zijn drijfveren en zijn handelingen met betrekking tot deze moord - die enig in zijn soort is en waarover dus nog lang zal worden geschreven - zo veel mogelijk op tafel te leggen en te beantwoorden. De samenleving die als geheel bijzonder geschokt is geweest, heeft daar recht op en belang bij. In al mijn kritische vragen aan de verdachte ben ik bezig geweest met mijn taak: waarheidsvinding.
Vanaf 6 mei 2002 heeft een groot team vanuit verschillende politiekorpsen diepgaand onderzoek gedaan naar de moord op de politicus Pim Fortuyn. Met sterk gevoel voor de vele vragen vanuit de samenleving, en vanzelfsprekend uiterst gemotiveerd, is met grote precisie gespeurd naar het antwoord op de volgende vragen:
is deze verdachte de dader, en de énige dader?
wie is hij eigenlijk precies?
vanuit welk motief of welke context heeft hij de moord beraamd?
zijn wellicht anderen betrokken geweest bij zijn plan, of daarvan op de hoogte geweest?
De belangrijkste antwoorden zijn gevonden; ik ga daar uiteraard dieper op in. Maar het is natuurlijk onontkoombaar dat niet àlles met 100% zekerheid kan worden beantwoord. Strafrechtelijk onderzoek is in het algemeen niet geschikt om in absolute zin zekerheden op álle vragen te krijgen. Sommige antwoorden liggen uitsluitend in het hoofd van een verdachte. Zelfs in dít feitenonderzoek zitten een paar kleine onzekerheden (zoals de nacht van 5 op 6 mei 2002, en de werkelijke drijfveren van verdachte). Maar ik zeg er meteen bij: die onzekerheden zijn voor uw uiteindelijke beoordeling over bewijs en schuld niet van belang.
Voor mij is na dit onderzoek één vraag blijven leven: heeft Volkert in zijn verklaringen bij de rechter-commissaris, en later de politie en uw rechtbank, volledig de waarheid verteld over de toedracht van de moord en zijn motief?
Als aannemelijk zou worden dat hij over - misschien kleine - onderdelen van zijn verhaal onwaarheid heeft gesproken, en ook waarom hij dat heeft gedaan, zegt dat wel iets over zijn persoon, en is dat in zoverre van belang voor uw eindoordeel. En, ik zei het al, het is ook van belang voor de wijze waarop hierna nog over de toedracht en achtergronden van deze moord zal worden geschreven.
Ik zal in mijn requisitoir in het bijzonder aandacht besteden aan de volgende onderwerpen:
hoe is in dit opsporingsonderzoek antwoord gevonden op de vragen die werden gesteld?
wat is, voor zover hier van belang, vóór en op 6 mei 2002 exact gebeurd?
het bewijs van de tenlastegelegde feiten
wie is de verdachte Volkert van der G. precies?
wat was de invloed van de enorme publiciteit en het commentaar van buitenstaanders?
hoe moeten de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder ze zijn begaan, en de persoon van de verdachte, worden vertaald in een passende strafmaat?
A. Het onderzoek naar de feiten
het team en de opdracht
Onmiddellijk na de aanslag was duidelijk dat deze moord buitengewoon ernstig was en diep in de samenleving zou ingrijpen. Door de leiding van mijn parket en die van de regiopolitie Gooi & Vechtstreek werd besloten tot de vorming van een omvangrijk opsporingsteam uit verschillende regio's. Glashelder was meteen dat het onderzoek diepgaand en volledig moest zijn, en uiterst zorgvuldig moest plaatsvinden.
Op de avond van de moord stond al vast dat er in ieder geval één zeer duidelijke verdachte was: de Harderwijker Volkert van der G. Hij was vanaf het moment van neerschieten op heterdaad en onophoudelijk gevolgd door de chauffeur van het slachtoffer, de getuige Smolders. De verdachte kon binnen nog geen tien minuten worden aangehouden, had een pistool op zak, handschoenen aan en kruitsporen op zijn handen.
De eerste en belangrijkste opdracht was vanzelfsprekend om met zekerheid aan te tonen dat deze verdachte ook werkelijk de dader was. Uitgesloten moest worden dat hij, hoe onwaarschijnlijk het ook kon klinken, zou kunnen zeggen dat niet hij maar een onbekende persoon Fortuyn moest hebben neergeschoten en op de vlucht het wapen in zijn handen had geduwd. Vooral forensisch-technisch onderzoek zou hierbij van grote betekenis kunnen zijn; vandaar dat de hulp van diverse disciplines van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is ingeroepen.
Al heel snel was duidelijk dat Van der G. een zeer uitgesproken milieuachtergrond had; daarmee kwam de vraag naar het motief om Fortuyn te vermoorden meer dan levensgroot op ons af. En daarom kon het niet anders of het onderzoek zou zich in de tweede plaats moeten uitstrekken tot de vraag: had de verdachte gehandeld vanuit deze achtergrond? Of - en de verschillende theorieën waren in de media al snel geboren - was hij slechts een uitvoerder voor anderen? Had hij misschien uit persoonlijke rancune gehandeld?
En had hij in de voorbereiding van zijn daad wellicht één of meer anderen, mogelijk geestverwanten, betrokken? Het zóu kunnen zijn geweest dat iemand anders op strafbare wijze betrokken was geweest bij de planning, de voorbereiding of de uitvoering. Maar ook was denkbaar dat een ander 'slechts' kennis had van zijn voornemen, zonder strafrechtelijk aansprakelijk te zijn. Allemaal vragen die bij de enorme commotie na de moord niet uit de weg gegaan konden worden, en daarom nadrukkelijk in het onderzoek zijn betrokken. De leidende gedachte was: na dit onderzoek zouden er in redelijkheid geen vragen meer op de hier genoemde punten mogen open staan.
Niet het hele politieteam 'Onderzoek Moord Fortuyn' kon op één locatie werken. De taken werden als vanzelf gesplitst: het onderzoek naar de feitelijke betrokkenheid van Volkert van der G. werd verricht door opsporingsambtenaren op het politiebureau in Hilversum, en het 'omgevingsonderzoek' rond de verdachte werd verricht door recher-cheurs die hun tijdelijk onderkomen bij het KLPD in Driebergen hadden. Vanzelfsprekend lag de justitiële leiding van beide deelonderzoeken in één hand.
het onderzoek en de antwoorden
Uit het onderzoeksdossier blijkt dat er breed en diepgaand onderzoek is verricht:
Er is technisch onderzoek verricht naar vingerafdrukken, vezels, haren, DNA, schotrestsporen, handschriften en stuifmeelpollen.
Er is diepgaand onderzoek verricht in de bestanden van de computers van Volkert thuis en op zijn werk, alsmede die van zijn vriendin Petra, en die van het slachtoffer.
Ook overigens zijn nagenoeg alle voorwerpen en papieren die bij de verdachte zijn gevonden en in beslag zijn genomen, op hun herkomst en relevantie onderzocht.
Bij verdachte thuis is meerdere keren gezocht naar aanknopingspunten voor verder onderzoek. Dit is vrij uitzonderlijk, maar werd telkens gerechtvaardigd door nieuwe onderzoeksinformatie.
Veel personen uit de vroegere, meer recente en huidige omgeving van de verdachte zijn als getuigen gehoord, over wie hij is, zijn vroegere en huidige drijfveren en zijn recente gedrag.
Binnen de grenzen van wat mogelijk was, is onderzocht of bij de ontwikkeling van zijn plan of bij de aanloop naar 6 mei enigerlei betrokkenheid kon worden vastgesteld van iemand uit verdachtes omgeving, waarbij uiteraard is gedacht aan zijn milieuachtergrond. (Ik merk niet voor niets op: binnen de grenzen van wat mogelijk is. Om bijzondere opsporingsbevoegdheden te gebruiken tegen personen die geen verdachte zijn, moet altijd voldaan zijn aan wettelijke vereisten, en is in een aantal gevallen rechterlijke toetsing vooraf nodig. Er kan heel veel in Nederland, maar er zijn terecht grenzen.) De resultaten zijn verantwoord in een proces-verbaal van opsporingsmethoden.
Van de verdachte en van verschillende personen in zijn naaste omgeving zijn telefoongesprekken afgeluisterd en opgenomen, en enkele van die personen zijn gedurende enige tijd geobserveerd geweest. Conform de Aanwijzing van het College van Procureurs-generaal zijn alle gesprekken met advocaten vernietigd en gewist.
Er is historisch onderzoek verricht naar het belgedrag van telefoons van een aantal personen uit de omgeving van de verdachte, en naar de vraag of via een aantal GSM-basisstations in Hilversum relevante belcontacten waren te ontdekken.
Onderzocht is of verdachte in het verleden schietinstructie heeft gekregen. Hoewel hij vanaf zeer korte afstand heeft geschoten, en naar eigen zeggen daarmee niet had kunnen missen, was het relevant om te weten of hij ooit geoefend had.
Er is onderzoek gedaan naar Volkerts financiële huishouding, teruggaand tot 1991.
Zijn privé correspondentie van de afgelopen jaren, tot aan die in het Huis van Bewaring toe, is in beslag genomen en onderzocht.
Er is aan omringende landen rechtshulp gevraagd bij het onderzoek naar de herkomst en de historische route van het pistool, en naar de eigenaar van DNA-materiaal dat op de patroonhouder was aangetroffen.
Er is onderzoek verricht naar enkele personen die als verdachte konden worden aangemerkt: Volkerts vriendin (i.v.m. de aangetroffen chemicaliën) en twee mannen van wie achtereenvolgens kon worden vermoed dat zij betrokken waren geweest bij de levering van het pistool. Hun zaken zijn geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Er is verregaand onderzoek verricht naar de identiteit van de NN-persoon wiens DNA op de patroonhouder was gevonden.
Naar aanleiding een TV-programma van Peter R. de Vries, waarin hij aangaf te beschikken over stapels relevante e-mails, is hem expliciet gevraagd alles wat voor het onderzoek van belang zou kúnnen zijn, aan het onderzoeksteam af te staan. Dit heeft overigens tot niets geleid. Hetzelfde kan worden gezegd van berichten als zou programmamaker Harry Mens over vele belangwekkende e-mails beschikken.
Tenslotte, het onderzoeksteam heeft een enkele maal ad hoc onderzoek verricht naar aanleiding van meldingen van de Commissie-Van den Haak, die beschikte over berichten van bedreigingen aan het adres van Fortuyn. Ook is af en toe ad hoc gereageerd op geruchten in de media over de verdachte en over mogelijke verbanden.
Wat kan uit al het verrichte onderzoek worden geconcludeerd? Veel onderzoek was gericht op de vraag of iets aangetoond kon worden (in de sfeer van verbanden, theorieën of motieven). Ik moet opmerken dat, als iets met de strafrechtelijke middelen die ik heb ingezet níet kon worden aangetoond, dat nog niet zonder meer betekent dat het ook niet kán bestaan. Maar ik kan wel stellen dat de kans daarop bijzonder klein is. Wie met enige nuchterheid het totaal aan onderzoeksresultaten bekijkt, moet tot die conclusie komen.
Uit de onderzoeken die verricht zijn kan het volgende worden vastgesteld:
In geen enkele verklaring, in geen enkel document, is enige steun te vinden voor de gedachte dat Volkert en het slachtoffer elkaar persoonlijk hebben gekend, en dat het motief voor de moord in de privé-sfeer kan hebben gelegen.
Er is geen enkele aanleiding om te vermoeden dat Volkert door wie dan ook voor de moord zou worden of zijn betaald. Nergens zijn aanwijzingen gevonden voor aanzienlijke inkomsten, verschuivingen of bestedingen.
Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat verdachte schietlessen heeft gevolgd. Naar mijn overtuiging was het voor de wijze van neerschieten van Fortuyn niet nodig om geoefend schutter te zijn. Maar gezien verdachtes belangstelling voor vuurwapens was de gedachte aan schietinstructie wel redelijk. Maar de verklaringen van twee schietinstructeurs die zeggen 'rond 1995' respectievelijk 'eind 1998' instructie aan Volkert te hebben gegeven zijn onvoldoende betrouwbaar om instructie aan te nemen: de één zegt verdachte eind 1998 'maar enkele minuten' te hebben gezien zonder hem gesproken te hebben, de ander zou hem zo'n 8 à 9 jaar geleden gedurende maximaal 3 kwartier hebben gezien. Beiden zijn niet overtuigend in hun herkenning zo vele jaren later.
De reden voor de aanschaf van het vuurwapen in 1996/1997 kan niet anders worden gezien, dan om zichzelf veiliger te voelen in zijn werk. Niemand anders dan een kennis die had bemiddeld wist ervan.
Er is niets gevonden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat achter Volkert iemand anders schuil gaat, die belang had bij de moord op Fortuyn en die Van der G. daarvoor heeft gebruikt. Eén opmerking over Al Qaeda was op niets gebaseerd, en dat Volkert tot een zeer gevaarlijk groepje behoorde was een zichzelf opblazend bericht uit kringen van landbouwers op de Veluwe, die veel last hadden van Volkerts Vereniging Milieu Offensief.
Evenmin is gebleken dat Van der G. bij de vorming van zijn voornemen, bij de voorbereidingen en/of bij de uitvoering van de aanslag heeft samengewerkt met wie dan ook. Zo zijn alleen uit zíjn pistool kogeldelen gevonden. In Bennekom bij het boodschappen doen, en vooraf bij de studio in Hilversum zijn geen personen gesignaleerd, althans, niemand verklaart daarover. Niemand heeft hem bij zijn vlucht hulp geboden. Afgaand op de bevindingen van de technische recher-che die zijn auto heeft doorzocht, is hij zeer vermoedelijk de enige inzittende geweest van de Toyota waarmee hij was gekomen. De plattegrond en nadere informatie over het interview van Fortuyn op 6 mei zijn opgevraagd op zijn eigen computer. De munitie voor het wapen was op de zolder van zijn eigen woonadres voorhanden.
Tenslotte kan worden vastgesteld dat de berichten over zogenaamd belangrijke e-mails die bij media in het land zouden zijn binnengekomen, zwaar overtrokken waren. Ze hebben voor het onderzoek niets van enig belang opgeleverd. Wellicht waren deze berichten vooral bedoeld geweest om aandacht te trekken in de hectische tijd na 6 mei 2002. Hooguit ging het om berichten van verontruste burgers die er het hunne van dachten of achter meenden te kunnen zien, en die hun vertrouwen stelden in TV-programmamakers.
argumenten voor en tegen enige twijfel
De enige vraag die na ¾ jaar onderzoek nog kan blijven hangen is: maar was er dan helemaal níemand op de hoogte van wat Volkert in zijn eentje wilde gaan doen? Het laat zich immers moeilijk denken dat hij alles volledig in zichzelf heeft uitgedacht en voorbereid, zonder zijn vriendin of een ander in zijn naaste omgeving hierover ook maar iets te vertellen.
Ik stel overigens voorop dat het toch bepaald niet ondenkbaar is dat iemand geheel op zichzelf een moord van dit kaliber beraamt, zonder dit voornemen zelfs met zijn partner te delen. In de beruchte strafzaak tegen Ferdi E., ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn, bleek de dader zijn plan ook helemaal in zijn eentje te hebben uitgebroed, en voor zijn meest naaste omgeving lange tijd, ook ná de ontvoering en de moord, verborgen te hebben kunnen houden. Sommige mensen kunnen dat kennelijk. Maar misschien mag ik wel zeggen: het is niet normaal.
Bij het onderzoek naar de vraag of iemand op z'n minst op de hoogte was van de gedachte van Volkert om Fortuyn om het leven te gaan brengen, komen we op een terrein waar het strafrecht verder weinig tot niets kan, en waar hooguit de moraal en het geweten gelden. Stel dat iemand geweten heeft dat Volkert met gedachten over moord rondliep. En stel dat die persoon met die kennis verder helemaal niets heeft gedaan, dan is dat moreel verwerpelijk. Dan heeft die persoon een gewetensprobleem. Maar hij of zij is dan niet (zonder meer) strafbaar.
Het strafrechtelijk onderzoek is er wel mede op gericht geweest om hier zicht op te krijgen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat in geen enkel afgeluisterd telefoongesprek, in geen enkele brief tijdens detentie, en in geen enkele verklaring van wie dan ook, steun gevonden kan worden voor de - op zichzelf voor de hand liggende - gedachte dat Volkert op zijn minst aan iemand verteld moet hebben wat hij van plan was te gaan doen.
In de briefwisseling tussen Volkert en zijn vriendin zijn aanwijzingen te lezen dat zij niet van zijn plan en beweegreden op de hoogte is geweest, en het waarom niet kan bevatten.
De enige redenen die er wellicht zijn om te veronderstellen dat Volkert zijn plan tòch met iemand anders kan hebben gedeeld, zijn de volgende:
Al in het begin van de briefwisseling en ook uit de telefoongesprekken blijkt dat verdachte en zijn vriendin zich heel goed bewust waren dat anderen meelazen en meeluisterden. Volkerts moeder heeft verklaard dat ze allemaal in het begin bij de advocaat van Volkert op kantoor zijn geweest, en zijn geïnstrueerd dat de telefoons konden worden afgeluisterd, en dat zij tijdens bezoek niet over de zaak moesten spreken (GET/109). Het weinige dat Volkert en zijn vriendin schrijven en zeggen over de inhoud van de zaak hoeft dus bepaald niet de waarheid te zijn. Of zoals Volkert zelf schreef in zijn brief van 21 juli 2002: "… mocht ik ooit nog eens een verklaring afgeven aan de rechterlijke macht of in de media dan hoeft dat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn. Voor de buitenwereld is de waarheid niet belangrijk - het hoeft slechts funktioneel te zijn."
Uit de verklaringen van de verdachte bij de rechter-commissaris en de politie blijkt dat hij op geen enkele manier anderen bij de zaak wil betrekken; consequent heeft hij de leveranciers van het wapen en van de munitie (r-c blz.13 en 26), degenen die portofoons hebben geleend (VERD/69), degene van wie hij tekeningen van pelsdierfokkerijen had gekregen (VERD/62), en zijn eigen vriendin buiten de zaak willen laten.
Verdachte heeft een half jaar gezwegen, tegen een groeiende berg bewijsmiddelen op. Ondanks dat hij uit overtuiging had gehandeld, en een 'statement' kort na zijn aanhouding in de lijn der verwachtingen had gelegen, wilde hij eerst precies weten wat er allemaal aan onderzoeksmateriaal lag. Zo kon hij eerst zien of alleen tegen hèm aanwijzingen en verdenkingen bestonden, en kon hij later dienovereenkomstig verklaringen afleggen.
Het zijn signalen dat de verdachte voortdurend berekenend is, en mogelijk nog iets te verbergen heeft. Ik wil niet speculeren over de vraag wie hij mogelijk uit de wind wil houden; verdachtmakingen naar anderen behoren niet op deze plaats te worden gedaan, en voor déze strafzaak is het niet van belang.
Ik kom later op dit punt terug bij de vraag of Volkert over zijn voorbereidingen helemaal naar waarheid heeft verklaard. Voorlopig moet ik erbij blijven dat bewijs ontbreekt voor strafbare betrokkenheid van wie dan ook, en dat er ook geen duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand van zijn plan heeft geweten. Resterende vragen op dit laatste punt kunnen slechts beantwoord worden vanuit het hoofd van de verdachte zelf.
B. De relevante gebeurtenissen vóór en op 6 mei 2002
De feiten zijn uitvoerig door uw rechtbank doorgenomen. Ik wil er een aantal opmerkelijke aspecten uitlichten.
de aanschaf van een pistool en munitie
Waar ligt het begin? Ik ga terug naar het moment waarop Volkert het pistool kocht. Eind jaren '90, zegt hij aanvankelijk (r-c blz.13). Later preciseert hij het tot eind 1996, begin 1997 (r-c blz.15 en VERD/37), nadat hij is geconfronteerd met de verklaring van een toenmalige kennis Ferdinand G. Volgens deze kennis gaf Volkert aan dat hij bedreigd werd door boeren, en daarom een pistool wilde hebben voor zijn eigen bescherming.
Volkert was al jaren geïnteresseerd in vuurwapens, gezien de krantenknipsels uit begin jaren '90 in zijn koffer op zolder (r-c blz.15). Bij de politie zegt Volkert ook dat hij eerder wel eens had nagedacht over het aanschaffen van een vuurwapen, want bedreigingen waren er al vanaf het begin dat de VMO bestond (VERD/37). Hij had door het lezen van knipsels ook wel enig verstand van vuurwapens (VERD/38).
De zojuist bedoelde kennis heeft Volkert in contact gebracht met een Turks café in Ede, waar Volkert een pistool kocht voor Hfl. 2.000,= (verklaring G., bijlage bij brief aan rechtbank van 14 maart 2003). Volgens verdachtes eigen verklaring kostte het wapen hem Hfl. 3.000,=. Op het bedrag na stemmen de verklaring van deze kennis en die van Volkert vrij nauw overeen.
Hij had een nieuw wapen willen hebben; hij was wel zo slim om te beseffen dat een gebruikt wapen sporen kon hebben nagelaten bij een eerder misdrijf (VERD/38). Hij liet zich echter toch een tweedehands wapen verkopen.
Later kocht Volkert passende munitie bij een onbekende in Den Haag, aldus nog steeds deze kennis. Bij de rechter-commissaris verklaarde Volkert aanvankelijk nog, in strijd met de waarheid, dat hij de 2 doosjes munitie mèt het wapen in het café had gekocht (r-c blz.13). Toen ik hem later confronteerde met de verklaring van G. erkende hij dat hij de 2 volle doosjes munitie apart had gekocht in Den Haag (r-c blz.26). Het is opmerkelijk dat Van der G. in zijn verklaringen af en toe níet open was en naar waarheid sprak; ik kom daar op terug.
Naar eigen zeggen heeft hij eind jaren '90 eenmaal met het wapen geschoten, ergens in de omgeving van Wageningen. Gewoon, om het te proberen (r-c blz.13). Later heeft hij verder uitgevonden hoe het wapen werkte, en heeft hij het wapen ook wel doorgeladen.
Er is geen aanwijzing dat Volkert het wapen destijds heeft aangeschaft om er iemand mee te doden. Al is het natuurlijk ernstig genoeg dat hij het al die jaren voorhanden had, en er kennelijk aan dacht toen hij het plan opvatte om Fortuyn te vermoorden.
Hij heeft het wapen met de munitie thuis bewaard in een koffer. Op foto's is duidelijk te zien dat de koffer handmatig is voorzien van twee oogschroeven en een hangslot (AH/399); kennelijk was de inhoud van die koffer niet voor andere ogen bedoeld.
het ontstaan van het idee; zoeken op internet
Dit begon voor Volkert met de gedachte 'dat Fortuyn gestopt moest worden' (r-c blz.4). Hij haatte hem niet, maar vond hem een gevaar voor de democratische rechtsstaat (blz.4 en 6). Hij heeft Fortuyn in alle media gevolgd en het totaalbeeld bracht hem op de gedachte Fortuyn om te brengen (blz.5). Tot dit totaalbeeld behoren 'de combinatie van de persoon, zijn ideeën, de manier waarop hij de ideeën naar voren bracht en de macht die hij zou krijgen' (blz.8).
De start van Volkerts voorbereidingen ligt op het internet. Op 9 verschillende dagen, gedurende zo'n 13 uur in totaal, heeft hij gesurft en gezocht naar trefwoorden rond de naam, de woonplaats en het dagprogramma van het slachtoffer (AH/357).
Vastgesteld is dat op de computer bij Volkert thuis op 22 maart 2002 voor het eerst is gezocht op de naam van het slachtoffer, en wel op de site 'pim-fortuyn.nl'. Op 24 maart is vermoedelijk gezocht op een adres van Fortuyn in Rotterdam, met zoekvragen als 'burgerplein + rotterdam + fortuyn'.
Daarna is op 21 april 2002 verder gezocht op trefwoorden als 'fortuyn + agenda' en 'fortuyn + profiel + prive'. Op 28, 29 en 30 april is wederom gezocht, o.a. naar 'ontbijt + tv', kennelijk om het programma van optredens van Fortuyn te vinden. Op die 30e april heeft hij een print gemaakt van de mededeling dat Fortuyn op 8 mei 2002 te gast zou zijn in KRO's Ontbijt-TV. Op 4 mei heeft verdachte nog gezocht op de website 'omroep.nl'.
Verdachte was in het bezit van een GSM. Deze werd na de moord uitgeschakeld aangetroffen in de kofferbak van zijn auto (relaas-pv blz.27). Uit onderzoek is gebleken dat deze GSM op 3 mei 2002 voor het laatst contact heeft gemaakt (relaas-pv blz.35).
Op zondag 5 mei 2002 heeft verdachte 's avonds vanaf 19.59 uur zo'n twee uur lang (!) op diverse websites gespeurd op trefwoorden als 'fortuyn + 6mei', en '3fm + studio + sumatralaan' (AH/355-357). Om 21.11 uur heeft hij gezocht naar een plattegrond van het Mediapark. Om 21.50 uur heeft hij meer gedetailleerd gezocht naar beelden van het 3FM-gebouw (AH/33).
waarom het Mediapark?
Puur toeval, aldus verdachte zelf; "Ik had geen speciale reden om de aanslag op het Mediapark te plegen. Het ging mij uitsluitend om de gelegenheid om te doen wat ik wilde doen" (r-c blz.11). "De plek en tijd voor deze aanslag waren voor mij niet zo relevant. Ik heb op de computer naar een gelegenheid voor de aanslag gezocht. Toen kwamen verschillende mogelijkheden naar boven" (r-c blz.12). Dat Volkert ook plattegronden van de woonomgeving van twee andere LPF-ers bij zich had, mag volgens hem niet worden uitgelegd als bedreigend jegens hen. Net als de plattegrond van het Kurhaus had het volgens hem alleen maar betrekking op mogelijke plaatsen waar Fortuyn zou komen of zelfs overnachten (r-c blz.11).
Volkert zocht naar een plaats waarvan hij zeker wist dat hij Fortuyn daar zou treffen. Het was geen optie om Fortuyn op te wachten bij zijn woning in Rotterdam, omdat Volkert ook nog een thuis en zijn werk had (r-c blz.12). Kennelijk moest het allemaal totaal niet opvallen wat hij in zijn schild voerde. Het Mediapark was de eerste kans die zich voordeed.
Steun voor de gedachte dat het Mediapark vrij toevallig is gekozen, ligt in het feit dat in verdachtes auto ook het printje lag met de informatie dat Fortuyn op 8 mei 2002 te gast zou zijn bij KRO's Ontbijt-TV (AH/183).
een grondige voorbereiding
Volkert heeft zich terdege op 6 mei voorbereid. Uit wat in zijn auto en op zijn lichaam werd aangetroffen na zijn aanhouding kan dat zonder meer blijken:
hij had al enige tijd eerder een baseball petje gekocht bij de V&D, als kledingstuk om minder herkenbaar te zijn als hij zijn voornemen zou gaan uitvoeren (verdachte ter zitting 27-03-03);
hij had de vorige avond plattegronden van het Mediapark en de omgeving, en van enkele mogelijke slaapadressen van Fortuyn, uitgeprint en meegenomen;
hij wist, blijkens aantekeningen op enkele stukken, precies waar en wanneer Fortuyn op 6 mei in de middag zou optreden;
hij had zijn wapen, de patronen, en een bivakmuts uit de beige koffer op zolder gepakt en in zijn rugzak gedaan (verdachte ter zitting 27-03-03);
hij had alles gedaan om onopvallend te zijn: baard geschoren met nog speciaal daartoe gekocht scheergerei, onopvallende kleding, een zonnebril en pet op, oorringen uit (r-c blz.17);
om geen sporen op het wapen na te laten droeg hij latex handschoenen (r-c blz.14);
het wapen verborg hij, ook tijdens het schieten, in een plastic tas om niet op te vallen (r-c blz.14 en 19, VERD/49);
in zijn auto had hij wasbenzine om vóór de aanslag vingerafdrukken te verwijderen van gladde dingen die hij had meegenomen, zoals de plastic tas en het wapen (r-c blz.18); bij de politie verklaart hij ook dat hij op 6 mei het wapen nog heeft schoongemaakt (VERD/39);
hoewel hij tot het moment dat hij op Fortuyn afliep niet zeker wist dat het zou gaan gebeuren, heeft hij ook verklaard dat hij tevoren wel wist dat hij op de vitale delen van Fortuyn zou schieten, dus op zijn bovenlichaam en hoofd, en dat hij zou schieten op het moment dat Fortuyn lopend de studio zou verlaten (r-c blz.20).
Met zijn internetgedrag en zijn verklaring daarover kan worden bewezen dat Volkert "opzettelijk en met voorbedachten rade" heeft gehandeld.
de ochtend van 6 mei 2002
Er zijn geen verklaringen over waar de verdachte die vroege ochtend was. Zijn vriendin heeft niet inhoudelijk willen verklaren, dus moeten we het doen met wat verdachte er zelf over zegt. En dat is opvallend weinig. Hij weet niet meer hoe hij zich 's morgens voelde, wat hij precies heeft gedaan voordat hij de deur zegt te zijn uitgegaan.
Het verhaal begint die dag pas controleerbaar rond een uur of tien. Een collega verklaart dat hij zelf op 6 mei 2002 tussen 9.45 uur en 10.00 uur bij VMO arriveerde en dat Volkert net iets later binnenkwam. Ze hebben gewoon gewerkt. We zien dus verdachte als altijd druk bezig met dossiers, telefoontjes en een poststuk klaarmaken voor verzending. Intussen heeft hij zijn rugzak naast zich, met zijn pistool en zeven kogels. Twee werelden, die tot het middaguur gewoon naast elkaar bestaan. Omstreeks 12.30 uur zijn zij beiden het kantoor uitgegaan. "Volkert zei dat hij die middag vrij nam vanwege het mooie weer" (GET/72). Deze collega heeft een half uur lunchpauze genomen en is daarna weer teruggekeerd naar kantoor. Met Volkert heeft hij geen contact meer gehad.
de middag van 6 mei 2002
Uit informatie van de Postbank blijkt dat Volkert die dag om 12.48 uur in Wageningen € 150,= heeft opgenomen (relaas-pv blz.36, en DIV/12). Rond hetzelfde tijdstip heeft Volkert op een postkantoor in Wageningen een postpakket verzonden in verband met zijn werk bij de VMO (relaas-pv blz. 28 en 29).
Uit informatie van Albert Heijn blijkt dat hij om 13.16 uur één fles Spa rood, scheermesjes en -schuim, bananen en mueslibroodjes heeft afgerekend bij een AH-filiaal in Wageningen (relaas-pv blz.36, en DIV/13).
Op een doos in verdachtes kofferbak zat een aankoopbon van een scheerapparaat, afgerekend op 6 mei 2002 om 13.42 uur bij een winkel in Bennekom (relaas-pv blz.27).
Naar aanleiding van een later buurtonderzoek in Hilversum, in de omgeving van verdachtes auto, heeft een getuige verklaard dat hij de Toyota op 6 mei om 15.30 uur, toen hij zelf met zijn auto uit de Celebeslaan vertrok, nog niet heeft gezien, maar om 17.45 uur toen hij terugkwam wel (GET/41).
Naar eigen zeggen is Volkert onderweg van Bennekom naar Hilversum drie keer gestopt: de eerste keer om zich te scheren (langs de A12), daarna om te tanken (bij Utrecht, van de snelweg A27 af), en tenslotte nog een keer om het wapen met wasbenzine schoon te maken (voor Hilversum). Hij had bij die laatste keer zijn latex handschoenen aan (r-c blz.16 en VERD/46 en 42-43).
Volkert zelf verklaart dat hij om een uur of vier die middag bij het Mediapark aankwam. Niemand heeft hem rond die tijd gezien, dus moeten we het uitsluitend met zijn eigen verklaring doen. Hij heeft het Mediapark eerst nabij de hoofdingang verkend en daarna het fietspad aan de Insulindelaan ontdekt. Vervolgens is hij het terrein gaan bekijken en heeft hij even op een bankje rust gezocht voor zichzelf (VERD/57). Vervolgens ging hij op zoek naar het 3FM-gebouw, dat hij van buitenaf al had gezien (VERD/47). Tussen de struiken heeft hij de tas met het pistool in de grond gegraven, om in de resterende tijd niet gezien of gecontroleerd te worden met een wapen bij zich.
de laatste minuten
Daar, tussen de struiken, heeft hij naar eigen zeggen ongeveer een uur gezeten (r-c blz.17). Hij kon flarden horen van de uitzending binnen (r-c blz.19). Wie de radio-uitzending van BNN terugluistert, hoort onder meer dat aan Fortuyn wordt gevraagd hoe oud hij denkt te worden. Of Van der G. dat ook heeft opgevangen weet ik niet, maar het levert een buitengewoon griezelig beeld op: een jongeman in de struiken, en tussen de auto's, terwijl hij de radiostem hoort van zijn niets vermoedende slachtoffer. Ik denk dat iedereen die zichzelf probeert te verplaatsen in de positie van degene die daar lag, met een zojuist doorgeladen pistool op zak, zich niet kan voorstellen dat hij kort daarna in staat zou blijken te zijn om zó onopvallend - beheerst - op Fortuyn af te lopen, dat het lijkt alsof hij op die locatie hoort.
Kort voor 18.00 uur groef hij het wapen op. Naar eigen zeggen kwam hij een beetje tussen de struiken uit, ging naast een auto liggen, met zijn gezicht richting de uitgang van het 3FM-gebouw, zodat hij onder de auto door die richting uit kon kijken (VERD/48). Hij kon buiten het 3FM-gebouw horen dat de uitzending was afgelopen, en zag Fortuyn naar buiten komen lopen met een paar andere mensen. Hij stond op en liep met een boogje om Fortuyn heen om hem van achteren te kunnen neerschieten. Wat Volkert hierover zegt is even doeltreffend als kil en berekenend: "Ik had bedacht dat als ik Fortuyn van voren zou benaderen hij het misschien zou zien aankomen. Het van achteren beschieten van Fortuyn zou de minste problemen opleveren. Hij zou dan niet wegduiken wat dan weer gevaar voor anderen zou hebben opgeleverd. Het was ook mijn bedoeling om Fortuyn niet onnodig te laten lijden. Van achteren zou ik hem direct dodelijk kunnen verwonden" (r-c blz.19).
Volkert beschrijft zijn gedachten op het laatste moment als "ogen op oneindig en verstand op nul (…) Van tevoren had ik nog wel twijfels, maar op het laatste moment niet meer. Dat ik op het laatste moment niet meer twijfelde, had ook met mijn overtuiging te maken. (…) Ik bedoel daarmee het plan, in de zin van dat ik op dat moment het gevoel had dat ik met iets goeds bezig was. U vraagt mij of ik daarmee doel op het ombrengen van Fortuyn en de gedachte daarachter. Ja, zo bedoel ik dat." (r-c blz.21).
hoe Volkert overkwam tijdens het schieten
Getuigen van de aanslag zeggen ook iets over hoe de schutter op hen overkwam.
Getuige Van D. (medewerkster van een omroep): "Hij kwam heel vastbesloten, koelbloedig over. Ik zeg dat met name omdat de man geen pauze liet vallen tussen de schoten" (r-c blz.18).
Getuige Zeroual (LPF-Kamerlid): "Ik ervoer de uitdrukking op zijn gezicht als koel en emotieloos" (r-c blz.3), en "ik zag op het gezicht van de man met het wapen een totale leegheid en gebrek aan emoties. Dit is me met name opgevallen omdat je van iemand die zojuist op iemand heeft geschoten, emoties zou verwachten van bijvoorbeeld schrik of kwaadheid" (r-c blz.5).
Getuige P. (medewerker van een omroep) noemt het optreden van de schutter "resoluut. De Cap maakte op mij de indruk dat hij duidelijk met 1 doel bezig was en dat hij voor niemand anders dan Fortuyn aandacht had" (r-c blz.9). Ook getuige K. (medewerker van een omroep) zag "geen moment van twijfel. Ik doel daarbij ook op het eerst onopvallend langs Fortuyn lopen om vervolgens van achteren toe te slaan" (r-c blz.4). Getuige De Wild kan het gedrag niet goed duiden, maar kan wel zeggen "dat de wijze waarop de dader onze richting op kwam lopen, op mij mij overkwam alsof hij de situatie ter plekke goed kende, alsof hij daar hoorde" (r-c blz.4).
Het is, vooral ook gelet op wat De Wild erover heeft verklaard, de vraag of Van der G. wel echt zijn 'verstand op nul, blik op oneindig' had. Hij had van te voren bedacht dat hij in alles onopvallend moest overkomen. En óók toen hij zijn laatste tien tot twintig meters in de richting liep van het kleine groepje mensen, bij wie Fortuyn stond, besefte hij dat hij normaal moest overkomen. Daarom rende hij niet. Hij kwam over als iemand die daar hoorde.
de aanslag
Hoewel Fortuyn enkele mensen dicht bij zich had staan, aarzelde Volkert niet, maar schoot hij van zeer korte afstand 5 keer van achteren op het bovenlichaam van Fortuyn. Volgens het NFI duiden de schotrestsporen op de kleding van het slachtoffer op een schootsafstand van niet meer dan 50 tot 150 centimeter (TR/115). Verdachte erkent deze korte afstand (r-c blz.21).
Volgens de verdachte zelf was hij geen geoefend schutter, en hoefde hij dat ook niet te zijn, "op zo'n korte afstand is het niet moeilijk om iemand te raken" (r-c blz.14 en 21).
De uitvoering van Volkerts voornemen was als die van een liquidatie. Om aan te geven hoe dat feitelijk werkt, citeer ik uit zijn eigen verklaring: "Ik heb hem wel ineen zien zakken en heb toen nog schoten afgevuurd. Ik heb toen doelbewust op zijn hoofd gericht en geschoten" (r-c blz.20) en "Ik heb na elke keer vuren de terugslag van het wapen gevoeld. Het gevolg van een terugslag was steeds dat ik het wapen weer moest richten. Dat heb ik tijdens het schieten op Fortuyn ook steeds gedaan" (r-c blz.22).
Bij dit beeld van een liquidatie past ook dat Van der G. een plastic tas om het pistool had gewikkeld. Wie het lef heeft om vrij open op zijn slachtoffer af te stappen en hem van zeer korte afstand durft neer te schieten, wil in ieder geval geen onnodige sporen achterlaten; kogelhulzen zijn belangrijk sporenmateriaal. Van der G. zegt door de bodem van de plastic zak heen te hebben geschoten (r-c blz.19 en ter zitting 27-03-03). Als hij dat goed had gedaan, zouden de hulzen in de zak zijn opgevangen, en waren zij niet op het Mediapark achtergebleven. Het heeft er alle schijn van dat het anders liep dan Volkert bij zijn voorbereidingen had bedacht; de hulzen rolden wel één voor één over de grond.
Extra kwalijk, want riskant, is het schieten door een plastic tas heen, doordat het richten daardoor wordt bemoeilijkt. Verdachte heeft alleen al daardoor het risico genomen dat hij één of meer anderen zou treffen.
Ruud de Wild ook bijna doodgeschoten
Om de grote ernst van de aanslag te benadrukken merk ik hier op dat getuige Ruud de Wild, die vlak bij Fortuyn stond, na het eerste schot een tas voor zijn hoofd hield (r-c blz.4). In deze tas bleek later een inschotopening te zitten. Het NFI stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat die tas van minder dan 150 cm afstand is beschoten (TR/115). De afstand is dus waarschijnlijk iets groter dan die van waaraf Fortuyn is neergeschoten; kennelijk was Volkert toen al aan het weglopen. De Wild heeft bij de rechter-commissaris verder verklaard dat hij na de aanslag een bloeding in zijn linker oor had. Volgens een KNO-arts was dit waarschijnlijk het gevolg van de druk van een dicht bij zijn oor afgevuurd schot; ook heeft hij verklaard dat Fortuyn tijdens de schoten ineen zeeg terwijl hij een arm van De Wild vasthield (r-c blz.3). Een laatste bewijs dat De Wild echt bijna in de baan van de dodelijke kogels heeft gestaan is het feit dat op zijn tas (weliswaar minuscuul) celmateriaal en bloed is aangetroffen, waarvan het DNA-profiel past bij dat van Fortuyn. Kortom, Volkert heeft - wellicht bij zijn laatste schot, dat hij naar eigen zeggen per ongeluk afvuurde bij het weglopen (r-c blz.20) - toch bewust het risico aanvaard dat hij een ander naast Fortuyn zou treffen. Het had maar een haar gescheeld of ook De Wild was doodgeschoten. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bewust geen aangifte heeft willen doen; de aanslag was volgens hem op niemand anders dan op Fortuyn gemunt, en hij meent dat het voor hem zelf beter is dat hij niets meer met deze zaak te maken heeft (r-c blz.5). Ik respecteer deze keuze, en heb daarom de verdenking dat verdachte De Wild opzettelijk bijna heeft doodgeschoten, niet in de tenlastelegging opgenomen; de vele aandacht die dit proces al krijgt zou zich dan wellicht te veel op deze getuige toespitsen.
Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat met deze omstandigheid rond de moord op Fortuyn wel rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de strafmaat; ik kom er dus op terug.
de dood van Fortuyn
Het slachtoffer Fortuyn viel terstond neer. Eén getuige noemt het met "een schokkende beweging" (NOS-medewerker, GET/53), De Wild zag hem "ineen zijgen" en dacht meteen dat het slachtoffer al stervende was (De Wild, r-c blz.3).
Fortuyn moet vrijwel direct zijn overleden, al heeft de gemeentearts - naar ik aanneem tegen beter weten in, maar het was wel Pim Fortuyn die daar lag - nog een uur lang geprobeerd te reanimeren (DIV/04). Getuige Zeroual is direct als enige bij hem neergeknield. Zij raakte enigszins in paniek, want zij merkte hoe open de plek was waar zij zat en wist niet wat er ging gebeuren. Na een korte rit met de heer De Booij over het Mediapark keerde zij bij het lichaam terug. Fortuyn vocht nog om adem, maar zei niets meer (r-c blz.4).
Uit het sectieverslag blijkt dat Fortuyn 5 keer was geraakt, eenmaal in de nek, tweemaal in de rug, tweemaal in het hoofd. De verwondingen aan de hersenen, het hart, de hals en de linker long kunnen de dood zonder meer verklaren, aldus de beide pathologen (TR/147).
had Volkert voorverkend?
Volkert stelt dat hij vóór 6 mei 2002 geen vluchtplan had; toen hij op 6 mei via het fietspad het Mediapark was opgelopen had hij bedacht dat hij zó het park zou verlaten (r-c blz.23). Het lijkt aannemelijk, maar roept toch vragen op.
Oké, hij wist pas op de avond van 5 mei dat hij op 6 mei op het Mediapark zou kunnen toeslaan, dus vóór 6 mei kon hij geen vluchtplan vanaf het Mediapark hebben. Maar het blijft voor degene die het Mediapark een beetje kent moeilijk voorstelbaar dat Volkert, die van plan was om Fortuyn te vermoorden op onbekend terrein, zijn auto zo maar ergens parkeerde, zo maar ergens het terrein opliep en alleen maar beetje onthield hoe hij gelopen was, en op díe manier probeerde zijn pakkans te verkleinen. Als we hem moeten geloven had hij aan één keer buitenom langs het Mediapark rijden, en bestudering van de uitgedraaide plattegrond (die vervolgens in de auto kon achterblijven), genoeg om te weten waar hij op het terrein moest zijn. Volkert had zich zó voorbereid op het onopvallende karakter van zijn uiterlijk (kleding, pet, geschoren, geen oorringen) en van de daadwerkelijke uitvoering van zijn plan (rustig lopen, schieten vanuit een tas). Zou hij echt voldoende hebben gehad aan één loopje over het terrein om zich tijdens zijn vlucht niet één keer in een bocht te kunnen vergissen? Het is toch eigenlijk een dwaze gedachte dat iemand die de bekendste politicus van Nederland van dat moment, op een zo belangrijk moment in de verkiezingscampagne, gaat vermoorden, over zijn eigen aftocht niet meer denkt dan: "Ik had zoiets van, ik kom wel weg, ik ren wel weg". Hij voegt daar nog aan toe dat hij ervan uitging dat mensen niet zo snel een gewapend persoon achterna zullen rennen, zeker niet nadat iemand is neergeschoten (VERD/49). Het is niet erg aannemelijk dat Volkert zó onzorgvuldig met zijn eigen vrijheid ná een succesvolle aanslag zou omgaan.
Er zijn ook een paar indicaties om aan te nemen dat hij zich toch wel iets beter op zijn aftocht heeft voorbereid:
Hij had zich die ochtend niet geschoren. Goed, het kan gebeuren dat je dat vergeet. Maar het is niet logisch als je je voorbereidt om geheel onopvallend van uiterlijk te zijn, en een stoppelbaard juist opvallend vindt. Het kan dus ook zo zijn dat Volkert die ochtend geen tijd of gelegenheid heeft gehad zich te scheren. Misschien omdat hij niet of nauwelijks thuis was? Toen de politie hem vroeg of hij zich zijn stoppelbaard die ochtend niet had gerealiseerd toen hij voor de spiegel stond, antwoordde hij: "Misschien omdat ik niet voor de spiegel heb gestaan. Ik weet het niet. Niet aan gedacht" (VERD/37). Zou hij inderdaad niet thuis zijn geweest die nacht of vroege ochtend? Als dát zo zou zijn geweest, had zijn vriendin dat moeten merken.
Hij had een bivakmuts in zijn jaszak (AH/347). Bij de rechter-commissaris wilde hij daarover, op advies van zijn raadsvrouwe, niets zeggen (r-c blz.26), terwijl hij voor het overige zo open was. Pas recent verklaarde hij dat hij deze muts uitsluitend tegen de kou in zijn bezit had (verklaring zitting 27-03-03); geen echte reden om dat niet al meteen bij de rechter-commissaris te zeggen, dunkt mij. Ik vond het plotselinge zwijgen daarover verdacht.
Van der G. heeft verklaard dat hij die 's avonds op 5 mei uit de beige koffer had gehaald, samen met zijn pistool (verklaring zitting 27-03-03). Op 6 mei rond 18.00 uur had hij zich niet opvallender kunnen gedragen dan met een bivakmuts over zijn hoofd, dus het is niet waarschijnlijk dat hij deze muts bij zich had met het oog op de aanslag. Het was een mooie dag, die 6e mei; Volkert had tegen zijn collega nog gezegd dat hij vanwege het mooie weer een middag vrij nam (GET/72). Bij de rechter-commissaris wilde verdachte op advies van zijn raadsvrouwe nadrukkelijk niet ingaan op mijn vraag waarom hij überhaupt een bivakmuts in zijn bezit had (r-c blz.26). "Ik had hem bij me voor 'je weet maar nooit'" was het toen nog. Volgens mij is het waarschijnlijker dat je een bivakmuts hebt om te dragen tijdens het donker, om nooit herkenbaar te zijn, en is het ook waarschijnlijker dat verdachte vergeten is deze muts uit zijn jaszak te verwijderen, dan dat hij de muts voor alle zekerheid bij zich had.
Ik heb verdachte gevraagd of het mogelijk is dat hij zijn idee om uitdrukkelijk onopvallende kleding en handschoenen te gebruiken, heeft geput uit oude brochures zoals "Verzet is mogelijk", dat in dezelfde koffer is gevonden. Hij heeft verklaard dat dat wel zo kan zijn (zitting 27-03-03). Het is heel opmerkelijk dat in datzelfde blad wordt aangeraden om de plaats waar je een actie wilt uitvoeren, tevoren te gaan bekijken, liefst 's nachts en met een bivakmuts op. Ik wil niet stellen dat Van der G. zich kort tevoren nog had georiënteerd in dit soort boekjes. Maar het mag dan misschien wel jaren geleden zijn dat hij belangstelling had voor dit soort lectuur, de strekking van een aantal algemene adviezen voor het voeren van acties kan hem prima zijn bijgebleven.
Volkert weet niet meer precies wanneer hij, met het oog op de aanslag, zijn pistool uit de koffer haalde: zondagavond 5 mei of maandagochtend 6 mei. Nader bij de rechter-commissaris en bij de politie, maar ook op de zitting (27-03-03) houdt hij het op 5 mei 's avonds (r-c blz.14 en VERD/41). Ook dat is opmerkelijk: een zó spannende gebeurtenis als het uit de koffer halen van een pistool dat daar al zó lang onaangeroerd en ongebruikt ligt, met het doel om daarmee het ergste misdrijf te begaan tegen een dagelijks in het nieuws zijnde politicus, dát moment moet toch in het geheugen gegrift staan? In dezelfde lijn is het voor mij onbegrijpelijk dat hij zich niet kan herinneren hoe hij die nacht in slaap is gekomen, hoe hij heeft geslapen, en hoe het 's morgens was om op te staan, en zijn vriendin en kind gedag te zeggen. Bijna elf maanden heeft verdachte de film van dat laatste etmaal kunnen terugdraaien.
Het lijkt mij eerder aannemelijk dat Volkert, die zich vele andere details wel herinnert, dit niet meer precies kan aanduiden omdat hij al vanaf het begin dat hij ging verklaren, iets ánders uit zijn verklaringen heeft weggefilterd, nl. dat hij op enig moment die nacht, ochtend of dag voorafgaand aan de aanslag de locatie van het Mediapark wat beter in zich heeft opgenomen dan hij ons nu wil doen geloven.
Hij had de plattegrond van het Mediapark in zijn auto laten liggen. Het park is groot, als je er nog nooit eerder bent geweest is het niet vanzelfsprekend dat je er goed de weg vindt naar, en vooral ook vanaf de plaats waar je iemand wilt gaan vermoorden, zonder dat je de plattegrond bij je hebt. Verdachte zegt bij de rechter-commissaris dat hij in zijn dagelijkse werk ook veel met kaarten te maken heeft, en daar goed mee kan omgaan (r-c blz.25). Het klinkt logisch, maar de plattegrond van het Mediapark lijkt niet op bedrijfsplattegronden die je voor milieuprocedures nodig hebt. Het gaat in dit geval om een tamelijk grof geschetst plaatje dat niet voldoende lijkt om verder ongezien je weg te vinden.
Er zijn stuifmeelsporen op Volkerts handschoenen aangetroffen, die overeenkomsten vertonen met die van de locatie waar hij in de bosjes heeft gezeten. Deze plek kan - in tegenstelling tot 5 andere locaties in het mediapark - de locatie van herkomst zijn (rapport NFI d.d. 1 november 2002). Dit beeld, dat weliswaar voorzichtig is geformuleerd, past wonderwel bij de eigen verklaring van de verdachte over de plaats waar hij zich die middag heeft schuilgehouden. In zoverre is het eerste NFI-milieuonderzoek een bevestiging van de verklaring van verdachte zelf.
Nu is er echter iets heel opmerkelijks. Enerzijds zegt verdachte dat hij die middag maar één keer op het Mediapark is geweest, nl. conform wat hij er zelf over heeft verklaard (VERD/59). Anderzijds zijn op de radio, de vloermat, de pedalen en één Spa-fles in zijn auto wèl - en zelfs veel - stuifmeelsporen gevonden (het nagezonden NFI-rapport 21 maart 2003). Het tweede NFI-milieurapport geeft aan dat het stuifmeel op die voorwerpen gelijksoortig van samenstelling is, en sterk overeenkomt met de verse component van het stuifmeel op verdachtes handschoenen en in de monsters uit het Mediapark. Er is dus sprake van mogelijk één bron, het Mediapark. Het kán ook van elders komen, maar niet uit verdachtes tuin in Harderwijk, en ook Bennekom is niet aannemelijk. Daar zijn de stuifmeelcomponenten te verschillend voor. Voor de aanwezigheid in zijn auto van dit stuifmeel, afkomstig van vermoedelijk het Mediapark, heeft verdachte tot op heden geen goede verklaring gegeven.
Kortom, er is op zijn minst aanleiding te vermoeden dat Volkert op enig moment in de nacht of vroege ochtend van 6 mei 2002 op het Mediapark is geweest, en daarna nog terug is geweest in zijn auto buiten het Mediapark.
Voor alle duidelijkheid, ik kan het niet aantonen dat Van der G. die nacht of ochtend is wezen 'voorverkennen'. De milieurapporten van het NFI moeten uiteraard met de nodige voorzichtigheid worden gelezen; de conclusies omtrent het verband tussen de stuifmeelsporen op twee locaties zijn niet hard. Maar alle genoemde feiten en omstandigheden roepen wel de vraag op of het niet zeer aannemelijk is dat hij de situatie wel degelijk eerder heeft bekeken, zijn positie heeft bestudeerd, en vervolgens nog enige tijd is weggegaan om later beter beslagen ten ijs te komen.
Waarom is het belangrijk dit op te merken? Het feitencomplex verandert er niet echt door. De tenlastelegging al helemaal niet.
Toch vind ik het belangrijk om hiernaar onderzoek gedaan te hebben, om beter te kunnen beoordelen hoe oprecht en betrouwbaar de verdachte in zijn verklaringen is geweest. Zowel over de feiten als over zijn drijfveren. Ik kom daarop terug bij de bespreking van zijn persoon.
de vlucht, de bedreiging en de aanhouding
We weten inmiddels goed genoeg hoe Volkert na het schieten is gevlucht. In één rechte lijn rende hij het Mediapark door en uit, achtervolgd door de getuige Smolders, halverwege gevolgd door de twee andere getuigen K. en S. De eerste keer dat 'de man met de pet', zoals getuige K. de verdachte noemde, zich naar K. omdraaide, zag deze getuige dat de man zijn hand in een jaszak had alsof hij daarin iets had waarmee hij op hem richtte (r-c blz.8). De verdachte heeft later verklaard dat hij zich inderdaad omdraaide met zijn hand in een jaszak, maar geen bedoeling had deze getuige te bedreigen; hij hield zijn hand in zijn jaszak op het wapen om te voorkomen dat het uit zijn jaszak zou vallen (r-c blz.3).
Wel erkent hij dat hij even later de getuige Smolders zijn wapen heeft laten zien om hem te weerhouden van verder achtervolgen (r-c blz.3). Smolders heeft verklaard dat de schutter zich op de Celebeslaan naar hem omdraaide en een wapen op hem richtte (r-c blz.5). Daarmee staat m.i. vast dat Volkert deze Smolders heeft bedreigd; dat hij niet de intentie heeft gehad om Smolders iets aan te doen (r-c blz.24) doet aan het karakter van bedreiging niets af.
Niet vast staat dat hij ook K. heeft bedreigd, en daarom is dat onderdeel van de tenlastelegging afgehaald.
Uit de videopresentatie van de vlucht-, loop- en rijroutes blijkt zichtbaar en duidelijk dat er niets mysterieus was aan het feit dat de politie zo snel ter plaatse was. Uit de beelden, die we hebben gezien in hetzelfde tempo als de gebeurtenissen zelf zich hebben afgespeeld, blijkt hoeveel er in enkele minuten kan gebeuren. De hoofdagenten Bosch en Lammers reden op surveillance in Bussum-Zuid, hoorden de melding van een schietincident - let wel: zij wisten toen niet wie het slachtoffer was, dus dáárop kunnen zij niet hebben gereageerd, zij deden gewoon wat zij behoorden te doen - en trokken ijlings hun kogelvrije vesten aan. De hondengeleiders Molenaar en Plantinga waren op het hoofdbureau in Hilversum, hoorden dat er geschoten was op het NOB-terrein en gingen meteen die richting uit. Via de meldkamer hoorden zij onderweg dat een getuige de locatie van de verdachte doorgaf. Toen zij iemand zagen zwaaien om hen de juiste richting op te loodsen, reden zij en vervolgens liepen zij de Celebeslaan in, steeds dichter op de verdachte aan.
Het is een samenloop geweest van bijzonder prijzenswaardig en alert optreden (primair natuurlijk van de heer Smolders, die grote moed heeft getoond door achter een schutter met vuurwapen aan te gaan èn onderweg de politie op de hoogte te houden, en vervolgens van de razendsnel optredende politieagenten) en een dosis toeval en professionaliteit (door op het juiste moment op de juiste plaats te zijn en geen fouten of vergissingen te maken), waardoor Volkert van der G. al zó snel kon worden aangehouden. Ik ben ervan overtuigd dat, als het na het schieten op Fortuyn had ontbroken aan deze moed en alertheid en dit beetje geluk, de verdachte een goede kans had gemaakt om ongezien weg te komen; en wie zou ooit op hém als mogelijke dader zijn gekomen? Volkert speculeerde daar zelfs op: hij zou in de anonimiteit kunnen verdwijnen, en daarmee oproepen dat de verdenking zou uitgaan naar ándere groeperingen of een ánder dan hijzelf. Bij de politie zegt hij daarover: "Stel nou dat ik weg was gekomen en jullie zouden niks gevonden hebben, dan was natuurlijk niet duidelijk geweest uit welke hoek dat zou zijn gekomen. Dus konden ze ook niet wijzen, in feite. Ze kunnen natuurlijk speculeren." (…) "…als er gewoon geen aanwijzingen zijn dat het uit een bepaalde richting komt, dan kan het toch nooit serieus worden. Dan denk ik ook dat als één of andere journalist allerlei suggesties zou doen, dat er dan allemaal weer tegenwerpingen zouden komen van andere zijden. Van dat zeg je nu wel, maar daar heb je geen aanwijzingen voor" (VERD/50).
Toen verdachte werd aangehouden was hij uitgeput. Hij had al eerder de energie uit zijn lichaam voelen stromen, door ontlading van de spanning en gebrek aan conditie. Hij was bekaf en kreeg een gevoel van berusting over zich (r-c blz.24-25). De twee agenten die hem aanhielden verklaren dat hij een diepe zucht slaakte, rustig bleef, buiten adem was, het schuim op de mond had staan, en heel diep ademde (Bosch, r-c blz.8, en Lammers, r-c blz.11). Nadat zij de verdachte op het politiebureau hadden gebracht, hoorden zij wie het slachtoffer van de schietpartij was. Dus nogmaals: hun optreden kan op geen enkele wijze zijn beïnvloed door de wetenschap dat het de heer Fortuyn was die kort tevoren was neergeschoten (Bosch r-c blz.9, en Lammers r-c blz.11-12).
Op het bureau heeft verdachte bij zijn verhoor ter gelegenheid van zijn inverzekeringstelling gezegd: "Ik leg geen verklaring af. Ik wil eerst overleg met mijn advocaat mr.Böhler" (DIV/05). Die zwijgzaamheid heeft hij ½ jaar volgehouden tot zijn verhoor bij de rechter-commissaris.
C. het bewijs van de ten laste gelegde feiten
Ten aanzien van feit 1 kan de betrokkenheid van de verdachte ruimschoots worden bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:
Fortuyn is gedood door vijf dodelijke kogels in zijn hoofd, nek en rug;
één getuige is de schutter onophoudelijk gevolgd tot aan zijn aanhouding door de politie;
verdachte had een pistool op zak, waarvan later is vastgesteld dat daarmee de zes afgeschoten kogels zeer waarschijnlijk zijn verschoten, en dat daarop een bloedspoor van het slachtoffer is aangetroffen;
verdachte had celmateriaal van het slachtoffer op zijn linker broekspijp;
ook had hij een grote hoeveelheid schotrestsporen op zijn handschoenen en mouwen;
hij heeft uiteindelijk bekend Fortuyn met het pistool te hebben doodgeschoten en deze daad tevoren beraamd te hebben. Daarom kan worden bewezen dat verdachte de heer Fortuyn met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.
Over de voorbedachten rade nog dit. Volkert heeft het plan weken tevoren opgevat, en is het betrekkelijk kort tevoren goed gaan voorbereiden: waar en wanneer, hoe, met wat voor wapen, in welke outfit. Hij heeft zich niet op één locatie georiënteerd, maar ook op de mogelijkheid dat hij Fortuyn zou moeten opzoeken bij een ander LPF-partijlid bij wie Fortuyn, naar Volkert dacht, wel eens zou kunnen verblijven.
Op de vraag van de rechter-commissaris of hij de aanslag had beraamd en voorbereid, zei hij kortweg "ja" (r-c blz.2). Daarna heeft hij dit nader verwoord door te zeggen "Het idee voor de aanslag is niet opeens ontstaan, maar is gegroeid" (r-c blz.4) en "Ik heb Fortuyn in alle media gevolgd en het totaalbeeld heeft mij op deze gedachte gebracht" (r-c blz.5). Later bevestigt Volkert de verklaring van zijn vroegere vriend Robert dat hij rationeel is in het doel en de gevolgen van zijn handelen: "het gebeuren van 6 mei 2002 kwam niet voort uit een impuls. Het was niet zo van 'wat zal ik eens gaan doen op mijn vrije middag?'. Ik heb er wel over nagedacht. Ik weet dat ik slordigheden heb begaan bij de uitvoering van die aanslag (…). Misschien had het te maken met het feit dat ik er onbewust niet zoveel over wilde nadenken" (r-c blz.29).
Weliswaar heeft Volkert tegenover de psychiater van het Pieter Baan Centrum gezegd dat hij niet heel erg heeft gepeinsd over zijn voornemen om Fortuyn te doden, dat het "een idee was dat zo naar binnen flitste", dat hij er niet te lang over wilde denken, en het te snel heeft gedaan (PBC-rapport blz.72). Hierdoor kan de indruk worden gewekt dat verdachte uiteindelijk in een opwelling zegt te hebben gehandeld, en van voorbedachten rade in zijn beleving eigenlijk tòch geen sprake is geweest.
De deskundige merkt echter meteen op dat verdachte op deze manier heeft getracht "de volle omvang van zijn voornemen niet te zien door telkens de mogelijkheid open te houden om zijn voornemen om de een of andere reden niet uit te voeren" (blz.72). Volkert hield een uitweg open en voorkwam daarmee dat hij in dwangmatig piekeren of twijfelen zou vastlopen (blz.77). Volkerts verklaring op dit punt heeft dus vooral een psychische lading, die zijn langdurig voornemen om op enig moment Fortuyn door geweld uit te schakelen onverlet laat.
Het bewijs voor feit 2 is gegrond op de verklaring van de getuige Smolders (GET/ 02 en r-c blz.5) en de bekennende verklaring van de verdachte zelf (r-c blz.3 en 24, en VERD/49).
Feit 3 - wapen- en munitiebezit - kan worden bewezen o.g.v. de volgende bewijsmiddelen:
bij verdachtes aanhouding werd op hem een pistool van het merk Star aangetroffen (AH/16), met nog één patroon in de kamer (AH/101). Het betreft een wapen en munitie van de categorie III ingevolge de Wet wapens en munitie (AH/16-17).
bij de doorzoeking van verdachtes woning in Harderwijk werden, in een koffer op zolder, 46 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm aangetroffen (AH/99). Dit betreft munitie van de categorie III (AH/102).
verdachte heeft het voorhanden hebben van het wapen en de munitie bekend (r-c blz.3).
Ik wil nog een opmerking maken over de munitie die de verdachte in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft verklaard (r-c blz.13) dat hij het wapen geladen kocht, en (later) 2 doosjes munitie. In totaal zijn 54 patronen op hem terug te brengen, dat zijn 2 doosjes van 25 stuks en, als zijn verklaring juist is, 4 in het wapen bij de aankoop.
Naar eigen zeggen heeft hij niet zo gek lang na de aanschaf van het wapen één proefschot gelost, om het wapen uit te proberen (VERD/39). Het merk patroon van dat proefschot kennen wij (uiteraard) niet. Naast één vol doosje met 25 patronen van het merk S&B werd bij hem thuis een doosje gevonden met twee patronen van het merk S&B, één patroon van het merk PMC en 18 patronen van het merk MRP; totaal 21 patronen dus, van drie verschillende merken, in één doosje. Verder is opmerkelijk dat uit technisch onderzoek blijkt dat de zes patronen waarmee Fortuyn is beschoten en de ene patroon dat nog in het pistool werd gevonden, ook van het merk MRP zijn. Met de 18 MRP-patronen in het doosje maakt dat in oorsprong één vol doosje van 25 stuks. Twee dingen springen hier in het oog:
Uit het feit dat hij over patronen beschikte van 3 verschillende merken, die niet geheel logisch in één van de doosjes waren opgeborgen, kan worden vermoed dat hij met de gekochte patronen wat heeft geëxperimenteerd voordat hij met het geladen wapen naar het Mediapark ging, en uiteindelijk 7 patronen uit het nieuwe volle doosje heeft gebruikt voor zijn plan.
Het is zeer de vraag of juist is dat verdachte ooit maar één keer een (proef)schot heeft gelost. Als zijn verklaring juist zou zijn, heeft hij een 'geladen wapen' gekocht met niet meer dan 4 patronen. Dat lijkt bij een capaciteit van 8 patronen (TR/101) niet erg waarschijnlijk. Maar goed, Volkert verklaart zelf dat hij 4 patronen bij het wapen kreeg (VERD/38-39). Bewijs dat hij bij de aankoop meer patronen had is er niet.
feit 4: de 35 condooms
Feit 4 vergt aparte bespreking.
Bij verdachte is op 24 juni 2002 een nadere doorzoeking van zijn woning verricht. Aanleiding was vooral een telefoongesprek tussen verdachte en zijn vriendin op 12 juni 2002 over iets in de garage. Verdachte vroeg Petra twee keer nadrukkelijk ergens even aan te denken, zonder in te gaan op wat dan precies. Petra zei dat de garage niet op slot kon, en vroeg aan haar vriend of het bekend was, en wat ze uit de garage zouden kunnen halen.
Wij interpreteerden dit gesprek als verhullend. Verdachte heeft dat later altijd bestreden, hij zou slechts bang zijn geweest voor inbraak of diefstal, maar feit is wel dat de rechter-commissaris bij een doorzoeking in de garage een kunststof container aantrof die gevuld was met chemische stoffen. Ook lag daar een kookwekker waaraan elektriciteitssnoeren en stekkers waren bevestigd. Daardoor leek het op een ontstekingsmechanisme met tijdvertraging. Ook werd een bamboe hengel met bidon en afstandsbediening gevonden. De wekker en de hengel staan afgebeeld in boeken over (ik noem het maar) chemisch actie voeren. Verder werden aantekeningen over chemicaliën gevonden.
Te veel voor iemand die het alleen maar leuk vindt scheikundige proefjes te doen. Maar ook te onwaarschijnlijk omdat deze stoffen en voorwerpen bij uitstek geschikt bleken te zijn voor het maken van brandbommen en dergelijke. Verdachte bewaarde thuis ook boekjes en brochures uit het anarchistische actiewezen, portofoons die afgesteld stonden op politiefrequenties, een scanner, een map met politiefrequenties, en bivakmutsen.
Daarom móest deze hoeveelheid stoffen en voorwerpen, in combinatie gezien, wel doen denken aan iemand die ze - ooit misschien - bedoeld heeft voor gebruik bij gewelddadige acties.
Ik heb overwogen aan verdachte ten laste te leggen dat hij zich, door het voorhanden hebben van al deze stoffen en voorwerpen, had schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 46 Wetboek van Strafrecht: voorbereidingshandelingen met het oog op brandstichting. Een redelijke verdenking was er zeker: de combinatie van al deze dingen kan tot het vermoeden leiden dat verdachte deze spullen voorhanden had, "kennelijk bestemd" tot het begaan van een misdrijf waarop acht jaar gevangenisstraf of meer is gesteld, zoals brandstichting.
Ik heb hiervan afgezien om de volgende reden. Uit het onderzoek is gebleken dat een aantal voorwerpen dateren van begin jaren '90. Verder is uit een landelijke analyse gebleken dat bij geen van de bekende aanslagen of andere gewelddadige acties, déze (mix van)
| Pim Fortuyn Censuur in Nederland. De moord op Pim kost Nederlanders veel vrijheid (van meningsuiting) en een Fortuyn | |
| 332 | Fortuyn & Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?" |
| 193 | Fortuyn. Toeschrijven naar conclusie bekende truc overheid om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat |
| 482 | Fortuyn. Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief |
| 487 | Fortuyn. Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden" |
| 183 | Fortuyn. Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers |
| 182 | Fortuyn. Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd |
| 288 | Fortuyn. Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor kamerleden/onderhandelaars LPF |
| 178 | Fortuyn. De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak |
| 281 | Fortuyn. Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers |
| 280 | Fortuyn. Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn |
| 282 | Fortuyn. Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat |
| 275 | Fortuyn. Demmink zou LPF-minister Nawijn hebben gewaarschuwd geen lijsttrekker te worden omdat LPF uit criminelen zou bestaan |
| 485 | Fortuyn. Rene Diekstra op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn |
| 486 | Fortuyn. Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy |
| 286 | Fortuyn. Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond |
| 391 | Fortuyn. Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" |
| 105 | Fortuyn. Toelichting officier ter terechtzitting Amsterdam in strafzaak verdachte moord Fortuyn |
| 483 | Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuyn |
| BSC | Waarom willen gemeenten namen, titel, initialen, nevenfuncties leden en secretarissen bezwaarcommissie GEHEIM te houden? |
| GRI | Welke bijbaantjes (in BSC) worden door de raadsgriffiers en gemeentesecretarissen van gemeenten NIET opgegeven en waarom niet? |
| 107 | Waarom werd brief 031209 van Hop aan Raad onderschept? Neem college geen BESLUIT en wie zitten in werkgroep communicatie? |
| Werkwijze overheid en rechtersleger bij rampen in Nederland! Burgers en bedrijven worden (financieel) kapot gemaakt! | |
| POV | Plakoorlog op de Veluwe, bekijk de journaal uitzending van Omroep Gelderland |
| PO1 | Posteroorlog 1, In de meeste gemeenten was Hop er vroeg bij en plakte als eerste op de verkiezingsborden |
| PO2 | Posteroorlog 2, Hoe zou u het vinden als u in heel Gelderland plakt en alles zelf betaald en het CDA vernield je verkiezingsposters? |
| PO3 | Posteroorlog 3, Groep Hop was er vroeg bij omdat Hop alle adressen van verkiezingsborden bij alle gemeenten had opgevraagd! |
| 180 | Voordat de Staat (MvJ RVDK 445) een verzoek indient bij de rechter is er natuurlijk eerst een onderonsje met de rechter om het verzoek af te stemmen |
| 124 | Stockholmsyndroom en UHP kinderen. Brief ouders aan kinderrechter wij komen NIET naar hoorzitting om proceseconomische redenen! |
| 306 | Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?" |
| 557 | Pikmeerarresten! Rechtersleger zal altijd proberen de overheid te beschermen, onafhankelijke burgers/bedrijven kapot te maken! |
| 306 | Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?" |
| 008 | Informant Hop: "RvdK zat voor, tijdens schorsing en na de hoorzitting bij de kinderrechter AAN DEZELFDE TAFEL!" |
| 710 | Rb Zutphen tegen Hop: "Wraking Hop 3 rechters die zelf een zaak behandelen waarin zij zelf belanghebbende waren ONGEGROND!" |
| 288 | Informant Professor Daud: "De regentenstand speelt elkaar baantjes toe, parlement oefent nauwelijks controle uit" |
| 267 | Informant CDA Minister Donner: "Iedere kritiek afzonderlijk is NIET gevaarlijk"! |
| 282 | Informant Henk Westbroek: "Een kleine druppel voel je niet" |
| 020 | Informant Diekmans/Oltmans: Macht is recht! Wie meer macht heeft, heeft meer rechten, eigent zich ongestraft meer rechten toe |
| 002 | Awb procedures: Familie Logtenberg tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland |
| 003 | Awb procedures: Familie Nienhuis/Leenders tegen Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland/Stichting Lindenhout |
| 004 | Awb procedures: Familie Struyk tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland |
| 005 | K.H. de Werd: "Hoe een onafhankelijk ondernemer door vakbonden, OM en rechtersleger kapot wordt gemaakt |
| 179 | De zaak Joop van den Hemel tegen de verzekeringsmaatschappij Royal Nederland als norm voor de werkwijze en "integriteit" van het rechtersleger met al hun bijbaantjes bij verzekeringsmaatschappijen |
| 421 | Novacap tulpenfraude Novacap Floralis Termijnfonds 2004 cv, Novacap Termijnfonds Beheer B.V., Novacap Agricola B.V. |
| 572 | Ad Bos verklapte in 2001 het geheim van de bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland |
| 334 | Misbruik bevoegdheden! Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet |
| 285 | Misbruik bevoegdheden! Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw? |
| 104 | Overheid! Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur |
| 278 | Openbaar Ministerie! De IRT-affaire leert dat "klokkenluiders" bij het Openbaar Ministerie hun baan zullen kwijtraken |
| 015 | Bijlmerramp! De laatste gesprekken cockpit/verkeerstoren. |
| 351 | Bijlmerramp! CDA-rechter Rein-Jan Hoekstra die Bijlmerramp onderzoekt kan vrachtbrieven en mannen in witte pakken niet vinden |
| 099 | Schipholbrand, welke CDA-er was hier weer verantwoordelijk en hoe komen hij/zijn familie eigenlijk aan al hun baantjes? |
| 309 | Vuurwerkramp Enschede rechercheurs voeren jarenlang Wob-procedures tegen Staat om Rijksrechercherapport |
| 417 | Brand Volendam! Gemeente vrijuit na falende controle! Welke bijbaantjes had de burgemeester tijdens de Brand Volendam? |
| 573 | Catshuisbrand. Ing. P.B. (Peter) Reijman: "Landsadvocaat wilde concept rapport niet tot definitieve versie verheven" |
| 283 | Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam waarschuwing voor andere werknemers die tegen werkgever/gemeente procederen |
| 178 | Moord op Pim Fortuyn! Onderzoek dierenactivisten stopgezet! CDA-rechter die moord op Fortuyn onderzoekt kan weer niets vinden! |
| 047 | Tegen Ad van Rooij werd vertrouwensarts ingezet! Strijd tegen impregneren van hout met gif en gevolgen voor mens en milieu |
| 300 | Tegen Hop werd rechtersleger en een advocaat met baantjes bij kerk en school ingezet in strijd om contactjournaal gezinsvoogd |
| 680 | "Jeugdzorg" verzoekt Parlement/Minister net ingevoerde KLANTEN klachtwetgeving aan te passen in strijd tegen lastige Hop |
| 346 | CDA duldt geen kritiek in eigen blad, wil hoofdredacteur Christen Democratische Verkenningen de laan uitsturen |
| 200 | Het Seveso arrest, overheid moet aan burgers een schadevergoeding betaling indien burgers verkeerde informatie krijgen |
| 408 | Wet collectieve afhandeling massaschade! Identieke of verwante processen bij één gerecht of één rechterscombinatie bundelen |
| STEMWIJZER! Stem NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks bij verkiezingen gemeenteraad en landelijke verkiezingen 2010! | |