CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

 

Artikel 1:160 BW, inhoudende de woorden: "samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registeren" en de eventuele hieruit voortvloeiende onduidelijkheden voor de rechtspraktijk

 

225

Het Ministerie van Justitie
Directie Wetgeving
t.a.v. Mr. A. Blokland
Postbus 20301
2500 EH Den Haag

 

Den Haag, 23 september 2002

 

Uw kenmerk : 5148763/02/6
Ons kenmerk : 620/AdG/1.18
Bijlage(n) : --
Onderwerp : Artikel 1:160 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek

 

LS,

Bij brief van 7 februari 2002 heeft de voormalige Staatssecretaris van Justitie de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een notitie betreffende artikel 160 Boek 1 BW ter advisering toegezonden. In deze notitie worden de laatste zinsnede van artikel 1:160 BW, inhoudende de woorden: "samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registeren" en de eventuele hieruit voortvloeiende onduidelijkheden voor de rechtspraktijk besproken.

De voormalige Staatssecretaris stelt in haar brief de vraag of de rechtspraktijk behoefte heeft aan een wijziging van deze zinsnede, nu deze onduidelijk zou kunnen zijn en tot onverkwikkelijke procedures zou kunnen leiden. Wanneer dit het geval zou mogen zijn, stelt zij de aanvullende vraag welke wijziging van het artikel dan de voorkeur verdient, waarbij aangeeft dat gedacht zou kunnen worden aan het gebruiken van een andere terminologie in de zinsnede, al dan niet in combinatie met een herleving van de alimentatieplicht na het eindigen van de samenleving, het invoeren van een proefperiode of het schrappen van de gehele zinsnede.

De wetenschappelijke commissie van de NVvR heeft met waardering kennis genomen van de notitie waarin de bovengenoemde mogelijkheden uitvoering behandeld worden.

Bij de bespreking van de notitie en de daarbij gestelde vragen is de wetenschappelijke commissie met name uitgegaan van de standaard huwelijken, relaties en echtscheidingen.

De wetenschappelijke commissie kan zich inleven in de gedachte dat de desbetreffende zinsnede op zichzelf beschouwd onduidelijk kan zijn en tot onverkwikkelijke procedures kan leiden, maar wenst hierop wel een aantall nuanceringen aan te brengen.

Ten eerste wordt er, voor zover de wetenschappelijke commissie kan beoordelen, slechts een gering aantal procedures ex artikel 1:160 BW laatste zinsnede aanhangig gemaakt; de oorzaak hiervan kan met name gezocht worden in de zware bewijslast, welke weer een gevolg is van de voor de alimentatiegerechtigde bij toewijzing zeer verstrekkende consequenties.

Daarnaast heeft de Hoge Raad (zoals ook uitvoerig in de notitie naar voren is gebracht) een duidelijke en voor de rechtspraktijk werkbare invulling gegeven aan deze zinsnede, waardoor onduidelijkheden niet veelvuldig voorkomen.

Het zeer persoonlijke en emotionele karakter van de problematiek kan meebrengen dat dergelijke procedures onverkwikkelijk zijn, maar dat is niet bepalend voor het antwoord op de vraag of de alimentatieverplichting moet voortduren indien zodanige samenleving wordt bewezen. Men moet zich niet verkijken op de in het maatschappelijk verkeer aanvaarde norm dat de alimentatieplichtige geen bijdrage meer verschuldigd is aan de ex-echtgenoot die voor een andere lotsverbondenheid heeft gekozen door zodanige samenleving met een ander aan te gaan.

Daarnaast geldt dat ook andere, niet op deze zinsnede gebaseerde familierechtelijke procedures, onverkwikkelijk kunnen zijn.

De wetenschappelijke commissie acht een wetswijziging dan ook niet noodzakelijk.

Hierbij heeft de wetenschappelijke commissie tevens in overweging genomen dat van de zinsnede ook een preventieve werking kan uitgaan in die zin dat een alimentatiegerechtigde na een kortere of langere samenleving kan afzien van het verder geldend maken van een aanspraak op levensonderhoud en zelf een onverkwikkelijke (bewijs-)procedure zal willen voorkomen.

Indien evenwel toch tot wetswijziging zou worden overgegaan sluit de wetenschappelijke commissie zich aan bij hetgeen de Raad voor de Rechtspraak bij brief van 26 juli 2002 naar voren heeft gebracht. Daaraan moet wel worden toegevoegd dat de door de Hoge Raad ook nog in NJ 2001, 691geiste samenwoning thans, na de afschaffing van de in artikel 1:83 BW (oud) neergelegde samenwoningsplicht, mogelijk in de toekomst niet langer geist zal worden.

 

Namens de wetenschappelijke commissie,

G. Chr. Kok,

voorzitter

 

 

 

Scheidings- , omgangsproblematiek en mediation! De praktijk leert dat het kostenaspect niet mag worden onderschat! NVvR staat positief tegenover de mogelijkheid van verwijzing door de rechter naar een omgangsbemiddelaar

Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Belangrijker dan een wettelijke regeling lijkt te zijn dat de advocatuur zich bij het formuleren van de inleidende processtukken instelt op de mogelijkheid van verwijzing naar een mediator"

 

256

ADVIES
inzake
Voorstellen scheidings- en omgangsproblematiek

1. Inleiding
Bij brief van 29 oktober 2003 heeft de minister van Justitie de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) verzocht te reageren op de in die notitie beschreven uitgangspunten voor de echtscheidingsprocedure. In het bijzonder is een reactie gevraagd op het voorstel om nadere eisen te stellen aan de inhoud van het inleidend verzoekschrift in echtscheidingszaken, inclusief het verplicht maken van afspraken over de invulling van het ouderlijk gezag na de scheiding. Tenslotte wordt de mening van de NVvR gevraagd over de inzet van mediation en andere in de notitie genoemde punten. Volgens de notitie zullen de ingekomen reacties worden gebruikt bij het opstellen van een wetsvoorstel. 

Deze reactie is voorbereid door leden van de NVvR-studiekring Familie- en Jeugdrechtspraak en is vastgesteld door de wetenschappelijke commissie van de NVvR. In deze reactie wordt de indeling aangehouden van de brief van 29 oktober 2003. 

2. Uitgangspunten voor een betere echtscheidingprocedure
De NVvR acht het nastrevenswaardig dat conflicten in de familiesfeer zoveel mogelijk buiten rechte worden opgelost. Het behoeft geen betoog dat wanneer partners die uit elkaar gaan zlf in goed overleg tot een oplossing komen, ook voor wat betreft de verzorging van en de omgang met hun kinderen, deze wijze van afwikkelen op het grootste draagvlak kan rekenen. Zij verdient in het algemeen de voorkeur boven oplossingen die van bovenaf aan de scheidenden worden opgelegd. Voor zover de wetgever door het formuleren van procedureregels of heldere materile normen ertoe kan bijdragen dat scheidende partners gemakkelijker tot een onderlinge regeling komen dan daarzonder, is een dergelijke faciliteit welkom.

Het formuleren van heldere uitgangspunten voor een regeling door de partners onderling is evenwel niet hetzelfde als het formuleren in de wet van standaardnormen. De minister noemt in zijn notitie in dit verband de recente voorstellen tot vereenvoudiging van het stelsel van kinderalimentatie. De NVvR wijst erop dat de laatstbedoelde voorstellen door haar, en trouwens ook door andere organisaties, kritisch zijn ontvangen. Zij zijn sterk gestandaardiseerd (vaststelling van bedragen), worden van bovenaf opgelegd en houden daardoor te weinig rekening met individuele omstandigheden. Het desbetreffende WeCo-advies is gemakshalve in kopie hierbij gevoegd. Voor het omgangsrecht ligt het in wezen niet anders. Een wettelijke norm zoals in par. 5 van de brief genoemd (omgang met de niet-verzorgende ouder gedurende n weekend per twee weken en de helft van alle vakanties) gaat uit van een standaardsituatie, doch veel ouders zullen die niet op zich van toepassing achten.

3. Het bevorderen van het maken van afspraken
De NVvR onderschrijft dat het aanbeveling verdient dat de partijen zich vr de aanvang van de echtscheidingsprocedure rekenschap geven van de noodzaak afspraken te maken over alle gevolgen van de echtscheiding. Daartoe behoren ook afspraken over de verzorging van en de omgang met hun minderjarige kinderen. De vraag is echter, wat een wettelijke regeling aan de bestaande praktijk kan toevoegen. Op dit moment is het de taak van de advocaten die de scheidende partijen bijstaan, hun clinten voor te lichten over alle onderwerpen die in het kader van de echtscheiding onderling geregeld moeten worden of anders bij de rechter aan de orde zullen komen. In de notitie wordt een aantal van deze onderwerpen genoemd. Partijen kunnen ook nu al laten vastleggen wat tussen hen is afgesproken en ten aanzien van de resterende geschilpunten een beslissing van de rechter vragen. De minister gaat in zijn notitie niet in op de rol van de balie. Daardoor wordt niet terstond duidelijk wat de te verwachten winst is van een wettelijke regeling, waarin de verplichte inhoud van het verzoekschrift nader wordt voorgeschreven. Voor zover het in de notitie genoemde document slechts is bedoeld als een “checklist” van alle onderwerpen waaraan scheidende ouders moeten denken vrdat zij een echtscheidingsprocedure beginnen, kan deze voorlichting ook zonder wetswijziging in de vorm van een folder worden gegeven.

Zoals de minister in de notitie opmerkt, is het nuttig wanneer het inleidend verzoekschrift zodanige informatie verschaft, dat de rechter al in een vroeg stadium van de procedure kan beoordelen of verwijzing naar een mediator aangewezen is. De enkele opsomming in (een bijlage bij) het inleidend verzoekschrift van onderwerpen waarover wel en waarover geen overeenstemming is bereikt, geeft hoogstens een indicatie. Belangrijker dan een wettelijke regeling lijkt te zijn dat de advocatuur zich bij het formuleren van de inleidende processtukken instelt op de mogelijkheid van een dergelijke verwijzing.

4. De plaats van mediation
De NVvR verwijst naar haar advies aan de minister van Justitie over het rapport “Bemiddeling in uitvoering”, in welk rapport een evaluatie is gegeven van experimenten met scheidings- en omgangsbemiddeling. Het desbetreffende WeCo-advies is gemakshalve eveneens in kopie bijgevoegd. Hieruit blijkt dat de NVvR positief staat tegenover de mogelijkheid van verwijzing door de rechter naar een omgangsbemiddelaar. De gedachte aan het geheel vervangen van de tussenkomst van de rechter (echtscheiding per formulier) was destijds voor de NVvR “een stap te ver” en is dat nog steeds. Juist het model van de rekestprocedure met de daarbij behorende mondelinge behandeling biedt de rechter de mogelijkheid om te toetsen of een tussen partijen getroffen regeling niet onder invloed van misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen en of zij wel strookt met het belang van de betrokken minderjarige.

De NVvR deelt het standpunt van de minister in de notitie, dat mediation niet verplicht gesteld moet worden maar wel gestimuleerd mag worden. Overigens leert de praktijk dat het kostenaspect niet mag worden onderschat. Vanuit de overheid bezien, mag het aantrekkelijk zijn dat zoveel mogelijk aspecten van de echtscheiding vr de aanvang van de procedure door partijen zelf worden geregeld. De rechtzoekenden echter, zullen hun keuze om vr de procedure wel of geen mediator in te schakelen voor een belangrijk deel laten afhangen van de (extra) kosten die zij daarvoor moeten maken. Ook hier is de houding van de desbetreffende advocaten ten opzichte van mediation van belang.  

Voor wat betreft het stadium waarin de verwijzing plaatsvindt, zou de mogelijkheid van verwijzing naar een mediator in elke stand van de procedure moeten openstaan, dus ook vr de eerste zitting. Hoewel de NVvR van mening is dat bemiddeling doorgaans de beste kans van slagen heeft indien in een zo vroeg mogelijk stadium beproefd, zou zelfs bij de uitspraak een heropening van de zaak met verwijzing naar een mediator tot de mogelijkheden moeten behoren. 

De NVvR hecht eraan, te benadrukken dat kinderen ouder dan 12 jaar door de bemiddelaar in de gelegenheid dienen te worden gesteld om – bij voorkeur in een persoonlijk gesprek, doch minimaal schriftelijk – hun mening naar voren te brengen over de voor hen relevante (in de notitie van de minister bedoelde) onderwerpen. 

5. Processuele vormgeving
Indien de wetgever ertoe overgaat nadere eisen te stellen aan de inhoud van het inleidend verzoekschrift in echtscheidingsprocedures, ligt het naar de mening van de NVvR voor de hand dat de rechter over de mogelijkheid beschikt om de behandeling van het verzoekschrift aan te houden teneinde eventuele lacunes door de verzoekende partij te laten aanvullen (dit is mogelijkheid 1, genoemd in de notitie van de minister).  

Onverlet de algemene regels omtrent de kostenveroordeling in een verzoekschriftprocedure, lijkt het niet gewenst om n der partijen te veroordelen in de kosten indien de rechter van oordeel is dat het n partij verweten kan worden dat geen afspraken tot stand zijn gebracht (mogelijkheid 3 in de notitie). In de eerste plaats staat een dergelijke kostenveroordeling op gespannen voet met het uitgangspunt dat mediation niet verplicht wordt gesteld. Daarnaast kan het ertoe leiden dat partijen, teneinde een dergelijke kostenveroordeling te voorkmen, uitvoerig aan de rechter zullen gaan uitleggen waarom het niet aan hen (maar aan de wederpartij) ligt dat vr de procedure geen afspraak tot stand is gekomen. Dit leidt alleen maar af van de hoofdzaak. 

Op de voorgestelde norm (een weekend per twee weken en de helft van alle vakanties) is hierboven reeds gereageerd. Voor bijv. ouders met onregelmatige werktijden, ouders die een groot deel van hun tijd in het buitenland verblijven of ouders die ongelijke vakanties hebben is een dergelijke norm te weinig flexibel en niet steeds praktisch. Nu zou men kunnen zeggen dat die ouders dan maar zelf een afwijkende regeling moeten treffen. Dat is niet gelukkig; er bestaat een kans dat de norm, indien wettelijk z vastgelegd, een eigen leven gaat leiden en zelfs als drukmiddel tijdens de onderhandelingen tussen de partners wordt gebruikt. Indien de minister de bedoeling heeft gehad hiermee tot uitdrukking te brengen dat de zorg voor en de omgang met de kinderen gedurende de vrije dagen gelijkelijk tussen de ouders (de gewezen partners) moeten worden verdeeld bij gebreke van andersluidende afspraken, lijkt het verstandiger dit uitgangspunt in de wet op te nemen dan in de wet te fixeren op welke dagen het contact tussen ouders en kinderen plaatsvindt. 

6. Het stellen van eisen aan een verzoekschrift in andere situaties dan een echtscheiding
De NVvR onderschrijft de gedachte in de notitie dat er geen reden is om verzoeken tot ontbinding/beindiging van een geregistreerd partnerschap, verzoeken tot wijziging van het gezag, verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling of geschillen m.b.t. de gezamenlijke gezagsuitoefening t.a.v. de nadere eisen, te stellen aan het inleidend verzoekschrift, anders te behandelen dan echtscheidingsverzoeken.

Het hierboven gestelde ten aanzien van de plaats van mediation en de processuele vormgeving kan mutatis mutandis als hier herhaald worden beschouwd. Er is overigens reden tot twijfel of een wettelijke regel, inhoudende dat in het verzoekschrift uitdrukkelijk moet worden vermeld waarover partijen wel of niet tot overeenstemming zijn gekomen, zal leiden tot een serieuze vermindering van het aantal verzoeken. De reden waarom partijen thans naar de rechter stappen met bijv. een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling is doorgaans hierin gelegen, dat zij er samen niet uitkomen.

7. Tenslotte
De ambtshalve rechterlijke toetsing van het belang van het kind mag niet verdwijnen. Bij de totstandkoming van onderlinge afspraken tussen scheidende partijen is het goed mogelijk dat de eigen belangen van de ouders de overhand krijgen boven die van de minderjarige kinderen. De ouders zullen dikwijls geneigd zijn te kijken naar de totale uitkomst van de onderhandelingen, hetgeen kan meebrengen dat de omgangsregeling als ruilobject (wisselgeld) wordt gebruikt om een regeling omtrent de alimentatie of de boedelscheiding tot stand te brengen. Ook kan de situatie tussen de scheidende partners z gespannen zijn dat de eigen belangen van het kind onvoldoende in ogenschouw worden genomen.

De notitie is beperkt tot een schets op hoofdlijnen; voor deze reactie geldt hetzelfde. Wanneer te zijner tijd een wetsvoorstel wordt overwogen, zal de NVvR gaarne in de gelegenheid worden gesteld daarover advies uit te brengen. 

Den Haag, 9 januari 2004,

Namens het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak,
de wetenschappelijke commissie.

 

 

Rechters en officieren van justitie willen dat priv-gegevens over hun nevenfuncties van internet worden gehaald

De norm. Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "In 1997 zorgde een site van Ermelor Jan Hop met daarop informatie over nevenfuncties van rechters voor ophef. Zijn bijbanenregister is nog altijd online" Bron Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak dinsdag 7 oktober 2003

top