SLAVERNIJ IN NEDERLAND EN UW PRIVACY ©

CDA, VVD, Christen-Unie, D66 en de PvdA, willen dat Nederlandse burgers ongecontroleerd kan worden afgeluisterd als praktijkvoorbeeld van de respectloze bejegening van iedere politicus en medewerker van deze vijf politieke partijen jegens gewone burgers en hun privacy.

CDA, VVD, Christen-Unie en D66 willen het referendum voor gewone Nederlanders afschaffen als praktijkvoorbeeld van de respectloze bejegening van iedere politicus en medewerker van deze vier politieke partijen jegens gewone burgers.

CDA, VVD, Christen-Unie en D66 willen het lage BTW tarief voor groenten en fruit flink verhogen zodat gewone Nederlanders nog meer geld voor hun voedsel moeten betalen.

Referendum Sleepwet? Stem wijzer! Stem Groep Hop! Stem TEGEN de Sleepwet!

 

Kent u iemand in Ermelo? Vraag of hij/zij Groep Hop wil stemmen...

Contact: lees verder

Stem Wijzer! Stem Groep Hop.Kent u iemand in Ermelo vraag of hij/zij in 2018 Groep Hop wil stemmen om een frisse wind door het gemeentehuis te laten waaien en/of wil helpen met het snel verkrijgen van het wettelijk aantal benodigde ondersteuningsverklaringen om mee te mogen doen met de verkiezingen in Ermelo?

 

 

Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 27 mei 1997 geeft inzicht in werkwijze openbaar ministerie en politie en het opslaan van gegevens over burgers in allerlei geheime dossiers 

Inleiding                                                                blz. 3

 

Hoofdstuk 2

                                De nieuwe titels                                                      blz. 4

 

Hoofdstuk 3

                                Bijzondere bevoegdheden

                                Stelselmatige observatie                                           blz. 6

                                PolitiŽle infiltratie                                                     blz. 7

                                Pseudo-koop of -Dienstverlening                                 blz. 8

                                Stelselmatig inwinnen van informatie                            blz. 9

                                Bevoegdheden in besloten plaatsen                             blz. 10

                                Opnemen van vertrouwelijke communicatie                   blz. 11

                                Onderzoek van telecommunicatie                                blz. 12

                                Inlichtingen omtrent gegevensverkeer                          blz. 13

 

Hoofdstuk 4

                                Bijstand aan de opsporing door burgers

                                Burgerinformanten                                                    blz. 14

                                Burgerinfiltratie                                                        blz. 14

                                Burger pseudo-koop of -dienstverlening                        blz. 15

 

Hoofdstuk 5

                                Algemene regels betreffende de bevoegdheden              blz. 16

 

Hoofdstuk 6

                                Overige bepalingen en wijzigingen                                blz. 20

 

Tekst van de wetgeving                                                                            blz. 22

 

Blijlagen                                                                                                 blz. 29

 

 

 

 


Hoofdstuk 1

 

Inleiding

 

In 1926 is ons huidige wetboek van strafvordering van kracht geworden, waarin het Nederlandse strafprocesrecht werd en wordt omschreven. Voor die tijd en in die omstandigheden een prima stuk gereedschap.

Waar echter de samenleving gecompliceerder werd, bleef de criminaliteit daarbij niet achter. Bovendien werden door de opeenvolgende Nederlandse regeringen verdragen ondertekend waaronder het "Europees verdrag van de rechten van de mens", [1] waarin onder meer het recht op respect van het privť- familie- en gezinsleven wordt aangegeven. Uitdrukkelijk is hierin bepaalt, dat geen inmenging van het openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voorzover daarin bij de wet is voorzien.

Ook de Grondwet geeft in artikel 10 aan eenieder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, behoudens bij de wet vast te stellen beperkingen daarop.

Deze bij de wet gestelde beperkingen en inmengingen vinden we voor het grootste deel terug in het strafprocesrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de Economische delicten. Tot nu toe bleef dit echter beperkt tot het moment waarop iemand verdacht werd van een strafbaar feit en dus verdachte werd in de zin van artikel 27 van het wetboek van strafvordering. De fase daarvoor, dus alle werkzaamheden die moesten leiden tot een dergelijke verdachte, werden niet beschreven. Sterker nog, nergens zult u in het wetboek van strafvordering beschreven vinden wat opsporen nu eigenlijk precies is.

We zullen het dus moeten doen met datgene wat het spraakgebruik daaronder verstaat, waarbij de aloude "van Dale" dit als volgt omschrijft: "Door nasporen, door zoeken ontdekken, vinden" Nasporen is volgens dezelfde van Dale: "Door onderzoek en overleg op het spoor komen van iets dat men eerst niet wist".

Pas als de opsporingsambtenaar door het doen van nasporingen aan een verdachte gekomen was konden de bepalingen uit het wetboek van strafvordering gebruikt gaan worden, de bevoegdheden tot staandehouding, aanhouding, inverzekeringstelling en dergelijke. De meeste andere bevoegdheden, zoals de bepalingen t.a.v. inbeslagneming, treden pas in werking na het staandehouden of aanhouden van een verdachte.

 

Gelet op de gegroeide praktijk bij de politie, waarbij allerlei opsporingsmethoden werden gebruikt die niet omschreven waren in het wetboek van strafvordering, is het dan ook niet verwonderlijk dat er in de loop van de jaren ruim 130 wijzigingen zijn geweest in de oorspronkelijke wettekst. Deze wijzigingen bevatten zowel de aanpassingen die noodzakelijk waren bij het wijzigen van andere wetten, als meer fundamentele wijzigingen, zoals bijvoorbeeld het invoeren van de telefoontap en de daarmee samenhangende mogelijkheden.[2]

Bovendien werd vanaf de jaren '70, onder invloed van het optreden van de advocatuur in de rechtszaal, door de rechtbanken hoe langer hoe meer gekeken naar de wijze waarop het bewijs in strafzaken tot stand gekomen was. Dit bleek zich lang niet altijd te verhouden tot de hiervoor genoemde tekst uit de Grondwet en met de teksten van internationale verdragen. Wat echter nog belangrijker was, het verhield zich ook niet met artikel 1 van het wetboek van strafvordering, waarin immers uitdrukkelijk bepaald wordt dat: "strafvordering slechts plaats vindt op de wijze bij de wet voorzien"

IJverige, enthousiaste en vakbekwame opsporingsambtenaren hebben de afgelopen 25 jaar gezocht naar de grenzen van de opsporing, waardoor met name in de jurisprudentie duidelijk werd wat wel en wat niet kon. Ook de politiek zat niet stil. Zo herinner ik eraan, dat in 1984 de commissie Roethoef werd ingesteld, die in 1985 het "Beleidsplan Samenleving en Criminaliteit" publiceerde, waarin voor het eerst onderscheid werd gemaakt tussen veel voorkomende en zware georganiseerde criminaliteit. Korte tijd later werd het begrip Pro-Actieve opsporing geÔntroduceerd, waarin voornamelijk voor de (R) CID een rol was weggelegd. Met name door de inzet van de CID was ook een verschuiving waar te nemen van onderzoeken naar al gepleegde feiten naar onderzoeken naar nog te plegen feiten. Omdat deze onderzoeken plaatsvonden in beslotenheid, werd een groot beroep gedaan op de inventiviteit en de flexibiliteit van de rechtbanken, die in eerste aanleg over deze zaken moesten beslissen.

Het resultaat daarvan was, dat door het Europees Hof in 1989 het inzetten van een anonieme informant werd geaccepteerd en dat in 1992 hetzelfde gebeurde naar aanleiding van het inzetten van een pseudo-koper.

In dezelfde tijd werden echter de grenzen van het opsporen overschreden,[3] hetgeen leidde tot de instelling van een parlementaire enquÍtecommissie, de commissie van Traa, die als resultaat van de enquÍte het rapport "Inzake Opsporing" schreef, waarin naast een beschrijving van de tekortkomingen ook een groot aantal aanbevelingen was opgenomen.

Deze aanbevelingen hebben geleid tot een wetsvoorstel, oorspronkelijk genummerd 25.403, van 17 juni 1997, waarin het wenselijk werd geacht om in het wetboek van strafvordering enige bijzondere bevoegdheden ter opsporing op te nemen.

Dit wetsvoorstel heeft het niet gehaald. Niet omdat het inhoudelijk niet aan de eisen voldeed, maar omdat de behandeling daarvan zo lang duurde dat inmiddels al een ander wetsvoorstel houdende de wijziging van het gerechtelijk vooronderzoek en enige andere bepalingen in behandeling was genomen.

Besloten is toen, om beide wetsvoorstellen gelijktijdig in werking te laten treden en werd als datum van inwerkingtreding 1 februari 2000 genoemd.

 

Met deze wetsvoorstellen krijgen de daarin genoemde opsporingsbevoegdheden een wettelijke basis, krijgt de officier van justitie een centrale rol in het opsporingsonderzoek[4] en wordt het gebruik van technische hulpmiddelen gereguleerd.

Door het opnemen in de wet van deze opsporingsbevoegdheden is een eind gekomen aan de soms ondoorzichtige methoden die door politie en justitie worden gebruikt. Elke burger kan nu weten waaraan hij zich blootstelt als hij de wet overtreedt en kan de gevolgen daarvan overzien.

Geheime opsporingsmethoden, die eerst ter terechtzitting in de openbaarheid komen kunnen dus niet meer voorkomen. Dit wil overigens niet zeggen, dat de aanwending van elk opsporingsmiddel nu direct openbaar is. Het belang van het onderzoek zal immers meestal vragen om een vertrouwelijke behandeling van de gebruikte methoden en dus geheim blijven in de betreffende zaak.

Wel zal de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden schriftelijk in het strafdossier moeten worden verantwoord. [5] De vrees, dat daarbij middelen slechts kortstondig kunnen worden gebruikt lijkt ongegrond, nu er geen verplichting is opgenomen om aan te geven hoe, vanuit welke ruimte, door welke dienst en onder welke omstandigheden van hulpmiddelen gebruik is gemaakt.

 

Het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden maakte het echter wel noodzakelijk om in het wetboek van strafvordering op te nemen wat onder het opsporingsonderzoek werd verstaan. Artikel 132a geeft hieraan de volgende definitie:

Onder het opsporingsonderzoek wordt verstaan het onderzoek onder leiding van een officier van justitie naar aanleiding van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan of dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd, als omschreven in artikel 67,1e lid, die gezien hun aard of samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.

 

Hoofdstuk 2

 

De nieuwe titels

 

In het wetboek van strafvordering zullen een vijftal nieuwe titels worden ingevoegd. Deze titels zijn:

 

1.       Titel IVa

Bijzondere bevoegdheden tot opsporing

2.       Titel V

Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband

3.       Titel Va

Bijstand aan opsporing door burgers

4.       Titel Vb

Algemene regels betreffende de bevoegdheden in de titels IVa, V en Va

5.       Titel Vc

Verkennend onderzoek

 

           

Hieronder volgt per nieuwe titel een korte uitleg, waarin wordt ingegaan op de omstandigheden waaronder van een met name genoemde opsporingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt.

 

Titel IVa

In deze titel worden de opsporingsbevoegdheden omschreven die mogen worden toegepast in het traditionele opsporingsonderzoek. Dit betekent, dat er pas kan worden opgetreden als een misdrijf gepleegd is en als er een verdenking bestaat tegen een persoon of een groep van personen.

Het doel van deze manier van opsporen is altijd de waarheidsvinding.

Vanaf 1 februari 2000 is bij het aanwenden van deze bijzondere opsporingsmethoden een centrale rol weggelegd voor de officier van justitie, die voor elk van de bijzondere opsporingsmethoden een schriftelijk bevel moet geven. In sommige gevallen [6] is voor een dergelijk bevel een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist.

In deze manier van werken vinden we dan ook het proportionaliteitsbeginsel terug. Elke meer dan geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dient gewogen te worden door de officier van justitie, zodat deze inbreuk later, ter zitting, door de rechtbank kan worden beoordeeld. Bij de behandeling van de afzonderlijke artikelen zullen we zien, dat opsporingsmethoden die tot voor kort door de politie zelf geÔnitieerd werden nu een schriftelijk bevel van de officier van justitie behoeven.

 

Titel V

Ten aanzien van de bijzondere opsporingsbevoegdheden uit deze titel gelden geheel nieuwe criteria. Deze titel is opgenomen met een bijzonder doel, namelijk het bestrijden van de georganiseerde criminaliteit.

De bevoegdheden in deze titel, die in grote lijnen hetzelfde zijn als die van titel IVa, zijn echter in de wet opgenomen omdat hier de bevoegdheden genormeerd worden voor het onderzoek naar georganiseerde criminaliteit. In  deze titel is dan ook als criterium voor de toepassing opgenomen: " Een redelijk vermoeden op grond van feiten of omstandigheden dat in georganiseerd verband misdrijven als omschreven in artikel 67, 1e lid worden beraamd of gepleegd die gezien hun aard of samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren". [7]

Ook hier vervult de officier van justitie een centrale rol, waarbij evenals in titel IVa  bij de toepassing van zeer ingrijpende opsporingsmethoden voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist is.

Om deze bevoegdheden toe te kunnen passen was het bovendien noodzakelijk om het begrip opsporing, dat in het wetboek van strafvordering niet nader omschreven is, te verruimen en werd een nieuw artikel ingevoegd, waarin wordt aangegeven wat onder een opsporingsonderzoek wordt verstaan.

 

Titel Va

In deze titel wordt de bijstand aan de opsporing door burgers eveneens in de wet geregeld. Hierin zijn drie verschillende niveaus te onderscheiden, namelijk:

1.       De overeenkomst, op bevel van de officier van justitie tussen een opsporingsambtenaar en een burger om informatie in te winnen, de informant

2.       De overeenkomst tussen de officier van justitie en een persoon die geen opsporingsambtenaar is om deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen die misdrijven plegen, de infiltrant

3.       De overeenkomst tussen de officier van justitie en een persoon die geen opsporingsambtenaar is om goederen af te nemen of diensten te verrichten aan de verdachte, de pseudo-koper of -dienstverlener

Ook bij de hantering van deze bevoegdheden is er sprake van het proportionaliteitsbeginsel. Zo is voor het inzetten van een burger-informant de verdenking van een misdrijf al voldoende grond, voor het inzetten van een burger-infiltrant of burger-pseudokoper is een verdenking van een misdrijf als genoemd in artikel 67.1e lid noodzakelijk.

 

Titel Vb

Deze titel bevat een aantal artikelen waarin de algemene regels zijn opgenomen hoe moet worden gehandeld met de resultaten die zijn voortgekomen uit de aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden. Hierin vinden we onder meer:

1.       De verplichting om alle stukken waaraan gegevens zijn ontleend bij de processtukken te voegen

2.       De verplichting om aan de betrokkene mededeling te doen van de uitoefening van bevoegdheden zodra het belang van het onderzoek dit toestaat

3.       De bewaring en de vernietiging van processen-verbaal en andere voorwerpen en

4.       Het gebruik van de verkregen gegevens voor een ander doel

 

Titel Vc

Deze titel bevat slechts ťťn artikel, namelijk artikel 126gg, dat handelt over het "verkennend onderzoek". Reeds nu is het van belang om aan te geven dat het verkennend onderzoek geen deel uitmaakt van het opsporingsonderzoek, waardoor de daarbij betrokken opsporingsambtenaren geen dwangmiddelen en bijzondere bevoegdheden kunnen aanwenden.

 

 

 


Hoofdstuk 3

 

Bijzondere bevoegdheden

 

In dit hoofdstuk zal ik de artikelen waarin de bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn opgenomen artikelsgewijs doornemen. Hierbij zult u telkens twee artikelnummers aantreffen, omdat, zoals ik al eerder opmerkte de bijzondere opsporingsbevoegdheden nagenoeg gelijk zijn bij de verdenking zoals die is omschreven in artikel 27 van het wetboek van strafvordering als het verdenkingscriterium zoals omschreven in artikel 126o van het wetboek.

Daar waar tussen beide verdenkingsvormen verschillen bestaan in de bevoegdheden zijn deze bij de betreffende artikelen aangegeven, terwijl waar mogelijk (of noodzakelijk) een praktijkvoorbeeld zal worden gegeven.

 

De artikelen 126g en 126o, Stelselmatige observatie

In deze artikelen wordt de stelselmatige observatie omschreven, zoals die respectievelijk kan worden toegepast bij verdenking van enig misdrijf, (Titel IVa) en indien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit, (Titel V).

Deze vorm van observatie, die altijd in het belang van het onderzoek moet zijn en waarvoor een schriftelijk bevel van de officier van justitie noodzakelijk is, moet door een opsporingsambtenaar worden uitgevoerd en stelselmatig zijn, dat wil zeggen dat het kortstondig volgen en observeren van een persoon die zich vreemd gedraagt niet onder deze noemer valt. Anders wordt het als een opsporingsambtenaar van een wijkteam vindt dat iemand zich wel erg veel kan veroorloven van een uitkering en besluit om tijdens de surveillance elke dag rond hetzelfde tijdstip langs te rijden om te zien wat deze persoon doet. Hier is immers al sprake van enige stelselmatigheid.

Zoals u in de tekst van het artikel kan lezen, hoeft de te observeren persoon geen verdachte te zijn. In de memorie van toelichting wordt hierbij overwogen, dat door het observeren van anderen een verdachte opgespoord kan worden, omdat bekend is dat deze personen regelmatig contact met elkaar hebben.

Indien de observatie wordt uitgevoerd naar aanleiding van een misdrijf genoemd in artikel 67, 1e lid WvSv, dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie in het bevel bepalen dat:

1.       ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, kan worden betreden

2.       ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel wordt aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen en dit technisch hulpmiddel niet op een persoon wordt bevestigd.[8]

Het betreffende bevel wordt voor een periode van ten hoogste drie maanden gegeven en kan telkens voor een periode van drie maanden worden verlengd. Bovendien dient het een aantal vaste onderwerpen te bevatten en aan een aantal voorwaarden te voldoen. Omdat deze onderwerpen en voorwaarden ook in de volgende artikelen regelmatig terugkomen, noem ik ze hieronder.

a.       Het bevel vermeld een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van het misdrijf en in het geval van artikel 126g de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte. In het geval van artikel 126o dient het bevel een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van het georganiseerde verband te bevatten.

b.       Het bevel moet de feiten en omstandigheden bevatten waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van het eerste lid wordt voldaan

c.       Het bevel bevat de naam of een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de te observeren persoon

d.       Bij toepassing van het betreden van besloten ruimten of het gebruik van een technisch hulpmiddel dient het bevel tevens de feiten en omstandigheden te bevatten waaruit blijkt dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan

e.       Het bevel bevat de wijze waarop aan het bevel uitvoering zal worden gegeven[9]

f.         Het bevel moet bovendien de geldigheidsduur daarvan vermelden.

Verder kan het bevel bij dringende noodzaak ook mondeling worden gegeven, waarbij voor de officier van justitie de verplichting geldt om het bevel binnen drie dagen op schrift te stellen. Het bevel kan daarnaast worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of gewijzigd. Ook dit moet schriftelijk en met redenen omkleed geschieden.

Als op enig moment niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden in het eerste lid van het artikel dient de officier van justitie de uitvoering van het bevel te beŽindigen.

Een echte bijzonderheid is dat een dergelijk bevel ook kan worden gegeven aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat. Deze persoon moet dan wel voldoen aan bepaalde eisen, die bij AMVB zullen worden vastgesteld. (Denk hierbij aan een observatieteam uit het buitenland bij grensoverschrijdende observatie). Deze persoon mag, indien het bevel zulks bepaalt, ook gebruik maken van de betredingsbevoegdheid en het aanwenden van technische hulpmiddelen.

Voorbeeld: Iemand biedt in een cafť gouden horloges te koop aan. De prijs die voor de horloges wordt gevraagd is bij de CID niet bekend. Wel is bekend, dat 3 weken geleden een inbraak is gepleegd bij een groothandel in uurwerken, waarbij een groot aantal gouden horloges werd weggenomen. U maakt een rapport op ten behoeve van de officier van justitie, waarin u een bevel vraagt tot stelselmatige observatie van de aanbieder. De reden die u daarvoor aangeeft is dat als deze persoon niet de eigenlijke inbreker is, hij zeker met de inbreker in contact staat om te kunnen leveren aan de kopers in het cafť. Omdat bekend is dat deze man bijzonder moeilijk te volgen is, vraagt u bovendien om gebruik te mogen maken van een technisch hulpmiddel, waarmee de plaats van het vervoermiddel van de man kan worden vastgesteld.

De officier van justitie zal nu eerst kijken of er aan de voorwaarden van het eerste lid is voldaan. Er is in dit geval sprake van verdenking van een misdrijf (art. 311 cq art. 416 WvSr) en het is in het belang van het onderzoek dat deze persoon stelselmatig geobserveerd wordt. Vervolgens zal de officier van justitie overwegen, dat het gebruik van een technisch hulpmiddel hier geboden is, omdat deze persoon moeilijk te volgen is. Hiervoor zijn geen afzonderlijke voorwaarden genoemd, zodat ook dit zonder bezwaar kan.

Hierna geeft de officier van justitie een bevel om deze persoon stelselmatig te observeren. Hij dient hierbij in het bevel op te nemen:

a.       De naam of beschrijving van de te observeren persoon

b.       Het misdrijf

c.       Het feit dat het hier een misdrijf betreft en dat de observatie in het belang van het onderzoek is bevolen

d.       Het feit dat de observatie zich tevens richt op de onbekende inbreker

e.       De geldigheidsduur van het bevel en

f.         De wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven.

 

De artikelen 126h en 126p, politiŽle infiltratie

In deze artikelen wordt de mogelijkheid in de wet opgenomen voor het inzetten van een politie-infiltrant. Blijkens de tekst van de artikelen wordt met infiltratie bedoeld: "Deelnemen of medewerking verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd". Dit is echter alleen mogelijk als het bij de verdenking zoals omschreven in artikel 27 WvSv gaat om misdrijven omschreven in artikel 67, 1e lid, die bovendien naar hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Voor de verdenking als bedoeld in artikel 126o, (een redelijk vermoeden van betrokkenheid bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven) gelden uiteraard dezelfde bepalingen, omdat deze voorwaarden al zijn opgenomen in het eerste lid van dat artikel.

Daarnaast moet het onderzoek de inzet van een infiltrant dringend vorderen.

Omdat infiltratie in een crimineel milieu grote risico's met zich brengt, wordt aan de inzet van een infiltrant ruim aandacht besteed in de "Beleidsregels" die door het openbaar ministerie zijn opgesteld. Aan de hand van deze beleidsregels dient de officier van justitie een afweging te maken of bijvoorbeeld het middel in verhouding staat tot de te plegen misdrijven (proportionaliteit) en of andere minder ingrijpende opsporingsmethoden ingezet zouden kunnen worden (subsidiariteit).

De opsporingsambtenaar aan wie een dergelijk bevel tot infiltratie wordt gegeven moet wel een opsporingsambtenaar zijn genoemd in artikel 141, onderdeel b[10] van het WvSv. Deze infiltrant moet bewijsmateriaal verzamelen binnen een groep personen, waartegen of een verdenking bestaat dat zij zich schuldig maken aan het plegen van ernstige misdrijven of een groep van personen waarvan datzelfde redelijkerwijs wordt vermoed. Hij zal binnen deze groep deel moeten nemen of medewerking moeten verlenen aan het plegen van strafbare feiten. De officier van justitie zal in het bevel ook moeten opnemen tot welke grens de infiltrant strafbare feiten mag plegen, waarna de infiltrant zich kan beroepen op de strafuitsluitingsgrond genoemd in artikel 43 van het WvSr.[11] Het zal voor eenieder duidelijk zijn, dat tevoren niet is aan te geven welke strafbare feiten dat zijn. Bovendien kan het voorkomen, dat de infiltrant ter verzekering van zijn eigen veiligheid deze grens zal moeten overschrijden. In deze gevallen ligt de beslissing tot vervolging bij de betrokken officier van justitie.

Een andere moeilijkheid is dat de betrokken politie-infiltrant gesprekken voert met de verdachte en daarvan proces-verbaal opmaakt. Hoewel de tekst van de wet daarin niet voorziet, wordt er algemeen aangenomen dat een dergelijk gesprek niet kan worden aangemerkt als een verhoor in de zin van artikel 29 van het WvSv. Immers, de politieambtenaar verhoort de verdachte niet omdat anders zijn dekmantel in gevaar komt, hij niet als opsporingsambtenaar herkenbaar is en de infiltrant geen andere opsporingsbevoegdheden uitoefent tijdens de infiltratie.

Het door de officier van justitie te geven schriftelijke bevel moet vermelden:

a.       Het misdrijf en indien bekend, de naam of een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte

b.       Een omschrijving van de groep van personen

c.       De feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor inzet wordt voldaan

d.       De wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven. Hieronder wordt in dit geval tevens begrepen strafbaar gesteld handelen door de infiltrant, voor zover dit bij de afgifte van het bevel is te voorzien en

e.       De geldigheidsduur van het bevel.

Een algemene voorwaarde, opgenomen in het tweede lid van zowel artikel 126h als van 126p, is dat de infiltrerende opsporingsambtenaar de verdachte of, bij toepassing van artikel 126p de persoon, niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht (verbod tot uitlokking) Het bevel tot infiltratie houdt overigens tevens in, dat de infiltrant van andere leden van de groep van personen waarin hij infiltreert goederen mag kopen of diensten aan hen mag verlenen. Voor de opbouw en het onderhoud van de dekmantel waaronder de infiltrant opereert is dit immers noodzakelijk.

Ook bij infiltratie kan het bevel van de officier van justitie worden gegeven aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, mits deze persoon voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden bij AMVB.

Bovendien kan het bevel worden gegeven aan opsporingsambtenaren genoemd in artikel 141, onderdeel c en opsporingsambtenaren genoemd in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering.[12] Zij moeten dan echter wel samenwerken met opsporingsambtenaren genoemd in artikel 141, onderdeel b.

Anders dan bij het bevel tot observatie, kan het bevel tot infiltratie niet mondeling worden gegeven of mondeling worden verlengd.

 

Voorbeeld:

Door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst wordt al geruime tijd een onderzoek ingesteld naar het handelen van een man, die ervan verdacht wordt deel uit te maken van een organisatie die op grote schaal verdovende middelen importeert. Er zijn sterke aanwijzingen dat leden van de organisatie informatie krijgen vanuit het regionale politiekorps. Deze organisatie gaat zeer professioneel te werk, wisselt van voertuigen en telefoons, werkt met semafooncodes en vormt op deze manier een nagenoeg ongrijpbaar geheel. De leider van het onderzoek ziet geen andere mogelijkheid meer dan een voorstel aan de officier van justitie om een infiltrant in te zetten.

Gelet op de embargo status van het onderzoek weigert de leider onderzoek om samen te werken met de regionale politie.

In dit geval zal de officier van justitie het bevel tot infiltratie niet geven, omdat de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst uitsluitend opsporingsambtenaren in dienst heeft genoemd in artikel 142 WvSv. De weigering van de leider onderzoek om samen te werken met de regiopolitie houdt hier dus de infiltratiemogelijkheid tegen.

 

De artikelen 126i en artikel 126q, Pseudo-koop of - dienstverlening.

 

Deze artikelen geven de mogelijkheid tot het ťťnmalig kopen van goederen of het ťťnmalig verlenen van diensten. In het geval van artikel 126i moet er daarbij sprake zijn van een verdachte in de zin van artikel 27 WvSv, die verdacht wordt van een misdrijf als bedoeld in artikel 67,1e lid. In het geval van artikel 126q wordt gesproken van een persoon, van wie redelijkerwijs vermoed wordt dat hij, in georganiseerd verband, betrokken is bij het beramen of plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 67, 1e lid die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.

Een verschil tussen beide artikelen is hier, dat in het geval van artikel 126i voldaan moet worden aan twee voorwaarden te weten:

a.       Het moet een misdrijf betreffen waarop voorlopige hechtenis is toegelaten

b.       Het moet in het belang zijn van het opsporingsonderzoek.

c.       Het verlenen van diensten of het kopen van goederen moet geschieden aan of van de verdachte

Bij toepassing van artikel 126q moet er voldaan worden aan de volgende voorwaarden:

a.       Overeenkomstig het bepaalde in artikel 126o moet het een misdrijf betreffen als bedoeld in artikel 67, 1e lid en moet er sprake zijn van een ernstige inbreuk op de rechtsorde

b.       Het moet in het belang zijn van het opsporingsonderzoek.

c.       Het verlenen van diensten of het kopen van goederen moet geschieden aan of van een betrokkene, waarbij in de memorie van toelichting aangegeven wordt dat dit geen bewuste, maar wel meer dan een toevallige betrokkenheid moet zijn.

Het zal u opgevallen zijn, dat er nadrukkelijk gesproken wordt van pseudo-koop en niet van pseudo-verkoop. Dit vloeit voort uit het vermoeden, dat het verkopen van goederen al heel snel uitgelegd kan worden als een vorm van uitlokking. Het is overigens niet onmogelijk om goederen te verkopen aan een verdachte of een betrokkene, maar daarvoor moeten we dan terugvallen op de artikelen 126h of 126p.[13]

Het schriftelijk bevel van de officier van justitie moet in ieder geval bevatten:

a.       Het misdrijf (of de aard van het georganiseerd verband) en eventueel de naam of het signalement van de verdachte of betrokkene

b.       De feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden zoals die in het 1e lid zijn genoemd zijn vervuld

c.       De wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven met inbegrip van strafbaar gesteld handelen

d.       De aard van de af te leveren goederen of van de te verlenen diensten

e.       Het tijdstip waarop of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering moet worden gegeven.

In het 5e lid van beide artikelen wordt bovendien nog bepaald, dat het 6e tot en met 8e lid van artikel 126g van toepassing zijn. Dit betekent, dat het bevel bij dringende noodzaak ook mondeling kan worden gegeven, dat het moet worden ingetrokken zodra niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan en dat het kan worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beŽindigd. Ook dit laatste kan bij dringende noodzaak mondeling door de officier van justitie worden bevolen.

 

Voorbeeld

Een CIDer[14] hoort in een cafť van een man, waarvan bekend is dat hij deel uitmaakt van een groep die zich bezig houdt met het importeren van verdovende middelen uit Zuid-Amerika, dat er een zending onderweg is. In het gesprek dat daarna onstaat en waaraan meerdere personen deelnemen die ook allen deel uitmaken van dezelfde groep hoort hij bovendien dat de container, waarin de verdovende middelen verstopt zijn al onderweg is naar Rotterdam, maar dat er nog geen transportbedrijf is dat bereid is om deze container naar een loods te rijden. Aan de CIDer wordt gevraagd of hij niet iemand kent die dat zou kunnen doen.

De CIDer legt dit voor aan zijn chef, die vervolgens de officier van justitie vraagt een bevel te verstrekken dat een opsporingsambtenaar diensten verleent aan een persoon ten aanzien van wie uit feiten en omstandigheden redelijkerwijs vermoed kan worden dat hij in georganiseerd verband misdrijven beraamt of pleegt.

Door de officier van justitie wordt vervolgens een bevel gegeven waarin onder meer wordt overwogen en bepaald:

a.       Dat er blijkens de rapportage van de chef (R)CID sprake is van een misdrijf, genoemd in artikel 67, 1e lid WvSv dat bovendien een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

b.       Dat het in het belang van de waarheidsvinding en het onderzoek noodzakelijk is dat een opsporingsambtenaar diensten aan deze persoon zal verlenen

c.       Beveelt dat een door de chef van het infiltratieteam aan te wijzen opsporingsambtenaar deze diensten zal verlenen, waarbij uitdrukkelijk zal worden bepaald dat:

  1. Voornoemde opsporingsambtenaar de persoon niet brengt tot andere strafbare handelingen dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht

  2. Zo dikwijls als de omstandigheden dit vereisen door de chef van het infiltratieteam aan de officier van justitie zal worden gerapporteerd over de voortgang en de ontwikkelingen

  3. Dat voornoemde opsporingsambtenaar strafbare handelingen mag verrichten bestaande uit het vervoeren van een onbekende hoeveelheid verdovende middelen.

  4. Indien de opsporingsambtenaar strafbare feiten moet plegen waarin in dit bevel niet is voorzien tevoren daarover overleg met de officier van justitie wordt gevoerd.

  5. Dat van elke wijziging in de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de afgifte van het bevel onverwijld aan de officier van justitie wordt kennisgegeven.

  6. Dat aan het bevel uitvoering moet worden gegeven tussen……….. en ……….

Hierna gaat de CIDer terug naar het betreffende cafť en kan daar vertellen dat hij inderdaad iemand weet die het transport vanaf het haventerrein naar de loods kan verzorgen.

De rest laat zich raden, een opsporingsambtenaar bestuurt de vrachtauto en levert deze af in een loods, waarna kort daarna een inval plaatsvindt in deze loods.

 

De artikelen 126j en 126qa, Stelselmatig inwinnen van informatie.

 

Door de wetgever is het inwinnen van informatie naar aanleiding van een bevel van de officier van justitie als volgt omschreven:

         Stelselmatig inwinnen van informatie over een bepaalde verdachte door een opsporingsambtenaar, zonder dat kenbaar is dat deze laatste optreedt als opsporingsambtenaar.

Hierbij ligt de nadruk op het woord stelselmatig. Immers het inwinnen van informatie behoort tot de normale dagelijkse taken van een opsporingsambtenaar. Denk maar aan het opnemen van aangiften, het horen van getuigen, het bezoeken van vergaderingen bij buurthuizen en dergelijke.

Anders is het echter als dit inwinnen van informatie stelselmatig is. Hierbij moet gedacht worden aan een gerichte CID actie, waarvan het de bedoeling is bewijzen te verzamelen tegen een bepaalde verdachte. Dit blijkt onder meer al uit de aanhef van artikel 126j, dat begint met: "In geval van verdenking van een misdrijf". Er is dus een misdrijf gepleegd en er kan op grond van feiten of omstandigheden iemand als verdachte worden aangemerkt.

Door het indienen van een amendement werd door de Tweede Kamer absoluut duidelijk gemaakt, dat deze bevoegdheid ook moest gelden voor het stelselmatig inwinnen van informatie over personen waarvan op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs vermoed kon worden dat zij deel uitmaakten van een groep waarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd, als bedoeld in artikel 67,1e lid die een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken. Dit verklaart ook direct de wat vreemde nummering van het laatste artikel, namelijk 126qa. Dit artikel is dus later, na inmenging van de Tweede Kamer, ingevoegd.

Het is uiterst moeilijk om aan te geven waar nu precies de grens ligt tussen de algemene taak van de opsporingsambtenaar om informatie te verzamelen en de stelselmatige inwinning van informatie zoals die in deze artikelen aangegeven wordt.

Over het algemeen kan worden aangenomen dat deze grens ligt bij de artikelen die de bescherming van de persoonlijke levenssfeer garanderen[15]

Bovendien zal er, als de opsporingsambtenaar deze werkzaamheden verricht terwijl hij niet als zodanig kenbaar is, sprake zijn van misleiding. Hier komt dus opnieuw de officier van justitie om de hoek kijken, die een afweging zal moeten maken tussen de rechtvaardiging van de misleiding en de ernst van het gepleegde feit of te beramen of te plegen strafbare feiten.

Het bevel van de officier van justitie kan alleen maar gegeven worden in het belang van het onderzoek. Blijkens de beleidsregels van het openbaar ministerie zal dan ook, al dan niet onder verbalisantnummer, proces-verbaal opgemaakt moeten worden van alle activiteiten die gericht zijn geweest op de stelselmatige informatie inwinning.

Het schriftelijk door de officier van justitie te geven bevel moet blijkens het 2e en 3e lid van beide artikelen het volgende vermelden:

a.       Het misdrijf, of in het geval van artikel 126qa een omschrijving van het georganiseerde verband en de naam of een nauwkeurige omschrijving van de verdachte

b.       De feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden waaraan voor deze bijzondere opsporingsbevoegdheid wordt voldaan

c.       De wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven en

d.       De geldigheidsduur van het bevel

Bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven, gewijzigd, uitgebreid of ingetrokken, waarbij op de officier van justitie de verplichting rust om het binnen drie dagen op schrift te stellen.

Het bevel kan blijkens de tekst van het artikel alleen worden gegeven aan een opsporingsambtenaar genoemd in artikel 141, onderdeel b van het WvSv. In bijzondere gevallen kan het bevel ook worden gericht tot bijzondere opsporingsambtenaren, maar alleen als zij voldoen aan vastgestelde eisen van bekwaamheid en als zij daarbij samenwerken met de opsporingsambtenaren van art. 141, onderdeel b. Daarnaast kan het bevel ook worden gericht tot personen in openbare dienst van een vreemde staat, als zij voldoen aan bij AMVB te stellen eisen van bekwaamheid.

 

 

 

Voorbeeld:

Iemand wordt verdacht van gewoonteheling. Vanuit de algemene informatie inwinning is bekend geworden dat deze man in een cafť gouden voorwerpen te koop aanbiedt, die vermoedelijk gestolen zijn. Vanuit het hele land zijn diverse recente aangiften bekend van diefstallen bij juweliers.

De recherchechef stelt aan de officier van justitie voor om een gerichte CID actie te beginnen, op deze verdachte.

Na de afgifte van het bevel, kan nu een opsporingsambtenaar genoemd in artikel 141 onderdeel b zich mengen in het persoonlijke leven van deze verdachte. Hij kan hetzelfde cafť gaan bezoeken, lid worden van dezelfde duivensportvereniging en dergelijke. Van deze informatie inwinning moet proces-verbaal worden opgemaakt, dat later deel uit zal maken van het strafdossier.

 

De artikelen 126k en 126r, Bevoegdheden in besloten plaatsen

 

In deze artikelen wordt ter opsporing van strafbare feiten de bevoegdheid omschreven tot het betreden van besloten plaatsen, niet zijnde een woning. Deze bevoegdheid is in het wetsvoorstel opgenomen, omdat bij opsporingsonderzoeken meermalen bleek dat er een behoefte was om heimelijk in een loods, schuur of garage te kijken of daarin bepaalde goederen aanwezig waren of om daar monsters te nemen.

In het verleden werden deze werkzaamheden verricht op grond van de artikelen 150 van het Wetboek van Strafvordering of artikel 9 van de Opiumwet. In 1995 erkende de Hoge Raad het gebruik van artikel 9 van de Opiumwet voor dit doel, maar vanzelfsprekend alleen voor strafbare feiten uit de Opiumwet. Het gebruik van artikel 150 WvSv voor dit doel is bij mijn weten nog nooit aan het oordeel van een rechtbank onderworpen, omdat de advocatuur dit nog nooit als onrechtmatig handelen heeft aangevoerd.

In de nieuwe wetgeving worden deze zaken nu wel geregeld, mits het betreden van deze besloten plaats plaatsvindt als voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden en met een bepaald doel.

De voorwaarden zijn de verdenking van een misdrijf, genoemd in artikel 67,1e lid van het WvSv, dan wel het redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband misdrijven als omschreven in artikel 67,1e lid worden beraamd of gepleegd. Daarnaast geldt vanzelfsprekend de algemene voorwaarde dat het betreden moet gebeuren in het belang van het opsporingsonderzoek.

De omschreven doelen waarvoor plaatsen mogen worden betreden zijn de volgende:

a.       Om de plaats op te nemen

b.       Om in of op die plaats sporen veilig te stellen of

c.       Om daar een technisch hulpmiddel te plaatsen, teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.

Ad a. Het opnemen van een plaats gaat aanzienlijk minder ver dan het doorzoeken van die plaats. Veeleer moet hierbij gedacht worden aan het zoekend rondkijken, zoals dat ook omschreven is bij art. 96 WvSv. Analoog hieraan zou gesteld kunnen worden dat alleen datgene opgenomen mag worden dat zonder forceren van deuren, openen van kasten en laden gezien kan worden. Wel kunnen hierbij foto's worden genomen of video-opnamen worden gemaakt. Kenmerk van deze plaatsopneming is, dat het heimelijk gebeurt. Zodra de omstandigheden aanleiding geven tot het openlijk opnemen van een plaats kan daarin door de officier van justitie of een hulpofficier van justitie een (spoed) doorzoeking[16] of schouw plaatsvinden, waarbij uiteraard voldaan moet worden aan de in de betreffende artikelen genoemde voorwaarden.

Ad b Het heimelijk veilig stellen van sporen. Hieronder wordt onder meer verstaan het daadwerkelijk nemen van sporen, bijv. vingerafdrukken, maar ook het nemen van monsters en het maken van beeld- en geluidsopnamen. Deze geluidsopnamen mogen echter geen gesprekken bevatten, omdat daarvoor in artikel 126l een afzonderlijke bevoegdheid is omschreven.

Afhankelijk van de inhoud van het daartoe strekkende bevel kunnen hierbij ook dozen worden geopend voor monsterneming of foto's worden gemaakt.

Ad c. Bij de plaatsing van een technisch hulpmiddel gaat het om het bepaalde doel ervan. Namelijk het vaststellen van de aanwezigheid of de verplaatsing van een goed. Hierbij kan gedacht worden aan bijv. peilzenders, videocamera's en dergelijke.

Een bijzondere moeilijkheid bij het uitoefenen van deze bevoegdheid is het vraagstuk van de inbeslagneming. In artikel 126ff is immers een verbod op doorlaten opgenomen voor wat betreft goederen die gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid of de veiligheid. Later kom ik hierop uitgebreider terug.

Het bevel van de officier van justitie moet schriftelijk zijn en kan bij dringende noodzaak door een mondeling bevel worden vervangen, mits de officier van justitie dit binnen drie dagen op schrift stelt.

Het schriftelijk bevel vermeldt:

a.       Het misdrijf of de omschrijving van het georganiseerd verband en de naam of een nauwkeurige omschrijving van de verdachte

b.       De feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden zijn vervuld

c.       De besloten plaats waarop het bevel betrekking heeft

d.       De wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven en

e.       Het tijdstip waarop of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering moet worden gegeven.

 

Voorbeeld

Tijdens een moordonderzoek heeft een getuige de mogelijke dader weg zien rijden op een fiets, waarvan de getuige een nauwkeurige beschrijving kan geven. Uit andere feiten en omstandigheden wordt een verdachte bekend. Er kan echter geen sluitend bewijs worden geleverd en de leider onderzoek wil voor het verhoor van de verdachte zoveel mogelijk feiten ter beschikking hebben. Hoewel de verdachte onder observatie wordt geplaatst wordt hij niet meer op een dergelijke fiets gezien. Hij stelt dan de officier van justitie voor om een inkijkoperatie te verrichten in de kelderbox van de verdachte, waarbij de betreffende fiets wordt gezien en waarbij video-opnamen worden gemaakt van de fiets.

Vanzelfsprekend wordt door de opsporingsambtenaar die de inkijkoperatie verricht hiervan proces-verbaal opgemaakt, dat later mede kan dienen om het bewijs rond te maken.

 

De artikelen 126l en 126s, opnemen van vertrouwelijke communicatie.

 

In deze artikelen wordt onder stringente voorwaarden de mogelijkheid gegeven om vertrouwelijke communicatie op te nemen. Met opzet is in de beschrijving van dit artikel de term "vertrouwelijke communicatie" gebezigd, omdat dit een uitgebreider begrip is dan bijvoorbeeld "gesprekken". Zoals u uit de inhoud van de betreffende artikelen kunt lezen is het niet noodzakelijk dat de verdachte aan deze communicatie deelneemt. (art. 126l) In artikel 126s wordt wel als voorwaarde gesteld dat aan de communicatie een persoon deelneemt ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden het redelijke vermoeden bestaat dat hij deelneemt aan het georganiseerd verband. Onder de noemer communicatie vallen bijvoorbeeld: Een in beslotenheid gevoerd gesprek, niet voor het publiek bestemd radioverkeer, electronische data-overdracht en het communiceren met electronische apparatuur (met behulp van de bankpas + pincode communiceren met de bank)

Het bijzondere aan deze vorm van onderschepping is, dat hiervoor niet de medewerking van een telecommunicatie-aanbieder vereist is. Met een technisch hulpmiddel, te plaatsen in de onmiddellijke omgeving van de persoon van wie men de communicatie wil onderscheppen, kan direct worden opgenomen. Het opnemen is echter wel een vereiste. Alleen onderscheppen en afluisteren is derhalve niet toegestaan. Dit is gedaan om ook achteraf voor alle betrokkenen inzichtelijk te kunnen maken wat er is onderschept en opgenomen.

Bij het opnemen van vertrouwelijke communicatie moet u niet alleen denken aan het direct afluisteren, maar ook aan bijvoorbeeld het buggen van een toetsenbord van een computer, het heimelijk plaatsen van een tachograaf en dergelijke.

De voorwaarden, verbonden aan de inzet van dit opsporingsmiddel zijn strenger dan we tot nu toe zijn tegengekomen. Het moet een misdrijf betreffen waarop voorlopige hechtenis is toegelaten, er moet sprake zijn van een ernstige inbreuk op de rechtsorde en het onderzoek moet de inzet van het middel dringend vorderen.

De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat voor het aanbrengen van een technisch hulpmiddel een besloten plaats, niet zijnde een woning wordt betreden. Ja, zult u nu zeggen, de vertrouwelijke communicatie in een woning is nu juist die communicatie die het meest zal opleveren in het onderzoek. Gelukkig dacht een Tweede Kamercommissie die een bezoek bracht aan de Verenigde Staten daar ook zo over en zijn er bepalingen toegevoegd die dit wel mogelijk maken. Het gebruik van technische hulpmiddelen en het opnemen van vertrouwelijke communicatie in woningen zijn echter beperkt tot:

a.       In het geval van artikel 126l het onderzoek dit dringend vordert en het een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld

b.       In het geval van artikel 126s het onderzoek dit dringend vordert en het het beramen of plegen van misdrijven betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 6 jaar of meer is gesteld.

In beide gevallen behoeft overigens, in verband met het heimelijke karakter niet voldaan te worden aan de bepaling van artikel 2, 1e lid laatste volzin van de Algemene Wet op het Binnentreden[17]

 

Het bevel van de officier is schriftelijk en bevat:

a.       Het misdrijf of het georganiseerd verband, alsmede indien bekend, de naam van de verdachte of de persoon die deelneemt aan het georganiseerd verband.

b.       De feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan, inclusief de bijzondere voorwaarden tot het opnemen in woningen

c.       Tenminste een van de personen die aan de communicatie deelneemt, dan wel indien het opnemen op een besloten plaats of in een vervoermiddel plaatsvindt een omschrijving van die plaats of dat vervoermiddel

d.       Bij toepassing van het tweede lid, (het betreden van plaatsen) de plaats die zal worden betreden

e.       De wijze waarop aan het bevel uitvoer zal worden gegeven

f.         De geldigheidsduur van het bevel (maximaal 4 weken, te verlengen met telkens 4 weken).

Het bijzondere aan dit bevel is, dat dit slechts kan worden gegeven na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Deze machtiging betreft alle onderdelen van het af te geven bevel en vermeld indien dit van toepassing is tevens de machtiging tot het betreden van woningen.

Gelet op het ingrijpende karakter van deze opsporingsbevoegdheid kan de officier van justitie dit bevel uitsluitend geven aan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel b van het WvSv.[18]

Bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven, evenals de machtiging van de rechter-commissaris. Binnen drie dagen dient zowel het bevel als de machtiging op schrift te worden gesteld. In het geval dat woningen moeten worden betreden kan zowel de machtiging van de rechter-commissaris als het bevel van de officier van justitie niet mondeling worden gegeven.

Het 8e lid geeft tenslotte nog de verplichting om van het opnemen binnen drie dagen proces-verbaal op te maken.

 

De artikelen 126m en 126t, Onderzoek van telecommunicatie

 

In deze artikelen wordt, respectievelijk ten aanzien van een individuele verdachte en het georganiseerd verband als bedoeld in artikel 126o het opnemen van telecommunicatie geregeld. De grote verandering ten opzichte van het oude artikel 125g is dat er met name bij toepassing van deze artikelen geen sprake meer hoeft te zijn van de vermoedelijke deelname aan het verkeer door de verdachte. Bovendien is er nu, naast de machtiging van de rechter-commissaris een bevel van de officier van justitie noodzakelijk. In de meeste gevallen zullen opsporingsambtenaren deze machtiging niet eens meer zien. De officier kan namelijk, ingevolge het bepaalde in de artikelen 126l en 126s, waarvan het 4e tot en met 8e lid van toepassing zijn verklaard, pas een bevel geven na verkregen machtiging van de rechter-commissaris. Eveneens een belangrijke verandering is dat het met de thans voorliggende wetgeving niet meer mogelijk is om - na veroordeling van de verdachte - telecommunicatie op te nemen tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek.

Dit is veroorzaakt doordat het opnemen van telecommunicatie een bijzondere opsporingsbevoegdheid geworden is en is weggehaald uit het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris. Tot nu toe kon alleen maar getapt worden tijdens het gerechtelijk vooronderzoek. In artikel 126b, 3e lid werd bepaald dat aan de rechter-commissaris tijdens het SFO alle bevoegdheden toekwamen die hem ook tijdens het GVO toekwamen. Met gebruikmaking van dit artikel kon derhalve telecommunicatie worden opgenomen, ook als het GVO al gesloten was.

Dit is niet meer zo, omdat de bevoegdheid tot het opnemen van telecommunicatie -ook tijdens het gerechtelijk vooronderzoek - niet meer aan de rechter-commissaris toekomt.

Wat niet veranderd is zijn de voorwaarden, te weten een verdenking van een misdrijf bedoeld in artikel 67, 1e lid dat een ernstige inbreuk maakt op de rechtsorde, of het georganiseerd verband bedoeld in artikel 126o. Bovendien mag het telecommunicatieverkeer alleen maar worden opgenomen als het onderzoek dit dringend vordert.

Het tweede lid van beide artikelen geeft een definitie van telecommunicatie. Hieronder wordt verstaan: Niet voor het publiek bestemde communicatie via de telecommunicatie-infrastructuur of via een telecommunicatie-inrichting die wordt aangewend voor dienstverlening aan het publiek.

Dit betekent, dat voor het opnemen van communicatie middels een eigen netwerk, bijvoorbeeld in een bedrijf of instelling, niet van deze artikelen gebruik kan worden gemaakt, maar dat hiervoor de artikelen 126l en 126s de aangewezen instrumenten zijn.

Het bevel van de officier van justitie moet inhouden:

a.       Het misdrijf of het georganiseerd verband, en indien bekend de naam van de verdachte

b.       De feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan

c.       Het nummer waarmee de individuele gebruiker wordt geÔdentificeerd, alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker

d.       De geldigheidsduur van het bevel

Tenslotte wordt in het vierde lid van beide artikelen verwezen naar lid 4 tot en met 8 van de artikelen 126l en 126s. Omdat deze bij voorgaande artikelen al besproken zijn volsta ik ermee hiernaar te verwijzen.

Vanzelfsprekend zijn de bepalingen tot het betreden van besloten plaatsen voor het opnemen van telecommunicatie niet van toepassing, omdat daarvoor geen enkele aanleiding bestaat.

Een belangrijke verandering ten opzichte van artikel 125g is wel, dat er iets meer tijd beschikbaar is voor het uitwerken van de tap processen-verbaal. Vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn daarvoor 3 dagen beschikbaar, terwijl dit tot nu toe 2 dagen was.

Blijkens artikel V, 2e lid van het wetsvoorstel blijven de artikelen 125f, 125g en 125h van het wetboek van strafvordering van kracht in die zaken waarin machtigingen waren verleend of inlichtingen waren gevorderd voor het tijdstip waarop deze "nieuwe" wet in werking trad.

 

De artikelen 126n en 126u, Inlichtingen vorderen omtrent gegevensverkeer

 

Deze artikelen zijn in de plaats gekomen voor het oude artikel 125f en geven de officier van justitie de mogelijkheid om van telecomaanbieders inlichtingen te vorderen omtrent alle verkeer dat over de telecommunicatie infrastructuur of een telecommunicatie-inrichting die wordt aangewend voor dienstverlening aan het publiek heeft plaatsgevonden. Vanzelfsprekend moet voor het doen van deze vordering aan voorwaarden worden voldaan. Deze voorwaarden noem ik hieronder:

a.       In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit

b.       Van een misdrijf als bedoeld in artikel 67,1e lid

c.       Het misdrijf genoemd in artikel 138a[19] van het wetboek van strafrecht

d.       In het belang van het onderzoek

e.       Waarvan het vermoeden bestaat dat daaraan de verdachte, of in het geval van artikel 126u een persoon waarvan vermoed wordt dat hij deel uitmaakt van het georganiseerd verband, heeft deelgenomen.

Zoals u ziet zijn in deze artikelen twee nieuwe voorwaarden opgenomen, die we in de al besproken artikelen nog niet waren tegengekomen. Dit betreft de voorwaarde genoemd onder a. bij ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad. Dit hoeft dus naar de wettelijke omschrijving geen misdrijf te zijn bedoeld in artikel 67,1e lid, maar ook een lichter misdrijf en zelfs een overtreding, mits die op heterdaad worden ontdekt, is al voldoende voor een dergelijke vordering. Daarnaast wordt hierin een misdrijf met name genoemd, namelijk artikel 138a van het wetboek van strafrecht. Dat is op zich ook een volstrekt logische zaak, omdat het bewijs dat iemand zich wederrechtelijk toegang verschaft heeft tot een geautomatiseerd werk over het algemeen te vinden is in de telecommunicatie-infrastructuur.

In het 2e lid van de artikelen wordt aangegeven dat de officier deze vordering kan richten tot eenieder werkzaam bij een concessiehouder de houder van een infrastructuurvergunning, vergunning als bedoeld in artikel 13a of een machtiging als bedoeld in hoofdstuk III van de wet op de telecommunicatievoorzieningen. De overige concessies en vergunningen worden in de wet respectievelijk genoemd in artikel 3 en 3a. Voor de inwerkingtreding van de wet zullen echter nog enige aanvullingen moeten worden aangebracht, omdat deze artikelen van de wet op de telecommunicatievoorzieningen inmiddels vervallen zijn en op dit moment geregeld worden in een van de vele wijzigingswetten.

 Het 3e lid van dit artikel bepaalt tenslotte dat de artikelen 217, 218 en 219 van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betreft achtereenvolgens het verschoningsrecht van getuigen bij verwantschap, getuigen die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn en getuigen die zich door het geven van getuigenis zelf aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging blootstellen.

 

 


Hoofdstuk 4

 

Bijstand aan de opsporing door burgers

 

Artikel 126v, de burgerinformant

 

In dit artikel wordt de mogelijkheid geschapen om burgers als informant in te zetten. Hiertoe dient door de officier van justitie een bevel afgegeven te worden aan een opsporingsambtenaar, waarin de opsporingsambtenaar wordt bevolen met een burger een schriftelijke overeenkomst aan te gaan. Deze overeenkomst, die geldig is voor de duur van het afgegeven bevel houdt in, dat de betreffende burger stelselmatig informatie inwint omtrent een verdachte dan wel een persoon ten aanzien van wie het redelijk vermoeden bestaat dat deze is betrokken bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.

Alvorens dit bevel te geven zal de officier zich ervan moeten vergewissen, dat aan twee voorwaarden voldaan wordt. Er moet een verdenking van een misdrijf zijn of een geval als bedoeld in artikel 126o en het moet in het belang van het onderzoek zijn.

Wat al eerder gezegd werd over de algemene politietaak omtrent het inwinnen van informatie is eveneens van toepassing op dit artikel. Het is dus zeker niet zo, dat informatie, die gevraagd of ongevraagd van burgers afkomstig is alleen nog maar kan worden gebruikt als daaraan een schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt. Informatie inwinning door een burger zoals bedoeld in dit artikel is uitsluitend aan de orde als deze stelselmatig is, dat wil zeggen ingrijpend in de persoonlijke levenssfeer van een ander, gestructureerd en doelgericht.

Hiermee is derhalve een onderscheid aangebracht tussen gerunde informanten en gestuurde informanten. Voor de laatste categorie dient gebruik gemaakt te worden van de gegeven wettelijke bevoegdheid, omdat hierbij het initiatief tot het schenden van de persoonlijke levenssfeer van de overheid uitgaat en derhalve in een wettelijke regeling moet zijn vervat.

Het daartoe strekkende bevel van de officier van justitie dient te vermelden:

a.       Bij verdenking van een misdrijf, het misdrijf en indien bekend de naam of anders een nauwkeurige aanduiding van de verdachte

b.       In een geval als bedoeld in artikel 126o, 1e lid een omschrijving van het georganiseerd verband

c.       De feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan

d.       Een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon omtrent wie informatie wordt ingewonnen en

e.       De geldigheidsduur van het bevel[20] (max. 3 maanden, met de mogelijkheid van verlenging)

De overeenkomst die tussen de opsporingsambtenaar en de burger wordt aangegaan kan in principe nooit langer duren dan het bevel van de officier van justitie en vermeld:

a.       De rechten en plichten van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing en de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven

b.       De geldigheidsduur van de overeenkomst.

 

Artikel 126w en 126x, burgerinfiltratie

 

Deze artikelen regelen de burgerinfiltratie in het geval er sprake is van een ernstig misdrijf, zoals dat wordt omschreven in artikel 126h en artikel 126p. Op grond van deze artikelen is de officier van justitie bevoegd met een burger overeen te komen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs wordt vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd. Hier is dus in principe geen rol weggelegd voor de politie, maar ik kan me voorstellen, dat de officier van justitie bij het aangaan van deze overeenkomst de expertise van een infiltratieteam gebruikt. Terecht wordt in de beleidsregels van het openbaar ministerie aangegeven dat de begeleiding van een burgerinfiltrant niet plaats kan vinden vanuit een infiltratieteam. Hiermee zou immers de identiteit alsmede de werkwijze van politie-infiltranten bekend kunnen worden.

In de memorie van toelichting wordt bij het onderwerp burgerinfiltratie aangegeven dat er situaties denkbaar zijn waarbij alleen iemand met specifieke deskundigheid als infiltrant op kan treden, welke deskundigheid binnen de politie niet voorhanden is. Ik kan me situaties voorstellen waarbij deskundigheid absoluut niet in het geding is, maar het georganiseerd verband een dusdanig karakter heeft dat buitenstaanders daarin niet worden toegelaten. Dat het inzetten van een burgerinfiltrant een teer onderwerp is, mag al blijken uit de invoeging van een nieuw artikel 140a in het wetboek van strafvordering. Hierin wordt namelijk bepaald, dat het College van procureurs-generaal vooraf en schriftelijk moet instemmen met een overeenkomst als bedoeld in de tweede afdeling van titel Va van het eerste boek. Deze voorafgaande en schriftelijke toestemming geldt overigens ook voor een wijziging of een verlenging van deze overeenkomst.

Deze voorafgaande en schriftelijke instemming geldt onder meer ook voor het instellen van een verkennend onderzoek, waarop later terug gekomen wordt.

In de artikelen 126w en 126x treffen we als bijzonderheid aan dat het subsidiariteitsbeginsel in het tweede lid van beide artikelen is opgenomen. Hierin wordt immers bepaald dat toepassing van deze artikelen alleen plaats vindt als de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel tot politiŽle infiltratie[21] kan worden gegeven. Natuurlijk speelt bij deze afweging ook de opleiding en gebleken deskundigheid van de politiŽle infiltrant een rol.

Vanzelfsprekend mag bij de toepassing van deze artikelen de burgerinfiltrant de verdachte of andere personen niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop hun opzet reeds was gericht.

Bij de toepassing van beide artikelen dient de officier van justitie schriftelijk vast te leggen:

a.       Het misdrijf of het georganiseerd verband met de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte

b.       Een omschrijving van de groep van personen of het georganiseerd verband en

c.       De feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voldaan is

Buiten deze vastlegging dient de overeenkomst schriftelijk te zijn en te vermelden:

a.       de rechten en plichten van de persoon die op deze wijze bijstand verleent aan de opsporing

b.       de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven en

c.       de geldigheidsduur van de overeenkomst

De persoon die op de wijze als in dit artikel omschreven bijstand verleent aan de opsporing, mag daarbij geen strafbare handelingen plegen, tenzij vooraf schriftelijk toestemming door de officier van justitie is gegeven om dergelijke handelingen te verrichten.

Bij dringende noodzaak kan deze toestemming mondeling worden gegeven, waarbij voor de officier van justitie de verplichting geldt dat deze toestemming binnen drie dagen op schrift moet worden gesteld. Indien zich dergelijke omstandigheden voordoen, houdt dat per definitie een wijziging van de overeenkomst in, die -zoals we eerder zagen- vooraf en schriftelijk de instemming van het College van procureurs-generaal behoeft. Op dit moment is hierin nog niet voorzien, maar bij de vaststelling van de definitieve bevelen die thans in concept zijn opgesteld zal dit zeker worden meegenomen.

Bij het openbaar ministerie is de algemene stelregel dat geen criminele burgerinfiltranten mogen worden ingezet. Blijkens de opgestelde beleidsregels kan in zeer bijzondere gevallen van deze algemene stelregel worden afgeweken.

 

De artikelen 126ij en 126z, de Burgerpseudo-koop

 

In deze artikelen wordt de pseudo-koop of -dienstverlening door een burger geregeld, die op deze wijze bijstand verleend aan de opsporing. Artikel 126ij regelt deze vorm van opsporing met betrekking tot een verdachte van een gepleegd misdrijf, terwijl artikel 126z deze opsporing regelt met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit.

Over het algemeen kan gesteld worden dat aan dezelfde voorwaarden moet worden voldaan als bij de politiŽle pseudo-koop of -dienstverlening. Uitdrukkelijk wordt hierbij in het 3e lid van beide artikelen nog eens vastgelegd, dat de persoon die bijstand verleent aan de opsporing anderen niet mag brengen tot ander stafbaar handelen dan waarop de opzet reeds was gericht. Zoals we eerder zagen in de artikelen 126 w en 126x  is het ook hier in het tweede lid vastgelegd dat de officier van justitie een dergelijke overeenkomst met een burger alleen aan kan gaan als er geen pseudo-koop of -dienstverlening door een opsporingsambtenaar mogelijk is.

Bij toepassing van deze artikelen dient de officier van justitie schriftelijk vast te leggen:

a.       het misdrijf of het georganiseerd verband en de naam of een nauwkeurige aanduiding van de verdachte

b.       de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, gesteld in het 1e en 2e lid van beide artikelen is voldaan

c.       de aard van de goederen of de te verlenen diensten

In de schriftelijke overeenkomst tussen de officier van justitie en de burger pseudo-koper dient schriftelijk te worden vastgelegd:

a.       De rechten en plichten van de persoon die bijstand aan de opsporing verleent

b.       De wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven

c.       Het door de officier van justitie toegestane strafbaar handelen en

d.       Het tijdstip waarop of de periode waarbinnen aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven

Bij de toepassing van deze artikelen is voorts nog van belang, dat hierin niet wordt gesproken over een mondelinge toestemming van de officier van justitie. Dit betekent, dat door de officier van justitie tevoren een zeer overwogen omschrijving moet worden gegeven van het toegestane strafbaar handelen. Immers, als de pseudo-koper eenmaal aan zijn opdracht is begonnen, kan er niet snel worden ingespeeld op veranderde omstandigheden.

 


Hoofdstuk 5

 

Algemene regels betreffende de bevoegdheden in de titels IVa, V en Va.

 

Artikel 126aa, Voeging bij de processtukken

 

Zoals al eerder bij een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden is omschreven, dienen de opsporingsambtenaren proces-verbaal op te maken van alle activiteiten die ondernomen zijn op grond van de titels IVa, V en Va. De officier van justitie is er vervolgens verantwoordelijk voor dat deze processen-verbaal, maar ook andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van deze bevoegdheden bij de processtukken worden gevoegd. Hierbij is echter wel vermeld, dat deze processen-verbaal voor het onderzoek in de betreffende zaak van betekenis moeten zijn.

Als deze processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen die gedaan zijn aan of door een persoon die op grond van art. 218 WvSv een beroep kan doen op het verschoningsrecht, dient de inhoud van deze mededeling bezien te worden door de officier van justitie. Als deze van mening is dat de mededelingen van dien aard zijn dat het verschoningsrecht zou gelden als deze geheimhouder daarnaar als getuige zou worden gevraagd, dan dient hij deze processen-verbaal of andere voorwerpen te vernietigen.

Voor zover deze processen-verbaal andere mededelingen als hierboven bedoeld bevatten, dan dient de officier machtiging te vragen aan de rechter-commissaris, die vervolgens een machtiging kan verlenen om deze processen-verbaal of andere voorwerpen bij de processtukken te voegen.

Omtrent deze materie is in het betreffende artikel dwingend voorgeschreven dat hieromtrent bij AMVB nadere voorschriften worden gegeven. De memorie van toelichting vermeld over deze aangelegenheid dat er geen behoefte bestaat aan een verandering van de bestaande praktijk. Dit betekent, dat de AMVB waarschijnlijk zal voorzien in de thans gehanteerde praktijk te weten:

Door de officier wordt met betrekking tot deze processen-verbaal of andere voorwerpen het oordeel ingewonnen van een gezaghebbend lid van de betreffende beroepsgroep.[22] Aan hem wordt een oordeel gevraagd omtrent de relevantie van de inhoud van deze processen-verbaal of andere voorwerpen. Bovendien blijkt uit een arrest van de Hoge Raad, dat slechts mededelingen die onder de geheimhoudingsplicht vallen onderworpen zijn aan dit voegingsverbod. (Een afspraak met een advocaat om te gaan tennissen valt hier dus niet onder)

Het zal duidelijk zijn, dat er in zaken sprake kan zijn van meerdere verdachten, waarbij het niet altijd gewenst is dat alle stukken zonder uitstel onmiddellijk in het strafdossier worden gevoegd. Om die reden is in het artikel opgenomen dat de voeging bij de processtukken plaats vindt zodra het belang van het onderzoek dit toestaat.

Om te voorkomen, dat er bijzondere opsporingsbevoegdheden worden gebruikt die niet bij proces-verbaal worden verantwoord, is in het 4e lid van het artikel nog eens de verplichting opgenomen om het gebruik van deze bevoegdheden in de processtukken te vermelden. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen op het moment dat de officier de inhoud van bepaalde processen-verbaal niet van betekenis acht of dat het processen-verbaal betreft van telefoongesprekken waaraan een geheimhouder deelneemt. Dan blijft voeging van het complete proces-verbaal achterwege, doch dient in de processtukken toch melding te worden gemaakt van het gebruik van een bijzondere opsporingsbevoegdheid. Hierbij hoeft niet expliciet aangegeven te worden waarom deze bijvoeging achterwege is gebleven, omdat anders alsnog bekend zou kunnen worden dat er voor de aanhouding telefoonverkeer heeft plaatsgevonden tussen bijv. de verdachte en diens raadsman. 

Tenslotte bepaalt het 5e lid, dat de verdachte of diens raadsman de officier van justitie schriftelijk kan verzoeken om bepaalde, door de verdachte of diens raadsman aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen bij de processtukken te voegen.

 

Artikel 126bb, Kennisgeving aan betrokkene

 

Dit artikel verplicht de officier van justitie om, zodra het onderzoeksbelang dit toelaat, aan de betrokkenen schriftelijk mededeling te doen van de uitoefening van bevoegdheden genoemd in de titels iva, V en Va. Het al dan niet vervolgen van deze betrokkenen speelt voor wat betreft deze mededeling geen enkele rol.

Een uitzondering op deze verplichting is het achterwege blijven van deze mededeling, indien de uitreiking daarvan redelijkerwijs niet mogelijk is. Dit laatste zal bijvoorbeeld het geval zijn als er geÔnfiltreerd is in een bepaalde groep en niet alle betrokken personen in die groep bekend zijn geworden. Ook denkbaar is dat bij observatie niet de identiteit van alle geobserveerde personen bekend geworden is.

De betrokkenen waarover in het 1e lid gesproken wordt zijn:

a.       De persoon ten aanzien van wie een van de bevoegdheden van titel IVa, V of Va is uitgeoefend

b.       De gebruiker van telecommunicatie of de technische hulpmiddelen waarmee de telecommunicatie plaatsvindt bedoeld in de artikelen 126m,3e lid, onderdeel c en 126t, 3e lid onderdeel c

c.       De rechthebbende van een besloten plaats als bedoeld in de artikelen 126g, 2e lid; 126k; 126l, 2e lid;126o, 2e lid; 126r en 126s, 2e lid

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de mededeling achterwege kan blijven ten aanzien van de verdachte, die op grond van artikel 126aa, 1e of 4e lid met de toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheid op de hoogte komt.

 

Artikel 126cc, De bewaring en de vernietiging van processen-verbaal en andere voorwerpen.

 

Op de officier van justitie rust de verplichting om de processen-verbaal en andere voorwerpen te bewaren, waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door:

a.       Observatie met behulp van een technisch hulpmiddel dat signalen registreert

b.       Het opnemen van vertrouwelijke communicatie

c.       Het onderzoek van telecommunicatie

maar alleen voor zover deze stukken niet bij de processtukken zijn gevoegd. De officier van justitie dient deze stukken ter beschikking van het onderzoek te houden. Dit betekent, dat de overige processen-verbaal, opgemaakt naar aanleiding van bijvoorbeeld een politiŽle infiltratie, niet vernietigd behoeven te worden. De reden van deze tweedeling is dat bij het gebruik van de hierboven omschreven technische hulpmiddelen ongestructureerd informatie wordt verzameld, ook betreffende personen die niets met de zaak uitstaande hebben.

Als er twee maanden verstreken zijn nadat de zaak is geŽindigd of dat de laatste mededeling is gedaan op grond van het vorige artikel, dienen de processen-verbaal en andere voorwerpen te worden vernietigd. Van deze vernietiging dient proces-verbaal te worden opgemaakt.

Nu zullen niet alle onderzoeken ook tot een zaak leiden, wat weer de vraag doet rijzen wat er moet gebeuren met deze stukken. Daarom is in het 3e lid van het artikel bepaald dat een voorbereidend onderzoek, dat naar redelijke verwachting niet tot een zaak zal leiden gelijkgesteld wordt met een geŽindigde zaak.

Tenslotte wordt in het 4e lid van dit artikel nog bepaald, dat in een AMVB voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de processen-verbaal en andere voorwerpen worden bewaard en vernietigd.

 

Artikel 126dd, Het gebruik van gegevens voor een ander doel

 

Omdat in het vorige artikel de verplichting is neergelegd tot het vernietigen van informatie die met behulp van de daar genoemde technische hulpmiddelen is verkregen, is het eveneens noodzakelijk om te bepalen wanneer deze gegevens wel gebruikt kunnen worden. Dit betreft de navolgende gevallen:

a.       Indien door de officier van justitie bepaald wordt dat deze gegevens gebruikt kunnen worden in een ander strafrechtelijk onderzoek dan dat waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend

b.       Als de officier van justitie bepaalt dat deze gegevens mogen worden opgenomen in het register "zware criminaliteit".

In het laatste geval moeten het dan gegevens betreffen omtrent een persoon die: 

a.       verdacht worden van misdrijven waarvoor het register zware criminaliteit is aangelegd

b.       personen ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij betrokken zijn bij het beramen op plegen van misdrijven bedoeld onder a.

c.       personen die in een bepaalde relatie staan tot degenen bedoeld onder a en b.[23]

Indien de officier dit bepaald heeft, hoeven de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend niet te worden vernietigd als toepassing gegeven is aan het bepaalde dat de gegevens gebruikt kunnen worden in een ander strafrechtelijk onderzoek. Deze gegevens mogen alsdan bewaard worden tot ook dit onderzoek geŽindigd is.

Als de gegevens naar het oordeel van de officier mogen worden opgeslagen in het register zware criminaliteit, dan hoeven deze gegevens niet te worden vernietigd totdat de Wet politieregisters opslag van de gegevens niet langer toestaat.

 

Artikel 126ee, Technische hulpmiddelen

 

Dit artikel bevat eigenlijk alleen maar de mededeling dat bij AMVB regels zullen worden gesteld omtrent:

1.       de opslag, verstrekking en plaatsing van de navolgende technische hulpmiddelen:

  1. De plaatsbepalingapparatuur bedoeld in de artikelen 126g, 3e lid en 126o, 3e lid

  2. De apparatuur bestemd voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie, bedoeld in de artikelen 126l, 1e lid en 126s, 1e lid

2.       De technische eisen waaraan de hulpmiddelen moeten voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen en signalen. Deze eisen zijn met name van belang, omdat bijvoorbeeld het opnemen van vertrouwelijke communicatie uitsluitend buiten tegenwoordigheid van een opsporingsambtenaar met behulp van deze apparatuur kan geschieden. Om die reden moeten deze hulpmiddelen aan hoge eisen voldoen. Kortom, er mag geen enkele twijfel bestaan aan de gegevens die door de hulpmiddelen worden geregistreerd.

3.       De controle op de naleving van het bepaalde onder b.

4.       De instellingen die de registratie van signalen aan een technische bewerking onderwerpen en

5.       De wijze waarop deze bewerkingen plaatsvinden met het oog op de controleerbaarheid achteraf, de waarborgen waarmee deze zijn omgeven en de mogelijkheden voor een tegenonderzoek.

Dat deze zaken in een AMVB geregeld worden is ingegeven door het feit dat de technische ontwikkelingen bijzonder snel gaan. Dat wat nu nog als uiterst geavanceerd wordt beschouwd is morgen een gangbaar middel. De beschrijvingen van toegestane apparatuur zal naar verwachting nogal eens moeten worden bijgesteld, hetgeen telkens tot een wetswijziging zou moeten leiden, terwijl het aanpassen van een AMVB dit bezwaar niet heeft.

 

Artikel 126ff, Verbod op doorlaten

 

In dit artikel wordt aan de opsporingsambtenaar de verplichting opgelegd om van de hem bij de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheid  gebruik te maken als hij:

a.       Handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de titels IVa en V

b.       Hij daardoor de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid

Deze inbeslagneming mag slechts worden uitgesteld in het belang van het onderzoek en met het oogmerk om op een later tijdstip tot inbeslagneming over te gaan.

Uit de formulering van het 1e lid blijkt, dat opsporingsambtenaren de inbeslagneming slechts mogen uitstellen:

a.       In het belang van het onderzoek. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de bevoegdheid tot politiŽle infiltratie wordt uitgeoefend. Inbeslagneming zou hier immers leiden tot het bekend worden van de identiteit van de infiltrant en zou daarmee het einde van het onderzoek betekenen

b.       Met het oogmerk om op een later tijdstip tot inbeslagneming over te gaan. Als we bij hetzelfde voorbeeld blijven betekent dit dat de infiltrerende opsporingsambtenaar aan andere opsporingsambtenaren door kan geven wanneer deze goederen vervoerd of verplaatst gaan worden, zodat door anderen tot inbeslagneming kan worden overgegaan.

In het tweede lid wordt de tweede uitzonderingsbepaling verwoord. Hier wordt aan de officier van justitie de mogelijkheid geboden om een bevel af te geven om de inbeslagneming niet te verrichten. Dit bevel kan uitsluitend worden gegeven op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang.

Een zwaarwegend opsporingsbelang kan bijvoorbeeld zijn, dat er goede en bruikbare informatie is dat de betreffende goederen afgeleverd gaan worden op een onbekend adres. In dat geval zullen de beheerders wel bekend zijn, maar kan ik me voorstellen dat men daar ook de vervoerders en de ontvangers bij wil aanhouden.

Als dit soort gevallen te voorzien zijn, dient er derhalve een schriftelijk bevel van de officier van justitie te zijn, waarin de opsporingsambtenaar bevolen wordt om van de inbeslagneming af te zien.

Dit bevel  dient in ieder geval te vermelden:

a.       De voorwerpen of goederen waarop het betrekking heeft

b.       Het zwaarwegende opsporingsbelang en

c.       Het tijdstip waarop of de periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming niet geldt.

In de praktijk zal blijken, dat dit artikel voor de nodige problemen gaat zorgen, omdat ook op dit artikel het artikel 140a van toepassing is. Bij de bespreking van artikel 140a kom ik hierop terug.

 

Artikel 126gg, Het verkennend onderzoek

 

In het wetsvoorstel wordt een nieuwe vorm van strafrechtelijk onderzoek geÔntroduceerd, te weten het "verkennend onderzoek". Lezing van het artikel leert ons, dat het verkennend onderzoek geen deel uitmaakt van het opsporingsonderzoek, maar daaraan vooraf gaat. Verder geeft het artikel aan dat een verkennend onderzoek slechts kan worden ingesteld op bevel van de officier van justitie. Dit bevel wordt zeker niet gemakkelijk gegeven, omdat er binnen het openbaar ministerie een heel traject gegaan moet worden alvorens een dergelijk bevel mag worden afgegeven. Hoewel uit de tekst van de wet niet af te leiden, is blijkens de beleidsregels openbaar ministerie de officier verplicht door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie daarvoor toestemming te vragen aan het college van procureurs-generaal.

Verder is van groot belang het doel dat beoogd wordt met een verkennend onderzoek. Dit doel wordt omschreven in de laatste volzin van het artikel en is: de voorbereiding van opsporing. Omdat in de artikelen, genoemd in titel IVa gesproken wordt van verdenking van een misdrijf en in de artikelen van titel V van een redelijke vermoeden van betrokkenheid, kunnen de bijzondere opsporingsbevoegdheden bij het verkennend onderzoek niet worden gebruikt.

Voor het instellen van een verkennend onderzoek zijn aanwijzingen die voortvloeien uit feiten of omstandigheden dat binnen verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd al voldoende. Dit moeten dan wel misdrijven zijn als omschreven in artikel 67,1e lid, die gezien hun aard of samenhang met andere misdrijven die binnen die verzameling  worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Een goed voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld het onderzoek, uitgevoerd door een team, bestaande uit Politie en FIOD, dat de transportsector heeft doorgelicht. Een ander voorbeeld hiervan is het Informatieteam Criminele Netwerken Rotterdamse Haven, een samenwerkingsverband tussen politie, douane en FIOD.

Bij de term "verkennend onderzoek" moet u dan ook denken aan het doorlichten van een bepaalde sector, zoals bijvoorbeeld de transportbedrijven, de goudsmeden en juweliers of iets dergelijks. Aanwijzingen die kunnen leiden tot een dergelijk onderzoek zijn bijvoorbeeld de gehanteerde vervoersprijzen, gerelateerd aan de brandstofprijzen en de loonkosten.

Het is lastig om precies de grens te trekken tussen de normale informatie-inwinning, die tot de taak van de politie behoort en het verkennend onderzoek. De grens lijkt te liggen op het punt, waar de persoonlijke levenssfeer van bepaalde personen geschonden wordt. Dit is onder meer het geval als de inkomenspositie van een persoon wordt opgevraagd of als van een bepaalde persoon bij de Kamer van Koophandel diens bevoegdheden en ondernemingen worden bevraagd.

In deze gevallen zal dus de officier van justitie een bevel moeten geven. Overigens zijn aan dit bevel in de wettekst geen nadere regels gesteld.

 

Artikel 132a, Het opsporingsonderzoek

 

Zoals ik aan het begin al opmerkte, is nergens in het wetboek van strafvordering een definitie te vinden omtrent opsporing. Daar waar nu bijzondere opsporingsbevoegdheden worden geÔntroduceerd leek het de wetgever wenselijk om ook te definiŽren wat onder een opsporingsonderzoek dient te worden verstaan.

Uitgesplitst ziet dit opsporingsonderzoek er als volgt uit:

a.       Het onderzoek onder leiding van de officier van justitie

b.       Naar aanleiding van:

  1. een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan (art. 27 WvSv)of

  2. dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd, als omschreven in artikel 67.1e lid, die gezien hun aard of samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren (art. 126o WvSv)

c.       Met als doel: het nemen van strafvorderlijke beslissingen

 

 

Artikel 140a, Het college van procureurs-generaal

 

In dit artikel, dat is ingevoegd bij amendement van mevr.Kalsbeek, lid van de Tweede Kamer, wordt uitdrukkelijk bepaald dat het college van procureurs-generaal vooraf en schriftelijk toestemming moeten verlenen voor:

a.       Het bevel omschreven in artikel 126ff - het afzien van de inbeslagneming van goederen die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid of de veiligheid en

b.       Een overeenkomst als bedoeld in de tweede afdeling van titel Va[24] - de overeenkomst tussen de officier van justitie en de burger die bijstand verleent aan de opsporing door het infiltreren in een criminele organisatie of het kopen van goederen dan wel het verlenen van diensten van een verdachte of een betrokkene in een georganiseerd verband.

Zoals ik al aangaf kan dat in de praktijk wel eens tot problemen leiden. Bij de bespreking van de artikelen 126w tot en met 126z zagen we al dat de officier van justitie bij dringende noodzaak een dergelijk bevel ook mondeling kan wijzigen of verlengen. In het geval van de verplichting tot inbeslagneming kan een politie-infiltrant plotseling geconfronteerd worden met een partij verdovende middelen of vuurwapens. In beide gevallen kan dan niet voldaan worden aan de eis van de vooraf te verlenen instemming van het college van procureurs-generaal.

Bij het ministerie van justitie wordt op dit moment nog niet zo zwaar getild aan de problemen die zich kunnen voordoen. Daar gaat men ervan uit, dat overeenkomsten zoals hierboven genoemd een lange tijd van voorbereiding kennen en dat ook de politie-infiltratie niet uit de lucht komt vallen. In deze gevallen verdient het dan ook aanbeveling om de officier van justitie -indien noodzakelijk - op deze omstandigheden te wijzen, zodat deze in het originele bevel kunnen worden omschreven.


Hoofdstuk 6

 

Overige bepalingen en wijzigingen

 

In dit hoofdstuk vinden we voornamelijk artikelen, die van belang zijn in het vervolg op het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek, het onderzoek ter terechtzitting en de internationale rechtshulp

Hierbij vinden we echter een aantal bepalingen, die ook voor de opsporingsambtenaar van belang zijn. Deze zal ik hieronder wat uitgebreider behandelen.

 

Wijziging artikel 187.

Hier wordt het tweede lid gewijzigd en een derde lid toegevoegd. Deze wijziging strekt ertoe dat de officier van justitie, de raadsman en de verdachte in kennis worden gesteld omtrent datgene dat een getuige heeft verklaard die in de afwezigheid van deze personen gehoord is door de rechter-commissaris. Dit kan alleen als dit met de belangen van de getuige of het zwaarwegende opsporingsbelang te verenigen is.

 

Wijziging artikel 187b, 2e lid.

Als door de rechter-commissaris het beantwoorden van een vraag door een getuige of deskundige is belet, dient daarvan een aantekening in het proces-verbaal van verhoor te worden gemaakt.

 

Invoeging artikel 187d

1. De rechter-commissaris kan hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of het verzoek van de verdachte of diens raadsman of de getuige beletten dat antwoorden op vragen betreffende een bepaald gegeven ter kennis komen van de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman, indien er gegrond vermoeden bestaat dat door de openbaarmaking van dit gegeven:

a. de getuige ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep  ernstig zal worden belemmerd, of

b. een zwaarwegend opsporingsbelang wordt geschaad.

2. De rechter-commissaris maakt in zijn proces-verbaal melding van de redenen waarom het bepaalde in het eerste lid toepassing heeft gevonden.

3. De rechter-commissaris neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van een gegeven als in het eerste lid bedoeld, te voorkomen. Hij is daartoe bevoegd gegevens in processtukken onvermeld te laten.

4. Ingeval de rechter-commissaris belet dat een antwoord ter kennis komt van de officier van justitie, de verdachte of diens raadsman, doet hij in het proces-verbaal opnemen dat de gestelde vraag is beantwoord.

5.       Hoger beroep of beroep in cassatie is tegen een beslissing op grond van het eerste lid niet toegelaten.

 

In dit artikel wordt geregeld, dat de rechter-commissaris de bevoegdheid krijgt om te voorkomen dat antwoorden die door een getuige geven zijn tijdens de ondervraging ter kennis komen van de officier van justitie, de verdachte of diens raadsman, als de getuige hiervan ernstige overlast zal ondervinden of in zijn ambt of beroep ernstig zal worden belemmerd of een zwaarwegend opsporingsbelang wordt geschaad.

 

Artikel 219a

De getuige die uit hoofde van zijn ambt of beroep betrokken is bij het verhoor van een bedreigde getuige of een verhoor waarbij artikel 187d is toegepast, dan wel een daaraan voorafgaand verhoor, kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, voor zover zulks ter bescherming van de in artikel 187d, 1e lid of artikel 226a, 1e lid, genoemde belangen noodzakelijk is.

 

In dit artikel wordt geregeld dat aan bijvoorbeeld de griffier of een politieambtenaar, die betrokken was bij het beschermen van een bedreigde getuige of kennis draagt van de antwoorden die verborgen moeten blijven, ter zitting alsnog als getuige wordt opgeroepen. Als de raadsman van een verdachte een dergelijke getuige toch opgeroepen krijgt, kan deze zich beroepen op het verschoningsrecht dat hem ingevolge dit artikel toekomt.

 

Artikel 552i

Dit  artikel wordt uitgebreid met de bevoegdheden omschreven, omschreven in de artikelen 126g tot en met 126z en de in artikel 126gg geregelde bevoegdheid.

 

Artikel 552n

Dit artikel regelt de uitvoering van rechtshulpverzoeken die ter uitvoering aan de rechter-commissaris worden opgedragen. Hierbij diende tot voor kort alleen inbeslagneming op andere dan openbare plaatsen door de rechter-commissaris verricht te worden. Nu dient dat in alle gevallen van inbeslagneming door de rechter-commissaris te worden gedaan.

 

Artikel 552o

In dit artikel wordt in het 1e lid onderdeel a de zin: "het aftappen of opnemen van niet voor het publiek bestemd gegevensverkeer via een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten" vervangen door: "en het onderzoeken van gegevens in geautomatiseerde werken".

 

Artikel 552o

1.       Voor zover een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse autoriteit daartoe strekt, kunnen de in de artikelen 126l, 126m, 126s en 126t omschreven bevoegdheden worden uitgeoefend.

2.       Andere bevoegdheden, omschreven in de titels IVa, V, Va en Vc van het Eerste Boek, kunnen worden uitgeoefend indien een voor  inwilliging vatbaar rechtshulpverzoek daartoe strekt.

3.       Tenzij het toepasselijke verdrag anders bepaalt kan, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, geen gebruik van de in de titels IVa, V, Va en Vc omschreven bevoegdheden worden gemaakt anders dan overeenkomstig de voorgaande leden.

4.       Processen-verbaal en andere voorwerpen, verkregen door toepassing van een in de artikelen 126l, 126m, 126s en 126t omschreven bevoegdheid, kunnen door de officier van justitie worden afgegeven aan de buitenlandse autoriteiten voor zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.

5.       De artikelen 126aa, tweede lid, alsmede 126bb tot en met 126dd zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 126cc is slechts van toepassing voor zover de betreffende processen-verbaal en andere voorwerpen niet aan de buitenlandse autoriteiten zijn afgegeven. De officier van justitie draagt er zorg voor dat een betrokkene de processen-verbaal en andere voorwerpen die op hem betrekking hebben op enig moment kan inzien.

 

Dit artikel bepaalt dat indien een rechtshulpverzoek op een verdrag gegrond is en daarin wordt gevraagd om het opnemen van vertrouwelijke communicatie of het opnemen van telecommunicatie aan dit rechtshulpverzoek gevolg kan worden gegeven. De opgemaakt processen-verbaal van het opnemen van (tele)communicatie kunnen uitsluitend met toestemming van de rechtbank aan de buitenlandse autoriteiten ter hand worden gesteld

De overige bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen worden toegepast als het rechtshulpverzoek daartoe strekt, ook als dit niet op een verdrag gegrond is. De beslissing daaromtrent ligt bij de officier van justitie.

 

Artikel 552p

Hier dient te worden ingevoegd dat gegevensdragers die de rechter-commissaris in beslag genomen heeft met toestemming van de rechtbank ter beschikking kunnen worden gesteld ook onder de rechter-commissaris moeten berusten.

 

Tenslotte volgen nog enige bepalingen die wijzigingen bevatten in de Wet politieregisters, waarop hier niet nader wordt ingegaan en een wijziging in de wet op de Rechterlijke Organisatie.

 

 


Tekst van de artikelen 126g tot en met 126gg van het Wetboek van Strafvordering

 

Artikel 126g [nog niet in werking]

 

1. In geval van verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie in het belang van

het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon  volgt

of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarneemt.

2. Indien de verdenking een misdrijf betreft als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat

gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven

een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie in het belang

van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet

zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende.

3. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch

hulpmiddel wordt aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie

wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd,

tenzij met diens toestemming.

4. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. Het kan

telkens voor een termijn van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

5. Het bevel tot observatie is schriftelijk en vermeldt:

a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke

aanduiding van de verdachte;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de in het eerste lid

bedoelde persoon;

d. bij toepassing van het tweede lid, de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de

voorwaarden, bedoeld in dat lid, zijn vervuld, alsmede de plaats die zal worden

betreden;

e. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en

f. de geldigheidsduur van het bevel.

6. Bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven. De officier van

justitie stelt in dat geval het bevel binnen drie dagen op schrift.

7. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,

bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beŽindigd.

8. Het bevel kan schriftelijk en met redenen omkleed worden gewijzigd, aangevuld,

verlengd of beŽindigd. Bij dringende noodzaak kan de beslissing mondeling worden

gegeven. De officier van justitie stelt deze in dat geval binnen drie dagen op schrift.

9. Een bevel als bedoeld in het eerste lid kan ook worden gegeven aan een persoon in

de openbare dienst van een vreemde staat. Bij algemene maatregel van bestuur

kunnen eisen worden gesteld aan deze personen. Het tweede tot en met achtste lid zijn

van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126h [nog niet in werking]

 

1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat

gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven

een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het

onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in

artikel 141, onderdeel b, deelneemt of medewerking verleent aan een groep van

personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden  vermoed misdrijven worden

beraamd of gepleegd.

2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon

niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was

gericht.

3. Het bevel tot infiltratie is schriftelijk en vermeldt:

a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke

omschrijving van de verdachte;

b. een omschrijving van de groep van personen;

c. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen

strafbaar gesteld handelen, voor zover bij het geven van het bevel te voorzien, en

e. de geldigheidsduur van het bevel.

4. Een bevel als bedoeld in het eerste lid kan ook worden gegeven aan:

a. een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij

algemene maatregel van bestuur te stellen eisen;

b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142, mits

deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen

regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld

in artikel 141, onderdeel b.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5. Artikel 126g, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien

verstande dat verlenging van een bevel tot infiltratie niet mondeling kan plaatsvinden.

 

Artikel 126i [nog niet in werking]

 

1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan

de officier van justitie in het belang van het  onderzoek bevelen dat een

opsporingsambtenaar goederen afneemt van of diensten verleent aan de verdachte.

2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een verdachte

niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was

gericht.

3. Het bevel tot pseudo-koop of -dienstverlening is schriftelijk en vermeldt:

a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke

omschrijving van de verdachte;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. de aard van de goederen of diensten;

d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen

strafbaar gesteld handelen, en

e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt

gegeven.

4. Onder een opsporingsambtenaar als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan

een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij

algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.

5. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126j [nog niet in werking]

 

1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van

het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141,

onderdeel b, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar,

stelselmatig informatie inwint over de verdachte.

2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De

geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden

verlengd.

3. Het bevel tot  het inwinnen van informatie is schriftelijk en vermeldt:

a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke

omschrijving van de verdachte;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en

d. de geldigheidsduur van het bevel.

4. Een bevel als bedoeld het eerste lid kan ook worden gegeven aan:

a. een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij

algemene maatregel van bestuur te stellen eisen;

b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142, mits

deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen

regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld

in artikel 141, onderdeel b.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126k [nog niet in werking]

 

1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan

de officier van justitie in het belang van het  onderzoek bevelen dat een

opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats,

niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel aanwendt,

teneinde:

a. die plaats op te nemen,

b. aldaar sporen veilig te stellen, of

c. aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen, teneinde de aanwezigheid of

verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.

2. Een bevel als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en vermeldt:

a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke

aanduiding van de verdachte;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. de plaats waarop het bevel betrekking heeft;

d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en

e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt

gegeven.

3. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126l [nog niet in werking]

 

1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat

gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven

een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het

onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in

artikel 141, onderdeel b, vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch

hulpmiddel.

2. De officier van  justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter

uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden

zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan bepalen dat ter uitvoering van het

bevel een woning zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien

het onderzoek dit dringend vordert en de verdenking een misdrijf betreft waarop naar

de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.

Artikel 2, eerste lid, laatste volzin van de Algemene wet op het binnentreden is niet van

toepassing.

3. Het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie is schriftelijk en

vermeldt:

a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke

aanduiding van de verdachte;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid en, in geval van toepassing van de tweede volzin van het tweede lid, de

voorwaarden bedoeld in het tweede lid, zijn vervuld;

c. ten minste een van de personen die aan de communicatie deelnemen, dan wel,

indien het bevel communicatie betreft op een besloten plaats of in een vervoermiddel,

een van de personen die aan de communicatie deelnemen of een zo nauwkeurig

mogelijke omschrijving van die plaats of dat vervoermiddel;

d. bij toepassing van het tweede lid, de plaats die zal worden betreden;

e. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en

f. de geldigheidsduur van het bevel.

4. Het bevel kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van

de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. De machtiging betreft

alle onderdelen van het bevel. Indien ter uitvoering van het bevel een woning mag

worden betreden, wordt dat uitdrukkelijk in de machtiging vermeld.

5. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De

geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden

verlengd.

6. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met

dien verstande dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of verlenging een

machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Indien de officier van justitie bepaalt

dat ter uitvoering van het bevel een woning wordt betreden, kan het bevel niet

mondeling worden gegeven. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden,

bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid, bepaalt de officier van justitie dat de

uitvoering van het bevel wordt beŽindigd.

7. Bij dringende noodzaak kan de machtiging van de rechter-commissaris, bedoeld in

het vierde en zesde lid, mondeling worden gegeven, tenzij toepassing wordt gegeven

aan de tweede volzin van het tweede lid. De rechter-commissaris stelt in dat geval de

machtiging binnen drie dagen op schrift.

8. Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal opgemaakt.

 

Artikel 126m [nog niet in werking]

 

1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat

gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven

een ernstige inbreuk op de  rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het

onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar

telecommunicatie opneemt met een technisch hulpmiddel.

2. Onder telecommunicatie wordt in dit artikel verstaan niet voor het publiek bestemde

communicatie via een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking

van openbare telecommunicatiediensten.

3. Het bevel tot het opnemen van telecommunicatie is schriftelijk en vermeldt:

a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke

aanduiding van de verdachte;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. het nummer waarmee de individuele gebruiker van telecommunicatie wordt

geÔdentificeerd, alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker;

d. de geldigheidsduur van het bevel.

4. Artikel 126l, vierde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126n [nog niet in werking]

 

1. In geval van ontdekking op heterdaad, verdenking van een misdrijf als omschreven

in artikel 67, eerste lid, of het misdrijf, bedoeld in artikel 138a van het Wetboek van

Strafrecht kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering

doen inlichtingen te verstrekken terzake van alle verkeer dat over een openbaar

telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking van openbare

telecommunicatiediensten, heeft  plaatsgevonden en ten aanzien waarvan het

vermoeden bestaat, dat de verdachte eraan heeft deelgenomen.

2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot ieder die werkzaam is

bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk een

aanbieder van openbare telecommunicatiediensten.

3. De artikelen 217, 218 en 219 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126o [nog niet in werking]

 

1. Indien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat in

georganiseerd verband misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste  lid, worden

beraamd of gepleegd die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die

in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de

rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek

bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig

diens aanwezigheid of gedrag waarneemt.

2. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering

van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder

toestemming van de rechthebbende.

3. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch

hulpmiddel wordt aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie

wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd,

tenzij met diens toestemming.

4. Het bevel tot observatie is schriftelijk en vermeldt:

a. een omschrijving van het georganiseerd verband;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de persoon, bedoeld in

het eerste lid;

d. bij toepassing van het tweede lid, de plaats die zal worden betreden;

e. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en

f. de geldigheidsduur van het bevel.

5. Artikel 126g, vierde en zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige

toepassing.

6. Een bevel als bedoeld in het eerste lid kan ook worden gegeven aan een persoon in

de openbare dienst van een vreemde staat. Bij algemene maatregel van bestuur

kunnen eisen worden gesteld aan deze personen. Het tweede tot en met vijfde lid zijn

van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126p [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien

het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld

in artikel 141, onderdeel b, aan het georganiseerd verband deelneemt of medewerking

verleent.

2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon

niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was

gericht.

3. Het bevel tot  infiltratie is schriftelijk en vermeldt:

a. een omschrijving van het georganiseerd verband;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen

strafbaar gesteld handelen, voor zover bij het geven van het bevel te voorzien, en

d. de geldigheidsduur van het bevel.

4. Een bevel als bedoeld in het eerste lid kan ook worden gegeven aan:

a. een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij

algemene maatregel van bestuur te stellen eisen;

b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142, mits

deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen

regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld

in artikel 141, onderdeel b.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5. Artikel 126g, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien

verstande dat verlenging van een bevel tot infiltratie niet mondeling kan plaatsvinden.

 

Artikel 126q [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het

belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar goederen afneemt

van of diensten verleent aan een persoon ten aanzien van wie uit feiten of

omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het

georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.

2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon

niet brengen tot het plegen of beramen van andere strafbare feiten dan waarop diens

opzet reeds tevoren was gericht.

3. Het bevel tot pseudo-koop of -dienstverlening is schriftelijk en vermeldt:

a. een omschrijving van het georganiseerd verband;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. de aard van de goederen of diensten;

d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen

strafbaar gesteld handelen, en

e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt

gegeven.

4. Onder een opsporingsambtenaar als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan

een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij

algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.

5. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 126qa [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het

belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel

141, onderdeel b, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar,

stelselmatig informatie inwint over een persoon ten aanzien van wie uit feiten of

omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken  is bij het in het

georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.

2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De

geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden

verlengd.

3. Het bevel tot het inwinnen van informatie is schriftelijk en vermeldt:

a. een omschrijving van het georganiseerd verband;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de

persoon, bedoeld in het eerste lid;

d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en

e. de geldigheidsduur van het bevel.

4. Een bevel als bedoeld het eerste lid kan ook worden gegeven aan:

a. een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij

algemene maatregel van bestuur te stellen eisen;

b. een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, of artikel 142, mits

deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen

regels terzake van opleiding en samenwerking met opsporingsambtenaren als bedoeld

in artikel 141, onderdeel b.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126r [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het

belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming

van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel

een technisch hulpmiddel aanwendt, teneinde:

a. die plaats op te nemen,

b. aldaar sporen veilig te stellen, of

c. aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen teneinde de aanwezigheid of

verplaatsingen van een goed vast te kunnen stellen.

2. Een bevel als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en vermeldt:

a. een omschrijving van het georganiseerd verband;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. de plaats waarop het bevel betrekking heeft;

d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en

e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt

gegeven.

3. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126s [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien

het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld

in artikel 141, onderdeel b, met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie

opneemt waaraan een persoon deelneemt ten aanzien van wie uit feiten of

omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het

georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.

2. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering

van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder

toestemming van de rechthebbende. Hij kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel

een woning zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien het

onderzoek dit dringend vordert en in het georganiseerd verband misdrijven worden

beraamd of gepleegd waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van

zes jaren of meer is gesteld. Artikel 2, eerste lid, laatste volzin van de Algemene wet op

het binnentreden is niet van toepassing.

3. Het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie is schriftelijk en

vermeldt:

a. een omschrijving van het georganiseerd verband;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid en, in geval van toepassing van de tweede volzin van het tweede lid, de

voorwaarden bedoeld in het tweede lid, zijn vervuld;

c. de persoon, bedoeld in het eerste lid en, indien bekend, andere deelnemers aan de

communicatie;

d. bij toepassing van het tweede lid, de plaats die zal worden betreden;

e. de wijze waarop aan het bevel uitvoering zal worden gegeven, en

f. de geldigheidsduur van het bevel.

4. Het bevel kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van

de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. De machtiging betreft

alle onderdelen van het bevel. Indien ter uitvoering van het bevel een woning mag

worden betreden, wordt dat uitdrukkelijk in de machtiging vermeld.

5. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De

geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden

verlengd.

6. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met

dien verstande dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of verlenging een

machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Indien de officier van justitie bepaalt

dat ter uitvoering van het bevel een woning wordt betreden, kan het bevel niet

mondeling worden gegeven. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden,

bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid, bepaalt de officier van justitie dat de

uitvoering van het bevel wordt beŽindigd.

7. Bij dringende noodzaak kan de machtiging van de rechter-commissaris, bedoeld in

het vierde en zesde lid, mondeling worden gegeven, tenzij toepassing wordt gegeven

aan de tweede volzin van het tweede lid. De rechter-commissaris stelt in dat geval de

machtiging binnen drie dagen op schrift.

8. Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal opgemaakt.

 

Artikel 126t [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien

het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een

technisch hulpmiddel telecommunicatie opneemt waaraan een persoon deelneemt ten

aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat

deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van

misdrijven.

2. Onder telecommunicatie wordt in dit artikel verstaan niet voor het publiek bestemde

communicatie via een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking

van openbare telecommunicatiediensten.

3. Het bevel tot het opnemen van telecommunicatie is schriftelijk en vermeldt:

a. een omschrijving van het georganiseerd verband;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

lid, zijn vervuld;

c. het nummer waarmee de individuele gebruiker van telecommunicatie wordt

geÔdentificeerd, alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker;

d. de naam van de persoon, genoemd in het eerste lid, wanneer deze niet de houder

is, en

e. de geldigheidsduur van het bevel.

4. Artikel 126s, vierde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126u [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het

belang van het onderzoek een vordering doen inlichtingen te verstrekken terzake van

alle verkeer dat over een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met

gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten heeft plaatsgevonden en ten

aanzien waarvan het vermoeden bestaat, dat daaraan een persoon heeft deelgenomen

ten aanzien van wie uit feiten  of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit

dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van

misdrijven.

2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot ieder die werkzaam is

bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk een

aanbieder van openbare telecommunicatiediensten.

3. De artikelen 217, 218 en 219 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126v [nog niet in werking]

 

1. In geval van verdenking van een misdrijf, dan wel in een geval als bedoeld in artikel

126o, eerste lid, kan de officier van justitie  in het belang van het onderzoek bevelen

dat een opsporingsambtenaar met een persoon die geen opsporingsambtenaar is,

overeenkomt dat deze voor de duur van het bevel bijstand verleent aan de opsporing

door stelselmatig informatie in te winnen omtrent een verdachte, onderscheidenlijk een

persoon ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat deze is betrokken bij

het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.

2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, is schriftelijk en vermeldt:

a. bij verdenking van een misdrijf, het misdrijf en indien bekend de naam of anders een

zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;

b. in een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid: een omschrijving van het

georganiseerd verband;

c. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het

eerste lid, zijn vervuld;

d. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon omtrent wie informatie

wordt ingewonnen en

e. de geldigheidsduur van het bevel.

3. De overeenkomst tot het stelselmatig inwinnen van informatie is schriftelijk en

vermeldt:

a. de rechten en plichten van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing,

alsmede de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, en

b. de geldigheidsduur van de overeenkomst.

4. Op het bevel is artikel 126g, vierde en zesde tot en met achtste lid, van

overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126w [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, kan de officier van justitie, indien

het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is,

overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of

medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs

kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.

2. Toepassing van het  eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van

oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, kan worden gegeven.

3. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag

bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan

waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

4. Bij de toepassing van het eerste lid legt de officier van justitie schriftelijk vast:

a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke

omschrijving van de verdachte;

b. een omschrijving van de groep van personen;

c. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

en tweede lid, zijn vervuld.

5. De overeenkomst tot infiltratie is schriftelijk en vermeldt:

a. de rechten en plichten van de persoon die op grond van het eerste lid bijstand

verleent aan de opsporing, alsmede de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering

wordt gegeven, en

b. de geldigheidsduur van de overeenkomst.

6. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag

bij de uitvoering daarvan geen strafbare handelingen verrichten, tenzij vooraf schriftelijk

toestemming door de officier van justitie is gegeven om dergelijke handelingen te

verrichten. Bij dringende noodzaak kan de toestemming mondeling worden gegeven.

De officier van justitie stelt in dat geval de toestemming binnen drie dagen op schrift.

7. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,

bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de overeenkomst wordt beŽindigd.

8. De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of

beŽindigd. De officier van justitie legt de redenen daarvan uiterlijk binnen drie dagen

schriftelijk vast.

 

Artikel 126x [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien

het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is,

overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen of

medewerking te verlenen aan het georganiseerd verband.

2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van

oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 126p, eerste lid, kan worden gegeven.

3. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag

bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan

waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

4. Artikel 126w, vierde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126ij [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126i, eerste lid, kan de officier van justitie in het

belang van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is,

overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door goederen af te nemen

van of diensten te verlenen aan de verdachte.

2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van

oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 126i, eerste lid,  kan worden gegeven.

3. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag

bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan

waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

4. Bij de toepassing van het eerste lid legt de officier van justitie schriftelijk vast:

a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke

omschrijving van de verdachte;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste

en tweede lid, zijn vervuld;

c. de aard van de goederen of diensten;

5. De overeenkomst tot pseudo-koop of -dienstverlening is schriftelijk en vermeldt:

a. de rechten en plichten van de persoon die op grond van het eerste lid bijstand

verleent aan de opsporing, alsmede de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering

wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar handelen, en

b. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan de overeenkomst uitvoering wordt

gegeven.

6. Artikel 126w, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126z [nog niet in werking]

 

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het

belang van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is,

overeenkomen  dat deze bijstand verleent aan de opsporing door goederen af te

nemen van of diensten te leveren aan een persoon ten aanzien van wie uit feiten of

omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat hij betrokken is bij het in het

georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.

2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van

oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 126q, eerste lid, kan worden gegeven.

3. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag

bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan

waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

4. Artikel 126ij, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126aa [nog niet in werking]

 

1. De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan

gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van

de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Va, voorzover die voor het

onderzoek in de zaak van betekenis zijn, bij de processtukken.

2. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen

gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 zou kunnen

verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden

gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen vernietigd. Bij

algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent voorschriften gegeven. Voor

zover de processen-verbaal of andere voorwerpen andere mededelingen dan bedoeld

in de eerste volzin behelzen gedaan door of aan een in die volzin bedoelde persoon,

worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de

rechter-commissaris.

3. De voeging bij de processtukken vindt plaats zodra het belang van het onderzoek

het toelaat.

4. Indien geen processen-verbaal van de uitoefening van een van de bevoegdheden,

bedoeld in de titels IVa tot en met Va, bij de processtukken zijn gevoegd, wordt van het

gebruik van deze bevoegdheid in de processtukken melding gemaakt.

5. De verdachte of diens raadsman kan de officier van justitie schriftelijk verzoeken

bepaalde door hem aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen bij de

processtukken te voegen.

Artikel 126bb [nog niet in werking]

 

1. De officier van justitie doet aan betrokkene schriftelijk mededeling van de uitoefening

van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en  met Va, zodra het belang van

het onderzoek dat toelaat. De mededeling blijft achterwege, indien uitreiking van de

mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is.

2. Als betrokkenen in de zin van het eerste lid worden aangemerkt:

a. de persoon ten aanzien van wie een van de bevoegdheden van titel IVa, V of Va is

uitgeoefend;

b. de gebruiker van telecommunicatie of de technische hulpmiddelen waarmee de

telecommunicatie plaatsvindt, bedoeld in de artikelen 126m, derde lid, onderdeel c, en

126t, derde lid, onderdeel c.

c. de rechthebbende van een besloten plaats als bedoeld in de artikelen 126g, tweede

lid, 126k, 126l, tweede lid, 126o, tweede lid, 126r en 126s, tweede lid.

3. Indien de betrokkene de verdachte is, kan mededeling achterwege blijven, indien hij

op grond van artikel 126aa, eerste of vierde lid, met de bevoegdheidstoepassing op de

hoogte komt.

 

Artikel 126cc [nog niet in werking]

 

1. Zolang de zaak niet is geŽindigd, bewaart de officier van justitie de

processen-verbaal en andere voorwerpen, waaraan gegevens kunnen worden ontleend

die zijn verkregen door observatie met behulp van een technisch hulpmiddel dat

signalen registreert, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, of het onderzoek

van telecommunicatie, voor zover die niet bij de processtukken zijn gevoegd, en houdt

deze ter beschikking van het onderzoek.

2. Zodra twee maanden  verstreken zijn nadat de zaak geŽindigd is en de laatste

mededeling, bedoeld in artikel 126bb, is gedaan, doet de officier van justitie de

processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, vernietigen. Van

de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.

3. Met een zaak die geŽindigd is, wordt bij de toepassing van het vorige lid

gelijkgesteld een voorbereidend onderzoek dat naar redelijke verwachting niet tot een

zaak zal leiden.

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de wijze

waarop de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, worden

bewaard en vernietigd.

 

Artikel 126dd [nog niet in werking]

 

1. De officier van justitie kan bepalen dat gegevens die zijn verkregen door observatie

met behulp van een technisch hulpmiddel dat signalen registreert, het opnemen  van

vertrouwelijke communicatie, of het onderzoek van telecommunicatie kunnen worden

gebruikt voor:

a. een ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend;

b. opslag in het register zware criminaliteit, indien het gegevens betreft omtrent een

persoon als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van de Wet

politieregisters.

2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, onderdeel a, behoeven de

gegevens, in afwijking van artikel 126cc, tweede lid, niet te worden vernietigd, totdat

het andere onderzoek is geŽindigd. Is toepassing gegeven aan het eerste lid,

onderdeel b, dan behoeven de gegevens niet te worden vernietigd, totdat de Wet

politieregisters opslag van de gegevens niet meer toestaat.

 

Artikel 126ee [nog niet in werking]

 

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

a. de opslag, verstrekking en plaatsing van de technische hulpmiddelen, bedoeld in de

artikelen 126g, derde lid, 126l, eerste lid, 126o, derde lid, en 126s, eerste lid;

b. de technische eisen waaraan de hulpmiddelen voldoen, onder meer met het oog op

de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen;

c. de controle op  de naleving van de eisen, bedoeld onder b;

d. de instellingen die de registratie van signalen aan een technische bewerking

onderwerpen;

e. de wijze waarop de bewerking, bedoeld onder d, plaatsvindt met het oog op de

controleerbaarheid achteraf, dan wel de waarborgen waarmee deze is omgeven en de

mogelijkheden voor een tegenonderzoek.

 

Artikel 126ff [nog niet in werking]

 

1. De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in

de titels IVa tot en met V, is verplicht van de hem in  de wet verleende

inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het

bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden

hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de

volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag slechts in

het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later

tijdstip daartoe over te gaan.

2. De verplichting tot inbeslagneming, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in het geval

de officier van justitie op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang anders

beveelt.

3. Een bevel als omschreven in het tweede lid is schriftelijk en vermeldt:

a. de voorwerpen waar het betrekking op heeft,

b. het zwaarwegend opsporingsbelang en

c. het tijdstip waarop of de periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming

niet geldt.

 

Artikel 126gg [nog niet in werking]

 

Indien uit feiten of omstandigheden aanwijzingen voortvloeien dat binnen

verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd als omschreven

in artikel 67, eerste lid, die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven

die binnen die verzamelingen van personen worden beraamd of gepleegd een ernstige

inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie bevelen dat

opsporingsambtenaren daarnaar een onderzoek instellen  met als doel de

voorbereiding van opsporing.



[1] Verdrag van Rome, 4 november 1950

[2] Titel IV, zesde afdeling, artikelen 125f tot en met 125h Sv.

[3] IRT affaire

[4] Zie artikel 132a WvSv (Nieuw)

[5] Zie artikel 126aa WvSv (Nieuw)

[6] Zie bijv. de artikelen 126l en art. 126n

[7] Het zogenaamde verlengde verdenkingscriterium.

[8] Tenzij dit gebeurt met diens toestemming.

[9] Bijv. door een observatieteam, het innemen van een vaste post of gebruik van videocamera's

[10] Ambtenaren bedoeld in artikel 3, 1e lid onder a en c en het 2e lid van de politiewet 1993

[11] Het ambtelijk bevel

[12] De buitengewone opsporingsambtenaren

[13] Infiltratie

[14] Zie de artikelen 126j en 126qa WvSv.

[15] Art. 10 van de Grondwet en artikel 12 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

[16] Artikelen 96c en 97 WvSv

[17] Het tonen van de machtiging

[18] Hier ontbreekt dus de mogelijkheid het bevel te geven aan een bijzonder opsporingsambtenaar.

[19] Computervredebreuk

[20] Art. 126g, 4e tot en met 8e lid zijn van toepassing

[21] Art. 126i en art. 126q WvSv

[22] bv. De deken van de orde van advocaten

[23] artikel 13a, 1e lid onderdeel a tot en met c van de wet politieregisters

 

[24] De artikelen 126w tot en met 126z WvSv (Nieuw) p> 

 

 

 

Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!


PAR POM Met groot materieel en politie wordt op 19 maart 2014 in Ermelo uitgerukt om een paar Groep Hop verkiezingsborden weg te halen
(562) POM Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!
(224) POM Groep Hop is tegen De Sleepwet om iedere burger ongecontroleerd af te kunnen luisteren
(114) POM De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is de beroepsvereniging van rechters en officieren van Justitie in Nederland
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(305) POM Hoofdofficier van Justitie van Gend weigert strafvervolging in te stellen tegen het feit dat 200 rechters van de rechtbank Den Haag nevenfuncties niet hebben opgegeven
(306) POM Op 27 januari 1998 stelt Hop de vraag in een persbericht: Is er een complot van het Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen de democratische rechtsstaat?
(323) POM Bolkenstein: "Het ziet er echter naar uit dat het OM, gesteund door de rechters, verenigd in de belangenvereniging NVvR (Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak), zich en bloc tegen de minister en de Tweede Kamer keren"
(307) POM Persverklaring College van Procureurs-generaal: Reorganisatie Openbaar Ministerie is een onomkeerbaar proces dat hoe langer hoe meer op de parketten gestalte krijgt
(188) POM Opslaan internetsporen 'erger dan de Stasi, Met EU richtlijn om op grote schaal verkeersgegevens op te slaan is Europa een grote politiestaat geworden
(273) POM Mobiele telefoon. Wetsvoorstel en besluit vorderen gegevens telecommunicatie
(292) POM Iemand die 'foute' denkbeelden of activiteiten heeft of 'foute' mensen kent, loopt de grootste kans om door de overheid afgeluisterd te worden. Afhankelijk van de overheid kan 'fout' crimineel, te sociaal, te kritisch, te nieuwsgierig, buitenlands of simpelweg 'politiek anders georiŽnteerd' betekenen,
(334) POM Misbruik van bevoegdheden door de overheid en Justitie is van alle tijden. Wie zich niet coŲperatief opstelt, kan door een overheid als geestesziek worden aangemerkt
(370) POM Het Openbaar Ministerie, de politie en de veiligheidsdiensten willen wetten aanpassen en oprekken om het opslaan en uitwisselen van gegevens, die op geen enkele manier op onjuistheid getoetst zullen worden, over niet-verdachte burgers mogelijk te maken
(414) POM Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 27 mei 1997 geeft inzicht in werkwijze openbaar ministerie en politie en het opslaan van gegevens over burgers in allerlei geheime dossiers
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
(475) POM Politie en camera's: Verkeerscamera's kunnen ook mooi gebruikt worden om te bepalen welke voertuigen zich waar in het land bevinden
(508) POM & Sleepwet VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(622) POM VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(623) POM Van alle elektronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar JustitiŽle Informatiedienst (JustID) Almelo
(624) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil de vrijheid om het doen en laten van de hele bevolking vast te leggen"
(626) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil dat de politie gegevens opslaat over alle burgers ook die niet worden verdacht worden van strafbaar feit
(627) POM Nederlanders worden massaal afgeluisterd met keur aan middelen voor politie en Justitie om mobiele telefoons af te tappen
(628) POM De 'geheime' internet tapkamer van de overheid. Hoe weet je als burger dat je internetverkeer afgetapt wordt?
(629) POM Verdrag Draft Convention on Cybercrime voor betere wetgeving vooral goed voor politie en justitie maar niet voor de industrie en de samenleving
(630) POM Nieuwe ontwikkelingen in Amerika tonen aan hoe burgers nog verder in de gaten gehouden gaan worden door overheden
(631) POM Echelon, Amerika luistert mee ook met de meest geheime bedrijfseconomische informatie.
(688) POM Hop: Koopkracht burgers daalt opnieuw bij invoering kilometerheffing voor vrachtverkeer! De Staat wil burgers nog beter de gaten houden door invoering van kilometerheffing
(239) POM De staat mag complete woonwijk afluisteren, communicatie gegevens van alle bewoners opslaan en uitwisselen met buitenlandse veiligheidsdiensten.
(203) POM Politie wil identificatieplicht op anoniem communiceren De politie wil dat anoniem internetten en het anoniem kopen van prepaid telefoonkaarten verboden wordt
(609) POM Transparant Openbaar Ministerie: "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(216) Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de CDA/CDA-PR en Communicatie
(90) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Buurtvereniging Speuld en Omstreken
(215) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de ErmeloNieuws.nl
(103) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Ermelose Jongerenraad
(75) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Ermelo's Weekblad
(199) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Christelijk College Groevenbeek
(128) 2018 Lijsttrekker Groep Hop Ermelo weigert mee te doen aan politieke activiteiten georganiseerd door de Bedrijvenkring Ermelo (BKE)
(332) Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk CoŲrdinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.