CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Waarom worden/kunnen, onder verwijzing naar de Pikmeerarresten, het gemeentebestuur en ambtenaren (autoriteiten) kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd. Verdachten (het gewone volk) cafébrand Volendam wel voor de rechter moeten verschijnen

 

Memo OvJ's B. Beune (Betty)/A. Peters (Anne)/Persovj J. Hartjes/Rechter R.E.A. Toeter/Burgemeester F. IJsselmuiden/CDA-wethouder W. Visscher
417 Het gemeentebestuur en ambtenaren (autoriteiten) kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd. Verdachten (het gewone volk) cafebrand Volendam voor de rechter. De cafébrand heeft ook het gemeentebestuur van Edam-Volendam niet ongemoeid gelaten. Burgemeester F. IJsselmuiden en CDA-wethouder W. Visscher traden eind maart 2001 af na de harde kritiek van een onderzoekscommissie op de rol van de gemeente. Anne Peters Ik ben gebiedsofficier in Edam/Volendam en ken de situaties en gevoeligheden
Langdurig tijdverloop heeft een 'risico' van strafvermindering voor de verdachte in zich. Maar daar is bij de cafébrand Volendam volgens Ed Hartjes absoluut geen sprake. ,,Dat gebeurt als een relatief eenvoudige zaak lang stilligt. Maar ook al heeft het lang geduurd; deze zaak is voortdurend in beweging geweest.

 

Requisitoir Volendam  van A. Peters, Officier van Justitie en H.H.M. Beune, Officier van Justitie uitgesproken ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer d.d. 27 juni 2003

Requisitoir Volendam

In de zaken:

Naam: Johannes Nicolaas VEERMAN, Parketnummer: 15/030591-01

Naam: Laura Geertruida VEERMAN, Parketnummer: 15/030592/01

Naam: Johannes Gerardus Maria VEERMAN, Parketnummer: 15/030593/01

Uitgesproken ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer d.d. 27 juni 2003 A. Peters, Officier van Justitie en H.H.M. Beune, Officier van Justitie

Inhoudsopgave

1.

Inleiding

1.1

Inleiding

1.2

Andere onderzoeken naar de brand

2.

Strafrechtelijk onderzoek

2.1

Het onderzoek van het Recherche Bijstands Team

2.1.1

Onderzoeksvragen en -doelstellingen

2.1.2

Het verloop van het onderzoek

3.

Voorvragen

3.1

Geldigheid dagvaarding

3.2

Bevoegdheid van de rechtbank

3.3

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

3.4

Vragen van procedurele aard

3.4.1

De rol van de gemeente

3.4.2

Vervolging van overheden

3.4.3  

Belangenafweging

3.4.4

Rapportage en verhoor deskundigen met betrekking tot brandveiligheid en brandweerzorg

4.

Tenlastelegging en het bewijs

4.1

Feit 1: brand door schuld

4.1.1

Causaliteit

4.2

Feiten 2 en 3: dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld

4.2.1

Causaliteit

4.3

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

4.3.1

Ten aanzien van feit 1

4.3.2

Ten aanzien van feiten 2 en 3

4.4

Feit 4: handelen in strijd met art. 6.2.1 van de Bouwverordening

4.5

Feit 5: handelen in strijd met art. 6.3.2 van de Bouwverordening

5.

Kwalificatie

6.

Strafbaarheid

7.

Strafmaat



1. Inleiding



Mijnheer de voorzitter, leden van uw rechtbank,



Wij beginnen met enkele opmerkingen van praktische aard:

 




1.1 Inleiding



In de nacht van 31 december 2000 op 1 januari 2001, op een paar dagen na 2 en een half jaar geleden, heeft in café De Hemel in Volendam een hevige brand gewoed, die hooguit enkele minuten heeft geduurd. Deze brand kostte 14 jongeren het leven, meer dan 100 jongeren raakten zwaargewond, en nog eens ruim 100 raakten lichtgewond. Deze brand heeft diep ingegrepen in de levens van nabestaanden, slachtoffers, hun familie en vrienden, en heeft de hele Volendamse gemeenschap geraakt.

De gevolgen van deze ramp zijn nog iedere dag zichtbaar en voor een aantal van de slachtoffers zal dat hun leven zo blijven.

Daarnaast zijn er mensen die op die avond wel in café de Hemel waren, maar niet lichamelijk gewond zijn geraakt. Velen van hen kampen nog steeds met geestelijke problemen. Dat geldt eveneens voor mensen die op die avond niet in het café waren maar die de slachtoffers kort na het gebeuren hebben opgevangen en geholpen.




1.2 Andere onderzoeken naar de brand



Het is duidelijk dat bij een ramp zoals deze al snel van diverse kanten druk ontstond om de oorzaak van deze ramp te achterhalen.



Daartoe zijn verschillende onderzoekscommissies ingesteld. De meest bekende daarvan is de Commissie onderzoek cafébrand nieuwjaarsnacht 2001, kortweg de Commissie Alders.

De Commissie Alders presenteerde haar eindrapport op 21 juni 2001.

Basis voor het rapport van de Commissie Alders vormden de Inspectierapporten.



Reeds zeer kort na de ramp was bekend dat het kabinet voornemens was een onafhankelijke onderzoekscommissie in te stellen. Duidelijk was dat diverse onderzoekscommissies gebruik dienden te maken van hetzelfde onderzoeksmateriaal, met name waar het technische sporen en getuigenverklaringen betrof. Zeker waar het slachtoffer-getuigen betrof, was al snel duidelijk dat voorkomen diende te worden dat zij onnodig meerdere malen door diverse commissies zouden moeten worden gehoord. Mede na contact met het onderzoeksteam van de vuurwerkramp in Enschede is al in een zeer vroeg stadium aan vrijwel alle getuigen gevraagd of zij er bezwaar tegen hadden dat hun verklaring ter beschikking zou worden gesteld aan andere (onafhankelijke) onderzoekscommissies.

Over de informatie-uitwisseling zijn afspraken gemaakt, die in een protocol zijn vastgelegd.



De Commissie Alders kent een eigen invalshoek.

Zij stelt in haar eindrapport:

"De Commissie onthoudt zich van het formuleren van conclusies op het punt van schuld en aansprakelijkheid van betrokkenen, noch civielrechtelijk, noch strafrechtelijk, noch politiek bestuurlijk."



Naast deze door het kabinet ingestelde onafhankelijke onderzoekscommissie heeft de commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Holland, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam- Volendam, mr. J.M. Polak en drs. C.J.N. Versteden verzocht een advies uit te brengen over de lering die bestuurlijk kon worden getrokken uit de ramp en de achtergronden daarvan.

De gemeente was namelijk van oordeel dat zij ook een eigen verantwoordelijkheid had als het er om ging te bezien wat er mis gegaan was en tot welke maatregelen dat aanleiding zou moeten geven.
De commissie heeft zich grotendeels gebaseerd op het door de gemeente opgestelde feitenoverzicht, dat ook onderdeel uitmaakt van het strafdossier. De commissie geeft aan (ik citeer):

"Wij hebben onze beoordeling gepleegd vanuit de optieken van bestuur, beleid en beheer. Het is niet onze taak schuldigen aan te wijzen of in te gaan op politieke, civielrechtelijke of strafrechtelijke gevolgen die aan het gebeurde zouden kunnen worden verbonden. Dat zijn vragen die in andere kaders en door anderen dienen te worden beantwoord. Wij plaatsen slechts enige opmerkingen van algemene aard over verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden, gezien de discussie die daarover worden gevoerd."



Het is aan Uw rechtbank om op basis van het strafdossier en al hetgeen hier terechtzitting aan de orde komt en is gekomen, een uitspraak te doen over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid en tot welke consequenties dat zou moeten leiden.




2. Strafrechtelijk onderzoek



Los van deze onderzoeken heeft de Regiopolitie Zaanstreek-Waterland onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie te Haarlem een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd met als doel het verkrijgen van helderheid over de vraag of deze ramp moet worden gekwalificeerd als een tragisch ongeluk dat zich in elk café had kunnen voordoen, of dat dit een situatie betreft waarin door betrokkenen zodanig slordig is omgegaan met hun verantwoordelijkheden dat daaraan strafrechtelijke consequenties moeten worden verbonden, waarbij wij overigens niet de illusie hebben dat met het vervolgen van verdachten het onnoemelijke leed van nabestaanden en slachtoffers kan worden weggenomen.




2.1 Het onderzoek van het Recherche Bijstands Team




2.1.1 Onderzoeksvragen en -doelstellingen



In de ochtend van 1 januari 2001, direct nadat de politie haar taken op het gebied van hulpverlening had afgerond, hebben politie en Openbaar Ministerie in onderling overleg een Recherche Bijstands Team geformeerd met de volgende onderzoeksvragen en -doelstellingen, welke de leidraad hebben gevormd voor het verdere onderzoek.



1. Vaststellen slachtofferlijst, verificatie en prioritering

2. Onderzoek naar de toedracht

3. Onderzoek horeca-inrichting



Ad 1. Vaststellen slachtofferlijst, verificatie en prioritering



Dit onderdeel van het onderzoek had betrekking op het identificeren van slachtoffers en de beslissing of sectie moest worden verricht, en het vrijgeven van de stoffelijke overschotten.
Daarnaast op het voorbereiden van rechtshulpverzoeken voor het geval dat slachtoffers in Duitse en Belgische ziekenhuizen kwamen te overlijden teneinde deze mogelijke slachtoffers zo spoedig mogelijk naar Nederland te kunnen overbrengen. Op het samenstellen van lijsten van slachtoffers en de ziekenhuizen waarin zij waren opgenomen. Zorg voor informatie aan nabestaanden en slachtoffers. Verzamelen van informatie en processen-verbaal van bevindingen van dienstdoende collega's.



Ad 2. Het onderzoek naar de toedracht



a. Algemeen

Volendam vormt een relatief kleine en hechte gemeenschap. Het was om die reden, meer nog dan anders, van belang zoveel mogelijk personen die op de bewuste avond in de cafés in het Wir War complex aanwezig waren geweest zo spoedig mogelijk te horen. Zij zouden mogelijk duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag wat er precies was gebeurd.

Bovendien bestaat bij een ramp die zo'n grote impact op de gemeenschap heeft en die zoveel mediabelangstelling trekt, het risico dat getuigen in de loop van de tijd niet alleen meer zullen verklaren over wat zij daadwerkelijk hebben waargenomen, maar ook over wat zij menen te hebben gezien, gevoed door de media en verhalen uit het dorp. Het was dus van belang zo spoedig mogelijk veel getuigen te horen, teneinde te voorkomen dat getuigen elkaar (onbedoeld) zouden kunnen beïnvloeden.



Kwantitatief al een zware opgave, maar daarnaast vergde het horen van slachtoffers met vaak ernstige brandwonden per verhoor veel van zowel de slachtoffers als de verbalisanten.

Mede dankzij de bijstand van de regiopolitie Kennemerland en Noord-Holland Noord waren reeds op 5 januari 2001 ongeveer 150 getuigen gehoord. Daarnaast hadden medewerkers van de Technische Recherche van de diverse korpsen het pand zo nauwkeurig mogelijk in kaart gebracht. Een prestatie die bijzondere waardering verdient.



b. De toedracht

In een café dat zo overvol was met mensen (we komen hier later op terug) heeft uiteraard niet iedereen gezien wat er precies is gebeurd. Niettemin heeft een aantal getuigen gedetailleerde verklaringen afgelegd op grond waarvan duidelijk is geworden wat de oorzaak van de brand is geweest.
Ik citeer uit een aantal van de vele verklaringen:



E.E.G.M. B. (D 006):

" Ik heb gezien hoe de brand is ontstaan. Er stond een jongen met in twee handen een bos sterretjes. Ik weet niet hoeveel sterretjes hij in zijn hand had. Ik zag dat een andere jongen deze sterretjes aanstak. Plotseling was er een steekvlam en zag dat de jongen die de sterretjes in zijn handen had, deze in, volgens mij zijn linkerhand, uit vermoedelijk een schrikreactie omhoog hield. (…) Door de steekvlam van de sterretjes ging de kerstversiering die aan het plafond hing, in brand."



E.T.C. G. (D 037):

"Achter mij stonden E.S. en T.L.. Op dat moment zag ik dat E.S. een hele bos sterretjes in een van zijn handen had. Deze bos sterretjes gaf een soort steekvlam in de richting van het plafond waar de kerstversiering hing. Ik zag dat E. schrok en hij zwaaide door de schrik met zijn armen omhoog. De sterretjes vlamden nog hevig. Vervolgens zag ik dat de dennentakken die boven ons groepje hingen, ontbrandden.

Hierop zag ik dat T.L., E.S., K.K. en nog enige jongens de brandende takken naar beneden trokken met hun handen. Hierop stampten alle jongens met hun voeten op de takken om deze te doven. Wij dachten dat het vuur gedoofd was.

Plotseling enige seconden later keek ik weer naar het plafond. Ik zag toen een grote vuurzee ontstaan. Dit begon bij de plek waar eerder de takken hadden gebrand. Dit vuur spreidde zich heel snel uit over het hele plafond van het Hemeltje. Het plafond leek in zijn geheel te branden. Ik zag dat veel brandende takken naar beneden op de bezoekers vielen. Er ontstond grote paniek".



G.M.C. V. ( D 194):

"Toen ik café de Hemel binnen was ben ik gelopen in de richting van de trap welke naar de toiletten leidt. Onderweg zag ik dat aan de bar een aantal mensen met sterretjes in de handen zaten. De sterretjes brandden. Aangekomen in de hoek waar de trap naar de toiletten zit trachtte ik langs een jongen te lopen die voor mij stond. Ik zag dat hij in zijn linkerhand een groot aantal sterretjes vasthield. De sterretjes waren nog niet aangestoken. Ik vroeg aan deze jongen of ik hem mocht passeren. Op het moment dat ik langs hem liep zag ik dat hij een aansteker pakte en de sterretjes daarmee aanstak. Ik zag dat de sterretjes gelijktijdig gingen branden en dat er een vonkenregen ontstond. Ik zag dat de jongen hierdoor kennelijk in paniek raakte en zijn linkerhand met daarin de sterretjes omhoog stak. Ik zag dat de sterretjes in contact kwamen met de dennentakken welke als kerstversiering aan het plafond waren bevestigd. (…) Ik zag dat de dennentakken als gevolg van het contact met de brandende sterretjes vlam vatten en dat het vuur zich snel over het gehele plafond verspreidde. Ik zag dat er grote paniek uitbrak want mensen begonnen te schreeuwen en te duwen".



Voorts verwijs ik naar de verklaringen van C.S. A. (D 001), N.P.H. (D 042), C.A.T. J. (D 048), D.J.M. T. (D 181), E.A. T. ( D 182):



Het beeld dat ontstaat op basis van deze verklaringen vindt steun in de bevindingen van de Technische Recherche neergelegd in het proces-verbaal betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2).

(ik citeer):



"Met betrekking tot het brandonderzoek:



Gezien het algehele beeld, waaronder de beroeting van de balklagen, de koven van de luchtbehandelingsinstallatie, alsmede de omlijsting van spiegels van de boven de bar gesitueerde betimmering, de mate van verbranding van de in cq tegen het plafond aangebrachte verlichtingsarmaturen, en het bedieningspaneel (Totaline) van het luchtbehandelingssysteem heeft de brand in aanvang gewoed aan de achterzijde van de bar "De Hemel" (zie foto's 2.92 en 2.93).
Gezien de aantasting door het vuur van de hoger gelegen voorwerpen, waaronder de kunststof wandversiering en de op het baroppervlak staande kunststof bierglazen heeft het vuur op een hoger niveau in de bar gewoed (zie foto 2.94).

Het overige gedeelte van de bar " De Hemel" had zichtbaar lichte brandschade opgelopen en aan de plafondzijde hingen nog restanten van de bevestiging (het zogenaamde web) van de kersttakken.
Door de hitte van het vuur zijn voornoemde bevestigingsdraden doorgesmolten, waardoor de brandende kersttakken met versiering en verlichting op het vloeroppervlak terecht konden komen.

Voorts troffen wij met name in het rechter achtergedeelte van de bar op zowel het vloer - als het baroppervlak een aanzienlijk aantal afgebrande sterretjes aan, waaronder een drietal bij elkaar gesmolten exemplaren op het baroppervlak. Tevens zagen wij voor de bar in hetzelfde gedeelte van de bar een aantal lege verpakkingen van sterretjes, alsmede een volle verpakking van sterretjes liggen. Aan de achterzijde van de bar troffen wij op het vloeroppervlak een lege en een zevental volle verpakkingen van sterretjes aan, alsmede een vijftal losse sterretjes. Achter de bar zagen wij ter hoogte van de rechter achterzijde in de aldaar staande vlamdovende afvalbakken een grote hoeveelheid afgebrande sterretjes en lege verpakkingen van genoemde sterretjes liggen.

(voor een precieze opgave van het aantal sterretjes zie het overzicht van de sporenlijst in het TR dossier onder 7.4, waarin onder meer vermeld staat dat er 77 verbrande lange sterretjes en 11 verbrande korte sterretjes zijn aangetroffen.)"



Op basis van dit proces-verbaal en de genoemde verklaringen komt het Openbaar Ministerie tot de conclusie dat de kerstversiering vlam heeft gevat doordat brandende sterretjes, of in ieder geval vonken van die sterretjes, in aanraking zijn gekomen met de kerstversiering.

Over de directe oorzaak van de brand kan dan ook geen twijfel bestaan.



Ad 3. Onderzoek horeca-inrichting



Dit deelonderzoek richtte zich voornamelijk op het in beeld brengen van de vergunningssituatie met betrekking tot de inrichting en de eigenaar/exploitant.

Al kort na de ramp werden bij de gemeente alle stukken opgevraagd die betrekking hadden op het pand 154-156 en zijn eigenaren. Hieruit bleek onder meer dat Jan Veerman niet de enige eigenaar van het pand was, maar dat er een mede-eigenaar was die overigens noch met het pand zelf noch met de bedrijfsvoering iets te maken had. (zie de verklaringen van mede-eigenaar M., J 1, en Veerman zelf, K 2)

Uit onderzoek bleek voorts dat de Drank - en Horecavergunning voor de inrichting aan de Haven 154-156 automatisch was komen te vervallen in verband met een wijziging van de rechtspersoon. (Zie dossier map I project WirWar, pagina 176).

Voorts is door de Technische Recherche uitgebreid onderzoek verricht naar de brandveiligheidseisen in de drie verschillende bars.



Tot zover de weergave van de onderzoeksvragen en doelstellingen.




2.1.2 Het verloop van het onderzoek



De afgelopen periode is van diverse zijden de vraag gesteld waarom het allemaal zo lang heeft geduurd.

Hieronder gaan wij kort in op het verloop van het onderzoek.



Nadat het dossier op 19 april 2001 door het Recherche Bijstands Team op het parket was afgeleverd, is op 21 mei 2001 een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd bij de Rechter-Commissaris contra Jan Veerman, Laura Veerman en John Veerman.

Bij brief van 3 september 2001 aan de Rechter-Commissaris is door ons opgave gedaan van de getuigen die het Openbaar Ministerie binnen het gerechtelijk vooronderzoek wilde horen. Behalve de verdachten, die wij als getuigen in elkaars zaak wilden laten horen, hebben wij bij de Rechter-Commissaris opgave gedaan van zeven getuigen.

De verdediging heeft bij brief van 9 november 2001 een tiental getuigen opgegeven onder voorbehoud van het recht om in een later stadium meer getuigen te doen horen.

In het verloop van het gerechtelijk vooronderzoek hebben zij onder meer verzocht om een aantal werknemers als getuige te horen.

De getuigenverhoren zijn aangevangen op 15 januari 2002. In totaal zijn ruim 30 getuigen gehoord, verspreid over meer dan 20 dagen.

In november 2002 (nadat het gerechtelijk vooronderzoek zo goed als afgerond was) zijn de verdachten van verdediging gewisseld.

Volledigheidshalve heeft het Openbaar Ministerie in december 2002 besloten het gerechtelijk vooronderzoek uit breiden met een nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek(hier komen wij nog op terug); daarnaast is nog een gerechtelijk vooronderzoek tegen de vof WirWar Bar gevorderd. De vorderingen zijn op 13 december 2002 ingediend bij de Rechter-Commissaris.

Nadat in mei van dit jaar de verdachten als getuigen in elkaars zaak waren gehoord, werd op 30 mei 2003 het gerechtelijk vooronderzoek gesloten.



Na sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek heeft het Openbaar Ministerie besloten de drie verdachten verder te vervolgen. (Ten aanzien van de VOF is besloten deze niet verder te vervolgen)



Voor de verdachten staan er 3 gelijkluidende feiten op de telastelegging:

1. Medeplegen van brand door schuld

2. Medeplegen van dood door schuld

3. Medeplegen van zwaar lichamelijk letsel door schuld

Daarnaast wordt Jan Veerman nog een tweetal overtredingen verweten; daar zal mijn collega later in het requisitoir op ingaan.

Maar eerst zal zij ingaan op de voorvragen.




3. Voorvragen



Op deze plaats in het requisitoir dienen enkele voorvragen aan de orde te worden gesteld.




3.1 Geldigheid dagvaarding



Ten eerste dient uiteraard de vraag te worden beantwoord of de dagvaarding geldig is.

Wij constateren dat alle drie de dagvaardingen in deze zaak in persoon en tijdig zijn betekend. Tevens voldoen de dagvaardingen aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.




3.2 Bevoegdheid van de rechtbank



De feiten zijn gepleegd in het arrondissement Haarlem.




3.3 Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie



Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in haar vervolging.



Door uw rechtbank werd op de eerste zittingsdag impliciet aan de orde gesteld of nadere vorderingen gerechtelijk vooronderzoek aan de verdachten betekend zijn of dat verdachten op andere wijze kennis hadden genomen van de vordering. Wij menen dat uw rechtbank daarmee wellicht de vraag aan de orde heeft willen stellen of de aan J.N. Veerman telastegelegde overtredingen niet zijn verjaard, en daarmee dus het Openbaar Ministerie in de vervolging van deze feiten niet -ontvankelijk zou zijn.

Op dit punt valt het volgende te zeggen.

Op 21 mei 2000 heeft het Openbaar Ministerie in de zaak van J.N. Veerman een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd bij de Rechter-Commissaris, met als doel onderzoekshandelingen te kunnen laten plaatsvinden in verband met de brand door schuld en de dood door schuld.

Besloten in dat gerechtelijk vooronderzoek lagen alle handelingen die hebben bijgedragen aan de voltooiing van de genoemde feiten.

Wij denken daarbij aan bijv. het feit dat J.J. Veerman, de broer van verdachte J.N. Veerman, reeds op 15 januari 2002 werd gehoord over de Drank- en Horeca-vergunning, of aan het gegeven in feit 5 dat de panieksluiting van de nooduitgang ondersteboven was gemonteerd, welk feit ook in het gerechtelijk vooronderzoek aan de orde is gekomen in bijvoorbeeld het verhoor van brandpreventiemedewerker Bont.



Op 13 december 2002 is een nadere vordering ingediend bij de Rechter-Commissaris. Reden daarvoor was volledigheidshalve te benadrukken dat een (overigens klein) onderdeel van het feitencomplex waarvoor eerder een gerechtelijk vooronderzoek was gevorderd, een aparte juridische kwalificatie zou krijgen, en het leek ons wenselijk om dat aan te geven juist om te voorkomen dat er een discussie zou ontstaan over de vraag of deze feiten zouden zijn verjaard.

De wet geeft aan dat het Openbaar Ministerie deze vordering indient bij de Rechter-Commissaris, en dat is dus ook gebeurd.



Maar laat duidelijk zijn: naar de overtuiging van het Openbaar Ministerie is het niet zo interessant dat deze vordering pas na 1 januari 2003 is bekend geworden aan de verdachte; de feiten (overtredingen) zijn niet verjaard, nu verdachte ten tijde van het bekend of betekend worden van het nadere gerechtelijke vooronderzoek reeds wist waar het over ging en de feiten van het lopend gerechtelijk vooronderzoek reeds deel uitmaakten van dat materieel feitencomplex.



Kortom: de verjaring is tijdig gestuit.




3.4 Vragen van procedurele aard




3.4.1 De rol van de gemeente



De rol van de gemeente Edam-Volendam is in het kader van de brand, welke tijdens die bewuste Oudejaarsnacht in het café De Hemel heeft plaats gehad, reeds bij diverse gelegenheden aan de orde geweest, zowel in de media, als in de reeds eerder aan de orde gestelde onderzoeken.



Hieronder wordt kort op de rol van de gemeente Edam-Volendam in kader het strafrechtelijk onderzoek ingegaan.



Uit de stukken blijkt dat het geruime tijd heeft geduurd voordat de gemeente overging tot het aanstellen van een brandpreventie-medewerker, die onder meer tot taak had toe te zien op het brandveilig gebruik van gebouwen binnen de gemeente. Terzijde wil het openbaar Ministerie hier overigens opmerken dat deze brandpreventiemedewerker, die aan veel kritiek onderhevig is geweest, niet in het minst vanuit de eigen organisatie, mede gelet op de gebrekkige inbedding van zijn functie in de gemeentelijke organisatie, zijn taak juist met voortvarendheid heeft opgepakt.



De bar van Jan Veerman, De WirWar, was een van de eerste horeca-gelegenheden, die in dat kader werd bezocht. Naar aanleiding van de brandpreventiecontrole d.d. 27 april 2000 en het inzenden van het aanvraagformulier vergunning brandveilig gebruik, werd een brief aan ondernemer Jan Veerman gezonden, waarin werd aangegeven welke maatregelen en aanpassingen getroffen dienden te worden. Met de brandpreventiemedewerker van de gemeente werden afspraken gemaakt over de termijnen waarbinnen een en ander gerealiseerd diende te zijn.

Het is duidelijk dat aan deze afspraken geen of in ieder geval niet tijdig gevolg is gegeven. Vervolgens werd door de gemeente onvoldoende toezicht gehouden op het feit dat Veerman zich niet aan de gemaakte afspraken hield. Mede gelet op de zinsnede in de brief van 29 mei 2000 van de gemeente Edam-Volendam, waarin gewag wordt gemaakt van het feit dat zich in geval van een incident een levensgevaarlijke situatie kon voordoen, had het in de rede gelegen dat de gemeente adequater toezicht had gehouden op de voortgang van de geëiste maatregelen.

Maar ook in de periode hieraan voorafgaand heeft het aan voldoende toezicht ontbroken. Wij verwijzen hiervoor naar het rapport van de commissie Polak-Versteden, het rapport van de Commissie Alders, en het feitenoverzicht van de gemeente zelf.



Een vraagteken kan in dat verband, volgens de Commissie Polak-Versteden, ook worden geplaatst bij de rol van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat in het kader van haar inspectiefunctie nauwelijks duidelijk actie heeft ondernomen, hoewel bekend was dat in veel gemeenten onvoldoende uitvoering werd gegeven aan handhaving van de brandveiligheidsvoorschriften.



De Commissie Alders is in haar eindrapport op dit punt milder. Zij verwijst met name naar de geschiedenis met betrekking tot de wijziging van artikel 19 van de Brandweerwet 1985 (te weten, de toevoeging van de zinsnede :"voorzover dit uit een oogpunt van algemene brandweerzorg en rampenbestrijding noodzakelijk is.")en de beperking van de bevoegdheid van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding, die dat met zich bracht.




3.4.2 Vervolging van overheden



Hadden de gemeente en de rijksoverheid, voorzover dit ten aanzien van deze laatste al aan de orde zou zijn, gelet op de beperkte bevoegdheid van de Inspectie, voor hun aandeel dan niet kunnen en/of moeten worden vervolgd?



Met betrekking tot de rijksoverheid kunnen we daarover kort zijn. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 25 januari 1994, NJ 1994, 598 (Vliegbasis Volkel) uitgemaakt dat de Staat niet strafrechtelijk kan worden vervolgd.



Met betrekking tot vervolging van lagere overheden ligt dit iets genuanceerder. De Hoge Raad heeft zich hierover in verschillende arresten reeds uitgelaten. Het meest aangehaalde arrest is het Pikmeer II-arrest (HR 6 januari 1998, NJ 1998, 367, bevestigd in HR 30 juni 1998, NJ 1998, 819), waarin wordt beschreven in welke gevallen een lagere overheid voor de strafrechter kan worden gedaagd. Kort gezegd komt het oordeel van de Hoge Raad er op neer dat een lagere overheid slechts strafrechtelijke immuniteit geniet, wanneer het gaat om de uitoefening van een exclusieve bestuurstaak. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie betreffen vergunningverlening (in casu de bouwvergunning en de gebruiksvergunning) evenals de handhaving ervan en het toezicht daarop exclusieve overheidstaken.

Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie kan op grond van genoemde arresten de gemeente Edam-Volendam dan ook niet strafrechtelijk worden vervolgd



In ons democratisch bestel geldt dat bestuurders in beginsel op een andere wijze ter verantwoording kunnen worden geroepen. In een gemeente is het de gemeenteraad die het College van B&W controleert.




3.4.3 Belangenafweging



Is het gegeven de omstandigheden redelijk deze verdachten, Jan Veerman, Laura Veerman en John Veerman, strafrechtelijk te vervolgen? Immers, zij hebben deze brand en de vreselijke gevolgen daarvan ook nooit gewild. Jan Veerman en John Veerman hebben in de bewuste nacht van nabij meegemaakt welke gevolgen deze brand voor de slachtoffers heeft gehad.

Zij hebben daarover gisteren ter terechtzitting uitvoerig verklaard.

Voor alle drie de verdachten geldt dat zij veel slachtoffers persoonlijk kenden.
De WirWar is sinds 1 januari 2001 gesloten.



De impact van de gevolgen van de brand op de verdachten wordt door het Openbaar Ministerie niet ontkend.

Maar er is ook een andere kant.



Tengevolge van deze brand verloren 14 jonge mensen het leven. Veel slachtoffers zijn voor het leven getekend; opleidingen, en carrières die in het verlengde daarvan lagen, zijn voor een aantal niet meer te realiseren, en voor velen geldt dat de traumatische belevenissen van die nacht hen nog heel lang zullen blijven achtervolgen. Dat vormt de keerzijde van de medaille.

Het is dan ook niet meer dan redelijk om diegenen die daarvoor redelijkerwijs verantwoordelijk kunnen worden gehouden of invloed hadden kunnen uitoefenen om deze ramp te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, strafrechtelijk te vervolgen.

In die zin oordeelt ook het Hof Arnhem in de Enschede-zaak (Economische Kamer van het Gerechtshof te Arnhem d.d.12 mei 2003 in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Almelo, parketnummer 21/001572-02)




3.4.4 Rapportage en verhoor deskundigen met betrekking tot brandveiligheid en brandweerzorg



Op verzoek van de verdediging heeft de rechter-commissaris de heer F.W. Vos
als deskundige benoemd ten einde een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop uitvoering is/wordt gegeven aan de regelgeving in zake brandveiligheid en brandweerzorg.



Nadat wij kennis hadden genomen van het rapport van de heer Vos concludeerde het Openbaar Ministerie dat de heer Vos aan de door de rechter-commissaris gegeven onderzoeksopdracht een geheel eigen invulling had gegeven, namelijk een onderzoek dat zich richt op verantwoordelijkheid.

Wij hebben de rechter-commissaris daarop verzocht duidelijkheid te verschaffen omtrent de onderzoeksopdracht (verwezen wordt naar de correspondentie hieromtrent in het dossier).



Het Openbaar Ministerie kan (gelet op de correspondentie) niet anders concluderen dan dat de heer Vos, geheel op eigen initiatief, heeft gemeend te moeten afwijken van de aan hem door de rechter-commissaris gegeven onderzoeksopdracht.

Het Openbaar Ministerie meent dat de deskundigheid van de heer Vos, zo is ons althans niet gebleken, zich niet uitstrekt over het terrein van responsabiliteit (in termen van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid).



Wij merken daaromtrent nog het volgende op:

De heer Vos heeft op eigen initiatief (eind november/begin december 2002) contact gezocht met onze persofficier van justitie. Wij (de zaaksofficieren van justitie, zoals door de heer Vos genoemd) hebben de heer Vos daarop uitgenodigd voor een gesprek.

Dit gesprek heeft plaatsgehad op 8 januari 2003. Veel van hetgeen de heer Vos ons in zijn, zoals hij het zelf noemt "urenlang" college, heeft medegedeeld was ons, uit de diverse onderzoeken, reeds bekend. Tijdens ons gesprek bleek van een kennelijke vooringenomenheid van de heer Vos omtrent alles wat met brandweer te maken had. Dit was voor ons reden hem niet als deskundige te laten rapporteren. Wij meenden op basis van dit gesprek dat de heer Vos geen onafhankelijk, objectief, oordeel zou kunnen geven.



Uit het heldere betoog van de deskundige Linssen, reeds meer dan 20 jaar brandpreventie-officier, ter terechtzitting van 24 juni 2003, bleek dat de heer Vos zich deels op verouderde wetgeving had gebaseerd.

Op 1 oktober 1992 is het Bouwbesluit in werking getreden. Vanaf die datum dienen alle bouwvergunningen te worden getoetst aan het Bouwbesluit. Technische eisen met betrekking tot uitgangen worden gesteld op basis van het Bouwbesluit, niet op basis van de Bouwverordening. De AROR als zodanig was niet meer van toepassing en derhalve dienen bouwtekeningen ook niet aan de AROR te worden getoetst. Voor de goede orde merken wij hier nog op dat de Bouwverordening Edam-Volendam op 25 maart 1993 door de raad is vastgesteld.



Overigens stellen wij vast dat de bouwtekening, behorende bij de bouwvergunning van 25 januari 1994, welke door de heer Vos werd beoordeeld niet overeenstemt met de feitelijke situatie. De situatie van de Hemel op 1 januari 2001 was niet overeenkomstig deze tekening. De verplaatsing van o.m. de toiletgroep vanuit De Hemel naar boven is in strijd met de bouwvergunning en is door de gemeente ook nooit gelegaliseerd.




4. Telastelegging en het bewijs



Wij zullen nu overgaan tot bespreking van de telastelegging en de bewijsmiddelen. Voorts zullen wij aangeven op welke gronden wij van oordeel zijn dat de telastegelegde handelingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Eerst na bespreking van de eerste drie feiten zullen wij ingaan op de vraag naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachten voor die drie feiten en welke rol ieder van hen met betrekking tot deze feiten heeft gespeeld.




4.1. Feit 1: brand door schuld



De brand door schuld laat zich het best bespreken aan de hand van een tweetal deelvragen die ook in de telastelegging zijn verwerkt.

Is de ontstane brand het gevolg van:

  1. het zodanig laag (laten) ophangen en laten hangen van kerstversiering dat deze in aanraking kon komen met open vuur

  2. terwijl de verdachten konden vermoeden dat die kerstversiering daardoor in aanraking kon komen met open vuur


Worden die vragen bevestigend beantwoord dan dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of er causaal verband bestaat tussen deze gedragingen en de gevolgen.

Indien dit het geval is, is vervolgens de vraag aan de orde of verdachten op basis daarvan strafrechtelijk aansprakelijk moeten worden geacht. Maar zoals gezegd, die laatste vraag komt in een later stadium aan de orde.

 



We zullen eerst ingaan op de hiervoor geformuleerde deelvragen.



Ad 1. Is de kerstversiering zodanig laag opgehangen en is deze zo laag blijven hangen dat deze in aanraking kon komen met vuur ?



Ten eerste dient het ophangen onderzocht te worden.



Laura Veerman en John Veerman verklaren beiden dat zij zich hebben beziggehouden met het ophangen van de kerstversiering.

Jan Veerman heeft niet geholpen met ophangen, maar hij heeft wel gecontroleerd of de hoogte goed was. Hij heeft sommige delen nog laten verhangen omdat het te laag was opgehangen.



Voorts is het uiteraard van belang te weten op welke hoogte de kerstversiering hing op de bewuste avond , zo'n 4 weken later.



Onder meer de volgende verklaringen over de hoogte waarop de kerstversiering hing, geven hierover duidelijkheid:



C.S. A. (D 001):

"Ik kwam omstreeks 00:10 uur aan in het Hemeltje. (…) Ik ben zelf twee meter en 19 centimeter lang. (…) Met betrekking tot de hoogte van de versiering kan ik zeggen dat het in ieder geval niet op een hoogte van 2.40 meter hing. Ik had er namelijk altijd een hekel aan om er heen te gaan. Dit in verband met het feit dat ik constant de takken liep te ontwijken. Ik ben wel lang maar geen twee meter veertig".



H.E.M. B.(D 020):

"Ik heb er geen idee van hoe lang de kerstversiering al hing. Ik weet wel dat het laag hing want als ik recht stond dan kon ik eenvoudig zonder mijn armen daarvoor te hoeven strekken bij de kerstversiering. Ik ben zelf 1.88 m".



Th. J. K. (D 057):

"Met gestrekte arm kon ik de kerstversiering aanraken. Ik ben zelf 1.80m lang."



C.J.W. K. (D078):

"De kerstversiering bestond uit kersttakken, kerstballen, rode slingers en kerstverlichting in de kersttakken. Deze kerstversiering hing in ieder geval op een hoogte van ongeveer 2.10 m. omdat een vriend van mij, genaamd N.A., 2.10 m. lang is en hij kon nog net onder de kerstversiering doorlopen."



J.C. K. (D 079):

"De opgehangen kerstversiering hing op een hoogte van ongeveer 2.60 meter.

Op sommige plaatsen hing de versiering lager omdat er verlaagde gedeeltes in café het hemeltje zijn.
Ook zijn er plekken waar de afvoer van de airco loopt. Deze afvoeren zijn afgetimmerd met als gevolg dat het daar dan ongeveer 30 a 40 centimeter lager is. Als je dan de kerstversiering daaronder op ongeveer 10 centimeter rekent dan schat ik dat de kerstversiering op die plekken dan op een hoogte van ongeveer 2.20 meter hoogte hing."



G.Th.M. S. (D 124):

"(…) Ik vond wel dat deze kerstversiering laag hing. Ik ben 184 centimeter lang en had het met mijn hand uitgestrekt naar boven gewoon kunnen pakken."



N.M. S. (D 133):

"(…) Als ik stond kon ik het met gestrekte arm makkelijk aanraken. Ook als ik op een barkruk zat kon ik het met gestrekte arm makkelijk aanraken. Ik ben zelf 1.96 m. lang."



A.M. T. (D 157):

"Over de kerstversiering kan ik zeggen dat deze er al voor de sinterklaas hing. Je zag de versiering met de week lager hangen. Ik bedoel hiermee dat je het zag zakken, doorhangen. Ik kon er eerst niet bij. Later kon je er, zittend op de kruk, met je handen bij".



J.P.M. V. (D 210):

"Ik weet nog dat ik vrij gemakkelijk met mijn hand de versiering aan kon raken. Ik ben zelf ongeveer 1.87 m".



J. Z. (H 16):

"Ik schat dat de kerstversiering op ongeveer 2.30 m. boven de grond hing. Ik kon in ieder geval met gemak bij de kerstversiering komen. Ik ben zelf 1.93 m. groot en ik hoefde mijn arm niet te strekken om de versiering aan te kunnen raken".



Deze verklaringen lijken wellicht wisselend, maar in aanmerking dient te worden genomen dat de kerstversiering niet op alle plaatsen in de bar even hoog hing.



Naast deze verklaringen verwijs ik naar het proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche waarin de hoogte van het plafond van de bar De Hemel. (TR-dossier onder 5.) wordt gerelateerd.

Ik citeer:



"Met betrekking tot de hoogte in café De Hemel (zie ook de als bijlage gevoegde situatie-schets 2, op pag. 5.6):

Bij meting zagen wij dat de hoogte tussen de vloer en het plafond op 3 plaatsen in "De Hemel" verschilde.

Gezien vanuit de in/uitgang:

 



Voorts wordt in map I (project WirWar, pagina 15 en 16) vermeld dat krachtens artikel 2.4 van de bijlage 4 van Mbv 1993 (NB gelijkluidend de bouwverordening Edam-Volendam) tussen het vloeroppervlakte van een ruimte en de aangebrachte versiering een vrije ruimte van minimaal 2.50 m. dient over te blijven.

Bovendien mag deze versiering niet makkelijk ontvlambaar zijn en mag in geval van brand geen druppelvorming plaatsvinden.




Conclusie



Op grond van vorenstaande is de conclusie duidelijk: de kerstversiering was zodanig laag opgehangen dat bezoekers de kerstversiering konden aanraken. Op de ene plaats ging dat iets makkelijker dan op de andere plaats, want niet overal is het plafond even hoog. Op de plek waar de brandende sterretjes of vonken daarvan in aanraking zijn gekomen met de kerstversiering, rechts achterin de bar bij de wenteltrap, was het plafond slechts 2.41 m. hoog. Het was dus op die plek ook niet mogelijk om de kerstversiering op de voorgeschreven hoogte te hangen. Daarnaast konden bezoekers de kerstversiering aanraken, en dus hing de kerstversiering ook feitelijk te laag.



Ad 2. terwijl zij hadden kunnen vermoeden dat open vuur in aanraking zou kunnen komen met de kerstversiering.



Hadden de verdachten dat nu kunnen vermoeden ?



Personeelslid J. T. (Schoen) (D 170) die op die avond achter de bar staat laat daar geen twijfel over bestaan:

"Meerdere figuren uit deze groep stonden met sterretjes te zwaaien. Ik heb hen nog gewaarschuwd dat zij de sterretjes niet omhoog moesten houden omdat de boel anders in brand zou kunnen vliegen, en verzocht hen dan ook de sterretjes laag te houden".

Dat deze J.T. het risico inzag, vormt op zijn minst een indicatie voor de stelling dat ook de verdachten dat risico konden vermoeden.

Overigens zwakt T. deze verklaring later bij de Rechter-Commissaris af.



Ook uit de verklaring van L.J. N. blijkt dat Laura in ieder geval gewezen is op het gevaar van uitdrogende kersttakken (H 8):

"Ik weet bijna zeker dat de takken niet geïmpregneerd waren. Ik vroeg ook nog aan Laura of het echte takken waren. Laura bevestigde dit. Ik vroeg toen aan Laura of dit niet gevaarlijk was. Volgens Laura niet want het was al jaren zo. (…) Mijn vraag aan Laura of het echte takken waren klinkt misschien raar maar ik vroeg dat omdat de takken er al vroeg hingen en ik het idee had dat ze wel zouden uitvallen. Volgens Laura zouden de naalden niet uitvallen".



Ook John Veerman beseft het risico van vuur dat in aanraking kan komen met kerstversiering, zie de verklaring van A. H. bij de Rechter-Commissaris:

" Op dezelfde avond werd er aan een tafel op het 'terras' van de WirWarBar, waar zich de schuifdeuren bevinden, sterretjes aangestoken. John werd woest en rende er naar toe en zei: weet je hoe droog het is, uit doen."



Ook de heer en mevrouw M. zagen het risico blijkens het proces verbaal van bevindingen van de verbalisanten Bouma en Metz (J 1):

" Mevrouw M.-S. deelde (op 8 januari 2000, tijdens het verhoor van haar zoon N. M.)mede dat zij en haar man Jan Veerman hadden aangesproken over de kerstversiering en gezegd dat als er in het café 'iets' zou gebeuren, de mensen als ratten in de val zouden zitten. Mevrouw M. deelde ons niet mede wat de reactie van Veerman hierop was

Mevrouw M. heeft hierop telefonisch contact met haar man gezocht en ik, verbalisant Bouma, heb de heer M. telefonisch gesproken. Hij zei mij dat hij inderdaad met zijn vrouw in de Wir War Bar was geweest. Hij wilde niet met mij praten over zijn gesprek aldaar met de heer Veerman. Hij zei mij: " wat is gebeurd is gebeurd en dat draaien we niet meer terug". Ik heb hierop toch verder gesproken met de heer M. en hij zei mij dat hij inderdaad met de heer Veerman over de kerstversiering had gesproken en over de veiligheid. Tevens deelde de heer M. mij mede dat hij de barkeeper van de Wir War bar , genaamd C.d.B., op oudejaarsavond (31 december 2000) had gevraagd om de nooddeuren open te zetten en vrij te maken. Hij had tegen Chris gezegd: " Doe het dan voor mij".

Op 10 januari liet de heer M. ons telefonisch weten dat hij en zijn vrouw over bovengenoemde feiten als getuige geen verklaringen wensten af te leggen.



Uiteindelijk leggen zij toch op 15 januari 2002 bij de Rechter-Commissaris een verklaring af:
(M.) "Ik heb op 10 december tegen Jan Veerman gezegd dat als deze toko in brand gaat half Volendam dood is (…)"

(echtgenote S.): "Ik was op 10 december 2000 in de Wir War Bar (…) Ik heb die dag mijn man horen zeggen tegen Jan Veerman: Als hier brand komt, is half Volendam weg. (…) Jan zei in dat gesprek: dat kan niet, dat er brand kan uitbreken. (..) Bij dat gesprek ging het om de kerstversiering. (..) de kerstversiering is niet letterlijk genoemd".



J., de eigenaar van de bar de Kaketoe, verklaart op 28 januari 2002 bij de Rechter-Commissaris :
"Ik lette bij het ophangen van de kerstversiering op de hoogte. Ik zorgde er voor dat de kersttakken tussen de balken zaten, zodat men er niet gemakkelijk met een aansteker bij kwam. De kerstversiering hing op een hoogte van plusminus 2.45 cm - 2.60 cm. U en ik zouden daar bij kunnen. Ook met een aansteker als je je arm omhoog zou doen maar een normaal mens doet dat niet. Bij jongeren moet je extra voorzichtig zijn."



Jan Veerman verklaart het volgende bij de politie (K2):

"De kerstversiering is voor de Sint Nicolaas opgehangen. (…)

Ik zelf heb de versiering niet opgehangen. Wel heb ik gecontroleerd of de hoogte goed was. Ik
heb sommige delen nog laten verhangen omdat het te laag was opgehangen."



Voor Jan Veerman geldt zeker dat hij zulks kon vermoeden, gelet op het feit dat hij in het verleden reeds gewaarschuwd was:

(ik citeer uit het rapport Polak-Versteden)



"De Kerstversiering



"Het College van burgemeester en wethouders schreef de plaatselijke horeca-ondernemers een brief over kerstversiering. Dit was niet de eerste keer. Reeds in 1988 heeft de dienst Gemeentewerken tegen Kerstmis in opdracht van het college in verband met het brandgevaar controles op kerstversiering uitgevoerd bij een viertal bars in Volendam. Daar behoorden de inrichtingen (de panden waren toen nog niet samengevoegd) het Puulletje (156) en De Blokhut (154). De directeur Gemeentewerken meldde dat deze bars vol hingen met kersttakken, versieringen e.d., terwijl brandblusmiddelen in de meeste gevallen ontbraken en nooduitgangen tevens toegangsdeur waren. "Al met al een gevaarlijke situatie; wanneer er brand uitbreekt, zijn de gevolgen niet te overzien. Controle bij alle horeca-gelegenheden zou, gelet op het bovenstaande, geen overbodige luxe zijn. "
Op 23 december 1988 schreven Burgemeester en Wethouders een brief aan de vier inrichtingen waarin werd opgemerkt dat het zich snel verspreiden van een vuurhaard in een horeca-inrichting sterk wordt bevorderd door de aanwezigheid van versieringen van brandbare materialen. Er werd op aangedrongen dat de ondernemers de situatie in hun bedrijven nog eens kritisch zouden bekijken en daarbij werd gesteld dat bijzondere aandacht diende te worden besteed aan laaghangende takken boven de bar en tafels en aan door de gehele ruimte doorlopende slingers e.d. Met name crêpepapier, zo werd er aan toegevoegd, is zeer brandgevaarlijk. Het College attendeerde op een mogelijkheid van behandeling met een brandwerend middel Er werd voorts aandacht gevraagd voor de vluchtwegen, die goed verlicht en vrij van obstakels dienden te zijn. En ten slotte werd er op aangedrongen de voorgeschreven brandblusmiddelen te controleren en de medewerkers te instrueren in het gebruik ervan.
Aanleiding tot deze actie werd kennelijk gevormd door een bij de burgemeester en de politie binnengekomen klacht over brandgevaarlijke kerstversiering in 't Gat van Nederland (waar intussen het probleem verholpen was)".



Hieruit kan worden afgeleid dat het gevaar van kerstversiering in horeca-inrichtingen bekend was; immers er was reeds in 1988 gewaarschuwd.



De commissie vervolgt verderop:

"Wij tekenen bij het vorenstaande aan dat het gemeentebestuur naar ons oordeel op grond van genoemde combinatie van bekende feiten niet alleen in 2000 maar ook in de jaren daaraan voorafgaand speciale aandacht had moeten besteden aan de kerstversieringen. Dit had dienen te gebeuren door gerichte controles en zonodig andere acties; dat dit niet of althans niet systematisch gebeurd is, is onderdeel van het bredere probleem dat de zorg voor de brandveiligheid en de uitvoering en toepassing van de regels te dien aanzien ernstig te wensen over lieten. Dit geldt overigens niet alleen voor Edam-Volendam maar voor vele andere gemeenten, denken wij. In Edam-Volendam stak de actie van 2000 gunstig af bij de praktijk in voorgaande jaren.

Overigens doet een en ander uiteraard niets af aan de verantwoordelijkheid van de ondernemer voor de brandveiligheid in zijn inrichting . In dit verband is het goed te vermelden dat de brief van 30 november in feite slechts een herinnering was aan een wettelijke verplichting die ook zonder deze brief op hem rustte."




Conclusie



De verdachten geven dus zelf ook aan dat zij, al dan niet op basis van opmerkingen van derden, hun gedachten hebben laten gaan over de vraag hoe de kerstversiering veilig kon hangen.
Bovendien geldt ten aanzien van Jan Veerman dat hij in het verleden al eerder is gewezen op het gevaar van brandbare kerstversiering.

De conclusie van het Openbaar Ministerie is dan ook dat de verdachten hadden kunnen vermoeden dat door deze wijze van ophangen de kerstversiering in aanraking zou kunnen komen met open vuur.



Mochten de verdachten hiertegen willen aanvoeren dat zij er geen enkele rekening mee hoefden te houden dat er sterretjes in café De Hemel zouden komen, dan wijst het Openbaar Ministerie er primair op dat zulks volstrekt niet relevant is, aangezien er ook rekening mee moest worden gehouden dat er aanstekers of sigaretten in het café aanwezig waren die in aanraking konden komen met kerstversiering.

Zie de verklaring van C.J.J. K. van 08 januari 2001 (D 059):

" Het was zelfs zo dat er tijdens het draaien van smartlappen aanstekers brandend omhoog werden gehouden om extra sfeer te maken, tijdens bijvoorbeeld een plaat van André Hazes."



Subsidiair:

Werknemers verklaarden in hun verhoren dat Jan Veerman had verordonneerd dat er binnen geen vuurwerk was toegestaan.

Toch waren er sterretjes: zie de verklaringen van vele getuigen (ik ga hier later verder op in)
en het proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.)



" Voorts troffen wij met name in het rechter achtergedeelte van de bar op zowel het vloer - als het baroppervlak een aanzienlijk aantal afgebrande sterretjes aan, waaronder een drietal bij elkaar gesmolten exemplaren op het baroppervlak. Tevens zagen wij voor de bar in hetzelfde gedeelte van de bar een aantal lege verpakkingen van sterretjes, alsmede een volle verpakking van sterretjes liggen. Aan de achterzijde van de bar troffen wij op het vloeroppervlak een lege en een zevental volle verpakkingen van sterretjes aan, alsmede een vijftal losse sterretjes. Achter de bar zagen wij ter hoogte van de rechter achterzijde in de aldaar staande vlamdovende afvalbakken een grote hoeveelheid afgebrande sterretjes en lege verpakkingen van genoemde sterretjes liggen.

(voor een precieze opgave van het aantal sterretjes zie het overzicht van de sporenlijst in het TR dossier onder 7.4, waarin onder meer vermeld staat dat er 77 verbrande lange sterretjes en 11 verbrande korte sterretjes zijn aangetroffen.)"



Dat er mensen met sterretjes binnen waren, is een risico waarmee rekening gehouden moest worden. Niet op iedere avond wellicht, maar zeker rond Kerst en de jaarwisseling!

Als dan het personeel aangeeft dat het niet mocht en dat dit niet te voorzien was, dan stelt het Openbaar Ministerie dat deze redenering reeds struikelt op het feit dat de personeelsleden zelf sterretjes hebben uitgedeeld, en aangestoken, en dat zij het licht hebben gedimd.

Weliswaar ontkennen de personeelsleden in hun verklaringen stellig dat zij sterretjes hebben uitgedeeld, maar de verklaringen van de bezoekers zijn zo talrijk en gedetailleerd dat er in de visie van het Openbaar Ministerie geen enkele twijfel bestaat over de werkelijke toedracht.
Ik verwijs naar een foto van een barmedewerker met sterretjes in zijn handen: foto 16.4 van de TR fotomap (waarbij opgemerkt wordt dat de maakster van de foto verklaart dat de foto op Oudejaarsavond is genomen).



En ik citeer een aantal verklaringen:



Ten aanzien van R.S.



J.J. A. (D 002):

"Op dat moment zag ik dat R.S., dit was de barkeeper voor het gedeelte waar ik aan de bar zat, sterretjes aan klanten aan het uitdelen was. Ik zag dat er sterretjes aangestoken werden. Hierop werd de verlichting in de bar uitgedaan of lager gezet, om meer sfeer te verkrijgen".



C.M.D. G. (D 029):

"Op een gegeven moment keek ik naar R. (barkeeper). R. en S.J. stonden een beetje te klieren. (…) Ik kreeg de indruk dat R. sterretjes van S. kreeg. Ik zag in ieder geval dat hij iets aanpakte van S.. Korte tijd daarna kreeg ik sterretjes van R.. Het duurde even voordat mijn sterretje ging branden. R. heeft het sterretje aangestoken. (…) Inmiddels was het licht van de zaak uitgedaan. Ik zag dat R. het licht had uitgedaan. Ik zag namelijk dat hij het lichtknopje bediende waarna het licht in De Hemel uitging. Toen de sterretjes gedoofd waren zag ik dat J.S. (barkeeper) het licht weer aandeed".



S.J.M. J. (D 053):

"Een van de barmedewerkers deelde sterretjes uit. Wie dat was weet ik niet. Ik kreeg ook sterretjes alsmede de barkeeper R.. Ik heb, en R. ook, de sterretjes aangestoken".



J.M.M. G. (D 030):

"Ik zag rechts naast mij op een gegeven moment iemand staan met in zijn handen een doos sterretjes. Ik weet niet wie dit was. (..) Ik zag dat deze persoon een aantal sterretjes gaf aan mijn vriend R.. Ik heb vervolgens alleen op R. gelet omdat ik ook een sterretje wilde. Ik zag dat R. sterretjes uitdeelde aan meisjes die aan de linkerzijde van de bar zaten. (…) Ik was ook nog een beetje kwaad omdat ik van R. geen sterretje kreeg. (…) Ik heb wel gezien dat M.G. door R. werd geholpen met het aansteken van haar sterretje. (…) Tijdens het afsteken van de sterretjes werd het licht in de bar gedimd".



M.J.G. G. (D 032):

"Toen wij net binnen waren zag ik dat iedereen sterretjes uitgedeeld kreeg van het barpersoneel. Volgens mij kreeg ik de sterretjes van Pius. (R.S., barkeeper). (…) Ik zag dat Pius het sterretjes van mijn zus had aangestoken met een aansteker. (…) Ik kan nog zeggen dat ik denk dat de verlichting helemaal uit was. Ik hoorde dat Pius riep: Lichten uit , lichten uit . Ik zag toen dat J.T., bijnaam Schoen, de verlichting uitdeed".



C.A.M. J. (D 046):

"De barman R.S., bijnaam Pius, stond bij ons achter de bar. Opeens zag ik hem sterretjes aan iedereen uitdelen. Dit waren hele lange sterretjes. Ik heb gezien dat hij wel ongeveer 20 sterretjes aan verschillende mensen aan de bar uitdeelde".



Ten aanzien van R.Z.:



C.S.M. K. (D058):

"Ik heb gezien dat personeelsleden aan de bar brandende sterretjes vasthielden. Ik weet echter niet precies wie dat deed, doch van R. herinner ik mij dat hij sterretjes vasthield. Ik vond het op dat moment nog tamelijk onschuldig en heb daar dan ook verder geen aandacht aan besteed."



J.G.M. K. (D 066):

"Toen ik weer binnen kwam zag ik dat mensen die achter aan de bar zaten sterretjes vasthielden, die waren aangestoken. Voor middernacht had ik al reeds gezien dat barpersoneel deze sterretjes aan bezoekers uitdeelden. U vraagt mij wie er achter de bar stonden. Hiervan kan ik J.S., R.S.; J.B. en een jongen die R. heet.

Deze laatste ken ik verder niet. Ik heb gezien dat die R. sterretjes uitdeelde aan bezoekers."



J.C. K. (D 079):

"Om 00.00 uur was het bomvol en iedereen wenste elkaar een gelukkig nieuwjaar.

Op 01 januari 2001 omstreeks 00.15 uur zag ik dat er een grote groep jongelui aan de bar stond. Deze groep stond aan de kant waar R. stond te tappen. Ik zag dat verschillende personen in deze groep brandende sterretjes vast hielden. Ik zag dat R.Z., de barkeeper, sterretjes uitdeelde aan de groep die bij hem stond. Het waren grote sterretjes. Ik bedoel hiermee dat ze een lengte hadden van ongeveer 25 centimeter.

R. haalde de sterretjes uit zijn zak. Dit gebeurde allemaal nadat R. van buiten terug kwam nadat hij vuurwerk had afgestoken. Ik weet niet meer of R. ook met sterretjes heeft staan zwaaien."
Bij de RC verklaart hij op 3 oktober 2002 :

Ik heb niet gezien dat R.Z. sterretjes uitdeelde. Ik heb wel gezien dat hij sterretjes in iemands glas deed. Degenen die bij hem aan de bar zaten kregen een sterretje in hun glas.



M.A.M. K. (D 076):

"Ik zag dat er sterretjes werden uitgedeeld door barpersoneel. Ik zag onder andere dat R.met bijnaam "Nonnie" sterretjes uitdeelde. Ik heb ook een sterretje gehad en heb deze opgebrand en daarna weggelegd.

Ik zag dat veel meer mensen sterretjes hadden".



N.J.A. P. (D 113):

"(…) Toen ik daar zat zag ik dat een hele rij mensen aan mijn kant van de bar sterretjes hadden. Ik bedoel van dat vuurwerk. Ik kan op de plattegrond aangeven waar die mensen ongeveer zaten. Ik zag dat S.V., een nichtje van mij ook een brandend sterretje in haar hand had. Zij zat bij mij aan de bar. Die sterretjes werden uitgedeeld door de barkeepers. Ik heb ook een brandend sterretje in mijn hand vastgehouden. R., de barman, zijn achternaam of bijnaam weet ik niet, deelde ze volgens mij uit. Ik heb het sterretje dat ik had niet van R. gekregen maar van S. en haar vriendin (…)."



E.T. (D 163):

"Wij staken sterretjes onder andere in een rietje welke in ons drankje stond zodat het leek alsof we een cocktail hadden. (…) Ik weet nog wel dat een barkeeper genaamd R. onze sterretjes heeft aangestoken".



C.M. Z. (D 222):

"Ik zag ook dat de barkeeper, genaamd R., met een sterretje liep te dansen".



Ten aanzien van J.T.



A.C.M. H. (D 045):

"Ik zag dat mensen aan de bar allemaal sterretjes aan staken. Ook in de hoek bij de stalen trap werden sterretjes afgestoken. Even later heb ik een foto gemaakt van de bar. Daarop is te zien dat de barman sterretjes in zijn hand heeft. De barman heet J.S.. Tevens is te zien dat achter J.S. mensen sterretjes in hun handen hebben".



A. M. (D 104):

"Bij de trap zat een groep met oudere jongens. Ik zag dat een barkeeper, genaamd J.S., een sterretje aanstak. Toen dit sterretje brandde gaf hij dit sterretje aan een jongen. Ik weet niet hoe deze jongen heet. De jongen zat bij E.S.. De jongen die het sterretje van J., de barman aanpakte had al volgens mij twee brandende sterretjes in zijn hand."



Ten aanzien van J.B.



J. S. (D 146):

"Het werd toen maandag 1 januari 2001 00.00 uur en ik zat nog steeds aan de bar.
Toen ik aan de bar zat kreeg ik van barkeeper J.B. een sterretje. Ik had gezien dat J.B. deze sterretjes weer had gekregen van mensen die aan de bar zaten. Ik pakte het sterretje aan van J.B. en J. stak het sterretje aan met zijn aansteker. Ik hield het sterretje in mijn hand en liet het uitbranden. Toen het sterretje uitgebrand was gooide ik het sterretje daarna op de grond. Ik zag veel mensen met brandende sterretjes aan de bar."



Algemeen barkeepers en dimmen licht



J. B. (D 003):

"Ik zag in ieder geval dat een medewerker sterretjes afstak en deze uitdeelde aan het overig barpersoneel. Vervolgens werd het licht gedimd".



F.M.C. B. (D 017):

"Ook barkeepers hadden sterretjes. Ik weet niet of zij allemaal sterretjes hadden maar er waren er wel. Ik heb ook zelf gezien dat er barkeepers waren die sterretjes uitdeelden".



H.C.M. L. (D 85):

"(…) Ik zag dat deze jongens sterretjes vuurwerk hadden. Het waren gewoon van die kleine sterretjes van een centimeter of 20 lang. Ik had op tweede kerstdag 2000 deze zelfde groep jongens ook in de Hemel zien spelen met brandende sterretjes. De jongens hadden deze sterretjes ook nu aangestoken en ik zag dat het fel wit licht gaf. Dat groepje jongens had volgens mij als enige sterretjes aangestoken. De sterretjes kwamen achter de bar vandaan en barman R. (achternaam onbekend) gaf een pakje sterretjes aan die jongens. Volgens mij heb ik dat gezien dat hij dat aan de jongens gaf. Ze kwamen in ieder geval achter de bar vandaan.

Toen de sterretjes branden was de barverlichting volgens mij uit. Het was behalve de verlichting van de sterretjes helemaal donker. Ik denk dus dat de kerstverlichting uitgedaan was. De sterretjes brandde een paar minuten en gingen toen gewoon uit.

Daarna werd de kerstverlichting weer aangedaan. Volgens mij was de barverlichting uit."



F.G. M. (D 092):

"Toen ik aan de bar zat zag ik dat er op een aantal plaatsen op de bar, vuurwerk was neergelegd in de vorm van zogenaamde: Sterretjes". Ik zag ook dat er aan de bar bezoekers zaten die de "Sterretjes"hadden aangestoken. Ook een aantal barmedewerkers liepen met aangestoken "Sterretjes" rond."



S.J. M. (D 097):

"Ik zag dat er rond de gehele bar mensen met sterretjes zaten en dat deze onder meer werden gegeven door de barkeepers. Het licht werd zelfs gedimd."



N.M. M. (D 101):

Toen ik bij de bar kwam zag ik dat barpersoneel met brandende sterretjes aan het zwaaien was. Toen ik verder liep zag ik dat ook bezoekers sterretjes aanstaken. Dit was in de hoek ter hoogte van de trap naar de toiletten. (…)."



C.M. N. (D 106):

"Ik heb samen met mijn vriendin P. met sterretjes gezwaaid. P. had deze meegenomen. Wij hebben voor de ramen staan zwaaien.

Ook zag ik dat er door de barkeepers sterretjes werden uitgedeeld. Het betroffen niet die kleine sterretjes maar de grotere. Ik schat de lengte op ongeveer 25 a 30 cm. De sterretjes gingen vanzelf uit."



J.E. R. (D 117):

"Ik heb gezien dat er omstreeks 23.15 uur drie of vier meiden van mijn leeftijd bezig waren met het afsteken van vuurwerk sterretjes. Ook de barmannen staken vuurwerk sterretjes af. Ik heb gezien dat de meiden als de barmannen zwaaiden met de vuurwerk-sterretjes heen en weer. Ik heb geen kaarsen in het café gezien."



N.M. S. (D 113):

"Op maandag 1 januari 2001 omstreeks 00.00 uur zag ik twee barjongen die achter de bar stonden met zogenaamde sterretjes in hun handen. Ik ken deze jongens en ze zijn genaamd J.B. en J.S.. Er stond nog een barkeeper met sterretjes in zijn handen maar deze ken ik niet van naam. De barkeepers stonden in het achtergedeelte van de bars. Ik zag dat de sterretjes brandde en ze hadden in zowel de linker als de rechterhand een sterretje."



D.A. T. (D 180):

"Ik zag daar dat de barkeepers sterretjes uitdeelden aan iedereen die aan de bar zat. Op een gegeven moment had iedereen rond de bar een sterretje in zijn hand. Volgens mij waren de lichten op dat moment ook helemaal uit in het Hemeltje. Het was een mooi gezicht al die brandende sterretjes".



W.N.H. B. (D 004):

"Op het moment dat de sterretjes werden aangestoken zag ik dat de sfeerverlichting werd gedoofd. Het was een mooi gezicht om de sterretjes zo te zien branden."



P.J.W. B. (D 005):

"Ik zag dat de verlichting op dat moment werd gedimd zodat de sterretjes beter zichtbaar waren".



J.J. Z. (H 16):

"Ik heb de sterretjes op de bar gegooid en een aantal mensen aan de bar hebben 1 of meerdere sterretjes gepakt. Door barpersoneel werd hierop de verlichting gedimd. Hierop hebben we aan de bar de sterretjes ontstoken".



J.C.M. de B. (D 011):

"Ik weet niet hoeveel personen een brandend sterretje hadden maar ik denk een stuk of 30".



J.Th.H.M. M. (D 103):

"Ik denk dat het omstreeks 00.10 uur was toen ik zag dat haast iedereen die rond de bar van 'de Hemel''zat, sterretjes had. Ik weet niet hoe zij hieraan gekomen zijn en heb ook niet gezien hoe de sterretjes zijn aangestoken. Op het moment dat de sterretjes brandden werd het licht van het café gedimd. Ik zag verschillende mensen dansen met de sterretjes"



Het was bovendien niet de eerste keer dat er sterretjes in de bar werden aangestoken:
M. van S., verhoor bij de Rechter-Commissaris d.d. 3 oktober 2002:

"Op zowel de 1e als 2e kerstdag heb ik in De Hemel gewerkt. Het klopt dat er toen sterretjes aanwezig waren (..) Bij mijn weten is dat geen aanleiding geweest om vervolgens expliciet over sterretjes te spreken".



R.M.J. V. (D 203):

"Ik heb om kwart over twaalf de mensen achter de bar met brandende sterretjes gezien. Dat waren R. "Pius", J.B. en J.S.. (…) Ik weet dat er nog iemand achter de bar stond maar die ken ik niet. Alle vier hadden op een gegeven moment die brandende sterretjes in hun handen. Ze stonden stil en gingen met hun armen en bovenlijf een beetje heen en weer. Het trok niet echt mijn aandacht omdat ik hetzelfde een week ervoor ook had gezien. Dezelfde personen hadden toen ook sterretjes".



S.C.M. J. (D 054):

"Ik zag dat sterretjes werden uitgedeeld door barpersoneel. (…) Ik was tijdens de kerstdagen ook in de Hemel. Ook deze avond werden door barpersoneel kerststerretjes uitgedeeld".



Tot zover de verklaringen op dit punt.



U heeft op 24 juni 2003 ter terechtzitting R.Z. horen verklaren dat hij, noch iemand anders van het personeel sterretjes heeft uitgedeeld. Wij menen met voornoemde verklaringen afdoende te hebben aangetoond dat de verklaring van R.Z. niet kan kloppen, zeker nu er geen reden is waarom al die getuigen zouden liegen. Dit geldt in het bijzonder voor de vriendin van R.S., die, gelet op haar relatie met R.S., juist een reden zou hebben om haar vriend uit de wind te houden. Maar zelfs zij verklaart dat er door personeel sterretjes werden uitgedeeld (D 030).

Z. suggereert in zijn verhoor dat de vrienden van degene die de sterretjes heeft aangestoken, die persoon proberen te dekken door het personeel te betichten van het uitdelen van sterretjes, maar dit komt ons niet geloofwaardig voor, nu de verklaringen blijkens de dossierstukken al in de eerste week januari 2001 zijn afgelegd door personen uit verschillende vriendenclubjes, van verschillende leeftijden, die zich op verschillende plaatsen in het café bevonden, en van wie bovendien sommigen de naam van E.S. niet eens kenden.



Het was dus ook het eigen personeel dat sterretjes uitdeelde, waarbij het Openbaar Ministerie het minder relevant vindt wie de sterretjes in de bar heeft gebracht.

Het is wel de vraag in hoeverre Jan Veerman zich er op kan beroepen dat hij dat van zijn eigen personeel niet hoefde te verwachten. We komen daar later in het requisitoir op terug.

In ieder geval moet worden gezegd dat, voorzover bezoekers sterretjes aanwezig hadden en uitdeelden, personeelsleden daartegen niet adequaat hebben opgetreden.




4.1.1 Causaliteit



Voorts dient te worden bezien of er sprake is van causaliteit; anders gezegd, zijn de gevolgen van de brand terug te voeren op het handelen, danwel nalaten zoals geformuleerd in de telastelegging.

Dat betekent in concreto dat het zodanig te laag hangen van de kerstversiering moet kunnen hebben leiden tot het vlam vatten van de kerstversiering. Daar kunnen we kort over zijn; dit is eerder besproken en de conclusie van het Openbaar Ministerie luidt dat deze causaliteit aanwezig is.



In de telastelegging staat voorts vermeld dat het feit de dood van 14 jongeren tot gevolg heeft gehad. In dat kader verwijzen wij naar de sectierapporten en de schouwrapporten, uit welke rapporten de doodsoorzaak blijkt, waarbij sectie telkens heeft moeten plaatsvinden indien de schouwarts geen eenduidige doodsoorzaak kon vaststellen.



Voorts staat als verwijt op de telastelegging vermeld dat er levensgevaar is ontstaan voor aanwezigen in café De Hemel, café De Wir War en café De Blokhut.

Wij volstaan op dit punt met het verwijzen naar de verklaringen van de vele aanwezigen.



Tot slot nog enige opmerkingen ten aanzien van feit 1:



U vindt in het dossier enige verbalen over het luchtbehandelingssysteem. Gedurende het onderzoek ontstond het vermoeden dat het luchtbehandelingssysteem, dat niet was gemonteerd volgens de voorschriften en dat niet overeenkomstig de voorschriften periodiek door een deskundige instantie werd gecontroleerd, van invloed kon zijn geweest op de ontwikkeling van de brand. Dit vermoeden is evenwel niet bevestigd. Het Openbaar Ministerie zal dit punt dan ook niet verder meenemen in haar bewijsvoering.



Voorts dienen nog enkele opmerkingen gemaakt te worden met betrekking tot de vraag:

  1. of de verdachten wisten van de brief van 30 november 2000 waarin was vermeld dat zij moesten impregneren en

  2. of de gevolgen anders zouden zijn geweest als de verdachten wel hadden geïmpregneerd.

 



Cees Bont, brandpreventiemedewerker bij de gemeente Edam- Volendam, heeft op 30 november 2000 een brief naar alle horeca-ondernemers gezonden, in welke brief het volgende was vermeld:



"Weldra staan de kerstdagen voor de deur. Voor menig horeca-ondernemer is dit aanleiding om kerstversiering aan te brengen in de zaak.

Behalve dat dit bijdraagt aan een sfeervolle kerstgedachte, kan zich hierbij het feit voordoen dat deze versiering brandgevaar oplevert. Dat kan en mag uiteraard niet de bedoeling zijn.
Wij attenderen u er op dat op grond van de bouwverordening kerstversiering slechts mag worden aangebracht op een hoogte van minimaal 2.40 m. en mits de versiering zodanig is geïmpregneerd dat voldaan wordt aan brandveiligheidsklasse 2."



Gevraagd naar deze brief verklaart J.H.M. J., eigenaar van de bar De Kaketoe (F 3):
"U vraagt mij naar de brief van de gemeente Edam-Volendam over het impregneren van de kerstversiering. Ik heb inderdaad deze brief gehad van de gemeente. Ik weet dat de brief gedagtekend op 30 november 2000. Ik heb toen de gemeente gebeld wat ik er mee aan moest. Ik heb toen een telefoonnummer gekregen van een bedrijf die impregneer kon leveren. (…)

Vervolgens heb ik de kersttakken geïmpregneerd voordat ik deze heb opgehangen. Ik heb zelf nog getest of het brandde en inderdaad tot mijn verbazing vloog het niet in brand. Ik heb de takken opgehangen en geïmpregneerd op 7 december 2000. Ik weet dat Jan Veerman toen de versiering al had hangen. Toen ik aan het impregneren was heb ik Laura Veerman namelijk gesproken. Laura zag dat ik de takken aan het impregneren was op straat. Laura zei toen dat ze zelf alles al hadden hangen en dat ze niet geïmpregneerd had. Ze zei ook dat ze vond dat de gemeente laat was met de brief. Ik heb toen nog gezegd dat je na de bouwvak wel kon beginnen met de kerstversiering dan was de gemeente altijd te laat."



Laura Veerman verklaart (L 2):



"U toont mij een brief van de gemeente Edam-Volendam aan alle horeca-ondernemers. (…) In die brief zouden de horeca-ondernemers geattendeerd worden op de brandveiligheidseisen rond kerstversiering. Hier zou ook in staan dat dennentakken moeten worden geïmpregneerd. Ik heb zo'n brief nooit gezien. Ik heb die brief nooit gekregen. (…) Ik heb wel gezien dat de eigenaar van café de Kaketoe iets op zijn dennentakken heeft gespoten maar wist niet waarvoor dat was, ik dacht dat hij spinnetjes wegspoot."



Hierop wordt J.H.M. J. op 28 januari 2002 bij de Rechter-Commissaris gehoord:

Hij verklaart dan als volgt:

"Het gesprek met Laura Veerman ging over het impregneren van kerstversiering. Ik vertelde haar dat wij een brief van de gemeente over het impregneren van kerstversiering hadden gekregen. We hebben niet specifiek over de inhoud van de brief gesproken. Ik vertelde haar wat we aan het doen waren, namelijk dat we de kerstversiering aan het impregneren waren. Haar reactie was, dat ze zei dat hun takken al hingen en dat de gemeente maar eerder een brief had moeten schrijven. Er is niet gezegd of ze de brief wel of niet had ontvangen. Dat kwam in het hele verhaal niet voor. Het zou mij niet verbazen als zij er niet van wist. Gezien haar reactie weet ik dat bijna zeker."



Kennelijk, is onze conclusie, wist Laura Veerman niet van de brief van 30 november 2000.
J. heeft haar op dat moment echter wel uitgelegd wat dan de bedoeling was.

Hij stelt dat zij hem heeft medegedeeld dat de gemeente laat was omdat bij hun de kerstversiering al hing. Hij antwoordde daarop dat je na de bouwvak wel kon beginnen met kerstversiering dan was de gemeente altijd te laat. En de bewering van Laura Veerman dat zij dacht dat hij spinnetjes aan het wegspuiten was, is in dat verband volstrekt onlogisch.



Conclusie

Nu onduidelijk is of de brief van 30 november is gearriveerd, kan de verdachten dus niet worden verweten dat zij op basis van de brief hadden moeten impregneren.

Maar, gelet op de mededeling van J., en gelet op de brief van de gemeente van 1988, moet de vraag worden gesteld of Laura Veerman respectievelijk Jan Veerman niet ook zonder die brief hadden kunnen bedenken dat kersttakken die zo lang hangen, uitdrogen.

Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat de verdachten in dat kader ook een eigen verantwoordelijkheid hebben. Iedereen die ooit een kerstboom zonder kluit heeft opgezet weet namelijk dat de naalden na enige tijd beginnen uit te vallen. Wanneer je in de week van 27 november kersttakken ophangt in een café, dan begrijpt toch iedereen, en daar heb je echt geen brief van de gemeente voor nodig, dat die takken tegen Oudejaarsavond gort- en gortdroog zijn. Dat is niet alleen een kwestie van gezond verstand maar ook een feit van algemene bekendheid.



Voor de volledigheid moet worden opgemerkt dat uit onderzoek is gebleken dat het impregneren of coaten van kersttakken, zeker wanneer dat lang van tevoren plaatsvindt, uiteindelijk nauwelijks resultaat heeft met betrekking tot de brandvertraging.

Tijdverloop doet de brandvertragende werking van het impregneren (van kersttakken) teniet.



Tot zover voorlopig feit 1




4.2 Feiten 2 en 3: dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld



Wij zullen deze feiten tezamen behandelen.

Het handelt bij deze feiten namelijk om dezelfde verwijten die aan de verdachten worden gemaakt. Slechts de gevolgen verschillen.

De kern van het verwijt valt bij deze beide feiten uiteen in 3 componenten:



  1. het (laag) ophangen en laten hangen van de (brandgevaarlijke) kerstversiering

  2. de gebreken ten aanzien van de vluchtwegen

  3. het toelaten van te veel mensen in café De Hemel



Ook hier geldt dat als die vragen alle bevestigend beantwoord worden , vervolgens de vraag dient te worden beantwoord of er causaal verband bestaat tussen deze gedragingen en de gevolgen, en zo, ja of verdachten op basis daarvan strafrechtelijk aansprakelijk moeten worden geacht voor de dood en het zwaar lichamelijk letsel van de in de telastelegging genoemde slachtoffers.




Ad 1. het ophangen en laten hangen van de kerstversiering



Ik verwijs naar hetgeen ik hierover heb aangegeven bij de bespreking van feit 1 (4.1).

Ik verzoek u dat gedeelte als hier herhaald te beschouwen.




Ad 2. de gebreken ten aanzien van de vluchtwegen



Het voornoemde verwijt is niet de enige dat aan de verdachten moet worden gemaakt; er zijn ook gebreken ten aanzien van de vluchtwegen geconstateerd.

Het handelt dan om de volgende vluchtwegen.



A. De deur bij de toiletruimte in café De Hemel

B. De nooduitgang aan de zijgevel van café De Hemel

C. Traliewerk voor de ramen aan de voorzijde in café De Hemel

D. Nooduitgang/ draai-kanteldeur aan achterzijde van café De Hemel



Ad A. Deur bij de toiletruimte



In het proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.) wordt de situatie bij de toiletgroep helder omschreven:



"Via de rechter achterzijde van de bar "de Hemel" gesitueerde geelkleurige metalen wenteltrap kan de boven de bar gelegen toiletruimte worden bereikt. (zie foto 2.75)

De wenteltrap komt uit op een overloop.

Vanaf de overloop (gezien vanuit de richting van de wenteltrap) is aan de rechterzijde (achtergevel pand) is een kunststof kozijn gesitueerd. (zie foto 2.76)

In het kozijn was een deur en een raam aangebracht. De deur bleek afgesloten te zijn (…)

De deur en het naastgelegen raam waren uitgevoerd in thermopane beglazing, waarvan het glas aan de binnenzijde vernield was (zie foto 2.77)"



Deze deur was geen nooduitgang, en zelfs geen mogelijkheid om te ontkomen, maar feit is wel dat deze deur als nooduitgang werd gezien door vele mensen.



Zie de volgende verklaringen (ik citeer):

G.H.P.M. B. (D 019):

"Voor mijn idee is er een nooddeur boven bij de toiletten.".



C.M.D. G. (D 029):

"Met betrekking tot de branduitgangen kan ik u vertellen dat ik wist dat er bij de toiletten een nooduitgang was."



S.J.M. J. (D 053):

"U vraagt mij naar de nooduitgang tegenover de ingang. Ik heb nooit geweten dat die er was. Ik weet alleen van een deur bij de toiletten en van een deur bij het hok achter in Het Hemeltje. Maar deze deur zit altijd op slot. (…)"



H.C.J. T. (D 165):

"Ik weet dat er een nooduitgang zat bij de toiletten van De Hemel, maar dat je deze niet kon gebruiken omdat er niets zat en je dan naar beneden moest springen. Verder wist ik niets over nooduitgangen in De Hemel."



Twee jongeren, te weten K. en V., probeerden daadwerkelijk via deze route aan de brand te ontsnappen:

D064: J.C. K. (12-04-1984) verklaring 10 januari 2001:

"(….) Ik heb toen geprobeerd om het raam van de deur die volgens mij naar buiten leidt, te vernielen. Ik heb mijn beide handen hierbij verwond. Ik heb dit samen gedaan met H.K.. Het lukte eerst niet. Later kregen we een raam kapot maar we kregen nog geen frisse lucht. Het tweede raam lukte niet."



J.C.N. V. (D 198):

"Ik ben verder de trap naar de toiletten opgelopen. Ik wist dat daar een deur was. Ik bedoel de deur van wit kunststof met glas. Ik stond daar met nog vier jongens en we wilden het raam van de deur inslaan. We hebben met onze handen op de ruit geslagen maar we kregen de ruit niet kapot. De ruit bestond uit meerdere lagen en we kregen van de drie ruiten er twee kapot."



Op het moment van de brand, waarbij rook en warmte omhoogtrokken, was die deur de enige feitelijke uitweg voor de jongeren die op dat moment op die verdieping aanwezig waren.

Op de door de TR genoemde foto's ziet u ook dat jongeren tot bloedens toe hebben geprobeerd het glas uit de deur te slaan. Overigens zou het vluchten via deze deur geen optie geweest zijn omdat zich aan de buitenzijde van deze deur geen trap bevond.(zie de foto's in de TR map 2.78 en 2.79)
Het zal duidelijk zijn dat deze afgesloten deur noch een nooduitgang, noch een andere vluchtmogelijkheid was.



Ad B. De nooduitgang aan de zijgevel van café De Hemel



In het proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.) wordt de nooduitgang aan de zijgevel als volgt omschreven:



" Schuin tegenover de toegang van de bar "De Hemel" bevindt zich in de rechter zijmuur een houten buitendeur ( zie foto 2.16). De buitendeur ( met een grootste breedte van 0.90 m. en een hoogte van 1.79 m.) is voorzien van een houten balk, waaronder de zogenaamde panieksluiting is aangebracht (zie foto's 2.17 en 2.18)

De panieksluiting van het merk "Briton" bleek ondersteboven op de buitendeur te zijn aangebracht (zie foto 2.19) .

Door de plaatsing van de houten balk boven de panieksluiting kon deze niet meer met de heupen geopend worden.

Door genoemde balk ontstond er een geringe ruimte tussen de bovenzijde van de panieksluiting en de onderzijde van de balk (zie foto 2.18).

Bij beproeving van de panieksluiting bleek, dat voornoemde geringe ruimte een beperking van de werking van de panieksluiting tot gevolg had".



Uit dit proces-verbaal van bevindingen van de Technische Recherche blijkt reeds dat ook deze deur feitelijk niet aan de vereisten van een fatsoenlijke nooduitgang voldoet.



Maar ook uit de navolgende verklaringen blijkt dat deze nooduitgang niet direct zichtbaar is, en als iemand deze nooduitgang al ziet, dat deze nooduitgang dan onvoldoende snel bruikbaar is:



E.G.M. B. (D 007):

U vraagt mij waarom ik ook niet naar die deur ben gegaan om te vluchten als dat een nooduitgang was. Toen ik zag dat een barkeeper die daar werkt tegen de deur van een nooduitgang aan ging slaan en schoppen betekende dat voor mij dat die deur niet open kon en ik daardoor ook niet weg kon komen".



J.J.M. K. (D063):

"Ik ben toen naar de nooddeur aan de rechterzijde van de bar gelopen. Ik wist dat daar een nooddeur zat. Dit is de nooddeur bij onze tafels.
Ik heb met beide handen op de stang van de nooddeur gedrukt/geduwd om hem open te krijgen. Dit lukte me niet. Volgens mij zat deze nooddeur op slot/vast. Ik heb dit heel goed gedaan maar kreeg hem niet open. Ik voelde dat de stang gloeiend heet was. Ik ben hiermee gestopt omdat het niet lukte."



Th.J. L. ( D 087):

"Ik ben overigens nadat R. ijs over de brand had gegooid weggevlucht in de richting van de nooduitgang aan de noordzijde van het pand dus die nabij de havendijk. Ik heb mij toen in de menigte, die in paniek was, gemengd. De deur van deze nooduitgang kreeg men eerste instantie niet open. Ik werd hierna naar de voorzijde van het pand geduwd alwaar andere bezig waren de ramen kapot te slaan. Dit lukte op een geven moment. Hierna werd een tralienetwerk verwijderd, waarna het publiek naar buiten kon komen. (…)"



F.G. M. (D 092):

"Toen ik inmiddels om mij heen keek zag ik een licht branden waarop te lezen stond dat het een nooduitgang was. Ik ben toen naar deze nooduitgang gelopen. De uitgang bevond zich op enkele meters van de dansvloer.

Ik zag dat de deur van de nooduitgang was voorzien van een drukstang waarmee de deur geopend kon worden.

Ik heb een aantal keren met kracht tegen deze stang aangedrukt om de deur te kunnen openen. Dit lukte mij in eerste instantie niet.

Geholpen door een bezoeker van het café lukte het nog niet om de stang in te drukken en de nooddeur te openen. Vervolgens hebben met heel veel kracht tegen de deur en de stang getrapt.



Voorts verwijs ik naar de verklaringen van C.S. A. (D 001), G.H.P.M. B. (D 019), E.T.C. G. (D 037), N.P. H. (D 042), C.A.T. J. (D 048), J.P.C. K. (D055), J.C. K. (D 079) en N.E.M. M. (D 099):



Kortom: meerdere mensen slagen er niet in om deze nooduitgang te openen.

Juist bij een nooduitgang is het van het grootste belang dat deze direct opengaat. Zeker in situaties waarin mensen volslagen in paniek en gedesoriënteerd zijn. En aan deze vereisten voldoet deze deur volstrekt niet.



Ad C. Traliewerk voor de ramen aan de voorzijde van café De Hemel



Dan de ramen aan de voorzijde en het traliewerk voor deze ramen.

U vindt het volgende proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.)



"Met betrekking tot de ramen:



Aan de binnenzijde waren alle kunststof ramen voorzien van smeedijzeren scharnierbare sierhekwerken (zie foto's 2.9 en 2.11)

De sierhekwerken waren zowel aan de boven als aan de onderzijde voorzien van een sluiting.

De sluiting van de sierhekwerken werd tot stand gebracht door middel van een metalen strip, welke in een tegen de binnenzijde van de voorgevel aangebrachte kom draaide. ( zie foto 2.13)
Enkele van de op de sierhekwerken aangebrachte metalen strippen waren verbogen.

De raamhendels van de draai- kantelramen waren alle verwijderd.

De sleutels van de sloten van de sierhekwerken, alsmede de raamhendels van de draai- kantelramen werden aangetroffen, hangende aan spijkers achter de bar van de Hemel.

Genoemde sleutels en raamhendel hingen alle op zodanige hoogte dat deze voor het publiek niet of nauwelijks waarneembaar waren.( zie foto 2.14 en 2.15)"



Jan Veerman verklaart ten aanzien van de ramen en tralies (K3):

"Het personeel weet waar die sleutels hangen. Het traliewerk is een soort clicksysteem".



Het clicksysteem werkt natuurlijk alleen als iedereen er ook bij kan; het systeem moet worden vrijgehouden, net als bij een nooduitgang, anders heb je er niets aan.

Er hingen echter meerdere jassen aan de tralies, zie de volgende verklaringen :



A.A. B. (D 016):

"Onze jassen hebben wij opgehangen aan de traliewerken bij de ramen aan de voorzijde".



E.N.M. B. (D 023):

"We zijn gelopen naar een plek blak bij het rechter raam van het pand, als je voor dit pand zou staan. We hebben daar onze jassen opgehangen aan de spijlen van het metaalwerk."



S. G. (D 027):

"Toen ik binnen was in de Hemel ben ik naar de dansvloer gelopen om mijn jas op te hangen aan de siertralies die tegen de voorramen waren bevestigd. Er zitten van die sierkrullen aan, wat je makkelijk als kapstok kunt gebruiken".



Onder deze omstandigheden wordt het natuurlijk al wat lastiger om te zien hoe een systeem werkt. In panieksituaties wordt een en ander nog veel moeilijker:

Zie de verklaring van Th.T.A. T. (D 179) die daar eerder als barkeeper had gewerkt en de situatie kende:

"Ik heb toen een raam aan de voorzijde stukgeslagen met mijn handen. Ik wist namelijk dat je het traliewerk gemakkelijk kon verwijderen. Ik wilde dat door het gat de mensen laten ontsnappen. Als je aan de voorzijde staat heb ik het kleine langwerpige raam aan de rechterzijde van het rechtervoorraam ingeslagen. Ik schreeuwde toen tegen de mensen die daar stonden dat zij achteruit moesten zodat ik het traliewerk kon losmaken. Dit lukte niet. De mensen werden naar voren geduwd tegen het traliewerk. Toch lukte het de mensen binnen dit traliewerk met geweld weg te halen".



Voor mensen die niet op de hoogte waren van het systeem om het traliewerk te openen was het uiteraard nog veel lastiger om te zien hoe het systeem werkt:



H.J.M. B. (D 008):

"Ik probeerde toen door een ruit bij de ingang van de bar naar buiten te komen. Dit lukte niet in verband met de tralies die hiervoor zaten".



E.J. J. (D 049):

"Ik en andere personen hebben toen de ramen ingeslagen en ik heb het linkertraliewerk van dit raam verwijderd. Dit traliewerk moesten wij er ook echt uittrekken. Achteraf bleek dat als je een klein hendeltje omhoog tilde, dat het traliewerk heel gemakkelijk verwijderd zou kunnen worden, maar dat wist ik niet. De overige aanwezigen wisten dit volgens mij ook niet."



W.G.B. de W. (F 26):

"Dave sloeg van buiten af met een barkruk tegen de ruit. De ruit ging toen kapot. Er zaten toen nog tralies voor. We hebben toen met vijf man getracht de tralies open te breken maar dit lukt niet.
Daarna hebben wij het volgende raam ingeslagen. Dit deed ik samen met D. en met behulp van een barkruk. Bij dit raam lukte het ons wel de tralies weg te breken. Ook dit deden we met vier personen. Door dit opengebroken raam kwam niemand naar buiten. Hierna hebben we de volgende ruit verbroken. Ik bedoel hiermee de ruit voorbij de erker. Hier lukte het ook om de tralies weg te trekken. (...) Hierna ben ik weer terug gerend naar het eerste raam en heb daar geroepen dat de mensen naar de andere kant moesten gaan. (…) Er gingen heel weinig mensen die kant op".




Conclusie



Het traliewerk was voorzien van een systeem om te openen en te sluiten dat in geval van paniek niet voldoende eenvoudig bleek.

Bovendien hingen er meerdere jassen voor het traliewerk waardoor de toegang bemoeilijkt werd.
Ramen met naar binnendraaiende traliewerk kunnen overigens nooit worden beschouwd als een effectieve vluchtroute in geval van paniek. Deze ramen vormen aldus geen vluchtmogelijkheid .
Wellicht ten overvloede: deze ramen zijn geen vluchtmogelijkheid, maar vanwege de drukte en het feit dat andere uitgangen niet direct toegankelijk waren, hebben velen uiteindelijk wel hun toevlucht gezocht tot deze ramen, om te kunnen ontsnappen.



Ad D. Nooduitgang/ draai-kanteldeur aan achterzijde:



Tot hier hebben we het gehad over een (1) echte nooduitgang (die naar het oordeel van het Openbaar Ministerie niet goed werkte) en twee mogelijke vluchtroutes.

We komen nu bij de nooduitgang/draai-kanteldeur aan de achterzijde van het café.



Door Jan Veerman wordt in zijn verklaring van (K 2) gesteld:

"Het bedrijf heeft in de Hemel 2 nooduitgangen. (…) Aan de achterzijde van het pand in het zogenaamde rommelhok is ook een nooduitgang. (…) Deze deur gaat naar binnen toe open. Ik bedoel dus de deur die op het plat dak uitkomt. (…) Het rommelhok wordt gebruikt als opslag."



Hier past een opmerking over het woord nooduitgang.

Een echte nooduitgang dient per definitie met de vluchtroute mee te draaien en dus naar buiten toe open te gaan. Wordt hier niet voldaan, dan mag die uitgang ook niet als nooduitgang worden beschouwd.

Voor de feitelijke situatie is het wellicht goed om de relevante foto's te bekijken en te zien wat de Technische Recherche zegt over deze uitgang.



(in het proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.)



"Met betrekking tot de opslagruimte (de zogenaamde darkroom):



Via nooduitgang 2 kan men de achter de bar "De Hemel" gelegen opslagruimte bereiken (zie foto 2.66)

In de opslagruimte was rechts tegen de scheidingswand een keukenblok gesitueerd; voorts stonden in genoemde ruimte diverse voorwerpen, waaronder een groot aantal tafels en emballage ( zie foto 2.67), waardoor de doorloopruimte naar de kunststof buitendeur beperkt werd.

In de rechterzijgevel van de opslagruimte bevond zich een kunststof draai-kanteldeur, alsmede een kunststof draairaam. Zowel de draai-kanteldeur als het draairaam waren naar binnen draaiend. (zie foto's 2.67. 2.68)

De kunststof draai-kanteldeur bleek niet voorzien te zijn van een zogenaamde panieksluiting (zie foto's 2.68, 2.69 en 2.70)

Staande tegen de achtergevel van de opslagruimte bevond zich tegenover de nooduitgang 2 een houten plaat. Genoemde plaat bleek tegen een in de achtergevel gesitueerd deurkozijn te zijn bevestigd. (zie foto 2.71)"



Voorts op pagina 2.9:

" Het platte dak met een lengte van 6.40 m. en een breedte van 4.00 m. was voorzien van zg.staptegels welke ten tijde van het uitgevoerde onderzoek glad waren van de ijsaanslag."
Derhalve voldeed dit platte dak niet aan de Bouwverordening gestelde eisen. (zie bijlage 4, artikel 1)"



Voorts verwijs ik naar het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de noodverlichting, opgemaakt door de technische recherche (zie B 11) waarin vermeld wordt dat een bordje Noodverlichting met opschrift "NOODUITGANG" was aangebracht boven de deur gelegen aan de achterzijde van het Hemeltje.



Conclusie: deze deur mag niet worden beschouwd als een nooduitgang, ondanks het bordje NOODUITGANG boven de deur.

Desondanks zagen Jan Veerman en meerdere bezoekers deze uitgang toch als een nooduitgang.



En dus probeert E.A.C.M. S. (D153) langs die route weg te komen:

"(…). Toen ik dat zag ben ik volgens mij gelijk de Dark Room ingegaan. De Dark Room is een ruimte die wij zo noemen achter het café de Hemel. (…) Ik weet nog dat ik in de Dark Room heb geprobeerd om naar buiten te komen door de nooduitgang maar die zat vast. Het was geen deur maar een grote plank die als deur werd gebruikt. Ik heb denk ik twee seconden aan die plank getrokken maar ik kreeg hem niet weg. Er zat geen handvat of iets dergelijks aan die plank. Ik pakte gewoon het hout. (dit is dus de houten plaat uit het TR verslag)

Die plank bleef gewoon vastzitten en volgens mij ben ik toen ik de Dark Room op de grond gaan zitten".



Als zij rechts had gekeken had zij wellicht de draai-kanteldeur gezien, die overigens niet makkelijk te bereiken was. Dat laatste blijkt uit de verklaringen van twee brandweermannen die vertellen hoe zij deze ruimte hebben aangetroffen.

W.M. R. (E 038):

"Na enige moeite lukte het ons om de deur te openen. (…) Wij gingen het café binnen en zagen dat achter de deur een kleine ruimte was gelegen. (…) Kennelijk was dit een soort opslagruimte. Wij hebben nog enige tafels en barkrukken naar buiten getrokken om zo de ruimte te kunnen betreden".



P.S.J. V. (E 055):

"Samen met R. ben ik op het dak naar een deur gelopen die gedeeltelijk open stond. Ik zag dat die deur naar binnen toe open ging. Later zag ik dat achter deze deur meubilair was geplaatst. Waardoor de deur niet in het geheel open geduwd kon worden omdat dit door het meubilair werd geblokkeerd. Vervolgens hebben we dit meubilair, bestaande uit een twintigtal terrastafels en stoelen, verwijderd en op het dak geplaatst".



Conclusie: De route naar deze uitgang valt op zijn best te kwalificeren als een hindernisbaan. Als deze uitgang serieus had moeten dienen als nooduitgang, dan had de deur in de dark room vrij toegankelijk moeten zijn, had deze draaikanteldeur niet naar binnen maar naar buiten met de vluchtroute mee moeten draaien en had er bovendien een trap vanaf het plat dak naar beneden aanwezig moeten zijn.



Conclusie ten aanzien van de uitgangen:

Als we dan tot een conclusie moeten komen ten aanzien van al deze uitgangen dan kunnen we kort zijn: Volstrekt onvoldoende.

In onze visie is daarbij niet van belang of deze uitgangen goedgekeurd waren of niet door welke autoriteit dan ook. Onze invalshoek is die van gezond verstand. Elke optie op dat moment om in die panieksituatie naar buiten te komen, had een beperking.



Ad 3. Het toelaten van te veel mensen in café de Hemel



Dan komen we bij de derde component genoemd op de telastelegging van de feiten 2 en 3.
In een café waar brandbare kerstversiering te laag is opgehangen en waar de nooduitgangen niet voldoen worden vervolgens veel te veel mensen toegelaten, ongeveer 300 personen.

Met deze aantallen kan men gerust zeggen dat de hoeveelheid aanwezige personen in ieder geval meer dan verantwoord was. De verklaringen van vele getuigen laten daarover ook geen twijfel bestaan:



J.M. K. (verklaring bij de RC d.d. 27 augustus 2002):

"Op de bewuste avond was het op een gegeven moment zo druk dat je niet meer kon lopen. Wij hebben toen niet met elkaar besproken dat er beneden doorgegeven moest worden dat er geen klanten meer doorgelaten mochten worden in café De Hemel. Wij keken elkaar alleen een beetje hopeloos aan. John was die avond het aanspreekpunt. (…) Als er echt problemen waren in De Hemel ging je naar John. Op Oudejaarsavond na twaalven kon dat, omdat het toen zo druk was dat er toen geen doorkomen meer aan was".



R.Z. ( verklaring bij RC d.d. 24 januari 2002):

"John Kadij werkte die avond in de WirWar. Ik heb niet tegen John gezegd iets in de trant van: kappen het is boven veel te druk. Op de trap stond het helemaal vast. Op dat moment was het chaos. Nadat ik buiten vuurwerk had afgestoken moest ik om weer in het Hemeltje te komen over de trapleuningen lopen. Die avond is niets over de drukte gezegd; niemand gaat de sfeer verpesten. Het gaat bij ons in de nacht van oud op nieuw altijd zo, dat het zo massaal is."



P. B. (verklaring RC d.d. 17 augustus 2002):

"Na twaalven was het heel erg druk. Het was ook heel erg druk op de trap naar De Hemel. Je kon er bijna niet meer lopen. Ik heb niet met John besproken dat er geen mensen meer naar De Hemel mochten. Dat kon ook niet. Het was Oudejaarsavond en dan doe je zoiets niet".



E.G.M. B. (D 007):

"Ik denk dat het net even na middernacht was dat ik in Het Hemeltje binnen kwam met M.. Wat ik nog wel weet is dat het veel drukker was dan eerder op de avond. Ik schat dat er meer dan 300 mensen in het Hemeltje binnen waren".



K.M.A. B. (D 014):

"Boven in de Hemel was het vreselijk druk. Ik schat dat er ongeveer wel 275 mensen binnen waren".



G.H.P.M. B. (D 019):

"Rond 24:00 uur werd het heel druk. Voor 24:00 uur zaten er voor mijn gevoel zo'n 100 man binnen. Na 24:00 uur waren dit er wel rond de 300. Je werd bijna van je kruk geduwd".



A.H. G. (D 028):

"Het was echt enorm druk op de trap naar het Hemeltje. Ik vond het een beetje paniekerig druk. Ik vond het echt niet leuk meer .



E.J. J. (D 049):

"Ik kan u wel zeggen dat het Hemeltje stijf vol met mensen zat. Je kon je niet normaal bewegen in deze bar"



Th. J. K. (D 057):

"Om 00.00 uur was het al superdruk in het Hemeltje. (…) Kort na 00.00 uur vond ik het te druk worden in het Hemeltje en was ik van plan om even naar buiten te gaan."



C.S.M. K. (D 058):

"Het was enorm druk, omdat bezoekers van o.m. St Josef en de Amvo omstreeks middernacht naar bars aan de haven trokken. In de Wir War moesten we in de rij staan wachten om boven in De Hemel te komen."



C.J.J. K. (D 059):

"Via café Wir war zijn we de trap op gegaan. Toen we bij de trap kwamen zagen we dat het enorm druk was. Mensen stonden op en voor de trap te wachten tot ze in café De Hemel naar binnen konden. Ik weet hoe je daar naar binnen moet komen, want ik kom er al zeven jaar. Ik gooide mijn lichaam in de strijd en wurmde me door de mensen heen om naar boven te komen."



G. K. (D 074):

"(…) in de Wirwar was het ook vol met mensen. Hierna liepen wij naar de trap die toegang gaf tot "De Hemel". Op deze trap stonden al wat mensen. "De Hemel" was vol. Het was er afgeladen met bezoekers. Mijn vriendin en ik konden dan ook niet direct door de klapdeuren naar binnen. Wij moesten even wachten. Dat duurde enige minuten."



C.J.W. K. (D 078):

"(…) Ik wilde vanwege de rookontwikkeling van de sterretjes weg uit het Hemeltje.
Ik liep naar de trap om het café te verlaten. Alleen was het daar heel erg druk. Je kon niet voor of achteruit. Voor mij stond al S. J.-G.. Ik vroeg aan S. waarom we niet weg konden komen. S. zei mij dat het druk was op de trap en liep toen een andere kant op. Ik keek in het trapgat en zag veel mensen op de trap staan die niet voor of achter konden. Ik ben toen ook bij de trap weggelopen. (…)."



J.Th.M. K. (D 083):

"(…) Ongeveer 15 minuten in het nieuwjaar besloot ik om weer naar beneden te gaan. Het was toen inmiddels zo druk geworden dat ik in de rij moest staan om bij de trap te komen. Er kwamen zoveel mensen naar boven dat men maar heel langzaam naar beneden konden.

(…) Ik denk dat er op het tijdstip van het ontstaan van de brand wel 300 mensen in "de Hemel" stonden."



J.C.M. M. (D 094):

"(…) In de Wir War viel de drukte wel mee. Alleen bij de trap naar Het Hemeltje was het heel erg druk. Ik wilde ook naar boven. Door de drukte kon ik niet eens bij de trap komen. Na ongeveer 5 minuten was ik misschien een stap vooruit gekomen. Dit alles omdat het boven in de Hemel zo vol was."



J.C.J. N. (D 107):

"Op 1 januari 2001, omstreeks 00.10 uur ben ik naar het Hemeltje aan de Dijk te Volendam gegaan. Toen ik daar aankwam zag ik dat er een grote rij stond voor de trap vanaf de Wirwar bar. Toen ik eindelijk boven was, zag ik dat het erg druk was. Ik heb eerst een rondje om de bar gelopen. Het was zo druk dat ik eigenlijk weg wilde gaan, maar het was bij de ingang zo druk dat ik ben blijven wachten."



A. S. (D 120):

"Ik kwam bij de trap die naar de Hemel gaat en ik zag dat het daar dusdanig druk was dat ik niet de trap op kon. Ik ben toen eerst wat gaan drinken in de Wir War bar en ben even later nog even gaan kijken bij de trap naar de Hemel.
Ik zag toen dat iedereen nog precies op dezelfde plek stond als toen ik de eerste keer langs de trap liep."



J.J.M. S. (D 127):

"Ik ben op 01 januari 2001, omstreeks 00.15 uur, naar café De Hemel gegaan. Daarvoor zat ik in café Wirwar. Het was heel erg druk op de trap naar café De Hemel en in café De Hemel was het ook heel erg druk. Het was niet normaal, het was absurd, zoiets had ik nog nooit meegemaakt."



M. S. (D 132):

"Binnen was het stampvol. Ik weet niet hoeveel mensen er binnen waren. Je moest echt dringen om binnen te kunnen komen."



Th.J.M. S. (D 138):

"Door het gedrang (tijdens de brand) ben ik op de grond gevallen. Ik lag boven op andere mensen, waaronder ook mijn vrienden. Ik lag bovenop en lag net zo hoog als de bar. Ik kon daar zeg maar overheen kijken."



S.C.M. S. (D 150):

"Het was heel erg druk in 't Hemeltje. Ik denk dat er wel 300 mensen waren. Het is altijd druk met de feestdagen en je had nu nog eens te maken met het feit dat je na twaalven zat en dat iedereen elkaar gelukkig nieuwjaar wilde wensen. Ik moest me echt door de mensen heen wurmen. Ik weet ook nog dat het heel moeilijk was om binnen te komen."



E.M. S. (D 154):

"(…). Het was heel druk en benauwd in het Hemeltje. Ik wilde daarom meteen maar weer weg en ben weer naar de trap gelopen om naar beneden te gaan".



G.J.M. S. (D 155):

"Er waren veel mensen in het café. Ik kan niet zeggen hoeveel er waren, doch ik vond het er veel te vol en was ook niet van plan om daar in verband met de drukte lang te blijven".



J.V. T. (D 171):

"Toen ik boven in De Hemel kwam was het daar tjokvol. Ik zag dat er ook al weer mensen naar buiten gingen omdat het eigenlijk te vol was".



J. Z. (H 16) :

"Ik schat dat er ongeveer 350 mensen aanwezig waren."



R.H. Z. (H 17):

"Toen ik om 00:10 uur weer naar mijn werkplek achter de bar wilde gaan heeft het mij vrij veel moeite gekost om weer boven te komen. Ik moest zelfs via de trapleuning als het ware naar boven klimmen zo druk was het met publiek."



Proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.)



"Met betrekking tot het vloeroppervlak:

Verspreid over het gehele vloeroppervlak werden vele schoenen en jassen aangetroffen. Voorts werden 2 vaste tafels, 9 losse tafels en 115 barkrukken verspreid over het vloeroppervlak aangetroffen."




Conclusie



Op basis van bovengenoemde gegevens is de conclusie van het Openbaar Ministerie dat het op die bewuste avond veel en veel te druk was.

Het moge duidelijk zijn dat de aanwezigheid van 9 losse tafels en zo'n 115 losse barkrukken de snelheid waarmee de jongeren in de ontstane paniek weg konden komen, nadelig heeft beïnvloed.




Samenvatting



We hebben nu de drie in de telastelegging genoemde componenten besproken. Wat het Openbaar Ministerie nu betoogt is dat de cumulatie van meerdere van deze factoren leidt tot de constatering dat de degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, ook strafrechtelijk aansprakelijk zijn.
Wanneer er:

en brandbare kerstversiering te laag wordt opgehangen in een café

en de nooduitgangen niet voldoende zichtbaar en/of bereikbaar en/of bruikbaar zijn ,

en er wordt toegestaan dat het café zo afgeladen vol is dat er nauwelijks nog iemand bij kan, zelfs zo vol en dat mensen willen vertrekken omdat het hen te druk is,

dan is dat het moment dat ieder normaal denkend mens kon bedenken dat dit een gevaarlijke situatie zou kunnen opleveren.



Overige bewijsmiddelen



Met betrekking tot de overleden slachtoffers (genoemd in feit 2) verwijzen wij ook hier naar de sectierapporten en de schouwrapporten, uit welke rapporten de doodsoorzaak blijkt, waarbij sectie telkens heeft moeten plaatsvinden indien de schouwarts geen eenduidige doodsoorzaak kon vaststellen.



Met betrekking tot de in feit 3 genoemde slachtoffers die zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen verwijzen wij naar de medische verklaringen en de verklaringen van de betrokkenen zelf.
In dit kader moet over dat letsel het een en ander worden gezegd.

Begin januari 2001 is reeds besloten de zogenoemde medische verklaringen te verzenden naar slachtoffers opdat hun behandelende artsen deze zouden kunnen invullen. Op het formulier waren voor de vaststelling of er sprake was van zwaar lichamelijk letsel met name de volgende vragen van belang: Hoe lang gaat het herstel duren ? en: Blijft het letsel zichtbaar ?

Geen onduidelijkheid bestaat er over de jongeren met zeer zwaar lichamelijk letsel. Wel valt er te discussiëren over jongeren met 2e en 3e graads brandwonden, die volgens de opgave op de medische verklaring na 6 weken hersteld zouden zijn , maar waarbij het letsel (naar de inschatting van de betreffende arts) zichtbaar blijft.

Waar de medische verklaringen onvoldoende duidelijkheid verschaffen, is teruggegrepen op de verklaringen van de betrokkenen zelf. De combinatie van deze twee bewijsmiddelen heeft dan de doorslag gegeven over de vraag of de betrokkene al dan niet zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Een ander punt dat zich voordeed, was dat een aantal jongeren die duidelijk zeer zwaar gewond waren geraakt, geen formulier heeft ingezonden. Kennelijk had het genezingsproces bij hen absolute prioriteit. Deze jongeren zijn toch op de telastelegging opgenomen, en wel op basis van hun eigen verklaringen, waarin meestal reeds uit de plaats van verhoor blijkt dat zij - na langere tijd - nog in het ziekenhuis verblijven.

Tot slot was er een categorie van wie tot onze verbazing het formulier werd teruggestuurd onder de mededeling dat de arts een geheimhoudingsplicht had; dit terwijl de formulieren toch echt door de betrokkene of hun ouders aan de artsen waren verstrekt, teneinde die informatie aan de politie te kunnen geven. Voor deze categorie hebben wij ook gemeend de zwaarte van het letsel te kunnen beoordelen aan de hand van hun eigen verklaring.



Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte Jan Veerman handelde in de uitoefening van zijn beroep.

Dit is een strafverzwarende omstandigheid die hem wordt verweten ten aanzien van de dood door schuld en het zwaar lichamelijk letsel door schuld.

Belangrijker echter dan de strafverzwaring die bewezenverklaring van dit feit oplevert, is de vaststelling dat degene die een beroep uitoefent, een bijzondere zorgplicht heeft. Deze bestaat in de voorzichtigheid die in acht moet worden genomen met het oog op de gezondheid en lichamelijke integriteit van anderen.

Voorwaarde om deze strafverzwarende omstandigheid te kunnen bewijzen is, naast de vaststelling of Jan Veerman handelde in de uitoefening van zijn beroep, het gegeven dat er aantoonbaar verband bestaat tussen de beroepsuitoefening van de verdachte en de gevolgen.

Als beroep heeft Jan Veerman opgegeven: ondernemer. Dit is een algemene omschrijving nu hij actief is op verschillende gebieden: hij bezit onder meer een bouwonderneming, en hij is eigenaar/beheerder van het WirWar complex.

Die bouwonderneming heeft geen enkele link met de behandelde feiten, dus in dat kader heeft hij niet in de uitoefening van zijn beroep gehandeld.

Voor zijn bedrijfsvoering met betrekking tot het WirWar complex ligt dat anders.

Ten aanzien van deze bedrijfsvoering constateert het Openbaar Ministerie op basis van de stukken dat hij handelde in het kader van zijn beroepsuitoefening, te weten als (horeca-) ondernemer. Dit blijkt overigens ook uit het gegeven dat hij op de vervallen vergunning vermeld stond als beheerder/bedrijfsleider.

Daarnaast concludeert het Openbaar Ministerie dat er, gelet op de eerder genoemde bewijsmiddelen, verband bestaat tussen de wijze waarop deze bedrijfsuitoefening plaatsvond, en de gevolgen daarvan: het overlijden van veertien jongeren en het zware lichamelijk letsel van een groot aantal jongeren.
De conclusie luidt dat ook dat Jan Veerman handelde in de uitoefening van zijn beroep.





4.2.1 Causaliteit



Voorts dient ook hier te worden bezien of er sprake is van causaliteit.



Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is er sprake van 3 componenten die samen het verwijtbare gedrag vormen. Natuurlijk ontstaat er door de drukte geen brand, evenmin als door het niet functioneren van nooduitgangen, dat zal duidelijk zijn. Wel kon en is er brand ontstaan doordat open vuur in aanraking kon worden gebracht met laaghangende, uitgedroogde kersttakken.



De telastelegging dient dan ook als volgt te worden gelezen:

Enerzijds kon en is doordat open vuur in aanraking kon worden gebracht met te laag hangende, uitgedroogde kersttakken, brand ontstaan.

Als direct gevolg van de brand zijn mensen overleden, en vele anderen zijn zwaar gewond geraakt. Causaal verband dus tussen oorzaak en gevolg.



Anderzijds ontstond er, toen er eenmaal brand was ontstaan, paniek. Waarom? Omdat het veel te druk was, en omdat de nooduitgangen niet voldoende bruikbaar waren. In die paniek zijn mensen onder voet gelopen. Een aantal personen is (mede) hierdoor overleden; anderen zijn (mede) hierdoor zwaar gewond geraakt. Een persoon is in die paniek uit het raam gesprongen en heeft daardoor zijn rug gebroken. Ook hier causaal verband tussen oorzaak en gevolg, zij het op basis van de andere componenten.




Slotopmerking



De deskundige Reijman stelde op de zitting dat, als de deuren en ramen in een eerder stadium van de brand waren opengegaan, er meer zuurstof zou zijn toegestroomd, waardoor de gevolgen vermoedelijk nog veel ernstiger zouden zijn geweest. Deze stelling kan in onze visie evenwel niet in het voordeel van de verdachten werken. Het handelt hier nu eenmaal om wat er daadwerkelijk is gebeurd, en niet over wat er had kunnen gebeuren.




4.3 Strafrechtelijke aansprakelijkheid



Meneer de voorzitter, geachte leden van de rechtbank,



Wij komen thans bij de cruciale vraag: Kunnen en moeten de verdachten nu ook strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor de eerder geconstateerde nalatigheden en gebreken?, of anders gezegd: hebben de verdachten in strafrechtelijke zin schuld aan het gebeuren ?



Een korte opmerking over het begrip schuld.

Strafrechtelijke schuld is iets anders dan de schuld die wij allen in het normale spraakgebruik kennen.

Juridische schuld moet in casu worden gezien als gevolgschuld. Dader is degene aan wiens schuld het ingetreden gevolg is te wijten, aan wie het kan worden toegerekend. De schuld is daarbij een te bewijzen bestanddeel. Schuld in juridische zin is ook een complex begrip.

Blijkens jurisprudentie en literatuur moeten ter beantwoording van de vraag of de schuld kan worden bewezen, de volgende vragen worden beantwoord:

Moest en kon de verdachte anders handelen dan hij heeft gedaan, of anders gezegd: is zijn handelen (of nalaten natuurlijk) verwijtbaar ?

Vervolgens moet er een normatieve beoordeling plaatsvinden: levert dit handelen of nalaten de kwalificatie onachtzaam, onoplettend, nalatig, of onnadenkend op? En is dat de verdachte toe te rekenen ?

En tenslotte: waren de gevolgen voorzienbaar ? (deze vraag dient te worden gelezen

als: had een normaal mens de ingetreden gevolgen moeten kunnen voorzien)



Laten we kijken wat deze juridische criteria voor deze zaak betekenen:




4.3.1 Ten aanzien van feit 1:



Hadden de verdachten de kerstversiering anders moeten en kunnen ophangen?



Uit de stukken, het is hiervoor al aangehaald, blijkt dat Laura Veerman een grote rol heeft gespeeld in het ophangen van de kerstversiering. Zij heeft haar vader er aan herinnerd dat hij kersttakken moest bestellen bij bloemenhuis Claudia; zij stond 's ochtends klaar toen de kersttakken werden aangeleverd en zij was bij het ophangen van de kerstversiering. Zij heeft M. v. S. weggestuurd bij het versieren omdat die de lampjes niet goed in de versiering hing (L 2), P.B. kreeg van Laura op zijn lazer omdat hij de touwtjes niet goed spande (H1), en toen alle takken in de hele zaak hingen, is zij de hele zaak doorgelopen en heeft ze alle takken die ze kon aanraken afgeknipt of weggehaald.(L2)

J.C.M. K. verklaart dat Laura hem heeft gebeld of hij kon komen om te helpen met het ophangen van de kerstversiering. Daarbij speelde voor het Openbaar Ministerie tevens een rol dat zij gesproken heeft met J., eigenaar van de Kaketoe, die haar heeft uitgelegd waarom hij stond te impregneren.



John Veerman verklaart tegenover de politie (H 19) dat zij op 27 november 2000 zijn begonnen met het ophangen van de kerstversiering, dat de versiering werd opgehangen aan stalen ogen, die in het plafond gedraaid waren, en dat hij zelf heeft voorgedaan hoe dat moest.



Jan Veerman heeft niet geholpen met ophangen, maar hij heeft (achteraf) wel gecontroleerd of de hoogte goed was. Hij heeft sommige delen nog laten verhangen omdat het te laag was opgehangen.



De verdachten hebben zich dus bezig gehouden met het ophangen van de kerstversiering. Eerder in dit requisitoir bespraken wij al dat de kerstversiering in ieder geval op Oudejaarsavond te laag hing.

Het Openbaar Ministerie is op basis van voornoemde argumenten van oordeel dat de wijze van het ophangen en laten hangen van de kerstversiering aan deze verdachten moet worden verweten, en dat zij het anders hadden moeten en/of kunnen doen.

In de genoemde bewijsmiddelen ligt tevens besloten de waardering dat hun handelen als een onoplettendheid / onnadenkendheid moet worden gezien, die hen toe te rekenen valt.



En dan: was het te voorzien ? In Volendam, in de media, vaak is het gezegd: Wie kan er nou voorzien dat er zoiets gebeurt ? Zelfs de deskundige Reijman heeft u het horen zeggen.
Ik ben het er helemaal mee eens: niemand had kunnen voorzien dat er zo'n felle brand uit zou voortvloeien met zulke gevolgen .

Maar dat is iets anders dan de vraag naar de voorzienbaarheid van een brand.

In een jongerencafé, waar uitgelaten, feestvierende jongeren komen, "the place to be" volgens John Veerman, waar wordt gerookt, waar met aanstekers op de muziek van André Hazes wordt meegedeind, waar personeelsleden het licht dimmen omdat het licht van sterretjes dan beter tot zijn recht komt: in zo'n omgeving moet men nog meer opletten dan gebruikelijk (zie ook de verklaring van de eigenaar van de Kaketoe).

In die omgeving, met deze wijze van ophangen, dat is vragen om problemen. Men had niet bedacht hoeven te zijn op deze gevolgen, maar dat er brand kon ontstaan, dat moet naar redelijke normen voorzienbaar zijn geweest .



Indien Jan Veerman stelt dat hij toch niet kon voorzien dat zijn personeel sterretjes uitdeelde, of in ieder geval niet afpakten, stelt het Openbaar Ministerie daar het volgende tegenover:
Slechts indien Jan Veerman alles zou hebben gedaan om te voorkomen dat zich een gevaarlijke situatie voor zou doen, als hij bevelen zou hebben gegeven, maatregelen zou hebben getroffen, en toezicht zou hebben gehouden, ja, dan was het voor hem niet te voorzien geweest. Maar Jan Veerman, zo gaven wij al eerder aan, liet het aan de assertiviteit van de medewerkers over om te handelen. Sommige werknemers vinden het dan, zo blijkt uit verschillende verklaringen, toch heel lastig om leeftijdgenoten aan te spreken, zeker waar iedereen elkaar kent. En andere barmedewerkers vinden het niet zo belangrijk om 15-jarigen het café uit te zetten.

Waar Jan Veerman geen duidelijk beleid aangaf waar de werknemers zich aan moesten houden, waar geen controle op de juiste gang van zaken was, daar kan Jan Veerman zich er thans niet op beroepen dat hij alles heeft gedaan om te voorkomen dat zich een gevaarlijke situatie voor zou doen. Wij vroegen het ook op de zitting aan R.Z., toen die zei dat Jan Veerman zei dat zij moesten proberen de drukte in de hand te houden. Gaf hij dan ook aan op welke wijze; gaf hij een kader ? Nee, was het antwoord, gewoon proberen.

Het personeel deed maar wat, elk naar eigen inzicht. Jan Veerman gaf zelf ook aan dat er iedere week wel iets niet in orde was. En onder die omstandigheden komt Jan Veerman niet het recht toe om te zeggen dat het voor hem totaal onvoorzienbaar was dat er sterretjes binnen waren.

En overigens: als nu het aansteken van sterretjes een eenmalig incident was geweest, dat Jan Veerman nog nooit had meegemaakt, maar zelfs dat is niet het geval. Want met Kerstmis waren er in het café ook sterretjes aangestoken, volgens meerdere getuigen ook door personeelsleden.



Ten slotte: Kan Jan Veerman zich in het kader van de vraag naar de toerekening wijzen naar de gebrekkige controle door de gemeente ?

Het Openbaar Ministerie beantwoordt deze vraag met klem ontkennend.

De primaire verantwoordelijkheid voor een café ligt bij de horeca-ondernemer zelf. Hij heeft een zelfstandige verantwoordelijkheid, en een bijzondere zorgplicht voor zijn cliëntèle. Elke ondernemer die een café of andere lokaliteit wil houden zal dan ook maatregelen dienen te treffen met betrekking tot de veiligheid van die cliëntèle. Dit geldt ook voor Jan Veerman



Moeten de verdachten Laura en John Veerman niet op een lijn worden gesteld met andere personen die mee hebben helpen ophangen?

Deze vraag moet in de visie van het Openbaar Ministerie ontkennend worden beantwoord:



Ten aanzien van Laura Veerman geldt meer dan voor anderen dat zij het voortouw heeft genomen bij het ophangen van de kerstversiering en daarnaast een gewaarschuwd mens had moeten zijn omdat zij met Jonk had gesproken over het impregneren.



Ten aanzien van John Veerman geldt dat hij bedrijfsleider is, en eindverantwoordelijke als Jan er niet is. John Veerman werkte sinds 20 oktober 2000 als bedrijfsleider in het WirWar complex. Dat was niet alleen een titel; het betekende dat als er nieuw personeel kwam, zij bij John Veerman moesten oefenen. Hij leerde hen bedienen en bier tappen. Jan Veerman en hij instrueerden het personeel over de nooduitgangen.

In zijn functie van bedrijfsleider mag van John Veerman meer worden verwacht dan van andere barmedewerkers. Hij was ten slotte de bedrijfsleider. Hij was op dat moment de eindverantwoordelijke. En hij kan dan niet zeggen: maar ik was pas 8 weken in dienst. De verantwoordelijkheid komt met de functie, vanaf de eerste dag. Een voorbeeld: De machinist die acht weken werkt, een zwaar treinongeval veroorzaakt en dan zegt: "sorry, maar u moet niet bij mij zijn, ik werkte pas acht weken als machinist". Nee, anderen vertrouwen de machinist hun veiligheid toe en dat geldt op dezelfde wijze voor John Veerman.
Hij was bedrijfsleider en dus verantwoordelijk voor alles wat hij uit hoofde van die functie deed en naliet.



Concluderend komen wij dan ook tot een bewezenverklaring voor feit 1 voor alle drie verdachten.




4.3.2 Ten aanzien van de feiten 2 en 3



De eerste vraag is ook hier: Valt de verdachten de wijze waarop brandbare kerstversiering is opgehangen en vervolgens is blijven hangen, te verwijten ? U begrijpt dat ten aanzien van deze vraag hetzelfde antwoord volgt als ten aanzien van feit 1.



Vervolgens moet met betrekking tot de nooduitgangen /vluchtwegen worden geconcludeerd dat deze niet voldoende snel bruikbaar en/of zichtbaar waren.

Dit valt ten eerste Jan Veerman als beheerder /eigenaar te verwijten. Bij diens afwezigheid echter berust de verantwoordelijkheid daarvoor bij John Veerman in zijn hoedanigheid van bedrijfsleider.
Als hij nu zegt dat hij niet op de hoogte was hoe het zat met de nooduitgangen, dan is het antwoord van het Openbaar Ministerie dat hij het, gelet op zijn functie, had moeten weten.

Het Openbaar Ministerie beschouwt deze tekortkoming als ernstig nalatig, en rekent dat de verdachten Jan Veerman en John Veerman aan.



De vraag of de gevolgen voorzienbaar waren, laat zich lastig per onderdeel beantwoorden.
Het gaat hier om de gevolgen van de paniek die ontstaat naar aanleiding van de brand.

Al eerder gaven wij aan dat het juist de cumulatie van verwijtbare gedragingen is die de culpa als het ware inkleurt. De drukte, opgeteld bij de gebreken rond de nooduitgangen, dat maakt dat voorzienbaar is dat, op het moment dat er brand ontstaat, jongeren niet voldoende snel kunnen wegkomen omdat en de nooduitgangen niet voldoende snel bruikbaar waren en omdat het zo druk was.



Ten aanzien van Laura Veerman concludeert het Openbaar Ministerie dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat Laura op dit punt iets kan worden verweten.



Tot slot de derde component: valt aan de verdachten de drukte te verwijten ?



Jan Veerman wist dat het heel druk zou worden, want zo ging het immers ieder jaar.
Toch waren er geen specifieke maatregelen getroffen om te voorkomen dat het te druk zou worden. Er was vaker gesproken over portiers, maar Jan Veerman vond het niet aangewezen om een portier aan te stellen. Hij vond het zelfs niet aangewezen om zelf in het café te blijven. Jan Veerman maakte die avond een rondje door de WirWar, en vertrok. Hij moet, gelet op zijn eigen verklaring (afgelegd op de zitting) de drukte op de trap richting café De Hemel hebben gezien. Als hij op dat moment naar café De Hemel was gegaan, had hij de enorme drukte boven gezien.



Ook John Veerman wist dat het heel druk zou worden. Hij was in dienst op het moment dat de drukte ontstond. Hij had er notabene zicht op. Hij zag het gebeuren. Maar hij deed niets. Want dat deed men nou eenmaal niet op Oudejaarsavond.

Voor het Openbaar Ministerie is het volstrekt duidelijk dat beide verdachten anders hadden kunnen en moeten handelen.

De constatering dat er zoveel jongeren aanwezig waren in café De Hemel, waaronder overigens alleen al 60 jongeren die er op grond van hun leeftijd niet hadden mogen zijn, leidt tot de conclusie dat het er aanmerkelijk meer jongeren waren dan verantwoord, terwijl er geen enkele moeite werd genomen om het aantal aanwezigen te beperken. Derhalve valt het niet handelen op dit punt te kwalificeren als ernstig nalatig en onoplettend.

Dit moet worden toegerekend aan beide verdachten, om de eerder genoemde redenen.



De vraag of de gevolgen voorzienbaar waren, hebben we feitelijk reeds bevestigend beantwoord bij de behandeling van dezelfde vraag ten aanzien van de nooduitgangen.



Ten aanzien van Laura Veerman komt het Openbaar Ministerie ook op dit punt tot de conclusie dat er, gelet op de verklaringen in het dossier en hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen, geen redenen zijn om aan te nemen dat Laura op dit punt iets kan worden verweten.



Conclusie



Het Openbaar Ministerie verwijt Laura Veerman, net zoals bij feit 1, het onderdeel van het te laag ophangen en laten hangen van de kerstversiering. Het Openbaar Ministerie ziet echter in haar geval geen verwijtbaarheid ten aanzien van de nooduitgangen en de drukte; daar had zij geen specifieke rol in; er mocht van haar op dat gebied geen specifieke deskundigheid worden verwacht. Dit betekent juridisch gezien dat de mate van schuld (culpa) van Laura Veerman, afgewogen tegen de andere genoemde en niet bewijsbare verwijtbaarheden, zo licht is dat er niet gesproken kan worden van schuld in strafrechtelijke zin.

Het Openbaar Ministerie zal daarom ten aanzien van de feiten 2 en 3 in de zaak van Laura Veerman vrijspraak vorderen.



Dat ligt anders ten aanzien van beide andere verdachten. Het Openbaar Ministerie acht hen beiden strafrechtelijk aansprakelijk voor de feiten 2 en 3.

Zij hebben brandbare kerstversiering zo laag opgehangen en laten hangen, dat er brand kon ontstaan omdat vuur er mee in aanraking kon worden gebracht, en ze hadden vluchtroutes aanwezig die onvoldoende functioneerden, en bij deze stand van zaken lieten zij toe dat het zo druk werd dat mensen, toen er brand ontstond, elkaar onder de voet liepen en niet meer weg konden komen .
Nogmaals, voor alle duidelijkheid: in de media is veel geschreven over het feit dat meerdere cafés de bedrijfsvoering niet op orde hadden en dat dit in heel Nederland had kunnen gebeuren. Het Openbaar Ministerie vraagt zich echter af of deze cumulatie van de verwijten (en kerstversiering te laag, en de nooduitgangen niet voldoende snel bruikbaar, en de drukte) zich in die andere gevallen heeft voorgedaan, want het is de cumulatie die hier de ernst van de feiten inkleurt.



Wij komen tot een bewezenverklaring voor feit 1 voor alle drie verdachten, en tot een bewezenverklaring voor de feiten 2 en 3 voor de verdachten John Veerman en Jan Veerman.



Mijn collega zal nu verder gaan met de bespreking van de feiten 4 en 5 op de dagvaarding van Jan Veerman.




4.4 Feit 4: handelen in strijd met artikel 6.2.1. van de Bouwverordening



Met betrekking tot de kwaliteit en zichtbaarheid van de transparanten in het pand 154-156 kan het volgende worden opgemerkt.



Op 3 en 5 januari 2001 werd door Nuon een elektrotechnisch onderzoek uitgevoerd naar de werking en functionaliteit van de noodverlichting en nooduitgangverlichting aangebracht in café De Blokhut, café De Wir War en café Het Hemeltje (zie voor de bevindingen B12). Van de bevindingen met betrekking tot de noodverlichting is door de technische recherche proces-verbaal opgemaakt (zie B 11).

Uit het opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de volgende noodverlichting niet of onvoldoende functioneerde:

Noodverlichting Blokhut

Noodverlichting opschrift ''UIT" aangebracht boven de toegangsdeur gelegen aan de achterzijde van het pand:

Zowel de noodverlichting als de continuverlichting bleken niet te functioneren. De continuverlichting bleek voorzien van een oranje gekleurde folie.

Noodverlichting WIR-WAR

Noodverlichting opschrift "UIT" aangebracht boven de ingang/ portaal van het pand:

Deze noodverlichting bleek nagenoeg geheel aan het zicht onttrokken te zijn door een luchtsluis/portaal, welke aan de binnenzijde van het pand tegen de entree was aangebouwd. De noodverlichting bleek niet te functioneren.

Noodverlichting De Hemel

Noodverlichting opschrift "NOODUITGANG" aangebracht aan de, vanaf de voorzijde gezien, rechterzijde van het Hemeltje:

De noodverlichting en de continuverlichting functioneerden niet. De continuverlichting bleek voorzien van een oranjekleurig folie.



Noodverlichting opschrift "UIT" aangebracht boven de toegangsdeur van het Hemeltje:

De noodverlichting bleek niet te functioneren. De continuverlichting bleek half te branden en was voorzien van een oranjekleurig folie.



Noodverlichting opschrift "NOODUITGANG" aangebracht boven de deur gelegen aan de achterzijde van het Hemeltje:

De noodverlichting bleek niet te functioneren. De continuverlichting bleek wel te functioneren en was voorzien van oranjekleurig folie. De knop teneinde de noodverlichting te kunnen testen ontbrak.




Conclusie NUON



Kort samengevat komen de conclusies van NUON (zie B12) op het volgende neer:

De gesignaleerde storingen kunnen niet zijn veroorzaakt door en/of vanuit de elektrische installatie.

In de meeste gevallen dient de oorzaak te worden gezocht in ondeskundig gebruik, handelen en bedienen van installatieonderdelen in combinatie met onvoldoende regulier onderhoud en deskundige controle.



In de armaturen "UIT" en "NOODUITGANG" zijn met papier omwikkelde tl-buisjes aangetroffen. De tl-buisjes bleken op onjuiste wijze te zijn teruggeplaatst in de lamphouders. De lampjes maakten geen elektrisch contact.



Uit het vorenstaande moge blijken dat de transparantverlichtingen in het bouwwerk niet op alle plaatsen naar behoren hebben gefunctioneerd en derhalve ook niet of onvoldoende zichtbaar zijn geweest.



Voor wat betreft de noodverlichting met het opschrift "UIT" boven de ingang/portaal van het pand in de WIR-WAR geldt bovendien dat deze ook feitelijk aan het zicht onttrokken was.

(zie map B, fotomap technische recherche fotonummer(s), 3.2 tot en met 3.10 en 11.6 en 11.6a en de bevindingen van de technische recherche in map B, p. 3.3).



Dit geldt eveneens met betrekking tot de transparantverlichting in De Blokhut boven de in- en (nood-) uitgang van het café aan de linkerzijde

(zie map I project WirWar; foto IV-2 (p.40), foto 6 (p. 50) en map B fotomap technische recherche fotonummer. 4.7, 4.12, 4.13, 4.38, 4.39,en 4.40). Deze transparantverlichting was door de kerstversiering niet of nauwelijks zichtbaar.



Gelet op de hoogte van de ogen waardoor de nylon bedrading, waarop de kerstversiering rustte was gehaald, mag worden aangenomen dat de transparant in de WirWar boven de verwijzing naar de toiletten ook nauwelijks zichtbaar is geweest.

(zie ook de bevindingen van de technische recherche (map B, processen-verbaal van technisch onderzoek p.3.4) en map B fotomap technische recherche fotonummer 3.19 en 3.20 en map I, project WirWar , p. 38 fotonummer III-1)



Met betrekking tot de zichtbaarheid van de transparantverlichting in café De Hemel kan nog het volgende worden opgemerkt:

Boven de toegang naar de opslagruimte achterin café De Hemel was een transparant aanwezig met de tekst "NOODUITGANG". Deze transparant is tengevolge van de brand grotendeels gesmolten (zie map I, project WirWar, foto II-5).



Door de verbalisanten wordt over de zichtbaarheid van deze transparant het volgende gerelateerd (zie map I, project WirWar p.9):

"Voorts is zichtbaar dat er direct boven en rechts daarnaast een tweetal schroefogen bevestigd zit in het hout waaraan nog restanten gesmolten nylon zitten. Hieruit blijkt dat hier vermoedelijk ook nylondraden aan bevestigd hebben gezeten waarop de kerstversiering en kerstlampjes rustten [ zie foto II-5 bij de zwarte pijlen].



Gezien de afstand tussen de onderzijde van deze ogen en de daaronder gemonteerde transparant is het zeer waarschijnlijk te noemen dat de transparant door de vanaf de oogjes gespannen nylondraden en de daarin hangende kerstversiering vrijwel geheel aan het zicht onttrokken is geweest.

[zie foto II-4 waar bij de getallen 4 oogjes hebben gezeten waaraan eveneens nylondraden bevestigd hebben gezeten en die het zicht op de transparant boven de deur naar de opslagruimte mogelijk mede bemoeilijkt hebben. Bij getal 5 is nog een kerstlampje zichtbaar]"



(en ten aanzien van de nooduitgang in de zijgevel van café De Hemel)

"Bij de in de zijgevel aangetroffen vluchtweg werd in de caféruimte van De Hemel boven de nooduitgang een transparant aangetroffen met de tekst NOODUITGANG die nu zichtbaar was doordat de kerstversiering verdwenen was. Vermoedelijk is ook hier door de gemiddelde hoogte van de gehangen hebbende kerstversiering het zicht hierop grotendeels bemoeilijkt [zie foto II -16 bij getal 1]."



Dit vermoeden wordt bevestigd door de verklaring van E.G.M. B. (D 007) die verklaart:

" Ik herinner mij dat R. op de deur wees dat het een nooduitgang was. Ik zag toen (dat) half achter kersttakken een verlicht bordje zat met daarop nooduitgang".




Conclusie



Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de transparanten met de teksten "NOODUITGANG" en "UIT" niet overal in het bouwwerk (voldoende) zichtbaar waren.

Het feit kan dus wettig en overtuigend worden bewezen.




4.5 Feit 5: handelen in strijd met artikel 6.3.2 van de Bouwverordening



In café De Hemel werden geen duidelijke pictogrammen aangetroffen met een verwijzing naar de aanwezigheid van (o.a.) blusmiddelen.

In het café bevond zich nabij de wenteltrap een houten wandkast, waarin een brandslanghaspel aanwezig was. De deur van deze kast werd aan de onderzijde dicht geklemd door een bierviltje. Op de deur van deze kast werd geen pictogram of ander aanduidingsmiddel aangetroffen, waardoor het voor anderen kenbaar was dat zich achter deze kastdeur een brandslang bevond. Een dergelijke aanduiding bij ingebouwde blusmiddelen is wel verplicht en Veerman was daarop ook gewezen (zie brief van de gemeente Edam-Volendam d.d. 29 mei 2000). De brandslanghaspel was bovendien niet voorzien van een aanduidingsticker of keuringssticker.

Door het ontbreken van een aanduiding op de kastdeur en het aan de onderzijde dichtklemmen van die deur middels een bierviltje, werd de zichtbaarheid en/of het onmiddellijk gebruik van die brandslang (met aansluiting) belemmerd (zie map I, dossier WirWar, p.8 en 9, en fotonummer(s) II-1 t/m II-3 (p.24 en 25).

Ter voorkoming of bestrijding van deze brand is onderhavige overtreding niet van directe invloed geweest. De brand verliep zodanig snel, dat van blussen nauwelijks sprake kon zijn. Jan Veerman was er echter wel op gewezen dat de kast van een pictogram of andere aanduiding voorzien diende te zijn, dat gold evenzeer voor de daarnaast gelegen meterkast. Ondanks het feit dat hij daar zowel mondeling, door de brandpreventiemedewerker bij controle, als nadien schriftelijk door de gemeente op is gewezen, bleef de overtredingssituatie niettemin bestaan. Dit geldt evenzeer met betrekking tot het, overigens niet telastegelegde, feit, dat ook in de andere bars geen brandslangen aanwezig waren. Ten aanzien hiervan bleef Jan Veerman al sinds 1993 in gebreke.



In café De Hemel bevinden zich aan de voorzijde een viertal kunststof kozijnen. Aan de binnenzijde van alle vier deze kozijnen is een smeedijzeren traliewerk (sierhekwerk) gemonteerd dat aan een zijde scharnierend is. De andere zijde van het traliewerk is vastgezet in- en aan het raamkozijn door een draaibare sluiting aan de boven en onderzijde van het hekwerk. Dit hekwerk kan middels een speciale sleutel worden ontsloten, waarna het hekwerk naar de binnenzijde draaiend geopend kan worden.

Er werden geen sleutels of verwijzingen naar de sleutels bij of nabij het traliewerk aangetroffen. De sleutels voor dit hekwerk bevonden zich achter, (het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van) de bar in het café De Hemel, op een zodanige hoogte dat deze voor het publiek niet of nauwelijks waarneembaar waren. De ramen aan de voorzijde van café De Hemel golden niet als officiële nooduitgang of vluchtweg. Zij hadden als vluchtmogelijkheid kunnen dienen, wanneer zij niet (af)gesloten waren geweest gedurende die bewuste nacht (zie voor de bevindingen met betrekking tot de voorpui van café De Hemel: map project WirWar, pp. 10 en 11 en processen-verbaal van technisch onderzoek, Bijlage B, pp. 2.2. en 2.3.).

Blijkens getuigenverklaringen (zie bewijsmiddelen dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld) hebben velen getracht zich via deze raampartij aan de voorzijde van het café in veiligheid te brengen. Eveneens blijkt dat veel slachtoffers hebben verklaard dat zij pas lucht kregen toen de ramen aan de voorzijde van café De Hemel waren ingeslagen. Uiteindelijk is na veel moeite het traliewerk voor deze ramen geforceerd, waardoor slachtoffers de gelegenheid de gelegenheid kregen naar buiten te vluchten.

Door het naar binnendraaiend (afgesloten) traliewerk voor de ramen werd de mogelijkheid tot redding en ontkoming ernstig bemoeilijkt en vertraagd.



Met betrekking tot de panieksluiting aangebracht op de nooduitgang in de zijgevel van café De Hemel kan ik kort zijn.

Op zichzelf behoeft het ondersteboven monteren van een panieksluiting, hoewel niet logisch, de werking ervan niet per definitie negatief te beïnvloeden In casu werd een adequate werking van deze panieksluiting echter belemmerd door het feit dat zich vlak daarboven een balk bevond, waardoor deze nooddeur eerst door een onderhandse greep naar boven kon worden geopend. Niet alleen werd de zichtbaarheid van deze panieksluiting door deze op de nooddeur gemonteerde balk (zeker bij uitvallen van de verlichting en door drukte) belemmerd, maar vooral werd het onmiddellijk gebruik van die panieksluiting op de nooddeur belemmerd. Dit blijkt niet alleen uit de bevindingen van het technisch onderzoek (map I, project WirWar, pp. 14 en 15, fotonummers II-19 en II-20 (p.33) en voor juiste montage zelfde map foto's 7 t/m 9 (pp. 50 en 51) en map B, processen-verbaal van technisch onderzoek pp. 2.3 en 2.4 en map B, fotomap technische recherche fotonrs. 2.17 t/m 2.19 en 2.21), maar tevens uit vele getuigenverklaringen.

Uit deze verklaringen blijkt dat verschillende personen (ik verwijs naar hetgeen hieromtrent eerder in het requisitoir is opgemerkt en verzoek u die verklaringen hier als ingelast te beschouwen ) hebben getracht deze nooddeur te openen, zonder dat hen dat gelukte.

Uit een enkele verklaring citeer ik:



Th.J. L. (verklaring D087): " De deur van deze nooduitgang kreeg men in eerste instantie niet open. Ik werd hierna naar de voorzijde van het pand geduwd alwaar anderen bezig waren de ramen kapot te slaan. Dit lukte op een gegeven moment. Hierna werd een tralienetwerk verwijderd, waarna het publiek naar buiten kon komen (…).



E.G.M. B. (D 007) verklaart zelfs: "U vraagt mij waarom ik niet naar die deur ben gegaan om te vluchten als dat een nooduitgang was. Toen ik zag dat een barkeeper die daar werkt tegen de deur van een nooduitgang aan ging slaan en schoppen betekende dat voor mij dat die deur niet open kon en ik daardoor ook niet weg kon komen".

Uiteindelijk is zij ontkomen via de ramen aan de voorzijde van het pand.



N.E.M. M. (D099) verklaart: " Ik heb geprobeerd om de stang van deze nooddeur naar beneden open te duwen. Dit lukte niet. Boven de stang zit een balk. Ik denk dat ik op de stang van de deur heb gedrukt maar weet dit niet zeker. Het kan zijn dat ik op de houten balk erboven heb gedrukt."



Het is derhalve evident dat niet alleen de zichtbaarheid, maar ook het gebruik van de panieksluiting op deze nooduitgang werd belemmerd.

Op grond van het vorenstaande acht het Openbaar Ministerie ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.




5. Kwalificatie



Het Openbaar Ministerie komt tot de volgende kwalificaties:



Ten aanzien van Jan Veerman:

1. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor levensgevaar voor anderen ontstaat en terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft,



2. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten van de dood van een ander, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd,



3. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn, dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd,



4. Handelen in strijd met artikel 6.2.1 lid 1 Bouwverordening gemeente Edam-Volendam jo. Bijlage 3, artikel 13



5. Handelen in strijd met het gestelde in artikel 6.3.2 onder a en b Bouwverordening gemeente Edam-Volendam



Ten aanzien van Laura Veerman :

1. Medeplegen van het aan haar schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor levensgevaar voor anderen ontstaat en terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft,



2 en 3: vrijspraak



Ten aanzien van John Veerman :

1. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor levensgevaar voor anderen ontstaat en terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft



2. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn van de dood van een ander, meermalen gepleegd



3. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn, dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd,




6. Strafbaarheid



De verdachten zijn strafbaar.



Mijn collega zal hierna ingaan op de strafmaat.




7. Strafmaat



In het Nederlandse strafrechtstelsel is algemeen aanvaard dat de ernst van de gevolgen in de strafoplegging moet doorwerken. Die gevolgen waren in deze zaak enorm. Veertien jongeren zijn ten gevolge van de brand overleden. Hun ouders, broers, zussen, familie en vrienden zullen daarmee verder moeten leven, elke dag opnieuw. Meer dan honderd zwaar gewonden van wie een groot aantal hun dromen niet meer zal kunnen waarmaken. Elke dag opnieuw worden zij lichamelijk danwel psychisch geconfronteerd met de brand van 1 januari 2001.

Ook de Volendamse gemeenschap zal nooit meer dezelfde zijn. Men spreekt tegenwoordig over het Volendam van voor en na de ramp. Voor veel Volendammers zal de jaarwisseling voor altijd verbonden blijven met de afschuwelijke beelden uit die nacht.

Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie kunnen deze gevolgen niet anders dan in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf tot uitdrukking komen.

Het Openbaar Ministerie is zich er van bewust dat een vrijheidsstraf voor de verdachten een zware straf is, in aanmerking genomen de omstandigheid dat ook de verdachten deze gevolgen niet hebben gewild.

Maar het onnoemelijk leed dat door ernstige onnadenkendheid en nalatigheid aan derden is toegebracht, moet zwaarder wegen dan het enkele gegeven dat de verdachten deze gevolgen niet hebben gewild.

Ter terechtzitting hebben de verdachten aangegeven dat deze ramp hen is overkomen.

Het Openbaar Ministerie is evenwel van oordeel dat de verdachten deze ramp hebben laten gebeuren. Hun handelen dient te worden gekwalificeerd als ernstig onnadenkend en nalatig.

Over opmerkingen van derden betreffende de veiligheid werd luchthartig heengestapt; op deze wijze hebben verdachten, in het bijzonder Jan Veerman, een onthutsend gebrek aan respect getoond voor de veiligheid en levens van vele jongeren die café De Hemel bezochten.



In de media is vaak gesteld dat Nederland vol Veermannen zit, en dat een ramp als deze in heel Nederland had kunnen gebeuren. Die stelling is strafrechtelijk gezien niet van belang voor deze verdachten. Want het is in café De Hemel in Volendam gebeurd, en niet ergens anders.

Wel beoogt deze eis mede preventieve werking te hebben, met name voor die horeca-ondernemers die van oordeel zijn dat zij niet verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en gezondheid van hun cliëntèle onder verwijzing naar gebrekkige controle door de gemeente.



Gelet op de onderlinge verschillen in de mate van schuld tussen de verdachten ziet het Openbaar Ministerie aanleiding om verschillende straffen te vorderen.



Wat betreft de hoogte van de strafmaat:

Het Openbaar Ministerie houdt ten aanzien van Jan Veerman rekening met het gegeven dat hij de eigenaar was van het café. Hij moet eindverantwoordelijk worden gehouden voor al hetgeen er in het café gebeurde en vooral voor hetgeen er niet gebeurde.

Voorts wenst het Openbaar Ministerie met nadruk rekening te houden met de houding van Jan Veerman, die zich naar eigen zeggen (K2 en K3) niet verantwoordelijk voelt voor de ramp, die tijdens nabezoeken in café De Hemel stelde dat de jeugd maar flink moet zeuren zodat hij weer een vergunning krijgt (aanvullend A-pv) en die ter terechtzitting volhoudt dat hij geen enkele fout heeft gemaakt in de bedrijfsvoering en dat hij nooit heeft verzaakt.



Al met al betekent dit dat het Openbaar Ministerie zich in de zaak van Jan Veerman genoodzaakt ziet de maximale gevangenisstraf te vorderen die op basis van de wettelijke bepalingen is toegestaan.

Geen enkele andere straf doet recht aan de enorme gevolgen voor de gehele Volendamse gemeenschap.
Jan Veerman is eerder in aanraking geweest met Justitie voor een andersoortig delict; artikel 63 Sr is van toepassing.



Ten aanzien van de feiten 4 en 5: deze feiten onderstrepen nog eens dat Jan Veerman, in tegenstelling tot hetgeen hij daar zelf over zegt, zijn zaak niet op orde had. De telastegelegde feiten zijn tekortkomingen die rechtstreeks te maken hebben met zijn bedrijfsvoering. Om dit te onderstrepen acht het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke geldboete voor elk van deze feiten dan ook op zijn plaats.



Ten aanzien van John Veerman geldt dat hij niet eerder in aanraking is geweest met Justitie. Hem verwijt het Openbaar Ministerie met name dat hij vanaf 20 oktober 2000 als bedrijfsleider in de Wirwar meer dan anderen die daar werkzaam waren, (mede) verantwoordelijk was voor de bedrijfsvoering. Hij heeft meegeholpen met het ophangen van de kerstversiering. Hij stond op de bewuste avond op een plek achter de bar in café De Wir War, van welke plek hij uitzicht had op de drukte die richting café De Hemel ontstond. Hij had kunnen en moeten ingrijpen. Hij was de eindverantwoordelijke op dat moment.



Ook aanzien van Laura Veerman houdt het Openbaar Ministerie rekening met het gegeven dat zij niet eerder in aanraking is geweest met Justitie. Zij was werkzaam in de WirWar, zij heeft zich bezig gehouden met het te laag ophangen van de kerstversiering. Waar zij op de zitting van 26 juni jl. verklaarde zeer kritisch te zijn geweest omtrent het gebruik van piepschuim ten behoeve van een Après Ski feest, daar had zij minstens zo kritisch dienen te zijn ten aanzien van brandbare kerstversiering.

Alles overziende, en rekening houdend met de bewezenverklaringen, de onderlinge verhoudingen tussen de verdachten, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachten komt het Openbaar Ministerie tot de volgende eisen:

Ten aanzien van Jan Veerman:

Voor de feiten 1, 2 en 3: een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden

Feit 4: 1.000 euro, bij niet betaling of geen verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis

Feit 5: 1.500 euro, bij niet betaling of geen verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis

Het Openbaar Ministerie heeft overwogen om tegen Jan Veerman ten aanzien van de feiten 1, 2, en 3 naast een gevangenisstraf tevens een geldboete te vorderen. Het argument dat daar voor pleit, namelijk dat het gebeuren in de visie van het Openbaar Ministerie mede heeft kunnen plaatsvinden door de uitsluitend op winst gerichte bedrijfsvoering door Jan Veerman, dat argument weegt niet op tegen de vraag of een geldboete passend is voor een strafbaar feit waarbij veertien jongeren zijn omgekomen en zovelen gewond zijn geraakt. Dit enorme leed valt niet in geldboetes uit te drukken en valt niet af te kopen.

Daarnaast wordt Jan Veerman ook een economisch feit tenlastegelegd, betreffende dat hij in strijd met het bepaalde in de Drank- en Horecawet zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders een cafébedrijf aan de Haven 154-156 heeft uitgeoefend. Het Openbaar Ministerie eist hiervoor een geldboete van 500 euro, bij niet betaling of geen verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis

Ten aanzien van John Veerman:

Voor de feiten 1, 2, en 3: Een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden

Ten aanzien van Laura Veerman:

Vrijspraak voor de feiten 2 en 3

Voor feit 1: Een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden

 

 

 


LJN: BJ8264, Raad van State 200902518/1/H3
Datum uitspraak: 23-09-2009
Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 februari 2009 in zaak nr. 08/74 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2005 heeft appellant (hierna: het college) een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van alle aan het deelrapport "Het derde klaphek voorbij?" ten grondslag liggende stukken, waaronder gespreksverslagen met respondenten, afgewezen.

Bij besluit van 19 november 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2009, verzonden op 5 maart 2009, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nog nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

[wederpartij] heeft desgevraagd toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door mr. E.P.J. Jaspar, hoofd afdeling juridische zaken van de Erasmus Universiteit Rotterdam, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet onder intern beraad verstaan: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan eenieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Ingevolge het tweede lid kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

2.2. In opdracht van de 'Commissie onderzoek cafébrand nieuwjaarsnacht 2001' heeft het Centre for Local Democracy van de faculteit Sociale Wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam in 2001 het rapport "Het derde klaphek voorbij? een analyse van de Volendamse bestuurscultuur" (hierna: rapport) uitgebracht. In het kader van de totstandkoming van dat rapport hebben vier onderzoekers gesproken met de in bijlage II bij dat rapport vermelde personen. Het verzoek om openbaarmaking ziet op de verslagen van die gesprekken.

2.3. Aan het besluit van 19 november 2007 heeft het college in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat, zowel de onderzoekers, als de respondenten, door openbaarmaking van die verslagen onevenredig worden benadeeld. Wat betreft de onderzoekers is daartoe aangevoerd dat door openbaarmaking de aan de respondenten en de opdrachtgever toegezegde vertrouwelijkheid wordt geschonden, hetgeen gevolgen kan hebben voor de bereidwilligheid in de toekomst om aan dergelijk onderzoek deel te nemen, hetgeen toekomstig onderzoek kan bemoeilijken. De respondenten worden door openbaarmaking onevenredig benadeeld, omdat hun functioneren in de Volendamse gemeenschap, dan wel Volendamse politiek, daardoor in het gedrang kan komen. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat de respondenten nog in de Volendamse gemeenschap en politiek actief zijn en door de door hen vertrouwelijk gedane uitlatingen in verlegenheid kunnen worden gebracht. Anonimisering van de verslagen biedt geen soelaas, omdat door vermelding van de namen en functies van de respondenten in bijlage II bij het rapport, de verslagen steeds tot personen herleidbaar zijn, aldus het college.

Het college heeft verder aan dat besluit ten grondslag gelegd dat het belang van openbaarmaking niet tegen dat van de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer van de respondenten opweegt. Bovendien zijn de verslagen ten behoeve van intern beraad opgesteld en bevatten deze opmerkingen van respondenten en daarmee verweven feitelijke informatie, alsmede observaties, al dan niet voorlopige werkhypothesen, interpretaties en persoonlijke opvattingen van de onderzoekers. De feitelijke informatie is zozeer met de meningen van de respondenten en de observaties van de onderzoekers verweven, dat het niet mogelijk is deze van elkaar te scheiden, aldus het college.

2.4. De rechtbank heeft het besluit van 19 november 2007 onzorgvuldig voorbereid geacht, omdat het college het verzoek om advies aan de adviescommissie bezwaarschriften van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: de adviescommissie) heeft ingetrokken, hoewel de adviescommissie in het eerder door haar uitgebrachte advies niet op de weigeringsgronden van de Wob was ingegaan.

Verder heeft het college volgens de rechtbank ten onrechte niet per document afgewogen of aan de belangen die betrekking hebben op intern beraad, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige benadeling zodanig gewicht toekomt, dat openbaarmaking daarvan achterwege moet blijven.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat persoonlijke beleidsopvattingen en feiten zodanig met elkaar zijn verweven, dat deze niet van elkaar kunnen worden gescheiden. Het was aan het college om per document of onderdeel daarvan een nadere motivering te geven. Het college heeft tevens miskend dat een beroep op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet kan worden gedaan, nu het in dit geval gaat om het beroepsmatig functioneren van bestuurders of ambtenaren en het onderzoek, nu het in opdracht van derden is verricht, geen beoefening van de vrije wetenschap is.

2.5. Het college betoogt allereerst dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het niet gehouden was om na de vernietiging van het eerdere besluit op bezwaar van 30 maart 2006 het hernieuwde besluit wederom door de adviescommissie te laten voorbereiden. De Awb, noch het reglement van orde van de adviescommissie, verplichtte daartoe, aldus het college.

2.5.1. Dat betoog slaagt. De enkele omstandigheid dat de adviescommissie door intrekking van het verzoek daartoe niet opnieuw advies heeft uitgebracht, betekent niet dat het besluit van 19 november 2007 niet zorgvuldig is voorbereid. De Awb, noch het reglement van orde van de adviescommissie, schept de verplichting de adviescommissie in te schakelen en geen van beide verzet zich tegen intrekking van een adviesaanvraag. In het door [wederpartij] geuite verzoek om bespoediging van de besluitvorming na de vernietiging van het eerdere besluit van 30 maart 2006 heeft het college aanleiding mogen zien de adviesaanvraag in te trekken, waarbij mede in aanmerking is genomen dat het verzoek om openbaarmaking op 1 augustus 2005 tot het college is gericht.

2.6. Het college betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat het voor ieder document afzonderlijk een afweging had behoren te maken tussen het belang van openbaarmaking en de belangen die zich daartegen verzetten, heeft miskend dat de aan de weigering ten grondslag liggende argumenten voor alle documenten gelijkelijk gelden en afzonderlijke beoordeling niet tot een andere uitkomst zou leiden, omdat het steeds gaat om dezelfde soort documenten met vergelijkbare impressies en interviewresultaten.

2.6.1. De Afdeling heeft kennis genomen van de documenten, waarvan de openbaarmaking is verzocht. Het betreft verslagen van interviews die door vier onderzoekers met personen uit het Volendamse bestuur, de Volendamse gemeenschap en enkele buitenstaanders zijn gehouden over de in de gemeente Edam-Volendam heersende bestuurscultuur. De interviews hebben plaatsgevonden aan de hand van een lijst met gesprekspunten en volgens een gespreksprotocol. De verslagen daarvan bevatten impressies en opvattingen van de geïnterviewden en observaties en interpretaties van de onderzoekers.

De verslagen zijn tot stand gekomen na gesprekken die via een vast stramien verliepen en werden gevoerd door een beperkt aantal onderzoekers. Zij komen naar aard, inhoud en onderwerp in hoge mate overeen. Verder bevatten ze slechts sporadisch feitelijke informatie en voor zover dat al het geval is, dient deze vrijwel steeds louter ter illustratie van in dat gesprek geuite opvattingen. Alhoewel in beginsel per document of onderdeel daarvan moet worden gemotiveerd dat aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten doorslaggevend gewicht toekomt, heeft het college er onder deze omstandigheden in dit geval van mogen afzien om dat per document of onderdeel daarvan te doen omdat dat slechts tot herhalingen zou leiden en geen redelijk doel zou dienen. Ook dit betoog slaagt.

2.7. Het college betoogt voorts dat de rechtbank, door het uitgebrachte rapport niet als het resultaat van de beoefening van de vrije wetenschap aan te merken, omdat het in opdracht en tegen betaling is opgesteld, er aan voorbij is gegaan dat dergelijk onderzoek wordt verricht aan de hand van wetenschappelijke methoden, analyses, interpretaties en vaardigheiden. De opdracht is aan de onderzoekers verstrekt in verband met de in het Centre for Local Democracy aanwezige kennis en expertise. Omdat het rapport het resultaat is van vrije wetenschap, staat de academische vrijheid, zoals de rechtbank ook heeft aanvaard, aan de openbaarmaking van de gespreksverslagen in de weg, aldus het college. Van het oordeel dat de academische vrijheid zich tegen openbaarmaking verzet dient volgens hem thans te worden uitgegaan, omdat [wederpartij], door geen hoger beroep in te stellen, in dat oordeel van de rechtbank heeft berust.

2.7.1. Het betoog van het college dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de academische vrijheid zich tegen openbaarmaking van de gespreksverslagen verzet en daar in hoger beroep van behoort te worden uitgegaan, omdat daartegen niet is opgekomen, faalt omdat dat berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft niet overwogen dat de academische vrijheid aan openbaarmaking in de weg staat. Ook overigens faalt het betoog reeds omdat de academische vrijheid niet als grond van weigering van openbaarmaking is aangegeven.

2.8. Het college betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat niet aannemelijk is dat door openbaarmaking de persoonlijke levenssfeer van de respondenten op onaanvaardbare wijze zou worden geschaad, een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd. Ter beoordeling stond of het college zich op het standpunt mocht stellen dat de persoonlijke levenssfeer wordt geschaad.

2.8.1. Dat betoog slaagt. Het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob vereist een afweging tussen het veronderstelde belang van openbaarmaking en dat van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Onderzocht diende dan ook te worden of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verzochte openbaarmaking zodanige inbreuk op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zou opleveren, dat het belang van de eerbiediging daarvan groter gewicht toekwam.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep tegen het besluit van 19 november 2007 behandelen, voor zover dat nog nodig is na hetgeen hiervoor is overwogen.

2.10. [wederpartij] betoogt dat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de opdracht voor het onderzoek heeft verstrekt en het heeft bekostigd en de academische vrijheid niet mag worden misbruikt om documenten aan de openbaarheid te onttrekken. Op deze wijze kan de Wob buitenspel worden gezet door onderzoeksopdrachten aan universiteiten te verstrekken, aldus [wederpartij]. Volgens hem kan de academische vrijheid slechts in het kader van de toepassing van de artikelen 10 en 11 van de Wob worden betrokken, waarbij het belang van openbaarheid voorop dient te staan. De weigering de verslagen openbaar te maken onttrekt deze aan het publieke debat. Het college heeft dan ook een onjuiste belangenafweging gemaakt, aldus [wederpartij].

2.10.1. Hetgeen in beroep is aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van de gespreksverslagen tot onevenredige benadeling van de geïnterviewden en de onderzoekers zal leiden. Daartoe heeft het in aanmerking mogen nemen dat de geïnterviewden, vertrouwelijkheid is toegezegd en aannemelijk is dat betrokkenen mede om die reden, relatief kort na de cafébrand, aan het onderzoek hebben meegewerkt. Het college heeft voorts aannemelijk mogen achten dat de toegezegde vertrouwelijkheid mede bepalend is geweest voor de wijze waarop de geïnterviewden zich over de Volendamse bestuurscultuur en hun ervaringen daarmee hebben uitgelaten en in aanmerking mogen nemen dat het openbaar maken van deze uitlatingen onder deze omstandigheden ernstige gevolgen kan hebben voor de geïnterviewden. Daarbij heeft het mogen betrekken dat veel geïnterviewden nog in de Volendamse politiek, althans gemeenschap actief zijn, dan wel daar woonachtig zijn.

Het in beroep aangevoerde geeft evenmin grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van de gespreksverslagen tot onevenredige benadeling van de onderzoekers kan leiden. Het heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat aannemelijk is dat schending van de toegezegde vertrouwelijkheid belemmerend kan werken om in de toekomst personen bereidwillig te vinden om aan onderzoek mee te werken, indien het object daarvan publicitair gevoelig is en het onderzoek relatief kort na de aanleiding ervan wordt uitgevoerd. Voorts heeft het in aanmerking mogen nemen dat de onderzoekers voor het kunnen doen van onderzoek in belangrijke mate van de inbreng van geïnterviewden afhankelijk zijn.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van openbaarmaking in dit geval niet opweegt tegen dat van het voorkomen van onevenredige benadeling voor de geïnterviewden en de onderzoekers en daarbij gewicht heeft mogen toekennen aan de omstandigheid dat het rapport, dat mede op de informatie uit de gehouden interviews is gebaseerd, openbaar is gemaakt en door de onderzoekers in het openbaar is toegelicht, zodat ook zonder openbaarmaking van de gespreksverslagen publiek debat over de desbetreffende bestuurlijke aangelegenheid kon plaatsvinden.

2.11. Nu het college zich op het standpunt mocht stellen dat het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling aan de openbaarmaking van de gespreksverslagen in de weg staat, hoeft op de vraag of het zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ook andere belangen zich tegen openbaarmaking verzetten niet te worden ingegaan.

2.12. Het inleidende beroep is ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 februari 2009 in 2009 in zaak nr. 08/74;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

307.

 

 

Opstand Openbaar Ministerie tegen de rechtstaat! De moord op Pim kost Nederlanders veel vrijheid (van meningsuiting) en een Fortuyn

1. Pim Fortuyn over Openbaar Ministerie: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"

2. Ministerie van Justitie: Toch wist justitie zo ongeveer een uur na de moord al te melden, dat Folkert van der G. in zijn eentje opereerde.

3. Openbaar Ministerie: Politie en de voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) hebben een zeer vergevorderd onderzoek naar links-radicale dierenactivisten moeten staken omdat het openbaar ministerie de geldkraan vorig jaar pardoes dichtdraaide.

332 POM & Fortuyn Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"
193 POM & Fortuyn Toeschrijven naar conclusie bekende truc overheid om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat
482 POM & Fortuyn Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
487 POM & Fortuyn Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden"
183 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers
182 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd
288 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor kamerleden/onderhandelaars LPF
178 POM & Fortuyn De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak 
281 POM & Fortuyn Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers
280 POM & Fortuyn Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn
282 POM & Fortuyn Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat 
275 POM & Fortuyn Demmink zou LPF-minister Nawijn hebben gewaarschuwd geen lijsttrekker te worden omdat LPF uit criminelen zou bestaan
485 POM & Fortuyn Rene Diekstra op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn
486 POM & Fortuyn Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy 
286 POM & Fortuyn Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond
391 POM & Fortuyn Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" 
105 POM & Fortuyn Toelichting officier ter terechtzitting Amsterdam in strafzaak verdachte moord Fortuyn
483 POM & Fortuyn Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuyn

Eerbetoon aan openbare kritiek op de rechtspraak in Nederland van Moszkowics advocaten
285 Mr. Moszkowicz: Hijheeft als enige mij correct behandeld en was naar eigen zeggen niet thuis in het gezondheidsrecht
160 Mr. Moszkowicz: Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest
212 Mr. Moszkowicz: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft in handen van de gesubsidieerde voogdij
089 Mr. Moszkowicz: "Onbegrijpelijk dat zoveel advocaten dubbelfunctie rechter-plaatsvervanger vervullen
332 Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!


PAR POM Met groot materieel en politie wordt op 19 maart 2014 in Ermelo uitgerukt om een paar Groep Hop verkiezingsborden weg te halen
(562) POM Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!
(224) POM Groep Hop is tegen De Sleepwet om iedere burger ongecontroleerd af te kunnen luisteren
(114) POM De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is de beroepsvereniging van rechters en officieren van Justitie in Nederland
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(305) POM Hoofdofficier van Justitie van Gend weigert strafvervolging in te stellen tegen het feit dat 200 rechters van de rechtbank Den Haag nevenfuncties niet hebben opgegeven
(306) POM Op 27 januari 1998 stelt Hop de vraag in een persbericht: Is er een complot van het Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen de democratische rechtsstaat?
(323) POM Bolkenstein: "Het ziet er echter naar uit dat het OM, gesteund door de rechters, verenigd in de belangenvereniging NVvR (Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak), zich en bloc tegen de minister en de Tweede Kamer keren"
(307) POM Persverklaring College van Procureurs-generaal: Reorganisatie Openbaar Ministerie is een onomkeerbaar proces dat hoe langer hoe meer op de parketten gestalte krijgt
(188) POM Opslaan internetsporen 'erger dan de Stasi, Met EU richtlijn om op grote schaal verkeersgegevens op te slaan is Europa een grote politiestaat geworden
(273) POM Mobiele telefoon. Wetsvoorstel en besluit vorderen gegevens telecommunicatie
(292) POM Iemand die 'foute' denkbeelden of activiteiten heeft of 'foute' mensen kent, loopt de grootste kans om door de overheid afgeluisterd te worden. Afhankelijk van de overheid kan 'fout' crimineel, te sociaal, te kritisch, te nieuwsgierig, buitenlands of simpelweg 'politiek anders georiënteerd' betekenen,
(334) POM Misbruik van bevoegdheden door de overheid en Justitie is van alle tijden. Wie zich niet coöperatief opstelt, kan door een overheid als geestesziek worden aangemerkt
(370) POM Het Openbaar Ministerie, de politie en de veiligheidsdiensten willen wetten aanpassen en oprekken om het opslaan en uitwisselen van gegevens, die op geen enkele manier op onjuistheid getoetst zullen worden, over niet-verdachte burgers mogelijk te maken
(414) POM Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 27 mei 1997 geeft inzicht in werkwijze openbaar ministerie en politie en het opslaan van gegevens over burgers in allerlei geheime dossiers
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
(475) POM Politie en camera's: Verkeerscamera's kunnen ook mooi gebruikt worden om te bepalen welke voertuigen zich waar in het land bevinden
(508) POM & Sleepwet VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(622) POM VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(623) POM Van alle elektronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar Justitiële Informatiedienst (JustID) Almelo
(624) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil de vrijheid om het doen en laten van de hele bevolking vast te leggen"
(626) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil dat de politie gegevens opslaat over alle burgers ook die niet worden verdacht worden van strafbaar feit
(627) POM Nederlanders worden massaal afgeluisterd met keur aan middelen voor politie en Justitie om mobiele telefoons af te tappen
(628) POM De 'geheime' internet tapkamer van de overheid. Hoe weet je als burger dat je internetverkeer afgetapt wordt?
(629) POM Verdrag Draft Convention on Cybercrime voor betere wetgeving vooral goed voor politie en justitie maar niet voor de industrie en de samenleving
(630) POM Nieuwe ontwikkelingen in Amerika tonen aan hoe burgers nog verder in de gaten gehouden gaan worden door overheden
(631) POM Echelon, Amerika luistert mee ook met de meest geheime bedrijfseconomische informatie.
(688) POM Hop: Koopkracht burgers daalt opnieuw bij invoering kilometerheffing voor vrachtverkeer! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten kunnen houden door invoering van kilometerheffing
(239) POM De staat mag complete woonwijk afluisteren, communicatie gegevens van alle bewoners opslaan en uitwisselen met buitenlandse veiligheidsdiensten.
(203) POM Politie wil identificatieplicht op anoniem communiceren De politie wil dat anoniem internetten en het anoniem kopen van prepaid telefoonkaarten verboden wordt
(609) POM Transparant Openbaar Ministerie: "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(332) POM Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

 

De zevende WET van Hop: Rechtersleger en POM-ambtenaren zijn partijdig voor personeel van de overheid en deinzen niet terug voor fraude

POM 1. Overheid tegen de burger:
Inleiding met wat "sfeerverslagen" hoe de rechtspraak werkt in Nederland.

(1) Kinderbescherming & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Zutphen met kinderrechter tevens President Soroptemistenclub
(137) De complete Nederlandse jeugdzorg tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting jeugdzorg klachtencommissie, klachten Hop gegrond maar dat hielp natuurlijk niet!
(300) Hop moet bloeden schrijft vervolgens de jeugdzorg advocaat met baantjes in de kerk en school: Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304.
(80) POM & "jeugdzorg" & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Assen met een "onpartijdige rechter".

Aanhouding:
(550) POM Onschuldig geboren maar jouw gegevens worden door de gemeente gelijk naar het Justitieel Documentatiecentrum gestuurd
(134) POM Zorg dat u de omschrijving van een VERDACHTE uit uw hoofd kent
(409) Voorbeeld verzoek burger bij aanhouding en/of na een staande houding
(597) POM Waarom werd de witte Iphone van Weber in beslag genomen voor NFI onderzoek omdat Weber het politieoptreden gelijk filmde?
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
Verhoor:
(420) POM Openbare meningsvorming inzake "natuurlijk persoon"
(263) POM Hop klachten over onvolledig PV horen verdachte/hoorzitting rechter voorkomen door zelf opnames te maken
(347) POM Videoconferentie heeft ten opzichte van een directe confrontatie een geringere communicatiewaarde!
(367) POM & verhoor De Velpse verhoormethode! Respectloze behandeling van een burger door de politie
(289) POM & verhoor De Gelderse Verhoormethode! Een vader mocht een minderjarige niet bijstaan bij verhoor door de politie
PV:
(747) POM & PV Klacht tegen politie Lelystad inzake opmaken proces-verbaal
(241) POM & PV Waarom mocht Weber het door de politie Lelystad opgemaakte PV niet lezen?
(284) POM & PV Waarom weigerde de politie Lelystad Weber afschrift kopie PV met zaaknummer?
(225) POM & verhoor Politie Lelystad tegen Weber Lelystad inzake identificatieplicht
Aangifte POM & dossier Politie weigert Hop dossier! Aangifte tegen Hop na publicatie over "succesvolle tegenwerking" Groep Hop Lelystad
(596) POM Hoeveel personen zijn inmiddels betrokken bij een eenvoudig zaak dat escaleert door politiegeweld uit de polder?
(435) POM & PV Indien je als opsporingsambtenaar een strafbaar feit vaststelt, moet je een proces-verbaal opmaken
DNA:
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(560) POM Het Openbaar Ministerie probeert, na de sleepwet, ook van iedere burger DNA te verzamelen met een sponsje
Aangifte tegen ambtenaren overheid:
(746) POM Voorbeeld aangifte 746 tegen politie, inzake ontbreken van grondslag voor identificatieplicht
(743) POM Voorbeeld aangifte 743 tegen politie, geen vermelding beroepsmogelijkheden onder beslissing afpoeieren van uw aangifte
Voorbeeldbrieven dossiers
(112) POM Het complot! Een vader heeft geen recht op inzage dossier van zijn kinderen bij de politie
(206) POM & dossier politie. Voorbeeldbrief verzoek aan politie om afschrift dossier door verdachte
(343) POM & dossier OM. Voorbeeldbrief verzoek aan Openbaar Ministerie om afschrift dossier door verdachte
Hoorzitting rechtbank
(205) POM Verweer Weber tegen termijnoverschrijding Openbaar Ministerie wordt genegeerd door de "onafhankelijke rechter"
(548) POM & dossier rechtbank. Voorbeeldbrief verzoek aan rechtbank om afschrift/inzage dossier voor de hoorzitting door verdachte
(510) POM & dossier Wet openbaarheid van bestuur Betreft een verzoek van een burger om overlegging van stukken welk verzoek door de Officier van Justitie is afgewezen
Vrijheid ontneming
(115) POM Vormverzuim onrechtmatige vrijheid ontneming verdachte door Openbaar Ministerie Rechtbank & Rechtbank dossier:
(242) POM Bij voortzetting van het vooronderzoek na het betekenen van de dagvaarding in eerste aanleg en na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, ook in geval van onderzoek onder leiding van de officier van justitie, aan de verdediging, in het belang van het onderzoek, kennisneming van processtukken kan worden onthouden.
(294) POM Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM.
Partijdigheid rechters voor ambtenaren overheid:
(210) Verwijs steeds naar jurisprudentie over "procederen" om nevenfuncties m.b.t. rechtspraak te verkrijgen!
(341) POM Voorstellen RECHTERSLEGER om tot verbetering strafproces tegen burgers in het voordeel van de Staat te komen
(179) POM & rechtersleger "Rechters deinzen er tegenwoordig niet terug voor fraude om de staat, als deze partij is in een proces, aan het langste eind te laten trekken"
partijdigheid POM Politie gelijk partijdig voor CDA gemeente Ermelo tijdens Ermelose verkiezingen gemeenteraad!
(267) POM CDA Minister van Justitie: Een druppel is niet gevaarlijk maar een stroom holt de steen uit
(246) POM & jeugdzorg maatje CDA-er Donner: "Het is misplaatst en onverantwoord te zoeken naar de schuldigen in de zaak Savannah. We moeten ons verzetten tegen negatieve beeldvorming over de gezinsvoogdij!"
(229) POM & Jeugdzorg Korpschef Nationale politie niet goed genoeg voor de politie en wordt daarom directeur bij de jeugdzorg
(557) POM De Pikmeerarresten voorbeeld van politiek gekonkel en handjeklap rechtersleger met gemeente
(417) POM Waarom worden/kunnen, onder verwijzing naar de Pikmeerarresten, het gemeentebestuur en ambtenaren (autoriteiten) kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.
(558) POM Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het primair telastegelegde bewezenverklaard in die zin dat is aangenomen dat de verdachte, als hoofd van de afdeling nieuwe werken van de gemeente Boarnsterhim feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van die gemeente.
(201) POM Stemfraude? Knippen en plakken in Ermelose verkiezingsformulieren mag wel van Ermelose CDA burgemeester
(104) POM College van procureurs-generaal (hierna: het College) geweigerd appellant inzage te verstrekken in het rapport van de Rijksrecherche
(105) POM & Fortuyn, moord op Pim kost burger veel vrijheid van meningsuiting en een Fortuyn
(109) POM Criminoloog Cyrille Fijnaut onderzocht de georganiseerde misdaad voor Van Traa
(129) POM Veroordeling journalist Undercover in Nederland
(194) POM en afhandeling strafzaken tegen CDA elite "achter gesloten deuren"..... Fotomodel tegen CDA-er Eurlings. Welke bijbaantjes met VOG heeft deze Eurlings?
(515) POM Rechtbank Den Haag: "Geen straf voor bevoorrading coffeeshop met drugs in Nederland
(309) POM Geheime brief vuurwerkramp kraakt bewijs, Mogelijk geknoei Tolteam
(278) POM IRT klokkenluiders van Belzen en Limmen tegen Justitie Haarlem
(296) POM Eindrapport Commissie Traa HOOFDSTUK 4 OBSERVATIE
(449) POM Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking kenmerk werkwijze Openbaar Ministerie in de zaak Nienke Kleiss
(260) POM & Novacap tulpenfraude 1
(274) POM & Novacap tulpenfraude 2
(221) POM & Novacap tulpenfraude 3
(223) POM & Novacap tulpenfraude 4
(314) POM & Novacap tulpenfraude 5
(402) POM & Novacap tulpenfraude 6
(421) POM & Novacap tulpenfraude 7

 

 

 

POM 2. Burger tegen overheid:
Inleiding met wat "sfeerverslagen" hoe de rechtspraak werkt in Nederland.

(1) Kinderbescherming & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Zutphen met kinderrechter tevens President Soroptemistenclub
(137) De complete Nederlandse jeugdzorg tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting jeugdzorg klachtencommissie, klachten Hop gegrond maar dat helpt natuurlijk niet!
(300) Hop moet bloeden schrijft vervolgens de jeugdzorg advocaat met baantjes in de kerk en school: Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304.<
(80) POM & "jeugdzorg" & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Assen met een "onpartijdige rechter".

(134) POM Zorg dat u de omschrijving van een VERDACHTE uit uw hoofd kent
(746) POM Voorbeeld aangifte 746 tegen politie inzake ontbreken van grondslag voor identificatieplicht
(743) POM Voorbeeld aangifte 743 tegen politie na geen vermelding beroepsmogelijkheden onder beslissing afpoeieren aangifte
(354) POM U kunt bij de politie alleen nog maar met DigiD aangifte doen via internet en inloggen op Mijn Politie.
(625) POM Checklist voor gewone Nederlander om aangifte te doen tegen personeel van de overheid
(381) POM Voorbeeldbrief klacht 381 tegen politie bij een weigering om een aangifte van een gewone Nederlander op te nemen met een verzoek om rechtsbescherming bij de burgemeester met een dwangsom van 1000 Euro per dag
(609) POM "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(377) POM De mr. T.K. Hoogslag-norm (28) inzake de pseudo-Officier van Justitie
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(74) POM & jeugdzorg Hop adviseert niet klagen tegen kinderbescherming! Bezwaar en beroep wordt toch onderdrukt. Dus aangifte doen!
(270) Jeugdzorgmentaliteit: Klager moet hetzelfde klachttraject overnieuw doen als de jeugdzorg niets heeft gedaan met gegrond verklaarde klachten. Dus aangifte doen!
(380) POM Wijziging van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen van overheidsorganen
Informanten:
Aangifte POM Aangifte tegen Hop na publicatie over "succesvolle tegenwerking" Groep Hop Lelystad
(269) POM & jeugdzorg De moeder van zeilmeisje Laura Dekker heeft de jeugdzorg en Raad voor de Kinderbescherming in het Algemeen Dagblad criminele organisaties genoemd
Na GBA fraude gemeente Ermelo wordt Hop met "gefabriceerd bewijs", "succesvolle tegenwerking" en "geheim overleg" aangepakt.
(818) POM & jeugdzorg Jeugdige daders die "Vlinder" zeer ernstig met lichamelijk letsel mishandelden worden niet vervolgd omdat die vervolging niet past in de Gelderland jeugdzorg conclusies
(111) POM Waar de overheid de enkeling niet beschermt in zijn vrijheid tegen de meerderheid of die juist zelf aantast zien we dictatuur
(559) Actie vaders tegen kinderbescherming in Zutphen! Medewerkers kinderbescherming onderworpen aan "verhoor" door vaders. Politie greep niet in!
Beroepschriften verkeersboetes:
(308) POM Commercieel belang bij verkeersboetes Een politiebeambte moet boeten voor te weinig bonnen!
(681) POM Agent mag bezwaar tegen zichzelf beoordelen en beslissen
(418) POM Productie 418 Jurisprudentie: Vervang parkeerbedrijf door de jeugdzorg of kinderbescherming waar u mee te maken heeft!
(232) Voorbeeldbrief bezwaar naheffingsaanslag parkeerbelasting
(191) POM Voorbeeld beroepschrift 191 tegen verkeersboete inzake "bestemmingsverkeer"
(235) POM Voorbeeld beroepschrift 235 verkeersboete inzake APK-boete inzake de overtreding voor het motorrijtuig zijn geldigheid heeft verloren
(330) POM Voorbeeld beroepschrift 330 verkeersboete inzake "gesimuleerde wegsituaties"
(331) POM Voorbeeld beroepschrift 331 tegen verkeersboete inzake "overschrijding maximum snelheid"
(364) POM Voorbeeld beroepschrift 364 verkeersboete inzake "verkeersboete voetganger (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan, feitcode R482
(372) POM Voorbeeld beroepschrift 372 tegen een opgelegde administratieve sanctie (boete) onder overlegging van aantoonbare feiten dat ik niet op die plaats geweest ben
(373) POM Voorbeeld beroepschrift 373 tegen een opgelegde administratieve sanctie (boete) voor een verkeersovertreding inzake handmatig bellen met een mobiele telefoon
(412) POM Voorbeeld beroepschrift 412 verkeersboete inzake "identificatieplicht"
(423) POM Openbaar Ministerie blijft gebruikers van lasershield of laserecho – indien de meting daadwerkelijk wordt verstoord – vervolgen voor “het belemmeren van een opsporingshandeling”
(240) POM Strafbaarstelling van het rijden onder invloed van bepaalde drugs en geneesmiddelen die de rijvaardigheid kunnen verminderen
(342) Ermelo. Vragen Hop over verkeersforum gemeente Ermelo levert nog meer bedenkingen op


Voorbeeld aangiften:
(441) Voorbeeld aangifte tegen jeugdzorg medewerkers inzake een jeugdzorgrapportage
(442) Voorbeeld aangifte tegen psycholoog jeugdzorg inzake psychologenrapportage
(513) Voorbeeld aangifte tegen politiemedewerkers inzake politie-PV
(462) Voorbeeld aangifte tegen medewerker kinderbescherming inzake kinderbeschermingrapportage
(516) Voorbeeld aangifte tegen griffier rechtbank inzake rechtbankgriffier-PV
(555) Voorbeeld aangifte tegen gerechtsdeurwaarder
(561) Voorbeeld aangifte tegen POM medewerkers, indien vervolging medewerkers overheden daadwerkelijk wordt verstoord, vervolgen voor belemmeren van een opsporingshandeling

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk Coördinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.