| Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304. |
Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel
Project bijbanen rechterlijke macht op internet
Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd
Project bijbanen bestuurders Nederlandse gemeenten op internet
Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen
Project bijbanen raadsgriffier op internet
Project bijbanen gemeentesecretaris op internet
Project namen en nevenfuncties commissie bezwaarschriften op internet
Innovatief en toekomstgericht: Project 31
Project beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger
Waarom worden/kunnen, onder verwijzing naar de Pikmeerarresten, het gemeentebestuur en ambtenaren (autoriteiten) kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd. Verdachten (het gewone volk) cafébrand Volendam wel voor de rechter moeten verschijnen
Memo OvJ's
B. Beune (Betty)/A. Peters (Anne)/Persovj J. Hartjes/Rechter R.E.A.
Toeter/Burgemeester F. IJsselmuiden/CDA-wethouder W. Visscher
417 Het gemeentebestuur en
ambtenaren (autoriteiten) kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.
Verdachten (het gewone volk) cafebrand Volendam voor de rechter. De cafébrand
heeft ook het gemeentebestuur van Edam-Volendam niet ongemoeid gelaten.
Burgemeester F. IJsselmuiden en CDA-wethouder W. Visscher traden eind maart 2001
af na de harde kritiek van een onderzoekscommissie op de rol van de gemeente. Anne Peters Ik ben gebiedsofficier in Edam/Volendam en ken de situaties en
gevoeligheden
Langdurig tijdverloop heeft een 'risico' van strafvermindering voor de verdachte
in zich. Maar daar is bij de cafébrand Volendam volgens Ed Hartjes absoluut
geen sprake. ,,Dat gebeurt als een relatief eenvoudige zaak lang stilligt. Maar
ook al heeft het lang geduurd; deze zaak is voortdurend in beweging geweest.
Requisitoir Volendam van A. Peters, Officier van Justitie en H.H.M. Beune, Officier van Justitie uitgesproken ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer d.d. 27 juni 2003
Requisitoir Volendam
In de zaken:
Naam: Johannes Nicolaas VEERMAN, Parketnummer: 15/030591-01
Naam: Laura Geertruida VEERMAN, Parketnummer: 15/030592/01
Naam: Johannes Gerardus Maria VEERMAN, Parketnummer: 15/030593/01
Uitgesproken ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer d.d. 27 juni 2003 A. Peters, Officier van Justitie en H.H.M. Beune, Officier van Justitie
Inhoudsopgave
1. Inleiding
Mijnheer de
voorzitter, leden van uw rechtbank,
Wij beginnen met enkele opmerkingen van praktische aard:
Dit
requisitoir is als volgt opgebouwd: we beginnen met enkele algemene
opmerkingen; vervolgens gaan we in op de start en inhoud van het onderzoek
van het Recherche Bijstands Team; daarna bespreken we de relevante
voorvragen en andere vragen met betrekking tot de vervolging; en
uiteindelijk zullen we de telastegelegde feiten en bewijsmiddelen bespreken,
waarna we onze eis zullen formuleren.
Omwille van de
duidelijkheid zullen wij in dit requisitoir de verdachten met voor- en
achternaam aanduiden.
Voorts zullen
wij elk een gedeelte van het requisitoir voor onze rekening nemen, waarbij
mijn collega de voorvragen, feit 4 en feit 5 zal bespreken
Volledigheidshalve merken wij op dat in de zaak van Jan Veerman aan het eind van dit requisitoir nog apart gerequireerd zal worden voor de Meervoudige Economische Kamer met betrekking tot de overtreding van de Drank- en Horecawet.
1.1 Inleiding
In de nacht van 31
december 2000 op 1 januari 2001, op een paar dagen na 2 en een half jaar
geleden, heeft in café De Hemel in Volendam een hevige brand gewoed, die
hooguit enkele minuten heeft geduurd. Deze brand kostte 14 jongeren het leven,
meer dan 100 jongeren raakten zwaargewond, en nog eens ruim 100 raakten
lichtgewond. Deze brand heeft diep ingegrepen in de levens van nabestaanden,
slachtoffers, hun familie en vrienden, en heeft de hele Volendamse gemeenschap
geraakt.
De gevolgen van deze ramp zijn nog iedere dag zichtbaar en voor een aantal van
de slachtoffers zal dat hun leven zo blijven.
Daarnaast zijn er mensen die op die avond wel in café de Hemel waren, maar niet
lichamelijk gewond zijn geraakt. Velen van hen kampen nog steeds met geestelijke
problemen. Dat geldt eveneens voor mensen die op die avond niet in het café
waren maar die de slachtoffers kort na het gebeuren hebben opgevangen en
geholpen.
1.2 Andere onderzoeken naar de brand
Het is duidelijk dat bij een ramp zoals deze al snel van diverse kanten druk ontstond om de oorzaak van deze ramp te achterhalen.
Daartoe zijn
verschillende onderzoekscommissies ingesteld. De meest bekende daarvan is de
Commissie onderzoek cafébrand nieuwjaarsnacht 2001, kortweg de Commissie Alders.
De Commissie Alders presenteerde haar eindrapport op 21 juni 2001.
Basis voor het rapport van de Commissie Alders vormden de Inspectierapporten.
Reeds zeer kort na
de ramp was bekend dat het kabinet voornemens was een onafhankelijke
onderzoekscommissie in te stellen. Duidelijk was dat diverse
onderzoekscommissies gebruik dienden te maken van hetzelfde onderzoeksmateriaal,
met name waar het technische sporen en getuigenverklaringen betrof. Zeker waar
het slachtoffer-getuigen betrof, was al snel duidelijk dat voorkomen diende te
worden dat zij onnodig meerdere malen door diverse commissies zouden moeten
worden gehoord. Mede na contact met het onderzoeksteam van de vuurwerkramp in
Enschede is al in een zeer vroeg stadium aan vrijwel alle getuigen gevraagd of
zij er bezwaar tegen hadden dat hun verklaring ter beschikking zou worden
gesteld aan andere (onafhankelijke) onderzoekscommissies.
Over de informatie-uitwisseling zijn afspraken gemaakt, die in een protocol zijn
vastgelegd.
De Commissie
Alders kent een eigen invalshoek.
Zij stelt in haar eindrapport:
"De Commissie onthoudt zich van het formuleren van conclusies op het punt
van schuld en aansprakelijkheid van betrokkenen, noch civielrechtelijk, noch
strafrechtelijk, noch politiek bestuurlijk."
Naast deze door
het kabinet ingestelde onafhankelijke onderzoekscommissie heeft de commissaris
van de Koningin in de provincie Noord-Holland, op verzoek van het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Edam- Volendam, mr. J.M. Polak en
drs. C.J.N. Versteden verzocht een advies uit te brengen over de lering die
bestuurlijk kon worden getrokken uit de ramp en de achtergronden daarvan.
De gemeente was namelijk van oordeel dat zij ook een eigen verantwoordelijkheid
had als het er om ging te bezien wat er mis gegaan was en tot welke maatregelen
dat aanleiding zou moeten geven.
De commissie heeft zich grotendeels gebaseerd op het door de gemeente opgestelde
feitenoverzicht, dat ook onderdeel uitmaakt van het strafdossier. De commissie
geeft aan (ik citeer):
"Wij hebben onze beoordeling gepleegd vanuit de optieken van bestuur,
beleid en beheer. Het is niet onze taak schuldigen aan te wijzen of in te gaan
op politieke, civielrechtelijke of strafrechtelijke gevolgen die aan het
gebeurde zouden kunnen worden verbonden. Dat zijn vragen die in andere kaders en
door anderen dienen te worden beantwoord. Wij plaatsen slechts enige opmerkingen
van algemene aard over verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden, gezien de
discussie die daarover worden gevoerd."
Het is aan Uw rechtbank om op basis van het strafdossier en al hetgeen hier terechtzitting aan de orde komt en is gekomen, een uitspraak te doen over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid en tot welke consequenties dat zou moeten leiden.
2. Strafrechtelijk onderzoek
Los van deze onderzoeken heeft de Regiopolitie Zaanstreek-Waterland onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie te Haarlem een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd met als doel het verkrijgen van helderheid over de vraag of deze ramp moet worden gekwalificeerd als een tragisch ongeluk dat zich in elk café had kunnen voordoen, of dat dit een situatie betreft waarin door betrokkenen zodanig slordig is omgegaan met hun verantwoordelijkheden dat daaraan strafrechtelijke consequenties moeten worden verbonden, waarbij wij overigens niet de illusie hebben dat met het vervolgen van verdachten het onnoemelijke leed van nabestaanden en slachtoffers kan worden weggenomen.
2.1 Het onderzoek van het Recherche Bijstands Team
2.1.1 Onderzoeksvragen en -doelstellingen
In de ochtend van 1 januari 2001, direct nadat de politie haar taken op het gebied van hulpverlening had afgerond, hebben politie en Openbaar Ministerie in onderling overleg een Recherche Bijstands Team geformeerd met de volgende onderzoeksvragen en -doelstellingen, welke de leidraad hebben gevormd voor het verdere onderzoek.
1. Vaststellen
slachtofferlijst, verificatie en prioritering
2. Onderzoek naar de toedracht
3. Onderzoek horeca-inrichting
Ad 1. Vaststellen slachtofferlijst, verificatie en prioritering
Dit onderdeel van
het onderzoek had betrekking op het identificeren van slachtoffers en de
beslissing of sectie moest worden verricht, en het vrijgeven van de stoffelijke
overschotten.
Daarnaast op het voorbereiden van rechtshulpverzoeken voor het geval dat
slachtoffers in Duitse en Belgische ziekenhuizen kwamen te overlijden teneinde
deze mogelijke slachtoffers zo spoedig mogelijk naar Nederland te kunnen
overbrengen. Op het samenstellen van lijsten van slachtoffers en de ziekenhuizen
waarin zij waren opgenomen. Zorg voor informatie aan nabestaanden en
slachtoffers. Verzamelen van informatie en processen-verbaal van bevindingen van
dienstdoende collega's.
Ad 2. Het onderzoek naar de toedracht
a. Algemeen
Volendam vormt een relatief kleine en hechte gemeenschap. Het was om die reden,
meer nog dan anders, van belang zoveel mogelijk personen die op de bewuste avond
in de cafés in het Wir War complex aanwezig waren geweest zo spoedig mogelijk
te horen. Zij zouden mogelijk duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag wat
er precies was gebeurd.
Bovendien bestaat bij een ramp die zo'n grote impact op de gemeenschap heeft en
die zoveel mediabelangstelling trekt, het risico dat getuigen in de loop van de
tijd niet alleen meer zullen verklaren over wat zij daadwerkelijk hebben
waargenomen, maar ook over wat zij menen te hebben gezien, gevoed door de media
en verhalen uit het dorp. Het was dus van belang zo spoedig mogelijk veel
getuigen te horen, teneinde te voorkomen dat getuigen elkaar (onbedoeld) zouden
kunnen beïnvloeden.
Kwantitatief al
een zware opgave, maar daarnaast vergde het horen van slachtoffers met vaak
ernstige brandwonden per verhoor veel van zowel de slachtoffers als de
verbalisanten.
Mede dankzij de bijstand van de regiopolitie Kennemerland en Noord-Holland Noord
waren reeds op 5 januari 2001 ongeveer 150 getuigen gehoord. Daarnaast hadden
medewerkers van de Technische Recherche van de diverse korpsen het pand zo
nauwkeurig mogelijk in kaart gebracht. Een prestatie die bijzondere waardering
verdient.
b. De toedracht
In een café dat zo overvol was met mensen (we komen hier later op terug) heeft
uiteraard niet iedereen gezien wat er precies is gebeurd. Niettemin heeft een
aantal getuigen gedetailleerde verklaringen afgelegd op grond waarvan duidelijk
is geworden wat de oorzaak van de brand is geweest.
Ik citeer uit een aantal van de vele verklaringen:
E.E.G.M. B. (D
006):
" Ik heb gezien hoe de brand is ontstaan. Er stond een jongen met in twee
handen een bos sterretjes. Ik weet niet hoeveel sterretjes hij in zijn hand had.
Ik zag dat een andere jongen deze sterretjes aanstak. Plotseling was er een
steekvlam en zag dat de jongen die de sterretjes in zijn handen had, deze in,
volgens mij zijn linkerhand, uit vermoedelijk een schrikreactie omhoog hield.
(…) Door de steekvlam van de sterretjes ging de kerstversiering die aan het
plafond hing, in brand."
E.T.C. G. (D 037):
"Achter mij stonden E.S. en T.L.. Op dat moment zag ik dat E.S. een hele
bos sterretjes in een van zijn handen had. Deze bos sterretjes gaf een soort
steekvlam in de richting van het plafond waar de kerstversiering hing. Ik zag
dat E. schrok en hij zwaaide door de schrik met zijn armen omhoog. De sterretjes
vlamden nog hevig. Vervolgens zag ik dat de dennentakken die boven ons groepje
hingen, ontbrandden.
Hierop zag ik dat T.L., E.S., K.K. en nog enige jongens de brandende takken naar
beneden trokken met hun handen. Hierop stampten alle jongens met hun voeten op
de takken om deze te doven. Wij dachten dat het vuur gedoofd was.
Plotseling enige seconden later keek ik weer naar het plafond. Ik zag toen een
grote vuurzee ontstaan. Dit begon bij de plek waar eerder de takken hadden
gebrand. Dit vuur spreidde zich heel snel uit over het hele plafond van het
Hemeltje. Het plafond leek in zijn geheel te branden. Ik zag dat veel brandende
takken naar beneden op de bezoekers vielen. Er ontstond grote paniek".
G.M.C. V. ( D
194):
"Toen ik café de Hemel binnen was ben ik gelopen in de richting van de
trap welke naar de toiletten leidt. Onderweg zag ik dat aan de bar een aantal
mensen met sterretjes in de handen zaten. De sterretjes brandden. Aangekomen in
de hoek waar de trap naar de toiletten zit trachtte ik langs een jongen te lopen
die voor mij stond. Ik zag dat hij in zijn linkerhand een groot aantal
sterretjes vasthield. De sterretjes waren nog niet aangestoken. Ik vroeg aan
deze jongen of ik hem mocht passeren. Op het moment dat ik langs hem liep zag ik
dat hij een aansteker pakte en de sterretjes daarmee aanstak. Ik zag dat de
sterretjes gelijktijdig gingen branden en dat er een vonkenregen ontstond. Ik
zag dat de jongen hierdoor kennelijk in paniek raakte en zijn linkerhand met
daarin de sterretjes omhoog stak. Ik zag dat de sterretjes in contact kwamen met
de dennentakken welke als kerstversiering aan het plafond waren bevestigd. (…)
Ik zag dat de dennentakken als gevolg van het contact met de brandende
sterretjes vlam vatten en dat het vuur zich snel over het gehele plafond
verspreidde. Ik zag dat er grote paniek uitbrak want mensen begonnen te
schreeuwen en te duwen".
Voorts verwijs ik naar de verklaringen van C.S. A. (D 001), N.P.H. (D 042), C.A.T. J. (D 048), D.J.M. T. (D 181), E.A. T. ( D 182):
Het beeld dat
ontstaat op basis van deze verklaringen vindt steun in de bevindingen van de
Technische Recherche neergelegd in het proces-verbaal betreffende het
brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2).
(ik citeer):
"Met betrekking tot het brandonderzoek:
Gezien het
algehele beeld, waaronder de beroeting van de balklagen, de koven van de
luchtbehandelingsinstallatie, alsmede de omlijsting van spiegels van de boven de
bar gesitueerde betimmering, de mate van verbranding van de in cq tegen het
plafond aangebrachte verlichtingsarmaturen, en het bedieningspaneel (Totaline)
van het luchtbehandelingssysteem heeft de brand in aanvang gewoed aan de
achterzijde van de bar "De Hemel" (zie foto's 2.92 en 2.93).
Gezien de aantasting door het vuur van de hoger gelegen voorwerpen, waaronder de
kunststof wandversiering en de op het baroppervlak staande kunststof bierglazen
heeft het vuur op een hoger niveau in de bar gewoed (zie foto 2.94).
Het overige gedeelte van de bar " De Hemel" had zichtbaar lichte
brandschade opgelopen en aan de plafondzijde hingen nog restanten van de
bevestiging (het zogenaamde web) van de kersttakken.
Door de hitte van het vuur zijn voornoemde bevestigingsdraden doorgesmolten,
waardoor de brandende kersttakken met versiering en verlichting op het
vloeroppervlak terecht konden komen.
Voorts troffen wij met name in het rechter achtergedeelte van de bar op zowel
het vloer - als het baroppervlak een aanzienlijk aantal afgebrande sterretjes
aan, waaronder een drietal bij elkaar gesmolten exemplaren op het baroppervlak.
Tevens zagen wij voor de bar in hetzelfde gedeelte van de bar een aantal lege
verpakkingen van sterretjes, alsmede een volle verpakking van sterretjes liggen.
Aan de achterzijde van de bar troffen wij op het vloeroppervlak een lege en een
zevental volle verpakkingen van sterretjes aan, alsmede een vijftal losse
sterretjes. Achter de bar zagen wij ter hoogte van de rechter achterzijde in de
aldaar staande vlamdovende afvalbakken een grote hoeveelheid afgebrande
sterretjes en lege verpakkingen van genoemde sterretjes liggen.
(voor een precieze opgave van het aantal sterretjes zie het overzicht van de
sporenlijst in het TR dossier onder 7.4, waarin onder meer vermeld staat dat er
77 verbrande lange sterretjes en 11 verbrande korte sterretjes zijn
aangetroffen.)"
Op basis van dit
proces-verbaal en de genoemde verklaringen komt het Openbaar Ministerie tot de
conclusie dat de kerstversiering vlam heeft gevat doordat brandende sterretjes,
of in ieder geval vonken van die sterretjes, in aanraking zijn gekomen met de
kerstversiering.
Over de directe oorzaak van de brand kan dan ook geen twijfel bestaan.
Ad 3. Onderzoek horeca-inrichting
Dit deelonderzoek
richtte zich voornamelijk op het in beeld brengen van de vergunningssituatie met
betrekking tot de inrichting en de eigenaar/exploitant.
Al kort na de ramp werden bij de gemeente alle stukken opgevraagd die betrekking
hadden op het pand 154-156 en zijn eigenaren. Hieruit bleek onder meer dat Jan
Veerman niet de enige eigenaar van het pand was, maar dat er een mede-eigenaar
was die overigens noch met het pand zelf noch met de bedrijfsvoering iets te
maken had. (zie de verklaringen van mede-eigenaar M., J 1, en Veerman zelf, K 2)
Uit onderzoek bleek voorts dat de Drank - en Horecavergunning voor de inrichting
aan de Haven 154-156 automatisch was komen te vervallen in verband met een
wijziging van de rechtspersoon. (Zie dossier map I project WirWar, pagina 176).
Voorts is door de Technische Recherche uitgebreid onderzoek verricht naar de
brandveiligheidseisen in de drie verschillende bars.
Tot zover de weergave van de onderzoeksvragen en doelstellingen.
2.1.2 Het verloop van het onderzoek
De afgelopen
periode is van diverse zijden de vraag gesteld waarom het allemaal zo lang heeft
geduurd.
Hieronder gaan wij kort in op het verloop van het onderzoek.
Nadat het dossier
op 19 april 2001 door het Recherche Bijstands Team op het parket was afgeleverd,
is op 21 mei 2001 een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd bij de
Rechter-Commissaris contra Jan Veerman, Laura Veerman en John Veerman.
Bij brief van 3 september 2001 aan de Rechter-Commissaris is door ons opgave
gedaan van de getuigen die het Openbaar Ministerie binnen het gerechtelijk
vooronderzoek wilde horen. Behalve de verdachten, die wij als getuigen in
elkaars zaak wilden laten horen, hebben wij bij de Rechter-Commissaris opgave
gedaan van zeven getuigen.
De verdediging heeft bij brief van 9 november 2001 een tiental getuigen
opgegeven onder voorbehoud van het recht om in een later stadium meer getuigen
te doen horen.
In het verloop van het gerechtelijk vooronderzoek hebben zij onder meer verzocht
om een aantal werknemers als getuige te horen.
De getuigenverhoren zijn aangevangen op 15 januari 2002. In totaal zijn ruim 30
getuigen gehoord, verspreid over meer dan 20 dagen.
In november 2002 (nadat het gerechtelijk vooronderzoek zo goed als afgerond was)
zijn de verdachten van verdediging gewisseld.
Volledigheidshalve heeft het Openbaar Ministerie in december 2002 besloten het
gerechtelijk vooronderzoek uit breiden met een nadere vordering gerechtelijk
vooronderzoek(hier komen wij nog op terug); daarnaast is nog een gerechtelijk
vooronderzoek tegen de vof WirWar Bar gevorderd. De vorderingen zijn op 13
december 2002 ingediend bij de Rechter-Commissaris.
Nadat in mei van dit jaar de verdachten als getuigen in elkaars zaak waren
gehoord, werd op 30 mei 2003 het gerechtelijk vooronderzoek gesloten.
Na sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek heeft het Openbaar Ministerie besloten de drie verdachten verder te vervolgen. (Ten aanzien van de VOF is besloten deze niet verder te vervolgen)
Voor de verdachten
staan er 3 gelijkluidende feiten op de telastelegging:
1. Medeplegen van brand door schuld
2. Medeplegen van dood door schuld
3. Medeplegen van zwaar lichamelijk letsel door schuld
Daarnaast wordt Jan Veerman nog een tweetal overtredingen verweten; daar zal
mijn collega later in het requisitoir op ingaan.
Maar eerst zal zij ingaan op de voorvragen.
3. Voorvragen
Op deze plaats in het requisitoir dienen enkele voorvragen aan de orde te worden gesteld.
3.1 Geldigheid dagvaarding
Ten eerste dient
uiteraard de vraag te worden beantwoord of de dagvaarding geldig is.
Wij constateren dat alle drie de dagvaardingen in deze zaak in persoon en tijdig
zijn betekend. Tevens voldoen de dagvaardingen aan de eisen gesteld in artikel
261 van het Wetboek van Strafvordering.
3.2 Bevoegdheid van de rechtbank
De feiten zijn gepleegd in het arrondissement Haarlem.
3.3 Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in haar vervolging.
Door uw rechtbank
werd op de eerste zittingsdag impliciet aan de orde gesteld of nadere
vorderingen gerechtelijk vooronderzoek aan de verdachten betekend zijn of dat
verdachten op andere wijze kennis hadden genomen van de vordering. Wij menen dat
uw rechtbank daarmee wellicht de vraag aan de orde heeft willen stellen of de
aan J.N. Veerman telastegelegde overtredingen niet zijn verjaard, en daarmee dus
het Openbaar Ministerie in de vervolging van deze feiten niet -ontvankelijk zou
zijn.
Op dit punt valt het volgende te zeggen.
Op 21 mei 2000 heeft het Openbaar Ministerie in de zaak van J.N. Veerman een
gerechtelijk vooronderzoek gevorderd bij de Rechter-Commissaris, met als doel
onderzoekshandelingen te kunnen laten plaatsvinden in verband met de brand door
schuld en de dood door schuld.
Besloten in dat gerechtelijk vooronderzoek lagen alle handelingen die hebben
bijgedragen aan de voltooiing van de genoemde feiten.
Wij denken daarbij aan bijv. het feit dat J.J. Veerman, de broer van verdachte
J.N. Veerman, reeds op 15 januari 2002 werd gehoord over de Drank- en
Horeca-vergunning, of aan het gegeven in feit 5 dat de panieksluiting van de
nooduitgang ondersteboven was gemonteerd, welk feit ook in het gerechtelijk
vooronderzoek aan de orde is gekomen in bijvoorbeeld het verhoor van
brandpreventiemedewerker Bont.
Op 13 december
2002 is een nadere vordering ingediend bij de Rechter-Commissaris. Reden
daarvoor was volledigheidshalve te benadrukken dat een (overigens klein)
onderdeel van het feitencomplex waarvoor eerder een gerechtelijk vooronderzoek
was gevorderd, een aparte juridische kwalificatie zou krijgen, en het leek ons
wenselijk om dat aan te geven juist om te voorkomen dat er een discussie zou
ontstaan over de vraag of deze feiten zouden zijn verjaard.
De wet geeft aan dat het Openbaar Ministerie deze vordering indient bij de
Rechter-Commissaris, en dat is dus ook gebeurd.
Maar laat duidelijk zijn: naar de overtuiging van het Openbaar Ministerie is het niet zo interessant dat deze vordering pas na 1 januari 2003 is bekend geworden aan de verdachte; de feiten (overtredingen) zijn niet verjaard, nu verdachte ten tijde van het bekend of betekend worden van het nadere gerechtelijke vooronderzoek reeds wist waar het over ging en de feiten van het lopend gerechtelijk vooronderzoek reeds deel uitmaakten van dat materieel feitencomplex.
Kortom: de verjaring is tijdig gestuit.
3.4 Vragen van procedurele aard
3.4.1 De rol van de gemeente
De rol van de gemeente Edam-Volendam is in het kader van de brand, welke tijdens die bewuste Oudejaarsnacht in het café De Hemel heeft plaats gehad, reeds bij diverse gelegenheden aan de orde geweest, zowel in de media, als in de reeds eerder aan de orde gestelde onderzoeken.
Hieronder wordt kort op de rol van de gemeente Edam-Volendam in kader het strafrechtelijk onderzoek ingegaan.
Uit de stukken blijkt dat het geruime tijd heeft geduurd voordat de gemeente overging tot het aanstellen van een brandpreventie-medewerker, die onder meer tot taak had toe te zien op het brandveilig gebruik van gebouwen binnen de gemeente. Terzijde wil het openbaar Ministerie hier overigens opmerken dat deze brandpreventiemedewerker, die aan veel kritiek onderhevig is geweest, niet in het minst vanuit de eigen organisatie, mede gelet op de gebrekkige inbedding van zijn functie in de gemeentelijke organisatie, zijn taak juist met voortvarendheid heeft opgepakt.
De bar van Jan
Veerman, De WirWar, was een van de eerste horeca-gelegenheden, die in dat kader
werd bezocht. Naar aanleiding van de brandpreventiecontrole d.d. 27 april 2000
en het inzenden van het aanvraagformulier vergunning brandveilig gebruik, werd
een brief aan ondernemer Jan Veerman gezonden, waarin werd aangegeven welke
maatregelen en aanpassingen getroffen dienden te worden. Met de
brandpreventiemedewerker van de gemeente werden afspraken gemaakt over de
termijnen waarbinnen een en ander gerealiseerd diende te zijn.
Het is duidelijk dat aan deze afspraken geen of in ieder geval niet tijdig
gevolg is gegeven. Vervolgens werd door de gemeente onvoldoende toezicht
gehouden op het feit dat Veerman zich niet aan de gemaakte afspraken hield. Mede
gelet op de zinsnede in de brief van 29 mei 2000 van de gemeente Edam-Volendam,
waarin gewag wordt gemaakt van het feit dat zich in geval van een incident een
levensgevaarlijke situatie kon voordoen, had het in de rede gelegen dat de
gemeente adequater toezicht had gehouden op de voortgang van de geëiste
maatregelen.
Maar ook in de periode hieraan voorafgaand heeft het aan voldoende toezicht
ontbroken. Wij verwijzen hiervoor naar het rapport van de commissie
Polak-Versteden, het rapport van de Commissie Alders, en het feitenoverzicht van
de gemeente zelf.
Een vraagteken kan in dat verband, volgens de Commissie Polak-Versteden, ook worden geplaatst bij de rol van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat in het kader van haar inspectiefunctie nauwelijks duidelijk actie heeft ondernomen, hoewel bekend was dat in veel gemeenten onvoldoende uitvoering werd gegeven aan handhaving van de brandveiligheidsvoorschriften.
De Commissie Alders is in haar eindrapport op dit punt milder. Zij verwijst met name naar de geschiedenis met betrekking tot de wijziging van artikel 19 van de Brandweerwet 1985 (te weten, de toevoeging van de zinsnede :"voorzover dit uit een oogpunt van algemene brandweerzorg en rampenbestrijding noodzakelijk is.")en de beperking van de bevoegdheid van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding, die dat met zich bracht.
3.4.2 Vervolging van overheden
Hadden de gemeente en de rijksoverheid, voorzover dit ten aanzien van deze laatste al aan de orde zou zijn, gelet op de beperkte bevoegdheid van de Inspectie, voor hun aandeel dan niet kunnen en/of moeten worden vervolgd?
Met betrekking tot de rijksoverheid kunnen we daarover kort zijn. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 25 januari 1994, NJ 1994, 598 (Vliegbasis Volkel) uitgemaakt dat de Staat niet strafrechtelijk kan worden vervolgd.
Met betrekking tot
vervolging van lagere overheden ligt dit iets genuanceerder. De Hoge Raad heeft
zich hierover in verschillende arresten reeds uitgelaten. Het meest aangehaalde
arrest is het Pikmeer II-arrest (HR 6 januari 1998, NJ 1998, 367, bevestigd in
HR 30 juni 1998, NJ 1998, 819), waarin wordt beschreven in welke gevallen een
lagere overheid voor de strafrechter kan worden gedaagd. Kort gezegd komt het
oordeel van de Hoge Raad er op neer dat een lagere overheid slechts
strafrechtelijke immuniteit geniet, wanneer het gaat om de uitoefening van een
exclusieve bestuurstaak. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie betreffen
vergunningverlening (in casu de bouwvergunning en de gebruiksvergunning) evenals
de handhaving ervan en het toezicht daarop exclusieve overheidstaken.
Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie kan op grond van genoemde arresten
de gemeente Edam-Volendam dan ook niet strafrechtelijk worden vervolgd
In ons democratisch bestel geldt dat bestuurders in beginsel op een andere wijze ter verantwoording kunnen worden geroepen. In een gemeente is het de gemeenteraad die het College van B&W controleert.
3.4.3 Belangenafweging
Is het gegeven de
omstandigheden redelijk deze verdachten, Jan Veerman, Laura Veerman en John
Veerman, strafrechtelijk te vervolgen? Immers, zij hebben deze brand en de
vreselijke gevolgen daarvan ook nooit gewild. Jan Veerman en John Veerman hebben
in de bewuste nacht van nabij meegemaakt welke gevolgen deze brand voor de
slachtoffers heeft gehad.
Zij hebben daarover gisteren ter terechtzitting uitvoerig verklaard.
Voor alle drie de verdachten geldt dat zij veel slachtoffers persoonlijk kenden.
De WirWar is sinds 1 januari 2001 gesloten.
De impact van de
gevolgen van de brand op de verdachten wordt door het Openbaar Ministerie niet
ontkend.
Maar er is ook een andere kant.
Tengevolge van
deze brand verloren 14 jonge mensen het leven. Veel slachtoffers zijn voor het
leven getekend; opleidingen, en carrières die in het verlengde daarvan lagen,
zijn voor een aantal niet meer te realiseren, en voor velen geldt dat de
traumatische belevenissen van die nacht hen nog heel lang zullen blijven
achtervolgen. Dat vormt de keerzijde van de medaille.
Het is dan ook niet meer dan redelijk om diegenen die daarvoor redelijkerwijs
verantwoordelijk kunnen worden gehouden of invloed hadden kunnen uitoefenen om
deze ramp te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, strafrechtelijk te
vervolgen.
In die zin oordeelt ook het Hof Arnhem in de Enschede-zaak (Economische Kamer
van het Gerechtshof te Arnhem d.d.12 mei 2003 in hoger beroep tegen het vonnis
van de rechtbank te Almelo, parketnummer 21/001572-02)
3.4.4 Rapportage en verhoor deskundigen met betrekking tot brandveiligheid en brandweerzorg
Op verzoek van de
verdediging heeft de rechter-commissaris de heer F.W. Vos
als deskundige benoemd ten einde een onderzoek in te stellen naar de wijze
waarop uitvoering is/wordt gegeven aan de regelgeving in zake brandveiligheid en
brandweerzorg.
Nadat wij kennis
hadden genomen van het rapport van de heer Vos concludeerde het Openbaar
Ministerie dat de heer Vos aan de door de rechter-commissaris gegeven
onderzoeksopdracht een geheel eigen invulling had gegeven, namelijk een
onderzoek dat zich richt op verantwoordelijkheid.
Wij hebben de rechter-commissaris daarop verzocht duidelijkheid te verschaffen
omtrent de onderzoeksopdracht (verwezen wordt naar de correspondentie
hieromtrent in het dossier).
Het Openbaar
Ministerie kan (gelet op de correspondentie) niet anders concluderen dan dat de
heer Vos, geheel op eigen initiatief, heeft gemeend te moeten afwijken van de
aan hem door de rechter-commissaris gegeven onderzoeksopdracht.
Het Openbaar Ministerie meent dat de deskundigheid van de heer Vos, zo is ons
althans niet gebleken, zich niet uitstrekt over het terrein van responsabiliteit
(in termen van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid).
Wij merken
daaromtrent nog het volgende op:
De heer Vos heeft op eigen initiatief (eind november/begin december 2002)
contact gezocht met onze persofficier van justitie. Wij (de zaaksofficieren van
justitie, zoals door de heer Vos genoemd) hebben de heer Vos daarop uitgenodigd
voor een gesprek.
Dit gesprek heeft plaatsgehad op 8 januari 2003. Veel van hetgeen de heer Vos
ons in zijn, zoals hij het zelf noemt "urenlang" college, heeft
medegedeeld was ons, uit de diverse onderzoeken, reeds bekend. Tijdens ons
gesprek bleek van een kennelijke vooringenomenheid van de heer Vos omtrent alles
wat met brandweer te maken had. Dit was voor ons reden hem niet als deskundige
te laten rapporteren. Wij meenden op basis van dit gesprek dat de heer Vos geen
onafhankelijk, objectief, oordeel zou kunnen geven.
Uit het heldere
betoog van de deskundige Linssen, reeds meer dan 20 jaar brandpreventie-officier,
ter terechtzitting van 24 juni 2003, bleek dat de heer Vos zich deels op
verouderde wetgeving had gebaseerd.
Op 1 oktober 1992 is het Bouwbesluit in werking getreden. Vanaf die datum dienen
alle bouwvergunningen te worden getoetst aan het Bouwbesluit. Technische eisen
met betrekking tot uitgangen worden gesteld op basis van het Bouwbesluit, niet
op basis van de Bouwverordening. De AROR als zodanig was niet meer van
toepassing en derhalve dienen bouwtekeningen ook niet aan de AROR te worden
getoetst. Voor de goede orde merken wij hier nog op dat de Bouwverordening
Edam-Volendam op 25 maart 1993 door de raad is vastgesteld.
Overigens stellen wij vast dat de bouwtekening, behorende bij de bouwvergunning van 25 januari 1994, welke door de heer Vos werd beoordeeld niet overeenstemt met de feitelijke situatie. De situatie van de Hemel op 1 januari 2001 was niet overeenkomstig deze tekening. De verplaatsing van o.m. de toiletgroep vanuit De Hemel naar boven is in strijd met de bouwvergunning en is door de gemeente ook nooit gelegaliseerd.
4. Telastelegging en het bewijs
Wij zullen nu
overgaan tot bespreking van de telastelegging en de bewijsmiddelen. Voorts
zullen wij aangeven op welke gronden wij van oordeel zijn dat de telastegelegde
handelingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Eerst na bespreking van de eerste drie feiten zullen wij ingaan op de vraag naar
de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachten voor die drie feiten en
welke rol ieder van hen met betrekking tot deze feiten heeft gespeeld.
4.1. Feit 1: brand door schuld
De brand door
schuld laat zich het best bespreken aan de hand van een tweetal deelvragen die
ook in de telastelegging zijn verwerkt.
Is de ontstane brand het gevolg van:
het zodanig
laag (laten) ophangen en laten hangen van kerstversiering dat deze in
aanraking kon komen met open vuur
terwijl de verdachten konden vermoeden dat die kerstversiering daardoor in aanraking kon komen met open vuur
Worden die vragen bevestigend beantwoord dan dient vervolgens de vraag te worden
beantwoord of er causaal verband bestaat tussen deze gedragingen en de gevolgen.
Indien dit het geval is, is vervolgens de vraag aan de orde of verdachten op
basis daarvan strafrechtelijk aansprakelijk moeten worden geacht. Maar zoals
gezegd, die laatste vraag komt in een later stadium aan de orde.
We zullen eerst ingaan op de hiervoor geformuleerde deelvragen.
Ad 1. Is de kerstversiering zodanig laag opgehangen en is deze zo laag blijven hangen dat deze in aanraking kon komen met vuur ?
Ten eerste dient het ophangen onderzocht te worden.
Laura Veerman en
John Veerman verklaren beiden dat zij zich hebben beziggehouden met het ophangen
van de kerstversiering.
Jan Veerman heeft niet geholpen met ophangen, maar hij heeft wel gecontroleerd
of de hoogte goed was. Hij heeft sommige delen nog laten verhangen omdat het te
laag was opgehangen.
Voorts is het uiteraard van belang te weten op welke hoogte de kerstversiering hing op de bewuste avond , zo'n 4 weken later.
Onder meer de volgende verklaringen over de hoogte waarop de kerstversiering hing, geven hierover duidelijkheid:
C.S. A. (D 001):
"Ik kwam omstreeks 00:10 uur aan in het Hemeltje. (…) Ik ben zelf twee
meter en 19 centimeter lang. (…) Met betrekking tot de hoogte van de
versiering kan ik zeggen dat het in ieder geval niet op een hoogte van 2.40
meter hing. Ik had er namelijk altijd een hekel aan om er heen te gaan. Dit in
verband met het feit dat ik constant de takken liep te ontwijken. Ik ben wel
lang maar geen twee meter veertig".
H.E.M. B.(D 020):
"Ik heb er geen idee van hoe lang de kerstversiering al hing. Ik weet wel
dat het laag hing want als ik recht stond dan kon ik eenvoudig zonder mijn armen
daarvoor te hoeven strekken bij de kerstversiering. Ik ben zelf 1.88 m".
Th. J. K. (D 057):
"Met gestrekte arm kon ik de kerstversiering aanraken. Ik ben zelf 1.80m
lang."
C.J.W. K. (D078):
"De kerstversiering bestond uit kersttakken, kerstballen, rode slingers en
kerstverlichting in de kersttakken. Deze kerstversiering hing in ieder geval op
een hoogte van ongeveer 2.10 m. omdat een vriend van mij, genaamd N.A., 2.10 m.
lang is en hij kon nog net onder de kerstversiering doorlopen."
J.C. K. (D 079):
"De opgehangen kerstversiering hing op een hoogte van ongeveer 2.60 meter.
Op sommige plaatsen hing de versiering lager omdat er verlaagde gedeeltes in café
het hemeltje zijn.
Ook zijn er plekken waar de afvoer van de airco loopt. Deze afvoeren zijn
afgetimmerd met als gevolg dat het daar dan ongeveer 30 a 40 centimeter lager
is. Als je dan de kerstversiering daaronder op ongeveer 10 centimeter rekent dan
schat ik dat de kerstversiering op die plekken dan op een hoogte van ongeveer
2.20 meter hoogte hing."
G.Th.M. S. (D
124):
"(…) Ik vond wel dat deze kerstversiering laag hing. Ik ben 184
centimeter lang en had het met mijn hand uitgestrekt naar boven gewoon kunnen
pakken."
N.M. S. (D 133):
"(…) Als ik stond kon ik het met gestrekte arm makkelijk aanraken. Ook
als ik op een barkruk zat kon ik het met gestrekte arm makkelijk aanraken. Ik
ben zelf 1.96 m. lang."
A.M. T. (D 157):
"Over de kerstversiering kan ik zeggen dat deze er al voor de sinterklaas
hing. Je zag de versiering met de week lager hangen. Ik bedoel hiermee dat je
het zag zakken, doorhangen. Ik kon er eerst niet bij. Later kon je er, zittend
op de kruk, met je handen bij".
J.P.M. V. (D 210):
"Ik weet nog dat ik vrij gemakkelijk met mijn hand de versiering aan kon
raken. Ik ben zelf ongeveer 1.87 m".
J. Z. (H 16):
"Ik schat dat de kerstversiering op ongeveer 2.30 m. boven de grond hing.
Ik kon in ieder geval met gemak bij de kerstversiering komen. Ik ben zelf 1.93
m. groot en ik hoefde mijn arm niet te strekken om de versiering aan te kunnen
raken".
Deze verklaringen lijken wellicht wisselend, maar in aanmerking dient te worden genomen dat de kerstversiering niet op alle plaatsen in de bar even hoog hing.
Naast deze
verklaringen verwijs ik naar het proces-verbaal van bevindingen van de
Technische recherche waarin de hoogte van het plafond van de bar De Hemel. (TR-dossier
onder 5.) wordt gerelateerd.
Ik citeer:
"Met
betrekking tot de hoogte in café De Hemel (zie ook de als bijlage gevoegde
situatie-schets 2, op pag. 5.6):
Bij meting zagen wij dat de hoogte tussen de vloer en het plafond op 3 plaatsen
in "De Hemel" verschilde.
Gezien vanuit de in/uitgang:
links naast de
bar tot ongeveer 1.40 m. voor de deur naar de opslagruimte was de hoogte
ongeveer 2.63 m.
voor de bar en
rechts naast de bar was de hoogte (ook) ongeveer 2.63 m.
vanaf de
meterkast tot halverwege achter de bar, met uitzondering van de opgang van
de wenteltrap, was de hoogte ongeveer 2.41 m.
het plafond voor de toegangsdeur naar de opslagruimte was verlaagd over een diepte van ongeveer 1.40 m. en over een breedte van ongeveer 4.93 m. De hoogte bedroeg ongeveer 2.35 m."
Voorts wordt in
map I (project WirWar, pagina 15 en 16) vermeld dat krachtens artikel 2.4 van de
bijlage 4 van Mbv 1993 (NB gelijkluidend de bouwverordening Edam-Volendam)
tussen het vloeroppervlakte van een ruimte en de aangebrachte versiering een
vrije ruimte van minimaal 2.50 m. dient over te blijven.
Bovendien mag deze versiering niet makkelijk ontvlambaar zijn en mag in geval
van brand geen druppelvorming plaatsvinden.
Conclusie
Op grond van vorenstaande is de conclusie duidelijk: de kerstversiering was zodanig laag opgehangen dat bezoekers de kerstversiering konden aanraken. Op de ene plaats ging dat iets makkelijker dan op de andere plaats, want niet overal is het plafond even hoog. Op de plek waar de brandende sterretjes of vonken daarvan in aanraking zijn gekomen met de kerstversiering, rechts achterin de bar bij de wenteltrap, was het plafond slechts 2.41 m. hoog. Het was dus op die plek ook niet mogelijk om de kerstversiering op de voorgeschreven hoogte te hangen. Daarnaast konden bezoekers de kerstversiering aanraken, en dus hing de kerstversiering ook feitelijk te laag.
Ad 2. terwijl zij hadden kunnen vermoeden dat open vuur in aanraking zou kunnen komen met de kerstversiering.
Hadden de verdachten dat nu kunnen vermoeden ?
Personeelslid J.
T. (Schoen) (D 170) die op die avond achter de bar staat laat daar geen twijfel
over bestaan:
"Meerdere figuren uit deze groep stonden met sterretjes te zwaaien. Ik heb
hen nog gewaarschuwd dat zij de sterretjes niet omhoog moesten houden omdat de
boel anders in brand zou kunnen vliegen, en verzocht hen dan ook de sterretjes
laag te houden".
Dat deze J.T. het risico inzag, vormt op zijn minst een indicatie voor de
stelling dat ook de verdachten dat risico konden vermoeden.
Overigens zwakt T. deze verklaring later bij de Rechter-Commissaris af.
Ook uit de
verklaring van L.J. N. blijkt dat Laura in ieder geval gewezen is op het gevaar
van uitdrogende kersttakken (H 8):
"Ik weet bijna zeker dat de takken niet geïmpregneerd waren. Ik vroeg ook
nog aan Laura of het echte takken waren. Laura bevestigde dit. Ik vroeg toen aan
Laura of dit niet gevaarlijk was. Volgens Laura niet want het was al jaren zo.
(…) Mijn vraag aan Laura of het echte takken waren klinkt misschien raar maar
ik vroeg dat omdat de takken er al vroeg hingen en ik het idee had dat ze wel
zouden uitvallen. Volgens Laura zouden de naalden niet uitvallen".
Ook John Veerman
beseft het risico van vuur dat in aanraking kan komen met kerstversiering, zie
de verklaring van A. H. bij de Rechter-Commissaris:
" Op dezelfde avond werd er aan een tafel op het 'terras' van de WirWarBar,
waar zich de schuifdeuren bevinden, sterretjes aangestoken. John werd woest en
rende er naar toe en zei: weet je hoe droog het is, uit doen."
Ook de heer en
mevrouw M. zagen het risico blijkens het proces verbaal van bevindingen van de
verbalisanten Bouma en Metz (J 1):
" Mevrouw M.-S. deelde (op 8 januari 2000, tijdens het verhoor van haar
zoon N. M.)mede dat zij en haar man Jan Veerman hadden aangesproken over de
kerstversiering en gezegd dat als er in het café 'iets' zou gebeuren, de mensen
als ratten in de val zouden zitten. Mevrouw M. deelde ons niet mede wat de
reactie van Veerman hierop was
Mevrouw M. heeft hierop telefonisch contact met haar man gezocht en ik,
verbalisant Bouma, heb de heer M. telefonisch gesproken. Hij zei mij dat hij
inderdaad met zijn vrouw in de Wir War Bar was geweest. Hij wilde niet met mij
praten over zijn gesprek aldaar met de heer Veerman. Hij zei mij: " wat is
gebeurd is gebeurd en dat draaien we niet meer terug". Ik heb hierop toch
verder gesproken met de heer M. en hij zei mij dat hij inderdaad met de heer
Veerman over de kerstversiering had gesproken en over de veiligheid. Tevens
deelde de heer M. mij mede dat hij de barkeeper van de Wir War bar , genaamd
C.d.B., op oudejaarsavond (31 december 2000) had gevraagd om de nooddeuren open
te zetten en vrij te maken. Hij had tegen Chris gezegd: " Doe het dan voor
mij".
Op 10 januari liet de heer M. ons telefonisch weten dat hij en zijn vrouw over
bovengenoemde feiten als getuige geen verklaringen wensten af te leggen.
Uiteindelijk
leggen zij toch op 15 januari 2002 bij de Rechter-Commissaris een verklaring af:
(M.) "Ik heb op 10 december tegen Jan Veerman gezegd dat als deze toko in
brand gaat half Volendam dood is (…)"
(echtgenote S.): "Ik was op 10 december 2000 in de Wir War Bar (…) Ik heb
die dag mijn man horen zeggen tegen Jan Veerman: Als hier brand komt, is half
Volendam weg. (…) Jan zei in dat gesprek: dat kan niet, dat er brand kan
uitbreken. (..) Bij dat gesprek ging het om de kerstversiering. (..) de
kerstversiering is niet letterlijk genoemd".
J., de eigenaar
van de bar de Kaketoe, verklaart op 28 januari 2002 bij de Rechter-Commissaris :
"Ik lette bij het ophangen van de kerstversiering op de hoogte. Ik zorgde
er voor dat de kersttakken tussen de balken zaten, zodat men er niet gemakkelijk
met een aansteker bij kwam. De kerstversiering hing op een hoogte van plusminus
2.45 cm - 2.60 cm. U en ik zouden daar bij kunnen. Ook met een aansteker als je
je arm omhoog zou doen maar een normaal mens doet dat niet. Bij jongeren moet je
extra voorzichtig zijn."
Jan Veerman
verklaart het volgende bij de politie (K2):
"De kerstversiering is voor de Sint Nicolaas opgehangen. (…)
Ik zelf heb de versiering niet opgehangen. Wel heb ik gecontroleerd of de hoogte
goed was. Ik
heb sommige delen nog laten verhangen omdat het te laag was opgehangen."
Voor Jan Veerman
geldt zeker dat hij zulks kon vermoeden, gelet op het feit dat hij in het
verleden reeds gewaarschuwd was:
(ik citeer uit het rapport Polak-Versteden)
"De Kerstversiering
"Het College
van burgemeester en wethouders schreef de plaatselijke horeca-ondernemers een
brief over kerstversiering. Dit was niet de eerste keer. Reeds in 1988 heeft de
dienst Gemeentewerken tegen Kerstmis in opdracht van het college in verband met
het brandgevaar controles op kerstversiering uitgevoerd bij een viertal bars in
Volendam. Daar behoorden de inrichtingen (de panden waren toen nog niet
samengevoegd) het Puulletje (156) en De Blokhut (154). De directeur
Gemeentewerken meldde dat deze bars vol hingen met kersttakken, versieringen
e.d., terwijl brandblusmiddelen in de meeste gevallen ontbraken en nooduitgangen
tevens toegangsdeur waren. "Al met al een gevaarlijke situatie; wanneer er
brand uitbreekt, zijn de gevolgen niet te overzien. Controle bij alle
horeca-gelegenheden zou, gelet op het bovenstaande, geen overbodige luxe zijn.
"
Op 23 december 1988 schreven Burgemeester en Wethouders een brief aan de vier
inrichtingen waarin werd opgemerkt dat het zich snel verspreiden van een
vuurhaard in een horeca-inrichting sterk wordt bevorderd door de aanwezigheid
van versieringen van brandbare materialen. Er werd op aangedrongen dat de
ondernemers de situatie in hun bedrijven nog eens kritisch zouden bekijken en
daarbij werd gesteld dat bijzondere aandacht diende te worden besteed aan
laaghangende takken boven de bar en tafels en aan door de gehele ruimte
doorlopende slingers e.d. Met name crêpepapier, zo werd er aan toegevoegd, is
zeer brandgevaarlijk. Het College attendeerde op een mogelijkheid van
behandeling met een brandwerend middel Er werd voorts aandacht gevraagd voor de
vluchtwegen, die goed verlicht en vrij van obstakels dienden te zijn. En ten
slotte werd er op aangedrongen de voorgeschreven brandblusmiddelen te
controleren en de medewerkers te instrueren in het gebruik ervan.
Aanleiding tot deze actie werd kennelijk gevormd door een bij de burgemeester en
de politie binnengekomen klacht over brandgevaarlijke kerstversiering in 't Gat
van Nederland (waar intussen het probleem verholpen was)".
Hieruit kan worden afgeleid dat het gevaar van kerstversiering in horeca-inrichtingen bekend was; immers er was reeds in 1988 gewaarschuwd.
De commissie
vervolgt verderop:
"Wij tekenen bij het vorenstaande aan dat het gemeentebestuur naar ons
oordeel op grond van genoemde combinatie van bekende feiten niet alleen in 2000
maar ook in de jaren daaraan voorafgaand speciale aandacht had moeten besteden
aan de kerstversieringen. Dit had dienen te gebeuren door gerichte controles en
zonodig andere acties; dat dit niet of althans niet systematisch gebeurd is, is
onderdeel van het bredere probleem dat de zorg voor de brandveiligheid en de
uitvoering en toepassing van de regels te dien aanzien ernstig te wensen over
lieten. Dit geldt overigens niet alleen voor Edam-Volendam maar voor vele andere
gemeenten, denken wij. In Edam-Volendam stak de actie van 2000 gunstig af bij de
praktijk in voorgaande jaren.
Overigens doet een en ander uiteraard niets af aan de verantwoordelijkheid van
de ondernemer voor de brandveiligheid in zijn inrichting . In dit verband is het
goed te vermelden dat de brief van 30 november in feite slechts een herinnering
was aan een wettelijke verplichting die ook zonder deze brief op hem
rustte."
Conclusie
De verdachten
geven dus zelf ook aan dat zij, al dan niet op basis van opmerkingen van derden,
hun gedachten hebben laten gaan over de vraag hoe de kerstversiering veilig kon
hangen.
Bovendien geldt ten aanzien van Jan Veerman dat hij in het verleden al eerder is
gewezen op het gevaar van brandbare kerstversiering.
De conclusie van het Openbaar Ministerie is dan ook dat de verdachten hadden
kunnen vermoeden dat door deze wijze van ophangen de kerstversiering in
aanraking zou kunnen komen met open vuur.
Mochten de
verdachten hiertegen willen aanvoeren dat zij er geen enkele rekening mee
hoefden te houden dat er sterretjes in café De Hemel zouden komen, dan wijst
het Openbaar Ministerie er primair op dat zulks volstrekt niet relevant is,
aangezien er ook rekening mee moest worden gehouden dat er aanstekers of
sigaretten in het café aanwezig waren die in aanraking konden komen met
kerstversiering.
Zie de verklaring van C.J.J. K. van 08 januari 2001 (D 059):
" Het was zelfs zo dat er tijdens het draaien van smartlappen aanstekers
brandend omhoog werden gehouden om extra sfeer te maken, tijdens bijvoorbeeld
een plaat van André Hazes."
Subsidiair:
Werknemers verklaarden in hun verhoren dat Jan Veerman had verordonneerd dat er
binnen geen vuurwerk was toegestaan.
Toch waren er sterretjes: zie de verklaringen van vele getuigen (ik ga hier
later verder op in)
en het proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende
het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.)
" Voorts
troffen wij met name in het rechter achtergedeelte van de bar op zowel het vloer
- als het baroppervlak een aanzienlijk aantal afgebrande sterretjes aan,
waaronder een drietal bij elkaar gesmolten exemplaren op het baroppervlak.
Tevens zagen wij voor de bar in hetzelfde gedeelte van de bar een aantal lege
verpakkingen van sterretjes, alsmede een volle verpakking van sterretjes liggen.
Aan de achterzijde van de bar troffen wij op het vloeroppervlak een lege en een
zevental volle verpakkingen van sterretjes aan, alsmede een vijftal losse
sterretjes. Achter de bar zagen wij ter hoogte van de rechter achterzijde in de
aldaar staande vlamdovende afvalbakken een grote hoeveelheid afgebrande
sterretjes en lege verpakkingen van genoemde sterretjes liggen.
(voor een precieze opgave van het aantal sterretjes zie het overzicht van de
sporenlijst in het TR dossier onder 7.4, waarin onder meer vermeld staat dat er
77 verbrande lange sterretjes en 11 verbrande korte sterretjes zijn
aangetroffen.)"
Dat er mensen met
sterretjes binnen waren, is een risico waarmee rekening gehouden moest worden.
Niet op iedere avond wellicht, maar zeker rond Kerst en de jaarwisseling!
Als dan het personeel aangeeft dat het niet mocht en dat dit niet te voorzien
was, dan stelt het Openbaar Ministerie dat deze redenering reeds struikelt op
het feit dat de personeelsleden zelf sterretjes hebben uitgedeeld, en
aangestoken, en dat zij het licht hebben gedimd.
Weliswaar ontkennen de personeelsleden in hun verklaringen stellig dat zij
sterretjes hebben uitgedeeld, maar de verklaringen van de bezoekers zijn zo
talrijk en gedetailleerd dat er in de visie van het Openbaar Ministerie geen
enkele twijfel bestaat over de werkelijke toedracht.
Ik verwijs naar een foto van een barmedewerker met sterretjes in zijn handen:
foto 16.4 van de TR fotomap (waarbij opgemerkt wordt dat de maakster van de foto
verklaart dat de foto op Oudejaarsavond is genomen).
En ik citeer een aantal verklaringen:
Ten aanzien van R.S.
J.J. A. (D 002):
"Op dat moment zag ik dat R.S., dit was de barkeeper voor het gedeelte waar
ik aan de bar zat, sterretjes aan klanten aan het uitdelen was. Ik zag dat er
sterretjes aangestoken werden. Hierop werd de verlichting in de bar uitgedaan of
lager gezet, om meer sfeer te verkrijgen".
C.M.D. G. (D 029):
"Op een gegeven moment keek ik naar R. (barkeeper). R. en S.J. stonden een
beetje te klieren. (…) Ik kreeg de indruk dat R. sterretjes van S. kreeg. Ik
zag in ieder geval dat hij iets aanpakte van S.. Korte tijd daarna kreeg ik
sterretjes van R.. Het duurde even voordat mijn sterretje ging branden. R. heeft
het sterretje aangestoken. (…) Inmiddels was het licht van de zaak uitgedaan.
Ik zag dat R. het licht had uitgedaan. Ik zag namelijk dat hij het lichtknopje
bediende waarna het licht in De Hemel uitging. Toen de sterretjes gedoofd waren
zag ik dat J.S. (barkeeper) het licht weer aandeed".
S.J.M. J. (D 053):
"Een van de barmedewerkers deelde sterretjes uit. Wie dat was weet ik niet.
Ik kreeg ook sterretjes alsmede de barkeeper R.. Ik heb, en R. ook, de
sterretjes aangestoken".
J.M.M. G. (D 030):
"Ik zag rechts naast mij op een gegeven moment iemand staan met in zijn
handen een doos sterretjes. Ik weet niet wie dit was. (..) Ik zag dat deze
persoon een aantal sterretjes gaf aan mijn vriend R.. Ik heb vervolgens alleen
op R. gelet omdat ik ook een sterretje wilde. Ik zag dat R. sterretjes uitdeelde
aan meisjes die aan de linkerzijde van de bar zaten. (…) Ik was ook nog een
beetje kwaad omdat ik van R. geen sterretje kreeg. (…) Ik heb wel gezien dat
M.G. door R. werd geholpen met het aansteken van haar sterretje. (…) Tijdens
het afsteken van de sterretjes werd het licht in de bar gedimd".
M.J.G. G. (D 032):
"Toen wij net binnen waren zag ik dat iedereen sterretjes uitgedeeld kreeg
van het barpersoneel. Volgens mij kreeg ik de sterretjes van Pius. (R.S.,
barkeeper). (…) Ik zag dat Pius het sterretjes van mijn zus had aangestoken
met een aansteker. (…) Ik kan nog zeggen dat ik denk dat de verlichting
helemaal uit was. Ik hoorde dat Pius riep: Lichten uit , lichten uit . Ik zag
toen dat J.T., bijnaam Schoen, de verlichting uitdeed".
C.A.M. J. (D 046):
"De barman R.S., bijnaam Pius, stond bij ons achter de bar. Opeens zag ik
hem sterretjes aan iedereen uitdelen. Dit waren hele lange sterretjes. Ik heb
gezien dat hij wel ongeveer 20 sterretjes aan verschillende mensen aan de bar
uitdeelde".
Ten aanzien van R.Z.:
C.S.M. K. (D058):
"Ik heb gezien dat personeelsleden aan de bar brandende sterretjes
vasthielden. Ik weet echter niet precies wie dat deed, doch van R. herinner ik
mij dat hij sterretjes vasthield. Ik vond het op dat moment nog tamelijk
onschuldig en heb daar dan ook verder geen aandacht aan besteed."
J.G.M. K. (D 066):
"Toen ik weer binnen kwam zag ik dat mensen die achter aan de bar zaten
sterretjes vasthielden, die waren aangestoken. Voor middernacht had ik al reeds
gezien dat barpersoneel deze sterretjes aan bezoekers uitdeelden. U vraagt mij
wie er achter de bar stonden. Hiervan kan ik J.S., R.S.; J.B. en een jongen die
R. heet.
Deze laatste ken ik verder niet. Ik heb gezien dat die R. sterretjes uitdeelde
aan bezoekers."
J.C. K. (D 079):
"Om 00.00 uur was het bomvol en iedereen wenste elkaar een gelukkig
nieuwjaar.
Op 01 januari 2001 omstreeks 00.15 uur zag ik dat er een grote groep jongelui
aan de bar stond. Deze groep stond aan de kant waar R. stond te tappen. Ik zag
dat verschillende personen in deze groep brandende sterretjes vast hielden. Ik
zag dat R.Z., de barkeeper, sterretjes uitdeelde aan de groep die bij hem stond.
Het waren grote sterretjes. Ik bedoel hiermee dat ze een lengte hadden van
ongeveer 25 centimeter.
R. haalde de sterretjes uit zijn zak. Dit gebeurde allemaal nadat R. van buiten
terug kwam nadat hij vuurwerk had afgestoken. Ik weet niet meer of R. ook met
sterretjes heeft staan zwaaien."
Bij de RC verklaart hij op 3 oktober 2002 :
Ik heb niet gezien dat R.Z. sterretjes uitdeelde. Ik heb wel gezien dat hij
sterretjes in iemands glas deed. Degenen die bij hem aan de bar zaten kregen een
sterretje in hun glas.
M.A.M. K. (D 076):
"Ik zag dat er sterretjes werden uitgedeeld door barpersoneel. Ik zag onder
andere dat R.met bijnaam "Nonnie" sterretjes uitdeelde. Ik heb ook een
sterretje gehad en heb deze opgebrand en daarna weggelegd.
Ik zag dat veel meer mensen sterretjes hadden".
N.J.A. P. (D 113):
"(…) Toen ik daar zat zag ik dat een hele rij mensen aan mijn kant van de
bar sterretjes hadden. Ik bedoel van dat vuurwerk. Ik kan op de plattegrond
aangeven waar die mensen ongeveer zaten. Ik zag dat S.V., een nichtje van mij
ook een brandend sterretje in haar hand had. Zij zat bij mij aan de bar. Die
sterretjes werden uitgedeeld door de barkeepers. Ik heb ook een brandend
sterretje in mijn hand vastgehouden. R., de barman, zijn achternaam of bijnaam
weet ik niet, deelde ze volgens mij uit. Ik heb het sterretje dat ik had niet
van R. gekregen maar van S. en haar vriendin (…)."
E.T. (D 163):
"Wij staken sterretjes onder andere in een rietje welke in ons drankje
stond zodat het leek alsof we een cocktail hadden. (…) Ik weet nog wel dat een
barkeeper genaamd R. onze sterretjes heeft aangestoken".
C.M. Z. (D 222):
"Ik zag ook dat de barkeeper, genaamd R., met een sterretje liep te
dansen".
Ten aanzien van J.T.
A.C.M. H. (D 045):
"Ik zag dat mensen aan de bar allemaal sterretjes aan staken. Ook in de
hoek bij de stalen trap werden sterretjes afgestoken. Even later heb ik een foto
gemaakt van de bar. Daarop is te zien dat de barman sterretjes in zijn hand
heeft. De barman heet J.S.. Tevens is te zien dat achter J.S. mensen sterretjes
in hun handen hebben".
A. M. (D 104):
"Bij de trap zat een groep met oudere jongens. Ik zag dat een barkeeper,
genaamd J.S., een sterretje aanstak. Toen dit sterretje brandde gaf hij dit
sterretje aan een jongen. Ik weet niet hoe deze jongen heet. De jongen zat bij
E.S.. De jongen die het sterretje van J., de barman aanpakte had al volgens mij
twee brandende sterretjes in zijn hand."
Ten aanzien van J.B.
J. S. (D 146):
"Het werd toen maandag 1 januari 2001 00.00 uur en ik zat nog steeds aan de
bar.
Toen ik aan de bar zat kreeg ik van barkeeper J.B. een sterretje. Ik had gezien
dat J.B. deze sterretjes weer had gekregen van mensen die aan de bar zaten. Ik
pakte het sterretje aan van J.B. en J. stak het sterretje aan met zijn
aansteker. Ik hield het sterretje in mijn hand en liet het uitbranden. Toen het
sterretje uitgebrand was gooide ik het sterretje daarna op de grond. Ik zag veel
mensen met brandende sterretjes aan de bar."
Algemeen barkeepers en dimmen licht
J. B. (D 003):
"Ik zag in ieder geval dat een medewerker sterretjes afstak en deze
uitdeelde aan het overig barpersoneel. Vervolgens werd het licht gedimd".
F.M.C. B. (D 017):
"Ook barkeepers hadden sterretjes. Ik weet niet of zij allemaal sterretjes
hadden maar er waren er wel. Ik heb ook zelf gezien dat er barkeepers waren die
sterretjes uitdeelden".
H.C.M. L. (D 85):
"(…) Ik zag dat deze jongens sterretjes vuurwerk hadden. Het waren gewoon
van die kleine sterretjes van een centimeter of 20 lang. Ik had op tweede
kerstdag 2000 deze zelfde groep jongens ook in de Hemel zien spelen met
brandende sterretjes. De jongens hadden deze sterretjes ook nu aangestoken en ik
zag dat het fel wit licht gaf. Dat groepje jongens had volgens mij als enige
sterretjes aangestoken. De sterretjes kwamen achter de bar vandaan en barman R.
(achternaam onbekend) gaf een pakje sterretjes aan die jongens. Volgens mij heb
ik dat gezien dat hij dat aan de jongens gaf. Ze kwamen in ieder geval achter de
bar vandaan.
Toen de sterretjes branden was de barverlichting volgens mij uit. Het was
behalve de verlichting van de sterretjes helemaal donker. Ik denk dus dat de
kerstverlichting uitgedaan was. De sterretjes brandde een paar minuten en gingen
toen gewoon uit.
Daarna werd de kerstverlichting weer aangedaan. Volgens mij was de
barverlichting uit."
F.G. M. (D 092):
"Toen ik aan de bar zat zag ik dat er op een aantal plaatsen op de bar,
vuurwerk was neergelegd in de vorm van zogenaamde: Sterretjes". Ik zag ook
dat er aan de bar bezoekers zaten die de "Sterretjes"hadden
aangestoken. Ook een aantal barmedewerkers liepen met aangestoken
"Sterretjes" rond."
S.J. M. (D 097):
"Ik zag dat er rond de gehele bar mensen met sterretjes zaten en dat deze
onder meer werden gegeven door de barkeepers. Het licht werd zelfs gedimd."
N.M. M. (D 101):
Toen ik bij de bar kwam zag ik dat barpersoneel met brandende sterretjes aan het
zwaaien was. Toen ik verder liep zag ik dat ook bezoekers sterretjes aanstaken.
Dit was in de hoek ter hoogte van de trap naar de toiletten. (…)."
C.M. N. (D 106):
"Ik heb samen met mijn vriendin P. met sterretjes gezwaaid. P. had deze
meegenomen. Wij hebben voor de ramen staan zwaaien.
Ook zag ik dat er door de barkeepers sterretjes werden uitgedeeld. Het betroffen
niet die kleine sterretjes maar de grotere. Ik schat de lengte op ongeveer 25 a
30 cm. De sterretjes gingen vanzelf uit."
J.E. R. (D 117):
"Ik heb gezien dat er omstreeks 23.15 uur drie of vier meiden van mijn
leeftijd bezig waren met het afsteken van vuurwerk sterretjes. Ook de barmannen
staken vuurwerk sterretjes af. Ik heb gezien dat de meiden als de barmannen
zwaaiden met de vuurwerk-sterretjes heen en weer. Ik heb geen kaarsen in het café
gezien."
N.M. S. (D 113):
"Op maandag 1 januari 2001 omstreeks 00.00 uur zag ik twee barjongen die
achter de bar stonden met zogenaamde sterretjes in hun handen. Ik ken deze
jongens en ze zijn genaamd J.B. en J.S.. Er stond nog een barkeeper met
sterretjes in zijn handen maar deze ken ik niet van naam. De barkeepers stonden
in het achtergedeelte van de bars. Ik zag dat de sterretjes brandde en ze hadden
in zowel de linker als de rechterhand een sterretje."
D.A. T. (D 180):
"Ik zag daar dat de barkeepers sterretjes uitdeelden aan iedereen die aan
de bar zat. Op een gegeven moment had iedereen rond de bar een sterretje in zijn
hand. Volgens mij waren de lichten op dat moment ook helemaal uit in het
Hemeltje. Het was een mooi gezicht al die brandende sterretjes".
W.N.H. B. (D 004):
"Op het moment dat de sterretjes werden aangestoken zag ik dat de
sfeerverlichting werd gedoofd. Het was een mooi gezicht om de sterretjes zo te
zien branden."
P.J.W. B. (D 005):
"Ik zag dat de verlichting op dat moment werd gedimd zodat de sterretjes
beter zichtbaar waren".
J.J. Z. (H 16):
"Ik heb de sterretjes op de bar gegooid en een aantal mensen aan de bar
hebben 1 of meerdere sterretjes gepakt. Door barpersoneel werd hierop de
verlichting gedimd. Hierop hebben we aan de bar de sterretjes ontstoken".
J.C.M. de B. (D
011):
"Ik weet niet hoeveel personen een brandend sterretje hadden maar ik denk
een stuk of 30".
J.Th.H.M. M. (D
103):
"Ik denk dat het omstreeks 00.10 uur was toen ik zag dat haast iedereen die
rond de bar van 'de Hemel''zat, sterretjes had. Ik weet niet hoe zij hieraan
gekomen zijn en heb ook niet gezien hoe de sterretjes zijn aangestoken. Op het
moment dat de sterretjes brandden werd het licht van het café gedimd. Ik zag
verschillende mensen dansen met de sterretjes"
Het was bovendien
niet de eerste keer dat er sterretjes in de bar werden aangestoken:
M. van S., verhoor bij de Rechter-Commissaris d.d. 3 oktober 2002:
"Op zowel de 1e als 2e kerstdag heb ik in De Hemel gewerkt. Het klopt dat
er toen sterretjes aanwezig waren (..) Bij mijn weten is dat geen aanleiding
geweest om vervolgens expliciet over sterretjes te spreken".
R.M.J. V. (D 203):
"Ik heb om kwart over twaalf de mensen achter de bar met brandende
sterretjes gezien. Dat waren R. "Pius", J.B. en J.S.. (…) Ik weet
dat er nog iemand achter de bar stond maar die ken ik niet. Alle vier hadden op
een gegeven moment die brandende sterretjes in hun handen. Ze stonden stil en
gingen met hun armen en bovenlijf een beetje heen en weer. Het trok niet echt
mijn aandacht omdat ik hetzelfde een week ervoor ook had gezien. Dezelfde
personen hadden toen ook sterretjes".
S.C.M. J. (D 054):
"Ik zag dat sterretjes werden uitgedeeld door barpersoneel. (…) Ik was
tijdens de kerstdagen ook in de Hemel. Ook deze avond werden door barpersoneel
kerststerretjes uitgedeeld".
Tot zover de verklaringen op dit punt.
U heeft op 24 juni
2003 ter terechtzitting R.Z. horen verklaren dat hij, noch iemand anders van het
personeel sterretjes heeft uitgedeeld. Wij menen met voornoemde verklaringen
afdoende te hebben aangetoond dat de verklaring van R.Z. niet kan kloppen, zeker
nu er geen reden is waarom al die getuigen zouden liegen. Dit geldt in het
bijzonder voor de vriendin van R.S., die, gelet op haar relatie met R.S., juist
een reden zou hebben om haar vriend uit de wind te houden. Maar zelfs zij
verklaart dat er door personeel sterretjes werden uitgedeeld (D 030).
Z. suggereert in zijn verhoor dat de vrienden van degene die de sterretjes heeft
aangestoken, die persoon proberen te dekken door het personeel te betichten van
het uitdelen van sterretjes, maar dit komt ons niet geloofwaardig voor, nu de
verklaringen blijkens de dossierstukken al in de eerste week januari 2001 zijn
afgelegd door personen uit verschillende vriendenclubjes, van verschillende
leeftijden, die zich op verschillende plaatsen in het café bevonden, en van wie
bovendien sommigen de naam van E.S. niet eens kenden.
Het was dus ook
het eigen personeel dat sterretjes uitdeelde, waarbij het Openbaar Ministerie
het minder relevant vindt wie de sterretjes in de bar heeft gebracht.
Het is wel de vraag in hoeverre Jan Veerman zich er op kan beroepen dat hij dat
van zijn eigen personeel niet hoefde te verwachten. We komen daar later in het
requisitoir op terug.
In ieder geval moet worden gezegd dat, voorzover bezoekers sterretjes aanwezig
hadden en uitdeelden, personeelsleden daartegen niet adequaat hebben opgetreden.
4.1.1 Causaliteit
Voorts dient te
worden bezien of er sprake is van causaliteit; anders gezegd, zijn de gevolgen
van de brand terug te voeren op het handelen, danwel nalaten zoals geformuleerd
in de telastelegging.
Dat betekent in concreto dat het zodanig te laag hangen van de kerstversiering
moet kunnen hebben leiden tot het vlam vatten van de kerstversiering. Daar
kunnen we kort over zijn; dit is eerder besproken en de conclusie van het
Openbaar Ministerie luidt dat deze causaliteit aanwezig is.
In de telastelegging staat voorts vermeld dat het feit de dood van 14 jongeren tot gevolg heeft gehad. In dat kader verwijzen wij naar de sectierapporten en de schouwrapporten, uit welke rapporten de doodsoorzaak blijkt, waarbij sectie telkens heeft moeten plaatsvinden indien de schouwarts geen eenduidige doodsoorzaak kon vaststellen.
Voorts staat als
verwijt op de telastelegging vermeld dat er levensgevaar is ontstaan voor
aanwezigen in café De Hemel, café De Wir War en café De Blokhut.
Wij volstaan op dit punt met het verwijzen naar de verklaringen van de vele
aanwezigen.
Tot slot nog enige opmerkingen ten aanzien van feit 1:
U vindt in het dossier enige verbalen over het luchtbehandelingssysteem. Gedurende het onderzoek ontstond het vermoeden dat het luchtbehandelingssysteem, dat niet was gemonteerd volgens de voorschriften en dat niet overeenkomstig de voorschriften periodiek door een deskundige instantie werd gecontroleerd, van invloed kon zijn geweest op de ontwikkeling van de brand. Dit vermoeden is evenwel niet bevestigd. Het Openbaar Ministerie zal dit punt dan ook niet verder meenemen in haar bewijsvoering.
Voorts dienen nog
enkele opmerkingen gemaakt te worden met betrekking tot de vraag:
of de
verdachten wisten van de brief van 30 november 2000 waarin was vermeld dat
zij moesten impregneren en
of de gevolgen anders zouden zijn geweest als de verdachten wel hadden geïmpregneerd.
Cees Bont, brandpreventiemedewerker bij de gemeente Edam- Volendam, heeft op 30 november 2000 een brief naar alle horeca-ondernemers gezonden, in welke brief het volgende was vermeld:
"Weldra staan
de kerstdagen voor de deur. Voor menig horeca-ondernemer is dit aanleiding om
kerstversiering aan te brengen in de zaak.
Behalve dat dit bijdraagt aan een sfeervolle kerstgedachte, kan zich hierbij het
feit voordoen dat deze versiering brandgevaar oplevert. Dat kan en mag uiteraard
niet de bedoeling zijn.
Wij attenderen u er op dat op grond van de bouwverordening kerstversiering
slechts mag worden aangebracht op een hoogte van minimaal 2.40 m. en mits de
versiering zodanig is geïmpregneerd dat voldaan wordt aan
brandveiligheidsklasse 2."
Gevraagd naar deze
brief verklaart J.H.M. J., eigenaar van de bar De Kaketoe (F 3):
"U vraagt mij naar de brief van de gemeente Edam-Volendam over het
impregneren van de kerstversiering. Ik heb inderdaad deze brief gehad van de
gemeente. Ik weet dat de brief gedagtekend op 30 november 2000. Ik heb toen de
gemeente gebeld wat ik er mee aan moest. Ik heb toen een telefoonnummer gekregen
van een bedrijf die impregneer kon leveren. (…)
Vervolgens heb ik de kersttakken geïmpregneerd voordat ik deze heb opgehangen.
Ik heb zelf nog getest of het brandde en inderdaad tot mijn verbazing vloog het
niet in brand. Ik heb de takken opgehangen en geïmpregneerd op 7 december 2000.
Ik weet dat Jan Veerman toen de versiering al had hangen. Toen ik aan het
impregneren was heb ik Laura Veerman namelijk gesproken. Laura zag dat ik de
takken aan het impregneren was op straat. Laura zei toen dat ze zelf alles al
hadden hangen en dat ze niet geïmpregneerd had. Ze zei ook dat ze vond dat de
gemeente laat was met de brief. Ik heb toen nog gezegd dat je na de bouwvak wel
kon beginnen met de kerstversiering dan was de gemeente altijd te laat."
Laura Veerman verklaart (L 2):
"U toont mij een brief van de gemeente Edam-Volendam aan alle horeca-ondernemers. (…) In die brief zouden de horeca-ondernemers geattendeerd worden op de brandveiligheidseisen rond kerstversiering. Hier zou ook in staan dat dennentakken moeten worden geïmpregneerd. Ik heb zo'n brief nooit gezien. Ik heb die brief nooit gekregen. (…) Ik heb wel gezien dat de eigenaar van café de Kaketoe iets op zijn dennentakken heeft gespoten maar wist niet waarvoor dat was, ik dacht dat hij spinnetjes wegspoot."
Hierop wordt J.H.M.
J. op 28 januari 2002 bij de Rechter-Commissaris gehoord:
Hij verklaart dan als volgt:
"Het gesprek met Laura Veerman ging over het impregneren van
kerstversiering. Ik vertelde haar dat wij een brief van de gemeente over het
impregneren van kerstversiering hadden gekregen. We hebben niet specifiek over
de inhoud van de brief gesproken. Ik vertelde haar wat we aan het doen waren,
namelijk dat we de kerstversiering aan het impregneren waren. Haar reactie was,
dat ze zei dat hun takken al hingen en dat de gemeente maar eerder een brief had
moeten schrijven. Er is niet gezegd of ze de brief wel of niet had ontvangen.
Dat kwam in het hele verhaal niet voor. Het zou mij niet verbazen als zij er
niet van wist. Gezien haar reactie weet ik dat bijna zeker."
Kennelijk, is onze
conclusie, wist Laura Veerman niet van de brief van 30 november 2000.
J. heeft haar op dat moment echter wel uitgelegd wat dan de bedoeling was.
Hij stelt dat zij hem heeft medegedeeld dat de gemeente laat was omdat bij hun
de kerstversiering al hing. Hij antwoordde daarop dat je na de bouwvak wel kon
beginnen met kerstversiering dan was de gemeente altijd te laat. En de bewering
van Laura Veerman dat zij dacht dat hij spinnetjes aan het wegspuiten was, is in
dat verband volstrekt onlogisch.
Conclusie
Nu onduidelijk is of de brief van 30 november is gearriveerd, kan de verdachten
dus niet worden verweten dat zij op basis van de brief hadden moeten
impregneren.
Maar, gelet op de mededeling van J., en gelet op de brief van de gemeente van
1988, moet de vraag worden gesteld of Laura Veerman respectievelijk Jan Veerman
niet ook zonder die brief hadden kunnen bedenken dat kersttakken die zo lang
hangen, uitdrogen.
Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat de verdachten in dat kader ook een
eigen verantwoordelijkheid hebben. Iedereen die ooit een kerstboom zonder kluit
heeft opgezet weet namelijk dat de naalden na enige tijd beginnen uit te vallen.
Wanneer je in de week van 27 november kersttakken ophangt in een café, dan
begrijpt toch iedereen, en daar heb je echt geen brief van de gemeente voor
nodig, dat die takken tegen Oudejaarsavond gort- en gortdroog zijn. Dat is niet
alleen een kwestie van gezond verstand maar ook een feit van algemene
bekendheid.
Voor de
volledigheid moet worden opgemerkt dat uit onderzoek is gebleken dat het
impregneren of coaten van kersttakken, zeker wanneer dat lang van tevoren
plaatsvindt, uiteindelijk nauwelijks resultaat heeft met betrekking tot de
brandvertraging.
Tijdverloop doet de brandvertragende werking van het impregneren (van
kersttakken) teniet.
Tot zover voorlopig feit 1
4.2 Feiten 2 en 3: dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld
Wij zullen deze
feiten tezamen behandelen.
Het handelt bij deze feiten namelijk om dezelfde verwijten die aan de verdachten
worden gemaakt. Slechts de gevolgen verschillen.
De kern van het verwijt valt bij deze beide feiten uiteen in 3 componenten:
het (laag)
ophangen en laten hangen van de (brandgevaarlijke) kerstversiering
de gebreken
ten aanzien van de vluchtwegen
het toelaten van te veel mensen in café De Hemel
Ook hier geldt dat als die vragen alle bevestigend beantwoord worden , vervolgens de vraag dient te worden beantwoord of er causaal verband bestaat tussen deze gedragingen en de gevolgen, en zo, ja of verdachten op basis daarvan strafrechtelijk aansprakelijk moeten worden geacht voor de dood en het zwaar lichamelijk letsel van de in de telastelegging genoemde slachtoffers.
Ad 1. het ophangen en laten hangen van de kerstversiering
Ik verwijs naar
hetgeen ik hierover heb aangegeven bij de bespreking van feit 1 (4.1).
Ik verzoek u dat gedeelte als hier herhaald te beschouwen.
Ad 2. de gebreken ten aanzien van de vluchtwegen
Het voornoemde
verwijt is niet de enige dat aan de verdachten moet worden gemaakt; er zijn ook
gebreken ten aanzien van de vluchtwegen geconstateerd.
Het handelt dan om de volgende vluchtwegen.
A. De deur bij de
toiletruimte in café De Hemel
B. De nooduitgang aan de zijgevel van café De Hemel
C. Traliewerk voor de ramen aan de voorzijde in café De Hemel
D. Nooduitgang/ draai-kanteldeur aan achterzijde van café De Hemel
Ad A. Deur bij de toiletruimte
In het proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.) wordt de situatie bij de toiletgroep helder omschreven:
"Via de
rechter achterzijde van de bar "de Hemel" gesitueerde geelkleurige
metalen wenteltrap kan de boven de bar gelegen toiletruimte worden bereikt. (zie
foto 2.75)
De wenteltrap komt uit op een overloop.
Vanaf de overloop (gezien vanuit de richting van de wenteltrap) is aan de
rechterzijde (achtergevel pand) is een kunststof kozijn gesitueerd. (zie foto
2.76)
In het kozijn was een deur en een raam aangebracht. De deur bleek afgesloten te
zijn (…)
De deur en het naastgelegen raam waren uitgevoerd in thermopane beglazing,
waarvan het glas aan de binnenzijde vernield was (zie foto 2.77)"
Deze deur was geen nooduitgang, en zelfs geen mogelijkheid om te ontkomen, maar feit is wel dat deze deur als nooduitgang werd gezien door vele mensen.
Zie de volgende
verklaringen (ik citeer):
G.H.P.M. B. (D 019):
"Voor mijn idee is er een nooddeur boven bij de toiletten.".
C.M.D. G. (D 029):
"Met betrekking tot de branduitgangen kan ik u vertellen dat ik wist dat er
bij de toiletten een nooduitgang was."
S.J.M. J. (D 053):
"U vraagt mij naar de nooduitgang tegenover de ingang. Ik heb nooit geweten
dat die er was. Ik weet alleen van een deur bij de toiletten en van een deur bij
het hok achter in Het Hemeltje. Maar deze deur zit altijd op slot. (…)"
H.C.J. T. (D 165):
"Ik weet dat er een nooduitgang zat bij de toiletten van De Hemel, maar dat
je deze niet kon gebruiken omdat er niets zat en je dan naar beneden moest
springen. Verder wist ik niets over nooduitgangen in De Hemel."
Twee jongeren, te
weten K. en V., probeerden daadwerkelijk via deze route aan de brand te
ontsnappen:
D064: J.C. K. (12-04-1984) verklaring 10 januari 2001:
"(….) Ik heb toen geprobeerd om het raam van de deur die volgens mij naar
buiten leidt, te vernielen. Ik heb mijn beide handen hierbij verwond. Ik heb dit
samen gedaan met H.K.. Het lukte eerst niet. Later kregen we een raam kapot maar
we kregen nog geen frisse lucht. Het tweede raam lukte niet."
J.C.N. V. (D 198):
"Ik ben verder de trap naar de toiletten opgelopen. Ik wist dat daar een
deur was. Ik bedoel de deur van wit kunststof met glas. Ik stond daar met nog
vier jongens en we wilden het raam van de deur inslaan. We hebben met onze
handen op de ruit geslagen maar we kregen de ruit niet kapot. De ruit bestond
uit meerdere lagen en we kregen van de drie ruiten er twee kapot."
Op het moment van
de brand, waarbij rook en warmte omhoogtrokken, was die deur de enige feitelijke
uitweg voor de jongeren die op dat moment op die verdieping aanwezig waren.
Op de door de TR genoemde foto's ziet u ook dat jongeren tot bloedens toe hebben
geprobeerd het glas uit de deur te slaan. Overigens zou het vluchten via deze
deur geen optie geweest zijn omdat zich aan de buitenzijde van deze deur geen
trap bevond.(zie de foto's in de TR map 2.78 en 2.79)
Het zal duidelijk zijn dat deze afgesloten deur noch een nooduitgang, noch een
andere vluchtmogelijkheid was.
Ad B. De nooduitgang aan de zijgevel van café De Hemel
In het proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.) wordt de nooduitgang aan de zijgevel als volgt omschreven:
" Schuin
tegenover de toegang van de bar "De Hemel" bevindt zich in de rechter
zijmuur een houten buitendeur ( zie foto 2.16). De buitendeur ( met een grootste
breedte van 0.90 m. en een hoogte van 1.79 m.) is voorzien van een houten balk,
waaronder de zogenaamde panieksluiting is aangebracht (zie foto's 2.17 en 2.18)
De panieksluiting van het merk "Briton" bleek ondersteboven op de
buitendeur te zijn aangebracht (zie foto 2.19) .
Door de plaatsing van de houten balk boven de panieksluiting kon deze niet meer
met de heupen geopend worden.
Door genoemde balk ontstond er een geringe ruimte tussen de bovenzijde van de
panieksluiting en de onderzijde van de balk (zie foto 2.18).
Bij beproeving van de panieksluiting bleek, dat voornoemde geringe ruimte een
beperking van de werking van de panieksluiting tot gevolg had".
Uit dit proces-verbaal van bevindingen van de Technische Recherche blijkt reeds dat ook deze deur feitelijk niet aan de vereisten van een fatsoenlijke nooduitgang voldoet.
Maar ook uit de navolgende verklaringen blijkt dat deze nooduitgang niet direct zichtbaar is, en als iemand deze nooduitgang al ziet, dat deze nooduitgang dan onvoldoende snel bruikbaar is:
E.G.M. B. (D 007):
U vraagt mij waarom ik ook niet naar die deur ben gegaan om te vluchten als dat
een nooduitgang was. Toen ik zag dat een barkeeper die daar werkt tegen de deur
van een nooduitgang aan ging slaan en schoppen betekende dat voor mij dat die
deur niet open kon en ik daardoor ook niet weg kon komen".
J.J.M. K. (D063):
"Ik ben toen naar de nooddeur aan de rechterzijde van de bar gelopen. Ik
wist dat daar een nooddeur zat. Dit is de nooddeur bij onze tafels.
Ik heb met beide handen op de stang van de nooddeur gedrukt/geduwd om hem open
te krijgen. Dit lukte me niet. Volgens mij zat deze nooddeur op slot/vast. Ik
heb dit heel goed gedaan maar kreeg hem niet open. Ik voelde dat de stang
gloeiend heet was. Ik ben hiermee gestopt omdat het niet lukte."
Th.J. L. ( D 087):
"Ik ben overigens nadat R. ijs over de brand had gegooid weggevlucht in de
richting van de nooduitgang aan de noordzijde van het pand dus die nabij de
havendijk. Ik heb mij toen in de menigte, die in paniek was, gemengd. De deur
van deze nooduitgang kreeg men eerste instantie niet open. Ik werd hierna naar
de voorzijde van het pand geduwd alwaar andere bezig waren de ramen kapot te
slaan. Dit lukte op een geven moment. Hierna werd een tralienetwerk verwijderd,
waarna het publiek naar buiten kon komen. (…)"
F.G. M. (D 092):
"Toen ik inmiddels om mij heen keek zag ik een licht branden waarop te
lezen stond dat het een nooduitgang was. Ik ben toen naar deze nooduitgang
gelopen. De uitgang bevond zich op enkele meters van de dansvloer.
Ik zag dat de deur van de nooduitgang was voorzien van een drukstang waarmee de
deur geopend kon worden.
Ik heb een aantal keren met kracht tegen deze stang aangedrukt om de deur te
kunnen openen. Dit lukte mij in eerste instantie niet.
Geholpen door een bezoeker van het café lukte het nog niet om de stang in te
drukken en de nooddeur te openen. Vervolgens hebben met heel veel kracht tegen
de deur en de stang getrapt.
Voorts verwijs ik naar de verklaringen van C.S. A. (D 001), G.H.P.M. B. (D 019), E.T.C. G. (D 037), N.P. H. (D 042), C.A.T. J. (D 048), J.P.C. K. (D055), J.C. K. (D 079) en N.E.M. M. (D 099):
Kortom: meerdere
mensen slagen er niet in om deze nooduitgang te openen.
Juist bij een nooduitgang is het van het grootste belang dat deze direct
opengaat. Zeker in situaties waarin mensen volslagen in paniek en gedesoriënteerd
zijn. En aan deze vereisten voldoet deze deur volstrekt niet.
Ad C. Traliewerk voor de ramen aan de voorzijde van café De Hemel
Dan de ramen aan
de voorzijde en het traliewerk voor deze ramen.
U vindt het volgende proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche
betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.)
"Met betrekking tot de ramen:
Aan de binnenzijde
waren alle kunststof ramen voorzien van smeedijzeren scharnierbare sierhekwerken
(zie foto's 2.9 en 2.11)
De sierhekwerken waren zowel aan de boven als aan de onderzijde voorzien van een
sluiting.
De sluiting van de sierhekwerken werd tot stand gebracht door middel van een
metalen strip, welke in een tegen de binnenzijde van de voorgevel aangebrachte
kom draaide. ( zie foto 2.13)
Enkele van de op de sierhekwerken aangebrachte metalen strippen waren verbogen.
De raamhendels van de draai- kantelramen waren alle verwijderd.
De sleutels van de sloten van de sierhekwerken, alsmede de raamhendels van de
draai- kantelramen werden aangetroffen, hangende aan spijkers achter de bar van
de Hemel.
Genoemde sleutels en raamhendel hingen alle op zodanige hoogte dat deze voor het
publiek niet of nauwelijks waarneembaar waren.( zie foto 2.14 en 2.15)"
Jan Veerman
verklaart ten aanzien van de ramen en tralies (K3):
"Het personeel weet waar die sleutels hangen. Het traliewerk is een soort
clicksysteem".
Het clicksysteem
werkt natuurlijk alleen als iedereen er ook bij kan; het systeem moet worden
vrijgehouden, net als bij een nooduitgang, anders heb je er niets aan.
Er hingen echter meerdere jassen aan de tralies, zie de volgende verklaringen :
A.A. B. (D 016):
"Onze jassen hebben wij opgehangen aan de traliewerken bij de ramen aan de
voorzijde".
E.N.M. B. (D 023):
"We zijn gelopen naar een plek blak bij het rechter raam van het pand, als
je voor dit pand zou staan. We hebben daar onze jassen opgehangen aan de spijlen
van het metaalwerk."
S. G. (D 027):
"Toen ik binnen was in de Hemel ben ik naar de dansvloer gelopen om mijn
jas op te hangen aan de siertralies die tegen de voorramen waren bevestigd. Er
zitten van die sierkrullen aan, wat je makkelijk als kapstok kunt
gebruiken".
Onder deze
omstandigheden wordt het natuurlijk al wat lastiger om te zien hoe een systeem
werkt. In panieksituaties wordt een en ander nog veel moeilijker:
Zie de verklaring van Th.T.A. T. (D 179) die daar eerder als barkeeper had
gewerkt en de situatie kende:
"Ik heb toen een raam aan de voorzijde stukgeslagen met mijn handen. Ik
wist namelijk dat je het traliewerk gemakkelijk kon verwijderen. Ik wilde dat
door het gat de mensen laten ontsnappen. Als je aan de voorzijde staat heb ik
het kleine langwerpige raam aan de rechterzijde van het rechtervoorraam
ingeslagen. Ik schreeuwde toen tegen de mensen die daar stonden dat zij
achteruit moesten zodat ik het traliewerk kon losmaken. Dit lukte niet. De
mensen werden naar voren geduwd tegen het traliewerk. Toch lukte het de mensen
binnen dit traliewerk met geweld weg te halen".
Voor mensen die niet op de hoogte waren van het systeem om het traliewerk te openen was het uiteraard nog veel lastiger om te zien hoe het systeem werkt:
H.J.M. B. (D 008):
"Ik probeerde toen door een ruit bij de ingang van de bar naar buiten te
komen. Dit lukte niet in verband met de tralies die hiervoor zaten".
E.J. J. (D 049):
"Ik en andere personen hebben toen de ramen ingeslagen en ik heb het
linkertraliewerk van dit raam verwijderd. Dit traliewerk moesten wij er ook echt
uittrekken. Achteraf bleek dat als je een klein hendeltje omhoog tilde, dat het
traliewerk heel gemakkelijk verwijderd zou kunnen worden, maar dat wist ik niet.
De overige aanwezigen wisten dit volgens mij ook niet."
W.G.B. de W. (F
26):
"Dave sloeg van buiten af met een barkruk tegen de ruit. De ruit ging toen
kapot. Er zaten toen nog tralies voor. We hebben toen met vijf man getracht de
tralies open te breken maar dit lukt niet.
Daarna hebben wij het volgende raam ingeslagen. Dit deed ik samen met D. en met
behulp van een barkruk. Bij dit raam lukte het ons wel de tralies weg te breken.
Ook dit deden we met vier personen. Door dit opengebroken raam kwam niemand naar
buiten. Hierna hebben we de volgende ruit verbroken. Ik bedoel hiermee de ruit
voorbij de erker. Hier lukte het ook om de tralies weg te trekken. (...) Hierna
ben ik weer terug gerend naar het eerste raam en heb daar geroepen dat de mensen
naar de andere kant moesten gaan. (…) Er gingen heel weinig mensen die kant
op".
Conclusie
Het traliewerk was
voorzien van een systeem om te openen en te sluiten dat in geval van paniek niet
voldoende eenvoudig bleek.
Bovendien hingen er meerdere jassen voor het traliewerk waardoor de toegang
bemoeilijkt werd.
Ramen met naar binnendraaiende traliewerk kunnen overigens nooit worden
beschouwd als een effectieve vluchtroute in geval van paniek. Deze ramen vormen
aldus geen vluchtmogelijkheid .
Wellicht ten overvloede: deze ramen zijn geen vluchtmogelijkheid, maar vanwege
de drukte en het feit dat andere uitgangen niet direct toegankelijk waren,
hebben velen uiteindelijk wel hun toevlucht gezocht tot deze ramen, om te kunnen
ontsnappen.
Ad D. Nooduitgang/ draai-kanteldeur aan achterzijde:
Tot hier hebben we
het gehad over een (1) echte nooduitgang (die naar het oordeel van het Openbaar
Ministerie niet goed werkte) en twee mogelijke vluchtroutes.
We komen nu bij de nooduitgang/draai-kanteldeur aan de achterzijde van het café.
Door Jan Veerman
wordt in zijn verklaring van (K 2) gesteld:
"Het bedrijf heeft in de Hemel 2 nooduitgangen. (…) Aan de achterzijde
van het pand in het zogenaamde rommelhok is ook een nooduitgang. (…) Deze deur
gaat naar binnen toe open. Ik bedoel dus de deur die op het plat dak uitkomt.
(…) Het rommelhok wordt gebruikt als opslag."
Hier past een
opmerking over het woord nooduitgang.
Een echte nooduitgang dient per definitie met de vluchtroute mee te draaien en
dus naar buiten toe open te gaan. Wordt hier niet voldaan, dan mag die uitgang
ook niet als nooduitgang worden beschouwd.
Voor de feitelijke situatie is het wellicht goed om de relevante foto's te
bekijken en te zien wat de Technische Recherche zegt over deze uitgang.
(in het proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.)
"Met betrekking tot de opslagruimte (de zogenaamde darkroom):
Via nooduitgang 2
kan men de achter de bar "De Hemel" gelegen opslagruimte bereiken (zie
foto 2.66)
In de opslagruimte was rechts tegen de scheidingswand een keukenblok gesitueerd;
voorts stonden in genoemde ruimte diverse voorwerpen, waaronder een groot aantal
tafels en emballage ( zie foto 2.67), waardoor de doorloopruimte naar de
kunststof buitendeur beperkt werd.
In de rechterzijgevel van de opslagruimte bevond zich een kunststof
draai-kanteldeur, alsmede een kunststof draairaam. Zowel de draai-kanteldeur als
het draairaam waren naar binnen draaiend. (zie foto's 2.67. 2.68)
De kunststof draai-kanteldeur bleek niet voorzien te zijn van een zogenaamde
panieksluiting (zie foto's 2.68, 2.69 en 2.70)
Staande tegen de achtergevel van de opslagruimte bevond zich tegenover de
nooduitgang 2 een houten plaat. Genoemde plaat bleek tegen een in de achtergevel
gesitueerd deurkozijn te zijn bevestigd. (zie foto 2.71)"
Voorts op pagina
2.9:
" Het platte dak met een lengte van 6.40 m. en een breedte van 4.00 m. was
voorzien van zg.staptegels welke ten tijde van het uitgevoerde onderzoek glad
waren van de ijsaanslag."
Derhalve voldeed dit platte dak niet aan de Bouwverordening gestelde eisen. (zie
bijlage 4, artikel 1)"
Voorts verwijs ik naar het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de noodverlichting, opgemaakt door de technische recherche (zie B 11) waarin vermeld wordt dat een bordje Noodverlichting met opschrift "NOODUITGANG" was aangebracht boven de deur gelegen aan de achterzijde van het Hemeltje.
Conclusie: deze
deur mag niet worden beschouwd als een nooduitgang, ondanks het bordje
NOODUITGANG boven de deur.
Desondanks zagen Jan Veerman en meerdere bezoekers deze uitgang toch als een
nooduitgang.
En dus probeert
E.A.C.M. S. (D153) langs die route weg te komen:
"(…). Toen ik dat zag ben ik volgens mij gelijk de Dark Room ingegaan. De
Dark Room is een ruimte die wij zo noemen achter het café de Hemel. (…) Ik
weet nog dat ik in de Dark Room heb geprobeerd om naar buiten te komen door de
nooduitgang maar die zat vast. Het was geen deur maar een grote plank die als
deur werd gebruikt. Ik heb denk ik twee seconden aan die plank getrokken maar ik
kreeg hem niet weg. Er zat geen handvat of iets dergelijks aan die plank. Ik
pakte gewoon het hout. (dit is dus de houten plaat uit het TR verslag)
Die plank bleef gewoon vastzitten en volgens mij ben ik toen ik de Dark Room op
de grond gaan zitten".
Als zij rechts had
gekeken had zij wellicht de draai-kanteldeur gezien, die overigens niet
makkelijk te bereiken was. Dat laatste blijkt uit de verklaringen van twee
brandweermannen die vertellen hoe zij deze ruimte hebben aangetroffen.
W.M. R. (E 038):
"Na enige moeite lukte het ons om de deur te openen. (…) Wij gingen het
café binnen en zagen dat achter de deur een kleine ruimte was gelegen. (…)
Kennelijk was dit een soort opslagruimte. Wij hebben nog enige tafels en
barkrukken naar buiten getrokken om zo de ruimte te kunnen betreden".
P.S.J. V. (E 055):
"Samen met R. ben ik op het dak naar een deur gelopen die gedeeltelijk open
stond. Ik zag dat die deur naar binnen toe open ging. Later zag ik dat achter
deze deur meubilair was geplaatst. Waardoor de deur niet in het geheel open
geduwd kon worden omdat dit door het meubilair werd geblokkeerd. Vervolgens
hebben we dit meubilair, bestaande uit een twintigtal terrastafels en stoelen,
verwijderd en op het dak geplaatst".
Conclusie: De route naar deze uitgang valt op zijn best te kwalificeren als een hindernisbaan. Als deze uitgang serieus had moeten dienen als nooduitgang, dan had de deur in de dark room vrij toegankelijk moeten zijn, had deze draaikanteldeur niet naar binnen maar naar buiten met de vluchtroute mee moeten draaien en had er bovendien een trap vanaf het plat dak naar beneden aanwezig moeten zijn.
Conclusie ten
aanzien van de uitgangen:
Als we dan tot een conclusie moeten komen ten aanzien van al deze uitgangen dan
kunnen we kort zijn: Volstrekt onvoldoende.
In onze visie is daarbij niet van belang of deze uitgangen goedgekeurd waren of
niet door welke autoriteit dan ook. Onze invalshoek is die van gezond verstand.
Elke optie op dat moment om in die panieksituatie naar buiten te komen, had een
beperking.
Ad 3. Het toelaten van te veel mensen in café de Hemel
Dan komen we bij
de derde component genoemd op de telastelegging van de feiten 2 en 3.
In een café waar brandbare kerstversiering te laag is opgehangen en waar de
nooduitgangen niet voldoen worden vervolgens veel te veel mensen toegelaten,
ongeveer 300 personen.
Met deze aantallen kan men gerust zeggen dat de hoeveelheid aanwezige personen
in ieder geval meer dan verantwoord was. De verklaringen van vele getuigen laten
daarover ook geen twijfel bestaan:
J.M. K.
(verklaring bij de RC d.d. 27 augustus 2002):
"Op de bewuste avond was het op een gegeven moment zo druk dat je niet meer
kon lopen. Wij hebben toen niet met elkaar besproken dat er beneden doorgegeven
moest worden dat er geen klanten meer doorgelaten mochten worden in café De
Hemel. Wij keken elkaar alleen een beetje hopeloos aan. John was die avond het
aanspreekpunt. (…) Als er echt problemen waren in De Hemel ging je naar John.
Op Oudejaarsavond na twaalven kon dat, omdat het toen zo druk was dat er toen
geen doorkomen meer aan was".
R.Z. ( verklaring
bij RC d.d. 24 januari 2002):
"John Kadij werkte die avond in de WirWar. Ik heb niet tegen John gezegd
iets in de trant van: kappen het is boven veel te druk. Op de trap stond het
helemaal vast. Op dat moment was het chaos. Nadat ik buiten vuurwerk had
afgestoken moest ik om weer in het Hemeltje te komen over de trapleuningen
lopen. Die avond is niets over de drukte gezegd; niemand gaat de sfeer
verpesten. Het gaat bij ons in de nacht van oud op nieuw altijd zo, dat het zo
massaal is."
P. B. (verklaring
RC d.d. 17 augustus 2002):
"Na twaalven was het heel erg druk. Het was ook heel erg druk op de trap
naar De Hemel. Je kon er bijna niet meer lopen. Ik heb niet met John besproken
dat er geen mensen meer naar De Hemel mochten. Dat kon ook niet. Het was
Oudejaarsavond en dan doe je zoiets niet".
E.G.M. B. (D 007):
"Ik denk dat het net even na middernacht was dat ik in Het Hemeltje binnen
kwam met M.. Wat ik nog wel weet is dat het veel drukker was dan eerder op de
avond. Ik schat dat er meer dan 300 mensen in het Hemeltje binnen waren".
K.M.A. B. (D 014):
"Boven in de Hemel was het vreselijk druk. Ik schat dat er ongeveer wel 275
mensen binnen waren".
G.H.P.M. B. (D
019):
"Rond 24:00 uur werd het heel druk. Voor 24:00 uur zaten er voor mijn
gevoel zo'n 100 man binnen. Na 24:00 uur waren dit er wel rond de 300. Je werd
bijna van je kruk geduwd".
A.H. G. (D 028):
"Het was echt enorm druk op de trap naar het Hemeltje. Ik vond het een
beetje paniekerig druk. Ik vond het echt niet leuk meer .
E.J. J. (D 049):
"Ik kan u wel zeggen dat het Hemeltje stijf vol met mensen zat. Je kon je
niet normaal bewegen in deze bar"
Th. J. K. (D 057):
"Om 00.00 uur was het al superdruk in het Hemeltje. (…) Kort na 00.00 uur
vond ik het te druk worden in het Hemeltje en was ik van plan om even naar
buiten te gaan."
C.S.M. K. (D 058):
"Het was enorm druk, omdat bezoekers van o.m. St Josef en de Amvo omstreeks
middernacht naar bars aan de haven trokken. In de Wir War moesten we in de rij
staan wachten om boven in De Hemel te komen."
C.J.J. K. (D 059):
"Via café Wir war zijn we de trap op gegaan. Toen we bij de trap kwamen
zagen we dat het enorm druk was. Mensen stonden op en voor de trap te wachten
tot ze in café De Hemel naar binnen konden. Ik weet hoe je daar naar binnen
moet komen, want ik kom er al zeven jaar. Ik gooide mijn lichaam in de strijd en
wurmde me door de mensen heen om naar boven te komen."
G. K. (D 074):
"(…) in de Wirwar was het ook vol met mensen. Hierna liepen wij naar de
trap die toegang gaf tot "De Hemel". Op deze trap stonden al wat
mensen. "De Hemel" was vol. Het was er afgeladen met bezoekers. Mijn
vriendin en ik konden dan ook niet direct door de klapdeuren naar binnen. Wij
moesten even wachten. Dat duurde enige minuten."
C.J.W. K. (D 078):
"(…) Ik wilde vanwege de rookontwikkeling van de sterretjes weg uit het
Hemeltje.
Ik liep naar de trap om het café te verlaten. Alleen was het daar heel erg
druk. Je kon niet voor of achteruit. Voor mij stond al S. J.-G.. Ik vroeg aan S.
waarom we niet weg konden komen. S. zei mij dat het druk was op de trap en liep
toen een andere kant op. Ik keek in het trapgat en zag veel mensen op de trap
staan die niet voor of achter konden. Ik ben toen ook bij de trap weggelopen.
(…)."
J.Th.M. K. (D
083):
"(…) Ongeveer 15 minuten in het nieuwjaar besloot ik om weer naar beneden
te gaan. Het was toen inmiddels zo druk geworden dat ik in de rij moest staan om
bij de trap te komen. Er kwamen zoveel mensen naar boven dat men maar heel
langzaam naar beneden konden.
(…) Ik denk dat er op het tijdstip van het ontstaan van de brand wel 300
mensen in "de Hemel" stonden."
J.C.M. M. (D 094):
"(…) In de Wir War viel de drukte wel mee. Alleen bij de trap naar Het
Hemeltje was het heel erg druk. Ik wilde ook naar boven. Door de drukte kon ik
niet eens bij de trap komen. Na ongeveer 5 minuten was ik misschien een stap
vooruit gekomen. Dit alles omdat het boven in de Hemel zo vol was."
J.C.J. N. (D 107):
"Op 1 januari 2001, omstreeks 00.10 uur ben ik naar het Hemeltje aan de
Dijk te Volendam gegaan. Toen ik daar aankwam zag ik dat er een grote rij stond
voor de trap vanaf de Wirwar bar. Toen ik eindelijk boven was, zag ik dat het
erg druk was. Ik heb eerst een rondje om de bar gelopen. Het was zo druk dat ik
eigenlijk weg wilde gaan, maar het was bij de ingang zo druk dat ik ben blijven
wachten."
A. S. (D 120):
"Ik kwam bij de trap die naar de Hemel gaat en ik zag dat het daar dusdanig
druk was dat ik niet de trap op kon. Ik ben toen eerst wat gaan drinken in de
Wir War bar en ben even later nog even gaan kijken bij de trap naar de Hemel.
Ik zag toen dat iedereen nog precies op dezelfde plek stond als toen ik de
eerste keer langs de trap liep."
J.J.M. S. (D 127):
"Ik ben op 01 januari 2001, omstreeks 00.15 uur, naar café De Hemel
gegaan. Daarvoor zat ik in café Wirwar. Het was heel erg druk op de trap naar
café De Hemel en in café De Hemel was het ook heel erg druk. Het was niet
normaal, het was absurd, zoiets had ik nog nooit meegemaakt."
M. S. (D 132):
"Binnen was het stampvol. Ik weet niet hoeveel mensen er binnen waren. Je
moest echt dringen om binnen te kunnen komen."
Th.J.M. S. (D
138):
"Door het gedrang (tijdens de brand) ben ik op de grond gevallen. Ik lag
boven op andere mensen, waaronder ook mijn vrienden. Ik lag bovenop en lag net
zo hoog als de bar. Ik kon daar zeg maar overheen kijken."
S.C.M. S. (D 150):
"Het was heel erg druk in 't Hemeltje. Ik denk dat er wel 300 mensen waren.
Het is altijd druk met de feestdagen en je had nu nog eens te maken met het feit
dat je na twaalven zat en dat iedereen elkaar gelukkig nieuwjaar wilde wensen.
Ik moest me echt door de mensen heen wurmen. Ik weet ook nog dat het heel
moeilijk was om binnen te komen."
E.M. S. (D 154):
"(…). Het was heel druk en benauwd in het Hemeltje. Ik wilde daarom
meteen maar weer weg en ben weer naar de trap gelopen om naar beneden te
gaan".
G.J.M. S. (D 155):
"Er waren veel mensen in het café. Ik kan niet zeggen hoeveel er waren,
doch ik vond het er veel te vol en was ook niet van plan om daar in verband met
de drukte lang te blijven".
J.V. T. (D 171):
"Toen ik boven in De Hemel kwam was het daar tjokvol. Ik zag dat er ook al
weer mensen naar buiten gingen omdat het eigenlijk te vol was".
J. Z. (H 16) :
"Ik schat dat er ongeveer 350 mensen aanwezig waren."
R.H. Z. (H 17):
"Toen ik om 00:10 uur weer naar mijn werkplek achter de bar wilde gaan
heeft het mij vrij veel moeite gekost om weer boven te komen. Ik moest zelfs via
de trapleuning als het ware naar boven klimmen zo druk was het met
publiek."
Proces-verbaal van bevindingen van de Technische recherche betreffende het brandonderzoek in de bar De Hemel. (TR-dossier onder 2.)
"Met
betrekking tot het vloeroppervlak:
Verspreid over het gehele vloeroppervlak werden vele schoenen en jassen
aangetroffen. Voorts werden 2 vaste tafels, 9 losse tafels en 115 barkrukken
verspreid over het vloeroppervlak aangetroffen."
Conclusie
Op basis van
bovengenoemde gegevens is de conclusie van het Openbaar Ministerie dat het op
die bewuste avond veel en veel te druk was.
Het moge duidelijk zijn dat de aanwezigheid van 9 losse tafels en zo'n 115 losse
barkrukken de snelheid waarmee de jongeren in de ontstane paniek weg konden
komen, nadelig heeft beïnvloed.
Samenvatting
We hebben nu de
drie in de telastelegging genoemde componenten besproken. Wat het Openbaar
Ministerie nu betoogt is dat de cumulatie van meerdere van deze factoren leidt
tot de constatering dat de degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, ook
strafrechtelijk aansprakelijk zijn.
Wanneer er:
en brandbare kerstversiering te laag wordt opgehangen in een café
en de nooduitgangen niet voldoende zichtbaar en/of bereikbaar en/of
bruikbaar zijn ,
en er wordt toegestaan dat het café zo afgeladen vol is dat er
nauwelijks nog iemand bij kan, zelfs zo vol en dat mensen willen vertrekken
omdat het hen te druk is,
dan is dat het moment dat ieder normaal denkend mens kon bedenken dat dit een
gevaarlijke situatie zou kunnen opleveren.
Overige bewijsmiddelen
Met betrekking tot de overleden slachtoffers (genoemd in feit 2) verwijzen wij ook hier naar de sectierapporten en de schouwrapporten, uit welke rapporten de doodsoorzaak blijkt, waarbij sectie telkens heeft moeten plaatsvinden indien de schouwarts geen eenduidige doodsoorzaak kon vaststellen.
Met betrekking tot
de in feit 3 genoemde slachtoffers die zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen
verwijzen wij naar de medische verklaringen en de verklaringen van de
betrokkenen zelf.
In dit kader moet over dat letsel het een en ander worden gezegd.
Begin januari 2001 is reeds besloten de zogenoemde medische verklaringen te
verzenden naar slachtoffers opdat hun behandelende artsen deze zouden kunnen
invullen. Op het formulier waren voor de vaststelling of er sprake was van zwaar
lichamelijk letsel met name de volgende vragen van belang: Hoe lang gaat het
herstel duren ? en: Blijft het letsel zichtbaar ?
Geen onduidelijkheid bestaat er over de jongeren met zeer zwaar lichamelijk
letsel. Wel valt er te discussiëren over jongeren met 2e en 3e graads
brandwonden, die volgens de opgave op de medische verklaring na 6 weken hersteld
zouden zijn , maar waarbij het letsel (naar de inschatting van de betreffende
arts) zichtbaar blijft.
Waar de medische verklaringen onvoldoende duidelijkheid verschaffen, is
teruggegrepen op de verklaringen van de betrokkenen zelf. De combinatie van deze
twee bewijsmiddelen heeft dan de doorslag gegeven over de vraag of de betrokkene
al dan niet zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Een ander punt dat zich voordeed, was dat een aantal jongeren die duidelijk zeer
zwaar gewond waren geraakt, geen formulier heeft ingezonden. Kennelijk had het
genezingsproces bij hen absolute prioriteit. Deze jongeren zijn toch op de
telastelegging opgenomen, en wel op basis van hun eigen verklaringen, waarin
meestal reeds uit de plaats van verhoor blijkt dat zij - na langere tijd - nog
in het ziekenhuis verblijven.
Tot slot was er een categorie van wie tot onze verbazing het formulier werd
teruggestuurd onder de mededeling dat de arts een geheimhoudingsplicht had; dit
terwijl de formulieren toch echt door de betrokkene of hun ouders aan de artsen
waren verstrekt, teneinde die informatie aan de politie te kunnen geven. Voor
deze categorie hebben wij ook gemeend de zwaarte van het letsel te kunnen
beoordelen aan de hand van hun eigen verklaring.
Vervolgens dient
de vraag te worden beantwoord of de verdachte Jan Veerman handelde in de
uitoefening van zijn beroep.
Dit is een strafverzwarende omstandigheid die hem wordt verweten ten aanzien van
de dood door schuld en het zwaar lichamelijk letsel door schuld.
Belangrijker echter dan de strafverzwaring die bewezenverklaring van dit feit
oplevert, is de vaststelling dat degene die een beroep uitoefent, een bijzondere
zorgplicht heeft. Deze bestaat in de voorzichtigheid die in acht moet worden
genomen met het oog op de gezondheid en lichamelijke integriteit van anderen.
Voorwaarde om deze strafverzwarende omstandigheid te kunnen bewijzen is, naast
de vaststelling of Jan Veerman handelde in de uitoefening van zijn beroep, het
gegeven dat er aantoonbaar verband bestaat tussen de beroepsuitoefening van de
verdachte en de gevolgen.
Als beroep heeft Jan Veerman opgegeven: ondernemer. Dit is een algemene
omschrijving nu hij actief is op verschillende gebieden: hij bezit onder meer
een bouwonderneming, en hij is eigenaar/beheerder van het WirWar complex.
Die bouwonderneming heeft geen enkele link met de behandelde feiten, dus in dat
kader heeft hij niet in de uitoefening van zijn beroep gehandeld.
Voor zijn bedrijfsvoering met betrekking tot het WirWar complex ligt dat anders.
Ten aanzien van deze bedrijfsvoering constateert het Openbaar Ministerie op
basis van de stukken dat hij handelde in het kader van zijn beroepsuitoefening,
te weten als (horeca-) ondernemer. Dit blijkt overigens ook uit het gegeven dat
hij op de vervallen vergunning vermeld stond als beheerder/bedrijfsleider.
Daarnaast concludeert het Openbaar Ministerie dat er, gelet op de eerder
genoemde bewijsmiddelen, verband bestaat tussen de wijze waarop deze
bedrijfsuitoefening plaatsvond, en de gevolgen daarvan: het overlijden van
veertien jongeren en het zware lichamelijk letsel van een groot aantal jongeren.
De conclusie luidt dat ook dat Jan Veerman handelde in de uitoefening van zijn
beroep.
4.2.1 Causaliteit
Voorts dient ook hier te worden bezien of er sprake is van causaliteit.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is er sprake van 3 componenten die samen het verwijtbare gedrag vormen. Natuurlijk ontstaat er door de drukte geen brand, evenmin als door het niet functioneren van nooduitgangen, dat zal duidelijk zijn. Wel kon en is er brand ontstaan doordat open vuur in aanraking kon worden gebracht met laaghangende, uitgedroogde kersttakken.
De telastelegging
dient dan ook als volgt te worden gelezen:
Enerzijds kon en is doordat open vuur in aanraking kon worden gebracht met te
laag hangende, uitgedroogde kersttakken, brand ontstaan.
Als direct gevolg van de brand zijn mensen overleden, en vele anderen zijn zwaar
gewond geraakt. Causaal verband dus tussen oorzaak en gevolg.
Anderzijds ontstond er, toen er eenmaal brand was ontstaan, paniek. Waarom? Omdat het veel te druk was, en omdat de nooduitgangen niet voldoende bruikbaar waren. In die paniek zijn mensen onder voet gelopen. Een aantal personen is (mede) hierdoor overleden; anderen zijn (mede) hierdoor zwaar gewond geraakt. Een persoon is in die paniek uit het raam gesprongen en heeft daardoor zijn rug gebroken. Ook hier causaal verband tussen oorzaak en gevolg, zij het op basis van de andere componenten.
Slotopmerking
De deskundige Reijman stelde op de zitting dat, als de deuren en ramen in een eerder stadium van de brand waren opengegaan, er meer zuurstof zou zijn toegestroomd, waardoor de gevolgen vermoedelijk nog veel ernstiger zouden zijn geweest. Deze stelling kan in onze visie evenwel niet in het voordeel van de verdachten werken. Het handelt hier nu eenmaal om wat er daadwerkelijk is gebeurd, en niet over wat er had kunnen gebeuren.
4.3 Strafrechtelijke aansprakelijkheid
Meneer de voorzitter, geachte leden van de rechtbank,
Wij komen thans bij de cruciale vraag: Kunnen en moeten de verdachten nu ook strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor de eerder geconstateerde nalatigheden en gebreken?, of anders gezegd: hebben de verdachten in strafrechtelijke zin schuld aan het gebeuren ?
Een korte
opmerking over het begrip schuld.
Strafrechtelijke schuld is iets anders dan de schuld die wij allen in het
normale spraakgebruik kennen.
Juridische schuld moet in casu worden gezien als gevolgschuld. Dader is degene
aan wiens schuld het ingetreden gevolg is te wijten, aan wie het kan worden
toegerekend. De schuld is daarbij een te bewijzen bestanddeel. Schuld in
juridische zin is ook een complex begrip.
Blijkens jurisprudentie en literatuur moeten ter beantwoording van de vraag of
de schuld kan worden bewezen, de volgende vragen worden beantwoord:
Moest en kon de verdachte anders handelen dan hij heeft gedaan, of anders
gezegd: is zijn handelen (of nalaten natuurlijk) verwijtbaar ?
Vervolgens moet er een normatieve beoordeling plaatsvinden: levert dit handelen
of nalaten de kwalificatie onachtzaam, onoplettend, nalatig, of onnadenkend op?
En is dat de verdachte toe te rekenen ?
En tenslotte: waren de gevolgen voorzienbaar ? (deze vraag dient te worden
gelezen
als: had een normaal mens de ingetreden gevolgen moeten kunnen voorzien)
Laten we kijken wat deze juridische criteria voor deze zaak betekenen:
4.3.1 Ten aanzien van feit 1:
Hadden de verdachten de kerstversiering anders moeten en kunnen ophangen?
Uit de stukken,
het is hiervoor al aangehaald, blijkt dat Laura Veerman een grote rol heeft
gespeeld in het ophangen van de kerstversiering. Zij heeft haar vader er aan
herinnerd dat hij kersttakken moest bestellen bij bloemenhuis Claudia; zij stond
's ochtends klaar toen de kersttakken werden aangeleverd en zij was bij het
ophangen van de kerstversiering. Zij heeft M. v. S. weggestuurd bij het
versieren omdat die de lampjes niet goed in de versiering hing (L 2), P.B. kreeg
van Laura op zijn lazer omdat hij de touwtjes niet goed spande (H1), en toen
alle takken in de hele zaak hingen, is zij de hele zaak doorgelopen en heeft ze
alle takken die ze kon aanraken afgeknipt of weggehaald.(L2)
J.C.M. K. verklaart dat Laura hem heeft gebeld of hij kon komen om te helpen met
het ophangen van de kerstversiering. Daarbij speelde voor het Openbaar
Ministerie tevens een rol dat zij gesproken heeft met J., eigenaar van de
Kaketoe, die haar heeft uitgelegd waarom hij stond te impregneren.
John Veerman verklaart tegenover de politie (H 19) dat zij op 27 november 2000 zijn begonnen met het ophangen van de kerstversiering, dat de versiering werd opgehangen aan stalen ogen, die in het plafond gedraaid waren, en dat hij zelf heeft voorgedaan hoe dat moest.
Jan Veerman heeft niet geholpen met ophangen, maar hij heeft (achteraf) wel gecontroleerd of de hoogte goed was. Hij heeft sommige delen nog laten verhangen omdat het te laag was opgehangen.
De verdachten
hebben zich dus bezig gehouden met het ophangen van de kerstversiering. Eerder
in dit requisitoir bespraken wij al dat de kerstversiering in ieder geval op
Oudejaarsavond te laag hing.
Het Openbaar Ministerie is op basis van voornoemde argumenten van oordeel dat de
wijze van het ophangen en laten hangen van de kerstversiering aan deze
verdachten moet worden verweten, en dat zij het anders hadden moeten en/of
kunnen doen.
In de genoemde bewijsmiddelen ligt tevens besloten de waardering dat hun
handelen als een onoplettendheid / onnadenkendheid moet worden gezien, die hen
toe te rekenen valt.
En dan: was het te
voorzien ? In Volendam, in de media, vaak is het gezegd: Wie kan er nou voorzien
dat er zoiets gebeurt ? Zelfs de deskundige Reijman heeft u het horen zeggen.
Ik ben het er helemaal mee eens: niemand had kunnen voorzien dat er zo'n felle
brand uit zou voortvloeien met zulke gevolgen .
Maar dat is iets anders dan de vraag naar de voorzienbaarheid van een brand.
In een jongerencafé, waar uitgelaten, feestvierende jongeren komen, "the
place to be" volgens John Veerman, waar wordt gerookt, waar met aanstekers
op de muziek van André Hazes wordt meegedeind, waar personeelsleden het licht
dimmen omdat het licht van sterretjes dan beter tot zijn recht komt: in zo'n
omgeving moet men nog meer opletten dan gebruikelijk (zie ook de verklaring van
de eigenaar van de Kaketoe).
In die omgeving, met deze wijze van ophangen, dat is vragen om problemen. Men
had niet bedacht hoeven te zijn op deze gevolgen, maar dat er brand kon
ontstaan, dat moet naar redelijke normen voorzienbaar zijn geweest .
Indien Jan Veerman
stelt dat hij toch niet kon voorzien dat zijn personeel sterretjes uitdeelde, of
in ieder geval niet afpakten, stelt het Openbaar Ministerie daar het volgende
tegenover:
Slechts indien Jan Veerman alles zou hebben gedaan om te voorkomen dat zich een
gevaarlijke situatie voor zou doen, als hij bevelen zou hebben gegeven,
maatregelen zou hebben getroffen, en toezicht zou hebben gehouden, ja, dan was
het voor hem niet te voorzien geweest. Maar Jan Veerman, zo gaven wij al eerder
aan, liet het aan de assertiviteit van de medewerkers over om te handelen.
Sommige werknemers vinden het dan, zo blijkt uit verschillende verklaringen,
toch heel lastig om leeftijdgenoten aan te spreken, zeker waar iedereen elkaar
kent. En andere barmedewerkers vinden het niet zo belangrijk om 15-jarigen het
café uit te zetten.
Waar Jan Veerman geen duidelijk beleid aangaf waar de werknemers zich aan
moesten houden, waar geen controle op de juiste gang van zaken was, daar kan Jan
Veerman zich er thans niet op beroepen dat hij alles heeft gedaan om te
voorkomen dat zich een gevaarlijke situatie voor zou doen. Wij vroegen het ook
op de zitting aan R.Z., toen die zei dat Jan Veerman zei dat zij moesten
proberen de drukte in de hand te houden. Gaf hij dan ook aan op welke wijze; gaf
hij een kader ? Nee, was het antwoord, gewoon proberen.
Het personeel deed maar wat, elk naar eigen inzicht. Jan Veerman gaf zelf ook
aan dat er iedere week wel iets niet in orde was. En onder die omstandigheden
komt Jan Veerman niet het recht toe om te zeggen dat het voor hem totaal
onvoorzienbaar was dat er sterretjes binnen waren.
En overigens: als nu het aansteken van sterretjes een eenmalig incident was
geweest, dat Jan Veerman nog nooit had meegemaakt, maar zelfs dat is niet het
geval. Want met Kerstmis waren er in het café ook sterretjes aangestoken,
volgens meerdere getuigen ook door personeelsleden.
Ten slotte: Kan
Jan Veerman zich in het kader van de vraag naar de toerekening wijzen naar de
gebrekkige controle door de gemeente ?
Het Openbaar Ministerie beantwoordt deze vraag met klem ontkennend.
De primaire verantwoordelijkheid voor een café ligt bij de horeca-ondernemer
zelf. Hij heeft een zelfstandige verantwoordelijkheid, en een bijzondere
zorgplicht voor zijn cliëntèle. Elke ondernemer die een café of andere
lokaliteit wil houden zal dan ook maatregelen dienen te treffen met betrekking
tot de veiligheid van die cliëntèle. Dit geldt ook voor Jan Veerman
Moeten de
verdachten Laura en John Veerman niet op een lijn worden gesteld met andere
personen die mee hebben helpen ophangen?
Deze vraag moet in de visie van het Openbaar Ministerie ontkennend worden
beantwoord:
Ten aanzien van Laura Veerman geldt meer dan voor anderen dat zij het voortouw heeft genomen bij het ophangen van de kerstversiering en daarnaast een gewaarschuwd mens had moeten zijn omdat zij met Jonk had gesproken over het impregneren.
Ten aanzien van
John Veerman geldt dat hij bedrijfsleider is, en eindverantwoordelijke als Jan
er niet is. John Veerman werkte sinds 20 oktober 2000 als bedrijfsleider in het
WirWar complex. Dat was niet alleen een titel; het betekende dat als er nieuw
personeel kwam, zij bij John Veerman moesten oefenen. Hij leerde hen bedienen en
bier tappen. Jan Veerman en hij instrueerden het personeel over de
nooduitgangen.
In zijn functie van bedrijfsleider mag van John Veerman meer worden verwacht dan
van andere barmedewerkers. Hij was ten slotte de bedrijfsleider. Hij was op dat
moment de eindverantwoordelijke. En hij kan dan niet zeggen: maar ik was pas 8
weken in dienst. De verantwoordelijkheid komt met de functie, vanaf de eerste
dag. Een voorbeeld: De machinist die acht weken werkt, een zwaar treinongeval
veroorzaakt en dan zegt: "sorry, maar u moet niet bij mij zijn, ik werkte
pas acht weken als machinist". Nee, anderen vertrouwen de machinist hun
veiligheid toe en dat geldt op dezelfde wijze voor John Veerman.
Hij was bedrijfsleider en dus verantwoordelijk voor alles wat hij uit hoofde van
die functie deed en naliet.
Concluderend komen wij dan ook tot een bewezenverklaring voor feit 1 voor alle drie verdachten.
4.3.2 Ten aanzien van de feiten 2 en 3
De eerste vraag is ook hier: Valt de verdachten de wijze waarop brandbare kerstversiering is opgehangen en vervolgens is blijven hangen, te verwijten ? U begrijpt dat ten aanzien van deze vraag hetzelfde antwoord volgt als ten aanzien van feit 1.
Vervolgens moet
met betrekking tot de nooduitgangen /vluchtwegen worden geconcludeerd dat deze
niet voldoende snel bruikbaar en/of zichtbaar waren.
Dit valt ten eerste Jan Veerman als beheerder /eigenaar te verwijten. Bij diens
afwezigheid echter berust de verantwoordelijkheid daarvoor bij John Veerman in
zijn hoedanigheid van bedrijfsleider.
Als hij nu zegt dat hij niet op de hoogte was hoe het zat met de nooduitgangen,
dan is het antwoord van het Openbaar Ministerie dat hij het, gelet op zijn
functie, had moeten weten.
Het Openbaar Ministerie beschouwt deze tekortkoming als ernstig nalatig, en
rekent dat de verdachten Jan Veerman en John Veerman aan.
De vraag of de
gevolgen voorzienbaar waren, laat zich lastig per onderdeel beantwoorden.
Het gaat hier om de gevolgen van de paniek die ontstaat naar aanleiding van de
brand.
Al eerder gaven wij aan dat het juist de cumulatie van verwijtbare gedragingen
is die de culpa als het ware inkleurt. De drukte, opgeteld bij de gebreken rond
de nooduitgangen, dat maakt dat voorzienbaar is dat, op het moment dat er brand
ontstaat, jongeren niet voldoende snel kunnen wegkomen omdat en de nooduitgangen
niet voldoende snel bruikbaar waren en omdat het zo druk was.
Ten aanzien van Laura Veerman concludeert het Openbaar Ministerie dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat Laura op dit punt iets kan worden verweten.
Tot slot de derde component: valt aan de verdachten de drukte te verwijten ?
Jan Veerman wist
dat het heel druk zou worden, want zo ging het immers ieder jaar.
Toch waren er geen specifieke maatregelen getroffen om te voorkomen dat het te
druk zou worden. Er was vaker gesproken over portiers, maar Jan Veerman vond het
niet aangewezen om een portier aan te stellen. Hij vond het zelfs niet
aangewezen om zelf in het café te blijven. Jan Veerman maakte die avond een
rondje door de WirWar, en vertrok. Hij moet, gelet op zijn eigen verklaring
(afgelegd op de zitting) de drukte op de trap richting café De Hemel hebben
gezien. Als hij op dat moment naar café De Hemel was gegaan, had hij de enorme
drukte boven gezien.
Ook John Veerman
wist dat het heel druk zou worden. Hij was in dienst op het moment dat de drukte
ontstond. Hij had er notabene zicht op. Hij zag het gebeuren. Maar hij deed
niets. Want dat deed men nou eenmaal niet op Oudejaarsavond.
Voor het Openbaar Ministerie is het volstrekt duidelijk dat beide verdachten
anders hadden kunnen en moeten handelen.
De constatering dat er zoveel jongeren aanwezig waren in café De Hemel,
waaronder overigens alleen al 60 jongeren die er op grond van hun leeftijd niet
hadden mogen zijn, leidt tot de conclusie dat het er aanmerkelijk meer jongeren
waren dan verantwoord, terwijl er geen enkele moeite werd genomen om het aantal
aanwezigen te beperken. Derhalve valt het niet handelen op dit punt te
kwalificeren als ernstig nalatig en onoplettend.
Dit moet worden toegerekend aan beide verdachten, om de eerder genoemde redenen.
De vraag of de gevolgen voorzienbaar waren, hebben we feitelijk reeds bevestigend beantwoord bij de behandeling van dezelfde vraag ten aanzien van de nooduitgangen.
Ten aanzien van Laura Veerman komt het Openbaar Ministerie ook op dit punt tot de conclusie dat er, gelet op de verklaringen in het dossier en hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen, geen redenen zijn om aan te nemen dat Laura op dit punt iets kan worden verweten.
Conclusie
Het Openbaar
Ministerie verwijt Laura Veerman, net zoals bij feit 1, het onderdeel van het te
laag ophangen en laten hangen van de kerstversiering. Het Openbaar Ministerie
ziet echter in haar geval geen verwijtbaarheid ten aanzien van de nooduitgangen
en de drukte; daar had zij geen specifieke rol in; er mocht van haar op dat
gebied geen specifieke deskundigheid worden verwacht. Dit betekent juridisch
gezien dat de mate van schuld (culpa) van Laura Veerman, afgewogen tegen de
andere genoemde en niet bewijsbare verwijtbaarheden, zo licht is dat er niet
gesproken kan worden van schuld in strafrechtelijke zin.
Het Openbaar Ministerie zal daarom ten aanzien van de feiten 2 en 3 in de zaak
van Laura Veerman vrijspraak vorderen.
Dat ligt anders
ten aanzien van beide andere verdachten. Het Openbaar Ministerie acht hen beiden
strafrechtelijk aansprakelijk voor de feiten 2 en 3.
Zij hebben brandbare kerstversiering zo laag opgehangen en laten hangen, dat er
brand kon ontstaan omdat vuur er mee in aanraking kon worden gebracht, en ze
hadden vluchtroutes aanwezig die onvoldoende functioneerden, en bij deze stand
van zaken lieten zij toe dat het zo druk werd dat mensen, toen er brand
ontstond, elkaar onder de voet liepen en niet meer weg konden komen .
Nogmaals, voor alle duidelijkheid: in de media is veel geschreven over het feit
dat meerdere cafés de bedrijfsvoering niet op orde hadden en dat dit in heel
Nederland had kunnen gebeuren. Het Openbaar Ministerie vraagt zich echter af of
deze cumulatie van de verwijten (en kerstversiering te laag, en de nooduitgangen
niet voldoende snel bruikbaar, en de drukte) zich in die andere gevallen heeft
voorgedaan, want het is de cumulatie die hier de ernst van de feiten inkleurt.
Wij komen tot een bewezenverklaring voor feit 1 voor alle drie verdachten, en tot een bewezenverklaring voor de feiten 2 en 3 voor de verdachten John Veerman en Jan Veerman.
Mijn collega zal nu verder gaan met de bespreking van de feiten 4 en 5 op de dagvaarding van Jan Veerman.
4.4 Feit 4: handelen in strijd met artikel 6.2.1. van de Bouwverordening
Met betrekking tot de kwaliteit en zichtbaarheid van de transparanten in het pand 154-156 kan het volgende worden opgemerkt.
Op 3 en 5 januari
2001 werd door Nuon een elektrotechnisch onderzoek uitgevoerd naar de werking en
functionaliteit van de noodverlichting en nooduitgangverlichting aangebracht in
café De Blokhut, café De Wir War en café Het Hemeltje (zie voor de
bevindingen B12). Van de bevindingen met betrekking tot de noodverlichting is
door de technische recherche proces-verbaal opgemaakt (zie B 11).
Uit het opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de volgende noodverlichting niet of
onvoldoende functioneerde:
Noodverlichting Blokhut
Noodverlichting opschrift ''UIT" aangebracht boven de toegangsdeur gelegen
aan de achterzijde van het pand:
Zowel de noodverlichting als de continuverlichting bleken niet te functioneren.
De continuverlichting bleek voorzien van een oranje gekleurde folie.
Noodverlichting WIR-WAR
Noodverlichting opschrift "UIT" aangebracht boven de ingang/ portaal
van het pand:
Deze noodverlichting bleek nagenoeg geheel aan het zicht onttrokken te zijn door
een luchtsluis/portaal, welke aan de binnenzijde van het pand tegen de entree
was aangebouwd. De noodverlichting bleek niet te functioneren.
Noodverlichting De Hemel
Noodverlichting opschrift "NOODUITGANG" aangebracht aan de, vanaf de
voorzijde gezien, rechterzijde van het Hemeltje:
De noodverlichting en de continuverlichting functioneerden niet. De
continuverlichting bleek voorzien van een oranjekleurig folie.
Noodverlichting
opschrift "UIT" aangebracht boven de toegangsdeur van het Hemeltje:
De noodverlichting bleek niet te functioneren. De continuverlichting bleek half
te branden en was voorzien van een oranjekleurig folie.
Noodverlichting
opschrift "NOODUITGANG" aangebracht boven de deur gelegen aan de
achterzijde van het Hemeltje:
De noodverlichting bleek niet te functioneren. De continuverlichting bleek wel
te functioneren en was voorzien van oranjekleurig folie. De knop teneinde de
noodverlichting te kunnen testen ontbrak.
Conclusie NUON
Kort samengevat
komen de conclusies van NUON (zie B12) op het volgende neer:
De gesignaleerde storingen kunnen niet zijn veroorzaakt door en/of vanuit de
elektrische installatie.
In de meeste gevallen dient de oorzaak te worden gezocht in ondeskundig gebruik,
handelen en bedienen van installatieonderdelen in combinatie met onvoldoende
regulier onderhoud en deskundige controle.
In de armaturen "UIT" en "NOODUITGANG" zijn met papier omwikkelde tl-buisjes aangetroffen. De tl-buisjes bleken op onjuiste wijze te zijn teruggeplaatst in de lamphouders. De lampjes maakten geen elektrisch contact.
Uit het vorenstaande moge blijken dat de transparantverlichtingen in het bouwwerk niet op alle plaatsen naar behoren hebben gefunctioneerd en derhalve ook niet of onvoldoende zichtbaar zijn geweest.
Voor wat betreft
de noodverlichting met het opschrift "UIT" boven de ingang/portaal van
het pand in de WIR-WAR geldt bovendien dat deze ook feitelijk aan het zicht
onttrokken was.
(zie map B, fotomap technische recherche fotonummer(s), 3.2 tot en met 3.10 en
11.6 en 11.6a en de bevindingen van de technische recherche in map B, p. 3.3).
Dit geldt eveneens
met betrekking tot de transparantverlichting in De Blokhut boven de in- en (nood-)
uitgang van het café aan de linkerzijde
(zie map I project WirWar; foto IV-2 (p.40), foto 6 (p. 50) en map B fotomap
technische recherche fotonummer. 4.7, 4.12, 4.13, 4.38, 4.39,en 4.40). Deze
transparantverlichting was door de kerstversiering niet of nauwelijks zichtbaar.
Gelet op de hoogte
van de ogen waardoor de nylon bedrading, waarop de kerstversiering rustte was
gehaald, mag worden aangenomen dat de transparant in de WirWar boven de
verwijzing naar de toiletten ook nauwelijks zichtbaar is geweest.
(zie ook de bevindingen van de technische recherche (map B, processen-verbaal
van technisch onderzoek p.3.4) en map B fotomap technische recherche fotonummer
3.19 en 3.20 en map I, project WirWar , p. 38 fotonummer III-1)
Met betrekking tot
de zichtbaarheid van de transparantverlichting in café De Hemel kan nog het
volgende worden opgemerkt:
Boven de toegang naar de opslagruimte achterin café De Hemel was een
transparant aanwezig met de tekst "NOODUITGANG". Deze transparant is
tengevolge van de brand grotendeels gesmolten (zie map I, project WirWar, foto
II-5).
Door de
verbalisanten wordt over de zichtbaarheid van deze transparant het volgende
gerelateerd (zie map I, project WirWar p.9):
"Voorts is zichtbaar dat er direct boven en rechts daarnaast een tweetal
schroefogen bevestigd zit in het hout waaraan nog restanten gesmolten nylon
zitten. Hieruit blijkt dat hier vermoedelijk ook nylondraden aan bevestigd
hebben gezeten waarop de kerstversiering en kerstlampjes rustten [ zie foto II-5
bij de zwarte pijlen].
Gezien de afstand
tussen de onderzijde van deze ogen en de daaronder gemonteerde transparant is
het zeer waarschijnlijk te noemen dat de transparant door de vanaf de oogjes
gespannen nylondraden en de daarin hangende kerstversiering vrijwel geheel aan
het zicht onttrokken is geweest.
[zie foto II-4 waar bij de getallen 4 oogjes hebben gezeten waaraan eveneens
nylondraden bevestigd hebben gezeten en die het zicht op de transparant boven de
deur naar de opslagruimte mogelijk mede bemoeilijkt hebben. Bij getal 5 is nog
een kerstlampje zichtbaar]"
(en ten aanzien
van de nooduitgang in de zijgevel van café De Hemel)
"Bij de in de zijgevel aangetroffen vluchtweg werd in de caféruimte van De
Hemel boven de nooduitgang een transparant aangetroffen met de tekst NOODUITGANG
die nu zichtbaar was doordat de kerstversiering verdwenen was. Vermoedelijk is
ook hier door de gemiddelde hoogte van de gehangen hebbende kerstversiering het
zicht hierop grotendeels bemoeilijkt [zie foto II -16 bij getal 1]."
Dit vermoeden
wordt bevestigd door de verklaring van E.G.M. B. (D 007) die verklaart:
" Ik herinner mij dat R. op de deur wees dat het een nooduitgang was. Ik
zag toen (dat) half achter kersttakken een verlicht bordje zat met daarop
nooduitgang".
Conclusie
Het vorenstaande
leidt tot de conclusie dat de transparanten met de teksten
"NOODUITGANG" en "UIT" niet overal in het bouwwerk
(voldoende) zichtbaar waren.
Het feit kan dus wettig en overtuigend worden bewezen.
4.5 Feit 5: handelen in strijd met artikel 6.3.2 van de Bouwverordening
In café De Hemel
werden geen duidelijke pictogrammen aangetroffen met een verwijzing naar de
aanwezigheid van (o.a.) blusmiddelen.
In het café bevond zich nabij de wenteltrap een houten wandkast, waarin een
brandslanghaspel aanwezig was. De deur van deze kast werd aan de onderzijde
dicht geklemd door een bierviltje. Op de deur van deze kast werd geen pictogram
of ander aanduidingsmiddel aangetroffen, waardoor het voor anderen kenbaar was
dat zich achter deze kastdeur een brandslang bevond. Een dergelijke aanduiding
bij ingebouwde blusmiddelen is wel verplicht en Veerman was daarop ook gewezen
(zie brief van de gemeente Edam-Volendam d.d. 29 mei 2000). De brandslanghaspel
was bovendien niet voorzien van een aanduidingsticker of keuringssticker.
Door het ontbreken van een aanduiding op de kastdeur en het aan de onderzijde
dichtklemmen van die deur middels een bierviltje, werd de zichtbaarheid en/of
het onmiddellijk gebruik van die brandslang (met aansluiting) belemmerd (zie map
I, dossier WirWar, p.8 en 9, en fotonummer(s) II-1 t/m II-3 (p.24 en 25).
Ter voorkoming of bestrijding van deze brand is onderhavige overtreding niet van
directe invloed geweest. De brand verliep zodanig snel, dat van blussen
nauwelijks sprake kon zijn. Jan Veerman was er echter wel op gewezen dat de kast
van een pictogram of andere aanduiding voorzien diende te zijn, dat gold
evenzeer voor de daarnaast gelegen meterkast. Ondanks het feit dat hij daar
zowel mondeling, door de brandpreventiemedewerker bij controle, als nadien
schriftelijk door de gemeente op is gewezen, bleef de overtredingssituatie
niettemin bestaan. Dit geldt evenzeer met betrekking tot het, overigens niet
telastegelegde, feit, dat ook in de andere bars geen brandslangen aanwezig
waren. Ten aanzien hiervan bleef Jan Veerman al sinds 1993 in gebreke.
In café De Hemel
bevinden zich aan de voorzijde een viertal kunststof kozijnen. Aan de
binnenzijde van alle vier deze kozijnen is een smeedijzeren traliewerk
(sierhekwerk) gemonteerd dat aan een zijde scharnierend is. De andere zijde van
het traliewerk is vastgezet in- en aan het raamkozijn door een draaibare
sluiting aan de boven en onderzijde van het hekwerk. Dit hekwerk kan middels een
speciale sleutel worden ontsloten, waarna het hekwerk naar de binnenzijde
draaiend geopend kan worden.
Er werden geen sleutels of verwijzingen naar de sleutels bij of nabij het
traliewerk aangetroffen. De sleutels voor dit hekwerk bevonden zich achter, (het
niet voor publiek toegankelijke gedeelte van) de bar in het café De Hemel, op
een zodanige hoogte dat deze voor het publiek niet of nauwelijks waarneembaar
waren. De ramen aan de voorzijde van café De Hemel golden niet als officiële
nooduitgang of vluchtweg. Zij hadden als vluchtmogelijkheid kunnen dienen,
wanneer zij niet (af)gesloten waren geweest gedurende die bewuste nacht (zie
voor de bevindingen met betrekking tot de voorpui van café De Hemel: map
project WirWar, pp. 10 en 11 en processen-verbaal van technisch onderzoek,
Bijlage B, pp. 2.2. en 2.3.).
Blijkens getuigenverklaringen (zie bewijsmiddelen dood en zwaar lichamelijk
letsel door schuld) hebben velen getracht zich via deze raampartij aan de
voorzijde van het café in veiligheid te brengen. Eveneens blijkt dat veel
slachtoffers hebben verklaard dat zij pas lucht kregen toen de ramen aan de
voorzijde van café De Hemel waren ingeslagen. Uiteindelijk is na veel moeite
het traliewerk voor deze ramen geforceerd, waardoor slachtoffers de gelegenheid
de gelegenheid kregen naar buiten te vluchten.
Door het naar binnendraaiend (afgesloten) traliewerk voor de ramen werd de
mogelijkheid tot redding en ontkoming ernstig bemoeilijkt en vertraagd.
Met betrekking tot
de panieksluiting aangebracht op de nooduitgang in de zijgevel van café De
Hemel kan ik kort zijn.
Op zichzelf behoeft het ondersteboven monteren van een panieksluiting, hoewel
niet logisch, de werking ervan niet per definitie negatief te beïnvloeden In
casu werd een adequate werking van deze panieksluiting echter belemmerd door het
feit dat zich vlak daarboven een balk bevond, waardoor deze nooddeur eerst door
een onderhandse greep naar boven kon worden geopend. Niet alleen werd de
zichtbaarheid van deze panieksluiting door deze op de nooddeur gemonteerde balk
(zeker bij uitvallen van de verlichting en door drukte) belemmerd, maar vooral
werd het onmiddellijk gebruik van die panieksluiting op de nooddeur belemmerd.
Dit blijkt niet alleen uit de bevindingen van het technisch onderzoek (map I,
project WirWar, pp. 14 en 15, fotonummers II-19 en II-20 (p.33) en voor juiste
montage zelfde map foto's 7 t/m 9 (pp. 50 en 51) en map B, processen-verbaal van
technisch onderzoek pp. 2.3 en 2.4 en map B, fotomap technische recherche
fotonrs. 2.17 t/m 2.19 en 2.21), maar tevens uit vele getuigenverklaringen.
Uit deze verklaringen blijkt dat verschillende personen (ik verwijs naar hetgeen
hieromtrent eerder in het requisitoir is opgemerkt en verzoek u die verklaringen
hier als ingelast te beschouwen ) hebben getracht deze nooddeur te openen,
zonder dat hen dat gelukte.
Uit een enkele verklaring citeer ik:
Th.J. L. (verklaring D087): " De deur van deze nooduitgang kreeg men in eerste instantie niet open. Ik werd hierna naar de voorzijde van het pand geduwd alwaar anderen bezig waren de ramen kapot te slaan. Dit lukte op een gegeven moment. Hierna werd een tralienetwerk verwijderd, waarna het publiek naar buiten kon komen (…).
E.G.M. B. (D 007)
verklaart zelfs: "U vraagt mij waarom ik niet naar die deur ben gegaan om
te vluchten als dat een nooduitgang was. Toen ik zag dat een barkeeper die daar
werkt tegen de deur van een nooduitgang aan ging slaan en schoppen betekende dat
voor mij dat die deur niet open kon en ik daardoor ook niet weg kon komen".
Uiteindelijk is zij ontkomen via de ramen aan de voorzijde van het pand.
N.E.M. M. (D099) verklaart: " Ik heb geprobeerd om de stang van deze nooddeur naar beneden open te duwen. Dit lukte niet. Boven de stang zit een balk. Ik denk dat ik op de stang van de deur heb gedrukt maar weet dit niet zeker. Het kan zijn dat ik op de houten balk erboven heb gedrukt."
Het is derhalve
evident dat niet alleen de zichtbaarheid, maar ook het gebruik van de
panieksluiting op deze nooduitgang werd belemmerd.
Op grond van het vorenstaande acht het Openbaar Ministerie ook dit feit wettig
en overtuigend bewezen.
5. Kwalificatie
Het Openbaar Ministerie komt tot de volgende kwalificaties:
Ten aanzien van
Jan Veerman:
1. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor
levensgevaar voor anderen ontstaat en terwijl het feit iemands dood ten gevolge
heeft,
2. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten van de dood van een ander, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd,
3. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn, dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd,
4. Handelen in strijd met artikel 6.2.1 lid 1 Bouwverordening gemeente Edam-Volendam jo. Bijlage 3, artikel 13
5. Handelen in strijd met het gestelde in artikel 6.3.2 onder a en b Bouwverordening gemeente Edam-Volendam
Ten aanzien van
Laura Veerman :
1. Medeplegen van het aan haar schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor
levensgevaar voor anderen ontstaat en terwijl het feit iemands dood ten gevolge
heeft,
2 en 3: vrijspraak
Ten aanzien van
John Veerman :
1. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor
levensgevaar voor anderen ontstaat en terwijl het feit iemands dood ten gevolge
heeft
2. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn van de dood van een ander, meermalen gepleegd
3. Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn, dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd,
6. Strafbaarheid
De verdachten zijn strafbaar.
Mijn collega zal hierna ingaan op de strafmaat.
7. Strafmaat
In het Nederlandse
strafrechtstelsel is algemeen aanvaard dat de ernst van de gevolgen in de
strafoplegging moet doorwerken. Die gevolgen waren in deze zaak enorm. Veertien
jongeren zijn ten gevolge van de brand overleden. Hun ouders, broers, zussen,
familie en vrienden zullen daarmee verder moeten leven, elke dag opnieuw. Meer
dan honderd zwaar gewonden van wie een groot aantal hun dromen niet meer zal
kunnen waarmaken. Elke dag opnieuw worden zij lichamelijk danwel psychisch
geconfronteerd met de brand van 1 januari 2001.
Ook de Volendamse gemeenschap zal nooit meer dezelfde zijn. Men spreekt
tegenwoordig over het Volendam van voor en na de ramp. Voor veel Volendammers
zal de jaarwisseling voor altijd verbonden blijven met de afschuwelijke beelden
uit die nacht.
Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie kunnen deze gevolgen niet anders
dan in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf tot uitdrukking komen.
Het Openbaar Ministerie is zich er van bewust dat een vrijheidsstraf voor de
verdachten een zware straf is, in aanmerking genomen de omstandigheid dat ook de
verdachten deze gevolgen niet hebben gewild.
Maar het onnoemelijk leed dat door ernstige onnadenkendheid en nalatigheid aan
derden is toegebracht, moet zwaarder wegen dan het enkele gegeven dat de
verdachten deze gevolgen niet hebben gewild.
Ter terechtzitting hebben de verdachten aangegeven dat deze ramp hen is
overkomen.
Het Openbaar Ministerie is evenwel van oordeel dat de verdachten deze ramp
hebben laten gebeuren. Hun handelen dient te worden gekwalificeerd als ernstig
onnadenkend en nalatig.
Over opmerkingen van derden betreffende de veiligheid werd luchthartig
heengestapt; op deze wijze hebben verdachten, in het bijzonder Jan Veerman, een
onthutsend gebrek aan respect getoond voor de veiligheid en levens van vele
jongeren die café De Hemel bezochten.
In de media is
vaak gesteld dat Nederland vol Veermannen zit, en dat een ramp als deze in heel
Nederland had kunnen gebeuren. Die stelling is strafrechtelijk gezien niet van
belang voor deze verdachten. Want het is in café De Hemel in Volendam gebeurd,
en niet ergens anders.
Wel beoogt deze eis mede preventieve werking te hebben, met name voor die
horeca-ondernemers die van oordeel zijn dat zij niet verantwoordelijk zijn voor
de veiligheid en gezondheid van hun cliëntèle onder verwijzing naar gebrekkige
controle door de gemeente.
Gelet op de onderlinge verschillen in de mate van schuld tussen de verdachten ziet het Openbaar Ministerie aanleiding om verschillende straffen te vorderen.
Wat betreft de
hoogte van de strafmaat:
Het Openbaar Ministerie houdt ten aanzien van Jan Veerman rekening met het
gegeven dat hij de eigenaar was van het café. Hij moet eindverantwoordelijk
worden gehouden voor al hetgeen er in het café gebeurde en vooral voor hetgeen
er niet gebeurde.
Voorts wenst het Openbaar Ministerie met nadruk rekening te houden met de
houding van Jan Veerman, die zich naar eigen zeggen (K2 en K3) niet
verantwoordelijk voelt voor de ramp, die tijdens nabezoeken in café De Hemel
stelde dat de jeugd maar flink moet zeuren zodat hij weer een vergunning krijgt
(aanvullend A-pv) en die ter terechtzitting volhoudt dat hij geen enkele fout
heeft gemaakt in de bedrijfsvoering en dat hij nooit heeft verzaakt.
Al met al betekent
dit dat het Openbaar Ministerie zich in de zaak van Jan Veerman genoodzaakt ziet
de maximale gevangenisstraf te vorderen die op basis van de wettelijke
bepalingen is toegestaan.
Geen enkele andere straf doet recht aan de enorme gevolgen voor de gehele
Volendamse gemeenschap.
Jan Veerman is eerder in aanraking geweest met Justitie voor een andersoortig
delict; artikel 63 Sr is van toepassing.
Ten aanzien van de feiten 4 en 5: deze feiten onderstrepen nog eens dat Jan Veerman, in tegenstelling tot hetgeen hij daar zelf over zegt, zijn zaak niet op orde had. De telastegelegde feiten zijn tekortkomingen die rechtstreeks te maken hebben met zijn bedrijfsvoering. Om dit te onderstrepen acht het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke geldboete voor elk van deze feiten dan ook op zijn plaats.
Ten aanzien van John Veerman geldt dat hij niet eerder in aanraking is geweest met Justitie. Hem verwijt het Openbaar Ministerie met name dat hij vanaf 20 oktober 2000 als bedrijfsleider in de Wirwar meer dan anderen die daar werkzaam waren, (mede) verantwoordelijk was voor de bedrijfsvoering. Hij heeft meegeholpen met het ophangen van de kerstversiering. Hij stond op de bewuste avond op een plek achter de bar in café De Wir War, van welke plek hij uitzicht had op de drukte die richting café De Hemel ontstond. Hij had kunnen en moeten ingrijpen. Hij was de eindverantwoordelijke op dat moment.
Ook aanzien van Laura Veerman houdt het Openbaar Ministerie rekening met het gegeven dat zij niet eerder in aanraking is geweest met Justitie. Zij was werkzaam in de WirWar, zij heeft zich bezig gehouden met het te laag ophangen van de kerstversiering. Waar zij op de zitting van 26 juni jl. verklaarde zeer kritisch te zijn geweest omtrent het gebruik van piepschuim ten behoeve van een Après Ski feest, daar had zij minstens zo kritisch dienen te zijn ten aanzien van brandbare kerstversiering.
Alles overziende, en rekening houdend met de bewezenverklaringen, de onderlinge verhoudingen tussen de verdachten, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachten komt het Openbaar Ministerie tot de volgende eisen:
Ten aanzien van
Jan Veerman:
Voor de feiten 1, 2 en 3: een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden
Feit 4: 1.000 euro, bij niet betaling of geen verhaal te vervangen door 20 dagen
hechtenis
Feit 5: 1.500 euro, bij niet betaling of geen verhaal te vervangen door 30 dagen
hechtenis
Het Openbaar Ministerie heeft overwogen om tegen Jan Veerman ten aanzien van de feiten 1, 2, en 3 naast een gevangenisstraf tevens een geldboete te vorderen. Het argument dat daar voor pleit, namelijk dat het gebeuren in de visie van het Openbaar Ministerie mede heeft kunnen plaatsvinden door de uitsluitend op winst gerichte bedrijfsvoering door Jan Veerman, dat argument weegt niet op tegen de vraag of een geldboete passend is voor een strafbaar feit waarbij veertien jongeren zijn omgekomen en zovelen gewond zijn geraakt. Dit enorme leed valt niet in geldboetes uit te drukken en valt niet af te kopen.
Daarnaast wordt Jan Veerman ook een economisch feit tenlastegelegd, betreffende dat hij in strijd met het bepaalde in de Drank- en Horecawet zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders een cafébedrijf aan de Haven 154-156 heeft uitgeoefend. Het Openbaar Ministerie eist hiervoor een geldboete van 500 euro, bij niet betaling of geen verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis
Ten aanzien van
John Veerman:
Voor de feiten 1, 2, en 3: Een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden
Ten aanzien van
Laura Veerman:
Vrijspraak voor de feiten 2 en 3
Voor feit 1: Een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden
LJN: BJ8264, Raad van State 200902518/1/H3
Datum uitspraak: 23-09-2009
Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 februari
2009 in
zaak nr. 08/74 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2005 heeft appellant (hierna: het college) een
verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van alle aan het deelrapport
"Het derde klaphek voorbij?" ten grondslag liggende stukken,
waaronder gespreksverslagen met respondenten, afgewezen.
Bij besluit van 19 november 2007 heeft het college het door [wederpartij]
daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 februari 2009, verzonden op 5 maart 2009, heeft de
rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college
opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met
inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is
aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State
ingekomen op 9 april 2009, hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft nog nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere
partij toegezonden.
[wederpartij] heeft desgevraagd toestemming verleend, als bedoeld in
artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de
Awb).
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2009, waar
het college, vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen, advocaat te
Rotterdam, bijgestaan door mr. E.P.J. Jaspar, hoofd afdeling juridische
zaken van de Erasmus Universiteit Rotterdam, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet openbaarheid van
bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet onder intern beraad verstaan:
het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan,
dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de
gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan eenieder een verzoek om informatie,
neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot
een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een
bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, voor zover thans van belang, blijft het
verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover het
belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
(…)
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de
aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel
derden.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, wordt in geval van een verzoek om
informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen
informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke
beleidsopvattingen.
Ingevolge het tweede lid kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het
oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden
verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze
opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft
ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden
verstrekt.
2.2. In opdracht van de 'Commissie onderzoek cafébrand nieuwjaarsnacht
2001' heeft het Centre for Local Democracy van de faculteit Sociale
Wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam in 2001 het rapport
"Het derde klaphek voorbij? een analyse van de Volendamse
bestuurscultuur" (hierna: rapport) uitgebracht. In het kader van de
totstandkoming van dat rapport hebben vier onderzoekers gesproken met de
in bijlage II bij dat rapport vermelde personen. Het verzoek om
openbaarmaking ziet op de verslagen van die gesprekken.
2.3. Aan het besluit van 19 november 2007 heeft het college in de eerste
plaats ten grondslag gelegd dat, zowel de onderzoekers, als de
respondenten, door openbaarmaking van die verslagen onevenredig worden
benadeeld. Wat betreft de onderzoekers is daartoe aangevoerd dat door
openbaarmaking de aan de respondenten en de opdrachtgever toegezegde
vertrouwelijkheid wordt geschonden, hetgeen gevolgen kan hebben voor de
bereidwilligheid in de toekomst om aan dergelijk onderzoek deel te nemen,
hetgeen toekomstig onderzoek kan bemoeilijken. De respondenten worden door
openbaarmaking onevenredig benadeeld, omdat hun functioneren in de
Volendamse gemeenschap, dan wel Volendamse politiek, daardoor in het
gedrang kan komen. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat de
respondenten nog in de Volendamse gemeenschap en politiek actief zijn en
door de door hen vertrouwelijk gedane uitlatingen in verlegenheid kunnen
worden gebracht. Anonimisering van de verslagen biedt geen soelaas, omdat
door vermelding van de namen en functies van de respondenten in bijlage II
bij het rapport, de verslagen steeds tot personen herleidbaar zijn, aldus
het college.
Het college heeft verder aan dat besluit ten grondslag gelegd dat het
belang van openbaarmaking niet tegen dat van de eerbieding van de
persoonlijke levenssfeer van de respondenten opweegt. Bovendien zijn de
verslagen ten behoeve van intern beraad opgesteld en bevatten deze
opmerkingen van respondenten en daarmee verweven feitelijke informatie,
alsmede observaties, al dan niet voorlopige werkhypothesen, interpretaties
en persoonlijke opvattingen van de onderzoekers. De feitelijke informatie
is zozeer met de meningen van de respondenten en de observaties van de
onderzoekers verweven, dat het niet mogelijk is deze van elkaar te
scheiden, aldus het college.
2.4. De rechtbank heeft het besluit van 19 november 2007 onzorgvuldig
voorbereid geacht, omdat het college het verzoek om advies aan de
adviescommissie bezwaarschriften van de Erasmus Universiteit Rotterdam
(hierna: de adviescommissie) heeft ingetrokken, hoewel de adviescommissie
in het eerder door haar uitgebrachte advies niet op de weigeringsgronden
van de Wob was ingegaan.
Verder heeft het college volgens de rechtbank ten onrechte niet per
document afgewogen of aan de belangen die betrekking hebben op intern
beraad, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van
onevenredige benadeling zodanig gewicht toekomt, dat openbaarmaking
daarvan achterwege moet blijven.
De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college zich ten onrechte op
het standpunt heeft gesteld dat persoonlijke beleidsopvattingen en feiten
zodanig met elkaar zijn verweven, dat deze niet van elkaar kunnen worden
gescheiden. Het was aan het college om per document of onderdeel daarvan
een nadere motivering te geven. Het college heeft tevens miskend dat een
beroep op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet kan worden
gedaan, nu het in dit geval gaat om het beroepsmatig functioneren van
bestuurders of ambtenaren en het onderzoek, nu het in opdracht van derden
is verricht, geen beoefening van de vrije wetenschap is.
2.5. Het college betoogt allereerst dat de rechtbank aldus heeft miskend
dat het niet gehouden was om na de vernietiging van het eerdere besluit op
bezwaar van 30 maart 2006 het hernieuwde besluit wederom door de
adviescommissie te laten voorbereiden. De Awb, noch het reglement van orde
van de adviescommissie, verplichtte daartoe, aldus het college.
2.5.1. Dat betoog slaagt. De enkele omstandigheid dat de adviescommissie
door intrekking van het verzoek daartoe niet opnieuw advies heeft
uitgebracht, betekent niet dat het besluit van 19 november 2007 niet
zorgvuldig is voorbereid. De Awb, noch het reglement van orde van de
adviescommissie, schept de verplichting de adviescommissie in te schakelen
en geen van beide verzet zich tegen intrekking van een adviesaanvraag. In
het door [wederpartij] geuite verzoek om bespoediging van de
besluitvorming na de vernietiging van het eerdere besluit van 30 maart
2006 heeft het college aanleiding mogen zien de adviesaanvraag in te
trekken, waarbij mede in aanmerking is genomen dat het verzoek om
openbaarmaking op 1 augustus 2005 tot het college is gericht.
2.6. Het college betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat
het voor ieder document afzonderlijk een afweging had behoren te maken
tussen het belang van openbaarmaking en de belangen die zich daartegen
verzetten, heeft miskend dat de aan de weigering ten grondslag liggende
argumenten voor alle documenten gelijkelijk gelden en afzonderlijke
beoordeling niet tot een andere uitkomst zou leiden, omdat het steeds gaat
om dezelfde soort documenten met vergelijkbare impressies en
interviewresultaten.
2.6.1. De Afdeling heeft kennis genomen van de documenten, waarvan de
openbaarmaking is verzocht. Het betreft verslagen van interviews die door
vier onderzoekers met personen uit het Volendamse bestuur, de Volendamse
gemeenschap en enkele buitenstaanders zijn gehouden over de in de gemeente
Edam-Volendam heersende bestuurscultuur. De interviews hebben
plaatsgevonden aan de hand van een lijst met gesprekspunten en volgens een
gespreksprotocol. De verslagen daarvan bevatten impressies en opvattingen
van de geïnterviewden en observaties en interpretaties van de
onderzoekers.
De verslagen zijn tot stand gekomen na gesprekken die via een vast
stramien verliepen en werden gevoerd door een beperkt aantal onderzoekers.
Zij komen naar aard, inhoud en onderwerp in hoge mate overeen. Verder
bevatten ze slechts sporadisch feitelijke informatie en voor zover dat al
het geval is, dient deze vrijwel steeds louter ter illustratie van in dat
gesprek geuite opvattingen. Alhoewel in beginsel per document of onderdeel
daarvan moet worden gemotiveerd dat aan de belangen die zich tegen
openbaarmaking verzetten doorslaggevend gewicht toekomt, heeft het college
er onder deze omstandigheden in dit geval van mogen afzien om dat per
document of onderdeel daarvan te doen omdat dat slechts tot herhalingen
zou leiden en geen redelijk doel zou dienen. Ook dit betoog slaagt.
2.7. Het college betoogt voorts dat de rechtbank, door het uitgebrachte
rapport niet als het resultaat van de beoefening van de vrije wetenschap
aan te merken, omdat het in opdracht en tegen betaling is opgesteld, er
aan voorbij is gegaan dat dergelijk onderzoek wordt verricht aan de hand
van wetenschappelijke methoden, analyses, interpretaties en vaardigheiden.
De opdracht is aan de onderzoekers verstrekt in verband met de in het
Centre for Local Democracy aanwezige kennis en expertise. Omdat het
rapport het resultaat is van vrije wetenschap, staat de academische
vrijheid, zoals de rechtbank ook heeft aanvaard, aan de openbaarmaking van
de gespreksverslagen in de weg, aldus het college. Van het oordeel dat de
academische vrijheid zich tegen openbaarmaking verzet dient volgens hem
thans te worden uitgegaan, omdat [wederpartij], door geen hoger beroep in
te stellen, in dat oordeel van de rechtbank heeft berust.
2.7.1. Het betoog van het college dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de
academische vrijheid zich tegen openbaarmaking van de gespreksverslagen
verzet en daar in hoger beroep van behoort te worden uitgegaan, omdat
daartegen niet is opgekomen, faalt omdat dat berust op een onjuiste lezing
van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft niet overwogen dat de
academische vrijheid aan openbaarmaking in de weg staat. Ook overigens
faalt het betoog reeds omdat de academische vrijheid niet als grond van
weigering van openbaarmaking is aangegeven.
2.8. Het college betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat
niet aannemelijk is dat door openbaarmaking de persoonlijke levenssfeer
van de respondenten op onaanvaardbare wijze zou worden geschaad, een
onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd. Ter beoordeling stond of
het college zich op het standpunt mocht stellen dat de persoonlijke
levenssfeer wordt geschaad.
2.8.1. Dat betoog slaagt. Het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef
en onder e, van de Wob vereist een afweging tussen het veronderstelde
belang van openbaarmaking en dat van de eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer. Onderzocht diende dan ook te worden of het college zich in
redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verzochte
openbaarmaking zodanige inbreuk op de eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer zou opleveren, dat het belang van de eerbiediging daarvan
groter gewicht toekwam.
2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de
Afdeling het inleidende beroep tegen het besluit van 19 november 2007
behandelen, voor zover dat nog nodig is na hetgeen hiervoor is overwogen.
2.10. [wederpartij] betoogt dat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties de opdracht voor het onderzoek heeft verstrekt en
het heeft bekostigd en de academische vrijheid niet mag worden misbruikt
om documenten aan de openbaarheid te onttrekken. Op deze wijze kan de Wob
buitenspel worden gezet door onderzoeksopdrachten aan universiteiten te
verstrekken, aldus [wederpartij]. Volgens hem kan de academische vrijheid
slechts in het kader van de toepassing van de artikelen 10 en 11 van de
Wob worden betrokken, waarbij het belang van openbaarheid voorop dient te
staan. De weigering de verslagen openbaar te maken onttrekt deze aan het
publieke debat. Het college heeft dan ook een onjuiste belangenafweging
gemaakt, aldus [wederpartij].
2.10.1. Hetgeen in beroep is aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel
dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen
stellen dat openbaarmaking van de gespreksverslagen tot onevenredige
benadeling van de geïnterviewden en de onderzoekers zal leiden. Daartoe
heeft het in aanmerking mogen nemen dat de geïnterviewden,
vertrouwelijkheid is toegezegd en aannemelijk is dat betrokkenen mede om
die reden, relatief kort na de cafébrand, aan het onderzoek hebben
meegewerkt. Het college heeft voorts aannemelijk mogen achten dat de
toegezegde vertrouwelijkheid mede bepalend is geweest voor de wijze waarop
de geïnterviewden zich over de Volendamse bestuurscultuur en hun
ervaringen daarmee hebben uitgelaten en in aanmerking mogen nemen dat het
openbaar maken van deze uitlatingen onder deze omstandigheden ernstige
gevolgen kan hebben voor de geïnterviewden. Daarbij heeft het mogen
betrekken dat veel geïnterviewden nog in de Volendamse politiek, althans
gemeenschap actief zijn, dan wel daar woonachtig zijn.
Het in beroep aangevoerde geeft evenmin grond voor het oordeel dat het
college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen
dat openbaarmaking van de gespreksverslagen tot onevenredige benadeling
van de onderzoekers kan leiden. Het heeft daarbij in aanmerking mogen
nemen dat aannemelijk is dat schending van de toegezegde vertrouwelijkheid
belemmerend kan werken om in de toekomst personen bereidwillig te vinden
om aan onderzoek mee te werken, indien het object daarvan publicitair
gevoelig is en het onderzoek relatief kort na de aanleiding ervan wordt
uitgevoerd. Voorts heeft het in aanmerking mogen nemen dat de onderzoekers
voor het kunnen doen van onderzoek in belangrijke mate van de inbreng van
geïnterviewden afhankelijk zijn.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het college zich op het standpunt
heeft mogen stellen dat het belang van openbaarmaking in dit geval niet
opweegt tegen dat van het voorkomen van onevenredige benadeling voor de geïnterviewden
en de onderzoekers en daarbij gewicht heeft mogen toekennen aan de
omstandigheid dat het rapport, dat mede op de informatie uit de gehouden
interviews is gebaseerd, openbaar is gemaakt en door de onderzoekers in
het openbaar is toegelicht, zodat ook zonder openbaarmaking van de
gespreksverslagen publiek debat over de desbetreffende bestuurlijke
aangelegenheid kon plaatsvinden.
2.11. Nu het college zich op het standpunt mocht stellen dat het belang
van het voorkomen van onevenredige benadeling aan de openbaarmaking van de
gespreksverslagen in de weg staat, hoeft op de vraag of het zich terecht
op het standpunt heeft gesteld dat ook andere belangen zich tegen
openbaarmaking verzetten niet te worden ingegaan.
2.12. Het inleidende beroep is ongegrond.
2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 februari 2009 in
2009 in
zaak nr. 08/74;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep
ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en
mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld,
ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009
307.
Werkwijze
overheid en rechtersleger bij rampen in Nederland! Burgers
en bedrijven worden (financieel) kapot gemaakt!
124
Stockholmsyndroom
en UHP kinderen. Brief ouders aan kinderrechter wij komen NIET naar
hoorzitting om proceseconomische redenen!
306
Informant
Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke
Macht tegen democratische rechtsstaat?"
557
Pikmeerarresten!
Rechtersleger zal altijd proberen de overheid te beschermen,
onafhankelijke burgers/bedrijven kapot te maken!
306
Informant
Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke
Macht tegen democratische rechtsstaat?"
008
Informant
Hop: "RvdK zat voor, tijdens schorsing en na de hoorzitting
bij de kinderrechter AAN DEZELFDE TAFEL!"
710
Rb
Zutphen tegen Hop: "Wraking Hop 3 rechters die zelf een zaak
behandelen waarin zij zelf belanghebbende waren ONGEGROND!"
288
Informant
Professor Daud: "De regentenstand speelt elkaar baantjes toe,
parlement oefent nauwelijks controle uit"
267
Informant
CDA Minister Donner: "Iedere kritiek afzonderlijk is NIET
gevaarlijk"!
282
Informant
Henk Westbroek: "Een kleine druppel voel je niet"
020
Informant
Diekmans/Oltmans: Macht is recht! Wie meer macht heeft, heeft meer
rechten, eigent zich ongestraft meer rechten toe
002
Awb
procedures: Familie Logtenberg tegen Stichting Gereformeerde
Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland
003
Awb
procedures: Familie Nienhuis/Leenders tegen Stichting
Bureaus Jeugdzorg Gelderland/Stichting Lindenhout
004
Awb
procedures: Familie Struyk tegen Stichting Gereformeerde
Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland
005
K.H.
de Werd: "Hoe een onafhankelijk ondernemer door vakbonden, OM en
rechtersleger kapot wordt gemaakt
421
Novacap
tulpenfraude Novacap Floralis Termijnfonds 2004 cv, Novacap Termijnfonds
Beheer B.V., Novacap Agricola B.V.
572
Ad
Bos verklapte in 2001 het geheim van de bouwfraude
en eindigt in camper in de gemeente Bergen
Noord-Holland
334
Misbruik
bevoegdheden! Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden
stiekem psychiatrische aantekeningen gezet
285
Misbruik
bevoegdheden! Man
moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten
van zijn vrouw?
104
Overheid!
Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte
gepleegd door directeur
278
Openbaar
Ministerie! De IRT-affaire leert dat "klokkenluiders" bij het
Openbaar Ministerie hun baan zullen kwijtraken
015
Bijlmerramp!
De laatste gesprekken cockpit/verkeerstoren.
351
Bijlmerramp!
CDA-rechter
Rein-Jan
Hoekstra die Bijlmerramp onderzoekt kan vrachtbrieven en mannen in witte
pakken niet vinden
099
Schipholbrand,
welke CDA-er was hier weer verantwoordelijk en hoe komen hij/zijn familie
eigenlijk aan al hun baantjes?
309
Vuurwerkramp
Enschede rechercheurs voeren jarenlang Wob-procedures tegen Staat om
Rijksrechercherapport
417
Brand
Volendam! Gemeente vrijuit na falende controle! Welke bijbaantjes had de
burgemeester tijdens de Brand Volendam?
573
Catshuisbrand.
Ing. P.B. (Peter) Reijman: "Landsadvocaat wilde concept rapport niet
tot definitieve versie verheven"
283
Strijd
werknemer tegen Gemeente Amsterdam waarschuwing voor andere werknemers die
tegen werkgever/gemeente procederen
178
Moord
op Pim Fortuyn! Onderzoek
dierenactivisten stopgezet! CDA-rechter die moord op Fortuyn onderzoekt
kan weer niets vinden!
047
Tegen
Ad van Rooij werd vertrouwensarts ingezet! Strijd tegen impregneren van
hout met gif en gevolgen voor mens en milieu
300
Tegen
Hop werd rechtersleger en een advocaat met baantjes bij kerk en school
ingezet in strijd om contactjournaal gezinsvoogd
680
"Jeugdzorg"
verzoekt Parlement/Minister net ingevoerde KLANTEN
klachtwetgeving aan te passen in strijd tegen lastige Hop
346
CDA
duldt geen kritiek in eigen blad, wil hoofdredacteur Christen
Democratische Verkenningen de laan uitsturen
200
Het
Seveso arrest, overheid moet aan burgers een schadevergoeding betaling
indien burgers verkeerde informatie krijgen
408
Wet
collectieve afhandeling massaschade! Identieke of verwante processen bij
één gerecht of één rechterscombinatie bundelen
STEMWIJZER!
Stem NIET op CDA,
PVDA, VVD en GroenLinks bij
verkiezingen gemeenteraad en landelijke verkiezingen 2010!