CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

 

Hoe bont moet je het maken voordat je als rechter wordt ontslagen? Voorbeeld 1!

LJN: BK6646, Hoge Raad , 09/05036
Datum uitspraak: 15-12-2009
Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Raadkamer
Inhoudsindicatie: Uitspraak vierde kamer. Vordering PG als bedoeld in art. 46o Wrra tot ontslag rechterlijk ambtenaar, ongeschiktheidsontslag voor het verrichten van de taak als rechter, anders dan wegens ziekte.

Uitspraak 15 december 2009 Vierde Kamer nr. 09/05036

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een vordering als bedoeld in art. 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 15 oktober 2009, tot ontslag als rechterlijk ambtenaar van:
[Betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. De vordering van de Procureur-Generaal

De Procureur-Generaal heeft schriftelijk gevorderd dat de Hoge Raad betrokkene op de voet van art. 46l lid 1 onder a Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra)
zal ontslaan met ingang van 1 januari 2010 en haar op grond van art. 46n Wrra een uitkering zal toekennen waarvan de hoogte gelijk is aan het voor de rechterlijk ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en een krachtens art. 54 lid 2 Wrra getroffen besluit ter zake van werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in art. 24 Werkloosheidswet.
Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal de volgende stukken overgelegd:
1. Verzoek tot vordering van ontslag van betrokkene van de president van de Rechtbank [A] d.d. 30 september 2008 met 85 bijlagen.
2. Brief van de Procureur-Generaal d.d. 9 oktober 2008 aan de advocaat van betrokkene.
3. Verslag van het gesprek d.d. 25 november 2008 en aantekeningen van de advocaat van betrokkene.
4. Aanvraag advies Adviescommissie ongeschiktheidsontslag rechterlijke ambtenaren d.d. 15 januari 2009.
5. Advies van de Adviescommissie ongeschiktheidsontslag rechterlijke ambtenaren d.d. 23 maart 2009.
6. Pro-forma berekening naastwettelijke werkloosheidsuitkering van [B] d.d. 10 juni 2009.
7. Brief van de Procureur-Generaal d.d. 23 juni 2009 aan de advocaat van betrokkene.
8. Schriftelijke zienswijze van betrokkene d.d. 20 juli 2009.
9. Brief van de advocaat van betrokkene d.d. 2 september 2009 aan de Procureur-Generaal.
10. Proces-verbaal d.d. 14 september 2009 van het horen van betrokkene als bedoeld in art. 46o lid 3 Wrra en de overgelegde notities van de advocaat van betrokkene.
11. Brief van de Procureur-Generaal d.d. 6 oktober 2009 aan de advocaat van betrokkene.

2. Het onderzoek in raadkamer

Op 9 november 2009 heeft de Hoge Raad in raadkamer een onderzoek ingesteld. Bij dat onderzoek zijn verschenen de Procureur-Generaal, betrokkene en haar advocaat mr. E.M. Kuijken. Betrokkene heeft verweer gevoerd tegen de vordering van de Procureur-Generaal en voor het geval dat de Hoge Raad tot ontslag van betrokkene mocht overgaan verzocht:
- een eventueel aan betrokkene toe te kennen werkloosheidsuitkering te suppleren tot aan haar bezoldiging, zulks tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar;
- een bedrag van € 15.000,--, exclusief BTW, ter beschikking te stellen voor outplacementkosten;
- betrokkene te compenseren voor de juridische kosten die zij de afgelopen drieŽnhalf jaar heeft moeten maken voor een bedrag van € 25.000,--, exclusief BTW.
Van de raadkamerzitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Beoordeling van de vordering

3.1 De president van de Rechtbank [A] heeft bij zijn verzoek aan de Procureur-Generaal om het ontslag van betrokkene te vorderen bijlagen gevoegd die afkomstig zijn uit het personeelsdossier van betrokkene, en die, zoals de Procureur-Generaal in zijn vordering heeft vermeld, voor zover hier van belang, het volgende inhouden:
(i) Betrokkene is bij Koninklijk Besluit van [datum] 1992 benoemd tot rechter in de Rechtbank [A];
(ii) Tot januari 1998 is betrokkene werkzaam geweest in de sector bestuursrecht. In de evaluatieverslagen uit die periode worden kritische opmerkingen gemaakt over de productiecijfers van betrokkene. In het verslag van het eerste evaluatiegesprek d.d. 9 augustus 1995 wordt de kwantiteit als aandachtspunt genoemd, maar worden tevens positieve opmerkingen gemaakt over de manier waarop leiding wordt gegeven aan de zitting en de kwaliteit van de uitspraken. Betrokkene heeft goed contact met haar collega's en levert een positieve bijdrage aan de opleiding van raio's en rio's. Uit het verslag van het evaluatiegesprek van 19 december 1996 blijkt dat wordt getwijfeld aan haar besluitvaardigheid en dat zij voorlopig nog een halve portie zaken krijgt toebedeeld. Tijdens een gesprek van 16 juni 1997 wordt gesproken over een overgang naar de strafsector. De beoordelaar is onder meer van mening dat een overgang voor betrokkene wenselijk is omdat haar functioneren in de bestuurssector "thans nogal wordt overschaduwd door de al enige jaren durende discussie over haar kwantitatieve prestaties".
(iii) Vervolgens is betrokkene tot januari 2001 werkzaam geweest in de sector strafrecht. In de evaluatieverslagen uit die periode worden opmerkingen gemaakt over de beperkte inhoudelijke inbreng van betrokkene in de raadkamer, onvoldoende contact met collega's, veelvuldige afwezigheid om thuis te werken, late afwerking van zittingen en vonnissen (soms worden zaken bij haar weg gehaald omdat deze te lang blijven liggen), onzekerheid tijdens de zittingen (veelvuldig schorsen, leunen op griffiers die soms de beslissing moeten formuleren, onvoldoende voorbereiding en onvoldoende kennis van zaken) en gebrek aan besluitvaardigheid. Het werd niet verantwoord geacht om betrokkene enkelvoudige zittingen te laten doen.
(iv) Van 12 april 1999 tot 17 mei 1999 viel betrokkene uit wegens ziekte. Mede op advies van de bedrijfsarts ontving betrokkene begeleiding door een externe deskundige. In de beoordeling van april 2000 wordt onder meer gesproken over fundamentele onzekerheid. Op deze beoordeling heeft betrokkene per brief gereageerd, waarin zij onder meer aangeeft dat deze conclusie haar overdreven lijkt.
(v) Uiteindelijk is in december 2000 besloten dat betrokkene zou terugkeren naar de bestuurssector en minder zou gaan werken (van 36 naar 30,6 uur gemiddeld per week). In de evaluatieverslagen van 2001 tot 2003 wordt vooral ingegaan op de manier waarop betrokkene zelf tegen haar werk aankijkt.
Uit het verslag van 8 januari 2004 valt echter op te maken dat betrokkene vaak afwezig was, dat er onduidelijkheden waren over het opnemen van verlof, dat de collega's kritiek hadden op het functioneren van betrokkene en haar afwezigheid en dat er sprake was van achterstanden. Blijkens dit verslag zijn er concrete afspraken gemaakt met betrokkene (melden afwezigheid, niet meer thuiswerken, verhoging persoonlijke jaarnorm). In het evaluatieverslag van 24 maart 2004 staat dat er geen problemen zijn bij het doen van zittingen, dat de samenwerking met de ondersteuning over het algemeen goed is, maar dat de doorlooptijden absoluut niet worden gehaald en dat (nogmaals) wordt benadrukt dat betrokkene mee moet blijven doen in de sector en geen buitenbeentje moet zijn.
(vi) In oktober 2004 zijn opnieuw concrete afspraken gemaakt met betrokkene. Uit het verslag van het gesprek van 2 november 2004 komt onder meer naar voren dat de kwaliteit van de uitspraken goed is, maar dat het aanbeveling verdient dat betrokkene zich wat meer zichtbaar maakt in de organisatie. Ook komt ter sprake dat zij alert zal zijn op het openen en beantwoorden van e-mails.
(vii) Na een periode van ziekte (28 december 2004 tot 31 januari 2005) werd aan betrokkene betaald verlof verleend tot april 2005 om orde op zaken te stellen in haar privť- en familiesfeer (zij had de zorg voor haar zieke moeder op zich genomen). Uit een notitie van 20 januari 2005 volgt dat men het functioneren van betrokkene niet meer aanvaardbaar vindt. Er is onder meer geen grip op haar aanwezigheid, afwezigheid wordt niet conform de afspraken gemeld, er is sprake van gebrek aan verantwoordelijkheid voor een goede afhandeling van de zaken en van voortdurende achterstand.
(viii) Na afloop van haar verlof is betrokkene overgeplaatst naar de strafsector. In het verslag van een op 30 maart 2005 gehouden gesprek staat dat betrokkene zich door haar houding en gedrag buiten de organisatie heeft geplaatst, hetgeen voor de leiding van de sector bestuursrecht een onwerkbare situatie opleverde. Er werden werkafspraken gemaakt en aan betrokkene werd duidelijk gemaakt dat haar een laatste kans werd geboden om haar functioneren te verbeteren. Eind 2005 en begin 2006 was men redelijk tevreden. Wel werd aangegeven dat het tempo hoger zou moeten zijn en
dat zij haar uiterlijk en hygiŽne beter zou moeten verzorgen.
(ix) Op 14 april 2006 omstreeks 12.30 uur
werd betrokkene door de politie in verwaarloosde toestand aangetroffen in haar woning. Zij was onder invloed van alcohol, de woning was sterk vervuild en er was sprake van brandgevaar. Omdat betrokkene onenigheid kreeg met de verbalisanten, is zij onder dwang mee genomen naar het bureau. Met het oog op haar eigen veiligheid en die van anderen is zij ingesloten in een ophoudkamer. Betrokkene kreeg vervolgens twee maanden verlof om orde op zaken te stellen en er werden afspraken gemaakt (betrokkene zou hulp zoeken en desverlangd aantonen dat er geen sprake meer was van alcoholproblematiek,
zij zou frequent contact hebben met de sectorvoorzitter over de voortgang en hem ontvangen voor een huisbezoek).
(x) Op 20 juni 2006 vond een gesprek plaats tussen betrokkene en het bestuur van de rechtbank, waarin betrokkene te kennen is gegeven dat zij naar het oordeel van het bestuur intern en extern het gezag verloren had om het ambt van rechter nog te kunnen uitoefenen. Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat betrokkene aangaf dat zij zich aan de gemaakte afspraken heeft gehouden (haar huis is nagenoeg op orde, zij heeft zich gemeld bij de huisarts en zij heeft contact met [C] over haar drankgebruik, met een maatschappelijk werker en een psycholoog). Het bestuur van de rechtbank heeft zich intussen wel beraden over de vraag of betrokkene nog wel kan functioneren in de rechtbank en is tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is. Gelet op de situatie zoals deze binnen en buiten de rechtbank bekend is geworden, is het bestuur van oordeel dat betrokkene het benodigde gezag heeft verloren om nog als rechter te kunnen functioneren. Meegedeeld wordt dat zij met ingang van 24 juni 2006 op non-actief wordt gesteld, dat een schorsingsverzoek zal worden ingediend bij de Procureur-Generaal en dat het bestuur voornemens is haar ontslag als rechter te bevorderen. Betrokkene wordt er op gewezen dat het voorval van 14 april 2006 zowel in- als extern een veel grotere uitstraling heeft gehad dan aanvankelijk werd gedacht en dat medewerkers van de rechtbank er op aan werden gesproken.
(xi) Later is vastgesteld dat betrokkene van 14 april 2006 tot 23 april 2007 volledig arbeidsongeschikt was als gevolg van ziekte.
(xii) Van 12 juli 2007 tot 21 september 2007 is betrokkene opgenomen geweest bij [D] Verslavingszorg te [plaats].
(xiii) Van 6 november 2007 tot 15 mei 2008 is betrokkene in het kader van de re-integratie voor twee dagen per week werkzaam geweest in de strafsector van de Rechtbank [E]. Bij die rechtbank was men niet tevreden over het werktempo, de inbreng in het raadkameroverleg, het collegiale verkeer en het optreden ter zitting. De conclusie van de begeleiders binnen de Rechtbank [E] was dat de re-integratie onvoldoende succesvol was gebleken om als basis te kunnen dienen voor verdere werkzaamheden binnen de strafsector van de Rechtbank [E].
(xiv) Betrokkene kreeg hierop een inzinking en was tot juli 2008 onbereikbaar. Met ingang van 20 augustus 2008 werd betrokkene volledig hersteld gemeld bij het UWV.

3.2 Betrokkene betwist niet dat de bijlagen bij het verzoek van de President van de Rechtbank [A] inhouden zoals in de vordering van de Procureur-Generaal vermeld. Zij meent wel dat de Procureur-Generaal de feiten niet op evenwichtige wijze heeft weergegeven en dat het erop lijkt dat hij gedacht heeft dat wanneer bepaalde kritiekpunten vaak genoeg herhaald worden, er een patroon lijkt te ontstaan waardoor een ontslag onvermijdelijk is geworden. Zij vraagt zich af op welke feiten het ontslagverzoek is gebaseerd en onderscheidt in dit verband de periode van 1992 tot april 2006, de gebeurtenis van 14 april 2006 en het functioneren van april 2006 tot heden. Naar haar overtuiging kunnen de conclusies die uit deze periodes volgen noch afzonderlijk, noch gezamenlijk bezien, het gevorderde ontslag wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziekte, dragen.

3.3 De Hoge Raad houdt, bij de beantwoording van de vraag of betrokkene ongeschikt is voor het verrichten van haar taak anders dan wegens ziekte, rekening met alle feiten en omstandigheden die voor die beantwoording van belang zijn, en zal acht slaan op feiten en omstandigheden die zich voordeden in de periode 1992 tot april 2006, op 14 april 2006 en in de periode van april 2006 tot heden. Die feiten en omstandigheden worden in onderling verband en samenhang beschouwd. De vraag of afzonderlijke aanwijzingen voor niet of minder goed functioneren van betrokkene als rechter op zichzelf genomen de conclusie kunnen dragen dat betrokkene ongeschikt is voor het verrichten van haar taak behoeft geen beantwoording.

3.4 De Hoge Raad is, in overeenstemming met het advies van de Adviescommissie ongeschiktheidsontslag rechterlijke ambtenaren van 23 maart 2009, van oordeel dat betrokkene ongeschikt is voor het verrichten van haar taak als rechter. Dit oordeel berust op het totaalbeeld van het functioneren van betrokkene, zoals dat naar voren komt uit de hiervoor in 3.1 (ii) tot en met (xiv) vermelde inhoud van haar personeelsdossier. Betrokkene heeft haar ongeschiktheid weliswaar betwist, maar zij heeft aan die betwisting onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die ter zake van de kritiekpunten op haar functioneren een ander beeld oproepen. Redengevend voor het oordeel dat betrokkene ongeschikt is voor het verrichten van haar taak is in het bijzonder dat, naar de Hoge Raad afleidt uit de hiervoor in 3.1 vermelde feiten en omstandigheden alsmede uit de onderliggende stukken van het personeelsdossier:
- betrokkene, in ieder geval sedert 1997, niet in staat is geweest om het werk dat van haar als rechter wordt verlangd in een aanvaardbaar tempo te verrichten, hetgeen tot onwenselijke vertragingen heeft geleid en de samenwerking met haar collega's onder grote druk heeft gezet;
- betrokkene, ook nadat herhaaldelijk met haar was afgesproken dat zij gedurende haar werktijd op de rechtbank aanwezig zou zijn, vaak afwezig is geweest terwijl zij zich niet hield aan afspraken om die afwezigheid, en de reden daarvoor, te melden, hetgeen uiteindelijk in 2005 binnen de sector bestuursrecht, waarin betrokkene toen werkzaam was, tot een onwerkbare situatie heeft geleid;
- betrokkene een drankprobleem heeft gehad en zichzelf en haar woning verwaarloosde, hetgeen in kringen binnen en buiten de rechtbank in [A] bekend is geworden, waarna het bestuur van de rechtbank op begrijpelijke gronden het standpunt heeft ingenomen dat betrokkene intern en extern het benodigde gezag heeft verloren om nog als rechter in [A] te functioneren;
- de re-integratiepoging die in de periode november 2007 - mei 2008 heeft plaatsgevonden, waarbij betrokkene voor twee dagen per week werkzaam is geweest als rechter in de strafsector van de Rechtbank [E], hetgeen ook door betrokkene als een laatste kans moet zijn beschouwd, niet is gelukt, nu men bij die rechtbank in zodanige mate ontevreden was over het werktempo, de inbreng in het raadkameroverleg, het collegiale verkeer en het optreden ter zitting van betrokkene, dat geconcludeerd werd dat de re-integratie niet als basis kon dienen voor verdere werkzaamheden binnen de strafsector van de Rechtbank [E].


Deze omstandigheden wijzen erop dat het betrokkene ontbreekt aan eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van haar taak als rechter vereist zijn.

3.5 De ongeschiktheid van betrokkene voor het verrichten van haar taak als rechter is naar het oordeel van de Hoge Raad niet veroorzaakt door ziekte.
Weliswaar is betrokkene enige malen voor langere periodes arbeidsongeschikt wegens ziekte geweest, maar het is niet aannemelijk geworden - betrokkene heeft daaromtrent niets concreets gesteld - dat de gesignaleerde problemen in haar functioneren als rechter, die geconstateerd zijn in perioden dat betrokkene niet ziek was, te wijten zijn aan ziekte. Dat, naar achteraf is vastgesteld, betrokkene van 14 april 2006 tot 23 april 2007 volledig arbeidsongeschikt door ziekte is geweest, doet hieraan niet af. Het incident van 14 april 2006 maakt voldoende duidelijk, dat betrokkene ook in de daaraan voorafgaande periode, waarin geen ziekte is vastgesteld, haar persoonlijke gedrag onvoldoende onder controle heeft gehad en zich ook toen al aan alcoholmisbruik moet hebben overgegeven.
Ook de omstandigheid dat betrokkene in de periode dat zij in [E] als rechter werkzaam was nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt door ziekte was, doet aan het hiervoor vermelde oordeel niet af, nu betrokkene aldaar twee dagen per week werkte, hetgeen de bedrijfsarts verantwoord achtte. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om, zoals betrokkene heeft verzocht, een nader medisch onderzoek te gelasten.

3.6 De Hoge Raad verwerpt het betoog van betrokkene dat het ontslagverzoek prematuur is. Betrokkene is, naar uit de stukken blijkt, herhaaldelijk op haar functioneren aangesproken terwijl haar op 30 maart 2005 te verstaan is gegeven dat haar houding en gedrag (onzichtbaarheid, onbereikbaarheid, het onvoldoende afdoen van zaken, het zich niet houden aan afspraken) voor de leiding van de sector bestuursrecht een onwerkbare situatie opleverde en dat haar nu een laatste kans in de strafsector zou worden geboden. Mede ten gevolge van het alcoholgebruik van betrokkene is het toch weer misgegaan. Vervolgens heeft het bestuur van de Rechtbank [A] nog een serieuze re-integratiepoging gedaan door verzoeken te doen voor een tijdelijke plaatsing van betrokkene bij ťťn van de rechtbanken [F], [G], [E] en [I]. Dat die re-integratiepoging is mislukt, is niet aan de Rechtbank [A] te wijten, waarbij in aanmerking is te nemen dat betrokkene in de maand mei 2007 niet reageerde op een brief van de president van de Rechtbank [F] waarin die verzocht contact op te nemen voor een oriŽnterend gesprek, en dat betrokkene een op 31 mei 2007 gepland gesprek met de plaatsvervangend president van de Rechtbank [G] wegens ziekte afzegde en vervolgens geen gevolg heeft gegeven aan haar toezegging contact op te nemen voor een andere afspraak.

3.7 Betrokkene heeft verder nog aangevoerd dat de drempel voor ongeschiktheidsontslag van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren niet te laag behoort te worden vastgesteld wegens de grote gevolgen daarvan voor de gehele rechterlijke macht. De Hoge Raad deelt deze visie van betrokkenehet instrument van ongeschiktheidsontslag van een rechterlijk ambtenaar mag niet worden aangewend op een manier die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht ook maar enigszins bedreigt. Daarvoor bestaat in dit geval echter geen gevaar, omdat de inhoud van de beslissingen die betrokkene als rechter in aan haar oordeel onderworpen zaken heeft genomen geen punt van kritiek vormt, en betrokkene ook niet heeft aangevoerd dat de inhoud van haar beslissingen de werkelijke reden is voor het verzoek van de president van de Rechtbank [A] aan de Procureur-Generaal. Anders dan betrokkene lijkt te betogen, kunnen benedenmaats presteren op het punt van werktempo, onvoldoende openstaan voor collegiaal overleg, gebrek aan besluitvaardigheid, ongelukkige persoonlijke en ambtelijke presentatie, het niet nakomen van werkafspraken over aanwezigheid en bereikbaarheid en het bekend worden van privť gedrag dat afbreuk doet aan de waardigheid van het rechterlijk ambt of het gezag van de rechtspraak, in onderlinge samenhang bezien wel degelijk van zodanige ernst zijn dat de conclusie moet worden getrokken dat de betrokken rechterlijk ambtenaar ongeschikt is voor het uitoefenen van zijn taak en behoort te worden ontslagen.

3.8 De vordering tot ontslag zal dus worden toegewezen.
De Hoge Raad acht de voorziening die de Procureur-Generaal voor betrokkene vordert redelijk met het oog op de omstandigheden. Hij zal ook die voorziening toewijzen.
Voor het treffen van de overige voorzieningen als door betrokkene verzocht ziet de Hoge Raad geen grond.

4. Beslissing:

De Hoge Raad:

ontslaat [betrokkene], rechter in de Rechtbank [A], als rechterlijk ambtenaar met ingang van 1 januari 2010;
kent [betrokkene] een uitkering toe waarvan de hoogte gelijk is aan het voor haar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en een krachtens art. 54 lid 2 Wrra getroffen besluit, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in art. 24 van de Werkloosheidswet.

Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, de vice-president D.H. Beukenhorst, en de raadsheren J.C. van Oven, H.A.G. Splinter-van Kan en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2009.

Conclusie Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer

Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

betreffende

[Betrokkene]

geboren op [geboortedatum] 1954, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats].

Betrokkene is rechter in de Rechtbank [A] en derhalve een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).

Verzoek
De president van de Rechtbank [A] heeft mij bij verzoek van 30 september 2008 verzocht te bevorderen dat aan betrokkene door de Hoge Raad ontslag wordt verleend wegens ongeschiktheid voor het verrichten van haar taak anders dan wegens ziekte (art. 46l lid 1 onder a Wrra). In het verzoek wordt gesteld dat betrokkene niet over de eigenschappen, mentaliteit en instelling beschikt die vereist zijn voor het op een goede wijze vervullen van de rechterlijke functie. Sinds betrokkene als rechter in de Rechtbank [A] werkzaam is, zijn de productiviteit en onzekerheid van betrokkene doorlopende aandachtspunten geweest. Tevens waren er periodes van onbereikbaarheid, hield betrokkene zich niet aan afspraken en waren er klachten over haar uiterlijke verzorging. Zij is verschillende keren gewisseld van sector en zowel intern als extern begeleid, echter zonder succes.
De persoonlijke problematiek van betrokkene is publiekelijk manifest geworden toen zij in april 2006 in verwaarloosde toestand door de politie werd aangetroffen in haar woning, onder invloed van alcohol. Hierdoor is publiekelijk haar gezag als rechter ondermijnd. Omdat zij daarna niet kon terugkeren in de Rechtbank [A], heeft de Rechtbank gezocht naar een re-integratiemogelijkheid bij een andere rechtbank. De Rechtbank [E] was bereid hieraan mee te werken. Het rechterlijk functioneren van betrokkene bleek echter dermate gebrekkig dat deze rechtbank geen mogelijkheid zag tot voortzetting van de re-integratieactiviteiten. Dat betekent volgens [de president van de rechtbank] dat het oordeel dat betrokkene ongeschikt is voor een rechterlijke functie losstaat van de specifieke situatie in [A] en het feit dat zij daar, binnen een relatief kleine gemeenschap, na april 2006 niet meer over het noodzakelijke gezag kan beschikken.

Bijlagen bij het verzoek
De bijlagen bij het verzoek houden samengevat - voorzover hier van belang - het volgende in:
- Bij koninklijk besluit van [datum] 1992 is betrokkene benoemd tot rechter in de Rechtbank [A] (bijlage 3 bij het verzoek).
- Tot januari 1998 is zij werkzaam geweest in de sector bestuursrecht. In de evaluatieverslagen uit die periode worden kritische opmerkingen gemaakt over de productiecijfers van betrokkene (zie bijlagen 4, 5, 6 en 7 bij het verzoek). In het verslag van het eerste evaluatiegesprek d.d. 9 augustus 1995 (bijlage 5 bij het verzoek) wordt de kwantiteit als aandachtspunt genoemd, maar worden tevens positieve opmerkingen gemaakt over de manier waarop leiding wordt gegeven aan de zitting en de kwaliteit van de uitspraken. Betrokkene heeft goed contact met haar collega’s en levert een positieve bijdrage aan de opleiding van raio’s en rio’s. Uit het verslag van het evaluatiegesprek van 19 december 1996 (bijlage 6 bij het verzoek) blijkt dat wordt getwijfeld aan haar besluitvaardigheid en dat zij voorlopig nog een halve portie zaken krijgt toebedeeld. Tijdens een gesprek van 16 juni 1997 (zie bijlage 7 bij het verzoek) wordt gesproken over een overgang naar de strafsector. De beoordelaar is onder meer van mening dat een overgang voor betrokkene wenselijk is omdat haar functioneren in de bestuurssector “thans nogal wordt overschaduwd door de al enige jaren durende discussie over haar kwantitatieve prestaties”
- Vervolgens is betrokkene tot januari 2001 werkzaam geweest in de sector strafrecht. In de evaluatieverslagen uit die periode worden opmerkingen gemaakt over de beperkte inhoudelijke inbreng van betrokkene in de raadkamer, onvoldoende contact met collega’s, veelvuldige afwezigheid om thuis te werken, late afwerking van zittingen en vonnissen (soms worden zaken bij haar weggehaald omdat deze te lang blijven liggen), onzekerheid tijdens de zittingen (veelvuldig schorsen, leunen op griffiers die soms de beslissing moeten formuleren, onvoldoende voorbereiding en onvoldoende kennis van zaken) en gebrek aan besluitvaardigheid (zie bijlagen 10, 11, 13, 14 bij het verzoek). Het werd niet verantwoord geacht om betrokkene enkelvoudige zittingen te laten doen. In de beoordeling van 5 april 2000 (bijlage 14 bij het verzoek) wordt onder meer gesproken over fundamentele onzekerheid. Op deze beoordeling heeft betrokkene per brief gereageerd (bijlage 15 bij het verzoek). In deze brief geeft zij onder meer aan dat deze conclusie haar overdreven lijkt. Van 12 april 1999 tot 17 mei 1999 viel betrokkene uit wegens ziekte. Mede op advies van de bedrijfsarts ontving betrokkene vervolgens begeleiding door een externe deskundige (zie bijlagen 9, 12 en 17 bij het verzoek).
- Uiteindelijk werd besloten dat betrokkene zou terugkeren naar de bestuurssector en minder zou gaan werken (van 36 naar 30,6 uur gemiddeld per week, bijlagen 20 en 21 bij het verzoek). In de bestuurssector werkte zij tot april 2005. In het begin van deze periode was men kennelijk tevreden (in de evaluatieverslagen van 2001 tot 2003 gaat men vooral in op de manier waarop betrokkene zelf tegen haar werk aankijkt, zie bijlagen 22, 23, 24 en 25 bij het verzoek). Uit het verslag van 8 januari 2004 (bijlage 26 bij het verzoek) valt onder meer op te maken dat betrokkene vaak afwezig was, dat er onduidelijkheden waren over het opnemen van verlof, dat de collega’s kritiek hadden op het functioneren van betrokkene en haar afwezigheid en dat er sprake was van achterstanden. Blijkens dit verslag zijn er concrete afspraken gemaakt met betrokkene (melden afwezigheid, niet meer thuiswerken, verhoging persoonlijke jaarnorm). In het evaluatieverslag van 24 maart 2004 (bijlage 27 bij het verzoek) staat dat er geen problemen zijn bij het doen van zittingen, dat de samenwerking met de ondersteuning over het algemeen goed is, maar dat de doorlooptijden absoluut niet worden gehaald en dat (nogmaals) wordt benadrukt dat betrokkene mee moet blijven doen in de sector en geen buitenbeentje moet zijn. In oktober 2004 zijn opnieuw concrete afspraken gemaakt met betrokkene (zie bijlage 28 bij het verzoek). Uit het verslag van het gesprek van 2 november 2004 (bijlage 29 bij het verzoek) komt onder meer naar voren dat de kwaliteit van de uitspraken goed is, maar dat het aanbeveling verdient dat betrokkene zich wat meer zichtbaar maakt in de organisatie. Ook komt ter sprake dat zij alert zal zijn op het openen en beantwoorden van e-mails. Na een periode van ziekte (28 december 2004 tot 31 januari 2005, zie bijlage 32 bij het verzoek) werd aan betrokkene betaald verlof verleend tot april 2005 om orde op zaken te stellen in haar privť- en familiesfeer (zij had de zorg voor haar zieke moeder op zich genomen, bijlage 31 bij het verzoek). Uit een notitie van 20 januari 2005 (bijlage 30 bij het verzoek) volgt dat men het functioneren van betrokkene niet meer aanvaardbaar vindt. Er is onder meer geen grip op haar aanwezigheid, afwezigheid wordt niet conform de afspraken gemeld, er is sprake van een gebrek aan verantwoordelijkheid voor een goede afhandeling van de zaken en van voortdurende achterstand.
- Na afloop van haar verlof is betrokkene overgeplaatst naar de strafsector. In het verslag van een op 30 maart 2005 gehouden gesprek (bijlage 33 bij het verzoek) staat dat betrokkene zich door haar houding en gedrag buiten de organisatie heeft geplaatst, hetgeen voor de leiding van de sector bestuursrecht een onwerkbare situatie opleverde. Er werden werkafspraken gemaakt en aan betrokkene werd duidelijk gemaakt dat haar een laatste kans wordt geboden om haar functioneren te verbeteren (zie ook bijlage 34 bij het verzoek). Eind 2005 en begin 2006 was men redelijk tevreden (zie bijlagen 35 en 36 bij het verzoek). Wel werd aangegeven dat het tempo hoger zou moeten zijn en dat zij haar uiterlijk en hygiŽne beter zou moeten verzorgen (bijlage 35 bij verzoek).
- Op 14 april 2006 omstreeks 12:30 uur werd betrokkene door de politie in verwaarloosde toestand aangetroffen in haar woning (zie bijlage 39 en 40 bij het verzoek). Betrokkene was onder invloed van alcohol, de woning was sterk vervuild en er was sprake van brandgevaar. Omdat zij onenigheid kreeg met de verbalisanten, is zij onder dwang meegenomen naar het bureau. Met het oog op haar eigen veiligheid en die van anderen is zij ingesloten in een ophoudkamer. Betrokkene kreeg vervolgens twee maanden verlof om orde op zaken te stellen en er werden afspraken gemaakt (betrokkene zou hulp zoeken en desverlangd aantonen dat er geen sprake meer was van alcoholproblematiek, zij zou frequent contact hebben met de sectorvoorzitter over de voortgang en hem ontvangen voor een huisbezoek, zie bijlage 41 bij het verzoek).
- Op 20 juni 2006 vond een gesprek plaats waarin aan betrokkene te kennen werd gegeven dat zij naar het oordeel van het gerechtsbestuur intern en extern het gezag verloren had om het ambt van rechter nog te kunnen uitoefenen (zie ook de brief van 23 juni 2006, bijlage 43 bij het verzoek). Uit het verslag van dit gesprek (zie bijlage 44 bij het verzoek) blijkt dat betrokkene aangaf dat zij zich aan de gemaakte afspraken heeft gehouden (haar huis is nagenoeg op orde, zij heeft zich gemeld bij de huisarts en zij heeft contact met [...] over haar drankgebruik, met een maatschappelijk werker en een psycholoog). Het bestuur van de Rechtbank heeft zich intussen echter beraden over de vraag of betrokkene nog wel kan functioneren in de Rechtbank en is tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is. Gelet op de situatie zoals deze binnen en buiten de Rechtbank bekend is geworden, is het bestuur van oordeel dat betrokkene het benodigde gezag heeft verloren om nog als rechter te kunnen functioneren. Meegedeeld wordt dat zij met ingang van 24 juni 2006 op non-actief wordt gesteld, dat een schorsingsverzoek zal worden ingediend bij de Procureur-Generaal en dat het bestuur voornemens is haar ontslag als rechter te bevorderen. Betrokkene wordt er op gewezen dat het voorval van 14 april 2006 zowel in- als extern een veel grotere uitstraling heeft gehad dan aanvankelijk werd gedacht en dat medewerkers van de rechtbank er op aan werden gesproken.
- Later is vastgesteld dat betrokkene van 14 april 2006 tot 23 april 2007 volledig arbeidsongeschikt was als gevolg van ziekte (bijlage 58 en 59 bij het verzoek).
- Per 23 april 2007 was betrokkene volgens de bedrijfsarts weer in staat om voor drie dagdelen per week haar werkzaamheden te hervatten (bijlage 59 bij het verzoek). De Rechtbank heeft bemiddeld in een mogelijkheid tot re-integreren bij een andere rechtbank en heeft daartoe op 23 april 2007 brieven verstuurd aan diverse rechtbanken (bijlage 60 bij verzoek).
- Van 12 juli 2007 tot 21 september 2007 is betrokkene opgenomen geweest bij [..] te [plaats] (bijlage 71 bij het verzoek).
- Van 6 november 2007 tot 15 mei 2008 was betrokkene in het kader van de re-integratie voor twee dagen per week werkzaam in de strafsector van de Rechtbank [E]. Bij die Rechtbank was men niet tevreden over het werktempo, de inbreng in raadkameroverleg, het collegiale verkeer en het optreden ter zitting (zie bijlage 76 bij verzoek). De conclusie van de begeleiders binnen de Rechtbank [E] was dat de re-integratie onvoldoende succesvol was gebleken om als basis te kunnen dienen voor verdere werkzaamheden binnen de strafsector van de Rechtbank [E] (bijlage 78 bij verzoek).
- Betrokkene kreeg hierop een “inzinking” en was tot juli 2008 onbereikbaar (zie bijlagen 81, 82 en 83 bij het verzoek). Met ingang van 20 augustus 2008 werd betrokkene volledig hersteld gemeld bij het UWV (bijlagen 84 en 85 bij het verzoek).

De procedure
Na ontvangst van het verzoek van de president van de Rechtbank [A] op 2 oktober 2008, heb ik betrokkene en haar advocaat, mr. Kuijken, bij brief van 9 oktober 2008 uitgenodigd voor een gesprek waarin zij konden reageren op het verzoek. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 25 november 2008. Namens betrokkene is in dit gesprek naar voren gebracht dat zij van april 2006 tot 20 augustus 2008 arbeidsongeschikt is geweest en dat niet valt vast te stellen in hoeverre haar prestaties negatief beÔnvloed werden door arbeidsongeschiktheid. Verder heeft de Rechtbank volgens betrokkene de wettelijke kaders en de daarbij behorende verplichtingen niet in acht genomen (de Rechtbank heeft betrokkene in april 2006 een time-out geboden om haar privťleven op orde te krijgen, hetgeen ook gelukt was, maar haar in juni 2006 op non-actief gezet omdat zij intern en extern het gezag verloren zou hebben om het ambt van rechter nog te kunnen uitoefenen).

Op grond van art. 46l lid 3 Wrra heb ik de Adviescommissie Ongeschiktheidsontslag Rechterlijke Ambtenaren (verder: de Adviescommissie) op 15 januari 2009 gevraagd advies uit te brengen voor de beoordeling of sprake is van ongeschiktheid voor het verrichten van de taak anders dan wegens ziekte. Op 23 maart 2009 heeft de Adviescommissie advies uitgebracht. De conclusie van de Adviescommissie luidt als volgt:

“Op grond van de schriftelijke stukken, gelet op hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht en op grond van bovenstaande bevindingen is de commissie van oordeel dat [betrokkene] ongeschikt moet worden geacht voor het ambt van rechter, anders dan wegens ziekte. De commissie is tot dit oordeel gekomen op grond van de volgende overwegingen waarbij mede is gelet op de jurisprudentie van de Centrale raad van Beroep terzake.

Uit de evaluatieverslagen door de jaren heen blijkt dat betrokkene bij voortduring is tekortgeschoten in kwantitatieve zin (haar productie bleef sterk achter op de gehanteerde norm), in het leveren van juridische bijdragen in raadkamer en ook overigens, alsmede in het leiden van zittingen (vooral het omgaan met onverwachte situaties leverde problemen op, hetgeen ertoe heeft geleid dat haar geen enkelvoudige zittingen werden toevertrouwd). Daarnaast blijkt uit de evaluaties dat [betrokkene] moeilijk hoofd- en bijzaken kan scheiden. Tenslotte toont zij naar het oordeel van de commissie een gemis aan reflectie, zij was het vrijwel nooit eens met de kritiek, veelal lagen de oorzaak buiten haar beÔnvloedingsfeer, zoals veel ‘oude’ zaken, onvoldoende of slechte ondersteuning.

Derhalve moet worden gezegd dat zich onder de overgelegde stukken vele voorbeelden en voorvallen bevinden waaruit blijkt dat het [betrokkene] in niet geringe mate ontbreekt aan eigenschappen, mentaliteit en instelling die nodig zijn voor een goede uitoefening van de functie van rechter. Zij is daar bij herhaling mee geconfronteerd en in de gelegenheid gesteld zich te verbeteren. Dat zulks niet, althans niet noemenswaardig en blijvend, tot verbetering leidde is wellicht te wijten aan het feit dat zij steeds probeerde de tekortkomingen te ontkennen, te bagatelliseren of te vergoelijken, dan wel daarvan de oorzaak of schuld bij anderen te leggen of aan bijzondere omstandigheden toe te schrijven.

De commissie is voorts, op grond van de volgende overwegingen van oordeel dat de ongeschiktheid niet kan worden gezien als een gevolg van ziekte.

[Betrokkene] heeft vele jaren gefunctioneerd zonder dat sprake was van ziekte of gebrek. Vastgesteld moet worden dat een groot aantal van de tekortkomingen zich - ook - voordeden voor de ziekteperiode.

Na de ziekmelding (met terugwerkende kracht) met ingang van 14 april 2006 is [betrokkene] gedeeltelijk arbeidsgeschikt verklaard voor eigen werk, voor - aanvankelijk - 3 dagdelen per week en later 2 dagen, resp. 3 dagen. Gedurende de periode van re-integratie in de rechtbank [E] werd zij door de bedrijfsarts en de behandelaars arbeidsgeschikt geacht voor eigen werk, zij het gedurende een beperkte periode van de week. Na afloop van de re-integratie is betrokkene, na een korte periode van terugval, volledig hersteld gemeld met ingang van 20 augustus 2008. Zij heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt en ook tijdens de hoorzitting heeft [betrokkene] uitdrukkelijk verklaard dat zij zichzelf op 20 augustus 2008 en ook daarna volledig arbeidgeschikt acht.

Nu betrokkene naar het oordeel van de bedrijfsarts en [betrokkene] zelf niet arbeidongeschikt moet worden geacht en de kritiek op het functioneren van [betrokkene] tijdens de re-integratieperiode binnen de rechtbank [E] het beeld bevestigt dat is ontstaan gedurende jaren bij de rechtbank [A], is de commissie van oordeel dat ervan kan worden uitgegaan dat de geconstateerde ongeschiktheid voor de functie van rechter niet een gevolg is van ziekte.

De commissie ziet op grond van bovenstaande overwegingen dan ook geen aanleiding alsnog een medisch onderzoek te entameren teneinde vast te stellen of er een sprake is (lees: sprake is, P-G) van ongeschiktheid voor de functie als gevolg van ziekte.”

Nadat ik het advies van de Adviescommissie had ontvangen, heb ik een zogenoemde pro-forma berekening van de naastwettelijke werkloosheidsuitkering van betrokkene laten maken. Na ontvangst van die berekening heb ik betrokkene ingevolge art. 46o lid 3 Wrra bij schrijven van 23 juni 2009 in de gelegenheid gesteld haar zienswijze schriftelijk en/of mondeling naar voren te brengen. Bij brief van 20 juli 2009 heeft mr. Kuijken de zienswijze van betrokkene schriftelijk naar voren gebracht.

Namens betrokkene wordt in deze brief het volgende aangevoerd. De negatieve onderdelen uit het personeelsdossier van betrokkene moeten niet worden overbelicht. Dat zij verschillende malen minder goed heeft gefunctioneerd, hing samen met lastige situaties in haar privťleven. De kritiek heeft zich steeds gericht op de kwantiteit en de omgang met collega’s, maar de kwaliteit van de uitspraken van betrokkene, een van de kernkwaliteiten van een rechter, heeft nooit ter discussie gestaan. Betrokkene verwijt de Rechtbank dat zij heeft aangestuurd op ontslag en niet actief naar een andere oplossing heeft gezocht. Zo had de Rechtbank de Hoge Raad op de voet van art. 46k Wrra kunnen verzoeken betrokkene een andere taak op te dragen. De Rechtbank heeft ook geen blijk gegeven van enige empathie of ondersteuning. Omdat deze zaak een toetssteen zal zijn voor toekomstige ontslagzaken, dient de ongeschiktheid boven elke twijfel verheven te zijn en dient elke procedurele stap correct te zijn genomen. Aan deze vereisten is niet voldaan nu de gegevens die de ongeschiktheid van betrokkene moeten ondersteunen gedateerd zijn en niet overtuigend leiden tot de kwalificatie “ongeschikt”. De gegevens van de re-integratieperiode in [E] kunnen niet dienen voor een verregaande stap als ontslag. De ontslagprocedure kan geen doorgang hebben omdat zich te veel onzorgvuldigheden hebben voorgedaan. Nu rechterlijk ambtenaren voor het leven zijn benoemd, dient ontslag een allerlaatste stap te zijn en aan dat vereiste is in deze zaak niet voldaan. Aldus het standpunt van betrokkene.

Na het opstellen en toesturen van de (concept)vordering aan mr. Kuijken, bleek dat zij ook graag nog in de gelegenheid wilde worden gesteld om mondeling te reageren op de voorgenomen vordering. Deze gelegenheid is haar geboden op 14 september 2009. Tijdens het gesprek van 14 september 2009, dat kan worden beschouwd als het gehoor als bedoeld in artikel 46o lid 3 Wrra, heeft mr. Kuijken namens de betrokkene aangegeven dat er geen sprake is van een uitgebalanceerde vordering omdat aan elk negatief onderdeel in de evaluatiegesprekken veel aandacht wordt besteed, terwijl positieve onderdelen nauwelijks vermeld worden. Tevens werd door mr. Kuijken naar voren gebracht dat de Rechtbank gedurende de ziekteperiode van betrokkene de Hoge Raad op de voet van art. 46k Wrra had kunnen verzoeken betrokkene een andere taak op te dragen, dat het juridisch gezien niet houdbaar is dat acht wordt geslagen op gegevens uit een ziekteperiode en dat de gegevens die gebruikt worden sterk verouderd zijn. Mr. Kuijken heeft mij vervolgens primair verzocht (vooralsnog) af te zien van het indienen van een ontslagvordering en eerst een arbeidsgeneeskundig onderzoek te laten verrichten naar de arbeidsgeschiktheid van betrokkene. Subsidiair verzocht zij mij vooralsnog af te zien van het indienen van de vordering om in een mediationtraject een alternatieve oplossing te doen bespreken. Tenslotte heeft zij mij meer subsidiair verzocht de vordering aan te passen in die zin dat daarin de belangen en gezichtspunten van betrokkene worden meegenomen en daarin geen ongefundeerde conclusies worden getrokken.

Bij brief van 6 oktober 2009 heb ik mr. Kuijken meegedeeld dat ik op de primair en subsidiair gedane verzoeken niet zal ingaan. Na het advies van de Adviescommissie zie ik geen noodzaak voor een arbeidsgeneeskundig onderzoek en gelet op de lange duur van het niet goed functioneren van betrokkene en het feit dat het waarschijnlijk niet eenvoudig zal zijn om binnen korte tijd een geschikte functie voor betrokkene te vinden, acht ik het ongewenst om het instellen van de vordering tot ontslag verder uit te stellen. Naar aanleiding van het meer subsidiair gedane verzoek heb ik de vordering - waar dat naar mijn oordeel nodig was - aangepast.

Beoordeling van het verzoek
Voor zover ik kon nagaan, is dit de eerste keer dat de Hoge Raad zal oordelen over de vraag of een rechter moet worden ontslagen op de grond dat deze ongeschikt is voor het verrichten van zijn taak anders dan wegens ziekte. Er is derhalve nog geen rechtspraak van de Hoge Raad waarnaar hier kan worden verwezen. Bij de beoordeling of sprake is van “ongeschiktheid anders dan wegens ziekte” kan echter wel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot het ambtenarenrecht. In het ambtenarenrecht wordt aangenomen dat ongeschiktheid voor het ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken als bedoeld in art. 98 lid 1 onder g ARAR, zich moet uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn (zie onder meer CRvB 6 november 2003, TAR 2004, 28). De ongeschiktheid moet betrekking hebben op belangrijke aspecten van de functie. Uit concrete feiten of omstandigheden moet zijn gebleken dat de ambtenaar niet goed functioneert. Tekortkomingen die op zichzelf beschouwd onvoldoende ernstig zijn, kunnen tezamen door hun veelvuldigheid voldoende zijn om tot ongeschiktheid te concluderen. De ambtenaar moet tijdig op zijn gedrag en de ongewenstheid daarvan zijn gewezen en een reŽle kans hebben gekregen om zijn functioneren aan te passen. Voor zover nodig dient hem daarbij begeleiding te worden geboden (CRvB 11 mei 2000, TAR 2000, 91, CRvB 6 maart 2003, TAR 2003, 116 en CRvB 13 juli 2006, TAR 2007, 3). Er dienen realiseerbare wensen tot verbetering of verandering te zijn uitgesproken, die door de ambtenaar niet zijn gehaald. Het niet realiseren van de nagestreefde verbeteringen moet de ambtenaar kunnen worden toegerekend. Verder dient er sprake te zijn van een structureel karakter van het disfunctioneren waarvan niet te verwachten valt dat dit kan worden bijgesteld (Zie Aspecten van ambtenarenrecht, H.S.P. Stuiver, Nijmegen 2007, p. 118- 122).

Dat rechterlijke ambtenaren voor het leven zijn benoemd, brengt niet met zich dat zij in verdergaande mate beschermd zijn tegen ongeschiktheidsontslag dan andere ambtenaren. Zolang het niet gaat om de inhoud van de rechterlijke beslissingen, maar om het ontbreken van competenties, valt niet in te zien waarom voor de rechterlijk ambtenaar andere eisen zouden gelden dan voor andere ambtenaren. De benoeming voor het leven is een van de in de wet opgenomen waarborgen voor de onafhankelijkheid van de rechter ten opzichte van andere staatsorganen (art. 117 Grw). De rechter dient in toereikende mate te zijn afgeschermd van druk van buitenaf (zie MvT Wet organisatie en bestuur gerechten, TK 1999-2000, 27 181, nr. 3, p. 36). Een andere waarborg voor de rechterlijke onafhankelijkheid is dat het toezicht op de ambtsvervulling is opgedragen aan leden van de rechterlijke macht zelf (116 lid 4 Grw). Het gerechtsbestuur, dat bestaat uit een voorzitter, de sectorvoorzitters en een niet-rechterlijk lid (zie art. 14 lid 1 RO), draagt onder meer zorg voor de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van het gerecht en voor personeelsaangelegenheden (art. 23 lid 1 RO). De bevoegdheden van het gerechtsbestuur gaan niet zover dat de individuele rechter beperkt wordt in zijn vrijheid een zaak op een bepaalde wijze te behandelen en te beslissen. Dit blijkt onder meer uit art. 23 lid 2 RO waarin is bepaald dat het bestuur niet treedt in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of categorieŽn van zaken (zie ook art. 24 lid 2 RO). De rechter kan echter wel worden aangesproken op overige aspecten van zijn ambtsvervulling. Indien de rechterlijke onafhankelijkheid met zich mee zou brengen dat een rechter niet zou kunnen worden aangesproken op deze overige aspecten van zijn ambtsvervulling, zouden rechters niet door middel van personele maatregelen kunnen worden gecorrigeerd in geval zij met betrekking tot die aspecten tekortschieten. Dit zou uit een oogpunt van kwaliteit van de rechtspleging onaanvaardbaar zijn. De rechterlijke macht heeft de verantwoordelijkheid ervoor zorg te dragen dat rechtzoekenden een kwalitatief goede rechtsgang wordt geboden waarin door capabele rechters over hun zaken wordt geoordeeld en beslist. (zie Het Rapport Hoog Edel Aanspreekbaar van de werkgroep aanspreekbaarheid van rechters, in opdracht van het programma Versterking Rechterlijke Organisatie, Project bestuur gerechten, november 2000, p. 9 en D. Allewijn en A.F.M. Brenninkmeijer, De aanspreekbaarheid van de rechter, Trema mei 2002, Special Hoog Edel Aanspreekbaar, p. 262 e.v.).

Naar mijn mening is - mede gelet op het oordeel van de Adviescommissie - voldoende komen vast te staan dat betrokkene ongeschikt is voor het verrichten van haar taak, anders dan wegens ziekte. Uit het personeelsdossier blijkt niet alleen dat betrokkene volgens verschillende beoordelaars structureel tekortschiet in kwantitatieve zin, maar ook dat zij tekortschiet in het leveren van juridische bijdragen in raadkamer en in het leiden van zittingen. In verschillende evaluatiegesprekken komt naar voren dat betrokkene onzeker is en niet besluitvaardig. Verder blijkt uit de stukken dat betrokkene vaak afwezig was en onbereikbaar en dat zij gemaakte afspraken niet nakwam. Ook het collegiale verkeer verloopt niet goed. Ten slotte is publiekelijk bekend geworden dat betrokkene een alcoholprobleem had (of heeft) en dat zij zichzelf en haar woning verwaarloosde. Namens betrokkene is erop gewezen dat betrokkene tijdens de re-integratieperiode bij de Rechtbank [E] nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Hoewel uit de stukken niet blijkt in hoeverre haar prestaties hierdoor zijn beÔnvloed en in hoeverre hiermee bij haar beoordeling rekening is gehouden, kunnen de gegevens van deze re-integratieperiode mijns inziens toch worden meegewogen in die zin dat daaruit blijkt dat het beeld dat bij de Rechtbank [A] gedurende jaren is ontstaan, bij de Rechtbank [E] bevestigd is. Ik zie niet in waarom dit, zoals namens betrokkene naar voren is gebracht, juridisch onhoudbaar zou zijn.

In het voor de rechterlijke functie opgestelde competentieprofiel van de Rechtbank [A] is opgenomen dat de rechter aanspreekbaar is op het aantal zaken dat hij verwerkt en dat de rechter in overleg met de sectorcoŲrdinator en in samenwerking met de ondersteuning ervoor dient zorg te dragen dat de juridisch-administratieve werkprocessen volgens schema verlopen, zodat de zaken tijdig behandeld worden. Oordeelsvorming en zelfvertrouwen worden in dit profiel genoemd als benodigde competenties. De rechter moet in staat zijn de behandeling ter zitting te leiden en hij moet kunnen zorgen voor een vlotte afhandeling van de zitting. Verder moet de rechter, ook in periodes van hoge werkdruk, zorg dragen voor een goede balans tussen een hoog productietempo enerzijds en de zorg voor de kwaliteit van de beslissing anderzijds. Deelname aan de meervoudige kamer vraagt van de individuele rechter het vermogen zijn mening op heldere en overtuigende wijze aan collega’s over te dragen, alsmede de bereidheid om zich door collega’s op basis van argumenten te laten overtuigen. Genoemde competenties zijn ook naar mijn oordeel noodzakelijk voor het goed kunnen verrichten van de functie van rechterlijk ambtenaar. De stelling van betrokkene dat de basis van het rechtersvak slechts bestaat uit het doen van uitspraken en dat de kritische punten die uit het personeelsdossier naar voren komen niet raken aan deze basis, deel ik niet. Bovendien blijkt ook uit de Memorie van Toelichting bij de voorloper van art. 46l Wrra, art. 12 (oud) RO, dat de wetgever bij het invoeren van de ontslaggrond “ongeschiktheid anders dan door ziekte” niet alleen het oog had op rechterlijke ambtenaren die tekortschieten in juridische kennis of vaardigheden of niet in staat zijn vonnissen te redigeren, maar ook op rechters die niet goed in staat zijn deel te nemen aan een onderzoek ter terechtzitting of anderszins de geschiktheid missen voor de uitoefening van het ambt van rechter (TK 1969-1970, 10 808, nr. 3, p. 22).

Namens betrokkene is naar voren gebracht dat zij van de Rechtbank meer empathie had verwacht, maar mijns inziens kan niet gezegd worden dat de Rechtbank onzorgvuldig heeft gehandeld of in de procedure onjuiste stappen heeft genomen. De stelling dat de Rechtbank de Hoge Raad op de voet van art. 46k Wrra had kunnen verzoeken om aan de betrokkene een andere taak op te dragen, is onjuist omdat het opdragen van een andere taak door de Hoge Raad slechts mogelijk is indien het gaat om een rechterlijk ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Hiervan is in ieder geval sinds 20 augustus 2008 geen sprake bij betrokkene. Vanaf die datum is zij volledig hersteld gemeld. Tijdens de hoorzitting van de Adviescommissie heeft betrokkene aangegeven dat zij zichzelf ook volledig arbeidsgeschikt acht. Voor zover wordt gesteld dat de Rechtbank een dergelijk verzoek had moeten indienen in de periode van 14 april 2006 tot 23 april 2007 (de periode waarvan achteraf is vastgesteld dat betrokkene arbeidsongeschikt was), wijs ik erop dat pas op 10 april 2007 is komen vast te staan dat betrokkene arbeidsongeschikt was wegens ziekte. Direct na de melding van de bedrijfsarts d.d. 23 april 2007 dat betrokkene weer in staat was voor drie dagdelen per week haar werk te hervatten, heeft de Rechtbank geprobeerd een rechtbank te vinden waar betrokkene kon re-integreren. Van 9 juli 2007 tot 21 september 2007 is betrokkene opgenomen geweest en vanaf 6 november 2007 tot 15 mei 2008 is zij werkzaam geweest bij de Rechtbank [E]. De Rechtbank kan dan ook niet verweten worden dat zij de Hoge Raad tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid niet heeft verzocht aan de betrokkene een andere taak op te dragen. Bovendien bestaat er geen verplichting tot het indienen van een dergelijk verzoek.

Betrokkene is door de Rechtbank tijdig gewezen op haar gedrag en de ongewenstheid daarvan en zij is voldoende in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat zij haar functioneren kon verbeteren. Zij heeft externe begeleiding gekregen, is minder gaan werken, is diverse keren overgeplaatst naar een andere sectie en heeft ook een periode bij een andere rechtbank gewerkt. Dit alles heeft onvoldoende resultaat gehad. Mijns inziens blijkt uit de stukken dat het disfunctioneren van betrokkene een structureel karakter heeft. Het is niet te verwachten dat betrokkene in de toekomst in staat zal zijn haar functioneren voldoende te verbeteren. De omstandigheid dat sprake is (geweest) van moeilijke situaties in het privťleven van betrokkene, heeft haar functioneren wellicht nadelig beÔnvloed, maar is geen reden om tot een andere conclusie te komen dan dat betrokkene niet geschikt is voor het verrichten van haar taak als rechterlijk ambtenaar. Ik zie mij dan ook genoodzaakt het ontslag van betrokkene te vorderen.

Ingevolge art. 46n lid 1 Wrra kan de Hoge Raad ingeval van een ontslag op de voet van art. 46l Wrra een voorziening treffen waarbij de rechterlijk ambtenaar een uitkering wordt verleend die naar het oordeel van de Hoge Raad met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
Ten aanzien van de hoogte en duur van deze voorziening zie ik geen reden om af te wijken van het voor de betrokkene geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het krachtens art. 54 lid 2 Wrra getroffen besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in art. 24 Werkloosheidswet. Een door [...]-administraties B.V. opgestelde pro-forma berekening van deze naastwettelijke werkloosheidsuitkering heb ik als bijlage bij deze vordering gevoegd.

Vordering
Op grond van het voorafgaande ben ik van oordeel dat ten aanzien van betrokkene is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag op grond van ongeschiktheid voor het verrichten van het rechterlijk ambt, anders dan wegens ziekte.

De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst.

Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad [betrokkene] op de voet van artikel 46l lid 1 onder a Wrra zal ontslaan met ingang van 1 januari 2010 en haar op grond van artikel 46n Wrra een uitkering zal toekennen waarvan de hoogte gelijk is aan het voor de rechterlijk ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en een krachtens art. 54 lid 2 Wrra getroffen besluit terzake van werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in art. 24 Werkloosheidswet.

’s-Gravenhage, 15 oktober 2009

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Overheid & werknemer, ziekteverzuim, re-integratieprojecten, ontslag, concurrentiebeding en rechtersleger
350 Zorgen J. Hop (Groep Hop) over rechtspositie werknemers in de zorg bij sluiting van bejaardentehuizen
303 Hop geeft zicht op kilometervergoeding personeel gemeente Ermelo. Waarom krijgt u als werknemer niet dezelfde kilometervergoeding?
111 Waar de overheid enkeling niet beschermt in zijn vrijheid tegen de meerderheid zien we onderdrukking en dictatuur
109 Voor iedere topcrimineel is het van 't grootste belang dat hij in de publiciteit niet in zijn ware gedaante wordt geportretteerd"
419 Ontslag binnen het rechtersleger. Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 1!
555 Ontslag binnen het rechtersleger. Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 2!
Omroep Gelderland Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger bij behandeling wraking gewraakte rechter door dezelfde rechtbank
80 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger bij behandeling wraking gewraakte rechter door dezelfde rechtbank
389 Openbaar Ministerie probeert kost wat kost namen, initialen, functies en bijbaantjes van hun personeel geheim te houden
203 Structureel probleem! Rechtersleger doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding.
205 Structureel probleem! Openbaar Ministerie doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
225 Structureel probleem! Politie doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
232 Structureel probleem! Raad voor de Kinderbescherming doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
241 Structureel probleem! Jeugdzorg doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
284 Structureel probleem! Gemeente doet niet aan waarheidvinding. Weigert waarheidsvinding
134 Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt
Wat is het verschil tussen 107.000+ kindermishandelingen per jaar in "jeugdzorg PR-campagnes" en het daadwerkelijk aantal veroordelingen van ouders wegens het plegen van kindermishandeling ieder jaar steeds opnieuw om ieder jaar steeds opnieuw kinderen af te leveren bij kindertehuizen en pleeggezinnen zodat die hun hypotheek makkelijk kunnen betalen?
300 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor de jeugdzorg om kritiek op hun maatjes de jeugdzorg=overheid te onderdrukken
680 Weerzinwekkende partijdigheid Minister/politiek voor jeugdzorg. Om systematisch klagen met Hop tegen jeugdzorg te voorkomen werd met spoed klachtwetgeving aangepast
800 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor de jeugdzorg: Zolang ouders zich richten op waarheidsvinding/procedures "zonder samenwerking met gezinsvoogd" is geen vooruitgang mogelijk
470 Ongelijke doorlooptijden procedures ouders tegen RvdK/jeugdzorg representatief voor Nederlandse rechtspraak
125 Uitzondering bevestigd de regel! ONBEVOEGD UITSCHRIJVEN KIND UIT GEMEENTE DOOR JEUGDZORG! Bezwaar- en beroep GEGROND verklaard! Rancune. Als een burger zo'n zaak wint en vervolgens als burger ook toepast dan wordt je snel door het rancuneuze rechtersleger uit het gezag over je kind gezet!
want winnen bij dit rechtersleger helpt natuurlijk niet!
6 Uitzondering bevestigd de regel! Veertien klachten met Hop GEGROND bij klachtencommissie Raad voor de Kinderbescherming Zuid
maar winnen (NEDERLANDS RECORD KLACHTEN GEGROND BIJ KLACHTENCOMMISSIE RVDK) bij de RvdK klachtencommissie helpt natuurlijk niet!
137 Uitzondering bevestigd de regel! Klacht GEGROND tegen weigering Hop als gemachtigde
maar winnen bij deze jeugdzorg klachtencommissie helpt natuurlijk niet!
343 Voorbeeld reactie rancuneuze jeugdzorg medewerker die zelf in de bezwaarcommissie zit en zelf in hoger beroep van Hop een zaak verliest
212 Uitzondering bevestigd de regel! Moszkowicz sr: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft gevangen in gesubsidieerde voogdij
Winnen bij dit rechtersleger helpt natuurlijk niet!
160 Moszkowicz sr. waarschuwt Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest!
414 STASI NEDERLAND! Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden geeft inzicht in werkwijze OM en politie inzake opslaan gegevens over burgers
688 STASI NEDERLAND! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten houden door invoering van kilometerheffing
623 STASI NEDERLAND! Van alle elektronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar JustitiŽle Informatiedienst (JustID) Almelo
468 STASI NEDERLAND! Wat doet een informatiebewerker bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken? En wat wordt er over burgers verzameld door allerlei oncontroleerbare stichtingen en bedrijven waar de "overheid" ook belangen bij/in heeft?
334 CDA - Donner: Ik ben CDAer. Kritiek op rechtspraak via politiek kanaliseren dus infiltratie rechterlijke macht in OM en Ministerie van Justitie
246 CDA - Donner: Ik ben CDAer. "Het is misplaatst en onverantwoord te zoeken naar de schuldigen in de zaak Savannah. We moeten ons verzetten tegen negatieve beeldvorming over de gezinsvoogdij!"
348 CDA - Donner: Ik ben CDAer en ik heb maling aan de Hoge Raad. Ik ben CDAer en ik wil de bevolking blijven uitzuigen en blijven uitmelken met peperdure paspoorten
624 CDA - Donner: Ik ben CDAer en ik wil nu de vrijheid om het doen en laten van de hele bevolking vast te leggen"
626 CDA - Donner: Ik ben CDAer en ik wil dat de politie gegevens opslaat over alle burgers ook die niet worden verdacht worden van strafbaar feit
476 CDA - Donner: Ik ben CDAer en zorg goed voor het onder elkaar verdelen van alle belangrijke en mooie bestuurs- en juridische baantjes
187 CDA - Donner: Ik ben CDAer en wil burgers blijven uitzuigen en blijven uitmelken. Ik verbiedt proef 'no cure no pay' zodat burgers niet zelf gaan kunnen procederen zonder peperdure advocaat!
482 CDA - Donner: Confrontatie LPF met CDA MvJ Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
383 CDA - Donner: Ik ben CDA-er en ik heb maling aan de wet. Ik doe gewoon een uitspraak als rechter terwijl ik helemaal geen rechter ben.
394 CDA - Donner: Ik ben CDAer en in de rechtspraak maken we van alles valselijk op. Uitspraken “in naam der koningin” door meervoudige kamers de minuten, afschriften en grossen worden als regel valselijk worden opgemaakt! Deze uitspraken worden namelijk niet ondertekend door wie dat wettelijk zouden moeten doen, de voorzittende rechter/raadsheer en dienstdoende griffier, maar door onbevoegde administratieve medewerkers. Het ‘in naam der koningin’ in rechtsbesluiten is niet meer dan een “overblijfsel” en we maken deze uitspraken altijd al valselijk op laat CDA rechter en Minister van Justitie Donner op vragen hierover weten
348 CDA - burgemeester - Ermelo: Ik ben CDAer en ik ben de burgemeester van Ermelo en ik heb een flinke zak geld om een 71-jarige gehandicapte burger uit te zuigen en uit te melken om zijn voor 1996 zelf (af)gebouwde recreatiewoning te kunnen jatten. Natuurlijk in prima samenwerking met mijn maatjes bij het rechtersleger. Met met CDA maatje Donner als voorzitter bij de Raad van State wordt toch nergens naar gekeken.
201 CDA - verkiezingen - gemeente Ermelo 2010: Ik ben CDAer en ik ben de CDA burgemeester van Ermelo. Meneer Hop knippen en plakken door de VVD in verkiezingsformulieren is voor ons CDA gemeente bestuur geen enkel probleem. Wij van het CDA krijgen immers van ieder gekozen VVD raadslid een losgeld betaling voor de CDA PR commissie en u kunt wel gaan procederen bij de Raad van State. Wij hebben daar uitstekende contacten die knippen en plakken (rotzooien) in verkiezingsfortmulieren ook prima zullen vinden
Discriminatie CDA Klacht Hop tegen (CDA) bestuur gemeente Ermelo inzake discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders
Intimidatie CDA - Intimidatie gemeente Ermelo - Ermelose politie wil dat het CDA bestuur toestemming geeft voor politieke activiteiten Groep Hop tijdens verkiezingen
Christelijk? CDA - Ermelo - Christelijk College Groevenbeek - 2014 Uitdagers mogen niet meedoen aan ons (christelijk) schooldebat. Schoolvoorbeeld CDA tunnelvisie onderwijs
379 CDA - Ermelo - 2010 Alleen Groep Hop ging NIET AKKOORD met betaling LOSGELD per gekozen raadslid aan de Ermelose CDA-PR commissie
194 CDA - Ermelo - 2006 Alleen Groep wil wilde geen geld betalen aan het CDA om mee te mogen doen aan politiek debat
199 CDA Journalist Jeanne Dijkstra - 2006 - Aan de Raad voor de Journalistiek "Van alle kanten krijg ik berichten om Groep Hop dood te zwijgen en ik ben het nagegaan het klopt.
246 CDA duldt geen kritiek in eigen blad, wil hoofdredacteur Christen Democratische Verkenningen de laan uitsturen
557 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor de gemeente! Pikmeer I, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
558 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor de gemeente! Pikmeer II, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
569 Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor UWV. Geen snelle rechtspraak voor burger en hun bedrijven maar opschorting behandeling lopende procedures startende zelfstandigen tegen UWV
406 Arbeidsproductiviteit. De ontwikkeling van Nederland als informatie samenleving cruciaal voor arbeidsproductiviteit en sociale cohesi
352 Arbeidsproductiviteit. Bent u ziek? Verzuimverzekeraar die als arbodienst fungeert rekent op medeplichtigheid werkgever
285 Arbeidsproductiviteit. Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw?
5 Arbeidsproductiviteit. Weerzinwekkende partijdigheid rechtersleger voor OM tegen K.H. de Werd na problemen met werknemers vakbond
192 Arbeidsproductiviteit. Jaarverslag 2005 Nederlands Instituut van Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen, wie verzekert?
195 Uitzondering bevestigd de regel. Klacht gegrond met Hop als gemachtigde tegen Mw Drs C. Snijder pedagoog PAR Amsterdam. Maatregel waarschuwing!
322 Uitzondering bevestigd de regel. Klacht gegrond tegen psychiater in de zaak van vader H. met Hop als gemachtigde tegen GGZ Drenthe
283 Arbeidsproductiviteit. Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam een waarschuwing voor anderen die tegen gemeente procederen
104 Arbeidsproductiviteit. Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur
278 OM Arbeidsproductiviteit. Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 1-3
296 OM Arbeidsproductiviteit. Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 4-8
297 OM Arbeidsproductiviteit. Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 9-10
572 OM Arbeidsproductiviteit. Ad Bos verklapte in 2001 geheim bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland
334 Arbeidsproductiviteit. Op patiŽntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet
422 Uitzondering bevestigt de regel. Commando's winnen strijd om behoud van de groene baret tegen bevelhebber KL Marcel Urlings en zijn patrol kleurige baret!
20 Wat zijn de kansen van de gemiddelde Nederlander die door de overheid wordt gedwarsboomd en getreiterd? Eerbetoon aan journalist Oltmans
80 12-2010, 2011, 2012, 2013 - 2014-vandaag. Wat zijn de kansen van de gemiddelde Nederlander die door de overheid wordt gedwarsboomd en getreiterd? Frontale opsporingsactie Openbaar Ministerie (OM) tegen Hop OPHALEN en DOEN BEKENNEN! Winnen tegen rechtersleger, jeugdzorg, OM en kinderbescherming bij het weerzinwekkend voor de overheid partijdige rechtersleger gebeurt niet (vaak) en (uitzondering bevestigd de regel) helpt ook niet. HOP AAN WRAKINGSKAMER RECHTBANK ASSEN TIJDENS HOORZITTING WRAKINGSKAMER DECEMBER 2013: "Als mijn wraking van jullie (maatje) rechter met twee petten op rechter en OvJ) ongegrond wordt verklaard en het OM van alles mag inleveren op geen letter was commentaar en ik heb niets ingeleverd. Voer alleen stevig procedureel weerwerk op de hoorzitting met een pleitnotitie (VOORVRAGEN) en ik mag mijn pleitnotitie niet voorlezen dan kom ik niet meer terug EN JULLIE ZOEKEN HET VERDER MAAR UIT MET JULLIE ZOOITJE.................

Mijn naam is J. Hop Ermelo. Ik ben verzetsstrijder en heb te vaak te maken (gehad) met het rechtersleger en hun maatjes de bestuursorganen! Ik wens u veel leesplezier toe bij het bekijken van mijn websites die ik zelf betaal en zelf onderhoud. Proost burgers op ons fantastische rechtersleger. Ik ben ook politicus dus van mij mag u alles weten. Ik ben BONAFIDE en ben ook niet zo bang uitgevallen. Ik wil ook rustig een openbare leugendetectortest ondergaan in het OM zaakje tegen Hop. Op verzoek van de overheid ben ik ook onderzocht, heb daaraan in die zaak ook keurig netjes meegewerkt. Ik had een ex politiepsycholoog die mij onderzocht en heb die dag meer dan 2500 vragen beantwoord. Ik had VIER TIENEN voor communicatie en dat had die politiepsycholoog nog nooit eerder meegemaakt. Ik overweeg mijn psychologisch rapport gewoon compleet zonder censuur op internet te zetten zodat iedereen dat kan lezen. Lees verder

 

top
Activiteiten
Censuur en organisatiecriminaliteit in Nederland ©
De website(s) www.burojeugdzorg.nl (org, net, com) www.bureaujeugdzorg.nl (org, net, com) zijn het eigendom van verzetsstrijder, politicus, schrijver, journalist Dhr. J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo. Plaats uitgave: Ermelo. Uitgever: Hop Ermelo. Disclaimer 2014 en vrijwaring. Op al deze websites van Hop is een 2014 disclaimer van toepassing. Procedures inzake publicatie van nieuwsfeiten, vrijheid van drukpers, belemmering vrijheid van meningsuiting, belemmering politieke activiteiten, gerechtvaardigde verdediging van Hop tegen improductieve bureaucratie en/of voor de overheid vrijwel altijd partijdige rechtspraak tegen politicus, schrijver, journalist Hop uitsluitend via de rechtbank Gelderland (dan weet ik immers van tevoren dat ik vrijwel zeker wordt genaaid zoals bijvoorbeeld ook weer in 2014 met het een jaar lang onbehandeld laten liggen van mijn beroepschriften Hop tegen de gemeente Ermelo waarbij de partijdige smeerlappen van die rechtbank Gelderland niet eens gekeken hebben tegen welk besluit ik beroep instelde maar weerzinwekkend partijdig als papegaaien de gemeente Ermelo bleven napraten. Ik heb mijn beroepschriften vervolgens na een jaar ingetrokken. IK WIL HET DOOR MIJ BETAALDE GRIFFIEGELD (721) HOP TEGEN ERMELO VAN DIE RECHTBANK GELDERLAND TERUG) met gelijktijdig verzoek om beeld- en geluidsopnames te mogen maken van de complete hoorzitting t.b.v. publicatie op bovengenoemde websites. Door mijn website te raadplegen accepteert u mijn vrijwaring. Hop streeft ernaar, op een integere wijze, dat alle informatie op de websites correct is. Hop verleent ten aanzien van die informatie echter geen enkele garantie, noch kan Hop worden geacht een dergelijke garantie stilzwijgend te hebben verleend. Hop zal in geen geval aansprakelijk zijn voor schade van welke aard dan ook, waaronder directe, indirecte of gevolgschade, voortvloeiend uit of in verband met het gebruik of betreden van deze website.