Weliswaar is betrokkene enige malen voor
langere periodes arbeidsongeschikt wegens ziekte geweest, maar het
is niet aannemelijk geworden - betrokkene heeft daaromtrent niets
concreets gesteld - dat de gesignaleerde problemen in haar
functioneren als rechter, die geconstateerd zijn in perioden dat
betrokkene niet ziek was, te wijten zijn aan ziekte. Dat, naar
achteraf is vastgesteld, betrokkene van 14 april 2006 tot 23 april
2007 volledig arbeidsongeschikt door ziekte is geweest, doet hieraan
niet af. Het incident van 14 april 2006 maakt voldoende duidelijk,
dat betrokkene ook in de daaraan voorafgaande periode, waarin geen
ziekte is vastgesteld, haar persoonlijke gedrag onvoldoende onder
controle heeft gehad en zich ook toen al aan alcoholmisbruik moet
hebben overgegeven.
Ook de omstandigheid dat betrokkene in de periode dat zij in [E] als
rechter werkzaam was nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt door ziekte
was, doet aan het hiervoor vermelde oordeel niet af, nu betrokkene
aldaar twee dagen per week werkte, hetgeen de bedrijfsarts
verantwoord achtte. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om, zoals
betrokkene heeft verzocht, een nader medisch onderzoek te gelasten.
3.6 De Hoge Raad verwerpt het betoog van betrokkene dat het
ontslagverzoek prematuur is. Betrokkene is, naar uit de stukken
blijkt, herhaaldelijk op haar functioneren aangesproken terwijl haar
op 30 maart 2005 te verstaan is gegeven dat haar houding en gedrag
(onzichtbaarheid, onbereikbaarheid, het onvoldoende afdoen van
zaken, het zich niet houden aan afspraken) voor de leiding van de
sector bestuursrecht een onwerkbare situatie opleverde en dat haar
nu een laatste kans in de strafsector zou worden geboden. Mede ten
gevolge van het alcoholgebruik van betrokkene is het toch weer
misgegaan. Vervolgens heeft het bestuur van de Rechtbank [A] nog een
serieuze re-integratiepoging gedaan door verzoeken te doen voor een
tijdelijke plaatsing van betrokkene bij één van de rechtbanken
[F], [G], [E] en [I]. Dat die re-integratiepoging is mislukt, is
niet aan de Rechtbank [A] te wijten, waarbij in aanmerking is te
nemen dat betrokkene in de maand mei 2007 niet reageerde op een
brief van de president van de Rechtbank [F] waarin die verzocht
contact op te nemen voor een oriënterend gesprek, en dat betrokkene
een op 31 mei 2007 gepland gesprek met de plaatsvervangend president
van de Rechtbank [G] wegens ziekte afzegde en vervolgens geen gevolg
heeft gegeven aan haar toezegging contact op te nemen voor een
andere afspraak.
3.7 Betrokkene heeft verder nog aangevoerd dat de drempel voor
ongeschiktheidsontslag van voor het leven benoemde rechterlijke
ambtenaren niet te laag behoort te worden vastgesteld wegens de
grote gevolgen daarvan voor de gehele rechterlijke macht. De Hoge
Raad deelt deze visie van betrokkenehet instrument van
ongeschiktheidsontslag van een rechterlijk ambtenaar mag niet worden
aangewend op een manier die de onafhankelijkheid van de rechterlijke
macht ook maar enigszins bedreigt. Daarvoor bestaat in dit geval
echter geen gevaar, omdat de inhoud van de beslissingen die
betrokkene als rechter in aan haar oordeel onderworpen zaken heeft
genomen geen punt van kritiek vormt, en betrokkene ook niet heeft
aangevoerd dat de inhoud van haar beslissingen de werkelijke reden
is voor het verzoek van de president van de Rechtbank [A] aan de
Procureur-Generaal. Anders dan betrokkene lijkt te betogen, kunnen
benedenmaats presteren op het punt van werktempo, onvoldoende
openstaan voor collegiaal overleg, gebrek aan besluitvaardigheid,
ongelukkige persoonlijke en ambtelijke presentatie, het niet nakomen
van werkafspraken over aanwezigheid en bereikbaarheid en het bekend
worden van privé gedrag dat afbreuk doet aan de waardigheid van het
rechterlijk ambt of het gezag van de rechtspraak, in onderlinge
samenhang bezien wel degelijk van zodanige ernst zijn dat de
conclusie moet worden getrokken dat de betrokken rechterlijk
ambtenaar ongeschikt is voor het uitoefenen van zijn taak en behoort
te worden ontslagen.
3.8 De vordering tot ontslag zal dus worden toegewezen.
De Hoge Raad acht de voorziening die de Procureur-Generaal voor
betrokkene vordert redelijk met het oog op de omstandigheden. Hij
zal ook die voorziening toewijzen.
Voor het treffen van de overige voorzieningen als door betrokkene
verzocht ziet de Hoge Raad geen grond.
4. Beslissing:
De Hoge Raad:
ontslaat [betrokkene], rechter in de Rechtbank [A], als rechterlijk
ambtenaar met ingang van 1 januari 2010;
kent [betrokkene] een uitkering toe waarvan de hoogte gelijk is aan
het voor haar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van
de Werkloosheidswet en een krachtens art. 54 lid 2 Wrra getroffen
besluit, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van
verwijtbare werkloosheid als bedoeld in art. 24 van de
Werkloosheidswet.
Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als
voorzitter, de vice-president D.H. Beukenhorst, en de raadsheren
J.C. van Oven, H.A.G. Splinter-van Kan en A.H.T. Heisterkamp, en in
het openbaar uitgesproken op 15 december 2009.
Conclusie Aan de Hoge Raad der Nederlanden,
Vierde Meervoudige Kamer
Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren
betreffende
[Betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1954, wonende aan de [a-straat 1] te
[woonplaats].
Betrokkene is rechter in de Rechtbank [A] en derhalve een
rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).
Verzoek
De president van de Rechtbank [A] heeft mij bij verzoek van 30
september 2008 verzocht te bevorderen dat aan betrokkene door de
Hoge Raad ontslag wordt verleend wegens ongeschiktheid voor het
verrichten van haar taak anders dan wegens ziekte (art. 46l lid 1
onder a Wrra). In het verzoek wordt gesteld dat betrokkene niet over
de eigenschappen, mentaliteit en instelling beschikt die vereist
zijn voor het op een goede wijze vervullen van de rechterlijke
functie. Sinds betrokkene als rechter in de Rechtbank [A] werkzaam
is, zijn de productiviteit en onzekerheid van betrokkene doorlopende
aandachtspunten geweest. Tevens waren er periodes van
onbereikbaarheid, hield betrokkene zich niet aan afspraken en waren
er klachten over haar uiterlijke verzorging. Zij is verschillende
keren gewisseld van sector en zowel intern als extern begeleid,
echter zonder succes.
Dat betekent volgens [de president van de rechtbank] dat het oordeel
dat betrokkene ongeschikt is voor een rechterlijke functie losstaat
van de specifieke situatie in [A] en het feit dat zij daar, binnen
een relatief kleine gemeenschap, na april 2006 niet meer over het
noodzakelijke gezag kan beschikken.
Bijlagen bij het verzoek
De bijlagen bij het verzoek houden samengevat - voorzover hier van
belang - het volgende in:
- Bij koninklijk besluit van [datum] 1992 is betrokkene benoemd tot
rechter in de Rechtbank [A] (bijlage 3 bij het verzoek).
- Tot januari 1998 is zij werkzaam geweest in de sector
bestuursrecht. In de evaluatieverslagen uit die periode worden
kritische opmerkingen gemaakt over de productiecijfers van
betrokkene (zie bijlagen 4, 5, 6 en 7 bij het verzoek). In het
verslag van het eerste evaluatiegesprek d.d. 9 augustus 1995
(bijlage 5 bij het verzoek) wordt de kwantiteit als aandachtspunt
genoemd, maar worden tevens positieve opmerkingen gemaakt over de
manier waarop leiding wordt gegeven aan de zitting en de kwaliteit
van de uitspraken. Betrokkene heeft goed contact met haar
collega’s en levert een positieve bijdrage aan de opleiding van
raio’s en rio’s. Uit het verslag van het evaluatiegesprek van 19
december 1996 (bijlage 6 bij het verzoek) blijkt dat wordt
getwijfeld aan haar besluitvaardigheid en dat zij voorlopig nog een
halve portie zaken krijgt toebedeeld. Tijdens een gesprek van 16
juni 1997 (zie bijlage 7 bij het verzoek) wordt gesproken over een
overgang naar de strafsector. De beoordelaar is onder meer van
mening dat een overgang voor betrokkene wenselijk is omdat haar
functioneren in de bestuurssector “thans nogal wordt overschaduwd
door de al enige jaren durende discussie over haar kwantitatieve
prestaties”
- Vervolgens is betrokkene tot januari 2001 werkzaam geweest in de
sector strafrecht. In de evaluatieverslagen uit die periode worden
opmerkingen gemaakt over de beperkte inhoudelijke inbreng van
betrokkene in de raadkamer, onvoldoende contact met collega’s,
veelvuldige afwezigheid om thuis te werken, late afwerking van
zittingen en vonnissen (soms worden zaken bij haar weggehaald omdat
deze te lang blijven liggen), onzekerheid tijdens de zittingen
(veelvuldig schorsen, leunen op griffiers die soms de beslissing
moeten formuleren, onvoldoende voorbereiding en onvoldoende kennis
van zaken) en gebrek aan besluitvaardigheid (zie bijlagen 10, 11,
13, 14 bij het verzoek). Het werd niet verantwoord geacht om
betrokkene enkelvoudige zittingen te laten doen. In de beoordeling
van 5 april 2000 (bijlage 14 bij het verzoek) wordt onder meer
gesproken over fundamentele onzekerheid. Op deze beoordeling heeft
betrokkene per brief gereageerd (bijlage 15 bij het verzoek). In
deze brief geeft zij onder meer aan dat deze conclusie haar
overdreven lijkt. Van 12 april 1999 tot 17 mei 1999 viel betrokkene
uit wegens ziekte. Mede op advies van de bedrijfsarts ontving
betrokkene vervolgens begeleiding door een externe deskundige (zie
bijlagen 9, 12 en 17 bij het verzoek).
- Uiteindelijk werd besloten dat betrokkene zou terugkeren naar de
bestuurssector en minder zou gaan werken (van 36 naar 30,6 uur
gemiddeld per week, bijlagen 20 en 21 bij het verzoek). In de
bestuurssector werkte zij tot april 2005. In het begin van deze
periode was men kennelijk tevreden (in de evaluatieverslagen van
2001 tot 2003 gaat men vooral in op de manier waarop betrokkene zelf
tegen haar werk aankijkt, zie bijlagen 22, 23, 24 en 25 bij het
verzoek). Uit het verslag van 8 januari 2004 (bijlage 26 bij het
verzoek) valt onder meer op te maken dat betrokkene vaak afwezig
was, dat er onduidelijkheden waren over het opnemen van verlof, dat
de collega’s kritiek hadden op het functioneren van betrokkene en
haar afwezigheid en dat er sprake was van achterstanden. Blijkens
dit verslag zijn er concrete afspraken gemaakt met betrokkene
(melden afwezigheid, niet meer thuiswerken, verhoging persoonlijke
jaarnorm). In het evaluatieverslag van 24 maart 2004 (bijlage 27 bij
het verzoek) staat dat er geen problemen zijn bij het doen van
zittingen, dat de samenwerking met de ondersteuning over het
algemeen goed is, maar dat de doorlooptijden absoluut niet worden
gehaald en dat (nogmaals) wordt benadrukt dat betrokkene mee moet
blijven doen in de sector en geen buitenbeentje moet zijn. In
oktober 2004 zijn opnieuw concrete afspraken gemaakt met betrokkene
(zie bijlage 28 bij het verzoek). Uit het verslag van het gesprek
van 2 november 2004 (bijlage 29 bij het verzoek) komt onder meer
naar voren dat de kwaliteit van de uitspraken goed is, maar dat het
aanbeveling verdient dat betrokkene zich wat meer zichtbaar maakt in
de organisatie. Ook komt ter sprake dat zij alert zal zijn op het
openen en beantwoorden van e-mails. Na een periode van ziekte (28
december 2004 tot 31 januari 2005, zie bijlage 32 bij het verzoek)
werd aan betrokkene betaald verlof verleend tot april 2005 om orde
op zaken te stellen in haar privé- en familiesfeer (zij had de zorg
voor haar zieke moeder op zich genomen, bijlage 31 bij het verzoek).
Uit een notitie van 20 januari 2005 (bijlage 30 bij het verzoek)
volgt dat men het functioneren van betrokkene niet meer aanvaardbaar
vindt. Er is onder meer geen grip op haar aanwezigheid, afwezigheid
wordt niet conform de afspraken gemeld, er is sprake van een gebrek
aan verantwoordelijkheid voor een goede afhandeling van de zaken en
van voortdurende achterstand.
- Na afloop van haar verlof is betrokkene overgeplaatst naar de
strafsector. In het verslag van een op 30 maart 2005 gehouden
gesprek (bijlage 33 bij het verzoek) staat dat betrokkene zich door
haar houding en gedrag buiten de organisatie heeft geplaatst,
hetgeen voor de leiding van de sector bestuursrecht een onwerkbare
situatie opleverde. Er werden werkafspraken gemaakt en aan
betrokkene werd duidelijk gemaakt dat haar een laatste kans wordt
geboden om haar functioneren te verbeteren (zie ook bijlage 34 bij
het verzoek). Eind 2005 en begin 2006 was men redelijk tevreden (zie
bijlagen 35 en 36 bij het verzoek). Wel werd aangegeven dat het
tempo hoger zou moeten zijn en dat zij haar uiterlijk en hygiëne
beter zou moeten verzorgen (bijlage 35 bij verzoek).
- Op 14 april 2006 omstreeks 12:30 uur werd betrokkene door de
politie in verwaarloosde toestand aangetroffen in haar woning (zie
bijlage 39 en 40 bij het verzoek). Betrokkene was onder invloed van
alcohol, de woning was sterk vervuild en er was sprake van
brandgevaar. Omdat zij onenigheid kreeg met de verbalisanten, is zij
onder dwang meegenomen naar het bureau. Met het oog op haar eigen
veiligheid en die van anderen is zij ingesloten in een ophoudkamer.
Betrokkene kreeg vervolgens twee maanden verlof om orde op zaken te
stellen en er werden afspraken gemaakt (betrokkene zou hulp zoeken
en desverlangd aantonen dat er geen sprake meer was van
alcoholproblematiek, zij zou frequent contact hebben met de
sectorvoorzitter over de voortgang en hem ontvangen voor een
huisbezoek, zie bijlage 41 bij het verzoek).
- Op 20 juni 2006 vond een gesprek plaats waarin aan betrokkene te
kennen werd gegeven dat zij naar het oordeel van het gerechtsbestuur
intern en extern het gezag verloren had om het ambt van rechter nog
te kunnen uitoefenen (zie ook de brief van 23 juni 2006, bijlage 43
bij het verzoek). Uit het verslag van dit gesprek (zie bijlage 44
bij het verzoek) blijkt dat betrokkene aangaf dat zij zich aan de
gemaakte afspraken heeft gehouden (haar huis is nagenoeg op orde,
zij heeft zich gemeld bij de huisarts en zij heeft contact met [...]
over haar drankgebruik, met een maatschappelijk werker en een
psycholoog). Het bestuur van de Rechtbank heeft zich intussen echter
beraden over de vraag of betrokkene nog wel kan functioneren in de
Rechtbank en is tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is.
Gelet op de situatie zoals deze binnen en buiten de Rechtbank bekend
is geworden, is het bestuur van oordeel dat betrokkene het benodigde
gezag heeft verloren om nog als rechter te kunnen functioneren.
Meegedeeld wordt dat zij met ingang van 24 juni 2006 op non-actief
wordt gesteld, dat een schorsingsverzoek zal worden ingediend bij de
Procureur-Generaal en dat het bestuur voornemens is haar ontslag als
rechter te bevorderen. Betrokkene wordt er op gewezen dat het
voorval van 14 april 2006 zowel in- als extern een veel grotere
uitstraling heeft gehad dan aanvankelijk werd gedacht en dat
medewerkers van de rechtbank er op aan werden gesproken.
- Later is vastgesteld dat betrokkene van 14 april 2006 tot 23 april
2007 volledig arbeidsongeschikt was als gevolg van ziekte (bijlage
58 en 59 bij het verzoek).
- Per 23 april 2007 was betrokkene volgens de bedrijfsarts weer in
staat om voor drie dagdelen per week haar werkzaamheden te hervatten
(bijlage 59 bij het verzoek). De Rechtbank heeft bemiddeld in een
mogelijkheid tot re-integreren bij een andere rechtbank en heeft
daartoe op 23 april 2007 brieven verstuurd aan diverse rechtbanken
(bijlage 60 bij verzoek).
- Van 12 juli 2007 tot 21 september 2007 is betrokkene opgenomen
geweest bij [..] te [plaats] (bijlage 71 bij het verzoek).
- Van 6 november 2007 tot 15 mei 2008 was betrokkene in het kader
van de re-integratie voor twee dagen per week werkzaam in de
strafsector van de Rechtbank [E]. Bij die Rechtbank was men niet
tevreden over het werktempo, de inbreng in raadkameroverleg, het
collegiale verkeer en het optreden ter zitting (zie bijlage 76 bij
verzoek). De conclusie van de begeleiders binnen de Rechtbank [E]
was dat de re-integratie onvoldoende succesvol was gebleken om als
basis te kunnen dienen voor verdere werkzaamheden binnen de
strafsector van de Rechtbank [E] (bijlage 78 bij verzoek).
- Betrokkene kreeg hierop een “inzinking” en was tot juli 2008
onbereikbaar (zie bijlagen 81, 82 en 83 bij het verzoek). Met ingang
van 20 augustus 2008 werd betrokkene volledig hersteld gemeld bij
het UWV (bijlagen 84 en 85 bij het verzoek).
De procedure
Na ontvangst van het verzoek van de president van de Rechtbank [A]
op 2 oktober 2008, heb ik betrokkene en haar advocaat, mr. Kuijken,
bij brief van 9 oktober 2008 uitgenodigd voor een gesprek waarin zij
konden reageren op het verzoek. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op
25 november 2008. Namens betrokkene is in dit gesprek naar voren
gebracht dat zij van april 2006 tot 20 augustus 2008
arbeidsongeschikt is geweest en dat niet valt vast te stellen in
hoeverre haar prestaties negatief beïnvloed werden door
arbeidsongeschiktheid. Verder heeft de Rechtbank volgens betrokkene
de wettelijke kaders en de daarbij behorende verplichtingen niet in
acht genomen (de Rechtbank heeft betrokkene in april 2006 een
time-out geboden om haar privéleven op orde te krijgen, hetgeen ook
gelukt was, maar haar in juni 2006 op non-actief gezet omdat zij
intern en extern het gezag verloren zou hebben om het ambt van
rechter nog te kunnen uitoefenen).
Op grond van art. 46l lid 3 Wrra heb ik de Adviescommissie
Ongeschiktheidsontslag Rechterlijke Ambtenaren (verder: de
Adviescommissie) op 15 januari 2009 gevraagd advies uit te brengen
voor de beoordeling of sprake is van ongeschiktheid voor het
verrichten van de taak anders dan wegens ziekte. Op 23 maart 2009
heeft de Adviescommissie advies uitgebracht. De conclusie van de
Adviescommissie luidt als volgt:
“Op grond van de schriftelijke stukken, gelet op hetgeen tijdens
de hoorzitting naar voren is gebracht en op grond van bovenstaande
bevindingen is de commissie van oordeel dat [betrokkene] ongeschikt
moet worden geacht voor het ambt van rechter, anders dan wegens
ziekte. De commissie is tot dit oordeel gekomen op grond van de
volgende overwegingen waarbij mede is gelet op de jurisprudentie van
de Centrale raad van Beroep terzake.
Uit de evaluatieverslagen door de jaren heen blijkt dat betrokkene
bij voortduring is tekortgeschoten in kwantitatieve zin (haar
productie bleef sterk achter op de gehanteerde norm), in het leveren
van juridische bijdragen in raadkamer en ook overigens, alsmede in
het leiden van zittingen (vooral het omgaan met onverwachte
situaties leverde problemen op, hetgeen ertoe heeft geleid dat haar
geen enkelvoudige zittingen werden toevertrouwd). Daarnaast blijkt
uit de evaluaties dat [betrokkene] moeilijk hoofd- en bijzaken kan
scheiden. Tenslotte toont zij naar het oordeel van de commissie een
gemis aan reflectie, zij was het vrijwel nooit eens met de kritiek,
veelal lagen de oorzaak buiten haar beïnvloedingsfeer, zoals veel
‘oude’ zaken, onvoldoende of slechte ondersteuning.
Derhalve moet worden gezegd dat zich onder de overgelegde stukken
vele voorbeelden en voorvallen bevinden waaruit blijkt dat het
[betrokkene] in niet geringe mate ontbreekt aan eigenschappen,
mentaliteit en instelling die nodig zijn voor een goede uitoefening
van de functie van rechter. Zij is daar bij herhaling mee
geconfronteerd en in de gelegenheid gesteld zich te verbeteren. Dat
zulks niet, althans niet noemenswaardig en blijvend, tot verbetering
leidde is wellicht te wijten aan het feit dat zij steeds probeerde
de tekortkomingen te ontkennen, te bagatelliseren of te
vergoelijken, dan wel daarvan de oorzaak of schuld bij anderen te
leggen of aan bijzondere omstandigheden toe te schrijven.
De commissie is voorts, op grond van de volgende overwegingen van
oordeel dat de ongeschiktheid niet kan worden gezien als een gevolg
van ziekte.
[Betrokkene] heeft vele jaren gefunctioneerd zonder dat sprake was
van ziekte of gebrek. Vastgesteld moet worden dat een groot aantal
van de tekortkomingen zich - ook - voordeden voor de ziekteperiode.
Na de ziekmelding (met terugwerkende kracht) met ingang van 14 april
2006 is [betrokkene] gedeeltelijk arbeidsgeschikt verklaard voor
eigen werk, voor - aanvankelijk - 3 dagdelen per week en later 2
dagen, resp. 3 dagen. Gedurende de periode van re-integratie in de
rechtbank [E] werd zij door de bedrijfsarts en de behandelaars
arbeidsgeschikt geacht voor eigen werk, zij het gedurende een
beperkte periode van de week. Na afloop van de re-integratie is
betrokkene, na een korte periode van terugval, volledig hersteld
gemeld met ingang van 20 augustus 2008. Zij heeft hiertegen geen
bezwaar gemaakt en ook tijdens de hoorzitting heeft [betrokkene]
uitdrukkelijk verklaard dat zij zichzelf op 20 augustus 2008 en ook
daarna volledig arbeidgeschikt acht.
Nu betrokkene naar het oordeel van de bedrijfsarts en [betrokkene]
zelf niet arbeidongeschikt moet worden geacht en de kritiek op het
functioneren van [betrokkene] tijdens de re-integratieperiode binnen
de rechtbank [E] het beeld bevestigt dat is ontstaan gedurende jaren
bij de rechtbank [A], is de commissie van oordeel dat ervan kan
worden uitgegaan dat de geconstateerde ongeschiktheid voor de
functie van rechter niet een gevolg is van ziekte.
De commissie ziet op grond van bovenstaande overwegingen dan ook
geen aanleiding alsnog een medisch onderzoek te entameren teneinde
vast te stellen of er een sprake is (lees: sprake is, P-G) van
ongeschiktheid voor de functie als gevolg van ziekte.”
Nadat ik het advies van de Adviescommissie had ontvangen, heb ik een
zogenoemde pro-forma berekening van de naastwettelijke
werkloosheidsuitkering van betrokkene laten maken. Na ontvangst van
die berekening heb ik betrokkene ingevolge art. 46o lid 3 Wrra bij
schrijven van 23 juni 2009 in de gelegenheid gesteld haar zienswijze
schriftelijk en/of mondeling naar voren te brengen. Bij brief van 20
juli 2009 heeft mr. Kuijken de zienswijze van betrokkene
schriftelijk naar voren gebracht.
Namens betrokkene wordt in deze brief het volgende aangevoerd. De
negatieve onderdelen uit het personeelsdossier van betrokkene moeten
niet worden overbelicht. Dat zij verschillende malen minder goed
heeft gefunctioneerd, hing samen met lastige situaties in haar privéleven.
De kritiek heeft zich steeds gericht op de kwantiteit en de omgang
met collega’s, maar de kwaliteit van de uitspraken van betrokkene,
een van de kernkwaliteiten van een rechter, heeft nooit ter
discussie gestaan. Betrokkene verwijt de Rechtbank dat zij heeft
aangestuurd op ontslag en niet actief naar een andere oplossing
heeft gezocht. Zo had de Rechtbank de Hoge Raad op de voet van art.
46k Wrra kunnen verzoeken betrokkene een andere taak op te dragen.
De Rechtbank heeft ook geen blijk gegeven van enige empathie of
ondersteuning. Omdat deze zaak een toetssteen zal zijn voor
toekomstige ontslagzaken, dient de ongeschiktheid boven elke twijfel
verheven te zijn en dient elke procedurele stap correct te zijn
genomen. Aan deze vereisten is niet voldaan nu de gegevens die de
ongeschiktheid van betrokkene moeten ondersteunen gedateerd zijn en
niet overtuigend leiden tot de kwalificatie “ongeschikt”. De
gegevens van de re-integratieperiode in [E] kunnen niet dienen voor
een verregaande stap als ontslag. De ontslagprocedure kan geen
doorgang hebben omdat zich te veel onzorgvuldigheden hebben
voorgedaan. Nu rechterlijk ambtenaren voor het leven zijn benoemd,
dient ontslag een allerlaatste stap te zijn en aan dat vereiste is
in deze zaak niet voldaan. Aldus het standpunt van betrokkene.
Na het opstellen en toesturen van de (concept)vordering aan mr.
Kuijken, bleek dat zij ook graag nog in de gelegenheid wilde worden
gesteld om mondeling te reageren op de voorgenomen vordering. Deze
gelegenheid is haar geboden op 14 september 2009. Tijdens het
gesprek van 14 september 2009, dat kan worden beschouwd als het
gehoor als bedoeld in artikel 46o lid 3 Wrra, heeft mr. Kuijken
namens de betrokkene aangegeven dat er geen sprake is van een
uitgebalanceerde vordering omdat aan elk negatief onderdeel in de
evaluatiegesprekken veel aandacht wordt besteed, terwijl positieve
onderdelen nauwelijks vermeld worden. Tevens werd door mr. Kuijken
naar voren gebracht dat de Rechtbank gedurende de ziekteperiode van
betrokkene de Hoge Raad op de voet van art. 46k Wrra had kunnen
verzoeken betrokkene een andere taak op te dragen, dat het juridisch
gezien niet houdbaar is dat acht wordt geslagen op gegevens uit een
ziekteperiode en dat de gegevens die gebruikt worden sterk verouderd
zijn. Mr. Kuijken heeft mij vervolgens primair verzocht (vooralsnog)
af te zien van het indienen van een ontslagvordering en eerst een
arbeidsgeneeskundig onderzoek te laten verrichten naar de
arbeidsgeschiktheid van betrokkene. Subsidiair verzocht zij mij
vooralsnog af te zien van het indienen van de vordering om in een
mediationtraject een alternatieve oplossing te doen bespreken.
Tenslotte heeft zij mij meer subsidiair verzocht de vordering aan te
passen in die zin dat daarin de belangen en gezichtspunten van
betrokkene worden meegenomen en daarin geen ongefundeerde conclusies
worden getrokken.
Bij brief van 6 oktober 2009 heb ik mr. Kuijken meegedeeld dat ik op
de primair en subsidiair gedane verzoeken niet zal ingaan. Na het
advies van de Adviescommissie zie ik geen noodzaak voor een
arbeidsgeneeskundig onderzoek en gelet op de lange duur van het niet
goed functioneren van betrokkene en het feit dat het waarschijnlijk
niet eenvoudig zal zijn om binnen korte tijd een geschikte functie
voor betrokkene te vinden, acht ik het ongewenst om het instellen
van de vordering tot ontslag verder uit te stellen. Naar aanleiding
van het meer subsidiair gedane verzoek heb ik de vordering - waar
dat naar mijn oordeel nodig was - aangepast.
Beoordeling van het verzoek
Voor zover ik kon nagaan, is dit de eerste keer dat de Hoge Raad zal
oordelen over de vraag of een rechter moet worden ontslagen op de
grond dat deze ongeschikt is voor het verrichten van zijn taak
anders dan wegens ziekte. Er is derhalve nog geen rechtspraak van de
Hoge Raad waarnaar hier kan worden verwezen. Bij de beoordeling of
sprake is van “ongeschiktheid anders dan wegens ziekte” kan
echter wel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van de
Centrale Raad van Beroep met betrekking tot het ambtenarenrecht. In
het ambtenarenrecht wordt aangenomen dat ongeschiktheid voor het
ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken als bedoeld
in art. 98 lid 1 onder g ARAR, zich moet uiten in het ontbreken van
eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze
vervullen van de functie vereist zijn (zie onder meer CRvB 6
november 2003, TAR 2004, 28). De ongeschiktheid moet betrekking
hebben op belangrijke aspecten van de functie. Uit concrete feiten
of omstandigheden moet zijn gebleken dat de ambtenaar niet goed
functioneert. Tekortkomingen die op zichzelf beschouwd onvoldoende
ernstig zijn, kunnen tezamen door hun veelvuldigheid voldoende zijn
om tot ongeschiktheid te concluderen. De ambtenaar moet tijdig op
zijn gedrag en de ongewenstheid daarvan zijn gewezen en een reële
kans hebben gekregen om zijn functioneren aan te passen. Voor zover
nodig dient hem daarbij begeleiding te worden geboden (CRvB 11 mei
2000, TAR 2000, 91, CRvB 6 maart 2003, TAR 2003, 116 en CRvB 13 juli
2006, TAR 2007, 3). Er dienen realiseerbare wensen tot verbetering
of verandering te zijn uitgesproken, die door de ambtenaar niet zijn
gehaald. Het niet realiseren van de nagestreefde verbeteringen moet
de ambtenaar kunnen worden toegerekend. Verder dient er sprake te
zijn van een structureel karakter van het disfunctioneren waarvan
niet te verwachten valt dat dit kan worden bijgesteld (Zie Aspecten
van ambtenarenrecht, H.S.P. Stuiver, Nijmegen 2007, p. 118- 122).
Dat rechterlijke ambtenaren voor het leven zijn benoemd, brengt niet
met zich dat zij in verdergaande mate beschermd zijn tegen
ongeschiktheidsontslag dan andere ambtenaren. Zolang het niet gaat
om de inhoud van de rechterlijke beslissingen, maar om het ontbreken
van competenties, valt niet in te zien waarom voor de rechterlijk
ambtenaar andere eisen zouden gelden dan voor andere ambtenaren. De
benoeming voor het leven is een van de in de wet opgenomen
waarborgen voor de onafhankelijkheid van de rechter ten opzichte van
andere staatsorganen (art. 117 Grw). De rechter dient in toereikende
mate te zijn afgeschermd van druk van buitenaf (zie MvT Wet
organisatie en bestuur gerechten, TK 1999-2000, 27 181, nr. 3, p.
36). Een andere waarborg voor de rechterlijke onafhankelijkheid is
dat het toezicht op de ambtsvervulling is opgedragen aan leden van
de rechterlijke macht zelf (116 lid 4 Grw). Het gerechtsbestuur, dat
bestaat uit een voorzitter, de sectorvoorzitters en een
niet-rechterlijk lid (zie art. 14 lid 1 RO), draagt onder meer zorg
voor de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze
van het gerecht en voor personeelsaangelegenheden (art. 23 lid 1 RO).
De bevoegdheden van het gerechtsbestuur gaan niet zover dat de
individuele rechter beperkt wordt in zijn vrijheid een zaak op een
bepaalde wijze te behandelen en te beslissen. Dit blijkt onder meer
uit art. 23 lid 2 RO waarin is bepaald dat het bestuur niet treedt
in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling
van alsmede de beslissing in een concrete zaak of categorieën van
zaken (zie ook art. 24 lid 2 RO). De rechter kan echter wel worden
aangesproken op overige aspecten van zijn ambtsvervulling. Indien de
rechterlijke onafhankelijkheid met zich mee zou brengen dat een
rechter niet zou kunnen worden aangesproken op deze overige aspecten
van zijn ambtsvervulling, zouden rechters niet door middel van
personele maatregelen kunnen worden gecorrigeerd in geval zij met
betrekking tot die aspecten tekortschieten. Dit zou uit een oogpunt
van kwaliteit van de rechtspleging onaanvaardbaar zijn. De
rechterlijke macht heeft de verantwoordelijkheid ervoor zorg te
dragen dat rechtzoekenden een kwalitatief goede rechtsgang wordt
geboden waarin door capabele rechters over hun zaken wordt
geoordeeld en beslist. (zie Het Rapport Hoog Edel Aanspreekbaar van
de werkgroep aanspreekbaarheid van rechters, in opdracht van het
programma Versterking Rechterlijke Organisatie, Project bestuur
gerechten, november 2000, p. 9 en D. Allewijn en A.F.M.
Brenninkmeijer, De aanspreekbaarheid van de rechter, Trema mei 2002,
Special Hoog Edel Aanspreekbaar, p. 262 e.v.).
Naar mijn mening is - mede gelet op het oordeel van de
Adviescommissie - voldoende komen vast te staan dat betrokkene
ongeschikt is voor het verrichten van haar taak, anders dan wegens
ziekte. Uit het personeelsdossier blijkt niet alleen dat betrokkene
volgens verschillende beoordelaars structureel tekortschiet in
kwantitatieve zin, maar ook dat zij tekortschiet in het leveren van
juridische bijdragen in raadkamer en in het leiden van zittingen. In
verschillende evaluatiegesprekken komt naar voren dat betrokkene
onzeker is en niet besluitvaardig. Verder blijkt uit de stukken dat
betrokkene vaak afwezig was en onbereikbaar en dat zij gemaakte
afspraken niet nakwam. Ook het collegiale verkeer verloopt niet
goed. Ten slotte is publiekelijk bekend geworden dat betrokkene een
alcoholprobleem had (of heeft) en dat zij zichzelf en haar woning
verwaarloosde. Namens betrokkene is erop gewezen dat betrokkene
tijdens de re-integratieperiode bij de Rechtbank [E] nog
gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Hoewel uit de stukken niet
blijkt in hoeverre haar prestaties hierdoor zijn beïnvloed en in
hoeverre hiermee bij haar beoordeling rekening is gehouden, kunnen
de gegevens van deze re-integratieperiode mijns inziens toch worden
meegewogen in die zin dat daaruit blijkt dat het beeld dat bij de
Rechtbank [A] gedurende jaren is ontstaan, bij de Rechtbank [E]
bevestigd is. Ik zie niet in waarom dit, zoals namens betrokkene
naar voren is gebracht, juridisch onhoudbaar zou zijn.
In het voor de rechterlijke functie opgestelde competentieprofiel
van de Rechtbank [A] is opgenomen dat de rechter aanspreekbaar is op
het aantal zaken dat hij verwerkt en dat de rechter in overleg met
de sectorcoördinator en in samenwerking met de ondersteuning ervoor
dient zorg te dragen dat de juridisch-administratieve werkprocessen
volgens schema verlopen, zodat de zaken tijdig behandeld worden.
Oordeelsvorming en zelfvertrouwen worden in dit profiel genoemd als
benodigde competenties. De rechter moet in staat zijn de behandeling
ter zitting te leiden en hij moet kunnen zorgen voor een vlotte
afhandeling van de zitting. Verder moet de rechter, ook in periodes
van hoge werkdruk, zorg dragen voor een goede balans tussen een hoog
productietempo enerzijds en de zorg voor de kwaliteit van de
beslissing anderzijds. Deelname aan de meervoudige kamer vraagt van
de individuele rechter het vermogen zijn mening op heldere en
overtuigende wijze aan collega’s over te dragen, alsmede de
bereidheid om zich door collega’s op basis van argumenten te laten
overtuigen. Genoemde competenties zijn ook naar mijn oordeel
noodzakelijk voor het goed kunnen verrichten van de functie van
rechterlijk ambtenaar. De stelling van betrokkene dat de basis van
het rechtersvak slechts bestaat uit het doen van uitspraken en dat
de kritische punten die uit het personeelsdossier naar voren komen
niet raken aan deze basis, deel ik niet. Bovendien blijkt ook uit de
Memorie van Toelichting bij de voorloper van art. 46l Wrra, art. 12
(oud) RO, dat de wetgever bij het invoeren van de ontslaggrond
“ongeschiktheid anders dan door ziekte” niet alleen het oog had
op rechterlijke ambtenaren die tekortschieten in juridische kennis
of vaardigheden of niet in staat zijn vonnissen te redigeren, maar
ook op rechters die niet goed in staat zijn deel te nemen aan een
onderzoek ter terechtzitting of anderszins de geschiktheid missen
voor de uitoefening van het ambt van rechter (TK 1969-1970, 10 808,
nr. 3, p. 22).
Namens betrokkene is naar voren gebracht dat zij van de Rechtbank
meer empathie had verwacht, maar mijns inziens kan niet gezegd
worden dat de Rechtbank onzorgvuldig heeft gehandeld of in de
procedure onjuiste stappen heeft genomen. De stelling dat de
Rechtbank de Hoge Raad op de voet van art. 46k Wrra had kunnen
verzoeken om aan de betrokkene een andere taak op te dragen, is
onjuist omdat het opdragen van een andere taak door de Hoge Raad
slechts mogelijk is indien het gaat om een rechterlijk ambtenaar die
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
Hiervan is in ieder geval sinds 20 augustus 2008 geen sprake bij
betrokkene. Vanaf die datum is zij volledig hersteld gemeld. Tijdens
de hoorzitting van de Adviescommissie heeft betrokkene aangegeven
dat zij zichzelf ook volledig arbeidsgeschikt acht. Voor zover wordt
gesteld dat de Rechtbank een dergelijk verzoek had moeten indienen
in de periode van 14 april 2006 tot 23 april 2007 (de periode
waarvan achteraf is vastgesteld dat betrokkene arbeidsongeschikt
was), wijs ik erop dat pas op 10 april 2007 is komen vast te staan
dat betrokkene arbeidsongeschikt was wegens ziekte. Direct na de
melding van de bedrijfsarts d.d. 23 april 2007 dat betrokkene weer
in staat was voor drie dagdelen per week haar werk te hervatten,
heeft de Rechtbank geprobeerd een rechtbank te vinden waar
betrokkene kon re-integreren. Van 9 juli 2007 tot 21 september 2007
is betrokkene opgenomen geweest en vanaf 6 november 2007 tot 15 mei
2008 is zij werkzaam geweest bij de Rechtbank [E]. De Rechtbank kan
dan ook niet verweten worden dat zij de Hoge Raad tijdens de periode
van arbeidsongeschiktheid niet heeft verzocht aan de betrokkene een
andere taak op te dragen. Bovendien bestaat er geen verplichting tot
het indienen van een dergelijk verzoek.
Betrokkene is door de Rechtbank tijdig gewezen op haar gedrag en de
ongewenstheid daarvan en zij is voldoende in de gelegenheid gesteld
om aan te tonen dat zij haar functioneren kon verbeteren. Zij heeft
externe begeleiding gekregen, is minder gaan werken, is diverse
keren overgeplaatst naar een andere sectie en heeft ook een periode
bij een andere rechtbank gewerkt. Dit alles heeft onvoldoende
resultaat gehad. Mijns inziens blijkt uit de stukken dat het
disfunctioneren van betrokkene een structureel karakter heeft. Het
is niet te verwachten dat betrokkene in de toekomst in staat zal
zijn haar functioneren voldoende te verbeteren. De omstandigheid dat
sprake is (geweest) van moeilijke situaties in het privéleven van
betrokkene, heeft haar functioneren wellicht nadelig beïnvloed,
maar is geen reden om tot een andere conclusie te komen dan dat
betrokkene niet geschikt is voor het verrichten van haar taak als
rechterlijk ambtenaar. Ik zie mij dan ook genoodzaakt het ontslag
van betrokkene te vorderen.
Ingevolge art. 46n lid 1 Wrra kan de Hoge Raad ingeval van een
ontslag op de voet van art. 46l Wrra een voorziening treffen waarbij
de rechterlijk ambtenaar een uitkering wordt verleend die naar het
oordeel van de Hoge Raad met het oog op de omstandigheden redelijk
is te achten.
Ten aanzien van de hoogte en duur van deze voorziening zie ik geen
reden om af te wijken van het voor de betrokkene geldende totaal van
uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het
krachtens art. 54 lid 2 Wrra getroffen besluit bovenwettelijke
uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, als ware
als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid
als bedoeld in art. 24 Werkloosheidswet. Een door
[...]-administraties B.V. opgestelde pro-forma berekening van deze
naastwettelijke werkloosheidsuitkering heb ik als bijlage bij deze
vordering gevoegd.
Vordering
Op grond van het voorafgaande ben ik van oordeel dat ten aanzien van
betrokkene is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag op
grond van ongeschiktheid voor het verrichten van het rechterlijk
ambt, anders dan wegens ziekte.
De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde
inventarislijst.
Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad [betrokkene] op
de voet van artikel 46l lid 1 onder a Wrra zal ontslaan met ingang
van 1 januari 2010 en haar op grond van artikel 46n Wrra een
uitkering zal toekennen waarvan de hoogte gelijk is aan het voor de
rechterlijk ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op
basis van de Werkloosheidswet en een krachtens art. 54 lid 2 Wrra
getroffen besluit terzake van werkloosheid, als ware als gevolg van
het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in
art. 24 Werkloosheidswet.
’s-Gravenhage, 15 oktober 2009
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Overheid & werknemer, ziekteverzuim, re-integratieprojecten, ontslag, concurrentiebeding en rechtspraak
AvR
Verzoekschrift om lidstaat Nederland te gelasten de werking van de Nederlandse Grondwet direct te schorsen
111
Waar de overheid enkeling niet beschermt in zijn vrijheid tegen de meerderheid zien we onderdrukking en dictatuur
109
Voor iedere topcrimineel is het van 't grootste belang dat hij in de publiciteit niet in zijn ware gedaante wordt geportretteerd"
134
Verzonnen verhalen over ouders kenmerk jeugdzorg en RvdK voor meer subsidie en kinderbeschermingsmaatregelen
Wat is het verschil tussen 107.000+ kindermishandelingen in "jeugdzorg PR-campagnes"
en het daadwerkelijke aantal veroordelingen van ouders wegens het plegen van kindermishandeling ieder jaar opnieuw?
334
Kritiek op rechtspraak via politiek kanaliseren dus infiltratie rechterlijke macht in het Ministerie van Justitie
468
Wat doet een informatiebewerker bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken?
414
Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden geeft inzicht in werkwijze OM en politie en opslaan gegevens over burgers
688
STASI NEDERLAND! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten houden door invoering van kilometerheffing
623
Van alle electronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar Justitiële Informatiedienst (JustID) Almelo
300
Liegen en bedriegen norm voor overheid/rechtspraak om burgers te demoniseren, kritiek op overheid zelf te onderdrukken
745
Burgers kansloos tegen RvdK en jeugdzorg omdat kinderrechters weigeren aan neutrale waarheidsvinding te doen
003
Zolang ouders zich alleen richten op procedures "zonder samenwerking met gezinsvoogd" is er geen vooruitgang mogelijk
OMR
Omroep Gelderland 180608 Alles uit de kast, informatieve TV uitzending over het wraken van de kinderrechter
125
ONBEVOEGD UITSCHRIJVEN KIND UIT GEMEENTE DOOR "JEUGDZORG"! Bezwaar- en beroep GEGROND verklaard
419
Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 1!
555
Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 2!
470
Ongelijke doorlooptijden procedures ouders tegen RvdK/jeugdzorg representatief voor Nederlandse rechtspraak
557
Politiek gekonkel, handjeklap rechtersleger met gemeente! Pikmeer I, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
558
Politiek gekonkel, handjeklap rechtersleger met gemeente! Pikmeer II, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
655
Reactie rancuneuze jeugdzorg medewerker die in de bezwaarcommissie zit en zelf in hoger beroep een zaakje verliest
212
Moszkowicz sr: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft gevangen in gesubsidieerde voogdij
UWV
Stichting UWV LEED komt op voor burgers die problemen hebben met uitkeringsinstantie UWV
569
Opschorting behandeling lopende procedures startende zelfstandigen tegen UWV
379
Alleen Groep Hop ging NIET AKKOORD met betaling LOSGELD per gekozen raadslid aan de Ermelose CDA-PR commissie
383
Farizeeërs gesignaleerd bij CHRISTELIJK college Groevenbeek, Ermelose ondernemingsvereniging, Stichting Pinel
406
De ontwikkeling van Nederland als informatie samenleving cruciaal voor arbeidsproductiviteit en sociale cohesi
352
Bent u ziek? Verzuimverzekeraar die als arbodienst fungeert rekent op medeplichtigheid werkgever
192
Jaarverslag 2005 Nederlands Instituut van Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen
160
Moszkowicz sr. waarschuwt Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest
195
Klacht gegrond met Hop als gemachtigde tegen Mw Drs C. Snijder pedagoog PAR Amsterdam. Maatregel waarschuwing!
322
Klacht gegrond tegen psychiater in de zaak van vader H. met Hop als gemachtigde tegen GGZ Drenthe
285
Bedrijfsleven! Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw?
389
Openbaar Ministerie" probeert namen, initialen, functies en bijbaantjes van OM-ambtenaren geheim te houden
005
Bedrijfsleven! Procederen tegen het Openbaar Ministerie met K.H. de Werd na problemen met werknemers van de vakbond
283
Overheid! Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam een waarschuwing voor anderen die tegen gemeente procederen
680
Overheid! Om het systematisch klagen met Hop tegen jeugdzorg te voorkomen werd met spoed klacht wetgeving aangepast
104
Overheid! Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur
278
Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 1-3
296
Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 4-8
297
Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 9-10
572
Ad Bos verklapte in 2001 het geheim van de bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland
334
Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet
020
Wat zijn de kansen van de gemiddelde Nederlander die door de overheid wordt gedwarsboomd en getreiterd?
422
Commando's winnen strijd om behoud van de groene baret tegen bevelhebber KL Marcel Urlings en zijn patrol kleurige baret!
top
Censuur in Nederland ©
Stem Groep Hop in 2014