CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

WET van 22 april 2004, houdende regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is een wettelijke aanspraak op jeugdzorg voor zover daarop geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, te vestigen, een samenhangend aanbod van jeugdzorg te realiseren, dat aansluit op de behoefte, de toegang tot de jeugdzorg alsmede de bekostiging van de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat opnieuw te regelen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Ministers: Onze Minister voor Jeugd en Gezin en Onze Minister van Justitie tezamen;

b. jeugdige: een in Nederland verblijvende persoon die:

1ļ. de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt,

2ļ. de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

3ļ. de meerderjarigheidsleeftijd doch niet de leeftijd van drieŽntwintig jaren heeft bereikt, en voor wie voortzetting van jeugdzorg, die was aangevangen of waarvan de aanvraag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, was ingediend vůůr het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, noodzakelijk is of voor wie, na beŽindiging van jeugdzorg die was aangevangen vůůr het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, binnen een termijn van een half jaar hervatting van jeugdzorg noodzakelijk is;

c. jeugdzorg: ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen, die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen;

d. cliŽnt: een jeugdige, zijn ouders of stiefouder of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden;

e. bureau jeugdzorg: een bureau als bedoeld in artikel 4;

f. stichting: een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt;

g. zorgaanbieder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die jeugdzorg verleent, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;

h. aanbieder van zorg: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, die andere zorg verleent dan die, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;

i. zorgeenheid: een organisatie-eenheid, waarbinnen een zorgaanbieder een afgebakend geheel aan jeugdzorg verleent;

j. machtiging: een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid;

k. hulpverleningsplan: het plan, bedoeld in artikel 24, tweede lid;

l. accommodatie: een accommodatie als bedoeld in artikel 29k, eerste lid;

m. steunfunctie: een aanbod van ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de stichting en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;

n. experiment: het ontwikkelen en in de praktijk beproeven van nieuwe en het verbeteren van bestaande methoden, werkvormen of hulpmiddelen ten behoeve van het functioneren van bureaus jeugdzorg en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;

o. inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 47;

p. kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel;

q. provinciaal beleidskader: het provinciale beleidskader jeugdzorg, bedoeld in artikel 31, eerste lid;

r. uitvoeringsprogramma: het provinciale programma, bedoeld in artikel 32, eerste lid;

s. landelijk beleidskader: het landelijke beleidskader jeugdzorg, bedoeld in artikel 34, eerste lid;

t. voortgangsrapportage: de voortgangsrapportage jeugdzorg, bedoeld in artikel 36, eerste lid;

u. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

v. ouderbijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 69;

w. eigen bijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 70;

x. pleegouder: degene die in het kader van jeugdzorg een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt;

y. verwerken van persoonsgegevens: verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet bescherming persoonsgegevens;

z. vertrouwenspersoon: een persoon werkzaam bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41, vierde lid, die, onafhankelijk van het bestuur en van personen in dienst van de stichting of de zorgaanbieder, cliŽnten van het door de stichting in stand gehouden bureau jeugdzorg of van de zorgaanbieder op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de geboden jeugdzorg;

aa. landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen: het bureau, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Artikel 2

Indien een provinciebestuur de bevoegdheden inzake de uitvoering van zijn taken in het kader van de jeugdzorg heeft overgedragen aan het bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam, onderscheidenlijk ‘s-Gravenhage deel uit maakt, wordt dat bestuur voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met het provinciebestuur.

Hoofdstuk II. Aanspraken op jeugdzorg

Artikel 3

1. CliŽnten, behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Ingevolge deze wet bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. Onder vreemdeling wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.

2. Gedeputeerde staten van de provincie waarin de jeugdige voorafgaand aan de aanvang van de jeugdzorg, duurzaam verblijft, dragen ervoor zorg dat cliŽnten hun aanspraak op jeugdzorg als bedoeld in het eerste lid, tot gelding kunnen brengen.

3. Een cliŽnt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliŽnt op die zorg is aangewezen. Met een zodanig besluit wordt gelijk gesteld een beslissing van de rechter als bedoeld in artikel 261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede een beslissing van de rechter in het kader van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de rechter de veroordeelde elders doet opnemen, een beslissing van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen en een beslissing van de directeur als bedoeld in artikel 31 van die wet, bij welke beslissing jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt opgelegd of als voorwaarde wordt gesteld.

4. Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt het besluit. Indien de duur van de machtiging korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, wordt die termijn gelijk aan de duur van de machtiging.

5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit, bedoeld in het derde lid, niet afgewacht kan worden. Daarbij kan worden afgeweken van het derde lid.

6. Een cliŽnt kan zijn aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet uitsluitend tot gelding brengen bij een zorgaanbieder die tot dat doel van de provincie subsidie ontvangt.

7. In afwijking van het zesde lid kan een cliŽnt zijn aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet tot gelding brengen bij een zorgaanbieder, die tot dat doel door een andere provincie dan die jegens welke de cliŽnt aanspraak heeft, wordt gesubsidieerd, indien de cliŽnt op jeugdzorg is aangewezen die slechts kan worden geboden door een zorgaanbieder wiens aanbod gericht is op jeugdzorg die zodanig gespecialiseerd is of vanuit een zodanige levensbeschouwelijke achtergrond wordt geboden, dat gezien de omvang van de doelgroep niet verwacht mag worden dat iedere provincie subsidie verstrekt voor deze zorg. Gedeputeerde staten van een provincie die geen zorgaanbieder als bedoeld in de eerste volzin subsidie verstrekken, voldoen aan de verplichting van het tweede lid door het aangaan van een schriftelijke overeenkomst met de provincie die aan die zorgaanbieders subsidie verstrekt. Deze overeenkomst legt in ieder geval vast op welke wijze de kosten worden verrekend.

8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van het eerste lid, eerste volzin, de aanspraken ingevolge deze wet, zo nodig in afwijking van artikel 11 van de Vreemdelingenwet 2000, voor bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aan te geven categorieŽn rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen worden beperkt, gelet op de aard, de plaats of de verwachte duur van hun verblijf.

9. In afwijking van het eerste lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000, de aanspraken ingevolge deze wet geheel of gedeeltelijk worden uitgebreid tot bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aan te geven categorieŽn niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Een zodanige aanspraak geeft een vreemdeling geen recht op rechtmatig verblijf.

Hoofdstuk III. De stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 4

1. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat in de provincie ťťn bureau jeugdzorg werkzaam is, dat in stand wordt gehouden door een stichting als bedoeld in artikel 285 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die door de provincie wordt gesubsidieerd.

2. De stichting heeft als doel het in stand houden van een bureau jeugdzorg dat de in deze wet aan de stichting opgedragen taken vervult. De stichting kan naast het in stand houden van een bureau jeugdzorg slechts ten doel hebben het verlenen van jeugdzorg, niet zijnde zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het geven van voorlichting en advies over opgroei- en opvoedingsvragen en vragen van jeugdigen over hun juridische positie voor zover gedeputeerde staten toestemming hebben verleend. Gedeputeerde staten verlenen geen toestemming dan na overleg met het betrokken college van burgemeester en wethouders.

3. Indien het bestuur van de stichting wordt gevormd door de leiding van het bureau jeugdzorg, voorzien de statuten in een raad van toezicht, die tot taak heeft toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting. De raad van toezicht heeft de bevoegdheid tot het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur.

4. De bestuursleden en de leden van de raad van toezicht van de stichting, alsmede de leiding van het bureau vervullen geen functie bij een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zorg aanbiedt als bedoeld in artikel 5, tweede lid. Zij hebben evenmin een functie die betrekking heeft op die zorg bij de desbetreffende provincie, een gemeente binnen die provincie of een zorgverzekeraar. De stichting voorziet in waarborgen voor een onafhankelijke taakuitoefening door de personen die de in artikel 5 genoemde taken uitvoeren.

5. Gedeputeerde staten kunnen, indien de juiste uitvoering van de in de wet aan de stichting opgedragen taken in gevaar komt ten gevolge van handelen of nalaten van het bestuur of van leden van de raad van toezicht, bestuursleden of leden van de raad van toezicht van de stichting schorsen of ontslaan, of tijdelijk voorzien in de leiding van het bureau jeugdzorg.

Paragraaf 2. Taken

Artikel 5

1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliŽnt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliŽnt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

2. Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliŽnt is aangewezen op:

a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,

b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat,

c. [Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]

3. De stichting oefent de taak, bedoeld in het eerste lid, uit op verzoek van een cliŽnt of uit eigen beweging.

4. Uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het eerste lid, is dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling van een jeugdige dient en aansluit bij de behoefte van de cliŽnt. Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en wordt geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliŽnt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode.

5. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen op grond van die wet tegen beschikkingen, gegeven op grond van artikel 5, tweede lid, of artikel 6, vierde lid, bevoegd de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de stichting haar zetel heeft.

Artikel 6

1. Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, geeft zij daarbij in ieder geval:

a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliŽnt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;

b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel;

c. de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen;

d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht;

e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.

2. In het besluit geeft de stichting aan of coŲrdinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coŲrdinatie het beste kan uitvoeren.

3. Door het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, of indien een aanspraak niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder d, tot gelding is gebracht, vervalt de aanspraak.

4. De aanspraak vervalt voorts indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliŽnt niet langer is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van totstandkoming daarvan, alsmede omtrent het vierde lid.

Artikel 7

1. Aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, ligt een aanvraag van een cliŽnt ten grondslag.

2. Indien de zorg betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de cliŽnt waarop de aanvraag betrekking heeft.

3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die jonger is dan twaalf jaren of ouder dan twaalf jaren en niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger.

4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, behoeft de aanvraag de instemming van de minderjarige en diens wettelijke vertegenwoordiger. Indien de wettelijke vertegenwoordiger weigert in te stemmen met de aanvraag, kan de stichting in afwijking van de eerste volzin, een besluit nemen indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is en de minderjarige de zorg weloverwogen blijft wensen.

5. In afwijking van het tweede lid kan de stichting op een aanvraag van de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige, die ouder is dan twaalf jaren, maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, en die weigert in te stemmen met de aanvraag, een besluit nemen, indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is.

6. In afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een aanvraag daartoe, indien:

a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d;

b. het besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming;

c. het besluit strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder en een machtiging wordt verzocht.

Artikel 8

1. Indien de stichting van oordeel is dat zorg, niet zijnde zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, noodzakelijk is om een voor een jeugdige bedreigende situatie te voorkomen, legt de stichting ten behoeve van de cliŽnt schriftelijk vast welke zorg zij noodzakelijk acht. Zij geeft daarbij in ieder geval:

a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliŽnt en de mogelijke oorzaken daarvan;

b. de mate waarin deze een bedreigende situatie voor de jeugdige kunnen veroorzaken;

c. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg;

d. een advies wie de benodigde zorg kan verlenen.

2. Bij de vastlegging geeft de stichting aan of coŲrdinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coŲrdinatie het beste kan uitvoeren.

Artikel 9

1. De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden.

2. Zodra de stichting tot het oordeel komt dat een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden, stelt zij de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis.

Artikel 10

1. De stichting heeft bovendien tot taak:

a. het, met uitsluiting van andere rechtspersonen en onverminderd artikel 302, tweede lid, en artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, uitoefenen van de voogdij en de voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of de voorlopige voogdij op grond van andere wetten;

b. het, met uitsluiting van andere rechtspersonen en onverminderd artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, uitoefenen van de taak, genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

c. het geven van de in artikel 77f, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde aanwijzingen, dan wel het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 77j, vierde en vijfde lid, 77o, eerste lid, 77s, achtste lid, 77aa, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht of in artikel 493, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, en de daarop aansluitende nazorg, alsmede het geven van begeleiding als bedoeld in artikel 77hh, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

d. het, met uitsluiting van anderen, begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, of aan wie proefverlof als bedoeld in artikel 31 van die wet is verleend, alsmede de overige taken die bij of krachtens die wet aan de stichting zijn opgedragen.

e. het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling;

f. het actief bijstaan van een cliŽnt en het zo nodig motiveren van een cliŽnt tot het tot gelding brengen van zijn aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid;

g. het, met uitsluiting van anderen, bevorderen dat degenen bij wie een aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tot gelding wordt gebracht, een samenhangend hulpverleningsplan tot stand brengen dat is afgeleid van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid;

h. het volgen van de verleende zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het bijstaan van de cliŽnt bij vragen omtrent de inhoud van deze zorg, alsmede de evaluatie van deze zorg;

i. het adviseren van de cliŽnt omtrent zorg die na beŽindiging van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, nodig is en het bijstaan van de cliŽnt bij het verkrijgen van deze zorg;

j. het in gevallen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, bijstaan van een cliŽnt bij het verkrijgen van zorg, zo nodig motiveren van een cliŽnt tot het gebruik maken van zorg, en volgen van deze zorg.

2. De stichting neemt bij de uitoefening van de in het eerste lid, onder c, bedoelde taken de aanwijzingen van de raad voor de kinderbescherming in acht. Bij de uitoefening van de in het eerste lid, onder d, bedoelde taken neemt de stichting de aanwijzingen van Onze Minister van Justitie, van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 1, onder aa, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, dan wel van de directeur, bedoeld in artikel 1, onder h, van die wet, in acht.

3. De stichting heeft binnen de door de provincie bij de subsidiŽring gestelde grenzen voorts tot taak:

a. het advies geven aan en, het bijdragen aan de deskundigheidsbevordering van en het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen, waaronder in elk geval het onderwijs, ter versterking van deze algemene voorzieningen en ter bevordering van vroegtijdige signalering van problemen bij jeugdigen die tot zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, zouden kunnen leiden;

b. het verlenen van ambulante jeugdzorg anders dan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid , nadat de stichting heeft vastgesteld dat de cliŽnt niet is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid;

c. het door vrijwilligers per telefoon laten adviseren van jeugdigen over door hen telefonisch voorgelegde vragen of problemen.

Artikel 11

1. Het fungeren als een advies- en meldpunt kindermishandeling houdt, onverminderd de taken van de raad voor de kinderbescherming, de uitoefening van de volgende taken in:

a. het naar aanleiding van een melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, onderzoeken of sprake is van kindermishandeling;

b. het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft;

c. het binnen het bureau jeugdzorg overdragen van een zaak ten behoeve van de uitvoering van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde taak;

d. het in kennis stellen van andere justitiŽle autoriteiten van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de minderjarige dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft, daartoe aanleiding geeft;

e. het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn ondernomen.

2. Het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling houdt bovendien in het verstrekken van advies aan een persoon die een vermoeden van kindermishandeling heeft over de stappen die door hem in verband hiermee kunnen worden ondernomen en het zonodig ondersteunen daarbij.

Artikel 12

De stichting heeft verder tot taak aan het landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen onverwijld schriftelijk mededeling te doen van de aanvang en beŽindiging van jeugdzorg waarvoor een ouderbijdrage verschuldigd is. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage. De mededeling wordt gedaan met gebruikmaking van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.

Paragraaf 3. Kwaliteit

Artikel 13

1. De stichting legt de wijze waarop het bureau jeugdzorg de in de wet aan haar opgedragen taken uitvoert schriftelijk vast. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven hoe de werkzaamheden in verband met deze taken zijn afgezonderd van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, tweede volzin. Tevens wordt daarbij geregeld op welke wijze wordt gewaarborgd dat persoonsgegevens, waaronder bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens, die door het bureau worden verwerkt, slechts worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn verzameld of voor zover het verwerken met dat doel verenigbaar is, alsmede hoe daarop wordt toegezien.

2. De stichting draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering door het bureau jeugdzorg van de in deze wet aan de stichting opgedragen taken hetgeen in ieder geval een doeltreffende, doelmatige en cliŽntgerichte uitvoering inhoudt.

3. Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de taken worden uitgevoerd op basis van een plan dat is afgestemd op de behoeften van de cliŽnt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliŽnt.

4. De stichting organiseert de uitvoering van deze taken op zodanige wijze en voorziet het bureau jeugdzorg daartoe zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt, of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde uitoefening van deze taken.

5. Het uitvoeren van het vierde lid omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van de taken.

6. Ter uitvoering van het vijfde lid draagt de stichting zorg voor:

a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de uitvoering van de taken;

b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van het vierde lid leidt tot een verantwoorde uitvoering van de taken;

c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zonodig veranderen van de wijze waarop het vierde lid wordt uitgevoerd.

7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de deskundigheden waarover de stichting moet beschikken en kunnen regels worden gesteld over de deskundigheid waarover bij de stichting werkzame personen moeten beschikken om een verantwoorde uitvoering van de taken te kunnen realiseren. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent de samenwerking van de stichting met de raad voor de kinderbescherming en de werkwijze van de stichting bij de uitoefening van de in de artikelen 5, eerste lid, en 10, eerste lid, genoemde taken. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bovendien regels gesteld omtrent de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de persoon die de kindermishandeling of een vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de andere onderwerpen, genoemd in het vierde lid, en omtrent het eerste lid. Deze regels kunnen voor de verschillende taken verschillend zijn.

8. De stichting wijst ten aanzien van een cliŽnt een contactpersoon aan. De contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliŽnt gedurende de gehele periode waarin de stichting een van haar wettelijke taken ten aanzien van de cliŽnt uitoefent. De contactpersoon bevordert de continuÔteit in de taakuitvoering van het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliŽnt en is de persoon die de cliŽnt in voorkomende gevallen jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, verleent. Zo mogelijk wijst de stichting bij de taakuitvoering ten aanzien van de cliŽnt in volgende gevallen dezelfde contactpersoon aan.

Artikel 14

1. De stichting legt jaarlijks vůůr 1 juni een verslag ter openbare inzage, waarin zij verantwoording aflegt van het beleid dat zij in het afgelopen kalenderjaar heeft gevoerd ter uitvoering van artikel 13, tweede, vierde en vijfde lid en van de regels gesteld krachtens artikel 13, zevende lid, alsmede van de kwaliteit van de uitvoering van haar taken.

2. In dat verslag geeft zij daartoe onder meer aan:

a. op welke wijze zij cliŽnten bij haar kwaliteitsbeleid heeft betrokken;

b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de stichting kwaliteitsbeoordeling heeft plaats gevonden en het resultaat daarvan;

c. welk gevolg zij heeft gegeven aan klachten en meldingen over de kwaliteit van de uitvoering van haar taken.

3. De stichting zendt een afschrift van het verslag aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie, de raad voor de kinderbescherming en aan de inspectie, alsmede aan de cliŽntenorganisaties, bedoeld in artikel 30, derde lid.

Artikel 15

De stichting gaat bij de uitoefening van haar taken uit van de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van de cliŽnt.

Artikel 16

1. Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de stichting deze wet of de daarop berustende bepalingen niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze naleeft, kunnen zij de stichting een schriftelijke aanwijzing geven.

2. In de aanwijzing geven gedeputeerde staten met redenen omkleed aan op welke punten deze wet of de daarop berustende bepalingen niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

3. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de stichting er aan moet voldoen.

4. Gedeputeerde staten doen van een aanwijzing mededeling aan de inspectie.

5. Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor een ernstige aantasting van de belangen van de cliŽnten redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de ingevolge artikel 47 met het toezicht belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven, waarvan afschrift wordt gezonden aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door gedeputeerde staten kunnen worden verlengd.

6. De stichting is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan de aanwijzing onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen.

7. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de uit een krachtens het eerste onderscheidenlijk vijfde lid gegeven aanwijzing, onderscheidenlijk bevel, voortvloeiende verplichtingen.

Artikel 17

Onze Ministers kunnen gedeputeerde staten aanwijzingen geven omtrent de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in artikel 16, eerste of zevende lid, indien gedeputeerde staten nalatig zijn in de uitoefening ervan.

Hoofdstuk IV. Zorgaanbod

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 18

1. Een zorgaanbieder is een in de Europese Economische Ruimte gevestigde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die zich blijkens zijn statuten ten doel stelt het bieden van een of meer vormen van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.

2. Een zorgaanbieder kan, in afwijking van het eerste lid, een natuurlijke persoon zijn, voor zover het een beroepsbeoefenaar betreft die is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Artikel 19

Een zorgaanbieder bij wie een cliŽnt zijn aanspraak op jeugdzorg tot gelding kan brengen verleent hem deze zorg waarop deze aanspraak heeft, tenzij de zorgaanbieder de cliŽnt kan aantonen dat het verlenen van die zorg niet binnen de grenzen van de aan de zorgaanbieder verleende subsidie mogelijk is.

Artikel 20

Een zorgaanbieder en een aanbieder van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c, doen aan de stichting die heeft vastgesteld dat een cliŽnt is aangewezen op zorg, mededeling van de aanvang en de beŽindiging van de zorg. Zij houden de stichting op de hoogte van de voortgang van de zorg, verschaffen de stichting de gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de zorg en werken mee aan deze evaluatie.

Artikel 21

1. Indien het een zorgaanbieder bekend is geworden dat een persoon die bij hem werkzaam is zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan kindermishandeling, doet die zorgaanbieder hiervan onverwijld melding aan de stichting in verband met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e.

2. Indien een persoon die werkzaam is bij een zorgaanbieder bekend is geworden dat een bij die zorgaanbieder werkzame andere persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan kindermishandeling, stelt hij die zorgaanbieder daarvan onverwijld in kennis.

Paragraaf 2. Pleegzorg

Artikel 22

1. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, draagt er voor zorg dat de verzorging en opvoeding van een jeugdige door een pleegouder geschiedt op basis van een pleegcontract tussen hem en de pleegouder, dat voldoet aan daaraan door Onze Ministers te stellen eisen.

2. Bij ministeriŽle regeling worden eisen gesteld met betrekking tot pleegouders.

Artikel 23

1. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, verstrekt aan een pleegouder waarmee hij een pleegcontract heeft gesloten een subsidie voor de opvoeding en verzorging van de in het gezin van de pleegouder geplaatste jeugdige, bestaande uit een door Onze Ministers vast te stellen basisbedrag, dat voor te onderscheiden leeftijdscategorieŽn verschillend kan zijn.

2. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent op het basisbedrag te verlenen toeslagen of op het basisbedrag toe te passen kortingen.

3. De regels, bedoeld in het tweede lid, hebben betrekking op:

a. het basisbedrag en het bedrag van de toeslagen en kortingen en de omstandigheden waaronder deze worden verleend of toegepast;

b. de dagen waarover het basisbedrag en de toeslagen worden verleend en de kortingen worden toegepast.

Paragraaf 3. Kwaliteit

Artikel 24

1. Een zorgaanbieder, niet zijnde een alleen werkende zorgaanbieder als bedoeld in artikel 18, tweede lid, verleent verantwoorde zorg. Onder verantwoorde zorg wordt verstaan: zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en cliŽntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reŽle behoefte van de cliŽnt.

2. Tot verantwoorde zorg behoort in ieder geval dat de zorg die wordt verleend, is gebaseerd op een hulpverleningsplan dat is afgeleid van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

3. Een zorgaanbieder en een aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d, plegen, in verband met het tweede lid, overleg met de stichting omtrent de inhoud van het hulpverleningsplan. Indien aan een cliŽnt door meer dan ťťn zorgaanbieder of aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d, zorg wordt geboden, werken zij zodanig samen dat aan de cliŽnt samenhangende zorg wordt geboden en plegen zij gezamenlijk over het hulpverleningsplan overleg met de stichting. Tijdens het overleg wordt vastgesteld welke zorgaanbieder of aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5 tweede lid, onder b, c of d, belast is met de coŲrdinatie van de totstandkoming van het hulpverleningsplan en de uitvoering daarvan. In het hulpverleningsplan wordt opgenomen welke aanbieder belast is met de coŲrdinatie van de zorg.

4. Voor zover het betreft cliŽnten ten aanzien van wie de stichting een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c of d, uitoefent, is het overleg er tevens op gericht het hulpverleningsplan en het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, op elkaar te doen aansluiten.

5. Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliŽnt vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft waartoe een maatregel van kinderbescherming verplicht, of onderdelen van het hulpverleningsplan als bedoeld in de artikelen 29o tot en met 29r. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, pleegt over het hulpverleningsplan tevens overleg met de betrokken pleegouder. Het hulpverleningsplan wordt vastgesteld vůůr de aanvang van de zorg, doch uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop is komen vast te staan welke aanbieder of zorgaanbieders de zorg waarop de cliŽnt is aangewezen, zal verlenen.

6. Indien de cliŽnt minderjarig is, is in plaats van diens instemming, de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij:

a. jonger is dan twaalf jaren, of

b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, danwel

c. ouder is dan twaalf jaren, maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, en de stichting een besluit heeft genomen met toepassing van artikel 7, vijfde lid.

7. Indien de cliŽnt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is tevens de instemming van de wettelijke vertegenwoordiger vereist tenzij de stichting een besluit heeft genomen met toepassing van artikel 7, vierde lid, tweede volzin.

Artikel 25

1. De zorgaanbieder organiseert de zorgverlening op zodanige wijze, voorziet de zorgeenheid zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde zorg.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de opleidingseisen te stellen aan het personeel werkzaam bij de zorgaanbieder.

3. Voor zover het betreft een zorgaanbieder die jeugdzorg biedt die verblijf van cliŽnten gedurende ten minste een etmaal met zich meebrengt, draagt de zorgaanbieder er tevens zorg voor dat in de zorgeenheid geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de cliŽnten.

Artikel 26

1. Het uitvoeren van artikel 25 omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg.

2. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de zorgaanbieder, afgestemd op de aard en omvang van de zorgeenheid, zorg voor:

a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de zorg;

b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van artikel 25 leidt tot een verantwoorde zorgverlening;

c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zonodig veranderen van de wijze waarop artikel 25 wordt uitgevoerd.

Artikel 27

1. De zorgaanbieder legt jaarlijks vůůr 1 juni per zorgeenheid een verslag ter openbare inzage, waarin hij verantwoording aflegt van het beleid dat hij in het afgelopen kalenderjaar heeft gevoerd ter uitvoering van de artikelen 24 tot en met 26 en van de kwaliteit van de zorg die hij in dat jaar heeft verleend.

2. In dat verslag geeft de zorgaanbieder daartoe onder meer aan:

a. op welke wijze hij cliŽnten bij zijn kwaliteitsbeleid heeft betrokken;

b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de zorgeenheid kwaliteitsbeoordeling heeft plaats gevonden en het resultaat daarvan;

c. welk gevolg hij heeft gegeven aan klachten en meldingen over de kwaliteit van de verleende zorg;

d. het aantal malen dat hij een beslissing heeft genomen tot toepassing van de artikelen 29o, derde lid, 29p, tweede lid, 29q, derde lid, 29r, derde lid, en 29t, onder vermelding van de duur daarvan, alsmede een overzicht van de omstandigheden die daartoe aanleiding gaven, alsmede het aantal klachten dat op grond van artikel 29w is ingediend en de aard van de beslissingen die op de klachten zijn genomen.

3. De zorgaanbieder zendt een afschrift van het verslag aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie en aan de inspectie, alsmede aan de cliŽntenorganisaties, bedoeld in artikel 30, derde lid.

Artikel 28

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het niveau van de zorg, verleend in een bij de maatregel aangewezen categorie van zorgaanbod, dit vereist, regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van de artikelen 25 en 26.

2. Indien uitvoering van de artikelen 25 en 26 overeenkomstig de op grond van het eerste lid gestelde regels niet blijkt te leiden tot verantwoorde zorg, kunnen bij algemene maatregel van bestuur tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot artikel 24.

Artikel 29

De artikelen 16 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen door een zorgaanbieder.

Hoofdstuk IVa. Gesloten jeugdzorg

Paragraaf 1. De machtiging

Artikel 29a

1. Dit hoofdstuk is van toepassing op minderjarige jeugdigen alsmede op jeugdigen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, ten aanzien van wie op het tijdstip waarop zij meerderjarig werden, een machtiging gold. Laatstbedoelde jeugdigen worden voor de toepassing van dit hoofdstuk, in afwijking van artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als minderjarigen behandeld.

2. In zaken betrekking hebbende op de toepassing van dit hoofdstuk is een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, bekwaam in rechte op te treden. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Artikel 29b

1. De kinderrechter kan op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een accommodatie, het daarbij behorende terrein daaronder begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of hij daarmee instemt.

2. Een machtiging kan slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.

3. Een machtiging kan bovendien slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

4. Een machtiging kan voorts slechts worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het derde lid, voordoet.

5. De verklaring, bedoeld in het vierde lid, behoeft de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

6. In afwijking van het vierde lid kan de kinderrechter, ten aanzien van een jeugdige die onder toezicht is gesteld of ten aanzien van wie tevens een ondertoezichtstelling wordt verzocht, dan wel ten aanzien van wie de stichting de voogdij uitoefent, een machtiging verlenen indien de stichting niet een besluit als bedoeld in het vierde lid, heeft genomen, doch slechts indien de raad heeft verklaard dat een geval als bedoeld in het derde lid, zich voordoet. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

7. Indien de machtiging betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht is gesteld, geldt de machtiging als een machtiging als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

8. Indien degene die het gezag heeft over een jeugdige die met een machtiging in een accommodatie verblijft, zijn instemming intrekt, kan die jeugdige gedurende ten hoogste veertien dagen in de accommodatie verblijven, ongeacht of hij daarmee instemt, en zijn de paragrafen 3, 4 en 5 op hem van toepassing.

9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitwerking van het criterium, als bedoeld in het derde lid.

Artikel 29c

1. De kinderrechter kan, indien een machtiging niet kan worden afgewacht, op verzoek een voorlopige machtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 29b, tweede lid, in een accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of hij daarmee instemt.

2. Een voorlopige machtiging, kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren of een ernstig vermoeden daarvan, en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

3. Een voorlopige machtiging kan slechts worden verleend indien de betrokken stichting heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het tweede lid, voordoet.

4. De verklaring, bedoeld in het derde lid, behoeft de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is.

5. Artikel 29b, zesde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29d

1. Een verzoek, gericht op het verkrijgen van een machtiging of een voorlopige machtiging, wordt ingediend door de stichting van de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft. Indien het verzoek betrekking heeft op een jeugdige die onder toezicht is gesteld, of ten aanzien van wie tevens een ondertoezichtstelling wordt verzocht, dan wel ten aanzien van wie de stichting de voogdij uitoefent, wordt het verzoek ingediend door de stichting van de provincie waar de jeugdige zijn woonplaats heeft of door de raad voor de kinderbescherming.

2. Op verzoeken als bedoeld in het eerste lid, is artikel 265, eerste, derde en vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de eerste afdeling van de zesde titel van Boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29e

1. De stichting dan wel de raad voor de kinderbescherming legt bij een verzoek als bedoeld in artikel 29d, eerste lid, een afschrift van het besluit, alsmede van de verklaring, bedoeld in artikel 29b, vierde lid, over.

2. In een geval als bedoeld in artikel 29b, zesde lid, legt de raad voor de kinderbescherming bij een verzoek als bedoeld in artikel 29d, eerste lid, de verklaring, bedoeld in artikel 29b, zesde lid, over.

3. In de gevallen, bedoeld in artikel 29c, wordt in afwijking van het eerste en tweede lid, een verklaring van de stichting of de raad voor de kinderbescherming overgelegd dat naar haar onderscheidenlijk zijn oordeel een geval als bedoeld in artikel 29c, tweede lid, zich voordoet.

Artikel 29f

1. Alvorens op een verzoek tot het verlenen van een machtiging of voorlopige machtiging te beslissen, hoort de kinderrechter de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen, alsmede de verzoekende stichting en de raad voor de kinderbescherming indien deze de verzoeker is.

2. De rechter geeft het bureau rechtsbijstandvoorziening ambtshalve last tot toevoeging van een raadsman aan de jeugdige.

Artikel 29g

De griffier zendt, onverminderd artikel 805 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een afschrift van de beschikking inzake de machtiging aan:

a. de jeugdige indien deze de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt,

b. degene die het gezag over de jeugdige heeft,

c. degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt,

d. de stichting die het verzoek heeft gedaan, en

e. de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 29h

1. De beschikking van de rechter is bij voorraad uitvoerbaar.

2. Bij opneming van de jeugdige in een accommodatie wordt de machtiging overgelegd.

3. De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige aanspraak heeft op het verblijf. Op verzoek van een van de instanties, genoemd in artikel 29d, eerste lid, kan hij de duur verlengen met inachtneming van de eerste volzin.

4. De machtiging vervalt indien de aanspraak is vervallen omdat de stichting toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid.

5. De voorlopige machtiging geldt tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten hoogste vier weken.

6. De tenuitvoerlegging van de machtiging kan door de zorgaanbieder worden geschorst, indien de tenuitvoerlegging naar het oordeel van de zorgaanbieder niet langer nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken.

7. De betrokken stichting doet aan de raad voor de kinderbescherming mededeling van het vervallen van de machtiging op grond van het vierde lid, alsmede van het besluit geen nieuwe machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een machtiging. De zorgaanbieder doet aan de stichting en de raad voor de kinderbescherming mededeling van een besluit tot schorsing en intrekking, als bedoeld in het zesde lid.

Artikel 29i

De zorgaanbieder in wiens accommodatie de machtiging ten uitvoer wordt gelegd, doet van de opneming zo spoedig mogelijk mededeling aan degene die het gezag over de jeugdige uitoefent, aan de betrokken stichting en, indien de stichting niet de verzoeker was, aan degene die het verzoek tot het verlenen van de machtiging heeft ingediend.

Artikel 29j

Bij ministeriŽle regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verzoekschrift, bedoeld in artikel 29d, en de verklaring, bedoeld in artikel 29e.

Paragraaf 2. Accommodaties waarin een machtiging ten uitvoer kan worden gelegd en bepalingen omtrent zorgaanbieders bij wie een machtiging ten uitvoer kan worden gelegd

Artikel 29k

1. Een machtiging kan slechts worden ten uitvoer gelegd in een door Onze Ministers daartoe aangewezen accommodatie van een zorgaanbieder. De aanwijzing geschiedt niet dan na overleg met de provincie waarin de accommodatie is gelegen.

2. De rechter kan, indien het een jeugdige betreft van 12 jaar of ouder, op verzoek van de betrokken stichting of de raad voor de kinderbescherming, in zijn beschikking inzake de machtiging bepalen dat deze in afwijking van het eerste lid, ten uitvoer wordt gelegd in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen. De eerste volzin wordt slechts toegepast met betrekking tot een jeugdige die op het tijdstip waarop een machtiging wordt verleend op basis van een veroordeling is opgenomen in een inrichting. Toepassing geschiedt slechts met instemming van de jeugdige of indien deze de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, met instemming van de jeugdige en degene die het gezag over hem heeft. De tenuitvoerlegging in een inrichting geschiedt slechts voor de termijn die nodig is om een behandeling of opleiding af te ronden. Op de tenuitvoerlegging is de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen van toepassing. Een besluit als bedoeld in artikel 29b, vierde lid, geeft alsdan, in afwijking van artikel 3, aanspraak op verblijf als bedoeld in artikel 11a van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

Artikel 29l

1. Aangewezen kunnen worden accommodaties die geschikt zijn voor verblijf van jeugdigen die met een machtiging zijn opgenomen.

2. De geschiktheid heeft betrekking op de voorzieningen die nodig zijn om de veiligheid binnen de accommodatie, de maatschappelijke veiligheid daarbuiten te waarborgen alsmede de opvoedkundige doeleinden van de zorg te realiseren. Bij regeling van Onze Ministers kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld.

3. Een aanwijzing kan worden ingetrokken indien de accommodatie niet langer geschikt is voor verblijf van jeugdigen die met een machtiging zijn opgenomen of indien de accommodatie niet meer nodig is voor de tenuitvoerlegging van machtigingen. Artikel 29k, eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

4. Een aanwijzing of intrekking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 29m

Een zorgaanbieder die aan een leerplichtige jeugdige verblijf biedt in een accommodatie is gedurende de looptijd van de machtiging een persoon die zich met de feitelijke verzorging van de jeugdige heeft belast als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet.

Artikel 29n

1. Een zorgaanbieder die een accommodatie in stand houdt stelt, met het oog op een zorgvuldige toepassing van maatregelen als bedoeld in paragraaf 3, een regeling vast omtrent de personen die tot het treffen daarvan bevoegd zijn en met betrekking tot de wijze waarop tot toepassing wordt besloten.

2. Een zorgaanbieder die een accommodatie in stand houdt, stelt huisregels vast die betrekking hebben op een ordelijke gang van zaken, de veiligheid binnen de accommodatie en het waarborgen van een pedagogisch klimaat.

3. De huisregels bevatten in ieder geval een regeling van de bezoektijden, van de controle van de bezoekers en van voorwerpen die jeugdigen in verband met de veiligheid binnen de inrichting niet in hun bezit mogen hebben.

Paragraaf 3. Maatregelen die de vrijheid van een jeugdige aantasten en de gevallen waarin deze kunnen worden toegepast

Artikel 29o

1. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige maatregelen bevatten op grond waarvan hij tegen zijn wil of die van degene die het gezag over hem uitoefent, binnen de accommodatie in zijn vrijheden kan worden beperkt. Indien het plan zodanige maatregelen bevat omschrijft het tevens de gevallen waarin en de termijn gedurende welke de maatregelen kunnen worden toegepast.

2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:

a. het verbod zich op te houden op in het hulpverleningsplan aangegeven plaatsen en zonodig de tijdstippen waarop dat verbod geldt;

b. tijdelijke plaatsing in afzondering;

c. tijdelijke overplaatsing binnen de accommodatie of naar een andere accommodatie die is aangewezen op grond van artikel 29k, eerste lid;

d. het vastpakken en vasthouden.

3. De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen worden toegepast, voor zover dit nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt aan de noodzakelijke jeugdzorg of voor zover dit nodig is voor de veiligheid van de jeugdige of anderen. De maatregelen bedoeld in het tweede lid, onder b en c, kunnen bovendien worden toegepast voor zover dit nodig is voor de handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid.

4. De zorgaanbieder meldt de toepassing van het tweede lid, onder b en c, aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld.

Artikel 29p

1. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige hulpverleningsprogramma’s bevatten aan de toepassing waarvan hij moet meewerken.

2. De hulpverleningsprogramma’s die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om het met het verblijf beoogde doel te bereiken.

3. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige geneeskundige behandelingsmethoden, waaronder het toedienen van medicijnen, bevatten die hij moet gedogen.

4. De geneeskundige behandelingsmethoden die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om het met het verblijf beoogde doel te bereiken of voor zover dit nodig is voor de veiligheid van de jeugdige of anderen.

5. De zorgaanbieder meldt de toepassing van het tweede of vierde lid aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld. Indien de geneeskundige behandelingsmethode wordt toegepast ter behandeling van een stoornis van de geestvermogens, wordt tevens melding gedaan aan het Staatstoezicht op de volksgezondheid.

Artikel 29q

1. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige, onverminderd de huisregels, als bedoeld in artikel 29n, tweede lid, beperkingen van het brief- en telefoonverkeer of het gebruik van andere communicatiemiddelen bevatten.

2. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige, onverminderd de huisregels, als bedoeld in artikel 29n, tweede lid, beperkingen van bezoek bevatten of bepalen dat bezoek slechts onder toezicht kan plaatsvinden.

3. De beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen, onverminderd artikel 263a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om te voorkomen dat het met het verblijf beoogde doel wordt tegengewerkt.

4. Op de beperkingen, bedoeld in het tweede lid, is artikel 42, eerste en tweede lid, en 43, zevende lid, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29r

1. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige controlemaatregelen bevatten.

2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:

a. onderzoek aan lichaam en kleding;

b. onderzoek van urine op aanwezigheid van gedragsbeÔnvloedende middelen;

c. onderzoek van de kamer van de jeugdige op de aanwezigheid van voorwerpen die hij niet in zijn bezit mag hebben;

d. onderzoek van poststukken afkomstig van of bestemd voor de jeugdigen op de aanwezigheid van voorwerpen, doch slechts in aanwezigheid van de jeugdige.

3. De controlemaatregelen die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om te controleren of hetgeen in het hulpverleningsplan is opgenomen, wordt nagekomen. De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, kunnen bovendien worden toegepast voor zover dit nodig is voor de handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid, of voor zover dit nodig is om te voorkomen dat de jeugdzorg aan andere jeugdigen wordt tegengewerkt.

4. Voorwerpen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn worden in beslag genomen en voor de jeugdige bewaard of met zijn toestemming vernietigd, dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand gesteld.

Artikel 29s

1. De in de artikelen 29o tot en met 29r bedoelde onderdelen van het hulpverleningsplan worden slechts opgenomen indien dit noodzakelijk is voor het met de opneming en verblijf beoogde doel. Voorafgaand aan de vaststelling of wijziging van deze onderdelen wordt overleg gevoerd met degene die het gezag over de jeugdige heeft. Zij behoeven, in afwijking van artikel 24, vijfde lid, tweede volzin, niet de instemming van de jeugdige of degene die het gezag over hem heeft. Zij behoeven de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie.

2. Een hulpverleningsplan ten aanzien van een jeugdige die met een machtiging in een accommodatie verblijft, wordt zo vaak geŽvalueerd als in het belang van de jeugdige noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 29t

Met betrekking tot een jeugdige kunnen, anders dan ter uitvoering van een hulpverleningsplan of ter handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid, geen maatregelen, methoden of beperkingen, genoemd in de artikelen 29o tot en met 29r, tegen zijn wil of die van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast dan ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties. De toepassing behoeft binnen vierentwintig uur nadat deze is aangevangen de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie. De maatregelen, methoden of beperkingen worden ten hoogste gedurende zeven opeenvolgende dagen toegepast.

Artikel 29u

1. Degene die de beslissing heeft genomen tot toepassing van de artikelen 29o tot en met 29r of van artikel 29t, draagt er zorg voor dat de toepassing zo spoedig mogelijk in het dossier betreffende de jeugdige wordt vastgelegd, onder vermelding van de omstandigheden die daartoe aanleiding gaven.

2. De zorgaanbieder verstrekt aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld, elk half jaar een rapportage over de toepassingen, als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 4. Verlof

Artikel 29v

1. Aan een jeugdige kan, naast de mogelijkheden die het hulpverleningsplan biedt om de accommodatie te verlaten, verlof worden verleend indien zulks, gelet op de reden waarom de jeugdige in de accommodatie moet verblijven, verantwoord is.

2. Aan het verlof kunnen voorwaarden worden verbonden betreffende de zorg en het gedrag van de jeugdige.

3. Verlof wordt slechts verleend indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de jeugdige de voorwaarden zal naleven.

4. Verlof wordt niet verleend dan nadat een gedragswetenschapper als bedoeld in artikel 29s, eerste lid, daarmee heeft ingestemd.

5. Het verlof wordt ingetrokken indien voortzetting van het verlof, gezien de problemen van de jeugdige, niet langer verantwoord is. Het verlof kan worden ingetrokken indien de jeugdige zich niet aan de voorwaarden houdt. De aan het verlof verbonden voorwaarden kunnen worden gewijzigd.

Paragraaf 5. Klachtrecht

Artikel 29w

1. Een jeugdige of degene die het gezag over hem heeft kan binnen redelijke termijn tegen een beslissing als bedoeld in de artikelen 29h, zesde lid, tweede volzin, 29o, derde lid, 29p, tweede lid, 29q, derde lid, en 29r, derde en vierde lid, de toepassing van artikel 29t, of een beslissing aangaande verlof als bedoeld in artikel 29v een schriftelijke klacht indienen bij de klachtencommissie, bedoeld in artikel 68.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de samenstelling van de klachtencommissie bij de behandeling van klachten als bedoeld in het eerste lid en de wijze waarop deze klachten worden behandeld.

3. De klachtencommissie neemt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken, te rekenen vanaf de datum waarop de klacht is ontvangen, een beslissing op de klacht.

4. De beslissing van de commissie strekt tot:

a. onbevoegdverklaring van de commissie,

b. niet-ontvankelijkverklaring van de klacht,

c. ongegrondverklaring van de klacht, of

d. gegrondverklaring van de klacht.

5. Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, vernietigt zij de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk. Gehele of gedeeltelijke vernietiging brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van de beslissing of het vernietigde gedeelte van de beslissing mee.

6. Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, kan zij degene die de beslissing heeft genomen opdragen een nieuwe beslissing te nemen en voor het nemen daarvan een termijn stellen.

7. Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, kan zij bepalen dat enige tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, aan de klager geboden is en stelt deze tegemoetkoming vast.

Artikel 29x

1. Hangende de beslissing op de klacht kan de voorzitter van een beroepscommissie als bedoeld in artikel 1, onder m, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, op verzoek van de jeugdige, gehoord degene die de beslissing heeft genomen, de beslissing waartegen de klacht is gericht, schorsen.

2. De voorzitter doet hiervan onverwijld mededeling aan degene die de beslissing heeft genomen en de klager.

Artikel 29y

Ten aanzien van een beslissing als bedoeld in artikel 29w, derde lid, zijn de artikelen 74 tot en met 76 van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk V. Planning

Paragraaf 1. Planning door de provincies

Artikel 30

1. Gedeputeerde staten bieden provinciale staten vůůr 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het eerste jaar waarop het betrekking heeft, een ontwerp aan van het provinciale beleidskader jeugdzorg. Het ontwerp wordt gelijktijdig met de aanbieding aan Onze Ministers gezonden.

2. Alvorens het ontwerp van het provinciale beleidskader vast te stellen, plegen gedeputeerde staten overleg met:

a. de stichting, de in de provincie werkzame zorgaanbieders en de raad voor de kinderbescherming, teneinde de behoefte aan de uitvoering van de taken van de stichting te kunnen vaststellen alsmede afstemming van de door de provincie te subsidiŽren jeugdzorg op de vraag te realiseren en gegevens te verkrijgen die nodig zijn voor de onder b tot en met d, genoemde afspraken;

b. de colleges van burgemeester en wethouders, teneinde afspraken te maken over de inzet van de stichting met betrekking tot de taken, genoemd in artikel 10, derde lid, alsmede over de inzet van algemene voorzieningen voor jeugdigen bij het vroegtijdig signaleren van problemen en het voorzien in jeugdzorg anders dan bedoeld in artikel 5, tweede lid;

c. de in de provincie werkzame zorgverzekeraars, teneinde afspraken te maken over de zorg waarin door de provincie, respectievelijk de zorgverzekeraars zal worden voorzien;

d. Onze Minister van Justitie, teneinde afspraken te maken over de capaciteit van inrichtingen als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen ten behoeve van aldaar op grond van de artikelen 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te plaatsen minderjarigen.

3. Gedeputeerde staten stellen de betrokken cliŽntenorganisaties in de gelegenheid te reageren op het ontwerp van het provinciale beleidskader.

Artikel 31

1. Provinciale staten stellen eenmaal in de vier jaar een provinciaal beleidskader jeugdzorg voor de komende vier kalenderjaren vast. Het provinciale beleidskader wordt vůůr 1 december van het jaar voorafgaand aan het eerste jaar waarop het betrekking heeft, vastgesteld.

2. Het provinciale beleidskader is gebaseerd op het landelijk beleidskader en, waar nodig, op de aanwijzingen, bedoeld in artikel 33.

3. Het provinciale beleidskader bevat de hoofdlijnen van het beleid ten aanzien van de stichting en de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat alsmede een financieel kader voor dat beleid.

4. Uitgangspunt bij de vaststelling van het provinciale beleidskader is dat het aanbod van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, aansluit bij de behoefte van cliŽnten en bij het uitgangspunt dat jeugdzorg in het algemeen het meest doelmatig en het meest doeltreffend plaatsvindt in de minst ingrijpende vorm, zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliŽnt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode.

5. Ten behoeve van de samenhang binnen de jeugdzorg bevat het provinciale beleidskader voorts een overzicht van de wijze waarop de zorgverzekeraars, de gemeenten en Onze Minister van Justitie voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg, niet zijnde jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.

6. Provinciale staten bezien jaarlijks in hoeverre het provinciale beleidskader bijstelling behoeft.

7. Afschrift van het provinciale beleidskader wordt zo spoedig mogelijk na vaststelling gezonden aan Onze Ministers.

8. Het provinciale beleidskader behoeft de goedkeuring van Onze Ministers. Goedkeuring wordt verleend voor zover het provinciale beleidskader jeugdzorg in overeenstemming is met de wet, het landelijke beleidskader en door Onze Ministers gegeven aanwijzingen als bedoeld in artikel 33.

9. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent de inrichting van het provinciale beleidskader.

Artikel 32

1. Gedeputeerde staten stellen jaarlijks vůůr 1 december het uitvoeringsprogramma jeugdzorg vast. Gedeputeerde staten zenden het ontwerp van het uitvoeringsprogramma jaarlijks vůůr 1 oktober aan Onze Ministers.

2. Het uitvoeringsprogramma bevat een overzicht van:

a. de in het aan het jaar van vaststelling voorafgaande kalenderjaar door de stichting en de gesubsidieerde zorgaanbieders geleverde activiteiten en de voor de uitvoering van die activiteiten verstrekte subsidies;

b. de in het jaar van vaststelling, met inachtneming van het provinciale beleidskader, door de stichting en de zorgaanbieders te leveren activiteiten en de voor de uitvoering daarvan verleende subsidies;

c. de in het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling, met inachtneming van het provinciale beleidskader, door de stichting en de zorgaanbieders te leveren activiteiten en de voor de uitvoering daarvan beschikbare subsidies.

3. Het uitvoeringsprogramma bevat tevens een overzicht van de in de jaren waarop het programma betrekking heeft door de in artikel 30, tweede lid, onder b tot en met d, genoemde instanties, bekostigde of te bekostigen jeugdzorg.

4. Ten aanzien van de totstandkoming van het in het derde lid, onder c, bedoelde onderdeel van het uitvoeringsprogramma is artikel 30, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

5. Een tussentijdse wijziging van het provinciale beleidskader wordt in het uitvoeringsprogramma opgenomen. Op een tussentijdse wijziging is artikel 30 van overeenkomstige toepassing.

6. Afschrift van het uitvoeringsprogramma wordt gezonden aan Onze Ministers.

7. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent de inrichting van het uitvoeringsprogramma.

Artikel 33

Onze Ministers kunnen de provinciebesturen aanwijzingen geven met betrekking tot het provinciale beleidskader of het uitvoeringsprogramma, voor zover dit niet in overeenstemming is met deze wet of het landelijke beleidskader, of, voor zover dit nodig is, voor de uitvoering van het provinciale beleidskader of het uitvoeringsprogramma.

Paragraaf 2. Planning door het Rijk

Artikel 34

1. Onze Ministers stellen eenmaal in de vier jaar vůůr de indiening van de begroting van het Rijk een landelijk beleidskader jeugdzorg voor de komende vier kalenderjaren vast.

2. Het landelijke beleidskader bevat de uitgangspunten voor het door de provinciebesturen te voeren beleid, alsmede een raming van de bedragen die het Rijk voornemens is aan de onderscheiden provincies te verstrekken ten behoeve van de subsidiŽring van de stichting en van de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.

3. Ten behoeve van de samenhang binnen de jeugdzorg, bevat het landelijke beleidskader voorts een overzicht van de wijze waarop:

a. de gemeenten voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg, niet zijnde jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;

b. de zorgverzekeraars voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c;

c. Onze Minister van Justitie voornemens is te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder d.

4. Bij de vaststelling van het landelijke beleidskader wordt rekening gehouden met het door de provinciebesturen in de voorafgaande jaren gevoerde beleid, zoals dit blijkt uit de uitvoeringsprogramma's.

5. Het landelijke beleidskader wordt gezonden aan de provinciebesturen en aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

6. Jaarlijks bezien Onze Ministers in hoeverre het landelijke beleidskader bijstelling behoeft.

Artikel 35

1. Alvorens het landelijke beleidskader vast te stellen, plegen Onze Ministers overleg met de colleges van gedeputeerde staten en een vertegenwoordiging van de colleges van burgemeester en wethouders en van zorgverzekeraars.

2. Onze Ministers stellen de betrokken cliŽntenorganisaties in de gelegenheid te reageren op het ontwerp van het landelijke beleidskader.

Artikel 36

1. Onze Ministers stellen jaarlijks vůůr de indiening van de begroting van het Rijk een voortgangsrapportage jeugdzorg vast.

2. De voortgangsrapportage van elk kalenderjaar bevat in ieder geval een overzicht van:

a. de in het tweede, aan het jaar van vaststelling voorafgaande kalenderjaar aan gedeputeerde staten verstrekte uitkeringen, bedoeld in artikel 37, alsmede de wijze waarop in dat jaar deze uitkeringen door de provincie zijn besteed;

b. de in het aan het jaar van vaststelling voorafgaande kalenderjaar aan de provincies verstrekte uitkeringen, bedoeld in artikel 37, alsmede de bestemming die gedeputeerde staten volgens het op dat jaar betrekking hebbende deel van het uitvoeringsprogramma daaraan hebben gegeven;

c. de in het jaar van vaststelling, met inachtneming van het landelijke beleidskader, aan de provincies verleende uitkeringen, bedoeld in artikel 37, alsmede de bestemming die gedeputeerde staten volgens het op dat jaar betrekking hebbende deel van het uitvoeringsprogramma daaraan hebben gegeven;

d. de voor de provincies, uitgaande van het landelijk beleidskader, beschikbare uitkeringen, bedoeld in artikel 37, voor het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling.

3. De voortgangsrapportage bevat tevens een overzicht van de in die jaren uitgevoerde of uit te voeren andere vormen van jeugdzorg dan waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat en zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c en d.

4. Een tussentijdse wijziging van het landelijke beleidskader wordt in de voortgangsrapportage opgenomen. Op een tussentijdse wijziging is artikel 35 van overeenkomstige toepassing.

5. De voortgangsrapportage wordt gezonden aan de provinciebesturen en aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

6. Ten aanzien van de totstandkoming van het in het tweede lid, onder d, bedoelde onderdeel van de voortgangsrapportage is artikel 35 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VI. Uitkeringen en subsidies

Paragraaf 1. Uitkeringen en subsidies van het Rijk

Artikel 37

1. Onze Ministers verstrekken aan de provincies jaarlijks:

a. een uitkering ten behoeve van de door de stichting ingevolge deze wet uit te voeren taken, ten behoeve van de vertrouwenspersoon voor de cliŽnten van de stichting, ten behoeve van de uitvoering van experimenten of de steunfunctie met betrekking tot de stichting, en

b. een uitkering ten behoeve van de door zorgaanbieders verleende jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, ten behoeve van de vertrouwenspersoon voor de cliŽnten van de zorgaanbieders, ten behoeve van de uitvoering van experimenten of de steunfunctie met betrekking tot deze jeugdzorg, ten behoeve van cliŽntenorganisaties, ten behoeve van het verwerken van gegevens, bedoeld in artikel 43, en het verstrekken van gegevens, bedoeld in artikel 44, eerste lid.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere dan de in het eerste lid, onder b, bedoelde activiteiten op het terrein van de jeugdzorg worden aangewezen, waarvoor de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan worden aangewend.

Artikel 38

1. Onze Ministers kunnen aan een provincie of een privaatrechtelijke rechtspersoon subsidie verstrekken ten behoeve van de uitvoering van een experiment of van de steunfunctie, dan wel ten behoeve van het stimuleren van nieuw beleid.

2. De subsidie wordt verstrekt voor een bij de verlening aan te geven periode van ten hoogste vier jaar.

3. Onze Ministers kunnen met betrekking tot deze subsidie een subsidieplafond vaststellen. Daarbij wordt voorzien in de wijze van verdeling.

4. Onze Minister van Justitie kan aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 254, tweede lid, en aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, subsidie verstrekken ten behoeve van de kosten van de uitoefening van de in die bepalingen en in artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde taken, bijzondere door Onze Minister van Justitie aan te geven kosten daaronder begrepen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verlenen van deze subsidie. Deze regels kunnen betrekking hebben op de onderwerpen genoemd in artikel 39, eerste lid.

5. Op een rechtspersoon als bedoeld in het vierde lid zijn de artikelen 13 tot en met 16 en de hoofdstukken VII, VIII, IX, X en XII van overeenkomstige toepassing. Waar in deze bepalingen wordt gesproken van gedeputeerde staten wordt daarvoor gelezen Onze Minister van Justitie.

Artikel 39

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de uitkeringen, bedoeld in artikel 37. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

a. het bedrag van de uitkeringen, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

b. de aanvraag van de uitkeringen en de besluitvorming daarover;

c. de voorwaarden waaronder de uitkeringen worden verleend;

d. de verplichtingen van de provincies;

e. de vaststelling van de uitkeringen;

f. de intrekking of wijziging van de verlening of de vaststelling van de uitkering;

g. de betaling of de terugvordering van de uitkeringen en het verlenen van voorschotten.

2. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld ten aanzien van subsidies als bedoeld in artikel 38, eerste lid. Deze regels kunnen betrekking hebben op de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.

Artikel 40

1. Een subsidie als bedoeld in artikel 38 ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2. De verlening van een uitkering als bedoeld in artikel 37 of een subsidie als bedoeld in artikel 38 wordt in ieder geval geweigerd in de gevallen, bedoeld in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en indien niet wordt voldaan aan het bij of krachtens de wet bepaalde.

Paragraaf 2. SubsidiŽring door de provincies

Artikel 41

1. Gedeputeerde staten verstrekken aan de stichting subsidie ten behoeve van de ingevolge deze wet uit te voeren taken en kan aan de stichting subsidie verstrekken ten behoeve van experimenten.

2. Gedeputeerde staten verstrekken aan zorgaanbieders subsidie ten behoeve van de uitvoering van die jeugdzorg en het verwerken van gegevens als bedoeld in de artikelen 43 en 44. Gedeputeerde staten kunnen aan een zorgaanbieders subsidie verstrekken ten behoeve van experimenten.

3. Gedeputeerde staten kunnen aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid subsidie verstrekken voor de uitvoering van de steunfunctie ten behoeve van de stichting of zorgaanbieders.

4. Gedeputeerde staten verstrekken aan een door hen aangewezen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid subsidie ten behoeve van de werkzaamheden van de vertrouwenspersoon, die de rechtspersoon ten behoeve van hun cliŽnten aan een stichting en aan zorgaanbieders beschikbaar stelt.

5. Provinciale staten stellen bij verordening regels vast omtrent de subsidiŽring. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de onderwerpen, genoemd in artikel 39.

6. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent de in de verordening, bedoeld in het vijfde lid, te stellen regels over:

a. het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

b. de verlening en vaststelling van subsidies;

c. de inrichting van de begroting en het financiŽle verslag;

d. het toezicht op de rechtmatige en doelmatige besteding van subsidies.

Hoofdstuk VII. Beleidsinformatie

Artikel 42

1. Onze Ministers verwerken gegevens ten behoeve van de totstandbrenging van een samenhangend beleid ten aanzien van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

2. Gedeputeerde staten verwerken gegevens ten behoeve van de totstandbrenging van een samenhangend provinciaal beleid ten aanzien van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid en ten behoeve van de verwerking, bedoeld in het eerste lid.

3. De zorgverzekeraars verwerken gegevens ten behoeve van de totstandbrenging van samenhang tussen zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c, en de overige jeugdzorg, alsmede ten behoeve van de verwerking, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 43

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de stichtingen, de zorgaanbieders, de aanbieders van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c en d, ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, de gegevens, bedoeld in artikel 44, zesde lid, onder a, verwerken en op welke wijze die verwerking plaatsvindt. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent de wijze van verwerking.

Artikel 44

1. De stichtingen verstrekken ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste en tweede lid, gegevens aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie en de betrokken zorgverzekeraars.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de raad voor de kinderbescherming en de justitiŽle jeugdinrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste en tweede lid, gegevens verstrekken aan Onze Minister van Justitie of de provincies. Bij die maatregel kan worden geregeld dat zorgaanbieders gegevens verstrekken aan gedeputeerde staten van de betrokken provincies ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, tweede lid, en aanbieders van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c en d, aan de betrokken zorgverzekeraars ten behoeve van de verwerking bedoeld in artikel 42, derde lid.

3. Gedeputeerde staten verstrekken gegevens aan Onze Ministers ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste lid.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de zorgverzekeraars gegevens verstrekken aan Onze Ministers of gedeputeerde staten van de betrokken provincies ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste of tweede lid.

5. Onze Ministers verstrekken de gegevens aan de provincies en de betrokken zorgverzekeraars ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste lid.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt met het oog op de verwerking, bedoeld in artikel 42, bepaald:

a. welke gegevens worden verstrekt;

b. de wijze waarop de gegevens worden verstrekt;

c. de tijdvakken waarop de gegevens die worden verstrekt, betrekking hebben;

d. de termijnen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.

7. Voor zover de gegevens, bedoeld in artikel 42, persoonsgegevens zijn, worden de regels, bedoeld in het zesde lid, gesteld bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 45

1. De gegevens, bedoeld in de artikelen 42, 43 en 44, kunnen persoonsgegevens zijn, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor:

a. het doelmatig en doeltreffend functioneren van de toegang tot de jeugdzorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid;

b. het doelmatig en doeltreffend functioneren van de zorgaanbieders, van de aanbieders van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c, en van de raad voor de kinderbescherming;

c. de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het aanbod aan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid.

2. Tot de persoonsgegevens kunnen gegevens behoren betreffende iemands etnische of culturele achtergrond of gezondheid, alsmede strafrechtelijke gegevens.

3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet verwerkt voor andere doeleinden dan bedoeld in dat lid of een daarmee verenigbaar doel en worden verwerkt op een wijze die waarborgt dat zij zo min mogelijk tot een persoon herleidbaar zijn.

Artikel 46

1. Bij ministeriŽle regeling van Onze Ministers kan worden bepaald aan welke personen of instanties, die zijn betrokken bij de jeugdzorg, informatie wordt verstrekt op basis van de gegevens, bedoeld in artikel 42.

2. Deze informatie bevat geen gegevens op basis waarvan een persoon redelijkerwijs herleidbaar is.

Hoofdstuk VIII. Toezicht

Artikel 47

1. Er is een Inspectie jeugdzorg die ressorteert onder Onze Minister voor Jeugd en Gezin en die tot taak heeft:

a. het verrichten van onderzoeken naar de kwaliteit in algemene zin van de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorg, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen en van de raad voor de kinderbescherming, alsmede waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan;

b. het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen ten aanzien van de stichtingen en zorgaanbieders, met uitzondering van artikel 70 en het toezicht op de rechtmatige en doelmatige besteding van subsidies;

c. het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen bepaalde omtrent de kwaliteit van de justitiŽle jeugdinrichtingen;

d. het toezicht op de naleving van artikel 7 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, voor zover het betreft minderjarigen die onder toezicht staan van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, of die onder voogdij staan van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Met de taken, bedoeld in het eerste lid, zijn belast de ambtenaren van de inspectie.

3. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaren, belast met de taak bedoeld in het eerste lid, onder a.

4. De ambtenaren van de inspectie nemen bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder a, de aanwijzingen van Onze Ministers en bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder b, de aanwijzingen van gedeputeerde staten van de betrokken provincie in acht. Bij de vervulling van de taak bedoeld in het eerste lid, onder c, nemen zij de aanwijzingen van Onze Minister van Justitie in acht en bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder d, die van Onze Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie.

5. De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder a, uit eigen beweging of indien het onderzoeken betreft met betrekking tot de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, op verzoek van Onze Ministers en met betrekking tot de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen en de raad voor de kinderbescherming, op verzoek van Onze Minister van Justitie. Onderzoeken in verband met de taak, bedoeld in het eerste lid, onder d, worden uit eigen beweging verricht of op verzoek van Onze Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie.

6. De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid onder b uit eigen beweging of op verzoek van gedeputeerde staten van de betrokken provincie.

7. De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder c, uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister van Justitie.

8. De inspectie brengt van haar bevindingen verslag uit aan degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd en kan daarbij voorstellen doen tot verbetering van de kwaliteit. De inspectie stelt het betrokken overheidsorgaan schriftelijk op de hoogte van haar bevindingen.

9. De inspectie stelt Onze Ministers van haar bevindingen ten aanzien van bureaus jeugdzorg en zorgaanbieders op de hoogte indien zij van oordeel is, dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 17.

10. De inspectie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. In het verslag doet zij de voorstellen die zij in het belang van de jeugdzorg nodig acht. Het verslag wordt gezonden aan de provinciebesturen, Onze Ministers en de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

11. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent de organisatie van de inspectie.

Artikel 48

1. De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken desgevraagd alle inlichtingen en leggen desgevraagd alle bescheiden die voor een juiste taakuitoefening noodzakelijk zijn te achten over aan de door gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren die belast zijn met de controle op de rechtmatige en doelmatige besteding van de door gedeputeerde staten verleende subsidies.

2. De stichtingen en de zorgaanbieders verlenen de in het eerste lid bedoelde ambtenaren desgevraagd toegang tot de gebouwen waarin zij hun werkzaamheden verrichten.

3. Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich van het geven van inlichtingen of het overleggen van inzage verschonen, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.

4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de subsidies, bedoeld in artikel 38.

Hoofdstuk IX. Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

Artikel 49

De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken aan de cliŽnt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die deze met betrekking tot de cliŽnt onder zich hebben.

Artikel 50

1. Inzage in of afschrift van de bescheiden wordt aan de cliŽnt geweigerd, indien deze:

a. jonger dan twaalf jaren is, of

b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.

2. Indien de cliŽnt jonger is dan zestien jaren, of de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden verstrekt, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet.

3. Inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden kan eveneens worden geweigerd, voor zover de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de cliŽnt daardoor zou worden geschaad.

4. Voor de verstrekking van een afschrift kan een vergoeding worden gevraagd overeenkomstig de krachtens artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens gestelde regels.

Artikel 51

1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken de stichting en de zorgaanbieder aan anderen dan de cliŽnt geen inlichtingen over de cliŽnt, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliŽnt.

2. Indien de cliŽnt minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij:

a. jonger is dan twaalf jaren, of

b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.

3. Onder anderen dan de cliŽnt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de toegang tot en de uitvoering van de jeugdzorg noodzakelijk is, alsmede degenen die zijn betrokken bij de voorbereiding of uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, doch slechts voor zover dit voor de medewerking bij de toegang, de uitvoering van de jeugdzorg of de voorbereiding of uitvoering van een maatregel noodzakelijk is.

Artikel 52

1. De stichtingen en de zorgaanbieders treffen een schriftelijke regeling waarin het recht op inzage in en afschrift van bescheiden, alsmede de beperkingen aan het verstrekken van inlichtingen en inzage worden geregeld overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 51.

2. Deze regeling wordt aan de belanghebbenden beschikbaar gesteld.

Artikel 53

1. De stichting kan, onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens, in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, of indien dit voor de uitoefening van de taken genoemd in artikel 11, eerste lid, noodzakelijk is te achten, zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens verwerken.

2. De stichting kan zonder toestemming van degene die het betreft slechts bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden afgeleid dan wel sprake is van een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid.

3. Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een stichting inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beŽindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.

4. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een stichting terstond de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de taak, genoemd in artikel 11, eerste lid.

5. In afwijking van artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet het college van burgemeester en wethouders geen mededeling aan de betrokkene of degene die namens deze daarom verzoekt, over de verstrekking van hem betreffende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie aan de stichting, voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beŽindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. Voor wat betreft de toepassing van artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft het achterwege blijven van een mededeling als hier bedoeld dezelfde gevolgen als het achterwege blijven van een mededeling ingevolge artikel 103, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 54

1. Indien door de stichting bij de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 11, eerste lid, persoonsgegevens worden verkregen bij anderen dan degene die het betreft, brengt zij de betrokkene hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de hoogte.

2. De in het eerste lid genoemde termijn kan telkens met ten hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 11, eerste lid, en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beŽindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.

3. In afwijking van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens kan een stichting de mededeling aan degene die het betreft dat ten aanzien van hem persoonsgegevens worden verwerkt achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beŽindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.

Artikel 55

1. Onverminderd het tweede lid en artikel 56 bewaren de stichting en de zorgaanbieder bescheiden die deze met betrekking tot een cliŽnt onder zich hebben gedurende tien jaren, te rekenen van het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige hulpverlening noodzakelijk is.

2. De stichting bewaart, voor zover deze de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, en e, uitoefent, de bescheiden tot het jongste kind van het gezin waartoe de jeugdige behoort en met welk gezin het bureau bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden, een en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beŽindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden.

Artikel 56

1. De stichtingen en de zorgaanbieders vernietigen de door hen bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben.

2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.

3. Het verzoek van een cliŽnt wordt niet ingewilligd indien deze:

a. jonger is dan twaalf jaren, of

b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

4. In de gevallen bedoeld in het derde lid, kan het verzoek door een wettelijke vertegenwoordiger worden gedaan.

Hoofdstuk X. De vertrouwenspersoon

Artikel 57

1. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat cliŽnten van het door de stichting in stand gehouden bureau jeugdzorg en van de zorgaanbieders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon.

2. De stichting en de zorgaanbieders stellen vertrouwenspersonen, werkzaam bij de rechtspersoon, bedoeld in artikel 41, vierde lid, in de gelegenheid hun taak uit te oefenen.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon en de verplichtingen van de stichting en de zorgaanbieders.

Hoofdstuk XI. Medezeggenschap

Artikel 58

1. De stichtingen en de zorgaanbieders, niet zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 18, tweede lid, stellen een cliŽntenraad in, die binnen het kader van hun doelstelling de gemeenschappelijke belangen van de cliŽnten behartigt. De verplichting tot het instellen van een cliŽntenraad geldt voor een zorgaanbieder ten aanzien van elke door hem in stand gehouden zorgeenheid. Een zorgaanbieder kan deze verplichting ook nakomen door instelling van een cliŽntenraad die voor meer dan een door hem in stand gehouden zorgeenheid werkzaam is.

2. De stichtingen en de zorgaanbieders regelen schriftelijk:

a. het aantal leden van de cliŽntenraad, de wijze van benoeming, welke personen tot lid kunnen worden benoemd en de zittingsduur van de leden;

b. de materiŽle middelen waarover de cliŽntenraad ten behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken.

3. De in het tweede lid bedoelde regeling is zodanig dat de cliŽntenraad:

a. redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor de cliŽnten en

b. redelijkerwijze in staat kan worden geacht hun gemeenschappelijke belangen te behartigen.

4. In de cliŽntenraad wordt voorzien in tenminste twee plaatsen voor jeugdigen, tenzij kan worden aangetoond dat dit niet aangewezen is.

5. De cliŽntenraad regelt schriftelijk zijn werkwijze met inbegrip van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte.

6. De kosten van het door de cliŽntenraad voeren van rechtsgedingen als bedoeld in artikel 66, vierde lid, komen slechts ten laste van de stichting of de zorgaanbieder indien deze van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.

7. Na vaststelling van de in het tweede lid bedoelde regeling treft de stichting of de zorgaanbieder de voorzieningen die op grond van die regeling noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van de cliŽntenraad. Zij treffen de bedoelde voorzieningen opnieuw telkens wanneer de cliŽntenraad gedurende twee jaren niet heeft gefunctioneerd wegens het ontbreken van het in de regeling vastgestelde aantal leden.

Artikel 59

1. De stichtingen en de zorgaanbieders stellen de cliŽntenraad in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit dat de stichting of een of meer der door een zorgaanbieder in stand gehouden zorgeenheden betreft, inzake:

a. een wijziging van de doelstelling of grondslag;

b. het overdragen van de zeggenschap of fusie of het aangaan of verbreken van de samenwerking met een andere zorgaanbieder;

c. de gehele of gedeeltelijke opheffing, verhuizing of ingrijpende verbouwing van de accommodatie waarin de zorg wordt geboden;

d. een belangrijke wijziging in de organisatie;

e. een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden;

f. het benoemen van personen die rechtstreeks de hoogste zeggenschap zullen uitoefenen bij de leiding van de arbeid;

g. de begroting en de jaarrekening;

h. het algemeen beleid inzake de toelating van cliŽnten en de beŽindiging van de hulpverlening aan cliŽnten;

i. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van de veiligheid, de gezondheid of de hygiŽne en de geestelijke verzorging van en de maatschappelijke bijstand aan cliŽnten;

j. de systematische bewaking, beheersing of verbetering van de kwaliteit met betrekking tot de aspecten: te hanteren methodieken, organisatie, professionaliteit en materiŽle voorzieningen;

k. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten van cliŽnten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten;

l. wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 58, tweede lid, en de vaststelling of wijziging van andere voor cliŽnten geldende regelingen;

m. recreatiemogelijkheden en ontspanningsactiviteiten voor jeugdigen;

n. wijziging van een werkplan, voor zover het aangelegenheden betreft die niet reeds zijn begrepen onder a tot en met k en m en o;

o. het belasten van personen met de leiding van een onderdeel van het zorgaanbod, waarin gedurende het etmaal zorg wordt verleend aan jeugdigen die in de regel in de zorgeenheid verblijven.

2. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het wezenlijk van invloed kan zijn op het te nemen besluit.

3. De cliŽntenraad is bevoegd de zorgaanbieder ook ongevraagd te adviseren inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen, die voor de cliŽnten van belang zijn.

4. Ingeval een zorgaanbieder meer dan een cliŽntenraad heeft ingesteld en bovendien ťťn cliŽntenraad die alle door hem in stand gehouden zorgeenheden omvat, bevat de regeling, bedoeld in artikel 58, tweede lid, tevens een voorziening waardoor de in dit hoofdstuk bedoelde verplichtingen en bevoegdheden slechts behoeven te worden nagekomen jegens en kunnen worden uitgeoefend door ťťn cliŽntenraad.

Artikel 60

1. De stichtingen en de zorgaanbieders nemen geen van een schriftelijk uitgebracht advies afwijkend besluit dan nadat daarover, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, ten minste eenmaal met de cliŽntenraad overleg is gepleegd.

2. De stichtingen en de zorgaanbieders doen van een besluit inzake een onderwerp waarover de cliŽntenraad schriftelijk advies heeft uitgebracht, schriftelijk, en voor zover zij van het advies afwijken onder opgave van redenen, mededeling aan de cliŽntenraad.

Artikel 61

1. De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken de cliŽntenraad tijdig, en desgevraagd, schriftelijk alle inlichtingen en gegevens die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.

2. Zij verstrekken de cliŽntenraad voorts tenminste eenmaal per jaar mondeling of schriftelijk algemene gegevens omtrent het beleid dat in het verstreken tijdvak is gevoerd en in het komende jaar zal worden gevoerd.

Artikel 62

1. De stichtingen en de zorgaanbieders kunnen aan de cliŽntenraad schriftelijk verdergaande bevoegdheden dan de in dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden toekennen.

2. Zij stellen de cliŽntenraad in de gelegenheid advies uit te brengen over een voornemen een besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid en over het voornemen een zodanig besluit te wijzigen. Artikel 60 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 63

1. De zorgaanbieders, indien deze een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voorzien in de statuten in een regeling die waarborgt dat de cliŽnten invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van het bestuur. De regeling houdt ten minste in dat ťťn bestuurslid wordt benoemd op bindende voordracht van de cliŽntenraad of cliŽntenraden, tenzij deze van de mogelijkheid een voordracht te doen geen gebruik heeft onderscheidenlijk hebben gemaakt.

2. Het eerste lid is niet van toepassing als het bestuur bestaat uit ťťn of meer personen die deze functie uitoefent onderscheidenlijk uitoefenen op grond van een arbeidsrelatie waaraan een geldelijke beloning is verbonden. In dat geval is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de samenstelling van het orgaan dat belast is met het toezicht op of de goedkeuring van besluiten van het bestuur.

Artikel 64

De stichtingen en de zorgaanbieders stellen jaarlijks een schriftelijk verslag op over de wijze waarop door hen dit hoofdstuk is toegepast.

Artikel 65

1. De stichtingen en de zorgaanbieders maken binnen tien dagen na vaststelling openbaar:

a. het jaarverslag;

b. op schrift gestelde uitgangspunten voor het beleid, waaronder begrepen de algemene criteria, welke bij de uitvoering van de taken onderscheidenlijk de zorgverlening worden gehanteerd;

c. de notulen dan wel de besluitenlijst van de vergaderingen van het bestuur dan wel in de gevallen bedoeld in artikel 63, tweede lid, van het daar bedoelde orgaan, voor zover deze algemene beleidszaken betreffen;

d. een regeling inzake de behandeling van klachten en van andere voor cliŽnten geldende regelingen, alsmede een regeling als bedoeld in artikel 58, tweede lid;

e. het verslag, bedoeld in artikel 64.

2. De openbaarmaking geschiedt door de stukken voor cliŽnten ter inzage te leggen en hun op verzoek daarvan afschriften te verstrekken.

3. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan op de bij de stichting of de zorgaanbieder voor het doen van mededelingen aan cliŽnten gebruikelijke wijze.

4. Voor het op verzoek verstrekken van afschriften kan een tarief in rekening worden gebracht, ten hoogste gelijk aan de kostprijs, tenzij de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is.

Artikel 66

1. De stichtingen en de zorgaanbieders stellen in overeenstemming met de cliŽntenraad of cliŽntenraden een uit drie leden bestaande commissie van vertrouwenslieden in, waarvan ťťn lid door henzelf wordt aangewezen, ťťn lid door de cliŽntenraad of cliŽntenraden kan worden aangewezen en ťťn lid door beide gezamenlijk wordt aangewezen.

2. De vertrouwenscommissie heeft tot taak te bemiddelen en zonodig een bindende uitspraak te doen op verzoek van de cliŽntenraad, indien de stichting of de zorgaanbieder ten aanzien van een onderwerp, genoemd in artikel 59 eerste lid, onder k en l, waarover de cliŽntenraad schriftelijk advies heeft uitgebracht, een van dat advies afwijkend besluit wenst te nemen.

3. De stichtingen en de zorgaanbieders kunnen, in afwijking van het eerste lid, een door een of meer cliŽntenorganisaties, een of meer stichtingen of een of meer organisaties van zorgaanbieders ingestelde commissie van vertrouwenslieden aanwijzen voor de vervulling van de in het tweede lid bedoelde taak.

4. De cliŽntenraad en iedere cliŽnt van de stichting of de zorgaanbieder kan de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de stichting of de zorgaanbieder is gelegen, schriftelijk verzoeken de stichting of de zorgaanbieder te bevelen de artikelen 58, 61, tweede lid, 63 en 65 en het eerste lid, na te leven. Een verzoeker die niet vooraf schriftelijk aan de stichting of de zorgaanbieder heeft verzocht te handelen overeenkomstig hetgeen in het verzoekschrift wordt verzocht en deze daarbij niet een redelijke termijn heeft gegeven om aan dat verzoek te voldoen, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

5. De kantonrechter kan in zijn beschikking aan de stichting of de zorgaanbieder de verplichting opleggen bepaalde handelingen te verrichten of na te laten.

6. De derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XII. Klachtrecht

Artikel 67

1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. klager: degene die als zodanig is aangewezen in de regeling, bedoeld in artikel 68 doch in ieder geval een cliŽnt;

b. gedraging: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat gevolgen heeft voor een onder a, bedoelde persoon.

2. Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op klachten als bedoeld in artikel 68, eerste lid.

Artikel 68

1. De stichtingen en de zorgaanbieders treffen een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens jeugdigen of jegens hun ouders, voogden, stiefouders, anderen die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden of degenen die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de jeugdige uitoefenen. Zij brengen de regeling op passende wijze onder de aandacht van in ieder geval degenen die als klager zijn aangewezen.

2. De in het eerste lid bedoelde regeling:

a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een uit ten minste drie leden bestaande klachtencommissie, welke personen niet werkzaam zijn voor of bij de stichting of de zorgaanbieder;

b. waarborgt dat de klachtencommissie binnen zes weken na ontvangst van de klacht de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de stichting of de zorgaanbieder, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen;

c. waarborgt dat bij afwijking van de onder b bedoelde termijn de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de stichting of de zorgaanbieder, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de klacht zal uitbrengen;

d. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op de gedraging waarover is geklaagd;

e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan.

3. De stichtingen en de zorgaanbieders zien erop toe dat de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, haar werkzaamheden verricht volgens een door deze commissie op te stellen reglement.

4. Door of namens een klager kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, een klacht tegen een stichting of zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen jegens de klager.

5. De stichting of de zorgaanbieder deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, binnen vier weken na ontvangst van het in het tweede lid, onder b, bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het oordeel van de commissie over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet de stichting of de zorgaanbieder daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen de stichting of de zorgaanbieder zijn standpunt aan hen kenbaar zal maken, met dien verstande dat dit uitstel ten hoogste vier weken is.

6. In afwijking van het vierde lid, kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, eveneens een klacht tegen een stichting of een zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen, jegens een persoon, als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder a, die inmiddels is overleden.

7. De stichting en de zorgaanbieder dragen er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld waarin worden aangegeven:

a. een beknopte beschrijving van de regeling, bedoeld in het eerste lid;

b. de wijze waarop de stichting en de zorgaanbieder die regeling onder de aandacht van hun cliŽnten hebben gebracht;

c. de samenstelling van de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a;

d. in welke mate die klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten met inachtneming van de waarborgen, bedoeld in het tweede lid;

e. het aantal en de aard van de door die klachtencommissie behandelde klachten;

f. de strekking van de oordelen en aanbevelingen van die klachtencommissie;

g. de aard van de maatregelen, bedoeld in het vijfde lid.

8. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verslag.

9. De stichting en de zorgaanbieder zenden het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan gedeputeerde staten, aan de inspectie en aan de betrokken cliŽntenorganisaties.

Hoofdstuk XIII. Bijdrage in de kosten van jeugdzorg

Artikel 69

1. De onderhoudsplichtige ouders, degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen daaronder begrepen, de onderhoudsplichtige stiefouder van een jeugdige en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige, zijn aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van aan een jeugdige geboden jeugdzorg van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vorm die verzorging en verblijf omvat, waarop hij ingevolge deze wet aanspraak heeft of in de kosten van verblijf in een justitiŽle jeugdinrichting van een jeugdige die met toepassing van artikel 261, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aldaar is geplaatst.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de hoogte van de bijdrage, die naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de zorg kan verschillen.

3. Indien ten aanzien van een jeugdige meer dan ťťn persoon de ouderbijdrage verschuldigd is, is ieder der bijdrageplichtigen de ouderbijdrage verschuldigd met dien verstande dat, indien de een heeft betaald, de ander is bevrijd.

Artikel 70

1. Een jeugdige aan wie jeugdzorg wordt geboden als bedoeld in artikel 69, eerste lid, is aan de zorgaanbieder een bijdrage verschuldigd in de kosten van de zorg.

2. De eigen bijdrage wordt vastgesteld naar het inkomen van de jeugdige. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het inkomen dat bij de vaststelling van de bijdrage in aanmerking wordt genomen en omtrent de hoogte van de bijdrage.

Artikel 71

1. Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien:

a. de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door zijn ouders wordt verzorgd en opgevoed;

b. de ouders van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of ontzet;

c. het verblijf en de verzorging worden geboden in een acute noodsituatie, zulks voor de duur van ten hoogste zes weken;

d. aan een minderjarige jeugdige nog jeugdzorg wordt geboden als bedoeld in artikel 69 na schriftelijk aan het landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen kenbaar gemaakt bezwaar door degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die tot verlening van zodanige zorg strekt of die deze noodzakelijk maakt;

e. het bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 70, tweede lid, te bepalen inkomen van de jeugdige een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag te boven gaat.

2. Geen ouderbijdrage is verschuldigd door de ouder of stiefouder ten aanzien van wie de rechter op de voet van de artikelen 406 en 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een bedrag heeft bepaald dat hij periodiek moet betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind of stiefkind.

Artikel 72

Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en er geen bedrag is bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is de ouder of stiefouder die ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de zorg recht op kinderbijslag heeft, de ouderbijdrage verschuldigd.

Artikel 73

1. De ouderbijdrage wordt vastgesteld en geÔnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

2. De eigen bijdrage wordt vastgesteld door de betrokken zorgaanbieder. Deze is tevens met de inning belast.

Artikel 73a

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kan in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen bepalen dat de verschuldigde ouderbijdrage, bedoeld in artikel 69, eerste lid, buiten invordering wordt gesteld.

Artikel 74

1. De bijdrageplichtige, bedoeld in artikel 69, eerste lid, is verplicht aan de betrokken stichting desgevraagd alle inlichtingen te geven die nodig zijn voor de vaststelling en inning van de ouderbijdrage.

2. De jeugdige, die ingevolge artikel 70, eerste lid, een eigen bijdrage verschuldigd is, is verplicht aan de zorgaanbieder die belast is met de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage alle inlichtingen te geven die deze daartoe nodig heeft.

3. De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door degene die belast is met de vaststelling en de inning van de bijdrage schriftelijk te stellen, redelijke termijn.

4. Een zorgaanbieder doet, als zich een geval als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onder e, voordoet, daarvan mededeling aan degene die belast is met de vaststelling van de ouderbijdrage.

Artikel 75

Degene die belast is met de vaststelling van de bijdrage deelt de bijdrageplichtige schriftelijk mede welke bijdrage is verschuldigd en binnen welke termijn het verschuldigde bedrag telkens moet worden voldaan.

Artikel 76

1. Indien de bijdrage voor het geheel of voor een deel niet tijdig is betaald, kan degene die belast is met de inning, van een bijdrageplichtige de verschuldigde bedragen, vermeerderd met de aan de invordering verbonden kosten van aanmaning, betekening en executie, invorderen.

2. Geen invordering geschiedt dan nadat de bijdrageplichtige schriftelijk is aangemaand om alsnog binnen veertien dagen na dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de bijdrageplichtige anders door de middelen bij wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen.

3. Indien de bijdrageplichtige na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering geschieden bij een door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen uit te vaardigen dwangbevel, dat meebrengt het recht de roerende en onroerende goederen van de bijdrageplichtige zonder vonnis aan te tasten.

4. De betekening van het dwangbevel geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van dagvaardingen.

5. Het dwangbevel wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten.

6. De bijdrageplichtige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Het verzet vangt aan met een dagvaarding door de bijdrageplichtige als eiser aan degene die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat de mededeling bedoeld in artikel 75 of de aanmaning niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de bijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

7. Voor de toepassing van deze wet kan degene die belast is met de inning executoriaal beslag onder derden leggen door van het dwangbevel in afschrift mededeling te doen aan de derde beslagene. Artikel 479 g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten

Artikel 77

[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1.]

Artikel 78

[Wijzigt de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.]

Artikel 79

[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.]

Artikel 80

[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.]

Artikel 81

[Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.]

Artikel 82

[Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.]

Artikel 83

[Wijzigt de Algemene bijstandswet.]

Artikel 84

[Wijzigt de Algemene nabestaandenwet.]

Artikel 85

[Wijzigt de Werkloosheidswet.]

Artikel 86

[Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.]

Artikel 87

[Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.]

Artikel 88

[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.]

Artikel 89

[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.]

Artikel 90

[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.]

Artikel 91

[Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.]

Artikel 92

[Wijzigt de Ziektewet.]

Artikel 93 [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 94

[Wijzigt de Uitvoeringswet verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen.]

Artikel 95

[Wijzigt de Welzijnswet 1994.]

Artikel 96

[Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.]

Artikel 97

[Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand.]

Artikel 98

[Wijzigt de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie.]

Artikel 99

[Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.]

Artikel 100

[Wijzigt de Wet arbeid en zorg.]

Artikel 101

[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]

Hoofdstuk XV. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 102

1. Elke voogdij en voorlopige voogdij, opgedragen aan een rechtspersoon die op grond van artikel 60, eerste lid, onder a, van de Wet op de jeugdhulpverlening aanvaard is als voogdij-instelling en die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als de in artikel 4, eerste lid, bedoelde stichting wordt aangemerkt, berust met ingang van dat tijdstip bij die stichting. Een voogdij en een voorlopige voogdij, opgedragen aan een andere rechtspersoon dan die bedoeld in de eerste volzin, gaat van rechtswege over op de stichting in de provincie waar de minderjarige woonplaats heeft. Overgang van de voogdijen en de voorlopige voogdijen geschiedt niet met betrekking tot die welke de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uitoefent.

2. Het eerste lid, eerste en tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van gezinsvoogdij-instellingen, genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het uitoefenen van het voorlopig toezicht, bedoeld in artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek alsmede de bevoegdheden en taken van gezinsvoogdij-instellingen genoemd in de artikelen 77f, eerste lid, onder a, 77j, vijfde lid , 77aa, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, en in de maatregel krachtens artikel 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht of in artikel 493, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, een en ander zoals die bepalingen tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet luidden. Overgang met betrekking tot de taken, genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en het uitoefenen van het voorlopig toezicht, bedoeld in artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, geschiedt niet voor wat betreft de gezinsvoogdijen die de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uitoefent.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de kinderrechter op verzoek van bloed- en aanverwanten van de minderjarige, van de raad voor de kinderbescherming, van belanghebbenden of ambtshalve, de voogdij opdragen aan de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, die werkzaam is in de provincie waar de minderjarige verblijft ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet, alsmede een minderjarige onder toezicht stellen van een zodanige stichting.

4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid kan tot zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet worden gedaan.

Artikel 103

1. Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, ontvingen van een voorziening van jeugdhulpverlening in de zin van de Wet op de jeugdhulpverlening hebben, tot het tijdstip waarop de bevoegde stichting een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, in afwijking van artikel 3, derde lid, aanspraak op jeugdzorg te verlenen door de betrokken voorziening van jeugdhulpverlening.

2. Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak hadden op jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, behouden deze aanspraak tot de bevoegde stichting een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, of artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toepassing heeft gevonden.

3. De bevoegde stichting neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, op het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, is verstreken, doch in ieder geval vůůr 1 januari 2006.

Artikel 104

1. Onze Ministers kunnen tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, in de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder a, de kosten verwerken van de door de provincie te verstrekken subsidie aan het bureau jeugdzorg ten behoeve van de uitoefening van de voogdij, de ondertoezichtstelling of de taken bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d waarbij de taak wordt uitgevoerd door een persoon in dienst van een door Onze Ministers aan te wijzen instelling, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Wet op de jeugdhulpverlening met een landelijk bereik die in het jaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet als instelling met een landelijk bereik subsidie ontving, voor zover dit nodig is om de continuÔteit van de werkzaamheden van die instelling voor hun doelgroep te garanderen.

2. Onze Ministers kunnen tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, in de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder b, de kosten verwerken van de door de provincie te verstrekken subsidie aan een door Onze Ministers aan te wijzen uitvoerder van een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening die in het jaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet als landelijke voorziening subsidie ontving, voor zover dit nodig is om de continuÔteit van hun zorgaanbod te garanderen.

Artikel 105

Een beslissing van een stichting, de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een zorgaanbieder op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 van die wet gelden, ook voor zover de stichting, de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of de zorgaanbieder de beslissing heeft genomen als bestuursorgaan, voor de toepassing van Hoofdstuk 8 van die wet, als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan.

Artikel 106

1. Stichtingen stellen uiterlijk zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58, tweede lid, een regeling vast als bedoeld in dat artikellid.

2. Stichtingen treffen uiterlijk drie maanden nadat de in het eerste lid bedoelde regeling is vastgesteld, de voorzieningen die op grond van die regeling noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van de cliŽntenraad.

3. De artikelen 59 en 60 blijven buiten toepassing met betrekking tot besluiten, genomen vůůr de datum van benoeming van de leden van de cliŽntenraad.

4. De statuten van de stichting zijn uiterlijk zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 63 in overeenstemming met dat artikel.

5. Stichtingen treffen de in artikel 68 bedoelde regeling binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dat artikel.

Artikel 107

1. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]

2. In afwijking van artikel 32, eerste lid, wordt bij regeling van Onze Ministers de inhoud van het uitvoeringsprogramma, bedoeld in het eerste lid, en van het daarop volgende uitvoeringsprogramma geregeld.

3. In afwijking van artikel 36, tweede lid, wordt bij regeling van Onze Ministers de inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in het eerste lid, en van de daarop volgende twee voortgangsrapportages geregeld.

Artikel 108

1. Indien de aanvaarding van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek eindigt, gaat met ingang van het tijdstip van de beŽindiging elke voogdij die was opgedragen aan die rechtspersoon van rechtswege over op de stichting in de provincie waar de desbetreffende minderjarige duurzaam verblijft.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de aanvaarding van de in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtspersoon eindigt.

Artikel 109

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekend gemaakt en aan eenieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Ministers te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Artikel 110

1. Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

2. Het verslag als bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval:

a. een evaluatie van de waarde van de provincie als verantwoordelijke bestuurslaag;

b. de aansluiting van de landelijke, provinciale en locale jeugdzorg;

c. een evaluatie van de continuÔteit van de zorg in het gezin;

d. het bestaan van wachtlijsten, en

e. een evaluatie van de werking van de bekostigingssystematiek.

Artikel 111

1. De Wet op de jeugdhulpverlening wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de financiŽle verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van die wet verleende subsidies en uitkeringen.

2. In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, blijven, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van toepassing, die golden voor de intrekking van die wet.

Artikel 112

1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2. Artikel 78, onderdeel D, treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Bij koninklijk besluit kan een later tijdstip worden bepaald, indien de beschikbare plaatsruimte in de desbetreffende justitiŽle jeugdinrichtingen zulks noodzakelijk maakt.

3. Tot het tijdstip waarop artikel 78, onderdeel D, in werking treedt, is plaatsing van een jeugdige als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, slechts mogelijk indien de stichting een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de jeugdige op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit, bedoeld in de eerste volzin niet kan worden afgewacht. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in die volzin.

4. Tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, luidt artikel 5, tweede lid, onder d, als volgt:

d. jeugdzorg te verlenen door een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

5. Voor de toepassing van artikel 10 en van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, een besluit als bedoeld in het derde lid gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

6. Tot het tijdstip waarop artikel 78, onderdeel D, in werking treedt, is artikel 10, eerste lid, onder g, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een plaatsing in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

Artikel 113

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de jeugdzorg.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 22 april 2004

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp

De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

Uitgegeven de zesde juli 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

Tot uw dienst. De frontale opsporingsactie jeugdzorg tegen ouders en het opzetten van kinderen door school en jeugdzorg tegen hun ouders


De jeugdzorg werkt NIET transparant, zal u altijd proberen te naaien met voor u geheime werkaantekeningen en voor u geheime "succesvolle tegenwerking" en voor u "geheime onderonsjes met kinderrechters buiten de hoorzittingen om". Het is essentieel om steeds systematisch en procedureel te werken om de "geheime werkaantekeningen" en de geheime "succesvolle tegenwerking" en voor u geheime "onderonsjes met kinderrechters buiten de hoorzittingen om" in uw zaak duidelijk zichtbaar te maken.
574 Kinderrechter pleegt zelfmoord en springt voor de trein in Utrecht
780 De Zaanse Verhoormethode in de jeugdzorg
80   Succesvolle tegenwerking van ouders door "jeugdzorg" bij kinderbeschermingsmaatregelen
6     Risicofactoren jeugdzorg, de weerzinwekkende partijdigheid van het rechtersleger voor jeugdzorg en RvdK
1000 U kruist steeds aan met welke kenmerken van organisatiecriminaliteit u te maken heeft
Werkwijze jeugdzorg Gelderland en politie: http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2012/03/video_jeugdzorg_en_politie_hou.html
177 En hoe ging het eigenlijk verder na het weghalen van die kinderen door "jeugdzorg"
547 Frontale opsporingsactie jeugdzorg tegen ouders, omschrijving complot
123 Geschiedenis! Hop deelt duizenden uitnodigingen uit voor ingang rechtbank Den Bosch
132 Zicht op exploitatie van uw kinderen door jeugdzorg. Volg de enorme geldstromen!
689 Zicht op exploitatie kinderen. Bij gelijke geschiktheid een allochtoon. Interculturele jeugdzorg, door Max Wattimena Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (Omdat het werkgelegenheidsaspect bij deze projecten voorop staat, bestaat de kans dat de instromers niet al te veel affiniteit hebben met de jeugdzorg. Of dat men bij de werving voor het project nauwelijks eisen stelt aan het opleidingsniveau van de werkzoekenden, zoals in Amsterdam is gebeurd.)
s41052011 Zicht op exploitatie kinderen. Jeugdzorg in Nederland is niet kindgericht maar gericht op SCHAALVERGROTING!
189 Zicht op exploitatie kinderen. Salarissen overheidspersoneel
174 Geld en arbeidsproductiviteit. Geef jeugdzorg de controle over valuta en het maakt ze niet meer uit wie wetten maakt
217 Geld en arbeidsproductiviteit. Voorkom problemen, weg met de jeugdzorg maak geen schulden en leen geen geld
219 Media. Als je de gesubsidieerde leugens van de leugens maar vaak genoeg herhaald gaan mensen dat geloven
429 Media. Iedere Nederlander behoort de geschiedenis van de Omroepbijdrage te kennen
246 Media -
CDA - mentaliteit in Nederland RAMP voor kinderen/ouders die met "jeugdzorg"te maken krijgen
721 De gevaren van de rechtspraak in Nederland, door J. Hop
79 President rechtbank Maastricht: "Wie de zaken verdeeld kan de uitspraak beÔnvloeden"
7 U begint met systematisch werken, probeert jeugdzorgpersoneel uit te horen tijdens ieder gesprek
Inzicht in denk- en werkwijze "jeugdzorg" 72 73 97 122 339 388 436 437 445 481 545 549 600 602 617
108Handleiding voor ieder gesprek tussen ouder en gezinsvoogd
134 Zorg dat u de omschrijving van een verdachte goed kent en ook steeds opnieuw toepast!
101 Modelklacht tegen gezinsvoogd, geen vermelding beroepsmogelijkheden onder BESLUIT
3 De zes wetten van Hop, uitgangspunt in iedere procedure
145 Gemeente Ermelo (
CDA bestuur) praktijk voorbeeld zinloos klagen over onjuiste/geen ontvangstbevestiging
664 Model klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen Info: (653)(470)
123 Organisatiecriminaliteit. Hop: Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is fraude!
550 Model informatieverzoek justitieel informatieregister Info: (OM)
355 Model informatieverzoek politie
173 14-daags informatieverzoek school bij kinderbeschermingsmaatregelen
464 Model informatieverzoek school m.b.t. welzijn en ontwikkeling minderjarige
465 Model informatieverzoek school m.b.t. afschrift complete dossiers
173 Iedere 14 dagen een informatieverzoek naar school bij kinderbeschermingsmaatregelen
403 Geld, school, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), geld en de geheime onderonsjes COMPLOT TEGEN OUDERS!
102 Model informatieverzoek bureau jeugdzorg Info: (20)(815)
226 Model informatieverzoek bureau jeugdzorg, incl. verzoek OR, beŽindiging UHP
575 Model informatieverzoek Voorziening voor Pleegzorg Info: (505)
110 Model informatieverzoek gemeente. Info: (623)
509 Model bezwaarschrift gemeente tegen uitschrijving kind van uw woonadres
311 Jeugdzorg en Raad voor de Kinderbescherming werken samen TEGEN OUDERS!
664 Model klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen Info: (653)(470)
81 Klacht 81 ouder(s) tegen BESLUIT jeugdzorg=STICHTING om RvdK te verzoeken onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
385 Model klacht tegen BESLUIT RvdK om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
497 U maakt bezwaar tegen het benaderen van informanten door de RvdK
339 Landelijke afspraak tussen jeugdzorg en kinderrechters: Verzoekschriften geen ’inhoudelijke’ informatie meer hoeven te bevatten!
227 Faxverzoek aan de kinderrechter direct faxen na ontvangst van een oproep hoorzitting
756 Faxverzoek aan de kantonrechter/politierechter direct faxen na ontvangst van een oproep hoorzitting
360 Model verweerschrift tegen verzoekschrift RvdK om OTS van uw kind
361 Model verweerschrift tegen verzoekschrift RvdK om machtiging uithuisplaatsing van uw kind
663 Verzoekschrift omgangsregeling bij KIR na BESLUIT jeugdzorg
636 Model verzoek om compleet afschrift contactjournaal jeugdzorg
255 Model klacht tegen BESLUIT weigering compleet contactjournaal jeugdzorg
637 Model verzoek om compleet afschrift contactjournaal RvdK
170 Model klacht tegen BESLUIT weigering compleet afschrift contactjournaal RvdK
639 Modelklacht tegen indicatiebesluit
642 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel indicatiebesluit te toetsen
640 Modelklacht tegen Plan van Aanpak
366 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel Plan van Aanpak te toetsen
641 Modelklacht tegen HVP Zorgverlener
499 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel HVP Zorgverlener te toetsen
443 Modelklacht tegen gezinsvoogd PvA/indicatiebesluit naar KIR zonder inzichten
657 Verzoek KIR retour sturen PvA/indicatiebesluit zonder inzichten ouder
679 Modelverzoek wraking rechter meenemen naar iedere hoorzitting rechter en toetsen met info 457
658 Checklist ouder voor procederen bij de kinderrechter
263 Na (afloop) hoorzitting rechter levert u verzoek afschrift PV in bij de informatiebalie
384 Modelklacht tegen weigering afgifte proces-verbaal van de hoorzitting
124 Wraking Kamer van Toezicht Notarissen Zwolle met Hop GEGROND!
VOORVRAAG handelt de notaris in het belang van de burger of in belang van de belastingdienst?
Belasting vrijstelling voor een kind is ruim 48000 euro.
Belasting vrijstelling voor een pleegkind minder dan 5 jaar in het gezin is 2000 euro.
Waarom wordt in de praktijksituatie een pleegkind langer dan 5 jaar niet als kind aangemerkt?
Hoe wordt de juridische situatie van UHP kinderen met criteria en welke termijnen aangemerkt?
Hoe wordt de juridische situatie van kinderen aangemerkt als ouders uit het gezag zijn gezet?
Hebben kinderen recht op (kinds)deel erfenis als hun ouders uit het gezag zijn gezet?
Waarom zitten er vertegenwoordigers van de belastingdienst in de Kamers van Toezicht notarissen?
418 Vervang parkeerbedrijf door jeugdzorg en/of RvdK mbt de bewijslast
Rechtbanktraining waarheidsvinding: Kloppen de nevenfuncties bestuurders, gemeentesecretaris en griffier van uw gemeente?
Info Hop:A-B-C-D-E-F-G-H-I-J-K-L-M-N-O-P&Q-R-S-T-U-V-W-X-Y-Z
Welke kandidaten/bestuurders in uw gemeente hadden/hebben niet opgegeven baantjes in de stembureaus tijdens verkiezingen gemeenteraad om de uitslag te beÔnvloeden door zelf stemmen te tellen, stemmen van andere partijen op het stapeltje van de eigen partij te leggen en/of stemmen van andere partijen ongeldig te maken en/of nog even een praatje te maken in het stembureau om de kiezer vlak voor dat deze gaat stemmen te kunnen beÔnvloeden?
Tenslotte heeft u een kopie ontvangen van het contract dat is afgesloten tussen jeugdzorg en gemeente met daaronder welke namen en handtekeningen om de jeugdzorg over te dragen naar de gemeente en is dit contract in uw gemeente wel of niet in de gemeenteraad besproken? Indien neen, waarom niet?
Correcties, verbeteringen, aanvullingen internet informatie, procedureel weerwerk tegen de jeugdzorgindustrie
Contact J. Hop.

 

top
Groep Hop ©
Startpagina procedureel weerwerk tegen jeugdzorg, RvdK en bij de kinderrechter ©
De website www.groephop.nl is het eigendom van verzetsstrijder, politicus, schrijver, journalist Dhr. J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.
Plaats uitgave: Ermelo. Uitgever: Hop Ermelo. Disclaimer 2014 en vrijwaring. Op alle websites van Groep Hop is een 2014 disclaimer van toepassing. Procedures inzake publicatie van nieuwsfeiten, vrijheid van drukpers, belemmering vrijheid van meningsuiting, belemmering politieke activiteiten, gerechtvaardigde verdediging van Hop tegen improductieve bureaucratie en/of voor de overheid vrijwel altijd partijdige rechtspraak tegen politicus, schrijver, journalist Hop uitsluitend via de rechtbank Gelderland met gelijktijdig verzoek om beeld- en geluidsopnames te mogen maken van de complete hoorzitting t.b.v. publicatie op bovengenoemde websites. Door mijn website te raadplegen accepteert u mijn vrijwaring. Hop streeft ernaar, op een integere wijze, dat alle informatie op de websites correct is. Hop verleent ten aanzien van die informatie echter geen enkele garantie, noch kan Hop worden geacht een dergelijke garantie stilzwijgend te hebben verleend. Hop zal in geen geval aansprakelijk zijn voor schade van welke aard dan ook, waaronder directe, indirecte of gevolgschade, voortvloeiend uit of in verband met het gebruik of betreden van deze website.