CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Besluit van 16 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de jeugdzorg (Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg)

 

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordrachten van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2408602, van 13 mei 2004, kenmerk DJB/JZ-481048, van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2409926, van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2408604, van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2408605, van 13 november 2003, kenmerk DJB/JZ-2422233 en van 6 mei 2004, kenmerk DJB/JZ-2481049, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie;

Gelet op artikel 3, eerste en vijfde, achtste en negende lid, artikel 5, tweede lid, onder b, artikel 6, vijfde lid, artikel 13, zevende lid, artikel 38, vijfde lid, en artikel 57, derde lid, de artikelen 69, eerste en tweede lid, 70, tweede lid, 71, eerste lid, onder e, en 112, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg, artikel 9b, tweede en vijfde lid van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, artikel 11a, eerste lid, derde en vierde volzin, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, artikel 238, vijfde lid, van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

De Raad van State gehoord (adviezen van 24 november 2003, nr. W13.03.0399/III, van 30 augustus 2004, nr. W13.04.0213/III, van 24 november 2004, nr. W13.03.0396/III, van 24 november 2003, nr. W13.03.0398/III, van 24 november 2003, nr. W13.03.0397/III, van 19 december 2003, nr. W13.03.0476/III en van 3 augustus 2004, nr. W13.04.0210/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2004, DJB/JZ-2537954, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepaling

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.

de wet: de Wet op de jeugdzorg;

b.

indicatiebesluit: een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet;

c.

aanvrager: degene die de aanvraag indient voor een indicatiebesluit;

d.

jeugdhulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 3;

e.

verblijf: verblijf als bedoeld in artikel 4;

f.

observatiediagnostiek: observatiediagnostiek als bedoeld in artikel 5;

g.

inrichting: een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen;

h.

vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;

i.

advies- en meldpunt kindermishandeling: de stichting bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e, van de wet;

j.

advies: advies over de handelingsmogelijkheden bij een vermoeden van kindermishandeling;

k.

melding: een melding van kindermishandeling of van een vermoeden daarvan;

l.

jeugdreclassering: de stichting bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet;

m.

gekwalificeerde gedragswetenschapper: degene die lid is van het Nederlands Instituut voor Psychologen en is opgenomen in het Register Klinisch Psychologen of het register Kinder- en Jeugdpsychologen en beschikt over de Basisaantekening Psychodiagnostiek van dit instituut of degene die lid is van de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen en Onderwijskundigen en geregistreerd is als Orthopedagoog-Generalist dan wel een BIG-geregistreerde gezondheidszorgpsycholoog;

n.

voogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet;

o.

gezinsvoogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet;

p.

jeugdreclasseringswerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet.

 

Hoofdstuk 2. Aanspraken op jeugdzorg ingevolge de wet

Artikel 2

De aanspraak op jeugdzorg ingevolge de wet omvat: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek.

Artikel 3

1.

Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een:

a.

jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen;

b.

cliŽnt, niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in het gezin het hoofd kan bieden.

2.

Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor zover:

a.

de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of

b.

de psychosociale, psychische of gedragsproblemen hun oorzaak vinden of mede vinden in een psychiatrische aandoening van een jeugdige die zodanig van aard is dat een psychiatrische aanpak van de problemen noodzakelijk is.

Artikel 4

1.

Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder.

2.

Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover:

a.

de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders,

b.

het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een psychiatrische of somatische aandoening of beperking of

c.

het verblijf in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen betreft.

3.

In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf:

a.

indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat;

b.

als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige.

4.

Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in artikel 3.

 

Artikel 5

1.

Observatiediagnostiek omvat het onderzoeken van een jeugdige gericht op het verkrijgen van gegevens die een stichting nodig heeft voor het nemen van een indicatiebesluit.

2.

Geen aanspraak op observatiediagnostiek bestaat als aannemelijk is dat een jeugdige is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet.

3.

Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat slechts indien voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, observatie tijdens verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan noodzakelijk is.

4.

Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat voor een termijn van ten hoogste zes weken. De aanspraak kan eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd.

Artikel 6

1.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld over de omvang van en de voorwaarden waaronder aanspraak op jeugdhulp, verblijf of observatiediagnostiek bestaat.

2.

Een regeling als bedoeld in het eerste lid, vervalt drie jaar na haar inwerkingtreding.

 

Hoofdstuk 3. Aanspraken vreemdelingen

Artikel 7

Als categorie niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen tot wie de aanspraken ingevolge de wet worden uitgebreid, wordt aangemerkt de categorie vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben en die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt.

Artikel 8

1.

Een vreemdeling als bedoeld in artikel 7, heeft, aanspraak op jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek.

2.

Deze vreemdeling heeft geen aanspraak op verblijf bij een pleegouder tenzij verblijf bij een pleegouder in het belang van de ontwikkeling van die vreemdeling geboden is. Indien een stichting voor een vreemdeling verblijf bij een pleegouder geboden acht, wordt in het indicatiebesluit aangegeven waarom zij verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder niet aangewezen acht.

 

Hoofdstuk 4. Aanwijzing van vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen ten aanzien waarvan de stichting tot taak heeft vast te stellen op welke zorg een cliŽnt is aangewezen

Artikel 9

Als vormen van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet worden aangewezen: huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding, behandeling en verblijf als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychisch of psychosociaal probleem doch slechts voorzover deze zorg of het verblijf betrekking heeft op een jeugdige.

 

Hoofdstuk 5. Rechtstreekse verwijzing naar de geestelijke gezondheidszorg

Artikel 10

1.

Als beroepsgroep als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt aangewezen de beroepsgroep huisarts.

2.

Met een huisarts wordt gelijkgesteld de arts naar wie de huisarts een jeugdige heeft verwezen, alsmede de andere behandelaar van een jeugdige die in verband met een psychische stoornis een aanspraak heeft op grond van die wet waaraan geen indicatiebesluit ten grondslag ligt, omdat artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toepassing heeft gevonden.

3.

Met een huisarts wordt bovendien gelijkgesteld de arts, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, voor zover het betreft jeugdigen die anders dan met toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wet boek in een inrichting zijn geplaatst.

Artikel 11

Als psychische stoornis als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt aangewezen de psychische stoornis, beschreven op as I of as II van het classificatiesysteem Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders.

Artikel 12

Als ernst als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt aangegeven het functioneren van een jeugdige op een psychisch niveau dat leidt tot een score van 40 of minder op de Children’s Global Assessment Scale in de Nederlandse vertaling van 1994 dan wel een score van 50 als het betreft een jeugdige waarbij sprake is van een ernstig verminderd functioneren op ťťn van de in de schaal opgenomen terreinen, terwijl redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit verminderde functioneren samenhangt met de psychische stoornis.

Artikel 13

Indien artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toepassing heeft gevonden, geeft de betrokken huisarts, arts of andere behandelaar, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aan de stichting, die werkzaam is in de provincie waar de betrokken jeugdige duurzaam verblijft, gemotiveerd aan welke psychische stoornis hij vermoedt aanwezig te zijn en op welk psychisch niveau de jeugdige functioneert.

Hoofdstuk 6. Aanspraak in spoedeisende situaties

Artikel 14

1.

Een cliŽnt heeft, in afwijking van artikel 3, derde lid, van de wet, in situaties waarin naar het oordeel van de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, onmiddellijke verlening van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder a, respectievelijk d, van de wet, geboden is, aanspraak op deze jeugdzorg zonder dat die stichting een indicatiebesluit heeft genomen.

2.

Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid vervalt zodra met betrekking tot de cliŽnt een indicatiebesluit is genomen, doch in ieder geval na vier weken.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing bij plaatsing van een jeugdige in een inrichting.

Hoofdstuk 7. De inhoud van het indicatiebesluit

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 15

Indien de stichting voorziet dat de zorg waarop een cliŽnt is aangewezen niet tijdig beschikbaar is, kan zij vervangende zorg aanduiden, waarop de cliŽnt alsdan is aangewezen. Een cliŽnt is slechts op de vervangende zorg aangewezen tot het moment waarop de eerst aangewezen zorg beschikbaar is of tot de termijn, gedurende welke de aanspraak op de zorg waarop de cliŽnt is aangewezen, is verstreken.

Artikel 16

Indien ten behoeve van ťťn jeugdige meer dan ťťn cliŽnt op zorg is aangewezen geven de indicatiebesluiten de samenhang met de andere besluiten aan.

Artikel 17

Bij regeling van Onze Ministers kan worden geregeld dat een indicatiebesluit inhoudende dat de cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet wordt vastgelegd op een formulier dat overeenkomt met een bij die regeling vast te stellen model.

Paragraaf 2. Het indicatiebesluit aanspraken jeugdzorg

Artikel 18

1.

Indien de stichting vaststelt dat een cliŽnt is aangewezen op jeugdhulp, geeft zij in het indicatiebesluit aan of een cliŽnt is aangewezen op jeugdhulp:

a.

in de thuissituatie of in een accommodatie van een zorgaanbieder;

b.

individueel of in groepsverband.

2.

Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van de benodigde jeugdhulp, uitgedrukt in een minimum en een maximum aantal contacturen, waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van het minimum en maximum bedraagt.

Artikel 19

1.

Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf, geeft zij in het indicatiebesluit aan of de jeugdige is aangewezen op verblijf bij een pleegouder, dan wel op verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder.

2.

Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van het benodigde verblijf, uitgedrukt in het benodigde aantal uren per etmaal en het aantal dagen waarover de uren worden gespreid.

3.

Het aantal dagen waarover de uren worden gespreid wordt uitgedrukt in een minimum en maximum aantal dagen, waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van het minimum en het maximum bedraagt.

Artikel 20

1.

Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op observatiediagnostiek, geeft zij in het indicatiebesluit aan welke vragen met de observatiediagnostiek beantwoord moeten worden.

2.

Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van de benodigde observatiediagnostiek, uitgedrukt in het benodigde aantal uren per etmaal en het aantal dagen per week waarover deze uren worden gespreid.

Paragraaf 3. Het indicatiebesluit aanspraken geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

Artikel 21

1.

Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in artikel 9, geeft zij in het indicatiebesluit aan op welke van deze vormen de jeugdige is aangewezen.

2.

Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 8, onderscheidenlijk 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, is artikel 18, onderscheidenlijk 19 van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ en het betreft niet zorg als bedoeld in artikel 2, onder b van het Zorgindicatiebesluit, is, in afwijking van het tweede lid, artikel 13 van het Zorgindicatiebesluit van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 4. Het indicatiebesluit verblijf in een inrichting op grond van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen

Artikel 22

Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf in een inrichting geeft zij in het indicatiebesluit aan of sprake moet zijn van verblijf in een beperkt beveiligde of normaal beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

Hoofdstuk 8. De termijn gedurende welke de aanspraak geldt en de termijn waarbinnen een aanspraak tot gelding moet worden gebracht

Artikel 23

1.

De in het indicatiebesluit vast te leggen termijn gedurende welke de aanspraak geldt, bedraagt ten hoogste een jaar na de datum waarop de zorg waarin het indicatiebesluit voorziet, is aangevangen, tenzij het betreft:

a.

verblijf bij een pleegouder van een jeugdige die al langer dan twee jaar bij eenzelfde pleegouder verblijft en voorzien wordt dat van terugkeer naar het gezin van herkomst geen sprake kan zijn;

b.

een aanspraak op een vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet in verband met een aandoening die maakt dat een jeugdige langer dan twee jaar is aangewezen op eenzelfde vorm van zorg en voorzien wordt dat de jeugdige op deze vorm van zorg aangewezen blijft.

2.

De in het eerste lid bedoelde termijn is met betrekking tot rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen wier verblijf tijdelijk is als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder q, van het Vreemdelingenbesluit 2000, ten hoogste een half jaar.

3.

De in het eerste lid bedoelde termijn is met betrekking tot vreemdelingen, bedoeld in artikel 7, in overeenstemming met de verwachte duur van het verblijf in Nederland, en ten hoogste een half jaar.

Artikel 24

De in het indicatiebesluit te noemen termijn waarbinnen een aanspraak tot gelding moet worden gebracht, bedraagt ten hoogste dertien weken.

 

Hoofdstuk 9. Kwaliteit en werkwijze bureaus jeugdzorg

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 25

1.

Medewerkers die zijn belast met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, voogdijwerkers, gezinsvoogdijwerkers, jeugdreclasseringswerkers en medewerkers die taken uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling, alsmede medewerkers die belast zijn met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder f tot en met j, van de wet, zijn werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met de stichting of op basis van een detacheringsovereenkomst tussen hun werkgever en de stichting.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan een medewerker anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst of detacheringsovereenkomst bij de stichting werkzaam zijn:

a.

indien hij zodanig gespecialiseerd is dat een arbeidsovereenkomst of een detacheringsovereenkomst een doelmatige werkwijze van de stichting belemmert;

b.

ten behoeve van een tijdelijke functievervulling.

3.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de detacheringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 26

1.

De stichting is zeven maal vierentwintig uur per week telefonisch bereikbaar.

2.

De stichting is zeven maal vierentwintig uur per week beschikbaar voor situaties waarin onmiddellijke uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, of artikel 10, eerste lid, onder a tot en met f, van de wet, geboden is.


info print save

Artikel 27

1.

De stichting informeert de cliŽnt over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm verschaft.

2.

De stichting maakt de cliŽnt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent.

Artikel 28

De stichting stuurt, onverminderd artikel 51 van de wet, aan de huisarts van de cliŽnt een afschrift van het indicatiebesluit of het document waarin de zorg, bedoeld in artikel 8, van de wet, is vastgelegd.

Paragraaf 2. Deskundigheden bureau jeugdzorg

Artikel 29

1.

Ten behoeve van een verantwoorde uitvoering door de stichting van de aan haar bij de wet opgedragen taken, beschikt de stichting over deskundigheid met betrekking tot:

a.

de beoordeling en aanpak van psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel een psychiatrische aandoening van jeugdigen;

b.

de beoordeling en aanpak van opvoedingssituaties die het onbedreigd opgroeien van jeugdigen kunnen belemmeren;

c.

de herkenning van taal- en leerproblemen;

d.

de herkenning van somatische aandoeningen;

e.

de herkenning van lichamelijke of verstandelijke handicaps;

f.

de beoordeling en aanpak van kindermishandeling;

g.

de aanpak van jeugdige delinquenten;

h.

de juridische aspecten van de haar opgedragen taken.

2.

De stichting heeft kennis van het aanbod van zorg.

3.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de opleidings- of deskundigheidseisen van medewerkers van de stichting, van beroepskrachten werkzaam bij de stichting alsmede van de deskundigen, bedoeld in artikel 35.

Paragraaf 3. De taak bezien of een cliŽnt zorg nodig heeft

Artikel 30

1.

Ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, beziet de stichting de problemen van een cliŽnt en de ernst hiervan. Zij onderzoekt hiertoe de psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel de psychiatrische aandoening van de jeugdige, de problemen van de cliŽnt, niet zijnde de jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van de jeugdige belemmeren, en besteedt bovendien aandacht aan de opvoedingssituatie.

2.

De stichting betrekt in haar onderzoek tevens factoren die de ontwikkeling van de jeugdige gunstig beÔnvloeden of kunnen beÔnvloeden.

Artikel 31

De stichting beziet hoe de problemen met inzet van jeugdzorg of andere zorg kunnen worden opgelost, verminderd, of hoe verergering kan worden voorkomen dan wel op welke wijze de cliŽnt kan leren omgaan met de gevolgen van deze problemen

Artikel 32

Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid en 10, eerste lid, onder a tot en met e, van de wet, vindt een multidisciplinaire beoordeling van de problemen plaats, indien de aard van de problematiek dit vergt.

Artikel 33

Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de werkwijze van de stichting bij de uitvoering van de in de artikelen 5, eerste lid, en 10, eerste lid, van de wet, genoemde taken indien het niveau van de uitvoering door de bureaus jeugdzorg dit vereist.

Artikel 34

1.

Het indicatiebesluit komt niet tot stand dan nadat over een ontwerp daarvan in ieder geval overleg is gepleegd met de aanvrager en met degene wiens instemming is vereist op grond van artikel 7, van de wet.

2.

In een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet neemt de stichting geen indicatiebesluit dan na overleg met het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 35

De stichting neemt geen indicatiebesluit dan nadat een ontwerp daarvan ter beoordeling is voorgelegd aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper.

Artikel 36

1.

De stichting laat op verzoek van de cliŽnt de, bij het opstellen van het indicatiebesluit gebruikte test- en onderzoeksgegevens van gedragsdeskundig of psychiatrisch onderzoek, door een deskundige interpreteren en van een advies voorzien, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet. Deze deskundige heeft geen arbeidsovereenkomst met de stichting en is niet werkzaam bij de stichting op basis van een detacheringsovereenkomst en is evenmin bij de behandeling of begeleiding of bij onderzoek van de cliŽnt betrokken geweest.

2.

Uiterlijk veertien dagen nadat de deskundige zijn advies schriftelijk ter kennis heeft gebracht aan de cliŽnt en de stichting, neemt de stichting een indicatiebesluit.

3.

Indien het indicatiebesluit afwijkt van het advies van de deskundige, wordt in het besluit de reden van de afwijking vermeld.

Paragraaf 4. De justitiŽle taken algemeen

Artikel 37

Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan ťťn taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet uitoefent, bevat het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, een beschrijving van de wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden afgestemd.

Artikel 38

Onverminderd artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet stelt de stichting bij beŽindiging van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin beschreven wordt op welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het rapport wordt aangegeven of de jeugdige naar het oordeel van de stichting, behoefte heeft aan nazorg en op welke wijze hierin kan worden voorzien.

Artikel 39

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over het verrichten of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch diagnostisch onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet, dat een rechterlijke beslissing vereist.

Paragraaf 5. Het uitoefenen van de voogdij

Artikel 40

1.

De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de voogdij aan haar is opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet.

2.

Het plan bevat in ieder geval:

a.

een beschrijving van de doelen die met de voogdij worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,

b.

de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,

c.

een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige,

d.

een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en

e.

een vermelding van de momenten waarop de voogdij geŽvalueerd wordt.

3.

In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige dan wel anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de voogdij worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg.

4.

Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:

a.

de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau, en

b.

de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de minderjarige.

5.

Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.

6.

Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste ťťn maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.

Artikel 41

1.

De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de voogdij aan haar is opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een voogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en zijn ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden.

2.

In deze mededeling worden tevens opgenomen:

a.

de datum van het eerste contact van de voogdijwerker met de minderjarige en

b.

de medewerker van de stichting die de voogdijwerker bij afwezigheid vervangt.

Artikel 42

1.

De stichting houdt zich op de hoogte van de ontwikkeling van de minderjarige die onder haar voogdij staat, de aan hem bestede zorg en diens vermogen.

2.

Het contact tussen de minderjarige en zijn oorspronkelijk milieu wordt bevorderd, tenzij dit contact kennelijk schade zal toebrengen aan de minderjarige.

3.

De stichting bevordert dat de minderjarige persoonlijk contact heeft met een persoon buiten de stichting en dat dit contact gecontinueerd wordt.

4.

De stichting houdt rekening met het belang dat voor de minderjarige kan zijn gelegen in een overgang van het gezag naar de ouders dan wel, indien het belang van de minderjarige dit eist, naar een pleegouder of een ander die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige.

Paragraaf 6. Het uitvoeren van de ondertoezichtstelling

Artikel 43

1.

De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet.

2.

Het plan bevat in ieder geval:

a.

een beschrijving van de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,

b.

de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,

c.

een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd,

d.

een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en

e.

een vermelding van de momenten waarop de ondertoezichtstelling geŽvalueerd wordt.

3.

In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg.

4.

Indien een minderjarige ten minste achttien maanden buiten het ouderlijke gezin is verzorgd en opgevoed, bevat het plan een beschrijving van de doelen van de ondertoezichtstelling op langere termijn waarbij aandacht wordt besteed aan de continuÔteit van de verblijfplaats van de minderjarige.

5.

Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:

a.

de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau en

b.

de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zou toebrengen aan de minderjarige.

6.

Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.

7.

Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste ťťn maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.

Artikel 44

1.

De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een gezinsvoogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd.

2.

In deze mededeling worden tevens opgenomen:

a.

de datum van het eerste contact van de gezinsvoogdijwerker met de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd,

b.

de medewerker van de stichting die de gezinsvoogdijwerker bij diens afwezigheid vervangt,

c.

informatie over de bevoegdheden van de stichting bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling en

d.

de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 259, eerste lid, artikel 260, eerste lid, en artikel 263, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gedaan.

3.

De stichting kan, al dan niet op verzoek van de minderjarige, de met het gezag belaste ouder of voogd, een andere medewerker als gezinsvoogdijwerker aanwijzen.

Artikel 45

De stichting beziet bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling regelmatig of een ontheffing van de ouders als bedoeld in artikel 268 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek overwogen moet worden. Zodra de stichting tot het oordeel komt dat een ontheffing overwogen dient te worden, stelt zij de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis.

Paragraaf 7. Het uitvoeren van de jeugdreclassering

Artikel 46

1.

De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat zij een taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c of d, van de wet heeft gekregen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet.

2.

Het plan bevat in ieder geval:

a.

een beschrijving van de doelen die met de jeugdreclassering worden nagestreefd , zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,

b.

de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,

c.

een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de jeugdige,

d.

een vermelding van de wijze waarop de ouders, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zal worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en

e.

een vermelding van de momenten waarop de wijze waarop de jeugdreclassering wordt uitgevoerd, geŽvalueerd wordt.

3.

In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de jeugdige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de jeugdreclassering worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg.

4.

Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:

a.

de jeugdige;

b.

de ouders, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de jeugdige.

5.

Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.

6.

Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste ťťn maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.

Artikel 47

1.

De stichting wijst binnen vijf dagen nadat zij een taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c of d van de wet heeft gekregen en zij daarvan op de hoogte is gesteld, een jeugdreclasseringswerker aan, en doet hiervan mededeling aan de jeugdige en de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden.

2.

In deze mededeling wordt tevens opgenomen:

a.

de datum van het eerste contact van de jeugdige met de jeugdreclasseringswerker dat uiterlijk vijf dagen nadat de stichting de taak als bedoeld in eerste lid heeft gekregen, plaats vindt en

b.

de medewerker die de jeugdreclasseringswerker bij afwezigheid vervangt.

Artikel 48

1.

Onverminderd de aan de raad voor de kinderbescherming toekomende taken en bevoegdheden, voldoet de jeugdreclassering aan verzoeken van de rechter en het openbaar ministerie om advies omtrent een jeugdige die wordt verdacht van een strafbaar feit of die op grond daarvan is veroordeeld.

2.

De jeugdreclassering brengt voor zover het de uitvoering betreft van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, geregeld verslag uit aan het openbaar ministerie dat is belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden, over de wijze waarop de jeugdige zich houdt aan de voorwaarden door de rechter of het openbaar ministerie opgelegd.

3.

Indien de jeugdige een opgelegde voorwaarde niet of niet geheel nakomt, meldt de jeugdreclassering dit onverwijld aan het openbaar ministerie.

4.

De jeugdreclassering zendt de raad voor de kinderbescherming een afschrift van het verslag, bedoeld in het tweede lid en de melding, bedoeld in het derde lid.

Artikel 49

1.

Onverminderd artikel 60, vierde lid, legt de stichting de wijze van samenwerking van de jeugdreclassering met de politie, de rechter, het openbaar ministerie, de volwassenenreclassering, inrichtingen en de raad voor de kinderbescherming vast in een protocol.

2.

In het protocol wordt in ieder geval vastgelegd:

a.

een vermelding van welke functionaris het aanspreekpunt is van de jeugdreclassering voor vragen die casuÔstiek overstijgen;

b.

een beschrijving van de wijze waarop taken van de jeugdreclassering en die van de in het eerste lid bedoelde instanties worden uitgeoefend voor zover deze samenhangen of gelijktijdig plaatsvinden;

c.

de wijze waarop en de termijn waarbinnen de instanties, bedoeld in het eerste lid, over individuele zaken worden geÔnformeerd.

Paragraaf 8. De taak het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling

Artikel 50

1.

De stichting legt de wijze waarop de herkenbaarheid en toegankelijkheid van een advies- en meldpunt kindermishandeling binnen het bureau jeugdzorg is georganiseerd, schriftelijk vast.

2.

De stichting draagt er zorg voor dat het advies- en meldpunt kindermishandeling is aangesloten op het daartoe bestemde landelijke telefoonnummer.

Artikel 51

Een bij de stichting werkzame persoon die taken uitvoert van een advies- en meldpunt kindermishandeling is niet belast met de uitvoering van andere taken van de stichting betreffende een geval van kindermishandeling waarbij deze rechtstreeks betrokken was.

Artikel 52

Bij een advies- en meldpunt kindermishandeling is in ieder geval een arts werkzaam. Deze arts is deskundig op het gebied van kindermishandeling.

Artikel 53

Onverminderd artikel 27, draagt de stichting er zorg voor dat aan iedere betrokkene bij een advies, melding of onderzoek naar aanleiding van een melding bij het eerste contact informatie wordt verschaft over de procedure met betrekking tot een advies, melding of onderzoek, de verwerking van persoonsgegevens, met inachtneming van de artikelen 43, 53 en 54 van de wet, het recht op inzage in of afschrift van de hem betreffende bescheiden alsmede de wijze van behandeling van klachten. Als betrokkenen worden aangemerkt degene die advies vraagt, degene die een melding doet, degene op wie een melding betrekking heeft en degene die om informatie in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een melding wordt verzocht.

Artikel 54

1.

Een advies- en meldpunt kindermishandeling stelt binnen vijf dagen na ontvangst van een melding vast of de melding in onderzoek wordt genomen.

2.

Een advies- en meldpunt kindermishandeling oordeelt binnen dertien weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, of en zo ja tot welke stappen de melding aanleiding geeft.

3.

Onverminderd artikel 32 vindt besluitvorming omtrent een melding plaats door ten minste twee bij de stichting werkzame personen die taken uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling.

Artikel 55

1.

In dit artikel wordt onder persoonsgegeven verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens.

2.

Een advies- en meldpunt kindermishandeling verstrekt aan degene op de persoonsgegevens betrekking hebben, inlichtingen over de herkomst van de persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding verkrijgt.

3.

In afwijking van het tweede lid verstrekt het advies- en meldpunt kindermishandeling geen inlichtingen over de herkomst van persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding heeft verkregen indien:

a.

een persoon die in een beroepsmatige, hulpverlenende of pedagogische relatie tot de minderjarige of zijn gezin staat, de persoonsgegevens naar aanleiding van een melding heeft verstrekt en het verstrekken van die inlichtingen:

1į.

een bedreiging vormt of kan vormen voor de minderjarige of andere minderjarige leden van het gezin waartoe de minderjarige behoort;

2į.

een bedreiging vormt of kan vormen voor die persoon of medewerkers van die persoon;

3į.

leidt of kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met het gezin waartoe de minderjarige behoort;

b.

het andere personen betreft dan die bedoeld onder a, behoudens voor zover zij daarvoor toestemming hebben gegeven.

Hoofdstuk 10. Samenwerking stichting en de raad voor de kinderbescherming

Artikel 56

Indien sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige stelt de stichting de raad voor de kinderbescherming onverwijld in kennis van haar oordeel dat een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden.

Artikel 57

1.

De raad voor de kinderbescherming neemt een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, slechts in onderzoek indien de stichting hem van een dergelijk geval in kennis heeft gesteld.

2.

In afwijking van het eerste lid, neemt de raad voor de kinderbescherming een geval als bedoeld in het eerste lid zonder kennisgeving van de stichting in onderzoek, indien:

a.

er sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige of

b.

bij de uitvoering van enige andere wettelijke taak blijkt dat er sprake is van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden.

3.

Indien een ander dan de stichting de raad voor de kinderbescherming in kennis stelt van een geval waarbij naar diens oordeel, een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, zendt de raad de kennisgeving onverwijld en onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de melder, door aan de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, tenzij de kennisgeving betrekking heeft op een geval als bedoeld in het tweede lid, onder a.

Artikel 58

1.

De raad voor de kinderbescherming doet van het in onderzoek nemen van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen wordt, onverwijld mededeling aan de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de minderjarige duurzaam verblijft.

2.

De raad voor de kinderbescherming informeert de stichting over de resultaten van het onderzoek.

Artikel 59

1.

De stichting informeert de minderjarige en de met het gezag belaste ouder uiterlijk op het moment dat zij de raad voor de kinderbescherming in kennis stelt van haar oordeel dat een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden, tenzij dit kennelijk een bedreiging vormt voor de minderjarige.

2.

Indien de stichting de minderjarige en de met het gezag belaste ouder niet informeert, wordt in de kennisgeving aan de raad voor de kinderbescherming hiervan de reden vermeld.

Artikel 60

1.

De stichting en de raad voor de kinderbescherming leggen de wijze van samenwerken vast in een protocol.

2.

In het protocol worden met betrekking tot de artikelen 56 tot en met 59 in ieder geval vastgelegd:

a.

de wijze waarop de stichting de kennisgeving van een geval als bedoeld in artikel 56 doet,

b.

een beschrijving van de gegevens die de stichting verstrekt bij de kennisgeving op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een beslissing kan nemen of hij het geval in onderzoek neemt,

c.

de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming zijn beslissing over het in onderzoek nemen van een geval aan de stichting kenbaar maakt,

d.

een beschrijving van de werkwijze van de stichting en de raad voor de kinderbescherming voor zover de werkwijze samenhangt of gelijktijdig plaatsvindt en

e.

de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming de stichting informeert over de resultaten van zijn onderzoek.

3.

In het protocol worden met betrekking tot het indicatiebesluit in ieder geval vastgelegd:

a.

de procedure die de stichting hanteert bij het nemen van een indicatiebesluit ingeval de raad voor de kinderbescherming voornemens is een machtiging als bedoeld in artikel 261, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te verzoeken en;

b.

een beschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een indicatiebesluit in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet, verzoekt.

4.

In het protocol wordt met betrekking tot de jeugdreclassering in ieder geval vastgelegd:

a.

een omschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, gebruikt en;

b.

de wijze van samenwerking in het kader van de taak, bedoeld in artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht.

Hoofdstuk 11. Rechtspersonen aanvaard als bedoeld in de artikelen 254 en 302 van boek 1 van het burgerlijk wetboek

Artikel 61

Op een door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon, bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn de artikelen 26, 27 en 38 tot en met 45 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de wijze van uitvoering van de taken door de rechtspersoon past bij de aard van het verblijf van de minderjarige en zijn verwachte verblijfsduur.

Hoofdstuk 12. De taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon en de verplichtingen van stichtingen en zorgaanbieders

Artikel 62

Voor de toepassing van dit hoofdstuk is onder stichting mede begrepen een rechtspersoon als bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 63

Het verlenen door de vertrouwenspersoon van ondersteuning in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de door de zorgaanbieder geboden jeugdzorg, bedoeld in artikel 1, onder w, van de wet, is met name gericht op de uitoefening door de cliŽnt van zijn rechten.

Artikel 64

De stichting onderscheidenlijk de zorgaanbieder deelt aan cliŽnten mee dat een vertrouwenspersoon aan hen op hun verzoek de in artikel 63 bedoelde ondersteuning kan verlenen, wat deze taak inhoudt, en op welke plaats en tijdstippen de vertrouwenspersoon voor cliŽnten bereikbaar en beschikbaar is.

Artikel 65

De vertrouwenspersoon heeft vrije toegang tot de gebouwen van de stichting en de gebouwen, terreinen en ruimten van de zorgaanbieder waar jeugdigen kunnen verblijven, een en ander voor zover dit voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig is. De vertrouwenspersoon behoeft geen toestemming van derden om met een jeugdige te spreken.

Artikel 66

Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde worden aan de vertrouwenspersoon alle inlichtingen verschaft en bescheiden getoond die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft.

Artikel 67

Aan de vertrouwenspersoon worden door de stichting of de zorgaanbieder de faciliteiten verschaft die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft. Daartoe behoren in ieder geval een eigen werkruimte met telefoon en computer en een voorziening waardoor gegevens omtrent cliŽnten waaraan de vertrouwenspersoon ondersteuning verleent op voor anderen niet toegankelijke wijze kunnen worden bewaard.

Artikel 68

De vertrouwenspersoon die ondersteuning verleent aan een cliŽnt, onthoudt zich van ondersteuning van anderen indien zulks een onafhankelijke taakuitoefening jegens die cliŽnt in gevaar kan brengen.

Hoofdstuk 13. Bijdragen in de kosten van jeugdzorg

Artikel 69

Als vorm van zorg waarvoor een bijdrage als bedoeld in de artikelen 69 en 70 van de wet is verschuldigd, wordt aangewezen een tot gelding gebrachte aanspraak op verblijf.

Artikel 70

De hoogte van de ouderbijdrage in de kosten van verblijf is:

a.

indien het verblijf gedurende het etmaal betreft:

1į.

van een jeugdige van 0 tot en met 5 jaar: € 63,78 [Red: Per 10 februari 2006 en terugwerkend tot en met 1 januari 2006: € 64,80.] per maand;

2į.

van een jeugdige van 6 tot en met 11 jaar: € 87,70 [Red: Per 10 februari 2006 en terugwerkend tot en met 1 januari 2006: € 89,10.] per maand;

3į.

van een jeugdige van 12 tot en met 20 jaar: € 111,61 [Red: Per 10 februari 2006 en terugwerkend tot en met 1 januari 2006: € 113,40.] per maand;

b.

indien het verblijf gedurende een deel van een etmaal betreft: de helft van het voor de jeugdige ingevolge in het eerste lid geldende bedrag per maand.

Artikel 71

Bij ministeriŽle regeling worden de bedragen, genoemd in artikel 70, onder a, jaarlijks met ingang van 1 januari opnieuw vastgesteld aan de hand van de consumentenprijsindex.

Artikel 72

1.

De hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van verblijf gedurende het etmaal van een jeugdige die over een inkomen beschikt of die recht kan doen gelden op een inkomen, wordt vastgesteld op een bedrag gelijk aan het netto-maandinkomen, verminderd met eenvierde van het minimumloon dat geldt voor een vijftienjarige of indien de jeugdige zestien jaar of ouder is, het voor die leeftijd geldende minimumloon.

2.

De eigen bijdrage berekend volgens het eerste lid, wordt voor een jeugdige met een netto jaarinkomen uit tegenwoordige arbeid verminderd met een vierde van deze bijdrage. Indien het inkomen uit tegenwoordige arbeid minder is dan € 635,29 op jaarbasis wordt deze bijdrage verminderd met dat inkomen.

3.

Indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een uitkering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000, wordt de bijdrage verminderd met:

a.

het deel van de uitkering dat volgens de normen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bedoeld is voor boeken, leermiddelen of onderwijsbijdrage, en

b.

de te betalen premie voor een door of ten behoeve van de jeugdige gesloten zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.

4.

De eigen bijdrage is niet hoger dan de kosten van het verblijf.

Artikel 73

1.

De ouderbijdrage of eigen bijdrage is verschuldigd over elke dag dat het verblijf heeft geduurd. De dag van aankomst wordt daarbij wel en de dag van vertrek wordt daarbij niet meegerekend als dag van verblijf. Wordt het verblijf beŽindigd op de dag waarop deze is aangevangen, dan is over deze dag de bijdrage verschuldigd.

2.

Indien de bijdrage over een gedeelte van een maand is verschuldigd, bedraagt zij het voor een maand geldende bedrag, gedeeld door dertig en vermenigvuldigd met het aantal dagen dat het verblijf heeft geduurd.

Hoofdstuk 14. Wijziging van andere besluiten

Artikel 74

[Wijzigt het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming.]

Artikel 75

[Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994.]

Artikel 76

[Wijzigt het Reglement justitiŽle jeugdinrichtingen.]

Hoofdstuk 15. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 77

Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, kan de stichting een medewerker van een instelling met een landelijk bereik, die op het moment van inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg als voogdij-instelling op grond van artikel 60, eerste lid, onder a, van de Wet op de jeugdhulpverlening of als gezinsvoogdij-instelling op grond van artikel 60, eerste lid, onder b, van die wet aanvaard was, aanwijzen als voogdij- onderscheidenlijk gezinsvoogdij- of jeugdreclasseringswerker.

Artikel 78

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.

Artikel 79

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 16 december 2004

Beatrix

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,

C. I. J. M. Ross-van Dorp

 

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner

 

Uitgegeven de achtentwintigste december 2004

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner

 

 

 

 

Tot uw dienst. De frontale opsporingsactie jeugdzorg tegen ouders en het opzetten van kinderen door school en jeugdzorg tegen hun ouders


De jeugdzorg werkt NIET transparant, zal u altijd proberen te naaien met voor u geheime werkaantekeningen en voor u geheime "succesvolle tegenwerking" en voor u "geheime onderonsjes met kinderrechters buiten de hoorzittingen om". Het is essentieel om steeds systematisch en procedureel te werken om de "geheime werkaantekeningen" en de geheime "succesvolle tegenwerking" en voor u geheime "onderonsjes met kinderrechters buiten de hoorzittingen om" in uw zaak duidelijk zichtbaar te maken.
574 Kinderrechter pleegt zelfmoord en springt voor de trein in Utrecht
780 De Zaanse Verhoormethode in de jeugdzorg
80   Succesvolle tegenwerking van ouders door "jeugdzorg" bij kinderbeschermingsmaatregelen
6     Risicofactoren jeugdzorg, de weerzinwekkende partijdigheid van het rechtersleger voor jeugdzorg en RvdK
1000 U kruist steeds aan met welke kenmerken van organisatiecriminaliteit u te maken heeft
Werkwijze jeugdzorg Gelderland en politie: http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2012/03/video_jeugdzorg_en_politie_hou.html
177 En hoe ging het eigenlijk verder na het weghalen van die kinderen door "jeugdzorg"
547 Frontale opsporingsactie jeugdzorg tegen ouders, omschrijving complot
123 Geschiedenis! Hop deelt duizenden uitnodigingen uit voor ingang rechtbank Den Bosch
132 Zicht op exploitatie van uw kinderen door jeugdzorg. Volg de enorme geldstromen!
689 Zicht op exploitatie kinderen. Bij gelijke geschiktheid een allochtoon. Interculturele jeugdzorg, door Max Wattimena Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (Omdat het werkgelegenheidsaspect bij deze projecten voorop staat, bestaat de kans dat de instromers niet al te veel affiniteit hebben met de jeugdzorg. Of dat men bij de werving voor het project nauwelijks eisen stelt aan het opleidingsniveau van de werkzoekenden, zoals in Amsterdam is gebeurd.)
s41052011 Zicht op exploitatie kinderen. Jeugdzorg in Nederland is niet kindgericht maar gericht op SCHAALVERGROTING!
189 Zicht op exploitatie kinderen. Salarissen overheidspersoneel
174 Geld en arbeidsproductiviteit. Geef jeugdzorg de controle over valuta en het maakt ze niet meer uit wie wetten maakt
217 Geld en arbeidsproductiviteit. Voorkom problemen, weg met de jeugdzorg maak geen schulden en leen geen geld
219 Media. Als je de gesubsidieerde leugens van de leugens maar vaak genoeg herhaald gaan mensen dat geloven
429 Media. Iedere Nederlander behoort de geschiedenis van de Omroepbijdrage te kennen
246 Media -
CDA - mentaliteit in Nederland RAMP voor kinderen/ouders die met "jeugdzorg"te maken krijgen
721 De gevaren van de rechtspraak in Nederland, door J. Hop
79 President rechtbank Maastricht: "Wie de zaken verdeeld kan de uitspraak beÔnvloeden"
7 U begint met systematisch werken, probeert jeugdzorgpersoneel uit te horen tijdens ieder gesprek
Inzicht in denk- en werkwijze "jeugdzorg" 72 73 97 122 339 388 436 437 445 481 545 549 600 602 617
108Handleiding voor ieder gesprek tussen ouder en gezinsvoogd
134 Zorg dat u de omschrijving van een verdachte goed kent en ook steeds opnieuw toepast!
101 Modelklacht tegen gezinsvoogd, geen vermelding beroepsmogelijkheden onder BESLUIT
3 De zes wetten van Hop, uitgangspunt in iedere procedure
145 Gemeente Ermelo (
CDA bestuur) praktijk voorbeeld zinloos klagen over onjuiste/geen ontvangstbevestiging
664 Model klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen Info: (653)(470)
123 Organisatiecriminaliteit. Hop: Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is fraude!
550 Model informatieverzoek justitieel informatieregister Info: (OM)
355 Model informatieverzoek politie
173 14-daags informatieverzoek school bij kinderbeschermingsmaatregelen
464 Model informatieverzoek school m.b.t. welzijn en ontwikkeling minderjarige
465 Model informatieverzoek school m.b.t. afschrift complete dossiers
173 Iedere 14 dagen een informatieverzoek naar school bij kinderbeschermingsmaatregelen
403 Geld, school, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), geld en de geheime onderonsjes COMPLOT TEGEN OUDERS!
102 Model informatieverzoek bureau jeugdzorg Info: (20)(815)
226 Model informatieverzoek bureau jeugdzorg, incl. verzoek OR, beŽindiging UHP
575 Model informatieverzoek Voorziening voor Pleegzorg Info: (505)
110 Model informatieverzoek gemeente. Info: (623)
509 Model bezwaarschrift gemeente tegen uitschrijving kind van uw woonadres
311 Jeugdzorg en Raad voor de Kinderbescherming werken samen TEGEN OUDERS!
664 Model klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen Info: (653)(470)
81 Klacht 81 ouder(s) tegen BESLUIT jeugdzorg=STICHTING om RvdK te verzoeken onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
385 Model klacht tegen BESLUIT RvdK om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
497 U maakt bezwaar tegen het benaderen van informanten door de RvdK
339 Landelijke afspraak tussen jeugdzorg en kinderrechters: Verzoekschriften geen ’inhoudelijke’ informatie meer hoeven te bevatten!
227 Faxverzoek aan de kinderrechter direct faxen na ontvangst van een oproep hoorzitting
756 Faxverzoek aan de kantonrechter/politierechter direct faxen na ontvangst van een oproep hoorzitting
360 Model verweerschrift tegen verzoekschrift RvdK om OTS van uw kind
361 Model verweerschrift tegen verzoekschrift RvdK om machtiging uithuisplaatsing van uw kind
663 Verzoekschrift omgangsregeling bij KIR na BESLUIT jeugdzorg
636 Model verzoek om compleet afschrift contactjournaal jeugdzorg
255 Model klacht tegen BESLUIT weigering compleet contactjournaal jeugdzorg
637 Model verzoek om compleet afschrift contactjournaal RvdK
170 Model klacht tegen BESLUIT weigering compleet afschrift contactjournaal RvdK
639 Modelklacht tegen indicatiebesluit
642 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel indicatiebesluit te toetsen
640 Modelklacht tegen Plan van Aanpak
366 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel Plan van Aanpak te toetsen
641 Modelklacht tegen HVP Zorgverlener
499 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel HVP Zorgverlener te toetsen
443 Modelklacht tegen gezinsvoogd PvA/indicatiebesluit naar KIR zonder inzichten
657 Verzoek KIR retour sturen PvA/indicatiebesluit zonder inzichten ouder
679 Modelverzoek wraking rechter meenemen naar iedere hoorzitting rechter en toetsen met info 457
658 Checklist ouder voor procederen bij de kinderrechter
263 Na (afloop) hoorzitting rechter levert u verzoek afschrift PV in bij de informatiebalie
384 Modelklacht tegen weigering afgifte proces-verbaal van de hoorzitting
124 Wraking Kamer van Toezicht Notarissen Zwolle met Hop GEGROND!
VOORVRAAG handelt de notaris in het belang van de burger of in belang van de belastingdienst?
Belasting vrijstelling voor een kind is ruim 48000 euro.
Belasting vrijstelling voor een pleegkind minder dan 5 jaar in het gezin is 2000 euro.
Waarom wordt in de praktijksituatie een pleegkind langer dan 5 jaar niet als kind aangemerkt?
Hoe wordt de juridische situatie van UHP kinderen met criteria en welke termijnen aangemerkt?
Hoe wordt de juridische situatie van kinderen aangemerkt als ouders uit het gezag zijn gezet?
Hebben kinderen recht op (kinds)deel erfenis als hun ouders uit het gezag zijn gezet?
Waarom zitten er vertegenwoordigers van de belastingdienst in de Kamers van Toezicht notarissen?
418 Vervang parkeerbedrijf door jeugdzorg en/of RvdK mbt de bewijslast
Rechtbanktraining waarheidsvinding: Kloppen de nevenfuncties bestuurders, gemeentesecretaris en griffier van uw gemeente?
Info Hop:A-B-C-D-E-F-G-H-I-J-K-L-M-N-O-P&Q-R-S-T-U-V-W-X-Y-Z
Welke kandidaten/bestuurders in uw gemeente hadden/hebben niet opgegeven baantjes in de stembureaus tijdens verkiezingen gemeenteraad om de uitslag te beÔnvloeden door zelf stemmen te tellen, stemmen van andere partijen op het stapeltje van de eigen partij te leggen en/of stemmen van andere partijen ongeldig te maken en/of nog even een praatje te maken in het stembureau om de kiezer vlak voor dat deze gaat stemmen te kunnen beÔnvloeden?
Tenslotte heeft u een kopie ontvangen van het contract dat is afgesloten tussen jeugdzorg en gemeente met daaronder welke namen en handtekeningen om de jeugdzorg over te dragen naar de gemeente en is dit contract in uw gemeente wel of niet in de gemeenteraad besproken? Indien neen, waarom niet?
Correcties, verbeteringen, aanvullingen internet informatie, procedureel weerwerk tegen de jeugdzorgindustrie
Contact J. Hop.

 

top
Groep Hop ©
Startpagina procedureel weerwerk tegen jeugdzorg, RvdK en bij de kinderrechter ©
De website www.groephop.nl is het eigendom van verzetsstrijder, politicus, schrijver, journalist Dhr. J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.
Plaats uitgave: Ermelo. Uitgever: Hop Ermelo. Disclaimer 2014 en vrijwaring. Op alle websites van Groep Hop is een 2014 disclaimer van toepassing. Procedures inzake publicatie van nieuwsfeiten, vrijheid van drukpers, belemmering vrijheid van meningsuiting, belemmering politieke activiteiten, gerechtvaardigde verdediging van Hop tegen improductieve bureaucratie en/of voor de overheid vrijwel altijd partijdige rechtspraak tegen politicus, schrijver, journalist Hop uitsluitend via de rechtbank Gelderland met gelijktijdig verzoek om beeld- en geluidsopnames te mogen maken van de complete hoorzitting t.b.v. publicatie op bovengenoemde websites. Door mijn website te raadplegen accepteert u mijn vrijwaring. Hop streeft ernaar, op een integere wijze, dat alle informatie op de websites correct is. Hop verleent ten aanzien van die informatie echter geen enkele garantie, noch kan Hop worden geacht een dergelijke garantie stilzwijgend te hebben verleend. Hop zal in geen geval aansprakelijk zijn voor schade van welke aard dan ook, waaronder directe, indirecte of gevolgschade, voortvloeiend uit of in verband met het gebruik of betreden van deze website.