CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Alle wetten en AMvB betreft JustitiŽle Inrichting. Commentaar en opmerkelijke wetsartikelen volgen na bestudering wetten

 

(Tekst geldend op: 04-07-2006)

Wet op de jeugdzorg Artikel 112

1.   Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2.   Artikel 78, onderdeel D, treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Bij koninklijk besluit kan een later tijdstip worden bepaald, indien de beschikbare plaatsruimte in de desbetreffende justitiŽle jeugdinrichtingen zulks noodzakelijk maakt.

3.   Tot het tijdstip waarop artikel 78, onderdeel D, in werking treedt, is plaatsing van een jeugdige als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, slechts mogelijk indien de stichting een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de jeugdige op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit, bedoeld in de eerste volzin niet kan worden afgewacht. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in die volzin.

4.   Tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, luidt artikel 5, tweede lid, onder d, als volgt:

     d. jeugdzorg te verlenen door een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

5.   Voor de toepassing van artikel 10 en van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, een besluit als bedoeld in het derde lid gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

6.   Tot het tijdstip waarop artikel 78, onderdeel D, in werking treedt, is artikel 10, eerste lid, onder g, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een plaatsing in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

 

 

Wet op de expertisecentra. (Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Artikel 71c.  Bekostiging leerlingen residentiŽle instellingen

1.   Het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, die jaarlijks leerlingen ontvangt uit een residentiŽle instelling en die in aanmerking wenst te komen voor de bekostiging op grond van artikel 112 en voor de bekostiging, bedoeld in artikel 117, achtste lid, dient een verzoek daartoe in bij Onze minister. Onder een residentiŽle instelling wordt verstaan een instelling voor gehandicaptenzorg, jeugdhulpverlening of jeugdgezondheidszorg dan wel een justitiŽle jeugdinrichting, waarbij behandeling of opvang en onderwijs vanuit ťťn plan noodzakelijk is vanwege de aard of de duur van de behandeling of opvang.

2.   Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een opgave van het aantal plaatsen ten behoeve waarvan vergoeding en formatie wordt gewenst, het aantal leerlingen uit de residentiŽle instelling dat in de voorafgaande periode van 5 schooljaren per schooljaar op de school is ingeschreven, de duur van de inschrijving, het totale aantal plaatsen waarover de residentiŽle instelling beschikt, de naam en het adres van de residentiŽle instelling, de aard van de opvang die door de residentiŽle instelling wordt geboden en een afschrift van de samenwerkingsafspraken die tussen de school en de residentiŽle instelling zijn gemaakt.

3.   Indien het verzoek, bedoeld in het eerste lid, is gedaan voor 1 februari, beslist Onze minister voor 1 augustus daaropvolgend welk aantal plaatsen in aanmerking wordt genomen voor de toekenning van de bekostiging, bedoeld in artikel 117, achtste lid. Een plaats als bedoeld in de eerste volzin wordt voor de vergoeding, bedoeld in artikel 112, gelijkgesteld aan een leerling. Bij de toekenning, bedoeld in de eerste en de tweede volzin, bepaalt Onze minister tevens het aantal schooljaren waarvoor de toekenning geldt.

 

 

Wetboek van Strafvordering (Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Artikel 490

Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen en niet is geplaatst in een justitiŽle jeugdinrichting, is ten aanzien van zijn ouders of voogd artikel 50 van overeenkomstige toepassing.

 

Wetboek van strafvordering (Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Artikel 50

1.   De raadsman heeft vrijen toegang tot den verdachte die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van den inhoud door anderen wordt kennis genomen, een en ander onder het vereischte toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.

2.   Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tusschen raadsman en verdachte hetzij zal strekken om den verdachte bekend te maken met eenige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de opsporing der waarheid te belemmeren, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris, en overigens tijdens het voorbereidende onderzoek de officier van justitie, telkens bevelen dat de raadsman geen toegang tot den verdachte zal hebben of dezen niet alleen zal mogen spreken en dat brieven of andere stukken, tusschen raadsman en verdachte gewisseld, niet zullen worden uitgereikt. Het bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden in den voorgaanden zin bedoeld; het beperkt de vrijheid van verkeer tusschen raadsman en verdachte niet meer en wordt voor niet langer gegeven, dan door die omstandigheden wordt gevorderd, en is in elk geval slechts gedurende ten hoogste zes dagen van kracht. Van het bevel geschiedt schriftelijke mededeeling aan den raadsman en aan den verdachte.

3.   De rechter-commissaris of de officier van justitie onderwerpt het bevel onverwijld aan het oordeel van de rechtbank, waartoe hij behoort. De rechtbank beslist zoo spoedig mogelijk na den raadsman te hebben gehoord, althans schriftelijk opgeroepen. De rechtbank kan bij hare beslissing het bevel opheffen, wijzigen of aanvullen.

4.   Alle belemmeringen van het vrij verkeer tussen raadsman en verdachte, welke ingevolge een der beide voorgaande leden bevolen zijn, nemen een einde zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of geŽindigd, of, ingeval een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de kennisgeving van verdere vervolging of de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan de verdachte is betekend.

 

 

(Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein JustitiŽle Jeugdzorg 1945-2000 (Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)

 De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 september 2005, nr. arc-2005.02518/3);

Besluit:

  Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein JustitiŽle Jeugdzorg over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

 Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

  

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

 

 

Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Artikel 4

1.   Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder.

2.   Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover:

a.   de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders,

b.   het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een psychiatrische of somatische aandoening of beperking of

c.   het verblijf in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen betreft.

 

3.   In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf:

a.   indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat;

b.   als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige.

 

4.   Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in artikel 3.

Den Haag, 12 december 2005

 

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

namens deze:

de Algemene Rijksarchivaris ,
M.W. van Boven

 

Basisselectiedocument
Kinderbescherming en de deelbeleidsterreinen gezag over minderjarigen, adoptie, jeugdbescherming en jeugdstrafrecht over de periode 1945–2000

1. De selectie

 Selectiedoelstelling

Het BSD is opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van het NA/PIVOT, zoals die door de Minister van WVC bij de behandeling van het ontwerp van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer op 13 april 1994 is verwoord. De selectiedoelstelling luidt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald in de richting van de (bewaar)doelstelling van het Nationaal Archief als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’.

De algemene selectiedoelstelling is geoperationaliseerd voor de Kinderbescherming en de deelbeleidsterreinen gezag over minderjarigen, adoptie, jeugdbescherming en jeugdstrafrecht over de periode 1945–2000. Dat wil zeggen dat de geformuleerde handelingen van de betrokken overheidsactoren zijn gewaardeerd op de bijdrage die zij leveren aan de verwezenlijking van de selectiedoelstelling. De selectie gold derhalve de vraag ten aanzien van welke handelingen de administratieve neerslag noodzakelijk zou zijn om een reconstructie mogelijk te maken van de hoofdlijnen van het handelen op voornoemd beleidsterrein.

 Selectiecriteria

Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht, gelet op de uit de contextbeschrijving naar voren gekomen hoofdlijnen van het overheidshandelen.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het Nationaal Archief. De neerslag van een handeling die niet aan een van de selectiecriteria voldoet, wordt dus in principe niet overgebracht. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (op termijn te vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

De thans door PIVOT gehanteerde algemene bewaarcriteria luiden als volgt:

1.   Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

2.   Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen.

3.   Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

4.   Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

5.   Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

6.   Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

 

De criteria zijn vooral ontwikkeld door de selectiedoelstelling te koppelen aan het uit de bestuurskunde afkomstige model van de beleidscyclus als voorstelling van feitelijk overheidshandelen. De fasen van de cyclus zijn achtereenvolgens beleidsvoorbereiding (inclusief agendavorming), bepaling, uitvoering en evaluatie/terugkoppeling. De toepassing van het model bij de selectie van overheidsarchief is uiteengezet in de PIVOT-brochure Handelend optreden (Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage 1993).

Naast algemene criteria kunnen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, in een BSD specifieke criteria worden geformuleerd voor handelingen die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd. In dit BSD is voor de handelingen die betrekking hebben op adoptiezaken de waardering B 7 toegekend. Deze stukken worden bewaard in verband met de (mogelijke) vraag naar afstammingsgegevens. En het feit dat een geadopteerd kind de adoptie na zijn meerderjarigheid kan laten herroepen. De hier gehanteerde waardering is overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4.3 van de Normen 2000. Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming.

Op grond van deze selectielijst kunnen sociale dossiers van een Raad voor de Kinderbescherming vernietigd worden op het moment dat het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden, met uitzondering van de dossiers eindigend op een #. Dossiers eindigend op het cijfer #, die ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek van vernietiging worden uitgezonderd, kunnen op grond van artikel 12 lid 1 van het Archiefbesluit 1995 overgebracht worden naar een rijksarchiefbewaarplaats.

In het separate verslag van het driehoeksoverleg wordt op de vraag van de toepasselijkheid van de algemene selectiecriteria, c.q. de noodzaak tot het hanteren van specifieke criteria voor het beleidsterrein, nader ingegaan.

2. Vaststelling Basisselectiedocument

In 2001 is het ontwerp-BSD door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Defensie, de Minister van FinanciŽn, de Minister van Justitie, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de vakminister, de onder deze ministers ressorterende actoren, de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 2 augustus 2005 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Defensie, de Minister van FinanciŽn, de Minister van Justitie, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de vakminister, de onder deze ministers ressorterende actoren, de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 27 September 2005 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02518/3), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

    De waardering van de handelingen 3 en 41 zal worden gewijzigd in ‘V 1 jaar’.

    De waardering van de handelingen 14 en 15 zal worden gewijzigd in ‘V 10 jaar’.

    De waardering van de handelingen 216, 217, 240, 408, 418, 432, 448, 449 en 493 zal worden gewijzigd in ‘V 10 jaar na vervallen regeling’ .

    De handelingen 399 en 404 worden gedifferentieerd gewaardeerd. De neerslag van ‘het opstellen van leerplannen’ blijft gewaardeerd met B1 maar de neerslag van ‘het uitvoeren van de leerplannen’ wordt gewaardeerd met ‘V 10 jaar’.

 

Daarop werd het BSD op 12 december 2005 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Minister van Binnenlandse Zaken [C/S&A/05/2596], de Minister van Justitie [C/S&A/05/2599], de Minister van Defensie [C/S&A/05/2597], de Minister van FinanciŽn [C/S&A/05/2598] en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [C/S&A/05/2600] vastgesteld.

3. Actoren waarvoor de selectielijst geldt

 Ministers

Minister van Binnenlandse Zaken, 1945–

De Minister van Binnenlandse Zaken is als bewindspersoon verantwoordelijk voor de gemeentebesturen, betrokken bij de uitvoering van de Pleegkinderenwet. Hij is ook de bewindsman die verantwoordelijk was voor het Rijkscomputer centrum.

Minister van Defensie, 1945–

    inspecteur van de geneeskundige dienst van de landmacht;

    garnizoensapotheek;

    ’s Rijks magazijn van geneesmiddelen te Amsterdam

 

Minister van Justitie, 1945–

De Minister van Justitie heeft als centrale taak de zorg voor de rechtsorde. Daaruit vloeien taken voort: het opstellen van rechtsregels ter bevordering van de rechtsorde, het voorkomen van verstoringen van de rechtsorde en het oplossen van conflicten, en tenslotte het bestrijden van bedreigingen van de rechtsorde, zoals misdaden.

Vanaf 1905 is deze minister de verantwoordelijke bewindsman voor het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg. De minister heeft uit dien hoofde een regulerende taak ten aanzien van uiteenlopende onderwerpen als het gezag over minderjarigen (een onderdeel van het familierecht), de maatregelen voor kinderbescherming (ofwel het jeugdbeschermingsrecht) adoptie, het jeugdstrafrecht en de tenuitvoerlegging daarvan, en de jeugdreclassering. Tevens schept hij voorzieningen m.b.t. de rijks- en particuliere instellingen op dit terrein, zoals de rijks- en particuliere inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming, en de voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen. Sinds 1989 heeft de Minister van Justitie een gedeelde verantwoordelijkheid voor het beleidsterrein jeugdhulpverlening.[1])

Hoofdpredikant/Hoofdaalmoezenier bij de inrichtingen van Justitie, 1965–1981

De Hoofdpredikant of Hoofdaalmoezenier bij de inrichtingen van Justitie was tussen 1965 en 1981 belast met het toezicht op protestantse en rooms-katholieke geestelijke verzorging in de jeugdinrichtingen van het rijk.

Minister waaronder Welzijn ressorteert, 1945–

De Minister waaronder Welzijn ressorteert (tegenwoordig de Minister van VWS) heeft sinds 1945 bemoeienis met het beleidsterrein jeugdhulpverlening. Zie voor een beschrijving van onder meer het jeugdwelzijnsbeleid het RIO Schappelijk welzijn op Maat: Een institutioneel onderzoek naar beleidsterreinen binnen het taakgebied welzijn, 1945–1996.

Vakminister, 1945–

De actor vakminister neemt deel aan het gestructureerd overleg met particuliere organisaties over het jeugdbeleid (GOPI) en het gestructureerd overleg met andere overheden over het jeugdbeleid (GOLO). Onbekend is welke ministers precies onder de actor vakminister vallen. Uit de Beschikking tijdelijk gestructureerd overleg jeugdhulpverlening overkoepelende particuliere organisaties van 20 mei 1981, nr. 284/781 en het Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188) blijkt dat hieronder iedere minister die het mede aangaat verstaan moet worden.

 Raad voor de Kinderbescherming

Raad voor de Kinderbescherming/Voogdijraden, 1945–

De Raad voor de kinderbescherming en haar rechtsvoorgangers de Voogdijraden en de Raden voor de Kinderbescherming worden in dit BSD aangeduid als de actor de Raad. De Voogdijraden (eerst 15 en later 19) werden ingesteld bij de Burgerlijke Kinderwet uit 1901. Ze waren gevestigd in ieder arrondissement. In 1956 werden de Voogdijraden omgedoopt tot Raden voor de Kinderbescherming (Stb. 602/1954). In 1996 (Stb. 328 en 329) werd de organisatie ingrijpend gewijzigd. In plaats van de 19 Raden voor de kinderbescherming kwam er 1 Raad voor kinderbescherming. Deze Raad is gevestigd te Utrecht. Onder die ene Raad ressorteren 5 ressortbureaus (in ieder hofressort een) en ongeveer 40 werkeenheden. De Raad wordt ondersteund door een Landelijk Bureau. De taken en bevoegdheden van de Raad worden geregeld via het Burgerlijk Wetboek en lagere wet- en regelgeving. De voornaamste taak van de Raad is het optreden als adviseur van de rechter en andere overheden inzake de maatregelen van kinderbescherming en het jeugdstrafrecht. Daarnaast treed ze op in gevallen (zoals adoptie en echtscheiding) waar de belangen van minderjarigen in de knel dreigen te komen. De Raad is verantwoording over haar beleid schuldig aan de Minister van Justitie.

College van Advies voor de Kinderbescherming/College van Advies voor de JustitiŽle Kinderbescherming, 1956–

Het College van Advies voor de Kinderbescherming verving in 1956 het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies. Art. 22a van de gewijzigde Kinderbeginselenwet (Stb. 602/1954) bepaalt dat het College van Advies voor de Kinderbescherming de Minister van Justitie van advies dient over vraagstukken van algemeen beleid met betrekking tot de aan onze genoemde minister opgedragen uitvoering van de wettelijke bepalingen omtrent jeugdige personen. Nadere regels werden gegeven bij een wijziging op het Kinderbeginselenbesluit(Stb. 337/1956): art. 184–193. Het College bestaat uit ten minste 5 en ten hoogste 19 leden die benoemd worden door de Kroon. Het College zetelt in Den Haag. Aan het College wordt door de Minister van Justitie een secretaris toegevoegd, overige leden krijgen vergoeding voor de kosten. Naast de vraagstukken van algemeen beleid, kan het college vraagstukken het terrein van de kinderbescherming rakende in beraad nemen en de minister daarover adviseren. In 1989 werden de bepalingen met betrekking tot het College ondergebracht in de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 360/1989) art. 81–84. Het College, voortaan College van Advies voor de JustitiŽle Kinderbescherminggeheten, bestaat vanaf dat moment uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en ten minste 9 andere leden, die benoemd en ontslagen worden door de Kroon.

Vertrouwenscommissie financiŽle pupillenadministratie, 1975–1990

Klachtencommissies voor de Raden/Raad voor de kinderbescherming, 1982–

De klachtencommissies voor de Raden voor de kinderbescherming werden ingevoerd in 1982[2]). Tot 1997 werden uit de leden van iedere raad voor de kinderbescherming, drie leden aangewezen voor een klachtencommissie. Tezamen waren er zes klachtencommissies die regionaal werkten. De klachtencommissies behandelden klachten gericht tegen medewerkers van het bureau van een raad voor de kinderbescherming uit de regio. De Minister van Justitie voegde een secretaris aan de commissie toe. In 1996 werden de raden voor de kinderbescherming ingrijpend gereorganiseerd. Het aantal raden werd teruggebracht tot een, waaronder vijf ressortbureaus en daaronder weer ongeveer 40 werkeenheden ressorteerden. Deze reorganisatie had ook gevolgen voor de klachtencommissies. Het aantal klachtencommissies werd, bij het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996), teruggebracht van 6 naar 5, een voor ieder ressort. De klachtencommissies behandelen klachten gericht tegen medewerkers van de raad werkzaam in hun ressort. De Minister van Justitie benoemt de leden van de klachtencommissie en voegt tevens een secretaris aan de commissie toe.

 Overige actoren

Centrale Adoptieraad, 1956–1973

De Centrale Adoptieraad werd geÔntroduceerd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art.969) bij de invoering van de Adoptiewet (Stb. 42/1956). De raad bracht advies uit over verzoeken voor adoptie en verrichte voor het overige werkzaamheden die haar bij AMvB werden opgedragen. De raad bestond uit ten minste zeven leden, die bij Koninklijk Besluit benoemd en ontslagen werden. In 1973 werd de Raad opgeheven.

Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies, 1945–1955

Het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijkstucht- en opvoedingswezen is ingesteld op grond van art.5 van de Kinderbeginselenwet (Stb. 64/1901). Nadere regels werden gegeven bij het Kinderbeginselenbesluit (Stb. 209/1905): art. 184–198. Het College bestond uit ten minste 10 en ten hoogste 16 leden benoemd door de Kroon, en was gezeteld in Den Haag. Door de Minister van Justitie benoemde en bezoldigde ambtenaren stonden het College bij in haar werkzaamheden.

De taken van het College bestonden uit het houden van algemeen toezicht op de gang van zaken in de tuchtscholen en rijksopvoedingsgestichten, en op de naleving van de voorwaarden door de regering gesteld aan particuliere instellingen die regerings- of voogdijkinderen verzorgden en daarvoor subsidie ontvingen. Daarnaast verrichtte het College onderzoek naar vraagstukken op het gebied van de dwangopvoeding, en diende daarover de minister van advies. Tenslotte bestond de mogelijkheid voor de Minister van Justitie om het College te horen in een aantal individuele gevallen. Per 15 april 1955 werd het college opgeheven, maar het werd pas per 1 juli 1956 vervangen door College van Advies voor de Kinderbescherming

Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ sector Jeugd)

Klachtencommissie van een Rijksinrichting

Voor omschrijving van de Klachtencommissie van een Rijksinrichting zie de actor Commissies van Toezicht voor de Rijksinrichtingen/Commissies van toezicht voor de justitiŽle jeugdinrichtingen voor kinderbescherming van het rijk.

Commissie van toezicht van een rijksinrichting/Commissies van toezicht voor de justitiŽle jeugdinrichtingen voor de kinderbescherming van het rijk

Iedere rijksinrichting heeft een Commissie van toezicht. De leden van deze commissie worden door de Minister van Justitie benoemd en ontslagen. Van oorsprong was de taak van de commissies het bijstaan van de directeur van de inrichting van het rijk bij het beheer van de inrichting. Sinds 1983 (Stb. 273) zijn de commissies ook expliciet belast met de behandeling van klachten van minderjarige. Vanaf dat jaar bestaat er binnen de Commissie van toezicht ook een aparte klachtencommissie. Deze behandelt ingewikkelde zaken en beroepszaken tegen een eerdere beslissing van de commissies.

Vertrouwenscommissie financiŽle pupillenadministratie, 1975–1990

De Vertrouwenscommissie financiŽle pupillenadministratie tussen 1975 en 1990 op basis van Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975) belast met het houden van toezicht op de door het Rijks Computercentrum bij te houden centrale financiŽle administratie m.b.t. minderjarigen op wie een maatregel van kinderbescherming van toepassing was. De commissie gaf de Minister van Justitie advies over verzoeken tot inlichtingen over, en inzage of verbetering van gegevens in die administratie. En tenslotte mocht de commissie de Minister van Justitie of de Nationale federatie van advies dienen over aangelegenheden de administratie betreffende.

Directeur van een rijksinrichting/hoofd van een rijksinrichting (justitiŽle jeugdinrichting van het rijk)

De actor directeur van een rijksinrichting is de verantwoordelijke persoon voor het reilen en zeilen van een rijksinrichting voor de kinderbescherming. Deze rijksinrichtingen werden in 1905 ingesteld als inrichtingen voor de tenuitvoerlegging van de tuchtschoolstraf en de maatregel van ter beschikking stelling aan de Regering[3]) op basis van het Wetboek van Strafrecht. Ook minderjarigen die onder voogdij van een instelling stonden en wegens hun gedrag elders niet te handhaven waren, konden in een rijksinrichting worden opgenomen. Vanaf 1954 konden ook bepaalde kinderen die ondertoezicht gesteld waren op basis van het Burgerlijk Wetboek (OTS met uithuisplaatsing in een inrichting voor bijzondere tucht) in een rijksinrichting geplaatst worden.

De Minister van Justitie is de verantwoordelijke bewindsman voor de rijksinrichtingen. De inrichtingen worden onderscheiden naar opvangtehuizen, observatiehuizen, tuchtscholen (tegenwoordig inrichtingen voor de tenuitvoerlegging van jeugddetentie) en inrichtingen voor opvoeding, inrichtingen voor buitengewone behandeling en inrichtingen voor zeer intensieve behandeling.

Sinds de jaren tachtig vallen de rijksinrichtingen onder de noemer justitiŽle jeugdinrichtingen of inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming. Onder deze noemer worden ook particuliere inrichtingen begrepen. Het onderscheid ‘rijksparticulier’ is tegenwoordig eigenlijk alleen nog van belang in financiŽle termen, en voor de sturingsrelatie tussen het Ministerie (Dienst JustitiŽle Inrichtingen) en de inrichtingen. De particuliere inrichtingen vallen echter niet onder de Archiefwet en van hen zijn dan ook zowel in het RIO als dit BSD geen handelingen opgenomen.

Directeur van een inrichting voor de tenuitvoerlegging van jeugddetentie

Directeur van een rijksobservantenhuis

N.B. De handelingen die de Rechterlijke Macht (kinderrechter, rechtbank, gerechtshof) en het Openbaar Ministerie ten aanzien van de jeugdhulpverlening verrichten, zijn in dit BSD niet opgenomen. Er wordt hier volstaan met te verwijzen naar het bij het RIO Gedeelde geschillen samengestelde BSD en het samen te stellen BSD voor het Openbaar Ministerie.

Voor de handelingen van de Minister van Onderwijs wordt verwezen naar het BSD behorende bij PIVOT-rapport Speciaal Centraal: een institutioneel onderzoek naar het deelbeleidsterrein speciaal onderwijs, periode 1950–1996.

4. Een kort overzicht van de organisatie en het beleidsterrein[4])

 Organisatie voogdijraden/Raden voor de kinderbescherming

De Burgerlijke kinderwet bepaalde dat er in ieder arrondissement tenminste een voogdijraad was. Deze raad gaf de rechtbank, bij ontheffing en ontzetting uit de ouderlijke macht, inlichtingen welke instelling de verzorging van het kind op zich diende te nemen[5]). Een algemene maatregel van bestuur [6])regelde de samenstelling van de Voogdijraden, hun aantal, ressort en zetel, en de wijze waarop de door de Voogdijraden gemaakte kosten door de Staat worden betaald en verantwoord.

Tot 1956 deden de, door de Kroon benoemde, leden van de raad zelf de onderzoeken die voor advisering aan de rechtbank in verband met maatregelen van kinderbescherming noodzakelijk waren.

Per 1 juli 1956 werden de Voogdijraden gereorganiseerd en kregen de naam ‘Raden voor de kinderbescherming’.[7]) Deze reorganisatie introduceerde een onderscheid tussen de raad zelf (die werd nu onderverdeeld in commissies) en het bureau van de raad, waaraan opgeleide onderzoekers werden verbonden die het feitelijke onderzoek deden. De Minister van Justitie benoemde deze medewerkers van het bureau. De beslissingsbevoegdheid over het uit te brengen advies lag echter nog steeds bij de leden van de Raad. De Minister van Justitie gaf aanwijzingen waarin de werkzaamheden van het bureau de Raad geregeld werden.

In 1972 stelde de Minister van Justitie een commissie in o.l.v. mr. Abbenhuis. Deze commissie adviseert dat de behandeling van individuele zaken en de beslissingen daarover, zoveel mogelijk bij het bureau moeten liggen. Aldus geschiedt en de leden van de raad gaan zich bezig houden met het uitzetten van algemenere beleidslijnen waarbij gestreefd werd naar betere waarborgen voor landelijke eenheid van beleid. De Minister van Justitie benadrukte daarbij dat het van belang was dat de raden zich niet alleen aan de wet hielden maar ook aan de ministeriŽle aanwijzingen; kennelijk was dit een moeilijk punt. Bovendien moest er een betere klachtenprocedure komen. M.b.t. het laatste werd besloten, dat er naast de mogelijkheden tot onderzoek van klachten via de Nationale Ombudsman (Stb. 35/1981) toch ook een eigen procedure moest komen.[8])

In 1996 (Stb. 328 en 329) werd de organisatie van de Raden ingrijpend gewijzigd. Voortaan is er slechts een Raad voor de kinderbescherming (gevestigd in Utrecht). De raad staat onder leiding van een algemeen directeur bijgestaan door 5 ressortdirecteuren die elk leiding hebben over de in hun ressort (overeenkomend met het werkgebied van het hof) werkzame eenheden. De regionale eenheden doen het feitelijke werk. Het Landelijk bureau van de raad voor de kinderbescherming verzorgt het beheer: zij coŲrdineert de financiŽle administratie, de personeelsadministratie en het productiebeheer, en regelt tevens de pers- en publieksvoorlichting. De klachtenprocedure wordt via een apart AMvB geregeld.

Tot 1989 had de Raad op grond van de opeenvolgende Organisatiebesluiten de plicht om de samenwerking tussen de in zijn gebied werkzame instellingen van kinderbescherming te bevorderen. Sinds de invoering van de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 360/1989) berust er een samenwerkingsplicht op alle rechtspersoonlijkheid bezittende uitvoerders van de jeugdhulp en het RIAGG binnen een regio. Ook de Raad neemt aan dit zogenaamde samenwerkingsverband deel.[9]) Het samenwerkingsverband is een rechtspersoon. De taken van het samenwerkingsverband zijn:

a.   uitwisseling van informatie omtrent de inhoud van de door de deelnemende uitvoerders geboden voorzieningen;

b.   het aanleggen en bijhouden van een overzicht van de in de regio aanwezige voorzieningen;

c.   het op elkaar afstemmen van de werkzaamheden van de uitvoerders, en het maken van afspraken over de bijdrage van de RIAGG in de jeugdhulpverlening;

d.   het maken van afspraken over de ondersteuning van voorzieningen en derden door wie een probleem of stoornis bij een jongere wordt gesignaleerd;

e.   het geven van adviezen aan het provinciale bestuur m.b.t. de planning van regionale voorzieningen;

f.    het in stand houden van het jeugdhulpadviesteam.

 

 Klachtencommissie voor de raden/Raad voor de kinderbescherming

Bij het Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982 (Stb. 16/1982): artikel 35/ 43 werd een klachtenprocedure ingevoerd. Iedereen kan zijn beklag doen over optreden van een medewerker jegens klager persoonlijk of over de wijze waarop door een medewerker vorm was gegeven aan het beleid van de Raad. De klacht kon worden ingediend bij de directeur van het bureau. Wanneer de directeur geen aanvaardbare oplossing kan vinden, kan de klager zich wenden tot de klachtencommissie . Deze klachtencommissie wordt samengesteld uit meerdere raden, waarbij iedere raad 3 leden aanwijst. Aan de commissies wordt door de Minister van Justitie een secretaris toegevoegd.

De reorganisatie in 1996 van de raden voor de kinderbescherming had ook gevolgen voor de klachtencommissies. Bij deze reorganisatie werd het aantal raden teruggebracht tot een, waaronder vijf ressortbureaus en daaronder weer ongeveer 40 werkeenheden ressorteerden. Het aantal klachtencommissies werd, bij het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996), teruggebracht van 6 naar 5, een voor ieder ressort. Deze klachtencommissies behandelen klachten gericht tegen medewerkers van de Raad werkzaam in hun ressort.[10]) De Minister van Justitie benoemt de leden van de klachtencommissie en voegt tevens een secretaris aan de commissie toe.

 Gezag over minderjarigen: ouderlijk gezag en voogdij

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere minderjarige onder gezag staat. Dit gezag is de ouderlijke macht of voogdij, waarbij voogdij ook door een rechtspersoon kan worden uitgeoefend. De ouderlijke macht wordt altijd door twee personen binnen het huwelijk uitgeoefend.

Ouderlijke macht betreft het geheel van bevoegdheden en verplichtingen van ouders ten opzichte van de persoon en het vermogen van hun kind. Tot die verplichtingen behoort bijvoorbeeld de plicht om het kind te onderhouden en te verzorgen. De ouderlijke macht eindigt van rechtswege door meerderjarigheid van het kind. De ouderlijke macht kan ook eindigen door een uitspraak van de rechtbank. Dat gebeurt wanneer er sprake van een maatregel van ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht. In dat geval wijst de rechtbank een voogd aan.

Onder voogdij wordt de zorg verstaan, die krachtens rechterlijke aanwijzing of met rechterlijke kennisneming of goedvinden wordt uitgeoefend over de persoon en de goederen van een minderjarige. Normaal gesproken wordt de voogdij toegewezen of bevestigd door de kantonrechter. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer per testament een voogd over een kind wordt aangewezen. De kantonrechter heeft ook de bevoegdheid om een voogd te benoemen wanneer een minderjarige niet onder gezag staat of wanneer dat gezag blijkbaar niet wordt uitgeoefend. Tot 1995 bestond er naast een voogd altijd een toeziend voogd. Die toeziend voogd werd benoemd door de kantonrechter.

Aan de toewijzing van voogdij komt dus altijd een rechter te pas. Tot 1993 was dit de kantonrechter of de rechtbank. Vanaf 1993 (Stb. 268/1993) kan ook de kinderrechter voogdij toewijzen. Hij kan een minderjarige moeder meerderjarig verklaren en haar dan tot voogdes over het kind benoemen (tot 1995 was hij ook bevoegd om te voorzien in een toeziende voogdij). De Raad mag, na schriftelijke toestemming van de moeder, het verzoek tot meerderjarigheidsverklaring namens haar indienen.

De juridische betekenis van de begrippen ouderlijke macht en voogdij was vroeger anders dan nu.

Tot 1995 was de ouderlijke macht een zogenaamd huwelijksgevolg. Dat wil zeggen dat het alleen kon bestaan binnen het huwelijk. Ouders die niet getrouwd, of gescheiden waren, voerden voogdij over hun kinderen. Dit noemde men vaak oudervoogdij, om het te onderscheiden van voogdij door derden, die ook gevoerd kon worden door rechtspersonen: de voogdij-instellingen. Wettige kinderen stonden, wanneer een van de ouders was overleden, meestal van rechtswege onder voogdij van de langstlevende ouder. Een natuurlijk kind (dat wil zeggen een kind dat buiten het huwelijk geboren was) stond van rechtswege onder de voogdij van de meerderjarige moeder.

De ouderlijke macht en de voogdij eindigden van rechtswege bij meerderjarigheid van het kind. De ouderlijke macht kon echter ook beŽindigd worden door een uitspraak van de rechtbank. Dit gebeurde bij echtscheidingen of bij een maatregel van ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht. In die gevallen wees de rechtbank een voogd aan. De rechtbank had ook de mogelijkheid een (ouder-)voogd uit het gezag te ontheffen of ontzetten. Ouders die uit de ouderlijke macht of de voogdij over een kind waren ontzet, konden geen (toeziende) voogdij over dat kind meer voeren. Dat ontsloeg die ouders overigens niet van de plicht in het onderhoud van hun kinderen te voorzien.

Onder voogdij stonden dus minderjarigen:

    van wie de ouders binnen het huwelijk niet het gezag over hen hadden;

    over wie het gezag ontbreekt of niet wordt uitgeoefend;

    van wie de ouders of een der ouders was overleden;

    van wie de ouders of een der ouders uit de ouderlijke macht was ontzet of ontheven;

    van wie de ouders van echt waren gescheiden;

    of die natuurlijke, al dan niet wettig erkend kinderen zijn.

 

In 1995 werd het Burgerlijk Wetboek gewijzigd.[11]) Daarbij vervielen de toeziende voogdij en de oudervoogdij. Voogdij wordt voortaan altijd door een ander dan een ouder uitgeoefend. De term ouderlijke macht verdwijnt en maakt plaats voor de term ouderlijk gezag.

Ouders hebben vanaf 1995 ouderlijk gezag over hun kinderen ongeacht hun huwelijkse staat. Het ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door een ouder alleen uitgeoefend. Na ontbinding van het huwelijk of na scheiding van tafel en bed blijven ouders samen het ouderlijk gezag uitoefenen, tenzij de ouders of ťťn van hen de rechtbank verzoeken in het belang van het kind te bepalen dat het ouderlijk gezag over het kind of de kinderen aan ťťn van de ouders alleen toekomt. Ouders die niet gehuwd zijn of waren, kunnen gezamenlijk het gezag over hun kinderen voeren wanneer ze dat laten aantekenen in het gezagsregister. De aantekening kan in bepaalde gevallen door de griffier geweigerd worden. Daartegen is beroep mogelijk bij de kantonrechter.

Per 1 januari 1998 bestaat er geregistreerd partnerschap.[12]) Dit is een familierechtelijke relatie naast en gelijkwaardig aan het huwelijk. Het kan worden aangegaan door twee personen van gelijk geslacht die niet kunnen huwen of twee personen van ongelijk geslacht die niet willen huwen.

Het geregistreerd partnerschap heeft geen gevolgen voor de familierechtelijke betrekkingen met kinderen. Maar op grond van de Wet van 30 oktober (Stb. 506/1997) kan de rechter gezamenlijk gezag toewijzen aan een ouder en diens partner (die dus niet van het andere geslacht hoeft te zijn). Op deze vorm van gezamenlijk gezag zijn praktisch alle zaken van toepassing die ook op het ouderlijk gezag van toepassing zijn. Dat betekent dat de ouder en diens partner een onderhoudsverplichting ten opzichte van hun kinderen hebben, maar ook dat de procedures van ontheffing en ontzetting uit het gezag op hen van toepassing zijn.

Wel nieuw is de mogelijkheid van gezamenlijk voogdij die in deze wet geÔntroduceerd werd: de gezamenlijke gezagsuitoefening door twee personen die niet de ouders van het kind zijn, bijvoorbeeld twee pleegouders. Dit kan via testament of door toewijzing via de rechter geregeld worden.

 Adoptie

Door adoptie ontstaan er familierechtelijke betrekkingen tussen een kind, zijn adoptiefouder(s) en de bloedverwanten daarvan. Hierbij houden de familierechtelijke betrekkingen tussen de geadopteerde en zijn eigen bloedverwanten op te bestaan. Tot 1997 leidde adoptie tot de status van wettig[13]) kind van zijn adoptiefouders. Adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van een echtpaar dat een kind wil adopteren.

Tegenwoordig denken we bij het woord ‘adoptie’ bijna automatisch aan buitenlandse kinderen. Oorspronkelijk had adoptie echter vooral betrekking op Nederlandse kinderen. De Adoptiewet (Stb. 42/1956) regelde de nodige wijzigingen op het Burgerlijk Wetboek, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafrecht.

 Jeugdbeschermingsrecht: maatregelen van kinderbescherming

Het Burgerlijk Wetboek voorziet in vier maatregelen van kinderbescherming: de voorlopige toevertrouwing (tegenwoordig voorlopige voogdij), de ondertoezichtstelling, de ontheffing en de ontzetting uit het gezag. Een ontheffing/ontzetting dient voor de rechtbank (met deelname van de kinderrechter). De OTS dient voor de kinderrechter. Alle maatregelen kunnen worden verzocht door de Raad voor de kinderbescherming of gevorderd door de officier van justitie.

De rechter kan de Raad voor de kinderbescherming verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de gezinssituatie van een kind en vervolgens te adviseren over hoe verder te handelen met dat kind, de Raad kan een verzoekschrift indienen strekkende tot een verderstrekkende maatregel.

Als regel komen meldingen van ouders, voogden, familie en buren of scholen en artsen met betrekking tot opvoedingsproblemen, vermoedens van verwaarlozing en mishandeling of bij het ontbreken van ouderlijk gezag of voogdij terecht bij de Bureaus Jeugdzorg (BJZ) en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK).

Meldingen van opvoedingsproblemen waarbij sprake is van een acute en ernstige bedreiging van het kind en waarbij aan het kind onmiddellijk hulp (of zorg) moet worden geboden en waarbij de ouders (of wettelijke vertegenwoordigers) de hulp (of zorg) niet geven, worden rechtsreeks bij de Raad gemeld.

Meldingen, waarbij de melder anoniem wenst te blijven, worden in behandeling genomen indien het evident is dat er sprake is van een (mogelijke) ernstige bedreiging van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid.

Wanneer de Raad aanleiding ziet om de melding te onderzoeken, worden de ouders of verzorgers daarvan op de hoogte gesteld. De Raad verzamelt vervolgens informatie over de situatie waarin het kind zich in bevindt. Er wordt gesproken met de ouders/verzorgers, waarbij ook advies gegeven kan worden. Naar aanleiding van deze intake wordt bepaald of er een volledig onderzoek van de Raad moet plaats vinden. Vindt de Raad dat niet noodzakelijk, dan kan ze eventueel doorverwijzen naar de vrijwillige hulpverlening. Na het onderzoek heeft de Raad drie opties: ze kan besluiten geen actie te ondernemen, ze kan doorverwijzen naar andere instanties, en ze kan een maatregel van kinderbescherming uit te lokken. Dit laatste is het zogenaamde rekwestreren: de Raad verzoekt de rechter om een specifieke maatregel van kinderbescherming uit te spreken.

 Voorlopige toevertrouwing of voorlopige voogdij

De voorlopige toevertrouwing was de enige maatregel van kinderbescherming die in eerste instantie door de officier van justitie kon worden gevorderd. Hij had de bevoegdheid om in bepaalde (nood)situaties kinderen voorlopig toe te vertrouwen aan de Raad. Daardoor konden kinderen aan de macht van hun ouders of voogden onttrokken worden en konden zij bijvoorbeeld in een pleeggezin geplaatst worden. Ook konden (buitenlandse) pleegkinderen uit een gezin gehaald worden waarin ze er illegaal verbleven. De officier kon deze bevoegdheid ook uitoefenen wanneer het kind verlaten of (kennelijk) zonder toezicht was, of wanneer niet in de ouderlijke macht of voogdij over het kind was voorzien.[14]) De Raad was verantwoordelijk voor de kinderen. Ze regelde de plaatsing en hield het toezicht daarop. Zoals de naam al aangeeft, had de maatregel een voorlopig karakter. De officier was daarom verplicht het nodige te verrichten zodat de rechter een uitspraak over het boven het kind te stellen gezag kon doen. Tot 1947 bestond er geen wettelijk vastgelegde termijn waarbinnen dat nodige verricht moest zijn. In de praktijk leidde dat soms tot uitwassen waarbij kinderen jarenlang uit huis geplaatst werden zonder dat een rechter dat kon toetsen.[15]) Om daar een einde aan te maken was de Raad vanaf 1947 verplicht om aan de kantonrechter een voorziening in het gezag te verzoeken, wanneer bleek dat de minderjarige niet onder gezag stond of als dit gezag niet werd uitgeoefend. Betrof het een kind dat door de officier van justitie aan de Raad was toevertrouwd, dan gold hiervoor een termijn van 6 weken.

In 1997 verdween de maatregel van voorlopige toevertrouwing uit het Burgerlijke Wetboek. Ze werd vervangen door de maatregel van voorlopige voogdij, waarbij een kind door de kinderrechter onder voorlopige voogdij van een voogdij-instelling werd geplaatst. Dit kan gebeuren op verzoek van de Raad of op vordering van de officier van justitie.

Er zijn twee mogelijkheden waarbij van de maatregel van voorlopige voogdij gebruik gemaakt kan worden:

    het gezag ontbreekt of wordt niet uitgeoefend (grond: er moet sprake zijn van ernstig gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen of voor de gezondheid van de minderjarige en de maatregel moet dringend en onverwijld noodzakelijk zijn);

    er is gezag, maar de ouder(s) worden geschorst in de uitoefening van dat gezag (grond: de gronden die tot ontzetting of gedwongen ontheffing van een ouder of tot ontzetting van de voogd kunnen leiden, de maatregel moet dringend en onverwijld noodzakelijk zijn en de kinderrechter bepaalt de duur van de voorlopige voogdij).

 

 Ondertoezichtstelling (OTS)

Sinds 1921 bestaat de mogelijkheid om een kind ondertoezicht te stellen. Vroeger stelde het Burgerlijk Wetboek daaraan als voorwaarde dat het kind ‘zodanig opgroeit, dat het met zedelijke of lichamelijke ondergang bedreigd wordt’. Tegenwoordig geeft het Burgerlijk Wetboek als voorwaarde dat ‘de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.’[16])

Bij een OTS blijft de formele verhouding tussen ouders en kinderen ongewijzigd, maar wijst de kinderrechter een gezinsvoogd (tegenwoordig een gezinsvoogdij-instelling) als toezichthouder aan. Oorspronkelijk kon de rechter naast particulieren, ook ambtenaren voor de kinderwetten en agenten van de ambtenaren van de reclassering als gezinsvoogd aanstellen.[17]) Sinds 1969 werden de benoemingen beperkt tot een nauwere kring van (werknemers van) gezinsvoogdij-instellingen of particulieren.[18]) Vanaf 1995 komen alleen gezinsvoogdij-instellingen zelf nog in aanmerking voor benoeming.

De gezinsvoogd(ij-instelling) houdt toezicht op de ontwikkeling van het kind, zorgt dat hulp en steun wordt geboden en geeft de ouders aanwijzingen over de verdere opvoeding en verzorging. De ouders zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen. Bij conflicten tussen de ouders en de gezinsvoogd, wordt door de kinderrechter beslist. De OTS wordt steeds voor de duur van een jaar uitgesproken. De kinderrechter kan de maatregel echter ten alle tijde verkorten of opheffen. In ieder geval eindigt een OTS bij meerderjarigheid van het kind.

Het verzoek tot een OTS kan worden ingediend door een ouder of degene die de minderjarige als behorend tot zijn gezin opvoedt of door de Raad. Daarnaast kan een OTS gevorderd worden door het Openbaar Ministerie.[19]) Hangende een onderzoek in verband met een verzoek of vordering tot ondertoezichtstelling, kan de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht stellen. Daartegen is geen beroep mogelijk. Als er gelijktijdig met een verzoek of vordering tot OTS een verzoek of vordering tot ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht ligt, dan kan de rechtbank de beslissing in de laatste zaak aanhouden totdat de OTS is afgewezen of afgelopen.

In 1995 werd de OTS belangrijk gewijzigd bij de Wet van 26 april 1995 (Stb. 255) tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen. Tot 1995 sprak de rechter niet alleen de maatregel uit, maar hield zich ook bezig met de uitvoering ervan. Formeel gesproken stond het kind namelijk ondertoezicht van de kinderrechter. De gezinsvoogd was dan ook verplicht maandelijks aan de kinderrechter te rapporteren, en diens aanwijzingen op te volgen. Dit systeem werd in 1995 losgelaten. Voortaan spreekt de kinderrechter de maatregel slechts uit en komt het kind onder toezicht van een gezinsvoogdij-instelling te staan.

Bij deze wetswijziging kregen de gezinsvoogdij-instellingen ook een aantal bevoegdheden die daarvoor bij de rechter lagen. Zo mogen zij bepalen of zij verlenging van de OTS of de uithuisplaatsing nodig vinden. Ter controle moet de instelling wel aan de Raad melden dat ze verlenging van de maatregel en/of uithuisplaatsing niet noodzakelijk vindt. De Raad kan dan namelijk, als ze het daar niet mee eens is ,een verzoek indienen tot verlenging van de ondertoezichtstelling of tot vervanging van de gezinsvoogdij-instelling.

Verder kregen in 1995 zowel het pleeggezin als de minderjarige zelf voor het eerst een stem in het kapittel.

De pleegouders kunnen een ondertoezichtstelling en een verlenging van de ondertoezichtstelling verzoeken. Ook kunnen zij verzoeken de plaatsing te beŽindigen of de duur ervan te bekorten. Verder kunnen zij de gezinsvoogdij-instelling verzoeken af te zien van, een krachtens een machtiging toegestane, wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige.

De minderjarige kan verzoeken om opheffing van de maatregel, om beŽindiging van de uithuisplaatsing of om een bekorting wegens gewijzigde omstandigheden. Ook kan hij verzoeken af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige.

 Gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringinstellingen

De particuliere gezinsvoogdij-instellingen werden als sinds 1922 betrokken bij de uitvoering van de maatregel van ondertoezichtstelling (OTS). Ze werden echter pas vanaf de invoering van de Beginselenwet voor de kinderbescherming (Stb 403/1961) in 1965 aan een aanvaardingsprocedure onderworpen en gesubsidieerd. De wetgever heeft het in de wet over rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen, stichtingen of instellingen van weldadigheid met als doelstelling het verlenen van leiding en steun aan patroons-[20]) en gezinsvoogden, en/of het verlenen van hulp en steun aan voorwaardelijk veroordeelde, invrijheidgestelde of ontslagen minderjarigen en de nazorg te doel hebben. Particuliere instellingen die zich bezig hielden met jeugdreclassering en die voorheen een aparte regeling hadden, vielen vanaf 1965 dus onder dezelfde regeling als de gezinsvoogdij-instellingen. Dit was een logische aanpak omdat veel verengingen zich gelijktijdig bezig hielden met gezinsvoogdij en jeugdreclasseringswerk.

5. Selectielijst

In dit hoofdstuk zijn de handelingen zoals deze in het institutioneel onderzoek zijn opgenomen gewaardeerd; hierbij is de indeling van het onderzoek gevolgd. Allereerst zijn hier de verschillende handelingen van de betrokken ministers opgesomd, waarna de handelingen met waarderingen voor de overige actoren (raden, inspecties en overlegorganen) volgen.

Van een groot aantal handelingen die de Raad voor de Kinderbescherming verricht, vormt een gezinsdossier de neerslag. De in het BSD gebruikte terminologie en de toegekende waardering is overeenkomstig paragraaf 4.3 (Vernietiging van dossier) van de Normen 2000. Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming.

 Leeswijzer bij de handelingen

Handelingnummer: de handelingen zijn genummerd overeenkomstig de nummering in het RIO, zodat eenduidigheid is gewaarborgd en het naast elkaar gebruiken van RIO en BSD wordt vereenvoudigd.

Handeling: een handeling is een complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. De formulering van de handelingen is in de regel toegespitst op het product. Echter, een handeling als zodanig omvat alle activiteiten die leiden tot het product. Dientengevolge is de neerslag van een handeling niet beperkt tot het (eind)product, maar omvat ze alle archiefbescheiden die in verband daarmee zijn voortgebracht.

Aangezien handelingen voortvloeien uit taken en bevoegdheden is het mogelijk dat een vermelde handeling in de praktijk nimmer is uitgevoerd. Dit maakt gelet op de structurele functie van een BSD evenwel niets uit. Het is immers altijd mogelijk dat een ‘lege’ handeling in de toekomst wel zal plaatsvinden.

Periode: deze rubriek betreft in beginsel het tijdvak waarbinnen de handeling (ongeacht de frequentie) is of kan zijn uitgevoerd, gelet op de wettelijke grondslag daarvoor of gezien de gebruikte bronnen. Bij slechts eenmaal uitgevoerde handelingen kan in voorkomende gevallen uit de periode-aanduiding de duur van de handeling worden afgeleid.

Grondslag: de grondslag betreft de formele wettelijke basis, ingevolge waarvan een handeling binnen een bepaalde periode wordt of kan worden verricht. Het betreft hier geen uitputtend overzicht van alle wet- en regelgeving op grond waarvan de handeling verricht wordt.

Opmerking: zo nodig is een korte toelichting gegeven ten behoeve van een beter begrip van de handeling zelf, of wordt een aanvulling verstrekt op de informatie in een andere rubriek. De rubriek is in de regel gebruikt voor een inhoudelijke toelichting op de handelingen.

Waardering: de afkorting ‘B’ staat voor ‘bewaren’, dat wil zeggen het na afloop van de wettelijke overbrengingstermijn overdragen aan een rijksarchiefbewaarplaats van de documentaire neerslag (ongeacht de gegevensdrager) van de handeling, in overeenstemming met de geldende archiefwettelijke bepalingen en conform de normen voor de goede en geordende staat van de Rijksarchiefdienst/PIVOT. Zie voor deze normen de brochure Om de kwaliteit van het behoud: normen goede en geordende staat (RAD/PIVOT, Ministerie van WVC, ’s-Gravenhage 1993). Bij een B-handeling is achter de selectiebeslissing aangegeven welk selectiecriterium is toegepast. De afkorting ‘V’ staat voor ‘vernietigen (op termijn)’ oftewel ‘niet overbrengen’. Bij de desbetreffende handelingen wordt de vernietigingstermijn vermeld. Deze termijn betreft het aantal volle jaren dat dient te zijn verlopen sinds het einde van het jaar waarin een archiefbestanddeel (dossier) dat de neerslag van de handeling bevat, is afgesloten, voordat tot vernietiging van dat bestanddeel wordt overgegaan.

Selectielijst

 Actor Minister van Justitie

Beleidsontwikkeling en evaluatie

1.

Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen, coŲrdineren en evalueren van het beleid m.b.t. de justitiŽle jeugdzorg

Opmerking: onder deze handeling valt ook: het voeren van overleg met de andere betrokken en op het beleidsterrein

het voorbereiden ven een standpunt ter inbrenging in de Ministerraadvergaderingen voor beraad en besluitvorming betreffende het beleidsterrein

het voeren van overleg met/het leveren van bijdragen aan het overleg met het Staatshoofd betreffende het beleidsterrein

het voorbereiden van de Memorie van toelichting op de Rijksbegroting betreffende het beleidsterrein; zie ook handelingen 5, 177 en 183 van het BSD ‘Per slot van Rijksrekening’

het toetsen van de uitvoering van het beleid (evaluatie)

het leveren van commentaar op de recht- en doelmatigheidscontroles van de Algemene Rekenkamer op het beleidsterrein; zie ook ‘Per Slot van Rijksrekening’ handeling 295, 357 en 374

het aan externe adviescommissies verzoeken om advies betreffende het beleidsterrein

het informeren van het Kabinet van de Koningin over ontwikkelingen op het beleidsterrein

het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (als beleidsinstrument)

de jaarlijkse verslaglegging aan de Tweede Kamer, en het eenmaal in de 4 jaar vaststellen van een termijnplan voor de jeugdhulpverlening op basis van de Wjhv (Stb. 360/1989): art. 7–art. 9)

Waardering: B 1, 2

Totstandkoming van wet- en regelgeving

2.

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg

Periode: 1945–1996

Waardering: B 1

Verantwoording van beleid

3.

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over ontwikkelingen op het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg

Waardering: V 1 jaar

4.

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg

Waardering: B 2,3

5.

Handeling: Het informeren van de Commissies voor Verzoekschriften en andere tot het onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het justitiŽle jeugdzorgbeleid

Waardering: B3

6.

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende justitiŽle jeugdzorg en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen

Waardering: B3

Internationaal beleid

7.

Handeling: Het mede voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake justitiŽle jeugdzorg en het presenteren van Nederlandse standpunt in intergouvernementele organisaties

Waardering: B 1, 2

Informatieverstrekking

8.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg

Waardering: V 1 jaar

9.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het handelen van de Raad en de instellingen van voogdij en gezinsvoogdij en inrichtingen voor justitiŽle jeugdbescherming

Waardering: V 1 jaar

10.

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de justitiŽle jeugdzorg en kinderbescherming

Waardering: V 2 jaar na vervallen; NB van het gedrukte voorlichtingsmateriaal wordt 1 exemplaar bewaard. De voorbereidende stukken worden vernietigd

Toelichting: Zie voor het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (waarbij voorlichting als beleidsinstrument gehanteerd wordt) handeling 1

Onderzoek

11.

Handeling: Het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten over het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg

Waardering: B 1, 2

Toelichting: voor (interdepartementale) commissies zie handeling 1

12.

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg

Waardering: V 2 jaar

SubsidiŽring

13.

Handeling: Het verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg

Waardering: V 10 jaar

Organisatie Kinderbescherming

14.

Handeling: Het benoemen en ontslaan van de directeur en de ressortdirecteuren

Periode: 1996–

Grondslag: Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming (Stb. 329/1996): art. 2

Waardering: V 10 jaar

15.

Handeling: Het benoemen en ontslaan van personeel van de Raad

Periode: 1945–

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb.807/1933): art. 4; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 6; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 28; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 28; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 21; Organisatiebesluit raad voor de kinnderbescherming (Stb. 329/1996): art. 2

Waardering: V 10 jaar

16.

Handeling: Het bij AMvB geven van de samenstelling en organisatie van de Raad

Periode: 1945–

Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 385b; BW (Stb. H 232/1947): art. 461; NBW (Stb. 167/1969): art. 238

Waardering: B4

17.

Handeling: Het bij AMvB regelen van de behandeling van klachten door de Raad

Periode: 1996–

Grondslag: BW (Stb. 328/1996): art. 293

Waardering: B5

18.

Handeling: Het verdelen van de werkzaamheden van de tussen de kamers van de Voogdijraden in Rotterdam, Amsterdam en Den Haag

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905), zoals ingevoegd bij Besluit van 30 december 1933 (Stb. 804): art. 2a; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 3

Waardering: V 10 jaar

20.

Handeling: Het bij KB geven van een ontheffing van de verplichting voor de secretaris van de Raad om zijn standplaats te hebben in de gemeente waar de Raad gevestigd is

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 3; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5

Waardering: V 10 jaar

22.

Handeling: Het toestaan dat de Raad een of meer plaatsvervangende secretarissen aanstelt

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905), zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 30 december 1933 (Stb. 804): art. 3; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5

Opmerking: Na 1956 had de Raad hiervoor geen goedkeuring van de Minister van Justitie meer nodig

Waardering: V 10 jaar

23.

Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van leden en secretaris van de Raad

Periode: 1945–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905): art. 4; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5–art. 8; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 3–art. 8; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969 (Stb. 543/1969): art. 3–art. 8; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 6–art. 9, art. 14

Opmerking: De voorzitter werd aangewezen uit de leden. Tot 1956 werden de leden benoemd op voordracht van de Commissaris der Koningin en/of de president van de arrondissementsrechtbank; sinds 1956 droeg de Raad zelf nieuwe leden ter benoeming voor.

Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding

29.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van de benoeming van agenten door de Raad

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 9;

Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 11

Waardering: V 10 jaar

31.

Handeling: Het machtigen van de Raad te Rotterdam, Amsterdam of Den Haag om de ondervoorzitter de bevoegdheid tot tekenen van stukken te geven

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 10; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 12

Waardering: V 10 jaar

33.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het reglement van de Raad

Periode: Periode: 1945–1996

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905): art. 13; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 15, art. 16; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 10; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 2

Waardering: V 5 jaar

35.

Handeling: Het jaarlijks voorbereiden van de vaststelling van de som die iedere Raad mag besteden voor uitgaven

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905), zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 30 december 1909 (Stb. 39): art. 16; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 18

Opmerking: de vaststelling van de totale som die beschikbaar is voor de Voogdijraden geschied via de Rijksbegroting. Zie hiervoor PIVOT-onderzoek rijksbegroting

Waardering: V 10 jaar

36.

Handeling: Het vaststellen van regels over de wijze waarop de kosten van de Raad door de staat gedragen worden

Periode: 1956–1982

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 33–art. 35; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming(Stb. 327/1964): art. 33;

Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 33

Opmerking: de vaststelling van de totale som die beschikbaar is voor de Raad geschied via de Rijksbegroting. Zie hiervoor PIVOT-onderzoek rijksbegroting

Waardering: V 10 jaar

37.

Handeling: Het vergoeden van kosten gemaakt door de Raad

Periode: 1945–1982

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 39/1909): art. 16; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 33–art. 35; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 33

Opmerking: voor de posten op de rijksbegroting zie RIO rijksbegroting

Waardering: V 10 jaar

38.

Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, reiskostenvergoedingen, bezoldigingen e.d. aan leden (en secretaris) van de Raad

Periode: 1945–1996

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933: art. 18; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 10; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 9; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 9; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 13

Opmerking: Dit zijn geen ambtenaren die bezoldigd worden vanwege de Minister van Justitie; zie daarvoor PIVOT-onderzoek over rechtspositie ambtenaren (in voorbereiding)

Waardering: V 5 jaar

39.

Handeling: Het voeren van periodiek overleg inzake de werkzaamheden en het beleid van de Raad voor de Kinderbescherming

Periode: 1945–

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 18; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 20; Organisatiebesluit 1996, art. 1 lid 4

Product: Besluitenregister, notulen

Waardering: B 1

42.

Handeling: Het geven van voorschriften met betrekking tot de inrichting van het jaarverslag van de Voogdijraden

Periode: 1945–1996

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 20; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 22; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 26; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 34

Waardering: V 5 jaar

43.

Handeling: Het zorgdragen voor voldoende documentatie van de Raad over de kinderbescherming in het geheel

Periode: 1956–

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 22;

Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 22; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 31

Waardering: V 10 jaar

46.

Handeling: Het geven van aanwijzingen voor het regelen van de werkzaamheden van het bureau van de Raad

Periode: 1956–1996

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 28;

Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 28

Opmerking: De reorganisatie van 1956 introduceert een onderscheid tussen de Raad zelf (die de besluiten neemt), en het bureau van de Raad, (waaraan de onderzoekers verbonden zijn). De secretaris van de Raad is tevens directeur van het bureau

Waardering: B4

47.

Handeling: Het verstrekken van opdrachten of algemene aanwijzingen over minderjarigen aan de Raad

Periode: 1945–1982

Grondslag: Besluit van 15 juni 1905 (Stb. 207), zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 30 december 1933 (Stb. 804): art. 19; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 21; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 25; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 25; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 4

Waardering: B5

56.

Handeling: Het benoemen of ontslaan van de (plaatsvervangende) voorzitters en (plaatsvervangende) leden van de klachtencommissies voor de Raad voor de kinderbescherming

Periode: 1996–

Grondslag: Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996): art.7

Waardering: V 10 jaar

57.

Handeling: Het toevoegen van een secretaris aan de klachtencommissie voor de Raden voor de kinderbescherming

Periode: 1982–

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 40 ; Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996): art.8

Waardering: V 10 jaar

58.

Handeling: Het toekennen van vacatiegelden aan leden van de klachtencommissie voor de Raden voor de kinderbescherming

Periode: 1982–

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 13, art. 43; Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996): art. 11

Waardering: V 10 jaar

61.

Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van leden van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.4.; KbW (Stb. 612/1922): art. 5.4; Kbb (Stb. 209/1905): art. 184

Waardering: V 10 jaar

62.

Handeling: Het aanwijzen van een hoofdambtenaar die deelneemt aan de beraadslagingen van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies

Periode: 1945–1955

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 184

Waardering: V 10 jaar

63.

Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van een secretaris van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies

Periode: 1945–1955

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 184

Waardering: V 10 jaar

64.

Handeling: Het, het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies gehoord, benoemen of ontslaan van ambtenaren t.b.v. het secretariaat van het college

Periode: 1945–1955

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 184

Opmerking: deze ambtenaren worden door de Minister van Justitie bezoldigd; zie daarvoor PIVOT-onderzoek over rechtspositie ambtenaren

Waardering: V 10 jaar

65.

Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, reiskostenvergoedingen, bezoldigingen e.d. aan de leden en de secretaris van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies

Periode: 1945–1955

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (337/1956): art. 188;

Waardering: V 10 jaar

67.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het reglement van orde van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 193

Waardering: V 5 jaar

69.

Handeling: Het beslissen op een verzoek om toestemming om door het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies behandelde zaken openbaar te mogen maken

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 197

Waardering: V 10 jaar

College van Advies voor de (JustitiŽle) Kinderbescherming

71.

Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van de leden, voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het College van Advies voor de (JustitiŽle) Kinderbescherming

Periode: 1955–

Grondslag: KbW (Stb. 602/1954): art. 22a.2; Kbb (Stb. 337/1956): art. 185–art. 187; Bkb (Stb. 403/1961): art. 2.2; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 4, art. 5; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 4, art. 5, artikel II; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 82; Besluit College van Advies voor de justitiŽle kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 2, art. 3

Waardering: V 10 jaar

72.

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar die namens de minister de vergaderingen van het College van Advies voor de (justitiŽle) Kinderbescherming kan bijwonen

Periode: 1955–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 5/art. 8 ; Besluit College van Advies voor de justitiŽle kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 5

Waardering: V 10 jaar

73.

Handeling: Het benoemen en ontslaan van een (adjunct-) secretaris voor het College van Advies voor de (JustitiŽle) Kinderbescherming

Periode: 1955–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (337/1956): art. 189; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 7;

Besluit College van Advies voor de justitiŽle kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 6

Product : Beschikking

Waardering: V 10 jaar

74.

Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, reiskostenvergoedingen, bezoldigingen e.d. aan de leden van het College van Advies voor de (JustitiŽle) Kinderbescherming

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 191; Kbb (Stb. 337/1956): art. 191; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 9; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 9; Besluit College van Advies voor de justitiŽle kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 8

Opmerking: Dit zijn geen ambtenaren die bezoldigd worden vanwege de Minister van Justitie; zie daarvoor PIVOT-onderzoek over rechtspositie ambtenaren (in voorbereiding)

Waardering: V 10 jaar

75.

Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels voor het College van Advies voor de (JustitiŽle) Kinderbescherming

Periode: 1955–

Grondslag: KbW (Stb. 602/1954): art. 22a.1, art. 22a.4; Bkb (Stb. 403/1961): art. 2.1; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 84

Opmerking: Er zit een gat van april ‘55 tot juli ‘56 tussen de invoering van het College van Advies en het uitvoeringsamvb

Waardering: B5

78.

Handeling: Het beslissen op een verzoek om toestemming tot openbaring van door het College behandelde zaken

Periode: 1956–1983

Grondslag: Kbb (Stb. 337/1956): art. 193; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 11

Waardering: V 10 jaar

81.

Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de benoeming of ontslag van leden van het College van Advies voor de (JustitiŽle) Kinderbescherming en zijn werkwijze

Periode: 1965–

Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 2; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 84

Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding

Centrale Adoptieraad

82.

Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van leden van de Centrale Adoptieraad

Periode: 1956–1973

Grondslag: Wet van 26 januari 1956 (Stb. 42): art. IV;

WBRv (Stb. 42/1956): art. 969

Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding

83.

Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de werkzaamheden en benoeming en ontslag van de Centrale Adoptieraad worden geregeld

Periode: 1956–1973

Grondslag: WBRv (Stb. 42/1956): art. 969

Waardering: B5

Benoemingen Rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen & Commisies van Toezicht

84.

Handeling: Het vaststellen van de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 664/1980) afwijkende regels voor de justitiŽle rijksinrichtingen voor de kinderenbescherming

Periode: 1980–

Grondslag: Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 664/1980): art. 2.4

Waardering: B5

85.

Handeling: Het overleggen met de Arbeidsinspectie over de arbeidsomstandigheden in de justitiŽle rijksinrichtingen voor kinderbescherming

Periode: 1980–

Bron: Nota van Toelichting bij het Arbeidsomstandighedenbesluit JustitiŽle rijksinrichtingen (Stb. 491/1990)

Waardering: V 5 jaar

86.

Handeling: Het (voorbereiden van het) benoemen of ontslaan van de directeur van een rijksinrichting

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 612/1922): art. 5.4; KbW (Stb. 602/1954): art. 5.3; Bkb (Stb. 403/1961): art. 21.3; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 7

Opmerking: tot 1965 gaat benoeming van directeuren per KB

Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding

87.

Handeling: Het benoemen of ontslaan van ambtenaren van rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen

Periode: 1945–1990

Grondslag: KbW (Stb. 612/1922): art. 5.4; KbW (Stb. 602/1954): art. 5.3; Bkb (Stb. 403/1961): art. 21.3

Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding

88.

Handeling: Het benoemen en ontslaan van de leden van de Commissie van toezicht van een rijksinrichting

Periode: 1945

Grondslag: KbW (Stb. 612/1922): art. 5.4; KbW (Stb. 602/1954): art. 5.3; Bkb (Stb. 403/1961): art. 21.3; Bkb (Stb. 273/1982): art. 26a; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 150, art. 151; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 70; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 36–art. 37

Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding

92.

Handeling: Het bij KB op andere wijze voorzien in de vervulling van de werkzaamheden van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.5

Product: Koninklijk besluit

Waardering: B4

93.

Handeling: Het op andere wijze voorzien in de vervulling van de werkzaamheden van de CommissiŽn van Toezicht

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.5

Product : Ministerieel besluit/beschikking

Waardering: B4

94.

Handeling: Het bepalen van categorieŽn en aantal van de ambtenaren van de rijksinrichtingen

Periode: 1945–1989

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 4, juncto art. 90;

Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 148

Product: MinisteriŽle regeling

Waardering: B5

95.

Handeling: Het vaststellen van een instructie voor de directeur van een rijksinrichting

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 5, juncto art. 90;

Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 144;

Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 7

Product : Instructie, ministerieel besluit

Waardering: B5

96.

Handeling: Het vaststellen van een instructie voor de ambtenaren van de inrichting

Periode: 1965–1990

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 5, juncto art. 90; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 146

Product: Instructie

Waardering: B5

97.

Handeling: Het beslissen op een verzoek van de directeur van een rijksinrichting tot goedkeuring van de instructie voor de ambtenaren van de inrichting

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 5, juncto art. 90

Product: Beschikking

Opmerking: vanaf 1965 stelt de Minister van Justitie zelf de instructie vast

Waardering: B5

98.

Handeling: Het regelen van de vervanging van een directeur van een rijksinrichting

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 8, juncto art. 90; Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 296/1954): art. 19, juncto art. 90; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 147; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 7

Waardering: V 5 jaar

100.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van voorzieningen getroffen door de directeur van een rijksinrichting , bij afwezigheid van ambtenaren

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 8, juncto art. 90

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

Rijksagenten/ambtenaren voor voorwaardelijk ontslag

102.

Handeling: Het benoemen en ontslaan van Rijksagenten/ambtenaren voor voorwaardelijk ontslag

Periode: 1945–1956

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals ingevoegd bij besluit 13 juni 1933 (Stb. 331): art. 173ter; Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 296/1954): art. 173ter

Product: Beschikking

Opmerking: de Rijksagenten/ambtenaren zijn belast met het directe toezicht op de voorwaardelijk uit rijksopvoedingsgestichten of particuliere instellingen ontslagen minderjarige terbeschikkinggestelden

Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding

103.

Handeling: Het vaststellen van instructies voor de Rijksagenten/ambtenaren voor voorwaardelijk ontslag

Periode: 1945–1956

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals ingevoegd bij besluit 13 juni 1933 (Stb. 331): art. 173ter; Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 296/1954): art. 173ter

Product: MinisteriŽle regeling, instructie, aanwijzing standplaats, regels over vergoeding en betaling

Opmerking: de Rijksagenten/ambtenaren zijn belast met het directe toezicht op de voorwaardelijk uit rijksopvoedingsgestichten of particuliere instellingen ontslagen minderjarige terbeschikkinggestelden

Waardering: B5

104.

Handeling: Het bij AMvB bepalen dat het LBIO andere taken mag verrichten

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 1

Product: AMvB

Waardering: B4

105.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van de regeling van bezoldiging en verder rechtspositie van de leden van de directie van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 4

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

106.

Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, ten laste van het bureau, aan leden van de Raad van Toezicht van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 9

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

107.

Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van leden en voorzitter van de Raad van toezicht van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 10

Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding

108.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het oprichten of mede-oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon of het deelnemen aan een rechtspersoon

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 12

Product: Beschikking

Opmerking: Zie voor goedkeuring van vennootschappen het RIO rechtspersonen

Waardering: V 10 jaar

109.

Handeling: Het bij AMvB afwijken van het bepaalde over de rechtspositie van het personeel van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 14

Product: AMvB

Waardering: V 10 jaar

110.

Handeling: Het bij AMvB geven van de termijn waarbinnen de Minister van Justitie ten laste van de eigen begroting middelen aan het LBIO ter beschikking stelt

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 14

Product: AMvB

Opmerking: voor handelingen over de vaststelling van de begroting zie selectielijst rijksbegroting

Waardering: V 5 jaar

111.

Handeling: Het verstrekken van een voorschot aan het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 15

Product: Voorschot in maandelijkse termijnen

Waardering: V 5 jaar

112.

Handeling: Het beoordelen van (financiŽle) verantwoordingsgegevens van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 19, art. 21

Opmerking: In het kader van deze handeling onvangen de ministers o.a.: de begroting, jaarverslag, jaarrekening en stukken van de accountant etc.

Waardering: V 5 jaar

113.

Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister waaronder Welzijn ressorteert, beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het meerjarenbeleidsplan van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 20

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

115.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels over de wijze van beoordeling van de rechtmatigheid van de wettelijke taakuitvoering van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 21

Product: AMvB

Waardering: B 1

116

Handeling: Het verlengen van de termijn waarbinnen het LBIO zijn financiŽle verantwoordingstukken moet indienen

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 21

Product: Beschikking

Waardering: V 2 jaar

117.

Handeling: Het beslissen dat het LIBIO, middels een periodiek rapportage, inlichtingen verschaft aan de Minister van Justitie en de Minister waaronder Welzijn ressorteert

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 22

Product: Beschikking?

Waardering: V 10 jaar

118.

Handeling: Het treffen van voorzieningen wanneer het LIBIO zijn taken verwaarloosd

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 24

Opmerking: de Minister van Justitie meldt dit terstond aan de Staten-Generaal

Waardering: B4

119.

Handeling: Het bepalen welke vermogensbestanddelen van de Staat worden toebedeeld aan het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 35

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

120.

Handeling: Het eenmalig benoemen van leden van de directie van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 36

Product: Benoeming

Waardering: V 75 jaar

121.

Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met particuliere instellingen over het jeugdbeleid (GOPI)

Periode: 1981–1991

Grondslag: Beschikking tijdelijk gestructureerd overleg jeugdhulpverlening overkoepelende particuliere organisaties van 20 mei 1981, nr. 284/781;

Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188): art. 5/art. 10

Opmerking: In 1991 zou er een evaluatie van de werking van beschikking plaatsvinden. Waarschijnlijk is het overleg daarna opgegaan in het GOLO

Waardering: B 1

122.

Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met andere overheden over het jeugdbeleid (GOLO)

Periode: 1981–

Bron: Toelichting op Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188) als geciteerd in S&J nr.200 (1990) p.426

Waardering: B 1

Registraties

124.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor het openbaar register over het gevoerde gezag over minderjarigen, bij te houden door de kantongerechten

Periode: 1945–

Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 385c en WS: art. 39decies.4 ; BW (Stb. H232/1947): art. 354; NBW (Stb. 167/1969): art. 244

Product: AMvB, o.a.:

Besluit van 19 juni 1922 (Stb. 403);

Besluit voogdijregisters (Stb. 240/1969)

Waardering: B 1

125.

Handeling: Het bijhouden van het adoptieregister

Periode: 1956–1995

Grondslag: WBRv (Stb. 42/1956): art. 984

Product: Register

Waardering: B5

126.

Handeling: Het bijhouden van een administratie over de opneming van buitenlandse pleegkinderen via bemiddelingsorganisaties

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 21

Product: Register

Opmerking: de organisaties zijn verplicht ieder opname te melden

Waardering: B5

127.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die belast worden met het beheer van de centrale lijst van aspirant-pleegouders met beginseltoestemming

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 24

Product: Aanwijzing

Waardering: V 10 jaar

128.

Handeling: Het bijhouden van een administratie van aspirant-pleegouders met beginseltoestemming

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 24

Product: Centrale lijst

Opmerking: deze lijst kan te allen tijde door belanghebbenden worden ingezien

Waardering: B6

129.

Handeling: Het aanwijzen van het rekencentrum dat de financiŽle pupillenadministratie bijhoudt

Periode: 1984–1987

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 375/1984): art. 1

Product: Beschikking

Opmerking: Als rekencentrum werd aangewezen het Rijks Computercentrum in Limburg

Waardering: V 10 jaar

130.

Handeling: Het (doen) bijhouden van een of meer financiŽle administraties over jongeren aan wie hulpverlening in het kader van justitiŽle jeugdzorg geboden wordt

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975); Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 2–8; Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 17; Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 420/1992): art. 17; Besluit Privacyreglement financiŽle pupillenadministratie (Stcrt. 123/1990): art. 3, art. 4

Product: Administratie, ponsbanden

Opmerking: Sinds 1992 moet deze administratie en de daarbij behorende bewijsstukken minimaal 10 jaren bewaard blijven

Waardering: V 10 jaar

131.

Handeling: Het vaststellen van de wijze waarop gegevens voor de administratie van jeugdigen moeten worden verschaft

Periode: 1975–

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 2; Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 17

Product: Formulieren, regeling

Opmerking: Formulieren werden vastgesteld in overleg met het Rijks Computercentrum. Ze dienden voor de toevoer van gegevens van de Raad, kinderrechters en voogdij-instellingen. De formulieren werden op het Ministerie verwerkt tot pondsbanden die aan het Rijks Computercentrum gezonden worden. Na 1990 werd de administratie betreffende jeugdigen van wie de hulpverlening door de Minister van Justitie gefinancierd wordt op het ministerie zelf gedaan. De raad, kinderrechters, officieren van justitie en de voogdij-instellingen leverden de gegevens aan.

Waardering: V 5 jaar

132.

Handeling: Het voeren van overleg met instanties over het wijzigen of vervangen van het systeem ter verwerking van de gegevens voor de administratie van pupillen

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 3

Product: Beschikking, mededeling aan vertrouwenscommissie

Opmerking: De instanties waren de Nationale Federatie/WIJN, en het RijksComputercentrum/rekencentrum

Waardering: V 5 jaar

133.

Handeling: Het (doen) vervaardigen van overzichten van gegevens over pupillen, en het verstrekken van die overzichten aan betrokken instanties en instellingen

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 5, art. 6

Product: Overzichten

Opmerking: deze lijsten mogen, wanneer ze namen van minderjarigen bevatten, alleen worden verstrekt aan de Minister van Justitie, de Raad, voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en kinderrechters worden verstrekt.

Waardering: V 5 jaar

134.

Handeling: Het overleggen van een verklaring over beschikbaarstelling en vernietiging van de periodieke overzichten van gegevens over pupillen

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6

Product: Verklaring

Opmerking: deze verplichting geldt ook voor (gezins-) voogdij-instellingen

Waardering: V 1 jaar na overlegging van de verklaring

137.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toestemming voor het verstrekken van gegevens uit de financiŽle pupillenadministratie aan derden

Periode: 1975–

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6; Besluit Privacyreglement financiŽle pupillenadministratie (Stcrt. 123/1990): paragraaf 4, onder 4

Product: Beschikking

Opmerking: tot 1990 moest de Nationale Federatie/WIJN gehoord worden

Waardering: V 5 jaar

138.

Handeling: Het doen vervaardigen van statistische overzichten over instanties en groepen van instanties, betrokken bij een maatregel van kinderbescherming

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 7

Product: Overzichten voor de Federatie/WIJN, de betrokken instanties en het Centraal Bureau voor de Statistiek

Waardering: V 5 jaar

Vertrouwenscommissie financiŽle pupillenadministratie

139.

Handeling: Het benoemen van leden van de Vertrouwenscommissie financiŽle pupillenadministratie

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 9

Product: Beschikking

Opmerking: de nationale federatie gehoord

Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding

140.

Handeling: Het toekennen van vacatiegelden en reiskostenvergoedingen aan de leden van de Vertrouwenscommissie financiŽle pupillenadministratie

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 9

Product: Uitkering, financiŽle administratie

Waardering: V 5 jaar

145.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het reglement van de Vertrouwenscommissie financiŽle pupillenadministratie

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 12

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

147.

Handeling: Het doorsturen van het jaarverslag van de Vertrouwenscommissie financiŽle pupillenadministratie aan de Nationale federatie voor de kinderbescherming/WIJN

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 13

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

148.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot inlichtingen over, inzage of verbetering van gegevens in de administratie

Periode: 1975–

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 15; Besluit Privacyreglement financiŽle pupillenadministratie (Stcrt. 123/1990): art. 4, art. 11/art. 13

Product: Beschikking

Opmerking: Tot 1990 moest de Vertrouwenscommissie worden gehoord

Waardering: V 10 jaar

Registratie van gegevens noodzakelijk voor uitvoering van de Wjhv

149.

Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de gegevensverstrekking in het kader van de jeugdhulpverlening

Periode: 1989–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 56

Product: AMvB o.a.:

Besluit gegevensverstrekking jeugdhulpverlening (Stb. 328/1993)

Opmerking: Over het beheer van de gegevens, de wijze waarop en de vorm waarin ze worden aangeleverd en verwerkt, alsmede de organen belast met de verwerking

Waardering: B5

150.

Handeling: Het aanwijzen van de organen/rechtspersonen belast met de registratie van gegevens over de jeugdhulpverlening

Periode: 1993–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 56

Besluit gegevensverstrekking jeugdhulpverlening (Stb. 328/1993): art. 3

Opmerking: Als verantwoordelijk orgaan/rechtspersoon werd aangewezen de Stichting Registratie Jeugd voorzieningen. De financiering van deze registratie wordt geregeld via de Rijksbegroting. zie hiervoor het RIO/BSD Rijksbegroting

Waardering: B4

Centraal Meldingspunt Particulier

152.

Handeling: Het vaststellen van een registratieformulier voor het aanmelden van niet direct of moeilijk plaatsbare jongeren bij het CMP

Periode: 1987–

Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 2

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

154.

Handeling: Het periodiek opstellen van overzichten van niet direct, of moeilijk in een residentiele voorziening plaatsbare jeugdigen

Periode: 1987–

Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 3 en 4

Product: Wachtlijst, overzicht

Opmerking: de definitieve lijsten worden doorgegeven aan de residentiele voorzieningen, WVC-toezicht en de inspecteur-ZIB’s van het Ministerie van Justitie

Waardering: V 10 jaar

156.

Handeling: Het houden van toezicht op het opnamebeleid van residentiŽle voorzieningen

Periode: 1987–

Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 5

Product: Rapportages, overleg

Waardering: B5

Zakenregistratie Raden voor de Kinderbescherming

158.

Handeling: Het aanwijzen van personen en instellingen die bevoegd zijn tot kennisneming van gegevens in de zakenregistratie van de Raad

Periode: 1991–

Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 9

Product: Beschikking, besluit

Waardering: B4

160.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toestemming tot verstrekking van persoonsgegevens uit de zakenregistratie van de Raad, ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek

Periode: 1991–

Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 10

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

Gezag over minderjarigen

188.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toestemming voor een huwelijk van een minderjarige

Periode: 1948–

Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 98, art. 119; BW, zoals gewijzigd bij de Bkb (Stb. 403/1961): art. 98; NBW (Stb. 167/1969): art. 40; NBW (Stb. 391/1972): art. 40; NBW (Stb. 334/ 1987): art. 31

Product: Beschikking, mededeling aan het Openbaar Ministerie

Waardering: V 5 jaar

191.

Handeling: Het aanwijzen van de Raad die de invordering van de onderhoudsgelden op zich neemt

Periode: 1993–1997

Grondslag: NBW (Stb. 539/1993): art. 408

Product: Besluit

Opmerking: Aangewezen werd de Raad te Den Haag. De Dependance Gouda van deze raad nam het werk op zich.

Waardering: V 5 jaar

193.

Handeling: Het bepalen van het deel van het bedrag dat door de Gemeentelijke Sociale Dienst in mindering op het aan de Raad uit te keren bedrag voor onderhoudskosten mag worden gebracht

Periode: 1993–1997

Grondslag: NBW (Stb. 539/1993): art. 240

Product: ministeriŽle regeling

Waardering: V 5 jaar

197.

Handeling: Het wijzigen van de bij rechtelijke uitspraak of overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud

Periode: 1973–

Grondslag: NBW (Stb. 390/1972): art. 402a

Product: beschikking

Opmerking: het gaat om indexering van uitkeringen voor levensonderhoud, de Minister van Justitie stelt het percentage vast waarmee deze uitkeringen van rechtswege worden aangepast

Waardering: V 5 jaar

198.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor het door de rechter of de Raad ten laste van de staat brengen van de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarigen

Periode: 1945–

Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 469a

Product: AMvB, o.a.: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)

Waardering: B5

199.

Handeling: Het vaststellen van de ouderbijdrage verschuldigd voor de justitiŽle hulpverlening

Periode: 1995–1997

Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 44f

Product: beschikking

Opmerking: de Minister van Justitie kan dit overdragen aan een door hem aan te wijzen instantie, dat was tot 1997 formeel de dependance Gouda van de Raad te Den Haag

Waardering: V 5 jaar

200.

Handeling: Het aanwijzen van een instantie die de ouderbijdrage verschuldigd voor de justitiŽle en vrijwillige hulpverlening mag vaststellen en innen

Periode: 1995–1997

Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 41f

Product: besluit o.a.: Besluit (Stcrt.81/1995) houdende aanwijzing van De raad Den Haag voor de vaststelling en inning van bijdragen bij justitiŽle kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening

Opmerking: Dit (of liever de dependance Gouda van deze raad) is de voorloper het LIBIO

Waardering: V 5 jaar

201.

Handeling: Het vaststellen van het formulier waarmee gegevens over kosten van secundaire jeugdhulpverlening aan de ministers ter kennis wordt gebracht

Periode: 1995–

Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 32

Product: formulier

Waardering: V 5 jaar

202.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels over de hoogte van de (ouderlijke/jeugdige) eigen bijdrage verschuldigd voor de kosten van de hulpverlening

Periode: 1995–

Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 41a.

Product: AMvB o.a.: Besluit bijdragen justitiŽle en vrijwillige jeugdhulpverlening (Stb. 226/1995)

Waardering: B5

Adoptie Buitenlandse Pleegkinderen

208.

Handeling: Het beslissen over de opneming van een buitenlands pleegkind

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 2–art. 7, art. 12. Art. 13

Product: Beschikking, aanwijzing de Raad, voorlichting, mededeling aan het Openbaar Ministerie

Opmerking: verlenen, afwijzen, verlengen, intrekken en herziening van een dergelijke beslissing. Bij herzieningsprocedure komt het College van Advies voor de (JustitiŽle) Kinderbescherming eraan te pas.

Waardering: B 7 bij plaatsing van een pleegkind;

V 5 indien geen plaatsing heeft plaatsgevonden.

210.

Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over hoe de organisatie, inhoud en bekostiging van de algemene voorlichting voor aspirant-pleegouders geregeld wordt

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 5

Product: AMvB

Opmerking: –

Waardering: B 1

212.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die de minister vertegenwoordigen bij vergaderingen over herziening van beginseltoestemming

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 7

Waardering: V 10 jaar

213.

Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de herziening van beslissingen over beginseltoestemming voor opneming van buitenlandse pleegkinderen

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 7

Waardering: B 1

Bemiddelingsorganisaties adoptie

214.

Handeling: Het beslissen over erkenning van een bemiddelingsorganisatie voor opname van buitenlandse pleegkinderen

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 16–art. 23, art. 25

Product: Beschikking, publicatie in de Staatcourant, correspondentie

Opmerking: Dit is inclusief het toezicht op de naleving der voorwaarden. In het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie jaarverslagen en financiŽle verantwoordingsgegevens van de vergunninghouders.

Waardering: B4

215.

Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels voor bemiddelingsorganisaties voor opname van buitenlandse pleegkinderen

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 16

Product: AMvB

Waardering: B5

216.

Handeling: Het vaststellen van regels over de gegevens die door de vergunninghouder in verband met het toezicht moeten worden verstrekt

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 20

Product: Circulaire, publicatie in de staatscourant

Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling

217.

Handeling: Het bij AMvB stellen van eisen aan het jaarverslag en de financiŽle verantwoordingsgegevens van bemiddelingsorganisaties voor opneming van buitenlandse pleegkinderen

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 23

Product: AMvB

Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling

218.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren belast met het toezicht op de bemiddelingsorganisaties voor opname van buitenlandse pleegkinderen

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 25

Product: Aanwijzing, publicatie in de Staatscourant

Waardering: V 10 jaar

Jeugdbeschermingsrecht: maatregelen van kinderbescherming

239.

Handeling: Het vergoeden van kosten gemaakt i.v.m. een maatregel van OTS

Periode: 1945–1995

Grondslag: Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 15; Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 14

Product: Subsidie

Waardering: V 10 jaar

240.

Handeling: Het vaststellen van regels voor de vergoeding van kosten gemaakt i.v.m. een maatregel van OTS

Periode: 1945–1995

Grondslag: Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 15; Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 14

Product: Regeling

Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling

241.

Handeling: Het vaststellen van regels voor de opname van minderjarigen met een maatregel van OTS in justitiŽle inrichtingen van het rijk of particulieren

Periode: 1945–1990

Grondslag: Besluit van 19 juni 1922 (Stb. 402): art. 14; Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 16, art. 17; Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 16

Product: Circulaire

Waardering: B 1

242.

Handeling: Het machtigen van de kinderrechter om een minderjarige met een maatregel van OTS te laten opnemen in een particuliere inrichting

Periode: 1945–1990

Grondslag: Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 18; Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 16

Product: Machtiging

Waardering: V 10 jaar

243.

Handeling: Het bij AMvB aanwijzen van observatiehuizen waarin de geestelijke en lichamelijke toestand van minderjarigen met een maatregel van OTS onderzocht kan worden

Periode: 1945–1990

Grondslag: Burgerlijk Wetboek (Stb. 834/1921): art. 373m; BW (Stb. H232/1947): art. 372a; NBW (Stb. 167/1969): art. 262

Product: AmvB, o.a.:

1. Besluit van 19 juni 1922 (Stb. 402);

2. Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88);

3. Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. .527/1969);

4. Besluit van 23 mei 1990 Stb. 257/1990 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling

Opmerking: In observatiehuizen kunnen kinderen in het kader van een OTS met uithuisplaatsing voor 3 maanden, met 1 keer verlenging geplaatst worden. Onder de Wjhv komt deze handeling niet meer voor; de observatiehuizen vallen nu onder de verantwoordelijkheid van de Minister waaronder Welzijn ressorteert.

Waardering: B5

244.

Handeling: Het bij AMvB aanwijzen van gestichten of inrichtingen bestemd voor opneming van minderjarigen met een maatregel van OTS die bijzondere tucht behoeven/voor wie dit in het belang van opvoeding en verzorging noodzakelijk is

Periode: 1945–1995

Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 373n; BW (Stb. H232/1947): art. 372b; NBW (Stb. 167/1969): art. 262

Product: AMvB, o.a.:

1. Besluit van 19 juni 1922 (Stb. 402);

2. Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88);

3. Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969)

Opmerking: In gestichten of inrichtingen voor bijzondere tucht kunnen kinderen onder de 14, in het kader van een OTS met uithuisplaatsing voor 6 maanden geplaatst worden. Kinderen boven de 14 kunnen voor 1 jaar geplaatst worden. Er is 1 keer verlenging van de termijn mogelijk. In 1986/1987 ging het meerdendeel van de tehuizen voor bijzondere tucht over naar de Minister waaronder Welzijn ressorteert. De bevoegdheid voor de Minister van Justitie bleef bestaan voor 8 particuliere inrichtingen en de inrichtingen van het rijk. In 1995 wordt de aanwijzing niet meer geregeld via een AMvB maar via een ministeriele regeling.

Waardering: B5

245.

Handeling: Het aanwijzen van gesloten inrichtingen die voor plaatsing van minderjarigen met een maatregel van OTS in aanmerking kunnen komen

Periode: 1995–

Grondslag: NBW1 (Stb. 255/1995): art. 261

Product: Ministeriele regeling o.a.:

Besluit van 27 oktober 1995 (Stcrt. 211)

Waardering: B5

246.

Handeling: Het ontslaan van een minderjarige met een maatregel van OTS uit een Rijksinrichting

Periode: 1945–

Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 373o.2, art. 436a; BW (Stb.. H232/1947): art. 372b;

NBW1 (Stb. 167/1969): art. 263; Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 20;

Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 17; NBW (Stb. 255/1995): art. 261

Product: Beschikking, overleg met de kinderrechter, mededeling aan de kinderrechter

Waardering: V 5 jaar

247.

Handeling: Het bij AMvB geven van nadere voorschriften voor de uitvoering van de maatregel van OTS

Periode: 1945–1995

Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 374; Wetboek van Strafrecht (Stb. 834/1921): art. 39decies; BW (Stb. H232/1947): art. 373; NBW (Stb. 167/1969): art. 265

Product: AMvB, o.a.:

1. Besluit (Stb. I 88/1948)

2. Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969)

Waardering: B5

Regelgeving jeugdstrafrecht

254.

Handeling: Het bij KB vaststellen van de maximale duur van de gevangenisstraf voor minderjarigen onder de 18

Periode: 1945–1965

Grondslag: WSv (Stb. 308/1925): art. 487.2

Product: Koninklijk besluit

Waardering: B 1

255.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor de tenuitvoerlegging van het jeugdstrafrecht

Periode: 1945–

Grondslag: Wetboek van Strafrecht (Stb. 63/1901): art. 39bis; KbW (Stb. 64/1901): art. 3 en 21; WS (Stb. 402/1961): art. 77ff; Bkb (Stb. 403/1961): art. 30; WS (Stb. 358/1989): art. 77g bis, art.77ff

Product: AMvB, o.a. :

1. Kbb Besluit van 15 juni 1905 (Stb. 209)

2. Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296)

3. Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)

4. Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990)

5. Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 866/1994)

Waardering: B 1

256.

Handeling: Het bij AMvB geven van voorschriften ter uitvoering van de opschorting van de gevangenisstraf

Periode: 1945–1965

Grondslag: WS (Stb. 63/1901): art: 39sexies

Product: AMvB, o.a.:

Uitvoeringsregeling opschorting gevangenisstraf.

Waardering: B 1

257.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor door de Staat te betalen kosten van de straffen van arrest en plaatsing in een tuchtschool

Periode: 1970–1989

Grondslag: Bkb (Stb. 167/1969): art. 31.2

Product: AMvB

Waardering: B 1

258.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor de uitvoer en bekostiging van alternatieve sancties binnen het jeugdstrafrecht (Halt-projecten en leerprojecten)

Periode: 1995–

Grondslag: WS (Stb. 528/1994): art. 77e , art. 77ff , art. 77m

Product: AmvB

Waardering: B 1

259.

Handeling: Het vaststellen van regels over de gegevens die de directeur van een tuchtschool in zijn advies over de voorwaardelijke invrijheidstelling van een tuchtschoolpupil moet verstrekken

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 12

Product: MinisteriŽle regeling

Waardering: B 1

260.

Handeling: Het vaststellen van het formulier voor de verslaglegging over een voorwaardelijk uit een rijksopvoedingsgesticht of particuliere instelling ontslagen minderjarige met jeugd-TBR

Periode: 1945–1965?

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 173

Product: MinisteriŽle regeling/circulaire

Opmerking: dit verslag (of eventuele bijzondere mededelingen) wordt gezonden naar de directeur van het rijksopvoedingsgesticht of het bestuur van de particuliere instelling waar de minderjarige verpleegd werd; deze zend het dan door aan de Minister van Justitie

Waardering: V 5 jaar

284.

Handeling: Het beslissen over hoe verder te handelen met een jongere aan wie een maatregel van jeugd-TBR, plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 12, art. 20; Kbb (Stb. 209/1905): art. 83, art. 84, art. 123; Bkb (Stb. 403/1961): art. 27, art. 28; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 185, art. 186, art. 190/193, art. 197, art. 198, juncto art. 220; WS (Stb. 358/1989): art. 77hbis; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 2, art. 3, juncto art. 20; WS (Stb.. 528/1994): art. 77s

Product: Beschikking, terugzending van het dossier aan het Openbaar Ministerie beschikking, kennisgeving (onder bijvoeging van het dossier) aan Openbaar Ministerie, mededeling aan de Raad, correspondentie/overleg met instelling (aanvaard de instelling de opdracht dan bijvoeging van het dossier en na verblijf in rijksinrichting ook rapport over het verblijf aldaar), correspondentie met/advies van directeur van een rijksinrichting

Opmerking: De Minister van Justitie kan een opdracht tot verpleging en opvoeding verstrekken aan een instelling, meestal een voogdij-instelling , die de jeugdige plaatst in een inrichting of pleeggezin. Hij kan het kind ook plaatsen in een rijksinrichting, of doen opnemen in een particuliere inrichting voor kinderbescherming.

Sinds 1956 moet hij zijn beslissing melden aan de Raad, tussen 1965 en 1995 moest de Raad zelfs worden gehoord. Ook de rechter kan een advies indienen. Wordt de jongere overgeplaatst van een rijksinrichting dan wordt de directeur van een rijksinrichting gehoord

Waardering: V 10 jaar

307.

Handeling: Het beslissen over de plaats van tenuitvoerlegging van de straf van jeugddetentie of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Periode: 1995–

Grondslag: WS (Stb. 528/1994): art. 77v. art77w

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

310.

Handeling: Het in een krankzinnigengesticht, ziekenhuis of andere inrichting doen opnemen van een verpleegde uit een tuchthuis of rijksinrichting

Periode: 1945–1965

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 17

Product: Beschikking tot overbrenging

Waardering: V 10 jaar

313.

Handeling: Het in afwijking van de normale bestemming van rijksobservatiehuizen, plaatsen van een minderjarige aldaar

Periode: 1954–

Grondslag: Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 98

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

303.

Handeling: Het beslissen over de (plaats van) tenuitvoerlegging van een maatregel van jeugd-TBR, plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 12, art. 20; Kbb (Stb. 209/1905): art. 83, art. 84, art. 123; Bkb (Stb. 403/1961): art. 27, art. 28; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 185, art. 186, art. 190/193, art. 197, art. 198, juncto art. 220; WS (Stb. 358/1989): art. 77hbis; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 2, art. 3, juncto art. 20; WS (Stb.. 528/1994): art. 77s; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 866/1994): art. 2, art. 3

Product: Beschikking, terugzending van het dossier aan het Openbaar Ministerie beschikking, kennisgeving (onder bijvoeging van het dossier) aan Openbaar Ministerie, mededeling aan de Raad, correspondentie/overleg met instelling (aanvaard de instelling de opdracht dan bijvoeging van het dossier en na verblijf in rijksinrichting ook rapport over het verblijf aldaar), correspondentie met/advies van directeur van een rijksinrichting

Waardering: V 10 jaar

299.

Handeling: Het beslissen over vervroegde beŽindiging van een PIJ-maatregel

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 866/1994): art. 5, art.6, art.8, art. 9, art. 13

Opmerking: aan de vervroegde beŽindiging kunnen voorwaarden worden gesteld. De Minister van Justitie wijst bij zijn beschikking de toezichthouder aan en een instelling die belast is met het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden

Waardering: V 10 jaar

307.

Handeling: Het, na overleg met de rechter die de straf heeft opgelegd, bepalen dat de tuchtschoolstraf in een andere rijksinrichting wordt ondergaan

Periode: 1965–1995

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 221

Waardering: V 10 jaar

284.

Handeling: Het beslissen over (voorwaardelijk) beŽindiging van een maatregel van jeugd-TBR of van plaatsing in een inrichting voor bijzondere beHandeling: –

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 18; Kbb (Stb. 209/1905): art. 165–174bis; Kbb (Stb. 337/1956): art. 165–174; WS (Stb. 402/1961): art. 77q, art. 77r; Bkb (Stb. 403/1961): art. 29; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art.51, art. 204/art. 213, juncto art. 220; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 6/art. 15, juncto art. 22

Product: Beschikkingen, voorwaarden, ontslagbrief, mededeling aan directeur van een rijksinrichting of mededeling aan bestuur van voogdij-instelling, mededeling aan de Raad, mededeling aan het Openbaar Ministerie, mededelingen aan particuliere instellingen voor gezinsvoogdij/reclassering

Opmerking: voor de beslissing over het ontslag moet eerst de directeur van het rijksopvoedingsgesticht, of het bestuur van de particuliere instelling gehoord worden; sinds 1956 moet de Minister van Justitie ook de Raad horen.

Aan het ontslag worden meestal voorwaarden verbonden. De minister wijst dan ook een toezichthouder aan: meestal een jeugdreclasseringsvereniging of -stichting. Deze toezichthouder doet de minister verslag door tussenkomst van de directeur of het bestuur van de inrichting waar de minderjarige voor het ontslag verpleegd werd. Tot 1956 waren ook ‘rijksagenten (of ambtenaren) voor het voorwaardelijk ontslag’ die belast waren met het toezicht op voorwaardelijk ontslagenen minderjarigen.

Vanaf 1956 kan de Raad voor de kinderbescherming opdrachten van de minister krijgen i.v.m. het uit te voeren toezicht op deze voorwaardelijk ontslagenen. Wanneer het ontslag wordt ingetrokken wordt de minderjarige meestal teruggeplaatst naar de instelling die hem voor het voorwaardelijk ontslag verpleegde; de Minister van Justitie beslist na advies van degene die belast is met het toezicht. zowel de Raad als de directeur van een rijksinrichting of het bestuur van een particuliere inrichting kunnen een voorstel tot beŽindiging doen. Bij voorwaardelijke beŽindiging wordt een particuliere instelling voor gezinsvoogdij/reclassering aangewezen voor het verlenen van hulp en steun bij het naleven van de voorwaarden. Wordt de voorwaardelijke beŽindiging omgezet in een onvoorwaardelijke dan krijgt deze laatste instelling dat uiteraard ook te horen.

Tot 1990 was de Minister van Justitie is bevoegd tot wijziging van de voorwaarden en schorsing van de beŽindiging. In het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie driemaandelijkse verslagen van de toezichthouder.

Ook de kinderrechter kan deze handeling verrichten (WS: art. 77q en 77 r)

Waardering: V 10 jaar

289.

Handeling: Het, na afloop van een maatregel van jeugd-TBR, opschorten van een gevangenisstraf

Periode: 1945–1965

Grondslag: WS (Stb. 63/1901): art. 39quater; Besluit van 15 juni 1905 (Stb. 208): art. 1–3, art. 8.3, art. 9.1, art. 12, art. 13

Product: Beschikking, (duplicaat)verlofpas, besluit tot schorsing of herroeping, mededelingen aan het Openbaar Ministerie, mededelingen aan de hoofden der politie, mededelingen aan het Openbaar Ministerie, mededeling aan directeur van de (rijks)inrichting

Opmerking: De procedure en de bevoegdheden worden geregeld bij AMvB (Stb. 208/1905)

Waardering: V 10 jaar

290.

Handeling: Het houden van toezicht op jongeren met jeugd-TBR die voorwaardelijk ontslagen zijn uit tuchtscholen, rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen of particuliere instellingen

Periode: 1945–1994

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 18; Uitvoeringsbesluit inderbescherming (Stb. 327/1964): art. 214, juncto art. 220; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 16, juncto art. 22

Product: Tweejaarlijks verslag aan het Openbaar Ministerie

Waardering: V 10 jaar

315.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor de opname van pupillen van voogdij-instellingen in rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen

Periode: 1965–1990

Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 19.2, art. 20.2

Product: AMvB, o.a.: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)

Waardering: B 1

316.

Handeling: Het vaststellen van het model van de verklaring tot verzoek van opneming van een verpleegde in een rijksopvoedingsgesticht

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 179

Waardering: V 5 jaar

317.

Handeling: Het (op verzoek van een particuliere instelling) in een rijksinrichting opnemen van een minderjarige

Periode: 1945–1989

Grondslag: KbW (Stb. H 232/1947): art. 16, art. 20; Kbb (Stb. 209/1905): art. 179; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 178/art. 180

Product: Bevel tot opneming

Opmerking: hiermee vervalt de subsidie die de particuliere instelling voor de minderjarige ontving. De kosten voor overbrenging en terugvoering komen ten laste van de vereniging. De procedure wordt geregeld in Kbb (Stb. 209/1905): art. 179–182. Sinds 1956 wordt dit verzoek ingediend middels tussenkomst van de Raad.

Waardering: V 10 jaar

321.

Handeling: Het, op voorstel van de directeur van een rijksinrichting, ontslaan van een jongere die op verzoek van een particuliere instelling geplaatst werd

Periode: 1945–1965

Grondslag: KbW (Stb. H 232/1947): art. 16, art. 20; Kbb (Stb. 209/1905): art. 182

Product: Bevel tot ontslag

Waardering: V 10 jaar

Inrichtingen van het Rijk

323.

Handeling: Het houden van toezicht op het beleid en de toestand in de rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.1; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 146; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 67; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 67

Opmerking: In het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie o.a. jaarlijks een verslag van de directeur, en verder mededelingen over bijzonder omstandigheden. Ook ontvangt hij verslagen/mededelingen van de commissies van Toezicht

Waardering: B5

324.

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan een directeur van een rijksinrichting

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 17, juncto art. 90; Bkb (Stb. 403/1961): art. 21; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 144

Product: Aanwijzing

Waardering: B 5

Indeling van jeugdinrichtingen van het rijk & distributie jongeren

326.

Handeling: Het bepalen van het aantal, de plaats, de naam en de bestemming van rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen van het rijk/inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 3; Besluit van 4 september 1926 (Stb. 323): art. 7; Kbb (Stb. 331/1933): art. 44bis; Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 96.3; Bkb (Stb. 403/1961): art. 15.2; art. 17.3; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 58

Product: o.a.: AmvB:

1. Kbb (Stb. 209/1905)

2. Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)

MinisteriŽle regeling/circulaire

Plan, overleg met provinciale besturen en vertegenwoordigers steunfuncties en uitvoerders, publicatie in de Staatscourant

Opmerking: Dit wordt tot 1990 geregeld per AMvB en ministreiele regeling. Vanaf 1990 stelt de Minister van Justitie ieder jaar het de justitiŽle inrichtingen betreffende deel van het grotere jeugdhulpverleningsplan op grond van de Wjhv (Stb. 360/1989): art. 58 vast.

Waardering: B 1

327.

Handeling: Het vaststellen van onderscheidingstekenen voor verpleegden in de 3e klasse van een tuchtschool

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 456/1916): art. 49octies, art. 53

Product: Ministerieel besluit

Waardering: V 5 jaar

329.

Handeling: Het toestaan van afwijking van de normale leeftijdsindeling voor de tuchtschool in Nijmegen

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 331/1933): art. 43

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

330.

Handeling: Het machtigen van een directeur van een tuchtschool tot het voor een bepaalde termijn terugplaatsen van verpleegden naar de 1e klasse

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij Besluit van 17 juni 1933 (Stb. 331): art. 48.5, art. 49bis.3, art. 53

Product: Machtiging

Waardering: V 5 jaar

331.

Handeling: Het machtigen van de directeur van een tuchtschool, tot verlenging van de termijn van verblijf in de 1e klasse voor een verpleegde

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij Besluit van 25 september 1916 (Stb. 456): art. 49bis, art. 53

Product: Machtiging

Waardering: V 5 jaar

335.

Handeling: Het machtigen van de directeur van het rijksopvoedingsgesticht Doetichem, tot verlenging van de termijn van verblijf in de 1e afdeling voor een verpleegde

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905) ), zoals gewijzigd bij besluit van 23 september 1910 (Stb. 291): art. 97

Product: Machtiging

Waardering: V 5 jaar

Rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen; Reglementen & verslaglegging

337.

Handeling: Het vaststellen van een rechtspositiereglement voor minderjarigen opgenomen in rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen

Periode: 1983–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 177a; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 14

Product: Besluit, o.a.:

Besluit van de Staatssecretaris van 28 maart 1984 (Stcrt. 114/1984): Reglement betreffende de rechtspositie van hen die in rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen voor kinderbescherming zijn opgenomen.

Waardering: B 1

338.

Handeling: Het vaststellen van huishoudelijke reglementen voor rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen en de nadere regeling der werkzaamheden van de Commissies van Toezicht

Periode: 1945–1983

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 22

Product: Besluit

Waardering: B4

339.

Handeling: Het beslissen op een verzoek om goedkeuring van het huisreglement van een rijksinrichting

Periode: 1983–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 177a ;

Reglement rechtspositie rijksinrichtingen (Stcrt. 114/1984): art. 2;

Waardering: B5

341.

Handeling: Het vaststellen van voorschriften voor de verslaglegging door de directeur van een rijksinrichting

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 21

Product: MinisteriŽle regeling/circulaire

Waardering: V 5 jaar

342.

Handeling: Het vaststellen van regels voor de verslaglegging over het verblijf buiten de groep en de toepassing van afzondering in de rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen

Periode: 1983–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 160e; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 18

Product: Regeling

Waardering: B 1

343.

Handeling: Het vaststellen van voorschriften voor de inrichting van de aantekeningen en de persoonsbeschrijving van verpleegden in rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 27, juncto art. 9; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 159.2

Product: MinisteriŽle regeling

Waardering: B5

347.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van een voorstel voor een dagverdeling voor een rijksinrichting

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 22, juncto art. 90

Product: Beschikking

Waardering: B 5

352.

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar die de vergadering van de Commissie van toezicht kan bijwonen

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 156; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 156;

Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 41

Product: Aanwijzing

Opmerking: de directeur van een rijksinrichting woont de vergaderingen van de commissie bij, de commissie mag in bijzondere gevallen echter zonder hem vergaderen

Waardering: V 5 jaar

355.

Handeling: Het bij AMvB geven van verdere taken en samenstelling van de commissies van toezicht voor de rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen worden geregeld

Periode: 1982–

Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26k; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 80

Product: AMvB; o.a.: Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990)

Waardering: B 1

359.

Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, reiskostenvergoedingen, bezoldigingen e.d. aan leden van de Commissie van toezicht voor de rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen

Periode: 1983–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 157c;

Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 43

Waardering: V 5 jaar

363.

Handeling: Het toevoegen van een secretaris aan de klachtencommissie van een rijksinrichting

Periode: 1983–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 157

Waardering: V 5 jaar na opheffing functie

365.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor de beloning van toegevoegde advocaten bij zaken van jongeren voor de klachtencommissie van een rijksinrichting

Periode: 1983–

Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26g; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 76

Product: AMvB, o.a.:

Besluit van 19 december 1989 (Stb. 3/1990) tot wijziging van de bijlage, behorende bij het Besluit vergoedingen rechtsbijstand in strafzaken (Stb. 431/1987)

Waardering: V 5 jaar

Rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen; Opvoeding en verzorging verpleegden

374.

Handeling: Het beslissen in gevallen waarin het Reglement rechtspositie rijksinrichtingen (Stcrt. 114/1984) niet voorziet

Periode: 1984–

Grondslag: Reglement rechtspositie rijksinrichtingen (Stcrt. 114/1984): art. 54

Product: Beschikking

Waardering: B 1

383.

Handeling: Het verlenen van verlof aan verpleegden de rijksinrichting tijdelijk te verlaten

Periode: 1945–1965

Grondslag: WS: art. 16; Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 13–18 ;WS (Stb. 528/1994): art. 77j; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 29; Kbb (Stb. 209/1905): art. 30, juncto art. 91

Product: Beschikking, verlofpas

Waardering: V 10 jaar

377.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toelating van bezoek tot een verpleegde

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 32, juncto art. 91

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

378.

Handeling: Het bepalen welke kledingstukken en uitrustingsstukken die van rijkswege zijn verstrekt, in het bezit gelaten kunnen worden bij het ontslag van een verpleegde uit een rijksopvoedingsgesticht

Periode: 1945–1965

Grondslag: Besluit van15 juni 1905 (Stb. 208), zoals gewijzigd bij besluit van 25 september 1916 (Stb. 456): art. 113

Waardering: V 10 jaar

379.

Handeling: Het vaststellen van regels over de voeding der jongeren

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 35, juncto art. 93; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 165

Waardering: V 5 jaar

381.

Handeling: Het voorzien in het geneeskundig toezicht, de geneeskundige verzorging en de verstrekking van geneesmiddelen; en het geven van regelen volgens welke niet aan een rijksinrichting verbonden geneeskundigen in consult kunnen worden geroepen en de behandeling aan specialisten toevertrouwd

Periode: 1954–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 96/1954): art. 39, juncto art. 95; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 167

Product: Beschikking,

Opmerking: vergoeding van kosten gaat waarschijnlijk op de normale rekening? Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 39: aan ieder tuchtschool zijn een huisarts en psychiater verbonden.

Waardering: V 5 jaar

384.

Handeling: Het, de inspecteur van de geneeskundige dienst van de landmacht gehoord, beslissen op een verzoek tot goedkeuring van een contract tot levering van geneesmiddelen, af te sluiten tussen een apotheker en een rijksinrichting

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 41, juncto art. 95

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

386.

Handeling: Het vaststellen, wijzigen, intrekken van nadere regels over de wijze van uitvoering van het urineonderzoek bij jongeren in inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming

Periode: 1995–

Grondslag: Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 104/1995): art. 31a

Waardering: B5

Rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen; Beloning en beheer uitgaanskas

388.

Handeling: Het vaststellen van regels voor zakgeld en geldelijke beloning voor verrichte arbeid voor in rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen opgenomen jongeren

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van15 juni 1905 (Stb. 208), zoals gewijzigd bij besluit van 23 september 1910 (Stb. 291): art. 63; Kbb (Stb. 209/1905): art. 109; Bkb (Stb. 403/1961): art. 24.1; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 69

Product: MinisteriŽle regeling

Waardering: B5

390.

Handeling: Het beslissen op een verzoek van een directeur van een rijksinrichting, om de uitgaanskas te mogen overschrijven aan het bestuur van een particuliere instelling of de instelling of persoon belast met het toezicht op de verpleegde na ontslag

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij Besluit van 23 september 1910 (Stb. 291): art. 78, juncto art. 112

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

392.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot machtiging van de directeur van een rijksinrichting tot uitvoering van de disciplinaire straf van water en brood of boeiing

Periode: 1954–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 296/1954): art. 11, juncto art. 72.2

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

493.

Handeling: Het vaststellen van het model van het register van strafoplegging aan verpleegden in een rijksinrichting

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 111, juncto art. 72

Product: MinisteriŽle regeling

Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling

394.

Handeling: Het machtigen van de directeur van een tuchtschool om af te wijken van de normale termijnen van afzondering voor een verpleegde

Periode: 1954–?

Grondslag: Kbb (Stb. 296/1954): art. 43

Product: Beschikking

Waardering: B5

Rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen; Godsdienst

396.

Handeling: Het benoemen/toelaten van geestelijke verzorgers voor rijksinrichtingen

Periode: 1945–1981

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 65, juncto art. 110; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 171

Product: Correspondentie, notulen, evt. toestemming tot betreding van het gesticht

Opmerking: wanneer de eisen van de godsdienst zich verzetten tegen de benoeming door een wereldlijke overheid, wordt de benoeming verricht door de kerkelijke overheid. De Minister van Justitie moet dan wel toestemming geven voor het betreden van de inrichting

Waardering: V 5 jaar na opheffing functie

397.

Handeling: Het toelaten van genootschappen op geestelijke grondslag die bijeenkomsten in rijksinrichtingen organiseren

Periode: 1965–1981

Grondslag: Beginselenwet (Stb. 403/1961): art. 23.1 b; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 169

Product: Besluit

Opmerking: aan iedere inrichting zijn naar behoefte geestelijk verzorgers van protestantse, rooms-katholieke en IsraŽlitische gezindte verbonden. Op protestantse en rooms-katholieke geestelijke verzorging wordt toezicht uitgeoefend door de hoofdpredikant en de hoofdaalmoezenier bij de inrichtingen van Justitie

Waardering: B 1

Rijksinrichtingen/justitiele jeugdinrichtingen; Onderwijs en arbeid

398.

Handeling: Het uitoefenen van toezicht op protestantse en rooms-katholieke geestelijke verzorging in rijksinrichtingen voor jongeren

Periode: 1965–1981

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 170

Waardering: B 1

400.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van een plan voor het geven van lager onderwijs aan opgenomen jongeren

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 58, art. 102; Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 102 juncto art. 58/art. 61

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

403.

Handeling: Het vaststellen van regels waarbij de inrichting van de (handen)arbeid voor de opgenomen jongeren van een tuchtschool geregeld wordt

Periode: 1945–1954

Grondslag: Besluit van 15 juni (Stb. 291/1910): art. 62

Product: MinisteriŽle regeling

Waardering: B 1

405.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van plannen voor het geven van vakonderricht aan jongeren in een rijksinrichting

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 106

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

406.

Handeling: Het vaststellen van regels over de aan de jongeren in rijksinrichtingen op te dragen arbeid

Periode: 1954–?

Grondslag: Kbb (Stb. 296/1954): art. 106, art. 107

Product: MinisteriŽle regeling

Waardering: B 1

Particuliere (gezags)instellingen en inrichtingen; Algemene regelgeving

407.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor kwaliteitseisen en subsidieverstrekking aan particuliere instellingen voor voogdij, gezinsvoogdij en jeugdreclassering en particuliere inrichtingen

Periode: 1965–

Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 3.1.c, art. 4.1, art. 5, art. 8, art. 10.1, art. 14, art. 13.1, art. 13.2; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 60, art. 60, juncto art. 35, art. 61, art. 61.4

Product: AMvB, o.a.:

Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)

Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stb. 354/1990)

Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 307/1990)

Waardering: B5

408.

Handeling: Het vaststellen van nadere regels over de begroting en financiŽle controle in verband met subsidieverstrekking aan voogdij-instellingen, gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringinstellingen en particuliere inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 142; Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 8, art. 12

Product: MinisteriŽle regeling, o.a.:

Regeling controleprotocol subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 235/1994);

Besluit handhaving subsidieregels voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 251/1994);

Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling

409.

Handeling: Het vaststellen van nadere regels voor de aanvaarding van voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen

Periode: 1990–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 62

Product: Besluit, o.a.:

Besluit aanvaarding voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 242/1989)

Waardering: B 1

Particuliere (gezags)instellingen en inrichtingen; Subsidie

410.

Handeling: Het verstrekken van subsidie aan voogdij-instellingen, gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringinstellingen en particuliere inrichtingen

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 12, art. 15; KbW (Stb. 322/1909): art. 16bis; KbW (Stb. H 232/1947): art. 15, art. 20; KbW (Stb. 29/1954): art. 15; Kbb (Stb. 209/1905): art. 175 juncto art. 158–art. 164, art. 177bis, art. 178; Kbb (Stb. 331/ 1933): art. 176;

Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 7; Bkb (Stb. 403/1961): art. 10, art. 11, art. 12, art. 14, art. 27; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 106/art. 114, art. 116, art. 119/art. 122, art. 139, art. 143; Wet van 1 juli 1987 (Stb. 335): art. X; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 61, art.65; Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 2, art. 3, art.5; Besluit handhaving subsidieregels voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen ( Stcrt.251/1994)

Product: Subsidie

Opmerking: Vanaf 1965 geld het volgende systeem: na afloop van ieder jaar wordt door de instelling een opgave gedaan van de hoofdelijke kosten en baten over het afgelopen jaar. Op grond daarvan stelt de Minister van Justitie het bedrag van de subsidie voor het komend jaar vast. De subsidie wordt per kwartaal voorlopig uitgekeerd,. Aan het eind van het jaar wordt ze, na verrekening van eventueel tekort of teveel, definitief. De instellingen ontvangen dus per pupil een subsidie, terwijl ook de ouders moeten bijdragen in de kosten van verzorging. Deze ouderbijdrage liep via de Raad, tegenwoordig via het LBIO.

Waardering: V 10 jaar

411.

Handeling: Het verstrekken van subsidie voor experimenten op het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg

Periode: 1990–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 53; Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 4

Waardering: V 10 jaar

Particuliere (gezags)instellingen en inrichtingen; Aanvaarding

412.

Handeling: Het beslissen over de aanvaarding van particuliere instellingen voor voogdij, gezinsvoogdij, jeugdreclassering en nazorg

Periode: 1990–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 60, art. 63, art. 64; Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stb. 354/1990): art. 2, art. 3; Besluit aanvaarding voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 242/1989): art. 1/art. 6

Product: o.a.: besluiten, dossier, mededeling aan het samenwerkingsverband, kinderrechter en de Raad

Opmerking: De instelling een werkplan en haar statuten in. De minister is verplicht de kinderrechters en de Raden voor de kinderbescherming in het arrondissement te horen. Tussen 1992 en 1995 zijn de instellingen tevens voorziening van pleegzorg

Waardering: B5

Particuliere (gezags)instellingen en inrichtingen; Toezicht

413.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren aan wie de particuliere instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming informatie over haar werkzaamheden moeten verstrekken

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 22; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 67

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

Jeugdreclasseringsinstellingen; Algemene regelgeving

416.

Handeling: Het vaststellen van nadere voorschriften ter uitvoering van het Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947)

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 20

Product: MinisteriŽle regeling/circulaire

Waardering: B 1

417.

Handeling: Het vaststellen van regels over de registers waarin particuliere jeugdreclasseringsinstellingen de door hen behandelende gevallen moet aantekenen

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 5

Product: Circulaire

Waardering: B5

Jeugdreclasseringsinstellingen; Subsidie

418.

Handeling: Het vaststellen van regels over de inrichting van de financiŽle administratie die door particuliere reclasseringsinstellingen moet worden bijgehouden

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 6

Product: Circulaire

Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling

419.

Handeling: Het vaststellen van regels over de toekenning van subsidie aan particuliere reclasseringsinstellingen

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 7

Product: Circulaire

Waardering: B5

420.

Handeling: Het toekennen van subsidie aan particuliere reclasseringsinstellingen

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 7

Product: Subsidie, correspondentie

Waardering: V 5 jaar

Jeugdreclasseringsinstellingen; Aanvaarding

421.

Handeling: Het beslissen over de aanvaarding van een particuliere jeugdreclasseringsinstelling

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 4

Product: Beschikking, evt. voorwaarden

Opmerking: de instelling levert daartoe een schriftelijke verklaring in, waarin ze zich bereid verklaart tot het uitvoeren van rechterlijke opdrachten tot het verlenen van hulp aan, en toezicht op voorwaardelijk veroordeelde jeugdigen, en/of ze zich bereid verklaart tot het uitvoeren van ministeriŽle opdrachten van bijzonder toezicht op tot een tuchtschool veroordeelde, maar voorwaardelijk invrijheidgestelde jeugdigen. De instelling moet zich daarbij onderwerpen aan de bepalingen van Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947). De instelling kan overigens haar arbeid beperken tot een of meer bepaalde groepen van personen.

Voor de aanvaarding moet de Minister van Justitie het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies horen.

Waardering: B 1

Jeugdreclasseringsinstellingen; Toezicht

423.

Handeling: Het houden van toezicht op jeugdreclasseringsinstellingen

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 5

Product: Huisbezoek, verslag, correspondentie met reclasseringsinstelling

Opmerking: de reclasseringsinstelling is verplicht te bevorderen dat aan deze ambtenaren toegang tot de verblijfplaats van de jeugdigen wordt verschaft

Waardering: B 2

Gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen; Algemene regelgeving

424.

Handeling: Het vaststellen van voorschriften over de inrichting van het dossier dat een gezinsvoogdij-instelling over ieder pupil moet bijhouden

Periode: 1965–1989

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 44

Product: Circulaire

Opmerking: Onder het Besluit kwaliteitseisen en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stb. 354/1990), is de instelling verplicht zelf in haar werkplan aan te geven hoe zij de dossiers inricht. De Minister van Justitie neemt kennis van de inhoud van het werkplan

Waardering: B5

Gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen; Subsidie

425.

Handeling: Het vaststellen van het formulier waarmee gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen subsidie kunnen aanvragen

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 139

Opmerking: dit betreft instellingen voor patroons en gezinsvoogden, jeugdreclassering en nazorg.

Waardering: V 5 jaar

426.

Handeling: Het vaststellen van modellen voor de in te dienen begroting en werkplan i.v.m. subsidieverstrekking gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 8

Product: Modellen

Waardering: V 5 jaar

Gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen; Aanvaarding

427.

Handeling: Het beslissen over de aanvaarding van particuliere instellingen voor patroons en gezinsvoogden, jeugdreclassering en nazorg

Periode: 1965–1990

Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 4; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 14, art. 15, art. 22–art. 25;

Product: o.a.: besluiten, dossier, mededeling aan het samenwerkingsverband, kinderrechter en de Raad

Opmerking: De instelling levert daartoe een schriftelijke verklaring in bij de minister, waarin zij verklaart zich te onderwerpen aan de bij AMvB te stellen voorwaarden. De minister is verplicht de kinderrechters en de Raden voor de kinderbescherming in het arrondissement te horen en ook de Nationale Federatie voor Kinderbescherming of in plaats van de laatste een groepsfederatie.

Waardering: B5

Voogdij-instellingen; Algemene regelgeving

430.

Handeling: Het vaststellen van voorschriften en modellen voor het dossier en de verslaglegging over de minderjarige, die door voogdij-instellingen moet worden bijgehouden

Periode: 1945–1989

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 149 juncto art. 178; Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 4; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 28.3

Product: Model

Opmerking: Onder het Besluit kwaliteitseisen en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stb. 354/1990), is de instelling verplicht zelf in haar werkplan aan te geven hoe zij de dossiers inricht. De Minister van Justitie neemt kennis van de inhoud van het werkplan

Waardering: B5

Voogdij-instellingen; Subsidie

432.

Handeling: Het vaststellen van regels voor de melding van omstandigheden die invloed hebben op de subsidieverstrekking

Periode: 1945–1964

Grondslag: Kbb (Stb. 331/1933): art. 162

Product: Circulaire

Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling

433.

Handeling: Het vaststellen van formulieren i.v.m. de aanvraag en controle voor subsidie voor voogdij-instellingen

Periode: 1945–1989

Grondslag: Kbb (Stb. 331/1933): art. 176 ; Kbb (Stb. 331/1933): art. 163, art. 164; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 106

Product: Circulaire

Waardering: V 5 jaar

434.

Handeling: Het vaststellen van nadere regels voor de subsidieverstrekking voor de voogdij-instellingen

Periode: 1965–1989

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 113

Product: Circulaire

Waardering: B5

435.

Handeling: Het vaststellen van het model van het formulier waarmee een voogdij-instelling subsidie kan aanvragen ten behoeve van een pupil die veroordeeld is tot TBR of plaatsing in een inrichting van buitengewone behandeling

Periode: 1965–1989

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 116

Product: Formulier

Waardering: V 5 jaar

436.

Handeling: Het vaststellen van modellen voor de in te dienen begroting en werkplan i.v.m. subsidieverstrekking aan voogdij-instellingen

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 8

Product: Modellen

Waardering: V 5 jaar

Voogdij-instellingen; Aanvaarding

437.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels waaraan rechtspersonen die voogdij op zich willen nemen zich moeten onderwerpen

Periode: 1947–1965

Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 396

Product: AMvB o.a.: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468), tot vaststelling van een AMvB , houdende de voorwaarden, waaraan de rechtspersonen als bedoeld in art. 396 van het BW zich onderwerpen

Waardering: B5

438.

Handeling: Het stellen van voorwaarden aan particuliere instellingen die met een opdracht tot verpleging van TBR-gestelde jongeren kunnen worden belast of aan wie de voogdij over jongeren is opgedragen

Periode: 1945–1965

Grondslag: KbW (Stb. H 232): art. 14

Opmerking: De voorwaarden betreffen maatregelen ten behoeve van de gezondheid, zedelijkheid, schoolonderwijs en vakonderricht. Daarnaast kunnen voorwaarden betreffende de opneming in gestichten en tot de opvoedkundige inrichting der gestichten

Waardering: B5

439.

Handeling: Het vaststellen van regels over het toezicht op verpleegden door of vanwege de instelling te houden

Periode: 1950–1965

Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 8

Product: Circulaire

Waardering: B5

440.

Handeling: Het beslissen over de aanvaarding van voogdij-instellingen

Periode: 1945–1990

Grondslag: KbW (Stb. H 232): art. 15; Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 10, art. 12; Bkb (Stb. 403/1961): art. 3; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 14, art. 15.

Product: o.a.: besluiten, correspondentie, dossier, mededelingen aan kinderrechter, de Raad en samenwerkingsverband

Opmerking: De instelling levert daartoe een schriftelijke verklaring in bij de minister, waarin zij verklaart zich te onderwerpen aan de bij AMvB te stellen voorwaarden. De minister is verplicht de kinderrechters en de Raden voor de kinderbescherming in het arrondissement te horen en tot 1990 ook de Nationale Federatie voor Kinderbescherming of in plaats van de laatste een groepsfederatie.

Waardering: B5

Voogdij-instellingen; Toezicht

444.

Handeling: Het houden van toezicht op voogdij-instellingen

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 149, art. 150, art. 151, art. 178; KbW (Stb. H 232/1947): art. 13; Bkb (Stb. 403/1961): art. 3; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 22–art. 25, art. 40, art. 41, art. 200/art. 203; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 63

Product: Correspondentie, dossier

Opmerking: in het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie o.a. jaarverslagen, mededelingen over bijzondere voorvallen en financiŽle verantwoordingsinformatie en/of accountantsrapporten. Niet nakoming van de voorwaarden kan leiden tot intrekking van de aanvaarding. In het kader van het toezicht op jeugd-TBR in particuliere stuurde de instelling driemaandelijkse rapporten betreffende de jongere aan de minister; bijzondere voorvallen worden directe gemeld. Aan de Minister van Justitie worden alle ter zake dienende inlichtingen verstrekt

Waardering: B 2

Particuliere inrichtingen en tehuizen: Reglementen en verslaglegging

447.

Handeling: Het vaststellen van voorschriften/modellen voor de inrichting van de verslaglegging die particuliere inrichtingen of instellingen moeten bijhouden over de aan hen toevertrouwde jongeren

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 149

Product: Model

Opmerking: Na 1965 wordt deze handeling ondergebracht in de vaststelling van een AMvB

Waardering: B5

448.

Handeling: Het vaststellen van het model van het register voor strafaantekening in inrichtingen van voogdij-instellingen

Periode: 1950–?

Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 15

Product: Circulaire

Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling

Particuliere inrichtingen en tehuizen; Subsidie

449.

Handeling: Het vaststellen van regels over de afzonderlijke subsidie voor tegemoetkoming in de kosten van het toezichthoudend personeel van particuliere inrichtingen

Periode: 1954–1964

Grondslag: Kbb (Stb. 482/1954): art. 161bis

Product: Circulaire

Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling

450.

Handeling: Het, voor ieder inrichting afzonderlijk, vaststellen welk bedrag aan verpleegkosten ten hoogste als basis voor de toekenning van subsidie wordt aangehouden

Periode: 1962–1989

Grondslag: Kbb (Stb. 84/1962): art. 161; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 109

Product: Circulaire

Opmerking: bedrag wordt bepaald aan de hand van door de inrichting ingediende exploitatie-rekening of begroting

Waardering: V 5 jaar

451.

Handeling: Het vaststellen van modellen voor de in te dienen begroting en werkplan i.v.m. subsidieverstrekking aan inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit subsidiŽring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 8

Product: Modellen

Waardering: V 5 jaar

452.

Handeling: Het vaststellen van nadere regels over de kosten van verblijf door jongeren in niet goedgekeurde particuliere inrichtingen

Periode: 1965–1989

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 123

Product: Circulaire, ministeriŽle regeling

Waardering: B5

453.

Handeling: Het verstrekken van subsidie voor de bouw van particuliere inrichtingen en tehuizen

Periode: 1965–1989

Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 13.1, 13.2; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 125/art. 138

Product: Subsidie, voorschot, beschikking, voorwaarden, dossier waarin verzoek, bouwtekening, uittreksel kadastrale kaart, begroting enz., correspondentie, bezoekverslagen

Opmerking: de wet verplicht de instelling tot het verstrekken van een hypotheek ten behoeve van de Staat tot zekerheid voor het nakomen van de gestelde voorwaarden

Waardering: V 5 jaar

454.

Handeling: Het geven van toestemming voor verandering van de bestemming van een door de overheid gesubsidieerd gebouw aan een particuliere inrichting of voor de vervreemding of bezwaaring van de inrichting van het gebouw

Periode: 1965–1989

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 136

Waardering: V 5 jaar

455.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die controle uitoefenen op de door de overheid gesubsidieerde bouw van particuliere inrichtingen

Periode: 1965–1989

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 138

Opmerking: Na 1989 wordt deze handeling gezamenlijk uitgevoerd door de Minister van Justitie en de Minister waaronder Welzijn ressorteert op grond van art. 55 van Wjhv(Stb. 390/1989). Zie hiervoor Schappelijk welzijn op Maat

Waardering: V 5 jaar

Particuliere inrichtingen en tehuizen; Aanvaarding

456.

Handeling: Het beslissen over aanvaarding van particuliere observatieklinieken voor minderjarige verdachten

Periode: 1945–1965

Grondslag: Besluit van 4 september 1926 (Stb. 323): art. 2–art. 6

Product: Onderzoek, correspondentie, evt. voorwaarden verbetering, beschikking

Opmerking: het bestuur van de inrichting zendt daartoe een schriftelijke verklaring van onderwerping in, waarop een onderzoek door het ministerie volgt.

Waardering: B 1

457.

Handeling: Het beslissen over goedkeuring van particuliere inrichtingen en tehuizen voor de tenuitvoerlegging van de straf van arrest aan jongeren

Periode: 1965–1990

Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 30; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 223/art. 229

Product: MinisteriŽle besluiten, onderzoek, dossier, mededeling aan het Openbaar Ministerie

Opmerking: De inrichting dient een schriftelijk verzoek bij de Minister van Justitie in, onder mededeling van de categorie en het aantal jongeren dat de inrichting wenst op te nemen. Eventueel laat de Minister van Justitie nog een onderzoek instellen. De (voorlopige) goedkeuring wordt schriftelijk aan de instelling medegedeeld, evenals een intrekking van de goedkeuring. Van goedkeuring of intrekking daarvan doet de Minister van Justitie mededeling aan het Openbaar Ministerie

Waardering: B5

458.

Handeling: Het bij AMvB geven van kwaliteitsregels voor inrichtingen van justitiŽle kinderbescherming

Periode: 1990–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989) art.66, art.80

Product: AMvB, o.a.: Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990)

Opmerking: Vanaf 1983 moeten de inrichtingen ook voldoen aan voorwaarden over de rechtspositie van de jongeren

Waardering: B5

459.

Handeling: Het beslissen over goedkeuring van particuliere inrichtingen en tehuizen

Periode: 1945–1990

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 152 juncto art. 178; Bkb (Stb. 403/1961): art. 5;

Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 53–art. 58, art. 82

Product: o.a.: besluit, dossier waarin verklaring van onderwerping, statuten, stichtingsbrieven of reglementen, samenstelling bestuur, plattegrond, gegevens over de jongeren waarvoor de inrichting bedoeld is, uiteenzetting over de methodiek, gegevens over onderwijs en vakonderricht, het personeel van de inrichting, financiŽle positie van de rechtspersoon, inspectierapport, rechtspositie reglement, correspondentie over wijzigingen

Opmerking: De inrichting levert daartoe een schriftelijke verklaring in bij de minister, waarin zij verklaart zich te onderwerpen aan de bij AMvB te stellen voorwaarden. De Minister moet zich overtuigen dat de inrichting aan de gestelde voorwaarden voldoet. De minister is verplicht voor de goedkeuring en de intrekking daarvan de Raden voor de kinderbescherming in het arrondissement te horen, alsmede de Nationale Federatie voor Kinderbescherming of in plaats van de laatste een groepsfederatie

Waardering: B5

Particuliere inrichtingen en tehuizen; Toezicht

461.

Handeling: Het aanwijzen van personen die altijd toegang hebben tot particuliere observatieklinieken voor minderjarige verdachten

Periode: 1945–1965

Grondslag: Besluit van 4 september 1926 (Stb. 323): art. 1

Waardering: V 5 jaar

462.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die particuliere inrichtingen mogen bezoeken

Periode: 1950–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 74;

Product: Aanwijzing

Opmerking: Uit Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. blijkt echter dat de Minister van Justitie dit al sinds 1950 doet

Waardering: V 5 jaar

464.

Handeling: Het houden van toezicht op de particuliere inrichtingen

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 149; Kbb (Stb. 209/1905): art. 150 Kbb (Stb. 209/1905): art. 155 Kbb (Stb. 209/1905): art. 155 juncto art. 178; Bkb (Stb. 403/1961): art. 5.5; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 74, art. 76, art. 79–art. 81 ; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 67

Product: Correspondentie, inspectiebezoeken, rapportage, verslagen

Opmerking: in het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie mededelingen over bijzondere zaken, en verder o.a. jaarverslagen en financiŽle verantwoordingsinformatie en/of accountantsrapporten.

Waardering: B 2

Particuliere inrichtingen en tehuizen; Regels verpleging

466.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van de regeling voor het toezicht gedurende de nacht

Periode: 1945–1965

Grondslag: Besluit van 15 juni 1905 (Stb. 208), zoals gewijzigd bij het besluit van 10 mei 1907 (Stb. 99): art. 134

Waardering: V 5 jaar

467.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van een ‘leerplan’ voor het geven van onderwijs aan verpleegden van een particuliere inrichting

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 136

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

468.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toestemming voor gemengde verpleging voor een particuliere inrichting

Periode: 1950–1965

Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 17

Waardering: V 5 jaar

469.

Handeling: Het machtigen van een particuliere inrichting tot het in afzondering houden van jongeren

Periode: 1983–1990

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 62b, art. 62c

Product: Beschikking

Opmerking: let op: de inrichting krijgt een algemene machtiging. De directeur beslist over de individuele gevallen. Afzondering mag bovendien alleen in door de minister goedgekeurde ruimten; het kan zijn dat dit geen aparte handeling is maar valt onder aanvaarding inrichting

Waardering: B 1

Voortgezette hulpverlening aan meerderjarigen

470.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor subsidieverstrekking aan instellingen voor voortgezette hulpverlening aan meerderjarige jongeren

Periode: 1988–1991

Grondslag: Bkb (Stb. 335/1988): art. 10a

Product: AMvB

Waardering: B 1

471.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot voortzetting of wijziging van de uithuisplaatsing van een jongere na het bereiken van de meerderjarigheid

Periode: 1988–1991

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143c

Product: Beschikking, dossier waarin: formulier, advies van de plaatsende instantie, inlichtingen van de plaatsende instantie

Opmerking: Het gaat hier om de voortzetting van subsidie voor hulpverlening aan particuliere instellingen of inrichtingen. In de beschikking wordt vermeld voor welke hulpverlening de plaatsende instantie subsidie in de kosten, dan wel machtiging om de kosten van de hulpverlening in uitgaaf te stellen wordt verleend. De duur van de hulpverlening is ten hoogste 6 maanden, die door de Minister van Justitie, op verzoek, steeds verlengd kan worden totdat de jongere 21 wordt of in het huwelijk treed. De plaatsende instantie is verplicht beŽindiging van de hulpverlening onmiddellijk te melden.

Waardering: V 10 jaar

472.

Handeling: Het vaststellen van het formulier waarmee een verzoek tot voortzetting of wijziging van de hulpverlening, door een uit huisgeplaatste jongere na het bereiken van de meerderjarigheid, gedaan moet worden

Periode: 1988–1991

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143b

Product: Formulier

Opmerking: het formulier wordt aan de jongere verstrekt door instantie die hem oorspronkelijk geplaatst heeft. Deze plaatsende instantie moet de Minister van Justitie terzake adviseren.

Waardering: V 5 jaar

475.

Handeling: Het vaststellen van regels voor de aftrek van eigen inkomsten van de subsidie of vergoeding voor voortgezette hulpverlening aan meerderjarigen

Periode: 1988–1995

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143c; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 40

Product: Publicatie in Staatscourant

Waardering: V 5 jaar

476.

Handeling: Het verstrekken van subsidie voor voortgezette hulpverlening aan uit huisgeplaatste meerderjarige jongeren

Periode: 1988–1990

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143a–143e;

Product: Subsidie, administratie

Waardering: V 10 jaar

Pleegzorg; Algemene regelgeving

477.

Handeling: Het houden van toezicht op de particuliere verpleging van jongeren met jeugd-TBR buiten gestichten

Periode: 1945–1989

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit van 23 september 1910: art. 156, Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 9

Waardering: B 2

480.

Handeling: Het bevelen van een geneeskundig onderzoek voor een pleeggezin

Periode: 1965–1989

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 38

Product: Beschikking

Opmerking: ook de instelling mag tot een dergelijk onderzoek bevelen

Waardering: V 10 jaar

481.

Handeling: Het vaststellen van het model van het pleegcontract voor opvoeding in een pleeggezin

Periode: 1989–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 39

Product: MinisteriŽle regeling, o.a.:

Besluit van 27 februari 1990, no. AJB-U 8 920 245 (Stcrt. 46/1990)

Waardering: B 1

Pleegzorg; Subsidie

483.

Handeling: Het aanwijzen van een pleeggezin als inrichting

Periode: 1950–1989

Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 26; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 36

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

484.

Handeling: Het vaststellen van (regels voor) de vergoeding van pleegzorg

Periode: 1989–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 40

Product: MinisteriŽle regeling, o.a.:

Regeling vergoeding pleeggezinnen (Stcrt. 252/1989)

Besluit tot wijziging van Regeling vergoeding pleeggezinnen (Stcrt. 215/1990)

Waardering: B5

485.

Handeling: Het verstrekken van subsidie aan plaatsende instanties, opnemende instanties,

centrales van pleegzorg en instellingen voor therapeutische gezinsverpleging

Periode: 1990–1992

Grondslag: Regeling vergoeding pleeggezinnen (Stcrt. 252/1989); Besluit tot wijziging van Regeling vergoeding pleeggezinnen (Stcrt.215/1990); Besluit tijdelijke regeling bekostiging jeugdhulpverlening (Stb. 564/1990)

Product: Subsidie

Waardering: V 10 jaar

Pleegzorg; Pleegkinderen

486.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels ter uitvoering van de Pleegkinderenwet

Periode: 1951–

Grondslag: Pleegkinderenwet (Stb. 595/1951): art. 1.c, art. 4 en 5

Product: AMvB o.a.: Uitvoeringsbesluit Pleegkinderenwet (Stb. 19/1953)

Waardering: B 1

487.

Handeling: Het vaststellen van nadere regels betreffende de uitvoering van de Pleegkinderenwet

Periode: 1951–

Product: Circulaire, o.a.:

Circulaire van de Minister van Justitie aan de Voogdijraden van 9 maart 1953, nr. 2073

Waardering: B5

488.

Handeling: Het vaststellen van de modellen voor de formulieren waarmee opname, vertrek of overlijden van pleegkinderen aan de gemeenteraad moet worden aangemeld

Periode: 1953–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit Pleegkinderenwet (Stb. 19/1953): 12

Product: Model

Waardering: V 5 jaar

 Actor Minister van Defensie

– inspecteur van de geneeskundige dienst van de landmacht;

– garnizoensapotheek;

– ’s Rijks magazijn van geneesmiddelen te Amsterdam

380.

Handeling: Het houden van toezicht op de geneeskundige dienst van rijksinrichting

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 39, juncto art. 95

Waardering: V 5 jaar

382.

Handeling: Het verstrekken van geneesmiddelen ten behoeve van de verpleegden in een rijksinrichting

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 41, juncto art. 95

Opmerking: de kosten van deze verstrekkingen en de toelage voor de militaire apotheker komen ten laste van de justitiebegroting

Waardering: V 5 jaar

383.

Handeling: Het adviseren aan de Minister van Justitie, over een verzoek tot goedkeuring van een contract tot levering van geneesmiddelen, af te sluiten tussen een apotheker en een rijksinrichting

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 41, juncto art. 95

Waardering: V 5 jaar

385.

Handeling: Het verstrekken van genees-, verband- en verdere hulpmiddelen aan de geneeskundige dienst van rijksinrichtingen

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 42, juncto art. 95

Opmerking: kosten van deze verstrekkingen komen ten laste van de justitiebegroting

Waardering: V 5 jaar

491.

Handeling: Het, in samenwerking met andere overheidsinstellingen, opleiden, trainen, aanleren van sociale vaardigheden en disciplineren van jongeren

Periode: 1999–

Grondslag: Defensienota 2000

Waardering: V 5 jaar

 Actor Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

487.

Handeling: Het vaststellen van nadere regels betreffende de uitvoering van de

Pleegkinderenwet

Periode: 1951–

Waardering: B5

 Actor Minister waaronder Welzijn ressorteert

Rijksagenten/ambtenaren voor voorwaardelijk ontslag

104.

Handeling: Het bij AMvB bepalen dat het LBIO andere taken mag verrichten

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 1

Waardering: B4

105.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van de regeling van bezoldiging en verdere rechtspositie van de leden van de directie van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 4

Waardering: V 5 jaar

107.

Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van leden en voorzitter van de Raad van toezicht van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 10

Waardering: V 75 jaar

108.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het oprichten of mede-oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon of het deelnemen aan een rechtspersoon

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 12

Opmerking: Zie voor goedkeuring van vennootschappen het RIO rechtspersonen

Waardering: V 10 jaar

109.

Handeling: Het bij AMvB afwijken van het bepaalde over de rechtspositie van het personeel van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 14

Waardering: V 10 jaar

111.

Handeling: Het verstrekken van een voorschot aan het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 15

Waardering: V 5 jaar

112.

Handeling: Het beoordelen van (financiŽle) verantwoordingsgegevens van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 19, art. 21

Opmerking: In het kader van deze handeling onvangen de ministers o.a.: de begroting, jaarverslag, jaarrekening en stukken van de accountant etc.

Waardering: V 5 jaar

114.

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Justitie, over goedkeuring van het meerjarenbeleidsplan van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 20

Waardering: V 10 jaar

115.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels over de wijze van beoordeling van de rechtmatigheid van de wettelijke taakuitvoering van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 21

Waardering: B 1

118.

Handeling: Het treffen van voorzieningen wanneer het LIBIO zijn taken verwaarloosd

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 24

Opmerking: de Minister van Justitie meldt dit terstond aan de Staten-Generaal

Waardering: B4

119.

Handeling: Het bepalen welke vermogensbestanddelen van de Staat worden toebedeeld aan het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 35

Waardering: V 5 jaar

120.

Handeling: Het eenmalig benoemen van leden van de directie van het LBIO

Periode: 1997–

Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 36

Waardering: V 75 jaar

121.

Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met particuliere instellingen over het jeugdbeleid (GOPI)

Periode: 1981–1991

Grondslag: Beschikking tijdelijk gestructureerd overleg jeugdhulpverlening overkoepelende particuliere organisaties van 20 mei 1981, nr. 284/781;

Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188): art. 5/art. 10

Opmerking: In 1991 zou er een evaluatie van de werking van beschikking plaatsvinden. Waarschijnlijk is het overleg daarna opgegaan in het GOLO

Waardering: B 1

122.

Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met andere overheden over het jeugdbeleid (GOLO)

Periode: 1981–

Bron: Toelichting op Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188) als geciteerd in S&J nr.200 (1990) p.426

Waardering: B 1

Registratie van gegevens noodzakelijk voor uitvoering van de Wjhv

149.

Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de gegevensverstrekking in het kader van de jeugdhulpverlening

Periode: 1989–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 56

Opmerking: Over het beheer van de gegevens, de wijze waarop en de vorm waarin ze worden aangeleverd en verwerkt, alsmede de organen belast met de verwerking

Waardering: B5

150.

Handeling: Het aanwijzen van de organen/rechtspersonen belast met de registratie van gegevens over de jeugdhulpverlening

Periode: 1993–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 56

Besluit gegevensverstrekking jeugdhulpverlening (Stb. 328/1993): art. 3

Opmerking: Als verantwoordelijk orgaan/rechtspersoon werd aangewezen de Stichting Registratie Jeugd voorzieningen. De financiering van deze registratie wordt geregeld via de Rijksbegroting. zie hiervoor het RIO/BSD Rijksbegroting

Waardering: B4

156.

Handeling: Het houden van toezicht op het opnamebeleid van residentiŽle voorzieningen

Periode: 1987–

Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 5

Waardering: B5

200.

Handeling: Het aanwijzen van een instantie die de ouderbijdrage verschuldigd voor de justitiŽle en vrijwillige hulpverlening mag vaststellen en innen

Periode: 1995–1997

Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 41f

Product: –

Opmerking: Dit (of liever de dependance Gouda van deze raad) is de voorloper het LIBIO

Waardering: B4

201.

Handeling: Het vaststellen van het formulier waarmee gegevens over kosten van secundaire jeugdhulpverlening aan de ministers ter kennis wordt gebracht

Periode: 1995–

Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 32

Product: –

Opmerking: –

Waardering: V 5 jaar

202.

Handeling: Het bij AMvB geven van regels over de hoogte van de (ouderlijke/jeugdige) eigen bijdrage verschuldigd voor de kosten van de hulpverlening

Periode: 1995–

Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 41a.

Waardering: B5

481.

Handeling: Het vaststellen van het model van het pleegcontract voor opvoeding in een pleeggezin

Periode: 1989–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 39

Waardering: B 1

484

Handeling: Het vaststellen van (regels voor) de vergoeding van pleegzorg

Periode: 1989–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 40

Waardering: B5

 Actor Vakminister

121.

Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met particuliere instellingen over het jeugdbeleid (GOPI)

Periode: 1981–1991

Grondslag: Beschikking tijdelijk gestructureerd overleg jeugdhulpverlening overkoepelende particuliere organisaties van 20 mei 1981, nr. 284/781;

Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188): art. 5/art. 10

Opmerking: In 1991 zou er een evaluatie van de werking van de beschikking plaatsvinden. Waarschijnlijk is het overleg daarna opgegaan in het GOLO

Waardering: B 1

122.

Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met andere overheden over het jeugdbeleid (GOLO)

Periode: 1981–

Bron: Toelichting op Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188) als geciteerd in S&J nr. 200 (1990) p. 426

Waardering: B 1

 Actor Raad voor de Kinderbescherming/voogdijraad

 Steekproef dossiers Raden voor de Kinderbescherming

Op grond van deze selectielijst kunnen cliŽntendossiers van een Raad voor de Kinderbescherming vernietigd worden op het moment dat het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden, met uitzondering van de dossiers gevormd vůůr 1956 en eindigend op een 1 en een 6 voor blijvende bewaring aangemerkt. Voor de dossiers gevormd vanaf 1956 geldt dat de dossiers eindigend op een 1 bewaard moeten worden. De te bewaren steekproef heeft uitsluitend betrekking op de cliŽntendossiers.

Informatieverstrekking

8.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleidsterrein justitiŽle jeugdzorg

Periode : 1945–

Waardering: V 1 jaar

9.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het handelen van de Raad en de instellingen van voogdij en gezinsvoogdij

Periode: 1945–

Waardering: V 1 jaar

10.

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de kinderbescherming

Bron: Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming (Stb. 329/1996)

Opmerking: Van het gedrukte voorlichtingsmateriaal wordt een exemplaar bewaard. De voorbereidende stukken worden vernietigd

Waardering: B 1 eindproduct

V 2 jaar: overige stukken

15.

Handeling: Het benoemen en ontslaan van personeel van de Raad

Periode: 1996–

Grondslag: Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming (Stb. 329/1996): art. 2

Waardering: V 75 jaar

19.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over de ontheffing van de verplichting voor de secretaris van de Raad, om zijn standplaats te hebben in de gemeente waar de Raad gevestigd is

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905): art. 3; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5

Product: Advies

Waardering: V 5 jaar

21.

Handeling: Het aanstellen van een plaatsvervangende secretaris

Periode: 1945–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 3; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 29

Product: Verzoek aan de minister, besluit tot aanstelling

Opmerking: Tot 1956 had de Raad hiervoor de goedkeuring van de Minister van Justitie nodig

Waardering: V 5 jaar na aanstelling

24.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie i.v.m. de benoeming van leden voor de Raad

Periode: 1956–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 5; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 7; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 6; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 7–10

Product: voordracht, advies

Opmerking: Tot 1956 werden de leden benoemd op voordracht van de Commissaris der Koningin en/of de president van de arrondissementsrechtbank; sinds 1956 draagt de Raad zelf nieuwe leden ter benoeming voor.

Waardering: V 5 jaar na advies

25.

Handeling: Het verzoeken aan de Commissaris der koningin/president der arrondissementsrechtbank om bij de Minister van Justitie een voordracht te doen ter vervanging van een lid van de Raad

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 6;

Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 8

Product: Verzoek

Waardering: V 5 jaar na indiening van het verzoek

26.

Handeling: Het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter uit de leden

Periode: 1945–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 7.2; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 9; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 7; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 10

Product: besluit, kennisgeving aan de minister

Waardering: V 5 jaar na aanwijzing

27.

Handeling: Het instellen van commissies over wie de werkzaamheden verdeeld worden en het aanwijzen van de voorzitters daarvan

Periode: 1956–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 11; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 11; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 12

Product: Notulen

Opmerking: in het reglement wordt bepaald welke commissies er zijn; de commissies zijn bevoegd te beslissen. in 1982 krijgen deze interne commissies er een taak bij: het toetsen van de werkzaamheden van het bureau aan het algemeen beleid (zoals geformuleerd door de Raad) de medewerkers van het bureau kunnen deelnemen aan de werkzaamheden van de commissies

Waardering: V 5 jaar na instelling van de commissie

28.

Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie, benoemen van agenten

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 9; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 11

Product: besluit, verzoek aan de minister

Opmerking: De agenten mochten namens de Raad onderzoek verrichten en ontvingen daarvoor vergoeding voor reis- en verblijfskosten. Later is deze bevoegdheid tot delegatie ingetrokken. Raadsonderzoeken worden uitgevoerd door personeel van de Raad zelf

Waardering: V 75 jaar na benoeming

30.

Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie, machtigen van de ondervoorzitter om stukken te tekenen

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933) art. 10; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 12

Product: Machtiging, verzoek aan de minister

Waardering: V 1 jaar na verlenen van de machtiging

32.

Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie, vaststellen, wijzigen of intrekken van het reglement

Periode: 1945–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905): art. 13; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 15; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 10; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 10; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 2

Product: Reglement

Waardering: B4

34.

Handeling: Het publiceren van de vergaderdata van de Raad en de spreekuren van de secretaris

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 15; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 17

Product: publicatie in dagbladen

Waardering: V 1 jaar na publicatie

39.

Handeling: Het voeren van periodiek overleg inzake de werkzaamheden en het beleid van de Raad voor de Kinderbescherming

Periode: 1945–

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 18; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 20; Organisatiebesluit 1996, art. 1 lid 4

Product: Besluitenregister, notulen

Waardering: B 1

40.

Handeling: Het afgeven van een uittreksel van het besluitenregister/notulen aan de president van de rechtbank

Periode: 1945–1956

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 18; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 20

Product: uittreksel register

Waardering: V 1 jaar

41.

Handeling: Het opstellen van jaarverslagen, jaarplannen, periodieke verantwoordingsrapportages, activiteitenplannen met betrekking tot de werkzaamheden

Periode: 1945–

Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 20; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 22; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 26; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 34; Organisatiebesluit 1996, art. 1 lid 4

Opmerking: De desbetreffende stukken worden ter beoordeling aan de Minister van Justitie aangeboden

Waardering: V 1 jaar

44.

Vervallen

45.

Handeling: Het, met inachtneming van de aanwijzingen van de Minister van Justitie, regelen van de werkzaamheden van het bureau van de Raad

Periode: 1956–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 28;

Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 28;

Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 20

Opmerking: De reorganisatie van 1956 introduceert een onderscheid tussen de Raad zelf (die de besluiten neemt), en het bureau van de Raad, (waaraan de onderzoekers verbonden zijn). De secretaris van de Raad is tevens directeur van het bureau

Waardering: V 10 jaar

Regionale samenwerking

49.

Handeling: Het bevorderen van en deelnemen aan regionale samenwerkingsverbanden

Periode: 1989–

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 23;

Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 23;

Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 32;

Wjhv (Stb. 360/1989): art. 14; NBW (Stb. 328/1996): art. 238

Waardering: V 5 jaar

50.

Handeling: Het leveren van bijdragen en deelnemen aan de werkzaamheden van het jeugdhulpadviesteam

Periode: 1989–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 17–art. 21

Product: Advies

Waardering: V 5 jaar

51.

Handeling: Het jaarlijks opstellen van een verslag over zijn plaatsingsbeleid ten behoeve van het regionale jeugdhulpadviesteam

Periode: 1989–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 33

Product: Verslag

Waardering: B3

Klachtencommissie

52.

Handeling: Het afhandelen van klachten gericht tegen gedragingen van raadsmedewerkers jegens belanghebbenden en/of informanten m.b.t. een bij de raad in behandeling zijnde of geweest zijnde aangelegenheid

Periode: 1982–

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 35, art. 36, art. 37, art. 38; Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996): art. 2, art. 3, art. 4, art. 5, art. 6

Product: Oplossing, schriftelijke beslissing, mededeling aan de rechter, dossier, beslissing afschriften aan de Minister van Justitie, de directeur van het betreffende bureau, de voorzitter van de betreffende Raad

Waardering: V 5 jaar nadat een klacht is ingediend of zoveel eerder als van het

gezin het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad

meerderjarig is geworden.

54.

Handeling: Het aanwijzen van leden uit haar midden die zitting nemen in de klachtencommissie

Periode: 1982–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 39

Product: Besluit

Waardering: V 5 jaar

55.

Handeling: Het aanwijzen van de (plaatsvervangende) voorzitter van de klachtencommissie

Periode: 1982–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 40

Product: Aanwijzing

Waardering: V 5 jaar

Registraties

134.

Handeling: Het overleggen van een verklaring over beschikbaarstelling en vernietiging van de periodieke overzichten van gegevens over pupillen

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6

Product: Verklaring

Opmerking: deze verplichting geldt ook voor (gezins-) voogdij-instellingen

Waardering: V 1 jaar na overlegging van de verklaring

135.

Handeling: Het vernietigen van de overzichten van gegevens over pupillen

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6;

Product: Verklaring

Opmerking: deze verplichting geldt ook voor (gezins)voogdij-instellingen; op de bescheiden bij het ministerie is de Archiefwet van toepassing

Waardering: V 1 jaar

136.

Handeling: Het verzoeken om toestemming voor het verstrekken van gegevens aan derden over pupillen

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6

Product: Verzoek

Opmerking: deze verplichting geldt ook voor (gezins)voogdij-instellingen

Waardering: V 1 jaar na verzoek om toestemming

Registratie van gegevens noodzakelijk voor uitvoering van de Wjhv

151.

Handeling: Het leveren van gegevens aan de registratie gegevensverstrekking jeugdhulpverlening

Periode: 1993–

Grondslag: Besluit gegevensverstrekking jeugdhulpverlening (Stb. 328/1993): art.

Product: Overzicht

Waardering: V 5 jaar

Centraal Meldingspunt Particulier

153.

Handeling: Het melden aan de Minister van Justitie van niet direct, of moeilijk in een residentiele voorziening plaatsbare jeugdigen

Periode: 1987–2000

Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 2

Product: Formulier

Waardering: V 5 jaar

155.

Handeling: Het maandelijks meewerken aan het opstellen van overzichten van niet direct, of moeilijk in een residentiele voorziening plaatsbare jeugdigen

Periode: 1987–2000

Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 4

Product: Geschoonde wachtlijst

Waardering: V 5 jaar

Zakenregistratie van de Raad

157.

Handeling: Het bijhouden van de zakenregistratie van de Raad

Periode: 1991–

Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 4

Opmerking: In deze registratie worden ook gegevens opgenomen verkregen van het Ministerie van justitie

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

158.

Handeling: Het aanwijzen van personen en instellingen die bevoegd zijn tot kennisneming van gegevens in de zakenregistratie van de Raad

Periode: 1991–

Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 9

Waardering: B4

159.

Handeling: Het verstrekken van gegevens uit de registratie aan derden (personen en instellingen voor die gegevens beroepshalve van belang zijn)

Periode: 1991–

Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 10

Opmerking: Verstrekking van gegevens wordt apart geregistreerd. Gegevens worden in het kader van de uitoefening van hun wettelijke taak verstrekt aan Openbaar Ministerie, Rechtelijke Organisatie, advocaatuur, Minister van Justitie, andere raden, en personen en instellingen werkzaam op het gebied van de jeugdhulpverlening en jeugdwelzijn; Personen en instellingen met publiekrechtelijke taak kunnen onder voorwaarden ook gegevens verkrijgen

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

161.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot kennisneming van de gegevens in de zakenregistratie door een geregistreerde of diens wettelijke vertegenwoordiger

Periode: 1991–

Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 11

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

162.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot wijziging van de gegevens in de zakenregistratie door een geregistreerde of diens wettelijke vertegenwoordiger

Periode: 1991–

Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 12

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

163.

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot kennisneming van een geregistreerde of diens wettelijke vertegenwoordiger, over de verstrekking van gegevens uit de registratie aan derden

Periode: 1991–

Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 11; Wet Persoonsregistraties: art. 30

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

164.

Handeling: Het beslissen over en verlenen van inzage in of afschrift van bescheiden aan jeugdigen, hun wettelijke vertegenwoordigers of derden

Periode: 1989–

Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 42–44

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

172.

Handeling: Het verzoeken aan de rechtbank of kantonrechter om te bepalen dat de overlevende ouder of een derde persoon met het gezag over minderjarige kinderen wordt belast

Periode: 1995–

Grondslag: NBW (Stb. 240/1995): art. 253g

Waardering: B 7 in geval van adoptiezaken

V 5 jaar: wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden: in geval van overige stukken

174.

Handeling: Het verzoeken aan de kinderrechter om een meerderjarigverklaring van een minderjarige moeder

Periode: 1993–

Grondslag: NBW (Stb. 268/1993): art. 291a; NBW (Stb. 240/1995): art. 253ha

Waardering: B 7 in geval van adoptiezaken

V 5 jaar: wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden: in geval van overige stukken

179.

Handeling: Het verzoeken aan de kantonrechter/rechtbank om te voorzien in het gezag over een kind bij het ontbreken van gezag, onbevoegdheid, tijdelijk onvermogen of de afwezigheid van de ouder(s)

Periode: 1945–

Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 393; NBW, (Stb. 167/1969): art. 299, NBW (Stb. 188/1997): art. 241, art. 251.4, art. 253g.2

Waardering: B 7 in geval van adoptiezaken

V 5 jaar: wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden: in geval van overige stukken

186.

Handeling: Het verzoeken aan de rechtbank om de voogdij over een kind toe te wijzen aan de overlevende, gescheiden ouder

Periode: 1945–1995

Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 304; NBW (Stb. 167/1969): art. 285

Waardering: V 5 jaar

192.

Handeling: Het uitkeren van gelden ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen

Periode: 1945–1997

Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 385b; BW (Stb. H232/1947): art. 461b; NBW (Stb. 167/1969): art. 238 art. 241.2, art. 273, art. 333; NBW (Stb. 333/1987): art. 238 art. 241.2, art. 273, art. 333, art. 240;

Waardering: V 6 jaar

194.

Handeling: Het invorderen van de uitkering tot onderhoud voor jeugdigen

Periode: 1947–1997

Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 374h, art. 440c; BW ( Stb. H232/1947): art. 344g;

NBW (Stb. 167/1969): art. 408; NBW (Stb. 333/1987): art. 408, art. 395b;

NBW (Stb. 539/1993): art. 408; WBRv (Stb. H232/1947): art. 479b, 479g; Wet uitvoering Verdrag van New York (Stb. 303/1961): art. 2–art. 11; Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/188): art. 10;

Waardering: V 6 jaar

195.

Handeling: Het verzoeken aan de rechter om de onderhoudsbijdrage vast te stellen en/of te wijzigen van een (stief)ouder die geen gezag heeft over het kind

Periode: 1945–1993

Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 374g, art. 440c; BW (Stb. H232/1947): art. 344a, art. 468; NBW (Stb. 167/1969): art. 406, art. 407

Opmerking: Vanaf 1993 berust de mogelijkheid van een dergelijk verzoek uitsluitend bij de andere ouder of voogd

Waardering: V 6 jaar

204.

Handeling: Het uitvoeren van een raadsonderzoek en het adviseren van de rechter i.v.m. een adoptie of de herroeping daarvan

Periode: 1956–

Grondslag: WBRv (Stb. 42/1956): art. 971, art. 972, art. 975, art. 976, art. 978, art. 979, art. 982, art. 983

Opmerking: tot 1973 zond de Raad haar rapport, begeleid door een voorlopig advies, aan de Centrale Adoptieraad. Die bracht advies uit, waarop de Raad haar rapport, haar eindadvies en het advies van de Centrale Adoptieraad ter griffie indiende

Waardering: B7

206.

Handeling: Het betekenen van een toegewezen vonnis van adoptie of herroeping daarvan aan de (adoptief)ouders van een kind

Periode: 1956–

Grondslag: WBRv (Stb. 42/1956): art. 973, art. 980

Waardering: B7

207.

Handeling: Het doen inschrijven van een adoptie of de herroeping daarvan bij de burgerlijke stand der gemeente

Periode: 1956–

Grondslag: BW (Stb. 42/1956): art. 38a, art. 38b

Waardering: B7

Adoptie Buitenlandse pleegkinderen

209.

Handeling: Het onderzoeken van de geschiktheid van (aspirant-)pleegouders i.v.m. opneming van een buitenlands pleegkind

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 5–art. 7, art. 11

Opmerking: afschrift aan aspirant-pleegouders

Waardering: B 7: bij plaatsing van een pleegkind;

V 5 jaar indien geen plaatsing heeft plaats gevonden

Raadsonderzoek

219.

Handeling: Het, naar aanleiding van een melding, beoordelen of een raadsonderzoek noodzakelijk is

Periode: 1945–

Bron: Brochures van de Raad

Opmerking: Deze fase wordt de intake genoemd

Waardering: V 5 jaar wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft

gehad meerderjarig is geworden.

220.

Handeling: Het instellen van een onderzoek m.b.t. minderjarigen

Periode: 1945–

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 30;

Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 30; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 24

Opmerking: tot 1956 is het doen van onderzoek een taak van de leden van de raad. Vanaf 1956 geeft de secretaris/directeur van het bureau, de opdracht aan een maatschappelijk werker verbonden aan het bureau, maar mag de Raad nog wel onderzoek doen. Tussen 1982 en 1997 mogen de leden van de Raad geen onderzoeken meer verrichten. Ze mogen wel zaken behandelen nadat het bureau zich ermee bemoeid heeft, of het bureau een opdracht geven tot behandeling van een zaak. Na 1997 is het onderzoek uitsluitend een taak van de maatschappelijk werkers verbonden aan de raad.

Waardering: B 7: bij plaatsing van een kind ter adoptie in een gezin;

V 5 jaar indien geen plaatsing heeft plaats gevonden.

222.

Handeling: Het zorgen voor een minderjarige die hem door het Openbaar Ministerie of de rechtbank voorlopig is toevertrouwd

Periode: 1945–1997

Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 385b, art. 439a; BW (Stb. H232/1947): art. 374f, art. 374g, art. 422, art. 461b, art. 461c; NBW (Stb. 167/1969): art. 240, art. 272, art. 332; Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 10;

Wjhv (Stb. 390/1989): art. 29–32

Opmerking: de kosten die de Raad maakt ten behoeve van de hem toevertrouwde kinderen komen ten laste van de ouders of het kind zelf, in geval van onvermogen ten laste van de staat. Wanneer de ontheffing of ontzetting niet toegewezen wordt kan de rechtbank bepalen dat het betaalde aan de ouders teruggegeven moet worden. Sinds 1947 kan de Raad verlenging van de toevertrouwing aanvragen gedurende procedures van ontheffing en ontzetting. Sinds de Wjhv (Stb. 390/1989):treed de Raad op als plaatsende instantie als bedoeld onder die wet. Ze meldt daartoe begin en einde van hulpverlening middels pleegzorg, semi-residentiele of residentiele hulpverlening aan de Minister van Justitie, Minister waaronder Welzijn ressorteert en het jeugdhulpadviesteam in de regio. NB: hier valt niet de handeling onder van uitkeren van gelden t.b.v. minderjarigen

Waardering: V 5 jaar wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.

224.

Handeling: Het verzoeken om een maatregel van voorlopige voogdij over een minderjarige bij de kinderrechter

Periode: 1997–

Grondslag: NBW (Stb. 38/1997): art. 241, art. 272

Product: Verzoek

Waardering: V 5 jaar wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.

227.

Handeling: Het verzoeken aan de kinderrechter om een maatregel van OTS voor minderjarige

Periode: 1945–

Grondslag: Burgerlijk Wetboek (Stb. 834/1921): art. 373, art. 436a; BW (Stb. H232/1947): art. 365, art. 418; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 49; NBW (Stb. 167/1969): art. 254, art. 326;

Waardering: V 5 jaar wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.

228.

Handeling: Het, op verzoek van de kinderrechter, instellen van een onderzoek i.v.m. een maatregel van OTS van een minderjarige

Periode: 1945–1995

Grondslag: Besluit van 19 juni 1922 (Stb. 402): art. 1, art. 11; Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 1; Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 1

Waardering: V 5 jaar wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.

233.

Handeling: Het in hoger beroep gaan tegen de afwijzing van een verzoek tot een maatregel van OTS van een minderjarige

Periode: 1945–

Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 373f.2, art. 436a; WBRv (Stb. H232/1947): art. 941

Waardering: V 5 jaar wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.

237.

Handeling: Het, op verzoek van de ouder, in beroep gaan tegen een beslissing van de kinderrechter in een geschil tussen de gezinsvoogd en de ouder

Periode: 1945–1947

Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 373l.4, art. 436a; WS (Stb. 834/1921): art. 39decies.3

Waardering: V 10 jaar

238.

Handeling: Het verzoeken om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met een maatregel van OTS

Periode: 1995–

Grondslag: NBW1 (Stb. 255/1995): art. 262

Waardering: V 5 jaar wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.

248.

Handeling: Het verzoeken aan de rechtbank om een maatregel van ontheffing of ontzetting uit het gezag uit te spreken of in te trekken

Periode: 1945–

Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 374a, art. 374b, art. 374d, art. 374e, art. 438, art. 440a, art. 440b; BW (Stb. H232/1947): art. 374a, art. 374d, art. 374l, art. 420, art. 423, art. 425,art. 451; NBW (Stb. 167/1969): art. 267, art. 270, art. 278, art. 329, art. 330, art. 335, art. 367

Waardering: V 5 jaar wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft

252.

Handeling: Het in beroep gaan tegen een beslissing over een ontheffing van een ouder

Periode: 1945–

Grondslag: WBRv (Stb. 602/1954): art. 910, art. 429n; WBRv (Stb. ?/ 1995): art. 429a t/m 429t, art. 806

Waardering: V 5 jaar wanneer het gezin het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.

264.

Handeling: Het adviseren aan de rechter over het opleggen van alternatieve sancties

Periode: 1995–

Grondslag: WS (Stb. 528/1994): art. 77n

Waardering: V wanneer de betreffende jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

265.

Handeling: Het voorbereiden en ondersteunen van de tenuitvoerlegging van een alternatieve sanctie opgelegd aan een jeugdige

Periode: 1995–

Grondslag: WS (Stb. 528/1994): art. 77o

Waardering: V wanneer de betreffende jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

273.

Handeling: Het inwinnen van inlichtingen over de persoonlijkheid en levensomstandigheden van een jeugdige verdachte

Periode: 1954–

Grondslag: WSv (Stb. 308/1925): art. 488b; WSv ( Stb. 602/1954): art. 488a; Besluit (Stb. 339/1956): art. 2; WSv (Stb. 402/1961): art. 494, 495

Waardering: V wanneer de betreffende jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

281.

Handeling: Het houden van toezicht op een voorwaardelijke veroordeelde jeugdige

Periode: 1965–1995

Grondslag: WS (Stb. 402/1961): art. 77aa; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 236/art. 238; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 25/art. 28

Opmerking: de rechter draagt de begeleiding op aan een particuliere reclasseringsinstelling. Sinds 1976 (Stb. 282) kunnen ook particulieren hiermee belast worden. In het kader van deze handeling ontvang de Raad van degene die met het verlenen van hulp en steun is belast, periodieke verslagen en voorts mededelingen over bijzondere voorvallen van de toezichthouder

Waardering: V wanneer de betreffende jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

297.

Handeling: Het opdragen van een onderzoek naar de persoonlijkheid van een jeugdige aan inrichting voor opvang

Periode: 1990–1994

Grondslag: Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 32, art. 33

Waardering: V wanneer de betreffende jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

282.

Handeling: Het adviseren aan de Minister van Justitie omtrent de plaats van de ten uitvoerlegging van een opgelegde maatregel van jeugd- TBR, plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 99/1907): art. 82, art. 84; Kbb (Stb. 337/1956): art. 82, art. 84; Beginselenwet voor de kinderbescherming (Stb. 403/1961): art. 28,2; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 185, art. 187; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 2, art. 4 ; WS (Stb. 528/1994): art. 77s, art. 77v

Waardering: V wanneer de betreffende jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

308.

Handeling: Het, op verzoek, adviseren van de Minister van Justitie omtrent de plaats van tenuitvoerlegging van de straf van jeugddetentie

Periode: 1995–

Grondslag: WS (Stb. 528/1994): art. 77v

Waardering: V wanneer de betreffende jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

283.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie/ het Openbaar Ministerie over de voorwaardelijke invrijheidstelling van een tot tuchtschool/arreststraf veroordeelde jongere

Periode: 1956–1995

Grondslag: Besluit (Stb. 338/1956): art. 12; KbW (Stb. 602/1954): art. 20.2

Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 240; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 30

Waardering: V wanneer de betreffende jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

308.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over de vervroegde beŽindiging van een maatregel van jeugd-TBR, plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 170 Bkb (Stb. 403/1961): art. 29; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 205, art. 209;

Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 7, juncto art. 22

WS, art. 775

Opmerking: zelfde handeling bestaat voor het bestuur van particuliere instellingen; sinds 1956 moet hierbij de Raad geraadpleegd worden

Waardering: V wanneer de betreffende jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

392.

Handeling: Het houden van toezicht op een voorwaardelijk in vrijheidgestelde jongere

Periode: 1956–

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 338/1956): art. 18; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 241/art. 244; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 29/art. 35; Bkb (Stb. 403/1961): art. 29;

Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 210/art. 212, art. 218, art. 220; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 12/art. 14, juncto art. 22 art. 20, juncto art. 22

Opmerking: In het kader van deze handeling ontvangt de Raad verslagen en mededelingen van o.a. de directeur van de inrichting, de voogdij-instelling, de toezichthouder en eventueel het Openbaar Ministerie. De raad stuurt afschriften van deze mededelingen door aan de Minister van Justitie

Waardering: V 10 jaar

319.

Handeling: Het, namens een particuliere instelling, verzoeken aan de Minister van Justitie om een verpleegde in een rijksinrichting op te nemen

Periode: 1956–1989

Grondslag: Besluit van 12 juni 1956 (Stb. 337/1956): art. 179 ; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 179

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

414.

Handeling: Het overleggen met een uitvoerder over het hulpverleningsplan voor een jeugdige

Periode: 1990–1995

Grondslag: Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening (Stb. 503/1990): art. 5

Opmerking: Zie ook Schappelijk welzijn op Maat

Waardering: V 5 jaar

422.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie i.v.m. de aanvaarding van een particuliere jeugdreclasseringsinstelling

Periode: 1956–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 4

Waardering: B 1

423.

Handeling: Het houden van toezicht op jeugdreclasseringsinstellingen

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 5

Opmerking: de reclasseringsinstelling is verplicht te bevorderen dat aan deze ambtenaren toegang tot de verblijfplaats van de jeugdigen wordt verschaft

Waardering: B5

428.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over de aanvaarding van particuliere patroons en gezinsvoogden, jeugdreclassering en nazorg

Periode: 1965–1995

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 43; Besluit aanvaarding voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 242/1989): art. 1, art. 4

Opmerking: handeling werd tot 1990 ook door de Nationale Federatie voor Kinderbescherming of een groepsfederatie uitgevoerd.

Waardering: B5

429.

Handeling: Het houden van toezicht op particuliere gezinsvoogdij- of jeugdreclasseringsinstellingen

Periode: 1965–1995

Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 4; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 22–art. 25; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 63

Waardering: B5

441.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over de aanvaarding van voogdij- instellingen

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 27; Besluit aanvaarding voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 242/1989): art. 1, art. 4

Opmerking: De handeling werd tot 1990 ook door de Nationale Federatie voor Kinderbescherming of een groepsfederatie uitgevoerd.

Waardering: B 1

446.

Handeling: Het houden van toezicht op voogdij-instellingen

Periode: 1945–

Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 421a; BW (Stb. H232/1947): art. 461d; BW (Stb. 602/1954): art. 399; NBW (Stb. 167/1969): art. 305; Bkb (Stb. 403/1961): art. 3; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 22; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 22–art. 25, art. 63

Waardering: V 10 jaar

460.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over de goedkeuring van particuliere inrichtingen en tehuizen

Periode: 1965–1989

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 54, art. 57

Opmerking: handeling wordt ook door de Nationale Federatie voor Kinderbescherming of een groepsfederatie uitgevoerd

Waardering: B5

465.

Handeling: Het houden van toezicht op goedgekeurde inrichtingen

Periode: 1950–

Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 9; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 74; Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening (Stb. 503/1990): art. 5

Opmerking: na 1990 heet dit het als plaatsende instantie beoordelen van de kwaliteit van de jeugdhulpverlening

Waardering: B5

473.

Handeling: Het verstrekken van het formulier waarmee een verzoek tot voortzetting of wijziging van de hulpverlening aan een uithuisgeplaatste jongere na het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedaan wordt

Periode: 1988–1991

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143b

Opmerking: Het formulier wordt aan de jongere verstrekt door plaatsende instantie. Dit kan ook een voogdij-instelling zijn. De instantie moet de jongere zonodig behulpzaam zijn bij het invullen.

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

474.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over een verzoek tot voortzetting of wijziging van de hulpverlening aan een uithuisgeplaatste jongere na het bereiken van de meerderjarige leeftijd

Periode: 1988–1991

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143b

Opmerking: Wanneer de minderjarige in een inrichting verbleef, dan brengt ook deze, middels tussenkomst van de plaatsende instantie advies uit over de voortzetting van de hulpverlening

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

479.

Handeling: Het houden van toezicht op gezinnen waaraan verpleegden van voogdij-instellingen zijn toevertrouwd.

Periode: 1950–

Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 9;

Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening (Stb. 503/1990): art. 19 lid 4

Opmerking: Sinds 1990 beslist de Raad op een verzoek tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar voor een pleegouder

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden indien de Raad een dossier heeft aangelegd;

V 5 jaar wanneer de Raad geen dossier heeft aangelegd.

489.

Handeling: Het toezicht houden op de verzorging en opvoeding van pleegkinderen in inrichtingen of pleeggezinnen

Periode: 1953–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit Pleegkinderenwet (Stb. 19/1953): artt.2–10; Circulaire van de Minister van Justitie aan de Voogdijraden van 9 maart 1953, nr. 2073

Pleegkinderenwet (Stb. 595/1951): art. 6, art. 7, art. 9;

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

490.

Handeling: Het (voorwaardelijk) besluiten of intrekken van een besluit dat:

– een pleegkind niet mag worden opgevoed en verzorgd in een pleeggezin of inrichting

– in bepaald pleeggezin of inrichting geen pleegkinderen mogen worden opgevoed en verzorgd

Periode: 1953–

Grondslag: Pleegkinderenwet (Stb. 595/1951): art. 10–art. 14, art. 16

Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.

 Actor Klachtencommissie van de raad voor de Kinderbescherming

53.

Handeling: Het afhandelen van klachten gericht tegen gedragingen van raadsmedewerkers jegens belanghebbenden en/of informanten m.b.t. een bij de raad in behandeling zijnde of geweest zijnde aangelegenheid

Periode: 1982–

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 35, art. 36, art. 37, art. 38; Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996): art. 2, art. 3, art. 4, art. 5, art. 6

Waardering: V 5 jaar nadat een klacht is ingediend of zoveel eerder als van het gezin het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad meerderjarig is geworden.

55.

Handeling: Het aanwijzen van de (plaatsvervangende) voorzitter van de klachtencommissie

Periode: 1982–1997

Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 40

Waardering: V 5 jaar

 Actor Centrale adoptieraad

205.

Handeling: Het adviseren van de Raad i.v.m. een adoptie of de herroeping daarvan

Periode: 1956–1973

Grondslag: WBRv (Stb. 42/1956): art. 969, art. 971

Waardering: V 20 jaar

 Actor Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies

59.

Handeling: Het rapporteren aan de Minister van Justitie in het kader van het algemeen toezicht op de tuchtscholen en rijksopvoedingsgestichten

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.3; Kbb (Stb. 209/1905): art. 189–190

Waardering: B 2

60.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie inzake de vaststelling van huishoudelijke reglementen voor tuchtscholen en rijksopvoedingsgestichten

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 22

Waardering: B 1

66.

Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie vaststellen van het reglement van orde

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 193

Waardering: V 5 jaar

68.

Handeling: Het verzoeken aan de Minister van Justitie om toestemming om door het college behandelde zaken openbaar te mogen maken

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 197

Waardering: V 10 jaar

70.

Handeling: Het rapporteren aan de Minister van Justitie over haar bevindingen en verrichtingen over het afgelopen jaar

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 198

Waardering: B3

89.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over benoeming en ontslag van ambtenaren van rijksinrichtingen en de leden van de CommissiŽn van Toezicht

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.4

Waardering: V 10 jaar

304.

Handeling: Het, eventueel gehoord de CommissiŽn van Toezicht en de Voogdijraden, adviseren van de Minister van Justitie over de opdracht tot verpleging van een ter beschikking gestelde jeugdige persoon aan particuliere vereniging

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 12; art. 20

Product: –

Opmerking: Van oorsprong was de Minister van Justitie verplicht het College in al deze gevallen te horen; sinds 1922 (Stb. 612) was hij daartoe slecht verplicht (behalve in spoedeisende gevallen) bij de zaken bedoeld in art. 12 en art. 18.

Waardering: V 10 jaar

311.

Handeling: Het, eventueel gehoord de CommissiŽn van Toezicht en de Voogdijraden, adviseren van de Minister van Justitie over de overbrenging van een verpleegde uit een tuchthuis of rijksinrichting naar een krankzinnigengesticht, ziekenhuis of andere instelling

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 17, art. 20

Waardering: V 10 jaar

285.

Handeling: Het, eventueel gehoord de CommissiŽn van Toezicht en de Voogdijraden, adviseren van de Minister van Justitie over het (voorwaardelijk) ontslag uit een tuchtschool, rijksinrichting of een particuliere instelling van een jongere met jeugd-TBR

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 18, art. 20

Waardering: V 10 jaar

318.

Handeling: Het, eventueel gehoord de CommissiŽn van Toezicht en de Voogdijraden, adviseren van de Minister van Justitie over opneming of ontslag van een minderjarige in een rijksopvoedingsgesticht

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 16, art. 20

Opmerking: Van oorsprong was de Minister van Justitie verplicht het College in al deze gevallen te horen; sinds 1922 (Stb. 612) was hij daartoe slecht verplicht (behalve in spoedeisende gevallen) bij de zaken bedoeld in art. 12 en art. 18.

Waardering: V 10 jaar

422.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie i.v.m. de aanvaarding van een particuliere jeugdreclasseringsinstelling

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 4

Waardering: B 1

423.

Handeling: Het houden van toezicht op jeugdreclasseringsinstellingen

Periode: 1948–1965

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 5

Product: –

Opmerking: de reclasseringsinstelling is verplicht te bevorderen dat aan deze ambtenaren toegang tot de verblijfplaats van de jeugdigen wordt verschaft

Waardering: B5

431.

Handeling: Het, eventueel gehoord de CommissiŽn van Toezicht en de Voogdijraden, adviseren van de Minister van Justitie over

1. de beschikking tot subsidie aan een particuliere instelling voor verpleging van een jeugdige persoon die terbeschikkinggesteld is (art. 12);

2. de beschikking tot subsidie aan een particuliere instelling voor verpleging van een minderjarige die onder voogdij van de instelling is geplaatst (art. 15);

3. de beschikking tot betaling der kosten van Rijkswege aan een particuliere instelling, voor bijzondere verpleging van een jeugdige persoon die terbeschikking is gesteld (art. 16bis);

4. de beschikking tot betaling der kosten van Rijkswege aan een particuliere instelling, voor de bijzondere verpleging van een minderjarige die onder voogdij van de instelling staat (art. 16bis);

5. de beschikking tot betaling der kosten van Rijkswege aan een particuliere instelling, voor bijzondere kosten voortvloeiend uit overlijden van een jeugdige persoon die terbeschikking van de regering is gesteld (art. 16bis);

6. de beschikking tot betaling der kosten van Rijkswege aan een particuliere instelling, voor bijzondere kosten voortvloeiend uit overlijden van een minderjarige die onder voogdij van de instelling staat (art. 16bis);

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 20

Waardering: V 10 jaar

463.

Handeling: Het houden van toezicht op particuliere jeugd-TBR instellingen

Periode: 1945–1955

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 155 juncto art. 178, art. 189–190, art. 195–196; KbW (Stb. H 232/1947): art. 13; Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 9

Waardering: B 2

478.

Handeling: Het houden van toezicht op de particuliere verpleging van jongeren met jeugd-TBR buiten gestichten

Periode: 1945–1955

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 157 juncto art. 178; Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 9

Waardering: B 2

 Actor College van Advies voor de (JustitiŽle) Kinderbescherming

76.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over vraagstukken van algemeen beleid met betrekking tot de aan de minister opgedragen uitvoering van de wettelijke bepalingen over jeugdigen

Periode: 1956–

Grondslag: KbW (Stb. 602/1954): art. 22a.1.; Kbb (Stb. 337/1956): art. 192; Bkb (Stb. 403/1961): art. 2.1; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 10; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 81; Besluit College van Advies voor de justitiŽle kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 9

Waardering: B 1

77.

Handeling: Het verzoeken om toestemming tot openbaar making van door het College behandelde zaken

Periode: 1956–1983

Grondslag: Kbb (Stb. 337/1956): art. 193; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 11

Waardering: V 10 jaar

79.

Handeling: Het behandelen van beroepschriften als bedoeld in art. 26j van de Bkb

Periode: 1983–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 11; Besluit College van Advies voor de justitiŽle kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 10

Opmerking: het college kan de behandeling opdragen aan een uit haar midden benoemde commissie

Waardering: B5

80.

Handeling: Het vaststellen van een reglement van orde

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 12; Besluit College van Advies voor de justitiŽle kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 12

Waardering: V 5 jaar

211.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over een herziening van een beslissing in Beginseltoestemming tot opneming van een buitenlands pleegkind

Periode: 1988–

Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 7, art. 13;

Besluit College van Advies voor de justitiŽle kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 10

Opmerking: het college kan uit haar midden en commissie aanwijzen om dit soort zaken te behandelen

Waardering: B 1

309.

Handeling: Het beslissen in beroepsprocedures omtrent de plaats van tenuitvoerlegging van de straf van jeugddetentie of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Periode: 1995–

Grondslag: WS (Stb. 528/1994): art. 77w

Opmerking: de Minister van Justitie geeft zo spoedig mogelijk uitvoering aan de beslissing van het College

Waardering: B 2

369.

Handeling: Het beslissen in beroepszaken inzake jeugdigen in rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen

Periode: 1983–

Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26j; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 79

Waardering: B 2

 Actor Commissie van toezicht van een rijksinrichting

90.

Handeling: Het adviseren van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies over benoeming en ontslag van ambtenaren van rijksinrichtingen en de leden van de CommissiŽn van Toezicht

Periode: 1945–1955

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.4

Waardering: V 5 jaar

91.

Handeling: Het informeren van de Minister van Justitie over periodieke aftreding van een lid van de commissie

Periode: 1983–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 151;

Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 37

Waardering: V 5 jaar

351.

Handeling: Het vaststellen van een reglement van orde

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 156; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 157d;

Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 44

Waardering: V 5 jaar

353.

Handeling: Het jaarlijks uitbrengen van verslag over haar werkzaamheden aan de Minister van Justitie

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 157;

Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 157b.1; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 42

Waardering: B3

356.

Handeling: Het bijstaan van de directeur bij het beheer van de inrichting

Periode: 1945–1965

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.2

Waardering: V 5 jaar

357.

Handeling: Het houden van toezicht op de gang van zaken over de jongeren in de inrichting

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 154, art. 157.2; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 153, art. 154, art. 156, art. 157b.2; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 38–art. 42

Opmerking: De handeling kan uitmonden in advies aan de Minister van Justitie, of aanbevelingen aan de directeur van een rijksinrichting.

De leden van de commissie hebben altijd toegang tot de inrichting en ontvangen alle gewenste inlichtingen; de commissie brengt zo vaak zij dat gewenst acht aangelegenheden betreffende de inrichting ter kennis van de Minister van Justitie. De commissie is niet bevoegd tot bindende advisering aan de directeur, zij mag wel haar mening geven en aanbevelingen doen. De directeur woont de vergaderingen van de commissie bij. Sinds 1983 moeten de leden zich middels regelmatig persoonlijk contact op de hoogte houden van de gevoelens en wensen van de jongeren die verblijven in de inrichting.

Waardering: V 5 jaar

B5: adviezen aan de Minister van Justitie

358.

Handeling: Het, op verzoek, adviseren van de Minister van Justitie over aangelegenheden betreffende de inrichting

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 154; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 153 ; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 38, art. 39

Opmerking: zie ook vorige Handeling: –

Waardering: B 2

Klachtenprocedure rijksinrichtingen/justitiŽle jeugdinrichtingen

360.

Handeling: Het beslissen over een klacht van een jeugdige persoon tegen beslissingen van de directeur

Periode: 1983–

Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26b–26d; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 70–art. 73;

Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 45

Opmerking: hangende de beslissing kan de commissie om schorsing van de door de directeur genomen beslissing verzoeken. Wanneer de directeur vindt dat schorsing niet mogelijk is, beslist de commissie (na overleg met de directeur) op zo kort mogelijke termijn over de gegrondheid van de klacht

Waardering: V 5 jaar

362.

Handeling: Het uit haar midden aanwijzen van de leden van de klachtencommissie

Periode: 1983–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 157

Waardering: V 5 jaar

402.

Handeling: Het, in overleg met de directeur, samenstellen van de bibliotheek

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 61, juncto art. 105

Waardering: V 5 jaar

 Actor Vertrouwenscommissie financiŽle pupillenadministratie

141.

Handeling: Het houden van toezicht op de centrale administratie van gegevens over pupillen

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 10, art. 11

Waardering: V 10 jaar

142.

Handeling: Het, op verzoek, adviseren van de Minister van Justitie over aangelegenheden betreffende de administratie

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 10, art. 14

Waardering: B 1

143.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over verzoeken om inlichtingen, inzage of verbetering van gegevens over pupillen, in de administratie

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 10, art. 14

Waardering: V 10 jaar

144.

Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie, vaststellen van een reglement van orde

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 12

Waardering: V 5 jaar

146.

Handeling: Het jaarlijks verslag uitbrengen over haar werkzaamheden aan de Minister van Justitie

Periode: 1975–1990

Grondslag: Besluit automatisering financiŽle pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 13

Waardering: B4

 Actor Directeur van een rijksinrichting/hoofd van een inrichting

85

Handeling: Het overleggen met de Arbeidsinspectie over de arbeidsomstandigheden in de justitiŽle rijksinrichtingen voor kinderbescherming

Periode: 1980 ?–

Bron: Nota van Toelichting bij het Arbeidsomstandighedenbesluit JustitiŽle rijksinrichtingen (Stb. 491/1990)

Waardering: V 5 jaar

96.

Handeling: Het vaststellen van een instructie voor de ambtenaren van de inrichting

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 5, juncto art. 90; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 146

Waardering: B5

99.

Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie, treffen van voorzieningen bij afwezigheid van ambtenaren

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 8, juncto art. 90

Waardering: V 5 jaar

101.

Handeling: Het mededelen aan de Commissie van toezicht voornemens te zijn ’s nachts buiten het gesticht of de woning te verblijven

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 19, juncto art. 90

Waardering: V 5 jaar

306.

Handeling: Het adviseren over verlenging van een maatregel van plaatsing in een inrichting

Periode: 1995–

Grondslag: WS (Stb. 528/1994): art. 77t

Waardering: V 10 jaar

314.

Handeling: Het overbrengen van een jongere aan wie een maatregel van voogdij of jeugd-TBR is opgelegd naar plaats van bestemming

Periode: 1965–1995

Grondslag: Kbb (Stb. 99/1907): art. 83, art. 121; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 181

Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 181, art. 186, art. 188, art. 189, art. 196, juncto art. 220; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 3, art. 5, juncto art. 22

Waardering: V 10 jaar

298.

Handeling: Het houden van aantekening over een jongere met een PIJ-maatregel

Periode: 1994–

Grondslag: Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 866/1994): art. 4

Waardering: V 10 jaar

300.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over de vervroegde beŽindiging van een PIJ-maatregel

Periode: 1999–

Grondslag: Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 866/1994): art. 5

Waardering: V 10 jaar

302.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie omtrent de verlenging van een PIJ-maatregel

Periode: 1994–

Grondslag: Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 866/1994): art. 14

Opmerking: De Minister van Justitie zendt het advies aan het Openbaar Ministerie bij de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken.

Waardering: V 10 jaar

309.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie/het Openbaar Ministerie over de voorwaardelijke invrijheidstelling van een jongere

Periode: 1948

Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 12; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 239; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 29; Besluit tenuitvoerlegging 1994 (Stb. 866/1994): art. 18–

Product: Advies, afschrift naar de Raad

Waardering: V 10 jaar

313.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over de vervroegde beŽindiging van een maatregel van jeugd-TBR, plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 170 Bkb (Stb. 403/1961): art. 29; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 205, art. 209;

Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 7, juncto art. 22 WS, art. 775

Product: Advies, voorstel tot voorwaardelijk ontslag, voorstel over de te verlenen hulp en steun

Opmerking: zelfde handeling bestaat voor het bestuur van particuliere instellingen; sinds 1956 moet hierbij de Raad geraadpleegd worden

Waardering: V 10 jaar na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar

314.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over het opschorten van een gevangenisstraf na afloop van een maatregel van TBR voor een jeugdige veroordeelde

Periode: 1945–1965

Grondslag: Besluit van 15 juni 1905 (Stb. 208): art. 1–2

Product: Advies

Opmerking: Zie (Stb. .63/1901): art. 39quater; de handeling heeft een pendant voor particuliere instellingen

Waardering: V 10 jaar

322.

Handeling: Het houden van toezicht op de naleving der voorwaarden voor het voorwaardelijk ontslag van een maatregel van jeugd-TBR of plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit van 13 juni 1933 (Stb. 331): art. 173, art. 174 Bkb (Stb. 403/1961): art. 29;

Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 210/art. 212, juncto art. 220; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 12/art. 14, juncto art. 22

Product: Doorzending van verslagen/bijzondere mededelingen aan de Minister van Justitie, evt. vergezeld van advies over herroeping van het ontslag

Opmerking: in het kader van deze handeling ontvangt de directeur van de rijksinrichting verslagen en mededelingen van de toezichthouder die hij doorstuurt naar de Raad; doet de toezichthouder een voorstel tot schorsing van de beŽindiging dan zend de directeur van een rijksinrichting deze direct aan de Minister van Justitie . de handeling bestaat ook voor directeuren van particuliere inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming en voor het bestuur van voogdij-verengingenhandeling bestaat ook voor bestuur particuliere instellingen

Waardering: V 10 jaar

320.

Handeling: Het, in overeenstemming met het bestuur van een particuliere instelling, ontslaan van een jongere die op verzoek van de particuliere instelling in de inrichting werd geplaatst

Periode: 1956–1989

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit van 12 juni 1956 (Stb. 337): art. 182; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 182

Product: Besluit, correspondentie

Waardering: V 10 jaar

322.

Handeling: Het adviseren over de mogelijke (over)plaatsing van jongeren met jeugd-TBR in particuliere instellingen

Periode: 1945–1989

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 118; Kbb (Stb. 331/1933): art. 100ter; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 193

Product: Advies

Waardering: V 10 jaar

325.

Handeling: Het voeren van de dagelijkse leiding en het beheer over de inrichting

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.2; Bkb (Stb. 403/1961): art. 21; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 144, art. 145, art. 149; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 7

Product: o.a.: vergaderstukken, financiŽle stukken

Waardering: V 10 jaar

336.

Handeling: Het vaststellen van regels voor toelating van bezoek, telefoongesprekken en verlof

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 163; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/ 1983): art. 163, art. 163c ,art. 163f; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 18

Waardering: V 5 jaar

340.

Handeling: Het vaststellen van een huisreglement

Periode: 1983–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 177a; Reglement rechtspositie rijksinrichtingen (Stcrt. 114/1984): art. 2; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 14

Product: Huisreglement

Waardering: B4

344.

Handeling: Het jaarlijks uitbrengen van verslag over het gevoerde beheer en de toestand van de inrichting aan de Minister van Justitie

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 21, juncto art. 90; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 146

Product: Jaarverslag, jaarrekening

Waardering: B 3

345.

Handeling: Het melden van buitengewone voorvallen aan de Minister van Justitie

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 21, juncto art. 90; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 146; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 8

Product: Correspondentie

Waardering: B 3

346.

Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie, vaststellen van een dagverdeling

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 22, juncto art. 90

Opmerking: Dagindeling

Waardering: V 5 jaar

349.

Handeling: Het bijhouden van een registratie van beslissingen tot plaatsingen buiten de groep en van afzondering

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 18

Waardering: V 5 jaar

354.

Handeling: Het opstellen van een werkplan

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 9

Product: Werkplan

Opmerking: Werkplan en wijzigingen worden toegezonden aan Minister van Justitie

Waardering: B 1

361.

Handeling: Het verstrekken van inlichtingen aan de Commissie van toezicht in verband met de behandeling van een klacht van een jeugdige persoon

Periode: 1983–

Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26b–26d; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 70–art. 73

Waardering: V 10 jaar

364.

Handeling: Het in beroep gaan tegen beslissing van de Commissie van toezicht over een klacht van een jeugdige persoon bij de klachtencommissie van de rijksinrichting

Periode: 1983–

Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26e; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 74

Product: Correspondentie

Opmerking: ook de jeugdige persoon heeft het recht om in beroep te gaan bij de klachtencommissie

Waardering: V 10 jaar

367.

Handeling: Het verstrekken van inlichtingen aan de klachtencommissie

Periode: 1983–

Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26h; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 157a; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 74–art. 78

Waardering: V 10 jaar

368.

Handeling: Het in beroep gaan tegen beslissing van de klachtencommissie over een klacht van een minderjarige bij het College van Advies voor de (JustitiŽle) Kinderbescherming

Periode: 1983–

Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26j; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 79

Product: Correspondentie

Opmerking: ook de minderjarige heeft het recht om in beroep te gaan bij de klachtencommissie

Waardering: V 10 jaar

370.

Handeling: Het zorgdragen voor opvoeding en verzorging van een jongere die is opgenomen in een rijksinrichting, met name het:

– bijhouden van regelmatige registratie van, in het bijzonder op pedagogisch en medisch gebied, van belang zijnde gegevens;

– houden van besprekingen over de ontwikkeling;

– berichten aan ouders/voogden;

– voorzien in toezicht en bewaking;

– meewerken aan maatregelen in het belang van het onderzoek van het Openbaar Ministerie;

– houden van controle op de briefwisseling;

– toestaan van bezoek;

– verstrekken van kleding;

– verstrekken van (speciale) voeding;

– zorgdragen voor geneeskundig onderzoek en toezicht;

– zorgdragen voor tandheelkundige controle;

– zorgdragen voor de verstrekking van geneesmiddelen;

– voorzien in/regelen van een beroepsopleiding of voortgezet onderwijs;

– regelen van deelname aan godsdienstoefeningen/godsdienstlessen of bijeenkomsten onder leiding van geestelijke verzorgers;

– verstrekken van reisgeld/reisgelegenheid bij ontslag;

– naar aanleiding van (lopende) klachtenprocedure al of niet herzien van zijn beslissing t.o.v. een jeugdige persoon.

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 7; art. 19; Kbb (Stb. 209/1905): art. 3 juncto art. 89, art. 25–art. 38 juncto art. 90–art. 95, art. 66 juncto art. 110, art. 69 juncto art. 110; art. 80; art. 125; Besluit (Stb. 456/1916): art. 113, art. 81, juncto 114; Kbb (Stb. 296/1954): art. 106, art. 107; Bwkb (Stb. 403/1961): art. 23.2; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 159/art. 176; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 159/art. 176; Bkb (Stb. 273/1982): art. 26b–26d; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 70–art. 73; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 8, art. 17–art. 28; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 8, art. 17–art. 31a, 32–art. 34; Reglement rechtspositie rijksinrichtingen (Stcrt. 114/1984): art. 3–art. 53

Opmerking: het bepaalde over de particuliere opvangtehuizen, observatiehuizen en Inrichtingen voor Buitengewone Behandeling is van overeenkomstige toepassing (Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): titel IV afdeling II, III en V)

Waardering: V 10 jaar

371.

Handeling: Het vaststellen van een hulpverleningsplan

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 35

Waardering: V 10 jaar

372.

Handeling: Het periodiek verslag uitbrengen van verslag in het kader van de uitvoering van het hulpverleningsplan aan de instantie die de jeugdige heeft geplaatst

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 35

Waardering: V 10 jaar

376.

Handeling: Het beslissen over toestaan van verlof

Periode: 1990–

Grondslag: Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 29–art. 31; Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 104/1995): art. 29–art. 31a

Waardering: V 10 jaar

387.

Handeling: Het toekennen van geldelijke beloning voor gedane arbeid door verpleegden

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 9; Kbb (Stb. 456/ 1916): art. 49quinquis, art. 53

Kbb (Stb. 296/1954): art. 63, juncto art. 109; Bkb (Stb. 403/1961): art. 24.1

Product: Storting in uitgaanskas?

Waardering: V 5 jaar

389.

Handeling: Het beheren van het geld (uitgaanskas) van een verpleegde

Periode: 1945–

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 9; Kbb (Stb. 209/1905): art. 78, juncto art. 112;

Kbb (Stb. 291/1910.): art. 92, art. 120, art. 125; Bkb (Stb. 403/1961): art. 24;

Wjhv (Stb. 360/1989): art. 69

Opmerking: een gedeelte van de geldelijke beloning kan worden uitgekeerd als zakgeld, schade aan derden kan worden verhaald op de uitgaanskas. Bij ontslag wordt de uitgaanskas uitgekeerd

Waardering: V 5 jaar

391.

Handeling: Het opleggen en intrekken van disciplinaire straffen aan verpleegden

1. onthouding van voorrechten,

2. water en brood,

3. opsluiting,

4. boeiing

Periode: 1945–1983

Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 10, Kbb (Stb. 209/1905): art. 111, juncto art. 72–77; KbW (Stb. H 232/ 1947): art. 10; Kbb (Stb. 296/1954): art. 111, juncto art. 71–76; Bkb (Stb. 403/1961): art. 25

Waardering: B5

399.

Handeling: Het opstellen en, na goedkeuring van de Minister van Justitie, doen uitvoeren van leerplannen voor het geven van lager onderwijs aan opgenomen jongeren

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 58, art. 102; Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 58/art. 61, juncto art. 102

Waardering : B1: het opstellen van leerplannen

V 10 jaar: het uitvoeren van de leerplannen

402.

Handeling: Het, in overleg met de Commissie van Toezicht, samenstellen van de bibliotheek

Periode: 1945–1965

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 61, juncto art. 105

Waardering: V 5 jaar

404.

Handeling: Het opstellen en, na goedkeuring van de Minister van Justitie, uitvoeren van leerplannen voor het geven van vakonderricht aan opgenomen jongeren

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 106

Waardering: B1: het opstellen van leerplannen

V 10 jaar: het uitvoeren van de leerplannen

 Actor Directeur van een inrichting voor de tenuitvoerlegging van jeugddetentie

301.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over de overplaatsing van een verpleegde van de ene naar de andere tuchtschool

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij Besluit van 25 september 1916 (Stb. 456): art. 45

Waardering: V 10 jaar

328.

Handeling: Het verzoeken aan de Minister van Justitie af te mogen wijken van de normale leeftijdsindeling

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 331/1933): art. 43

Opmerking: Het betreft hier de directeur van de tuchtschool in Nijmegen

Waardering: V 10 jaar

330.

Handeling: Het, onder machtiging van de Minister van Justitie, terugplaatsen van verpleegden naar de 1e klasse

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij Besluit van 17 juni 1933 (Stb. 331): art. 48.5, art. 53

Waardering: V 10 jaar

332.

Handeling: Het, onder machtiging van de Minister van Justitie, verlengen van de termijn van verblijf in de 1e klasse voor een verpleegde

Periode: 1945–1954

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij Besluit van 25 september 1916 (Stb. 456): art. 49bis, art. 53

Waardering: V 10 jaar

395.

Handeling: Het, onder machtiging van Minister van Justitie, afwijken van de normale termijnen van afzondering voor een verpleegde

Periode: 1954–?

Grondslag: Kbb (Stb. 96/1954): art. 43

Waardering: V 10 jaar

 Actor Directeur van een rijksobservatiehuis

296.

Handeling: Het onderzoeken van de persoonlijkheid van de minderjarige en het milieu waaruit deze afkomstig is, ten behoeve van een beslissing over de plaatsing van een jongere

Periode: 1954–1989

Grondslag: Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 97; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 177 juncto art. 90

Product: Observatierapport (ten behoeve van de kinderrechter, de Raad, of voogdij-instelling), opvoedingsplan, behandelplan, advies over verdere beHandeling: –

Waardering: V 10 jaar

334.

Handeling: Het, onder machtiging van de Minister van Justitie, verlengen van de termijn van verblijf in de 1e afdeling voor een verpleegde

Periode: 1945–

Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit van 23 september 1910 (Stb. 291): art. 97

Product: –

Opmerking: Het betreft hier de directeur van het rijksopvoedingsgesticht Doetichem

Waardering: V 10 jaar

350.

Handeling: Het halfjaarlijks doen van een opgave aan de Minister van Justitie over het aantal vertrokken jongeren

Periode: 1965–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 177 juncto art. 89

Waardering: V 10 jaar

 Actor Klachtencommissie van een rijksinrichting

366.

Handeling: Het beslissen in klacht- of beroepszaken

Periode: 1983–

Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26h; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 157, 157a, art. 157e; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 74–art. 79;

Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 45

Waardering: V 10 jaar

 



[1])  Zie hiervoor het RIO Schappelijk welzijn op Maat: Een institutioneel onderzoek naar beleidsterreinen binnen het taakgebied welzijn, 1945–1996..

[2]) Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 35/43.

[3]) In dit rapport kortweg jeugd-TBR genoemd. De maatregel werd in de jaren zestig aangevuld met de mogelijkheid tot opname in een inrichting voor buitengewone behandeling (de IBB-maatregel), In 1995 werden jeugd-TBR en IBB vervangen door de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel).

[4]) Voor een uitgebreide beschrijving van het beleidsterrein zij verwezen naar de hoofdstukken 2–9 van het rapport institutioneel onderzoek Kinderbescherming.

[5]) Burgerlijk Wetboek (1901): art. 385b, Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet (Stb. H232/1947): art. 461e.v. Het besluit Stb.207/1905 regelde dat in het arrondissement ‘s-Gravenhage en Groningen twee Voogdijraden is gevestigd.

[6]) Organisatiebesluit 1905.

[7]) Wet van 24 december 1954, Stb.602. Bij KB (Stb.111/1955) trad art. VI van deze wet, m.u.v. de 2e bepaling onder 2 en de bepaling onder 3B in werking per 15 april 1955 in werking. De overige bepalingen van de wet traden per 1 juli 1956 in werking bij KB (Stb.308/1956).

[8]) Dit werd neergelegd in het Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982 (Stb. 16/1982). Nota van toelichting.

[9]) In 1992 werd de wet overigens zodanig gewijzigd dat een aantal grote steden ook in aanmerking kon komen voor het predikaat regio. Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 115/1992).

[10]) Ook hierbij bestaat de mogelijkheid voor een interne fase, nu uitgevoerd door de ressortdirecteur of een door hem aangewezen plaatsvervanger.

[11]) gewijzigd bij de Wet van 6 april 1995 (Stb. 240/1995) tot nadere regeling van het gezag over en van de omgang met minderjarige kinderen.

[12]) Wet van 5 juli 1997 Stb. 324.

[13]) Bij de wet van 24 december 1997 (Stb. 772) vervielen de termen: ‘wettig, onwettig en natuurlijk kind’.

[14]) De voorlopige toevertrouwing werd geregeld in het Burgerlijk Wetboek (1901): art. 374f, art. 439a; Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet (Stb.H 232/1947): art. 461c e.v.; Nieuw Burgerlijk Wetboek (Stb.167/1969): art. 241.3).

[15]) M.v.T. op de wet van 10 juli 1947 Stb.H 232, Handelingen van de Staten Generaal. Bijlagen 387.3 p. 48.

[16]) Burgerlijk Wetboek (Stb. 255/1995): art. 254.

[17]) Besluit van 19 juni 1922 (Stb.402): art. 3/4. Dit besluit verviel bij inwerkingtreding van de wet (Stb. H232) en werd vervangen door Besluit (Stb.I 88/1948).

[18]) Stb. 527/1969.

[19]) Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet (Stb.834/1921): art. 373, art. 436a; Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet (Stb. H232/1947): art. 365, art. 418. Nieuw Burgerlijk Wetboek (Stb.167/1969): art. 254–265, art. 326.

[20]) Hiermee worden personen bedoeld die een gezin begeleiden, zonder dat er sprake is van een maatregel van kinderbescherming. De hulpverlening vindt dus plaats op basis van vrijwilligheid. Men noemt dit ook wel vrij patronaat.

 

 

 

(Regeling vrijwillige begeleiding jeugdreclassering) (Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Regeling van de Minister van Justitie van 12 januari 2005, nr. 5328243/04/DJJ, houdende aanwijzing van gevallen waarin de raad voor de kinderbescherming de stichting kan inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige (Regeling vrijwillige begeleiding jeugdreclassering)

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel 77hh, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

Besluit:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a.   stichting: de stichting, bedoeld in artikel 1 onder f, van de Wet op de jeugdzorg;

b.   langdurige detentie: strafduur van meer dan zes maanden;

c.   kortdurende detentie: strafduur zes maanden of minder.

 

Artikel 2

1.   In de volgende gevallen kan de raad voor de kinderbescherming de stichting inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige:

a.   na langdurige detentie, mits de jeugdige bij ontslag uit een justitiŽle jeugdinrichting de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;

b.   tijdens en na kortdurende detentie, mits de jeugdige bij aanvang van de begeleiding van de jeugdreclassering de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;

c.   na een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, mits de jeugdige bij ontslag uit een justitiŽle jeugdinrichting de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

 

2.   In de volgende gevallen kan de raad voor de kinderbescherming de stichting inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige:

a.   nadat tegen de jeugdige een proces-verbaal is opgemaakt zonder dat de jeugdige in verzekering is gesteld;

b.   nadat een jeugdige is heengezonden nadat hij in verzekering is gesteld;

c.   indien een jeugdige in voorlopige hechtenis is gesteld.

 

3.   De raad voor de kinderbescherming kan de stichting inschakelen voor vrijwillige begeleiding tijdens en na een taakstraf van een jeugdige.

Artikel 3

1.   Begeleiding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c, duurt tot maximaal zes maanden na ontslag van de jeugdige uit de inrichting.

2.   Begeleiding als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b en c, eindigt op de datum van de strafzitting doch in ieder geval na een termijn van maximaal zes maanden.

3.   Begeleiding als bedoeld in artikel 2, derde lid, duurt tot maximaal zes maanden na beŽindiging van de taakstraf.

4.   De termijn van de begeleiding, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c, kan eenmaal met zes maanden worden verlengd op een daartoe gemotiveerd verzoek van de raad voor de kinderbescherming.

5.   De termijn van de begeleiding, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, b en c, kan op een daartoe gemotiveerd verzoek van de raad voor de kinderbescherming worden verlengd.

Artikel 4

1.   De begeleidende werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en c, vangen drie ŗ zes maanden voor het tijdstip waarop de jeugdige de inrichting zal verlaten aan.

2.   De begeleidende werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, vangen, indien de begeleidende instantie niet al eerder contact met de jeugdige had, aan vanaf het moment dat de jeugdige zich in detentie bevindt.

Artikel 5

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2005.

Artikel 6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijwillige begeleiding jeugdreclassering.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

 

Burgerlijk Wetboek (Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Artikel 261

1.   Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.

2.   Indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het verzoek overgelegd. Indien de uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.

3.   In afwijking van de eerste volzin van het tweede lid kan in de gevallen, omschreven in de regels, gesteld krachtens artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg, van artikel 11a, eerste lid, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen en van artikel 9b, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend zonder een daartoe strekkend besluit. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt in dat geval totdat een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg is genomen. De kinderrechter kan bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg strekt tot uithuisplaatsing.

4.   De kinderrechter kan eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat daarbij een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg wordt overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt gedaan door de raad voor de kinderbescherming en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet geen besluit strekkend tot uithuisplaatsing neemt. In deze gevallen wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd. Indien de kinderrechter de machtiging verleent, is de stichting gehouden deze ten uitvoer te leggen, tenzij de raad met niet-tenuitvoerlegging instemt.

5.   Voor plaatsing in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen is een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist. Deze machtiging wordt slechts verleend, indien zij vereist is wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige. Zodra een verzoek tot zulk een machtiging of tot verlenging daarvan bij de kinderrechter is ingediend, geeft deze aan het bureau rechtsbijstandvoorziening ambtshalve last een raadsman aan de minderjarige toe te voegen.

 

 

Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen (Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Wet van 2 november 2000 tot vaststelling van een Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de jeugdhulpverlening alsmede enige andere wetten (Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een integrale regeling te treffen voor de materiŽle en formele rechtspositie ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt door verblijf in een justitiŽle jeugdinrichting dan wel door deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en in verband daarmede het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de jeugdhulpverlening te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I.  Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.   Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

b.   inrichting: justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 3a;

c.   particuliere inrichting: een inrichting die door Onze Minister wordt gesubsidieerd;

d.   rijksinrichting: een inrichting die door Onze Minister in stand wordt gehouden;

e.   afdeling: een afdeling van een inrichting als bedoeld in artikel 8, tweede lid;

f.    jeugdige: een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt in een inrichting;

g.   bestuur: het bestuur van een rechtspersoon die een particuliere inrichting beheert;

h.   directeur: de directeur van de inrichting, of diens plaatsvervanger, bedoeld in artikel 3b, derde lid, dan wel 3c, tweede lid;

i.    personeelslid of medewerker: een persoon die een taak uitvoert in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een inrichting;

j.    Raad: Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;

k.   commissie van toezicht: een commissie als bedoeld in artikel 7, eerste lid;

l.    beklagcommissie: een commissie als bedoeld in artikel 67, eerste lid;

m.  beroepscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 74, tweede lid;

n.   Inspectie jeugdzorg: de inspectie, bedoeld in artikel 47 van de Wet op de jeugdzorg;

o.   vrijheidsstraf: jeugddetentie en vervangende jeugddetentie;

p.   vrijheidsbenemende maatregel: voorlopige hechtenis, vreemdelingenbewaring en gijzeling voor zover de leeftijd van achttien jaren nog niet is bereikt, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, alsmede plaatsing in een inrichting met toepassing van artikel 261 dan wel artikel 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

q.   strafrestant: het gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf dan wel van het samenstel van dergelijke straffen dat nog moet worden ondergaan;

r.    verblijfsplan: een plan als bedoeld in artikel 20;

s.   behandelplan: een plan als bedoeld in artikel 21;

t.    scholings- en trainingsprogramma: een programma als bedoeld in artikel 3, eerste lid;

u.   huisregels: regels als bedoeld in artikel 4, eerste lid;

v.   groep: drie of meer jeugdigen;

w.  kamer: de aan de jeugdige ingevolge artikel 17, tweede lid, toegewezen verblijfsruimte;

x.   activiteiten: activiteiten ingevolge hoofdstuk IX;

ij.   afzondering: het insluiten van een jeugdige in een van de groep afgescheiden ruimte;

z.   tijdelijke overplaatsing: de overplaatsing voor een bepaalde tijd vanuit een behandelinrichting naar een opvanginrichting, dan wel vanuit een opvanginrichting naar een andere opvanginrichting, dan wel vanuit een behandelinrichting naar een andere behandelinrichting, op de gronden genoemd in artikel 24, eerste lid, onder a en b;

aa. selectiefunctionaris: een persoon belast met de plaatsing en overplaatsing van jeugdigen als bedoeld in artikel 16, derde lid;

bb. reclasseringswerker: een reclasseringswerker als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;

cc. rechtsbijstandverlener: de advocaat of de medewerker van een stichting, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand;

dd. stichting: een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg;

ee. raad voor de kinderbescherming: de raad als bedoeld in artikel 238 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Hoofdstuk II.  Doelstelling, beheer en toezicht

Paragraaf 1.  Doelstelling

Artikel 2

1.   De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel vindt, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, plaats door onderbrenging van de persoon aan wie deze is opgelegd in een inrichting dan wel door diens deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

2.   Met handhaving van het karakter van de straf of de maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan aangewend voor de opvoeding van de jeugdige en zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding op diens terugkeer in de maatschappij. In het geval dat een vrijheidsbenemende maatregel behandeling inhoudt wordt de tenuitvoerlegging tevens hierop afgestemd.

3.   De tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen vindt zo spoedig mogelijk plaats na de oplegging van de straf of de maatregel.

4.   Jeugdigen in een inrichting worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke noodzakelijk zijn voor:

a.   het doel van de vrijheidsbeneming, waaronder begrepen hun geestelijke en lichamelijke ontwikkeling en de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan;

b.   de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.

 

Artikel 3

1.   Een scholings- en trainingsprogramma is een samenstel van activiteiten waaraan wordt deelgenomen door jeugdigen ter verdere tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in aansluiting op hun verblijf in een inrichting en dat als zodanig door Onze Minister is erkend met inachtneming van de regels ingevolge het tweede lid.

2.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven die in elk geval de inhoud, de voorwaarden voor en het toezicht op deelname, de gevolgen van niet-nakoming van de voorwaarden en de rechtspositie van de deelnemers aan een scholings- en trainingsprogramma betreffen.

3.   Met inachtneming van de regels ingevolge het tweede lid kan Onze Minister bepalen welke jeugdigen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking komen.

Artikel 3a

1.   Onze Minister subsidieert of houdt in stand landelijke voorzieningen van residentiŽle hulpverlening bestemd voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen als bedoeld in de artikelen 77h van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 261 en 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

2.   De inrichtingen worden onderscheiden in rijksinrichtingen en particuliere inrichtingen.

Artikel 3b

1.   Particuliere inrichtingen zijn in de Europese Economische Ruimte gevestigde rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid tot wier doelstelling opvang en behandeling van jeugdigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, behoren en die daartoe door Onze Minister zijn aangewezen.

2.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanwijzing als particuliere inrichting en de daaraan te verbinden voorwaarden, alsmede omtrent het verstrekken van subsidie.

3.   Het beheer van een particuliere inrichting berust bij de directeur, die door het bestuur benoemd wordt. De directeur van een particuliere inrichting wijst met machtiging van het bestuur een of meer personen als zijn vervanger aan.

Artikel 3c

1.   Rijksinrichtingen worden door Onze Minister aangewezen. Het opperbeheer van de rijksinrichtingen berust bij Onze Minister. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de uitvoering hiervan.

2.   Het beheer van een rijksinrichting berust bij de directeur, die als zodanig door Onze Minister wordt aangewezen. Onze Minister wijst een of meer personen aan als vervanger van de directeur.

3.   Onze Minister kan mandaat verlenen betreffende de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften aan het hoofd van de Dienst JustitiŽle Inrichtingen.

Artikel 3d

Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een goede kwaliteit van de inrichtingen regels gesteld.

Paragraaf 2.  Beheer

Artikel 4

1.   De directeur stelt in aanvulling op de bij of krachtens deze wet gestelde regels en met inachtneming van het dienaangaande door Onze Minister vast te stellen model en door deze te geven aanwijzingen huisregels voor de inrichting of afdeling vast.

2.   De directeur kan personeelsleden en medewerkers machtigen tot de uitoefening van hem bij of krachtens deze wet gegeven bevoegdheden en de naleving van zijn zorgplichten, met uitzondering van de bevoegdheden, genoemd in het eerste en vierde lid.

3.   De directeur is bevoegd aan de jeugdigen aanwijzingen te geven, voor zover zulks noodzakelijk is in het belang van:

a.   de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

b.   een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming;

c.   hun geestelijke of lichamelijke ontwikkeling;

d.   de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan.

 

     De jeugdigen zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen.

4.   Aan de directeur is voorbehouden de beslissing omtrent:

a.   de onderbrenging van een kind in een inrichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vijfde lid;

b.   de voortzetting van het verblijf op een afdeling voor intensieve zorg of voor intensieve behandeling, bedoeld in artikel 22a, derde lid, onderscheidenlijk artikel 22b, derde lid;

c.   de uitsluiting van verblijf in de groep of van deelname aan activiteiten en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 23, derde lid, en 24, eerste lid, onder a en b, onderscheidenlijk artikel 23, vierde lid, en 24, tweede lid, alsmede de verlenging van uitsluiting van verblijf in de groep, bedoeld in artikel 23, tweede lid;

d.   de plaatsing in afzondering, bedoeld in artikel 25, eerste lid, op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a en b, de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 25, derde lid, en de tenuitvoerlegging van de afzondering in een andere inrichting of afdeling, bedoeld in artikel 26;

e.   de tijdelijke overplaatsing en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 27, eerste, onderscheidenlijk het derde lid;

f.    de beperking en de intrekking van verlof en proefverlof, bedoeld in de artikelen 28, 29, 30 en 31;

g.   het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 36, eerste lid;

h.   het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in artikel 37;

i.    de bevestiging van mechanische middelen, bedoeld in artikel 38, eerste lid;

j.    de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel 55, de toepassing van artikel 56, eerste en tweede lid, en artikel 57, derde en vierde lid.

 

Artikel 5

1.   De directeur meldt ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere voorvallen aan Onze Minister.

2.   De directeur verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde inlichtingen. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud en de wijze van melding.

Paragraaf 3.  Toezicht

Artikel 6

De Raad behandelt beroepschriften ingevolge de hoofdstukken XIV en XV.

Artikel 7

1.   Bij elke inrichting dan wel afdeling wordt door Onze Minister een commissie van toezicht ingesteld.

2.   De commissie van toezicht heeft tot taak:

a.   toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming in de inrichting of afdeling;

b.   kennis te nemen van door de jeugdigen, ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, naar voren gebrachte grieven en ter zake te bemiddelen;

c.   zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge hoofdstuk XIII;

d.   aan Onze Minister, de Raad en de directeur advies en inlichtingen te geven omtrent het onder a gestelde.

 

3.   Indien het advies of de inlichtingen een particuliere inrichting betreffen en zijn bestemd voor Onze Minister of de Raad, voegt de commissie de desbetreffende opmerkingen van het betrokken bestuur daarbij, tenzij naar het oordeel van Onze Minister, de Raad of de commissie bijzondere spoed geboden is dan wel het bestuur zijn opmerkingen naar het oordeel van de commissie niet binnen een redelijke termijn op schrift heeft gesteld.

4.   De commissie van toezicht stelt zich door persoonlijk contact met de jeugdigen regelmatig op de hoogte van onder hen levende wensen en gevoelens. Bij toerbeurt treedt ťťn van haar leden hiertoe op als maandcommissaris. De maandcommissaris vervult tevens de taken van de vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 1, onder w, van de Wet op de jeugdzorg.

5.   Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie, de benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden van de maandcommissaris.

Hoofdstuk III.  Bestemming

Artikel 8

1.   Onze Minister bepaalt de bestemming van elke inrichting of afdeling ingevolge de artikelen 9 tot en met 15. Hij stelt regels voor de plaatsing en de overplaatsing van de jeugdigen.

2.   Onze Minister kan delen van een inrichting als afdeling met een aparte bestemming aanwijzen.

3.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de opvang en de behandeling in inrichtingen plaatshebben.

Artikel 9

1.   Inrichtingen zijn te onderscheiden in opvanginrichtingen en behandelinrichtingen.

2.   Opvanginrichtingen zijn bestemd voor de onderbrenging van:

a.   personen ten aanzien van wie een bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven, voor zover zij ten tijde van het begaan van het strafbaar feit waarvan zij worden verdacht, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt;

b.   personen aan wie de straf van jeugddetentie, daaronder begrepen vervangende jeugddetentie, is opgelegd;

c.   personen in vreemdelingenbewaring, voor zover zij de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt;

d.   personen aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, dan wel personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en ten aanzien van wie met toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat zij in een inrichting worden geplaatst of ten aanzien van wie een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven, voor zolang opname in de voor hen bestemde plaats niet mogelijk is dan wel voor zolang die plaats nog niet bepaald is dan wel indien voor hen geen andere plaats bestemd is;

e.   personen die in een behandelinrichting verblijven en aan wie de maatregel van tijdelijke overplaatsing naar een opvanginrichting is opgelegd;

f.    personen ten aanzien van wie een bevel tot gijzeling is gegeven, voor zover zij de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt.

 

Artikel 10

1.   Behandelinrichtingen zijn bestemd voor de onderbrenging van:

a.   personen aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd;

b.   personen ten aanzien wie met toepassing van artikel 261 Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat zij in een inrichting worden geplaatst;

c.   personen ten aanzien van wie met toepassing van artikel 305, derde lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat zij in een inrichting worden geplaatst.

 

2.   Onder behandeling wordt verstaan een samenstel van handelingen gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beÔnvloeden.

Artikel 11

1.   De plaatsing in een behandelinrichting van een persoon aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd geschiedt voordat de termijn van de maatregel drie maanden heeft gelopen.

2.   Indien de plaatsing niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn mogelijk is, kan de selectiefunctionaris deze termijn telkens met drie maanden verlengen.

3.   Met een beslissing tot verlenging als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld de weigering om binnen de in het eerste lid genoemde termijn te beslissen.

 

Artikel 11a [Treedt in werking per 01-01-2007]

Artikel 12

1.   In opvanginrichtingen worden mannelijke en vrouwelijke jeugdigen gescheiden ondergebracht.

2.   Onze Minister kan opvanginrichtingen of -afdelingen aanwijzen waarin van het eerste lid wordt afgeweken vanwege de bestemming van de inrichting of de afdeling voor bijzondere opvang, bedoeld in artikel 15.

3.   De directeur kan jeugdigen van verschillend geslacht die in dezelfde opvanginrichting verblijven in de gelegenheid stellen gezamenlijk aan activiteiten deel te nemen.

4.   In behandelinrichtingen worden mannelijke en vrouwelijke jeugdigen gescheiden dan wel tezamen ondergebracht.

Artikel 13

1.   Onze Minister wijst de inrichtingen of de afdelingen aan waarin kinderen van de jeugdige tot een in de aanwijzing aangegeven leeftijd kunnen worden ondergebracht.

2.   Indien een jeugdige een kind in de inrichting of de afdeling, bedoeld in het eerste lid, wil onderbrengen ten einde het aldaar te verzorgen en op te voeden behoeft hij de toestemming van de directeur. De directeur geeft deze toestemming, voor zover dit verblijf zich verdraagt met de volgende belangen:

a.   de bescherming van de persoonlijke veiligheid of de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

b.   de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

c.   de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan;

d.   de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;

e.   het over het kind gestelde gezag.

 

3.   De directeur kan aan de toestemming voorwaarden verbinden met het oog op een belang als bedoeld in het tweede lid.

4.   De directeur kan over een door hem voorgenomen onderbrenging van een kind in de inrichting of afdeling het advies inwinnen van de raad voor de kinderbescherming.

5.   De directeur kan de toestemming intrekken, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in het tweede lid, of indien de jeugdige een bepaalde voorwaarde niet nakomt. Indien de directeur een nader onderzoek nodig oordeelt, kan hij de medewerking van de raad voor de kinderbescherming inroepen.

6.   De directeur is verplicht de toestemming in te trekken, indien de onderbrenging van het kind in de inrichting in strijd komt met enige op het gezag over het kind betrekking hebbende beslissing.

7.   In de huisregels worden nadere regels gesteld omtrent het verblijf van kinderen in de inrichting.

8.   De kosten van de verzorging van het kind komen voor rekening van het Rijk, voor zover de jeugdige dan wel degene die belast is met het gezag over het kind, niet zelf in die kosten kan voorzien.

Artikel 14

1.   Inrichtingen of afdelingen daarvan zijn naar de mate van beveiliging als volgt te onderscheiden en aan te duiden:

a.   beperkt beveiligd: een open inrichting of afdeling;

b.   normaal beveiligd: een gesloten inrichting of afdeling.

 

2.   Onze Minister bepaalt ten aanzien van elke inrichting of afdeling daarvan de mate van beveiliging, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 15

1.   Inrichtingen of afdelingen daarvan kunnen door Onze Minister worden bestemd voor de onderbrenging van jeugdigen die een bijzondere opvang of behandeling behoeven.

2.   De bijzondere opvang of behandeling, bedoeld in het eerste lid, kan verband houden met de leeftijd, de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdigen of de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan, alsmede met het delict waarvoor zij in een inrichting zijn opgenomen.

3.   Onze Minister bepaalt de criteria waaraan jeugdigen moeten voldoen om voor plaatsing in een inrichting of een afdeling met een bijzondere opvang of behandeling als bedoeld in het eerste lid, in aanmerking te komen.

Hoofdstuk IV.  Plaatsing en plaatsingsprocedure

Paragraaf 1.  Plaatsing en overplaatsing

Artikel 16

1.   Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen is gelast, worden, voor zover de tenuitvoerlegging in een inrichting plaatsvindt, geplaatst in een inrichting of afdeling dan wel overgeplaatst naar een inrichting of afdeling overeenkomstig de bestemming daarvan ingevolge hoofdstuk III. Van het bepaalde omtrent de bestemming kan worden afgeweken op gronden gelegen in de persoon van de betrokkene. Indien een persoon voor plaatsing in meer dan ťťn inrichting of afdeling in aanmerking komt, geschiedt deze met inachtneming van artikel 2, tweede, derde en vierde lid.

2.   Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen is gelast kunnen in aansluiting op hun verblijf in de inrichting in de gelegenheid worden gesteld tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma. Bij het niet voldoen aan de voorwaarden voor deelname, bedoeld in artikel 3, tweede lid, kan de deelname worden beŽindigd.

3.   Met de plaatsing en overplaatsing, bedoeld in het eerste lid en de beslissingen, bedoeld in het tweede lid, zijn door Onze Minister als zodanig aangewezen selectiefunctionarissen belast. Deze zijn bevoegd de overbrenging van personen te bevelen naar de voor hen bestemde inrichting of afdeling dan wel ten behoeve van deelname aan het voor hen bestemde scholings- en trainingsprogramma dan wel de beŽindiging hiervan. Zij kunnen de overbrenging doen geschieden door daartoe door hen aangewezen personeelsleden of medewerkers. De inrichting is verplicht de jeugdige op te nemen.

4.   De selectiefunctionarissen nemen bij de beslissing, bedoeld in het eerste lid, de aanwijzingen van het openbaar ministerie en van de autoriteiten die de straf of maatregel hebben opgelegd, in aanmerking. De selectiefunctionarissen nemen bij de beslissing, bedoeld in het eerste lid, de aanwijzingen van de stichting voor zover mogelijk in acht.

5.   De selectiefunctionarissen nemen de beslissing om een jeugdige te plaatsen op een afdeling voor intensieve zorg of voor intensieve behandeling als bedoeld in artikel 22a, onderscheidenlijk artikel 22b, na advies van een psychiater, die voor zover mogelijk overleg heeft gevoerd met de behandelend gedragsdeskundige.

6.   In geval van gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van een jeugdige kan de selectiefunctionaris, met inachtneming van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, bepalen dat de jeugdige naar een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen zal worden overgebracht om daar zolang als dat noodzakelijk is te worden verpleegd.

7.   Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de procedure van plaatsing en overplaatsing en overbrenging, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk het zesde lid, en omtrent de wijze waarop het vervoer van de jeugdige plaatsvindt.

Artikel 16a

1.   In afwijking van artikel 16, eerste lid, eerste volzin, kan de selectiefunctionaris bepalen dat een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel is gelast en die in een politiecel verblijft, daar voor een periode van maximaal tien dagen zal verblijven, nadat hij heeft vastgesteld dat er voor deze persoon geen plaats is in een inrichting. De politiecel voldoet aan de regels die voor politiecellencomplexen zijn vastgesteld.

2.   Het eerste lid kan voor een jeugdige in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar worden toegepast, met dien verstande dat de maximale termijn voor verblijf in een politiecel dan drie dagen bedraagt en het verblijf alleen mag worden toegepast in afwachting van het regelen van vervoer naar de plaats in een inrichting.

Artikel 17

1.   De directeur bepaalt de wijze van onderbrenging van de jeugdigen die overeenkomstig artikel 16 zijn geplaatst in de inrichting of afdeling met het beheer waarvan hij is belast.

2.   De directeur wijst iedere jeugdige een kamer toe.

3.   De directeur kan onderdelen van de inrichting of de afdeling aanwijzen voor de onderbrenging van jeugdigen die een bijzondere opvang of behandeling in de zin van artikel 15, tweede lid, behoeven.

4.   De directeur bepaalt de criteria waaraan de jeugdige moet voldoen om voor onderbrenging als bedoeld in het derde lid in aanmerking te komen.

5.   Onze Minister stelt regels omtrent de eisen waaraan een kamer als bedoeld in het tweede lid moet voldoen.

Paragraaf 2.  Bezwaar- en verzoekschriftprocedure

Artikel 18

1.   De betrokkene heeft het recht een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen tegen de beslissing:

a.   tot verlenging van de termijn, bedoeld in artikel 11, tweede lid, en 11a, derde lid;

b.   tot plaatsing of overplaatsing of overbrenging als bedoeld in artikel 16, eerste onderscheidenlijk vijfde lid;

c.   tot plaatsing of overplaatsing op een afdeling als bedoeld in artikel 22a of 22b;

d.   tot beŽindiging van zijn deelname aan een scholings- en trainingsprogramma;

e.   tot het gebruiken van geweld of aanwenden van vrijheidsbeperkende middelen, bedoeld in artikel 40, tweede lid.

 

2.   Op de wijze van indiening is artikel 66, tweede, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

3.   De selectiefunctionaris stelt de betrokkene in de gelegenheid schriftelijk of mondeling diens bezwaarschrift toe te lichten, tenzij hij het aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht.

4.   De selectiefunctionaris stelt de indiener van het bezwaarschrift binnen zes weken van zijn met redenen omklede beslissing schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor deze begrijpelijke taal op de hoogte. Hierbij wijst hij hem op de mogelijkheid van het instellen van beroep, bedoeld in hoofdstuk XV, alsmede de termijnen waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet worden.

5.   Het indienen van een bezwaarschrift blijft achterwege, indien de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren tegen een door de selectiefunctionaris voorgenomen en hem betreffende beslissing als bedoeld in het eerste lid kenbaar te maken.

Artikel 19

1.   De betrokkene heeft het recht bij de selectiefunctionaris een met redenen omkleed verzoekschrift in te dienen strekkende tot:

a.   plaatsing in dan wel overplaatsing naar een bepaalde inrichting of afdeling;

b.   deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.

 

2.   Met een verzoekschrift wordt gelijkgesteld een akkoordverklaring van de jeugdige met het selectieadvies van de directeur van de inrichting.

3.   De artikelen 66, tweede en vierde lid, en 18, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

4.   Indien het verzoekschrift, bedoeld in het eerste lid, is afgewezen, kan twee maanden na de ontvangst van deze afwijzing opnieuw een verzoekschrift worden ingediend.

Hoofdstuk V.  Verblijfsplan en behandelplan

Artikel 20

1.   De directeur van een opvanginrichting kan voor een jeugdige een verblijfsplan vaststellen. Hij stelt in elk geval een verblijfsplan vast voor een jeugdige met een strafrestant van drie maanden of meer. Alvorens het plan vast te stellen overlegt hij met de jeugdige.

2.   Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de eisen waaraan een verblijfsplan ten minste moet voldoen, de voorschriften die bij wijziging daarvan in acht genomen moeten worden en de periodieke evaluatie van het verblijfsplan.

Artikel 21

1.   De directeur van een behandelinrichting draagt zorg dat binnen zes weken na binnenkomst van de jeugdige in de inrichting een behandelplan wordt vastgesteld. Alvorens het plan vast te stellen overlegt hij met de jeugdige.

2.   Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de eisen waaraan het behandelplan ten minste moet voldoen, de voorschriften die bij wijziging daarvan in acht genomen moeten worden en de periodieke evaluatie van het behandelplan.

Hoofdstuk VI.  Bewegingsvrijheid

Paragraaf 1.  Bewegingsvrijheid binnen de inrichting

Artikel 22

In inrichtingen verblijven jeugdigen in groepen en nemen deel aan gemeenschappelijke activiteiten gedurende ten minste twaalf uren per dag gedurende de week en ten minste acht en een half uren per dag gedurende het weekeinde. De jeugdigen houden zich gedurende de voor de nachtrust bestemde uren in hun kamer op, tenzij zij als onderdeel van het regime van de inrichting deelnemen aan meerdaagse activiteiten buiten de inrichting.

Artikel 22a

1.   Op een door Onze Minister als zodanig aangewezen afdeling voor intensieve zorg nemen jeugdigen deel aan gemeenschappelijke activiteiten gedurende ten minste zes uren per dag door de week en gedurende ten minste vier uren per dag in het weekeinde.

2.   Een jeugdige kan op een afdeling voor intensieve zorg worden geplaatst indien:

a.   de jeugdige in een crisissituatie verkeert,

b.   de crisissituatie vermoedelijk gevolg is van een psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis, en

c.   de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b tijdelijk niet in een inrichting kan verblijven met een regime als bedoeld in artikel 22.

 

     De plaatsing geschiedt alleen indien dit noodzakelijk is ten behoeve van het stabiliseren en het zo nodig stellen van een diagnose ten aanzien van de jeugdige.

3.   De directeur bepaalt telkens binnen ten hoogste zes weken en na advies van een psychiater of de noodzaak tot voortzetting van het verblijf op de afdeling voor intensieve zorg nog bestaat.

4.   Een jeugdige die op een afdeling voor intensieve zorg is geplaatst, verblijft, in afwijking van artikel 1, onder v, in een groep van ten minste twee personen.

Artikel 22b

1.   Op een door Onze Minister als zodanig aangewezen afdeling voor intensieve behandeling nemen jeugdigen deel aan gemeenschappelijke activiteiten gedurende ten minste zes uren per dag door de week en gedurende ten minste vier uren per dag in het weekeinde.

2.   Een jeugdige kan op een afdeling voor intensieve behandeling worden geplaatst indien:

a.   de jeugdige extra begeleiding behoeft,

b.   de behoefte aan extra begeleiding het gevolg is van een psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis, en

c.   de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b tijdelijk niet in een inrichting kan verblijven met een regime als bedoeld in artikel 22.

 

     De plaatsing geschiedt alleen indien dit noodzakelijk is ter stabilisatie en behandeling van de jeugdige.

3.   De directeur bepaalt telkens binnen ten hoogste drie maanden en na advies van een psychiater of de noodzaak tot voortzetting van het verblijf op de afdeling voor intensieve behandeling nog bestaat.

4.   Een jeugdige die op een afdeling voor intensieve behandeling is geplaatst, verblijft, in afwijking van artikel 1, onder v, in een groep van ten minste twee personen.

Artikel 23

1.   De directeur kan een jeugdige gedurende ten hoogste een week na zijn binnenkomst in de inrichting uitsluiten van het verblijf in een groep en zijn deelname aan gemeenschappelijke activiteiten beperken tot ten minste zes uren per dag, indien dit noodzakelijk is:

a.   ter voorbereiding van de beslissing omtrent onderbrenging van de jeugdige in de groep;

b.   ten behoeve van de vaststelling van een verblijfs- of behandelplan.

 

2.   De directeur kan de periode, bedoeld in het eerste lid, tweemaal met ten hoogste een week verlengen, indien hij na overleg met een gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak hiertoe nog bestaat.

3.   De directeur kan de jeugdige gedurende ten hoogste een week uitsluiten van verblijf in de groep of beperken in de deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, indien dit noodzakelijk is in het belang van:

a.   zijn geestelijke of lichamelijke ontwikkeling;

b.   de uitvoering van het hem betreffende verblijfs- of behandelplan.

 

4.   De directeur kan de uitsluiting of beperking, bedoeld in het derde lid, telkens met ten hoogste een week verlengen, indien hij na overleg met een gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak hiertoe nog bestaat.

5.   De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van uitsluiting, bedoeld in het eerste en derde lid, en de verlenging, bedoeld in het tweede en vierde lid, aantekening in een register.

Paragraaf 2.  Ordemaatregelen

Artikel 24

1.   De directeur kan de jeugdige uitsluiten van het verblijf in de groep of de deelname aan een of meer activiteiten behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel 53, vijfde lid:

a.   indien dit in het belang van de orde of de veiligheid van de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is;

b.   indien dit ter bescherming van de betrokken jeugdige noodzakelijk is;

c.   in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken jeugdige;

d.   indien de jeugdige hierom verzoekt en de directeur dit verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.

 

2.   De uitsluiting ingevolge het eerste lid, onder a of b, duurt ten hoogste twee dagen. De directeur kan deze uitsluiting telkens voor ten hoogste twee dagen verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak tot uitsluiting nog bestaat.

3.   Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de uitsluiting, bedoeld inhet eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een personeelslid of medewerker de maatregel, bedoeld in het eerste lid, voor een periode van ten hoogste vijftien uren treffen.

4.   De maatregel van uitsluiting van het verblijf in de groep of van de deelname aan een of meer activiteiten wordt ten uitvoer gelegd op de kamer van de jeugdige.

5.   De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van uitsluiting, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de verlenging, bedoeld in het tweede lid, aantekening in een register. Bij toepassing van het derde lid wordt de aantekening door het betrokken personeelslid of medewerker gemaakt.

Artikel 25

1.   De directeur is bevoegd een jeugdige in afzondering te plaatsen op de gronden, genoemd in artikel 24, eerste lid. De afzondering op de gronden van artikel 24, eerste lid, onder a of b, duurt ten hoogste ťťn dag voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder.

2.   De afzondering wordt ten uitvoer gelegd in een afzonderingscel of in een andere verblijfsruimte. Gedurende het verblijf in afzondering neemt de jeugdige niet deel aan activiteiten, voor zover de directeur niet anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel 53, vijfde lid.

3.   De directeur kan de afzondering, bedoeld in het eerste lid, op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a of b, eenmaal voor ten hoogste ťťn dag voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak tot afzondering nog bestaat.

4.   Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de afzondering op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een personeelslid of medewerker een jeugdige voor een periode van ten hoogste vijftien uren in afzondering plaatsen. De directeur wordt van deze plaatsing onverwijld op de hoogte gesteld.

5.   De directeur draagt zorg dat tijdens de afzondering het nodige contact tussen personeelsleden en medewerkers van de inrichting en de jeugdige wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie van de jeugdige wordt afgestemd.

6.   De directeur draagt zorg dat ingeval de afzondering in een afzonderingscel langer dan vierentwintig uren duurt, de commissie van toezicht en de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger alsmede de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de stichting, terstond hiervan in kennis worden gesteld.

7.   Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de inrichting van de afzonderingscel. Deze betreffen in elk geval de rechten die tijdens het verblijf in de afzonderingscel aan de jeugdige toekomen.

8.   De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van afzondering, bedoeld in het eerste lid, en de verlenging daarvan, bedoeld in het derde lid, aantekening in een register. Bij toepassing van het vierde lid wordt de aantekening door het betrokken personeelslid of medewerker gemaakt.

Artikel 25a

1.   De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de jeugdige noodzakelijk is, bepalen dat de jeugdige die in een afzonderingscel verblijft, dag en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd.

2.   Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.

Artikel 26

1.   Indien de tenuitvoerlegging van de afzondering in de inrichting of afdeling waar zij is opgelegd op ernstige bezwaren stuit, kan zij in een andere inrichting of afdeling worden ondergaan.

2.   Indien de directeur van oordeel is dat van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid sprake is, plaatst hij in overeenstemming met de selectiefunctionaris de jeugdige over.

3.   Over de verlenging van de afzondering waarvan de tenuitvoerlegging plaatsvindt in een andere inrichting of afdeling, beslist de directeur van de inrichting of de afdeling waarin de afzondering was opgelegd in overeenstemming met de selectiefunctionaris en gehoord de directeur van de inrichting of afdeling waar de tenuitvoerlegging van de afzondering plaatsvindt.

4.   Onze Minister stelt nadere regels omtrent de procedure van plaatsing, overplaatsing en verlenging van de afzondering ingevolge het tweede onderscheidenlijk het derde lid.

5.   De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de stichting, worden van de beslissing, bedoeld in het eerste lid, onverwijld op de hoogte gesteld.

6.   De directeur houdt van de tenuitvoerlegging van de maatregel van afzondering in een andere inrichting, bedoeld in het eerste lid en de verlenging daarvan, bedoeld in het derde lid, aantekening in een register.

Artikel 27

1.   De directeur is bevoegd een jeugdige, na overleg met een gedragsdeskundige en de selectiefunctionaris, tijdelijk over te plaatsen op de gronden, genoemd in artikel 24, eerste lid, onder a en b.

2.   De directeur neemt de beslissing tot tijdelijke plaatsing niet dan nadat hij voor de jeugdige aan wie de maatregel van ondertoezichtstelling is opgelegd of voor de jeugdige die door de stichting in een inrichting is geplaatst toestemming van de stichting heeft verkregen. Deze toestemming wordt niet gegeven zonder machtiging van de kinderrechter in de daartoe aangewezen gevallen. Voor de jeugdige aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd is de toestemming van Onze Minister noodzakelijk.

3.   De tijdelijke plaatsing duurt ten hoogste veertien dagen. De directeur kan deze tijdelijke plaatsing eenmaal voor ten hoogste veertien dagen verlengen, indien hij na overleg met een gedragsdeskundige, de directeur van de inrichting waar de tijdelijke plaatsing ten uitvoer wordt gelegd en de selectiefunctionaris tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak en de mogelijkheden hiertoe nog bestaan.

4.   Na de tenuitvoerlegging van de tijdelijke plaatsing dan wel de verlenging hiervan wordt de jeugdige teruggeplaatst in de inrichting waarin de maatregel werd opgelegd.

5.   De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de stichting, worden van een beslissing als bedoeld in het eerste en derde lid, onverwijld op de hoogte gesteld.

Paragraaf 3.  Verlaten van de inrichting

Artikel 28

1.   De directeur stelt een jeugdige in de gelegenheid onder door hem te stellen voorwaarden de inrichting te verlaten teneinde een gerechtelijke procedure bij te wonen:

a.   indien de jeugdige krachtens wettelijk voorschrift verplicht is voor een rechter of bestuursorgaan te verschijnen;

b.   ter voldoening aan een oproep van de rechter.

 

2.   Met het oog op het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, kan de directeur aan daartoe door hem aangewezen personeelsleden of medewerkers bevelen dat de betrokken persoon naar de daartoe bestemde plaats wordt overgebracht.

3.   Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop het vervoer van de jeugdige ten behoeve van het bijwonen van een gerechtelijke procedure, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.

Artikel 29

1.   De directeur stelt een jeugdige die in een inrichting verblijft op grond van de tenuitvoerlegging van een maatregel als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b of c, in de gelegenheid de inrichting ten minste eenmaal per zes weken voor een periode van ten minste twaalf uren te verlaten bij wijze van verlof. Artikel 30, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.   De directeur kan van het in het eerste lid bepaalde afwijken, indien naar zijn redelijk oordeel:

a.   de mogelijkheid voor de jeugdige ontbreekt om het verlof op verantwoorde wijze door te brengen;

b.   de jeugdige een gevaar voor zichzelf of de omgeving oplevert.

 

3.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan een jeugdige moet voldoen om voor het verlof in aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en intrekking alsmede de duur en frequentie van het verlof en de voorwaarden die aan het verlof kunnen worden verbonden.

Artikel 30

1.   De directeur kan met machtiging van Onze Minister een jeugdige die in een inrichting verblijft op grond van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, anders dan bedoeld in artikel 29, eerste lid, in de gelegenheid stellen de inrichting te verlaten bij wijze van verlof.

2.   Het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, schort de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel niet op.

3.   Als algemene voorwaarde geldt dat de jeugdige zich tijdens het verlof niet aan enig misdrijf zal schuldig maken. De directeur kan aan het verlof bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige betreffende, verbinden.

4.   De directeur kan het verlof intrekken, indien dit noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de jeugdige voor de veiligheid van anderen dan de jeugdige of de algemene veiligheid van personen of goederen of indien de jeugdige een bepaalde voorwaarde niet nakomt.

5.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan een jeugdige moet voldoen om voor het verlof in aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en intrekking alsmede de duur en frequentie van het verlof en de voorwaarden die aan het verlof kunnen worden verbonden.

Artikel 31

1.   De directeur kan, met machtiging van Onze Minister, de jeugdige die in de inrichting verblijft op grond van de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, proefverlof verlenen.

2.   De directeur kan het proefverlof, bedoeld in het eerste lid, slechts verlenen, indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van de jeugdige voor de veiligheid van anderen dan de jeugdige of voor de algemene veiligheid van personen of goederen dusdanig is teruggebracht dat het verantwoord is hem bij wijze van proef in de maatschappij te doen terugkeren.

3.   Artikel 30, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden dat de jeugdige zich voor het verkrijgen van hulp en steun wendt tot een in de machtiging van Onze Minister aangewezen instelling, die aan bepaalde, bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen, voldoet.

4.   De jeugdige aan wie proefverlof is verleend, geniet, behoudens de verplichtingen die voortvloeien uit de hem opgelegde voorwaarden, vrijheid van beweging.

5.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot het proefverlof nadere regels gesteld.

Hoofdstuk VII.  Controle en geweldgebruik

Artikel 32

Het recht van de jeugdige op onaantastbaarheid van zijn lichaam, zijn kleding en de van zijn lichaam afgescheiden stoffen en zijn kamer kan overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden beperkt.

Artikel 33

1.   De directeur kan de jeugdige verplichten een legitimatiebewijs bij zich te dragen en dit op verzoek van een personeelslid of medewerker te tonen.

2.   De jeugdige is verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vastleggen van zijn beeltenis, het nemen van een vingerafdruk of het afnemen van een handscan.

Artikel 34

1.   De directeur is bevoegd een jeugdige bij binnenkomst of bij het verlaten van de inrichting, voorafgaand aan of na afloop van bezoek, dan wel, indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, aan zijn lichaam of aan zijn kleding te onderzoeken.

2.   Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige omvat mede het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam van de jeugdige. Het onderzoek aan de kleding van de jeugdige omvat mede het onderzoek van de voorwerpen die de jeugdige bij zich draagt of met zich mee voert.

3.   Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige wordt op besloten plaatsen en, voor zover mogelijk, door personen van hetzelfde geslacht als de jeugdige verricht.

4.   Indien bij een onderzoek aan het lichaam of de kleding voorwerpen worden aangetroffen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn, en, voor zover het onderzoek betrekking heeft op de openingen of holten van het lichaam van de jeugdige, deze voorwerpen zonder het gebruik van hulpmiddelen daaruit kunnen worden verwijderd, is de directeur bevoegd deze in beslag te nemen. Hij draagt zorg dat deze voorwerpen, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de jeugdige op diens kosten worden bewaard, hetzij met toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.

Artikel 35

1.   De directeur kan, indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel in verband met de beslissing tot plaatsing of overplaatsing dan wel in verband met de toestemming tot het verlaten van de inrichting, een jeugdige verplichten urine af te staan ten behoeve van een onderzoek van die urine op aanwezigheid van gedragsbeÔnvloedende middelen.

2.   Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de wijze van uitvoering van het urineonderzoek. Deze regels betreffen in elk geval het recht van de jeugdige om de uitslag te vernemen en om voor eigen rekening een hernieuwd onderzoek van de afgestane urine te laten plaatsvinden. Artikel 34, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36

1.   De directeur kan bepalen dat een jeugdige in het lichaam wordt onderzocht, indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel voor de gezondheid van de jeugdige. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.

2.   Een personeelslid of medewerker van de inrichting waar de jeugdige verblijft kan bij dringende noodzakelijkheid een beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen.

3.   Indien bij het onderzoek in het lichaam voorwerpen worden aangetroffen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn, en deze voorwerpen door de arts of verpleegkundige uit het lichaam kunnen worden verwijderd, is de directeur bevoegd deze in beslag te nemen. Artikel 34, vierde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 37

1.   De directeur kan een jeugdige verplichten te gedogen dat ten aanzien van hem een bepaalde geneeskundige handeling wordt verricht, indien die handeling naar het oordeel van een arts volstrekt noodzakelijk is ter afwending van gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de jeugdige of van anderen. De handeling wordt verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.

2.   Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid. Deze regels betreffen in ieder geval de melding en de registratie van de geneeskundige handeling, alsmede de taak van de verantwoordelijke arts indien de geneeskundige handeling volstrekt noodzakelijk is ter afwending van gevaar voortvloeiend uit de geestelijke stoornis van de jeugdige.

Artikel 38

1.   De directeur kan bepalen dat een jeugdige tijdens de afzondering door bevestiging van mechanische middelen aan zijn lichaam voor een periode van ten hoogste twaalf uren voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste vierentwintig uren voor jeugdigen van zestien jaar en ouder in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt, indien die beperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige. De directeur stelt de arts of diens vervanger en de commissie van toezicht van de bevestiging onverwijld in kennis.

2.   Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, geboden is, kan een personeelslid of medewerker deze voor een periode van ten hoogste vier uren ten uitvoer leggen. De directeur en de arts of diens vervanger en de commissie van toezicht worden hiervan onverwijld in kennis gesteld.

3.   Onze Minister stelt nadere regels omtrent de bevestiging van mechanische middelen aan het lichaam.

Artikel 39

1.   De directeur is bevoegd de kamer van een jeugdige op de aanwezigheid van voorwerpen die niet in zijn bezit mogen zijn te onderzoeken:

a.   indien dit onderzoek plaatsvindt in het kader van het algemeen toezicht op de aanwezigheid van verboden voorwerpen in de kamers van jeugdigen;

b.   indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.

 

2.   Artikel 34, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.   De directeur is bevoegd de kamer van een jeugdige te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen waarop vermoedelijk celmateriaal van de jeugdige aanwezig is en deze voorwerpen in beslag te nemen, indien de officier van justitie hem op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden een opdracht tot het in beslag nemen van deze voorwerpen heeft gegeven.

Artikel 40

1.   De directeur is bevoegd jegens een jeugdige geweld te gebruiken dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, voor zover zulks noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:

a.   de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

b.   de uitvoering van een door de directeur genomen beslissing;

c.   de voorkoming van het zich onttrekken door de jeugdige aan het op hem uitgeoefende toezicht;

d.   de uitvoering van een ingevolge het Wetboek van Strafvordering of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden door de officier van justitie of de rechter-commissaris genomen beslissing.

 

2.   De selectiefunctionaris of een daartoe door hem aangewezen personeelslid of medewerker is bevoegd jegens een jeugdige geweld te gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden voor zover zulks noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:

a.   de uitvoering van een door hem genomen beslissing;

b.   de voorkoming van het zich onttrekken van de jeugdige aan het op hem uitgeoefende toezicht.

 

3.   Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. Degene die geweld heeft gebruikt maakt hiervan onverwijld een schriftelijk verslag en doet dit verslag onverwijld aan de directeur onderscheidenlijk de selectiefunctionaris toekomen.

4.   Onze Minister stelt nadere regels omtrent het gebruik van geweld en de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen.

Hoofdstuk VIII.  Contact met de buitenwereld

Artikel 41

1.   De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid te stellen beperkingen, het recht brieven en stukken per post te verzenden en te ontvangen. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de jeugdige.

2.   De directeur is bevoegd enveloppen of andere poststukken, afkomstig van of bestemd voor jeugdigen, op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen te onderzoeken en deze hiertoe te openen. Indien de enveloppen of andere poststukken afkomstig zijn van of bestemd zijn voor de in artikel 42, eerste en tweede lid, genoemde personen of instanties, geschiedt dit onderzoek in aanwezigheid van de betrokken jeugdige.

3.   De directeur is bevoegd op de inhoud van brieven of andere poststukken afkomstig van of bestemd voor jeugdigen toezicht uit te oefenen met het oog op een belang als bedoeld in het vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het kopiŽren van brieven of andere poststukken. Van de wijze van uitoefenen van toezicht wordt aan de jeugdige tevoren mededeling gedaan.

4.   De directeur kan de verzending of de uitreiking van bepaalde brieven of andere poststukken alsmede bijgesloten voorwerpen weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:

a.   de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

b.   de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten;

c.   de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven;

d.   de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;

e.   de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan.

 

5.   De directeur draagt zorg dat de niet uitgereikte brieven of andere poststukken dan wel bijgesloten voorwerpen, hetzij worden teruggegeven aan de jeugdige of voor diens rekening worden gezonden aan de verzender of een door de jeugdige op te geven adres, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de jeugdige worden bewaard, hetzij met toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.

Artikel 42

1.   Artikel 41, derde en vierde lid, is niet van toepassing op brieven door de jeugdige gericht aan of afkomstig van:

a.   leden van het Koninklijk Huis;

b.   de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, leden daarvan, de Nederlandse leden van het Europese Parlement of een commissie uit een van beide parlementen;

c.   Onze Minister;

d.   justitiŽle autoriteiten;

e.   de Nationale ombudsman;

f.    de geneeskundig inspecteurs van de volksgezondheid en de inspecteurs van de Inspectie jeugdzorg;

g.   de Raad, een commissie daaruit of leden daarvan;

h.   de commissie van toezicht, een beklagcommissie, of leden daarvan;

i.    diens rechtsbijstandverlener;

j.    diens reclasseringsmedewerker of medewerkers van de stichting;

k.   diens ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, behoudens ingeval zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten;

l.    andere door Onze Minister of de directeur aan te wijzen personen of instanties.

 

2.   Voor de toepassing van het eerste lid, onder d, wordt onder justitiŽle autoriteiten mede begrepen: organen die krachtens een wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend verdrag bevoegd zijn tot kennisneming van klachten of behandeling van met een klacht aangevangen zaken.

3.   Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze van verzending van brieven aan en door de in het eerste lid genoemde personen en instanties.

Artikel 43

1.   De jeugdige heeft het recht gedurende ten minste ťťn uur per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen bezoek te ontvangen. In de huisregels worden regels gesteld omtrent het aanvragen van bezoek.

2.   De directeur kan het aantal tegelijk tot de jeugdige toe te laten personen beperken, indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.

3.   De directeur kan de toelating tot de jeugdige van een bepaalde persoon of bepaalde personen weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. Deze weigering van een bezoeker op de grond van artikel 41, vierde lid, onder a, b, d of e, geldt voor ten hoogste vier weken.

4.   De directeur kan bepalen dat tijdens het bezoek toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het beluisteren of het opnemen van het gesprek tussen de bezoeker en de jeugdige. Tevoren wordt aan betrokkenen mededeling gedaan van de aard en de reden van het toezicht.

5.   Iedere bezoeker dient zich bij binnenkomst op deugdelijke wijze te legitimeren. De directeur kan bepalen dat een bezoeker aan zijn kledingwordt onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de veiligheid in de inrichting. Dit onderzoek kan ook betrekking hebben op door hem meegebrachte voorwerpen. De directeur is bevoegd dergelijke voorwerpen gedurende de duur van het bezoek onder zich te nemen tegen afgifte van een bewijs van ontvangst dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand te stellen met het oog op de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.

6.   De directeur kan het bezoek binnen de daarvoor bestemde tijd beŽindigen en de bezoeker uit de inrichting doen verwijderen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid.

7.   De in artikel 42, eerste lid, onder f, g en h, genoemde personen en instanties hebben te allen tijde toegang tot de jeugdige. De overige in dat lid genoemde personen en instanties hebben toegang tot de jeugdige op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen. Tijdens dit bezoek kunnen zij zich vrijelijk met de jeugdige onderhouden, behoudens ingeval de directeur, na overleg met de desbetreffende bezoeker, van mening is dat van de jeugdige een ernstig gevaar uitgaat voor de veiligheid van de bezoeker. In dat geval laat de directeur voor het bezoek weten welke toezichthoudende maatregelen genomen worden om het onderhoud zo ongestoord mogelijk te laten verlopen. De toezichthoudende maatregelen mogen er niet toe leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud tussen de jeugdige en diens rechtsbijstandverlener bij derden bekend kunnen worden.

Artikel 44

1.   De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid te stellen beperkingen, het recht ten minste tweemaal per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen en met behulp van een daartoe aangewezen toestel gedurende tien minuten een of meer telefoongesprekken te voeren met personen buiten de inrichting. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de jeugdige.

2.   De directeur kan bepalen dat op de door of met de jeugdige gevoerde telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de jeugdige een gesprek voert vast te stellen dan wel met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het beluisteren of het opnemen van het telefoongesprek. Tevoren wordt aan betrokkenen mededeling gedaan van de aard en de reden van het toezicht. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bewaren en verstrekken van opgenomen telefoongesprekken.

3.   De directeur kan de gelegenheid tot het voeren van een bepaald telefoongesprek of telefoongesprekken weigeren of een telefoongesprek binnen de daarvoor bestemde tijd beŽindigen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. De beslissing tot het weigeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken geldt voor ten hoogste vier weken.

4.   De jeugdige wordt in staat gesteld met de in artikel 42, eerste lid, genoemde personen en instanties telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaan. Op deze gesprekken wordt geen ander toezicht uitgeoefend dan voor zover noodzakelijk is om de identiteit van de persoon of instantie met wie de jeugdige een telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te stellen.

Artikel 45

1.   De directeur kan toestemming geven voor het voeren van een gesprek tussen de jeugdige en een vertegenwoordiger van de media, voor zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:

a.   de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

b.   de bescherming van de openbare orde en de goede zeden;

c.   de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;

d.   de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan;

e.   de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen dan de jeugdige;

f.    de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.

 

2.   De directeur kan met het oog op de bescherming van de in het eerste lid genoemde belangen aan de toegang van een vertegenwoordiger van de media tot de inrichting voorwaarden verbinden. De directeur is bevoegd een vertegenwoordiger van de media uit de inrichting te doen verwijderen, indien hij de hem opgelegde voorwaarden niet nakomt.

3.   De directeur kan op het contact met een vertegenwoordiger van de media toezicht uitoefenen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in het eerste lid. Artikel 43, vierde lid, tweede en derde volzin, en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IX.  Verzorging, onderwijs en andere activiteiten

Paragraaf 1.  Verzorging

Artikel 46

1.   De jeugdige heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te beleven.

2.   De directeur draagt zorg dat in de inrichting voldoende geestelijke verzorging, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de jeugdigen, beschikbaar is.

3.   De directeur stelt de jeugdige in de gelegenheid op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:

a.   persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke verzorger van de godsdienst of de levensovertuiging van zijn keuze, die aan de inrichting is verbonden;

b.   contact te onderhouden met andere dan de onder a genoemde geestelijke verzorgers volgens artikel 43;

c.   in de inrichting te houden godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten van zijn keuze bij te wonen. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.

 

4.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke verzorging. Deze regels hebben betrekking op de verlening van geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging van de geestelijke verzorging en op de aanstelling van geestelijke verzorgers bij een inrichting.

Artikel 47

1.   De jeugdige heeft recht op verzorging door een aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger.

2.   De jeugdige heeft recht op raadpleging, voor eigen rekening, van een arts van zijn keuze. De directeur stelt in overleg met de gekozen arts de plaats en het tijdstip van de raadpleging vast.

3.   De directeur draagt zorg dat een aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger:

a.   regelmatig beschikbaar is voor het houden van een spreekuur;

b.   op andere tijdstippen beschikbaar is, indien dit in het belang van de gezondheid van de jeugdige noodzakelijk is;

c.   de jeugdigen die hiervoor in aanmerking komen onderzoekt op hun geschiktheid voor deelname aan sport of een andere activiteit.

 

4.   De directeur draagt zorg voor:

a.   de verstrekking van de door de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger voorgeschreven medicijnen en diŽten;

b.   de behandeling van de jeugdige op aanwijzing van de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger;

c.   de overbrenging van de jeugdige naar een ziekenhuis dan wel een andere instelling, indien de onder b bedoelde behandeling aldaar plaatsvindt.

 

5.   Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake het klagen over beslissingen die ten aanzien van jeugdigen zijn genomen door de aan de inrichting verbonden arts of diens plaatsvervanger.

Artikel 48

1.   De jeugdige heeft recht op sociale verzorging en hulpverlening.

2.   De directeur draagt zorg dat de maatschappelijk werkers van stichtingen, reclasseringswerkers en daarvoor in aanmerking komende gedragsdeskundigen de in het eerste lid omschreven zorg en hulp in de inrichting kunnen verlenen.

3.   De directeur draagt zorg voor overbrenging van de jeugdige naar de daartoe bestemde plaats, indien de in het eerste lid omschreven zorg en hulp dit noodzakelijk maken en een dergelijke overbrenging zich verdraagt met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.

Artikel 49

1.   De directeur draagt zorg dat aan de jeugdige voeding, noodzakelijke kleding en schoeisel worden verstrekt dan wel dat hem voldoende geldmiddelen ter beschikking worden gesteld om hierin naar behoren te voorzien.

2.   De jeugdige heeft recht op het dragen van eigen kleding en schoeisel, tenzij die een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de veiligheid in de inrichting. Hij kan worden verplicht tijdens het deelnemen aan activiteiten of sport aangepaste kleding of schoeisel te dragen. In de huisregels kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van gebruik en onderhoud van kleding en schoeisel.

3.   De directeur draagt zorg dat bij de verstrekking van voeding zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of de levensovertuiging van de jeugdigen.

4.   De directeur draagt zorg dat de jeugdige in staat wordt gesteld zijn uiterlijk en lichamelijke hygiŽne naar behoren te verzorgen.

5.   In de huisregels worden regels gesteld omtrent de aankoop door jeugdigen van andere gebruiksartikelen dan die welke door de directeur ter beschikking worden gesteld.

Artikel 50

1.   In de huisregels kan worden bepaald dat het bezit van bepaalde soorten voorwerpen binnen de inrichting of een bepaalde afdeling daarvan verboden is, indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel de beperking van de aansprakelijkheid van de directeur voor de voorwerpen.

2.   De directeur kan een jeugdige toestemming geven hem toebehorende voorwerpen waarvan het bezit niet is verboden ingevolge het eerste lid, in zijn kamer te plaatsen dan wel bij zich te hebben voor zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:

a.   de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

b.   de geestelijke of de lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;

c.   de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan;

d.   de aansprakelijkheid van de directeur voor de voorwerpen.

 

3.   De directeur kan aan de toestemming, bedoeld in het tweede lid, voorwaarden verbinden die kunnen betreffen het gebruik van en de aansprakelijkheid voor deze voorwerpen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld krachtens welke de aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een jeugdige ingevolge het tweede lid onder zich heeft wordt beperkt tot een bepaald bedrag.

4.   De directeur is bevoegd aan de jeugdige toebehorende voorwerpen voor diens rekening te laten onderzoeken, ten einde vast te stellen of de toelating of het bezit daarvan kan worden toegestaan dan wel is verboden ingevolge het eerste onderscheidenlijk het tweede lid.

5.   De directeur is bevoegd voorwerpen die verboden zijn dan wel ten aanzien waarvan geen toestemming is verleend ingevolge het eerste onderscheidenlijk het tweede lid, in beslag te nemen. Hij draagt zorg dat deze voorwerpen hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de jeugdige op diens kosten worden bewaard, hetzij met toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.

Artikel 51

1.   Het bezit van contant geld door de jeugdigen in de inrichting of een afdeling is verboden, tenzij in de huisregels anders is bepaald.

2.   In inrichtingen of afdelingen waar het bezit door de jeugdigen van contant geld is verboden, heeft de jeugdige de beschikking over een rekening-courant bij de inrichting.

3.   Aan de jeugdige kan een zakgeld worden toegekend volgens door Onze Minister te stellen regels.

4.   In de huisregels kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bezit van contant geld en het gebruik van de rekening-courant. Deze regels kunnen een beperking inhouden van het bedrag waarover de jeugdige ten hoogste in contanten of door middel van zijn rekening-courant mag beschikken.

Paragraaf 2.  Onderwijs en andere activiteiten

Artikel 52

1.   De jeugdige is verplicht tot het volgen van onderwijs dan wel tot het deelnemen aan andere activiteiten in het kader van zijn pedagogische vorming.

2.   In het voor de jeugdige opgestelde verblijfs- of behandelplan wordt opgenomen welk onderwijs hij volgt of aan welke activiteiten in het kader van zijn pedagogische vorming hij deelneemt. Bij de keuze daarvan worden de mate van beveiliging van de inrichting of de afdeling en het voor de jeugdige geldende stelsel van vrijheden in acht genomen, en wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met redelijke wensen van de jeugdige, alsmede met die van zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders.

3.   De directeur draagt zorg voor de beschikbaarheid van onderwijs en andere activiteiten in het kader van de pedagogische vorming, alsmede voor de voorziening daarin door daarvoor in aanmerking komende functionarissen.

4.   Onze Minister stelt regels omtrent de voorwaarden waaronder een tegemoetkoming kan worden verleend in de kosten die voor de jeugdige aan het volgen van onderwijs en het deelnemen aan activiteiten in het kader van zijn pedagogische vorming, voor zover hierin niet door de directeur van de inrichting kan worden voorzien, kunnen zijn verbonden. Deze voorwaarden kunnen betreffen de aard, de duur en de kosten van deze activiteiten alsmede de vooropleiding van de jeugdige en diens vorderingen.

5.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de eisen waaraan het onderwijs in de inrichting en de andere activiteiten in het kader van de pedagogische vorming moeten voldoen.

Artikel 53

1.   De jeugdige heeft recht op het kennis nemen van het nieuws, voor eigen rekening, en het wekelijks gebruik maken van een bibliotheekvoorziening.

2.   De jeugdige heeft recht op lichamelijke oefening en het beoefenen van sport gedurende ten minste tweemaal drie kwartier per week, voor zover zijn gezondheid zich daar niet tegen verzet.

3.   De jeugdige heeft recht op recreatie en dagelijks verblijf in de buitenlucht, voor zover zijn gezondheid zich daar niet tegen verzet.

4.   De directeur draagt zorg dat de jeugdige in de gelegenheid wordt gesteld tot deelname aan recreatieve activiteiten gedurende ten minste twee uren per dag.

5.   De directeur draagt zorg dat jeugdige in de gelegenheid wordt gesteld dagelijks ten minste een uur in de buitenlucht te verblijven.

Hoofdstuk X.  Disciplinaire straffen

Artikel 54

1.   Indien een personeelslid of medewerker constateert dat een jeugdige betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en hij voornemens is daarover aan de directeur schriftelijk verslag te doen, deelt hij dit de jeugdige mede.

2.   De directeur beslist over het opleggen van een disciplinaire straf zo spoedig mogelijk nadat hem dit verslag is gedaan.

3.   Indien de directeur of zijn plaatsvervanger feiten als bedoeld in het eerste lid constateert, blijft het eerste lid buiten toepassing.

4.   Een straf kan worden opgelegd dan wel ten uitvoer gelegd in een andere inrichting of afdeling dan waarin het verslag, bedoeld in het eerste lid is opgemaakt.

Artikel 55

1.   De directeur kan wegens het begaan van feiten als bedoeld in artikel 54, eerste lid, de navolgende disciplinaire straffen opleggen:

a.   opsluiting in een strafcel dan wel een andere verblijfsruimte voor ten hoogste vier dagen voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste zeven dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder;

b.   ontzegging van bezoek van een bepaald persoon of bepaalde personen voor ten hoogste vier weken, indien het feit plaatsvond in verband met bezoek van die persoon of personen;

c.   uitsluiting van deelname aan een of meer bepaalde activiteiten voor ten hoogste vier dagen voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste zeven dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder;

d.   weigering, intrekking of beperking van het eerstvolgende verlof;

e.   geldboete tot een bedrag van ten hoogste het zakgeld, bedoeld in artikel 51, derde lid, over ťťn week.

 

2.   De directeur bepaalt bij de oplegging van een geldboete tevens doorwelke andere straf deze zal worden vervangen, ingeval de boete niet binnen de daartoe door hem gestelde termijn is betaald.

3.   De directeur kan voor feiten als bedoeld in artikel 54, eerste lid, meer dan ťťn straf opleggen, met dien verstande dat de in het eerste lid onder a en c genoemde straffen slechts kunnen worden opgelegd voor zover zij te zamen niet langer duren dan vier dagen voor jeugdigen tot zestien jaar en zeven dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder.

4.   De oplegging van een straf laat onverlet de mogelijkheid voor de directeur om ter zake van de door de jeugdige toegebrachte schade met hem dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een regeling te treffen.

5.   Geen straf kan worden opgelegd, indien de jeugdige voor het begaan van een feit als bedoeld in artikel 54, eerste lid, niet verantwoordelijk kan worden gesteld.

6.   Indien een straf is opgelegd wordt deze onverwijld ten uitvoer gelegd. De directeur kan bepalen dat een straf niet of slechts ten dele ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 55a

1.   De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de jeugdige noodzakelijk is, bepalen dat de jeugdige die in de strafcel verblijft, dag en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd.

2.   Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.

Artikel 56

1.   Indien de tenuitvoerlegging van de opsluiting in een strafcel of andere verblijfsruimte in de inrichting of de afdeling waarin zij is opgelegd niet mogelijk is of op ernstige bezwaren stuit, kan zij in een andere inrichting of afdeling worden ondergaan.

2.   Indien de directeur van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet, plaatst hij in overeenstemming met de selectiefunctionaris de jeugdige hiertoe over.

3.   Onze Minister stelt nadere regels omtrent de procedure van overplaatsing ingevolge het tweede lid.

Artikel 57

1.   Een straf kan geheel of ten dele voorwaardelijk worden opgelegd. De proeftijd bedraagt ten hoogste twee maanden.

2.   De directeur stelt in elk geval als voorwaarde dat de jeugdige zich onthoudt van het plegen van feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. De directeur kan andere voorwaarden aan het gedrag van de jeugdige stellen. De opgelegde voorwaarden worden vermeld in de mededeling, bedoeld in artikel 62, eerste lid.

3.   Bij het overtreden van een voorwaarde binnen de proeftijd kan de directeur bepalen dat de opgelegde voorwaardelijke straf geheel of ten dele ten uitvoer wordt gelegd.

4.   De directeur kan een onvoorwaardelijke straf geheel of ten dele omzetten in een voorwaardelijke straf.

Artikel 58

1.   Van elke strafoplegging dan wel wijziging daarvan houdt de directeur aantekening in een register.

2.   Indien een straf ingevolge de hoofdstukken XII, XIII of XIV geheel of ten dele wordt herzien, houdt de directeur hiervan aantekening in een register.

Artikel 59

1.   De jeugdige aan wie de disciplinaire straf van opsluiting, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onder a, is opgelegd is uitgesloten van deelname aan activiteiten, voor zover de directeur niet anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel 53, derde lid. De directeur kan het contact met de buitenwereld, bedoeld in hoofdstuk VIII, gedurende de opsluiting beperken of uitsluiten.

2.   De directeur draagt zorg dat, ingeval de opsluiting in een strafcel ten uitvoer wordt gelegd en langer dan vierentwintig uren duurt, de commissie van toezicht en de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger terstond hiervan in kennis worden gesteld.

3.   Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de inrichting van de strafcel. Deze betreffen in elk geval de rechten die tijdens het verblijf in de strafcel aan de jeugdige toekomen.

Hoofdstuk XI.  Informatie, hoor- en mededelingsplicht en dossier

Artikel 60

1.   De directeur draagt zorg dat de jeugdige bij binnenkomst in de inrichting, schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal, op de hoogte wordt gesteld van zijn bij of krachtens deze wet gestelde rechten en plichten.

2.   De jeugdige wordt hierbij in het bijzonder gewezen op diens bevoegdheid:

a.   een bezwaar- of verzoekschrift in te dienen overeenkomstig hoofdstuk IV;

b.   zich te wenden tot de maandcommissaris van de commissie van toezicht overeenkomstig hoofdstuk XII;

c.   een klaag- of beroepschrift in te dienen overeenkomstig de hoofdstukken XIII, XIV en XV.

 

Artikel 61

1.   De directeur stelt de jeugdige in de gelegenheid te worden gehoord, zoveel mogelijk in een voor de jeugdige begrijpelijke taal, alvorens hij beslist omtrent:

a.   de weigering of de intrekking van de toestemming om een kind in de inrichting onder te brengen, bedoeld in artikel 13;

b.   de voortzetting van het verblijf op een afdeling voor intensieve zorg of voor intensieve behandeling, bedoeld in artikel 22a, derde lid, onderscheidenlijk artikel 22b, derde lid;

c.   de uitsluiting van het verblijf in de groep of van deelname aan activiteiten en de verlenging daarvan, bedoeld in artikel 23, derde lid, en 24, eerste lid, aanhef en onder a of b, onderscheidenlijk artikel 23, vierde lid en 24, tweede lid, alsmede verlenging van de uitsluiting van verblijf in de groep, bedoeld in artikel 23, tweede lid;

d.   de plaatsing in afzondering en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 25, eerste lid, op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a of b, onderscheidenlijk artikel 25, derde lid, en de toepassing van artikel 26;

e.   de tijdelijke plaatsing en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 27, eerste onderscheidenlijk derde lid;

f.    de beperking en de intrekking van verlof en proefverlof, bedoeld in de artikelen 29, tweede lid, 30, derde en vierde lid, en 31, derde lid;

g.   het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 36, eerste lid;

h.   het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in artikel 37;

i.    de bevestiging door mechanische middelen, bedoeld in artikel 38, eerste lid;

j.    de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel 55 en de toepassing van de artikelen 56 en 57, derde lid;

k.   de observatie door middel van een camera, bedoeld in de artikelen 25a, eerste lid, en 55a, eerste lid.

 

2.   Van het horen van de jeugdige wordt aantekening gehouden.

3.   Toepassing van het eerste lid, onder c, d, e, f, g, h en i kan achterwege blijven indien:

a.   de vereiste spoed zich daartegen verzet;

b.   de gemoedstoestand van de jeugdige daaraan in de weg staat.

 

     Dit laat onverlet dat de jeugdige zo spoedig mogelijk achteraf alsnog wordt gehoord.

4.   Een jeugdige vreemdeling wordt bij binnenkomst in de inrichting geÔnformeerd over zijn recht de consulaire vertegenwoordiger van zijn land van zijn detentie op de hoogte te laten stellen.

Artikel 62

1.   De directeur geeft de jeugdige van elke beslissing als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onverwijld schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

2.   De directeur geeft de jeugdige op de in het eerste lid omschreven wijze een mededeling omtrent:

a.   de weigering van verzending of uitreiking van een brief of ander poststuk dan wel van bijgesloten voorwerpen als bedoeld in artikel 41, vierde lid;

b.   de weigering van de toelating tot de jeugdige van een bepaald persoon of bepaalde personen als bedoeld in artikel 43, derde lid;

c.   het verbod van het voeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken als bedoeld in artikel 44, derde lid;

d.   de weigering van een contact met een vertegenwoordiger van de media als bedoeld in artikel 45, eerste lid.

 

3.   In de gevallen, genoemd in het tweede lid, kan de mededeling achterwege blijven, indien de beslissing van de directeur strekt ter uitvoering van een beperking die aan de jeugdige is opgelegd ingevolge de artikelen 222 en 225 van de Invoeringswet van het Wetboek van Strafvordering.

4.   De jeugdige wordt in de mededeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, gewezen op de mogelijkheid van het verzoeken om bemiddeling, bedoeld in hoofdstuk XII of het instellen van beklag, bedoeld in hoofdstuk XIII, de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te geschieden, alsmede op de mogelijkheid tot het doen van een verzoek aan de voorzitter van de beroepscommissie om hangende de uitspraak op het klaagschrift de tenuitvoerlegging van de beslissing geheel of gedeeltelijk te schorsen.

Artikel 63

1.   De directeur draagt zorg dat ten dienste van de opvang en de behandeling van de jeugdige een dossier wordt aangelegd, waarin in ieder geval de volgende gegevens worden vastgelegd:

a.   rapporten uitgebracht door of aan de inrichting betreffende de tenuitvoerlegging van de aan de jeugdige opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

b.   het verblijfs- of behandelplan;

c.   op schrift gestelde samenvattingen van besprekingen voor zover betrekking hebbende op de vaststelling en de wijziging van het verblijfs- en behandelplan;

d.   evaluatieverslagen;

e.   opname- en ontslaggegevens;

f.    de aantekening omtrent de oplegging van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 58, eerste lid.

 

2.   Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld inzake de eisen waaraan het dossier ten minste moet voldoen, de gegevens die daarin moeten worden vastgelegd, het recht op inzage of afschrift van het dossier door de betrokken jeugdige en zijn ouders of voogd, stiefouders of pleegouders dan wel de stichting en de beperkingen daarop, de termijn gedurende welke het dossier moet worden bewaard, de wijze waarop het dossier moet worden beheerd, bewaard en, na afloop van de bewaartermijn, vernietigd, alsmede de overdracht van gegevens in geval van een overplaatsing van de jeugdige.

3.   Met toepassing van het bepaalde in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn de artikelen 454, 455 en 456 van dit boek niet van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XII.  Bemiddeling

Artikel 64

1.   De jeugdige heeft het recht zich, mondeling of schriftelijk, tot de maandcommissaris, bedoeld in artikel 7, vierde lid, te wenden met het verzoek te bemiddelen terzake van een grief omtrent de wijze waarop de directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen of een bij of krachtens deze wet gestelde zorgplicht heeft betracht. Een gedraging van een personeelslid of medewerker van de inrichting jegens de jeugdige wordt met het oog op de toepassing van deze bepaling als een gedraging van de directeur aangemerkt.

2.   Indien de grief een beslissing betreft waartegen beklag openstaat, dient dit verzoek uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige kennis heeft gekregen van die beslissing te worden ingediend.

3.   De maandcommissaris streeft ernaar binnen zes weken een voor partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.

4.   De maandcommissaris stelt de jeugdige en de directeur in de gelegenheid, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt mondeling toe te lichten. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de maandcommissaris zorg voor de bijstand van een tolk.

5.   Hij legt de resultaten van de bemiddeling neer in een schriftelijke mededeling en zendt een gedagtekend afschrift daarvan aan de directeur en de jeugdige. De datum van die toezending of uitreiking wordt op dit afschrift aangetekend. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende begrijpt, draagt de maandcommissaris zorg voor een vertaling van de mededeling. In de gevallen, bedoeld in artikel 65, wordt de jeugdige gewezen op de mogelijkheid van beklag en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan.

6.   De directeur deelt, binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, de jeugdige alsmede de commissie van toezicht mede of hij het oordeel van de maandcommissaris over de grief deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke.

7.   Tegen de mededeling, bedoeld in het zesde lid, kan de jeugdige een klacht indienen bij de beklagcommissie. Ten aanzien van de behandeling van de klacht zijn het eerste tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing.

8.   De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben het recht als bedoeld in het eerste lid ter zake van een grief omtrent de wijze waarop de directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hen heeft gedragen. Het eerste en derde tot en met zevende lid is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XIII.  Beklag

Artikel 65

1.   Een jeugdige kan bij de beklagcommissie beklag doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing.

2.   Met een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een verzuim of weigering om te beslissen. Het nemen van een beslissing wordt geacht te zijn verzuimd of geweigerd, indien niet binnen de wettelijke of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn een beslissing is genomen.

3.   De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

Artikel 66

1.   De jeugdige doet beklag door de indiening van een klaagschrift bij de beklagcommissie bij de inrichting waar de beslissing waarover hij klaagt is genomen.

2.   De indiening van het klaagschrift kan door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft geschieden. De directeur draagt in dat geval zorg dat het klaagschrift, of, indien het klaagschrift zich in een envelop bevindt, de envelop van een dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.

3.   Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag.

4.   Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst kan hij het klaagschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beklagcommissie kan bepalen dat het klaagschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.

5.   Het klaagschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen ingediend. Een na afloop van deze termijn ingediend klaagschrift is niettemin ontvankelijk, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de jeugdige in verzuim is geweest.

6.   Indien de jeugdige een verzoek tot bemiddeling heeft gedaan, wordt, in afwijking van het vijfde lid, het klaagschrift ingediend uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige de schriftelijke mededeling van bevindingen van de maandcommissaris heeft ontvangen.

Artikel 67

1.   Het klaagschrift wordt behandeld door een door de commissie van toezicht uit haar midden benoemde beklagcommissie, bestaande uit drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris. Een lid van de commissie van toezicht neemt geen deel aan de behandeling van het klaagschrift, indien hij heeft bemiddeld ter zake van de beslissing waarop het klaagschrift betrekking heeft of daarmee op enige andere wijze bemoeienis heeft gehad.

2.   De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de beklagcommissie kan, indien hij het beklag van eenvoudige aard, dan wel kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht, het klaagschrift enkelvoudig afdoen, met dien verstande dat hij tevens de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van de voltallige beklagcommissie toekomen.

3.   De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid, bedoeld in het tweede lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de voltallige beklagcommissie.

4.   De behandeling van het klaagschrift vindt niet in het openbaar plaats, behoudens ingeval de beklagcommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.

Artikel 68

1.   De secretaris van de beklagcommissie zendt de directeur een afschrift van het klaagschrift toe.

2.   De directeur geeft dienaangaande desgevraagd zo spoedig mogelijk schriftelijk de nodige inlichtingen aan de beklagcommissie. Hij voegt daaraan de opmerkingen toe, waartoe het klaagschrift hem overigens aanleiding geeft.

3.   Aan de klager geeft de secretaris van de beklagcommissie schriftelijk kennis van de inhoud van deze inlichtingen en opmerkingen.

4.   De beklagcommissie kan het klaagschrift in handen stellen van het lid van de commissie van toezicht, bedoeld in artikel 7, vierde lid, teneinde deze in de gelegenheid te stellen terzake te bemiddelen. De secretaris doet hiervan mededeling aan de directeur.

5.   Indien de commissie van toezicht omtrent de beslissing waarover wordt geklaagd heeft bemiddeld en zij haar bevindingen schriftelijk aan de klager en de directeur mede heeft gedeeld, voegt de secretaris van de beklagcommissie de bevindingen bij de processtukken.

Artikel 69

1.   De beklagcommissie stelt de klager en de directeur in de gelegenheid omtrent het klaagschrift mondeling opmerkingen te maken, tenzij zij het beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht.

2.   De klager en de directeur kunnen de voorzitter van de beklagcommissie de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien.

3.   De beklagcommissie kan de directeur en de klager buiten elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de beklagcommissie aan de klager onderscheidenlijk de directeur mondeling medegedeeld.

4.   De beklagcommissie kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen worden ingewonnen, zijn het tweede en derde lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 70

1.   De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon, die daartoe van de beklagcommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de klager een advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de vergoeding van de door hem gemaakte kosten volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.

2.   Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten geschieden volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.

3.   Tijdens de beklagprocedure staat de beklagcommissie aan de klager op diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.

4.   Indien de klager elders verblijft, kunnen de opmerkingen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, op verzoek van de beklagcommissie ten overstaan van een lid van een andere beklagcommissie worden gemaakt.

5.   Van het horen van de betrokkenen maakt de secretaris een schriftelijk verslag, dat door de voorzitter en de secretaris wordt ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in het verslag vermeld.

Artikel 71

1.   Hangende de uitspraak op het klaagschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van de klager, na de directeur te hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop het klaagschrift betrekking heeft geheel of gedeeltelijk schorsen.

2.   De voorzitter doet hiervan onverwijld mededeling aan de directeur en de klager.

Artikel 72

1.   De beklagcommissie doet zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen een termijn van vier weken te rekenen vanaf de datum waarop het klaagschrift is ontvangen, uitspraak. In bijzondere omstandigheden kan de beklagcommissie deze termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van deze verlenging wordt aan de directeur en de klager mededeling gedaan.

2.   De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij bevat een verslag van het horen van personen door de beklagcommissie. Zij wordt door de voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan de klager en de directeur wordt onverwijld en kosteloos een afschrift van de beslissing van de beklagcommissie toegezonden of uitgereikt. De datum van die toezending of uitreiking wordt op dit afschrift aangetekend.

3.   De uitspraak vermeldt de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan alsmede de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak, bedoeld in artikel 75, tweede lid.

4.   Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en in de inrichting niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de voorzitter van de beklagcommissie zorg voor een vertaling van de uitspraak en de mededeling, bedoeld in het tweede, onderscheidenlijk derde lid. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.

5.   De voorzitter van de beklagcommissie kan de uitspraak ook mondeling mededelen aan de klager en de directeur. Deze worden daarbij gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan, alsmede op de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak, bedoeld in artikel 75, tweede lid. Als dag van de uitspraak geldt de dag van het doen van deze mededeling. Indien mondeling uitspraak wordt gedaan, wordt de uitspraak op het klaagschrift aangetekend.

6.   Indien het vijfde lid toepassing heeft gevonden en beroep wordt ingesteld als voorzien in artikel 74, eerste lid, vindt uitwerking van de beslissing van de beklagcommissie plaats op de wijze, bedoeld in het tweede lid. De secretaris van de beklagcommissie zendt een afschrift van deze uitspraak toe aan de directeur, de klager en de beroepscommissie.

7.   De secretaris zendt van alle uitspraken van de beklagcommissie een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de jeugdige kan worden afgeleid. Met betrekking tot de kosten van het ontvangen van een afschrift is het bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 73

1.   De uitspraak van de beklagcommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke:

a.   niet-ontvankelijkverklaring van het beklag;

b.   ongegrondverklaring van het beklag;

c.   gegrondverklaring van het beklag.

 

2.   Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing waarover is geklaagd:

a.   in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag, dan wel

b.   bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht, verklaart zij het beklag gegrond en vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk.

 

3.   Bij toepassing van het tweede lid kan de beklagcommissie:

a.   de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak;

b.   bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing;

c.   volstaan met de gehele of gedeeltelijke vernietiging.

 

4.   Bij toepassing van het derde lid, onder a, kan de beklagcommissie in haar uitspraak een termijn stellen.

5.   De beklagcommissie kan bepalen dat de uitspraak buiten werking blijft totdat deze onherroepelijk is geworden.

6.   Indien het tweede lid toepassing vindt, worden de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming gebracht met de uitspraak van de beklagcommissie.

7.   Voor zover de in het zesde lid bedoelde gevolgen niet meer ongedaan te maken zijn, bepaalt de beklagcommissie dan wel de voorzitter, na de directeur te hebben gehoord, of enige tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.

Hoofdstuk XIV.  Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie

Artikel 74

1.   Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kunnen de directeur en de klager beroep instellen door het indienen van een beroepschrift. Het met redenen omklede beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de uitspraak onderscheidenlijk na die van de mondelinge mededeling van de uitspraak worden ingediend.

2.   Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door de Raad benoemde beroepscommissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris.

3.   Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift zijn de artikelen 65, derde lid, 66, tweede en vierde lid, 67, vierde lid, 68 eerste, tweede en derde lid, 69 en 70, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beroepscommissie kan bepalen dat:

a.   de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;

b.   de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de beroepscommissie kunnen worden gemaakt;

c.   ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden ingewonnen, de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.

 

Artikel 75

1.   Het indienen van een beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie niet, behalve voor zover deze de toekenning van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 73, zevende lid, inhoudt.

2.   Hangende de uitspraak op het beroepschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van degene die het beroep heeft ingesteld en gehoord de andere betrokkene in de procedure de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie geheel of gedeeltelijk schorsen. Hij doet hiervan onverwijld mededeling aan de directeur en de klager.

Artikel 76

1.   De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.

2.   De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke:

a.   niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;

b.   bevestiging van de uitspraak van de beklagcommissie, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden;

c.   vernietiging van de uitspraak van de beklagcommissie.

 

3.   Indien het tweede lid, onder c, toepassing vindt, doet de beroepscommissie hetgeen de beklagcommissie had behoren te doen.

4.   Ten aanzien van de uitspraak van de beroepscommissie zijn de artikelen 71 en 72, tweede lid, eerste en derde tot en met vijfde volzin, vierde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XV.  Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, verlof, proefverlof, deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en strafonderbreking

Artikel 77

1.   De betrokkene heeft het recht tegen de beslissing van de selectiefunctionaris op het bezwaar- of verzoekschrift voor zover dit betreft een gehele of gedeeltelijke ongegrondverklaring, onderscheidenlijk afwijzing als bedoeld in de artikelen 18 en 19 een met redenen omkleed beroepschrift in te dienen bij de commissie, bedoeld in artikel 78, eerste lid. De betrokkene heeft ook het recht een beroepschrift in te dienen in het geval dat het indienen van een bezwaarschrift op de grond als vermeld in artikel 18, vijfde lid, achterwege is gebleven.

2.   De jeugdige heeft het recht tegen een hem betreffende beslissing aangaande verlof of proefverlof, voor zover hiertegen geen beklag ingevolge artikel 65, eerste en tweede lid, openstaat, een met redenen omkleed beroepschrift in te dienen bij de commissie, bedoeld in artikel 78, eerste lid.

Artikel 78

1.   Het beroepschrift wordt behandeld door een door de Raad benoemde commissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris.

2.   Het beroepschrift moet worden ingediend uiterlijk op de zevende dag na die waarop de betrokkene kennis heeft gekregen van de beslissing waartegen hij beroep instelt. Een na afloop van deze termijn ingediend beroepschrift is niettemin ontvankelijk, indien blijkt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest.

3.   Indien de betrokkene in een inrichting verblijft, kan de indiening van het beroepschrift geschieden door tussenkomst van de directeur van de inrichting of afdeling. De directeur draagt zorg dat het beroepschrift onverwijld van een dagtekening wordt voorzien. Als dag waarop het beroepschrift is ingediend geldt die van de dagtekening.

4.   De artikelen 65, derde lid, 66, vierde lid, 68, eerste, tweede, derde en vierde lid, 69, 70, 71, 72, tweede lid, eerste en derde tot en met vijfde volzin, vierde en zevende lid, met uitzondering van de eerste volzin, 73, eerste tot en met vierde, zesde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de commissie, bedoeld in het eerste lid, kan bepalen dat:

a.   de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;

b.   de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden gemaakt;

c.   ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.

 

Hoofdstuk XVI.  Medezeggenschap en vertegenwoordiging

Artikel 79

De directeur draagt zorg voor een regelmatig overleg met de jeugdigen over zaken die rechtstreeks hun verblijf raken. Zowel de jeugdigen als de directeur kunnen deze onderwerpen in dat overleg aan de orde stellen.

Artikel 80

1.   De in de artikelen 18 en 19 alsmede hoofdstukken XII tot en met XV aan de jeugdige toegekende rechten kunnen, behoudens ingeval de selectiefunctionaris onderscheidenlijk de beklag- of beroepscommissie van oordeel is dat zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door diens ouders of voogd, stiefouder of pleegouders.

2.   De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde personen bij binnenkomst van de jeugdige schriftelijk en voor zover mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal op deze rechten opmerkzaam worden gemaakt.

Hoofdstuk XVII.  Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 81

 [Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.]

Artikel 82

 [Wijzigt de Wet op de jeugdhulpverlening.]

Artikel 83

 [Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.]

Artikel 84

 [Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.]

Artikel 85

 [Wijzigt de Gratiewet.]

Artikel 86

 [Wijzigt de Wet ziekenhuisvoorzieningen.]

Artikel 87

 [Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet.]

Artikel 88

 [Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.]

Artikel 89

Deze wet heeft geen gevolgen voor klaagschriften of beroepschriften die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 90

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 91

Deze wet wordt aangehaald als: Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 2 november 2000

Beatrix

 

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

 

Uitgegeven de zestiende november 2000

 

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

 

 

(Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Aanwijzing van inrichtingen als bedoeld in artikel 261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek

 De Minister van Justitie,

Gelet op artikel 261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

Besluit:

  Artikel 1

Als inrichting in de zin van artikel 261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek worden aangemerkt:

a.   Rijksinrichting voor Jeugdigen ‘De Hunnerberg’ te Nijmegen;

b.   Rijksinrichting voor Jongens ‘Den Engh’ te Den Dolder;

c.   Rijksinrichting voor Jongeren ‘De Doggershoek’ te Den Helder;

d.   Rijksinrichting voor Jongens ‘’t Nieuwe Lloyd’ te Amsterdam;

e.   JustitiŽle Jeugdinrichting ‘Den Hey-Acker’ te Breda en locatie ‘De Leij’ te Vught;

f.    JustitiŽle Jeugdinrichting ‘De Heuvelrug’ te Overberg, locatie ‘De Lindenhorst’ te Zeist, locatie ‘Eikenstein’ te Zeist en locatie ‘Overberg’ te Overberg;

g.   Rijksinrichting voor Jongeren ‘De Hartelborgt’ te Spijkenisse en locatie ‘Kralingen’ te Rotterdam;

h.   JustitiŽle Jeugdinrichting ‘Het Poortje’ te Groningen, locatie ‘Waterpoort’ te Groningen en locatie ‘De Veenpoort’ te Veenhuizen;

i.    Jongeren Opvangcentrum te Amsterdam;

j.    Opvang- en Behandelcentrum ‘Het Keerpunt’ te Cadier en Keer;

k.   Stichting Frentrop Jongerenhuis ‘Harreveld’ te Harreveld en de locatie ‘Alexandra’ te Almelo;

l.    Stichting Orthopedagogisch Centrum ‘Ottho Gerhard Heldring’ te Zetten;

m.  Forensisch Centrum ‘Teylingereind’ te Sassenheim;

n.   Stichting Justitieel Pedagogisch Centrum ‘De Sprengen’ te Zutphen;

o.   Stichting ‘Rentray’ te Eefde, locatie te Rekken en per 12 januari 2004 de locatie te Lelystad.

 

 Artikel 2

Het Besluit houdende aanwijzing van inrichtingen als bedoeld in artikel 261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van 21 december 2001 wordt ingetrokken.

 Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op 1 december 2003 en wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

  

 

(Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Besluit van 5 juli 2001, houdende vaststelling van het Reglement justitiŽle jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijziging van enkele besluiten (Reglement justitiŽle jeugdinrichtingen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 februari 2001, 5082413/01/6, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst;

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 7, vijfde lid, 8, derde lid, 20, tweede lid, 21, tweede lid, 30, vijfde lid, 31, vijfde lid, 37, tweede lid, 46, vierde lid, 47, vijfde lid, 52, vijfde lid, 63, tweede lid , 66, vierde lid, 70, tweede lid, en 72, vierde lid, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, de artikelen 66, tweede lid, 67, eerste lid en 68 van de Wet op de jeugdhulpverlening, artikel 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, artikel 15 van de Gratiewet, artikel 19b, vierde lid, van de Ziektewet, de artikelen 19a, vijfde lid, en 47b, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 7b, vijfde lid, en 21b, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de artikelen 6b, vijfde lid, en 20a, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 19, achtste lid, van de Werkloosheidswet, artikel 32c, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 9, vierde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 6, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 6, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en artikel 5, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en artikel 16, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

De Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2001, No. W03.01.0116/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Justitie van 3 juli 2001, 5102134/01/6, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1.  Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.   de wet: de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen;

b.   executie-indicator: de aantekening van het openbaar ministerie bij het aanbieden van een vonnis ter executie aan Onze Minister waarin wordt aangegeven dat het openbaar ministerie wil adviseren over te nemen beslissingen inzake de verschillende vormen van te verlenen vrijheden en deelname aan een scholings- en trainingsprogramma aan de betrokken jeugdige;

c.   jeugdreclassering: een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van die wet.

d.   reclassering: een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995;

e.   raad voor de kinderbescherming: de raad, bedoeld in artikel 238, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

f.    stichting: een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.

 

Hoofdstuk 2.  Scholings- en trainingsprogramma

Artikel 2

1.   Een scholings- en trainingsprogramma omvat minimaal 26 uur per week aan activiteiten waaraan door de deelnemer aan dat scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen.

2.   De activiteiten in een scholings- en trainingsprogramma zijn gericht op:

a.   het aanleren van bepaalde sociale vaardigheden,

b.   het bieden van onderwijs,

c.   het vergroten van de kans op arbeid na het einde van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel,

d.   het bieden van bijzondere zorg aan de deelnemer, zoals verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of verstandelijk gehandicaptenzorg,

e.   het invullen van de vrije tijd, of

f.    geven op andere wijze invulling aan het met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel aanwenden van de tenuitvoerlegging daarvan aan de opvoeding dan wel behandeling van de jeugdige en de voorbereiding van diens terugkeer in de maatschappij.

 

3.   Van een scholings- en trainingsprogramma wordt een schriftelijke omschrijving gemaakt. Deze omvat in ieder geval een beschrijving van de activiteiten, een regeling van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma, de begeleiding van en het toezicht op de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma, de melding van bijzondere voorvallen en de wijze en de frequentie van rapporteren over de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma. Wanneer het scholings- en trainingsprogramma voor meerdere jeugdigen is bedoeld wordt tevens de doelgroep van het programma omschreven.

4.   Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor de erkenning van een scholings- en trainingsprogramma en over de kwaliteitseisen waaraan een scholings- en trainingsprogramma moet voldoen.

Artikel 3

Een voorlopig gehechte jeugdige komt, onverminderd de artikelen 8 en 9, slechts voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking indien er ten aanzien van hem geen onherroepelijke rechterlijke beslissingen waarbij een vrijheidsstraf, niet zijnde vervangende jeugddetentie, of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, openstaan.

Artikel 4

1.   Een tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdige komt, onverminderd de artikelen 8 en 9, slechts voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking, indien:

a.   hij ten minste de helft van de hem opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf heeft ondergaan, en

b.   het strafrestant ten minste een maand en ten hoogste drie maanden bedraagt.

 

     Van het in de eerste volzin, onder a en b, bepaalde kan worden afgeweken wanneer de jeugdige reeds tijdens de voorlopige hechtenis aan een scholings- en trainingsprogramma deelnam.

2.   Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet in aanmerking:

a.   tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie nog een andere strafvervolging is ingesteld waarbij een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is gevorderd;

b.   tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een tevens opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen nog moet aanvangen.

 

Artikel 5

1.   Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige kan, onverminderd de artikelen 8 en 9, drie maanden voor het beoogde einde van de maatregel die maximaal twee jaar duurt, of zes maanden voor het beoogde einde van de maatregel die meer dan twee jaar en maximaal vier jaar duurt, in aanmerking komen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma. In bijzondere gevallen kan voor een langere duur worden deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma.

2.   Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komt niet in aanmerking de jeugdige aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens als bedoeld in artikel 77s, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

Artikel 6

1.   Een jeugdige die met toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in een inrichting is geplaatst, kan, onverminderd de  artikelen 8 en 9, drie maanden voor het beoogde einde van de uithuisplaatsing die in een inrichting ten uitvoer wordt gelegd, in aanmerking komen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.

2.   Een jeugdige als bedoeld in het eerste lid die op strafrechtelijke titel in een inrichting is geplaatst, kan slechts voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking komen voor zover hij op grond van de terzake geldende regels voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking komt.

Artikel 7

Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet in aanmerking jeugdigen die na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel Nederland zullen dienen te verlaten of uitgezet of uitgeleverd zullen worden.

Artikel 8

1.   Indien de directeur het verantwoord acht dat een ingevolge de artikelen 3 tot en met 7 daarvoor in aanmerking komende jeugdige deelneemt aan een scholings- en trainingsprogramma doet hij een daartoe strekkende voordracht aan de selectiefunctionaris. Hij betrekt in zijn voordracht de aspecten, genoemd in artikel 9, eerste en tweede lid.

2.   In het geval van een voorlopig gehechte jeugdige kan de voordracht ook door het openbaar ministerie worden gedaan, na advies van de raad voor de kinderbescherming. Wanneer de directeur de voordracht doet, doet hij deze met instemming van het openbaar ministerie, belast met de vervolging van de jeugdige, en wordt de raad voor de kinderbescherming in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. De voordracht wordt opgesteld in samenwerking met de jeugdreclassering dan wel de reclassering in het arrondissement waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen.

3.   De directeur voegt bij zijn voordracht in het geval van een tot jeugddetentie of tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige het advies van het openbaar ministerie indien het openbaar ministerie ten aanzien van de jeugdige een executie-indicator heeft gegeven. De voordracht wordt opgesteld in samenwerking met de jeugdreclassering dan wel de reclassering in het arrondissement waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen. De raad voor de kinderbescherming wordt door de directeur in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.

4.   De directeur stelt in het geval van een jeugdige die met toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in een inrichting is geplaatst, zijn voordracht op met instemming van de betrokken stichting.

5.   De directeur overlegt met de jeugdige alvorens hij zijn voordracht doet.

6.   Bij het opstellen van de voordracht betrekt de inrichting zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:

a.   deze te kennen geven geen rol hierbij te willen vervullen, of

b.   zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.

 

Artikel 9

1.   Bij zijn beslissing om een jeugdige in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma betrekt de selectiefunctionaris in ieder geval de volgende aspecten:

a.   het gedrag van de jeugdige, het nakomen van afspraken door de jeugdige en diens gemotiveerdheid om aan een scholings- en trainingsprogramma deel te nemen;

b.   de mate waarin de jeugdige tijdens zijn deelname in staat kan worden geacht de met de grotere vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te dragen;

c.   een aanvaardbaar verblijfadres;

d.   de geschiktheid van de jeugdige voor een bepaald scholings- en trainingsprogramma.

 

2.   Bij jeugdigen die op strafrechtelijke titel in de inrichting verblijven betrekt de selectiefunctionaris tevens de volgende aspecten:

a.   de aard, de zwaarte en de achtergronden van het gepleegde delict onderscheidenlijk het delict waarvan de jeugdige wordt verdacht;

b.   het huidige detentieverloop;

c.   het gevaar voor recidive.

 

3.   De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing over deelname aan een scholings- en trainingsprogramma niet dan nadat de jeugdige zich schriftelijk bereid heeft verklaard tot deelname aan het programma en naleving van de daaraan verbonden voorwaarden.

4.   De selectiefunctionaris stelt de raad voor de kinderbescherming en het openbaar ministerie, ingeval het een executie-indicator heeft gegeven, in kennis van zijn beslissing.

5.   De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing over deelname aan een scholings- en trainingsprogramma van een voorlopig gehechte jeugdige niet dan nadat de rechter hiermee heeft ingestemd.

6.   Bij aanvang van het scholings- en trainingsprogramma ontvangt de jeugdige van de directeur een schriftelijke verklaring waarin de activiteiten van het scholings- en trainingsprogramma en de daaraan verbonden voorwaarden zijn vermeld, benevens de gronden waarop de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma kan worden beŽindigd.

Artikel 10

1.   De algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van een scholings- en trainingsprogramma ligt bij de directeur van de inrichting waarin de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma is ingeschreven.

2.   De jeugdreclassering dan wel de reclassering die verantwoordelijk is voor de feitelijke uitvoering van het programma, is belast met de begeleiding van de jeugdige en houdt toezicht op het dagelijkse verloop van het scholings- en trainingsprogramma. Zij beoordeelt in eerste instantie of de activiteiten naar behoren worden verricht en de voorwaarden naar behoren worden nageleefd en kan in dat kader opdrachten geven aan de deelnemer. Zij kan in de wijze of het tijdstip waarop de activiteiten binnen het scholings- en trainingsprogramma worden uitgevoerd, wijzigingen aanbrengen. Van deze wijzigingen stelt zij de directeur onverwijld schriftelijk op de hoogte. Periodiek rapporteert zij aan de directeur over de deelname van de jeugdige aan het scholings- en trainingsprogramma.

Artikel 11

De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet ten laste van Onze Minister, tenzij het gaat om de kosten van een pleegkind in het kader van een uithuisplaatsing en de Regeling vergoeding pleeggezinnen van toepassing is.

Artikel 12

1.   Aan de deelname door een jeugdige aan een scholings- en trainingsprogramma worden, onverminderd eventuele nader door de directeur te stellen bijzondere voorwaarden, de volgende algemene voorwaarden verbonden:

a.   de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma gedraagt zich overeenkomstig de aanwijzingen van degene die is belast met zijn begeleiding en het houden van toezicht op hem en verschaft aan deze alle verlangde inlichtingen;

b.   hij doet tevoren melding aan de directeur van een verandering van zijn verblijfplaats;

c.   hij maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

 

2.   Aan de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma kan, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is toegepast, de bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de deelnemer zich onder elektronisch toezicht laat stellen. Onze Minister kan nadere regels stellen over het elektronisch toezicht.

3.   Degene die belast is met de feitelijke uitvoering van het scholings- en trainingsprogramma rapporteert terstond aan de directeur in geval van overtreding van de voorwaarden. De directeur kan, afhankelijk van de ernst van de overtreding, alsdan beslissen tot:

a.   het geven van een waarschuwing aan de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma;

b.   wijziging of aanvulling van de bijzondere voorwaarden, gesteld aan deelname aan een scholings- en trainingsprogramma;

c.   het adviseren van de selectiefunctionaris de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma te beŽindigen.

 

4.   Ten aanzien van jeugdigen die op civielrechtelijke titel aan een scholings- en trainingsprogramma deelnemen, worden de beslissingen, bedoeld in het eerste en derde lid, genomen met instemming van de betrokken stichting. Indien geen instemming wordt verleend, beslist de selectiefunctionaris.

5.   Ten aanzien van voorlopig gehechte jeugdigen worden de beslissingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, genomen met instemming van het openbaar ministerie.

6.   De directeur geeft de deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma van een beslissing als bedoeld in het derde lid onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

7.   Van het stellen van bijzondere voorwaarden, de overtreding van de voorwaarden en een beslissing als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, doet de directeur mededeling aan de selectiefunctionaris.

Artikel 13

1.   De deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma kan bij de beklagcommissie bij de inrichting waarin hij is ingeschreven een klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdelen a en b.

2.   De artikelen 65, tweede en derde lid, 66, 67, 68, 69, 70, 72, met uitzondering van het derde lid, het vijfde lid, tweede volzin, en het zesde lid, 73, 74, 75 en 76 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3.  Commissie van toezicht en beklagcommissie

Artikel 14

1.   Bij elke inrichting of afdeling is een commissie van toezicht, waarvan de leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.

2.   De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste een door Onze Minister vast te stellen aantal leden.

3.   De commissie van toezicht is zo breed mogelijk samengesteld. Van elke commissie maken in elk geval deel uit:

a.   een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht;

b.   een advocaat;

c.   een deskundige op het gebied van de gedragswetenschappen;

d.   een deskundige op het gebied van de pedagogische hulpverlening.

 

Artikel 15

1.   De leden van de commissie van toezicht worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter aan.

2.   Aan de commissie is een secretaris verbonden. Deze is geen lid van de commissie. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en ontslagen. De secretaris van de commissie van toezicht is tevens secretaris van de beklagcommissie.

3.   De commissie kan uit haar midden een of meer plaatsvervangende secretarissen aanwijzen om, in overleg met de secretaris, bepaalde secretariaatswerkzaamheden te verrichten en de secretaris bij diens afwezigheid te vervangen. Onze Minister kan aan een commissie van toezicht een of meer plaatsvervangende secretarissen toevoegen die geen lid zijn van de commissie.

4.   Onze Minister beslist binnen drie maanden op een verzoek tot benoeming als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid.

Artikel 16

Voor benoeming als lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris komen niet in aanmerking:

a.   ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, niet zijnde officieren van justitie of advocaten-generaal;

b.   personeelsleden of medewerkers, werkzaam bij een inrichting, dan wel leden van het bestuur of de Raad van Toezicht van de rechtspersoon die een inrichting beheert;

c.   personen, werkzaam bij een door Onze Minister gesubsidieerde instelling die werkzaam is op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen, indien zij in het kader van de uitoefening van hun functie te maken hebben met de personen, ingesloten in de inrichting waarbij de commissie van toezicht is ingesteld;

d.   personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij door hun positie, hetzij door de aard van hun werkzaamheden in het geding zou kunnen komen;

e.   personen tegen wie bezwaren bestaan tegen de vervulling van de functie die blijken uit de algemene documentatieregisters als bedoeld in het Besluit inlichtingen justitiŽle documentatie of de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters. De bezwaren hebben betrekking op het vertrouwelijk karakter van de functie alsmede de aan de functie verbonden bevoegdheden;

f.    personen werkzaam bij de Raad of de Inspectie jeugdzorg.

 

Artikel 17

1.   Een lid van de commissie van toezicht wordt door Onze Minister tussentijds ontslagen:

a.   op eigen verzoek;

b.   bij de aanvaarding van een ambt of betrekking dat onverenigbaar is met het lidmaatschap van een commissie van toezicht;

c.   wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

d.   wanneer hij naar het oordeel van Onze Minister door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen vertrouwen.

 

2.   Aan een lid kan door Onze Minister tussentijds ontslag worden verleend bij het verlies van de hoedanigheid of beŽindiging van de ambtsvervulling in verband waarmede de benoeming heeft plaatsgevonden.

3.   Hangende de procedure voor ontslag kan Onze Minister het lid in de uitoefening van zijn functie schorsen.

Artikel 18

1.   De leden van de commissie van toezicht hebben ten behoeve van de uitoefening van hun taak te allen tijde toegang tot alle plaatsen in de inrichting en tot alle plaatsen waar een scholings- en trainingsprogramma ten uitvoer wordt gelegd.

2.   De leden van de commissie van toezicht ontvangen van de directeur en de personeelsleden of medewerkers bij de inrichting of afdeling of het scholings- en trainingsprogramma alle door hen gewenste inlichtingen ten aanzien van de jeugdigen onderscheidenlijk deelnemers aan een scholings- en trainingsprogramma en kunnen alle op de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen betrekking hebbende stukken inzien, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taak. Zij zijn tot geheimhouding verplicht behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of in verband met de tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. Dossiers die jeugdigen dan wel deelnemers aan een scholings- en trainingsprogramma betreffen kunnen worden ingezien, tenzij de betrokkene bezwaar maakt.

3.   De directeur brengt alle voor de uitoefening van de taak der commissie belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis van de commissie.

Artikel 19

1.   De commissie van toezicht vergadert, in beginsel, eenmaal in de maand.

2.   De directeur woont de vergaderingen van de commissie van toezicht bij. Hij brengt op iedere vergadering een algemeen verslag uit over hetgeen sedert de vorige vergadering in de inrichting of afdeling is geschied.

3.   De commissie kan besluiten buiten tegenwoordigheid van de directeur te vergaderen.

4.   Onze Minister is bevoegd vergaderingen van de commissie van toezicht door een door hem aan te wijzen ambtenaar van zijn ministerie te doen bijwonen.

5.   In iedere vergadering van de commissie van toezicht wordt mededeling gedaan van de grieven terzake waarvan werd bemiddeld, de door de beklagcommissie behandelde klaagschriften en de bijzondere opmerkingen waartoe zij aanleiding geven.

Artikel 20

1.   De maandcommissaris, bedoeld in artikel 7, vierde lid, tweede volzin, van de wet, houdt ten minste tweemaal per maand in de inrichting of afdeling spreekuur. Dit spreekuur wordt tijdig bekendgemaakt en kan worden bezocht door elke jeugdige of deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma die de wens daartoe te kennen geeft.

2.   De maandcommissaris doet van zijn werkzaamheden verslag aan de commissie van toezicht en informeert tevens de directeur hierover.

Artikel 21

1.   De beklagcommissie of, indien artikel 67, tweede lid, van de wet wordt toegepast, de voorzitter dan wel de door hem aangewezen persoon, houdt zitting zo dikwijls als een onverwijlde behandeling en afdoening van de klaagschriften dit noodzakelijk maken. Deze wordt bijgestaan door een secretaris.

2.   Indien de beklagcommissie zitting houdt treedt bij voorkeur als voorzitter op een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht.

Artikel 22

1.   De commissie van toezicht brengt jaarlijks vůůr 1 mei aan Onze Minister en aan de Raad en, voor zover het een particuliere inrichting betreft, tevens aan het bestuur, verslag uit over haar werkzaamheden in het voorgaande jaar. Een afschrift van het jaarverslag wordt aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming gezonden.

2.   Zij schenkt in haar verslag in het bijzonder aandacht zowel aan de door haar ingevolge artikel 64 van de wet verrichte bemiddelingen en de uitkomsten daarvan als aan de werkzaamheden van de beklagcommissie, onder meer door een overzicht van de klaagschriften en de daarop genomen beslissingen. Onze Minister kan een model vaststellen omtrent de inrichting van het verslag.

Artikel 23

1.   De kosten van de commissie van toezicht worden door de Staat gedragen.

2.   De leden van de commissie van toezicht genieten vergoeding van reis- en verblijfkosten en een vacatiegeld met betrekking tot hun werkzaamheden, overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn vastgesteld.

3.   Voor zover de secretaris of de plaatsvervangend secretaris geen ambtenaar is geniet deze tevens de in het tweede lid bedoelde vergoeding.

Hoofdstuk 4.  Opvang en behandeling

Artikel 24

1.   De opvanginrichtingen dragen zorg voor een veilige omgeving voor en een menswaardige bejegening van de jeugdigen. Zij dragen bij aan een beter sociaal functioneren van de jeugdige, door middel van een verplicht gesteld pedagogisch dagprogramma en een individueel verblijfsplan voor zover de wet hiertoe verplicht. Voorts dragen zij bij aan een goede voortgang van de rechtsgang. Het doel van het verblijf in de opvanginrichting is de kans op ontsporing van de jeugdige na diens terugkeer in de maatschappij te verminderen.

2.   De behandelinrichtingen dragen zorg voor een veilige omgeving voor en een menswaardige bejegening van de jeugdigen. Zij dragen bij aan een beter sociaal functioneren van de jeugdige, door middel van een verplicht gesteld pedagogisch dagprogramma en individueel behandelprogramma. Voorts dragen zij bij aan een goede voortgang van de rechtsgang. Het doel van het verblijf in de behandelinrichting is de kans op ontsporing van de jeugdige na diens terugkeer in de maatschappij te verminderen.

Hoofdstuk 5.  Verblijfsplan en behandelplan

Artikel 25

1.   Het verblijfsplan en het behandelplan worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de directeur.

2.   Bij de opstelling van het verblijfsplan en het behandelplan zijn in ieder geval betrokken de groepsleider, een leerkracht en een gedragsdeskundige.

3.   Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan en het behandelplan voor jeugdigen die met toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in een inrichting zijn geplaatst, pleegt de inrichting overleg met de betrokken stichting.

4.   Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan en het behandelplan voor jeugdigen die op strafrechtelijke titel zijn geplaatst, betrekt de inrichting tevens de jeugdreclassering dan wel de reclassering alsmede de raad voor de kinderbescherming.

5.   Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan en het behandelplan betrekt de inrichting zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:

a.   deze te kennen geven geen rol hierbij te willen vervullen, of

b.   zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.

 

Artikel 26

1.   In het verblijfsplan worden ten minste opgenomen:

a.   een omschrijving van de problemen van de jeugdige,

b.   een beschrijving van het hulpverleningsproces,

c.   medische gegevens voor zover deze relevant zijn voor het hulpverleningsproces,

d.   de gestelde doelen aangaande de ontwikkeling van de jeugdige,

e.   een aanduiding van de groep waarin de jeugdige verblijft,

f.    een omschrijving van de toegestane bewegingsvrijheid, zowel binnen als buiten de inrichting,

g.   de soorten activiteiten waaraan door de jeugdige wordt deelgenomen,

h.   de personen van buiten de inrichting waarmee de jeugdige contact mag onderhouden, en

i.    het verplichte programma met betrekking tot onderwijs of andere pedagogische vorming.

 

2.   Voor zover aan de onderdelen f tot en met i van het eerste lid voorwaarden verbonden zijn worden deze opgenomen in het verblijfsplan en wordt aangegeven welke de consequenties zijn wanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd.

3.   Het verlofplan, het scholings- en trainingsprogramma en de voorbereiding op de nazorg maakt, voor zover van toepassing, onderdeel uit van het verblijfsplan.

Artikel 27

1.   In het behandelplan worden ten minste opgenomen:

a.   de diagnose van de problematiek en de indicatie voor plaatsing,

b.   medische gegevens voor zover deze relevant zijn voor de behandeling,

c.   de gestelde doelen aangaande de ontwikkeling van de jeugdige,

d.   de wijze waarop en de middelen waarmee die doelen bereikt kunnen worden,

e.   de verwachting met betrekking tot de behandelingsduur,

f.    een aanduiding van de groep waarin de jeugdige verblijft,

g.   een omschrijving van de toegestane bewegingsvrijheid, zowel binnen als buiten de inrichting,

h.   de soorten activiteiten waaraan door de jeugdige wordt deelgenomen,

i.    de personen van buiten de inrichting waarmee de jeugdige contact mag onderhouden, en

j.    het verplichte programma met betrekking tot onderwijs of andere pedagogische vorming.

 

2.   Voor zover aan de onderdelen h en i van het eerste lid voorwaarden verbonden zijn worden deze tevens opgenomen in het behandelplan en wordt aangegeven welke de consequenties zijn wanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd.

3.   Het verlofplan, het scholings- of trainingsprogramma dan wel het proefverlof en de voorbereiding op de nazorg maakt onderdeel uit van het behandelplan.

Artikel 28

1.   Het verblijfsplan en het behandelplan bestrijken een periode van minimaal zes maanden, of zoveel korter als het strafrestant of het verblijf in de inrichting is.

2.   De jeugdige heeft recht op een periodieke evaluatie door de directeur van het verblijfsplan en het behandelplan. Deze evaluatie vindt ten minste viermaal per jaar plaats, doch in ieder geval tijdig voor de opmaking van een advies als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht of een verlenging als bedoeld in artikel 262, eerste lid, of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

3.   De evaluatie van het verblijfsplan en het behandelplan vindt plaats op basis van informatie van ten minste de functionarissen, bedoeld in artikel 25, tweede lid. De jeugdige wordt in de gelegenheid gesteld zijn visie te geven op het verloop van het verblijf in de inrichting. Tevens worden bij de evaluatie betrokken de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders van de jeugdige, met inachtneming van artikel 25, vijfde lid, en de betrokken stichting. Van de evaluatie wordt een verslag opgesteld.

4.   Bij de evaluatie worden de volgende aspecten betrokken:

a.   het verblijf in de groep;

b.   het bereiken van de gestelde doelen en de noodzaak tot wijziging van de doelen;

c.   de veranderingen in het toestandsbeeld van de jeugdige in het kader van de opvang of behandeling;

d.   de bewegingsvrijheid binnen en buiten de inrichting;

e.   belangrijke voorvallen waarbij de jeugdige betrokken is geweest;

f.    de noodzaak van verlenging van het verblijf in de inrichting.

 

Artikel 29

1.   Naar aanleiding van een evaluatie of tussentijds kunnen het verblijfsplan en het behandelplan gewijzigd worden. Bij een tussentijdse wijziging wordt ten minste het meest recente evaluatieverslag betrokken.

2.   Een wijziging in het verblijfsplan of het behandelplan wordt zo veel mogelijk in overleg met de jeugdige vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.

Artikel 30

Kort voor het einde van het verblijf van de jeugdige in de inrichting wordt ter afsluiting van het verblijfsplan en het behandelplan met de jeugdige nagegaan in hoeverre de doelstellingen van het plan zijn gerealiseerd. Hiervan wordt een verslag gemaakt.

Hoofdstuk 6.  Verlof

Artikel 31

1.   Bij de beoordeling van een te verlenen verlof wordt het belang van de jeugdige afgewogen tegen de risico's voor de continuÔteit van de tenuitvoerlegging en voor de maatschappelijke orde en veiligheid. Het verlof kan slechts worden verleend indien de eventuele risico's aanvaardbaar worden geacht.

2.   Als risico kunnen worden aangemerkt:

a.   onttrekking aan het verblijf in de inrichting,

b.   weigering in te stemmen met preventieve maatregelen ter voorkoming van onttrekking aan de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel,

c.   gevaar voor recidive,

d.   maatschappelijke onrust als gevolg van het verlof,

e.   vermoeden dat het verlof zal leiden tot alcohol- of drugsmisbruik dan wel poging tot invoer van ongeoorloofde voorwerpen in de inrichting,

f.    twijfel over het nakomen van afspraken,

g.   agressieve gedragskenmerken die een risico kunnen opleveren voor een ongestoord verloop van het verlof,

h.   het bestaan van ernstige spanningsvelden in de leef- of woonsfeer of rond mogelijk te ontmoeten personen,

i.    een mogelijke ongewenste confrontatie van de jeugdige met een slachtoffer of een anderszins bij het delict betrokkene,

j.    het vermoeden dat de jeugdige slachtoffer zal worden van een wraakactie.

 

3.   Bij de inschatting van de risico's betrekt de directeur in ieder geval:

a.   de aard van het delict, de door het delict veroorzaakte maatschappelijke onrust en de inschatting van het ontvluchtings- of recidivegevaar,

b.   relevante ervaringen bij eerder genoten verloven,

c.   recente rapportage over de jeugdige en zijn gedrag in de inrichting.

 

4.   De directeur kan bepalen dat het verlof zal plaatsvinden onder begeleiding of bewaking.

Artikel 32

1.   Aan de jeugdige kan incidenteel verlof worden verleend in verband met onverwachte gebeurtenissen of omstandigheden in de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is.

2.   Gebeurtenissen of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid zijn onder andere:

a.   het in levensgevaar verkeren van een relatie,

b.   het overlijden of de begrafenis van een relatie,

c.   het niet in staat zijn om naar de inrichting te reizen van een relatie,

d.   de bevalling van de partner.

 

3.   Bij wijze van incidenteel verlof kan worden toegestaan dat de jeugdige een bezoek brengt aan een gedetineerde relatie.

4.   Incidenteel verlof kan voorts worden verleend met het oog op de deelname aan een examen dat niet in de inrichting kan worden afgenomen of, ter voorbereiding op de invrijheidstelling, met het oog op de regeling van praktische zaken buiten de inrichting.

5.   De directeur bepaalt de duur van het incidenteel verlof. Deze duur is niet langer dan drie etmalen. Op grond van dezelfde gebeurtenis kan de directeur meermalen incidenteel verlof toekennen.

Artikel 33

1.   Aan de jeugdige die op strafrechtelijke titel in een inrichting is geplaatst kan planmatig verlof worden verleend. Planmatig verlof wordt verleend in het kader van een verlofplan, dat onderdeel is van het verblijfsplan of het behandelplan en dat ten doel heeft de resocialisatie van de jeugdige.

2.   Het verlofplan geldt telkens voor een periode van ten hoogte zes maanden en bevat:

a.   een concrete aanduiding van het voorgenomen verloftraject in die periode wat betreft de frequentie, de duur, de aard en de bestemming van het verlof,

b.   een motivering van het belang van het verlof met het oog op de behandeling en resocialisatie,

c.   een afweging van de veiligheidsrisico's.

 

3.   Planmatig verlof kan bestaan uit:

a.   eendaags begeleid verlof zonder overnachting,

b.   eendaags onbegeleid verlof zonder overnachting,

c.   onbegeleid verlof met ťťn overnachting,

d.   onbegeleid verlof met meerdere overnachtingen.

 

4.   Een voorlopig gehechte jeugdige komt niet in aanmerking voor planmatig verlof. Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige komt niet in aanmerking voor planmatig verlof gedurende de tijd dat hij in afwachting van plaatsing in een behandelinrichting in een opvanginrichting verblijft.

5.   Een jeugdige ten aanzien van wie vaststaat dat hij, na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, Nederland zal dienen te verlaten dan wel zal worden uitgezet of uitgeleverd, komt niet in aanmerking voor planmatig verlof.

Artikel 34

1.   Het incidenteel verlof wordt door de jeugdige schriftelijk aangevraagd bij de directeur.

2.   Indien het verzoek een voorlopig gehechte jeugdige betreft, vraagt de directeur instemming van het openbaar ministerie. In de overige gevallen vraagt de directeur het openbaar ministerie om advies indien het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven.

3.   Indien het verzoek een civielrechtelijk geplaatste jeugdige betreft, vraagt de directeur instemming van de betrokken stichting.

4.   Indien het verzoek een jeugdige betreft die na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel Nederland zal dienen te verlaten, of uitgezet of uitgeleverd zal worden, vraagt de directeur de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie om advies.

Artikel 35

1.   Indien de jeugdige wegens ziekte niet in staat is tijdig van het verlof naar de inrichting terug te keren, meldt hij dit onverwijld aan de inrichting. Desgevraagd toont de jeugdige aan dat hij om medische redenen niet in staat is tijdig terug te keren.

2.   De directeur neemt, na overleg met de inrichtingsarts, en, voor zover mogelijk, gehoord de jeugdige, maatregelen met het oog op een zo spoedig mogelijke voortzetting van de vrijheidsontneming.

Artikel 36

1.   Indien zich tijdens het verlof een incident voordoet, kan de directeur, afhankelijk van de aard van het incident en het verlof, maatregelen nemen. Van een incident is in ieder geval sprake wanneer de jeugdige:

a.   tijdens het verlof betrokken is bij een verstoring van de openbare orde of het plegen van een strafbaar feit;

b.   verwijtbaar te laat of niet in de inrichting terugkeert;

c.   onder invloed van alcohol of verdovende middelen in de inrichting terugkeert;

d.   bij terugkeer in de inrichting contrabande met zich meevoert.

 

2.   Onverminderd de verplichting van de directeur om het incident elders te signaleren, worden gegevens over incidenten tijdens het verlof opgenomen in het dossier.

Artikel 37

1.   Aan een jeugdige die zonder begeleiding met verlof gaat, wordt door de inrichting een verlofpas van een door Onze Minister vastgesteld model verstrekt, waarop eventuele bijzondere voorwaarden worden vermeld.

2.   De jeugdige draagt de verlofpas tijdens het verlof steeds bij zich.

Artikel 38

De directeur kan de jeugdige een bijdrage in de reis- en verblijfkosten verstrekken.

Artikel 39

Op grond van gewijzigde omstandigheden kan de directeur een reeds verleend verlof of het daarvan nog resterende gedeelte intrekken, naar een andere tijdstip verplaatsen of er nadere voorwaarden aan verbinden.

Artikel 40

Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor het aanvragen en het verlenen van verlof.

Hoofdstuk 7.  Proefverlof

Artikel 41

1.   Tijdens het proefverlof neemt de jeugdige minimaal 26 uur per week deel aan activiteiten.

2.   Het proefverlof duurt maximaal ťťn jaar. In bijzondere gevallen kan een proefverlof langer duren.

3.   De activiteiten tijdens het proefverlof zijn gericht op:

a.   het aanleren van bepaalde sociale vaardigheden,

b.   het bieden van onderwijs,

c.   het vergroten van de kans op arbeid na het einde van de vrijheidsbenemende maatregel,

d.   het bieden van bijzondere zorg aan de deelnemer, zoals verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of verstandelijk gehandicaptenzorg,

e.   het invullen van de vrije tijd, of

f.    geven op andere wijze invulling aan het met handhaving van het karakter van de vrijheidsbenemende maatregel aanwenden van de tenuitvoerlegging hiervan aan de opvoeding en behandeling van de jeugdige en de voorbereiding van diens terugkeer in de maatschappij.

 

Artikel 42

1.   Indien de directeur het verantwoord acht dat aan een jeugdige proefverlof wordt verleend stelt hij een proefverlofplan op. Het proefverlofplan wordt opgesteld in samenwerking met de jeugdreclassering dan wel de reclassering, zo mogelijk die in het arrondissement waarin de jeugdige tijdens dit proefverlof zal wonen.

2.   Het proefverlofplan omvat in ieder geval een beschrijving van de activiteiten en de voorwaarden, een regeling van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het proefverlof, de begeleiding van en het toezicht op de jeugdige, de melding van bijzondere voorvallen en de wijze en de frequentie van rapporteren over de jeugdige.

3.   De directeur overlegt met de jeugdige alvorens hij het proefverlofplan opstelt.

4.   Bij het opstellen van het proefverlofplan betrekt de inrichting zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:

a.   deze te kennen geven geen rol hierbij te willen vervullen, of

b.   zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.

 

5.   Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 43

1.   De machtiging tot het verlenen van proefverlof van Onze Minister wordt schriftelijk door de directeur aangevraagd.

2.   De directeur voegt bij zijn aanvraag het proefverlofplan en het advies van het openbaar ministerie indien het openbaar ministerie ten aanzien van de jeugdige een executie-indicator heeft gegeven. De raad voor de kinderbescherming wordt ten aanzien van minderjarige jeugdigen in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.

3.   Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag van de directeur. De beslissing wordt schriftelijk medegedeeld aan de directeur en de jeugdreclassering dan wel de reclassering die overeenkomstig artikel 42, eerste lid, aan de opstelling van het proefverlofplan heeft meegewerkt, alsmede, voor zover het minderjarige jeugdigen betreft, aan de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 44

1.   Bij zijn beslissing om een jeugdige proefverlof te verlenen betrekt de directeur in ieder geval de volgende aspecten:

a.   de aard, de zwaarte en de achtergronden van het gepleegde delict;

b.   het huidige verloop van de vrijheidsbenemende maatregel, waaronder het gedrag van de jeugdige, het nakomen van afspraken door de jeugdige en diens gemotiveerdheid ten aanzien van het proefverlof;

c.   het gevaar voor recidive;

d.   de mate waarin de jeugdige tijdens het proefverlof in staat kan worden geacht de met de grotere vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te dragen;

e.   een aanvaardbaar verblijfadres.

 

2.   De directeur verleent de jeugdige niet eerder proefverlof dan nadat deze zich schriftelijk bereid heeft verklaard tot naleving van de aan het proefverlof verbonden voorwaarden.

3.   Aan het verlenen van proefverlof kan de bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de jeugdige zich onder elektronisch toezicht laat stellen. Onze Minister kan nadere regels stellen over het elektronisch toezicht.

4.   De aan het proefverlof verbonden activiteiten en voorwaarden worden door de directeur ter kennis gebracht van de jeugdreclassering dan wel de reclassering die de jeugdige zal begeleiden.

5.   De directeur stelt de raad voor de kinderbescherming voor zover het betreft minderjarige jeugdigen, het openbaar ministerie bij de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf terzake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gelast, en het openbaar ministerie in het arrondissement waarin de jeugdige op grond van het proefverlofplan zal verblijven, schriftelijk in kennis van zijn beslissing.

Artikel 45

1.   Bij aanvang van het proefverlof ontvangt de jeugdige van de directeur een schriftelijk verklaring waarin de voorwaarden zijn vermeld die aan het proefverlof zijn verbonden, benevens de gronden waarop de directeur het proefverlof kan intrekken.

2.   De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens proefverlof komen niet ten laste van Onze Minister.

Artikel 46

1.   De jeugdreclassering dan wel de reclassering is belast met de begeleiding van de jeugdige tijdens het proefverlof en houdt toezicht op het dagelijkse verloop van het proefverlof. Zij beoordeelt in eerste instantie of de activiteiten naar behoren worden verricht en of de voorwaarden naar behoren worden nageleefd en kan in dat kader opdrachten geven aan de jeugdige. Zij kan in de wijze of het tijdstip waarop de activiteiten tijdens het proefverlof worden uitgevoerd, wijzigingen aanbrengen. Van deze wijzigingen in het proefverlofplan stelt zij de directeur onverwijld schriftelijk op de hoogte.

2.   De jeugdreclassering dan wel de reclassering, belast met de begeleiding, rapporteert regelmatig aan de directeur over het verloop van het proefverlof, met dien verstande dat de eerste rapportage plaatsvindt nadat een maand van het proefverlof is verstreken, en dat vervolgens telkens wordt gerapporteerd nadat een periode van twee maanden is verstreken.

3.   De jeugdreclassering dan wel de reclassering, belast met de begeleiding, rapporteert terstond aan de directeur ingeval de jeugdige de voorwaarden overtreedt of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar brengt of dreigt te brengen.

4.   De directeur kan in een geval als bedoeld in het derde lid beslissen tot:

a.   het geven van een waarschuwing aan de jeugdige;

b.   wijziging of aanvulling van de voorwaarden, gesteld aan het proefverlof, met inachtneming van artikel 44, tweede lid;

c.   intrekking van het proefverlof.

 

5.   De directeur geeft de jeugdige van een beslissing als bedoeld in het vierde lid onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

6.   Een beslissing als bedoeld in het vierde lid wordt door de directeur ter kennis gebracht van de jeugdreclassering dan wel de reclassering die de jeugdige begeleidt.

7.   Indien de directeur het proefverlof intrekt geeft hij daarvan terstond kennis aan Onze Minister. Artikel 44, vijfde lid, is van toepassing.

Artikel 47

Indien Onze Minister de machtiging tot het verlenen van proefverlof intrekt, geeft hij daarvan terstond kennis aan de directeur, die daarop het proefverlof intrekt. De kennisgeving wordt, onder vermelding van de datum van ingang van de beslissing, schriftelijk bevestigd. De artikelen 44, vijfde lid, en 46, zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 8.  Gedwongen geneeskundige handelingen

Artikel 48

1.   Voordat de directeur beslist dat de door de arts noodzakelijk geachte geneeskundige handeling onder dwang zal worden toegepast, pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de afdeling waar de jeugdige verblijft. Indien de handeling door een andere arts wordt verricht, wordt bovendien met hem overlegd.

2.   Indien de toepassing van een geneeskundige handeling onder dwang noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de jeugdige, pleegt de directeur bovendien overleg met een psychiater.

3.   In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt nagegaan of het ernstige gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de jeugdige of van anderen niet op een andere wijze kan worden afgewend. Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt steeds gekozen voor de voor de jeugdige minst ingrijpende handeling.

4.   De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de toepassing van artikel 37 van de wet, de resultaten van het overleg alsmede de afspraken die daarbij zijn gemaakt worden geregistreerd in het medisch dossier.

Artikel 49

1.   De gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in een daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de arts.

2.   Van de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling wordt onverwijld melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van toezicht. Indien de geneeskundige handeling wordt toegepast ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de jeugdige wordt tevens onverwijld melding gedaan aan de bevoegde regionale inspecteur voor de gezondheidszorg. Onze Minister kan voor de meldingen een model vaststellen.

3.   De jeugdige wordt gedurende de periode die volgt op de gedwongen geneeskundige handeling zo vaak als nodig is bezocht door een arts dan wel in diens opdracht door een verpleegkundige. Het verslag van diens bevindingen wordt opgenomen in het medisch dossier.

Artikel 50

1.   Zo spoedig mogelijk na de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van de aan de inrichting verbonden arts een plan opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de toestand van de jeugdige dat de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden beŽindigd. Dit plan wordt opgenomen in het medisch dossier.

2.   Indien de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling als bedoeld in artikel 48, tweede lid, de duur van twee weken te boven gaat wordt door de directeur een commissie samengesteld bestaande uit ten minste een arts of een psychiater en een psycholoog.

3.   De in het tweede lid bedoelde commissie brengt binnen twee dagen na de in het tweede lid bedoelde termijn en, indien de gedwongen geneeskundige handeling langer wordt voortgezet, om de twee weken, advies uit aan de directeur over de voortzetting van de gedwongen geneeskundige handeling.

Hoofdstuk 9.  Geestelijke verzorging

Artikel 51

Aan een inrichting zijn geestelijk verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond.

Artikel 52

1.   Bij het Ministerie van Justitie zijn een hoofdpredikant, een hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistische geestelijke verzorging aangesteld. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.

2.   De hoofden, genoemd in het eerste lid, zijn in ieder geval belast met het doen van voordrachten voor de aanstelling van geestelijk verzorgers bij de rijksinrichtingen, behorende tot hun gezindte of levensovertuiging.

Artikel 53

1.   De aanstelling van een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger, behorend tot het humanistisch verbond, bij een rijksinrichting geschiedt door of vanwege Onze Minister op voordracht van de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 52, eerste lid.

2.   De aanstelling van een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger, behorend tot het humanistisch verbond, bij een particuliere inrichting geschiedt door of vanwege het bestuur van de inrichting gehoord de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 52, eerste lid.

Artikel 54

1.   Een geestelijk verzorger van een andere dan de in artikel 53 genoemde gezindte of levensovertuiging kan door de directeur van een rijksinrichting aan diens inrichting worden verbonden anders dan bij wijze van een aanstelling. De directeur van de rijksinrichting neemt deze beslissing niet dan na overleg met de reeds aan de inrichting verbonden geestelijk verzorgers.

2.   Onze Minister kan functievereisten vaststellen ten aanzien van geestelijk verzorgers als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.

3.   Een geestelijk verzorger die aan een rijksinrichting is verbonden anders dan bij wijze van aanstelling, ontvangt een bij regeling van Onze Minister vast te stellen vergoeding voor zijn werkzaamheden en de door hem gemaakte kosten.

Hoofdstuk 10.  Beroep tegen medisch handelen

Artikel 55

1.   Een jeugdige kan een beroepschrift indienen tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts. Met de inrichtingsarts wordt in dit hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan jeugdigen in de inrichting zijn betrokken.

2.   Onder medisch handelen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

a.   enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de zorg die de in het eerste lid bedoelde personen in die hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de jeugdige, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen;

b.   enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

 

Artikel 56

1.   Alvorens een beroepschrift in te dienen doet de jeugdige een schriftelijk verzoek aan de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Justitie om te bemiddelen terzake van de klacht. Dit verzoek dient uiterlijk op de veertiende dag na die waarop het medisch handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden te worden ingediend.

2.   De Medisch Adviseur stelt de betrokkene in de gelegenheid de klacht schriftelijk of mondeling toe te lichten, tenzij hij het aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling leent. Hij kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.

3.   De Medisch Adviseur is ten behoeve van de bemiddeling bevoegd het medisch dossier van de jeugdige in te zien.

4.   De Medisch Adviseur streeft ernaar binnen vier weken een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.

5.   De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling van zijn bevindingen aan de jeugdige en de arts. De jeugdige wordt gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een beroepschrift alsmede de termijn waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet worden.

6.   Een afschrift van de mededeling zendt de Medisch Adviseur aan de directeur van de inrichting waaraan de arts tegen wiens medisch handelen de klacht zich richt is verbonden.

7.   De Medisch Adviseur is bevoegd een klacht door te verwijzen naar de beklagcommissie. Hij zendt van de doorverwijzing van een klacht een bericht aan de klager.

Artikel 57

1.   Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door en uit de Raad benoemde commissie van drie leden, bestaande uit ťťn jurist en twee artsen, die wordt bijgestaan door een secretaris.

2.   Het met redenen omklede beroepschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de mededeling van de Medisch Adviseur ingediend. De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beroep wenst in te stellen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

3.   De indiening van het beroepschrift kan door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft geschieden. De directeur draagt in dat geval zorg dat het beroepschrift, of, indien het beroepschrift zich in een envelop bevindt, de envelop, van een dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.

4.   Het beroepschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk het medisch handelen waarover wordt geklaagd en de redenen van het beroep.

5.   Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst kan hij het beroepschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beroepscommissie kan bepalen dat het beroepschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 81.

Artikel 58

1.   De beroepscommissie en de secretaris zijn ten behoeve van de behandeling van het beroepschrift bevoegd het medisch dossier van de klager in te zien.

2.   De behandeling van het beroepschrift vindt niet in het openbaar plaats, behoudens ingeval de beroepscommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.

3.   De secretaris van de beroepscommissie zendt de arts een afschrift van het beroepschrift toe en vraagt het verslag van de bemiddeling op bij de Medisch Adviseur.

4.   De beroepscommissie stelt de klager en de arts in de gelegenheid omtrent het beroepschrift mondeling of schriftelijk opmerkingen te maken, tenzij zij het beroep aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht. De beroepscommissie kan bepalen dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie kunnen worden gemaakt.

5.   De klager en de arts kunnen de voorzitter van de beroepscommissie de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien.

6.   De beroepscommissie kan de arts en de klager buiten elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de beroepscommissie aan de klager onderscheidenlijk de arts mondeling medegedeeld.

7.   De beroepscommissie kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen worden ingewonnen, zijn het vijfde en zesde lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing. De beroepscommissie kan bepalen dat ingeval bij een andere persoon mondeling inlichtingen worden ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.

8.   De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe van de beroepscommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de klager een advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de vergoeding van de door hem gemaakte kosten volgens het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994.

9.   Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning van de tolk en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten geschieden met overeenkomstige toepassing van artikel 81.

10. Tijdens de beroepsprocedure staat de beroepscommissie aan de klager op diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.

Artikel 59

1.   De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij wordt door de voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij verhindering van ťťn van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan de klager, de arts en de directeur wordt onverwijld en kosteloos een afschrift van de beslissing van de beroepscommissie toegezonden of uitgereikt.

2.   Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de voorzitter van de beroepscommissie zorg voor een vertaling van de uitspraak, bedoeld in het eerste lid. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 81.

3.   De secretaris zendt van alle uitspraken van de beroepscommissie een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de jeugdige kan worden afgeleid. Met betrekking tot de kosten van het ontvangen van een afschrift is het bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 60

1.   De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke:

a.   niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;

b.   ongegrondverklaring van het beroep;

c.   gegrondverklaring van het beroep.

 

2.   Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht bepaalt de beroepscommissie of enige tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.

Artikel 61

1.   De in de artikelen 55 tot en met 58 aan de jeugdige toegekende rechten kunnen, behoudens ingeval de Medisch Adviseur of de beroepscommissie van oordeel is dat zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door:

a.   de curator, indien de jeugdige onder curatele is gesteld;

b.   de mentor, indien ten behoeve van de jeugdige een mentorschap is ingesteld;

c.   de ouders of voogd, indien de jeugdige minderjarig is.

 

2.   De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde personen op deze rechten opmerkzaam worden gemaakt.

Hoofdstuk 11.  Onderwijs en pedagogische activiteiten

Artikel 62

1.   Op het onderwijs in particuliere inrichtingen is het bepaalde bij of krachtens de Wet op de expertisecentra van toepassing.

2.   Het onderwijs in de rijksinrichting bestaat uit theoretisch onderwijs, een beroepsgerichte leerweg of praktijkonderwijs.

3.   In ieder geval omvat het onderwijs in de rijksinrichting:

a.   rekenen en wiskunde,

b.   Nederlandse taal,

c.   wereldoriŽntatie of maatschappijleer,

d.   sociale redzaamheid of zelfredzaamheid,

e.   technieken,

f.    lichamelijke opvoeding,

g.   creatieve vorming.

 

Artikel 63

1.   Elke inrichting beschrijft welk onderwijs door of vanwege de inrichting wordt aangeboden, met alle bijzonderheden, zoals leerinhouden, modules, toetsen, certificaten en methodes.

2.   Het onderwijs wordt gegeven door een daartoe bevoegde persoon.

3.   Het onderwijs maakt deel uit van het verblijfsplan en het behandelplan. Het verblijfsplan en het behandelplan zijn richtinggevend voor het onderwijs.

Artikel 64

1.   Ten behoeve van het onderwijs wordt door de leraar van een rijksinrichting een intake verzorgd, die de basis vormt voor het onderwijs dat de jeugdige zal gaan volgen. De intake omvat de nulmeting van de onderwijssituatie.

2.   De intake bestaat uit de volgende onderdelen:

a.   een intakegesprek dat betrekking heeft op interessegebieden, werkhouding, zelfbeeld en het niveau van kennis en vaardigheden,

b.   een toets op het gebied van de algemene taalvaardigheid,

c.   een toets die de rekenkundige vaardigheden meet,

d.   een schoolvragenlijst die betrekking heeft op de motivatie, het welbevinden en het zelfconcept van de jeugdige,

e.   eventuele anderen informatiebronnen.

 

Artikel 65

1.   Voor de jeugdige in een rijksinrichting wordt een onderwijstrajectkaart opgesteld waarin de onderwijskundige doelstellingen en resultaten of tussenresultaten zijn vastgelegd.

2.   De onderwijstrajectkaart geeft een actueel beeld van het onderwijsverleden, test- en toetsgegevens, de onderwijsdoelen die worden gepland, en de doelen of tussendoelen die reeds zijn bereikt.

3.   De onderwijstrajectkaart bestaat uit:

a.   de intake, waaronder de conclusies en aanbevelingen,

b.   de onderwijshistorie van de jeugdige,

c.   het onderwijstraject dat door de jeugdige wordt gevolgd,

d.   de voortgang van het onderwijstraject,

e.   de voortgang van het onderwijs na het verblijf in de inrichting.

 

Hoofdstuk 12.  Dossiers van jeugdigen

Artikel 66

Het dossier van de jeugdige wordt op zorgvuldige wijze, volgens een vaste indeling, opgebouwd. In ieder geval worden hierin onderscheiden:

a.   persoons- en identificatiegegevens;

b.   justitiŽle gegevens;

c.   opvang- of behandelgegevens;

d.   gegevens omtrent het verblijf.

 

Artikel 67

Naast de in artikel 63, eerste lid, van de wet genoemde gegevens worden in het dossier opgenomen de jeugdige betreffende:

a.   afschriften van mededelingen, bedoeld in artikel 62, eerste en tweede lid, van de wet;

b.   uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie alsmede mededelingen, bedoeld in artikel 64, vijfde lid, van de wet;

c.   ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen betreffende de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

d.   kopieŽn van correspondentie van de inrichting over de jeugdige;

e.   formulieren betreffende verlof en daarop genomen beslissingen alsmede machtigingen van Onze Minister, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, en 31, eerste lid, van de wet;

f.    verzoeken om strafonderbreking en daarop genomen beslissingen;

g.   gratieverzoeken en daarop genomen beslissingen;

h.   mededelingen omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling;

i.    gegevens omtrent de gezondheid van de jeugdige en te zijnen aanzien uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover de opname van deze gegevens voor een goede opvang of behandeling van hem noodzakelijk is.

 

Artikel 68

1.   De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede en derde lid te stellen beperkingen, recht op inzage van de in zijn dossier vastgelegde gegevens.

2.   De directeur kan de jeugdige die een verzoek doet tot inzage van zijn dossier of delen daarvan, bepaalde gegevens onthouden, indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, in het belang van de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de jeugdige voor zover die niet bij de tenuitvoerlegging betrokken zijn, of wanneer de uitvoering van het verblijfsplan of het behandelplan dit vereist.

3.   De directeur kan het recht op inzage van evaluatieverslagen beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting, indien de uitvoering van het verblijfsplan of het behandelplan dit vereist.

4.   De directeur kan, in geval van toepassing van het tweede of derde lid:

a.   de jeugdige mondeling kennis geven van de gegevens waarvan hij inzage verlangt, of

b.   een door de jeugdige gemachtigde persoon inzage geven in de gegevens waarvan de inzage aan de jeugdige wordt onthouden.

 

5.   Voor wat betreft het verblijfsplan, het behandelplan en het evaluatieverslag omvat het recht op inzage tevens het recht op het ontvangen van een afschrift.

6.   Met toepassing van artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is artikel 456 van dit boek niet van overeenkomstige toepassing op de dossiers, bedoeld in dit hoofdstuk.

Artikel 69

1.   De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben recht op inzage in het dossier van de jeugdige, tenzij belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten of inzage achterwege dient te blijven ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. Ten aanzien van jeugdigen van 16 jaar en ouder is instemming van de jeugdige vereist.

2.   De stichting, de jeugdreclassering dan wel de reclassering en de raad voor de kinderbescherming hebben recht op inzage in het dossier van de betrokken jeugdige voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taak.

3.   Aan Onze Minister, de selectiefunctionaris, de directeur en door dezen aan te wijzen personeelsleden of medewerkers kunnen gegevens uit het dossier worden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is voor:

a.   de behandeling van verzoeken, de jeugdige betreffende;

b.   de behandeling van procedures, de jeugdige betreffende;

c.   het beheer van de dossiers;

d.   de behandeling van andere beslissingen, de jeugdige betreffende.

 

Artikel 70

1.   Gedurende het verblijf van een jeugdige in een inrichting wordt zijn dossier in een afsluitbare ruimte in de inrichting bewaard.

2.   De directeur zendt het dossier gelijktijdig met de overplaatsing van de jeugdige, bedoeld in artikel 16 van de wet, aan de directeur van de inrichting waar de jeugdige verder zal verblijven.

3.   Indien de jeugdige in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma zendt de directeur het dossier aan de directeur, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

4.   Bij invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden van de jeugdige zendt de directeur het dossier aan Onze Minister.

Artikel 71

1.   Het dossier wordt gedurende een termijn van tien jaren bewaard, te rekenen vanaf het tijdstip dat de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel eindigt.

2.   Na de in het eerste lid bedoelde termijn worden de bescheiden, opgenomen in het dossier, vernietigd, of zodanig bewerkt dat deze niet meer tot de jeugdige kunnen worden herleid, tenzij de vernietiging of bewerking in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de jeugdige.

3.   Indien de jeugdige vůůr de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn opnieuw tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt veroordeeld wordt de bewaartermijn geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de nieuwe vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

Hoofdstuk 13.  Aanwijzing van particuliere inrichtingen

Artikel 72

1.   Een aanvraag tot aanwijzing als particuliere inrichting kan slechts worden gedaan door een rechtspersoon die een voorziening van jeugdhulpverlening als bedoeld in artikel 3b, eerste lid, van de wet beheert.

2.   De aanvraag wordt bij Onze Minister ingediend en gaat vergezeld van de volgende bescheiden:

a.   de statuten of reglementen van de rechtspersoon die de residentiŽle voorziening van jeugdhulpverlening beheert;

b.   een schriftelijke verklaring, inhoudende dat een voorgenomen wijziging met betrekking tot een der onderwerpen, genoemd onder a en in het derde lid, ten minste een maand voordat de desbetreffende wijziging wordt doorgevoerd ter kennis van Onze Minister wordt gebracht;

c.   een schriftelijke verklaring, inhoudende bereidverklaring de door de selectiefunctionaris geplaatste jeugdigen op te nemen.

 

3.   De rechtspersoon die de residentiŽle voorziening van jeugdhulpverlening beheert legt tevens over:

a.   de door Onze Minister verlangde gegevens over de bouwkundige voorzieningen die van belang zijn voor de beoordeling van de veiligheid binnen de voorziening en de maatschappelijke veiligheid daarbuiten;

b.   de door Onze Minister verlangde gegevens over de personele en materiŽle toerusting die van belang zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van de voorziening als particuliere inrichting.

 

4.   Onze Minister beslist binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 73

1.   De aanwijzing als particuliere inrichting wordt door Onze Minister ingetrokken:

a.   op verzoek van de rechtspersoon die de residentiŽle voorziening van jeugdhulpverlening beheert;

b.   indien de beveiliging dan wel de personele of materiŽle toerusting van de inrichting, bedoeld in artikel 72, derde lid, niet meer voldoet aan de eisen die daaraan naar het oordeel van Onze Minister moeten worden gesteld.

 

2.   De aanwijzing als particuliere inrichting kan door Onze Minister worden ingetrokken, indien de rechtspersoon heeft gehandeld in strijd met de toepasselijke regelgeving of hetgeen overeenkomstig artikel 72, tweede lid, onder b of c, is verklaard.

Artikel 74

De particuliere inrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door wie, in het geval van een calamiteit.

Hoofdstuk 14.  Opperbeheer rijksinrichtingen

Artikel 75

1.   De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vůůr 1 oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende jaar uit. Het jaarplan omvat in ieder geval een begroting van de kosten en opbrengsten voor dat jaar.

2.   De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vůůr 1 maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd. De directeur zendt een afschrift van het jaarverslag aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.

3.   Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van de in het eerste en tweede lid genoemde stukken.

Artikel 76

De rijksinrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door wie, in het geval van een calamiteit.

Hoofdstuk 15.  Kwaliteit

Artikel 77

De inrichting biedt passende opvang of behandeling aan. Onder passende opvang of behandeling wordt verstaan zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en gericht op de jeugdige wordt verleend en die afgestemd is op de reŽle behoefte van de jeugdige.

Artikel 78

De inrichting organiseert de opvang of behandeling op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidsverdeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde opvang of behandeling.

Artikel 79

1.   Het uitvoeren van artikel 78 omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de opvang of behandeling.

2.   Ter uitvoering van het eerste lid draagt de inrichting, afgestemd op de aard en omvang van de instelling, zorg voor:

a.   het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de opvang of behandeling in een werkplan;

b.   het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van artikel 78 leidt tot een verantwoorde opvang of behandeling;

c.   het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zo nodig veranderen van de wijze waarop artikel 78 wordt uitgevoerd.

 

Artikel 80

1.   Indien Onze Minister van oordeel is dat de artikelen 77 tot en met 79 niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, kan hij de directeur een schriftelijke aanwijzing geven.

2.   In de aanwijzing omschrijft Onze Minister met redenen omkleed de punten waarop de artikelen 77 tot en met 79 niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

3.   De aanwijzing bevat een termijn waarbinnen de directeur eraan moet voldoen. De directeur is verplicht binnen de daartoe gestelde termijn aan de aanwijzing te voldoen.

Hoofdstuk 16.  Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures

Artikel 81

1.   De beloning van de tolk of vertaler en de vergoeding van de door hen gemaakte kosten, bedoeld in artikel 66, vierde lid, 70, tweede lid, en 72, vierde lid, van de wet geschieden volgens het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.

2.   De secretaris van de beklag- of beroepscommissie stelt op basis van de in het eerste lid bedoelde bepalingen de hoogte van de beloning en vergoeding vast. Met de uitbetaling is de directeur belast.

Hoofdstuk 17.  Aansprakelijkheid directeur

Artikel 82

Buiten geval van opzet of bewuste roekeloosheid is de aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een jeugdige ingevolge artikel 50, tweede lid, van de wet onder zich heeft, beperkt tot vijfhonderd euro per voorwerp, inclusief eventuele gevolgschade.

Hoofdstuk 18.  Wijziging andere regelgeving

Artikel 83

 [Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994. ]

Artikel 84

 [Wijzigt het Subsidiebesluit justitiŽle jeugdinrichtingen.]

Artikel 85

 [Wijzigt de Gratieregeling 1976.]

Artikel 86

 [Wijzigt het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid.]

Hoofdstuk 19.  Slotbepalingen

Artikel 87

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de wet en dit reglement en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit reglement de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 88

 [Wijzigt deze wet.]

Artikel 89

 [Wijzigt het Besluit regels inrichtingen voor justitiŽle kinderbescherming.]

Artikel 90

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 91

Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement justitiŽle jeugdinrichtingen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 5 juli 2001

Beatrix

 

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

 

De Staatssecretaris van Justitie,

N. A. Kalsbeek

 

Uitgegeven de zesentwintigste juli 2001

 

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

 

(Tekst geldend op: 04-07-2006)

 

Regeling plaatsing en overplaatsing jeugdigen

 De Minister van Justitie,

Gelet op artikel 8, eerste lid, artikel 15, derde lid, en artikel 16, zesde lid, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

Gezien het advies van het College van advies voor de justitiŽle kinderbescherming van 1 februari 2001, nummer 5078699/01/TH/rb.

Besluit:

  Paragraaf 1.  Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.  wet:   de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen; 

b.  opvanginrichting:   een inrichting als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet; 

c.  behandelinrichting:   een inrichting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet.  

 Paragraaf 2.  Beveiligingsniveau

Artikel 2

1.   In een beperkt beveiligde inrichting of afdeling kunnen jeugdigen worden geplaatst:

a.   aan wie een vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet is opgelegd,

b.   die, gelet op de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan of op de aanwijzingen van het openbaar ministerie en de autoriteiten die de maatregel hebben opgelegd, in aanmerking komen voor een beperkt beveiligde inrichting, en

c.   een te verwaarlozen risico hebben dat zij zich onttrekken aan het toezicht van de inrichting.

 

2.   Voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling komen niet in aanmerking jeugdigen:

a.   ten aanzien van wie vaststaat dat zij, na de tenuitvoerlegging van ťťn van de vrijheidsbenemende maatregelen, genoemd in artikel 10, eerste lid, van de wet, Nederland zullen dienen te verlaten, uitgezet of uitgeleverd zullen worden, of

b.   die aansluitend op de tenuitvoerlegging van ťťn van de vrijheidsbenemende maatregelen, genoemd in artikel 10, eerste lid, van de wet, een vrijheidsstraf of een andere vrijheidsbenemende maatregel zullen ondergaan.

 

Artikel 3

In een normaal beveiligde inrichting of afdeling worden jeugdigen, als bedoeld in artikel 9 van de wet, geplaatst alsmede jeugdigen die op grond van artikel 2 niet in aanmerking komen voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling.

 Paragraaf 3.  Inrichtingen en afdelingen voor bijzondere opvang dan wel behandeling

Artikel 4

1.   Jeugdigen kunnen worden geplaatst op een door de Minister van Justitie als zodanig aangewezen afdeling voor intensieve zorg of een als zodanig aangewezen afdeling voor intensieve behandeling.

2.   De selectiefunctionaris neemt bij de beslissing een jeugdige te plaatsen op een afdeling voor intensieve zorg of voor intensieve behandeling, het advies van een gedragsdeskundige zoveel mogelijk in acht.

Artikel 5

1.   Een jeugdige kan op een afdeling voor intensieve zorg worden geplaatst indien dit noodzakelijk is ten behoeve van het stabiliseren en het zo nodig stellen van een diagnose ten aanzien van de jeugdige. Deze plaatsing geschiedt alleen indien:

a.   de jeugdige in een crisis verkeert,

b.   de crisissituatie vermoedelijk gevolg is van een psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis, en

c.   de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b tijdelijk niet in een inrichting kan verblijven met een regime als bedoeld in artikel 22 van de wet.

 

2.   De directeur bepaalt telkens na ten hoogste zes weken en met inachtneming van het advies van een gedragsdeskundige of de noodzaak tot voortzetting van het verblijf op de afdeling voor intensieve zorg nog bestaat.

Artikel 6

1.   Een jeugdige kan op een afdeling voor intensieve behandeling worden geplaatst indien dit noodzakelijk is ter stabilisatie en behandeling van de jeugdige. Deze plaatsing geschiedt alleen indien:

a.   de jeugdige extra begeleiding behoeft,

b.   de behoefte aan extra begeleiding het gevolg is van een psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis, en

c.   de jeugdige ten gevolge van het gestelde onder a en b tijdelijk niet in een inrichting kan verblijven met een regime als bedoel in artikel 22 van de wet.

 

2.   De directeur bepaalt telkens na ten hoogste drie maanden en met inachtneming van het advies van een gedragsdeskundige of de noodzaak tot voortzetting van het verblijf op de afdeling voor intensieve behandeling nog bestaat.

 Paragraaf 4.  Plaatsing en overplaatsing van strafrechtelijke jeugdigen

Artikel 7

Indien de selectiefunctionaris afwijkt van de in artikel 16, vierde lid, van de wet genoemde aanwijzingen, stelt de selectiefunctionaris het openbaar ministerie dan wel de autoriteit die de straf of de maatregel heeft opgelegd hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.

Artikel 8

1.   Jeugdigen aan wie de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, waarbij de tenuitvoerlegging op grond van artikel 77s, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in een inrichting zal worden ondergaan, worden geplaatst in een behandelinrichting.

2.   De selectiefunctionaris beslist op grond van het plaatsingsadvies van de rechter die de maatregel heeft opgelegd, bedoeld in artikel 77v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de rapportage, bedoeld in artikel 77s, tweede en derde lid, Wetboek van Strafrecht en de rapportage van de opvanginrichting waar de jeugdige verblijft, in welke behandelinrichting de jeugdige geplaatst wordt. De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing met inachtneming van artikel 6.

3.   Op voordracht van de directeur dan wel op grond van een verzoek van de jeugdige als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, kan de selectiefunctionaris een jeugdige overplaatsen naar een andere inrichting. De voordracht tot overplaatsing van de directeur bevat tenminste een rapportage over de uitvoering van het behandelplan van de betrokken jeugdige. De directeur kan in zijn voordracht aangeven voor welke inrichting de jeugdige naar zijn mening in aanmerking zou komen.

4.   Indien de jeugdige een verzoek heeft ingediend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet verzoekt de selectiefunctionaris de directeur om advies.

5.   De selectiefunctionaris neemt met inachtneming van artikel 6 en op grond van de voordracht dan wel het advies van de directeur en de stukken die bij de voordracht of het advies zijn gevoegd een beslissing over de overplaatsing.

Artikel 9

1.   In deze bepaling wordt onder jeugdige verstaan de jeugdige in voorlopige hechtenis, de jeugdige die tot een onherroepelijke vrijheidsstraf is veroordeeld, de jeugdige in gijzeling en de jeugdige in vreemdelingenbewaring.

2.   Op voordracht van de directeur, dan wel op grond van een verzoek van de jeugdige als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, kan de selectiefunctionaris een jeugdige overplaatsen naar een andere opvanginrichting.

3.   Omstandigheden die aanleiding kunnen vormen voor overplaatsing zijn de gronden genoemd in artikel 24, eerste lid, onder a en b, van de wet en met een tijdelijke overplaatsing niet kan volstaan.

4.   De voordracht tot overplaatsing van de directeur bevat, indien beschikbaar, de rapportage over de uitvoering van het verblijfsplan, voor zover dit plan wettelijk is voorgeschreven, alsmede overige relevante informatie betreffende de jeugdige.

5.   Indien de jeugdige een verzoek heeft ingediend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet verzoekt de selectiefunctionaris de directeur om advies.

6.   De selectiefunctionaris neemt een beslissing tot overplaatsing met inachtneming van artikel 6 indien het een verzoek tot overplaatsing van de jeugdige betreft neemt de selectiefunctionaris zijn besluit tevens met inachtneming van de voordracht dan wel het advies van de directeur en de stukken die bij die voordracht of dat advies zijn gevoegd.

 Paragraaf 5.  Plaatsing en overplaatsing van civielrechtelijke jeugdigen

Artikel 10

1.   Onder toezicht gestelde en onder voogdij gestelde jeugdigen ten aanzien van wie met toepassing van artikel 261, derde lid, onderscheidenlijk artikel 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat zij in een gesloten inrichting worden geplaatst, worden met inachtneming van de aanwijzingen van de gezinsvoogdij-instelling dan wel de voogdij-instelling in een normaal beveiligde opvanginrichting of behandelinrichting geplaatst. Plaatsing van deze jeugdigen, geschiedt op grond van het verzoek tot plaatsing van de gezinsvoogdij-instelling dan wel de voogdij-instelling, indien de machtiging gesloten plaatsing, als bedoeld in artikel 261, derde lid, onderscheidenlijk artikel 305, derde lid, van Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek door de kinderrechter is gegeven. Het verzoek bevat tenminste de machtiging gesloten plaatsing van de kinderrechter en de daaraan ten grondslag liggende rapportage.

2.   Onder toezicht gestelde jeugdigen ten aanzien van wie met machtiging van de kinderrechter ingevolge artikel 261, eerste lid, van Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat zij uit huis en tevens in een inrichting dienen te worden geplaatst, worden met inachtneming van de aanwijzingen van de gezinsvoogdij-instelling dan wel de voogdij-instelling in een beperkt beveiligde inrichting geplaatst. Plaatsing van deze jeugdigen geschiedt op grond van het verzoek tot plaatsing van de gezinsvoogdij-instelling dan wel de voogdij-instelling, indien de machtiging uithuisplaatsing, als bedoeld in artikel 261, eerste lid, van Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, door de kinderrechter is gegeven. Het verzoek bevat tenminste de machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter en de daaraan ten grondslag liggende rapportage.

3.   De selectiefunctionaris beslist op grond van de machtiging gesloten plaatsing of de machtiging uithuisplaatsing, alsmede het daaraan ten grondslag liggende gemotiveerde verzoek tot plaatsing in een inrichting en met inachtneming van het gestelde in het eerste lid in welke behandelinginrichting de jeugdige geplaatst wordt.

4.   Op voordracht van de directeur dan wel op grond van een verzoek van de jeugdige als bedoeld In artikel 19, eerste lid, van de wet, kan de selectiefunctionaris een jeugdige overplaatsen naar een andere normaal beveiligde of beperkt beveiligde behandelinrichting.

5.   De directeur doet een dergelijke voordracht niet dan na overleg met de gezinsvoogdij-instelling dan wel de voogdij-instelling. De voordracht tot overplaatsing van de directeur bevat tenminste de rapportage over de uitvoering van het behandelplan van de betrokken jeugdige. De directeur kan in de voordracht aangeven voor welke inrichting de jeugdige naar zijn mening in aanmerking zou komen.

6.   Indien de jeugdige een verzoek heeft ingediend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet verzoekt de selectiefunctionaris de directeur van de inrichting om advies.

7.   De selectiefunctionaris neemt met inachtneming van de aanwijzingen van de gezinsvoogdij-instelling dan wel de voogdij-instelling en op grond van de voordracht dan wel het advies van de directeur en de stukken die bij die overdracht of dat advies zijn gevoegd een beslissing over de overplaatsing.

 Paragraaf 6.  Opname in een ziekenhuis, dan wel een andere instelling

Artikel 11

1.   Indien overbrenging naar een psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 16, vijfde lid, van de wet, geÔndiceerd is, dient de directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft, na overleg met een psychiater, een daartoe strekkend advies in bij de selectiefunctionaris.

2.   Het advies van de directeur gaat vergezeld van:

a.   een schriftelijk advies van het psycho-medisch overleg dan wel een schriftelijk advies van een gedragsdeskundige betreffende de psychiatrische dan wel psychische problematiek van de jeugdige en de wenselijkheid van opname,

b.   een recent verblijfs- of behandelplan,

c.   een inschatting van het risico van onttrekking aan het toezicht door de jeugdige bij een eventuele opname,

d.   een instemming van het openbaar ministerie indien het een voorlopige gehechte jeugdige betreft,

e.   voor zover mogelijk, een onderbouwd advies van de gezinsvoogdij-instelling dan wel van de voogdij-instelling indien het een jeugdige die met toepassing van artikel 261 onderscheidenlijk artikel 305, derde lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek in een inrichting is geplaatst.

 

3.   De selectiefunctionaris beslist op grond van de beschikbare informatie, genoemd in het tweede lid, over de overbrenging naar een psychiatrisch ziekenhuis.

4.   De jeugdige blijft gedurende het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis administratief ingeschreven in de inrichting van herkomst.

5.   De inrichting waar de jeugdige administratief is ingeschreven, volgt gedurende het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis het behandelingsverloop en treedt als aanspreekpunt op bij bijzonderheden en incidenten.

6.   De jeugdige kan in het kader van de behandeling, met instemming van de selectiefunctionaris, een dagbehandeling volgen. De directeur van de inrichting waar de jeugdige administratief is ingeschreven, pleegt hieromtrent overleg met de selectiefunctionaris. Het tweede lid, onder d en e, is van overeenkomstig