| (547)
Geschiedenis. Hoger
beroep Leenders/Nienhuis
met J. Hop Ermelo als hun procesvertegenwoordiger GEGROND
bij Raad van State tegen "niet-ontvankelijk" bezwaarschrift
tegen besluit op Wob102 sloeg
in
als een bom bij NL-jeugdzorg.
Wob102verzoek1, Wob102verzoek2, Wob102verzoek3, Wob102verzoek4, Wob102verzoek5, Wob102verzoek6, Wob102verzoek7, Wob102verzoek8, Wob102verzoek9, Wob102verzoek10, Wob102verzoek11, Wob102verzoek12, Wob102verzoek13, Wob102verzoek14, Wob102verzoek15 |
Lees
eerst de uitgangsformule
©
(134) (75)
(DDD) Denksport De Deur
Beveiliging & bescherming burger tegen een NIET-KLANTVRIENDELIJKE overheid ©
Wob 102.11 een
verplichte praktijkoefening conform uitgangsformule: Wat is de norm? Wat
is het gevaar? Hoe is de vergelijkingsmethode tot
stand gekomen?
Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel
Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd
Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen
Project Schriftelijke Aanwijzing
Project BEZWAAR tegen Plan van Aanpak
Project BEZWAAR tegen HVP zorgverlener
Innovatief en toekomstgericht: Project 31
Project
beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger 11 juni 1997 - heden
11
juni 1997 President rechtbank Zutphen mr. J.J.
Oostveen schrijft in brief over J. Hop Ermelo
aan Procureur-Generaal Hoge Raad citaat:
"Partijen gaan en komen in de zittingzaal, maar de vertegenwoordiger van de
Raad voor de Kinderbescherming treedt in iedere zaak
weer op als adviseur; het komt niet efficiënt en
ook overigens niet opportuun voor, ZELFS WELLICHT ENIGSZINS LACHWEKKEND om de
betreffende vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming telkens de
zaal te doen verlaten en bij de volgende zaak weer te
zien terugkeren. Hoogachtend, Mr. J.J. van Oostveen."
(1)
(12)
18 november 1997 De Telegraaf: "Rechters rechtbank Den Bosch eisen
juridische stappen tegen publicatie van hun bijbaantjes door Hop (131)
Vereniging Directeuren Gezinsvoogdij besluiten tot hetze tegen Hop openen
"helpdesk" in strijd om afgifte contactjournalen gezinsvoogd (137)
(50)
5 november 2007 Rechtbank Zutphen tegen (wraking) door Hop. Hop ontdekt
kinderrechter is rechter, aanklager en belanghebbende (95)
(710)
Vereniging van Nederlandse Gemeenten opent helpdesk tegen Hop om bijbaantjes
TOP-ambtenaren GEHEIM te houden (GRI)
(GEM) (BSC)
5 november 2009 - heden. Strijd om openbaarheid NAMEN (INHUUR) jeugdzorg
personeel (215) (262)
(303) (348)
(463) (441)
(445)
De norm! Betere rechters in Nederland kenmerken zich door waarheidsvinding en niet als een PAPEGAAI de jeugdzorg NAPRATEN!
Is het niet lachwekkend dat rechtbanken niet eens in staat zijn NAMEN RECHTER(S) in de oproep hoorzitting te vermelden?
Staat de naam van de rechter(s) NIET in de oproep hoorzitting vermeld? Dien dan gelijk klacht 653 in bij de President rechtbank!
Stuur redacteur kopietje van de beslissing President op uw klacht voor bijgewerkte bijbanen en code 653 bij die President op internet
WAARSCHUWING CODE 653
Met deze President rechtbank ?????
worden nog steeds de namen van de rechters niet in de oproepen voor
hoorzittingen vermeld!
000000 kenmerk ????? www.burojeugdzorg.nl/653.htm
Indien u oproepen hoorzittingen rechtbank Den Haag ontvangt zonder vermelding
namen van rechters wilt u dan ook gelijk klacht 435 inleveren.
Kennelijk moet deze President eerst MET SPOED VERVANGEN WORDEN door een betere
President die wel in staat is oproepen hoorzittingen met namen van rechters te
produceren!
Alleen wanneer burgers massaal klachten 653 gaan indienen bij rechtbanken kunnen falende Presidenten uit hun IVOREN TORENS verwijderd worden om vervangen te worden door betere Presidenten die wel in staat zijn om zorg te dragen voor NAMEN RECHTERS in de oproepen voor hoorzittingen.
Kent u iemand in Ermelo, Rheden of Zoetermeer? Wilt u hen vragen Groep Hop te stemmen tijdens de verkiezingen gemeenteraad 2010?
Nederland
politiestaat!
Hoe
leer ik zelf WOB procederen tegen bestuursorganen?
WOB VERZOEK, VERDAGING, BESLUIT, BEZWAARSCHRIFT VERDAGING, HOORZITTING, NIEUW
BESLUIT, BEROEPSCHRIFT
Voorbeeld: Meekijken met
procederen met J. Hop tegen NIET KLANTVRIENDELIJKE
GEMEENTEN
Alle wetten en AMvB betreft Justitiële Inrichting. Commentaar en opmerkelijke wetsartikelen volgen na bestudering wetten
(Tekst geldend op: 04-07-2006)
Wet
op de jeugdzorg Artikel 112
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Artikel 78, onderdeel D, treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Bij koninklijk besluit kan een later tijdstip worden bepaald, indien de beschikbare plaatsruimte in de desbetreffende justitiële jeugdinrichtingen zulks noodzakelijk maakt.
3. Tot het tijdstip waarop artikel 78, onderdeel D, in werking treedt, is plaatsing van een jeugdige als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, slechts mogelijk indien de stichting een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de jeugdige op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit, bedoeld in de eerste volzin niet kan worden afgewacht. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in die volzin.
4. Tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, luidt artikel 5, tweede lid, onder d, als volgt:
d. jeugdzorg te verlenen door een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
5. Voor de toepassing van artikel 10 en van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, een besluit als bedoeld in het derde lid gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid.
6. Tot het tijdstip waarop artikel 78, onderdeel D, in werking treedt, is artikel 10, eerste lid, onder g, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Wet op de expertisecentra. (Tekst geldend op: 04-07-2006)
Artikel
71c. Bekostiging leerlingen
residentiële instellingen
1. Het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, die jaarlijks leerlingen ontvangt uit een residentiële instelling en die in aanmerking wenst te komen voor de bekostiging op grond van artikel 112 en voor de bekostiging, bedoeld in artikel 117, achtste lid, dient een verzoek daartoe in bij Onze minister. Onder een residentiële instelling wordt verstaan een instelling voor gehandicaptenzorg, jeugdhulpverlening of jeugdgezondheidszorg dan wel een justitiële jeugdinrichting, waarbij behandeling of opvang en onderwijs vanuit één plan noodzakelijk is vanwege de aard of de duur van de behandeling of opvang.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een opgave van het aantal plaatsen ten behoeve waarvan vergoeding en formatie wordt gewenst, het aantal leerlingen uit de residentiële instelling dat in de voorafgaande periode van 5 schooljaren per schooljaar op de school is ingeschreven, de duur van de inschrijving, het totale aantal plaatsen waarover de residentiële instelling beschikt, de naam en het adres van de residentiële instelling, de aard van de opvang die door de residentiële instelling wordt geboden en een afschrift van de samenwerkingsafspraken die tussen de school en de residentiële instelling zijn gemaakt.
3. Indien het verzoek, bedoeld in het eerste lid, is gedaan voor 1 februari, beslist Onze minister voor 1 augustus daaropvolgend welk aantal plaatsen in aanmerking wordt genomen voor de toekenning van de bekostiging, bedoeld in artikel 117, achtste lid. Een plaats als bedoeld in de eerste volzin wordt voor de vergoeding, bedoeld in artikel 112, gelijkgesteld aan een leerling. Bij de toekenning, bedoeld in de eerste en de tweede volzin, bepaalt Onze minister tevens het aantal schooljaren waarvoor de toekenning geldt.
Wetboek van Strafvordering (Tekst geldend op: 04-07-2006)
Artikel 490
Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen en niet is geplaatst in een justitiële jeugdinrichting, is ten aanzien van zijn ouders of voogd artikel 50 van overeenkomstige toepassing.
Wetboek van strafvordering (Tekst geldend op: 04-07-2006)
Artikel 50
1. De raadsman heeft vrijen toegang tot den verdachte die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van den inhoud door anderen wordt kennis genomen, een en ander onder het vereischte toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
2. Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tusschen raadsman en verdachte hetzij zal strekken om den verdachte bekend te maken met eenige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de opsporing der waarheid te belemmeren, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris, en overigens tijdens het voorbereidende onderzoek de officier van justitie, telkens bevelen dat de raadsman geen toegang tot den verdachte zal hebben of dezen niet alleen zal mogen spreken en dat brieven of andere stukken, tusschen raadsman en verdachte gewisseld, niet zullen worden uitgereikt. Het bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden in den voorgaanden zin bedoeld; het beperkt de vrijheid van verkeer tusschen raadsman en verdachte niet meer en wordt voor niet langer gegeven, dan door die omstandigheden wordt gevorderd, en is in elk geval slechts gedurende ten hoogste zes dagen van kracht. Van het bevel geschiedt schriftelijke mededeeling aan den raadsman en aan den verdachte.
3. De rechter-commissaris of de officier van justitie onderwerpt het bevel onverwijld aan het oordeel van de rechtbank, waartoe hij behoort. De rechtbank beslist zoo spoedig mogelijk na den raadsman te hebben gehoord, althans schriftelijk opgeroepen. De rechtbank kan bij hare beslissing het bevel opheffen, wijzigen of aanvullen.
4. Alle belemmeringen van het vrij verkeer tussen raadsman en verdachte, welke ingevolge een der beide voorgaande leden bevolen zijn, nemen een einde zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of geëindigd, of, ingeval een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de kennisgeving van verdere vervolging of de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan de verdachte is betekend.
(Tekst geldend op: 04-07-2006)
Vaststellingsbesluit
selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Justitiële Jeugdzorg
1945-2000 (Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 september 2005, nr. arc-2005.02518/3);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Justitiële Jeugdzorg over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (Tekst geldend op: 04-07-2006)
Artikel 4
1. Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder.
2. Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover:
a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders,
b. het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een psychiatrische of somatische aandoening of beperking of
c. het verblijf in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen betreft.
3. In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf:
a. indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat;
b. als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige.
4. Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in artikel 3.
Den Haag, 12 december 2005
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de Algemene
Rijksarchivaris ,
M.W. van Boven
Basisselectiedocument
Kinderbescherming en de deelbeleidsterreinen gezag over minderjarigen,
adoptie, jeugdbescherming en jeugdstrafrecht over de periode 1945–2000
1. De selectie
Selectiedoelstelling
Het BSD is opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van het NA/PIVOT, zoals die door de Minister van WVC bij de behandeling van het ontwerp van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer op 13 april 1994 is verwoord. De selectiedoelstelling luidt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald in de richting van de (bewaar)doelstelling van het Nationaal Archief als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’.
De algemene selectiedoelstelling is geoperationaliseerd voor de Kinderbescherming en de deelbeleidsterreinen gezag over minderjarigen, adoptie, jeugdbescherming en jeugdstrafrecht over de periode 1945–2000. Dat wil zeggen dat de geformuleerde handelingen van de betrokken overheidsactoren zijn gewaardeerd op de bijdrage die zij leveren aan de verwezenlijking van de selectiedoelstelling. De selectie gold derhalve de vraag ten aanzien van welke handelingen de administratieve neerslag noodzakelijk zou zijn om een reconstructie mogelijk te maken van de hoofdlijnen van het handelen op voornoemd beleidsterrein.
Selectiecriteria
Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht, gelet op de uit de contextbeschrijving naar voren gekomen hoofdlijnen van het overheidshandelen.
De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het Nationaal Archief. De neerslag van een handeling die niet aan een van de selectiecriteria voldoet, wordt dus in principe niet overgebracht. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (op termijn te vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.
De thans door PIVOT gehanteerde algemene bewaarcriteria luiden als volgt:
1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.
2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen.
3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.
4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.
5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.
6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.
De criteria zijn vooral ontwikkeld door de selectiedoelstelling te koppelen aan het uit de bestuurskunde afkomstige model van de beleidscyclus als voorstelling van feitelijk overheidshandelen. De fasen van de cyclus zijn achtereenvolgens beleidsvoorbereiding (inclusief agendavorming), bepaling, uitvoering en evaluatie/terugkoppeling. De toepassing van het model bij de selectie van overheidsarchief is uiteengezet in de PIVOT-brochure Handelend optreden (Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage 1993).
Naast algemene criteria kunnen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, in een BSD specifieke criteria worden geformuleerd voor handelingen die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd. In dit BSD is voor de handelingen die betrekking hebben op adoptiezaken de waardering B 7 toegekend. Deze stukken worden bewaard in verband met de (mogelijke) vraag naar afstammingsgegevens. En het feit dat een geadopteerd kind de adoptie na zijn meerderjarigheid kan laten herroepen. De hier gehanteerde waardering is overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4.3 van de Normen 2000. Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming.
Op grond van deze selectielijst kunnen sociale dossiers van een Raad voor de Kinderbescherming vernietigd worden op het moment dat het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden, met uitzondering van de dossiers eindigend op een #. Dossiers eindigend op het cijfer #, die ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek van vernietiging worden uitgezonderd, kunnen op grond van artikel 12 lid 1 van het Archiefbesluit 1995 overgebracht worden naar een rijksarchiefbewaarplaats.
In het separate verslag van het driehoeksoverleg wordt op de vraag van de toepasselijkheid van de algemene selectiecriteria, c.q. de noodzaak tot het hanteren van specifieke criteria voor het beleidsterrein, nader ingegaan.
2. Vaststelling Basisselectiedocument
In 2001 is het ontwerp-BSD door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Defensie, de Minister van Financiën, de Minister van Justitie, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de vakminister, de onder deze ministers ressorterende actoren, de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 2 augustus 2005 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Defensie, de Minister van Financiën, de Minister van Justitie, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de vakminister, de onder deze ministers ressorterende actoren, de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 27 September 2005 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02518/3), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
– De waardering van de handelingen 3 en 41 zal worden gewijzigd in ‘V 1 jaar’.
– De waardering van de handelingen 14 en 15 zal worden gewijzigd in ‘V 10 jaar’.
– De waardering van de handelingen 216, 217, 240, 408, 418, 432, 448, 449 en 493 zal worden gewijzigd in ‘V 10 jaar na vervallen regeling’ .
– De handelingen 399 en 404 worden gedifferentieerd gewaardeerd. De neerslag van ‘het opstellen van leerplannen’ blijft gewaardeerd met B1 maar de neerslag van ‘het uitvoeren van de leerplannen’ wordt gewaardeerd met ‘V 10 jaar’.
Daarop werd het BSD op 12 december 2005 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Minister van Binnenlandse Zaken [C/S&A/05/2596], de Minister van Justitie [C/S&A/05/2599], de Minister van Defensie [C/S&A/05/2597], de Minister van Financiën [C/S&A/05/2598] en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [C/S&A/05/2600] vastgesteld.
3. Actoren waarvoor de selectielijst geldt
Ministers
Minister van Binnenlandse Zaken, 1945–
De Minister van Binnenlandse Zaken is als bewindspersoon verantwoordelijk voor de gemeentebesturen, betrokken bij de uitvoering van de Pleegkinderenwet. Hij is ook de bewindsman die verantwoordelijk was voor het Rijkscomputer centrum.
Minister van Defensie, 1945–
– inspecteur van de geneeskundige dienst van de landmacht;
– garnizoensapotheek;
– ’s Rijks magazijn van geneesmiddelen te Amsterdam
Minister van Justitie, 1945–
De Minister van Justitie heeft als centrale taak de zorg voor de rechtsorde. Daaruit vloeien taken voort: het opstellen van rechtsregels ter bevordering van de rechtsorde, het voorkomen van verstoringen van de rechtsorde en het oplossen van conflicten, en tenslotte het bestrijden van bedreigingen van de rechtsorde, zoals misdaden.
Vanaf 1905 is deze minister de verantwoordelijke bewindsman voor het beleidsterrein justitiële jeugdzorg. De minister heeft uit dien hoofde een regulerende taak ten aanzien van uiteenlopende onderwerpen als het gezag over minderjarigen (een onderdeel van het familierecht), de maatregelen voor kinderbescherming (ofwel het jeugdbeschermingsrecht) adoptie, het jeugdstrafrecht en de tenuitvoerlegging daarvan, en de jeugdreclassering. Tevens schept hij voorzieningen m.b.t. de rijks- en particuliere instellingen op dit terrein, zoals de rijks- en particuliere inrichtingen voor justitiële kinderbescherming, en de voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen. Sinds 1989 heeft de Minister van Justitie een gedeelde verantwoordelijkheid voor het beleidsterrein jeugdhulpverlening.[1])
– Hoofdpredikant/Hoofdaalmoezenier bij de inrichtingen van Justitie, 1965–1981
De Hoofdpredikant of Hoofdaalmoezenier bij de inrichtingen van Justitie was tussen 1965 en 1981 belast met het toezicht op protestantse en rooms-katholieke geestelijke verzorging in de jeugdinrichtingen van het rijk.
Minister waaronder Welzijn ressorteert, 1945–
De Minister waaronder Welzijn ressorteert (tegenwoordig de Minister van VWS) heeft sinds 1945 bemoeienis met het beleidsterrein jeugdhulpverlening. Zie voor een beschrijving van onder meer het jeugdwelzijnsbeleid het RIO Schappelijk welzijn op Maat: Een institutioneel onderzoek naar beleidsterreinen binnen het taakgebied welzijn, 1945–1996.
Vakminister, 1945–
De actor vakminister neemt deel aan het gestructureerd overleg met particuliere organisaties over het jeugdbeleid (GOPI) en het gestructureerd overleg met andere overheden over het jeugdbeleid (GOLO). Onbekend is welke ministers precies onder de actor vakminister vallen. Uit de Beschikking tijdelijk gestructureerd overleg jeugdhulpverlening overkoepelende particuliere organisaties van 20 mei 1981, nr. 284/781 en het Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188) blijkt dat hieronder iedere minister die het mede aangaat verstaan moet worden.
Raad voor de Kinderbescherming
Raad voor de Kinderbescherming/Voogdijraden, 1945–
De Raad voor de kinderbescherming en haar rechtsvoorgangers de Voogdijraden en de Raden voor de Kinderbescherming worden in dit BSD aangeduid als de actor de Raad. De Voogdijraden (eerst 15 en later 19) werden ingesteld bij de Burgerlijke Kinderwet uit 1901. Ze waren gevestigd in ieder arrondissement. In 1956 werden de Voogdijraden omgedoopt tot Raden voor de Kinderbescherming (Stb. 602/1954). In 1996 (Stb. 328 en 329) werd de organisatie ingrijpend gewijzigd. In plaats van de 19 Raden voor de kinderbescherming kwam er 1 Raad voor kinderbescherming. Deze Raad is gevestigd te Utrecht. Onder die ene Raad ressorteren 5 ressortbureaus (in ieder hofressort een) en ongeveer 40 werkeenheden. De Raad wordt ondersteund door een Landelijk Bureau. De taken en bevoegdheden van de Raad worden geregeld via het Burgerlijk Wetboek en lagere wet- en regelgeving. De voornaamste taak van de Raad is het optreden als adviseur van de rechter en andere overheden inzake de maatregelen van kinderbescherming en het jeugdstrafrecht. Daarnaast treed ze op in gevallen (zoals adoptie en echtscheiding) waar de belangen van minderjarigen in de knel dreigen te komen. De Raad is verantwoording over haar beleid schuldig aan de Minister van Justitie.
College van Advies voor de Kinderbescherming/College van Advies voor de Justitiële Kinderbescherming, 1956–
Het College van Advies voor de Kinderbescherming verving in 1956 het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies. Art. 22a van de gewijzigde Kinderbeginselenwet (Stb. 602/1954) bepaalt dat het College van Advies voor de Kinderbescherming de Minister van Justitie van advies dient over vraagstukken van algemeen beleid met betrekking tot de aan onze genoemde minister opgedragen uitvoering van de wettelijke bepalingen omtrent jeugdige personen. Nadere regels werden gegeven bij een wijziging op het Kinderbeginselenbesluit(Stb. 337/1956): art. 184–193. Het College bestaat uit ten minste 5 en ten hoogste 19 leden die benoemd worden door de Kroon. Het College zetelt in Den Haag. Aan het College wordt door de Minister van Justitie een secretaris toegevoegd, overige leden krijgen vergoeding voor de kosten. Naast de vraagstukken van algemeen beleid, kan het college vraagstukken het terrein van de kinderbescherming rakende in beraad nemen en de minister daarover adviseren. In 1989 werden de bepalingen met betrekking tot het College ondergebracht in de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 360/1989) art. 81–84. Het College, voortaan College van Advies voor de Justitiële Kinderbescherminggeheten, bestaat vanaf dat moment uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en ten minste 9 andere leden, die benoemd en ontslagen worden door de Kroon.
Vertrouwenscommissie financiële pupillenadministratie, 1975–1990
Klachtencommissies voor de Raden/Raad voor de kinderbescherming, 1982–
De klachtencommissies voor de Raden voor de kinderbescherming werden ingevoerd in 1982[2]). Tot 1997 werden uit de leden van iedere raad voor de kinderbescherming, drie leden aangewezen voor een klachtencommissie. Tezamen waren er zes klachtencommissies die regionaal werkten. De klachtencommissies behandelden klachten gericht tegen medewerkers van het bureau van een raad voor de kinderbescherming uit de regio. De Minister van Justitie voegde een secretaris aan de commissie toe. In 1996 werden de raden voor de kinderbescherming ingrijpend gereorganiseerd. Het aantal raden werd teruggebracht tot een, waaronder vijf ressortbureaus en daaronder weer ongeveer 40 werkeenheden ressorteerden. Deze reorganisatie had ook gevolgen voor de klachtencommissies. Het aantal klachtencommissies werd, bij het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996), teruggebracht van 6 naar 5, een voor ieder ressort. De klachtencommissies behandelen klachten gericht tegen medewerkers van de raad werkzaam in hun ressort. De Minister van Justitie benoemt de leden van de klachtencommissie en voegt tevens een secretaris aan de commissie toe.
Overige actoren
Centrale Adoptieraad, 1956–1973
De Centrale Adoptieraad werd geďntroduceerd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art.969) bij de invoering van de Adoptiewet (Stb. 42/1956). De raad bracht advies uit over verzoeken voor adoptie en verrichte voor het overige werkzaamheden die haar bij AMvB werden opgedragen. De raad bestond uit ten minste zeven leden, die bij Koninklijk Besluit benoemd en ontslagen werden. In 1973 werd de Raad opgeheven.
Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies, 1945–1955
Het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijkstucht- en opvoedingswezen is ingesteld op grond van art.5 van de Kinderbeginselenwet (Stb. 64/1901). Nadere regels werden gegeven bij het Kinderbeginselenbesluit (Stb. 209/1905): art. 184–198. Het College bestond uit ten minste 10 en ten hoogste 16 leden benoemd door de Kroon, en was gezeteld in Den Haag. Door de Minister van Justitie benoemde en bezoldigde ambtenaren stonden het College bij in haar werkzaamheden.
De taken van het College bestonden uit het houden van algemeen toezicht op de gang van zaken in de tuchtscholen en rijksopvoedingsgestichten, en op de naleving van de voorwaarden door de regering gesteld aan particuliere instellingen die regerings- of voogdijkinderen verzorgden en daarvoor subsidie ontvingen. Daarnaast verrichtte het College onderzoek naar vraagstukken op het gebied van de dwangopvoeding, en diende daarover de minister van advies. Tenslotte bestond de mogelijkheid voor de Minister van Justitie om het College te horen in een aantal individuele gevallen. Per 15 april 1955 werd het college opgeheven, maar het werd pas per 1 juli 1956 vervangen door College van Advies voor de Kinderbescherming
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ sector Jeugd)
Klachtencommissie van een Rijksinrichting
Voor omschrijving van de Klachtencommissie van een Rijksinrichting zie de actor Commissies van Toezicht voor de Rijksinrichtingen/Commissies van toezicht voor de justitiële jeugdinrichtingen voor kinderbescherming van het rijk.
Commissie van toezicht van een rijksinrichting/Commissies van toezicht voor de justitiële jeugdinrichtingen voor de kinderbescherming van het rijk
Iedere rijksinrichting heeft een Commissie van toezicht. De leden van deze commissie worden door de Minister van Justitie benoemd en ontslagen. Van oorsprong was de taak van de commissies het bijstaan van de directeur van de inrichting van het rijk bij het beheer van de inrichting. Sinds 1983 (Stb. 273) zijn de commissies ook expliciet belast met de behandeling van klachten van minderjarige. Vanaf dat jaar bestaat er binnen de Commissie van toezicht ook een aparte klachtencommissie. Deze behandelt ingewikkelde zaken en beroepszaken tegen een eerdere beslissing van de commissies.
Vertrouwenscommissie financiële pupillenadministratie, 1975–1990
De Vertrouwenscommissie financiële pupillenadministratie tussen 1975 en 1990 op basis van Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975) belast met het houden van toezicht op de door het Rijks Computercentrum bij te houden centrale financiële administratie m.b.t. minderjarigen op wie een maatregel van kinderbescherming van toepassing was. De commissie gaf de Minister van Justitie advies over verzoeken tot inlichtingen over, en inzage of verbetering van gegevens in die administratie. En tenslotte mocht de commissie de Minister van Justitie of de Nationale federatie van advies dienen over aangelegenheden de administratie betreffende.
Directeur van een rijksinrichting/hoofd van een rijksinrichting (justitiële jeugdinrichting van het rijk)
De actor directeur van een rijksinrichting is de verantwoordelijke persoon voor het reilen en zeilen van een rijksinrichting voor de kinderbescherming. Deze rijksinrichtingen werden in 1905 ingesteld als inrichtingen voor de tenuitvoerlegging van de tuchtschoolstraf en de maatregel van ter beschikking stelling aan de Regering[3]) op basis van het Wetboek van Strafrecht. Ook minderjarigen die onder voogdij van een instelling stonden en wegens hun gedrag elders niet te handhaven waren, konden in een rijksinrichting worden opgenomen. Vanaf 1954 konden ook bepaalde kinderen die ondertoezicht gesteld waren op basis van het Burgerlijk Wetboek (OTS met uithuisplaatsing in een inrichting voor bijzondere tucht) in een rijksinrichting geplaatst worden.
De Minister van Justitie is de verantwoordelijke bewindsman voor de rijksinrichtingen. De inrichtingen worden onderscheiden naar opvangtehuizen, observatiehuizen, tuchtscholen (tegenwoordig inrichtingen voor de tenuitvoerlegging van jeugddetentie) en inrichtingen voor opvoeding, inrichtingen voor buitengewone behandeling en inrichtingen voor zeer intensieve behandeling.
Sinds de jaren tachtig vallen de rijksinrichtingen onder de noemer justitiële jeugdinrichtingen of inrichtingen voor justitiële kinderbescherming. Onder deze noemer worden ook particuliere inrichtingen begrepen. Het onderscheid ‘rijksparticulier’ is tegenwoordig eigenlijk alleen nog van belang in financiële termen, en voor de sturingsrelatie tussen het Ministerie (Dienst Justitiële Inrichtingen) en de inrichtingen. De particuliere inrichtingen vallen echter niet onder de Archiefwet en van hen zijn dan ook zowel in het RIO als dit BSD geen handelingen opgenomen.
Directeur van een inrichting voor de tenuitvoerlegging van jeugddetentie
Directeur van een rijksobservantenhuis
N.B. De handelingen die de Rechterlijke Macht (kinderrechter, rechtbank, gerechtshof) en het Openbaar Ministerie ten aanzien van de jeugdhulpverlening verrichten, zijn in dit BSD niet opgenomen. Er wordt hier volstaan met te verwijzen naar het bij het RIO Gedeelde geschillen samengestelde BSD en het samen te stellen BSD voor het Openbaar Ministerie.
Voor de handelingen van de Minister van Onderwijs wordt verwezen naar het BSD behorende bij PIVOT-rapport Speciaal Centraal: een institutioneel onderzoek naar het deelbeleidsterrein speciaal onderwijs, periode 1950–1996.
4. Een kort overzicht van de organisatie en het beleidsterrein[4])
Organisatie voogdijraden/Raden voor de kinderbescherming
De Burgerlijke kinderwet bepaalde dat er in ieder arrondissement tenminste een voogdijraad was. Deze raad gaf de rechtbank, bij ontheffing en ontzetting uit de ouderlijke macht, inlichtingen welke instelling de verzorging van het kind op zich diende te nemen[5]). Een algemene maatregel van bestuur [6])regelde de samenstelling van de Voogdijraden, hun aantal, ressort en zetel, en de wijze waarop de door de Voogdijraden gemaakte kosten door de Staat worden betaald en verantwoord.
Tot 1956 deden de, door de Kroon benoemde, leden van de raad zelf de onderzoeken die voor advisering aan de rechtbank in verband met maatregelen van kinderbescherming noodzakelijk waren.
Per 1 juli 1956 werden de Voogdijraden gereorganiseerd en kregen de naam ‘Raden voor de kinderbescherming’.[7]) Deze reorganisatie introduceerde een onderscheid tussen de raad zelf (die werd nu onderverdeeld in commissies) en het bureau van de raad, waaraan opgeleide onderzoekers werden verbonden die het feitelijke onderzoek deden. De Minister van Justitie benoemde deze medewerkers van het bureau. De beslissingsbevoegdheid over het uit te brengen advies lag echter nog steeds bij de leden van de Raad. De Minister van Justitie gaf aanwijzingen waarin de werkzaamheden van het bureau de Raad geregeld werden.
In 1972 stelde de Minister van Justitie een commissie in o.l.v. mr. Abbenhuis. Deze commissie adviseert dat de behandeling van individuele zaken en de beslissingen daarover, zoveel mogelijk bij het bureau moeten liggen. Aldus geschiedt en de leden van de raad gaan zich bezig houden met het uitzetten van algemenere beleidslijnen waarbij gestreefd werd naar betere waarborgen voor landelijke eenheid van beleid. De Minister van Justitie benadrukte daarbij dat het van belang was dat de raden zich niet alleen aan de wet hielden maar ook aan de ministeriële aanwijzingen; kennelijk was dit een moeilijk punt. Bovendien moest er een betere klachtenprocedure komen. M.b.t. het laatste werd besloten, dat er naast de mogelijkheden tot onderzoek van klachten via de Nationale Ombudsman (Stb. 35/1981) toch ook een eigen procedure moest komen.[8])
In 1996 (Stb. 328 en 329) werd de organisatie van de Raden ingrijpend gewijzigd. Voortaan is er slechts een Raad voor de kinderbescherming (gevestigd in Utrecht). De raad staat onder leiding van een algemeen directeur bijgestaan door 5 ressortdirecteuren die elk leiding hebben over de in hun ressort (overeenkomend met het werkgebied van het hof) werkzame eenheden. De regionale eenheden doen het feitelijke werk. Het Landelijk bureau van de raad voor de kinderbescherming verzorgt het beheer: zij coördineert de financiële administratie, de personeelsadministratie en het productiebeheer, en regelt tevens de pers- en publieksvoorlichting. De klachtenprocedure wordt via een apart AMvB geregeld.
Tot 1989 had de Raad op grond van de opeenvolgende Organisatiebesluiten de plicht om de samenwerking tussen de in zijn gebied werkzame instellingen van kinderbescherming te bevorderen. Sinds de invoering van de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 360/1989) berust er een samenwerkingsplicht op alle rechtspersoonlijkheid bezittende uitvoerders van de jeugdhulp en het RIAGG binnen een regio. Ook de Raad neemt aan dit zogenaamde samenwerkingsverband deel.[9]) Het samenwerkingsverband is een rechtspersoon. De taken van het samenwerkingsverband zijn:
a. uitwisseling van informatie omtrent de inhoud van de door de deelnemende uitvoerders geboden voorzieningen;
b. het aanleggen en bijhouden van een overzicht van de in de regio aanwezige voorzieningen;
c. het op elkaar afstemmen van de werkzaamheden van de uitvoerders, en het maken van afspraken over de bijdrage van de RIAGG in de jeugdhulpverlening;
d. het maken van afspraken over de ondersteuning van voorzieningen en derden door wie een probleem of stoornis bij een jongere wordt gesignaleerd;
e. het geven van adviezen aan het provinciale bestuur m.b.t. de planning van regionale voorzieningen;
f. het in stand houden van het jeugdhulpadviesteam.
Klachtencommissie voor de raden/Raad voor de kinderbescherming
Bij het Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982 (Stb. 16/1982): artikel 35/ 43 werd een klachtenprocedure ingevoerd. Iedereen kan zijn beklag doen over optreden van een medewerker jegens klager persoonlijk of over de wijze waarop door een medewerker vorm was gegeven aan het beleid van de Raad. De klacht kon worden ingediend bij de directeur van het bureau. Wanneer de directeur geen aanvaardbare oplossing kan vinden, kan de klager zich wenden tot de klachtencommissie . Deze klachtencommissie wordt samengesteld uit meerdere raden, waarbij iedere raad 3 leden aanwijst. Aan de commissies wordt door de Minister van Justitie een secretaris toegevoegd.
De reorganisatie in 1996 van de raden voor de kinderbescherming had ook gevolgen voor de klachtencommissies. Bij deze reorganisatie werd het aantal raden teruggebracht tot een, waaronder vijf ressortbureaus en daaronder weer ongeveer 40 werkeenheden ressorteerden. Het aantal klachtencommissies werd, bij het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996), teruggebracht van 6 naar 5, een voor ieder ressort. Deze klachtencommissies behandelen klachten gericht tegen medewerkers van de Raad werkzaam in hun ressort.[10]) De Minister van Justitie benoemt de leden van de klachtencommissie en voegt tevens een secretaris aan de commissie toe.
Gezag over minderjarigen: ouderlijk gezag en voogdij
Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere minderjarige onder gezag staat. Dit gezag is de ouderlijke macht of voogdij, waarbij voogdij ook door een rechtspersoon kan worden uitgeoefend. De ouderlijke macht wordt altijd door twee personen binnen het huwelijk uitgeoefend.
Ouderlijke macht betreft het geheel van bevoegdheden en verplichtingen van ouders ten opzichte van de persoon en het vermogen van hun kind. Tot die verplichtingen behoort bijvoorbeeld de plicht om het kind te onderhouden en te verzorgen. De ouderlijke macht eindigt van rechtswege door meerderjarigheid van het kind. De ouderlijke macht kan ook eindigen door een uitspraak van de rechtbank. Dat gebeurt wanneer er sprake van een maatregel van ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht. In dat geval wijst de rechtbank een voogd aan.
Onder voogdij wordt de zorg verstaan, die krachtens rechterlijke aanwijzing of met rechterlijke kennisneming of goedvinden wordt uitgeoefend over de persoon en de goederen van een minderjarige. Normaal gesproken wordt de voogdij toegewezen of bevestigd door de kantonrechter. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer per testament een voogd over een kind wordt aangewezen. De kantonrechter heeft ook de bevoegdheid om een voogd te benoemen wanneer een minderjarige niet onder gezag staat of wanneer dat gezag blijkbaar niet wordt uitgeoefend. Tot 1995 bestond er naast een voogd altijd een toeziend voogd. Die toeziend voogd werd benoemd door de kantonrechter.
Aan de toewijzing van voogdij komt dus altijd een rechter te pas. Tot 1993 was dit de kantonrechter of de rechtbank. Vanaf 1993 (Stb. 268/1993) kan ook de kinderrechter voogdij toewijzen. Hij kan een minderjarige moeder meerderjarig verklaren en haar dan tot voogdes over het kind benoemen (tot 1995 was hij ook bevoegd om te voorzien in een toeziende voogdij). De Raad mag, na schriftelijke toestemming van de moeder, het verzoek tot meerderjarigheidsverklaring namens haar indienen.
De juridische betekenis van de begrippen ouderlijke macht en voogdij was vroeger anders dan nu.
Tot 1995 was de ouderlijke macht een zogenaamd huwelijksgevolg. Dat wil zeggen dat het alleen kon bestaan binnen het huwelijk. Ouders die niet getrouwd, of gescheiden waren, voerden voogdij over hun kinderen. Dit noemde men vaak oudervoogdij, om het te onderscheiden van voogdij door derden, die ook gevoerd kon worden door rechtspersonen: de voogdij-instellingen. Wettige kinderen stonden, wanneer een van de ouders was overleden, meestal van rechtswege onder voogdij van de langstlevende ouder. Een natuurlijk kind (dat wil zeggen een kind dat buiten het huwelijk geboren was) stond van rechtswege onder de voogdij van de meerderjarige moeder.
De ouderlijke macht en de voogdij eindigden van rechtswege bij meerderjarigheid van het kind. De ouderlijke macht kon echter ook beëindigd worden door een uitspraak van de rechtbank. Dit gebeurde bij echtscheidingen of bij een maatregel van ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht. In die gevallen wees de rechtbank een voogd aan. De rechtbank had ook de mogelijkheid een (ouder-)voogd uit het gezag te ontheffen of ontzetten. Ouders die uit de ouderlijke macht of de voogdij over een kind waren ontzet, konden geen (toeziende) voogdij over dat kind meer voeren. Dat ontsloeg die ouders overigens niet van de plicht in het onderhoud van hun kinderen te voorzien.
Onder voogdij stonden dus minderjarigen:
– van wie de ouders binnen het huwelijk niet het gezag over hen hadden;
– over wie het gezag ontbreekt of niet wordt uitgeoefend;
– van wie de ouders of een der ouders was overleden;
– van wie de ouders of een der ouders uit de ouderlijke macht was ontzet of ontheven;
– van wie de ouders van echt waren gescheiden;
– of die natuurlijke, al dan niet wettig erkend kinderen zijn.
In 1995 werd het Burgerlijk Wetboek gewijzigd.[11]) Daarbij vervielen de toeziende voogdij en de oudervoogdij. Voogdij wordt voortaan altijd door een ander dan een ouder uitgeoefend. De term ouderlijke macht verdwijnt en maakt plaats voor de term ouderlijk gezag.
Ouders hebben vanaf 1995 ouderlijk gezag over hun kinderen ongeacht hun huwelijkse staat. Het ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door een ouder alleen uitgeoefend. Na ontbinding van het huwelijk of na scheiding van tafel en bed blijven ouders samen het ouderlijk gezag uitoefenen, tenzij de ouders of één van hen de rechtbank verzoeken in het belang van het kind te bepalen dat het ouderlijk gezag over het kind of de kinderen aan één van de ouders alleen toekomt. Ouders die niet gehuwd zijn of waren, kunnen gezamenlijk het gezag over hun kinderen voeren wanneer ze dat laten aantekenen in het gezagsregister. De aantekening kan in bepaalde gevallen door de griffier geweigerd worden. Daartegen is beroep mogelijk bij de kantonrechter.
Per 1 januari 1998 bestaat er geregistreerd partnerschap.[12]) Dit is een familierechtelijke relatie naast en gelijkwaardig aan het huwelijk. Het kan worden aangegaan door twee personen van gelijk geslacht die niet kunnen huwen of twee personen van ongelijk geslacht die niet willen huwen.
Het geregistreerd partnerschap heeft geen gevolgen voor de familierechtelijke betrekkingen met kinderen. Maar op grond van de Wet van 30 oktober (Stb. 506/1997) kan de rechter gezamenlijk gezag toewijzen aan een ouder en diens partner (die dus niet van het andere geslacht hoeft te zijn). Op deze vorm van gezamenlijk gezag zijn praktisch alle zaken van toepassing die ook op het ouderlijk gezag van toepassing zijn. Dat betekent dat de ouder en diens partner een onderhoudsverplichting ten opzichte van hun kinderen hebben, maar ook dat de procedures van ontheffing en ontzetting uit het gezag op hen van toepassing zijn.
Wel nieuw is de mogelijkheid van gezamenlijk voogdij die in deze wet geďntroduceerd werd: de gezamenlijke gezagsuitoefening door twee personen die niet de ouders van het kind zijn, bijvoorbeeld twee pleegouders. Dit kan via testament of door toewijzing via de rechter geregeld worden.
Adoptie
Door adoptie ontstaan er familierechtelijke betrekkingen tussen een kind, zijn adoptiefouder(s) en de bloedverwanten daarvan. Hierbij houden de familierechtelijke betrekkingen tussen de geadopteerde en zijn eigen bloedverwanten op te bestaan. Tot 1997 leidde adoptie tot de status van wettig[13]) kind van zijn adoptiefouders. Adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van een echtpaar dat een kind wil adopteren.
Tegenwoordig denken we bij het woord ‘adoptie’ bijna automatisch aan buitenlandse kinderen. Oorspronkelijk had adoptie echter vooral betrekking op Nederlandse kinderen. De Adoptiewet (Stb. 42/1956) regelde de nodige wijzigingen op het Burgerlijk Wetboek, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafrecht.
Jeugdbeschermingsrecht: maatregelen van kinderbescherming
Het Burgerlijk Wetboek voorziet in vier maatregelen van kinderbescherming: de voorlopige toevertrouwing (tegenwoordig voorlopige voogdij), de ondertoezichtstelling, de ontheffing en de ontzetting uit het gezag. Een ontheffing/ontzetting dient voor de rechtbank (met deelname van de kinderrechter). De OTS dient voor de kinderrechter. Alle maatregelen kunnen worden verzocht door de Raad voor de kinderbescherming of gevorderd door de officier van justitie.
De rechter kan de Raad voor de kinderbescherming verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de gezinssituatie van een kind en vervolgens te adviseren over hoe verder te handelen met dat kind, de Raad kan een verzoekschrift indienen strekkende tot een verderstrekkende maatregel.
Als regel komen meldingen van ouders, voogden, familie en buren of scholen en artsen met betrekking tot opvoedingsproblemen, vermoedens van verwaarlozing en mishandeling of bij het ontbreken van ouderlijk gezag of voogdij terecht bij de Bureaus Jeugdzorg (BJZ) en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK).
Meldingen van opvoedingsproblemen waarbij sprake is van een acute en ernstige bedreiging van het kind en waarbij aan het kind onmiddellijk hulp (of zorg) moet worden geboden en waarbij de ouders (of wettelijke vertegenwoordigers) de hulp (of zorg) niet geven, worden rechtsreeks bij de Raad gemeld.
Meldingen, waarbij de melder anoniem wenst te blijven, worden in behandeling genomen indien het evident is dat er sprake is van een (mogelijke) ernstige bedreiging van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid.
Wanneer de Raad aanleiding ziet om de melding te onderzoeken, worden de ouders of verzorgers daarvan op de hoogte gesteld. De Raad verzamelt vervolgens informatie over de situatie waarin het kind zich in bevindt. Er wordt gesproken met de ouders/verzorgers, waarbij ook advies gegeven kan worden. Naar aanleiding van deze intake wordt bepaald of er een volledig onderzoek van de Raad moet plaats vinden. Vindt de Raad dat niet noodzakelijk, dan kan ze eventueel doorverwijzen naar de vrijwillige hulpverlening. Na het onderzoek heeft de Raad drie opties: ze kan besluiten geen actie te ondernemen, ze kan doorverwijzen naar andere instanties, en ze kan een maatregel van kinderbescherming uit te lokken. Dit laatste is het zogenaamde rekwestreren: de Raad verzoekt de rechter om een specifieke maatregel van kinderbescherming uit te spreken.
Voorlopige toevertrouwing of voorlopige voogdij
De voorlopige toevertrouwing was de enige maatregel van kinderbescherming die in eerste instantie door de officier van justitie kon worden gevorderd. Hij had de bevoegdheid om in bepaalde (nood)situaties kinderen voorlopig toe te vertrouwen aan de Raad. Daardoor konden kinderen aan de macht van hun ouders of voogden onttrokken worden en konden zij bijvoorbeeld in een pleeggezin geplaatst worden. Ook konden (buitenlandse) pleegkinderen uit een gezin gehaald worden waarin ze er illegaal verbleven. De officier kon deze bevoegdheid ook uitoefenen wanneer het kind verlaten of (kennelijk) zonder toezicht was, of wanneer niet in de ouderlijke macht of voogdij over het kind was voorzien.[14]) De Raad was verantwoordelijk voor de kinderen. Ze regelde de plaatsing en hield het toezicht daarop. Zoals de naam al aangeeft, had de maatregel een voorlopig karakter. De officier was daarom verplicht het nodige te verrichten zodat de rechter een uitspraak over het boven het kind te stellen gezag kon doen. Tot 1947 bestond er geen wettelijk vastgelegde termijn waarbinnen dat nodige verricht moest zijn. In de praktijk leidde dat soms tot uitwassen waarbij kinderen jarenlang uit huis geplaatst werden zonder dat een rechter dat kon toetsen.[15]) Om daar een einde aan te maken was de Raad vanaf 1947 verplicht om aan de kantonrechter een voorziening in het gezag te verzoeken, wanneer bleek dat de minderjarige niet onder gezag stond of als dit gezag niet werd uitgeoefend. Betrof het een kind dat door de officier van justitie aan de Raad was toevertrouwd, dan gold hiervoor een termijn van 6 weken.
In 1997 verdween de maatregel van voorlopige toevertrouwing uit het Burgerlijke Wetboek. Ze werd vervangen door de maatregel van voorlopige voogdij, waarbij een kind door de kinderrechter onder voorlopige voogdij van een voogdij-instelling werd geplaatst. Dit kan gebeuren op verzoek van de Raad of op vordering van de officier van justitie.
Er zijn twee mogelijkheden waarbij van de maatregel van voorlopige voogdij gebruik gemaakt kan worden:
– het gezag ontbreekt of wordt niet uitgeoefend (grond: er moet sprake zijn van ernstig gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen of voor de gezondheid van de minderjarige en de maatregel moet dringend en onverwijld noodzakelijk zijn);
– er is gezag, maar de ouder(s) worden geschorst in de uitoefening van dat gezag (grond: de gronden die tot ontzetting of gedwongen ontheffing van een ouder of tot ontzetting van de voogd kunnen leiden, de maatregel moet dringend en onverwijld noodzakelijk zijn en de kinderrechter bepaalt de duur van de voorlopige voogdij).
Ondertoezichtstelling (OTS)
Sinds 1921 bestaat de mogelijkheid om een kind ondertoezicht te stellen. Vroeger stelde het Burgerlijk Wetboek daaraan als voorwaarde dat het kind ‘zodanig opgroeit, dat het met zedelijke of lichamelijke ondergang bedreigd wordt’. Tegenwoordig geeft het Burgerlijk Wetboek als voorwaarde dat ‘de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.’[16])
Bij een OTS blijft de formele verhouding tussen ouders en kinderen ongewijzigd, maar wijst de kinderrechter een gezinsvoogd (tegenwoordig een gezinsvoogdij-instelling) als toezichthouder aan. Oorspronkelijk kon de rechter naast particulieren, ook ambtenaren voor de kinderwetten en agenten van de ambtenaren van de reclassering als gezinsvoogd aanstellen.[17]) Sinds 1969 werden de benoemingen beperkt tot een nauwere kring van (werknemers van) gezinsvoogdij-instellingen of particulieren.[18]) Vanaf 1995 komen alleen gezinsvoogdij-instellingen zelf nog in aanmerking voor benoeming.
De gezinsvoogd(ij-instelling) houdt toezicht op de ontwikkeling van het kind, zorgt dat hulp en steun wordt geboden en geeft de ouders aanwijzingen over de verdere opvoeding en verzorging. De ouders zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen. Bij conflicten tussen de ouders en de gezinsvoogd, wordt door de kinderrechter beslist. De OTS wordt steeds voor de duur van een jaar uitgesproken. De kinderrechter kan de maatregel echter ten alle tijde verkorten of opheffen. In ieder geval eindigt een OTS bij meerderjarigheid van het kind.
Het verzoek tot een OTS kan worden ingediend door een ouder of degene die de minderjarige als behorend tot zijn gezin opvoedt of door de Raad. Daarnaast kan een OTS gevorderd worden door het Openbaar Ministerie.[19]) Hangende een onderzoek in verband met een verzoek of vordering tot ondertoezichtstelling, kan de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht stellen. Daartegen is geen beroep mogelijk. Als er gelijktijdig met een verzoek of vordering tot OTS een verzoek of vordering tot ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht ligt, dan kan de rechtbank de beslissing in de laatste zaak aanhouden totdat de OTS is afgewezen of afgelopen.
In 1995 werd de OTS belangrijk gewijzigd bij de Wet van 26 april 1995 (Stb. 255) tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen. Tot 1995 sprak de rechter niet alleen de maatregel uit, maar hield zich ook bezig met de uitvoering ervan. Formeel gesproken stond het kind namelijk ondertoezicht van de kinderrechter. De gezinsvoogd was dan ook verplicht maandelijks aan de kinderrechter te rapporteren, en diens aanwijzingen op te volgen. Dit systeem werd in 1995 losgelaten. Voortaan spreekt de kinderrechter de maatregel slechts uit en komt het kind onder toezicht van een gezinsvoogdij-instelling te staan.
Bij deze wetswijziging kregen de gezinsvoogdij-instellingen ook een aantal bevoegdheden die daarvoor bij de rechter lagen. Zo mogen zij bepalen of zij verlenging van de OTS of de uithuisplaatsing nodig vinden. Ter controle moet de instelling wel aan de Raad melden dat ze verlenging van de maatregel en/of uithuisplaatsing niet noodzakelijk vindt. De Raad kan dan namelijk, als ze het daar niet mee eens is ,een verzoek indienen tot verlenging van de ondertoezichtstelling of tot vervanging van de gezinsvoogdij-instelling.
Verder kregen in 1995 zowel het pleeggezin als de minderjarige zelf voor het eerst een stem in het kapittel.
De pleegouders kunnen een ondertoezichtstelling en een verlenging van de ondertoezichtstelling verzoeken. Ook kunnen zij verzoeken de plaatsing te beëindigen of de duur ervan te bekorten. Verder kunnen zij de gezinsvoogdij-instelling verzoeken af te zien van, een krachtens een machtiging toegestane, wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige.
De minderjarige kan verzoeken om opheffing van de maatregel, om beëindiging van de uithuisplaatsing of om een bekorting wegens gewijzigde omstandigheden. Ook kan hij verzoeken af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige.
Gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringinstellingen
De particuliere gezinsvoogdij-instellingen werden als sinds 1922 betrokken bij de uitvoering van de maatregel van ondertoezichtstelling (OTS). Ze werden echter pas vanaf de invoering van de Beginselenwet voor de kinderbescherming (Stb 403/1961) in 1965 aan een aanvaardingsprocedure onderworpen en gesubsidieerd. De wetgever heeft het in de wet over rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen, stichtingen of instellingen van weldadigheid met als doelstelling het verlenen van leiding en steun aan patroons-[20]) en gezinsvoogden, en/of het verlenen van hulp en steun aan voorwaardelijk veroordeelde, invrijheidgestelde of ontslagen minderjarigen en de nazorg te doel hebben. Particuliere instellingen die zich bezig hielden met jeugdreclassering en die voorheen een aparte regeling hadden, vielen vanaf 1965 dus onder dezelfde regeling als de gezinsvoogdij-instellingen. Dit was een logische aanpak omdat veel verengingen zich gelijktijdig bezig hielden met gezinsvoogdij en jeugdreclasseringswerk.
5. Selectielijst
In dit hoofdstuk zijn de handelingen zoals deze in het institutioneel onderzoek zijn opgenomen gewaardeerd; hierbij is de indeling van het onderzoek gevolgd. Allereerst zijn hier de verschillende handelingen van de betrokken ministers opgesomd, waarna de handelingen met waarderingen voor de overige actoren (raden, inspecties en overlegorganen) volgen.
Van een groot aantal handelingen die de Raad voor de Kinderbescherming verricht, vormt een gezinsdossier de neerslag. De in het BSD gebruikte terminologie en de toegekende waardering is overeenkomstig paragraaf 4.3 (Vernietiging van dossier) van de Normen 2000. Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming.
Leeswijzer bij de handelingen
Handelingnummer: de handelingen zijn genummerd overeenkomstig de nummering in het RIO, zodat eenduidigheid is gewaarborgd en het naast elkaar gebruiken van RIO en BSD wordt vereenvoudigd.
Handeling: een handeling is een complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. De formulering van de handelingen is in de regel toegespitst op het product. Echter, een handeling als zodanig omvat alle activiteiten die leiden tot het product. Dientengevolge is de neerslag van een handeling niet beperkt tot het (eind)product, maar omvat ze alle archiefbescheiden die in verband daarmee zijn voortgebracht.
Aangezien handelingen voortvloeien uit taken en bevoegdheden is het mogelijk dat een vermelde handeling in de praktijk nimmer is uitgevoerd. Dit maakt gelet op de structurele functie van een BSD evenwel niets uit. Het is immers altijd mogelijk dat een ‘lege’ handeling in de toekomst wel zal plaatsvinden.
Periode: deze rubriek betreft in beginsel het tijdvak waarbinnen de handeling (ongeacht de frequentie) is of kan zijn uitgevoerd, gelet op de wettelijke grondslag daarvoor of gezien de gebruikte bronnen. Bij slechts eenmaal uitgevoerde handelingen kan in voorkomende gevallen uit de periode-aanduiding de duur van de handeling worden afgeleid.
Grondslag: de grondslag betreft de formele wettelijke basis, ingevolge waarvan een handeling binnen een bepaalde periode wordt of kan worden verricht. Het betreft hier geen uitputtend overzicht van alle wet- en regelgeving op grond waarvan de handeling verricht wordt.
Opmerking: zo nodig is een korte toelichting gegeven ten behoeve van een beter begrip van de handeling zelf, of wordt een aanvulling verstrekt op de informatie in een andere rubriek. De rubriek is in de regel gebruikt voor een inhoudelijke toelichting op de handelingen.
Waardering: de afkorting ‘B’ staat voor ‘bewaren’, dat wil zeggen het na afloop van de wettelijke overbrengingstermijn overdragen aan een rijksarchiefbewaarplaats van de documentaire neerslag (ongeacht de gegevensdrager) van de handeling, in overeenstemming met de geldende archiefwettelijke bepalingen en conform de normen voor de goede en geordende staat van de Rijksarchiefdienst/PIVOT. Zie voor deze normen de brochure Om de kwaliteit van het behoud: normen goede en geordende staat (RAD/PIVOT, Ministerie van WVC, ’s-Gravenhage 1993). Bij een B-handeling is achter de selectiebeslissing aangegeven welk selectiecriterium is toegepast. De afkorting ‘V’ staat voor ‘vernietigen (op termijn)’ oftewel ‘niet overbrengen’. Bij de desbetreffende handelingen wordt de vernietigingstermijn vermeld. Deze termijn betreft het aantal volle jaren dat dient te zijn verlopen sinds het einde van het jaar waarin een archiefbestanddeel (dossier) dat de neerslag van de handeling bevat, is afgesloten, voordat tot vernietiging van dat bestanddeel wordt overgegaan.
Selectielijst
Actor Minister van Justitie
Beleidsontwikkeling en evaluatie
1.
Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid m.b.t. de justitiële jeugdzorg
Opmerking: onder deze handeling valt ook: het voeren van overleg met de andere betrokken en op het beleidsterrein
het voorbereiden ven een standpunt ter inbrenging in de Ministerraadvergaderingen voor beraad en besluitvorming betreffende het beleidsterrein
het voeren van overleg met/het leveren van bijdragen aan het overleg met het Staatshoofd betreffende het beleidsterrein
het voorbereiden van de Memorie van toelichting op de Rijksbegroting betreffende het beleidsterrein; zie ook handelingen 5, 177 en 183 van het BSD ‘Per slot van Rijksrekening’
het toetsen van de uitvoering van het beleid (evaluatie)
het leveren van commentaar op de recht- en doelmatigheidscontroles van de Algemene Rekenkamer op het beleidsterrein; zie ook ‘Per Slot van Rijksrekening’ handeling 295, 357 en 374
het aan externe adviescommissies verzoeken om advies betreffende het beleidsterrein
het informeren van het Kabinet van de Koningin over ontwikkelingen op het beleidsterrein
het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (als beleidsinstrument)
de jaarlijkse verslaglegging aan de Tweede Kamer, en het eenmaal in de 4 jaar vaststellen van een termijnplan voor de jeugdhulpverlening op basis van de Wjhv (Stb. 360/1989): art. 7–art. 9)
Waardering: B 1, 2
Totstandkoming van wet- en regelgeving
2.
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende het beleidsterrein justitiële jeugdzorg
Periode: 1945–1996
Waardering: B 1
Verantwoording van beleid
3.
Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over ontwikkelingen op het beleidsterrein justitiële jeugdzorg
Waardering: V 1 jaar
4.
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende het beleidsterrein justitiële jeugdzorg
Waardering: B 2,3
5.
Handeling: Het informeren van de Commissies voor Verzoekschriften en andere tot het onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het justitiële jeugdzorgbeleid
Waardering: B3
6.
Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende justitiële jeugdzorg en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen
Waardering: B3
Internationaal beleid
7.
Handeling: Het mede voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake justitiële jeugdzorg en het presenteren van Nederlandse standpunt in intergouvernementele organisaties
Waardering: B 1, 2
Informatieverstrekking
8.
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleidsterrein justitiële jeugdzorg
Waardering: V 1 jaar
9.
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het handelen van de Raad en de instellingen van voogdij en gezinsvoogdij en inrichtingen voor justitiële jeugdbescherming
Waardering: V 1 jaar
10.
Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de justitiële jeugdzorg en kinderbescherming
Waardering: V 2 jaar na vervallen; NB van het gedrukte voorlichtingsmateriaal wordt 1 exemplaar bewaard. De voorbereidende stukken worden vernietigd
Toelichting: Zie voor het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (waarbij voorlichting als beleidsinstrument gehanteerd wordt) handeling 1
Onderzoek
11.
Handeling: Het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten over het beleidsterrein justitiële jeugdzorg
Waardering: B 1, 2
Toelichting: voor (interdepartementale) commissies zie handeling 1
12.
Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het beleidsterrein justitiële jeugdzorg
Waardering: V 2 jaar
Subsidiëring
13.
Handeling: Het verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het beleidsterrein justitiële jeugdzorg
Waardering: V 10 jaar
Organisatie Kinderbescherming
14.
Handeling: Het benoemen en ontslaan van de directeur en de ressortdirecteuren
Periode: 1996–
Grondslag: Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming (Stb. 329/1996): art. 2
Waardering: V 10 jaar
15.
Handeling: Het benoemen en ontslaan van personeel van de Raad
Periode: 1945–
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb.807/1933): art. 4; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 6; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 28; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 28; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 21; Organisatiebesluit raad voor de kinnderbescherming (Stb. 329/1996): art. 2
Waardering: V 10 jaar
16.
Handeling: Het bij AMvB geven van de samenstelling en organisatie van de Raad
Periode: 1945–
Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 385b; BW (Stb. H 232/1947): art. 461; NBW (Stb. 167/1969): art. 238
Waardering: B4
17.
Handeling: Het bij AMvB regelen van de behandeling van klachten door de Raad
Periode: 1996–
Grondslag: BW (Stb. 328/1996): art. 293
Waardering: B5
18.
Handeling: Het verdelen van de werkzaamheden van de tussen de kamers van de Voogdijraden in Rotterdam, Amsterdam en Den Haag
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905), zoals ingevoegd bij Besluit van 30 december 1933 (Stb. 804): art. 2a; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 3
Waardering: V 10 jaar
20.
Handeling: Het bij KB geven van een ontheffing van de verplichting voor de secretaris van de Raad om zijn standplaats te hebben in de gemeente waar de Raad gevestigd is
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 3; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5
Waardering: V 10 jaar
22.
Handeling: Het toestaan dat de Raad een of meer plaatsvervangende secretarissen aanstelt
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905), zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 30 december 1933 (Stb. 804): art. 3; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5
Opmerking: Na 1956 had de Raad hiervoor geen goedkeuring van de Minister van Justitie meer nodig
Waardering: V 10 jaar
23.
Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van leden en secretaris van de Raad
Periode: 1945–1997
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905): art. 4; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5–art. 8; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 3–art. 8; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969 (Stb. 543/1969): art. 3–art. 8; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 6–art. 9, art. 14
Opmerking: De voorzitter werd aangewezen uit de leden. Tot 1956 werden de leden benoemd op voordracht van de Commissaris der Koningin en/of de president van de arrondissementsrechtbank; sinds 1956 droeg de Raad zelf nieuwe leden ter benoeming voor.
Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding
29.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van de benoeming van agenten door de Raad
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 9;
Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 11
Waardering: V 10 jaar
31.
Handeling: Het machtigen van de Raad te Rotterdam, Amsterdam of Den Haag om de ondervoorzitter de bevoegdheid tot tekenen van stukken te geven
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 10; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 12
Waardering: V 10 jaar
33.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het reglement van de Raad
Periode: Periode: 1945–1996
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905): art. 13; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 15, art. 16; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 10; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 2
Waardering: V 5 jaar
35.
Handeling: Het jaarlijks voorbereiden van de vaststelling van de som die iedere Raad mag besteden voor uitgaven
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905), zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 30 december 1909 (Stb. 39): art. 16; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 18
Opmerking: de vaststelling van de totale som die beschikbaar is voor de Voogdijraden geschied via de Rijksbegroting. Zie hiervoor PIVOT-onderzoek rijksbegroting
Waardering: V 10 jaar
36.
Handeling: Het vaststellen van regels over de wijze waarop de kosten van de Raad door de staat gedragen worden
Periode: 1956–1982
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 33–art. 35; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming(Stb. 327/1964): art. 33;
Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 33
Opmerking: de vaststelling van de totale som die beschikbaar is voor de Raad geschied via de Rijksbegroting. Zie hiervoor PIVOT-onderzoek rijksbegroting
Waardering: V 10 jaar
37.
Handeling: Het vergoeden van kosten gemaakt door de Raad
Periode: 1945–1982
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 39/1909): art. 16; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 33–art. 35; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 33
Opmerking: voor de posten op de rijksbegroting zie RIO rijksbegroting
Waardering: V 10 jaar
38.
Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, reiskostenvergoedingen, bezoldigingen e.d. aan leden (en secretaris) van de Raad
Periode: 1945–1996
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933: art. 18; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 10; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 9; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 9; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 13
Opmerking: Dit zijn geen ambtenaren die bezoldigd worden vanwege de Minister van Justitie; zie daarvoor PIVOT-onderzoek over rechtspositie ambtenaren (in voorbereiding)
Waardering: V 5 jaar
39.
Handeling: Het voeren van periodiek overleg inzake de werkzaamheden en het beleid van de Raad voor de Kinderbescherming
Periode: 1945–
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 18; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 20; Organisatiebesluit 1996, art. 1 lid 4
Product: Besluitenregister, notulen
Waardering: B 1
42.
Handeling: Het geven van voorschriften met betrekking tot de inrichting van het jaarverslag van de Voogdijraden
Periode: 1945–1996
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 20; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 22; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 26; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 34
Waardering: V 5 jaar
43.
Handeling: Het zorgdragen voor voldoende documentatie van de Raad over de kinderbescherming in het geheel
Periode: 1956–
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 22;
Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 22; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 31
Waardering: V 10 jaar
46.
Handeling: Het geven van aanwijzingen voor het regelen van de werkzaamheden van het bureau van de Raad
Periode: 1956–1996
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 28;
Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 28
Opmerking: De reorganisatie van 1956 introduceert een onderscheid tussen de Raad zelf (die de besluiten neemt), en het bureau van de Raad, (waaraan de onderzoekers verbonden zijn). De secretaris van de Raad is tevens directeur van het bureau
Waardering: B4
47.
Handeling: Het verstrekken van opdrachten of algemene aanwijzingen over minderjarigen aan de Raad
Periode: 1945–1982
Grondslag: Besluit van 15 juni 1905 (Stb. 207), zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 30 december 1933 (Stb. 804): art. 19; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 21; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 25; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 25; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 4
Waardering: B5
56.
Handeling: Het benoemen of ontslaan van de (plaatsvervangende) voorzitters en (plaatsvervangende) leden van de klachtencommissies voor de Raad voor de kinderbescherming
Periode: 1996–
Grondslag: Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996): art.7
Waardering: V 10 jaar
57.
Handeling: Het toevoegen van een secretaris aan de klachtencommissie voor de Raden voor de kinderbescherming
Periode: 1982–
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 40 ; Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996): art.8
Waardering: V 10 jaar
58.
Handeling: Het toekennen van vacatiegelden aan leden van de klachtencommissie voor de Raden voor de kinderbescherming
Periode: 1982–
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 13, art. 43; Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996): art. 11
Waardering: V 10 jaar
61.
Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van leden van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies
Periode: 1945–1955
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.4.; KbW (Stb. 612/1922): art. 5.4; Kbb (Stb. 209/1905): art. 184
Waardering: V 10 jaar
62.
Handeling: Het aanwijzen van een hoofdambtenaar die deelneemt aan de beraadslagingen van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies
Periode: 1945–1955
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 184
Waardering: V 10 jaar
63.
Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van een secretaris van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies
Periode: 1945–1955
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 184
Waardering: V 10 jaar
64.
Handeling: Het, het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies gehoord, benoemen of ontslaan van ambtenaren t.b.v. het secretariaat van het college
Periode: 1945–1955
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 184
Opmerking: deze ambtenaren worden door de Minister van Justitie bezoldigd; zie daarvoor PIVOT-onderzoek over rechtspositie ambtenaren
Waardering: V 10 jaar
65.
Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, reiskostenvergoedingen, bezoldigingen e.d. aan de leden en de secretaris van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies
Periode: 1945–1955
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (337/1956): art. 188;
Waardering: V 10 jaar
67.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het reglement van orde van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 193
Waardering: V 5 jaar
69.
Handeling: Het beslissen op een verzoek om toestemming om door het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies behandelde zaken openbaar te mogen maken
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 197
Waardering: V 10 jaar
College van Advies voor de (Justitiële) Kinderbescherming
71.
Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van de leden, voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het College van Advies voor de (Justitiële) Kinderbescherming
Periode: 1955–
Grondslag: KbW (Stb. 602/1954): art. 22a.2; Kbb (Stb. 337/1956): art. 185–art. 187; Bkb (Stb. 403/1961): art. 2.2; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 4, art. 5; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 4, art. 5, artikel II; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 82; Besluit College van Advies voor de justitiële kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 2, art. 3
Waardering: V 10 jaar
72.
Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar die namens de minister de vergaderingen van het College van Advies voor de (justitiële) Kinderbescherming kan bijwonen
Periode: 1955–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 5/art. 8 ; Besluit College van Advies voor de justitiële kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 5
Waardering: V 10 jaar
73.
Handeling: Het benoemen en ontslaan van een (adjunct-) secretaris voor het College van Advies voor de (Justitiële) Kinderbescherming
Periode: 1955–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (337/1956): art. 189; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 7;
Besluit College van Advies voor de justitiële kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 6
Product : Beschikking
Waardering: V 10 jaar
74.
Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, reiskostenvergoedingen, bezoldigingen e.d. aan de leden van het College van Advies voor de (Justitiële) Kinderbescherming
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 191; Kbb (Stb. 337/1956): art. 191; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 9; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 9; Besluit College van Advies voor de justitiële kinderbescherming (Stb. 113/1990): art. 8
Opmerking: Dit zijn geen ambtenaren die bezoldigd worden vanwege de Minister van Justitie; zie daarvoor PIVOT-onderzoek over rechtspositie ambtenaren (in voorbereiding)
Waardering: V 10 jaar
75.
Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels voor het College van Advies voor de (Justitiële) Kinderbescherming
Periode: 1955–
Grondslag: KbW (Stb. 602/1954): art. 22a.1, art. 22a.4; Bkb (Stb. 403/1961): art. 2.1; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 84
Opmerking: Er zit een gat van april ‘55 tot juli ‘56 tussen de invoering van het College van Advies en het uitvoeringsamvb
Waardering: B5
78.
Handeling: Het beslissen op een verzoek om toestemming tot openbaring van door het College behandelde zaken
Periode: 1956–1983
Grondslag: Kbb (Stb. 337/1956): art. 193; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 11
Waardering: V 10 jaar
81.
Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de benoeming of ontslag van leden van het College van Advies voor de (Justitiële) Kinderbescherming en zijn werkwijze
Periode: 1965–
Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 2; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 84
Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding
Centrale Adoptieraad
82.
Handeling: Het bij KB benoemen of ontslaan van leden van de Centrale Adoptieraad
Periode: 1956–1973
Grondslag: Wet van 26 januari 1956 (Stb. 42): art. IV;
WBRv (Stb. 42/1956): art. 969
Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding
83.
Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de werkzaamheden en benoeming en ontslag van de Centrale Adoptieraad worden geregeld
Periode: 1956–1973
Grondslag: WBRv (Stb. 42/1956): art. 969
Waardering: B5
Benoemingen Rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen & Commisies van Toezicht
84.
Handeling: Het vaststellen van de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 664/1980) afwijkende regels voor de justitiële rijksinrichtingen voor de kinderenbescherming
Periode: 1980–
Grondslag: Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 664/1980): art. 2.4
Waardering: B5
85.
Handeling: Het overleggen met de Arbeidsinspectie over de arbeidsomstandigheden in de justitiële rijksinrichtingen voor kinderbescherming
Periode: 1980–
Bron: Nota van Toelichting bij het Arbeidsomstandighedenbesluit Justitiële rijksinrichtingen (Stb. 491/1990)
Waardering: V 5 jaar
86.
Handeling: Het (voorbereiden van het) benoemen of ontslaan van de directeur van een rijksinrichting
Periode: 1945–
Grondslag: KbW (Stb. 612/1922): art. 5.4; KbW (Stb. 602/1954): art. 5.3; Bkb (Stb. 403/1961): art. 21.3; Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 7
Opmerking: tot 1965 gaat benoeming van directeuren per KB
Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding
87.
Handeling: Het benoemen of ontslaan van ambtenaren van rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen
Periode: 1945–1990
Grondslag: KbW (Stb. 612/1922): art. 5.4; KbW (Stb. 602/1954): art. 5.3; Bkb (Stb. 403/1961): art. 21.3
Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding
88.
Handeling: Het benoemen en ontslaan van de leden van de Commissie van toezicht van een rijksinrichting
Periode: 1945
Grondslag: KbW (Stb. 612/1922): art. 5.4; KbW (Stb. 602/1954): art. 5.3; Bkb (Stb. 403/1961): art. 21.3; Bkb (Stb. 273/1982): art. 26a; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 150, art. 151; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 70; Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 36–art. 37
Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding
92.
Handeling: Het bij KB op andere wijze voorzien in de vervulling van de werkzaamheden van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies
Periode: 1945–1955
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.5
Product: Koninklijk besluit
Waardering: B4
93.
Handeling: Het op andere wijze voorzien in de vervulling van de werkzaamheden van de Commissiën van Toezicht
Periode: 1945–1955
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.5
Product : Ministerieel besluit/beschikking
Waardering: B4
94.
Handeling: Het bepalen van categorieën en aantal van de ambtenaren van de rijksinrichtingen
Periode: 1945–1989
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 4, juncto art. 90;
Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 148
Product: Ministeriële regeling
Waardering: B5
95.
Handeling: Het vaststellen van een instructie voor de directeur van een rijksinrichting
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 5, juncto art. 90;
Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 144;
Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 7
Product : Instructie, ministerieel besluit
Waardering: B5
96.
Handeling: Het vaststellen van een instructie voor de ambtenaren van de inrichting
Periode: 1965–1990
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 5, juncto art. 90; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 146
Product: Instructie
Waardering: B5
97.
Handeling: Het beslissen op een verzoek van de directeur van een rijksinrichting tot goedkeuring van de instructie voor de ambtenaren van de inrichting
Periode: 1945–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 5, juncto art. 90
Product: Beschikking
Opmerking: vanaf 1965 stelt de Minister van Justitie zelf de instructie vast
Waardering: B5
98.
Handeling: Het regelen van de vervanging van een directeur van een rijksinrichting
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 8, juncto art. 90; Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 296/1954): art. 19, juncto art. 90; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 147; Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 7
Waardering: V 5 jaar
100.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van voorzieningen getroffen door de directeur van een rijksinrichting , bij afwezigheid van ambtenaren
Periode: 1945–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 8, juncto art. 90
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
Rijksagenten/ambtenaren voor voorwaardelijk ontslag
102.
Handeling: Het benoemen en ontslaan van Rijksagenten/ambtenaren voor voorwaardelijk ontslag
Periode: 1945–1956
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals ingevoegd bij besluit 13 juni 1933 (Stb. 331): art. 173ter; Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 296/1954): art. 173ter
Product: Beschikking
Opmerking: de Rijksagenten/ambtenaren zijn belast met het directe toezicht op de voorwaardelijk uit rijksopvoedingsgestichten of particuliere instellingen ontslagen minderjarige terbeschikkinggestelden
Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding
103.
Handeling: Het vaststellen van instructies voor de Rijksagenten/ambtenaren voor voorwaardelijk ontslag
Periode: 1945–1956
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals ingevoegd bij besluit 13 juni 1933 (Stb. 331): art. 173ter; Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 296/1954): art. 173ter
Product: Ministeriële regeling, instructie, aanwijzing standplaats, regels over vergoeding en betaling
Opmerking: de Rijksagenten/ambtenaren zijn belast met het directe toezicht op de voorwaardelijk uit rijksopvoedingsgestichten of particuliere instellingen ontslagen minderjarige terbeschikkinggestelden
Waardering: B5
104.
Handeling: Het bij AMvB bepalen dat het LBIO andere taken mag verrichten
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 1
Product: AMvB
Waardering: B4
105.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van de regeling van bezoldiging en verder rechtspositie van de leden van de directie van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 4
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
106.
Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, ten laste van het bureau, aan leden van de Raad van Toezicht van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 9
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
107.
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van leden en voorzitter van de Raad van toezicht van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 10
Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding
108.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het oprichten of mede-oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon of het deelnemen aan een rechtspersoon
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 12
Product: Beschikking
Opmerking: Zie voor goedkeuring van vennootschappen het RIO rechtspersonen
Waardering: V 10 jaar
109.
Handeling: Het bij AMvB afwijken van het bepaalde over de rechtspositie van het personeel van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 14
Product: AMvB
Waardering: V 10 jaar
110.
Handeling: Het bij AMvB geven van de termijn waarbinnen de Minister van Justitie ten laste van de eigen begroting middelen aan het LBIO ter beschikking stelt
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 14
Product: AMvB
Opmerking: voor handelingen over de vaststelling van de begroting zie selectielijst rijksbegroting
Waardering: V 5 jaar
111.
Handeling: Het verstrekken van een voorschot aan het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 15
Product: Voorschot in maandelijkse termijnen
Waardering: V 5 jaar
112.
Handeling: Het beoordelen van (financiële) verantwoordingsgegevens van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 19, art. 21
Opmerking: In het kader van deze handeling onvangen de ministers o.a.: de begroting, jaarverslag, jaarrekening en stukken van de accountant etc.
Waardering: V 5 jaar
113.
Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister waaronder Welzijn ressorteert, beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het meerjarenbeleidsplan van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 20
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
115.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels over de wijze van beoordeling van de rechtmatigheid van de wettelijke taakuitvoering van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 21
Product: AMvB
Waardering: B 1
116
Handeling: Het verlengen van de termijn waarbinnen het LBIO zijn financiële verantwoordingstukken moet indienen
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 21
Product: Beschikking
Waardering: V 2 jaar
117.
Handeling: Het beslissen dat het LIBIO, middels een periodiek rapportage, inlichtingen verschaft aan de Minister van Justitie en de Minister waaronder Welzijn ressorteert
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 22
Product: Beschikking?
Waardering: V 10 jaar
118.
Handeling: Het treffen van voorzieningen wanneer het LIBIO zijn taken verwaarloosd
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 24
Opmerking: de Minister van Justitie meldt dit terstond aan de Staten-Generaal
Waardering: B4
119.
Handeling: Het bepalen welke vermogensbestanddelen van de Staat worden toebedeeld aan het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 35
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
120.
Handeling: Het eenmalig benoemen van leden van de directie van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 36
Product: Benoeming
Waardering: V 75 jaar
121.
Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met particuliere instellingen over het jeugdbeleid (GOPI)
Periode: 1981–1991
Grondslag: Beschikking tijdelijk gestructureerd overleg jeugdhulpverlening overkoepelende particuliere organisaties van 20 mei 1981, nr. 284/781;
Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188): art. 5/art. 10
Opmerking: In 1991 zou er een evaluatie van de werking van beschikking plaatsvinden. Waarschijnlijk is het overleg daarna opgegaan in het GOLO
Waardering: B 1
122.
Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met andere overheden over het jeugdbeleid (GOLO)
Periode: 1981–
Bron: Toelichting op Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188) als geciteerd in S&J nr.200 (1990) p.426
Waardering: B 1
Registraties
124.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor het openbaar register over het gevoerde gezag over minderjarigen, bij te houden door de kantongerechten
Periode: 1945–
Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 385c en WS: art. 39decies.4 ; BW (Stb. H232/1947): art. 354; NBW (Stb. 167/1969): art. 244
Product: AMvB, o.a.:
Besluit van 19 juni 1922 (Stb. 403);
Besluit voogdijregisters (Stb. 240/1969)
Waardering: B 1
125.
Handeling: Het bijhouden van het adoptieregister
Periode: 1956–1995
Grondslag: WBRv (Stb. 42/1956): art. 984
Product: Register
Waardering: B5
126.
Handeling: Het bijhouden van een administratie over de opneming van buitenlandse pleegkinderen via bemiddelingsorganisaties
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 21
Product: Register
Opmerking: de organisaties zijn verplicht ieder opname te melden
Waardering: B5
127.
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die belast worden met het beheer van de centrale lijst van aspirant-pleegouders met beginseltoestemming
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 24
Product: Aanwijzing
Waardering: V 10 jaar
128.
Handeling: Het bijhouden van een administratie van aspirant-pleegouders met beginseltoestemming
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 24
Product: Centrale lijst
Opmerking: deze lijst kan te allen tijde door belanghebbenden worden ingezien
Waardering: B6
129.
Handeling: Het aanwijzen van het rekencentrum dat de financiële pupillenadministratie bijhoudt
Periode: 1984–1987
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 375/1984): art. 1
Product: Beschikking
Opmerking: Als rekencentrum werd aangewezen het Rijks Computercentrum in Limburg
Waardering: V 10 jaar
130.
Handeling: Het (doen) bijhouden van een of meer financiële administraties over jongeren aan wie hulpverlening in het kader van justitiële jeugdzorg geboden wordt
Periode: 1945–
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975); Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 2–8; Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 17; Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 420/1992): art. 17; Besluit Privacyreglement financiële pupillenadministratie (Stcrt. 123/1990): art. 3, art. 4
Product: Administratie, ponsbanden
Opmerking: Sinds 1992 moet deze administratie en de daarbij behorende bewijsstukken minimaal 10 jaren bewaard blijven
Waardering: V 10 jaar
131.
Handeling: Het vaststellen van de wijze waarop gegevens voor de administratie van jeugdigen moeten worden verschaft
Periode: 1975–
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 2; Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 17
Product: Formulieren, regeling
Opmerking: Formulieren werden vastgesteld in overleg met het Rijks Computercentrum. Ze dienden voor de toevoer van gegevens van de Raad, kinderrechters en voogdij-instellingen. De formulieren werden op het Ministerie verwerkt tot pondsbanden die aan het Rijks Computercentrum gezonden worden. Na 1990 werd de administratie betreffende jeugdigen van wie de hulpverlening door de Minister van Justitie gefinancierd wordt op het ministerie zelf gedaan. De raad, kinderrechters, officieren van justitie en de voogdij-instellingen leverden de gegevens aan.
Waardering: V 5 jaar
132.
Handeling: Het voeren van overleg met instanties over het wijzigen of vervangen van het systeem ter verwerking van de gegevens voor de administratie van pupillen
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 3
Product: Beschikking, mededeling aan vertrouwenscommissie
Opmerking: De instanties waren de Nationale Federatie/WIJN, en het RijksComputercentrum/rekencentrum
Waardering: V 5 jaar
133.
Handeling: Het (doen) vervaardigen van overzichten van gegevens over pupillen, en het verstrekken van die overzichten aan betrokken instanties en instellingen
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 5, art. 6
Product: Overzichten
Opmerking: deze lijsten mogen, wanneer ze namen van minderjarigen bevatten, alleen worden verstrekt aan de Minister van Justitie, de Raad, voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en kinderrechters worden verstrekt.
Waardering: V 5 jaar
134.
Handeling: Het overleggen van een verklaring over beschikbaarstelling en vernietiging van de periodieke overzichten van gegevens over pupillen
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6
Product: Verklaring
Opmerking: deze verplichting geldt ook voor (gezins-) voogdij-instellingen
Waardering: V 1 jaar na overlegging van de verklaring
137.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toestemming voor het verstrekken van gegevens uit de financiële pupillenadministratie aan derden
Periode: 1975–
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6; Besluit Privacyreglement financiële pupillenadministratie (Stcrt. 123/1990): paragraaf 4, onder 4
Product: Beschikking
Opmerking: tot 1990 moest de Nationale Federatie/WIJN gehoord worden
Waardering: V 5 jaar
138.
Handeling: Het doen vervaardigen van statistische overzichten over instanties en groepen van instanties, betrokken bij een maatregel van kinderbescherming
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 7
Product: Overzichten voor de Federatie/WIJN, de betrokken instanties en het Centraal Bureau voor de Statistiek
Waardering: V 5 jaar
Vertrouwenscommissie financiële pupillenadministratie
139.
Handeling: Het benoemen van leden van de Vertrouwenscommissie financiële pupillenadministratie
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 9
Product: Beschikking
Opmerking: de nationale federatie gehoord
Waardering: V 10 jaar na uitdiensttreding
140.
Handeling: Het toekennen van vacatiegelden en reiskostenvergoedingen aan de leden van de Vertrouwenscommissie financiële pupillenadministratie
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 9
Product: Uitkering, financiële administratie
Waardering: V 5 jaar
145.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het reglement van de Vertrouwenscommissie financiële pupillenadministratie
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 12
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
147.
Handeling: Het doorsturen van het jaarverslag van de Vertrouwenscommissie financiële pupillenadministratie aan de Nationale federatie voor de kinderbescherming/WIJN
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 13
Product: Beschikking
Waardering: V 10 jaar
148.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot inlichtingen over, inzage of verbetering van gegevens in de administratie
Periode: 1975–
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 15; Besluit Privacyreglement financiële pupillenadministratie (Stcrt. 123/1990): art. 4, art. 11/art. 13
Product: Beschikking
Opmerking: Tot 1990 moest de Vertrouwenscommissie worden gehoord
Waardering: V 10 jaar
Registratie van gegevens noodzakelijk voor uitvoering van de Wjhv
149.
Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de gegevensverstrekking in het kader van de jeugdhulpverlening
Periode: 1989–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 56
Product: AMvB o.a.:
Besluit gegevensverstrekking jeugdhulpverlening (Stb. 328/1993)
Opmerking: Over het beheer van de gegevens, de wijze waarop en de vorm waarin ze worden aangeleverd en verwerkt, alsmede de organen belast met de verwerking
Waardering: B5
150.
Handeling: Het aanwijzen van de organen/rechtspersonen belast met de registratie van gegevens over de jeugdhulpverlening
Periode: 1993–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 56
Besluit gegevensverstrekking jeugdhulpverlening (Stb. 328/1993): art. 3
Opmerking: Als verantwoordelijk orgaan/rechtspersoon werd aangewezen de Stichting Registratie Jeugd voorzieningen. De financiering van deze registratie wordt geregeld via de Rijksbegroting. zie hiervoor het RIO/BSD Rijksbegroting
Waardering: B4
Centraal Meldingspunt Particulier
152.
Handeling: Het vaststellen van een registratieformulier voor het aanmelden van niet direct of moeilijk plaatsbare jongeren bij het CMP
Periode: 1987–
Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 2
Product: Beschikking
Waardering: V 10 jaar
154.
Handeling: Het periodiek opstellen van overzichten van niet direct, of moeilijk in een residentiele voorziening plaatsbare jeugdigen
Periode: 1987–
Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 3 en 4
Product: Wachtlijst, overzicht
Opmerking: de definitieve lijsten worden doorgegeven aan de residentiele voorzieningen, WVC-toezicht en de inspecteur-ZIB’s van het Ministerie van Justitie
Waardering: V 10 jaar
156.
Handeling: Het houden van toezicht op het opnamebeleid van residentiële voorzieningen
Periode: 1987–
Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 5
Product: Rapportages, overleg
Waardering: B5
Zakenregistratie Raden voor de Kinderbescherming
158.
Handeling: Het aanwijzen van personen en instellingen die bevoegd zijn tot kennisneming van gegevens in de zakenregistratie van de Raad
Periode: 1991–
Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 9
Product: Beschikking, besluit
Waardering: B4
160.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toestemming tot verstrekking van persoonsgegevens uit de zakenregistratie van de Raad, ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek
Periode: 1991–
Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 10
Product: Beschikking
Waardering: V 10 jaar
Gezag over minderjarigen
188.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toestemming voor een huwelijk van een minderjarige
Periode: 1948–
Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 98, art. 119; BW, zoals gewijzigd bij de Bkb (Stb. 403/1961): art. 98; NBW (Stb. 167/1969): art. 40; NBW (Stb. 391/1972): art. 40; NBW (Stb. 334/ 1987): art. 31
Product: Beschikking, mededeling aan het Openbaar Ministerie
Waardering: V 5 jaar
191.
Handeling: Het aanwijzen van de Raad die de invordering van de onderhoudsgelden op zich neemt
Periode: 1993–1997
Grondslag: NBW (Stb. 539/1993): art. 408
Product: Besluit
Opmerking: Aangewezen werd de Raad te Den Haag. De Dependance Gouda van deze raad nam het werk op zich.
Waardering: V 5 jaar
193.
Handeling: Het bepalen van het deel van het bedrag dat door de Gemeentelijke Sociale Dienst in mindering op het aan de Raad uit te keren bedrag voor onderhoudskosten mag worden gebracht
Periode: 1993–1997
Grondslag: NBW (Stb. 539/1993): art. 240
Product: ministeriële regeling
Waardering: V 5 jaar
197.
Handeling: Het wijzigen van de bij rechtelijke uitspraak of overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud
Periode: 1973–
Grondslag: NBW (Stb. 390/1972): art. 402a
Product: beschikking
Opmerking: het gaat om indexering van uitkeringen voor levensonderhoud, de Minister van Justitie stelt het percentage vast waarmee deze uitkeringen van rechtswege worden aangepast
Waardering: V 5 jaar
198.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor het door de rechter of de Raad ten laste van de staat brengen van de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarigen
Periode: 1945–
Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 469a
Product: AMvB, o.a.: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)
Waardering: B5
199.
Handeling: Het vaststellen van de ouderbijdrage verschuldigd voor de justitiële hulpverlening
Periode: 1995–1997
Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 44f
Product: beschikking
Opmerking: de Minister van Justitie kan dit overdragen aan een door hem aan te wijzen instantie, dat was tot 1997 formeel de dependance Gouda van de Raad te Den Haag
Waardering: V 5 jaar
200.
Handeling: Het aanwijzen van een instantie die de ouderbijdrage verschuldigd voor de justitiële en vrijwillige hulpverlening mag vaststellen en innen
Periode: 1995–1997
Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 41f
Product: besluit o.a.: Besluit (Stcrt.81/1995) houdende aanwijzing van De raad Den Haag voor de vaststelling en inning van bijdragen bij justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening
Opmerking: Dit (of liever de dependance Gouda van deze raad) is de voorloper het LIBIO
Waardering: V 5 jaar
201.
Handeling: Het vaststellen van het formulier waarmee gegevens over kosten van secundaire jeugdhulpverlening aan de ministers ter kennis wordt gebracht
Periode: 1995–
Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 32
Product: formulier
Waardering: V 5 jaar
202.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels over de hoogte van de (ouderlijke/jeugdige) eigen bijdrage verschuldigd voor de kosten van de hulpverlening
Periode: 1995–
Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 41a.
Product: AMvB o.a.: Besluit bijdragen justitiële en vrijwillige jeugdhulpverlening (Stb. 226/1995)
Waardering: B5
Adoptie Buitenlandse Pleegkinderen
208.
Handeling: Het beslissen over de opneming van een buitenlands pleegkind
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 2–art. 7, art. 12. Art. 13
Product: Beschikking, aanwijzing de Raad, voorlichting, mededeling aan het Openbaar Ministerie
Opmerking: verlenen, afwijzen, verlengen, intrekken en herziening van een dergelijke beslissing. Bij herzieningsprocedure komt het College van Advies voor de (Justitiële) Kinderbescherming eraan te pas.
Waardering: B 7 bij plaatsing van een pleegkind;
V 5 indien geen plaatsing heeft plaatsgevonden.
210.
Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over hoe de organisatie, inhoud en bekostiging van de algemene voorlichting voor aspirant-pleegouders geregeld wordt
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 5
Product: AMvB
Opmerking: –
Waardering: B 1
212.
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die de minister vertegenwoordigen bij vergaderingen over herziening van beginseltoestemming
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 7
Waardering: V 10 jaar
213.
Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de herziening van beslissingen over beginseltoestemming voor opneming van buitenlandse pleegkinderen
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 7
Waardering: B 1
Bemiddelingsorganisaties adoptie
214.
Handeling: Het beslissen over erkenning van een bemiddelingsorganisatie voor opname van buitenlandse pleegkinderen
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 16–art. 23, art. 25
Product: Beschikking, publicatie in de Staatcourant, correspondentie
Opmerking: Dit is inclusief het toezicht op de naleving der voorwaarden. In het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie jaarverslagen en financiële verantwoordingsgegevens van de vergunninghouders.
Waardering: B4
215.
Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels voor bemiddelingsorganisaties voor opname van buitenlandse pleegkinderen
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 16
Product: AMvB
Waardering: B5
216.
Handeling: Het vaststellen van regels over de gegevens die door de vergunninghouder in verband met het toezicht moeten worden verstrekt
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 20
Product: Circulaire, publicatie in de staatscourant
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
217.
Handeling: Het bij AMvB stellen van eisen aan het jaarverslag en de financiële verantwoordingsgegevens van bemiddelingsorganisaties voor opneming van buitenlandse pleegkinderen
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 23
Product: AMvB
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
218.
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren belast met het toezicht op de bemiddelingsorganisaties voor opname van buitenlandse pleegkinderen
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 25
Product: Aanwijzing, publicatie in de Staatscourant
Waardering: V 10 jaar
Jeugdbeschermingsrecht: maatregelen van kinderbescherming
239.
Handeling: Het vergoeden van kosten gemaakt i.v.m. een maatregel van OTS
Periode: 1945–1995
Grondslag: Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 15; Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 14
Product: Subsidie
Waardering: V 10 jaar
240.
Handeling: Het vaststellen van regels voor de vergoeding van kosten gemaakt i.v.m. een maatregel van OTS
Periode: 1945–1995
Grondslag: Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 15; Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 14
Product: Regeling
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
241.
Handeling: Het vaststellen van regels voor de opname van minderjarigen met een maatregel van OTS in justitiële inrichtingen van het rijk of particulieren
Periode: 1945–1990
Grondslag: Besluit van 19 juni 1922 (Stb. 402): art. 14; Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 16, art. 17; Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 16
Product: Circulaire
Waardering: B 1
242.
Handeling: Het machtigen van de kinderrechter om een minderjarige met een maatregel van OTS te laten opnemen in een particuliere inrichting
Periode: 1945–1990
Grondslag: Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 18; Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 16
Product: Machtiging
Waardering: V 10 jaar
243.
Handeling: Het bij AMvB aanwijzen van observatiehuizen waarin de geestelijke en lichamelijke toestand van minderjarigen met een maatregel van OTS onderzocht kan worden
Periode: 1945–1990
Grondslag: Burgerlijk Wetboek (Stb. 834/1921): art. 373m; BW (Stb. H232/1947): art. 372a; NBW (Stb. 167/1969): art. 262
Product: AmvB, o.a.:
1. Besluit van 19 juni 1922 (Stb. 402);
2. Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88);
3. Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. .527/1969);
4. Besluit van 23 mei 1990 Stb. 257/1990 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling
Opmerking: In observatiehuizen kunnen kinderen in het kader van een OTS met uithuisplaatsing voor 3 maanden, met 1 keer verlenging geplaatst worden. Onder de Wjhv komt deze handeling niet meer voor; de observatiehuizen vallen nu onder de verantwoordelijkheid van de Minister waaronder Welzijn ressorteert.
Waardering: B5
244.
Handeling: Het bij AMvB aanwijzen van gestichten of inrichtingen bestemd voor opneming van minderjarigen met een maatregel van OTS die bijzondere tucht behoeven/voor wie dit in het belang van opvoeding en verzorging noodzakelijk is
Periode: 1945–1995
Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 373n; BW (Stb. H232/1947): art. 372b; NBW (Stb. 167/1969): art. 262
Product: AMvB, o.a.:
1. Besluit van 19 juni 1922 (Stb. 402);
2. Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88);
3. Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969)
Opmerking: In gestichten of inrichtingen voor bijzondere tucht kunnen kinderen onder de 14, in het kader van een OTS met uithuisplaatsing voor 6 maanden geplaatst worden. Kinderen boven de 14 kunnen voor 1 jaar geplaatst worden. Er is 1 keer verlenging van de termijn mogelijk. In 1986/1987 ging het meerdendeel van de tehuizen voor bijzondere tucht over naar de Minister waaronder Welzijn ressorteert. De bevoegdheid voor de Minister van Justitie bleef bestaan voor 8 particuliere inrichtingen en de inrichtingen van het rijk. In 1995 wordt de aanwijzing niet meer geregeld via een AMvB maar via een ministeriele regeling.
Waardering: B5
245.
Handeling: Het aanwijzen van gesloten inrichtingen die voor plaatsing van minderjarigen met een maatregel van OTS in aanmerking kunnen komen
Periode: 1995–
Grondslag: NBW1 (Stb. 255/1995): art. 261
Product: Ministeriele regeling o.a.:
Besluit van 27 oktober 1995 (Stcrt. 211)
Waardering: B5
246.
Handeling: Het ontslaan van een minderjarige met een maatregel van OTS uit een Rijksinrichting
Periode: 1945–
Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 373o.2, art. 436a; BW (Stb.. H232/1947): art. 372b;
NBW1 (Stb. 167/1969): art. 263; Besluit van 3 maart 1948 (Stb. I 88): art. 20;
Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969): art. 17; NBW (Stb. 255/1995): art. 261
Product: Beschikking, overleg met de kinderrechter, mededeling aan de kinderrechter
Waardering: V 5 jaar
247.
Handeling: Het bij AMvB geven van nadere voorschriften voor de uitvoering van de maatregel van OTS
Periode: 1945–1995
Grondslag: BW (Stb. 834/1921): art. 374; Wetboek van Strafrecht (Stb. 834/1921): art. 39decies; BW (Stb. H232/1947): art. 373; NBW (Stb. 167/1969): art. 265
Product: AMvB, o.a.:
1. Besluit (Stb. I 88/1948)
2. Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling (Stb. 527/1969)
Waardering: B5
Regelgeving jeugdstrafrecht
254.
Handeling: Het bij KB vaststellen van de maximale duur van de gevangenisstraf voor minderjarigen onder de 18
Periode: 1945–1965
Grondslag: WSv (Stb. 308/1925): art. 487.2
Product: Koninklijk besluit
Waardering: B 1
255.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor de tenuitvoerlegging van het jeugdstrafrecht
Periode: 1945–
Grondslag: Wetboek van Strafrecht (Stb. 63/1901): art. 39bis; KbW (Stb. 64/1901): art. 3 en 21; WS (Stb. 402/1961): art. 77ff; Bkb (Stb. 403/1961): art. 30; WS (Stb. 358/1989): art. 77g bis, art.77ff
Product: AMvB, o.a. :
1. Kbb Besluit van 15 juni 1905 (Stb. 209)
2. Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296)
3. Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)
4. Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990)
5. Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 866/1994)
Waardering: B 1
256.
Handeling: Het bij AMvB geven van voorschriften ter uitvoering van de opschorting van de gevangenisstraf
Periode: 1945–1965
Grondslag: WS (Stb. 63/1901): art: 39sexies
Product: AMvB, o.a.:
Uitvoeringsregeling opschorting gevangenisstraf.
Waardering: B 1
257.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor door de Staat te betalen kosten van de straffen van arrest en plaatsing in een tuchtschool
Periode: 1970–1989
Grondslag: Bkb (Stb. 167/1969): art. 31.2
Product: AMvB
Waardering: B 1
258.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor de uitvoer en bekostiging van alternatieve sancties binnen het jeugdstrafrecht (Halt-projecten en leerprojecten)
Periode: 1995–
Grondslag: WS (Stb. 528/1994): art. 77e , art. 77ff , art. 77m
Product: AmvB
Waardering: B 1
259.
Handeling: Het vaststellen van regels over de gegevens die de directeur van een tuchtschool in zijn advies over de voorwaardelijke invrijheidstelling van een tuchtschoolpupil moet verstrekken
Periode: 1948–1965
Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 12
Product: Ministeriële regeling
Waardering: B 1
260.
Handeling: Het vaststellen van het formulier voor de verslaglegging over een voorwaardelijk uit een rijksopvoedingsgesticht of particuliere instelling ontslagen minderjarige met jeugd-TBR
Periode: 1945–1965?
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 173
Product: Ministeriële regeling/circulaire
Opmerking: dit verslag (of eventuele bijzondere mededelingen) wordt gezonden naar de directeur van het rijksopvoedingsgesticht of het bestuur van de particuliere instelling waar de minderjarige verpleegd werd; deze zend het dan door aan de Minister van Justitie
Waardering: V 5 jaar
284.
Handeling: Het beslissen over hoe verder te handelen met een jongere aan wie een maatregel van jeugd-TBR, plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd
Periode: 1945–
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 12, art. 20; Kbb (Stb. 209/1905): art. 83, art. 84, art. 123; Bkb (Stb. 403/1961): art. 27, art. 28; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 185, art. 186, art. 190/193, art. 197, art. 198, juncto art. 220; WS (Stb. 358/1989): art. 77hbis; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 2, art. 3, juncto art. 20; WS (Stb.. 528/1994): art. 77s
Product: Beschikking, terugzending van het dossier aan het Openbaar Ministerie beschikking, kennisgeving (onder bijvoeging van het dossier) aan Openbaar Ministerie, mededeling aan de Raad, correspondentie/overleg met instelling (aanvaard de instelling de opdracht dan bijvoeging van het dossier en na verblijf in rijksinrichting ook rapport over het verblijf aldaar), correspondentie met/advies van directeur van een rijksinrichting
Opmerking: De Minister van Justitie kan een opdracht tot verpleging en opvoeding verstrekken aan een instelling, meestal een voogdij-instelling , die de jeugdige plaatst in een inrichting of pleeggezin. Hij kan het kind ook plaatsen in een rijksinrichting, of doen opnemen in een particuliere inrichting voor kinderbescherming.
Sinds 1956 moet hij zijn beslissing melden aan de Raad, tussen 1965 en 1995 moest de Raad zelfs worden gehoord. Ook de rechter kan een advies indienen. Wordt de jongere overgeplaatst van een rijksinrichting dan wordt de directeur van een rijksinrichting gehoord
Waardering: V 10 jaar
307.
Handeling: Het beslissen over de plaats van tenuitvoerlegging van de straf van jeugddetentie of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen
Periode: 1995–
Grondslag: WS (Stb. 528/1994): art. 77v. art77w
Product: Beschikking
Waardering: V 10 jaar
310.
Handeling: Het in een krankzinnigengesticht, ziekenhuis of andere inrichting doen opnemen van een verpleegde uit een tuchthuis of rijksinrichting
Periode: 1945–1965
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 17
Product: Beschikking tot overbrenging
Waardering: V 10 jaar
313.
Handeling: Het in afwijking van de normale bestemming van rijksobservatiehuizen, plaatsen van een minderjarige aldaar
Periode: 1954–
Grondslag: Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 98
Product: Beschikking
Waardering: V 10 jaar
303.
Handeling: Het beslissen over de (plaats van) tenuitvoerlegging van een maatregel van jeugd-TBR, plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen
Periode: 1945–
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 12, art. 20; Kbb (Stb. 209/1905): art. 83, art. 84, art. 123; Bkb (Stb. 403/1961): art. 27, art. 28; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 185, art. 186, art. 190/193, art. 197, art. 198, juncto art. 220; WS (Stb. 358/1989): art. 77hbis; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 2, art. 3, juncto art. 20; WS (Stb.. 528/1994): art. 77s; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 866/1994): art. 2, art. 3
Product: Beschikking, terugzending van het dossier aan het Openbaar Ministerie beschikking, kennisgeving (onder bijvoeging van het dossier) aan Openbaar Ministerie, mededeling aan de Raad, correspondentie/overleg met instelling (aanvaard de instelling de opdracht dan bijvoeging van het dossier en na verblijf in rijksinrichting ook rapport over het verblijf aldaar), correspondentie met/advies van directeur van een rijksinrichting
Waardering: V 10 jaar
299.
Handeling: Het beslissen over vervroegde beëindiging van een PIJ-maatregel
Periode: 1945–
Grondslag: Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 866/1994): art. 5, art.6, art.8, art. 9, art. 13
Opmerking: aan de vervroegde beëindiging kunnen voorwaarden worden gesteld. De Minister van Justitie wijst bij zijn beschikking de toezichthouder aan en een instelling die belast is met het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden
Waardering: V 10 jaar
307.
Handeling: Het, na overleg met de rechter die de straf heeft opgelegd, bepalen dat de tuchtschoolstraf in een andere rijksinrichting wordt ondergaan
Periode: 1965–1995
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 221
Waardering: V 10 jaar
284.
Handeling: Het beslissen over (voorwaardelijk) beëindiging van een maatregel van jeugd-TBR of van plaatsing in een inrichting voor bijzondere beHandeling: –
Periode: 1945–
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 18; Kbb (Stb. 209/1905): art. 165–174bis; Kbb (Stb. 337/1956): art. 165–174; WS (Stb. 402/1961): art. 77q, art. 77r; Bkb (Stb. 403/1961): art. 29; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art.51, art. 204/art. 213, juncto art. 220; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 6/art. 15, juncto art. 22
Product: Beschikkingen, voorwaarden, ontslagbrief, mededeling aan directeur van een rijksinrichting of mededeling aan bestuur van voogdij-instelling, mededeling aan de Raad, mededeling aan het Openbaar Ministerie, mededelingen aan particuliere instellingen voor gezinsvoogdij/reclassering
Opmerking: voor de beslissing over het ontslag moet eerst de directeur van het rijksopvoedingsgesticht, of het bestuur van de particuliere instelling gehoord worden; sinds 1956 moet de Minister van Justitie ook de Raad horen.
Aan het ontslag worden meestal voorwaarden verbonden. De minister wijst dan ook een toezichthouder aan: meestal een jeugdreclasseringsvereniging of -stichting. Deze toezichthouder doet de minister verslag door tussenkomst van de directeur of het bestuur van de inrichting waar de minderjarige voor het ontslag verpleegd werd. Tot 1956 waren ook ‘rijksagenten (of ambtenaren) voor het voorwaardelijk ontslag’ die belast waren met het toezicht op voorwaardelijk ontslagenen minderjarigen.
Vanaf 1956 kan de Raad voor de kinderbescherming opdrachten van de minister krijgen i.v.m. het uit te voeren toezicht op deze voorwaardelijk ontslagenen. Wanneer het ontslag wordt ingetrokken wordt de minderjarige meestal teruggeplaatst naar de instelling die hem voor het voorwaardelijk ontslag verpleegde; de Minister van Justitie beslist na advies van degene die belast is met het toezicht. zowel de Raad als de directeur van een rijksinrichting of het bestuur van een particuliere inrichting kunnen een voorstel tot beëindiging doen. Bij voorwaardelijke beëindiging wordt een particuliere instelling voor gezinsvoogdij/reclassering aangewezen voor het verlenen van hulp en steun bij het naleven van de voorwaarden. Wordt de voorwaardelijke beëindiging omgezet in een onvoorwaardelijke dan krijgt deze laatste instelling dat uiteraard ook te horen.
Tot 1990 was de Minister van Justitie is bevoegd tot wijziging van de voorwaarden en schorsing van de beëindiging. In het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie driemaandelijkse verslagen van de toezichthouder.
Ook de kinderrechter kan deze handeling verrichten (WS: art. 77q en 77 r)
Waardering: V 10 jaar
289.
Handeling: Het, na afloop van een maatregel van jeugd-TBR, opschorten van een gevangenisstraf
Periode: 1945–1965
Grondslag: WS (Stb. 63/1901): art. 39quater; Besluit van 15 juni 1905 (Stb. 208): art. 1–3, art. 8.3, art. 9.1, art. 12, art. 13
Product: Beschikking, (duplicaat)verlofpas, besluit tot schorsing of herroeping, mededelingen aan het Openbaar Ministerie, mededelingen aan de hoofden der politie, mededelingen aan het Openbaar Ministerie, mededeling aan directeur van de (rijks)inrichting
Opmerking: De procedure en de bevoegdheden worden geregeld bij AMvB (Stb. 208/1905)
Waardering: V 10 jaar
290.
Handeling: Het houden van toezicht op jongeren met jeugd-TBR die voorwaardelijk ontslagen zijn uit tuchtscholen, rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen of particuliere instellingen
Periode: 1945–1994
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 18; Uitvoeringsbesluit inderbescherming (Stb. 327/1964): art. 214, juncto art. 220; Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (Stb. 165/1990): art. 16, juncto art. 22
Product: Tweejaarlijks verslag aan het Openbaar Ministerie
Waardering: V 10 jaar
315.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor de opname van pupillen van voogdij-instellingen in rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen
Periode: 1965–1990
Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 19.2, art. 20.2
Product: AMvB, o.a.: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)
Waardering: B 1
316.
Handeling: Het vaststellen van het model van de verklaring tot verzoek van opneming van een verpleegde in een rijksopvoedingsgesticht
Periode: 1945–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 179
Waardering: V 5 jaar
317.
Handeling: Het (op verzoek van een particuliere instelling) in een rijksinrichting opnemen van een minderjarige
Periode: 1945–1989
Grondslag: KbW (Stb. H 232/1947): art. 16, art. 20; Kbb (Stb. 209/1905): art. 179; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 178/art. 180
Product: Bevel tot opneming
Opmerking: hiermee vervalt de subsidie die de particuliere instelling voor de minderjarige ontving. De kosten voor overbrenging en terugvoering komen ten laste van de vereniging. De procedure wordt geregeld in Kbb (Stb. 209/1905): art. 179–182. Sinds 1956 wordt dit verzoek ingediend middels tussenkomst van de Raad.
Waardering: V 10 jaar
321.
Handeling: Het, op voorstel van de directeur van een rijksinrichting, ontslaan van een jongere die op verzoek van een particuliere instelling geplaatst werd
Periode: 1945–1965
Grondslag: KbW (Stb. H 232/1947): art. 16, art. 20; Kbb (Stb. 209/1905): art. 182
Product: Bevel tot ontslag
Waardering: V 10 jaar
Inrichtingen van het Rijk
323.
Handeling: Het houden van toezicht op het beleid en de toestand in de rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen
Periode: 1945–
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 5.1; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 146; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 67; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 67
Opmerking: In het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie o.a. jaarlijks een verslag van de directeur, en verder mededelingen over bijzonder omstandigheden. Ook ontvangt hij verslagen/mededelingen van de commissies van Toezicht
Waardering: B5
324.
Handeling: Het geven van aanwijzingen aan een directeur van een rijksinrichting
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 17, juncto art. 90; Bkb (Stb. 403/1961): art. 21; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 144
Product: Aanwijzing
Waardering: B 5
Indeling van jeugdinrichtingen van het rijk & distributie jongeren
326.
Handeling: Het bepalen van het aantal, de plaats, de naam en de bestemming van rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen van het rijk/inrichtingen voor justitiële kinderbescherming
Periode: 1945–
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 3; Besluit van 4 september 1926 (Stb. 323): art. 7; Kbb (Stb. 331/1933): art. 44bis; Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 96.3; Bkb (Stb. 403/1961): art. 15.2; art. 17.3; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 58
Product: o.a.: AmvB:
1. Kbb (Stb. 209/1905)
2. Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)
Ministeriële regeling/circulaire
Plan, overleg met provinciale besturen en vertegenwoordigers steunfuncties en uitvoerders, publicatie in de Staatscourant
Opmerking: Dit wordt tot 1990 geregeld per AMvB en ministreiele regeling. Vanaf 1990 stelt de Minister van Justitie ieder jaar het de justitiële inrichtingen betreffende deel van het grotere jeugdhulpverleningsplan op grond van de Wjhv (Stb. 360/1989): art. 58 vast.
Waardering: B 1
327.
Handeling: Het vaststellen van onderscheidingstekenen voor verpleegden in de 3e klasse van een tuchtschool
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 456/1916): art. 49octies, art. 53
Product: Ministerieel besluit
Waardering: V 5 jaar
329.
Handeling: Het toestaan van afwijking van de normale leeftijdsindeling voor de tuchtschool in Nijmegen
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 331/1933): art. 43
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
330.
Handeling: Het machtigen van een directeur van een tuchtschool tot het voor een bepaalde termijn terugplaatsen van verpleegden naar de 1e klasse
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij Besluit van 17 juni 1933 (Stb. 331): art. 48.5, art. 49bis.3, art. 53
Product: Machtiging
Waardering: V 5 jaar
331.
Handeling: Het machtigen van de directeur van een tuchtschool, tot verlenging van de termijn van verblijf in de 1e klasse voor een verpleegde
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij Besluit van 25 september 1916 (Stb. 456): art. 49bis, art. 53
Product: Machtiging
Waardering: V 5 jaar
335.
Handeling: Het machtigen van de directeur van het rijksopvoedingsgesticht Doetichem, tot verlenging van de termijn van verblijf in de 1e afdeling voor een verpleegde
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905) ), zoals gewijzigd bij besluit van 23 september 1910 (Stb. 291): art. 97
Product: Machtiging
Waardering: V 5 jaar
Rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen; Reglementen & verslaglegging
337.
Handeling: Het vaststellen van een rechtspositiereglement voor minderjarigen opgenomen in rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen
Periode: 1983–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 177a; Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 14
Product: Besluit, o.a.:
Besluit van de Staatssecretaris van 28 maart 1984 (Stcrt. 114/1984): Reglement betreffende de rechtspositie van hen die in rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen voor kinderbescherming zijn opgenomen.
Waardering: B 1
338.
Handeling: Het vaststellen van huishoudelijke reglementen voor rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen en de nadere regeling der werkzaamheden van de Commissies van Toezicht
Periode: 1945–1983
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 22
Product: Besluit
Waardering: B4
339.
Handeling: Het beslissen op een verzoek om goedkeuring van het huisreglement van een rijksinrichting
Periode: 1983–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 177a ;
Reglement rechtspositie rijksinrichtingen (Stcrt. 114/1984): art. 2;
Waardering: B5
341.
Handeling: Het vaststellen van voorschriften voor de verslaglegging door de directeur van een rijksinrichting
Periode: 1945–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 21
Product: Ministeriële regeling/circulaire
Waardering: V 5 jaar
342.
Handeling: Het vaststellen van regels voor de verslaglegging over het verblijf buiten de groep en de toepassing van afzondering in de rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen
Periode: 1983–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 160e; Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 18
Product: Regeling
Waardering: B 1
343.
Handeling: Het vaststellen van voorschriften voor de inrichting van de aantekeningen en de persoonsbeschrijving van verpleegden in rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 27, juncto art. 9; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 159.2
Product: Ministeriële regeling
Waardering: B5
347.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van een voorstel voor een dagverdeling voor een rijksinrichting
Periode: 1945–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 22, juncto art. 90
Product: Beschikking
Waardering: B 5
352.
Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar die de vergadering van de Commissie van toezicht kan bijwonen
Periode: 1965–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 156; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 156;
Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 41
Product: Aanwijzing
Opmerking: de directeur van een rijksinrichting woont de vergaderingen van de commissie bij, de commissie mag in bijzondere gevallen echter zonder hem vergaderen
Waardering: V 5 jaar
355.
Handeling: Het bij AMvB geven van verdere taken en samenstelling van de commissies van toezicht voor de rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen worden geregeld
Periode: 1982–
Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26k; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 80
Product: AMvB; o.a.: Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990)
Waardering: B 1
359.
Handeling: Het toekennen van vacatiegelden, reiskostenvergoedingen, bezoldigingen e.d. aan leden van de Commissie van toezicht voor de rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen
Periode: 1983–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 157c;
Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 43
Waardering: V 5 jaar
363.
Handeling: Het toevoegen van een secretaris aan de klachtencommissie van een rijksinrichting
Periode: 1983–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 157
Waardering: V 5 jaar na opheffing functie
365.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor de beloning van toegevoegde advocaten bij zaken van jongeren voor de klachtencommissie van een rijksinrichting
Periode: 1983–
Grondslag: Bkb (Stb. 273/1982): art. 26g; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 76
Product: AMvB, o.a.:
Besluit van 19 december 1989 (Stb. 3/1990) tot wijziging van de bijlage, behorende bij het Besluit vergoedingen rechtsbijstand in strafzaken (Stb. 431/1987)
Waardering: V 5 jaar
Rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen; Opvoeding en verzorging verpleegden
374.
Handeling: Het beslissen in gevallen waarin het Reglement rechtspositie rijksinrichtingen (Stcrt. 114/1984) niet voorziet
Periode: 1984–
Grondslag: Reglement rechtspositie rijksinrichtingen (Stcrt. 114/1984): art. 54
Product: Beschikking
Waardering: B 1
383.
Handeling: Het verlenen van verlof aan verpleegden de rijksinrichting tijdelijk te verlaten
Periode: 1945–1965
Grondslag: WS: art. 16; Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 13–18 ;WS (Stb. 528/1994): art. 77j; Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990): art. 29; Kbb (Stb. 209/1905): art. 30, juncto art. 91
Product: Beschikking, verlofpas
Waardering: V 10 jaar
377.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toelating van bezoek tot een verpleegde
Periode: 1945–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 32, juncto art. 91
Product: Beschikking
Waardering: V 10 jaar
378.
Handeling: Het bepalen welke kledingstukken en uitrustingsstukken die van rijkswege zijn verstrekt, in het bezit gelaten kunnen worden bij het ontslag van een verpleegde uit een rijksopvoedingsgesticht
Periode: 1945–1965
Grondslag: Besluit van15 juni 1905 (Stb. 208), zoals gewijzigd bij besluit van 25 september 1916 (Stb. 456): art. 113
Waardering: V 10 jaar
379.
Handeling: Het vaststellen van regels over de voeding der jongeren
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 35, juncto art. 93; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 165
Waardering: V 5 jaar
381.
Handeling: Het voorzien in het geneeskundig toezicht, de geneeskundige verzorging en de verstrekking van geneesmiddelen; en het geven van regelen volgens welke niet aan een rijksinrichting verbonden geneeskundigen in consult kunnen worden geroepen en de behandeling aan specialisten toevertrouwd
Periode: 1954–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 96/1954): art. 39, juncto art. 95; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 167
Product: Beschikking,
Opmerking: vergoeding van kosten gaat waarschijnlijk op de normale rekening? Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 39: aan ieder tuchtschool zijn een huisarts en psychiater verbonden.
Waardering: V 5 jaar
384.
Handeling: Het, de inspecteur van de geneeskundige dienst van de landmacht gehoord, beslissen op een verzoek tot goedkeuring van een contract tot levering van geneesmiddelen, af te sluiten tussen een apotheker en een rijksinrichting
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 41, juncto art. 95
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
386.
Handeling: Het vaststellen, wijzigen, intrekken van nadere regels over de wijze van uitvoering van het urineonderzoek bij jongeren in inrichtingen voor justitiële kinderbescherming
Periode: 1995–
Grondslag: Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 104/1995): art. 31a
Waardering: B5
Rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen; Beloning en beheer uitgaanskas
388.
Handeling: Het vaststellen van regels voor zakgeld en geldelijke beloning voor verrichte arbeid voor in rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen opgenomen jongeren
Periode: 1945–
Grondslag: Besluit van15 juni 1905 (Stb. 208), zoals gewijzigd bij besluit van 23 september 1910 (Stb. 291): art. 63; Kbb (Stb. 209/1905): art. 109; Bkb (Stb. 403/1961): art. 24.1; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 69
Product: Ministeriële regeling
Waardering: B5
390.
Handeling: Het beslissen op een verzoek van een directeur van een rijksinrichting, om de uitgaanskas te mogen overschrijven aan het bestuur van een particuliere instelling of de instelling of persoon belast met het toezicht op de verpleegde na ontslag
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij Besluit van 23 september 1910 (Stb. 291): art. 78, juncto art. 112
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
392.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot machtiging van de directeur van een rijksinrichting tot uitvoering van de disciplinaire straf van water en brood of boeiing
Periode: 1954–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit (Stb. 296/1954): art. 11, juncto art. 72.2
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
493.
Handeling: Het vaststellen van het model van het register van strafoplegging aan verpleegden in een rijksinrichting
Periode: 1945–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 111, juncto art. 72
Product: Ministeriële regeling
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
394.
Handeling: Het machtigen van de directeur van een tuchtschool om af te wijken van de normale termijnen van afzondering voor een verpleegde
Periode: 1954–?
Grondslag: Kbb (Stb. 296/1954): art. 43
Product: Beschikking
Waardering: B5
Rijksinrichtingen/justitiële jeugdinrichtingen; Godsdienst
396.
Handeling: Het benoemen/toelaten van geestelijke verzorgers voor rijksinrichtingen
Periode: 1945–1981
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 65, juncto art. 110; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 171
Product: Correspondentie, notulen, evt. toestemming tot betreding van het gesticht
Opmerking: wanneer de eisen van de godsdienst zich verzetten tegen de benoeming door een wereldlijke overheid, wordt de benoeming verricht door de kerkelijke overheid. De Minister van Justitie moet dan wel toestemming geven voor het betreden van de inrichting
Waardering: V 5 jaar na opheffing functie
397.
Handeling: Het toelaten van genootschappen op geestelijke grondslag die bijeenkomsten in rijksinrichtingen organiseren
Periode: 1965–1981
Grondslag: Beginselenwet (Stb. 403/1961): art. 23.1 b; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 169
Product: Besluit
Opmerking: aan iedere inrichting zijn naar behoefte geestelijk verzorgers van protestantse, rooms-katholieke en Israëlitische gezindte verbonden. Op protestantse en rooms-katholieke geestelijke verzorging wordt toezicht uitgeoefend door de hoofdpredikant en de hoofdaalmoezenier bij de inrichtingen van Justitie
Waardering: B 1
Rijksinrichtingen/justitiele jeugdinrichtingen; Onderwijs en arbeid
398.
Handeling: Het uitoefenen van toezicht op protestantse en rooms-katholieke geestelijke verzorging in rijksinrichtingen voor jongeren
Periode: 1965–1981
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 170
Waardering: B 1
400.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van een plan voor het geven van lager onderwijs aan opgenomen jongeren
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 58, art. 102; Besluit van 7 juli 1954 (Stb. 296): art. 102 juncto art. 58/art. 61
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
403.
Handeling: Het vaststellen van regels waarbij de inrichting van de (handen)arbeid voor de opgenomen jongeren van een tuchtschool geregeld wordt
Periode: 1945–1954
Grondslag: Besluit van 15 juni (Stb. 291/1910): art. 62
Product: Ministeriële regeling
Waardering: B 1
405.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van plannen voor het geven van vakonderricht aan jongeren in een rijksinrichting
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 106
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
406.
Handeling: Het vaststellen van regels over de aan de jongeren in rijksinrichtingen op te dragen arbeid
Periode: 1954–?
Grondslag: Kbb (Stb. 296/1954): art. 106, art. 107
Product: Ministeriële regeling
Waardering: B 1
Particuliere (gezags)instellingen en inrichtingen; Algemene regelgeving
407.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor kwaliteitseisen en subsidieverstrekking aan particuliere instellingen voor voogdij, gezinsvoogdij en jeugdreclassering en particuliere inrichtingen
Periode: 1965–
Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 3.1.c, art. 4.1, art. 5, art. 8, art. 10.1, art. 14, art. 13.1, art. 13.2; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 60, art. 60, juncto art. 35, art. 61, art. 61.4
Product: AMvB, o.a.:
Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964)
Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stb. 354/1990)
Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 307/1990)
Waardering: B5
408.
Handeling: Het vaststellen van nadere regels over de begroting en financiële controle in verband met subsidieverstrekking aan voogdij-instellingen, gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringinstellingen en particuliere inrichtingen voor justitiële kinderbescherming
Periode: 1965–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 142; Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 8, art. 12
Product: Ministeriële regeling, o.a.:
Regeling controleprotocol subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 235/1994);
Besluit handhaving subsidieregels voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 251/1994);
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
409.
Handeling: Het vaststellen van nadere regels voor de aanvaarding van voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen
Periode: 1990–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 62
Product: Besluit, o.a.:
Besluit aanvaarding voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 242/1989)
Waardering: B 1
Particuliere (gezags)instellingen en inrichtingen; Subsidie
410.
Handeling: Het verstrekken van subsidie aan voogdij-instellingen, gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringinstellingen en particuliere inrichtingen
Periode: 1945–
Grondslag: KbW (Stb. 64/1901): art. 12, art. 15; KbW (Stb. 322/1909): art. 16bis; KbW (Stb. H 232/1947): art. 15, art. 20; KbW (Stb. 29/1954): art. 15; Kbb (Stb. 209/1905): art. 175 juncto art. 158–art. 164, art. 177bis, art. 178; Kbb (Stb. 331/ 1933): art. 176;
Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 7; Bkb (Stb. 403/1961): art. 10, art. 11, art. 12, art. 14, art. 27; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 106/art. 114, art. 116, art. 119/art. 122, art. 139, art. 143; Wet van 1 juli 1987 (Stb. 335): art. X; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 61, art.65; Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 2, art. 3, art.5; Besluit handhaving subsidieregels voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen ( Stcrt.251/1994)
Product: Subsidie
Opmerking: Vanaf 1965 geld het volgende systeem: na afloop van ieder jaar wordt door de instelling een opgave gedaan van de hoofdelijke kosten en baten over het afgelopen jaar. Op grond daarvan stelt de Minister van Justitie het bedrag van de subsidie voor het komend jaar vast. De subsidie wordt per kwartaal voorlopig uitgekeerd,. Aan het eind van het jaar wordt ze, na verrekening van eventueel tekort of teveel, definitief. De instellingen ontvangen dus per pupil een subsidie, terwijl ook de ouders moeten bijdragen in de kosten van verzorging. Deze ouderbijdrage liep via de Raad, tegenwoordig via het LBIO.
Waardering: V 10 jaar
411.
Handeling: Het verstrekken van subsidie voor experimenten op het beleidsterrein justitiële jeugdzorg
Periode: 1990–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 53; Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 4
Waardering: V 10 jaar
Particuliere (gezags)instellingen en inrichtingen; Aanvaarding
412.
Handeling: Het beslissen over de aanvaarding van particuliere instellingen voor voogdij, gezinsvoogdij, jeugdreclassering en nazorg
Periode: 1990–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 60, art. 63, art. 64; Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stb. 354/1990): art. 2, art. 3; Besluit aanvaarding voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stcrt. 242/1989): art. 1/art. 6
Product: o.a.: besluiten, dossier, mededeling aan het samenwerkingsverband, kinderrechter en de Raad
Opmerking: De instelling een werkplan en haar statuten in. De minister is verplicht de kinderrechters en de Raden voor de kinderbescherming in het arrondissement te horen. Tussen 1992 en 1995 zijn de instellingen tevens voorziening van pleegzorg
Waardering: B5
Particuliere (gezags)instellingen en inrichtingen; Toezicht
413.
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren aan wie de particuliere instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming informatie over haar werkzaamheden moeten verstrekken
Periode: 1965–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 22; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 67
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
Jeugdreclasseringsinstellingen; Algemene regelgeving
416.
Handeling: Het vaststellen van nadere voorschriften ter uitvoering van het Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947)
Periode: 1948–1965
Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 20
Product: Ministeriële regeling/circulaire
Waardering: B 1
417.
Handeling: Het vaststellen van regels over de registers waarin particuliere jeugdreclasseringsinstellingen de door hen behandelende gevallen moet aantekenen
Periode: 1948–1965
Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 5
Product: Circulaire
Waardering: B5
Jeugdreclasseringsinstellingen; Subsidie
418.
Handeling: Het vaststellen van regels over de inrichting van de financiële administratie die door particuliere reclasseringsinstellingen moet worden bijgehouden
Periode: 1948–1965
Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 6
Product: Circulaire
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
419.
Handeling: Het vaststellen van regels over de toekenning van subsidie aan particuliere reclasseringsinstellingen
Periode: 1948–1965
Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 7
Product: Circulaire
Waardering: B5
420.
Handeling: Het toekennen van subsidie aan particuliere reclasseringsinstellingen
Periode: 1948–1965
Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 7
Product: Subsidie, correspondentie
Waardering: V 5 jaar
Jeugdreclasseringsinstellingen; Aanvaarding
421.
Handeling: Het beslissen over de aanvaarding van een particuliere jeugdreclasseringsinstelling
Periode: 1948–1965
Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 4
Product: Beschikking, evt. voorwaarden
Opmerking: de instelling levert daartoe een schriftelijke verklaring in, waarin ze zich bereid verklaart tot het uitvoeren van rechterlijke opdrachten tot het verlenen van hulp aan, en toezicht op voorwaardelijk veroordeelde jeugdigen, en/of ze zich bereid verklaart tot het uitvoeren van ministeriële opdrachten van bijzonder toezicht op tot een tuchtschool veroordeelde, maar voorwaardelijk invrijheidgestelde jeugdigen. De instelling moet zich daarbij onderwerpen aan de bepalingen van Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947). De instelling kan overigens haar arbeid beperken tot een of meer bepaalde groepen van personen.
Voor de aanvaarding moet de Minister van Justitie het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies horen.
Waardering: B 1
Jeugdreclasseringsinstellingen; Toezicht
423.
Handeling: Het houden van toezicht op jeugdreclasseringsinstellingen
Periode: 1948–1965
Grondslag: Besluit van 13 december 1947 (Stb. H 424/1947): art. 5
Product: Huisbezoek, verslag, correspondentie met reclasseringsinstelling
Opmerking: de reclasseringsinstelling is verplicht te bevorderen dat aan deze ambtenaren toegang tot de verblijfplaats van de jeugdigen wordt verschaft
Waardering: B 2
Gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen; Algemene regelgeving
424.
Handeling: Het vaststellen van voorschriften over de inrichting van het dossier dat een gezinsvoogdij-instelling over ieder pupil moet bijhouden
Periode: 1965–1989
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 44
Product: Circulaire
Opmerking: Onder het Besluit kwaliteitseisen en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stb. 354/1990), is de instelling verplicht zelf in haar werkplan aan te geven hoe zij de dossiers inricht. De Minister van Justitie neemt kennis van de inhoud van het werkplan
Waardering: B5
Gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen; Subsidie
425.
Handeling: Het vaststellen van het formulier waarmee gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen subsidie kunnen aanvragen
Periode: 1965–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 139
Opmerking: dit betreft instellingen voor patroons en gezinsvoogden, jeugdreclassering en nazorg.
Waardering: V 5 jaar
426.
Handeling: Het vaststellen van modellen voor de in te dienen begroting en werkplan i.v.m. subsidieverstrekking gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen
Periode: 1990–
Grondslag: Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 8
Product: Modellen
Waardering: V 5 jaar
Gezinsvoogdij- en jeugdreclasseringsinstellingen; Aanvaarding
427.
Handeling: Het beslissen over de aanvaarding van particuliere instellingen voor patroons en gezinsvoogden, jeugdreclassering en nazorg
Periode: 1965–1990
Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 4; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 14, art. 15, art. 22–art. 25;
Product: o.a.: besluiten, dossier, mededeling aan het samenwerkingsverband, kinderrechter en de Raad
Opmerking: De instelling levert daartoe een schriftelijke verklaring in bij de minister, waarin zij verklaart zich te onderwerpen aan de bij AMvB te stellen voorwaarden. De minister is verplicht de kinderrechters en de Raden voor de kinderbescherming in het arrondissement te horen en ook de Nationale Federatie voor Kinderbescherming of in plaats van de laatste een groepsfederatie.
Waardering: B5
Voogdij-instellingen; Algemene regelgeving
430.
Handeling: Het vaststellen van voorschriften en modellen voor het dossier en de verslaglegging over de minderjarige, die door voogdij-instellingen moet worden bijgehouden
Periode: 1945–1989
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 149 juncto art. 178; Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 4; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 28.3
Product: Model
Opmerking: Onder het Besluit kwaliteitseisen en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stb. 354/1990), is de instelling verplicht zelf in haar werkplan aan te geven hoe zij de dossiers inricht. De Minister van Justitie neemt kennis van de inhoud van het werkplan
Waardering: B5
Voogdij-instellingen; Subsidie
432.
Handeling: Het vaststellen van regels voor de melding van omstandigheden die invloed hebben op de subsidieverstrekking
Periode: 1945–1964
Grondslag: Kbb (Stb. 331/1933): art. 162
Product: Circulaire
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
433.
Handeling: Het vaststellen van formulieren i.v.m. de aanvraag en controle voor subsidie voor voogdij-instellingen
Periode: 1945–1989
Grondslag: Kbb (Stb. 331/1933): art. 176 ; Kbb (Stb. 331/1933): art. 163, art. 164; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 106
Product: Circulaire
Waardering: V 5 jaar
434.
Handeling: Het vaststellen van nadere regels voor de subsidieverstrekking voor de voogdij-instellingen
Periode: 1965–1989
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 113
Product: Circulaire
Waardering: B5
435.
Handeling: Het vaststellen van het model van het formulier waarmee een voogdij-instelling subsidie kan aanvragen ten behoeve van een pupil die veroordeeld is tot TBR of plaatsing in een inrichting van buitengewone behandeling
Periode: 1965–1989
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 116
Product: Formulier
Waardering: V 5 jaar
436.
Handeling: Het vaststellen van modellen voor de in te dienen begroting en werkplan i.v.m. subsidieverstrekking aan voogdij-instellingen
Periode: 1990–
Grondslag: Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 8
Product: Modellen
Waardering: V 5 jaar
Voogdij-instellingen; Aanvaarding
437.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels waaraan rechtspersonen die voogdij op zich willen nemen zich moeten onderwerpen
Periode: 1947–1965
Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 396
Product: AMvB o.a.: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468), tot vaststelling van een AMvB , houdende de voorwaarden, waaraan de rechtspersonen als bedoeld in art. 396 van het BW zich onderwerpen
Waardering: B5
438.
Handeling: Het stellen van voorwaarden aan particuliere instellingen die met een opdracht tot verpleging van TBR-gestelde jongeren kunnen worden belast of aan wie de voogdij over jongeren is opgedragen
Periode: 1945–1965
Grondslag: KbW (Stb. H 232): art. 14
Opmerking: De voorwaarden betreffen maatregelen ten behoeve van de gezondheid, zedelijkheid, schoolonderwijs en vakonderricht. Daarnaast kunnen voorwaarden betreffende de opneming in gestichten en tot de opvoedkundige inrichting der gestichten
Waardering: B5
439.
Handeling: Het vaststellen van regels over het toezicht op verpleegden door of vanwege de instelling te houden
Periode: 1950–1965
Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 8
Product: Circulaire
Waardering: B5
440.
Handeling: Het beslissen over de aanvaarding van voogdij-instellingen
Periode: 1945–1990
Grondslag: KbW (Stb. H 232): art. 15; Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 10, art. 12; Bkb (Stb. 403/1961): art. 3; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 14, art. 15.
Product: o.a.: besluiten, correspondentie, dossier, mededelingen aan kinderrechter, de Raad en samenwerkingsverband
Opmerking: De instelling levert daartoe een schriftelijke verklaring in bij de minister, waarin zij verklaart zich te onderwerpen aan de bij AMvB te stellen voorwaarden. De minister is verplicht de kinderrechters en de Raden voor de kinderbescherming in het arrondissement te horen en tot 1990 ook de Nationale Federatie voor Kinderbescherming of in plaats van de laatste een groepsfederatie.
Waardering: B5
Voogdij-instellingen; Toezicht
444.
Handeling: Het houden van toezicht op voogdij-instellingen
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 149, art. 150, art. 151, art. 178; KbW (Stb. H 232/1947): art. 13; Bkb (Stb. 403/1961): art. 3; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 22–art. 25, art. 40, art. 41, art. 200/art. 203; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 63
Product: Correspondentie, dossier
Opmerking: in het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie o.a. jaarverslagen, mededelingen over bijzondere voorvallen en financiële verantwoordingsinformatie en/of accountantsrapporten. Niet nakoming van de voorwaarden kan leiden tot intrekking van de aanvaarding. In het kader van het toezicht op jeugd-TBR in particuliere stuurde de instelling driemaandelijkse rapporten betreffende de jongere aan de minister; bijzondere voorvallen worden directe gemeld. Aan de Minister van Justitie worden alle ter zake dienende inlichtingen verstrekt
Waardering: B 2
Particuliere inrichtingen en tehuizen: Reglementen en verslaglegging
447.
Handeling: Het vaststellen van voorschriften/modellen voor de inrichting van de verslaglegging die particuliere inrichtingen of instellingen moeten bijhouden over de aan hen toevertrouwde jongeren
Periode: 1945–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 149
Product: Model
Opmerking: Na 1965 wordt deze handeling ondergebracht in de vaststelling van een AMvB
Waardering: B5
448.
Handeling: Het vaststellen van het model van het register voor strafaantekening in inrichtingen van voogdij-instellingen
Periode: 1950–?
Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 15
Product: Circulaire
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
Particuliere inrichtingen en tehuizen; Subsidie
449.
Handeling: Het vaststellen van regels over de afzonderlijke subsidie voor tegemoetkoming in de kosten van het toezichthoudend personeel van particuliere inrichtingen
Periode: 1954–1964
Grondslag: Kbb (Stb. 482/1954): art. 161bis
Product: Circulaire
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
450.
Handeling: Het, voor ieder inrichting afzonderlijk, vaststellen welk bedrag aan verpleegkosten ten hoogste als basis voor de toekenning van subsidie wordt aangehouden
Periode: 1962–1989
Grondslag: Kbb (Stb. 84/1962): art. 161; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 109
Product: Circulaire
Opmerking: bedrag wordt bepaald aan de hand van door de inrichting ingediende exploitatie-rekening of begroting
Waardering: V 5 jaar
451.
Handeling: Het vaststellen van modellen voor de in te dienen begroting en werkplan i.v.m. subsidieverstrekking aan inrichtingen voor justitiële kinderbescherming
Periode: 1990–
Grondslag: Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 307/1990): art. 8
Product: Modellen
Waardering: V 5 jaar
452.
Handeling: Het vaststellen van nadere regels over de kosten van verblijf door jongeren in niet goedgekeurde particuliere inrichtingen
Periode: 1965–1989
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 123
Product: Circulaire, ministeriële regeling
Waardering: B5
453.
Handeling: Het verstrekken van subsidie voor de bouw van particuliere inrichtingen en tehuizen
Periode: 1965–1989
Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 13.1, 13.2; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 125/art. 138
Product: Subsidie, voorschot, beschikking, voorwaarden, dossier waarin verzoek, bouwtekening, uittreksel kadastrale kaart, begroting enz., correspondentie, bezoekverslagen
Opmerking: de wet verplicht de instelling tot het verstrekken van een hypotheek ten behoeve van de Staat tot zekerheid voor het nakomen van de gestelde voorwaarden
Waardering: V 5 jaar
454.
Handeling: Het geven van toestemming voor verandering van de bestemming van een door de overheid gesubsidieerd gebouw aan een particuliere inrichting of voor de vervreemding of bezwaaring van de inrichting van het gebouw
Periode: 1965–1989
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 136
Waardering: V 5 jaar
455.
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die controle uitoefenen op de door de overheid gesubsidieerde bouw van particuliere inrichtingen
Periode: 1965–1989
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 138
Opmerking: Na 1989 wordt deze handeling gezamenlijk uitgevoerd door de Minister van Justitie en de Minister waaronder Welzijn ressorteert op grond van art. 55 van Wjhv(Stb. 390/1989). Zie hiervoor Schappelijk welzijn op Maat
Waardering: V 5 jaar
Particuliere inrichtingen en tehuizen; Aanvaarding
456.
Handeling: Het beslissen over aanvaarding van particuliere observatieklinieken voor minderjarige verdachten
Periode: 1945–1965
Grondslag: Besluit van 4 september 1926 (Stb. 323): art. 2–art. 6
Product: Onderzoek, correspondentie, evt. voorwaarden verbetering, beschikking
Opmerking: het bestuur van de inrichting zendt daartoe een schriftelijke verklaring van onderwerping in, waarop een onderzoek door het ministerie volgt.
Waardering: B 1
457.
Handeling: Het beslissen over goedkeuring van particuliere inrichtingen en tehuizen voor de tenuitvoerlegging van de straf van arrest aan jongeren
Periode: 1965–1990
Grondslag: Bkb (Stb. 403/1961): art. 30; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 223/art. 229
Product: Ministeriële besluiten, onderzoek, dossier, mededeling aan het Openbaar Ministerie
Opmerking: De inrichting dient een schriftelijk verzoek bij de Minister van Justitie in, onder mededeling van de categorie en het aantal jongeren dat de inrichting wenst op te nemen. Eventueel laat de Minister van Justitie nog een onderzoek instellen. De (voorlopige) goedkeuring wordt schriftelijk aan de instelling medegedeeld, evenals een intrekking van de goedkeuring. Van goedkeuring of intrekking daarvan doet de Minister van Justitie mededeling aan het Openbaar Ministerie
Waardering: B5
458.
Handeling: Het bij AMvB geven van kwaliteitsregels voor inrichtingen van justitiële kinderbescherming
Periode: 1990–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989) art.66, art.80
Product: AMvB, o.a.: Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming (Stb. 112/1990)
Opmerking: Vanaf 1983 moeten de inrichtingen ook voldoen aan voorwaarden over de rechtspositie van de jongeren
Waardering: B5
459.
Handeling: Het beslissen over goedkeuring van particuliere inrichtingen en tehuizen
Periode: 1945–1990
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 152 juncto art. 178; Bkb (Stb. 403/1961): art. 5;
Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 53–art. 58, art. 82
Product: o.a.: besluit, dossier waarin verklaring van onderwerping, statuten, stichtingsbrieven of reglementen, samenstelling bestuur, plattegrond, gegevens over de jongeren waarvoor de inrichting bedoeld is, uiteenzetting over de methodiek, gegevens over onderwijs en vakonderricht, het personeel van de inrichting, financiële positie van de rechtspersoon, inspectierapport, rechtspositie reglement, correspondentie over wijzigingen
Opmerking: De inrichting levert daartoe een schriftelijke verklaring in bij de minister, waarin zij verklaart zich te onderwerpen aan de bij AMvB te stellen voorwaarden. De Minister moet zich overtuigen dat de inrichting aan de gestelde voorwaarden voldoet. De minister is verplicht voor de goedkeuring en de intrekking daarvan de Raden voor de kinderbescherming in het arrondissement te horen, alsmede de Nationale Federatie voor Kinderbescherming of in plaats van de laatste een groepsfederatie
Waardering: B5
Particuliere inrichtingen en tehuizen; Toezicht
461.
Handeling: Het aanwijzen van personen die altijd toegang hebben tot particuliere observatieklinieken voor minderjarige verdachten
Periode: 1945–1965
Grondslag: Besluit van 4 september 1926 (Stb. 323): art. 1
Waardering: V 5 jaar
462.
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die particuliere inrichtingen mogen bezoeken
Periode: 1950–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 74;
Product: Aanwijzing
Opmerking: Uit Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. blijkt echter dat de Minister van Justitie dit al sinds 1950 doet
Waardering: V 5 jaar
464.
Handeling: Het houden van toezicht op de particuliere inrichtingen
Periode: 1945–
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 149; Kbb (Stb. 209/1905): art. 150 Kbb (Stb. 209/1905): art. 155 Kbb (Stb. 209/1905): art. 155 juncto art. 178; Bkb (Stb. 403/1961): art. 5.5; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 74, art. 76, art. 79–art. 81 ; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 67
Product: Correspondentie, inspectiebezoeken, rapportage, verslagen
Opmerking: in het kader van deze handeling ontvangt de Minister van Justitie mededelingen over bijzondere zaken, en verder o.a. jaarverslagen en financiële verantwoordingsinformatie en/of accountantsrapporten.
Waardering: B 2
Particuliere inrichtingen en tehuizen; Regels verpleging
466.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van de regeling voor het toezicht gedurende de nacht
Periode: 1945–1965
Grondslag: Besluit van 15 juni 1905 (Stb. 208), zoals gewijzigd bij het besluit van 10 mei 1907 (Stb. 99): art. 134
Waardering: V 5 jaar
467.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van een ‘leerplan’ voor het geven van onderwijs aan verpleegden van een particuliere inrichting
Periode: 1945–1965
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 136
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar
468.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot toestemming voor gemengde verpleging voor een particuliere inrichting
Periode: 1950–1965
Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 17
Waardering: V 5 jaar
469.
Handeling: Het machtigen van een particuliere inrichting tot het in afzondering houden van jongeren
Periode: 1983–1990
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 729/1983): art. 62b, art. 62c
Product: Beschikking
Opmerking: let op: de inrichting krijgt een algemene machtiging. De directeur beslist over de individuele gevallen. Afzondering mag bovendien alleen in door de minister goedgekeurde ruimten; het kan zijn dat dit geen aparte handeling is maar valt onder aanvaarding inrichting
Waardering: B 1
Voortgezette hulpverlening aan meerderjarigen
470.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels voor subsidieverstrekking aan instellingen voor voortgezette hulpverlening aan meerderjarige jongeren
Periode: 1988–1991
Grondslag: Bkb (Stb. 335/1988): art. 10a
Product: AMvB
Waardering: B 1
471.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot voortzetting of wijziging van de uithuisplaatsing van een jongere na het bereiken van de meerderjarigheid
Periode: 1988–1991
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143c
Product: Beschikking, dossier waarin: formulier, advies van de plaatsende instantie, inlichtingen van de plaatsende instantie
Opmerking: Het gaat hier om de voortzetting van subsidie voor hulpverlening aan particuliere instellingen of inrichtingen. In de beschikking wordt vermeld voor welke hulpverlening de plaatsende instantie subsidie in de kosten, dan wel machtiging om de kosten van de hulpverlening in uitgaaf te stellen wordt verleend. De duur van de hulpverlening is ten hoogste 6 maanden, die door de Minister van Justitie, op verzoek, steeds verlengd kan worden totdat de jongere 21 wordt of in het huwelijk treed. De plaatsende instantie is verplicht beëindiging van de hulpverlening onmiddellijk te melden.
Waardering: V 10 jaar
472.
Handeling: Het vaststellen van het formulier waarmee een verzoek tot voortzetting of wijziging van de hulpverlening, door een uit huisgeplaatste jongere na het bereiken van de meerderjarigheid, gedaan moet worden
Periode: 1988–1991
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143b
Product: Formulier
Opmerking: het formulier wordt aan de jongere verstrekt door instantie die hem oorspronkelijk geplaatst heeft. Deze plaatsende instantie moet de Minister van Justitie terzake adviseren.
Waardering: V 5 jaar
475.
Handeling: Het vaststellen van regels voor de aftrek van eigen inkomsten van de subsidie of vergoeding voor voortgezette hulpverlening aan meerderjarigen
Periode: 1988–1995
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143c; Wjhv (Stb. 360/1989): art. 40
Product: Publicatie in Staatscourant
Waardering: V 5 jaar
476.
Handeling: Het verstrekken van subsidie voor voortgezette hulpverlening aan uit huisgeplaatste meerderjarige jongeren
Periode: 1988–1990
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 558/1987): art. 143a–143e;
Product: Subsidie, administratie
Waardering: V 10 jaar
Pleegzorg; Algemene regelgeving
477.
Handeling: Het houden van toezicht op de particuliere verpleging van jongeren met jeugd-TBR buiten gestichten
Periode: 1945–1989
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905), zoals gewijzigd bij besluit van 23 september 1910: art. 156, Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 9
Waardering: B 2
480.
Handeling: Het bevelen van een geneeskundig onderzoek voor een pleeggezin
Periode: 1965–1989
Grondslag: Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 38
Product: Beschikking
Opmerking: ook de instelling mag tot een dergelijk onderzoek bevelen
Waardering: V 10 jaar
481.
Handeling: Het vaststellen van het model van het pleegcontract voor opvoeding in een pleeggezin
Periode: 1989–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 39
Product: Ministeriële regeling, o.a.:
Besluit van 27 februari 1990, no. AJB-U 8 920 245 (Stcrt. 46/1990)
Waardering: B 1
Pleegzorg; Subsidie
483.
Handeling: Het aanwijzen van een pleeggezin als inrichting
Periode: 1950–1989
Grondslag: Besluit van 31 oktober 1950 (Stb. K 468): art. 26; Uitvoeringsbesluit kinderbescherming (Stb. 327/1964): art. 36
Product: Beschikking
Waardering: V 10 jaar
484.
Handeling: Het vaststellen van (regels voor) de vergoeding van pleegzorg
Periode: 1989–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 40
Product: Ministeriële regeling, o.a.:
Regeling vergoeding pleeggezinnen (Stcrt. 252/1989)
Besluit tot wijziging van Regeling vergoeding pleeggezinnen (Stcrt. 215/1990)
Waardering: B5
485.
Handeling: Het verstrekken van subsidie aan plaatsende instanties, opnemende instanties,
centrales van pleegzorg en instellingen voor therapeutische gezinsverpleging
Periode: 1990–1992
Grondslag: Regeling vergoeding pleeggezinnen (Stcrt. 252/1989); Besluit tot wijziging van Regeling vergoeding pleeggezinnen (Stcrt.215/1990); Besluit tijdelijke regeling bekostiging jeugdhulpverlening (Stb. 564/1990)
Product: Subsidie
Waardering: V 10 jaar
Pleegzorg; Pleegkinderen
486.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels ter uitvoering van de Pleegkinderenwet
Periode: 1951–
Grondslag: Pleegkinderenwet (Stb. 595/1951): art. 1.c, art. 4 en 5
Product: AMvB o.a.: Uitvoeringsbesluit Pleegkinderenwet (Stb. 19/1953)
Waardering: B 1
487.
Handeling: Het vaststellen van nadere regels betreffende de uitvoering van de Pleegkinderenwet
Periode: 1951–
Product: Circulaire, o.a.:
Circulaire van de Minister van Justitie aan de Voogdijraden van 9 maart 1953, nr. 2073
Waardering: B5
488.
Handeling: Het vaststellen van de modellen voor de formulieren waarmee opname, vertrek of overlijden van pleegkinderen aan de gemeenteraad moet worden aangemeld
Periode: 1953–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Pleegkinderenwet (Stb. 19/1953): 12
Product: Model
Waardering: V 5 jaar
Actor Minister van Defensie
– inspecteur van de geneeskundige dienst van de landmacht;
– garnizoensapotheek;
– ’s Rijks magazijn van geneesmiddelen te Amsterdam
380.
Handeling: Het houden van toezicht op de geneeskundige dienst van rijksinrichting
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 39, juncto art. 95
Waardering: V 5 jaar
382.
Handeling: Het verstrekken van geneesmiddelen ten behoeve van de verpleegden in een rijksinrichting
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 41, juncto art. 95
Opmerking: de kosten van deze verstrekkingen en de toelage voor de militaire apotheker komen ten laste van de justitiebegroting
Waardering: V 5 jaar
383.
Handeling: Het adviseren aan de Minister van Justitie, over een verzoek tot goedkeuring van een contract tot levering van geneesmiddelen, af te sluiten tussen een apotheker en een rijksinrichting
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 41, juncto art. 95
Waardering: V 5 jaar
385.
Handeling: Het verstrekken van genees-, verband- en verdere hulpmiddelen aan de geneeskundige dienst van rijksinrichtingen
Periode: 1945–1954
Grondslag: Kbb (Stb. 209/1905): art. 42, juncto art. 95
Opmerking: kosten van deze verstrekkingen komen ten laste van de justitiebegroting
Waardering: V 5 jaar
491.
Handeling: Het, in samenwerking met andere overheidsinstellingen, opleiden, trainen, aanleren van sociale vaardigheden en disciplineren van jongeren
Periode: 1999–
Grondslag: Defensienota 2000
Waardering: V 5 jaar
Actor Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
487.
Handeling: Het vaststellen van nadere regels betreffende de uitvoering van de
Pleegkinderenwet
Periode: 1951–
Waardering: B5
Actor Minister waaronder Welzijn ressorteert
Rijksagenten/ambtenaren voor voorwaardelijk ontslag
104.
Handeling: Het bij AMvB bepalen dat het LBIO andere taken mag verrichten
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 1
Waardering: B4
105.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van de regeling van bezoldiging en verdere rechtspositie van de leden van de directie van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 4
Waardering: V 5 jaar
107.
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van leden en voorzitter van de Raad van toezicht van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 10
Waardering: V 75 jaar
108.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot goedkeuring van het oprichten of mede-oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon of het deelnemen aan een rechtspersoon
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 12
Opmerking: Zie voor goedkeuring van vennootschappen het RIO rechtspersonen
Waardering: V 10 jaar
109.
Handeling: Het bij AMvB afwijken van het bepaalde over de rechtspositie van het personeel van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 14
Waardering: V 10 jaar
111.
Handeling: Het verstrekken van een voorschot aan het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 15
Waardering: V 5 jaar
112.
Handeling: Het beoordelen van (financiële) verantwoordingsgegevens van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 19, art. 21
Opmerking: In het kader van deze handeling onvangen de ministers o.a.: de begroting, jaarverslag, jaarrekening en stukken van de accountant etc.
Waardering: V 5 jaar
114.
Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Justitie, over goedkeuring van het meerjarenbeleidsplan van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 20
Waardering: V 10 jaar
115.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels over de wijze van beoordeling van de rechtmatigheid van de wettelijke taakuitvoering van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 21
Waardering: B 1
118.
Handeling: Het treffen van voorzieningen wanneer het LIBIO zijn taken verwaarloosd
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 24
Opmerking: de Minister van Justitie meldt dit terstond aan de Staten-Generaal
Waardering: B4
119.
Handeling: Het bepalen welke vermogensbestanddelen van de Staat worden toebedeeld aan het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 35
Waardering: V 5 jaar
120.
Handeling: Het eenmalig benoemen van leden van de directie van het LBIO
Periode: 1997–
Grondslag: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 198/1995): art. 36
Waardering: V 75 jaar
121.
Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met particuliere instellingen over het jeugdbeleid (GOPI)
Periode: 1981–1991
Grondslag: Beschikking tijdelijk gestructureerd overleg jeugdhulpverlening overkoepelende particuliere organisaties van 20 mei 1981, nr. 284/781;
Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188): art. 5/art. 10
Opmerking: In 1991 zou er een evaluatie van de werking van beschikking plaatsvinden. Waarschijnlijk is het overleg daarna opgegaan in het GOLO
Waardering: B 1
122.
Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met andere overheden over het jeugdbeleid (GOLO)
Periode: 1981–
Bron: Toelichting op Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188) als geciteerd in S&J nr.200 (1990) p.426
Waardering: B 1
Registratie van gegevens noodzakelijk voor uitvoering van de Wjhv
149.
Handeling: Het bij AMvB geven van nadere regels over de gegevensverstrekking in het kader van de jeugdhulpverlening
Periode: 1989–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 56
Opmerking: Over het beheer van de gegevens, de wijze waarop en de vorm waarin ze worden aangeleverd en verwerkt, alsmede de organen belast met de verwerking
Waardering: B5
150.
Handeling: Het aanwijzen van de organen/rechtspersonen belast met de registratie van gegevens over de jeugdhulpverlening
Periode: 1993–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 56
Besluit gegevensverstrekking jeugdhulpverlening (Stb. 328/1993): art. 3
Opmerking: Als verantwoordelijk orgaan/rechtspersoon werd aangewezen de Stichting Registratie Jeugd voorzieningen. De financiering van deze registratie wordt geregeld via de Rijksbegroting. zie hiervoor het RIO/BSD Rijksbegroting
Waardering: B4
156.
Handeling: Het houden van toezicht op het opnamebeleid van residentiële voorzieningen
Periode: 1987–
Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 5
Waardering: B5
200.
Handeling: Het aanwijzen van een instantie die de ouderbijdrage verschuldigd voor de justitiële en vrijwillige hulpverlening mag vaststellen en innen
Periode: 1995–1997
Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 41f
Product: –
Opmerking: Dit (of liever de dependance Gouda van deze raad) is de voorloper het LIBIO
Waardering: B4
201.
Handeling: Het vaststellen van het formulier waarmee gegevens over kosten van secundaire jeugdhulpverlening aan de ministers ter kennis wordt gebracht
Periode: 1995–
Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 32
Product: –
Opmerking: –
Waardering: V 5 jaar
202.
Handeling: Het bij AMvB geven van regels over de hoogte van de (ouderlijke/jeugdige) eigen bijdrage verschuldigd voor de kosten van de hulpverlening
Periode: 1995–
Grondslag: Wjhv (Stb. 225/1995): art. 41a.
Waardering: B5
481.
Handeling: Het vaststellen van het model van het pleegcontract voor opvoeding in een pleeggezin
Periode: 1989–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 39
Waardering: B 1
484
Handeling: Het vaststellen van (regels voor) de vergoeding van pleegzorg
Periode: 1989–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 40
Waardering: B5
Actor Vakminister
121.
Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met particuliere instellingen over het jeugdbeleid (GOPI)
Periode: 1981–1991
Grondslag: Beschikking tijdelijk gestructureerd overleg jeugdhulpverlening overkoepelende particuliere organisaties van 20 mei 1981, nr. 284/781;
Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188): art. 5/art. 10
Opmerking: In 1991 zou er een evaluatie van de werking van de beschikking plaatsvinden. Waarschijnlijk is het overleg daarna opgegaan in het GOLO
Waardering: B 1
122.
Handeling: Het deelnemen aan het gestructureerd overleg met andere overheden over het jeugdbeleid (GOLO)
Periode: 1981–
Bron: Toelichting op Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188) als geciteerd in S&J nr. 200 (1990) p. 426
Waardering: B 1
Actor Raad voor de Kinderbescherming/voogdijraad
Steekproef dossiers Raden voor de Kinderbescherming
Op grond van deze selectielijst kunnen cliëntendossiers van een Raad voor de Kinderbescherming vernietigd worden op het moment dat het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden, met uitzondering van de dossiers gevormd vóór 1956 en eindigend op een 1 en een 6 voor blijvende bewaring aangemerkt. Voor de dossiers gevormd vanaf 1956 geldt dat de dossiers eindigend op een 1 bewaard moeten worden. De te bewaren steekproef heeft uitsluitend betrekking op de cliëntendossiers.
Informatieverstrekking
8.
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleidsterrein justitiële jeugdzorg
Periode : 1945–
Waardering: V 1 jaar
9.
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het handelen van de Raad en de instellingen van voogdij en gezinsvoogdij
Periode: 1945–
Waardering: V 1 jaar
10.
Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de kinderbescherming
Bron: Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming (Stb. 329/1996)
Opmerking: Van het gedrukte voorlichtingsmateriaal wordt een exemplaar bewaard. De voorbereidende stukken worden vernietigd
Waardering: B 1 eindproduct
V 2 jaar: overige stukken
15.
Handeling: Het benoemen en ontslaan van personeel van de Raad
Periode: 1996–
Grondslag: Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming (Stb. 329/1996): art. 2
Waardering: V 75 jaar
19.
Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie over de ontheffing van de verplichting voor de secretaris van de Raad, om zijn standplaats te hebben in de gemeente waar de Raad gevestigd is
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905): art. 3; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5
Product: Advies
Waardering: V 5 jaar
21.
Handeling: Het aanstellen van een plaatsvervangende secretaris
Periode: 1945–1997
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 3; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 5; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 29
Product: Verzoek aan de minister, besluit tot aanstelling
Opmerking: Tot 1956 had de Raad hiervoor de goedkeuring van de Minister van Justitie nodig
Waardering: V 5 jaar na aanstelling
24.
Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie i.v.m. de benoeming van leden voor de Raad
Periode: 1956–1997
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 5; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 7; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 6; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 7–10
Product: voordracht, advies
Opmerking: Tot 1956 werden de leden benoemd op voordracht van de Commissaris der Koningin en/of de president van de arrondissementsrechtbank; sinds 1956 draagt de Raad zelf nieuwe leden ter benoeming voor.
Waardering: V 5 jaar na advies
25.
Handeling: Het verzoeken aan de Commissaris der koningin/president der arrondissementsrechtbank om bij de Minister van Justitie een voordracht te doen ter vervanging van een lid van de Raad
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 6;
Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 8
Product: Verzoek
Waardering: V 5 jaar na indiening van het verzoek
26.
Handeling: Het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter uit de leden
Periode: 1945–1997
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 7.2; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 9; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 7; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 10
Product: besluit, kennisgeving aan de minister
Waardering: V 5 jaar na aanwijzing
27.
Handeling: Het instellen van commissies over wie de werkzaamheden verdeeld worden en het aanwijzen van de voorzitters daarvan
Periode: 1956–1997
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 11; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 11; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 12
Product: Notulen
Opmerking: in het reglement wordt bepaald welke commissies er zijn; de commissies zijn bevoegd te beslissen. in 1982 krijgen deze interne commissies er een taak bij: het toetsen van de werkzaamheden van het bureau aan het algemeen beleid (zoals geformuleerd door de Raad) de medewerkers van het bureau kunnen deelnemen aan de werkzaamheden van de commissies
Waardering: V 5 jaar na instelling van de commissie
28.
Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie, benoemen van agenten
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 9; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 11
Product: besluit, verzoek aan de minister
Opmerking: De agenten mochten namens de Raad onderzoek verrichten en ontvingen daarvoor vergoeding voor reis- en verblijfskosten. Later is deze bevoegdheid tot delegatie ingetrokken. Raadsonderzoeken worden uitgevoerd door personeel van de Raad zelf
Waardering: V 75 jaar na benoeming
30.
Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie, machtigen van de ondervoorzitter om stukken te tekenen
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933) art. 10; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 12
Product: Machtiging, verzoek aan de minister
Waardering: V 1 jaar na verlenen van de machtiging
32.
Handeling: Het, onder goedkeuring van de Minister van Justitie, vaststellen, wijzigen of intrekken van het reglement
Periode: 1945–1997
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 207/1905): art. 13; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 15; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 10; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 10; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 2
Product: Reglement
Waardering: B4
34.
Handeling: Het publiceren van de vergaderdata van de Raad en de spreekuren van de secretaris
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 15; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 17
Product: publicatie in dagbladen
Waardering: V 1 jaar na publicatie
39.
Handeling: Het voeren van periodiek overleg inzake de werkzaamheden en het beleid van de Raad voor de Kinderbescherming
Periode: 1945–
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 18; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 20; Organisatiebesluit 1996, art. 1 lid 4
Product: Besluitenregister, notulen
Waardering: B 1
40.
Handeling: Het afgeven van een uittreksel van het besluitenregister/notulen aan de president van de rechtbank
Periode: 1945–1956
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 18; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 20
Product: uittreksel register
Waardering: V 1 jaar
41.
Handeling: Het opstellen van jaarverslagen, jaarplannen, periodieke verantwoordingsrapportages, activiteitenplannen met betrekking tot de werkzaamheden
Periode: 1945–
Grondslag: Organisatiebesluit Voogdijraden (Stb. 804/1933): art. 20; Organisatiebesluit Voogdijraden 1948 (Stb. I 134/1948): art. 22; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 26; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 34; Organisatiebesluit 1996, art. 1 lid 4
Opmerking: De desbetreffende stukken worden ter beoordeling aan de Minister van Justitie aangeboden
Waardering: V 1 jaar
44.
Vervallen
45.
Handeling: Het, met inachtneming van de aanwijzingen van de Minister van Justitie, regelen van de werkzaamheden van het bureau van de Raad
Periode: 1956–1997
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 28;
Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 28;
Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 20
Opmerking: De reorganisatie van 1956 introduceert een onderscheid tussen de Raad zelf (die de besluiten neemt), en het bureau van de Raad, (waaraan de onderzoekers verbonden zijn). De secretaris van de Raad is tevens directeur van het bureau
Waardering: V 10 jaar
Regionale samenwerking
49.
Handeling: Het bevorderen van en deelnemen aan regionale samenwerkingsverbanden
Periode: 1989–
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 23;
Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 23;
Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 32;
Wjhv (Stb. 360/1989): art. 14; NBW (Stb. 328/1996): art. 238
Waardering: V 5 jaar
50.
Handeling: Het leveren van bijdragen en deelnemen aan de werkzaamheden van het jeugdhulpadviesteam
Periode: 1989–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 17–art. 21
Product: Advies
Waardering: V 5 jaar
51.
Handeling: Het jaarlijks opstellen van een verslag over zijn plaatsingsbeleid ten behoeve van het regionale jeugdhulpadviesteam
Periode: 1989–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 33
Product: Verslag
Waardering: B3
Klachtencommissie
52.
Handeling: Het afhandelen van klachten gericht tegen gedragingen van raadsmedewerkers jegens belanghebbenden en/of informanten m.b.t. een bij de raad in behandeling zijnde of geweest zijnde aangelegenheid
Periode: 1982–
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 35, art. 36, art. 37, art. 38; Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996): art. 2, art. 3, art. 4, art. 5, art. 6
Product: Oplossing, schriftelijke beslissing, mededeling aan de rechter, dossier, beslissing afschriften aan de Minister van Justitie, de directeur van het betreffende bureau, de voorzitter van de betreffende Raad
Waardering: V 5 jaar nadat een klacht is ingediend of zoveel eerder als van het
gezin het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft gehad
meerderjarig is geworden.
54.
Handeling: Het aanwijzen van leden uit haar midden die zitting nemen in de klachtencommissie
Periode: 1982–1997
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 39
Product: Besluit
Waardering: V 5 jaar
55.
Handeling: Het aanwijzen van de (plaatsvervangende) voorzitter van de klachtencommissie
Periode: 1982–1997
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 40
Product: Aanwijzing
Waardering: V 5 jaar
Registraties
134.
Handeling: Het overleggen van een verklaring over beschikbaarstelling en vernietiging van de periodieke overzichten van gegevens over pupillen
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6
Product: Verklaring
Opmerking: deze verplichting geldt ook voor (gezins-) voogdij-instellingen
Waardering: V 1 jaar na overlegging van de verklaring
135.
Handeling: Het vernietigen van de overzichten van gegevens over pupillen
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6;
Product: Verklaring
Opmerking: deze verplichting geldt ook voor (gezins)voogdij-instellingen; op de bescheiden bij het ministerie is de Archiefwet van toepassing
Waardering: V 1 jaar
136.
Handeling: Het verzoeken om toestemming voor het verstrekken van gegevens aan derden over pupillen
Periode: 1975–1990
Grondslag: Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975): art. 6
Product: Verzoek
Opmerking: deze verplichting geldt ook voor (gezins)voogdij-instellingen
Waardering: V 1 jaar na verzoek om toestemming
Registratie van gegevens noodzakelijk voor uitvoering van de Wjhv
151.
Handeling: Het leveren van gegevens aan de registratie gegevensverstrekking jeugdhulpverlening
Periode: 1993–
Grondslag: Besluit gegevensverstrekking jeugdhulpverlening (Stb. 328/1993): art.
Product: Overzicht
Waardering: V 5 jaar
Centraal Meldingspunt Particulier
153.
Handeling: Het melden aan de Minister van Justitie van niet direct, of moeilijk in een residentiele voorziening plaatsbare jeugdigen
Periode: 1987–2000
Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 2
Product: Formulier
Waardering: V 5 jaar
155.
Handeling: Het maandelijks meewerken aan het opstellen van overzichten van niet direct, of moeilijk in een residentiele voorziening plaatsbare jeugdigen
Periode: 1987–2000
Grondslag: Besluit CMP (Stcrt. 115/1987): 4
Product: Geschoonde wachtlijst
Waardering: V 5 jaar
Zakenregistratie van de Raad
157.
Handeling: Het bijhouden van de zakenregistratie van de Raad
Periode: 1991–
Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 4
Opmerking: In deze registratie worden ook gegevens opgenomen verkregen van het Ministerie van justitie
Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.
158.
Handeling: Het aanwijzen van personen en instellingen die bevoegd zijn tot kennisneming van gegevens in de zakenregistratie van de Raad
Periode: 1991–
Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 9
Waardering: B4
159.
Handeling: Het verstrekken van gegevens uit de registratie aan derden (personen en instellingen voor die gegevens beroepshalve van belang zijn)
Periode: 1991–
Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 10
Opmerking: Verstrekking van gegevens wordt apart geregistreerd. Gegevens worden in het kader van de uitoefening van hun wettelijke taak verstrekt aan Openbaar Ministerie, Rechtelijke Organisatie, advocaatuur, Minister van Justitie, andere raden, en personen en instellingen werkzaam op het gebied van de jeugdhulpverlening en jeugdwelzijn; Personen en instellingen met publiekrechtelijke taak kunnen onder voorwaarden ook gegevens verkrijgen
Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.
161.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot kennisneming van de gegevens in de zakenregistratie door een geregistreerde of diens wettelijke vertegenwoordiger
Periode: 1991–
Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 11
Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.
162.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot wijziging van de gegevens in de zakenregistratie door een geregistreerde of diens wettelijke vertegenwoordiger
Periode: 1991–
Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 12
Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.
163.
Handeling: Het beslissen op een verzoek tot kennisneming van een geregistreerde of diens wettelijke vertegenwoordiger, over de verstrekking van gegevens uit de registratie aan derden
Periode: 1991–
Grondslag: Privacyreglement zakenregistratie Raden voor de kinderbescherming (Stcrt. 126/1991): art. 11; Wet Persoonsregistraties: art. 30
Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.
164.
Handeling: Het beslissen over en verlenen van inzage in of afschrift van bescheiden aan jeugdigen, hun wettelijke vertegenwoordigers of derden
Periode: 1989–
Grondslag: Wjhv (Stb. 360/1989): art. 42–44
Waardering: V wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden.
172.
Handeling: Het verzoeken aan de rechtbank of kantonrechter om te bepalen dat de overlevende ouder of een derde persoon met het gezag over minderjarige kinderen wordt belast
Periode: 1995–
Grondslag: NBW (Stb. 240/1995): art. 253g
Waardering: B 7 in geval van adoptiezaken
V 5 jaar: wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden: in geval van overige stukken
174.
Handeling: Het verzoeken aan de kinderrechter om een meerderjarigverklaring van een minderjarige moeder
Periode: 1993–
Grondslag: NBW (Stb. 268/1993): art. 291a; NBW (Stb. 240/1995): art. 253ha
Waardering: B 7 in geval van adoptiezaken
V 5 jaar: wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden: in geval van overige stukken
179.
Handeling: Het verzoeken aan de kantonrechter/rechtbank om te voorzien in het gezag over een kind bij het ontbreken van gezag, onbevoegdheid, tijdelijk onvermogen of de afwezigheid van de ouder(s)
Periode: 1945–
Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 393; NBW, (Stb. 167/1969): art. 299, NBW (Stb. 188/1997): art. 241, art. 251.4, art. 253g.2
Waardering: B 7 in geval van adoptiezaken
V 5 jaar: wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden: in geval van overige stukken
186.
Handeling: Het verzoeken aan de rechtbank om de voogdij over een kind toe te wijzen aan de overlevende, gescheiden ouder
Periode: 1945–1995
Grondslag: BW (Stb. H232/1947): art. 304; NBW (Stb. 167/1969): art. 285
Waardering: V 5 jaar
192.
Handeling: Het uitkeren van gelden ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen
Periode: 1945–1997
Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 385b; BW (Stb. H232/1947): art. 461b; NBW (Stb. 167/1969): art. 238 art. 241.2, art. 273, art. 333; NBW (Stb. 333/1987): art. 238 art. 241.2, art. 273, art. 333, art. 240;
Waardering: V 6 jaar
194.
Handeling: Het invorderen van de uitkering tot onderhoud voor jeugdigen
Periode: 1947–1997
Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 374h, art. 440c; BW ( Stb. H232/1947): art. 344g;
NBW (Stb. 167/1969): art. 408; NBW (Stb. 333/1987): art. 408, art. 395b;
NBW (Stb. 539/1993): art. 408; WBRv (Stb. H232/1947): art. 479b, 479g; Wet uitvoering Verdrag van New York (Stb. 303/1961): art. 2–art. 11; Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/188): art. 10;
Waardering: V 6 jaar
195.
Handeling: Het verzoeken aan de rechter om de onderhoudsbijdrage vast te stellen en/of te wijzigen van een (stief)ouder die geen gezag heeft over het kind
Periode: 1945–1993
Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 374g, art. 440c; BW (Stb. H232/1947): art. 344a, art. 468; NBW (Stb. 167/1969): art. 406, art. 407
Opmerking: Vanaf 1993 berust de mogelijkheid van een dergelijk verzoek uitsluitend bij de andere ouder of voogd
Waardering: V 6 jaar
204.
Handeling: Het uitvoeren van een raadsonderzoek en het adviseren van de rechter i.v.m. een adoptie of de herroeping daarvan
Periode: 1956–
Grondslag: WBRv (Stb. 42/1956): art. 971, art. 972, art. 975, art. 976, art. 978, art. 979, art. 982, art. 983
Opmerking: tot 1973 zond de Raad haar rapport, begeleid door een voorlopig advies, aan de Centrale Adoptieraad. Die bracht advies uit, waarop de Raad haar rapport, haar eindadvies en het advies van de Centrale Adoptieraad ter griffie indiende
Waardering: B7
206.
Handeling: Het betekenen van een toegewezen vonnis van adoptie of herroeping daarvan aan de (adoptief)ouders van een kind
Periode: 1956–
Grondslag: WBRv (Stb. 42/1956): art. 973, art. 980
Waardering: B7
207.
Handeling: Het doen inschrijven van een adoptie of de herroeping daarvan bij de burgerlijke stand der gemeente
Periode: 1956–
Grondslag: BW (Stb. 42/1956): art. 38a, art. 38b
Waardering: B7
Adoptie Buitenlandse pleegkinderen
209.
Handeling: Het onderzoeken van de geschiktheid van (aspirant-)pleegouders i.v.m. opneming van een buitenlands pleegkind
Periode: 1988–
Grondslag: Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988): art. 5–art. 7, art. 11
Opmerking: afschrift aan aspirant-pleegouders
Waardering: B 7: bij plaatsing van een pleegkind;
V 5 jaar indien geen plaatsing heeft plaats gevonden
Raadsonderzoek
219.
Handeling: Het, naar aanleiding van een melding, beoordelen of een raadsonderzoek noodzakelijk is
Periode: 1945–
Bron: Brochures van de Raad
Opmerking: Deze fase wordt de intake genoemd
Waardering: V 5 jaar wanneer het jongste kind met wie de Raad bemoeienis heeft
gehad meerderjarig is geworden.
220.
Handeling: Het instellen van een onderzoek m.b.t. minderjarigen
Periode: 1945–
Grondslag: Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming (Stb. 336/1956): art. 30;
Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1969: art. 30; Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 24
Opmerking: tot 1956 is het doen van onderzoek een taak van de leden van de raad. Vanaf 1956 geeft de secretaris/directeur van het bureau, de opdracht aan een maatschappelijk werker verbonden aan het bureau, maar mag de Raad nog wel onderzoek doen. Tussen 1982 en 1997 mogen de leden van de Raad geen onderzoeken meer verrichten. Ze mogen wel zaken behandelen nadat het bureau zich ermee bemoeid heeft, of het bureau een opdracht geven tot behandeling van een zaak. Na 1997 is het onderzoek uitsluitend een taak van de maatschappelijk werkers verbonden aan de raad.
Waardering: B 7: bij plaatsing van een kind ter adoptie in een gezin;
V 5 jaar indien geen plaatsing heeft plaats gevonden.
222.
Handeling: Het zorgen voor een minderjarige die hem door het Openbaar Ministerie of de rechtbank voorlopig is toevertrouwd
Periode: 1945–1997
Grondslag: BW (Stb. 62/1901): art. 385b, art. 439a; BW (Stb. H232/1947): art. 374f, art. 374g, art. 422, art. 461b, art. 461c; NBW (Stb. 167/1969): art. 24