CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

De 1-ste Balkenende-norm. Het naleven van regels door de overheid zelf dient als een visie te worden aangemerkt

 

11 september 2003 Het kabinet komt op Prinsjesdag met concrete plannen op het terrein van waarden en normen

De focus ligt op onderwijs, jeugdzorg, veiligheid en integratie. Het kabinet zal echter ook mensen zelf aanspreken op hun bijdrage. Dat heeft minister-president Balkenende gezegd in Hardinxveld-Giessendam waar hij een toespraak hield over waarden en normen. Balkenende maakte daarbij de resultaten bekend van de belevingsmonitor naar normen en waarden. Belevingsmonitor. Uit het onderzoek blijkt dat mensen in het dagelijks leven een groot gebrek aan respect en 'goede omgangsvormen' ervaren. Veel mensen voelen een gebrek aan vertrouwen of zelfs angst voor anderen. Daarom zien ze voor zichzelf geen rol in de verbetering van de omgangsvormen in de samenleving. Volgens Balkenende kan de overheid wel een bijdrage aan de verbetering van het maatschappelijk klimaat, maar zijn het uiteindelijk de mensen zelf die het verschil maken tussen een 'kille maatschappij' en een 'betrokken maatschappij'. Prinsjesdag. Balkenende wijst erop dat het debat over waarden en nomen niet verstomd is. Met Prinsjesdag maakt het kabinet plannen bekend, die de concrete invulling zijn van de voornemens uit het regeerakkoord. Zo wil het kabinet de opvoedingsondersteuning uitbreiden voor gezinnen, waarvan de kinderen dreigen af te glijden naar de criminaliteit. Verder komt het kabinet met plannen om de criminaliteit en de overlast in de publieke ruimte terug te dringen en om nieuwkomers beter te integreren in de samenleving. 

RIJKSVOORLICHTINGSDIENST
Persbericht
11 september  2003
 
BALKENENDE:  MENSEN MAKEN EEN BETROKKEN SAMENLEVING  
We zijn in Nederland verknocht aan onze individuele vrijheid. Maar voor het oplossen van de onaangename gevolgen daarvan kijken we naar de overheid. Terwijl we best eens wat vaker in de spiegel mogen kijken. We kunnen zelf enorm veel doen om de wereld een stapje dichter bij onze idealen te brengen. Dat zei minister-president Balkenende vanmorgen op een congres van het Platform Waarden en Normen. De minister-president maakte de resultaten bekend van een onderzoek in het kader van de Belevingsmonitor Rijksoverheid, waarin met groepen mensen werd doorgepraat over waarden en normen. Daaruit blijkt dat mensen in het dagelijks leven een groot gebrek aan respect en goede omgangsvormen ervaren. Veel mensen voelen een gebrek aan vertrouwen, of zelfs angst voor anderen. Ze zien daarom voor zichzelf geen rol weggelegd bij het verbeteren van de omgangsvormen in de samenleving. “Wat mij opvalt is dat mensen steeds het gedrag van de ander als onwenselijk ervaren. Feilloos weten we de splinters in het oog van de buurman aan te wijzen. De hand in eigen boezem steken komt veel minder voor”, aldus de minister-president. Volgens de minister-president zijn het mensen zelf die uiteindelijk het verschil maken tussen een kille maatschappij en een betrokken samenleving. De overheid dient te zorgen voor een hecht fundament door een stevige handhaving van regels. Mensen hebben groot gelijk als ze de overheid daarop aanspreken. Daarnaast maakt het kabinet met Prinsjesdag concrete plannen bekend om waarden en normen te stimuleren op de terreinen onderwijs, jeugdzorg, veiligheid en integratie. Volgens de minister-president hebben degenen die zeggen dat het debat over waarden en normen van regeringswege is verstomd, niet goed opgelet. “Ruim 20% van de Regeringsverklaring was gewijd aan waarden en normen. In de plannen die we met Prinsjesdag presenteren, krijgen de voornemens een concrete vertaling. Zo legt het kabinet zich vast op een forse vermindering van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte en komt er meer opvoedingsondersteuning voor gezinnen met kinderen die dreigen af te glijden naar de criminaliteit.”

 

 

 

110903 Dezelfde dag nog spreekt de auteur J. Hop van de website Censuur in Nederland MINISTER-PRESIDENT Mr. dr. J.P. Balkenende hierop aan. Hop verzoekt de MINISTER-PRESIDENT om bescherming tegen de overheid door voor een hecht fundament te zorgen en door een stevige handhaving van regels door de overheid zelf.

 

Brief van J. Hop te Ermelo aan de MINISTER-PRESIDENT J.P. Balkenende na toespraak (110903) om "Normen en Waarden te integreren in de jeugdzorg"

Minister President,
Ministerie van Algemene Zaken,
Postbus 20001
2500 EA Den Haag

Ermelo, 11 september 2003.

Zijne Excellentie,

Met aandacht heb ik uw toespraak gelezen op het congres "Normen op hun Waarde geschat" op 110903

"We zijn in Nederland verknocht aan onze individuele vrijheid. Maar voor het oplossen van de onaangename gevolgen daarvan kijken we naar de overheid. Terwijl we best eens wat vaker in de spiegel mogen kijken. We kunnen zelf enorm veel doen om de wereld een stapje dichter bij onze idealen te brengen. Dat zei minister-president Balkenende vanmorgen op een congres van het Platform Waarden en Normen". 

"Volgens de minister-president zijn het mensen zelf die uiteindelijk het verschil maken tussen een kille maatschappij en een betrokken samenleving. De overheid dient te zorgen voor een hecht fundament door een stevige handhaving van regels. Mensen hebben groot gelijk als ze de overheid daarop aanspreken. Daarnaast maakt het kabinet met Prinsjesdag concrete plannen bekend om waarden en normen te stimuleren op de terreinen onderwijs, jeugdzorg, veiligheid en integratie".

Ondergetekende spreekt u aan om onaangename gevolgen op te lossen veroorzaakt door enorme blunders van de overheid om waarden en normen te stimuleren op het terrein van jeugdzorg en veiligheid.

Het probleem dat u heeft is dat de politiek achter de feiten aanloopt en steeds hun eigen straatjes schoon proberen te vegen. Een aantal jaren geleden voerde ik samen met andere ouders actie in Zwolle voor het gebouw van de Raad voor de Kinderbescherming. Samen met andere ouders werd daar een SPIEGEL aangeboden aan meneer Mulder van de Raad voor de Kinderbescherming Zwolle. Mulder was betrokken bij de zaak van vader Joep Zander. De Raad was van mening dat vader Joep Zander geen omgang kon krijgen met zijn kind omdat hij liedjes zong met zijn dochter en met haar door de stad fietste. De Raad was ook van mening dat hij hiervoor in therapie bij het RIAGG moest gaan. Ik nodig u uit voor de spiegel te gaan staan en na te denken? Bent ik nou echt de premier van een land waar vaders in therapie moeten gaan omdat zij liedjes zingen met hun dochter of met haar door de stad fietsen. Uw idee van het spiegeltje heeft u kennelijk overgenomen uit een van de acties waar ik jaren geleden bij betrokken was. Maar netjes een spiegeltje aanbieden of overheden netjes vragen in een spiegeltje te kijken helpt helemaal niet. Het wordt steeds erger in Nederland en het vertrouwen van burgers in overheden neemt steeds sneller af.

Zelf heb ik meegemaakt dat de Raad voor de Kinderbescherming Zutphen van mening was in haar rapport dat een omgangsregeling tussen mij en mijn kinderen AFGEWEZEN moest worden omdat ik omgang met een rechterlijke beschikking conform de wet wilde afdwingen. Ik was om die reden NIET geschikt om met mijn kinderen om te gaan. Een mooi voorbeeld van streng handhaven van wetten en regels door de overheid zelf. (1) Zelf maak ik nu de afgelopen jaren mee dat ik een beroepsverbod heb opgelopen "wegens aanzetten tot klagen over afgifte van het contactjournaal" (66) om werk van de overheden controleerbaar en doorzichtig te maken. Ik heb foldertjes uitgedeeld voor de ingang van het Parlement inzake afgifte contactjournaal gezinsvoogd. 

Ik ben op het hoofdkantoor van het CDA in Den Haag geweest, heb gesproken met uw wetenschappelijk medewerker Jansen en gewezen op het belang van het contactjournaal om hulpverlening van overheden controleerbaar en doorzichtig te maken. 

Tijdens en na mijn strijd om afgifte van het contactjournaal om werk van overheden controleerbaar en doorzichtig te maken heb ik echter een beroepsverbod opgelopen op grond van Amerikaanse internetsites die NIET van mij zijn. (137) (4) (84). Ik heb netjes geklaagd en kreeg gelijk van de Provinciale Klachtencommissie Jeugdzorg Noord-Brabant en van het Gerechtshof in Arnhem maar dat helpt helemaal niet! Ik heb namelijk met overheden te maken, die proberen door te gaan op een ingeslagen weg om hun enorme blunders (66) (137) af te dekken.

Klagen over overheden helpt niet meer want het klachtrecht is al door overheden verkracht. Niet steeds dezelfde klachten die GEGROND verklaard worden indienen werd mij verteld door de overheid een gezinsvoogdij-instelling in Noord-Brabant. (129) Maximaal 5 klachten indienen kreeg ik te horen van de Provincie Noord-Brabant  Van de provincies Flevoland, Gelderland en Overijssel kreeg ik een beroepsverbod voor een jaar omdat ik weigerde klachten tegen overheden op maximaal een A4-tje in te dienen. Zijn dit de concrete plannen van het kabinet om waarden en normen te stimuleren op de terreinen jeugdzorg en veiligheid".  

Omslag. Ik heb de afgelopen tien jaar veel meegemaakt van alles gedaan netjes op een democratische wijze maar dat helpt niet omdat overheden en politici niet ZELF in de spiegel kijken en nadenken zoals jaren geleden bij deze actie in Zwolle werd gevraagd. Voor mij kwam de omslag toen ik een verbod kreeg om foto's van een openbare demonstratie gezinsvoogden op mijn internetsites te publiceren met EIGEN TEKSTEN van gezinsvoogden (63) en mijn veroordeling op grond van Amerikaanse internetsites die NIET van mij zijn. Overheden en rechters wisten dit op grond van EIGEN ONDERZOEK van eisers. Met pertinente leugens werd ik gedemoniseerd met de valse bewering dat op mijn sites doorkliks stonden naar die zogenaamde Amerikaanse internetsites om mijn vrijheid van meningsuiting te onderdrukken. Die overheden WISTEN DIT OOK, advocaat X gaf het ook toe bij het Hof in Arnhem dat hij wist dat hij die links niet op mijn sites had aangetroffen.

Als de overheid en de rechtspraak NIET meer functioneert dan zal de (jeugd)criminaliteit en anarchie alleen maar toenemen. De omgangsvormen, normen en waarden van de overheid jegens burgers zijn het verschil tussen de kille maatschappij en een betrokken samenleving en ik schrijf u dit allemaal op grond van eigen ervaringen. Ik denk dan ook dat de maatschappij met dit soort praktijken, overheden en rechters nog veel harder en killer zal gaan worden

Omslag. Op dit moment ben ik dan ook van mening dat je overheden en rechters die met smerige praktijken deze hetze (66) en het beroepsverbod (137) tegen mij voeren, in stand houden, subsidiŽren met geld van betalingbetalers moet achtervolgen om een betere toekomst voor kinderen in Nederland veilig te stellen.

"Ik zoek contact met andere mensen en verschans mij niet in eigen kring". Een kopie van deze brief publiceer ik op mijn internetsite www.burojeugdzorg.nl Lezers nodig ik uit deze open brief aan u, site en initiatieven te steunen "om waarden en normen te stimuleren op de terreinen jeugdzorg en veiligheid".

Ik nodig u uit dit zaakje te (laten) onderzoeken en alle personen bij de overheid te (blijven) achtervolgen om het beroepsverbod (66) (137) recht te zetten als voorbeeldzaak van de concrete plannen van het kabinet om waarden en normen te stimuleren op de terreinen jeugdzorg en veiligheid. Ik ben benieuwd wat u en het kabinet aan deze hetze en het beroepsverbod gaan doen om waarden en normen te stimuleren op de terreinen jeugdzorg en veiligheid".

Ik besluit mijn brief aan u met een uitspraak van een bekende politicus. Een kleine mistdruppel voel je niet, maar komt het van duizenden kanten tegelijk dan zorgt dat voor een politiek klimaat waarin andere politieke plantjes gaan bloeien. Henk Westbroek (282)

Hoogachtend,

J. Hop, Auteur Censuur in Nederland.

Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo

 

 

 

Op 8 oktober 2004 kenmerk 477393 wijst de MINISTER-PRESIDENT het onderhavige verzoek van Hop om bescherming tegen de overheid door een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf in te voeren af door het verzoek van Hop als een visie aan te merken.

081004 Antwoord MINISTER-PRESIDENT op verzoek van Hop om waarden en normen bij OM in te voeren

Minister-President
Ministerie van Algemene Zaken
Postadres Postbus 20001
2500 EA Den Haag
Bezoekadres Binnenhof 19, Den Haag

Telefoon +31 70 3081965, Fax + 31 70 356 4683

Datum 8 oktober 2004

Kenmerk 477393

Geachte heer Hop,

Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw brief van 10 september 2004. In de inleiding van uw brief vraagt u om beantwoording van uw eerdere brief. Deze is onder kenmerk 460692, en gedateerd 24 oktober 2003, doorgezonden aan het ministerie van Justitie. U kunt aldaar rappelleren. 

In uw voorliggende brief vraagt u mijn aandacht voor uw visie op het handelen en functioneren van het Openbaar Ministerie (OM)
Verder verzoekt u om een schadevergoeding daar u door het OM onheus zou zijn behandeld. 

In antwoord op uw brief vraag ik u aandacht voor het volgende. De minister van Justitie is politiek verantwoordelijk voor het OM. Hij bepaalt samen met het College van procureurs-generaal, dat de landelijke leiding van het OM vormt, de prioriteiten in de opsporing en vervolging. De minister van Justitie oefent op beleidsniveau direct invloed uit op het functioneren van het OM. 

Ik geef u derhalve in overweging het ministerie van Justitie te benaderen om uw visie aldaar kenbaar te maken. Ik geef u hiertoe de adresgegevens: postbus 20301, 2500 EH Den Haag.

Hoogachtend,

De MINISTER-PRESIDENT,
Minister van Algemene Zaken, ad interim

G. Zalm

 

 

Bezwaarschrift Hop tegen de beslissing van MINISTER-PRESIDENT ad interim G. Zalm

 

Bezwaarschrift tegen beslissing MINISTER-PRESIDENT 8 oktober 2004 kenmerk 477393 

Ministerie van Algemene Zaken
T.a.v. de bezwaar- beroepschriftencommissie
Postadres Postbus 20001
2500 EA Den Haag
Bezoekadres Binnenhof 19, Den Haag

Ermelo, 10 november 2004.

Onderwerp: 

Bezwaarschrift tegen beslissing MINISTER-PRESIDENT 8 oktober 2004 kenmerk 477393

1. De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte het onderhavige verzoek van een burger om een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf in te voeren om het veiliger voor burgers te maken inzage te krijgen in de bijbanen van rechterlijke ambtenaren bij het parket als een visie aanmerkt.

2. De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte niet heeft gecontroleerd wat de Minister van Justitie met het verzoek om bescherming van een burger gericht aan de MINISTER-PRESIDENT heeft gedaan omdat het gevaar waarvoor deze burger om bescherming heeft gevraagd juist afkomstig is uit de hoek van het Openbaar Ministerie. Er o.a. om bescherming is gevraagd tegen de rechtspraak in Nederland als sluipmoordenaar van de vrijheid van meningsuiting.

Geachte heer/mevrouw,

Inleiding. Volgens een toespraak van de minister-president over normen en waarden zijn het mensen zelf die uiteindelijk het verschil maken tussen een kille maatschappij en een betrokken samenleving. De overheid dient te zorgen voor een hecht fundament door een stevige handhaving van regels. Mensen hebben groot gelijk als ze de overheid daarop aanspreken. Op 13 oktober 2004 ontving ik uw beslissing samen met de gratis 131004 Metrokrant waarin was te lezen een citaat van advocaat N. Meijering: "Hij noemde het zorgelijk dat het OM steeds meer afdrijft van de wetgeving en het Europees Verdrag" Ik dacht kennelijk zijn er meer burgers die zich zorgen maken over het buiten werking stellen van wetgeving door het Openbaar Ministerie.

1. Ondergetekende is de auteur van de website Censuur in Nederland www.burojeugdzorg.nl en maakt bezwaar tegen uw beslissing van 8 oktober 2004 kenmerk 477393 (welke beslissing hij op 13 oktober 2004 heeft ontvangen) op zijn verschillende verzoeken van 10 september 2004 welk verzoeken hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd. Hij voert daartoe de volgende gronden en argumenten aan:

Citaat: "Op 11 september 2003 schreef ik u een brief over het invoeren van normen en waarden in de jeugdzorg, na een ontvangstbevestiging van uw Ministerie van Algemene Zaken heb ik niets meer gehoord. Beleefd vraag ik aan u persoonlijk antwoord of dit de norm is voor communicatie tussen overheid en burgers onder uw leiding en of ik wel of niet antwoord krijg op deze brief die u heeft doorgestuurd naar het Ministerie van Justitie?"

1.1 Ondergetekende maakt bezwaar tegen de beslissing van de MINISTER-PRESIDENT om op zijn verzoek geen persoonlijk antwoord te geven of de norm voor communicatie tussen overheid en burgers onder zijn leiding het niet beantwoorden van een brief is welke brief onder kenmerk 460692 en gedateerd 24 oktober 2003 door de MINISTER-PRESIDENT is doorgestuurd naar de Minister van Justitie tot 10 september 2004.

1.2 Ondergetekende maakt bezwaar tegen de beslissing van de MINISTER-PRESIDENT om op zijn verzoek geen persoonlijk antwoord te geven op zijn verzoek of hij antwoord krijgt op de brief die door de MINISTER-PRESIDENT is doorgestuurd.

1.3 Ondergetekende maakt bezwaar tegen de beslissing van de MINISTER-PRESIDENT dat hij zelf maar moet rappelleren. Ondergetekende voert als argument primair aan dat hij geen antwoord kreeg op zijn twee vragen zie 1.1 en 1.2. Secundair heeft de MINISTER-PRESIDENT ten onrechte geen melding gemaakt dat hij binnen een door de MINISTER-PRESIDENT vastgestelde termijn had moeten rappelleren. Als derde argument voert hij aan dat de MINISTER-PRESIDENT ten onrechte niet aan hem heeft meegedeeld dat de onderhavige brief onder kenmerk 460692 en gedateerd 24 oktober 2003 is doorgestuurd hij wist dus geen kenmerk en data. Kort samengevat is hij van mening dat door de MINISTER-PRESIDENT ten onrechte niet de juridisch juiste beroepsmogelijkheden zijn vermeld tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van deze burger aan de MINISTER-PRESIDENT.

1.4 Ondergetekende is van mening dat niet hij, maar de MINISTER-PRESIDENT had moeten nagaan of deze burger antwoord op zijn brief heeft gekregen die de MINISTER-PRESIDENT heeft doorgestuurd en/of de MINISTER-PRESIDENT een norm had moeten vaststellen binnen welke termijn een burger antwoord krijgt op een door de MINISTER-PRESIDENT doorgestuurde brief.

1.5 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte niet heeft gecontroleerd wat de Minister van Justitie met het verzoek om bescherming van een burger gericht aan de MINISTER-PRESIDENT heeft gedaan waarbij de MINISTER-PRESIDENT ten onrechte heeft miskend dat vrijheid van meningsuiting de hoeksteen is van de samenleving en onafhankelijke producerende bedrijven en personen in Nederland worden "opgevreten" door gesubsidieerde hulpverlening waardoor de problemen in Nederland niet meer kunnen worden opgelost.

1.6 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het doorsturen van de brief naar het Ministerie van Justitie dat het gevaar waartegen deze burger bescherming vraagt juist afkomstig is uit de hoek van het Ministerie van Justitie. Er om bescherming is gevraagd tegen de rechtspraak in Nederland als sluipmoordenaar van de vrijheid van meningsuiting. 

1.7 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij het verzoek om bescherming naar de daders heeft toegestuurd en dat zijn beslissing onjuist is geweest blijkt uit het feit dat deze dader vervolgens niets met het doorgestuurde verzoek heeft gedaan.

1.8 116 Het gevaar! In Nederland worden onafhankelijke producerende personen en bedrijven opgevreten door de gesubsidieerde hulpverlening. De inhoud van productie 116 wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

 

2. Ondergetekende maakt bezwaar tegen uw beslissing van 8 oktober 2004 kenmerk 477393, voert daartoe de volgende gronden en argumenten aan:

Citaat: "Ondergetekende spreekt u aan om te zorgen voor een hecht fundament door een stevige handhaving van regels, bijvoorbeeld bij openbaarheid van bijbanen en Koninklijke Besluiten bij het Openbaar Ministerie, zoals ik dat in uw toespraak bijna een jaar geleden heb gelezen. Er is inmiddels bijna een jaar verstreken en van een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf (Openbaar Ministerie) is niets terechtgekomen of bedoelde u in uw toespraak alleen een stevige handhaving van OM-regels voor burgers om burgers te kunnen blijven achtervolgen met allerlei boetes?"

2.1 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte het onderhavige verzoek van een burger om een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf in te voeren om het veiliger voor burgers te maken inzage te krijgen in de bijbanen van rechterlijke ambtenaren bij het parket als een visie aanmerkt.

2.2 De MINISTER-PRESIDENT het onderhavige verzoek niet heeft doorgestuurd dus ondergetekende er dus terecht van uit kan gaan dat de MINISTER-PRESIDENT heeft beslist.

2.3 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte primair zijn beslissing op het onderhavige verzoek niet en/of onvoldoende heeft gemotiveerd secundair ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door ondergetekende aangevoerde argumenten en documenten inzake gegevens uit het verleden. Klager is van mening dat hij met documenten goed heeft onderbouwd dat hij steeds geprobeerd heeft in overleg met het Ministerie van Justitie tot het naleven van regels door de overheid zelf te komen om bijbanenregisters beter te laten functioneren en het veiliger te maken voor burgers om bijbanenregisters van OM-ambtenaren in te zien. Hij heeft met documentatie aangevoerd dat de Minister van Justitie niet meer de dienst uitmaakt inzake de registratie en het op een veilige manier inzien van bijbanen conform een persbericht van het Ministerie over bijbanen. De Minister van Justitie is de controle op het naleven van bijbanenwetgeving kwijtgeraakt en daarom heeft hij zich tot de MINISTER-PRESIDENT gericht met een verzoek om bescherming om op een veilige manier informatie op te kunnen vragen.

2.4 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat het OM wetgeving probeert buiten werking te stellen en dat op dit onderdeel ook het Parlement niet meer functioneert. Het Parlement heeft al eens vragen gesteld over de tegenwerking van Hop inzake inzage bijbanenregisters en dat blijkt ook niet te helpen.

2.5 Nu deze burger goed onderbouwd met documenten heeft aangetoond dat hij al contacten heeft gehad met Ministerie van Justitie en het Parlement maar dat deze contacten hem onvoldoende bescherming hebben gegeven, het erop lijkt dat zowel Ministerie van Justitie als Parlement de controle over het Openbaar Ministerie zijn kwijtgeraakt  kan deze burger alleen nog maar een verzoek indienen bij de MINISTER-PRESIDENT om hem (en mede-burgers) te beschermen tegen het OM om bijbanengegevens veilig op te kunnen vragen. Een verzoek om bescherming tegen het Openbaar Ministerie dat probeert opzettelijk wetgeving te beletten, te belemmeren en te verijdelen met handelingen die de uitvoering van een wettelijk voorschrift op verzoek van een burger op die plaats, op die datum op dat tijdstip onmogelijk maken waarmee het op wettelijke basis gebaseerde optreden en verzoek van een burger opzettelijk wordt gefrustreerd. 

2.6 Ondergetekende voert verder aan dat er een groot maatschappelijk belang is om het Openbaar Ministerie ONDER DE WET te krijgen nu het Ministerie van Justitie de controle over het OM is kwijtgeraakt en dat hij zich ook om die reden terecht tot de MINISTER-PRESIDENT heeft gericht met verzoeken om bescherming om het veiliger te maken om de juiste bijbanengegevens van OM-ambtenaren op te vragen en in te zien.

 

3. Ondergetekende maakt bezwaar tegen uw beslissing van 8 oktober 2004 kenmerk 477393, voert daartoe de volgende gronden en argumenten aan:

Citaat: "Ondergetekende spreekt u aan om normen en waarden in te voeren bij het Openbaar Ministerie. Verzoekt concreet om volledige openbaarheid van alle bijbanen en Koninklijke Besluiten gelinkt aan ambtenaren werkzaam voor het Openbaar Ministerie door te voeren om niet alleen de uiterlijke kenmerken van de rechtspraak in Nederland verder te verbeteren maar ook de veiligheid van burgers die om informatie aan een overheid vragen te vergroten."

3.1 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte het onderhavige verzoek van een burger om een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf in te voeren om het veiliger voor burgers te maken inzage te krijgen in de bijbanen van rechterlijke ambtenaren bij het parket als een visie aanmerkt.

3.2 De MINISTER-PRESIDENT het onderhavige verzoek niet heeft doorgestuurd dus ondergetekende er dus terecht van uit kan gaan dat de MINISTER-PRESIDENT heeft beslist.

De gronden 2.3, 2.4, 2.5, 2.6 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd.

 

4. Ondergetekende maakt bezwaar tegen uw beslissing van 8 oktober 2004 kenmerk 477393, voert daartoe de volgende gronden en argumenten aan:

Citaat: "Ondergetekende spreekt u aan en verzoekt om aan hem een schadevergoeding toe te kennen van 5000,-- Euro nadat aan hem op 6 september 2004 inzage in het bijbanenregister rechterlijke ambtenaren OM benoemd bij het ressortsparket is geweigerd. Ondergetekende verzoekt u tevens deze schadevergoeding van 5000,-- Euro te verhalen op de ambtenaar die verantwoord is voor deze gang van zaken, zodat de belastingbetaler hier niet voor op hoeft te draaien."

4.1 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte het onderhavige verzoek van een burger om een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf in te voeren om het veiliger voor burgers te maken inzage te krijgen in de bijbanen van rechterlijke ambtenaren bij het parket als een visie aanmerkt.

4.2 De MINISTER-PRESIDENT het onderhavige verzoek niet heeft doorgestuurd dus ondergetekende er dus terecht van uit kan gaan dat de MINISTER-PRESIDENT heeft beslist.

De gronden 2.3, 2.4, 2.5, 2.6 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd.

 

5. Ondergetekende maakt bezwaar tegen uw beslissing van 8 oktober 2004 kenmerk 477393, voert daartoe de volgende gronden en argumenten aan:

Citaat: "Ondergetekende spreekt u aan en verzoekt aan hem iedere keer 5000,-- Euro toe te kennen voor iedere keer dat aan de heer J. Hop te Ermelo inzage in een bijbanenregister wordt geweigerd om de bijbanenregisters beter te laten werken. Ik verwijs daarbij naar mijn activiteiten inzake bijbanenregisters vanaf 1997, er kan dus geen sprake meer zijn van een vergissing maar er is hier duidelijk sprake van OPZETTELIJK TREITEREN VAN HOP door het ressortsparket Arnhem."

5.1 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte het onderhavige verzoek van een burger om een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf in te voeren om het veiliger voor burgers te maken inzage te krijgen in de bijbanen van rechterlijke ambtenaren bij het parket als een visie aanmerkt.

5.2 De MINISTER-PRESIDENT het onderhavige verzoek niet heeft doorgestuurd dus ondergetekende er dus terecht van uit kan gaan dat de MINISTER-PRESIDENT heeft beslist.

De gronden 2.3, 2.4, 2.5, 2.6 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd.

 

6. Ondergetekende maakt bezwaar tegen uw beslissing van 8 oktober 2004 kenmerk 477393, voert daartoe de volgende gronden en argumenten aan:

Citaat: "Ondergetekende spreekt u aan en verzoekt aan hem gratis recente afschriften te sturen van alle bijbanenregister bij arrondissementsparketten, ressortsparketten en kantongerechten zodat de bijbanen van al deze rechterlijke ambtenaren op zijn website www.burojeugdzorg.nl/184.htm op een gemakkelijke manier zijn in te zien. Vast staat immers dat hij met de publicatie van deze bijbanen al bezig is vanaf 1997 en er ook een rechtstreeks belang bij heeft juiste (bijbanen)gegevens over rechterlijke ambtenaren op zijn website te publiceren. Bovendien denk ik dat de beroepsgroep ook belang heeft bij juiste bijbaneninfo over die beroepsgroep."

6.1 De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte het onderhavige verzoek van een burger om een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf in te voeren om het veiliger voor burgers te maken inzage te krijgen in de bijbanen van rechterlijke ambtenaren bij het parket als een visie aanmerkt.

6.2 De MINISTER-PRESIDENT het onderhavige verzoek niet heeft doorgestuurd dus ondergetekende er dus terecht van uit kan gaan dat de MINISTER-PRESIDENT heeft beslist.

De gronden 2.3, 2.4, 2.5, 2.6 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd.

7. Ondergetekende maakt bezwaar tegen het feit dat de MINISTER-PRESIDENT op 2 november 2004 verklaart "De vrijheid van meningsuiting is niet zomaar een recht, het is een hoeksteen voor onze rechtstaat en democratie, maar vervolgens niets doet in een concreet geval waarin een burger hem om bescherming vraagt.

 

Hoorzitting Commissie bezwaar- en beroep Ministerie van Algemene Zaken.
Ik bericht u dat ik WEL zal verschijnen op een hoorzitting om mijn bezwaren nader toe te lichten, vragen te beantwoorden.
De documentatie en producties waarna ik in deze zaak heb verwezen worden hier als ingebracht, herhaald en ingelast beschouwd.

Ik verzoek u op dit bezwaarschrift zo snel mogelijk te beslissen met vermelding van de juridische juiste beroepsmogelijkheden.

Hoogachtend,

J. Hop.

Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.

 

Bezwaarschrift Hop tegen beslissing MINISTER-PRESIDENT met verwijzingen naar producties

446 Het gevaar! De MINISTER-PRESIDENT ten onrechte het onderhavige verzoek van een burger om een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf in te voeren om het veiliger voor burgers te maken inzage te krijgen in de bijbanen van rechterlijke ambtenaren bij het parket als een visie aanmerkt.
446 Beslissing MINISTER-PRESIDENT ad interim G. Zalm op het verzoek van Hop om een stevige handhaving bij regels bij de overheid in te voeren
446 11 september 2004! Brief Hop aan MINISTER-PRESIDENT over tegenwerking inzage bijbanenregister, verborgen, onvolledige, onjuiste nevenfuncties
037 De norm! Persbericht Ministerie van Justitie 9 oktober 2000: " Rechters moeten hun nevenfuncties zorgvuldiger melden en registreren.
184 Bijbanenregisters op internet sloeg in als een bom, de rechterlijke macht verbijsterd achterlatend
116 Het gevaar! In Nederland worden onafhankelijke producerende personen en bedrijven opgevreten door de gesubsidieerde hulpverlening.

 

 

MINISTER-PRESIDENT bevestigt netjes en snel de ontvangst van de brief van Hop om waarden en normen in te voeren bij het Openbaar Ministerie

 

Rijksvoorlichtingsdienst Ministerie van Algemene Zaken

Bureau beantwoording Burgercorrespondentie,

Postadres Postbus 2001, 2500 EA Den Haag,

Bezoekadres Binnenhof 19, Den Haag

Telefoon +31703081965

Fax +31703564683

Datum 14-09-2004

Kenmerk 477393

 

De heer J. Hop

Joubertstraat 24

3851 DM ERMELO

 

Geachte heer Hop,

Hierbij bevestigen wij de ontvangst van uw brief van 10-09-2004. Afhankelijk van aard en inhoud wordt een afhandelingstermijn van minimaal 3 en maximaal 6 weken in acht genomen.

Mocht onverhoopt de beantwoording langer duren dan ontvangt u hier bericht over. Heeft u een vraag over de status van de behandeling van uw brief dan kunt u contact opnemen met het Bureau Beantwoording Burgercorrespondentie, tel. (070) 3081965.

Met vriendelijke groet,

Bureau beantwoording

Burgercorrespondentie.

 

 

10 september 2004! Brief Hop aan MINISTER-PRESIDENT over tegenwerking inzage bijbanenregister, verborgen, onvolledige, onjuiste nevenfuncties rechterlijke ambtenaren

en

De OM-norm. Het Openbaar Ministerie probeert opzettelijk wetgeving te beletten, te belemmeren en te verijdelen met handelingen die de uitvoering van een wettelijk voorschrift op verzoek van een burger op die plaats, op die datum op dat tijdstip onmogelijk maken waarmee het op wettelijke basis gebaseerde optreden en verzoek van een burger opzettelijk wordt gefrustreerd. Het Openbaar Ministerie is een organisatie die met opzet in strijd met de beginselen van goede procesorde handelt om het controleren van gegevens, beweringen van ambtenaren, onmogelijk te maken met als doel burgers aan te kunnen pakken, te treiteren en een goede procesorde te verstoren. Het Openbaar Ministerie is met deze werkwijze een enorm gevaar voor de democratische rechtstaat. J. Hop 100904. 

 

Minister President,
Ministerie van Algemene Zaken,
Postbus 20001
2500 EA Den Haag

Ermelo, 10 september 2004

Onderwerp: Verzoek om waarden en normen in te voeren bij de beroepsgroep rechterlijke macht?
                   Verzoek om een schadevergoeding van 5000,-- Euro na weigering inzage bijbanenregister ressortsparket Arnhem    

Het belemmeren van een goede procesorde door het Openbaar Ministerie:

"De gerechten hebben er voor gekozen om het openbare register van nevenfuncties op het internet te publiceren. Zij beogen hiermee volledige openheid en correcte informatie met betrekking tot de nevenfuncties" Bron website rechtbank Arnhem 9 september 2004.

De OM-norm. Het Openbaar Ministerie probeert opzettelijk wetgeving te beletten, te belemmeren en te verijdelen met handelingen die de uitvoering van een wettelijk voorschrift op verzoek van een burger op die plaats, op die datum op dat tijdstip onmogelijk maken waarmee het op wettelijke basis gebaseerde optreden en verzoek van een burger opzettelijk wordt gefrustreerd. Het Openbaar Ministerie is een organisatie die met opzet in strijd met de beginselen van goede procesorde handelt om het controleren van gegevens, beweringen van ambtenaren, onmogelijk te maken met als doel burgers aan te kunnen pakken, te treiteren en een goede procesorde te verstoren. Het Openbaar Ministerie is met deze werkwijze een enorm gevaar voor de democratische rechtstaat. J. Hop 100904.            

Zijne Excellentie,

Op 11 september 2003 schreef ik u een brief over het invoeren van normen en waarden in de jeugdzorg, na een ontvangstbevestiging van uw Ministerie van Algemene Zaken heb ik niets meer gehoord. Beleefd vraag ik aan u persoonlijk antwoord of dit de norm voor communicatie tussen overheid en burgers onder uw leiding en of ik wel of niet antwoord krijg op deze brief die u heeft doorgestuurd naar het Ministerie van Justitie?

Ik verwijs opnieuw naar uw toespraak op het congres "Normen op hun Waarde geschat" op 11 september 2003 en de citaten uit uw toespraak:

"We zijn in Nederland verknocht aan onze individuele vrijheid. Maar voor het oplossen van de onaangename gevolgen daarvan kijken we naar de overheid. Terwijl we best eens wat vaker in de spiegel mogen kijken. We kunnen zelf enorm veel doen om de wereld een stapje dichter bij onze idealen te brengen. Dat zei minister-president Balkenende vanmorgen op een congres van het Platform Waarden en Normen". 

"Volgens de minister-president zijn het mensen zelf die uiteindelijk het verschil maken tussen een kille maatschappij en een betrokken samenleving. De overheid dient te zorgen voor een hecht fundament door een stevige handhaving van regels. Mensen hebben groot gelijk als ze de overheid daarop aanspreken. Daarnaast maakt het kabinet met Prinsjesdag concrete plannen bekend om waarden en normen te stimuleren op de terreinen onderwijs, jeugdzorg, veiligheid en integratie".

Ondergetekende spreekt u aan om te zorgen voor een hecht fundament door een stevige handhaving van regels, bijvoorbeeld bij openbaarheid van bijbanen en Koninklijke Besluiten bij het Openbaar Ministerie, zoals ik dat in uw toespraak bijna een jaar geleden heb gelezen. Er is inmiddels bijna een jaar verstreken en van een stevige handhaving van regels bij de overheid zelf (Openbaar Ministerie) is niets terechtgekomen of bedoelde u in uw toespraak alleen een stevige handhaving van OM-regels voor burgers om burgers te kunnen blijven achtervolgen met allerlei boetes?

Ondergetekende spreekt u aan om normen en waarden in te voeren bij het Openbaar Ministerie. Verzoekt concreet om volledige openbaarheid van alle bijbanen en Koninklijke Besluiten gelinkt aan ambtenaren werkzaam voor het Openbaar Ministerie door te voeren om niet alleen de uiterlijke kenmerken van de rechtspraak in Nederland verder te verbeteren maar ook de veiligheid van burgers die om informatie aan een overheid vragen te vergroten. 

Ondergetekende spreekt u aan en verzoekt om aan hem een schadevergoeding toe te kennen van 5000,-- Euro nadat aan hem op 6 september 2004 inzage in het bijbanenregister rechterlijke ambtenaren OM benoemd bij het ressortsparket is geweigerd. Ondergetekende verzoekt u tevens deze schadevergoeding van 5000,-- Euro te verhalen op de ambtenaar die verantwoord is voor deze gang van zaken, zodat de belastingbetaler hier niet voor op hoeft te draaien.

Ondergetekende spreekt u aan en verzoekt aan hem iedere keer 5000,-- Euro toe te kennen voor iedere keer dat aan de heer J. Hop te Ermelo inzage in een bijbanenregister wordt geweigerd om de bijbanenregisters beter te laten werken. Ik verwijs daarbij naar mijn activiteiten inzake bijbanenregisters vanaf 1997, er kan dus geen sprake meer zijn van een vergissing maar er is hier duidelijk sprake van OPZETTELIJK TREITEREN VAN HOP door het ressortsparket Arnhem.

Ondergetekende spreekt u aan en verzoekt aan hem gratis recente afschriften te sturen van alle bijbanenregister bij arrondissementsparketten, ressortsparketten en kantongerechten zodat de bijbanen van al deze rechterlijke ambtenaren op zijn website www.burojeugdzorg.nl/184.htm op een gemakkelijke manier zijn in te zien. Vast staat immers dat hij met de publicatie van deze bijbanen al bezig is vanaf 1997 en er ook een rechtstreeks belang bij heeft juiste (bijbanen)gegevens over rechterlijke ambtenaren op zijn website te publiceren. Bovendien denk ik dat de beroepsgroep ook belang heeft bij juiste bijbaneninfo over die beroepsgroep.

Op basis van mijn ervaringen heb voor de werkwijze van het OM de volgende norm vastgesteld

De OM-norm. Het Openbaar Ministerie probeert opzettelijk wetgeving te beletten, te belemmeren en te verijdelen met handelingen die de uitvoering van een wettelijk voorschrift op verzoek van een burger op die plaats, op die datum op dat tijdstip onmogelijk maken waarmee het op wettelijke basis gebaseerde optreden en verzoek van een burger opzettelijk wordt gefrustreerd. Het Openbaar Ministerie is een organisatie die met opzet in strijd met de beginselen van goede procesorde handelt om het controleren van gegevens, beweringen van ambtenaren, onmogelijk te maken met als doel burgers aan te kunnen pakken, te treiteren en een goede procesorde te verstoren. Het Openbaar Ministerie is met deze werkwijze een enorm gevaar voor de democratische rechtstaat.

 

Feiten, toelichting en onderbouwing van deze brief met documenten welke als producties zijn bijgesloten:

De norm! 6 september 2004. Ondergetekende verzocht vriendelijk inzage in het bijbanenregister van het arrondissementsparket Arnhem. Het verzoek werd probleemloos afgehandeld. Ik kreeg netjes een kopietje van het bijbanenregister arrondissementsparket Arnhem. 

Het gevaar! 6 september 2004. Ondergetekende verzocht vriendelijk inzage in het bijbanenregister van het ressortsparket Arnhem. Het ressortsparket Arnhem wilde mij op die plaats, op die datum geen inzage in het bijbanenregister geven. Na een telefonisch gesprek met de betrokken medewerker NIELEN is schriftelijk gevraagd een afschrift van dit bijbanenregister naar mij toe te sturen.

9 september 2004. Het Openbaar Ministerie ressortsparket Arnhem bevestigt met een brief kenmerk IBO dat aan mij op 6 september 2004 geen inzage in het bijbanenregister van het ressortsparket Arnhem is gegeven.  Productie 1.

Het gevaar! Het Openbaar Ministerie probeert hiermee volgens mij TEN ONRECHTE een IDENTIFICATIEPLICHT af te dwingen terwijl er nadrukkelijk geen identificatieplicht is vastgesteld voor inzage in het bijbanenregister.

Het gevaar! Het Openbaar Ministerie probeert opzettelijk wetgeving te beletten, belemmeren en te verijdelen met de handeling, geen inzage in het bijbanenregister geven, terwijl een burger hierom verzocht ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Deze werkwijze maakt het Openbaar Ministerie een gevaar voor een democratische rechtstaat!

Het bovengenoemde klemt des te meer indien naar de bijbanenopgave van 


R.C.0348 mw.
NLRM 80 90 95 96 97 98
Raio Haarlem 41174
Substituut-officier van Justitie arrondissementsparket Haarlem 90281
Arrondissementsofficier van Justitie arrondissementsparket Haarlem 300382
Arrondissementsofficier van Justitie arrondissementsparket Arnhem 150483
NU
C031203 Arnhem Ressortsparket Advocaat-generaal 070490
C090904 Den Haag Hof Raadsheer-plaatsvervanger 280503 Dit bijbaantje werd op 031203 niet gevonden bij het ressortsparket Arnhem
C1998 en 031203 en C090904 GEEN NEVENFUNCTIES OPGEGEVEN
C1998-090904 Hop bijbanenregister Den Haag
Memo Hop 090904! Deze neemt het niet zo nauw met het vermelden van de juiste gegevens over haar baantjes!
Bij C031203 Hop ressortsparket Arnhem werd alleen de functie advocaat-generaal zonder nevenfuncties opgegeven, afschrift van een kopietje van het bijbanenregister ressortsparket Arnhem werd aan Hop geweigerd!
Op 6 september 2004 kreeg Hop geen inzage in het bijbanenregister ambtenaren Openbaar Ministerie benoemd bij het ressortsparket Arnhem
Bij een C090904 bij het Hof Den Haag kwam ik haar vervolgens tegen met de functie Raadsheer-plaatsvervanger 280503
Dit betekent dus dat zij dit bijbaantje op 031203 bij het ressortsparket Arnhem heeft verzwegen.
Dit betekent dus ook dat burgers die met haar te maken kregen op 6 september 2004 niet konden weten dat zij in de zittingzaal zat met twee petten op. Zij werkt dus zowel als ambtenaar bij het OM maar ook als rechter als fraai voorbeeld van onze onafhankelijke rechtspraak in Nederland
090904 J. Hop auteur website Censuur in Nederland

wordt gekeken.

Op 6 september 2004 kon een burger niet weten dat deze LANGELER met twee petten opzat in de zittingzaal. Een burger dus ook geen bezwaar kon maken tegen deze dubbelfunctie in strijd met de Trias politica.

Ik hoop dat ik het eerste deel klacht goed met data, feiten en een kopietje van een OM-brief van 9 september 2004 Ressortsparket Arnhem heb onderbouwd en de ernst van de zaak aan u heb uitgelegd.

Het tweede deel van mijn klacht gaat over de oncontroleerbaarheid en ondoorzichtigheid van de beroepsgroep rechterlijke macht.

Ik verzoek u een openbaar register op internet in te voeren waarin alle benoemingen van de rechterlijke macht worden vermeld met het nummer van het Koninklijk Besluit om de samenstelling van de beroepsgroep rechterlijke macht voor burgers doorzichtig en controleerbaar te maken.

Ik verzoek u maatregelen te nemen tegen onvolledige bijbanenopgaven door rechterlijke ambtenaren waarbij ik als voorbeeld geef rechter W.F. BIJLOO en de inhoud van mijn brief aan de President van de rechtbank Arnhem hier als herhaald en ingelast beschouw.

Ik verzoek u maatregelen te nemen tegen onjuiste bijbanenopgaven door rechterlijke ambtenaren waarbij ik als voorbeeld verwijs naar rechterlijk ambtenaar E.J. van de BOEZEN en de inhoud van mijn brief aan de President van het Gerechtshof te Arnhem hier als herhaald en ingelast beschouw.

Ik verzoek u maatregelen tegen de beroepsgroep rechterlijke macht te nemen door een begin te maken met het "onafhankelijk maken" van de rechtspraak door alle nevenfuncties van rechterlijke ambtenaren te gaan gaan verbieden, waarbij ik u erop wijs dat Ministers en staatssecretarissen geen nevenfuncties mogen hebben omdat zij "onafhankelijk" moeten zijn. Ik draai de zaak nu om en stel dat de beroepsgroep rechterlijke macht niet onafhankelijk is omdat het in de sector barst van de (verborgen) onvolledige en onjuiste (neven)functies. Zie producties.

De inhoud van mijn brief en verzoeken onderbouw ik door te verwijzen naar onderstaande staande genummerde websites op mijn website Censuur in Nederland www.burojeugdzorg.nl De inhoud van onderstaande genummerde websites acht ik hier als herhaald en ingelast beschouwd en zijn bij het Ministerie van Justitie bekend omdat in meerdere gesprekken tussen ondergetekende en het Ministerie op het Ministerie het regelmatig bekijken van mijn site is besproken.

De eerste aanwijzingen voor een complot van het Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen de democratische rechtsstaat?

Bolkenstein: "Het ziet er echter naar uit dat het OM, gesteund door de rechters, verenigd in de belangenvereniging NVvR (Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak), zich en bloc tegen de minister en de Tweede Kamer keren"

323 Bolkenstein: "Het ziet er echter naar uit dat het OM, gesteund door de rechters, verenigd in de belangenvereniging NVvR (Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak), zich en bloc tegen de minister en de Tweede Kamer keren"
173 140304 Het gevaar! Het kopiŽren van de bijbanenopgaven van ambtenaren van het Openbaar Ministerie door burgers wordt niet toegestaan!
306 Complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen de democratische rechtsstaat?
307 Reorganisatie OM door Únze Arthur is een onomkeerbaar proces dat hoe langer hoe meer op de parketten gestalte krijgt
486 NRC: "Sorgdrager saneert top van Ministerie van Justitie, alleen Demmink mag blijven"
114 Bijbanen! Rechters en officieren van justitie klagen over Hop en willen dat privť-gegevens over hun nevenfuncties van internet worden gehaald
305 Bijbanen! OvJ weigert strafvervolging in te stellen tegen 200 rechters van de rechtbank Den Haag die nevenfuncties niet hebben opgegeven
307 Bijbanen! Reorganisatie OM krijgt gestalte in het weigeren van inzage in OM bijbanenregisters! Hop wordt vijf keer weggestuurd in Leeuwarden
289 Reorganisatie Openbaar Ministerie krijgt gestalte in "De Gelderse Verhoormethode" om klachten tegen de politie te onderdrukken
470 Minister van Justitie Donner voorbeeld van het onder elkaar verdelen van alle belangrijke bestuurs- en juridische baantjes
454 Geldpolitiek! Het CDA is een voorstander is van bijbaantjes van rechters bij Ahold en op Bermuda?
389 Trias politica! Het CDA is een voorstander is van de dubbelfunctie Officier van Justitie tevens rechter-plaatsvervanger?
346 Trias politica! Het CDA is een voorstander is van infiltreren van de rechterlijke macht in het Ministerie van Justitie en andere ministeries?
089 Is het niet vreemd dat het CDA een ook voorstander is van de dubbelfunctie advocaat tevens rechter-plaatsvervanger is?
188 Werkaantekeningen! Hoe schrijft de rechterlijke macht toe naar de conclusie om burgers steeds te naaien de overheid steeds gelijk te geven?
473  Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

Meer aanwijzingen voor een complot van het Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen de democratische rechtsstaat?

De OM-norm. Het Openbaar Ministerie probeert opzettelijk wetgeving te beletten, te belemmeren en te verijdelen met handelingen die de uitvoering van een wettelijk voorschrift op verzoek van een burger op die plaats, op die datum op dat tijdstip onmogelijk maken waarmee het op wettelijke basis gebaseerde optreden en verzoek van een burger opzettelijk wordt gefrustreerd. Het Openbaar Ministerie is een organisatie die met opzet in strijd met de beginselen van goede procesorde handelt om het controleren van gegevens, beweringen van ambtenaren, onmogelijk te maken met als doel burgers aan te kunnen pakken, te treiteren en een goede procesorde te verstoren. Het Openbaar Ministerie is met deze werkwijze een enorm gevaar voor de democratische rechtstaat. J. Hop 100904. 

270 11 september 2004! Brief Hop aan MINISTER-PRESIDENT over tegenwerking inzage bijbanenregister, verborgen, onvolledige, onjuiste nevenfuncties
304 De norm! Ministers en staatssecretarissen mogen GEEN NEVENFUNCTIES hebben omdat zij onafhankelijk moeten zijn
037 De norm! Persbericht Ministerie van Justitie 9 oktober 2000: " Rechters moeten hun nevenfuncties zorgvuldiger melden en registreren en zij moeten die registraties beter bijhouden. De regelgeving op het gebied van (de melding van)nevenfuncties wordt uitgebreid."
114 Het gevaar! Rechters en officieren van justitie klagen over Hop en willen dat privť-gegevens over hun nevenfuncties van internet worden gehaald
308 Het gevaar! Ressortsparket Arnhem weigerde inzage in openbaar bijbanenregister, eist nu identificatieplicht en het maken van een afspraak
309 Het gevaar! Vragen van Hop of de opgave van rechterlijk ambtenaar E.J. van den Boezem in het bijbanenregister wel klopt?
192 Het gevaar! Op 6 september 2004 kreeg Hop geen inzage in het bijbanenregister ambtenaren Openbaar Ministerie benoemd bij het ressortsparket Arnhem
390 Het gevaar! 060904 Brief met vragen van Hop over het verborgen houden van bijbaneninformatie door rechter W.F. Bijloo van de rechtbank Arnhem
173 Het gevaar! 140304 Het kopiŽren van de bijbanenopgaven van ambtenaren van het Openbaar Ministerie door burgers wordt niet toegestaan!
307 Het gevaar! Reorganisatie OM krijgt gestalte in het weigeren van inzage in OM bijbanenregisters! Hop wordt vijf keer weggestuurd in Leeuwarden

 

De norm! Minister van Justitie: "Door de activiteiten van Hop zijn de bijbanenregisters van rechterlijke ambtenaren beter gaan functioneren"

De rechterlijke macht weigerde inzage in (verborgen) nevenfuncties te geven waarna de Minister van Justitie Hop adviseerde tegen de rechterlijke macht te procederen om inzage in (verborgen)  nevenfuncties te krijgen. Tweede Kamerlid Th.J.M. Hendriks steunde Hop door vragen te stellen in het Parlement over de tegenwerking van Hop bij inzage in de bijbanenregisters rechterlijke macht.

114 Rechters en officieren van justitie klagen over Hop en willen dat privť-gegevens over hun nevenfuncties van internet worden gehaald
327 Zutphen, President Oostveen: Na inzage in het bijbanenregister is het recht van Hop om kritiek te geven uitgespeeld
326 Grote schoonmaak begint in Arnhem, President D.J. van Dijk stelt zich krachtig op achter de Minister van Justitie
046 Rechtbank Utrecht wist computerdata van J. Hop om bijbanen van rechters verborgen te kunnen houden
328 Vragen Kamerlid Th.J.M. Hendriks aan Minister van Justitie over tegenwerking Hop bij inzage bijbanenregisters
329 Antwoord Minister van Justitie op kamervragen inzake tegenwerking van Hop bij inzage bijbanenregisters
184 Bijbanenregisters nevenfuncties rechterlijke ambtenaren op internet sloeg in als een bom bij de rechterlijke macht
210 Minister van Justitie adviseert Hop te procederen tegen de rechters als hij geen inzage kan krijgen in nevenfuncties
049 Brief van het Ministerie van Justitie aan gerechten en parketten over het niet opgeven van nevenfuncties
389 Stemwijzer! Stem niet op het CDA als u tegen de dubbelfunctie Officier van Justitie/rechter-plaatsvervanger bent

 

Ik verzoek u op bovengenoemde verzoeken zo snel mogelijk te beslissen met vermelding van de juridische juiste beroepsmogelijkheden.

Hoogachtend,

J. Hop.

Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.

 

Productie 1. 9 september 2004. Het Openbaar Ministerie ressortsparket Arnhem bevestigt met een brief kenmerk IBO dat aan mij op 6 september 2004 geen inzage in het bijbanenregister van het ressortsparket Arnhem is gegeven.

Productie 2. Afschrift bijbanenopgave van Langeler uit het bijbanenregister van Gerechtshof Den Haag.

Productie 3. Afschrift bijbanenopgave van E.J. van den Boezem uit het bijbanenregister van Gerechtshof Arnhem met baan bij arrondissementsparket Arnhem

Productie 4. Afschrift bijbanenopgave van rechter Bijloo uit het bijbanenregister van de rechtbank Arnhem

Productie 5. Afschrift 1e pagina bijbanenregister arrondissementsparket Arnhem waarop Boezem ontbreekt

Het is dus van groot belang dat er afschriften van bijbanenregisters gegeven worden om de bijbanenopgave op juistheid te kunnen controleren waarbij ik verwijs naar een passage op de website van de rechtbank Arnhem:

"De gerechten hebben er voor gekozen om het openbare register van nevenfuncties op het internet te publiceren. Zij beogen hiermee volledige openheid en correcte informatie met betrekking tot de nevenfuncties. Bron website rechtbank Arnhem 9 september 2004.

 

 

Vervolgens laat Balkenende op 28 februari 2005 aan Hop weten dat hij hier niets aan heeft toe te voegen en in het vervolg dan ook zal volstaan met kennisgeving van brieven van Hop over dit onderwerp.

 

 

 

WET  MINISTERIňLE  VERANTWOORDELIJKHEID

(Tekst geldend op: 22-01-2006)

Wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der MinisteriŽle Departementen

Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.,

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, ter voldoening aan art. 73, in verband met art. 53 der Grondwet, de strafregtelijke verantwoordelijkheid van de Hoofden der MinisteriŽle Departementen moet worden geregeld door de wet en die regeling behoort plaats te hebben met inachtneming van art. 159 der Grondwet;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

[1.] De Hoofden der MinisteriŽle Departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt.

[2.] Zij zijn wegens het niet naleven van deze verpligting verantwoordelijk en in regten vervolgbaar overeenkomstig de volgende bepalingen.

Artikel 2

De mede-onderteekening van Koninklijke besluiten of Koninklijke beschikkingen wijst het Hoofd van het Ministerieel Departement aan, dat voor die besluiten of beschikkingen aansprakelijk is.

Artikel 3 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 4

De Hoofden der MinisteriŽle Departementen staan ter vervolging, hetzij van Onzentwege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den Hoogen Raad.

Artikel 5

[1.] Het besluit, waarbij van Onzentwege de vervolging van een der Hoofden van MinisteriŽle Departementen bevolen wordt, bevat eene naauwkeurige aanduiding der feiten, waarop de beschuldiging van een of meerdere der bij deze wet strafbaar gestelde misdrijven rust, benevens den last op den procureur-generaal bij den Hoogen Raad om de vervolging in te stellen.

[2.] Afschrift van dit besluit wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal medegedeeld.

Artikel 6

De Tweede Kamer der Staten-Generaal, zoodanige mededeeling ontvangen hebbende, neemt harerzijds geene aanklagt tegen denzelfden persoon wegens dezelfde feiten in overweging.

Artikel 7

Geene aanklagt tegen een der Hoofden van de MinisteriŽle Departementen wordt bij de Kamer in overweging genomen, tenzij door vijf leden schriftelijk en met opgave der feiten ingediend.

Artikel 8

[1.] De Kamer overweegt in de afdeelingen of de aanklagt een onderwerp van nader onderzoek zal uitmaken.

[2.] De Voorzitter geeft van het indienen der aanklagt binnen 24 uren kennis aan den betrokken Minister.

[3.] Het in overweging nemen der aanklagt kan niet vroeger dan acht dagen na deze kennisgeving aan de orde gesteld worden.

Artikel 9

Wanneer tot het in overweging nemen der aanklagt besloten is, wordt zij gesteld in handen eener commissie van onderzoek, daartoe door de volle Vergadering te benoemen.

Artikel 10

Zij, die de aanklagt hebben ingediend, zijn van deze commissie uitgesloten, doch kunnen door haar, tot het geven van nadere inlichtingen, worden gehoord.

Artikel 11

[1.] De commissie van onderzoek is belast met het opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de aanklagt vermeld, kunnen leiden.

[2.] De bepalingen der wet tot regeling van het regt van onderzoek (enquÍte) zijn daarbij van toepassing.

3. De bloedverwanten en aanverwanten van de betrokken minister, in de rechte linie en tot in de derde graad, alsmede zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner, zelfs na echtscheiding onderscheidenlijk beŽindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing, kunnen niet genoodzaakt worden verklaringen af te leggen.

Artikel 12

[1.] In iederen stand van het onderzoek is de commissie verpligt den betrokken Minister, wanneer hij dit wenscht, te hooren.

[2.] Hij kan niet genoodzaakt worden voor haar te verschijnen.

Artikel 13

[1.] Zoodra de commissie van onderzoek de aanklagt genoegzaam toegelicht acht, brengt zij over de daarbij aangevoerde feiten verslag uit.

[2.] Dit verslag wordt aan de Afdeelingen verzonden, en over de aanklagt verder geraadpleegd als over een voorstel van wet.

Artikel 14

[1.] Bij de beraadslaging over de aanklagt wordt de betrokken Minister, op zijn verlangen, gehoord, en aan hem in ieder geval het laatst het woord gegeven.

[2.] Hij behoudt dit regt, niettegenstaande hij vůůr of gedurende het onderzoek mogt zijn afgetreden.

Artikel 15

[1.] Wanneer eene aanklagt tegen een der Hoofden van de MinisteriŽle Departementen door de Tweede Kamer niet in overweging is genomen, kan, bij het opkomen van nieuwe bezwaren, de aanklagt hervat, in ieder geval, van Onzentwege de vervolging van den betrokken Minister ter zake derzelfde feiten bevolen worden.

[2.] Wanneer echter de aanklagt, na gedaan onderzoek en gehouden beraadslagingen, door de Tweede Kamer verworpen is, kan tegen den betrokken Minister wegens dezelfde feiten, noch van Onzentwege, noch van wege de Kamer, op nieuw eenig onderzoek ingesteld of eene strafvervolging gelast worden.

Artikel 16

[1.] Iedere aanklagt tegen een der Hoofden van de MinisteriŽle Departementen wordt geacht verworpen te zijn, wanneer binnen drie maanden, na hare indiening, door de Tweede Kamer geen eindbesluit is genomen.

[2.] Wanneer de aanklagt aanleiding geeft tot een onderzoek in de overzeesche bezittingen, kan deze termijn door de Tweede Kamer tot ťťn jaar verlengd worden.

[3.] Bij sluiting der zitting van de Staten-Generaal gedurende den loop van het onderzoek, begint, met den dag der opening van de volgende zitting, een nieuwe termijn van drie maanden te loopen.

[4.] Bij ontbinding der Tweede Kamer vervalt eene, bij haar aanhangige, aanklagt van regtswege, onverminderd de bevoegdheid tot het doen eener nieuwe aanklagt overeenkomstig art. 7.

Artikel 17

De stilzwijgende verwerping eener aanklagte, ten gevolge van het verloopen van den termijn, kan niet ingeroepen worden tegen den van Onzentwege gegeven last, om denzelfden persoon wegens dezelfde feiten te vervolgen.

Artikel 18

[1.] De Tweede Kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het regt, de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang.

[2.] Genoegzame gronden tot vervolging vindende, wijst zij, bij haar besluit, de feiten, waarop de beschuldiging rust, naauwkeurig aan, en belast den procureur-generaal bij den Hoogen Raad met de vervolging, onder toezending, binnen drie dagen, van het besluit met de aanklagt en de verzamelde bescheiden.

[3.] Afschrift van dat besluit wordt aan Ons en aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal medegedeeld.

Artikel 19

Na de ontvangst der mededeeling, bij het vorig artikel voorgeschreven, wordt van Onzentwege tegen den aangeklaagden Minister wegens dezelfde feiten geene vervolging gelast.

Artikel 20 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 21 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 22 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 23 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 24 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 25 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 26 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 27 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 28 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 29 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 30 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 31 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 32 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 33 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 34 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 35 [Vervallen per 01-09-1886]

Artikel 36

De regtsvordering tot vergoeding van schade, door een bij deze wet strafbaar gesteld feit geleden, kan allťťn op eene veroordeeling door den Hoogen Raad rusten, en wordt voor den gewonen burgerlijken regter ingesteld.

Artikel 37 [Vervallen per 01-01-1929]

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle MinisteriŽle Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 22sten April 1855

WILLEM.

De Minister van Justitie,

D. DONKER CURTIUS.

 

Uitgegeven den dertigsten April 1855.

 

De Directeur van het Kabinet des Konings,

DE KOCK.

 

 

MinisteriŽle en ambtelijke verantwoordelijkheid

Toespraak van mr. H.C.J.L. Borghouts, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Justitie, op 13 januari 2000, voor directeuren van de Dienst JustitiŽle Inrichtingen

MinisteriŽle en ambtelijke verantwoordelijkheid

U heeft mij gevraagd een inleiding te houden over de ministeriŽle en ambtelijke verantwoordelijkheid. Ik heb mij afgevraagd waarom die vraag aan mij is gesteld.
Ik meen het antwoord gevonden te hebben in de toelichting op het koninklijk besluit waarin de taak van de SG is omschreven. De desbetreffende passage luidt:
"zorg in verband met de ministeriŽle verantwoordelijkheid; naar de minister toe zal hij voor essentiŽle informatie moeten zorg dragen, opdat deze verantwoording kan afleggen; naar het ambtelijk apparaat toe zal hij moeten zorgen voor het op peil houden van de (staatsrechtelijke) kennis omtrent de verhouding minister-ambtenaren".


Dames en heren,

Dank voor uw uitnodiging, het is me een genoegen vandaag in uw midden te zijn.

Afgelopen zaterdag stond een opvallend berichtje in NRC Handelsblad, misschien heeft u het gezien. 'Ministers pleegden ambtsmisdrijf' aldus een strafrechtdocent (Vennix) van de VU. De fouilleringsactie in de Millinxbuurt zou impliceren dat de ministers Peper en Korthals de Grondwet hebben overtreden. (Het bericht was ontleend aan een stuk in het Nederlands Juristenblad.) De auteur wees op artikel 355 uit het Wetboek van Strafrecht. Een artikel dat nog nooit is toegepast. Van sommige wetten gaat kennelijk wel degelijk een preventieve werking uit. Volgens mij zit de auteur er naast, maar het deed me wel even stilstaan bij de wet die bepaalt op welke wijze een minister strafrechtelijk vervolgd dient te worden, als daar aanleiding toe bestaat. Die wet heet – het zal U wellicht verbazen - de Wet ministeriŽle verantwoordelijkheid.

De ministeriŽle verantwoordelijkheid waar wij tegenwoordig over spreken is een politieke verantwoordelijkheid. Deze politieke verantwoordelijkheid vloeit echter - historisch gezien - voort uit de strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Vůůr de invoering van de ministeriŽle verantwoordelijkheid waren ministers als een soort ambtenaren onderworpen aan de bevelen van de Koning. Pleegde een minister in zijn functie een strafbaar feit dan kon hij verwijzen naar de onschendbare Koning. Met de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid veranderde dit. De ministers werden strafrechtelijk verantwoordelijk. Zij moesten zich aan de wet houden. Zij konden zich niet meer achter een koninklijk bevel verschuilen. Er kwam zelfs - ik liet haar naam al vallen - een Wet ministeriŽle verantwoordelijkheid. Deze wet werd in 1855 ingevoerd en geldt nog steeds, tot op de dag van vandaag. Toch horen wij weinig over die wet. Dat is niet zo heel verwonderlijk. Zij heeft alleen betrekking op de strafrechtelijke ministeriŽle verantwoordelijkheid. Zij bevat procedurele regels inzake de strafrechtelijke vervolging van een minister. Deze wet heeft men – gelukkig - nog nooit hoeven toe te passen. Toch is de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid heel belangrijk geweest. Om vorm te geven aan deze strafrechtelijke verantwoordelijkheid, werd ook het "contraseign" ingevoerd. Dat was de medeondertekening door de minister van alle koninklijke besluiten. De ministers gingen politieke verantwoordelijkheid dragen.

Ik wil het vandaag niet hebben over grondwetsschendingen van ministers in de Millinxbuurt, een bewering die volgens mij op drijfzand is gebaseerd. Maar u zult het als directeuren van DJI wellicht aardig vinden om te weten dat de ministeriŽle verantwoordelijkheid is ontstaan uit het strafrecht. De politieke verantwoordelijkheid van een minister berust op vier pijlers, die ik stuk voor stuk kort bespreek. Daarna ga ik in op ambtelijke verantwoordelijkheid. Ik zeg iets over de versterking hiervan. En ik rond af met een enkele bespiegeling over de politieke verantwoordelijkheid van ambtenaren.

Wat houdt de politieke ministeriŽle verantwoordelijkheid in?

Vier pijlers
De eerste pijler. De kern van de ministeriŽle verantwoordelijkheid wordt gevormd door de plicht tot het verstrekken van antwoorden aan de Kamer. Thorbecke wees daar al op toen hij zei:
"De minister is verantwoordelijk. Zoo dit iets beteekent, het beteekent in de eerste plaats, dat hij antwoord geve." Maar bij het geven van antwoorden blijft het niet. MinisteriŽle verantwoordelijkheid strekt verder dan een kale antwoordplicht. Zij betekent ook: motiveren, rechtvaardigen en verdedigen van het gevoerde beleid. MinisteriŽle verantwoordelijkheid houdt in dat rekenschap moet worden afgelegd; rekenschap over het door de minister gevoerde beleid. Het is niet mogelijk rekenschap af te leggen over zaken ten aanzien waarvan men geen bevoegdheden heeft. Iedere poging daartoe blijft steken in een beschrijving van wat er is gebeurd en in een beschrijving van hoe men de informatie daarover verkregen heeft. Het afleggen van verantwoording strekt dan ook verder dan het geven van dit soort inlichtingen. Het onderscheid tussen de verantwoordingsplicht en de inlichtingenplicht wordt ook in de Grondwet gemaakt. Van oudsher zijn er twee aparte artikelen aan gewijd. Een voorbeeld kan dit - soms wat subtiele maar wel belangrijke - onderscheid illustreren. De Minister van Justitie is niet verantwoordelijk voor rechterlijke uitspraken. Wanneer een rechter een uitspraak doet die een kamerlid onwelvallig is, kan het kamerlid de minister om tekst en uitleg vragen. Hij kan hem vragen of de minister van die uitspraak kennis heeft genomen, wat zijn opvatting over die uitspraak is en welke maatregelen hij denkt te nemen. De minister zal daarop antwoord geven. Wat de minister niet kan doen, is de rechterlijke uitspraak voor zijn rekening nemen. Hij kan er geen verantwoording over af leggen. Dat kan hij niet, omdat hij geen rechterlijke bevoegdheden heeft. Hij hoeft een rechterlijke uitspraak ook niet te rechtvaardigen. Zijn ministeriŽle verantwoordelijkheid strekt zo ver niet. Overigens zal een verstandige minister zich niet of hoogst zelden laten verleiden tot het geven van zijn opvatting over een rechterlijke uitspraak. In de vorige kabinetsperiode heeft de minister van Justitie het ťťnmaal gedaan: ten tijde van de Tjoelkerzaak. Gezien de grote maatschappelijke commotie over de uitspraak mijns inziens terecht.

De tweede pijler wordt tot uitdrukking gebracht in twee adagia: geen verantwoordelijkheid zonder bevoegdheid – geen bevoegdheid zonder verantwoordelijkheid. Die twee adagia horen bij elkaar. Zij zijn niet los van elkaar te zien. De ťťn veronderstelt de ander. Een minister kan slechts verantwoordelijk zijn voor zijn eigen bevoegdheden. Deze adagia stellen grenzen aan de omvang van de ministeriŽle verantwoordelijkheid. Enige jaren geleden heeft de Kamer deze adagia uitdrukkelijk aanvaard. * Er wordt wel verzucht dat deze adagia de ministeriŽle verantwoordelijkheid te veel beperken, bijvoorbeeld ten aanzien van de ministeriŽle verantwoordelijkheid voor het optreden van zelfstandige bestuursorganen, de zogeheten zbo's. Bij zbo's heeft de minister immers een aantal van zijn bevoegdheden op afstand gezet. De adagia zouden aan het afleggen van verantwoording over een modern, slagvaardig bestuur in de weg staan, zo wordt wel beweerd. Waarom zijn deze adagia zo belangrijk? Omdat als zij niet zouden gelden, de minister uit allerlei vage verantwoordelijkheden bevoegdheden zou kunnen afleiden. En dat is iets waar wij niet van willen weten. Die zorg heeft te maken met de waarborgen van onze rechtsstaat. Als een minister over ieder onderwerp, waarvoor hij verantwoordelijk wordt gehouden, ongelimiteerd over bevoegdheden zou beschikken, dan wordt de rechtsstaat wezenlijk aangetast. Alleen in een totalitair regime beschikt de ambtsdrager over alle bevoegdheden die hij nodig acht voor het uitvoeren van zijn taak. In een rechtsstaat daarentegen beschikt het bestuur alleen over die bevoegdheden die het uitdrukkelijk op grond van de wet zijn toegekend. Wij kennen in ons land een uitgekiend systeem van wettelijke voorschriften; een systeem dat vrij precies aangeeft onder welke omstandigheden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden onder bepaalde voorwaarden mogen uitoefenen. De wet vormt de basis. Voor dat inzicht is het belangrijk, dat wij ons terdege bewust zijn van de 19e eeuwse wortels van de ministeriŽle verantwoordelijkheid. Toen werd in de Grondwet de gedachte neergelegd dat ook de ministers voor hun volledige verantwoordelijkheid onder de werking van de wet vallen.

De derde belangrijke pijler voor de werking van de ministeriŽle verantwoordelijkheid vormt de vertrouwensregel. Ook die regel stamt uit het midden van de 19e eeuw. De vertrouwensregel mag niet worden verward met de ministeriŽle verantwoordelijkheid. Op grond van het argument dat het vertrouwen in de minister door de Kamer op iedere denkbare grond kan worden opgezegd, wordt soms – ten onrechte - aangevoerd dat de minister dus voor alles verantwoordelijk is, ook voor zaken die buiten zijn bevoegdheden liggen. Die visie gaat voorbij aan de belangrijke rechtstatelijke waarborgen die ons systeem biedt. De vertrouwensregel houdt een sanctie in. De vertrouwensregel houdt in dat een minister dient af te treden indien een van beide Kamers der Staten-Generaal het vertrouwen in de minister opzegt. Die sanctie kŠn worden opgelegd omdat de Kamer vindt dat de minister zijn verantwoordelijkheid niet heeft waargemaakt; maar dat hoeft niet. Aan het aannemen van een motie van wantrouwen kunnen ook hele andere overwegingen ten grondslag liggen, bijvoorbeeld de politieke kleur of het persoonlijk gedrag van de bewindspersoon. Aan een motie van wantrouwen kunnen dus overwegingen ten grondslag liggen die niet direct van doen hebben met de manier waarop de minister zijn bevoegdheden uitoefent. Verantwoording kan worden verlangd zonder dat daarbij de sanctie van de vertrouwensregel in het geding is, terwijl het vertrouwen kan worden opgezegd ook indien de minister zich toereikend verantwoordt. Ook uit het feit dat de vertrouwensregel een ruime reikwijdte heeft, mag dus niet worden afgeleid dat de ministeriŽle verantwoordelijkheid onbegrensd is. De vertrouwensregel heeft geen betrekking op de functie, het ambt, maar op de persoon die deze functie vervult. Dit verklaart waarom een persoon die inmiddels een andere post als minister heeft aanvaard, door de Kamer kan worden gedwongen om op te stappen op grond van zijn functioneren in zijn vorige ambtsperiode. Zo stapte minister van Eekelen op als Minister van Defensie omdat hij mede verantwoordelijk werd gehouden voor zijn optreden als Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Dat was in de paspoortenaffaire.

De vierde pijler betreft de reikwijdte van de ministeriŽle verantwoordelijkheid. MinisteriŽle verantwoordelijkheid geldt niet de persoon van de minister, maar het ambt; het is een soort risico-aansprakelijkheid. De minister is staatsrechtelijk verantwoordelijk voor alles wat zich binnen zijn bevoegdheden afspeelt. Hij is ook verantwoordelijk voor wat daarbinnen niet-gebeurt, maar juist zou moeten gebeuren. Deze aansprakelijkheid gaat verder dan wat de minister persoonlijk verweten kan worden. Om persoonlijke verwijtbaarheid gaat het eigenlijk niet. Dat lijkt iets unfairs te hebben, maar zo zit het spel in elkaar. Een minister is verantwoordelijk voor zijn ondergeschikten, ook al is het menselijkerwijs onmogelijk om precies te weten wat al die ondergeschikten doen. Een zittende minister moet zich ook verantwoorden voor de gedragingen van zijn ambtsvoorganger, ook al heeft hij zelf geen invloed kunnen uitoefenen op wat er voor zijn tijd gebeurde. Die risico-aansprakelijkheid is in het civiele recht ook niet ongewoon. A. Pitto zegt er in zijn "Het systeem van het Nederlands privaatrecht" het volgende van:
"Soms eist de samenleving, dat de debiteur aansprakelijk is ook als hem geen enkel verwijt treft. Wie dergelijke risico's wenst te vermijden, dient aan het verkeer geen deel te nemen. Ook aan de kans een verkeersongeluk op te lopen kan men zich slechts op ťťn wijze onttrekken: door thuis te blijven. Misschien stort dan het dak in."

Ik heb U nu vier belangrijke pijlers voorgehouden, waarop de politieke ministeriŽle verantwoordelijkheid gestoeld is:

Aan deze vier pijlers moeten wij niet tornen. Zij staan voor belangrijke waarden in ons bestel. Het verwijderen van de pijlers zou tot systeemfouten leiden. Niet voor niets heeft de minister-president - nog maar enkele maanden geleden - benadrukt dat het kabinet de inhoud en reikwijdte van de ministeriŽle verantwoordelijkheid onverkort wenst te handhaven. **

Iets anders is dat we binnen de kaders van dat stelsel wel moeten nadenken over de eisen die de moderne tijd aan ons stelt. Wij zijn vorige week de 21e eeuw binnen gegaan. Die ziet er wezenlijk anders uit dan de eeuw waarin de ministeriŽle verantwoordelijkheid haar beslag kreeg. De bevolking is verveelvoudigd. Het aantal ambtenaren is zeer aanzienlijk toegenomen. Wist U dat 200 jaar geleden, bij de instelling van het Ministerie van Justitie, het departement 13 ambtenaren en een kamerbewaarder telde? Dat is wel heel wat anders dan de ruim 33.000 van nu! (Daarvan maakt de Dienst JustitiŽle Inrichtingen, zoals U weet, ongeveer de helft uit.) Toch is de minister nog steeds politiek verantwoordelijk voor het handelen van Šl zijn ondergeschikten. Het is duidelijk dat deze tijd andere eisen stelt. De getallen spreken voor zich. Hoewel… er is nog steeds maar ťťn kamerbewaarder.
Het is in ieder geval de enorme groei, die wel eens leidt tot de verzuchting dat de ministeriŽle verantwoordelijkheid is uitgehold. Hoe kan de minister bekend blijven met al het ambtelijk doen en nalaten? En hoe kan hij er greep op houden? De ministeriŽle verantwoordelijkheid zou een fictie zijn geworden. De groei en de toenemende complexiteit van het ambtelijk apparaat, maken wellicht feitelijk soms een fictie van de ministeriŽle verantwoordelijkheid, maar juridisch is de ministeriŽle verantwoordelijkheid een harde realiteit.

Ambtelijke verantwoordelijkheid
De ministeriŽle verantwoordelijkheid kan evenwel niet los worden gezien van de ambtelijke verantwoordelijkheid. Ambtenaren hebben hun eigen verantwoordelijkheden. De ambtelijke verantwoordelijkheid is niet zozeer politiek als wel functioneel van aard. De ambtelijke verantwoordelijkheid heeft betrekking op het functioneren van de ambtenaar. Zij wordt uiteindelijk afgelegd jegens de bewindspersoon. De ambtelijke verantwoordelijkheid haakt aan bij de ministeriŽle verantwoordelijkheid. De minister vormt de schakel tussen de ministeriŽle en de ambtelijke verantwoordelijkheid. De ambtelijke verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend binnen de beslotenheid van het ministerie: zowel de bestuursdienst als de buitendiensten. Als er dus een brief naar het parlement moet en er blijkt met betrekking tot dat onderwerp een open eind, lees een financieel tekort te zijn, helpt het niet als de leidinggevende van het desbetreffende deel zegt dat hij garant staat voor de invulling van dat gat. Dat is staatsrechtelijk volstrekt oninteressant. Belangrijk is wat de minister het parlement bericht. En deze zal geen gat willen presenteren aan het parlement. De leiding moet dus niet garant staan, maar maatregelen presenteren. Wij dienen ons er echter van bewust te zijn dat die beslotenheid aan verandering onderhevig is. Zij heeft een ander karakter dan in het verre verleden. De behoefte aan openbaarheid en transparantie, die zich in de hele samenleving manifesteert, heeft haar weerslag op het apparaat. Ambtenaren zijn gesprekspartners van vele maatschappelijke organisaties. Ook de manier van besturen is aan verandering onderhevig. Wij spreken tegenwoordig veel over interactief bestuur, over de horizontalisering van verhoudingen. De ambtenaar van nu heeft, als het goed is, een andere attitude. Hij treedt op naarbuiten toe. Een interactieve bestuurder doet toezeggingen. Hij maakt afspraken. Hoe weet hij nu dat zijn leidinggevenden hem steunen? Wat als de Kamer de minister terugfluit? Dat zal de betrouwbaarheid jegens de onderhandelingspartners niet ten goede komen. Juist interactief uitgevoerd beleid kan betrekkelijk gemakkelijk leiden tot fricties met de ministeriŽle verantwoordelijkheid. De ontwikkelingen in de informatie en communicatietechnologie dragen aan die andere wijze van besturen bij. Dat geeft een zekere spanning met het van oudsher besloten karakter van het ambtelijk apparaat. Het is - in het licht van de huidige ontwikkelingen - van belang na te denken over de vraag hoe de ambtelijke verantwoordelijkheid beter gestalte kan krijgen. Ik noem hier vier punten:

ARAR
Eťn van de instrumenten staat in het ARAR, het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Het is de klassieke regel dat een ambtenaar gehouden is zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Dat is wel een heel vage norm, zult u denken, en dat is ook zo. Maar met al zijn vaagheid heeft deze norm – de ambtenaar dient zich te gedragen als een goed ambtenaar – hele generaties van ambtenaren de juiste weg gewezen. De jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep levert daaraan een belangrijke bijdrage. Over de actuele waarde van deze regel wordt wel eens meesmuilend gedaan. Dit zegt evenwel mťťr over het gebrek aan besef bij de hedendaagse ambtenaar - over wat zijn klassieke plicht is -, dan dat het iets zegt over de regel zelf. In deze tijd wordt nogal eens het bedrijfsleven tot voorbeeld genomen: ook de overheid dient marktgericht, produktgericht en cliŽntgericht te denken. Het is in dit verband zinvol te bedenken dat de private sector van oudsher een vergelijkbare norm kent. In het Burgerlijk Wetboek staat de regel dat een werknemer zich als een goed werknemer dient te gedragen. Niet iedere directeur van een onderneming zal deze regel dagelijks voor ogen hebben. Maar als een werknemer in zijn bedrijf iets fouts doet, weet de directeur onmiddellijk waar hij zijn werknemer aan mag houden. Het gaat mij erom dat de klassieke regel een opwaardering verkrijgt. Het belang van deze regel dient opnieuw onderstreept te worden. Men kan haar actuele waarde ook zo bezien: stel dat deze regel nog niet zou bestaan. Zou de politiek dan thans niet onmiddellijk iets in de geest van deze regel uitvaardigen?

Inzicht in democratische verhoudingen
Hiermee zijn we er uiteraard nog niet. Ik noem een tweede aspect. Het ambtelijk apparaat dient een goed inzicht te hebben in de democratische verhoudingen. Allen in de rijksdienst moeten doordrongen zijn van het belang dat "hun" minister geÔnformeerd wordt om zich tegenover het parlement te kunnen verantwoorden. Die informatieverstrekking dient tijdig en adequaat te gebeuren. De minister dient op de hoogte te worden gehouden van alles wat politiek relevant is of politiek relevant kan worden. Dat is niet altijd eenvoudig. Het vereist een goed inzicht in de werking van de democratie en de politiek-bestuurlijke verhoudingen. Alleen zo kan de bewindspersoon zijn ministeriŽle verantwoordelijkheid jegens de Kamer waarmaken.

Transparante organisatie
Daarnaast is het voor de minister van belang om op zijn ministerie over een heldere, doorzichtige organisatiestructuur te beschikken. Dat is een derde punt. Voor de minister is het hebben van inzicht in de werking van zijn apparaat van groot belang. Een heldere organisatiestructuur geeft de minister greep op zijn departement. De ministeriŽle verantwoordelijkheid voor het handelen van zijn ambtenaren verliest in een transparante organisatie aan fictief karakter. De bewindspersoon kan daardoor zijn politieke verantwoordelijkheid beter waarmaken. Een voor iedereen duidelijke organisatiestructuur bevordert ook dat de ambtelijke verantwoordelijkheden beter in beeld komen. In een steeds complexer en omvangrijker wordend apparaat, kunnen moderne communicatiemiddelen - zoals intra- en internet - daarbij een behulpzame hand bieden. Deze technische ontwikkelingen kunnen de informatieverstrekking langs de lijnen aanzienlijk versnellen. Zo kan de communicatie binnen het ministerie verbeterd worden. Wij staan wat dat betreft nog maar aan het beginpunt van nieuwe ontwikkelingen.

Politieke verantwoordelijkheid
Tot slot een vierde aspect: de politieke verantwoordelijkheid van ambtenaren. Dat is een precair punt. In beginsel mogen ambtenaren, in het kader van hun werkzaamheden, geen rechtstreekse contacten onderhouden met leden van de Staten-Generaal. Daarvoor is vooraf toestemming van de minister vereist. De minister dient er zoveel mogelijk bij aanwezig te zijn. De regels zijn op dit punt vrij stringent geformuleerd. Op zichzelf is dat ook goed te begrijpen: de verantwoordelijkheid van de ambtenaar is een functionele verantwoordelijkheid jegens zijn minister, terwijl de ministeriŽle verantwoordelijkheid politiek van aard is, van de minister jegens de volksvertegenwoordiging. Voor zover ambtenaren extern optreden, moet een onderscheid worden gemaakt tussen het verstrekken van inlichtingen van feitelijke aard en het uitdragen van persoonlijke beleidsopvattingen. Tegen een feitelijke beschrijving - een weergave van de stand van zaken - bestaat geen bezwaar. De regels staan dat ook toe. Wel is het van belang dat in de Kamer die inlichtingen dan ook als zodanig worden aangeduid. De problemen ontstaan pas als de ambtenaar zich een oordeel over het beleid aanmeet. Lastig daarbij is dat de grens tussen feit en oordeel in de praktijk niet zo gemakkelijk is te trekken. Laten we er geen doekjes om winden. Er is op dit punt een duidelijk verschil tussen regel en praktijk: ook ambtenaren treden naarbuiten toe op met beleidsopvattingen. Wanneer ambtenaren persoonlijk in de Kamer hun gedachten en gevoelens openbaren, gaan zij een stap te ver. Dit optreden ondermijnt de politieke verantwoordelijkheid van de minister. Ambtenaren zijn doorgaans niet met externe bevoegdheden bekleed; in principe is alleen de minister dat. Het is dan ook de minister die ten volle de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van die bevoegdheden moet dragen. Daarvoor weet hij zich gesterkt, indien ook de ambtelijke verantwoordelijkheid volledig wordt gedragen. Het is in dat licht dat ik U drie punten heb voorgehouden:

Intern weten minister en ambtenaar elkaar daardoor sneller te vinden: de minister is tijdig en volledig geÔnformeerd. Ambtelijke en ministeriŽle verantwoordelijkheid haken in elkaar. Het ambtelijk apparaat kan alleen goed functioneren als de minister zijn verantwoordelijkheid neemt. En het omgekeerde is ook waar: verantwoordelijke ambtenaren maken het een minster mogelijk zijn – of haar - werk goed te doen.

Ik heb een paar handzame tips:
1. Schroom niet uw bewindspersoon te informeren over alles waarvan u denkt dat het hem of haar helpt zijn haar ministeriŽle verantwoordelijkheid te dragen.
2. Vergewis u ervan dat uw informatie de bewindspersoon bereikt. Wendt u zich desnoods tot de secretaris-generaal om daarvan verzekerd te zijn.
3. Weet wŤl wat u doet als u zich buiten de hierarchische lijn om rechtstreeks tot uw secretaris-generaal wendt. Geef er in ieder geval kennis van aan uw hoogste lijnchef.
4. Geef uw informatie op zo'n manier dat het ook voor de bewindspersoon duidelijk is dat het om een belangrijk punt gaat die zijn/haar aandacht nodig heeft.

Tot slot, de ambtelijke verantwoordelijkheid komt onder meer tot uiting in de ambtelijke vrijheid van meningsuiting. Dit onderwerp is de laatste jaren weer in de belangstelling.
Heeft de ambtenaar vrijheid van meningsuiting?
Ja, het grondwettelijke gewaarborgde recht van vrijheid van meningsuiting geldt ook in de verhouding overheid-ambtenaar.
Kan de ambtenaar dan niet worden "aangepakt" als hij ervan gebruik maakt?
Dat kan hij wel. Het hangt af van onderwerp en omstandigheden of dit gebeurd. Er zijn wel enige criteria te geven daarvoor (zie Aanwijzingen ambtelijk extern optreden, nr. 15).
Ik noem hier:
a. Afstand functie-beleidsterrein; een gevangenisdirecteur die in een krant schrijft dat het huidige euthanasiebeleid van het kabinet helemaal fout is, mag dat in beginsel doen; de wetgevingsjurist die het euthanasiebeleid voorbereidt op het departement niet;
b. politieke gevoeligheid: als na lange moeizame besprekingen een beleid over de uitbreiding van Schiphol is bereikt,is het niet verstandig als ambtenaar van VenW of VROM op het kerndepartement, de volgende dag een vlammend stuk te schrijven dat het kabinet het er weer bij laat zitten;
c. wijze waarop uitspraken worden gedaan: een wetenschappelijk betoog in een wetenschappelijk tijdschrift is eerder aanvaardbaar dan een ingezonden brief in een krant.
d. ernst en duur van de ontstane problemen: indien de commotie twee dagen de media bezig houdt zal de ambtenaar minder kans op een reactie maken dan wanneer de commotie weken duurt en onder meer leidt tot kamervragen, een interpellatie en dergelijke
Let wel, dit zijn slechts handreikingen ter beoordeling. Uiteindelijk gaat het om de vraag of het functioneren van de openbare dienst nog ongestoord door kan gaan of niet. En de beoordeling daarvan komt niet alleen toe aan de betrokken ambtenaar.

Dank voor uw aandacht.

* In 1993/94 n.a.v. het rapport "Steekhoudend ministerschap" van de Commissie-Scheltema, de Eerste externe commissie MinisteriŽle verantwoordelijkheid.
** N.a.v. de notitie-Geelhoed over dit onderwerp.


Bron: Directie Voorlichting

 

 

Het CDA en de Balkenende normen met correspondentie tussen J. Hop en Minister- President Jan Peter Balkenende
GHA Het CDA. Hoe komt de grootste christelijke partij van Nederland aan zijn  stemmen?
452 Het CDA staat in Nederland BOVEN DE WET en kan dus ongestoord de verkiezingsposters van Groep Hop blijven vernielen
346 CDA duldt geen kritiek in eigen blad, wil hoofdredacteur Christen Democratische Verkenningen de laan uitsturen
446 De 1-ste Balkenende-norm: Het naleven van regels door de overheid zelf dient als een visie te worden aangemerkt
447 De 2e Balkenende-norm: Je mag alleen iets zeggen als je het met mij eens bent en bang zijn om tegen mijn beleid te ageren
448 De 3e Balkenende-norm. Ik vervuil het milieu met bergen papierafval om u ervan te overtuigen het met me eens te zijn
449 De 4e Balkenende norm. Justitiemedewerkers worden opgeleid om toe te schrijven naar de conclusie om burgers kapot te maken
290 Hop: "Als u minder te besteden hebt let op milieu retourneer ongevraagd drukwerk aan de afzender"
   

top